Plattegrond van een Hippodromus.Hippodromus,ἱππόδρομος, renbaan voor paarden en wagens. De bovenstaande teekening stelt zulk een baan voor: een driehoekige ruimte K, waarin de toebereidselen voor den wedloop gemaakt worden en waar een altaar voor Poseidon Hippius staat, wordt aan eene zijde afgesloten door een zuilengalerij D, aan de twee andere zijden door eenigszins gebogen lijnen (abcd), gevormd door de stallen (οἰκήματα) voor de paarden en wagens; alle deelnemers plaatsten zich in een rij voor een touw (καλῴδιον, ὕσπληξ), dat van den top van den driehoek, het uitgangspunt (ἄφεσις), naar de beide zijden van de baan gespannen was; op een gegeven teeken (een metalen arend verhief zich in de lucht) werd dit touw weggetrokken en de wedloop begon; de baan was in twee deelen verdeeld door een lagen aarden wal (χῶμα) van F naar G, aan welks verste einde een altaar van Taraxippus F stond; hier moesten de rijders keeren en langs den anderen kant van den wal terugrijden tot het einddoel G. De baan werd ingesloten door zitplaatsen voor de toeschouwers AEB, die men liefst tegen een heuvel plaatste; waar geen heuvel was, maakte men eene kunstmatige verhooging; bij E was een uitgang.Hippolochus,Ἱππόλοχος, 1) zoon van Bellerophon, koning van Lycië, vader van Glaucus.—2)zoon van Antimachus, Trojaan, door Menelāus gedood.Hippolyte,Ἱππολύτη, koningin der Amazonen; zij bezat een kostbaren gordel, haar door Ares geschonken, dien Heracles voor Admēte, de dochter van Eurystheus, halen moest. Hipp. ontving den held goed en was bereid den gordel te geven, maar Hera spoorde haar en haar volk tot tegenstand aan; in den strijd, die hierdoor ontstond, viel Hipp. V. a. werd zij, niet Antiope (z. a.), door Theseus mede naar Athene genomen.Hippolytus,Ἱππόλυτος, 1) een van de Giganten.—2)zoon van Theseus en Hippolyte of Antiope. Zijne stiefmoeder Phaedra beminde hem, en daar hij haar geen wederliefde schonk, belasterde zij hem bij Theseus alsof hij haar tot ontrouw had willen verleiden. In overijling bad Theseus, dat Poseidon zijn zoon zou straffen, en deze liet, toen Hipp. langs het strand reed, een monster uit zee opkomen, waardoor de paarden schuw werden, op hol gingen, en hun meester voortsleepten tot hij stierf. Artemis openbaarde echter zijne onschuld aan Theseus, liet hem door Asclepius in het leven terugroepen, en bracht hem naar haar heilig woud bij Aricia, waar hij onder den naam Virbius vereerd werd.—3)Christelijk schrijver uit de eerste helft der derde eeuw, leerling van Irenaeus, v. s. wegens kerkelijke twisten (hij was tegelijk met Callistus bisschop van Rome) uit Rome verbannen en bij de Christenvervolging van keizer Decius als martelaar gestorven. In dat deel van zijne werken, dat bewaard gebleven is, vindt men vele bizonderheden over wijsbegeerte, godsdienst en bijgeloof der ouden.Hippomedon,Ἱππομέδων, een van de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken; bij de belegering van die stad sneuvelde hij.Hippomenes,Ἱππομένης, zoon van Megareus, echtgenoot van Atalante (z. a.).Hippōnax,Ἱππώναξ, van Ephesus, iambograaf omstreeks 540; van zijn leven is alleen bekend dat hij om politieke redenen naar Clazomenae vluchtte, zie ookBupalus.Hipponīcus,Ἱππόνικος, naam van verscheiden leden van een adellijk atheensch geslacht. Hiertoe behooren: 1) iemand die zich verrijkte door gebruik te maken van een vertrouwelijke mededeeling betreffende deσεισάχθειαvan Solon; men houdt dit verhaal en de persoon zelve tegenwoordig voor verzonnen.—2)zijn kleinzoon, bijgenaamd Ammon, behield de schatten, die hem toevertrouwd waren door een Eretriënser, die na de verovering van zijn vaderstad naar Perzië medegevoerd werd (490). Ook dit verhaal is verzonnen.—3)zoon van Callias no. 1 en Elpinice (z.Cimonno. 2), sneuvelde in den slag bij Delium (424). De vrouw van Pericles was vroeger met hem gehuwd geweest, zijne dochter Hipparete werd de vrouw van Alcibiades.—4)zoon van Callias no. 2, schoonzoon van Alcibiades.Hipponium, zieHippono. 4.Hipponous,Ἱππόνοος, z.Bellerophon.Hippophagi,Ἱπποφάγοι, 1) scythisch volk in Persis.—2)volk in aziatisch Sarmatia, de tegenwoordige Kalmukken.Hippotes,Ἱππότης, vader van Arne of van Aeolus no. 2 (z. a.).Hippothoon,Ἱπποθόων, zoon van Poseidon en Alope (z. a.). Na den dood van zijn grootvader Cercyon gaf Theseus hem de regeering over Eleusis.Hippothoontis,Ἱπποθωντίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.Hippothous,Ἱππόθοος, 1) vader van Aepytus no. 2.—2)zoon van Priamus.—3)van Larīsa, bondgenoot der Trojanen, door Ajax no. 2 gedood.Ἱπποτοξόται, een politiemacht van bereden boogschutters te Athene; men gebruikte hiervoor staatsslaven. In het begin van den peloponnesischen oorlog was hun aantal 200.Hirpīni,Ἱρπινοί, volk in het Z. van Samnium. Hoofdstad: Aeculānum.Hirrus(C. LucceiusofC. Lucilius), z.Luciliino. 4.Hirtia (lex)van A. Hirtius (46). Zij sloot de aanhangers van Pompeius van alle ambten uit.Hirtius(A.), uit een plebejisch geslacht, diende onder Caesar in Gallia, en vergezelde hem later naar Aegypte. Als praetor stelde Hirtius in 46 de hierboven vermelde wet voor. In 45 ging hij met Caesar naar Hispania. Overigens was hij meer schrijver dan krijgsman en bracht hij bij voorkeur zijn tijd door op zijn landgoed bij Praeneste. In 43 was hij consul met C. Vibius Pansa. Hoewel Hirtius na Caesars dood tot Antonius had overgeheld, gevoelde hij zich spoedig door diens aanmatigingen afgestooten, waartoe misschien de vertrouwde omgang met Cicero bijdroeg. Met Pansa en den jeugdigen Octaviānus trok hij tegen Antonius op, doch sneuvelde in den slag hij Mutina (Modena), terwijl Pansa daags daarna aan zijne wonden bezweek. Het achtste boek derCommentarii de bello Gallicois van Hirtius afkomstig; waarschijnlijk heeft hij ook hetbellum Alexandrinumgeschreven.Hirtulēius(L.), onderbevelhebber van Q. Sertorius in Hispania, die den rom. veldheeren in de jaren 79–76 verschillende nederlagen toebracht, doch in 75 sneuvelde.Hispalis,Ἵσπαλις, thans Sevilla, aanzienlijke koopstad der Turdetāni in Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir). Caesar maakte er eene rom. kolonie van,Iulia RomulaofRomulensis. Hispalis was door Phoeniciërs gesticht. De Baetis was tot hier voor zeeschepen bevaarbaar.Hispania,Ἱσπανία, door de GriekenἸβηρίαgenoemd, tegenw. Spanje en Portugal, was tot in de derde eeuw den Rom. bijna onbekend. Na den eersten punischen oorlog zochten de Carthagers zich in H. schadeloos te stellen voor het verlies der italiaansche eilanden. In den tweeden oorlog ging ook H. voor hen verloren. De Romeinen verdeelden het land, voor zoover hunne heerschappij zich binnenwaarts uitstrekte, in twee provinciën:H. citeriorenH. ulteriorofBaetica, naar den Baetis (Guadalquivir). Oorspronkelijk strekte het eerste zich slechts uit langs de kust, maar langzamerhand werd ook het binnenland veroverd. In 180–178 werden de Celtiberiërs door Tib. Sempronius Gracchus, den vader der beide Gracchen, onderworpen en hun land, een groot gedeelte van het binnenland bij H. Citerior gevoegd. In 138 werd Lusitania, een landstreek in het Z.W., onderworpen, en aan Baetica toegevoegd. De volledige onderwerping van het geheele schiereiland had eerst in 19 plaats, toen Agrippa de Cantabriërs en Asturiërs onderwierp. Nu werd H. in 3 provincies verdeeld: Citerior, Ulterior Baetica en Ulterior Lusitania, waaronder ook Gallaecia en Asturia hoorden. Nog vóór den dood van Augustus werden Gallaecia en Asturia bij H. Citerior gevoegd, dat voortaan gewoonlijk Tarraconensis heet, naar de hoofdstad Tarraco; de andere twee provincies heeten nu Baetica en Lusitania. De bevolking bestond uit keltische en iberische stammen; de Iberiërs waren donker van tint. Vooral in Baetica troffen de Romeinen reeds een ver gevorderden trap van beschaving aan; vandaar dat geen andere provincie in gelijke mate als Hispania rom. zeden en gewoonten overnam. Seneca, Lucānus, Martiālis, Quintiliānus, Traiānus, Hadriānus waren uit Hispania geboortig. Alleen stond de bevolking ook reeds toen bekend om hare luiheid en morsigheid. De bodem was in het Z. uiterst vruchtbaar en leverde ook verschillende metalen en edelgesteenten op. In het tijdperk der volksverhuizing werd Hispania afwisselend overstroomd door Vandalen, Sueven, Alanen en Westgothen.Hispellum, voornaamste stad in Umbria, thans Spello.Hister, zieDanuvius.Histiaea, Histiaeōtis=Hestiaea, Hestiaeotis.Histiaeus,Ἱστιαῖος, tyran van Milētus onder perzische opperheerschappij. Toen Darius Hystaspis in het land der Scythen ingevallen was, verzette Hist. zich tegen het plan om de brug over den Ister af te breken, waarvan de ondergang van het perzische leger het onvermijdelijk gevolg zou geweest zijn. Daarvoor werd hij met land in Thracië begiftigd, later begon Darīus hem echter te wantrouwen en riep hij hem, naar het heette uit vriendschap, tot zich naar Susa. Later werd hij naar de kust gezonden, om den opstand van Aristagoras (z. a.) te dempen, waartoe hij hem heimelijk zelf had aangemoedigd; daar hij echter zag dat de satraap Artaphernes hem niet vertrouwde, vluchtte hij. Hij werd door de Chiërs gevangen genomen, maar weder vrijgelaten, en daar de Milesiërs weigerden hem te ontvangen, ging hij naar Byzantium, leefde daar eenigen tijd als zeeroover en werd eindelijk door Harpagus gevangen genomen en te Sardes door Artaphernes ter dood gebracht (498).Historiae Augustae scriptores=Scriptores historiae Augustae.Histria,Ἰστρία, schiereiland in het N. der Adriatische zee, door de ruwe Istri bewoond en in 177 onderworpen. Ten tijde van Varro, die een aardrijkskundig werk geschreven heeft, behoorde het westelijk gedeelte tot aan de Formio, bij Italië; Augustus heeft het gewest geheel bij Italië ingelijfd. Steden: Tergeste (Triest) en Pola.Homeridae,Ὁμηρίδαι, familie of genootschap op Chius, van Homerus afstammend of naar hem genoemd; zij hadden zich tot taak gesteld de gedichten van Homerus ongeschonden te bewaren en de kennis er van algemeen te maken. In lateren tijd werden ook rhapsoden zoo genoemd, en over het algemeen zij, die zich met de gedichten van Homerus bezig hielden.Homērus,Ὅμηρος, is volgens de overlevering de dichter van de Ilias en Odyssee, de twee beroemde heldendichten, die van den grootsten invloed waren op de beschaving der Grieken, gedurende hun volksbestaan den grondslag van alle verdere studiën vormden, en nog tot heden als modellen van epische poëzie beschouwd worden. Hij zou een zoon van Maeon, arm en blind geweest zijn; van zijn leeftijd wisten de ouden reeds niets, zoodat sommigen beweerden dat hij in de 12deeeuw, anderen dat hij later, sommigen zelfs dat hij niet vóór de 7deeeuw geleefd zou hebben; zeven steden beroemden zich de vaderstad van Hom. geweest te zijn, hoewel men erkende dat in dien strijd Smyrna en Chius de beste aanspraken konden doen gelden. De meest gezaghebbende meening was, dat de gedichten van Homerus in het midden der 9deeeuw in Ionië ontstaan waren.—Hoe dit zij, deze gedichten leefden gedurende vele eeuwen, waarin de schrijfkunst slechts weinig in gebruik was, in den mond van het volk, en hadden hunne verbreiding voornamelijk te danken aan de rhapsoden (z. a.) die bij feestelijke gelegenheden gedeelten er van voordroegen. Het ligt voor de hand dat sommige gedeelten meer in den smaak vielen dan andere, en dus meer gehoord werden, dat sommige, te lang voor eene voordracht, bekort moesten worden, dat andere, wat hun omvang betreft juist voor de voordracht geschikt, van een passend begin of slot moesten worden voorzien, kortom, onder deze omstandigheden waren de gedichten lang niet in al hunne deelen even algemeen bekend, en stonden zij op velerlei wijze aan vervalsching en verminking bloot, totdat, naar men meent onder Pisistratus en zijne zonen, de verspreide deelen door deskundigen verzameld en tot één geheel verwerkt werden. Deze maatregel bevorderde de studie der gedichten van Hom. zeer, in den bloeitijd van Athene was dan ook de kennis er van zeer algemeen, en personen, die de geheele Ilias en Odyssee van buiten konden opzeggen, waren niet zoo zeldzaam als men zou denken. Toen later te Alexandria de studie der taal- en letterkunde een hooge vlucht nam, kozen de beste alexandrijnsche geleerden, o. a. Zenodotus en Aristarchus, de werken van Hom. ter behandeling, trachtten met veel moeite den tekst te verbeteren, of schreven geleerde verklaringen er bij. Reeds onder hen werd door sommigen, die daaromχωρίζοντεςgenoemd werden, de meening verdedigd, dat de Odyssee niet in denzelfden tijd ontstaan kon zijn als de Ilias, dat tusschen beide gedichten misschien wel eene tusschenruimte van 100 jaar lag, en dat zij dus niet van denzelfden dichter konden zijn. Nieuwere geleerden beweren echter, dat ook de afzonderlijke deelen van elk der beide werken te veel van elkander verschillen, om ze aan denzelfden maker toe te schrijven, dat bovendien zulke groote werken in een tijd, waarin de schrijfkunst zoo weinig algemeen was, niet hadden kunnen ontstaan, of ten minste weder spoedig hadden moeten vergeten zijn, en dat men dus moet aannemen, dat zoowel Ilias als Odyssee vóór Pisistratus niet anders bestaan hebben dan als afzonderlijke liederen, waarin eerst toen eenige samenhang gebracht zou zijn. Deze meening vindt bij sommigen zooveel bijval, dat men zelfs getracht heeft die oorspronkelijke liederen aan te wijzen, anderen verwerpen haar geheel, terwijl nog anderen toegeven dat beide gedichten uit de vereeniging van zulke kleinere liederen bestaan, maar aannemen dat die vereeniging veel vroeger, waarschijnlijk omstreeks het midden der 9deeeuw, tot stand gebracht zou zijn door iemand die Homerus heette, of misschien juist door dat werk den naam Homerus (samenvoeger) gekregen heeft. Tegenwoordig is de meest algemeene meening, dat elk van beide gedichten in hoofdzaak van denzelfden dichter is, doch dat daaraan op verschillende tijden, deels door hemzelven, deels door anderen, grootere en kleinere stukken zijn toegevoegd.—Behalve Ilias en Odyssee zijn nog eenige kleinere gedichtenbewaard gebleven, die werken van Homerus heeten te zijn; deze zijn echter alle van lateren tijd en van zeer ongelijke waarde.Homerus latinus, z.Siliino. 7.Ὅμοιοι, gelijken. De wet van Epitādeus (z. a.) had tengevolge dat, in strijd met de instellingen van Lycurgus, het grondbezit te Sparta zich weldra in weinige handen bevond, terwijl de meerderheid der burgers tot armoede verviel. Deze ongelijkheid van vermogen bracht ook ongelijkheid in burgerlijke rechten mede, en nu noemden zich de rijke grondeigenaarsὅμοιοι, in tegenstelling van de armere burgers,ὑπομείονες.Homole,Ὁμόλη, berg, aan Pan gewijd, in Thessalia, nabij het dal Tempe.—HomoleofHomolium,Ὁμόλιον, stad in het N. van het thessalische landschap Magnesia.Homona, Homonadenses,ὉμοναδῆςofOmana, Omanades, stad en roofzuchtig bergvolk in Pisidia, in het Taurusgebergte.Honorius(Flavius), zoon van keizer Theodosius den Gr., die bij de deeling des rijks het Westen kreeg, terwijl aan zijn ouderen broeder Arcadius het Oosten werd toegewezen, 395 na C. Honorius was een nietsbeteekenende knaap. Zijn minister en voogd Stilicho, een voortreffelijk veldheer, wist wel de invallen van germaansche volkeren af te weren, maar deed niets tot ontwikkeling van den jongen vorst, hoewel deze zijne dochter had gehuwd. In 408 liet H., aan valsche inblazingen gehoor gevende, zijn schoonvader ombrengen en nu drongen de barbaren van alle zijden het rijk binnen en namen de eene provincie na de andere weg. De Westgothen onder Alarik veroverden zelfs Rome. ZieAlaricus. Eindelijk zag H. zich genoodzaakt, zijn veldheer Constantius tot mederegent aan te nemen en hem zijne zuster Placidia, weduwe van den westgothischen koning Athaulf, tot vrouw te geven. H. stierf zes jaar later, in 423.Ὅπλητες, burgers die tot de tweede der vier oude attische phylen behoorden.Ὁπλῖται, zwaargewapende infanteristen, het voornaamste deel van een grieksch leger. Zij droegen een harnas, helm en beenplaten van metaal, en waren gewapend met een kort zwaard, een langwerpig schild (ἀσπίς), en een werpspies van ongeveer 8 voet. De taak der zwaargewapenden was in gesloten gelederen op den vijand aan te rukken en diens slagorde te verbreken. Zij kregen, wanneer zij in dienst waren, betaling voor soldij en onderhoud voor zichzelven en een bediende; deze betaling was echter in verschillende tijden en omstandigheden hooger of lager.Horae Quirīni, zieHersilia.Horae,Ὧραι, dochters van Zeus en Themis, godinnen der orde in de natuur en der afwisselende jaargetijden, verder ook van maatschappelijke orde, wet en recht. Zij zijn dienaressen van Zeus en zijn belast met het openen en sluiten van de poorten des hemels. Gewoonlijk worden drie Horen genoemd: Eunomia, Dice en Irēne, te Athene vereerde men slechts twee: Thallo en Carpo, later nam men vier aan in overeenstemming met het aantal jaargetijden. Tempels hadden zij te Athene, Corinthe e. a. plaatsen.—Zij worden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, luchtig gekleed en met bloemen en vruchten versierd.Horatiae Valeriae (leges)van de consuls M. Horatius Barbātus en L. Valerius Poplicola Potītus, 449: 1)ut, quod tributim plebs iussisset, populum teneret;—2)dat de volkstribunen, de plebejische aedilen en de iudices decemvirisacrosanctizouden zijn;—3)dat geen nieuw overheidsambt zonderprovocatioin het leven zou worden geroepen, op straffe des doods. Dit zijn geen eigenlijke wetten (leges) geweest, maar de voorwaarden, waarop de eendracht tusschenpatresenplebshersteld werd. Bovendien is de eerste wet, evenals delex Publilia Philonisvan 339 v. s. een anticipatie van delex Hortensiavan 287. Aan het bestaan van de derde wet wordt door sommige geleerden getwijfeld. ZieValeriae leges de provocatione. Metiudices decemviri, in de 2dewet genoemd, worden volgens de gewone opvatting dedecemviri stlitibus iudicandisbedoeld; z. echter aldaar.Horatii, een patricisch geslacht. 1) De drie gebroeders, die, volgens het verhaal, onder de regeering van Tullus Hostilius den oorlog met Alba Longa beslechtten door een strijd met de drie Curiatii, en waarvan de eenig overgeblevene zijne zuster zou hebben neergestooten, omdat zij haren bruidegom, een der gesneuvelde Curiatii, beweende. V. s. is dit hoog poëtische verhaal aan eenfabula praetextavan Ennius ontleend.—2)M. Horatius Pulvillus, een der consuls uit het eerste jaar der rom. republiek; hij wijdde den tempel van Jupiter Capitolīnus.—3)P. Horatius Cocles(de éénoogige) verdedigde de houten paalbrug over den Tiber tegen de aandringende soldaten van Porsēna, totdat zijne medeburgers de brug achter hem hadden afgebroken. Toen sprong hij in de rivier en kwam behouden in de stad terug, in weerwil eener hagelbui van pijlen. Zijne medeburgers richtten voor hem een standbeeld op en schonken hem zooveel land, als hij in een dag kon omploegen.—4)C. Horatius Pulvillus, consul in 477, sloeg de aanvallen der Volscen en Etruscers af, die Rome bijna hadden vermeesterd. In 457 was hij andermaal consul en overwon toen de Aequers.—5)M. Horatius Barbātus, consul in 449, herstelde met zijn ambtgenoot L. Valerius Poplicola wat de tienmannen bedorven hadden, verzoende de beide standen te Rome, bracht de beroemdeleges Horatiae Valeriae(z.a.) tot stand, en behaalde eene groote overwinning op de Sabijnen.—6)Niet tot dezegensbehoorde de beroemde dichterQ. Horatius Flaccus, de zoon van een vrijgelatene, geboren te Venusia in het jaar 65. Zijn vader zorgde met den meesten ijver voor zijne opvoeding en ging te Rome wonen, om zijn zoon de beste meesters te kunnen geven. Op zijn negentiende jaar ging H. te Athene zijne studiën voltooien. In 44 was hij krijgstribuun in het leger van Brutus en deelde in de nederlaag bij Philippi. In dezen burgeroorlogverloor hij zijn vaderlijk erfgoed, zoodat hij alsscribazijn brood moest verdienen. Doch de dichters Varius en Vergilius bevalen hem bij Maecēnas aan, die hem bij zich ontbood (38), en hem wel eerst na 9 maanden opnieuw tot zich riep, maar hem toen ook in den kring zijner vrienden opnam, waarvan hij spoedig een onmisbaar lid werd. Van Maecenas kreeg hij (33) een klein landgoed, hetSabīnumbij Tibur, ten geschenke, dat zijn geliefkoosd verblijf werd. Hij stierf, kort na Maecenas, in het jaar 8, ongehuwd. Horatius bracht als lierdichter het eerst grieksche maten van de oude Grieksche dichters op latijnschen bodem over. Zijne levensrichting was over het algemeen de epicureïsche; gaarne genoot hij het goede; toch kon hij ook sober en eenvoudig leven en zich naar de omstandigheden schikken als de beste stoicijn. In het staatkundige was de slag hij Philippi het graf zijner idealen geweest, in Octaviānus zag hij voortaan den man, die den lang gehoopten vrede aan de wereld zou schenken. Wij bezitten van hem:CarminaofOdae(4 boeken),Epodon liber(z.Epodusno. 3), hetCarmen saeculare, Satirae(2 boeken),Epistulae(2 boeken), waarvan de beroemdste deEpistula ad PisonesofArs poetica.Horta, eene Romeinsche godin wier tempel steeds open staat. Overigens is van haar niets bekend.Horta, Hortānum, stad in Etruria, waar de Nar in den Tiber stroomt.Hortātorofpausarius, de man, die op het schip de maat aangaf bij het roeien, hetzij met een hamer, hetzij met de stem, soms ook met de fluit.Hortensia (lex)van 287 van den dictator Q. Hortensius,ut eo iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. Hiermede werden deplebiscitavoor goed gelijk gesteld metleges, en de voorafgaande goedkeuring der tribunicischerogationesdoor den senaat afgeschaft. Eene anderelex Hortensiaverklaarde denundinaeof marktdagen totdies fasti.Hortensii, een plebejisch geslacht. 1)L. Hortensius, volkstribuun in 422, een warm ijveraar voor de belangen der plebs.—2)Q. Hortensius, in 287 tot dictator gekozen om eenesecessio plebiste bezweren, deauctorderlex Hortensia de plebiscitis.—3)Q. Hortensius Hortalus, (geb. 114), een van Rome’s grootste redenaars, de evenknie van Cicero, en een handig en geslepen verdediger, niet altijd keurig in de keus zijner middelen. In 69 bekleedde hij het consulaat. In den burgeroorlog had hij onder Sulla gediend en verder bleef hij de aristocratische partij toegedaan. Hij stierf in 50. Hij was zeer vermogend en had zijn huis weelderig en met fijnen smaak ingericht; zijne keuken, wijnkelder en vischvijvers waren beroemd en zijne overdreven zorg daarvoor maakte hem wel eens tot een mikpunt van spotternij. Wij hebben geen enkel geschrift van hem; hij dichtte ook, doch zijne verzen konden den toets van zedelijkheid niet doorstaan. Ook schreef hijannales. Hij was een vertegenwoordiger van den asiatischen stijl (Asianismus), z.Hegesiasno. 2.—4)Hortensia, dochter van no. 3, wordt genoemd als een voorbeeld van vrouwelijke welsprekendheid. Zij heeft in 42 de rechten der gehuwde vrouwen, die door een zware belasting getroffen werden, met succes ten overstaan van de triumviri verdedigd.Hōrus,Ὧρος, een aegyptisch god, zoon van Isis en Osīris, waarschijnlijk de god der opgaande zon, door de Grieken voor denzelfden gehouden als Apollo. Meer bekend bij Grieken en Rom. was echter een jongere Horus, een zwakke zoon van Osiris en in diens ouderdom geboren, naar men meent de god der ondergaande zon of winterzon. Onder den naam Harpocrates (z. a.) wordt hij vooral vereerd als god van het zwijgen.Hospitium. Tusschen aanzienlijke familiën in verschillende steden en gewesten bestonden vaak banden van gastvriendschap. Bij het sluiten van zulk een band (foedus) werden de namen van beide familiën op eene zoogenaamdetessera hospitalisgeschreven, eene soort van liniaal, zóó dat aan weerszijden een naam stond. Zulk eenetesserawordt dan doorgebroken en elke familie ontving eene helft. Op vertoon daarvan had men niet slechts aanspraak op herberging, maar ook, zoo noodig, op hulp en bescherming. De band ging op de erfgenamen over en werd als heilig beschouwd. De rom. grooten hadden zulkehospitiade geheele wereld door. Niet slechts echter bijzondere personen sloten zulke banden van gastvriendschap, zij komen ook voor tusschen staten, in welk geval van weerszijden vorstelijke personen en gezanten op staatskosten werden gehuisvest en onthaald. Dit heethospitium publicum. Ook bestonden erhospitiatusschen tal vancivitatesin den vreemde en aanzienlijke familiën te Rome, waarmede dan tevens aan deze familie het patronaat werd opgedragen, d. w. z. de taak om de vreemdecivitasin rechten als anderszins te vertegenwoordigen, hare burgers te Rome te beschermen en hare belangen voor te staan, ongeveer zooals in onze nieuwere maatschappij de consuls doen.Hostilia, nu nog Ostiglia geheeten, stadje aan den Padus (Po), met een druk veer over de rivier, aan den weg van Bononia (Bologna) naar Mantua en Verōna.Hostilia curia, zieCuria.Hostiliānus(Gaius Valens), Caesar onder zijn vader Decius, 249 n. C., na diens dood (251) keizer, sterft weldra aan de pest.Hostilii, een oud, patricisch geslacht, waarvan enkele leden in den tweeden en derden punischen oorlog en de oorlogen tegen Perseus en Antiochus III voorkomen.C. Hostilius Mancīnus, consul in 137, werd door de Numantijners tot den vrede gedwongen, dien de rom. senaat evenwel verwierp. Mancinus werd toen uitgeleverd (z.Furia Atilia (lex)), doch de N. weigerden dit offer te aanvaarden. Later werd M. uit den senaat gestooten.Hostiswas oudtijds =peregrinus, terwijl in het oude fetiaalrechtperduellisvoor vijand werd gebruikt. Later beteekendehostiseenbuitenlandschen vijand,perduelliseen binnenlandschen, terwijl diens handeling, hoogverraad, doorperduelliowordt uitgedrukt. Wanneer een onderworpen vijand opstaat, is hij eenrebellis; wanneer burgers oproer maken, is het eeneseditio.Hostis iudicatiois een senaatsbesluit, waarbij van bepaalde personen verklaard werd, dat zij zich door hun daden tot vijanden van den staat gemaakt hadden, en dat zij dientengevolge van burgerrecht vervallen, vogelvrij en, zoo ze ambtenaren waren, ambteloos geworden waren. Dit besluit was vaak een toevoeging aan hetsenatus consultum ultimum(z. a.), en werd door de senaatspartij gebruikt als middel om woelingen te onderdrukken; het eerst is het toegepast tegen Ti., daarna tegen C. Gracchus, in 100 tegen Saturninus en Glaucia. De aan de senaatsregeering vijandige partij heeft altijd terecht de bevoegdheid der magistraten ontkend, om aan deze onwettige verklaring van den senaat gehoor te geven; vele van de consuls, die er zich door hadden laten bewegen om gevangenen terecht te stellen, zijn later met eenigen tijd van ballingschap gestraft, zooals o. a. Cicero wegens het dooden der Catilinarii in 63 (z.Clodiae (leges)no. 5).Ὕβρεως γραφή, aanklacht wegens mishandeling. Het proces werd voor de heliasten (z.Ἡλιαία) gevoerd en de straf werd naar omstandigheden door de rechters bepaald.Ὑλλῆς, een van de drie dorische phylae (z. a.), naar Hyllus genoemd.Hunni,Οὗννοι, aziatisch volk, dat oorspronkelijk in Mongolië woonde, en ± 375 n. C. over den Rha (Wolga) drong, de Alanen en Oostgothen onderwierp, andere volken voor zich uit dreef en vooral onder Attila, den “geesel Gods” (zieAttila) het romeinsche rijk teisterde. Na Attila’s dood (453) viel het groote Hunnenrijk uiteen en ± 500 was de naam van Hunnen weder verdwenen. Omtrent een vroeger optreden van de Hunnen zie menBactria.Ὕπαιθροςheette de ruimte in het midden van een tempel, wanneer zij, zooals bij groote gebouwen soms het geval was, niet van een dak voorzien was. Men verkeert omtrent deze quaestie nog geheel in het duister; behalve het Pantheon te Rome zijn ons dergelijke tempels niet bekend. Z. verder onderTemplum.Ὑπασπιστής, 1) schildknaap, een slaaf, die op marsch voor zijn heer schild, helm, enz. droeg.—2) in het macedonische leger lichtgewapende infanteristen, meer voor aanval dan voor verdediging bestemd, van een korte lans en een lang zwaard voorzien. Uit hen werd de koninklijke lijfwacht (ἄγημα) gekozen.Ὑπήκοοι, op Creta =περίοικοι.Ὑπογραμματεύς=γραμματεὺς(z. a.)τῆς πόλεως, ookγρ. τοῦ δήμουofγρ. τῆς βουλῆς καὶ τοῦ δήμουgenoemd.Ὑπομείονες, z.Ὅμοιοι.Hyacinthus,Ὑάκινθος, 1) zoon van Amyclas en Diomēde, een buitengewoon schoon jongeling, die door Apollo en Zephyrus bemind werd. Toen Apollo eens met hem aan de oevers van den Eurōtas met den discus speelde, dreef Zephyrus uit jaloerschheid de werpschijf van Apollo naar het hoofd van Hyac., zoodat deze doodelijk gewond werd. Apollo veranderde hem in de bloem, die zijn naam draagt. Te zijner eere vierden de Spartanen jaarlijks te Amyclae een groot feest, de Hyacinthia, dat drie dagen duurde; de eerste dag was een treurdag, waarop men aan Hyac. in stilte offers bracht, de beide volgende dagen hield men feestelijke optochten en wedspelen.—2)Lacedaemoniër, die ten tijde van Aegeus te Athene woonde. Toen Minos Athene met oorlog bedreigde (z.Aegeus), kregen de Atheners van het orakel den raad de kinderen van een vreemdeling te offeren; zij kozen daarvoor de dochters van Hyac. Niettemin werden zij door Minos overwonnen.Hyades,Ὑάδες,Suculae, sterrenbeeld aan den kop van den Stier, dat bij het begin van den regentijd opgaat (pluviae, tristes). Zij worden dochters van Atlas en Aethra of Pleione, of van Oceanus of van Melisseus genoemd, en waren de voedsters van Dionȳsus (nysaeische nimfen) of van Zeus (dodonaeïsche nimfen) geweest en ter belooning onder de sterren geplaatst. V. a. hadden zij zich dood getreurd om het verlies van hun broeder Hyas, die op de jacht omgekomen was.Hyaea,Ὑαία, vlek in het gebied der ozolische Locriërs.Hyampēa,Ὑάμπεια, een van de toppen van den Parnassus = Lycōreus.Hyampolis,Ὑάμπολις, stad in Phocis bij Elatēa, door Hyanten gesticht. De stad werd eerst verwoest door Xerxes, later door Philippus van Macedonia.Hyantes,Ὕαντες, oude bewoners van Boeotia, door de Cadmeërs naar Phocis verdreven, waar zij Hyampolis stichtten. Een groot gedeelte vestigde zich in Aetolia.Hyantius,Hyantēusbij dichters = boeotisch,hyantis= aetolisch.Hyarōtes,Ὑαρώτης=Hydraotes.Hybla,Ὕβλα, naam van drie steden op Sicilia,H. maior,ἡ μείζωνofμεγάλη, v. s. ookHybla Geleātis(Gereātis),Ὕβλα ἡ Γελεᾶτις, ἡ Γερεᾶτιςgeheeten, lag aan den Aetna;H. minor,ἡ μικράofὝβλα τὰ Μέγαρα, ook wel Megara Hyblaea, v.s. ook Hybla Geleatis geheeten, lag ten N. van Syracūsae, en werd Megara genoemd naar dorische kolonisten uit Megaris. De inwoners heettenΜεγαρῆς Ὑβλαῖοι. In den tweeden punischen oorlog werd het door de Rom. verwoest. Het derde,H. Heraea,Ἡραίαofἡ ἐλάττων, lag aan den weg van Syracusae naar Gela. Uit een der drie Hybla’s kwam de beroemde honig,Hyblaeum mel.Hyccara, (plur.),τὰ Ὕκκαρα, stad der Sicani op de N.kust van Sicilia, in 415 door de Atheners veroverd en geplunderd en toen aan Segesta afgestaan.Hydaspes,Ὑδάσπης, zijtak van den Acesīnes, waarbij Alexander de Gr. zijne overwinning op koning Porus behaalde. Vergilius noemt hem minder juistMedus Hydaspes, daar het perzische rijk zich niet tot aan dezenstroom uitstrekte. Horatius noemt hemfabulosus= alleen bekend van hooren zeggen, n.l. bij de Rom.Hydraōtes,Ὑδραώτης, een zijtak van den Acesīnes, evenals de Hydaspes.Hȳdrea,Ὑδρέα, thans Hydra, eilandje bij Argolis. De bevolking is van dryopischen stam.Hydrochous,Ὑδροχόος=Aquarius.Hydrophoria,Ὑδροφόρια, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van Apollo of de onderaardsche goden of ter herinnering aan de slachtoffers van den zondvloed van Deucalion, op vele plaatsen van Griekenland in het voorjaar gevierd.HydruntumofHydrus,Ὑδροῦς, thans Otranto, stad op de kust van Calabria, met eene uitstekende haven.Hygiēa,Ὑγίεια, dochter van Asclepius, godin der gezondheid. Zij wordt gewoonlijk gemeenschappelijk met haar vader vereerd, maar staat ook in nauwe betrekking tot Athēna, die ook den bijnaam Hygiēa heeft. Op hare afbeeldingen heeft zij een slang in de hand, die zij uit een schaal laat drinken.Hygīnus(C. Iulius), een vrijgelatene van Augustus, geboortig uit Hispania, opzichter der palatijnsche bibliotheek. Hij was een vlijtig beoefenaar van taal- en oudheidkunde. Men veronderstelt, dat hetgeen wij op naam van Hyginus bezitten, eenfabularum liberen eenpoëticon astronomiconniet van dezen Hyginus afkomstig is. Onder Traiānus, v.a. ± 300, komt nog eenHyginus gromaticusvoor (z.Groma).Hylas,Ὕλας, zoon van Theodamas en Menodice, lieveling van Heracles, met wien hij deelnam aan den tocht der Argonauten. Toen Hylas in Mysië aan land gegaan was om water te scheppen, werd hij door bronnimfen geroofd, Heracles ging hem zoeken en bleef zoo lang uit, dat de Argonauten zonder hem vertrokken.—Ter eere van Hylas vierden de inwoners van Prusias een feest, waarbij geofferd werd bij de bron, waarin hij verdwenen was, en men in de bergen het zoeken van Heracles nabootste.Hyle,Ὕλη, oud boeotisch stadje, aan het Hylische meertje.Hylias,Ὑλίας, grensrivier tusschen het gebied van Croton en dat van Sybaris in het land der Bruttii.Hylice,Ὑλική(sc.λίμνη), meer. ZieHyle.Hyllus,Ὕλλος, zoon van Heracles en Deïanīra, de stamvader der Heracliden (z.a.), die in de Peloponnēsus regeerden. Na een eersten inval in de Peloponnesus ging hij naar Thessalië, waar Aegimius hem een derde gedeelte van zijn land afstond, bij een tweeden inval werd hij door Echemus gedood.Hyllus,Ὕλλος, zijtak van den Hermus, in aziatisch Ionia.Hymen, Hymenaeus,Ὑμήν, Ὑμέναιος, zoon van Apollo en Calliope of Urania of van Dionȳsus en Aphrodīte, bevrijdde eens een aantal jonge meisjes, die doorzeerooversgevangen genomen waren; daarom gedachten deze hem, toen zij trouwden, in het bruiloftslied, en sedert dien tijd wordt hij als een god van het huwelijk beschouwd, die in het bruiloftslied wordt aangeroepen. Hij komt voor in gezelschap van Aphrodite en Eros, zijne afbeeldingen gelijken op die van Eros, ofschoon hij grooter en ernstiger voorgesteld wordt; gewoonlijk is hij met rozen bekranst en draagt hij een fakkel en sluier in de hand.Hymettus,Ὑμηττός, berg in Attica ten O. van Athēnae, voor een gedeelte met geurigen thym begroeid en hierom bekend door zijn voortreffelijken honig. De berg is ook bekend om zijn marmergroeven.Hypacyris,Ὑπάκυρις, ook wel-caris, rivier in europeesch Sarmatia, onzeker welke.Hypaepa,τὰ Ὕπαιπα, stadje in Lydia aan de Z. helling van den Tmolus. Het was bekend om zijne schoone vrouwen.Hypanis,Ὕπανις, naam van twee rivieren in Sarmatia, die van tegenovergestelde zijden in den Pontus Euxīnus (Zwarte zee) stroomen. De eene heet thans de Bug, de andere, die op den Caucasus ontspringt, de Kuban. Ook =Hyphasis.Hypata,Ὑπάταofτὰ Ὕπατα, bergstadje in het gebied der Aenianen tusschen Thessalia en Hellas. In de nabijheid was de vergaderplaats der heksen en toovenaars, de grieksche Blocksberg. De Hypataeërs hadden den naam, bekwame toovenaars te zijn.Hypatia,Ὑπατία, de begaafde dochter van Theon (no. 3), beoefende evenals haar vader wis- en sterrenkunde en ook wijsbegeerte; zij werd bij een opstand van de Christenen in 415 n. C. gedood.Hyperbolus,Ὑπέρβολος, atheensch demagoog van geringe afkomst, die na den dood van Cleon als medestander van Alcibiades optrad en veel invloed verwierf. Door de blijspeldichters wordt hij voortdurend bitter bespot. In 417 werd hij door het ostracisme (z. a.) verbannen, hij vestigde zich op Samus, waar hij in 411 door de oligarchische partij vermoord werd.Hyperborēi,Ὑπερβόρειοι, een fabelachtig volk, meer noordelijk wonende dan de Noordewind (Boreas), en over wie deze dus nooit zijn kouden adem liet gaan. In hun land ging de zon slechts éénmaal ’s jaars op en onder; hun land was een heerlijk land, waar alles spoedig rijpte, hun leven was een leven van geluk, zonder ooit eenigen twist of tweedracht. Zij konden 1000 jaar oud worden, doch meestal stortten zij zich vóór dien tijd, des levens zat, in zee. Zij waren aan den dienst van Apollo gewijd.Hyperboreusdichterlijk = noordsch.Hyperborēi montes, een gebergte in het gebied of naar den kant der Hyperborēi, misschien eene duistere voorstelling van de Carpathen of van het Oeralgebergte.Hyperēnor,Ὑπερήνωρ, een van de Sparten, zieCadmus.Hyperīdes,Ὑπερείδης, -ρίδης, zoon van Glaucippus, een van de tien attische redenaars, leerling van Plato en Isocrates, in de politiek aanhanger van Demosthenes, hoewelhij zich in de zaak van Harpalus (z.a.) tegen hem keerde en zelfs als zijn beschuldiger optrad. Evenals Dem. en om dezelfde redenen werd hij door Alexander na de verovering van Thebe opgeëischt, maar niet uitgeleverd; ook aan den lamischen oorlog nam hij deel, en na den ongelukkigen afloop er van vluchtte hij naar Aegīna, waar hij gevat en op bevel van Antipater ter dood gebracht werd (322). Van zijne redevoeringen zijn er in de vorige eeuw zes in Egypte teruggevonden.Hyperīon,Ὑπερίων, een van de Titanen, vader van Helius, Selēne en Eos. Ook Helius wordt dikwijls Hyperīon genoemd.Hyperm(n)estra,Ὑπερμ(ν)ήστρα, zieDanaüs.Hyphasis,Ὕφασις, een zijtak van den Acesīnes.Hypocaustum, vertrek, waarvan de vloer verwarmd werd door buizen of kanalen met heete lucht; vooral bij badkamers en in badhuizen werd deze wijze van verwarming toegepast.Hyporchēma,ὑπόρχημα, vroolijk lied ter eere van Apollo, met mimiek en dans voorgedragen.Hypothēbae,Ὑποθῆβαι, oude stad in Boeotia, waaronder men ofPotniaeof wel de benedenstad van Thebae, rondom de Cadmēa of burcht verstond.Hypothēca,ὑποθὴκη, onderpand voor geleend geld, dat in het bezit van den schuldenaar blijft, en wanneer hij zijne schuld niet betaalt, ter voldoening van den schuldeischer verkocht wordt.Hypsipyle, -pylēa,Ὑψιπύλη, -πύλεια, dochter van Thoas, koningin van Lemnus toen de Argonauten op dat eiland landden. Zij bleven er een jaar, en Hyps. werd bij Iāson moeder van twee zonen, Thoas en Eunēus. Kort te voren hadden de vrouwen van Lemnus alle mannen in één nacht gedood, daar deze ontrouw geworden waren en thracische meisjes op het eiland gehaald hadden. Later ontdekte men echter, dat Hyps. haar vader gered had, zij moest vluchten, werd door zeeroovers gevangen genomen en aan Lycurgus, koning van Nemea, verkocht. Wegens den dood van Opheltes (z. a.) werd zij in de gevangenis geworpen, doch door hare beide zonen bevrijd.Hypsus, rivier in het W. van Sicilië, die aan de Z.-kust, dicht hij Selīnus uitmondt.Hyrcania,Ὑρκανία, smalle, onvruchtbare landstreek en perzische provincie ten Z. en Z.O. der Caspische zee, ten Z. door bergketenen begrensd, waar tal van wilde, verscheurende dieren werden aangetroffen. De Hyrcaniërs hadden evenals andere volken van Iran de gewoonte, de lijken door honden te laten verslinden. De rijken hielden tot dit doel zelfs honden van edel ras.Hyrcānum mare, z.Caspium mare.Hyrcānus, zoon van den joodschen koning Alexander Jannaeus, uit het geslacht der Maccabaeën, leefde in hevigen strijd met zijn broeder Aristobūlus. Deze laatste riep in 64 de tusschenkomst van Pompeius in, doch werd, daar hij dezen trachtte te misleiden, door P. gevangen genomen. Hyrcanus werd nu als leenvorst met den titel van hoogepriester-ethnarch,ἀρχιερεὺς καὶ ἐθνάρχης, op den troon geplaatst, in welke waardigheid hij door Caesar in 47 bevestigd werd. In 37 liet Antonius hem onthoofden.Hyrgis,Ὕργις, thans de Donetz, zijtak van den Tanaïs (Don) in Sarmatia.Hyria,Ὑρία, 1) meer in Aetolia, ten W. van het meer Trichōnis.—2)stad in Boeotia, nabij den Eurīpus, vlak bij Aulis, en tot het gebied van Tanagra behoorend.—3)stad in Italia aan den weg van Tarentum naar Brundisium, ookUriageheeten.Hyrmine,Ὑρμίνη, ookHorminae, stad in het N. van Elis, nabij de kust.Hyrtacides, zoon van Hyrtacus =Nisusno. 2.Hysiae,Ὑσιαί, 1) stad in het Z. van Argolis, bij de landstreek Thyreātis of Cynuria. Zij werd in den peloponnesischen oorlog door de Spartanen verwoest.—2)vlek in Boeotia, niet ver van het slagveld van Plataeae.Hystaspes,Ὑστάσπης, aanzienlijke Pers, vader van Darīus I. Op zijne reizen naar Indië maakte hij kennis met de leer der Brahmanen, die hij later aan de Magiërs mededeelde. Dit verhaal heeft misschien betrekking op een anderen Hystaspes, die de leer van Zarathustra (Zoroaster, z.a.) ingevoerd heeft.
Plattegrond van een Hippodromus.Hippodromus,ἱππόδρομος, renbaan voor paarden en wagens. De bovenstaande teekening stelt zulk een baan voor: een driehoekige ruimte K, waarin de toebereidselen voor den wedloop gemaakt worden en waar een altaar voor Poseidon Hippius staat, wordt aan eene zijde afgesloten door een zuilengalerij D, aan de twee andere zijden door eenigszins gebogen lijnen (abcd), gevormd door de stallen (οἰκήματα) voor de paarden en wagens; alle deelnemers plaatsten zich in een rij voor een touw (καλῴδιον, ὕσπληξ), dat van den top van den driehoek, het uitgangspunt (ἄφεσις), naar de beide zijden van de baan gespannen was; op een gegeven teeken (een metalen arend verhief zich in de lucht) werd dit touw weggetrokken en de wedloop begon; de baan was in twee deelen verdeeld door een lagen aarden wal (χῶμα) van F naar G, aan welks verste einde een altaar van Taraxippus F stond; hier moesten de rijders keeren en langs den anderen kant van den wal terugrijden tot het einddoel G. De baan werd ingesloten door zitplaatsen voor de toeschouwers AEB, die men liefst tegen een heuvel plaatste; waar geen heuvel was, maakte men eene kunstmatige verhooging; bij E was een uitgang.Hippolochus,Ἱππόλοχος, 1) zoon van Bellerophon, koning van Lycië, vader van Glaucus.—2)zoon van Antimachus, Trojaan, door Menelāus gedood.Hippolyte,Ἱππολύτη, koningin der Amazonen; zij bezat een kostbaren gordel, haar door Ares geschonken, dien Heracles voor Admēte, de dochter van Eurystheus, halen moest. Hipp. ontving den held goed en was bereid den gordel te geven, maar Hera spoorde haar en haar volk tot tegenstand aan; in den strijd, die hierdoor ontstond, viel Hipp. V. a. werd zij, niet Antiope (z. a.), door Theseus mede naar Athene genomen.Hippolytus,Ἱππόλυτος, 1) een van de Giganten.—2)zoon van Theseus en Hippolyte of Antiope. Zijne stiefmoeder Phaedra beminde hem, en daar hij haar geen wederliefde schonk, belasterde zij hem bij Theseus alsof hij haar tot ontrouw had willen verleiden. In overijling bad Theseus, dat Poseidon zijn zoon zou straffen, en deze liet, toen Hipp. langs het strand reed, een monster uit zee opkomen, waardoor de paarden schuw werden, op hol gingen, en hun meester voortsleepten tot hij stierf. Artemis openbaarde echter zijne onschuld aan Theseus, liet hem door Asclepius in het leven terugroepen, en bracht hem naar haar heilig woud bij Aricia, waar hij onder den naam Virbius vereerd werd.—3)Christelijk schrijver uit de eerste helft der derde eeuw, leerling van Irenaeus, v. s. wegens kerkelijke twisten (hij was tegelijk met Callistus bisschop van Rome) uit Rome verbannen en bij de Christenvervolging van keizer Decius als martelaar gestorven. In dat deel van zijne werken, dat bewaard gebleven is, vindt men vele bizonderheden over wijsbegeerte, godsdienst en bijgeloof der ouden.Hippomedon,Ἱππομέδων, een van de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken; bij de belegering van die stad sneuvelde hij.Hippomenes,Ἱππομένης, zoon van Megareus, echtgenoot van Atalante (z. a.).Hippōnax,Ἱππώναξ, van Ephesus, iambograaf omstreeks 540; van zijn leven is alleen bekend dat hij om politieke redenen naar Clazomenae vluchtte, zie ookBupalus.Hipponīcus,Ἱππόνικος, naam van verscheiden leden van een adellijk atheensch geslacht. Hiertoe behooren: 1) iemand die zich verrijkte door gebruik te maken van een vertrouwelijke mededeeling betreffende deσεισάχθειαvan Solon; men houdt dit verhaal en de persoon zelve tegenwoordig voor verzonnen.—2)zijn kleinzoon, bijgenaamd Ammon, behield de schatten, die hem toevertrouwd waren door een Eretriënser, die na de verovering van zijn vaderstad naar Perzië medegevoerd werd (490). Ook dit verhaal is verzonnen.—3)zoon van Callias no. 1 en Elpinice (z.Cimonno. 2), sneuvelde in den slag bij Delium (424). De vrouw van Pericles was vroeger met hem gehuwd geweest, zijne dochter Hipparete werd de vrouw van Alcibiades.—4)zoon van Callias no. 2, schoonzoon van Alcibiades.Hipponium, zieHippono. 4.Hipponous,Ἱππόνοος, z.Bellerophon.Hippophagi,Ἱπποφάγοι, 1) scythisch volk in Persis.—2)volk in aziatisch Sarmatia, de tegenwoordige Kalmukken.Hippotes,Ἱππότης, vader van Arne of van Aeolus no. 2 (z. a.).Hippothoon,Ἱπποθόων, zoon van Poseidon en Alope (z. a.). Na den dood van zijn grootvader Cercyon gaf Theseus hem de regeering over Eleusis.Hippothoontis,Ἱπποθωντίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.Hippothous,Ἱππόθοος, 1) vader van Aepytus no. 2.—2)zoon van Priamus.—3)van Larīsa, bondgenoot der Trojanen, door Ajax no. 2 gedood.Ἱπποτοξόται, een politiemacht van bereden boogschutters te Athene; men gebruikte hiervoor staatsslaven. In het begin van den peloponnesischen oorlog was hun aantal 200.Hirpīni,Ἱρπινοί, volk in het Z. van Samnium. Hoofdstad: Aeculānum.Hirrus(C. LucceiusofC. Lucilius), z.Luciliino. 4.Hirtia (lex)van A. Hirtius (46). Zij sloot de aanhangers van Pompeius van alle ambten uit.Hirtius(A.), uit een plebejisch geslacht, diende onder Caesar in Gallia, en vergezelde hem later naar Aegypte. Als praetor stelde Hirtius in 46 de hierboven vermelde wet voor. In 45 ging hij met Caesar naar Hispania. Overigens was hij meer schrijver dan krijgsman en bracht hij bij voorkeur zijn tijd door op zijn landgoed bij Praeneste. In 43 was hij consul met C. Vibius Pansa. Hoewel Hirtius na Caesars dood tot Antonius had overgeheld, gevoelde hij zich spoedig door diens aanmatigingen afgestooten, waartoe misschien de vertrouwde omgang met Cicero bijdroeg. Met Pansa en den jeugdigen Octaviānus trok hij tegen Antonius op, doch sneuvelde in den slag hij Mutina (Modena), terwijl Pansa daags daarna aan zijne wonden bezweek. Het achtste boek derCommentarii de bello Gallicois van Hirtius afkomstig; waarschijnlijk heeft hij ook hetbellum Alexandrinumgeschreven.Hirtulēius(L.), onderbevelhebber van Q. Sertorius in Hispania, die den rom. veldheeren in de jaren 79–76 verschillende nederlagen toebracht, doch in 75 sneuvelde.Hispalis,Ἵσπαλις, thans Sevilla, aanzienlijke koopstad der Turdetāni in Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir). Caesar maakte er eene rom. kolonie van,Iulia RomulaofRomulensis. Hispalis was door Phoeniciërs gesticht. De Baetis was tot hier voor zeeschepen bevaarbaar.Hispania,Ἱσπανία, door de GriekenἸβηρίαgenoemd, tegenw. Spanje en Portugal, was tot in de derde eeuw den Rom. bijna onbekend. Na den eersten punischen oorlog zochten de Carthagers zich in H. schadeloos te stellen voor het verlies der italiaansche eilanden. In den tweeden oorlog ging ook H. voor hen verloren. De Romeinen verdeelden het land, voor zoover hunne heerschappij zich binnenwaarts uitstrekte, in twee provinciën:H. citeriorenH. ulteriorofBaetica, naar den Baetis (Guadalquivir). Oorspronkelijk strekte het eerste zich slechts uit langs de kust, maar langzamerhand werd ook het binnenland veroverd. In 180–178 werden de Celtiberiërs door Tib. Sempronius Gracchus, den vader der beide Gracchen, onderworpen en hun land, een groot gedeelte van het binnenland bij H. Citerior gevoegd. In 138 werd Lusitania, een landstreek in het Z.W., onderworpen, en aan Baetica toegevoegd. De volledige onderwerping van het geheele schiereiland had eerst in 19 plaats, toen Agrippa de Cantabriërs en Asturiërs onderwierp. Nu werd H. in 3 provincies verdeeld: Citerior, Ulterior Baetica en Ulterior Lusitania, waaronder ook Gallaecia en Asturia hoorden. Nog vóór den dood van Augustus werden Gallaecia en Asturia bij H. Citerior gevoegd, dat voortaan gewoonlijk Tarraconensis heet, naar de hoofdstad Tarraco; de andere twee provincies heeten nu Baetica en Lusitania. De bevolking bestond uit keltische en iberische stammen; de Iberiërs waren donker van tint. Vooral in Baetica troffen de Romeinen reeds een ver gevorderden trap van beschaving aan; vandaar dat geen andere provincie in gelijke mate als Hispania rom. zeden en gewoonten overnam. Seneca, Lucānus, Martiālis, Quintiliānus, Traiānus, Hadriānus waren uit Hispania geboortig. Alleen stond de bevolking ook reeds toen bekend om hare luiheid en morsigheid. De bodem was in het Z. uiterst vruchtbaar en leverde ook verschillende metalen en edelgesteenten op. In het tijdperk der volksverhuizing werd Hispania afwisselend overstroomd door Vandalen, Sueven, Alanen en Westgothen.Hispellum, voornaamste stad in Umbria, thans Spello.Hister, zieDanuvius.Histiaea, Histiaeōtis=Hestiaea, Hestiaeotis.Histiaeus,Ἱστιαῖος, tyran van Milētus onder perzische opperheerschappij. Toen Darius Hystaspis in het land der Scythen ingevallen was, verzette Hist. zich tegen het plan om de brug over den Ister af te breken, waarvan de ondergang van het perzische leger het onvermijdelijk gevolg zou geweest zijn. Daarvoor werd hij met land in Thracië begiftigd, later begon Darīus hem echter te wantrouwen en riep hij hem, naar het heette uit vriendschap, tot zich naar Susa. Later werd hij naar de kust gezonden, om den opstand van Aristagoras (z. a.) te dempen, waartoe hij hem heimelijk zelf had aangemoedigd; daar hij echter zag dat de satraap Artaphernes hem niet vertrouwde, vluchtte hij. Hij werd door de Chiërs gevangen genomen, maar weder vrijgelaten, en daar de Milesiërs weigerden hem te ontvangen, ging hij naar Byzantium, leefde daar eenigen tijd als zeeroover en werd eindelijk door Harpagus gevangen genomen en te Sardes door Artaphernes ter dood gebracht (498).Historiae Augustae scriptores=Scriptores historiae Augustae.Histria,Ἰστρία, schiereiland in het N. der Adriatische zee, door de ruwe Istri bewoond en in 177 onderworpen. Ten tijde van Varro, die een aardrijkskundig werk geschreven heeft, behoorde het westelijk gedeelte tot aan de Formio, bij Italië; Augustus heeft het gewest geheel bij Italië ingelijfd. Steden: Tergeste (Triest) en Pola.Homeridae,Ὁμηρίδαι, familie of genootschap op Chius, van Homerus afstammend of naar hem genoemd; zij hadden zich tot taak gesteld de gedichten van Homerus ongeschonden te bewaren en de kennis er van algemeen te maken. In lateren tijd werden ook rhapsoden zoo genoemd, en over het algemeen zij, die zich met de gedichten van Homerus bezig hielden.Homērus,Ὅμηρος, is volgens de overlevering de dichter van de Ilias en Odyssee, de twee beroemde heldendichten, die van den grootsten invloed waren op de beschaving der Grieken, gedurende hun volksbestaan den grondslag van alle verdere studiën vormden, en nog tot heden als modellen van epische poëzie beschouwd worden. Hij zou een zoon van Maeon, arm en blind geweest zijn; van zijn leeftijd wisten de ouden reeds niets, zoodat sommigen beweerden dat hij in de 12deeeuw, anderen dat hij later, sommigen zelfs dat hij niet vóór de 7deeeuw geleefd zou hebben; zeven steden beroemden zich de vaderstad van Hom. geweest te zijn, hoewel men erkende dat in dien strijd Smyrna en Chius de beste aanspraken konden doen gelden. De meest gezaghebbende meening was, dat de gedichten van Homerus in het midden der 9deeeuw in Ionië ontstaan waren.—Hoe dit zij, deze gedichten leefden gedurende vele eeuwen, waarin de schrijfkunst slechts weinig in gebruik was, in den mond van het volk, en hadden hunne verbreiding voornamelijk te danken aan de rhapsoden (z. a.) die bij feestelijke gelegenheden gedeelten er van voordroegen. Het ligt voor de hand dat sommige gedeelten meer in den smaak vielen dan andere, en dus meer gehoord werden, dat sommige, te lang voor eene voordracht, bekort moesten worden, dat andere, wat hun omvang betreft juist voor de voordracht geschikt, van een passend begin of slot moesten worden voorzien, kortom, onder deze omstandigheden waren de gedichten lang niet in al hunne deelen even algemeen bekend, en stonden zij op velerlei wijze aan vervalsching en verminking bloot, totdat, naar men meent onder Pisistratus en zijne zonen, de verspreide deelen door deskundigen verzameld en tot één geheel verwerkt werden. Deze maatregel bevorderde de studie der gedichten van Hom. zeer, in den bloeitijd van Athene was dan ook de kennis er van zeer algemeen, en personen, die de geheele Ilias en Odyssee van buiten konden opzeggen, waren niet zoo zeldzaam als men zou denken. Toen later te Alexandria de studie der taal- en letterkunde een hooge vlucht nam, kozen de beste alexandrijnsche geleerden, o. a. Zenodotus en Aristarchus, de werken van Hom. ter behandeling, trachtten met veel moeite den tekst te verbeteren, of schreven geleerde verklaringen er bij. Reeds onder hen werd door sommigen, die daaromχωρίζοντεςgenoemd werden, de meening verdedigd, dat de Odyssee niet in denzelfden tijd ontstaan kon zijn als de Ilias, dat tusschen beide gedichten misschien wel eene tusschenruimte van 100 jaar lag, en dat zij dus niet van denzelfden dichter konden zijn. Nieuwere geleerden beweren echter, dat ook de afzonderlijke deelen van elk der beide werken te veel van elkander verschillen, om ze aan denzelfden maker toe te schrijven, dat bovendien zulke groote werken in een tijd, waarin de schrijfkunst zoo weinig algemeen was, niet hadden kunnen ontstaan, of ten minste weder spoedig hadden moeten vergeten zijn, en dat men dus moet aannemen, dat zoowel Ilias als Odyssee vóór Pisistratus niet anders bestaan hebben dan als afzonderlijke liederen, waarin eerst toen eenige samenhang gebracht zou zijn. Deze meening vindt bij sommigen zooveel bijval, dat men zelfs getracht heeft die oorspronkelijke liederen aan te wijzen, anderen verwerpen haar geheel, terwijl nog anderen toegeven dat beide gedichten uit de vereeniging van zulke kleinere liederen bestaan, maar aannemen dat die vereeniging veel vroeger, waarschijnlijk omstreeks het midden der 9deeeuw, tot stand gebracht zou zijn door iemand die Homerus heette, of misschien juist door dat werk den naam Homerus (samenvoeger) gekregen heeft. Tegenwoordig is de meest algemeene meening, dat elk van beide gedichten in hoofdzaak van denzelfden dichter is, doch dat daaraan op verschillende tijden, deels door hemzelven, deels door anderen, grootere en kleinere stukken zijn toegevoegd.—Behalve Ilias en Odyssee zijn nog eenige kleinere gedichtenbewaard gebleven, die werken van Homerus heeten te zijn; deze zijn echter alle van lateren tijd en van zeer ongelijke waarde.Homerus latinus, z.Siliino. 7.Ὅμοιοι, gelijken. De wet van Epitādeus (z. a.) had tengevolge dat, in strijd met de instellingen van Lycurgus, het grondbezit te Sparta zich weldra in weinige handen bevond, terwijl de meerderheid der burgers tot armoede verviel. Deze ongelijkheid van vermogen bracht ook ongelijkheid in burgerlijke rechten mede, en nu noemden zich de rijke grondeigenaarsὅμοιοι, in tegenstelling van de armere burgers,ὑπομείονες.Homole,Ὁμόλη, berg, aan Pan gewijd, in Thessalia, nabij het dal Tempe.—HomoleofHomolium,Ὁμόλιον, stad in het N. van het thessalische landschap Magnesia.Homona, Homonadenses,ὉμοναδῆςofOmana, Omanades, stad en roofzuchtig bergvolk in Pisidia, in het Taurusgebergte.Honorius(Flavius), zoon van keizer Theodosius den Gr., die bij de deeling des rijks het Westen kreeg, terwijl aan zijn ouderen broeder Arcadius het Oosten werd toegewezen, 395 na C. Honorius was een nietsbeteekenende knaap. Zijn minister en voogd Stilicho, een voortreffelijk veldheer, wist wel de invallen van germaansche volkeren af te weren, maar deed niets tot ontwikkeling van den jongen vorst, hoewel deze zijne dochter had gehuwd. In 408 liet H., aan valsche inblazingen gehoor gevende, zijn schoonvader ombrengen en nu drongen de barbaren van alle zijden het rijk binnen en namen de eene provincie na de andere weg. De Westgothen onder Alarik veroverden zelfs Rome. ZieAlaricus. Eindelijk zag H. zich genoodzaakt, zijn veldheer Constantius tot mederegent aan te nemen en hem zijne zuster Placidia, weduwe van den westgothischen koning Athaulf, tot vrouw te geven. H. stierf zes jaar later, in 423.Ὅπλητες, burgers die tot de tweede der vier oude attische phylen behoorden.Ὁπλῖται, zwaargewapende infanteristen, het voornaamste deel van een grieksch leger. Zij droegen een harnas, helm en beenplaten van metaal, en waren gewapend met een kort zwaard, een langwerpig schild (ἀσπίς), en een werpspies van ongeveer 8 voet. De taak der zwaargewapenden was in gesloten gelederen op den vijand aan te rukken en diens slagorde te verbreken. Zij kregen, wanneer zij in dienst waren, betaling voor soldij en onderhoud voor zichzelven en een bediende; deze betaling was echter in verschillende tijden en omstandigheden hooger of lager.Horae Quirīni, zieHersilia.Horae,Ὧραι, dochters van Zeus en Themis, godinnen der orde in de natuur en der afwisselende jaargetijden, verder ook van maatschappelijke orde, wet en recht. Zij zijn dienaressen van Zeus en zijn belast met het openen en sluiten van de poorten des hemels. Gewoonlijk worden drie Horen genoemd: Eunomia, Dice en Irēne, te Athene vereerde men slechts twee: Thallo en Carpo, later nam men vier aan in overeenstemming met het aantal jaargetijden. Tempels hadden zij te Athene, Corinthe e. a. plaatsen.—Zij worden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, luchtig gekleed en met bloemen en vruchten versierd.Horatiae Valeriae (leges)van de consuls M. Horatius Barbātus en L. Valerius Poplicola Potītus, 449: 1)ut, quod tributim plebs iussisset, populum teneret;—2)dat de volkstribunen, de plebejische aedilen en de iudices decemvirisacrosanctizouden zijn;—3)dat geen nieuw overheidsambt zonderprovocatioin het leven zou worden geroepen, op straffe des doods. Dit zijn geen eigenlijke wetten (leges) geweest, maar de voorwaarden, waarop de eendracht tusschenpatresenplebshersteld werd. Bovendien is de eerste wet, evenals delex Publilia Philonisvan 339 v. s. een anticipatie van delex Hortensiavan 287. Aan het bestaan van de derde wet wordt door sommige geleerden getwijfeld. ZieValeriae leges de provocatione. Metiudices decemviri, in de 2dewet genoemd, worden volgens de gewone opvatting dedecemviri stlitibus iudicandisbedoeld; z. echter aldaar.Horatii, een patricisch geslacht. 1) De drie gebroeders, die, volgens het verhaal, onder de regeering van Tullus Hostilius den oorlog met Alba Longa beslechtten door een strijd met de drie Curiatii, en waarvan de eenig overgeblevene zijne zuster zou hebben neergestooten, omdat zij haren bruidegom, een der gesneuvelde Curiatii, beweende. V. s. is dit hoog poëtische verhaal aan eenfabula praetextavan Ennius ontleend.—2)M. Horatius Pulvillus, een der consuls uit het eerste jaar der rom. republiek; hij wijdde den tempel van Jupiter Capitolīnus.—3)P. Horatius Cocles(de éénoogige) verdedigde de houten paalbrug over den Tiber tegen de aandringende soldaten van Porsēna, totdat zijne medeburgers de brug achter hem hadden afgebroken. Toen sprong hij in de rivier en kwam behouden in de stad terug, in weerwil eener hagelbui van pijlen. Zijne medeburgers richtten voor hem een standbeeld op en schonken hem zooveel land, als hij in een dag kon omploegen.—4)C. Horatius Pulvillus, consul in 477, sloeg de aanvallen der Volscen en Etruscers af, die Rome bijna hadden vermeesterd. In 457 was hij andermaal consul en overwon toen de Aequers.—5)M. Horatius Barbātus, consul in 449, herstelde met zijn ambtgenoot L. Valerius Poplicola wat de tienmannen bedorven hadden, verzoende de beide standen te Rome, bracht de beroemdeleges Horatiae Valeriae(z.a.) tot stand, en behaalde eene groote overwinning op de Sabijnen.—6)Niet tot dezegensbehoorde de beroemde dichterQ. Horatius Flaccus, de zoon van een vrijgelatene, geboren te Venusia in het jaar 65. Zijn vader zorgde met den meesten ijver voor zijne opvoeding en ging te Rome wonen, om zijn zoon de beste meesters te kunnen geven. Op zijn negentiende jaar ging H. te Athene zijne studiën voltooien. In 44 was hij krijgstribuun in het leger van Brutus en deelde in de nederlaag bij Philippi. In dezen burgeroorlogverloor hij zijn vaderlijk erfgoed, zoodat hij alsscribazijn brood moest verdienen. Doch de dichters Varius en Vergilius bevalen hem bij Maecēnas aan, die hem bij zich ontbood (38), en hem wel eerst na 9 maanden opnieuw tot zich riep, maar hem toen ook in den kring zijner vrienden opnam, waarvan hij spoedig een onmisbaar lid werd. Van Maecenas kreeg hij (33) een klein landgoed, hetSabīnumbij Tibur, ten geschenke, dat zijn geliefkoosd verblijf werd. Hij stierf, kort na Maecenas, in het jaar 8, ongehuwd. Horatius bracht als lierdichter het eerst grieksche maten van de oude Grieksche dichters op latijnschen bodem over. Zijne levensrichting was over het algemeen de epicureïsche; gaarne genoot hij het goede; toch kon hij ook sober en eenvoudig leven en zich naar de omstandigheden schikken als de beste stoicijn. In het staatkundige was de slag hij Philippi het graf zijner idealen geweest, in Octaviānus zag hij voortaan den man, die den lang gehoopten vrede aan de wereld zou schenken. Wij bezitten van hem:CarminaofOdae(4 boeken),Epodon liber(z.Epodusno. 3), hetCarmen saeculare, Satirae(2 boeken),Epistulae(2 boeken), waarvan de beroemdste deEpistula ad PisonesofArs poetica.Horta, eene Romeinsche godin wier tempel steeds open staat. Overigens is van haar niets bekend.Horta, Hortānum, stad in Etruria, waar de Nar in den Tiber stroomt.Hortātorofpausarius, de man, die op het schip de maat aangaf bij het roeien, hetzij met een hamer, hetzij met de stem, soms ook met de fluit.Hortensia (lex)van 287 van den dictator Q. Hortensius,ut eo iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. Hiermede werden deplebiscitavoor goed gelijk gesteld metleges, en de voorafgaande goedkeuring der tribunicischerogationesdoor den senaat afgeschaft. Eene anderelex Hortensiaverklaarde denundinaeof marktdagen totdies fasti.Hortensii, een plebejisch geslacht. 1)L. Hortensius, volkstribuun in 422, een warm ijveraar voor de belangen der plebs.—2)Q. Hortensius, in 287 tot dictator gekozen om eenesecessio plebiste bezweren, deauctorderlex Hortensia de plebiscitis.—3)Q. Hortensius Hortalus, (geb. 114), een van Rome’s grootste redenaars, de evenknie van Cicero, en een handig en geslepen verdediger, niet altijd keurig in de keus zijner middelen. In 69 bekleedde hij het consulaat. In den burgeroorlog had hij onder Sulla gediend en verder bleef hij de aristocratische partij toegedaan. Hij stierf in 50. Hij was zeer vermogend en had zijn huis weelderig en met fijnen smaak ingericht; zijne keuken, wijnkelder en vischvijvers waren beroemd en zijne overdreven zorg daarvoor maakte hem wel eens tot een mikpunt van spotternij. Wij hebben geen enkel geschrift van hem; hij dichtte ook, doch zijne verzen konden den toets van zedelijkheid niet doorstaan. Ook schreef hijannales. Hij was een vertegenwoordiger van den asiatischen stijl (Asianismus), z.Hegesiasno. 2.—4)Hortensia, dochter van no. 3, wordt genoemd als een voorbeeld van vrouwelijke welsprekendheid. Zij heeft in 42 de rechten der gehuwde vrouwen, die door een zware belasting getroffen werden, met succes ten overstaan van de triumviri verdedigd.Hōrus,Ὧρος, een aegyptisch god, zoon van Isis en Osīris, waarschijnlijk de god der opgaande zon, door de Grieken voor denzelfden gehouden als Apollo. Meer bekend bij Grieken en Rom. was echter een jongere Horus, een zwakke zoon van Osiris en in diens ouderdom geboren, naar men meent de god der ondergaande zon of winterzon. Onder den naam Harpocrates (z. a.) wordt hij vooral vereerd als god van het zwijgen.Hospitium. Tusschen aanzienlijke familiën in verschillende steden en gewesten bestonden vaak banden van gastvriendschap. Bij het sluiten van zulk een band (foedus) werden de namen van beide familiën op eene zoogenaamdetessera hospitalisgeschreven, eene soort van liniaal, zóó dat aan weerszijden een naam stond. Zulk eenetesserawordt dan doorgebroken en elke familie ontving eene helft. Op vertoon daarvan had men niet slechts aanspraak op herberging, maar ook, zoo noodig, op hulp en bescherming. De band ging op de erfgenamen over en werd als heilig beschouwd. De rom. grooten hadden zulkehospitiade geheele wereld door. Niet slechts echter bijzondere personen sloten zulke banden van gastvriendschap, zij komen ook voor tusschen staten, in welk geval van weerszijden vorstelijke personen en gezanten op staatskosten werden gehuisvest en onthaald. Dit heethospitium publicum. Ook bestonden erhospitiatusschen tal vancivitatesin den vreemde en aanzienlijke familiën te Rome, waarmede dan tevens aan deze familie het patronaat werd opgedragen, d. w. z. de taak om de vreemdecivitasin rechten als anderszins te vertegenwoordigen, hare burgers te Rome te beschermen en hare belangen voor te staan, ongeveer zooals in onze nieuwere maatschappij de consuls doen.Hostilia, nu nog Ostiglia geheeten, stadje aan den Padus (Po), met een druk veer over de rivier, aan den weg van Bononia (Bologna) naar Mantua en Verōna.Hostilia curia, zieCuria.Hostiliānus(Gaius Valens), Caesar onder zijn vader Decius, 249 n. C., na diens dood (251) keizer, sterft weldra aan de pest.Hostilii, een oud, patricisch geslacht, waarvan enkele leden in den tweeden en derden punischen oorlog en de oorlogen tegen Perseus en Antiochus III voorkomen.C. Hostilius Mancīnus, consul in 137, werd door de Numantijners tot den vrede gedwongen, dien de rom. senaat evenwel verwierp. Mancinus werd toen uitgeleverd (z.Furia Atilia (lex)), doch de N. weigerden dit offer te aanvaarden. Later werd M. uit den senaat gestooten.Hostiswas oudtijds =peregrinus, terwijl in het oude fetiaalrechtperduellisvoor vijand werd gebruikt. Later beteekendehostiseenbuitenlandschen vijand,perduelliseen binnenlandschen, terwijl diens handeling, hoogverraad, doorperduelliowordt uitgedrukt. Wanneer een onderworpen vijand opstaat, is hij eenrebellis; wanneer burgers oproer maken, is het eeneseditio.Hostis iudicatiois een senaatsbesluit, waarbij van bepaalde personen verklaard werd, dat zij zich door hun daden tot vijanden van den staat gemaakt hadden, en dat zij dientengevolge van burgerrecht vervallen, vogelvrij en, zoo ze ambtenaren waren, ambteloos geworden waren. Dit besluit was vaak een toevoeging aan hetsenatus consultum ultimum(z. a.), en werd door de senaatspartij gebruikt als middel om woelingen te onderdrukken; het eerst is het toegepast tegen Ti., daarna tegen C. Gracchus, in 100 tegen Saturninus en Glaucia. De aan de senaatsregeering vijandige partij heeft altijd terecht de bevoegdheid der magistraten ontkend, om aan deze onwettige verklaring van den senaat gehoor te geven; vele van de consuls, die er zich door hadden laten bewegen om gevangenen terecht te stellen, zijn later met eenigen tijd van ballingschap gestraft, zooals o. a. Cicero wegens het dooden der Catilinarii in 63 (z.Clodiae (leges)no. 5).Ὕβρεως γραφή, aanklacht wegens mishandeling. Het proces werd voor de heliasten (z.Ἡλιαία) gevoerd en de straf werd naar omstandigheden door de rechters bepaald.Ὑλλῆς, een van de drie dorische phylae (z. a.), naar Hyllus genoemd.Hunni,Οὗννοι, aziatisch volk, dat oorspronkelijk in Mongolië woonde, en ± 375 n. C. over den Rha (Wolga) drong, de Alanen en Oostgothen onderwierp, andere volken voor zich uit dreef en vooral onder Attila, den “geesel Gods” (zieAttila) het romeinsche rijk teisterde. Na Attila’s dood (453) viel het groote Hunnenrijk uiteen en ± 500 was de naam van Hunnen weder verdwenen. Omtrent een vroeger optreden van de Hunnen zie menBactria.Ὕπαιθροςheette de ruimte in het midden van een tempel, wanneer zij, zooals bij groote gebouwen soms het geval was, niet van een dak voorzien was. Men verkeert omtrent deze quaestie nog geheel in het duister; behalve het Pantheon te Rome zijn ons dergelijke tempels niet bekend. Z. verder onderTemplum.Ὑπασπιστής, 1) schildknaap, een slaaf, die op marsch voor zijn heer schild, helm, enz. droeg.—2) in het macedonische leger lichtgewapende infanteristen, meer voor aanval dan voor verdediging bestemd, van een korte lans en een lang zwaard voorzien. Uit hen werd de koninklijke lijfwacht (ἄγημα) gekozen.Ὑπήκοοι, op Creta =περίοικοι.Ὑπογραμματεύς=γραμματεὺς(z. a.)τῆς πόλεως, ookγρ. τοῦ δήμουofγρ. τῆς βουλῆς καὶ τοῦ δήμουgenoemd.Ὑπομείονες, z.Ὅμοιοι.Hyacinthus,Ὑάκινθος, 1) zoon van Amyclas en Diomēde, een buitengewoon schoon jongeling, die door Apollo en Zephyrus bemind werd. Toen Apollo eens met hem aan de oevers van den Eurōtas met den discus speelde, dreef Zephyrus uit jaloerschheid de werpschijf van Apollo naar het hoofd van Hyac., zoodat deze doodelijk gewond werd. Apollo veranderde hem in de bloem, die zijn naam draagt. Te zijner eere vierden de Spartanen jaarlijks te Amyclae een groot feest, de Hyacinthia, dat drie dagen duurde; de eerste dag was een treurdag, waarop men aan Hyac. in stilte offers bracht, de beide volgende dagen hield men feestelijke optochten en wedspelen.—2)Lacedaemoniër, die ten tijde van Aegeus te Athene woonde. Toen Minos Athene met oorlog bedreigde (z.Aegeus), kregen de Atheners van het orakel den raad de kinderen van een vreemdeling te offeren; zij kozen daarvoor de dochters van Hyac. Niettemin werden zij door Minos overwonnen.Hyades,Ὑάδες,Suculae, sterrenbeeld aan den kop van den Stier, dat bij het begin van den regentijd opgaat (pluviae, tristes). Zij worden dochters van Atlas en Aethra of Pleione, of van Oceanus of van Melisseus genoemd, en waren de voedsters van Dionȳsus (nysaeische nimfen) of van Zeus (dodonaeïsche nimfen) geweest en ter belooning onder de sterren geplaatst. V. a. hadden zij zich dood getreurd om het verlies van hun broeder Hyas, die op de jacht omgekomen was.Hyaea,Ὑαία, vlek in het gebied der ozolische Locriërs.Hyampēa,Ὑάμπεια, een van de toppen van den Parnassus = Lycōreus.Hyampolis,Ὑάμπολις, stad in Phocis bij Elatēa, door Hyanten gesticht. De stad werd eerst verwoest door Xerxes, later door Philippus van Macedonia.Hyantes,Ὕαντες, oude bewoners van Boeotia, door de Cadmeërs naar Phocis verdreven, waar zij Hyampolis stichtten. Een groot gedeelte vestigde zich in Aetolia.Hyantius,Hyantēusbij dichters = boeotisch,hyantis= aetolisch.Hyarōtes,Ὑαρώτης=Hydraotes.Hybla,Ὕβλα, naam van drie steden op Sicilia,H. maior,ἡ μείζωνofμεγάλη, v. s. ookHybla Geleātis(Gereātis),Ὕβλα ἡ Γελεᾶτις, ἡ Γερεᾶτιςgeheeten, lag aan den Aetna;H. minor,ἡ μικράofὝβλα τὰ Μέγαρα, ook wel Megara Hyblaea, v.s. ook Hybla Geleatis geheeten, lag ten N. van Syracūsae, en werd Megara genoemd naar dorische kolonisten uit Megaris. De inwoners heettenΜεγαρῆς Ὑβλαῖοι. In den tweeden punischen oorlog werd het door de Rom. verwoest. Het derde,H. Heraea,Ἡραίαofἡ ἐλάττων, lag aan den weg van Syracusae naar Gela. Uit een der drie Hybla’s kwam de beroemde honig,Hyblaeum mel.Hyccara, (plur.),τὰ Ὕκκαρα, stad der Sicani op de N.kust van Sicilia, in 415 door de Atheners veroverd en geplunderd en toen aan Segesta afgestaan.Hydaspes,Ὑδάσπης, zijtak van den Acesīnes, waarbij Alexander de Gr. zijne overwinning op koning Porus behaalde. Vergilius noemt hem minder juistMedus Hydaspes, daar het perzische rijk zich niet tot aan dezenstroom uitstrekte. Horatius noemt hemfabulosus= alleen bekend van hooren zeggen, n.l. bij de Rom.Hydraōtes,Ὑδραώτης, een zijtak van den Acesīnes, evenals de Hydaspes.Hȳdrea,Ὑδρέα, thans Hydra, eilandje bij Argolis. De bevolking is van dryopischen stam.Hydrochous,Ὑδροχόος=Aquarius.Hydrophoria,Ὑδροφόρια, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van Apollo of de onderaardsche goden of ter herinnering aan de slachtoffers van den zondvloed van Deucalion, op vele plaatsen van Griekenland in het voorjaar gevierd.HydruntumofHydrus,Ὑδροῦς, thans Otranto, stad op de kust van Calabria, met eene uitstekende haven.Hygiēa,Ὑγίεια, dochter van Asclepius, godin der gezondheid. Zij wordt gewoonlijk gemeenschappelijk met haar vader vereerd, maar staat ook in nauwe betrekking tot Athēna, die ook den bijnaam Hygiēa heeft. Op hare afbeeldingen heeft zij een slang in de hand, die zij uit een schaal laat drinken.Hygīnus(C. Iulius), een vrijgelatene van Augustus, geboortig uit Hispania, opzichter der palatijnsche bibliotheek. Hij was een vlijtig beoefenaar van taal- en oudheidkunde. Men veronderstelt, dat hetgeen wij op naam van Hyginus bezitten, eenfabularum liberen eenpoëticon astronomiconniet van dezen Hyginus afkomstig is. Onder Traiānus, v.a. ± 300, komt nog eenHyginus gromaticusvoor (z.Groma).Hylas,Ὕλας, zoon van Theodamas en Menodice, lieveling van Heracles, met wien hij deelnam aan den tocht der Argonauten. Toen Hylas in Mysië aan land gegaan was om water te scheppen, werd hij door bronnimfen geroofd, Heracles ging hem zoeken en bleef zoo lang uit, dat de Argonauten zonder hem vertrokken.—Ter eere van Hylas vierden de inwoners van Prusias een feest, waarbij geofferd werd bij de bron, waarin hij verdwenen was, en men in de bergen het zoeken van Heracles nabootste.Hyle,Ὕλη, oud boeotisch stadje, aan het Hylische meertje.Hylias,Ὑλίας, grensrivier tusschen het gebied van Croton en dat van Sybaris in het land der Bruttii.Hylice,Ὑλική(sc.λίμνη), meer. ZieHyle.Hyllus,Ὕλλος, zoon van Heracles en Deïanīra, de stamvader der Heracliden (z.a.), die in de Peloponnēsus regeerden. Na een eersten inval in de Peloponnesus ging hij naar Thessalië, waar Aegimius hem een derde gedeelte van zijn land afstond, bij een tweeden inval werd hij door Echemus gedood.Hyllus,Ὕλλος, zijtak van den Hermus, in aziatisch Ionia.Hymen, Hymenaeus,Ὑμήν, Ὑμέναιος, zoon van Apollo en Calliope of Urania of van Dionȳsus en Aphrodīte, bevrijdde eens een aantal jonge meisjes, die doorzeerooversgevangen genomen waren; daarom gedachten deze hem, toen zij trouwden, in het bruiloftslied, en sedert dien tijd wordt hij als een god van het huwelijk beschouwd, die in het bruiloftslied wordt aangeroepen. Hij komt voor in gezelschap van Aphrodite en Eros, zijne afbeeldingen gelijken op die van Eros, ofschoon hij grooter en ernstiger voorgesteld wordt; gewoonlijk is hij met rozen bekranst en draagt hij een fakkel en sluier in de hand.Hymettus,Ὑμηττός, berg in Attica ten O. van Athēnae, voor een gedeelte met geurigen thym begroeid en hierom bekend door zijn voortreffelijken honig. De berg is ook bekend om zijn marmergroeven.Hypacyris,Ὑπάκυρις, ook wel-caris, rivier in europeesch Sarmatia, onzeker welke.Hypaepa,τὰ Ὕπαιπα, stadje in Lydia aan de Z. helling van den Tmolus. Het was bekend om zijne schoone vrouwen.Hypanis,Ὕπανις, naam van twee rivieren in Sarmatia, die van tegenovergestelde zijden in den Pontus Euxīnus (Zwarte zee) stroomen. De eene heet thans de Bug, de andere, die op den Caucasus ontspringt, de Kuban. Ook =Hyphasis.Hypata,Ὑπάταofτὰ Ὕπατα, bergstadje in het gebied der Aenianen tusschen Thessalia en Hellas. In de nabijheid was de vergaderplaats der heksen en toovenaars, de grieksche Blocksberg. De Hypataeërs hadden den naam, bekwame toovenaars te zijn.Hypatia,Ὑπατία, de begaafde dochter van Theon (no. 3), beoefende evenals haar vader wis- en sterrenkunde en ook wijsbegeerte; zij werd bij een opstand van de Christenen in 415 n. C. gedood.Hyperbolus,Ὑπέρβολος, atheensch demagoog van geringe afkomst, die na den dood van Cleon als medestander van Alcibiades optrad en veel invloed verwierf. Door de blijspeldichters wordt hij voortdurend bitter bespot. In 417 werd hij door het ostracisme (z. a.) verbannen, hij vestigde zich op Samus, waar hij in 411 door de oligarchische partij vermoord werd.Hyperborēi,Ὑπερβόρειοι, een fabelachtig volk, meer noordelijk wonende dan de Noordewind (Boreas), en over wie deze dus nooit zijn kouden adem liet gaan. In hun land ging de zon slechts éénmaal ’s jaars op en onder; hun land was een heerlijk land, waar alles spoedig rijpte, hun leven was een leven van geluk, zonder ooit eenigen twist of tweedracht. Zij konden 1000 jaar oud worden, doch meestal stortten zij zich vóór dien tijd, des levens zat, in zee. Zij waren aan den dienst van Apollo gewijd.Hyperboreusdichterlijk = noordsch.Hyperborēi montes, een gebergte in het gebied of naar den kant der Hyperborēi, misschien eene duistere voorstelling van de Carpathen of van het Oeralgebergte.Hyperēnor,Ὑπερήνωρ, een van de Sparten, zieCadmus.Hyperīdes,Ὑπερείδης, -ρίδης, zoon van Glaucippus, een van de tien attische redenaars, leerling van Plato en Isocrates, in de politiek aanhanger van Demosthenes, hoewelhij zich in de zaak van Harpalus (z.a.) tegen hem keerde en zelfs als zijn beschuldiger optrad. Evenals Dem. en om dezelfde redenen werd hij door Alexander na de verovering van Thebe opgeëischt, maar niet uitgeleverd; ook aan den lamischen oorlog nam hij deel, en na den ongelukkigen afloop er van vluchtte hij naar Aegīna, waar hij gevat en op bevel van Antipater ter dood gebracht werd (322). Van zijne redevoeringen zijn er in de vorige eeuw zes in Egypte teruggevonden.Hyperīon,Ὑπερίων, een van de Titanen, vader van Helius, Selēne en Eos. Ook Helius wordt dikwijls Hyperīon genoemd.Hyperm(n)estra,Ὑπερμ(ν)ήστρα, zieDanaüs.Hyphasis,Ὕφασις, een zijtak van den Acesīnes.Hypocaustum, vertrek, waarvan de vloer verwarmd werd door buizen of kanalen met heete lucht; vooral bij badkamers en in badhuizen werd deze wijze van verwarming toegepast.Hyporchēma,ὑπόρχημα, vroolijk lied ter eere van Apollo, met mimiek en dans voorgedragen.Hypothēbae,Ὑποθῆβαι, oude stad in Boeotia, waaronder men ofPotniaeof wel de benedenstad van Thebae, rondom de Cadmēa of burcht verstond.Hypothēca,ὑποθὴκη, onderpand voor geleend geld, dat in het bezit van den schuldenaar blijft, en wanneer hij zijne schuld niet betaalt, ter voldoening van den schuldeischer verkocht wordt.Hypsipyle, -pylēa,Ὑψιπύλη, -πύλεια, dochter van Thoas, koningin van Lemnus toen de Argonauten op dat eiland landden. Zij bleven er een jaar, en Hyps. werd bij Iāson moeder van twee zonen, Thoas en Eunēus. Kort te voren hadden de vrouwen van Lemnus alle mannen in één nacht gedood, daar deze ontrouw geworden waren en thracische meisjes op het eiland gehaald hadden. Later ontdekte men echter, dat Hyps. haar vader gered had, zij moest vluchten, werd door zeeroovers gevangen genomen en aan Lycurgus, koning van Nemea, verkocht. Wegens den dood van Opheltes (z. a.) werd zij in de gevangenis geworpen, doch door hare beide zonen bevrijd.Hypsus, rivier in het W. van Sicilië, die aan de Z.-kust, dicht hij Selīnus uitmondt.Hyrcania,Ὑρκανία, smalle, onvruchtbare landstreek en perzische provincie ten Z. en Z.O. der Caspische zee, ten Z. door bergketenen begrensd, waar tal van wilde, verscheurende dieren werden aangetroffen. De Hyrcaniërs hadden evenals andere volken van Iran de gewoonte, de lijken door honden te laten verslinden. De rijken hielden tot dit doel zelfs honden van edel ras.Hyrcānum mare, z.Caspium mare.Hyrcānus, zoon van den joodschen koning Alexander Jannaeus, uit het geslacht der Maccabaeën, leefde in hevigen strijd met zijn broeder Aristobūlus. Deze laatste riep in 64 de tusschenkomst van Pompeius in, doch werd, daar hij dezen trachtte te misleiden, door P. gevangen genomen. Hyrcanus werd nu als leenvorst met den titel van hoogepriester-ethnarch,ἀρχιερεὺς καὶ ἐθνάρχης, op den troon geplaatst, in welke waardigheid hij door Caesar in 47 bevestigd werd. In 37 liet Antonius hem onthoofden.Hyrgis,Ὕργις, thans de Donetz, zijtak van den Tanaïs (Don) in Sarmatia.Hyria,Ὑρία, 1) meer in Aetolia, ten W. van het meer Trichōnis.—2)stad in Boeotia, nabij den Eurīpus, vlak bij Aulis, en tot het gebied van Tanagra behoorend.—3)stad in Italia aan den weg van Tarentum naar Brundisium, ookUriageheeten.Hyrmine,Ὑρμίνη, ookHorminae, stad in het N. van Elis, nabij de kust.Hyrtacides, zoon van Hyrtacus =Nisusno. 2.Hysiae,Ὑσιαί, 1) stad in het Z. van Argolis, bij de landstreek Thyreātis of Cynuria. Zij werd in den peloponnesischen oorlog door de Spartanen verwoest.—2)vlek in Boeotia, niet ver van het slagveld van Plataeae.Hystaspes,Ὑστάσπης, aanzienlijke Pers, vader van Darīus I. Op zijne reizen naar Indië maakte hij kennis met de leer der Brahmanen, die hij later aan de Magiërs mededeelde. Dit verhaal heeft misschien betrekking op een anderen Hystaspes, die de leer van Zarathustra (Zoroaster, z.a.) ingevoerd heeft.
Plattegrond van een Hippodromus.
Hippodromus,ἱππόδρομος, renbaan voor paarden en wagens. De bovenstaande teekening stelt zulk een baan voor: een driehoekige ruimte K, waarin de toebereidselen voor den wedloop gemaakt worden en waar een altaar voor Poseidon Hippius staat, wordt aan eene zijde afgesloten door een zuilengalerij D, aan de twee andere zijden door eenigszins gebogen lijnen (abcd), gevormd door de stallen (οἰκήματα) voor de paarden en wagens; alle deelnemers plaatsten zich in een rij voor een touw (καλῴδιον, ὕσπληξ), dat van den top van den driehoek, het uitgangspunt (ἄφεσις), naar de beide zijden van de baan gespannen was; op een gegeven teeken (een metalen arend verhief zich in de lucht) werd dit touw weggetrokken en de wedloop begon; de baan was in twee deelen verdeeld door een lagen aarden wal (χῶμα) van F naar G, aan welks verste einde een altaar van Taraxippus F stond; hier moesten de rijders keeren en langs den anderen kant van den wal terugrijden tot het einddoel G. De baan werd ingesloten door zitplaatsen voor de toeschouwers AEB, die men liefst tegen een heuvel plaatste; waar geen heuvel was, maakte men eene kunstmatige verhooging; bij E was een uitgang.
Hippolochus,Ἱππόλοχος, 1) zoon van Bellerophon, koning van Lycië, vader van Glaucus.—2)zoon van Antimachus, Trojaan, door Menelāus gedood.
Hippolyte,Ἱππολύτη, koningin der Amazonen; zij bezat een kostbaren gordel, haar door Ares geschonken, dien Heracles voor Admēte, de dochter van Eurystheus, halen moest. Hipp. ontving den held goed en was bereid den gordel te geven, maar Hera spoorde haar en haar volk tot tegenstand aan; in den strijd, die hierdoor ontstond, viel Hipp. V. a. werd zij, niet Antiope (z. a.), door Theseus mede naar Athene genomen.
Hippolytus,Ἱππόλυτος, 1) een van de Giganten.—2)zoon van Theseus en Hippolyte of Antiope. Zijne stiefmoeder Phaedra beminde hem, en daar hij haar geen wederliefde schonk, belasterde zij hem bij Theseus alsof hij haar tot ontrouw had willen verleiden. In overijling bad Theseus, dat Poseidon zijn zoon zou straffen, en deze liet, toen Hipp. langs het strand reed, een monster uit zee opkomen, waardoor de paarden schuw werden, op hol gingen, en hun meester voortsleepten tot hij stierf. Artemis openbaarde echter zijne onschuld aan Theseus, liet hem door Asclepius in het leven terugroepen, en bracht hem naar haar heilig woud bij Aricia, waar hij onder den naam Virbius vereerd werd.—3)Christelijk schrijver uit de eerste helft der derde eeuw, leerling van Irenaeus, v. s. wegens kerkelijke twisten (hij was tegelijk met Callistus bisschop van Rome) uit Rome verbannen en bij de Christenvervolging van keizer Decius als martelaar gestorven. In dat deel van zijne werken, dat bewaard gebleven is, vindt men vele bizonderheden over wijsbegeerte, godsdienst en bijgeloof der ouden.
Hippomedon,Ἱππομέδων, een van de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken; bij de belegering van die stad sneuvelde hij.
Hippomenes,Ἱππομένης, zoon van Megareus, echtgenoot van Atalante (z. a.).
Hippōnax,Ἱππώναξ, van Ephesus, iambograaf omstreeks 540; van zijn leven is alleen bekend dat hij om politieke redenen naar Clazomenae vluchtte, zie ookBupalus.
Hipponīcus,Ἱππόνικος, naam van verscheiden leden van een adellijk atheensch geslacht. Hiertoe behooren: 1) iemand die zich verrijkte door gebruik te maken van een vertrouwelijke mededeeling betreffende deσεισάχθειαvan Solon; men houdt dit verhaal en de persoon zelve tegenwoordig voor verzonnen.—2)zijn kleinzoon, bijgenaamd Ammon, behield de schatten, die hem toevertrouwd waren door een Eretriënser, die na de verovering van zijn vaderstad naar Perzië medegevoerd werd (490). Ook dit verhaal is verzonnen.—3)zoon van Callias no. 1 en Elpinice (z.Cimonno. 2), sneuvelde in den slag bij Delium (424). De vrouw van Pericles was vroeger met hem gehuwd geweest, zijne dochter Hipparete werd de vrouw van Alcibiades.—4)zoon van Callias no. 2, schoonzoon van Alcibiades.
Hipponium, zieHippono. 4.
Hipponous,Ἱππόνοος, z.Bellerophon.
Hippophagi,Ἱπποφάγοι, 1) scythisch volk in Persis.—2)volk in aziatisch Sarmatia, de tegenwoordige Kalmukken.
Hippotes,Ἱππότης, vader van Arne of van Aeolus no. 2 (z. a.).
Hippothoon,Ἱπποθόων, zoon van Poseidon en Alope (z. a.). Na den dood van zijn grootvader Cercyon gaf Theseus hem de regeering over Eleusis.
Hippothoontis,Ἱπποθωντίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.
Hippothous,Ἱππόθοος, 1) vader van Aepytus no. 2.—2)zoon van Priamus.—3)van Larīsa, bondgenoot der Trojanen, door Ajax no. 2 gedood.
Ἱπποτοξόται, een politiemacht van bereden boogschutters te Athene; men gebruikte hiervoor staatsslaven. In het begin van den peloponnesischen oorlog was hun aantal 200.
Hirpīni,Ἱρπινοί, volk in het Z. van Samnium. Hoofdstad: Aeculānum.
Hirrus(C. LucceiusofC. Lucilius), z.Luciliino. 4.
Hirtia (lex)van A. Hirtius (46). Zij sloot de aanhangers van Pompeius van alle ambten uit.
Hirtius(A.), uit een plebejisch geslacht, diende onder Caesar in Gallia, en vergezelde hem later naar Aegypte. Als praetor stelde Hirtius in 46 de hierboven vermelde wet voor. In 45 ging hij met Caesar naar Hispania. Overigens was hij meer schrijver dan krijgsman en bracht hij bij voorkeur zijn tijd door op zijn landgoed bij Praeneste. In 43 was hij consul met C. Vibius Pansa. Hoewel Hirtius na Caesars dood tot Antonius had overgeheld, gevoelde hij zich spoedig door diens aanmatigingen afgestooten, waartoe misschien de vertrouwde omgang met Cicero bijdroeg. Met Pansa en den jeugdigen Octaviānus trok hij tegen Antonius op, doch sneuvelde in den slag hij Mutina (Modena), terwijl Pansa daags daarna aan zijne wonden bezweek. Het achtste boek derCommentarii de bello Gallicois van Hirtius afkomstig; waarschijnlijk heeft hij ook hetbellum Alexandrinumgeschreven.
Hirtulēius(L.), onderbevelhebber van Q. Sertorius in Hispania, die den rom. veldheeren in de jaren 79–76 verschillende nederlagen toebracht, doch in 75 sneuvelde.
Hispalis,Ἵσπαλις, thans Sevilla, aanzienlijke koopstad der Turdetāni in Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir). Caesar maakte er eene rom. kolonie van,Iulia RomulaofRomulensis. Hispalis was door Phoeniciërs gesticht. De Baetis was tot hier voor zeeschepen bevaarbaar.
Hispania,Ἱσπανία, door de GriekenἸβηρίαgenoemd, tegenw. Spanje en Portugal, was tot in de derde eeuw den Rom. bijna onbekend. Na den eersten punischen oorlog zochten de Carthagers zich in H. schadeloos te stellen voor het verlies der italiaansche eilanden. In den tweeden oorlog ging ook H. voor hen verloren. De Romeinen verdeelden het land, voor zoover hunne heerschappij zich binnenwaarts uitstrekte, in twee provinciën:H. citeriorenH. ulteriorofBaetica, naar den Baetis (Guadalquivir). Oorspronkelijk strekte het eerste zich slechts uit langs de kust, maar langzamerhand werd ook het binnenland veroverd. In 180–178 werden de Celtiberiërs door Tib. Sempronius Gracchus, den vader der beide Gracchen, onderworpen en hun land, een groot gedeelte van het binnenland bij H. Citerior gevoegd. In 138 werd Lusitania, een landstreek in het Z.W., onderworpen, en aan Baetica toegevoegd. De volledige onderwerping van het geheele schiereiland had eerst in 19 plaats, toen Agrippa de Cantabriërs en Asturiërs onderwierp. Nu werd H. in 3 provincies verdeeld: Citerior, Ulterior Baetica en Ulterior Lusitania, waaronder ook Gallaecia en Asturia hoorden. Nog vóór den dood van Augustus werden Gallaecia en Asturia bij H. Citerior gevoegd, dat voortaan gewoonlijk Tarraconensis heet, naar de hoofdstad Tarraco; de andere twee provincies heeten nu Baetica en Lusitania. De bevolking bestond uit keltische en iberische stammen; de Iberiërs waren donker van tint. Vooral in Baetica troffen de Romeinen reeds een ver gevorderden trap van beschaving aan; vandaar dat geen andere provincie in gelijke mate als Hispania rom. zeden en gewoonten overnam. Seneca, Lucānus, Martiālis, Quintiliānus, Traiānus, Hadriānus waren uit Hispania geboortig. Alleen stond de bevolking ook reeds toen bekend om hare luiheid en morsigheid. De bodem was in het Z. uiterst vruchtbaar en leverde ook verschillende metalen en edelgesteenten op. In het tijdperk der volksverhuizing werd Hispania afwisselend overstroomd door Vandalen, Sueven, Alanen en Westgothen.
Hispellum, voornaamste stad in Umbria, thans Spello.
Hister, zieDanuvius.
Histiaea, Histiaeōtis=Hestiaea, Hestiaeotis.
Histiaeus,Ἱστιαῖος, tyran van Milētus onder perzische opperheerschappij. Toen Darius Hystaspis in het land der Scythen ingevallen was, verzette Hist. zich tegen het plan om de brug over den Ister af te breken, waarvan de ondergang van het perzische leger het onvermijdelijk gevolg zou geweest zijn. Daarvoor werd hij met land in Thracië begiftigd, later begon Darīus hem echter te wantrouwen en riep hij hem, naar het heette uit vriendschap, tot zich naar Susa. Later werd hij naar de kust gezonden, om den opstand van Aristagoras (z. a.) te dempen, waartoe hij hem heimelijk zelf had aangemoedigd; daar hij echter zag dat de satraap Artaphernes hem niet vertrouwde, vluchtte hij. Hij werd door de Chiërs gevangen genomen, maar weder vrijgelaten, en daar de Milesiërs weigerden hem te ontvangen, ging hij naar Byzantium, leefde daar eenigen tijd als zeeroover en werd eindelijk door Harpagus gevangen genomen en te Sardes door Artaphernes ter dood gebracht (498).
Historiae Augustae scriptores=Scriptores historiae Augustae.
Histria,Ἰστρία, schiereiland in het N. der Adriatische zee, door de ruwe Istri bewoond en in 177 onderworpen. Ten tijde van Varro, die een aardrijkskundig werk geschreven heeft, behoorde het westelijk gedeelte tot aan de Formio, bij Italië; Augustus heeft het gewest geheel bij Italië ingelijfd. Steden: Tergeste (Triest) en Pola.
Homeridae,Ὁμηρίδαι, familie of genootschap op Chius, van Homerus afstammend of naar hem genoemd; zij hadden zich tot taak gesteld de gedichten van Homerus ongeschonden te bewaren en de kennis er van algemeen te maken. In lateren tijd werden ook rhapsoden zoo genoemd, en over het algemeen zij, die zich met de gedichten van Homerus bezig hielden.
Homērus,Ὅμηρος, is volgens de overlevering de dichter van de Ilias en Odyssee, de twee beroemde heldendichten, die van den grootsten invloed waren op de beschaving der Grieken, gedurende hun volksbestaan den grondslag van alle verdere studiën vormden, en nog tot heden als modellen van epische poëzie beschouwd worden. Hij zou een zoon van Maeon, arm en blind geweest zijn; van zijn leeftijd wisten de ouden reeds niets, zoodat sommigen beweerden dat hij in de 12deeeuw, anderen dat hij later, sommigen zelfs dat hij niet vóór de 7deeeuw geleefd zou hebben; zeven steden beroemden zich de vaderstad van Hom. geweest te zijn, hoewel men erkende dat in dien strijd Smyrna en Chius de beste aanspraken konden doen gelden. De meest gezaghebbende meening was, dat de gedichten van Homerus in het midden der 9deeeuw in Ionië ontstaan waren.—Hoe dit zij, deze gedichten leefden gedurende vele eeuwen, waarin de schrijfkunst slechts weinig in gebruik was, in den mond van het volk, en hadden hunne verbreiding voornamelijk te danken aan de rhapsoden (z. a.) die bij feestelijke gelegenheden gedeelten er van voordroegen. Het ligt voor de hand dat sommige gedeelten meer in den smaak vielen dan andere, en dus meer gehoord werden, dat sommige, te lang voor eene voordracht, bekort moesten worden, dat andere, wat hun omvang betreft juist voor de voordracht geschikt, van een passend begin of slot moesten worden voorzien, kortom, onder deze omstandigheden waren de gedichten lang niet in al hunne deelen even algemeen bekend, en stonden zij op velerlei wijze aan vervalsching en verminking bloot, totdat, naar men meent onder Pisistratus en zijne zonen, de verspreide deelen door deskundigen verzameld en tot één geheel verwerkt werden. Deze maatregel bevorderde de studie der gedichten van Hom. zeer, in den bloeitijd van Athene was dan ook de kennis er van zeer algemeen, en personen, die de geheele Ilias en Odyssee van buiten konden opzeggen, waren niet zoo zeldzaam als men zou denken. Toen later te Alexandria de studie der taal- en letterkunde een hooge vlucht nam, kozen de beste alexandrijnsche geleerden, o. a. Zenodotus en Aristarchus, de werken van Hom. ter behandeling, trachtten met veel moeite den tekst te verbeteren, of schreven geleerde verklaringen er bij. Reeds onder hen werd door sommigen, die daaromχωρίζοντεςgenoemd werden, de meening verdedigd, dat de Odyssee niet in denzelfden tijd ontstaan kon zijn als de Ilias, dat tusschen beide gedichten misschien wel eene tusschenruimte van 100 jaar lag, en dat zij dus niet van denzelfden dichter konden zijn. Nieuwere geleerden beweren echter, dat ook de afzonderlijke deelen van elk der beide werken te veel van elkander verschillen, om ze aan denzelfden maker toe te schrijven, dat bovendien zulke groote werken in een tijd, waarin de schrijfkunst zoo weinig algemeen was, niet hadden kunnen ontstaan, of ten minste weder spoedig hadden moeten vergeten zijn, en dat men dus moet aannemen, dat zoowel Ilias als Odyssee vóór Pisistratus niet anders bestaan hebben dan als afzonderlijke liederen, waarin eerst toen eenige samenhang gebracht zou zijn. Deze meening vindt bij sommigen zooveel bijval, dat men zelfs getracht heeft die oorspronkelijke liederen aan te wijzen, anderen verwerpen haar geheel, terwijl nog anderen toegeven dat beide gedichten uit de vereeniging van zulke kleinere liederen bestaan, maar aannemen dat die vereeniging veel vroeger, waarschijnlijk omstreeks het midden der 9deeeuw, tot stand gebracht zou zijn door iemand die Homerus heette, of misschien juist door dat werk den naam Homerus (samenvoeger) gekregen heeft. Tegenwoordig is de meest algemeene meening, dat elk van beide gedichten in hoofdzaak van denzelfden dichter is, doch dat daaraan op verschillende tijden, deels door hemzelven, deels door anderen, grootere en kleinere stukken zijn toegevoegd.—Behalve Ilias en Odyssee zijn nog eenige kleinere gedichtenbewaard gebleven, die werken van Homerus heeten te zijn; deze zijn echter alle van lateren tijd en van zeer ongelijke waarde.
Homerus latinus, z.Siliino. 7.
Ὅμοιοι, gelijken. De wet van Epitādeus (z. a.) had tengevolge dat, in strijd met de instellingen van Lycurgus, het grondbezit te Sparta zich weldra in weinige handen bevond, terwijl de meerderheid der burgers tot armoede verviel. Deze ongelijkheid van vermogen bracht ook ongelijkheid in burgerlijke rechten mede, en nu noemden zich de rijke grondeigenaarsὅμοιοι, in tegenstelling van de armere burgers,ὑπομείονες.
Homole,Ὁμόλη, berg, aan Pan gewijd, in Thessalia, nabij het dal Tempe.—HomoleofHomolium,Ὁμόλιον, stad in het N. van het thessalische landschap Magnesia.
Homona, Homonadenses,ὉμοναδῆςofOmana, Omanades, stad en roofzuchtig bergvolk in Pisidia, in het Taurusgebergte.
Honorius(Flavius), zoon van keizer Theodosius den Gr., die bij de deeling des rijks het Westen kreeg, terwijl aan zijn ouderen broeder Arcadius het Oosten werd toegewezen, 395 na C. Honorius was een nietsbeteekenende knaap. Zijn minister en voogd Stilicho, een voortreffelijk veldheer, wist wel de invallen van germaansche volkeren af te weren, maar deed niets tot ontwikkeling van den jongen vorst, hoewel deze zijne dochter had gehuwd. In 408 liet H., aan valsche inblazingen gehoor gevende, zijn schoonvader ombrengen en nu drongen de barbaren van alle zijden het rijk binnen en namen de eene provincie na de andere weg. De Westgothen onder Alarik veroverden zelfs Rome. ZieAlaricus. Eindelijk zag H. zich genoodzaakt, zijn veldheer Constantius tot mederegent aan te nemen en hem zijne zuster Placidia, weduwe van den westgothischen koning Athaulf, tot vrouw te geven. H. stierf zes jaar later, in 423.
Ὅπλητες, burgers die tot de tweede der vier oude attische phylen behoorden.
Ὁπλῖται, zwaargewapende infanteristen, het voornaamste deel van een grieksch leger. Zij droegen een harnas, helm en beenplaten van metaal, en waren gewapend met een kort zwaard, een langwerpig schild (ἀσπίς), en een werpspies van ongeveer 8 voet. De taak der zwaargewapenden was in gesloten gelederen op den vijand aan te rukken en diens slagorde te verbreken. Zij kregen, wanneer zij in dienst waren, betaling voor soldij en onderhoud voor zichzelven en een bediende; deze betaling was echter in verschillende tijden en omstandigheden hooger of lager.
Horae Quirīni, zieHersilia.
Horae,Ὧραι, dochters van Zeus en Themis, godinnen der orde in de natuur en der afwisselende jaargetijden, verder ook van maatschappelijke orde, wet en recht. Zij zijn dienaressen van Zeus en zijn belast met het openen en sluiten van de poorten des hemels. Gewoonlijk worden drie Horen genoemd: Eunomia, Dice en Irēne, te Athene vereerde men slechts twee: Thallo en Carpo, later nam men vier aan in overeenstemming met het aantal jaargetijden. Tempels hadden zij te Athene, Corinthe e. a. plaatsen.—Zij worden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, luchtig gekleed en met bloemen en vruchten versierd.
Horatiae Valeriae (leges)van de consuls M. Horatius Barbātus en L. Valerius Poplicola Potītus, 449: 1)ut, quod tributim plebs iussisset, populum teneret;—2)dat de volkstribunen, de plebejische aedilen en de iudices decemvirisacrosanctizouden zijn;—3)dat geen nieuw overheidsambt zonderprovocatioin het leven zou worden geroepen, op straffe des doods. Dit zijn geen eigenlijke wetten (leges) geweest, maar de voorwaarden, waarop de eendracht tusschenpatresenplebshersteld werd. Bovendien is de eerste wet, evenals delex Publilia Philonisvan 339 v. s. een anticipatie van delex Hortensiavan 287. Aan het bestaan van de derde wet wordt door sommige geleerden getwijfeld. ZieValeriae leges de provocatione. Metiudices decemviri, in de 2dewet genoemd, worden volgens de gewone opvatting dedecemviri stlitibus iudicandisbedoeld; z. echter aldaar.
Horatii, een patricisch geslacht. 1) De drie gebroeders, die, volgens het verhaal, onder de regeering van Tullus Hostilius den oorlog met Alba Longa beslechtten door een strijd met de drie Curiatii, en waarvan de eenig overgeblevene zijne zuster zou hebben neergestooten, omdat zij haren bruidegom, een der gesneuvelde Curiatii, beweende. V. s. is dit hoog poëtische verhaal aan eenfabula praetextavan Ennius ontleend.—2)M. Horatius Pulvillus, een der consuls uit het eerste jaar der rom. republiek; hij wijdde den tempel van Jupiter Capitolīnus.—3)P. Horatius Cocles(de éénoogige) verdedigde de houten paalbrug over den Tiber tegen de aandringende soldaten van Porsēna, totdat zijne medeburgers de brug achter hem hadden afgebroken. Toen sprong hij in de rivier en kwam behouden in de stad terug, in weerwil eener hagelbui van pijlen. Zijne medeburgers richtten voor hem een standbeeld op en schonken hem zooveel land, als hij in een dag kon omploegen.—4)C. Horatius Pulvillus, consul in 477, sloeg de aanvallen der Volscen en Etruscers af, die Rome bijna hadden vermeesterd. In 457 was hij andermaal consul en overwon toen de Aequers.—5)M. Horatius Barbātus, consul in 449, herstelde met zijn ambtgenoot L. Valerius Poplicola wat de tienmannen bedorven hadden, verzoende de beide standen te Rome, bracht de beroemdeleges Horatiae Valeriae(z.a.) tot stand, en behaalde eene groote overwinning op de Sabijnen.—6)Niet tot dezegensbehoorde de beroemde dichterQ. Horatius Flaccus, de zoon van een vrijgelatene, geboren te Venusia in het jaar 65. Zijn vader zorgde met den meesten ijver voor zijne opvoeding en ging te Rome wonen, om zijn zoon de beste meesters te kunnen geven. Op zijn negentiende jaar ging H. te Athene zijne studiën voltooien. In 44 was hij krijgstribuun in het leger van Brutus en deelde in de nederlaag bij Philippi. In dezen burgeroorlogverloor hij zijn vaderlijk erfgoed, zoodat hij alsscribazijn brood moest verdienen. Doch de dichters Varius en Vergilius bevalen hem bij Maecēnas aan, die hem bij zich ontbood (38), en hem wel eerst na 9 maanden opnieuw tot zich riep, maar hem toen ook in den kring zijner vrienden opnam, waarvan hij spoedig een onmisbaar lid werd. Van Maecenas kreeg hij (33) een klein landgoed, hetSabīnumbij Tibur, ten geschenke, dat zijn geliefkoosd verblijf werd. Hij stierf, kort na Maecenas, in het jaar 8, ongehuwd. Horatius bracht als lierdichter het eerst grieksche maten van de oude Grieksche dichters op latijnschen bodem over. Zijne levensrichting was over het algemeen de epicureïsche; gaarne genoot hij het goede; toch kon hij ook sober en eenvoudig leven en zich naar de omstandigheden schikken als de beste stoicijn. In het staatkundige was de slag hij Philippi het graf zijner idealen geweest, in Octaviānus zag hij voortaan den man, die den lang gehoopten vrede aan de wereld zou schenken. Wij bezitten van hem:CarminaofOdae(4 boeken),Epodon liber(z.Epodusno. 3), hetCarmen saeculare, Satirae(2 boeken),Epistulae(2 boeken), waarvan de beroemdste deEpistula ad PisonesofArs poetica.
Horta, eene Romeinsche godin wier tempel steeds open staat. Overigens is van haar niets bekend.
Horta, Hortānum, stad in Etruria, waar de Nar in den Tiber stroomt.
Hortātorofpausarius, de man, die op het schip de maat aangaf bij het roeien, hetzij met een hamer, hetzij met de stem, soms ook met de fluit.
Hortensia (lex)van 287 van den dictator Q. Hortensius,ut eo iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. Hiermede werden deplebiscitavoor goed gelijk gesteld metleges, en de voorafgaande goedkeuring der tribunicischerogationesdoor den senaat afgeschaft. Eene anderelex Hortensiaverklaarde denundinaeof marktdagen totdies fasti.
Hortensii, een plebejisch geslacht. 1)L. Hortensius, volkstribuun in 422, een warm ijveraar voor de belangen der plebs.—2)Q. Hortensius, in 287 tot dictator gekozen om eenesecessio plebiste bezweren, deauctorderlex Hortensia de plebiscitis.—3)Q. Hortensius Hortalus, (geb. 114), een van Rome’s grootste redenaars, de evenknie van Cicero, en een handig en geslepen verdediger, niet altijd keurig in de keus zijner middelen. In 69 bekleedde hij het consulaat. In den burgeroorlog had hij onder Sulla gediend en verder bleef hij de aristocratische partij toegedaan. Hij stierf in 50. Hij was zeer vermogend en had zijn huis weelderig en met fijnen smaak ingericht; zijne keuken, wijnkelder en vischvijvers waren beroemd en zijne overdreven zorg daarvoor maakte hem wel eens tot een mikpunt van spotternij. Wij hebben geen enkel geschrift van hem; hij dichtte ook, doch zijne verzen konden den toets van zedelijkheid niet doorstaan. Ook schreef hijannales. Hij was een vertegenwoordiger van den asiatischen stijl (Asianismus), z.Hegesiasno. 2.—4)Hortensia, dochter van no. 3, wordt genoemd als een voorbeeld van vrouwelijke welsprekendheid. Zij heeft in 42 de rechten der gehuwde vrouwen, die door een zware belasting getroffen werden, met succes ten overstaan van de triumviri verdedigd.
Hōrus,Ὧρος, een aegyptisch god, zoon van Isis en Osīris, waarschijnlijk de god der opgaande zon, door de Grieken voor denzelfden gehouden als Apollo. Meer bekend bij Grieken en Rom. was echter een jongere Horus, een zwakke zoon van Osiris en in diens ouderdom geboren, naar men meent de god der ondergaande zon of winterzon. Onder den naam Harpocrates (z. a.) wordt hij vooral vereerd als god van het zwijgen.
Hospitium. Tusschen aanzienlijke familiën in verschillende steden en gewesten bestonden vaak banden van gastvriendschap. Bij het sluiten van zulk een band (foedus) werden de namen van beide familiën op eene zoogenaamdetessera hospitalisgeschreven, eene soort van liniaal, zóó dat aan weerszijden een naam stond. Zulk eenetesserawordt dan doorgebroken en elke familie ontving eene helft. Op vertoon daarvan had men niet slechts aanspraak op herberging, maar ook, zoo noodig, op hulp en bescherming. De band ging op de erfgenamen over en werd als heilig beschouwd. De rom. grooten hadden zulkehospitiade geheele wereld door. Niet slechts echter bijzondere personen sloten zulke banden van gastvriendschap, zij komen ook voor tusschen staten, in welk geval van weerszijden vorstelijke personen en gezanten op staatskosten werden gehuisvest en onthaald. Dit heethospitium publicum. Ook bestonden erhospitiatusschen tal vancivitatesin den vreemde en aanzienlijke familiën te Rome, waarmede dan tevens aan deze familie het patronaat werd opgedragen, d. w. z. de taak om de vreemdecivitasin rechten als anderszins te vertegenwoordigen, hare burgers te Rome te beschermen en hare belangen voor te staan, ongeveer zooals in onze nieuwere maatschappij de consuls doen.
Hostilia, nu nog Ostiglia geheeten, stadje aan den Padus (Po), met een druk veer over de rivier, aan den weg van Bononia (Bologna) naar Mantua en Verōna.
Hostilia curia, zieCuria.
Hostiliānus(Gaius Valens), Caesar onder zijn vader Decius, 249 n. C., na diens dood (251) keizer, sterft weldra aan de pest.
Hostilii, een oud, patricisch geslacht, waarvan enkele leden in den tweeden en derden punischen oorlog en de oorlogen tegen Perseus en Antiochus III voorkomen.C. Hostilius Mancīnus, consul in 137, werd door de Numantijners tot den vrede gedwongen, dien de rom. senaat evenwel verwierp. Mancinus werd toen uitgeleverd (z.Furia Atilia (lex)), doch de N. weigerden dit offer te aanvaarden. Later werd M. uit den senaat gestooten.
Hostiswas oudtijds =peregrinus, terwijl in het oude fetiaalrechtperduellisvoor vijand werd gebruikt. Later beteekendehostiseenbuitenlandschen vijand,perduelliseen binnenlandschen, terwijl diens handeling, hoogverraad, doorperduelliowordt uitgedrukt. Wanneer een onderworpen vijand opstaat, is hij eenrebellis; wanneer burgers oproer maken, is het eeneseditio.
Hostis iudicatiois een senaatsbesluit, waarbij van bepaalde personen verklaard werd, dat zij zich door hun daden tot vijanden van den staat gemaakt hadden, en dat zij dientengevolge van burgerrecht vervallen, vogelvrij en, zoo ze ambtenaren waren, ambteloos geworden waren. Dit besluit was vaak een toevoeging aan hetsenatus consultum ultimum(z. a.), en werd door de senaatspartij gebruikt als middel om woelingen te onderdrukken; het eerst is het toegepast tegen Ti., daarna tegen C. Gracchus, in 100 tegen Saturninus en Glaucia. De aan de senaatsregeering vijandige partij heeft altijd terecht de bevoegdheid der magistraten ontkend, om aan deze onwettige verklaring van den senaat gehoor te geven; vele van de consuls, die er zich door hadden laten bewegen om gevangenen terecht te stellen, zijn later met eenigen tijd van ballingschap gestraft, zooals o. a. Cicero wegens het dooden der Catilinarii in 63 (z.Clodiae (leges)no. 5).
Ὕβρεως γραφή, aanklacht wegens mishandeling. Het proces werd voor de heliasten (z.Ἡλιαία) gevoerd en de straf werd naar omstandigheden door de rechters bepaald.
Ὑλλῆς, een van de drie dorische phylae (z. a.), naar Hyllus genoemd.
Hunni,Οὗννοι, aziatisch volk, dat oorspronkelijk in Mongolië woonde, en ± 375 n. C. over den Rha (Wolga) drong, de Alanen en Oostgothen onderwierp, andere volken voor zich uit dreef en vooral onder Attila, den “geesel Gods” (zieAttila) het romeinsche rijk teisterde. Na Attila’s dood (453) viel het groote Hunnenrijk uiteen en ± 500 was de naam van Hunnen weder verdwenen. Omtrent een vroeger optreden van de Hunnen zie menBactria.
Ὕπαιθροςheette de ruimte in het midden van een tempel, wanneer zij, zooals bij groote gebouwen soms het geval was, niet van een dak voorzien was. Men verkeert omtrent deze quaestie nog geheel in het duister; behalve het Pantheon te Rome zijn ons dergelijke tempels niet bekend. Z. verder onderTemplum.
Ὑπασπιστής, 1) schildknaap, een slaaf, die op marsch voor zijn heer schild, helm, enz. droeg.—2) in het macedonische leger lichtgewapende infanteristen, meer voor aanval dan voor verdediging bestemd, van een korte lans en een lang zwaard voorzien. Uit hen werd de koninklijke lijfwacht (ἄγημα) gekozen.
Ὑπήκοοι, op Creta =περίοικοι.
Ὑπογραμματεύς=γραμματεὺς(z. a.)τῆς πόλεως, ookγρ. τοῦ δήμουofγρ. τῆς βουλῆς καὶ τοῦ δήμουgenoemd.
Ὑπομείονες, z.Ὅμοιοι.
Hyacinthus,Ὑάκινθος, 1) zoon van Amyclas en Diomēde, een buitengewoon schoon jongeling, die door Apollo en Zephyrus bemind werd. Toen Apollo eens met hem aan de oevers van den Eurōtas met den discus speelde, dreef Zephyrus uit jaloerschheid de werpschijf van Apollo naar het hoofd van Hyac., zoodat deze doodelijk gewond werd. Apollo veranderde hem in de bloem, die zijn naam draagt. Te zijner eere vierden de Spartanen jaarlijks te Amyclae een groot feest, de Hyacinthia, dat drie dagen duurde; de eerste dag was een treurdag, waarop men aan Hyac. in stilte offers bracht, de beide volgende dagen hield men feestelijke optochten en wedspelen.—2)Lacedaemoniër, die ten tijde van Aegeus te Athene woonde. Toen Minos Athene met oorlog bedreigde (z.Aegeus), kregen de Atheners van het orakel den raad de kinderen van een vreemdeling te offeren; zij kozen daarvoor de dochters van Hyac. Niettemin werden zij door Minos overwonnen.
Hyades,Ὑάδες,Suculae, sterrenbeeld aan den kop van den Stier, dat bij het begin van den regentijd opgaat (pluviae, tristes). Zij worden dochters van Atlas en Aethra of Pleione, of van Oceanus of van Melisseus genoemd, en waren de voedsters van Dionȳsus (nysaeische nimfen) of van Zeus (dodonaeïsche nimfen) geweest en ter belooning onder de sterren geplaatst. V. a. hadden zij zich dood getreurd om het verlies van hun broeder Hyas, die op de jacht omgekomen was.
Hyaea,Ὑαία, vlek in het gebied der ozolische Locriërs.
Hyampēa,Ὑάμπεια, een van de toppen van den Parnassus = Lycōreus.
Hyampolis,Ὑάμπολις, stad in Phocis bij Elatēa, door Hyanten gesticht. De stad werd eerst verwoest door Xerxes, later door Philippus van Macedonia.
Hyantes,Ὕαντες, oude bewoners van Boeotia, door de Cadmeërs naar Phocis verdreven, waar zij Hyampolis stichtten. Een groot gedeelte vestigde zich in Aetolia.Hyantius,Hyantēusbij dichters = boeotisch,hyantis= aetolisch.
Hyarōtes,Ὑαρώτης=Hydraotes.
Hybla,Ὕβλα, naam van drie steden op Sicilia,H. maior,ἡ μείζωνofμεγάλη, v. s. ookHybla Geleātis(Gereātis),Ὕβλα ἡ Γελεᾶτις, ἡ Γερεᾶτιςgeheeten, lag aan den Aetna;H. minor,ἡ μικράofὝβλα τὰ Μέγαρα, ook wel Megara Hyblaea, v.s. ook Hybla Geleatis geheeten, lag ten N. van Syracūsae, en werd Megara genoemd naar dorische kolonisten uit Megaris. De inwoners heettenΜεγαρῆς Ὑβλαῖοι. In den tweeden punischen oorlog werd het door de Rom. verwoest. Het derde,H. Heraea,Ἡραίαofἡ ἐλάττων, lag aan den weg van Syracusae naar Gela. Uit een der drie Hybla’s kwam de beroemde honig,Hyblaeum mel.
Hyccara, (plur.),τὰ Ὕκκαρα, stad der Sicani op de N.kust van Sicilia, in 415 door de Atheners veroverd en geplunderd en toen aan Segesta afgestaan.
Hydaspes,Ὑδάσπης, zijtak van den Acesīnes, waarbij Alexander de Gr. zijne overwinning op koning Porus behaalde. Vergilius noemt hem minder juistMedus Hydaspes, daar het perzische rijk zich niet tot aan dezenstroom uitstrekte. Horatius noemt hemfabulosus= alleen bekend van hooren zeggen, n.l. bij de Rom.
Hydraōtes,Ὑδραώτης, een zijtak van den Acesīnes, evenals de Hydaspes.
Hȳdrea,Ὑδρέα, thans Hydra, eilandje bij Argolis. De bevolking is van dryopischen stam.
Hydrochous,Ὑδροχόος=Aquarius.
Hydrophoria,Ὑδροφόρια, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van Apollo of de onderaardsche goden of ter herinnering aan de slachtoffers van den zondvloed van Deucalion, op vele plaatsen van Griekenland in het voorjaar gevierd.
HydruntumofHydrus,Ὑδροῦς, thans Otranto, stad op de kust van Calabria, met eene uitstekende haven.
Hygiēa,Ὑγίεια, dochter van Asclepius, godin der gezondheid. Zij wordt gewoonlijk gemeenschappelijk met haar vader vereerd, maar staat ook in nauwe betrekking tot Athēna, die ook den bijnaam Hygiēa heeft. Op hare afbeeldingen heeft zij een slang in de hand, die zij uit een schaal laat drinken.
Hygīnus(C. Iulius), een vrijgelatene van Augustus, geboortig uit Hispania, opzichter der palatijnsche bibliotheek. Hij was een vlijtig beoefenaar van taal- en oudheidkunde. Men veronderstelt, dat hetgeen wij op naam van Hyginus bezitten, eenfabularum liberen eenpoëticon astronomiconniet van dezen Hyginus afkomstig is. Onder Traiānus, v.a. ± 300, komt nog eenHyginus gromaticusvoor (z.Groma).
Hylas,Ὕλας, zoon van Theodamas en Menodice, lieveling van Heracles, met wien hij deelnam aan den tocht der Argonauten. Toen Hylas in Mysië aan land gegaan was om water te scheppen, werd hij door bronnimfen geroofd, Heracles ging hem zoeken en bleef zoo lang uit, dat de Argonauten zonder hem vertrokken.—Ter eere van Hylas vierden de inwoners van Prusias een feest, waarbij geofferd werd bij de bron, waarin hij verdwenen was, en men in de bergen het zoeken van Heracles nabootste.
Hyle,Ὕλη, oud boeotisch stadje, aan het Hylische meertje.
Hylias,Ὑλίας, grensrivier tusschen het gebied van Croton en dat van Sybaris in het land der Bruttii.
Hylice,Ὑλική(sc.λίμνη), meer. ZieHyle.
Hyllus,Ὕλλος, zoon van Heracles en Deïanīra, de stamvader der Heracliden (z.a.), die in de Peloponnēsus regeerden. Na een eersten inval in de Peloponnesus ging hij naar Thessalië, waar Aegimius hem een derde gedeelte van zijn land afstond, bij een tweeden inval werd hij door Echemus gedood.
Hyllus,Ὕλλος, zijtak van den Hermus, in aziatisch Ionia.
Hymen, Hymenaeus,Ὑμήν, Ὑμέναιος, zoon van Apollo en Calliope of Urania of van Dionȳsus en Aphrodīte, bevrijdde eens een aantal jonge meisjes, die doorzeerooversgevangen genomen waren; daarom gedachten deze hem, toen zij trouwden, in het bruiloftslied, en sedert dien tijd wordt hij als een god van het huwelijk beschouwd, die in het bruiloftslied wordt aangeroepen. Hij komt voor in gezelschap van Aphrodite en Eros, zijne afbeeldingen gelijken op die van Eros, ofschoon hij grooter en ernstiger voorgesteld wordt; gewoonlijk is hij met rozen bekranst en draagt hij een fakkel en sluier in de hand.
Hymettus,Ὑμηττός, berg in Attica ten O. van Athēnae, voor een gedeelte met geurigen thym begroeid en hierom bekend door zijn voortreffelijken honig. De berg is ook bekend om zijn marmergroeven.
Hypacyris,Ὑπάκυρις, ook wel-caris, rivier in europeesch Sarmatia, onzeker welke.
Hypaepa,τὰ Ὕπαιπα, stadje in Lydia aan de Z. helling van den Tmolus. Het was bekend om zijne schoone vrouwen.
Hypanis,Ὕπανις, naam van twee rivieren in Sarmatia, die van tegenovergestelde zijden in den Pontus Euxīnus (Zwarte zee) stroomen. De eene heet thans de Bug, de andere, die op den Caucasus ontspringt, de Kuban. Ook =Hyphasis.
Hypata,Ὑπάταofτὰ Ὕπατα, bergstadje in het gebied der Aenianen tusschen Thessalia en Hellas. In de nabijheid was de vergaderplaats der heksen en toovenaars, de grieksche Blocksberg. De Hypataeërs hadden den naam, bekwame toovenaars te zijn.
Hypatia,Ὑπατία, de begaafde dochter van Theon (no. 3), beoefende evenals haar vader wis- en sterrenkunde en ook wijsbegeerte; zij werd bij een opstand van de Christenen in 415 n. C. gedood.
Hyperbolus,Ὑπέρβολος, atheensch demagoog van geringe afkomst, die na den dood van Cleon als medestander van Alcibiades optrad en veel invloed verwierf. Door de blijspeldichters wordt hij voortdurend bitter bespot. In 417 werd hij door het ostracisme (z. a.) verbannen, hij vestigde zich op Samus, waar hij in 411 door de oligarchische partij vermoord werd.
Hyperborēi,Ὑπερβόρειοι, een fabelachtig volk, meer noordelijk wonende dan de Noordewind (Boreas), en over wie deze dus nooit zijn kouden adem liet gaan. In hun land ging de zon slechts éénmaal ’s jaars op en onder; hun land was een heerlijk land, waar alles spoedig rijpte, hun leven was een leven van geluk, zonder ooit eenigen twist of tweedracht. Zij konden 1000 jaar oud worden, doch meestal stortten zij zich vóór dien tijd, des levens zat, in zee. Zij waren aan den dienst van Apollo gewijd.Hyperboreusdichterlijk = noordsch.
Hyperborēi montes, een gebergte in het gebied of naar den kant der Hyperborēi, misschien eene duistere voorstelling van de Carpathen of van het Oeralgebergte.
Hyperēnor,Ὑπερήνωρ, een van de Sparten, zieCadmus.
Hyperīdes,Ὑπερείδης, -ρίδης, zoon van Glaucippus, een van de tien attische redenaars, leerling van Plato en Isocrates, in de politiek aanhanger van Demosthenes, hoewelhij zich in de zaak van Harpalus (z.a.) tegen hem keerde en zelfs als zijn beschuldiger optrad. Evenals Dem. en om dezelfde redenen werd hij door Alexander na de verovering van Thebe opgeëischt, maar niet uitgeleverd; ook aan den lamischen oorlog nam hij deel, en na den ongelukkigen afloop er van vluchtte hij naar Aegīna, waar hij gevat en op bevel van Antipater ter dood gebracht werd (322). Van zijne redevoeringen zijn er in de vorige eeuw zes in Egypte teruggevonden.
Hyperīon,Ὑπερίων, een van de Titanen, vader van Helius, Selēne en Eos. Ook Helius wordt dikwijls Hyperīon genoemd.
Hyperm(n)estra,Ὑπερμ(ν)ήστρα, zieDanaüs.
Hyphasis,Ὕφασις, een zijtak van den Acesīnes.
Hypocaustum, vertrek, waarvan de vloer verwarmd werd door buizen of kanalen met heete lucht; vooral bij badkamers en in badhuizen werd deze wijze van verwarming toegepast.
Hyporchēma,ὑπόρχημα, vroolijk lied ter eere van Apollo, met mimiek en dans voorgedragen.
Hypothēbae,Ὑποθῆβαι, oude stad in Boeotia, waaronder men ofPotniaeof wel de benedenstad van Thebae, rondom de Cadmēa of burcht verstond.
Hypothēca,ὑποθὴκη, onderpand voor geleend geld, dat in het bezit van den schuldenaar blijft, en wanneer hij zijne schuld niet betaalt, ter voldoening van den schuldeischer verkocht wordt.
Hypsipyle, -pylēa,Ὑψιπύλη, -πύλεια, dochter van Thoas, koningin van Lemnus toen de Argonauten op dat eiland landden. Zij bleven er een jaar, en Hyps. werd bij Iāson moeder van twee zonen, Thoas en Eunēus. Kort te voren hadden de vrouwen van Lemnus alle mannen in één nacht gedood, daar deze ontrouw geworden waren en thracische meisjes op het eiland gehaald hadden. Later ontdekte men echter, dat Hyps. haar vader gered had, zij moest vluchten, werd door zeeroovers gevangen genomen en aan Lycurgus, koning van Nemea, verkocht. Wegens den dood van Opheltes (z. a.) werd zij in de gevangenis geworpen, doch door hare beide zonen bevrijd.
Hypsus, rivier in het W. van Sicilië, die aan de Z.-kust, dicht hij Selīnus uitmondt.
Hyrcania,Ὑρκανία, smalle, onvruchtbare landstreek en perzische provincie ten Z. en Z.O. der Caspische zee, ten Z. door bergketenen begrensd, waar tal van wilde, verscheurende dieren werden aangetroffen. De Hyrcaniërs hadden evenals andere volken van Iran de gewoonte, de lijken door honden te laten verslinden. De rijken hielden tot dit doel zelfs honden van edel ras.
Hyrcānum mare, z.Caspium mare.
Hyrcānus, zoon van den joodschen koning Alexander Jannaeus, uit het geslacht der Maccabaeën, leefde in hevigen strijd met zijn broeder Aristobūlus. Deze laatste riep in 64 de tusschenkomst van Pompeius in, doch werd, daar hij dezen trachtte te misleiden, door P. gevangen genomen. Hyrcanus werd nu als leenvorst met den titel van hoogepriester-ethnarch,ἀρχιερεὺς καὶ ἐθνάρχης, op den troon geplaatst, in welke waardigheid hij door Caesar in 47 bevestigd werd. In 37 liet Antonius hem onthoofden.
Hyrgis,Ὕργις, thans de Donetz, zijtak van den Tanaïs (Don) in Sarmatia.
Hyria,Ὑρία, 1) meer in Aetolia, ten W. van het meer Trichōnis.—2)stad in Boeotia, nabij den Eurīpus, vlak bij Aulis, en tot het gebied van Tanagra behoorend.—3)stad in Italia aan den weg van Tarentum naar Brundisium, ookUriageheeten.
Hyrmine,Ὑρμίνη, ookHorminae, stad in het N. van Elis, nabij de kust.
Hyrtacides, zoon van Hyrtacus =Nisusno. 2.
Hysiae,Ὑσιαί, 1) stad in het Z. van Argolis, bij de landstreek Thyreātis of Cynuria. Zij werd in den peloponnesischen oorlog door de Spartanen verwoest.—2)vlek in Boeotia, niet ver van het slagveld van Plataeae.
Hystaspes,Ὑστάσπης, aanzienlijke Pers, vader van Darīus I. Op zijne reizen naar Indië maakte hij kennis met de leer der Brahmanen, die hij later aan de Magiërs mededeelde. Dit verhaal heeft misschien betrekking op een anderen Hystaspes, die de leer van Zarathustra (Zoroaster, z.a.) ingevoerd heeft.