Chapter 35

Verwantschap van Heliogabalus met de Sevēri.Heliogabalus was priester van den zonnetempel te Emesa in Syria. Door zijne groote gelijkenis op (M. Aurelius Antonīnus) Caracalla, kwam Iulia Maesa op het denkbeeld, den schoonen, doch onbeteekenenden knaap, die slechts 14 jaar oud was, voor een zoon van Caracalla te doen doorgaan. Zóó werd hij onder den naam M. Aurelius Antoninus tot keizer uitgeroepen (218–222). Hij beging als keizer allerlei laffe dwaasheden, stelde o. a. een senaat voor vrouwen in, onder wiens bestuur de modes zouden geregeld worden, en gaf zich onbeteugeld aan uitspattingen en wellust over, terwijl hij zich overigens geheel door zijne moeder Soaemis liet beheerschen. Hij had zijn neef, den edelen Alex. Severus, tot mederegent aangenomen (221); toen hij echter dezen naar het leven stond, werd hijzelf met zijne moeder door de soldaten omgebracht.Heliopolis,Ἡλίου πόλις, stad in Coelesyria tusschen den Libanon en den Antilibanon, ook Baälbek = Baälsstad genoemd, eene prachtige stad, de hoofdzetel van den Baälsdienst. Antonīnus Pius liet hier een schoonen tempel voor Jupiter bouwen.—2)stad in Aegypte, aan het begin der Nijldelta, hoofdzetel van den aegyptischen zonnedienst. De stad leed veel door den veldtocht van Cambȳses. In den griekschen tijd is de stad vervallen.Helius,Ἥλιος,Sol, zoon van Hyperīon en Thea of Euryphaëssa, broeder van Selēne en Eos, de zonnegod. Iederen morgen komt hij in het uiterste Oosten uit den Oceaan op en voert zijn schitterenden wagen, bespannen met vier paarden, die zoo vurig zijn, dat zelfs Zeus ze niet kan besturen, langs den hemel, om ’s avonds in het Westen weder in den Oceaan neder te dalen, van waar hij v. s. des nachts in een gouden boot slapend naar het O. terugkeert. Hij is, daar hij met zijne stralen overal doordringt, alziend (πανδερκής) en dus alwetend, daarom werd hij bij plechtige verzekeringen en eeden als getuige aangeroepen. Op het eiland Thrinacia weidden zijne dochters, Phaethūsa enLampetia, voor hem 7 kudden runderen en 7 kudden schapen, elke van 50 stuks, een getal dat nooit grooter of kleiner werd, en op vele plaatsen, waar hij vereerd werd, vond men aan hem gewijde kudden. Zijne kinderen waren o.a. Aeētes, Circe en Phaëthon.—Hel. werd vrij algemeen in Griekenland vereerd, vooral op Rhodus, waar zijn 100 voet hoog beeld stond, de zoogenaamde colossus van Rhodus, het werk van Chares. Men offerde hem witte paarden, verder rammen, stieren en geiten; de haan en de arend waren hem gewijd. Op zijne afbeeldingen draagt hij een stralenkrans en een wijden mantel en heeft hij een wereldbol in de hand, soms staat hij op zijn wagen. Vgl.Apollo.Helium ostium, de zuidelijke mond van den Rijn, de oude Maasmond, die toen veel breeder was dan tegenwoordig.Hellanīcus,Ἑλλάνικος, van Mytilēne, jongere tijdgenoot van Herodotus, logograaf, wiens vrij talrijke werken verloren gegaan zijn. Hoewel hij veel gereisd en veel gestudeerd had, wordt hem door sommige oude schrijvers gemis aan oordeel en onnauwkeurigheid verweten.Ἑλλανοδίκαι, een commissie van burgers uit Elis, belast met de regeling van en het toezicht op de olympische spelen, zij fungeerden tevens als kamprechters. Aanvankelijk was dit aan één persoon opgedragen, later vindt men 2, nog later 9, 10 of 12 rechters vermeld.Hellas,Ἑλλάς. In Homerus’ tijd was Hellas alleen de naam eener stad in het zuid-thessalische landschap Phthiōtis of Phthia, het gebied van Achilles. In het historische tijdperk is Hellas = Graecia, n. l. 1) Midden-Griekenland, thans Livadia,—2)de Peloponnesus,—3)de door ligging en beschaving tot Griekenland behoorende eilanden. Epīrus en Thessalia, samen ook wel Noord-Griekenland genoemd, werden door de oude Grieken niet tot Hellas gerekend. Daar de Grieken hun land niet als één geheel beschouwden, maar als een complex van verschillende staatjes en volken, hadden zij voor Hellas geene bepaald aangegeven aardrijkskundige grens, en daar ook buiten Hellas Grieken woonden, is de uitdrukkingἡ πᾶσα Ἑλλάςniet altijd juist te bepalen, en meermalen = al wat Grieksch is. In engeren zin is Hellas alleen Midden-Griekenland, met de landschappen Attica, Megaris, Boeotia, Locris, Doris, Phocis, Aetolia en Acarnania. Als rom. provincie heette Griekenland Achaia.Helle,Ἕλλη, dochter van Athamas (z. a.) en Nephele. Door hare moeder van den dood gered, vluchtte zij met haar broeder Phrixus uit hun vaderland en verdronk in de zee, die naar haar Hellespont genoemd wordt.Hellen,Ἕλλην, zoon van Deucalion en Pyrrha, of van Zeus en Dorippe, vader van Dorus, Aeolus en Xuthus, stamvader der Hellenen.Hellēnes,Ἕλληνες. Vóór Homerus bestaat er geen gemeenschappelijke volksnaam voor de bevolking van Griekenland. In verschillende streken komen verschillende stammen voor:Abantes, Curētes, Caucōnes, Leleges,Epēi, Dryopes, Danaï, Dolopes, Myrmidones, welke laatsten bij Homerus ook Hellenen worden genoemd naar hunne stad Hellas. Mettertijd verdwijnen deze stammen door samensmelting, verhuizing, enz., en komen twee andere namen,PelasgienHellenes, er voor in de plaats. Beide stammen kwamen uit Thessalia, de Pelasgen het eerst. De Hellenen drongen de Pelasgen weder op den achtergrond en de naam Hellenen werd de algemeene volksnaam.—Als gemeenschappelijke naam der Grieken bezigt Homerus wel den naamAchaei, waarschijnlijk waren deze in zijn tijd de voornaamste stam. De grieksche schrijvers evenwel splitsen de Hellenen weder in vier stammen:Aeoles, Achaei, Iōnes, Dores. Het is hier de plaats niet, over de afkomst en onderlinge verhouding dezer stammen gissingen te maken. De Ioniërs en Doriërs werden allengs de hoofdstammen.Hellenismus, de algemeen gebruikelijke naam voor de Grieksche beschaving na Alexander den Groote. De oostersche volkeren hebben de Grieksche beschaving overgenomen en vervormd, en wederom invloed uitgeoefend op de eigenlijk Grieksche beschaving. Hellenistisch wordt de kunst, de poëzie, de geschiedbeschrijving, de philosophie en de godsdienst zoowel van de Grieken als van de oostersche volkeren.Ἑλληνοταμίαιeen college van 10 door de volksvergadering gekozen atheensche ambtenaars, die de bijdragen der bondgenooten moesten innen en de bondskas beheerden. Deze bijdragen beliepen in den peloponnesischen oorlog ongeveer 1300 talenten; de kas werd aanvankelijk op Delus, sedert 454 op voorstel van Pericles te Athene bewaard. ZiePericles.Hellespontus,Ἑλλήσποντος, zee van Helle,die volgens de mythe daar zou verdronken zijn, thans de straat der Dardanellen. Ook het aziatische kustland langs de zeeëngte en zelfs nog verder oostwaarts wordt somtijds Hellespontus genoemd. In den lateren keizerstijd was dit ook de naam der rom. provincie, die uit Troas en een deel van Mysia gevormd was en Cyzicus tot hoofdstad had.—Hellespontias, een van den Hellespont komende wind.Helli,Ἑλλοί=Selli.Hellomenum,Ἑλλόμενον, havenstad aan de O.-zijde van het eiland Leucas.Hellopia,Ἑλλοπία=Ellopia.Hellotia,Ἑλλώτια, 1) feest te Corinthe ter eere van Athena, die hier den bijnaam Hellōtis had.—2)feest op Creta ter eere van Europa, die hier onder den naam Hellōtis goddelijke eer genoot.Helmantica=Salmantica.Helōrusof-um,Ἕλωρος, -ον, stad aan de Oostkust van Sicilia ten Z.Z.W. van Syracusae, aan den mond van de rivier Helorus.Helos,Ἕλος, stadje aan de Laconische golf, te midden van moerassen gelegen; vandaar de naam. De ouden leidden, op den klank af, den naam Heloten van deze stad af. Ook eene lage streek in Elis aan den Alphēus droeg dezen naam.Helōtes,Εἵλωτες, Εἱλῶται, de afstammelingen der vroegere bewoners van Lacedaemon, die door de dorische veroveraars van vrijheid en goederen beroofd waren en als staatsslaven aan particulieren ten gebruike gegeven werden, voor wie zij als lijfeigenen het land bebouwden. Van de opbrengst van het land hadden zij een bij de wet bepaalde hoeveelheid aan hunne heeren af te staan, het overige was voor hen, zoodat zij onder gunstige omstandigheden eenig vermogen konden verwerven. Het was den heeren niet geoorloofd hen te dooden of buitenslands te verkoopen, ook mochten zij niet zonder toestemming van den staat vrijgelaten worden. Daarentegen kregen zij somtijds van staatswege de vrijheid voor dapperheid, in den oorlog betoond, waarin zij als lichtgewapenden, zeer zelden als hoplieten, later ook als matrozen dienden. Z.Νεοδαμώδεις. Het burgerrecht kregen zij hoogst zelden. Z. echterΜόθακες. In 464 stonden zij na eene groote aardbeving op en trokken zij zich in de vesting Ithōme terug, vanwaar zij 10 jaar lang een oorlog voerden, die eindigde met hun vrijen aftocht uit de Peloponnesus. Hun groot aantal boezemde den Spartanen voortdurend vrees voor dergelijke voorvallen in, die zich in strenge, soms gewelddadige maatregelen uitte. Z.κρυπτεία.HelvaeonesofHelvecones, germaansche stam tot de Lugii, de latere Vandalen, behoorend, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel).Helvetii,Ἑλουήτιοι, een machtig keltisch volk tusschen den mons Iura (Jurageb.), den Rhodanus (Rhône) en den Rhenus (Rijn), verdeeld in vierpagiof kantons, waarvan twee, depagus Tigurīnusen dep. Verbigenusnader bekend zijn. Z. ookToygeni. De Helvetiërs sloten zich aan bij de Cimbren; de Tiguriners brachten in 107 onder Divico den rom. consul L. Cassius Longīnus (Cassiino. 3) eene beslissende nederlaag toe; Cassius sneuvelde en zijn leger moest onder het juk doorgaan. Een ander gedeelte der Helvetiërs keerde na de nederlaag der Cimbren in 101 weder naar hun land terug. In 58, bij Caesars komst in Gallia, ondernamen de Helvetiërs weder een groote volksverhuizing, doch werden door Caesar met ontzaggelijk verlies teruggeslagen; van de 263000 menschen bleven slechts 110000 over. Sedert dien tijd begon men denager Helvetiorummet rom. sterkten te bezetten. Na den dood van keizer Otho, toen de Helvetiërs Vitellius niet wilden erkennen, werden zij als wilde dieren opgejaagd en vervolgd. Deager Helvetiorumbehoorde tot Belgica, en strekte zich oorspronkelijk tot aan de Bodensee uit. Sedert de indeeling van het rijk door Diocletiānus behoorde het oostelijke gedeelte en de geheele Bodensee tot Raetia.Helvidii, rom. geslacht, uit Samnium afkomstig. 1)P. Helvidius Rufus, bij Cicero vermeld, een vriend van Cluentius.—2)Helvidius Priscusdempte met veel beleid in 51 na C. de onlusten in Cappadocia; v. s. is dit dezelfde als no. 3.—3)C. Helvidius Priscus, schoonzoon van Thrasea Paetus, was een man vanrepublikeinschegezindheid en een beoefenaar van wetenschap en wijsbegeerte, vooral van die der Stoicijnen. Onder Nero bekleedde hij de quaestuur, de praetuur en het volkstribunaat, doch werd om zijn staatkundige gevoelens verbannen. Hij werd door Galba teruggeroepen; Vespasiānus verbande hem nog eens, en liet hem later, omdat hij niet ophield zich tegen den keizer vijandig te betoonen, ter dood brengen.—4)Helvidius Priscus, zoon van no. 3, stierf onder Domitiānus in den kerker, wegens een spotdicht op den keizer.Helvii, plebejisch geslacht. Een uit dit geslacht,C. Helvius Cinna, werd bij Caesars begrafenis bij vergissing vermoord door het volk, dat het op L. Cornelius Cinna (zieCorneliino. 40) had gemunt. Ook een dichter van dezen naam wordt genoemd als maker van een gedichtSmyrna, vriend van Catullus. Waarschijnlijk is het dezelfde. De moeder van Cicero was eeneHelvia, evenals de moeder van Seneca (den zoon).Helvii, gallisch volk tusschen den mons Cebenna en den Rhodanus. Hoofdstad: Alba Augusta.Hemeroscopīum,Ἡμεροσκοπεῖον, zieDianium.Hemesa=Emesa.Ἕνδεκα, een college van 10 magistraten met een schrijver, die te zorgen hadden voor het toezicht op en de bewaking van gevangenen, voor het voltrekken van doodvonnissen, enz. Zij die op heeterdaad betrapt waren bij eene misdaad, waarop dood- of gevangenisstraf stond, werden voor de elfmannen gebracht, die in geval van bekentenis konden vonnissen, en anders de zaak voor eene rechtbank brachten, waarbij zij de instructie leidden.Heneti,Ἐνετοί, volksstam aan den Parthenius in Paphlagonia, bondgenooten van Priamus, koning van Troje. Dit volk verdween; de ouden meenden het teruggevonden te hebben in deVeneti, in Gallia Cisalpīna. ZieVeneti.Heniochi,Ἡνιόχοι, zeerooversvolk op de N.O. kust van den Pontus Euxīnus, aan den Caucasus, ten N. van Dioscurias.Ἡνίοχος, z.Auriga.Henna=Enna.Hephaestia,Ἡφαιστία, stad op Lemnus, aan den N.O. kant.Hephaestion,Ἡφαιστίων, 1) zoon van Amyntor, boezemvriend van Alexander d. Gr. en officier in zijn leger; hij stierf te Ecbatana en werd door Alex. met buitensporig rouwbetoon betreurd en als een heros vereerd.—2)grammaticus te Alexandrië, schrijver van een zeer uitgebreid werk over metriek waarvan een door hemzelf bewerkt uittreksel bewaard gebleven is; hij leefde omstreeks 150 na C.Hephaestus,Ἥφαιστος,Vulcānus, zoon van Zeus en Hera, god van het vuur. Daar hij kreupel en leelijk was, wierp Hera hem kort na zijne geboorte van den Olympus, hij viel in zee, waar hij 9 jaar door Thetis en Eurynome verzorgd werd. Daarna keerde hij naar den Olympus terug, maar toen hij eens bij een twist tusschen zijne ouders te ijverig voor zijne moeder partij trok, greep Zeus hem bij een been en wierp hem weder uit den hemel. Het duurde een geheelen dag eer hij bijna levenloos op Lemnus neerkwam, waar hij vriendelijk opgenomen en verpleegd werd. Later werd hij onder de olympische goden opgenomen en werd hem Charis, Aglaia of Aphrodīte tot echtgenoote gegeven, maar daarmede verliest hij zijne beteekenis als god eener natuurkracht en wordt hij de kunstvaardige werkman (Κλυτοτέχνης, Κλυτόεργος), die door de kracht van het vuur metalen bearbeidt en de merkwaardigste kunstwerken ten dienste van goden en helden vervaardigt. Zijne werkplaats wordt oorspronkelijk op den Olympus, later onder verschillende vuurspuwende bergen gedacht, vooral op Lemnus en Sicilië. Als kunstenaar staat hij in nauwe betrekking tot Athēna, te Athene werd voor hen beiden een feest gevierd, deΧαλκεῖα. De voornaamste plaats van zijn eeredienst, die overigens niet algemeen was, was Lemnus, waar de Cabīri als zijne helpers beschouwd werden. Afbeeldingen zijn zeldzaam, gewoonlijk wordt hij voorgesteld als een krachtig man, in werkmanskleederen en met een hamer in de hand.Heptanomis,Ἑπτανομίς, het land der zevenνομοίof distrikten, grieksche naam voor Midden-Aegypte, hoofdstad Memphis.Hera,Ἥρα,Juno, oudste dochter van Cronus en Rhea, opgevoed door Oceanus en Tethys, zuster en gemalin van Zeus, met wien zij 300 jaar heimelijk gehuwd was, voordat hij de heerschappij over de goden verwierf en haar openlijk als zijne gemalin deed erkennen. Als zoodanig wordt zij door goden en menschen zeer hoog geëerd, ook Zeus zelf bewijst haar eerbied en laat haar soms over donder, bliksem en storm beschikken. Maar haar trotsch en onbuigzaam karakter maakt het dikwijls noodig, dat hij ook haar zijn oppermacht laat gevoelen, en aan den anderen kant geven zijn talrijke liefdesavonturen en de onverzoenlijke haat, waarmede zij de door hem beminde vrouwen en hare kinderen vervolgt, dikwijls aanleiding tot de hevigste twisten, zelfs smeedde zij eens met Poseidon en Athēna eene samenzwering tegen haar gemaal, die slechts door de tusschenkomst van Aegaeon hunne plannen kon verijdelen. Met geweld vermag zij echter niets tegen hem, en wanneer het haar al eens gelukte door list haar wil tegen den zijnen door te drijven, moet zij daarvoor meestal boeten; zoo werd zij eens, toen zij Heracles op zee bijna had doen omkomen, door Zeus met gouden boeien aan den aether opgehangen met een zwaar aambeeld aan iederen voet. Haar huwelijk met Zeus is ook de grondslag van de vereering, die zij bij de menschen geniet, en treedt bij hare feesten en plechtigheden steeds op den voorgrond; daarom is zij ook de godin van het huwelijk (Γαμηλία, Ζυγία, Τελεία) en der geboorten (Εἰλείθυια). Haar dienst is door geheel Griekenland verbreid, Samus is geheel aan haar gewijd, hare lievelingssteden zijn Argos (Ἀργεία), Mycēnae en Sparta; daarom evenzeer als uit toorn wegens het oordeel van Paris, ondersteunt zij de Grieken krachtig in hun oorlog tegen de Trojanen. De koekoek, de pauw, de kraai en de granaatappel waren haar gewijd. Op hare afbeeldingen wordt zij voorgesteld met eene volle krachtige gestalte, waardige en ernstige gelaatstrekken, groote oogen (βοῶπις) en zware lokken, zij zit soms op een troon, draagt een ruim en lang gewaad, kroon of sluier, en heeft in de hand een schepter, granaatappel, offerschaal e. dgl.Kop van Hera, villa Ludovisi te Rome.Kop van Hera, villa Ludovisi te Rome.Heraclēa,Ἡράκλεια, naam van een aantal steden, waaronder de voornaamste zijn: 1)Heracleain Acarnania, aan de Ambracische golf.—2)H.in het elische gewest Pisātis.—3)H.in Lucania, aan de Tarentijnsche golf, geboorteplaats van den schilder Zeuxis, thans Policoro. Hier behaalde Pyrrhus in 280 zijn eerste overwinning op de Rom.—4)H.in Syria, aan de kust, ten N. van Laodicēa no.1.—5)H.in Thracia, aande Propontis, nabij de invaart van den Hellespont, ten O. van Pactye.—6)Heraclea Perinthus, meer oostwaarts dan het vorige, aan de Noordkust der Propontis gelegen, vroeger Perinthus geheeten, eene zeer aanzienlijke stad.—7)Heraclea Pontica, op de bithynische kust aan den Pontus Euxīnus gelegen, belangrijke handelsstad, doch welker bloei in den grooten mithradatischen oorlog geknakt werd. De wijsgeer Heraclīdes (no.5) was hier geboren.—8)Heraclea Chersonēsi, thans Sebastopol, in de Chersonesus Taurica (Krim).—9)Heraclea Latmi, aan den voet van den berg Latmus aan de latmische golf, bij Milētus.—10)Her. Sintice, in het macedonische gewest Sintice, aan den Strymon.—11)Her. Lyncestis, in het maced. landschap Lyncestis, aan de via Egnatia.—12)Her. Trachinia, in Trachis, even ten W. van de Thermopylae, zieTrachis.—13)Her. Caccabaria, ten O. van Massilia (Marseille). Tgw. Cavalaire.—14)Her. Minōa, op de Zuidkust van Sicilia, ten W. van Agrigentum, misschien door cretensische kolonisten Minoa genoemd naar Minos, overigens kolonie van Selīnus, ± 500 door Spartanen veroverd en Heraclea geheeten. Omstreeks 460 werd het carthaagsch; in 133 zonden de Rom. er een kolonie heen.Heracleopolis,Ἡρακλέους πόλις, naam van twee aegyptische steden.Her. maiorlag in Midden-Aegypte tusschen het meer Arsinoë en den Nijl;Her. minorlag in de Nijldelta aan den pelusischen mond en is later door de lagune Menzaleh verzwolgen.Heracleoticum ostiumofCanobicum ostium,Ἡρακλεωτικόν, Κανωβικὸν στόμα, meest westelijke Nijlmonding.Farnesische Hercules, Museum te Napels.Farnesische Hercules, Museum te Napels.Heracles,Ἡρακλῆς,Hercules, zoon van Zeus en Alcmēne, de gemalin van Amphitryo. Op den dag, die voor zijne geboorte bestemd was liet Zeus zich in de vergadering der goden het woord ontvallen, dat heden een man zou geboren worden, die over alle mannen van zijn geslacht (de Persiden) zoude heerschen. Hera, die den zoon van Alcmēne reeds vóór zijne geboorte haatte, liet dit woord met een eed bevestigen, en bewerkte toen als godin der geboorte dat op dien dag niet Heracles, maar Eurystheus, de zoon van Sthenelus, geboren werd (z.Galinthias). Tegelijk met Her. werd ook Iphicles, de zoon van Amphitryo, geboren, en reeds toen zij nog in de de wieg lagen, zond Hera twee monsterachtige slangen om de kinderen te dooden, Her. greep ze echter en drukte ze dood. Hij werd verder door de beste leermeesters opgevoed, o.a. door Linus, den toonkunstenaar, die hem eens voor zijn weinige vorderingen in de muziek berispte en daarvoor een slag met de luit kreeg, zoodat hij op de plaats dood bleef. Verschrikt door zijne woeste kracht, zond Amphitryo hem als herder naar den Cithaeron, waar hij tot zijn achttiende jaar bleef, en waar hij zich verdienstelijk maakte door het dooden van een leeuw, die het gebied van Thespiae onveilig maakte. De huid van dezen (of van den nemeïschen) leeuw diende hem in het vervolg tot kleeding. Naar Thebae teruggekeerd, bevrijdde hij de Thebanen van de schatting, die zij aan Ergīnus (z. a.) hadden te betalen; uit dankbaarheid gaf koning Creon hem zijne dochter Megara tot vrouw. Kort daarna eischte Eurystheus dat hij zich, volgens het bij hunne geboorte door Zeus bezworen woord, onder zijne bevelen zoude stellen, een eisch, die Her. zoo woedend maakte, dat hij tot waanzin verviel, zijn eigen drie kinderen en twee van Iphicles doodde, en voor zijn geheele omgeving gevaarlijk werd; tot bezinning gekomen, vroeg hij vol berouw het orakel van Delphi, door welk middel hij zijn schuld zou kunnen verzoenen; het antwoord luidde, dat hij Eurystheus moest gehoorzamen, dat deze hem twaalf werken zoude opdragen, en dat hij door de vervulling van die taak de onsterfelijkheid deelachtig zou worden. Bij deze gelegenheid werd hij door het orakel voor het eerst Heracles genoemd, terwijl hij tot dien tijd den naam Alcīdes of Alcaeus gedragen had. Het eerste werk, dat Eurystheus hem opdroeg, was het dooden van dennemeïschen leeuw. Daar dit monster, een voortbrengsel van Typhon en Echidna, niet met wapenen gedood of gewond konde worden, dreef hij het met knotsslagen in zijn hol, greep het daar met beide handen aan en verstikte het. Toen hij het gedoode dier naar Mycēnae bracht, boezemde dit bewijs van zijne wonderbare kracht Eurystheus zulk een schrik in, dat hij hem gebood voortaan niet meer in zijne nabijheid te komen, maar buiten de poort te blijven, waar Copreus hem nieuwe bevelen zoude brengen.—Vervolgens moest hij dehydradooden, die in de moerassen van Lerna bij Argos huisde en den geheelen omtrek onveilig maakte. Dit was een reusachtige slang, door Typhon en Echidna voortgebracht, met 7, 9, 50 of 100 koppen, waarvan één onsterfelijk was. Door vurige pijlen joeg hij het monster op, en terwijl het trachtte zich om zijn lichaam te slingeren, hieuw hij de koppen af; maar voor elken afgeslagen kop verschenen twee nieuwe; bovendien werd hij voortdurend in de voeten gebeten door een grooten kreeft, die door Hera naar de kampplaats gezonden was. Met groote moeite gelukte het hem den kreeft te vertrappen, vervolgens schroeide hij met gloeiende boomstammen de wonden dicht, die hij aan de hydra toebracht, zoodat geen nieuwe koppen konden aangroeien, eindelijk begroef hij den onsterfelijken kop onder een zwaar rotsblok. In het vergiftige bloed der hydra doopte hij zijne pijlen.—Zijne derde onderneming was tegen hetwilde zwijn, dat de landen rondom den berg Erymanthus verwoestte. Op zijn tocht daarheen nam hij zijn intrek bij den Centaur Pholus, die hem gastvrij ontving en ter eere van hem een vat wijn opende, waaruit zulk een zoete geur opsteeg, dat alle andere Centauren er door aangelokt werden. Toen zij hem het vat wilden ontnemen, ontstond een woedend gevecht, de Centauren werden gedood of verjaagd,en zelfs Pholus en Chiron kregen in de verwarring tegen den wil van Her. doodelijke wonden. Het zwijn wist hij uit het woud naar een dik besneeuwd veld te jagen, waar hij het zoolang vervolgde, tot het uitgeput nederzonk. Daarop nam hij het op zijne schouders en droeg het levend naar Mycēnae.—Daarna eischte Eurystheus dat hij dehindevan Cerynēa, een berg tusschen Arcadië en Achaia, levend vangen zoude. Hij vervolgde dit dier, dat aan Artemis gewijd was, gouden horens en koperen pooten had, een jaar lang, eer het hem gelukte het met een pijlschot in een poot te treffen en zich er van meester te maken.—Vervolgens werd hij uitgezonden tegen destymphalische vogels, die zich in menigte bij de stad Stymphālus hadden nedergezet, ijzeren klauwen, snavels en vleugels hadden, en hunne vederen evenals pijlen afschoten. Met een koperen ratel joeg hij ze op, daarna doodde hij sommige en verjoeg hij de overige, die naar het eiland Aretias vluchtten, waar de Argonauten ze later vonden.—Ten zesde haalde hij voor Admēte, de dochter van Eurystheus, dengordel van Hippolyte(z. a.), de koningin der Amazonen. V. s. zou hij op den tocht daarheen het rijk van Amycus veroverd en aan Lycus, koning van Mysië, die hem gastvrij ontving, gegeven hebben. Op de terugreis landde hij op de kust van Troje en doodde er een zeemonster, waardoor hij Hesione het leven redde (z.Laomedon).—Zijn zevende werk was het reinigen van destallen van Augīas(z. a.).—Daarna haalde hij denstiervan Creta (z.Minos) en bracht hij hem levend naar Mycēnae. Daar werd het dier weder losgelaten en nu liep het in Attica rond, tot Theseus het in de vlakte van Marathon ving en doodde.—Vervolgens ging hij naar Thracië, vanwaar hij depaarden van Diomēdes(z. a. no. 1) medebracht; bij deze gelegenheid zoude hij Abdēra gesticht hebben.—Het rooven van derunderen van Geryones(z. a.), zijn tiende werk, was een van de moeielijkste en gevaarlijkste. In voortdurenden strijd met allerlei onbekende en woeste volken, trok hij door Europa en Libye naar het meest westelijke punt der aarde, waar hij, ter herinnering aan dien verren tocht, de zuilen van Heracles oprichtte. Toen hem hier de zonnestralen te hevig kwelden, durfde hij zelfs tegen Helius zijn boog spannen, eene vermetelheid, die de god zoo weinig kwalijk nam, dat hij hem zijn gouden vaartuig leende, om naar Erythēa over te varen, waar hij zijne taak te vervullen had. Met zijn buit trok hij nu door Hispanië, Gallië, Italië en Sicilië naar Griekenland terug. Ook op deze reis moest hij zich en zijne runderen meer dan eens tegen vijandelijke aanvallen verdedigen (z.Cacus, Eryx, Alcyoneus), allerlei moeielijkheden werden hem door Hera in den weg gelegd, toch kwam hij eindelijk behouden te Mycēnae aan. V. s. waren hem oorspronkelijk door het orakel slechts tien werken opgelegd, zoodat nu zijne dienstbaarheid ten einde zoude zijn, maar Eurystheus verklaarde zich niet voldaan met de uitvoering van het tweede en zevende werk. Want de slang van Lerna had hij niet kunnen dooden zonder de hulp van zijn wagenmenner Iolāus (z. a.), en Augīas had hij niet kunnen dwingen hem het beloofde loon te betalen. Daarom droeg hij hem nog twee nieuwe werken op, en wel vooreerst driegouden appelen uit den tuin der Hesperiden(z.a.) te halen. Waar die tuin was, wist niemand hem te zeggen, zoodat hij lang op goed geluk ronddwaalde, totdat hij Nereus met geweld dwong hem het geheim te openbaren, dat hij in het verste Westen zoude vinden wat hij zocht. De tocht daarheen was weder rijk aan gevaarlijke ontmoetingen (z.Antaeus, Busīris,Emathion), eindelijk kwam hij aan den Caucasus, waar hij den gier van Promētheus (z. a.) doodde en van dezen den raad ontving de appelen niet zelf te halen, maar Atlas te verzoeken het voor hem te doen. Atlas voldeed aan dit verzoek, terwijl Her. inmiddels het hemelgewelf voor hem droeg, maar nu wilde hij ook zelf de appelen aan Eurystheus brengen en zijn last intusschen op de schouders van zijn plaatsvervanger laten rusten. Her. verklaarde zich bereid dien wensch in te willigen, wanneer hij slechts even een kussen op zijn schouder mocht leggen. Atlas liet zich misleiden en nam den hemel voor een oogenblik weder op, waarna Her. zich van de appelen meester maakte en hem liet staan.—Als laatste en moeielijkste werk werd hem opgedragen den hondCerberus(z.a.) uit de onderwereld te halen. Nadat hij zich in de eleusinische mysteriën had laten inwijden, daalde hij bij Taenarum in de onderwereld af, waar hij een algemeenen schrik verspreidde en van Hades verlof kreeg zijne taak te vervullen.—Nu was hij van zijne dienstbaarheid bevrijd, hij gaat naar Thebae, geeft zijne vrouw aan zijn vriend Iolāus, en gaat daarop naar Eurȳtus (no. 2) om de hand van diens dochter Iole te verwerven. Toevallig werden omstreeks dienzelfden tijd paarden of runderen van Eurytus gestolen, en deze zendt zijn zoon Iphitus uit om bij Her., dien hij van den diefstal verdenkt, een onderzoek in te stellen; hierover vertoornd, neemt Her. Iphitus mede naar den burcht van Tiryns, waar hij hem van boven naar beneden werpt. Tot straf voor deze misdaad laat hij zich op bevel van het delphische orakel voor drie jaar als slaaf verkoopen, en komt hij in handen van Omphale, koningin van Lydië. In haar dienst bevrijdde hij haar land van roovers, ook nam hij in dien tijd deel aan de calydonische jacht en aan den tocht der Argonauten, die hem echter in Mysië achterlieten, omdat hij niet tijdig aan boord kwam. Op zijn terugtocht naar Lydië ontmoette hij de Cercopen (z. a.). Bij Omphale teruggekeerd, verviel hij door zijne liefde voor haar tot zulk een verwijfdheid, dat hij haar zijn leeuwenhuid en knots afstond en zelf haar spinnewiel ter hand nam.—Na het verstrijken van den tijd zijner slavernij trok hij met 18 schepen naar Troje en vervolgensnaar Elis, om zich op Laomedon (z. a.) en Augīas (z. a.) te wreken; daarop ging hij naar Pylus en doodde Neleus met al zijne zonen, behalve Nestor, die toevallig afwezig was; Neleus had namelijk geweigerd hem na den moord van Iphitus te reinigen. Zelfs Hades, die aan de zijde der Pyliërs streed, werd door den held zwaar gewond. Van hier trok hij naar Sparta en doodde hij Hippocoön (z. a.) en zijne twaalf zonen; de regeering gaf hij aan Tyndareos terug, op voorwaarde dat zij eens op zijne eigene nakomelingen zou overgaan. Te Calydon aangekomen, vatte hij liefde op voor Deïanīra, de schoone dochter van koning Oeneus, die echter ook bemind werd door Achelōus (z. a.); toen deze gedwongen was van zijne aanspraken afstand te doen, huwde Her. met Deïanīra en bleef hij geruimen tijd bij zijn schoonvader wonen, totdat hij eens bij ongeluk aan een jongen bloedverwant van dezen een doodelijken slag gaf, waarna hij besloot zich te verwijderen. Op zijne reis naar Trachis trok hij over de rivier Euēnus, die hij doorwaadde, maar om Deïanīra er over te brengen, had hij de hulp van den Centaur Nessus noodig; deze nam haar op zijn rug, maar toen hij haar midden op den overtocht geweld wilde aandoen, doorschoot Her. hem met een van zijne vergiftigde pijlen. Te Trachis werd hij gastvrij ontvangen door koning Ceyx, voor wien hij de Dryopen onderwierp. Gedurende zijn verblijf aldaar ondernam hij op bevel van Apollo den strijd tegen Cycnus (no. 3), en ondersteunde hij Aegimius (z. a.) in zijn oorlog tegen de Lapithen, bij welke gelegenheid hij Amyntor (z. a.) doodde. Eindelijk begaf hij zich weder naar Oechalia om zich op Eurȳtus te wreken, hij nam den burcht in, doodde hem en zijne zonen, en voerde rijken buit mede, waaronder ook de schoone Iole. Toen Deianira dit vernam, herinnerde zij zich dat Nessus haar bij zijn dood een zalf gegeven had, die haar, naar hij beweerde, de liefde van haar gemaal zou doen herwinnen, indien hij haar soms mocht willen ontrouw worden. Vreezende dat Iole haar mededingster zoude worden, bestreek zij een prachtgewaad met die zalf, en zond het aan Her. om het te dragen bij het offer, dat hij aan Zeus wilde brengen. Her. had echter nauwelijks dit kleed aangetrokken, of hij werd door de hevigste pijnen overvallen, zoodat hij in waanzin den brenger er van in zee werpt; de zalf was namelijk niets anders dan het gestolde bloed van Nessus, gevloeid uit de wond, die Her. zelf hem had toegebracht met een zijner pijlen, en dus vergiftigd met het bloed van de slang van Lerna. Toen hij vernam wat er gebeurd was en inzag dat zijn einde nabij was, liet hij zich op den top van het Oetagebergte brengen, en besteeg daar den brandstapel. Terwijl de vlam opstijgt, daalt Athēna onder donder en bliksem met een vierspan van den hemel en voert den held naar den Olympus, waar zij met Apollo hem in den kring der goden leidt, Hera zich met hem verzoent en Hebe hem tot gemalin gegeven wordt.—Her., oorspronkelijk de heros der Doriërs in Thessalië, werd in den loop der tijden de voornaamste held van geheel Griekenland; men neemt aan dat, tengevolge daarvan, een aantal verhalen van groote daden, aanvankelijk aan anderen toegeschreven, zich aan zijn naam hebben vastgeknoopt, en dat ook buitenlandsche, vooral oostersche, legenden met zijne geschiedenis verbonden zijn. Latere navorschers hebben getracht dit te bewijzen en hebben zijne daden zelfs over 24 verschillende personen verdeeld. Men vereerde hem algemeen in Griekenland, hetzij als heros, in navolging van hen, die zijn hemelvaart hadden bijgewoond, hetzij als god, naar het voorbeeld van den Athener Diomus, in zijne hoedanigheden als roemrijk overwinnaar in al zijne ondernemingen (Καλλίνικος,Victor), als verdelger van monsters en weldoener der menschheid (Ἀλεξίκακος, Σωτήρ,Pacifer), als waarzeggend god (Μάντις), als beschermer van gymnasia en wedstrijden, de oefenscholen van mannelijke kracht (Ἐναγώνιος), enz. Te Athene, Thebe e. e. werden te zijner eere bizondere feesten (Ἡράκλεια) gevierd. De beeldende kunst stelde hem soms als kind of jongeling voor, maar meestal als een krachtig gebouwd man, met korten hals en breede borst, betrekkelijk kleinhoofd, zwaar kort haar, gewapend met boog, knots en leeuwenhuid.Heraclēum,Ἡράκλειον, 1) zuidelijkste kaap van Italia, ookHerculis promunturiumgeheeten, thans Spartivento.—2)kaap in Pontus, ten O. van Amīsus.—3)stad in Macedonia, nabij de thessalische grenzen en het dal Tempe.—4)stadje in het noord-syrische gewest Cyrrhestica, waar P. Ventidius in 38 de Parthen versloeg.—5)stad in de Nijldelta, waarnaar de canobische Nijlmond ook de heracleotische wordt genoemd.—6)=Herculaneum.—7)haven van Cnosus.Heraclīdae,Ἡρακλεῖδαι, zonen en afstammelingen van Heracles. De kinderen, die bij den dood van den held in de Peloponnesus achterbleven, werden reeds spoedig door Eurystheus vervolgd en genoodzaakt in Attica een toevluchtsoord te zoeken. Theseus of Demophon nam hen welwillend op, en toen Eurystheus met geweld hunne uitlevering wilde afdwingen, werd zijn leger verslagen en hij door Hyllus, den oudsten zoon van Heracles, gedood. Steunende op een orakel, dat hun geluk op hunne onderneming beloofde, indien zij de derde vrucht afwachtten, beproefden Hyllus en zijne afstammelingen nog meermalen de regeering over de Peloponnesus te verwerven, totdat Temenus, Cresphontes en Aristodēmus, achterkleinzonen van Hyllus, er in slaagden, het schiereiland te veroveren, dat zij onder elkander verdeelden: Temenus kreeg Argos, Cresphontes Messenië, en de zonen van Aristodēmus (z. a.) Lacedaemon. Dit verhaal van deterugkomst der Heraclidenstrekt om de rechten der Doriërs, die de Peloponnesus veroverd en de oude bevolking onderworpen hadden, te steunen op de vroeger door Heracles verworven aanspraken.—Ook de koningen van Macedonië noemden zich Heracliden en beweerden van Temenus af te stammen.—In Lydië regeerde gedurende meer dan vijf eeuwen een dynastie van Heracliden, waarvan Candaules de laatste was; de stamvader van deze dynastie zou door Heracles bij eene slavin van Jardanus verwekt zijn.Heraclīdes,Ἡρακλείδης, 1) bevelhebber der ruiterij onder den jongen Dionysius; later verbannen, nam hij deel aan de onderneming van Dio, doch spoedig verwekte hij onrust en werd hij op last van Dio gedood.—2)beroemd geneesheer, vader van Hippocrates.—3)van Tarentum, zeer geleerd geneesheer in de eerste eeuw, men zegt dat hij in zijne talrijke werken niets schreef, wat hij niet zelf onderzocht had.—4)van Erythrae, een geneesheer die over de werken van Hippocrates schreef. Hij leefde ten tijde van Strabo.—5)Her. Ponticus, een rijk en aanzienlijk man van Heraclēa Pontica, woonde te Athene de lessen van Plato en Speusippus bij, en hielp zijne vaderstad zich van den tyran Clearchus te bevrijden. Hij stierf aan eene beroerte. Bij voorkeur beoefende hij de sterrenkunde, en hij zoude reeds de beweging van de aarde om haar as gevonden hebben. Overigens getuigden zijne talrijke wijsgeerige, taal- en geschiedkundige werken van groote geleerdheid, maar weinig oordeel.—6)van Cyme, ouder tijdgenoot van Alexander d. G., schrijver van een perzische geschiedenis.—7)z.Heraclitusno. 3.Heraclītus,Ἡράκλειτος, 1) van Ephesus, omstreeks 500. Hij leefde geheel en al voor de studie en sloeg zoowel het verzoek van zijne medeburgers af om aan het staatsbestuur deel te nemen, als eene uitnoodiging om aan het hof van Darīus Hystaspis te komen. De resultaten zijner studie heeft hij neergelegd in een werk (περὶ φύσεως), dat hem bij de ouden den naamσκοτεινόςbezorgde; de taal er van is moeielijk te verstaan, en de daarin ontwikkelde stellingen moeielijk te begrijpen. De grondstof van het heelal, tevens de alwetende en albesturende goddelijke geest, is volgens Her. het vuur, waaruit langs den weg naar beneden (ὁδὸς κάτω) alles ontstaat, en waarin zich langs den weg naar boven (ὁδὸς ἄνω) alles oplost. Maar de stof beweegt zich in ieder voorwerp langs beide wegen te gelijk, of eigenlijk zijn de twee wegen slechts een (ὁδὸς ἄνω κάτω μίη), daarom kan men evenmin zeggen dat iets is als dat het niet is; zoowel het eene als het andere is waar, ontstaan en vergaan zijn in alles ten nauwste verbonden, alles is in onophoudelijke beweging en verandering (πάντα ῥεῖ). De stoffelijke voorwerpen ontstaan door tweespalt in den boezem der godheid, de geheele wereld isτὸ ἓν διαφερόμενον αὐτὸν αὑτῷ, maar onder den invloed van liefde en vrede gaat zij van tijd tot tijd weder in de godheid op, om daarna zich evenals te voren er van af te scheiden. Verscheiden fragmenten van dit werk zijn bewaard gebleven. De leer van Her. is later de grondslag geworden van het stelsel der Stoicijnen.—2)van Tyrus, leerling van Philo van Larisa, academisch wijsgeer.—3)ookHeraclidesgenoemd, schrijver vanἈλληγορίαι Ὁμηρικαί, waarin de mythen van Homerus in den geest der stoicijnsche wijsbegeerte verklaard worden. Hij leefde waarschijnlijk onder de eerste rom. keizers.Heraea,Ἡραῖα, feesten ter eere van Hera, op verschillende plaatsen in Griekenland gevierd, vooral op Samus, Mycēnae, Corinthe, en zijne koloniën, en met bizonderen luister te Argos.Heraea,Ἡραία, 1) stad in Arcadia aan den Alphēus.—2)zieHybla.Heraei montes,Ἡραῖα ὄρη, bergketen op Sicilia, loopt van het midden naar de Z.O. punt.Heraeum,Ἡραῖον, 1) de westelijkste punt der Corinthische landengte.—2)stad aan de Propontis (zee van Marmara), ten W. van Perinthus.—3)Her. promunturium, z.Iunonis promunturium.Herbessus,Ἑρβησσός, ookἘρβ.1) stad der Siculi ergens bij Syracusae.—2)stadje in het gebied van Agrigentum, op Sicilia.Herbita,Ἕρβιτα, stad in het hart van Sicilia, ongeveer N.waarts van Enna.Herculaneumof-num,Ἡράκλειον, oudeoscische, later tyrrheensche, vervolgens grieksche stad in Campania, aan den voet van den Vesuvius aan zee gelegen, sedert 88 rom. kolonie. In 63 na C. werd het door eene aardbeving zwaar geteisterd en zestien jaar later bij de uitbarsting van den Vesuvius onder een lavastroom bedolven. Bij het graven van een put in 1721 werd het ontdekt; doch eene opgraving op groote schaal als te Pompeii is niet mogelijk, omdat op den heuvel, die zich boven H. gevormd heeft, nu Resina ligt. Toch heeft men een schat van kostbare voorwerpen aan het licht gebracht; in belangrijkheid en omvang kon de stad zich echter met Pompeii niet meten, daar ze hoogstens 2500 à 3000 inwoners kan geteld hebben.Hercules=Heracles. De sagen betreffende Heracles verbreidden zich reeds vroeg over Sicilië en Zuid-Italië, en kwamen zoo ook naar Rome, waar zijn dienst van uit Tibur is ingevoerd. Oorspronkelijk was die dienst bij de Ara Maxima eensacrum gentiliciumvan de Pinarii en Potitii (ziePinarii); App. Claudius heeft ze tot staatsgodsdienst gemaakt, en sedert dien tijd offert depraetor urbanusjaarlijksGraeco ritu. Hercules werd bij de Ara Maxima vooral door de kooplieden vereerd, die hem dedecuma, het tiende van de winst beloofden; de opbrengst werd gebruikt voor een volksmaaltijd, hetgeen ook een grieksch gebruik is. Bij Hercules zwoeren de mannen:me hercule. Men zocht daarom overeenkomst tusschen hem en inheemsche godheden, Semo Sancus, Dius Fidius, enz., later werd hij meer de beschermende genius der stad Rome (Custos, Defensor, Salutaris), ook had hij een tempel met de Muzen gemeen. Ook offerde men bij voorkeur aan hem na gelukkig te boven gekomen gevaren; zie verderCacus.Herculis (fretum), ookfretum Herculeum,fretum Gaditanum, thans straat van Gibraltar. ZieColumnae Herculis.Herculis Monoeci portus, massilische kolonie op de ligurische kust, thans Monaco, met een tempel van Hercules Monoecus,Μόνοικος.Herculis portus, zieCosa.Herculis promunturium=Heraclēumno. 1, thans kaap Spartivento.Herculis silva, in Germania, ten O. van den Visurgis (Weser), misschien het Süntelgebergte.Hercynia silva,Ἑρκυνία ὕλη, Ἑρκύνιος δρυμός, algemeene naam voor het boschrijke gebergte, dat zich, volgens Caesar 60 dagreizen lang en 9 breed, van den Rijn tot aan de Carpathen uitstrekte (Taunus, Spessart, Rhön, Thüringer- en Frankenwald met de noordelijke vertakkingen naar den Harz, Fichtel, Ertsgeb., Sudeten, Reuzengeb.). In lateren tijd, toen de verschillende gedeelten afzonderlijk genoemd werden, bleef de naamHerc. silvanog in gebruik voor het oostelijke gedeelte van het Reuzengebergte, een enkele maal ook voor de streken aan den Rijn.Herdonia,Ἑρδονία, stadje in Apulia ten Z. van Arpi, dat zich in 216 bij Hannibal aansloot. Het werd in 212 en 210 te vergeefs door de Romeinen belegerd; ten slotte sloopte Hannibal de stad en voerde de inwoners over naar Metapontum.Herdonii.Turnus Herdoniusuit Aricia werd op last van Tarquinius Superbus ter dood gebracht wegens opruiing der Latijnen tegen den koning.—Appius Herdonius, een Sabijn, overrompelde in 460 met behulp van eene schaar cliënten en vluchtelingen het Capitool, doch moest weder zwichten en boette zijn aanslag met den dood.Hereditas, herēdes. Om volgens het strenge rom. recht eene erfenis te kunnen aanvaarden, moest men hetcommerciumhebben. Bij dit erfrecht komen een aantal uitdrukkingen voor, die hier eene korte verklaring mogen vinden.Heredes suizijn de erfgenamen, die bij het overlijden in demanusof in depotestasvan den afgestorvene stonden, dus zijne echtgenoote en zijne kinderen (en somtijds kleinkinderen), voor zoover deze niet door emancipatie of huwelijk of adoptie uit zijnepotestaswaren geraakt. De vestaalsche maagden, alssui iuriszijnde, konden nooitheredes suizijn. Deheredes suiwaren de wettige erfgenamen in den eersten graad. Ontbraken deze, dan kwamen in de tweede plaats de agnaten van den overledene, d.w.z. zij, die vroeger met hem onder dezelfdepatria potestashadden gestaan, zijne moeder, broeders, zusters. Ontbraken ook deze, dan kwamen in de derde plaats degentilesin aanmerking. Cognaten waren dus uitgesloten, evenals geëmancipeerde kinderen; doch het praetorische recht (z. a.) kwam hier aan de billijkheid te gemoet door hunne rechten toch te erkennen, en, voor zoover het dan ook geen eigendomsrecht kon geven, hun toch het bezitrecht,bonorum possessio, toe te kennen. Overigens traden de wettige erfgenamen slechts op voor zoover niet door wettige testamentaire bepalingen anders was beschikt.—Hereditatis cretioheet de uitdrukkelijke verklaring, dat men de erfenis aanvaardt.—Pro herede gestiowordt gebezigd, wanneer men eenvoudig als erfgenaam handelend optreedt.—Heres ex asseis de universeele erfgenaam;ex semisse, de erfgenaam voor de helft;ex triente, die voor een derde, enz.—De erfgenaam, die eene erfenis aanvaardde (hereditatem adire), moest zoowel het passief, als het actief van den boedel overnemen, ook desacra, iets wat lastig kon wezen. Vandaar wordt de uitdrukkingheriditas sine sacrisspreekwoordelijk gebezigd voor een buitenkansje.—Vrouwen hadden slechts een beperkt erfrecht, zielex Voconia.—Onder de keizers verdween het agnatenrecht meer en meer, om plaats te maken voor dat der cognaten.Heredium, rom. vlaktemaat = 2 iugera = ongeveer ½ hectare.Herennia (lex)van den volkstribuun C. Herennius in 60, om door de tribuutcomitiën den bekenden P. Clodius tot de plebs te doen overgaan. Het plebisciet ging niet door; Clodius werd eerst in 59 plebejer door adoptie.Herennii, samnietisch geslacht, dat ook in Campania vertakkingen had en ook te Rome leden telde. Sommigen worden vermeld als groote kooplieden. Onder de juristen, van wie uittreksels in de Pandecten zijn opgenomen, behoortHerennius Modestinus, uit de eerste helft der derde eeuw na C., een leerling van Ulpiānus.—ZekereHerennius Senecio, ten tijde van keizer Domitiānus, werd door dezen ter dood veroordeeld, omdat hij het leven van Helvidius Priscus op vrijmoedige wijze beschreven had.—Herennius Philo, ziePhilono. 8.Herillus,Ἥριλλος, van Carthago, leerling van Zeno, maakte een onderscheid tusschen het levensdoel (τέλος) van den wijze, nl. kennis, en dat van de groote menigte, hetwelk hijὑποτελίςnoemde, en dat in rijkdom en dgl. bestaat.Herilus, zoon van Feronia, koning van Praeneste, die van zijne moeder drie lichamen gekregen had en door Euander gedood werd.

Verwantschap van Heliogabalus met de Sevēri.Heliogabalus was priester van den zonnetempel te Emesa in Syria. Door zijne groote gelijkenis op (M. Aurelius Antonīnus) Caracalla, kwam Iulia Maesa op het denkbeeld, den schoonen, doch onbeteekenenden knaap, die slechts 14 jaar oud was, voor een zoon van Caracalla te doen doorgaan. Zóó werd hij onder den naam M. Aurelius Antoninus tot keizer uitgeroepen (218–222). Hij beging als keizer allerlei laffe dwaasheden, stelde o. a. een senaat voor vrouwen in, onder wiens bestuur de modes zouden geregeld worden, en gaf zich onbeteugeld aan uitspattingen en wellust over, terwijl hij zich overigens geheel door zijne moeder Soaemis liet beheerschen. Hij had zijn neef, den edelen Alex. Severus, tot mederegent aangenomen (221); toen hij echter dezen naar het leven stond, werd hijzelf met zijne moeder door de soldaten omgebracht.Heliopolis,Ἡλίου πόλις, stad in Coelesyria tusschen den Libanon en den Antilibanon, ook Baälbek = Baälsstad genoemd, eene prachtige stad, de hoofdzetel van den Baälsdienst. Antonīnus Pius liet hier een schoonen tempel voor Jupiter bouwen.—2)stad in Aegypte, aan het begin der Nijldelta, hoofdzetel van den aegyptischen zonnedienst. De stad leed veel door den veldtocht van Cambȳses. In den griekschen tijd is de stad vervallen.Helius,Ἥλιος,Sol, zoon van Hyperīon en Thea of Euryphaëssa, broeder van Selēne en Eos, de zonnegod. Iederen morgen komt hij in het uiterste Oosten uit den Oceaan op en voert zijn schitterenden wagen, bespannen met vier paarden, die zoo vurig zijn, dat zelfs Zeus ze niet kan besturen, langs den hemel, om ’s avonds in het Westen weder in den Oceaan neder te dalen, van waar hij v. s. des nachts in een gouden boot slapend naar het O. terugkeert. Hij is, daar hij met zijne stralen overal doordringt, alziend (πανδερκής) en dus alwetend, daarom werd hij bij plechtige verzekeringen en eeden als getuige aangeroepen. Op het eiland Thrinacia weidden zijne dochters, Phaethūsa enLampetia, voor hem 7 kudden runderen en 7 kudden schapen, elke van 50 stuks, een getal dat nooit grooter of kleiner werd, en op vele plaatsen, waar hij vereerd werd, vond men aan hem gewijde kudden. Zijne kinderen waren o.a. Aeētes, Circe en Phaëthon.—Hel. werd vrij algemeen in Griekenland vereerd, vooral op Rhodus, waar zijn 100 voet hoog beeld stond, de zoogenaamde colossus van Rhodus, het werk van Chares. Men offerde hem witte paarden, verder rammen, stieren en geiten; de haan en de arend waren hem gewijd. Op zijne afbeeldingen draagt hij een stralenkrans en een wijden mantel en heeft hij een wereldbol in de hand, soms staat hij op zijn wagen. Vgl.Apollo.Helium ostium, de zuidelijke mond van den Rijn, de oude Maasmond, die toen veel breeder was dan tegenwoordig.Hellanīcus,Ἑλλάνικος, van Mytilēne, jongere tijdgenoot van Herodotus, logograaf, wiens vrij talrijke werken verloren gegaan zijn. Hoewel hij veel gereisd en veel gestudeerd had, wordt hem door sommige oude schrijvers gemis aan oordeel en onnauwkeurigheid verweten.Ἑλλανοδίκαι, een commissie van burgers uit Elis, belast met de regeling van en het toezicht op de olympische spelen, zij fungeerden tevens als kamprechters. Aanvankelijk was dit aan één persoon opgedragen, later vindt men 2, nog later 9, 10 of 12 rechters vermeld.Hellas,Ἑλλάς. In Homerus’ tijd was Hellas alleen de naam eener stad in het zuid-thessalische landschap Phthiōtis of Phthia, het gebied van Achilles. In het historische tijdperk is Hellas = Graecia, n. l. 1) Midden-Griekenland, thans Livadia,—2)de Peloponnesus,—3)de door ligging en beschaving tot Griekenland behoorende eilanden. Epīrus en Thessalia, samen ook wel Noord-Griekenland genoemd, werden door de oude Grieken niet tot Hellas gerekend. Daar de Grieken hun land niet als één geheel beschouwden, maar als een complex van verschillende staatjes en volken, hadden zij voor Hellas geene bepaald aangegeven aardrijkskundige grens, en daar ook buiten Hellas Grieken woonden, is de uitdrukkingἡ πᾶσα Ἑλλάςniet altijd juist te bepalen, en meermalen = al wat Grieksch is. In engeren zin is Hellas alleen Midden-Griekenland, met de landschappen Attica, Megaris, Boeotia, Locris, Doris, Phocis, Aetolia en Acarnania. Als rom. provincie heette Griekenland Achaia.Helle,Ἕλλη, dochter van Athamas (z. a.) en Nephele. Door hare moeder van den dood gered, vluchtte zij met haar broeder Phrixus uit hun vaderland en verdronk in de zee, die naar haar Hellespont genoemd wordt.Hellen,Ἕλλην, zoon van Deucalion en Pyrrha, of van Zeus en Dorippe, vader van Dorus, Aeolus en Xuthus, stamvader der Hellenen.Hellēnes,Ἕλληνες. Vóór Homerus bestaat er geen gemeenschappelijke volksnaam voor de bevolking van Griekenland. In verschillende streken komen verschillende stammen voor:Abantes, Curētes, Caucōnes, Leleges,Epēi, Dryopes, Danaï, Dolopes, Myrmidones, welke laatsten bij Homerus ook Hellenen worden genoemd naar hunne stad Hellas. Mettertijd verdwijnen deze stammen door samensmelting, verhuizing, enz., en komen twee andere namen,PelasgienHellenes, er voor in de plaats. Beide stammen kwamen uit Thessalia, de Pelasgen het eerst. De Hellenen drongen de Pelasgen weder op den achtergrond en de naam Hellenen werd de algemeene volksnaam.—Als gemeenschappelijke naam der Grieken bezigt Homerus wel den naamAchaei, waarschijnlijk waren deze in zijn tijd de voornaamste stam. De grieksche schrijvers evenwel splitsen de Hellenen weder in vier stammen:Aeoles, Achaei, Iōnes, Dores. Het is hier de plaats niet, over de afkomst en onderlinge verhouding dezer stammen gissingen te maken. De Ioniërs en Doriërs werden allengs de hoofdstammen.Hellenismus, de algemeen gebruikelijke naam voor de Grieksche beschaving na Alexander den Groote. De oostersche volkeren hebben de Grieksche beschaving overgenomen en vervormd, en wederom invloed uitgeoefend op de eigenlijk Grieksche beschaving. Hellenistisch wordt de kunst, de poëzie, de geschiedbeschrijving, de philosophie en de godsdienst zoowel van de Grieken als van de oostersche volkeren.Ἑλληνοταμίαιeen college van 10 door de volksvergadering gekozen atheensche ambtenaars, die de bijdragen der bondgenooten moesten innen en de bondskas beheerden. Deze bijdragen beliepen in den peloponnesischen oorlog ongeveer 1300 talenten; de kas werd aanvankelijk op Delus, sedert 454 op voorstel van Pericles te Athene bewaard. ZiePericles.Hellespontus,Ἑλλήσποντος, zee van Helle,die volgens de mythe daar zou verdronken zijn, thans de straat der Dardanellen. Ook het aziatische kustland langs de zeeëngte en zelfs nog verder oostwaarts wordt somtijds Hellespontus genoemd. In den lateren keizerstijd was dit ook de naam der rom. provincie, die uit Troas en een deel van Mysia gevormd was en Cyzicus tot hoofdstad had.—Hellespontias, een van den Hellespont komende wind.Helli,Ἑλλοί=Selli.Hellomenum,Ἑλλόμενον, havenstad aan de O.-zijde van het eiland Leucas.Hellopia,Ἑλλοπία=Ellopia.Hellotia,Ἑλλώτια, 1) feest te Corinthe ter eere van Athena, die hier den bijnaam Hellōtis had.—2)feest op Creta ter eere van Europa, die hier onder den naam Hellōtis goddelijke eer genoot.Helmantica=Salmantica.Helōrusof-um,Ἕλωρος, -ον, stad aan de Oostkust van Sicilia ten Z.Z.W. van Syracusae, aan den mond van de rivier Helorus.Helos,Ἕλος, stadje aan de Laconische golf, te midden van moerassen gelegen; vandaar de naam. De ouden leidden, op den klank af, den naam Heloten van deze stad af. Ook eene lage streek in Elis aan den Alphēus droeg dezen naam.Helōtes,Εἵλωτες, Εἱλῶται, de afstammelingen der vroegere bewoners van Lacedaemon, die door de dorische veroveraars van vrijheid en goederen beroofd waren en als staatsslaven aan particulieren ten gebruike gegeven werden, voor wie zij als lijfeigenen het land bebouwden. Van de opbrengst van het land hadden zij een bij de wet bepaalde hoeveelheid aan hunne heeren af te staan, het overige was voor hen, zoodat zij onder gunstige omstandigheden eenig vermogen konden verwerven. Het was den heeren niet geoorloofd hen te dooden of buitenslands te verkoopen, ook mochten zij niet zonder toestemming van den staat vrijgelaten worden. Daarentegen kregen zij somtijds van staatswege de vrijheid voor dapperheid, in den oorlog betoond, waarin zij als lichtgewapenden, zeer zelden als hoplieten, later ook als matrozen dienden. Z.Νεοδαμώδεις. Het burgerrecht kregen zij hoogst zelden. Z. echterΜόθακες. In 464 stonden zij na eene groote aardbeving op en trokken zij zich in de vesting Ithōme terug, vanwaar zij 10 jaar lang een oorlog voerden, die eindigde met hun vrijen aftocht uit de Peloponnesus. Hun groot aantal boezemde den Spartanen voortdurend vrees voor dergelijke voorvallen in, die zich in strenge, soms gewelddadige maatregelen uitte. Z.κρυπτεία.HelvaeonesofHelvecones, germaansche stam tot de Lugii, de latere Vandalen, behoorend, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel).Helvetii,Ἑλουήτιοι, een machtig keltisch volk tusschen den mons Iura (Jurageb.), den Rhodanus (Rhône) en den Rhenus (Rijn), verdeeld in vierpagiof kantons, waarvan twee, depagus Tigurīnusen dep. Verbigenusnader bekend zijn. Z. ookToygeni. De Helvetiërs sloten zich aan bij de Cimbren; de Tiguriners brachten in 107 onder Divico den rom. consul L. Cassius Longīnus (Cassiino. 3) eene beslissende nederlaag toe; Cassius sneuvelde en zijn leger moest onder het juk doorgaan. Een ander gedeelte der Helvetiërs keerde na de nederlaag der Cimbren in 101 weder naar hun land terug. In 58, bij Caesars komst in Gallia, ondernamen de Helvetiërs weder een groote volksverhuizing, doch werden door Caesar met ontzaggelijk verlies teruggeslagen; van de 263000 menschen bleven slechts 110000 over. Sedert dien tijd begon men denager Helvetiorummet rom. sterkten te bezetten. Na den dood van keizer Otho, toen de Helvetiërs Vitellius niet wilden erkennen, werden zij als wilde dieren opgejaagd en vervolgd. Deager Helvetiorumbehoorde tot Belgica, en strekte zich oorspronkelijk tot aan de Bodensee uit. Sedert de indeeling van het rijk door Diocletiānus behoorde het oostelijke gedeelte en de geheele Bodensee tot Raetia.Helvidii, rom. geslacht, uit Samnium afkomstig. 1)P. Helvidius Rufus, bij Cicero vermeld, een vriend van Cluentius.—2)Helvidius Priscusdempte met veel beleid in 51 na C. de onlusten in Cappadocia; v. s. is dit dezelfde als no. 3.—3)C. Helvidius Priscus, schoonzoon van Thrasea Paetus, was een man vanrepublikeinschegezindheid en een beoefenaar van wetenschap en wijsbegeerte, vooral van die der Stoicijnen. Onder Nero bekleedde hij de quaestuur, de praetuur en het volkstribunaat, doch werd om zijn staatkundige gevoelens verbannen. Hij werd door Galba teruggeroepen; Vespasiānus verbande hem nog eens, en liet hem later, omdat hij niet ophield zich tegen den keizer vijandig te betoonen, ter dood brengen.—4)Helvidius Priscus, zoon van no. 3, stierf onder Domitiānus in den kerker, wegens een spotdicht op den keizer.Helvii, plebejisch geslacht. Een uit dit geslacht,C. Helvius Cinna, werd bij Caesars begrafenis bij vergissing vermoord door het volk, dat het op L. Cornelius Cinna (zieCorneliino. 40) had gemunt. Ook een dichter van dezen naam wordt genoemd als maker van een gedichtSmyrna, vriend van Catullus. Waarschijnlijk is het dezelfde. De moeder van Cicero was eeneHelvia, evenals de moeder van Seneca (den zoon).Helvii, gallisch volk tusschen den mons Cebenna en den Rhodanus. Hoofdstad: Alba Augusta.Hemeroscopīum,Ἡμεροσκοπεῖον, zieDianium.Hemesa=Emesa.Ἕνδεκα, een college van 10 magistraten met een schrijver, die te zorgen hadden voor het toezicht op en de bewaking van gevangenen, voor het voltrekken van doodvonnissen, enz. Zij die op heeterdaad betrapt waren bij eene misdaad, waarop dood- of gevangenisstraf stond, werden voor de elfmannen gebracht, die in geval van bekentenis konden vonnissen, en anders de zaak voor eene rechtbank brachten, waarbij zij de instructie leidden.Heneti,Ἐνετοί, volksstam aan den Parthenius in Paphlagonia, bondgenooten van Priamus, koning van Troje. Dit volk verdween; de ouden meenden het teruggevonden te hebben in deVeneti, in Gallia Cisalpīna. ZieVeneti.Heniochi,Ἡνιόχοι, zeerooversvolk op de N.O. kust van den Pontus Euxīnus, aan den Caucasus, ten N. van Dioscurias.Ἡνίοχος, z.Auriga.Henna=Enna.Hephaestia,Ἡφαιστία, stad op Lemnus, aan den N.O. kant.Hephaestion,Ἡφαιστίων, 1) zoon van Amyntor, boezemvriend van Alexander d. Gr. en officier in zijn leger; hij stierf te Ecbatana en werd door Alex. met buitensporig rouwbetoon betreurd en als een heros vereerd.—2)grammaticus te Alexandrië, schrijver van een zeer uitgebreid werk over metriek waarvan een door hemzelf bewerkt uittreksel bewaard gebleven is; hij leefde omstreeks 150 na C.Hephaestus,Ἥφαιστος,Vulcānus, zoon van Zeus en Hera, god van het vuur. Daar hij kreupel en leelijk was, wierp Hera hem kort na zijne geboorte van den Olympus, hij viel in zee, waar hij 9 jaar door Thetis en Eurynome verzorgd werd. Daarna keerde hij naar den Olympus terug, maar toen hij eens bij een twist tusschen zijne ouders te ijverig voor zijne moeder partij trok, greep Zeus hem bij een been en wierp hem weder uit den hemel. Het duurde een geheelen dag eer hij bijna levenloos op Lemnus neerkwam, waar hij vriendelijk opgenomen en verpleegd werd. Later werd hij onder de olympische goden opgenomen en werd hem Charis, Aglaia of Aphrodīte tot echtgenoote gegeven, maar daarmede verliest hij zijne beteekenis als god eener natuurkracht en wordt hij de kunstvaardige werkman (Κλυτοτέχνης, Κλυτόεργος), die door de kracht van het vuur metalen bearbeidt en de merkwaardigste kunstwerken ten dienste van goden en helden vervaardigt. Zijne werkplaats wordt oorspronkelijk op den Olympus, later onder verschillende vuurspuwende bergen gedacht, vooral op Lemnus en Sicilië. Als kunstenaar staat hij in nauwe betrekking tot Athēna, te Athene werd voor hen beiden een feest gevierd, deΧαλκεῖα. De voornaamste plaats van zijn eeredienst, die overigens niet algemeen was, was Lemnus, waar de Cabīri als zijne helpers beschouwd werden. Afbeeldingen zijn zeldzaam, gewoonlijk wordt hij voorgesteld als een krachtig man, in werkmanskleederen en met een hamer in de hand.Heptanomis,Ἑπτανομίς, het land der zevenνομοίof distrikten, grieksche naam voor Midden-Aegypte, hoofdstad Memphis.Hera,Ἥρα,Juno, oudste dochter van Cronus en Rhea, opgevoed door Oceanus en Tethys, zuster en gemalin van Zeus, met wien zij 300 jaar heimelijk gehuwd was, voordat hij de heerschappij over de goden verwierf en haar openlijk als zijne gemalin deed erkennen. Als zoodanig wordt zij door goden en menschen zeer hoog geëerd, ook Zeus zelf bewijst haar eerbied en laat haar soms over donder, bliksem en storm beschikken. Maar haar trotsch en onbuigzaam karakter maakt het dikwijls noodig, dat hij ook haar zijn oppermacht laat gevoelen, en aan den anderen kant geven zijn talrijke liefdesavonturen en de onverzoenlijke haat, waarmede zij de door hem beminde vrouwen en hare kinderen vervolgt, dikwijls aanleiding tot de hevigste twisten, zelfs smeedde zij eens met Poseidon en Athēna eene samenzwering tegen haar gemaal, die slechts door de tusschenkomst van Aegaeon hunne plannen kon verijdelen. Met geweld vermag zij echter niets tegen hem, en wanneer het haar al eens gelukte door list haar wil tegen den zijnen door te drijven, moet zij daarvoor meestal boeten; zoo werd zij eens, toen zij Heracles op zee bijna had doen omkomen, door Zeus met gouden boeien aan den aether opgehangen met een zwaar aambeeld aan iederen voet. Haar huwelijk met Zeus is ook de grondslag van de vereering, die zij bij de menschen geniet, en treedt bij hare feesten en plechtigheden steeds op den voorgrond; daarom is zij ook de godin van het huwelijk (Γαμηλία, Ζυγία, Τελεία) en der geboorten (Εἰλείθυια). Haar dienst is door geheel Griekenland verbreid, Samus is geheel aan haar gewijd, hare lievelingssteden zijn Argos (Ἀργεία), Mycēnae en Sparta; daarom evenzeer als uit toorn wegens het oordeel van Paris, ondersteunt zij de Grieken krachtig in hun oorlog tegen de Trojanen. De koekoek, de pauw, de kraai en de granaatappel waren haar gewijd. Op hare afbeeldingen wordt zij voorgesteld met eene volle krachtige gestalte, waardige en ernstige gelaatstrekken, groote oogen (βοῶπις) en zware lokken, zij zit soms op een troon, draagt een ruim en lang gewaad, kroon of sluier, en heeft in de hand een schepter, granaatappel, offerschaal e. dgl.Kop van Hera, villa Ludovisi te Rome.Kop van Hera, villa Ludovisi te Rome.Heraclēa,Ἡράκλεια, naam van een aantal steden, waaronder de voornaamste zijn: 1)Heracleain Acarnania, aan de Ambracische golf.—2)H.in het elische gewest Pisātis.—3)H.in Lucania, aan de Tarentijnsche golf, geboorteplaats van den schilder Zeuxis, thans Policoro. Hier behaalde Pyrrhus in 280 zijn eerste overwinning op de Rom.—4)H.in Syria, aan de kust, ten N. van Laodicēa no.1.—5)H.in Thracia, aande Propontis, nabij de invaart van den Hellespont, ten O. van Pactye.—6)Heraclea Perinthus, meer oostwaarts dan het vorige, aan de Noordkust der Propontis gelegen, vroeger Perinthus geheeten, eene zeer aanzienlijke stad.—7)Heraclea Pontica, op de bithynische kust aan den Pontus Euxīnus gelegen, belangrijke handelsstad, doch welker bloei in den grooten mithradatischen oorlog geknakt werd. De wijsgeer Heraclīdes (no.5) was hier geboren.—8)Heraclea Chersonēsi, thans Sebastopol, in de Chersonesus Taurica (Krim).—9)Heraclea Latmi, aan den voet van den berg Latmus aan de latmische golf, bij Milētus.—10)Her. Sintice, in het macedonische gewest Sintice, aan den Strymon.—11)Her. Lyncestis, in het maced. landschap Lyncestis, aan de via Egnatia.—12)Her. Trachinia, in Trachis, even ten W. van de Thermopylae, zieTrachis.—13)Her. Caccabaria, ten O. van Massilia (Marseille). Tgw. Cavalaire.—14)Her. Minōa, op de Zuidkust van Sicilia, ten W. van Agrigentum, misschien door cretensische kolonisten Minoa genoemd naar Minos, overigens kolonie van Selīnus, ± 500 door Spartanen veroverd en Heraclea geheeten. Omstreeks 460 werd het carthaagsch; in 133 zonden de Rom. er een kolonie heen.Heracleopolis,Ἡρακλέους πόλις, naam van twee aegyptische steden.Her. maiorlag in Midden-Aegypte tusschen het meer Arsinoë en den Nijl;Her. minorlag in de Nijldelta aan den pelusischen mond en is later door de lagune Menzaleh verzwolgen.Heracleoticum ostiumofCanobicum ostium,Ἡρακλεωτικόν, Κανωβικὸν στόμα, meest westelijke Nijlmonding.Farnesische Hercules, Museum te Napels.Farnesische Hercules, Museum te Napels.Heracles,Ἡρακλῆς,Hercules, zoon van Zeus en Alcmēne, de gemalin van Amphitryo. Op den dag, die voor zijne geboorte bestemd was liet Zeus zich in de vergadering der goden het woord ontvallen, dat heden een man zou geboren worden, die over alle mannen van zijn geslacht (de Persiden) zoude heerschen. Hera, die den zoon van Alcmēne reeds vóór zijne geboorte haatte, liet dit woord met een eed bevestigen, en bewerkte toen als godin der geboorte dat op dien dag niet Heracles, maar Eurystheus, de zoon van Sthenelus, geboren werd (z.Galinthias). Tegelijk met Her. werd ook Iphicles, de zoon van Amphitryo, geboren, en reeds toen zij nog in de de wieg lagen, zond Hera twee monsterachtige slangen om de kinderen te dooden, Her. greep ze echter en drukte ze dood. Hij werd verder door de beste leermeesters opgevoed, o.a. door Linus, den toonkunstenaar, die hem eens voor zijn weinige vorderingen in de muziek berispte en daarvoor een slag met de luit kreeg, zoodat hij op de plaats dood bleef. Verschrikt door zijne woeste kracht, zond Amphitryo hem als herder naar den Cithaeron, waar hij tot zijn achttiende jaar bleef, en waar hij zich verdienstelijk maakte door het dooden van een leeuw, die het gebied van Thespiae onveilig maakte. De huid van dezen (of van den nemeïschen) leeuw diende hem in het vervolg tot kleeding. Naar Thebae teruggekeerd, bevrijdde hij de Thebanen van de schatting, die zij aan Ergīnus (z. a.) hadden te betalen; uit dankbaarheid gaf koning Creon hem zijne dochter Megara tot vrouw. Kort daarna eischte Eurystheus dat hij zich, volgens het bij hunne geboorte door Zeus bezworen woord, onder zijne bevelen zoude stellen, een eisch, die Her. zoo woedend maakte, dat hij tot waanzin verviel, zijn eigen drie kinderen en twee van Iphicles doodde, en voor zijn geheele omgeving gevaarlijk werd; tot bezinning gekomen, vroeg hij vol berouw het orakel van Delphi, door welk middel hij zijn schuld zou kunnen verzoenen; het antwoord luidde, dat hij Eurystheus moest gehoorzamen, dat deze hem twaalf werken zoude opdragen, en dat hij door de vervulling van die taak de onsterfelijkheid deelachtig zou worden. Bij deze gelegenheid werd hij door het orakel voor het eerst Heracles genoemd, terwijl hij tot dien tijd den naam Alcīdes of Alcaeus gedragen had. Het eerste werk, dat Eurystheus hem opdroeg, was het dooden van dennemeïschen leeuw. Daar dit monster, een voortbrengsel van Typhon en Echidna, niet met wapenen gedood of gewond konde worden, dreef hij het met knotsslagen in zijn hol, greep het daar met beide handen aan en verstikte het. Toen hij het gedoode dier naar Mycēnae bracht, boezemde dit bewijs van zijne wonderbare kracht Eurystheus zulk een schrik in, dat hij hem gebood voortaan niet meer in zijne nabijheid te komen, maar buiten de poort te blijven, waar Copreus hem nieuwe bevelen zoude brengen.—Vervolgens moest hij dehydradooden, die in de moerassen van Lerna bij Argos huisde en den geheelen omtrek onveilig maakte. Dit was een reusachtige slang, door Typhon en Echidna voortgebracht, met 7, 9, 50 of 100 koppen, waarvan één onsterfelijk was. Door vurige pijlen joeg hij het monster op, en terwijl het trachtte zich om zijn lichaam te slingeren, hieuw hij de koppen af; maar voor elken afgeslagen kop verschenen twee nieuwe; bovendien werd hij voortdurend in de voeten gebeten door een grooten kreeft, die door Hera naar de kampplaats gezonden was. Met groote moeite gelukte het hem den kreeft te vertrappen, vervolgens schroeide hij met gloeiende boomstammen de wonden dicht, die hij aan de hydra toebracht, zoodat geen nieuwe koppen konden aangroeien, eindelijk begroef hij den onsterfelijken kop onder een zwaar rotsblok. In het vergiftige bloed der hydra doopte hij zijne pijlen.—Zijne derde onderneming was tegen hetwilde zwijn, dat de landen rondom den berg Erymanthus verwoestte. Op zijn tocht daarheen nam hij zijn intrek bij den Centaur Pholus, die hem gastvrij ontving en ter eere van hem een vat wijn opende, waaruit zulk een zoete geur opsteeg, dat alle andere Centauren er door aangelokt werden. Toen zij hem het vat wilden ontnemen, ontstond een woedend gevecht, de Centauren werden gedood of verjaagd,en zelfs Pholus en Chiron kregen in de verwarring tegen den wil van Her. doodelijke wonden. Het zwijn wist hij uit het woud naar een dik besneeuwd veld te jagen, waar hij het zoolang vervolgde, tot het uitgeput nederzonk. Daarop nam hij het op zijne schouders en droeg het levend naar Mycēnae.—Daarna eischte Eurystheus dat hij dehindevan Cerynēa, een berg tusschen Arcadië en Achaia, levend vangen zoude. Hij vervolgde dit dier, dat aan Artemis gewijd was, gouden horens en koperen pooten had, een jaar lang, eer het hem gelukte het met een pijlschot in een poot te treffen en zich er van meester te maken.—Vervolgens werd hij uitgezonden tegen destymphalische vogels, die zich in menigte bij de stad Stymphālus hadden nedergezet, ijzeren klauwen, snavels en vleugels hadden, en hunne vederen evenals pijlen afschoten. Met een koperen ratel joeg hij ze op, daarna doodde hij sommige en verjoeg hij de overige, die naar het eiland Aretias vluchtten, waar de Argonauten ze later vonden.—Ten zesde haalde hij voor Admēte, de dochter van Eurystheus, dengordel van Hippolyte(z. a.), de koningin der Amazonen. V. s. zou hij op den tocht daarheen het rijk van Amycus veroverd en aan Lycus, koning van Mysië, die hem gastvrij ontving, gegeven hebben. Op de terugreis landde hij op de kust van Troje en doodde er een zeemonster, waardoor hij Hesione het leven redde (z.Laomedon).—Zijn zevende werk was het reinigen van destallen van Augīas(z. a.).—Daarna haalde hij denstiervan Creta (z.Minos) en bracht hij hem levend naar Mycēnae. Daar werd het dier weder losgelaten en nu liep het in Attica rond, tot Theseus het in de vlakte van Marathon ving en doodde.—Vervolgens ging hij naar Thracië, vanwaar hij depaarden van Diomēdes(z. a. no. 1) medebracht; bij deze gelegenheid zoude hij Abdēra gesticht hebben.—Het rooven van derunderen van Geryones(z. a.), zijn tiende werk, was een van de moeielijkste en gevaarlijkste. In voortdurenden strijd met allerlei onbekende en woeste volken, trok hij door Europa en Libye naar het meest westelijke punt der aarde, waar hij, ter herinnering aan dien verren tocht, de zuilen van Heracles oprichtte. Toen hem hier de zonnestralen te hevig kwelden, durfde hij zelfs tegen Helius zijn boog spannen, eene vermetelheid, die de god zoo weinig kwalijk nam, dat hij hem zijn gouden vaartuig leende, om naar Erythēa over te varen, waar hij zijne taak te vervullen had. Met zijn buit trok hij nu door Hispanië, Gallië, Italië en Sicilië naar Griekenland terug. Ook op deze reis moest hij zich en zijne runderen meer dan eens tegen vijandelijke aanvallen verdedigen (z.Cacus, Eryx, Alcyoneus), allerlei moeielijkheden werden hem door Hera in den weg gelegd, toch kwam hij eindelijk behouden te Mycēnae aan. V. s. waren hem oorspronkelijk door het orakel slechts tien werken opgelegd, zoodat nu zijne dienstbaarheid ten einde zoude zijn, maar Eurystheus verklaarde zich niet voldaan met de uitvoering van het tweede en zevende werk. Want de slang van Lerna had hij niet kunnen dooden zonder de hulp van zijn wagenmenner Iolāus (z. a.), en Augīas had hij niet kunnen dwingen hem het beloofde loon te betalen. Daarom droeg hij hem nog twee nieuwe werken op, en wel vooreerst driegouden appelen uit den tuin der Hesperiden(z.a.) te halen. Waar die tuin was, wist niemand hem te zeggen, zoodat hij lang op goed geluk ronddwaalde, totdat hij Nereus met geweld dwong hem het geheim te openbaren, dat hij in het verste Westen zoude vinden wat hij zocht. De tocht daarheen was weder rijk aan gevaarlijke ontmoetingen (z.Antaeus, Busīris,Emathion), eindelijk kwam hij aan den Caucasus, waar hij den gier van Promētheus (z. a.) doodde en van dezen den raad ontving de appelen niet zelf te halen, maar Atlas te verzoeken het voor hem te doen. Atlas voldeed aan dit verzoek, terwijl Her. inmiddels het hemelgewelf voor hem droeg, maar nu wilde hij ook zelf de appelen aan Eurystheus brengen en zijn last intusschen op de schouders van zijn plaatsvervanger laten rusten. Her. verklaarde zich bereid dien wensch in te willigen, wanneer hij slechts even een kussen op zijn schouder mocht leggen. Atlas liet zich misleiden en nam den hemel voor een oogenblik weder op, waarna Her. zich van de appelen meester maakte en hem liet staan.—Als laatste en moeielijkste werk werd hem opgedragen den hondCerberus(z.a.) uit de onderwereld te halen. Nadat hij zich in de eleusinische mysteriën had laten inwijden, daalde hij bij Taenarum in de onderwereld af, waar hij een algemeenen schrik verspreidde en van Hades verlof kreeg zijne taak te vervullen.—Nu was hij van zijne dienstbaarheid bevrijd, hij gaat naar Thebae, geeft zijne vrouw aan zijn vriend Iolāus, en gaat daarop naar Eurȳtus (no. 2) om de hand van diens dochter Iole te verwerven. Toevallig werden omstreeks dienzelfden tijd paarden of runderen van Eurytus gestolen, en deze zendt zijn zoon Iphitus uit om bij Her., dien hij van den diefstal verdenkt, een onderzoek in te stellen; hierover vertoornd, neemt Her. Iphitus mede naar den burcht van Tiryns, waar hij hem van boven naar beneden werpt. Tot straf voor deze misdaad laat hij zich op bevel van het delphische orakel voor drie jaar als slaaf verkoopen, en komt hij in handen van Omphale, koningin van Lydië. In haar dienst bevrijdde hij haar land van roovers, ook nam hij in dien tijd deel aan de calydonische jacht en aan den tocht der Argonauten, die hem echter in Mysië achterlieten, omdat hij niet tijdig aan boord kwam. Op zijn terugtocht naar Lydië ontmoette hij de Cercopen (z. a.). Bij Omphale teruggekeerd, verviel hij door zijne liefde voor haar tot zulk een verwijfdheid, dat hij haar zijn leeuwenhuid en knots afstond en zelf haar spinnewiel ter hand nam.—Na het verstrijken van den tijd zijner slavernij trok hij met 18 schepen naar Troje en vervolgensnaar Elis, om zich op Laomedon (z. a.) en Augīas (z. a.) te wreken; daarop ging hij naar Pylus en doodde Neleus met al zijne zonen, behalve Nestor, die toevallig afwezig was; Neleus had namelijk geweigerd hem na den moord van Iphitus te reinigen. Zelfs Hades, die aan de zijde der Pyliërs streed, werd door den held zwaar gewond. Van hier trok hij naar Sparta en doodde hij Hippocoön (z. a.) en zijne twaalf zonen; de regeering gaf hij aan Tyndareos terug, op voorwaarde dat zij eens op zijne eigene nakomelingen zou overgaan. Te Calydon aangekomen, vatte hij liefde op voor Deïanīra, de schoone dochter van koning Oeneus, die echter ook bemind werd door Achelōus (z. a.); toen deze gedwongen was van zijne aanspraken afstand te doen, huwde Her. met Deïanīra en bleef hij geruimen tijd bij zijn schoonvader wonen, totdat hij eens bij ongeluk aan een jongen bloedverwant van dezen een doodelijken slag gaf, waarna hij besloot zich te verwijderen. Op zijne reis naar Trachis trok hij over de rivier Euēnus, die hij doorwaadde, maar om Deïanīra er over te brengen, had hij de hulp van den Centaur Nessus noodig; deze nam haar op zijn rug, maar toen hij haar midden op den overtocht geweld wilde aandoen, doorschoot Her. hem met een van zijne vergiftigde pijlen. Te Trachis werd hij gastvrij ontvangen door koning Ceyx, voor wien hij de Dryopen onderwierp. Gedurende zijn verblijf aldaar ondernam hij op bevel van Apollo den strijd tegen Cycnus (no. 3), en ondersteunde hij Aegimius (z. a.) in zijn oorlog tegen de Lapithen, bij welke gelegenheid hij Amyntor (z. a.) doodde. Eindelijk begaf hij zich weder naar Oechalia om zich op Eurȳtus te wreken, hij nam den burcht in, doodde hem en zijne zonen, en voerde rijken buit mede, waaronder ook de schoone Iole. Toen Deianira dit vernam, herinnerde zij zich dat Nessus haar bij zijn dood een zalf gegeven had, die haar, naar hij beweerde, de liefde van haar gemaal zou doen herwinnen, indien hij haar soms mocht willen ontrouw worden. Vreezende dat Iole haar mededingster zoude worden, bestreek zij een prachtgewaad met die zalf, en zond het aan Her. om het te dragen bij het offer, dat hij aan Zeus wilde brengen. Her. had echter nauwelijks dit kleed aangetrokken, of hij werd door de hevigste pijnen overvallen, zoodat hij in waanzin den brenger er van in zee werpt; de zalf was namelijk niets anders dan het gestolde bloed van Nessus, gevloeid uit de wond, die Her. zelf hem had toegebracht met een zijner pijlen, en dus vergiftigd met het bloed van de slang van Lerna. Toen hij vernam wat er gebeurd was en inzag dat zijn einde nabij was, liet hij zich op den top van het Oetagebergte brengen, en besteeg daar den brandstapel. Terwijl de vlam opstijgt, daalt Athēna onder donder en bliksem met een vierspan van den hemel en voert den held naar den Olympus, waar zij met Apollo hem in den kring der goden leidt, Hera zich met hem verzoent en Hebe hem tot gemalin gegeven wordt.—Her., oorspronkelijk de heros der Doriërs in Thessalië, werd in den loop der tijden de voornaamste held van geheel Griekenland; men neemt aan dat, tengevolge daarvan, een aantal verhalen van groote daden, aanvankelijk aan anderen toegeschreven, zich aan zijn naam hebben vastgeknoopt, en dat ook buitenlandsche, vooral oostersche, legenden met zijne geschiedenis verbonden zijn. Latere navorschers hebben getracht dit te bewijzen en hebben zijne daden zelfs over 24 verschillende personen verdeeld. Men vereerde hem algemeen in Griekenland, hetzij als heros, in navolging van hen, die zijn hemelvaart hadden bijgewoond, hetzij als god, naar het voorbeeld van den Athener Diomus, in zijne hoedanigheden als roemrijk overwinnaar in al zijne ondernemingen (Καλλίνικος,Victor), als verdelger van monsters en weldoener der menschheid (Ἀλεξίκακος, Σωτήρ,Pacifer), als waarzeggend god (Μάντις), als beschermer van gymnasia en wedstrijden, de oefenscholen van mannelijke kracht (Ἐναγώνιος), enz. Te Athene, Thebe e. e. werden te zijner eere bizondere feesten (Ἡράκλεια) gevierd. De beeldende kunst stelde hem soms als kind of jongeling voor, maar meestal als een krachtig gebouwd man, met korten hals en breede borst, betrekkelijk kleinhoofd, zwaar kort haar, gewapend met boog, knots en leeuwenhuid.Heraclēum,Ἡράκλειον, 1) zuidelijkste kaap van Italia, ookHerculis promunturiumgeheeten, thans Spartivento.—2)kaap in Pontus, ten O. van Amīsus.—3)stad in Macedonia, nabij de thessalische grenzen en het dal Tempe.—4)stadje in het noord-syrische gewest Cyrrhestica, waar P. Ventidius in 38 de Parthen versloeg.—5)stad in de Nijldelta, waarnaar de canobische Nijlmond ook de heracleotische wordt genoemd.—6)=Herculaneum.—7)haven van Cnosus.Heraclīdae,Ἡρακλεῖδαι, zonen en afstammelingen van Heracles. De kinderen, die bij den dood van den held in de Peloponnesus achterbleven, werden reeds spoedig door Eurystheus vervolgd en genoodzaakt in Attica een toevluchtsoord te zoeken. Theseus of Demophon nam hen welwillend op, en toen Eurystheus met geweld hunne uitlevering wilde afdwingen, werd zijn leger verslagen en hij door Hyllus, den oudsten zoon van Heracles, gedood. Steunende op een orakel, dat hun geluk op hunne onderneming beloofde, indien zij de derde vrucht afwachtten, beproefden Hyllus en zijne afstammelingen nog meermalen de regeering over de Peloponnesus te verwerven, totdat Temenus, Cresphontes en Aristodēmus, achterkleinzonen van Hyllus, er in slaagden, het schiereiland te veroveren, dat zij onder elkander verdeelden: Temenus kreeg Argos, Cresphontes Messenië, en de zonen van Aristodēmus (z. a.) Lacedaemon. Dit verhaal van deterugkomst der Heraclidenstrekt om de rechten der Doriërs, die de Peloponnesus veroverd en de oude bevolking onderworpen hadden, te steunen op de vroeger door Heracles verworven aanspraken.—Ook de koningen van Macedonië noemden zich Heracliden en beweerden van Temenus af te stammen.—In Lydië regeerde gedurende meer dan vijf eeuwen een dynastie van Heracliden, waarvan Candaules de laatste was; de stamvader van deze dynastie zou door Heracles bij eene slavin van Jardanus verwekt zijn.Heraclīdes,Ἡρακλείδης, 1) bevelhebber der ruiterij onder den jongen Dionysius; later verbannen, nam hij deel aan de onderneming van Dio, doch spoedig verwekte hij onrust en werd hij op last van Dio gedood.—2)beroemd geneesheer, vader van Hippocrates.—3)van Tarentum, zeer geleerd geneesheer in de eerste eeuw, men zegt dat hij in zijne talrijke werken niets schreef, wat hij niet zelf onderzocht had.—4)van Erythrae, een geneesheer die over de werken van Hippocrates schreef. Hij leefde ten tijde van Strabo.—5)Her. Ponticus, een rijk en aanzienlijk man van Heraclēa Pontica, woonde te Athene de lessen van Plato en Speusippus bij, en hielp zijne vaderstad zich van den tyran Clearchus te bevrijden. Hij stierf aan eene beroerte. Bij voorkeur beoefende hij de sterrenkunde, en hij zoude reeds de beweging van de aarde om haar as gevonden hebben. Overigens getuigden zijne talrijke wijsgeerige, taal- en geschiedkundige werken van groote geleerdheid, maar weinig oordeel.—6)van Cyme, ouder tijdgenoot van Alexander d. G., schrijver van een perzische geschiedenis.—7)z.Heraclitusno. 3.Heraclītus,Ἡράκλειτος, 1) van Ephesus, omstreeks 500. Hij leefde geheel en al voor de studie en sloeg zoowel het verzoek van zijne medeburgers af om aan het staatsbestuur deel te nemen, als eene uitnoodiging om aan het hof van Darīus Hystaspis te komen. De resultaten zijner studie heeft hij neergelegd in een werk (περὶ φύσεως), dat hem bij de ouden den naamσκοτεινόςbezorgde; de taal er van is moeielijk te verstaan, en de daarin ontwikkelde stellingen moeielijk te begrijpen. De grondstof van het heelal, tevens de alwetende en albesturende goddelijke geest, is volgens Her. het vuur, waaruit langs den weg naar beneden (ὁδὸς κάτω) alles ontstaat, en waarin zich langs den weg naar boven (ὁδὸς ἄνω) alles oplost. Maar de stof beweegt zich in ieder voorwerp langs beide wegen te gelijk, of eigenlijk zijn de twee wegen slechts een (ὁδὸς ἄνω κάτω μίη), daarom kan men evenmin zeggen dat iets is als dat het niet is; zoowel het eene als het andere is waar, ontstaan en vergaan zijn in alles ten nauwste verbonden, alles is in onophoudelijke beweging en verandering (πάντα ῥεῖ). De stoffelijke voorwerpen ontstaan door tweespalt in den boezem der godheid, de geheele wereld isτὸ ἓν διαφερόμενον αὐτὸν αὑτῷ, maar onder den invloed van liefde en vrede gaat zij van tijd tot tijd weder in de godheid op, om daarna zich evenals te voren er van af te scheiden. Verscheiden fragmenten van dit werk zijn bewaard gebleven. De leer van Her. is later de grondslag geworden van het stelsel der Stoicijnen.—2)van Tyrus, leerling van Philo van Larisa, academisch wijsgeer.—3)ookHeraclidesgenoemd, schrijver vanἈλληγορίαι Ὁμηρικαί, waarin de mythen van Homerus in den geest der stoicijnsche wijsbegeerte verklaard worden. Hij leefde waarschijnlijk onder de eerste rom. keizers.Heraea,Ἡραῖα, feesten ter eere van Hera, op verschillende plaatsen in Griekenland gevierd, vooral op Samus, Mycēnae, Corinthe, en zijne koloniën, en met bizonderen luister te Argos.Heraea,Ἡραία, 1) stad in Arcadia aan den Alphēus.—2)zieHybla.Heraei montes,Ἡραῖα ὄρη, bergketen op Sicilia, loopt van het midden naar de Z.O. punt.Heraeum,Ἡραῖον, 1) de westelijkste punt der Corinthische landengte.—2)stad aan de Propontis (zee van Marmara), ten W. van Perinthus.—3)Her. promunturium, z.Iunonis promunturium.Herbessus,Ἑρβησσός, ookἘρβ.1) stad der Siculi ergens bij Syracusae.—2)stadje in het gebied van Agrigentum, op Sicilia.Herbita,Ἕρβιτα, stad in het hart van Sicilia, ongeveer N.waarts van Enna.Herculaneumof-num,Ἡράκλειον, oudeoscische, later tyrrheensche, vervolgens grieksche stad in Campania, aan den voet van den Vesuvius aan zee gelegen, sedert 88 rom. kolonie. In 63 na C. werd het door eene aardbeving zwaar geteisterd en zestien jaar later bij de uitbarsting van den Vesuvius onder een lavastroom bedolven. Bij het graven van een put in 1721 werd het ontdekt; doch eene opgraving op groote schaal als te Pompeii is niet mogelijk, omdat op den heuvel, die zich boven H. gevormd heeft, nu Resina ligt. Toch heeft men een schat van kostbare voorwerpen aan het licht gebracht; in belangrijkheid en omvang kon de stad zich echter met Pompeii niet meten, daar ze hoogstens 2500 à 3000 inwoners kan geteld hebben.Hercules=Heracles. De sagen betreffende Heracles verbreidden zich reeds vroeg over Sicilië en Zuid-Italië, en kwamen zoo ook naar Rome, waar zijn dienst van uit Tibur is ingevoerd. Oorspronkelijk was die dienst bij de Ara Maxima eensacrum gentiliciumvan de Pinarii en Potitii (ziePinarii); App. Claudius heeft ze tot staatsgodsdienst gemaakt, en sedert dien tijd offert depraetor urbanusjaarlijksGraeco ritu. Hercules werd bij de Ara Maxima vooral door de kooplieden vereerd, die hem dedecuma, het tiende van de winst beloofden; de opbrengst werd gebruikt voor een volksmaaltijd, hetgeen ook een grieksch gebruik is. Bij Hercules zwoeren de mannen:me hercule. Men zocht daarom overeenkomst tusschen hem en inheemsche godheden, Semo Sancus, Dius Fidius, enz., later werd hij meer de beschermende genius der stad Rome (Custos, Defensor, Salutaris), ook had hij een tempel met de Muzen gemeen. Ook offerde men bij voorkeur aan hem na gelukkig te boven gekomen gevaren; zie verderCacus.Herculis (fretum), ookfretum Herculeum,fretum Gaditanum, thans straat van Gibraltar. ZieColumnae Herculis.Herculis Monoeci portus, massilische kolonie op de ligurische kust, thans Monaco, met een tempel van Hercules Monoecus,Μόνοικος.Herculis portus, zieCosa.Herculis promunturium=Heraclēumno. 1, thans kaap Spartivento.Herculis silva, in Germania, ten O. van den Visurgis (Weser), misschien het Süntelgebergte.Hercynia silva,Ἑρκυνία ὕλη, Ἑρκύνιος δρυμός, algemeene naam voor het boschrijke gebergte, dat zich, volgens Caesar 60 dagreizen lang en 9 breed, van den Rijn tot aan de Carpathen uitstrekte (Taunus, Spessart, Rhön, Thüringer- en Frankenwald met de noordelijke vertakkingen naar den Harz, Fichtel, Ertsgeb., Sudeten, Reuzengeb.). In lateren tijd, toen de verschillende gedeelten afzonderlijk genoemd werden, bleef de naamHerc. silvanog in gebruik voor het oostelijke gedeelte van het Reuzengebergte, een enkele maal ook voor de streken aan den Rijn.Herdonia,Ἑρδονία, stadje in Apulia ten Z. van Arpi, dat zich in 216 bij Hannibal aansloot. Het werd in 212 en 210 te vergeefs door de Romeinen belegerd; ten slotte sloopte Hannibal de stad en voerde de inwoners over naar Metapontum.Herdonii.Turnus Herdoniusuit Aricia werd op last van Tarquinius Superbus ter dood gebracht wegens opruiing der Latijnen tegen den koning.—Appius Herdonius, een Sabijn, overrompelde in 460 met behulp van eene schaar cliënten en vluchtelingen het Capitool, doch moest weder zwichten en boette zijn aanslag met den dood.Hereditas, herēdes. Om volgens het strenge rom. recht eene erfenis te kunnen aanvaarden, moest men hetcommerciumhebben. Bij dit erfrecht komen een aantal uitdrukkingen voor, die hier eene korte verklaring mogen vinden.Heredes suizijn de erfgenamen, die bij het overlijden in demanusof in depotestasvan den afgestorvene stonden, dus zijne echtgenoote en zijne kinderen (en somtijds kleinkinderen), voor zoover deze niet door emancipatie of huwelijk of adoptie uit zijnepotestaswaren geraakt. De vestaalsche maagden, alssui iuriszijnde, konden nooitheredes suizijn. Deheredes suiwaren de wettige erfgenamen in den eersten graad. Ontbraken deze, dan kwamen in de tweede plaats de agnaten van den overledene, d.w.z. zij, die vroeger met hem onder dezelfdepatria potestashadden gestaan, zijne moeder, broeders, zusters. Ontbraken ook deze, dan kwamen in de derde plaats degentilesin aanmerking. Cognaten waren dus uitgesloten, evenals geëmancipeerde kinderen; doch het praetorische recht (z. a.) kwam hier aan de billijkheid te gemoet door hunne rechten toch te erkennen, en, voor zoover het dan ook geen eigendomsrecht kon geven, hun toch het bezitrecht,bonorum possessio, toe te kennen. Overigens traden de wettige erfgenamen slechts op voor zoover niet door wettige testamentaire bepalingen anders was beschikt.—Hereditatis cretioheet de uitdrukkelijke verklaring, dat men de erfenis aanvaardt.—Pro herede gestiowordt gebezigd, wanneer men eenvoudig als erfgenaam handelend optreedt.—Heres ex asseis de universeele erfgenaam;ex semisse, de erfgenaam voor de helft;ex triente, die voor een derde, enz.—De erfgenaam, die eene erfenis aanvaardde (hereditatem adire), moest zoowel het passief, als het actief van den boedel overnemen, ook desacra, iets wat lastig kon wezen. Vandaar wordt de uitdrukkingheriditas sine sacrisspreekwoordelijk gebezigd voor een buitenkansje.—Vrouwen hadden slechts een beperkt erfrecht, zielex Voconia.—Onder de keizers verdween het agnatenrecht meer en meer, om plaats te maken voor dat der cognaten.Heredium, rom. vlaktemaat = 2 iugera = ongeveer ½ hectare.Herennia (lex)van den volkstribuun C. Herennius in 60, om door de tribuutcomitiën den bekenden P. Clodius tot de plebs te doen overgaan. Het plebisciet ging niet door; Clodius werd eerst in 59 plebejer door adoptie.Herennii, samnietisch geslacht, dat ook in Campania vertakkingen had en ook te Rome leden telde. Sommigen worden vermeld als groote kooplieden. Onder de juristen, van wie uittreksels in de Pandecten zijn opgenomen, behoortHerennius Modestinus, uit de eerste helft der derde eeuw na C., een leerling van Ulpiānus.—ZekereHerennius Senecio, ten tijde van keizer Domitiānus, werd door dezen ter dood veroordeeld, omdat hij het leven van Helvidius Priscus op vrijmoedige wijze beschreven had.—Herennius Philo, ziePhilono. 8.Herillus,Ἥριλλος, van Carthago, leerling van Zeno, maakte een onderscheid tusschen het levensdoel (τέλος) van den wijze, nl. kennis, en dat van de groote menigte, hetwelk hijὑποτελίςnoemde, en dat in rijkdom en dgl. bestaat.Herilus, zoon van Feronia, koning van Praeneste, die van zijne moeder drie lichamen gekregen had en door Euander gedood werd.

Verwantschap van Heliogabalus met de Sevēri.

Heliogabalus was priester van den zonnetempel te Emesa in Syria. Door zijne groote gelijkenis op (M. Aurelius Antonīnus) Caracalla, kwam Iulia Maesa op het denkbeeld, den schoonen, doch onbeteekenenden knaap, die slechts 14 jaar oud was, voor een zoon van Caracalla te doen doorgaan. Zóó werd hij onder den naam M. Aurelius Antoninus tot keizer uitgeroepen (218–222). Hij beging als keizer allerlei laffe dwaasheden, stelde o. a. een senaat voor vrouwen in, onder wiens bestuur de modes zouden geregeld worden, en gaf zich onbeteugeld aan uitspattingen en wellust over, terwijl hij zich overigens geheel door zijne moeder Soaemis liet beheerschen. Hij had zijn neef, den edelen Alex. Severus, tot mederegent aangenomen (221); toen hij echter dezen naar het leven stond, werd hijzelf met zijne moeder door de soldaten omgebracht.

Heliopolis,Ἡλίου πόλις, stad in Coelesyria tusschen den Libanon en den Antilibanon, ook Baälbek = Baälsstad genoemd, eene prachtige stad, de hoofdzetel van den Baälsdienst. Antonīnus Pius liet hier een schoonen tempel voor Jupiter bouwen.—2)stad in Aegypte, aan het begin der Nijldelta, hoofdzetel van den aegyptischen zonnedienst. De stad leed veel door den veldtocht van Cambȳses. In den griekschen tijd is de stad vervallen.

Helius,Ἥλιος,Sol, zoon van Hyperīon en Thea of Euryphaëssa, broeder van Selēne en Eos, de zonnegod. Iederen morgen komt hij in het uiterste Oosten uit den Oceaan op en voert zijn schitterenden wagen, bespannen met vier paarden, die zoo vurig zijn, dat zelfs Zeus ze niet kan besturen, langs den hemel, om ’s avonds in het Westen weder in den Oceaan neder te dalen, van waar hij v. s. des nachts in een gouden boot slapend naar het O. terugkeert. Hij is, daar hij met zijne stralen overal doordringt, alziend (πανδερκής) en dus alwetend, daarom werd hij bij plechtige verzekeringen en eeden als getuige aangeroepen. Op het eiland Thrinacia weidden zijne dochters, Phaethūsa enLampetia, voor hem 7 kudden runderen en 7 kudden schapen, elke van 50 stuks, een getal dat nooit grooter of kleiner werd, en op vele plaatsen, waar hij vereerd werd, vond men aan hem gewijde kudden. Zijne kinderen waren o.a. Aeētes, Circe en Phaëthon.—Hel. werd vrij algemeen in Griekenland vereerd, vooral op Rhodus, waar zijn 100 voet hoog beeld stond, de zoogenaamde colossus van Rhodus, het werk van Chares. Men offerde hem witte paarden, verder rammen, stieren en geiten; de haan en de arend waren hem gewijd. Op zijne afbeeldingen draagt hij een stralenkrans en een wijden mantel en heeft hij een wereldbol in de hand, soms staat hij op zijn wagen. Vgl.Apollo.

Helium ostium, de zuidelijke mond van den Rijn, de oude Maasmond, die toen veel breeder was dan tegenwoordig.

Hellanīcus,Ἑλλάνικος, van Mytilēne, jongere tijdgenoot van Herodotus, logograaf, wiens vrij talrijke werken verloren gegaan zijn. Hoewel hij veel gereisd en veel gestudeerd had, wordt hem door sommige oude schrijvers gemis aan oordeel en onnauwkeurigheid verweten.

Ἑλλανοδίκαι, een commissie van burgers uit Elis, belast met de regeling van en het toezicht op de olympische spelen, zij fungeerden tevens als kamprechters. Aanvankelijk was dit aan één persoon opgedragen, later vindt men 2, nog later 9, 10 of 12 rechters vermeld.

Hellas,Ἑλλάς. In Homerus’ tijd was Hellas alleen de naam eener stad in het zuid-thessalische landschap Phthiōtis of Phthia, het gebied van Achilles. In het historische tijdperk is Hellas = Graecia, n. l. 1) Midden-Griekenland, thans Livadia,—2)de Peloponnesus,—3)de door ligging en beschaving tot Griekenland behoorende eilanden. Epīrus en Thessalia, samen ook wel Noord-Griekenland genoemd, werden door de oude Grieken niet tot Hellas gerekend. Daar de Grieken hun land niet als één geheel beschouwden, maar als een complex van verschillende staatjes en volken, hadden zij voor Hellas geene bepaald aangegeven aardrijkskundige grens, en daar ook buiten Hellas Grieken woonden, is de uitdrukkingἡ πᾶσα Ἑλλάςniet altijd juist te bepalen, en meermalen = al wat Grieksch is. In engeren zin is Hellas alleen Midden-Griekenland, met de landschappen Attica, Megaris, Boeotia, Locris, Doris, Phocis, Aetolia en Acarnania. Als rom. provincie heette Griekenland Achaia.

Helle,Ἕλλη, dochter van Athamas (z. a.) en Nephele. Door hare moeder van den dood gered, vluchtte zij met haar broeder Phrixus uit hun vaderland en verdronk in de zee, die naar haar Hellespont genoemd wordt.

Hellen,Ἕλλην, zoon van Deucalion en Pyrrha, of van Zeus en Dorippe, vader van Dorus, Aeolus en Xuthus, stamvader der Hellenen.

Hellēnes,Ἕλληνες. Vóór Homerus bestaat er geen gemeenschappelijke volksnaam voor de bevolking van Griekenland. In verschillende streken komen verschillende stammen voor:Abantes, Curētes, Caucōnes, Leleges,Epēi, Dryopes, Danaï, Dolopes, Myrmidones, welke laatsten bij Homerus ook Hellenen worden genoemd naar hunne stad Hellas. Mettertijd verdwijnen deze stammen door samensmelting, verhuizing, enz., en komen twee andere namen,PelasgienHellenes, er voor in de plaats. Beide stammen kwamen uit Thessalia, de Pelasgen het eerst. De Hellenen drongen de Pelasgen weder op den achtergrond en de naam Hellenen werd de algemeene volksnaam.—Als gemeenschappelijke naam der Grieken bezigt Homerus wel den naamAchaei, waarschijnlijk waren deze in zijn tijd de voornaamste stam. De grieksche schrijvers evenwel splitsen de Hellenen weder in vier stammen:Aeoles, Achaei, Iōnes, Dores. Het is hier de plaats niet, over de afkomst en onderlinge verhouding dezer stammen gissingen te maken. De Ioniërs en Doriërs werden allengs de hoofdstammen.

Hellenismus, de algemeen gebruikelijke naam voor de Grieksche beschaving na Alexander den Groote. De oostersche volkeren hebben de Grieksche beschaving overgenomen en vervormd, en wederom invloed uitgeoefend op de eigenlijk Grieksche beschaving. Hellenistisch wordt de kunst, de poëzie, de geschiedbeschrijving, de philosophie en de godsdienst zoowel van de Grieken als van de oostersche volkeren.

Ἑλληνοταμίαιeen college van 10 door de volksvergadering gekozen atheensche ambtenaars, die de bijdragen der bondgenooten moesten innen en de bondskas beheerden. Deze bijdragen beliepen in den peloponnesischen oorlog ongeveer 1300 talenten; de kas werd aanvankelijk op Delus, sedert 454 op voorstel van Pericles te Athene bewaard. ZiePericles.

Hellespontus,Ἑλλήσποντος, zee van Helle,die volgens de mythe daar zou verdronken zijn, thans de straat der Dardanellen. Ook het aziatische kustland langs de zeeëngte en zelfs nog verder oostwaarts wordt somtijds Hellespontus genoemd. In den lateren keizerstijd was dit ook de naam der rom. provincie, die uit Troas en een deel van Mysia gevormd was en Cyzicus tot hoofdstad had.—Hellespontias, een van den Hellespont komende wind.

Helli,Ἑλλοί=Selli.

Hellomenum,Ἑλλόμενον, havenstad aan de O.-zijde van het eiland Leucas.

Hellopia,Ἑλλοπία=Ellopia.

Hellotia,Ἑλλώτια, 1) feest te Corinthe ter eere van Athena, die hier den bijnaam Hellōtis had.—2)feest op Creta ter eere van Europa, die hier onder den naam Hellōtis goddelijke eer genoot.

Helmantica=Salmantica.

Helōrusof-um,Ἕλωρος, -ον, stad aan de Oostkust van Sicilia ten Z.Z.W. van Syracusae, aan den mond van de rivier Helorus.

Helos,Ἕλος, stadje aan de Laconische golf, te midden van moerassen gelegen; vandaar de naam. De ouden leidden, op den klank af, den naam Heloten van deze stad af. Ook eene lage streek in Elis aan den Alphēus droeg dezen naam.

Helōtes,Εἵλωτες, Εἱλῶται, de afstammelingen der vroegere bewoners van Lacedaemon, die door de dorische veroveraars van vrijheid en goederen beroofd waren en als staatsslaven aan particulieren ten gebruike gegeven werden, voor wie zij als lijfeigenen het land bebouwden. Van de opbrengst van het land hadden zij een bij de wet bepaalde hoeveelheid aan hunne heeren af te staan, het overige was voor hen, zoodat zij onder gunstige omstandigheden eenig vermogen konden verwerven. Het was den heeren niet geoorloofd hen te dooden of buitenslands te verkoopen, ook mochten zij niet zonder toestemming van den staat vrijgelaten worden. Daarentegen kregen zij somtijds van staatswege de vrijheid voor dapperheid, in den oorlog betoond, waarin zij als lichtgewapenden, zeer zelden als hoplieten, later ook als matrozen dienden. Z.Νεοδαμώδεις. Het burgerrecht kregen zij hoogst zelden. Z. echterΜόθακες. In 464 stonden zij na eene groote aardbeving op en trokken zij zich in de vesting Ithōme terug, vanwaar zij 10 jaar lang een oorlog voerden, die eindigde met hun vrijen aftocht uit de Peloponnesus. Hun groot aantal boezemde den Spartanen voortdurend vrees voor dergelijke voorvallen in, die zich in strenge, soms gewelddadige maatregelen uitte. Z.κρυπτεία.

HelvaeonesofHelvecones, germaansche stam tot de Lugii, de latere Vandalen, behoorend, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel).

Helvetii,Ἑλουήτιοι, een machtig keltisch volk tusschen den mons Iura (Jurageb.), den Rhodanus (Rhône) en den Rhenus (Rijn), verdeeld in vierpagiof kantons, waarvan twee, depagus Tigurīnusen dep. Verbigenusnader bekend zijn. Z. ookToygeni. De Helvetiërs sloten zich aan bij de Cimbren; de Tiguriners brachten in 107 onder Divico den rom. consul L. Cassius Longīnus (Cassiino. 3) eene beslissende nederlaag toe; Cassius sneuvelde en zijn leger moest onder het juk doorgaan. Een ander gedeelte der Helvetiërs keerde na de nederlaag der Cimbren in 101 weder naar hun land terug. In 58, bij Caesars komst in Gallia, ondernamen de Helvetiërs weder een groote volksverhuizing, doch werden door Caesar met ontzaggelijk verlies teruggeslagen; van de 263000 menschen bleven slechts 110000 over. Sedert dien tijd begon men denager Helvetiorummet rom. sterkten te bezetten. Na den dood van keizer Otho, toen de Helvetiërs Vitellius niet wilden erkennen, werden zij als wilde dieren opgejaagd en vervolgd. Deager Helvetiorumbehoorde tot Belgica, en strekte zich oorspronkelijk tot aan de Bodensee uit. Sedert de indeeling van het rijk door Diocletiānus behoorde het oostelijke gedeelte en de geheele Bodensee tot Raetia.

Helvidii, rom. geslacht, uit Samnium afkomstig. 1)P. Helvidius Rufus, bij Cicero vermeld, een vriend van Cluentius.—2)Helvidius Priscusdempte met veel beleid in 51 na C. de onlusten in Cappadocia; v. s. is dit dezelfde als no. 3.—3)C. Helvidius Priscus, schoonzoon van Thrasea Paetus, was een man vanrepublikeinschegezindheid en een beoefenaar van wetenschap en wijsbegeerte, vooral van die der Stoicijnen. Onder Nero bekleedde hij de quaestuur, de praetuur en het volkstribunaat, doch werd om zijn staatkundige gevoelens verbannen. Hij werd door Galba teruggeroepen; Vespasiānus verbande hem nog eens, en liet hem later, omdat hij niet ophield zich tegen den keizer vijandig te betoonen, ter dood brengen.—4)Helvidius Priscus, zoon van no. 3, stierf onder Domitiānus in den kerker, wegens een spotdicht op den keizer.

Helvii, plebejisch geslacht. Een uit dit geslacht,C. Helvius Cinna, werd bij Caesars begrafenis bij vergissing vermoord door het volk, dat het op L. Cornelius Cinna (zieCorneliino. 40) had gemunt. Ook een dichter van dezen naam wordt genoemd als maker van een gedichtSmyrna, vriend van Catullus. Waarschijnlijk is het dezelfde. De moeder van Cicero was eeneHelvia, evenals de moeder van Seneca (den zoon).

Helvii, gallisch volk tusschen den mons Cebenna en den Rhodanus. Hoofdstad: Alba Augusta.

Hemeroscopīum,Ἡμεροσκοπεῖον, zieDianium.

Hemesa=Emesa.

Ἕνδεκα, een college van 10 magistraten met een schrijver, die te zorgen hadden voor het toezicht op en de bewaking van gevangenen, voor het voltrekken van doodvonnissen, enz. Zij die op heeterdaad betrapt waren bij eene misdaad, waarop dood- of gevangenisstraf stond, werden voor de elfmannen gebracht, die in geval van bekentenis konden vonnissen, en anders de zaak voor eene rechtbank brachten, waarbij zij de instructie leidden.

Heneti,Ἐνετοί, volksstam aan den Parthenius in Paphlagonia, bondgenooten van Priamus, koning van Troje. Dit volk verdween; de ouden meenden het teruggevonden te hebben in deVeneti, in Gallia Cisalpīna. ZieVeneti.

Heniochi,Ἡνιόχοι, zeerooversvolk op de N.O. kust van den Pontus Euxīnus, aan den Caucasus, ten N. van Dioscurias.

Ἡνίοχος, z.Auriga.

Henna=Enna.

Hephaestia,Ἡφαιστία, stad op Lemnus, aan den N.O. kant.

Hephaestion,Ἡφαιστίων, 1) zoon van Amyntor, boezemvriend van Alexander d. Gr. en officier in zijn leger; hij stierf te Ecbatana en werd door Alex. met buitensporig rouwbetoon betreurd en als een heros vereerd.—2)grammaticus te Alexandrië, schrijver van een zeer uitgebreid werk over metriek waarvan een door hemzelf bewerkt uittreksel bewaard gebleven is; hij leefde omstreeks 150 na C.

Hephaestus,Ἥφαιστος,Vulcānus, zoon van Zeus en Hera, god van het vuur. Daar hij kreupel en leelijk was, wierp Hera hem kort na zijne geboorte van den Olympus, hij viel in zee, waar hij 9 jaar door Thetis en Eurynome verzorgd werd. Daarna keerde hij naar den Olympus terug, maar toen hij eens bij een twist tusschen zijne ouders te ijverig voor zijne moeder partij trok, greep Zeus hem bij een been en wierp hem weder uit den hemel. Het duurde een geheelen dag eer hij bijna levenloos op Lemnus neerkwam, waar hij vriendelijk opgenomen en verpleegd werd. Later werd hij onder de olympische goden opgenomen en werd hem Charis, Aglaia of Aphrodīte tot echtgenoote gegeven, maar daarmede verliest hij zijne beteekenis als god eener natuurkracht en wordt hij de kunstvaardige werkman (Κλυτοτέχνης, Κλυτόεργος), die door de kracht van het vuur metalen bearbeidt en de merkwaardigste kunstwerken ten dienste van goden en helden vervaardigt. Zijne werkplaats wordt oorspronkelijk op den Olympus, later onder verschillende vuurspuwende bergen gedacht, vooral op Lemnus en Sicilië. Als kunstenaar staat hij in nauwe betrekking tot Athēna, te Athene werd voor hen beiden een feest gevierd, deΧαλκεῖα. De voornaamste plaats van zijn eeredienst, die overigens niet algemeen was, was Lemnus, waar de Cabīri als zijne helpers beschouwd werden. Afbeeldingen zijn zeldzaam, gewoonlijk wordt hij voorgesteld als een krachtig man, in werkmanskleederen en met een hamer in de hand.

Heptanomis,Ἑπτανομίς, het land der zevenνομοίof distrikten, grieksche naam voor Midden-Aegypte, hoofdstad Memphis.

Hera,Ἥρα,Juno, oudste dochter van Cronus en Rhea, opgevoed door Oceanus en Tethys, zuster en gemalin van Zeus, met wien zij 300 jaar heimelijk gehuwd was, voordat hij de heerschappij over de goden verwierf en haar openlijk als zijne gemalin deed erkennen. Als zoodanig wordt zij door goden en menschen zeer hoog geëerd, ook Zeus zelf bewijst haar eerbied en laat haar soms over donder, bliksem en storm beschikken. Maar haar trotsch en onbuigzaam karakter maakt het dikwijls noodig, dat hij ook haar zijn oppermacht laat gevoelen, en aan den anderen kant geven zijn talrijke liefdesavonturen en de onverzoenlijke haat, waarmede zij de door hem beminde vrouwen en hare kinderen vervolgt, dikwijls aanleiding tot de hevigste twisten, zelfs smeedde zij eens met Poseidon en Athēna eene samenzwering tegen haar gemaal, die slechts door de tusschenkomst van Aegaeon hunne plannen kon verijdelen. Met geweld vermag zij echter niets tegen hem, en wanneer het haar al eens gelukte door list haar wil tegen den zijnen door te drijven, moet zij daarvoor meestal boeten; zoo werd zij eens, toen zij Heracles op zee bijna had doen omkomen, door Zeus met gouden boeien aan den aether opgehangen met een zwaar aambeeld aan iederen voet. Haar huwelijk met Zeus is ook de grondslag van de vereering, die zij bij de menschen geniet, en treedt bij hare feesten en plechtigheden steeds op den voorgrond; daarom is zij ook de godin van het huwelijk (Γαμηλία, Ζυγία, Τελεία) en der geboorten (Εἰλείθυια). Haar dienst is door geheel Griekenland verbreid, Samus is geheel aan haar gewijd, hare lievelingssteden zijn Argos (Ἀργεία), Mycēnae en Sparta; daarom evenzeer als uit toorn wegens het oordeel van Paris, ondersteunt zij de Grieken krachtig in hun oorlog tegen de Trojanen. De koekoek, de pauw, de kraai en de granaatappel waren haar gewijd. Op hare afbeeldingen wordt zij voorgesteld met eene volle krachtige gestalte, waardige en ernstige gelaatstrekken, groote oogen (βοῶπις) en zware lokken, zij zit soms op een troon, draagt een ruim en lang gewaad, kroon of sluier, en heeft in de hand een schepter, granaatappel, offerschaal e. dgl.

Kop van Hera, villa Ludovisi te Rome.Kop van Hera, villa Ludovisi te Rome.

Kop van Hera, villa Ludovisi te Rome.

Heraclēa,Ἡράκλεια, naam van een aantal steden, waaronder de voornaamste zijn: 1)Heracleain Acarnania, aan de Ambracische golf.—2)H.in het elische gewest Pisātis.—3)H.in Lucania, aan de Tarentijnsche golf, geboorteplaats van den schilder Zeuxis, thans Policoro. Hier behaalde Pyrrhus in 280 zijn eerste overwinning op de Rom.—4)H.in Syria, aan de kust, ten N. van Laodicēa no.1.—5)H.in Thracia, aande Propontis, nabij de invaart van den Hellespont, ten O. van Pactye.—6)Heraclea Perinthus, meer oostwaarts dan het vorige, aan de Noordkust der Propontis gelegen, vroeger Perinthus geheeten, eene zeer aanzienlijke stad.—7)Heraclea Pontica, op de bithynische kust aan den Pontus Euxīnus gelegen, belangrijke handelsstad, doch welker bloei in den grooten mithradatischen oorlog geknakt werd. De wijsgeer Heraclīdes (no.5) was hier geboren.—8)Heraclea Chersonēsi, thans Sebastopol, in de Chersonesus Taurica (Krim).—9)Heraclea Latmi, aan den voet van den berg Latmus aan de latmische golf, bij Milētus.—10)Her. Sintice, in het macedonische gewest Sintice, aan den Strymon.—11)Her. Lyncestis, in het maced. landschap Lyncestis, aan de via Egnatia.—12)Her. Trachinia, in Trachis, even ten W. van de Thermopylae, zieTrachis.—13)Her. Caccabaria, ten O. van Massilia (Marseille). Tgw. Cavalaire.—14)Her. Minōa, op de Zuidkust van Sicilia, ten W. van Agrigentum, misschien door cretensische kolonisten Minoa genoemd naar Minos, overigens kolonie van Selīnus, ± 500 door Spartanen veroverd en Heraclea geheeten. Omstreeks 460 werd het carthaagsch; in 133 zonden de Rom. er een kolonie heen.

Heracleopolis,Ἡρακλέους πόλις, naam van twee aegyptische steden.Her. maiorlag in Midden-Aegypte tusschen het meer Arsinoë en den Nijl;Her. minorlag in de Nijldelta aan den pelusischen mond en is later door de lagune Menzaleh verzwolgen.

Heracleoticum ostiumofCanobicum ostium,Ἡρακλεωτικόν, Κανωβικὸν στόμα, meest westelijke Nijlmonding.

Farnesische Hercules, Museum te Napels.Farnesische Hercules, Museum te Napels.

Farnesische Hercules, Museum te Napels.

Heracles,Ἡρακλῆς,Hercules, zoon van Zeus en Alcmēne, de gemalin van Amphitryo. Op den dag, die voor zijne geboorte bestemd was liet Zeus zich in de vergadering der goden het woord ontvallen, dat heden een man zou geboren worden, die over alle mannen van zijn geslacht (de Persiden) zoude heerschen. Hera, die den zoon van Alcmēne reeds vóór zijne geboorte haatte, liet dit woord met een eed bevestigen, en bewerkte toen als godin der geboorte dat op dien dag niet Heracles, maar Eurystheus, de zoon van Sthenelus, geboren werd (z.Galinthias). Tegelijk met Her. werd ook Iphicles, de zoon van Amphitryo, geboren, en reeds toen zij nog in de de wieg lagen, zond Hera twee monsterachtige slangen om de kinderen te dooden, Her. greep ze echter en drukte ze dood. Hij werd verder door de beste leermeesters opgevoed, o.a. door Linus, den toonkunstenaar, die hem eens voor zijn weinige vorderingen in de muziek berispte en daarvoor een slag met de luit kreeg, zoodat hij op de plaats dood bleef. Verschrikt door zijne woeste kracht, zond Amphitryo hem als herder naar den Cithaeron, waar hij tot zijn achttiende jaar bleef, en waar hij zich verdienstelijk maakte door het dooden van een leeuw, die het gebied van Thespiae onveilig maakte. De huid van dezen (of van den nemeïschen) leeuw diende hem in het vervolg tot kleeding. Naar Thebae teruggekeerd, bevrijdde hij de Thebanen van de schatting, die zij aan Ergīnus (z. a.) hadden te betalen; uit dankbaarheid gaf koning Creon hem zijne dochter Megara tot vrouw. Kort daarna eischte Eurystheus dat hij zich, volgens het bij hunne geboorte door Zeus bezworen woord, onder zijne bevelen zoude stellen, een eisch, die Her. zoo woedend maakte, dat hij tot waanzin verviel, zijn eigen drie kinderen en twee van Iphicles doodde, en voor zijn geheele omgeving gevaarlijk werd; tot bezinning gekomen, vroeg hij vol berouw het orakel van Delphi, door welk middel hij zijn schuld zou kunnen verzoenen; het antwoord luidde, dat hij Eurystheus moest gehoorzamen, dat deze hem twaalf werken zoude opdragen, en dat hij door de vervulling van die taak de onsterfelijkheid deelachtig zou worden. Bij deze gelegenheid werd hij door het orakel voor het eerst Heracles genoemd, terwijl hij tot dien tijd den naam Alcīdes of Alcaeus gedragen had. Het eerste werk, dat Eurystheus hem opdroeg, was het dooden van dennemeïschen leeuw. Daar dit monster, een voortbrengsel van Typhon en Echidna, niet met wapenen gedood of gewond konde worden, dreef hij het met knotsslagen in zijn hol, greep het daar met beide handen aan en verstikte het. Toen hij het gedoode dier naar Mycēnae bracht, boezemde dit bewijs van zijne wonderbare kracht Eurystheus zulk een schrik in, dat hij hem gebood voortaan niet meer in zijne nabijheid te komen, maar buiten de poort te blijven, waar Copreus hem nieuwe bevelen zoude brengen.—Vervolgens moest hij dehydradooden, die in de moerassen van Lerna bij Argos huisde en den geheelen omtrek onveilig maakte. Dit was een reusachtige slang, door Typhon en Echidna voortgebracht, met 7, 9, 50 of 100 koppen, waarvan één onsterfelijk was. Door vurige pijlen joeg hij het monster op, en terwijl het trachtte zich om zijn lichaam te slingeren, hieuw hij de koppen af; maar voor elken afgeslagen kop verschenen twee nieuwe; bovendien werd hij voortdurend in de voeten gebeten door een grooten kreeft, die door Hera naar de kampplaats gezonden was. Met groote moeite gelukte het hem den kreeft te vertrappen, vervolgens schroeide hij met gloeiende boomstammen de wonden dicht, die hij aan de hydra toebracht, zoodat geen nieuwe koppen konden aangroeien, eindelijk begroef hij den onsterfelijken kop onder een zwaar rotsblok. In het vergiftige bloed der hydra doopte hij zijne pijlen.—Zijne derde onderneming was tegen hetwilde zwijn, dat de landen rondom den berg Erymanthus verwoestte. Op zijn tocht daarheen nam hij zijn intrek bij den Centaur Pholus, die hem gastvrij ontving en ter eere van hem een vat wijn opende, waaruit zulk een zoete geur opsteeg, dat alle andere Centauren er door aangelokt werden. Toen zij hem het vat wilden ontnemen, ontstond een woedend gevecht, de Centauren werden gedood of verjaagd,en zelfs Pholus en Chiron kregen in de verwarring tegen den wil van Her. doodelijke wonden. Het zwijn wist hij uit het woud naar een dik besneeuwd veld te jagen, waar hij het zoolang vervolgde, tot het uitgeput nederzonk. Daarop nam hij het op zijne schouders en droeg het levend naar Mycēnae.—Daarna eischte Eurystheus dat hij dehindevan Cerynēa, een berg tusschen Arcadië en Achaia, levend vangen zoude. Hij vervolgde dit dier, dat aan Artemis gewijd was, gouden horens en koperen pooten had, een jaar lang, eer het hem gelukte het met een pijlschot in een poot te treffen en zich er van meester te maken.—Vervolgens werd hij uitgezonden tegen destymphalische vogels, die zich in menigte bij de stad Stymphālus hadden nedergezet, ijzeren klauwen, snavels en vleugels hadden, en hunne vederen evenals pijlen afschoten. Met een koperen ratel joeg hij ze op, daarna doodde hij sommige en verjoeg hij de overige, die naar het eiland Aretias vluchtten, waar de Argonauten ze later vonden.—Ten zesde haalde hij voor Admēte, de dochter van Eurystheus, dengordel van Hippolyte(z. a.), de koningin der Amazonen. V. s. zou hij op den tocht daarheen het rijk van Amycus veroverd en aan Lycus, koning van Mysië, die hem gastvrij ontving, gegeven hebben. Op de terugreis landde hij op de kust van Troje en doodde er een zeemonster, waardoor hij Hesione het leven redde (z.Laomedon).—Zijn zevende werk was het reinigen van destallen van Augīas(z. a.).—Daarna haalde hij denstiervan Creta (z.Minos) en bracht hij hem levend naar Mycēnae. Daar werd het dier weder losgelaten en nu liep het in Attica rond, tot Theseus het in de vlakte van Marathon ving en doodde.—Vervolgens ging hij naar Thracië, vanwaar hij depaarden van Diomēdes(z. a. no. 1) medebracht; bij deze gelegenheid zoude hij Abdēra gesticht hebben.—Het rooven van derunderen van Geryones(z. a.), zijn tiende werk, was een van de moeielijkste en gevaarlijkste. In voortdurenden strijd met allerlei onbekende en woeste volken, trok hij door Europa en Libye naar het meest westelijke punt der aarde, waar hij, ter herinnering aan dien verren tocht, de zuilen van Heracles oprichtte. Toen hem hier de zonnestralen te hevig kwelden, durfde hij zelfs tegen Helius zijn boog spannen, eene vermetelheid, die de god zoo weinig kwalijk nam, dat hij hem zijn gouden vaartuig leende, om naar Erythēa over te varen, waar hij zijne taak te vervullen had. Met zijn buit trok hij nu door Hispanië, Gallië, Italië en Sicilië naar Griekenland terug. Ook op deze reis moest hij zich en zijne runderen meer dan eens tegen vijandelijke aanvallen verdedigen (z.Cacus, Eryx, Alcyoneus), allerlei moeielijkheden werden hem door Hera in den weg gelegd, toch kwam hij eindelijk behouden te Mycēnae aan. V. s. waren hem oorspronkelijk door het orakel slechts tien werken opgelegd, zoodat nu zijne dienstbaarheid ten einde zoude zijn, maar Eurystheus verklaarde zich niet voldaan met de uitvoering van het tweede en zevende werk. Want de slang van Lerna had hij niet kunnen dooden zonder de hulp van zijn wagenmenner Iolāus (z. a.), en Augīas had hij niet kunnen dwingen hem het beloofde loon te betalen. Daarom droeg hij hem nog twee nieuwe werken op, en wel vooreerst driegouden appelen uit den tuin der Hesperiden(z.a.) te halen. Waar die tuin was, wist niemand hem te zeggen, zoodat hij lang op goed geluk ronddwaalde, totdat hij Nereus met geweld dwong hem het geheim te openbaren, dat hij in het verste Westen zoude vinden wat hij zocht. De tocht daarheen was weder rijk aan gevaarlijke ontmoetingen (z.Antaeus, Busīris,Emathion), eindelijk kwam hij aan den Caucasus, waar hij den gier van Promētheus (z. a.) doodde en van dezen den raad ontving de appelen niet zelf te halen, maar Atlas te verzoeken het voor hem te doen. Atlas voldeed aan dit verzoek, terwijl Her. inmiddels het hemelgewelf voor hem droeg, maar nu wilde hij ook zelf de appelen aan Eurystheus brengen en zijn last intusschen op de schouders van zijn plaatsvervanger laten rusten. Her. verklaarde zich bereid dien wensch in te willigen, wanneer hij slechts even een kussen op zijn schouder mocht leggen. Atlas liet zich misleiden en nam den hemel voor een oogenblik weder op, waarna Her. zich van de appelen meester maakte en hem liet staan.—Als laatste en moeielijkste werk werd hem opgedragen den hondCerberus(z.a.) uit de onderwereld te halen. Nadat hij zich in de eleusinische mysteriën had laten inwijden, daalde hij bij Taenarum in de onderwereld af, waar hij een algemeenen schrik verspreidde en van Hades verlof kreeg zijne taak te vervullen.—Nu was hij van zijne dienstbaarheid bevrijd, hij gaat naar Thebae, geeft zijne vrouw aan zijn vriend Iolāus, en gaat daarop naar Eurȳtus (no. 2) om de hand van diens dochter Iole te verwerven. Toevallig werden omstreeks dienzelfden tijd paarden of runderen van Eurytus gestolen, en deze zendt zijn zoon Iphitus uit om bij Her., dien hij van den diefstal verdenkt, een onderzoek in te stellen; hierover vertoornd, neemt Her. Iphitus mede naar den burcht van Tiryns, waar hij hem van boven naar beneden werpt. Tot straf voor deze misdaad laat hij zich op bevel van het delphische orakel voor drie jaar als slaaf verkoopen, en komt hij in handen van Omphale, koningin van Lydië. In haar dienst bevrijdde hij haar land van roovers, ook nam hij in dien tijd deel aan de calydonische jacht en aan den tocht der Argonauten, die hem echter in Mysië achterlieten, omdat hij niet tijdig aan boord kwam. Op zijn terugtocht naar Lydië ontmoette hij de Cercopen (z. a.). Bij Omphale teruggekeerd, verviel hij door zijne liefde voor haar tot zulk een verwijfdheid, dat hij haar zijn leeuwenhuid en knots afstond en zelf haar spinnewiel ter hand nam.—Na het verstrijken van den tijd zijner slavernij trok hij met 18 schepen naar Troje en vervolgensnaar Elis, om zich op Laomedon (z. a.) en Augīas (z. a.) te wreken; daarop ging hij naar Pylus en doodde Neleus met al zijne zonen, behalve Nestor, die toevallig afwezig was; Neleus had namelijk geweigerd hem na den moord van Iphitus te reinigen. Zelfs Hades, die aan de zijde der Pyliërs streed, werd door den held zwaar gewond. Van hier trok hij naar Sparta en doodde hij Hippocoön (z. a.) en zijne twaalf zonen; de regeering gaf hij aan Tyndareos terug, op voorwaarde dat zij eens op zijne eigene nakomelingen zou overgaan. Te Calydon aangekomen, vatte hij liefde op voor Deïanīra, de schoone dochter van koning Oeneus, die echter ook bemind werd door Achelōus (z. a.); toen deze gedwongen was van zijne aanspraken afstand te doen, huwde Her. met Deïanīra en bleef hij geruimen tijd bij zijn schoonvader wonen, totdat hij eens bij ongeluk aan een jongen bloedverwant van dezen een doodelijken slag gaf, waarna hij besloot zich te verwijderen. Op zijne reis naar Trachis trok hij over de rivier Euēnus, die hij doorwaadde, maar om Deïanīra er over te brengen, had hij de hulp van den Centaur Nessus noodig; deze nam haar op zijn rug, maar toen hij haar midden op den overtocht geweld wilde aandoen, doorschoot Her. hem met een van zijne vergiftigde pijlen. Te Trachis werd hij gastvrij ontvangen door koning Ceyx, voor wien hij de Dryopen onderwierp. Gedurende zijn verblijf aldaar ondernam hij op bevel van Apollo den strijd tegen Cycnus (no. 3), en ondersteunde hij Aegimius (z. a.) in zijn oorlog tegen de Lapithen, bij welke gelegenheid hij Amyntor (z. a.) doodde. Eindelijk begaf hij zich weder naar Oechalia om zich op Eurȳtus te wreken, hij nam den burcht in, doodde hem en zijne zonen, en voerde rijken buit mede, waaronder ook de schoone Iole. Toen Deianira dit vernam, herinnerde zij zich dat Nessus haar bij zijn dood een zalf gegeven had, die haar, naar hij beweerde, de liefde van haar gemaal zou doen herwinnen, indien hij haar soms mocht willen ontrouw worden. Vreezende dat Iole haar mededingster zoude worden, bestreek zij een prachtgewaad met die zalf, en zond het aan Her. om het te dragen bij het offer, dat hij aan Zeus wilde brengen. Her. had echter nauwelijks dit kleed aangetrokken, of hij werd door de hevigste pijnen overvallen, zoodat hij in waanzin den brenger er van in zee werpt; de zalf was namelijk niets anders dan het gestolde bloed van Nessus, gevloeid uit de wond, die Her. zelf hem had toegebracht met een zijner pijlen, en dus vergiftigd met het bloed van de slang van Lerna. Toen hij vernam wat er gebeurd was en inzag dat zijn einde nabij was, liet hij zich op den top van het Oetagebergte brengen, en besteeg daar den brandstapel. Terwijl de vlam opstijgt, daalt Athēna onder donder en bliksem met een vierspan van den hemel en voert den held naar den Olympus, waar zij met Apollo hem in den kring der goden leidt, Hera zich met hem verzoent en Hebe hem tot gemalin gegeven wordt.—Her., oorspronkelijk de heros der Doriërs in Thessalië, werd in den loop der tijden de voornaamste held van geheel Griekenland; men neemt aan dat, tengevolge daarvan, een aantal verhalen van groote daden, aanvankelijk aan anderen toegeschreven, zich aan zijn naam hebben vastgeknoopt, en dat ook buitenlandsche, vooral oostersche, legenden met zijne geschiedenis verbonden zijn. Latere navorschers hebben getracht dit te bewijzen en hebben zijne daden zelfs over 24 verschillende personen verdeeld. Men vereerde hem algemeen in Griekenland, hetzij als heros, in navolging van hen, die zijn hemelvaart hadden bijgewoond, hetzij als god, naar het voorbeeld van den Athener Diomus, in zijne hoedanigheden als roemrijk overwinnaar in al zijne ondernemingen (Καλλίνικος,Victor), als verdelger van monsters en weldoener der menschheid (Ἀλεξίκακος, Σωτήρ,Pacifer), als waarzeggend god (Μάντις), als beschermer van gymnasia en wedstrijden, de oefenscholen van mannelijke kracht (Ἐναγώνιος), enz. Te Athene, Thebe e. e. werden te zijner eere bizondere feesten (Ἡράκλεια) gevierd. De beeldende kunst stelde hem soms als kind of jongeling voor, maar meestal als een krachtig gebouwd man, met korten hals en breede borst, betrekkelijk kleinhoofd, zwaar kort haar, gewapend met boog, knots en leeuwenhuid.

Heraclēum,Ἡράκλειον, 1) zuidelijkste kaap van Italia, ookHerculis promunturiumgeheeten, thans Spartivento.—2)kaap in Pontus, ten O. van Amīsus.—3)stad in Macedonia, nabij de thessalische grenzen en het dal Tempe.—4)stadje in het noord-syrische gewest Cyrrhestica, waar P. Ventidius in 38 de Parthen versloeg.—5)stad in de Nijldelta, waarnaar de canobische Nijlmond ook de heracleotische wordt genoemd.—6)=Herculaneum.—7)haven van Cnosus.

Heraclīdae,Ἡρακλεῖδαι, zonen en afstammelingen van Heracles. De kinderen, die bij den dood van den held in de Peloponnesus achterbleven, werden reeds spoedig door Eurystheus vervolgd en genoodzaakt in Attica een toevluchtsoord te zoeken. Theseus of Demophon nam hen welwillend op, en toen Eurystheus met geweld hunne uitlevering wilde afdwingen, werd zijn leger verslagen en hij door Hyllus, den oudsten zoon van Heracles, gedood. Steunende op een orakel, dat hun geluk op hunne onderneming beloofde, indien zij de derde vrucht afwachtten, beproefden Hyllus en zijne afstammelingen nog meermalen de regeering over de Peloponnesus te verwerven, totdat Temenus, Cresphontes en Aristodēmus, achterkleinzonen van Hyllus, er in slaagden, het schiereiland te veroveren, dat zij onder elkander verdeelden: Temenus kreeg Argos, Cresphontes Messenië, en de zonen van Aristodēmus (z. a.) Lacedaemon. Dit verhaal van deterugkomst der Heraclidenstrekt om de rechten der Doriërs, die de Peloponnesus veroverd en de oude bevolking onderworpen hadden, te steunen op de vroeger door Heracles verworven aanspraken.—Ook de koningen van Macedonië noemden zich Heracliden en beweerden van Temenus af te stammen.—In Lydië regeerde gedurende meer dan vijf eeuwen een dynastie van Heracliden, waarvan Candaules de laatste was; de stamvader van deze dynastie zou door Heracles bij eene slavin van Jardanus verwekt zijn.

Heraclīdes,Ἡρακλείδης, 1) bevelhebber der ruiterij onder den jongen Dionysius; later verbannen, nam hij deel aan de onderneming van Dio, doch spoedig verwekte hij onrust en werd hij op last van Dio gedood.—2)beroemd geneesheer, vader van Hippocrates.—3)van Tarentum, zeer geleerd geneesheer in de eerste eeuw, men zegt dat hij in zijne talrijke werken niets schreef, wat hij niet zelf onderzocht had.—4)van Erythrae, een geneesheer die over de werken van Hippocrates schreef. Hij leefde ten tijde van Strabo.—5)Her. Ponticus, een rijk en aanzienlijk man van Heraclēa Pontica, woonde te Athene de lessen van Plato en Speusippus bij, en hielp zijne vaderstad zich van den tyran Clearchus te bevrijden. Hij stierf aan eene beroerte. Bij voorkeur beoefende hij de sterrenkunde, en hij zoude reeds de beweging van de aarde om haar as gevonden hebben. Overigens getuigden zijne talrijke wijsgeerige, taal- en geschiedkundige werken van groote geleerdheid, maar weinig oordeel.—6)van Cyme, ouder tijdgenoot van Alexander d. G., schrijver van een perzische geschiedenis.—7)z.Heraclitusno. 3.

Heraclītus,Ἡράκλειτος, 1) van Ephesus, omstreeks 500. Hij leefde geheel en al voor de studie en sloeg zoowel het verzoek van zijne medeburgers af om aan het staatsbestuur deel te nemen, als eene uitnoodiging om aan het hof van Darīus Hystaspis te komen. De resultaten zijner studie heeft hij neergelegd in een werk (περὶ φύσεως), dat hem bij de ouden den naamσκοτεινόςbezorgde; de taal er van is moeielijk te verstaan, en de daarin ontwikkelde stellingen moeielijk te begrijpen. De grondstof van het heelal, tevens de alwetende en albesturende goddelijke geest, is volgens Her. het vuur, waaruit langs den weg naar beneden (ὁδὸς κάτω) alles ontstaat, en waarin zich langs den weg naar boven (ὁδὸς ἄνω) alles oplost. Maar de stof beweegt zich in ieder voorwerp langs beide wegen te gelijk, of eigenlijk zijn de twee wegen slechts een (ὁδὸς ἄνω κάτω μίη), daarom kan men evenmin zeggen dat iets is als dat het niet is; zoowel het eene als het andere is waar, ontstaan en vergaan zijn in alles ten nauwste verbonden, alles is in onophoudelijke beweging en verandering (πάντα ῥεῖ). De stoffelijke voorwerpen ontstaan door tweespalt in den boezem der godheid, de geheele wereld isτὸ ἓν διαφερόμενον αὐτὸν αὑτῷ, maar onder den invloed van liefde en vrede gaat zij van tijd tot tijd weder in de godheid op, om daarna zich evenals te voren er van af te scheiden. Verscheiden fragmenten van dit werk zijn bewaard gebleven. De leer van Her. is later de grondslag geworden van het stelsel der Stoicijnen.—2)van Tyrus, leerling van Philo van Larisa, academisch wijsgeer.—3)ookHeraclidesgenoemd, schrijver vanἈλληγορίαι Ὁμηρικαί, waarin de mythen van Homerus in den geest der stoicijnsche wijsbegeerte verklaard worden. Hij leefde waarschijnlijk onder de eerste rom. keizers.

Heraea,Ἡραῖα, feesten ter eere van Hera, op verschillende plaatsen in Griekenland gevierd, vooral op Samus, Mycēnae, Corinthe, en zijne koloniën, en met bizonderen luister te Argos.

Heraea,Ἡραία, 1) stad in Arcadia aan den Alphēus.—2)zieHybla.

Heraei montes,Ἡραῖα ὄρη, bergketen op Sicilia, loopt van het midden naar de Z.O. punt.

Heraeum,Ἡραῖον, 1) de westelijkste punt der Corinthische landengte.—2)stad aan de Propontis (zee van Marmara), ten W. van Perinthus.—3)Her. promunturium, z.Iunonis promunturium.

Herbessus,Ἑρβησσός, ookἘρβ.1) stad der Siculi ergens bij Syracusae.—2)stadje in het gebied van Agrigentum, op Sicilia.

Herbita,Ἕρβιτα, stad in het hart van Sicilia, ongeveer N.waarts van Enna.

Herculaneumof-num,Ἡράκλειον, oudeoscische, later tyrrheensche, vervolgens grieksche stad in Campania, aan den voet van den Vesuvius aan zee gelegen, sedert 88 rom. kolonie. In 63 na C. werd het door eene aardbeving zwaar geteisterd en zestien jaar later bij de uitbarsting van den Vesuvius onder een lavastroom bedolven. Bij het graven van een put in 1721 werd het ontdekt; doch eene opgraving op groote schaal als te Pompeii is niet mogelijk, omdat op den heuvel, die zich boven H. gevormd heeft, nu Resina ligt. Toch heeft men een schat van kostbare voorwerpen aan het licht gebracht; in belangrijkheid en omvang kon de stad zich echter met Pompeii niet meten, daar ze hoogstens 2500 à 3000 inwoners kan geteld hebben.

Hercules=Heracles. De sagen betreffende Heracles verbreidden zich reeds vroeg over Sicilië en Zuid-Italië, en kwamen zoo ook naar Rome, waar zijn dienst van uit Tibur is ingevoerd. Oorspronkelijk was die dienst bij de Ara Maxima eensacrum gentiliciumvan de Pinarii en Potitii (ziePinarii); App. Claudius heeft ze tot staatsgodsdienst gemaakt, en sedert dien tijd offert depraetor urbanusjaarlijksGraeco ritu. Hercules werd bij de Ara Maxima vooral door de kooplieden vereerd, die hem dedecuma, het tiende van de winst beloofden; de opbrengst werd gebruikt voor een volksmaaltijd, hetgeen ook een grieksch gebruik is. Bij Hercules zwoeren de mannen:me hercule. Men zocht daarom overeenkomst tusschen hem en inheemsche godheden, Semo Sancus, Dius Fidius, enz., later werd hij meer de beschermende genius der stad Rome (Custos, Defensor, Salutaris), ook had hij een tempel met de Muzen gemeen. Ook offerde men bij voorkeur aan hem na gelukkig te boven gekomen gevaren; zie verderCacus.

Herculis (fretum), ookfretum Herculeum,fretum Gaditanum, thans straat van Gibraltar. ZieColumnae Herculis.

Herculis Monoeci portus, massilische kolonie op de ligurische kust, thans Monaco, met een tempel van Hercules Monoecus,Μόνοικος.

Herculis portus, zieCosa.

Herculis promunturium=Heraclēumno. 1, thans kaap Spartivento.

Herculis silva, in Germania, ten O. van den Visurgis (Weser), misschien het Süntelgebergte.

Hercynia silva,Ἑρκυνία ὕλη, Ἑρκύνιος δρυμός, algemeene naam voor het boschrijke gebergte, dat zich, volgens Caesar 60 dagreizen lang en 9 breed, van den Rijn tot aan de Carpathen uitstrekte (Taunus, Spessart, Rhön, Thüringer- en Frankenwald met de noordelijke vertakkingen naar den Harz, Fichtel, Ertsgeb., Sudeten, Reuzengeb.). In lateren tijd, toen de verschillende gedeelten afzonderlijk genoemd werden, bleef de naamHerc. silvanog in gebruik voor het oostelijke gedeelte van het Reuzengebergte, een enkele maal ook voor de streken aan den Rijn.

Herdonia,Ἑρδονία, stadje in Apulia ten Z. van Arpi, dat zich in 216 bij Hannibal aansloot. Het werd in 212 en 210 te vergeefs door de Romeinen belegerd; ten slotte sloopte Hannibal de stad en voerde de inwoners over naar Metapontum.

Herdonii.Turnus Herdoniusuit Aricia werd op last van Tarquinius Superbus ter dood gebracht wegens opruiing der Latijnen tegen den koning.—Appius Herdonius, een Sabijn, overrompelde in 460 met behulp van eene schaar cliënten en vluchtelingen het Capitool, doch moest weder zwichten en boette zijn aanslag met den dood.

Hereditas, herēdes. Om volgens het strenge rom. recht eene erfenis te kunnen aanvaarden, moest men hetcommerciumhebben. Bij dit erfrecht komen een aantal uitdrukkingen voor, die hier eene korte verklaring mogen vinden.Heredes suizijn de erfgenamen, die bij het overlijden in demanusof in depotestasvan den afgestorvene stonden, dus zijne echtgenoote en zijne kinderen (en somtijds kleinkinderen), voor zoover deze niet door emancipatie of huwelijk of adoptie uit zijnepotestaswaren geraakt. De vestaalsche maagden, alssui iuriszijnde, konden nooitheredes suizijn. Deheredes suiwaren de wettige erfgenamen in den eersten graad. Ontbraken deze, dan kwamen in de tweede plaats de agnaten van den overledene, d.w.z. zij, die vroeger met hem onder dezelfdepatria potestashadden gestaan, zijne moeder, broeders, zusters. Ontbraken ook deze, dan kwamen in de derde plaats degentilesin aanmerking. Cognaten waren dus uitgesloten, evenals geëmancipeerde kinderen; doch het praetorische recht (z. a.) kwam hier aan de billijkheid te gemoet door hunne rechten toch te erkennen, en, voor zoover het dan ook geen eigendomsrecht kon geven, hun toch het bezitrecht,bonorum possessio, toe te kennen. Overigens traden de wettige erfgenamen slechts op voor zoover niet door wettige testamentaire bepalingen anders was beschikt.—Hereditatis cretioheet de uitdrukkelijke verklaring, dat men de erfenis aanvaardt.—Pro herede gestiowordt gebezigd, wanneer men eenvoudig als erfgenaam handelend optreedt.—Heres ex asseis de universeele erfgenaam;ex semisse, de erfgenaam voor de helft;ex triente, die voor een derde, enz.—De erfgenaam, die eene erfenis aanvaardde (hereditatem adire), moest zoowel het passief, als het actief van den boedel overnemen, ook desacra, iets wat lastig kon wezen. Vandaar wordt de uitdrukkingheriditas sine sacrisspreekwoordelijk gebezigd voor een buitenkansje.—Vrouwen hadden slechts een beperkt erfrecht, zielex Voconia.—Onder de keizers verdween het agnatenrecht meer en meer, om plaats te maken voor dat der cognaten.

Heredium, rom. vlaktemaat = 2 iugera = ongeveer ½ hectare.

Herennia (lex)van den volkstribuun C. Herennius in 60, om door de tribuutcomitiën den bekenden P. Clodius tot de plebs te doen overgaan. Het plebisciet ging niet door; Clodius werd eerst in 59 plebejer door adoptie.

Herennii, samnietisch geslacht, dat ook in Campania vertakkingen had en ook te Rome leden telde. Sommigen worden vermeld als groote kooplieden. Onder de juristen, van wie uittreksels in de Pandecten zijn opgenomen, behoortHerennius Modestinus, uit de eerste helft der derde eeuw na C., een leerling van Ulpiānus.—ZekereHerennius Senecio, ten tijde van keizer Domitiānus, werd door dezen ter dood veroordeeld, omdat hij het leven van Helvidius Priscus op vrijmoedige wijze beschreven had.—Herennius Philo, ziePhilono. 8.

Herillus,Ἥριλλος, van Carthago, leerling van Zeno, maakte een onderscheid tusschen het levensdoel (τέλος) van den wijze, nl. kennis, en dat van de groote menigte, hetwelk hijὑποτελίςnoemde, en dat in rijkdom en dgl. bestaat.

Herilus, zoon van Feronia, koning van Praeneste, die van zijne moeder drie lichamen gekregen had en door Euander gedood werd.


Back to IndexNext