Marīnus,Μαρῖνος, 1) beroemd ontleedkundige aan het einde der eerste eeuw n. C., wiens werken verloren zijn.—2)van Tyrus, een aardrijkskundige in de 2deeeuw na C., de eerste die de ligging van plaatsen naar lengte- en breedtegraden bepaalde. Ptolemaeus heeft van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.Maris, Marisus,Μάρις, Μάρισος, thans Marosj, riv. in Dacia, zijtak der Tisia (Theiss). Herodotus en Strabo meenden, dat het een zijtak was van den Donau.Marium,Μάριον, stad op de NW. kust van Cyprus, waarschijnlijk het latere Arsinoe.Marmarica,Μαρμαρική, thans Barca, landstreek op de Noordkust van Afrika tusschen Aegypte en Cyrenaïca. Hierin ligt hetAmmonium. Gewoonlijk wordt Marmarica tot Cyrenaïca gerekend.Marmessus, Marmyssus,Μερμησσός=Marpessusno. 1.Maro, zieVergilii.Maroboduus, zieMarcomanni.Marobūdum,Μαρόβουδον, eens de hoofdstad der Marcomanni, thans Budweis.Maron,Μὰρων, 1) zoon van Euanthes, Oenopion, Silēnus of Dionȳsus, priester van Apollo te Ismarus, waar hij later zelf een heiligdom had.—2)zoon van Orsiphantus, een van de dapperste Spartanen, die in den slag bij de Thermopylae sneuvelde.Maronēa,Μαρώνεια, ionische volkplanting in het gebied der Cicones op de thracische kust, beroemd om zijn heerlijken wijn. De stad wordt ook Orthagorēa genoemd.Marpessa,Μάρπησσα, gemalin van Idas (z. a.), moeder van Cleopatra no. 2.Marpessa, -sus,Μάρπησος, -σσος, 1) dorp in het gebied van Gergis in Troas, geboorteplaats van ééne der Sibyllen.—2)berg op Parus.Marpesia cautes= parisch marmer.Marrubiumof-vium, stad der Marsi aan den lacus Fucinus.Marruvia gens= Marsi.Marrucīni,Μαρρουκῖνοι, klein, doch dapper volk in Samnium aan de Adriatische zee, ten O. der Vestini. Hoofdstad: Teāte.Marruvium=Marrubium.Mars, italiaansche god vooral van den oorlog, wien de maand Maart gewijd is, dien men als MarsSilvānusenAverruncusaanriep, te wiens eere het feest derAmbarvaliain Mei door de landlieden met offers en vroolijke optochten gevierd werd, en die ook in het lied derfratres arvālesbezongen werd. Bij het houden van hetlustrumwerd het bekende offer vanzwijn, ramenstier, desuovetaurilia, aan hem gebracht, en de romeinsche burgers zijn daarvoor op het Marsveld(campus Martius) alsexercitusopgesteld. Wanneer de grieksche godenleer in Italië doordringt, wordt Mars vereenzelvigd met den griekschen Ares, en bij hetlectisternium(zie aldaar) van 217 werd het beeld van Venus (Aphrodite) naast het zijne geplaatst. Hij gaat de rom. legers voor in den strijd (Gradīvus), zegent hunne wapenen (Quirīnus), voert hen tot de overwinning (Victor) en brengt op die wijze ook den vrede terug (Pacifer); als vader van Romulus en Remus is hij als het ware de vader van het rom. volk (Pater, Marspiter), dat hij voortdurend blijft bewaken (Custos,Conservātor). Wanneer een leger ten oorlog zou trekken, ging de aanvoerder in den ouden tempel van Mars in de regia en riep daar zijne bescherming in, terwijl hij tegen de heilige lans, het symbool van den god, en tegen deanciliasloeg. Ook de oefeningen in den wapenhandel, de gladiatorengevechten en ruiterlijke spelen stonden onder zijne bescherming, en de oudtijds daarvoor bestemde plaats was naar hem genoemd (Campus Martius). De wolf, de specht, de stier en het paard waren hem geheiligd. Zijn dienst wordt waargenomen door een eigen priester, denflamen Martiālis.—Hij wordt gewoonlijk afgebeeld als een jong strijder met helm en lans, soms op een strijdwagen zittend.Marsacii, een volksstam aan of bij een der monden van den Rijn, misschien in Zeeland, wonend.Marsi,Μάρσοι, 1) samnietisch volk op de grenzen van Latium, rondom het meer Fucinus, in eene streek, geheel door bergen ingesloten. In 304 tot een bondgenootschap met Rome gedwongen, bewaarden zij een diepen haat tegen de Rom., die in den bondgenootenoorlog, in 90, tot uitbarsting kwam. Hunne hoofdstad was Marruvium. Zij bezaten veel kennis van geneeskrachtige kruiden en stonden bekend als goede wondheelers, als slangenbezweerders en ook als toovenaars; vandaarMarsa naenia= tooverspreuk. De mythe laat hen dan ook afstammen van een zoon van Circe.—2)germaansch volk aan de tegenw. Ruhr, bondgenooten der Cherusci tegen Varus. Germanicus dreef hen terug, en sedert verdwijnt hun naam.Marsicum bellum, aldus genaamd omdat de Marsi er het hoofdvolk van waren, ook welbellum Italicumofbellum sociorumgenoemd. De trotschheid, waarmede Rome na Carthago’s val de italische bondgenooten bejegende, had diepen wrok opgewekt, die nog werd aangevuurd, toen de pogingen van M. Livius Drusus en anderen, om hun het burgerrecht te verschaffen, verijdeld werden. Een aantal volken van samnietischen stam, Marsen, Paeligners, Lucaniërs, Campaniërs, vereenigde zich tot een bond, zij maakten Corfinium tot hunne bondshoofdstad onder den naam Italica, en kozen een senaat, twee consuls en 12 praetoren. Twee jaar lang werd er met verbittering gestreden. Slag op slag werd geleverd. De voornaamste aanvoerders derbondgenooten waren Pompaedius Silo, C. Papius Mutilus, Vettius Cato, Pontius Telesīnus, Marius Egnatius. Onder de rom. veldheeren onderscheidden zich Cn. Pompeius Strabo (consul in 89) en L. Cornelius Sulla, eerst als praetor, in 88 als consul. Reeds in den winter van 90 waren de Romeinen door den dreigenden afval van Umbria en Etruria genoodzaakt, door delex Juliavan den consul L. Julius Caesar aan de trouwgebleven bondgenooten, die het wenschten, het burgerrecht te geven. In het begin van 89 volgde daarop delex Plautia Papiriavan de volkstribunen M. Plautius Silvanus en C. Papirius Carbo, die het burgerrecht schonk aan alle Italianen ten zuiden van de Po, die zich binnen 60 dagen bij den praetor urbanus opgaven. Verder delex Pompeiavan Cn. Pompeius Strabo, waarbij hetius Latiiaan de Transpadāni gegeven werd. Deze maatregelen braken het verzet. Toch duurde de strijd ook nog in 88 voort. Midden-Italië was een toonbeeld van verwoesting; honderdduizenden waren omgekomen, Samnium was bijna ontvolkt, vooral Sulla had er op onmenschelijke wijze huis gehouden.Marsigni, suevische volksstam in het O. van Germania, ten noorden van denMons Asciburgius(het Reuzengebergte).Marsus(Domitius), zieDomitiino. 19.Marsyas,Μαρσύας, 1) zoon van Olympus, een Phrygiër, die de fluit vond, welke Athēna had weggeworpen. Hij waagde het met Apollo, die de cither bespeelde, een wedstrijd aan te gaan, en toen hij de nederlaag leed, werd hij levend gevild. De huid werd in een hol bij Celaenae opgehangen en bewoog zich, naar men zeide, vroolijk, wanneer zij op de fluit hoorde spelen.—V. s. had hij ook tot het gevolg van Dionȳsus behoord.—2)van Pella, stiefbroeder van Antigonus, met Alexander den G. opgevoed, later veldheer onder Demetrius Poliorcētes, schrijver eener macedonische geschiedenis (Μακεδονικά).—3)van Philippi, zoon van Critophēmus, geschiedschrijver van lateren tijd dan de vorige, ofschoon zij dikwijls met elkander verward worden.Marsyas,Μαρσύαςnaam van twee rivieren die beide in den Maeander vallen. De eene ontsprong volgens Xenophon op de markt van Celaenae in Phrygia, de andere stroomde door Caria.Martiālis(M. Valerius), epigrammendichter, te Bilbilis in Hispania geboren ± 40 na C., begaf zich, toen hij 24 jaar oud was, naar Rome en kwam bij Nero en diens opvolgers in gunst, vooral bij Domitiānus, die hem hetius trium liberorumschonk en nog andere gunsten verleende. Na Nerva’s dood keerde hij naar Bilbilis terug; eene rijke dame, Marcella, schonk hem daar een landgoed, waar hij ± 100 na C. overleed. Zijne 14 boeken metEpigrammatawaren bij zijne tijdgenooten zeer in trek. Zieapophorēta. Aan de 14 boeken gaat eenliber spectaculorumvooraf, in de handschriftenepigrammaton libergeheeten.Martianus(Aelius), zieMarcianusno. 2.Martianus(Felix Capella), zieMarcianusno. 3.Marus, noordelijke zijrivier van den Donau, die tegenover Carnuntum daarin valt, tgw. March.Maruvium=Marrubium.Mascas,Μασκᾶς, zijtak van den Euphraat, in Mesopotamia.Masinissa,Μασ(σ)ανάσσης, koning der Massylii in O. Numidia, zoon van koning Gala, was te Carthago opgevoed en met de grieksche en rom. letterkunde bekend geworden. In het begin van den tweeden punischen oorlog was hij met hart en ziel aan de zijde van Carthago, waartoe zijne verloving met Sophonisbe, dochter van Hasdrubal, den zoon van Gisco, veel bijdroeg. Daarentegen was Syphax, koning der Massaesylii in W. Numidia, met de Rom. verbonden. Masinissa streed onder Hasdrubal, Hamilcars zoon, in Hispania tegen den rom. veldheer Scipio. De Carthagers zochten ook Syphax voor zich te winnen, hetgeen hun ook gelukte door hem de schoone Sophonisbe, Masinissa’s verloofde, tot vrouw te geven. Inmiddels had Scipio na zijne overwinning bij Baecula (210) onderhandelingen met M. aangeknoopt, en had deze met de hem eigene schranderheid den staat van zaken doorzien, en begrepen dat de vriendschap van Rome voor hem voordeeliger zou wezen dan de overheersching door Carthago, welks zaken hij ook achteruit zag gaan. Het verlies zijner hartstochtelijk beminde Sophonisbe vervulde hem met bitteren haat jegens Carthago. Ondertusschen was zijn vader gestorven, diens opvolger en neef Capusa door een overweldiger Mezetūlus vermoord, en toen M. naar zijn vaderland terugkeerde, had hij met Mezetūlus, Syphax en de Carthagers te kampen en moest zich als gejaagd wild in eene grot in het gebergte schuil houden. Evenwel, de kans keerde; hij herwon een gedeelte van zijn erfland, en toen Scipio in 204 in Africa landde, verbond hij zich met hem. Syphax werd tweemaal verslagen en moest zich gevangen geven; in M’s handen viel ook Sophonisbe. Om deze voor rom. gevangenschap te behoeden, wilde M. haar tot vrouw nemen, doch toen Scipio haar zonder genade opeischte, liet M. haar den gifbeker drinken. Na den slag bij Zama kreeg M. het grootste gedeelte van Syphax’ rijk en regeerde nog ruim eene halve eeuw, tot 149. Daar de grenzen tusschen zijn gebied en dat van Carthago niet nauwkeurig bepaald waren, vond hij gelegenheid de Carthagers bij herhaling met allerlei eischen en strooptochten lastig te vallen, wat door de Rom., niettegenstaande Carthago’s billijke klachten, niet werd tegengegaan. Eindelijk greep de verbitterde stad zelve naar de wapenen (149), waardoor de derde punische oorlog ontbrandde.Afstammelingen van Masinissa.Masistius,Μασίστιος, aanvoerder der perzische ruiterij onder Xerxes, sneuvelde kort voor den slag bij Plataeae.Masias mons,Μάσιον ὄρος, grensgebergte van Armenia en Mesopotamia.Massaesylii,Μασσαισύλιοι, volk in W. Numidia.Massagetae,Μασσαγέται, ruw en woest nomadenvolk tot de Iraniërs behoorend; in de tijden van Cyrus woonden ze in de steppen tusschen de Caspische zee en het Aralmeer; in de dagen van Alexander den Groote woonden ze ten W. en N.W. van Sogdiane, aan den rechteroever van den Oxus.Massicus (mons), berg in het N.W. van Campania, die de grens vormt tusschen Campania en Latium, beroemd door zijn heerlijken wijn.Massilia,Μασσαλία, thans Marseille, eene volkplanting der Phocensers, ongeveer 600 gesticht, reeds vroeg vrijwillig en dus door eenfoedus aequummet Rome verbonden. Massilia was een belangrijke koopstad, waar letteren en wetenschappen in hooge mate bloeiden, zoodat Cicero ze het gallische Athene noemde. Daarom was M. een geliefkoosd verblijf van rijke rom. ballingen. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius koos de stad, die aan beiden verplichting had, in het eerst geen partij. Toen echter de aristocratie de onzijdigheid verbroken had door eene vloot van Pompeius op te nemen, werd M. door Caesar belegerd en na hardnekkige tegenweer en twee zeegevechten ingenomen. Het moest zware oorlogslasten dragen, doch bleef eenecivitas libera et foederataen door handel bloeiende.Massiva, 1) numidische prins, neef van Masinissa.—2)kleinzoon van Masinissa, te Rome door toedoen van Jugurtha vermoord.Massylii,Μασσύλιοι, volk in het O. van Numidia.Mastanabal,Μαστανάβας, jongste zoon van Masinissa en vader van Jugurtha.Mastarna, z.Servius Tullius.Mastiāni, zieBastetanienBastuli.Mastusia,Μαστουσία ἄκρα, 1) berg in Ionia, aan welks helling de stad Smyrna was gebouwd.—2)de zuidelijkste punt van de thracische Chersonēsus.Masurius Sabīnus, beroemd jurist onder Tiberius en volgende keizers, overleden onder Nero. Naar hem heet de school van C. Atēius Capito de sabiniaansche.Matiāna,Ματιανή, Ματιηνή, het N.W. gedeelte van Media, het latere Atropatēne (z.a.).Matiēni, plebejisch geslacht.Matinus, uitspringend gedeelte van den mons Gargānus in Apulia, nabij Horatius’ geboorteplaats Venusia.Matisco, stad der Aedui in het O. van Gallia Transalpīna, aan den Arar (Saône), thans Mâcon.Matius, 1)C. Matius, rom. ridder uit den tijd van Caesar en Cicero, die hem beiden oprecht liefhadden en hoogachtten. Hij was een der edelste en oprechtste figuren van zijn tijd en dikwijls de raadsman van Caesar, bij wien hij ook Cicero’s voorspraak was.—2)Cn. Matius, dichter vanmimi, uit de 1steeeuw. Er zijn nog fragmenten van over.Matralia, z.Matūta.Matrimonium. Een wettig huwelijk kon slechts gesloten worden, wanneer beide partijen hetconubiumhadden. De oudste vorm voor een rom. huwelijk was deconfarreatio, daarna kwam decoëmptioin zwang; van beide huwelijksvormen was deconventio in manumhet gevolg. Decoëmptioechter op zich zelve constitueerde het huwelijk niet; dit geschiedde door denuptiae, waarbij men openlijk ten overstaan van familie en bruiloftsgasten elkander tot man en vrouw aannam, wat bij de confarreatio ten overstaan van priesters geschiedde.Nuptiaezonder coëmptio waren dus ook geldig, er volgde geenemanusuit. Zulk een huwelijksvorm werdususgenoemd. De manus kon dan wel verworven worden door een onafgebroken samenleving van een jaar. Een echtverbintenis kan verbroken worden door een handeling, overeenstemmende met den vorm, waaronder zij gesloten was, ziedivortium. Uit eenmatrimonium iustumoflegitimumvolgde depatria potestasover de kinderen.Matrona, thans Marne, zijtak der Sequana (Seine).Matrona mons, zieAlpes.Matronalia, feest ter eere van Juno Lacīna den 1stenMaart (Calendae feminarum) gevierd, waarbij getrouwde vrouwen in haar tempel op den Esquilīnus om huwelijksgeluk baden en haar bloemen wijdden.Mattiacae (aquae), thans Wiesbaden.Mattiaci, germaansche volksstam, in het tegenw. Nassau, binnen denlimes Germaniae Superioriswonende. In hun gebied hadden de Rom. sterkten aangelegd. De naam van één dezercastellais nog over in Castel tegenover Maintz. De Mattiaci behoorden tot de Catti.Mattium, thans Maden, hoofdstad der Catten, aan de Adrana (Eder).Matūta, Mater Matūta, godin van den dageraad en geïdentificeerd met Ino Leucothea. Bij haar feest op 11 Juli,Matraliagenoemd, droegen de vrouwen de kinderen van hare zusters, en baden eerst voor deze, en daarna voor haar eigene, daar Ino het kind van hare zuster Semele had opgevoed. In werkelijkheid zal dit wel een overblijfsel zijn uit den tijd, dat men een andere opvatting had omtrent bloedverwantschap.Matutīnus(Pater), z.Ianus.MauretaniaofMauritania,Μαυριτανία, ἡ Μαυρουσίων γῆ, het tegenw. Fez en Marokko met een stuk van Algerië, tot aan de rivier de Muluccha (z.a.). Het was rijk aan wild en tam gedierte, bosschen en in de oudheid ook aan koren. Het werd bewoond door een krijgshaftige bevolking, deMauriofMaurusii, die niet zwart van kleur was, niet donkerder van tint dan de bewoners van zuidelijk Europa zijn. Eerst in den jugurthijnschen oorlog kwamen de Rom. met hen in aanraking. Tijdens Caesar heerschten over Mauretania Bocchus (z.a.) en Bogudes. In 25 werd hetsamen met West-Numidia aan Juba II (z.a.) als koninkrijk geschonken. Onder keizer Claudius werd het (in 42 n. C.) ingelijfd. Het eigenlijke Mauretania, met de hoofdstad Tingis (Tanger) werdM. Tingitānagenoemd, het vroegere West-Numidia heetteM. Caesariensisnaar de hoofdstad Caesarēa, vroeger Iol.Mauri, Maurusii,Μαῦροι, Μαυρούσιοι, bewoners van Mauretania. De naamMauriis afkomstig van de Romeinen.Mausoleum van Hadrianus.Mausoleum van Hadrianus.Mausolēum,Μαυσωλεῖον, het prachtige praalgraf, dat bij Halicarnassus voor Mausōlus gesticht was door zijne weduwe Artemisia (z. a.). Op een eenigszins langwerpig voetstuk of onderbouw van ± 37 voet hoog verrees een tempel, omgeven door 36 corinthische zuilen. Op deze rustte een pyramidaal dak, van boven afgeknot en gekroond door een marmeren vierspan. Het geheel was rijk met beeldwerk versierd. Het werd door de ouden onder de zeven wonderen der wereld gerangschikt en kostte drie jaren tijds, terwijl de uitstekendste kunstenaars er aan arbeidden.—De Rom. gebruikten den naammausoleumook voor andere prachtige grafgebouwen, als: hetmausoleum Augustien hetmausoleum Hadriani, welk laatste, schoon ontdaan van zijne versieringen en in een kasteel veranderd, nog te Rome bestaat onder den naam van Engelsburg.Mausōlus,Μαύσωλος, -σολλος, vorst van Carië (377–353), ondersteunde Rhodus, Chius, enz., in den bondgenootenoorlog tegen Athene. Naar hem is het Mausolēum (z.a.) genaamd.Mavors=Mars.Maxentius(M. Aurelius Valerius), rom. keizer 306–312 na C., zoon van Maximiānus. Toen Diocletiānus en Maximianus in 305 hunne keizerlijke waardigheid neerlegden, werden Constantius Chlorus en Galerius, die Caesars waren, tot den rang van Augustus verheven en Valerius Sevērus en Maximīnus Daia tot Caesars benoemd. Constantius Chlorus stierf in 306, zijn zoon Constantīnus werd Caesar in plaats van Severus, die Augustus werd. Maxentius, over zijne uitsluiting verbitterd, maakte zich te Rome van de regeering meester. Zijn vader kwam hem te hulp, doch daar dezen nu ook weder de lust tot heerschen bekroop en hij evenals de zoon weder den titel van Augustus aannam, ontstond er twist en Maximianus werd door Maxentius verdreven. Maxentius maakte zich spoedig veracht en gehaat, en Constantinus trok tegen hem op en versloeg hem in 312 bij den pons Milvius, ten N. van Rome. Op de vlucht verdronk Maxentius in den Tiber.Maximiānus(M. Aurelius Valerius), bijgenaamdHerculius, een ruw maar bekwaam soldaat, van geringe afkomst, klom door zijne wapenfeiten op en werd door Diocletiānus in 285 na C. tot Caesar en in 286 tot Augustus benoemd. Hij streed in Gallia tegen de Bagauden, die hij onderwierp (285), aan den Rijn tegen Franken, Alamannen en Burgundi, en in Afrika. In 305 na C. legde hij, schoon niet vrijwillig, doch onder den drang van Diocletianus, met dezen zijne waardigheid neder. Zie verderMaxentius. Toen Maximianus door zijn zoon verdreven was, nam hij de wijk naar zijn schoonzoon Constantīnus; doch toen hij dezen naar het leven stond, liet C. hem in 310 na C. ter dood brengen.Maximīnus(Iulius Verus), een Thraciër van reusachtigen lichaamsbouw en een dapper krijgsman, bij het leger zeer bemind, stond aan het hoofd van den opstand der Rijntroepen tegen Alexander Sevērus (235 na C.) en werd tot keizer uitgeroepen. Hij vocht flink tegen Germanen, Daciërs en Sarmaten, maar zijn woestheid en wreedheid, waaraan hij nu vrijen teugel vierde, verbitterde volk, senaat en zelfs de troepen. De senaat verklaarde hem in 238 vogelvrij en hij werd met zijn zoon en mederegent L. Julius Verus Maximīnus door zijne eigene troepen in zijn legerkamp vóór Aquileia vermoord.Maximīnus(Galerius Valerius), heette oorspronkelijk Daia, maar kreeg zijn lateren naam van zijn oom, keizer Galerius, die hem adopteerde. Hij werd in 305 n. C. door Diocletiānus tot Caesar benoemd en kreeg het bestuur over het Oosten. Hij was een nietswaardig vorst, zeer bijgeloovig, en een verbitterd vervolger van de Christenen. Bij de verwarring, door Maxentius teweeggebracht, nam ook hij den titel van Augustus aan, in 310. In 313 werd hij te Adrianopel door Licinius verslagen en stierf te Tarsus in Cilicia.Maximus, familienaam in een aantal gentes, vooral in degens Fabia(Fabiino. 14–23) voorkomende. Zie ookgens Valeria(Valeriino. 14 en 16).Maximus(MagnusClemens), een Hispaniër, wierp zich in 383 na C. in Britannia als tegenkeizer tegen Gratiānus op. Na de vermoording van Gratianus werd hij door Theodosius als keizer in het W. erkend, onder voorwaarde dat de 12-jarige Valentinianus II, het zoontje van Gratianus, Italia en Africa zou behouden. Toen Maximus in 387 deze voorwaarde wilde schenden, zond Theodosius zijn veldheer Arbogastes, een Frank, tegen hem af, die hem versloeg en ter dood bracht (388) en Val. II in de heerschappij herstelde.Maximus(Petronius), rom. senator, bracht in 455 na C. Valentiniānus III om en dwong diens weduwe Eudoxia, hem te huwen. Toen Eudoxia vernam, dat Maximus de moordenaar van V. was, riep zij den vandaalschen koning Geiserik uit Africa te hulp (dit bericht is onjuist). Geiserik kwam, plunderde Rome uit en sleepte duizenden gevangenen, ook Eudoxia met twee dochters, naar zijne hoofdstad Carthago mede. Vóór zijne aankomst in Rome echter was Maximus reeds door het verbitterde volk vermoord.Maximus Ephesius, nieuw platonisch wijsgeer, die te Ephesus en te Constantinopel leerde. Men zeide dat hij Iuliānus van het Christendom afvallig gemaakt had, en op grond hiervan werd hij door den proconsul Festus ter dood veroordeeld.Maximus Tyrius, een van de voorloopers der nieuw-platonische school, leefde onder de Antonijnen als leeraar der wijsbegeerte en welsprekendheid in Griekenland en te Rome. 41 verhandelingen van hem zijn bewaard gebleven.Maxyes,Μάξυες, een volksstam in Africa aan het Triton-meer; zij beweerden, volgens het verhaal van Herodotus, van de Trojanen af te stammen, verfden zich met menie, en lieten het haar alleen aan de rechterzijde groeien.Mazaca,τὰ Μάζακα=Caesarēa ad Argaeum.Mazaetullus, zieMezetūlus.Mazaeus,Μαζαῖος, perzisch veldheer onder Darīus Codomannus; hij liet de Macedoniërs ongehinderd over den Euphraat trekken, maar streed dapper bij Arbēla; toen de slag echter in het voordeel der Macedoniërs beslist was, trok hij zich naar Babylon terug en gaf hij die stad zonder tegenstand over; daarvoor maakte Alexander hem satraap van Babylonië. Hij stierf kort daarna (328).Mecōne,Μηκώνη, oude naam van Sicyon.Mecyberna,Μηκύβερνα, havenstad van Olynthus op Chalcidice, ten O. van Olynthus.Medaura=Madaura.Medēa,Μήδεια, dochter van Aeētes en Idyia, berucht door hare tooverkunsten. Uit liefde voor Iāson (z. a.) gaf zij hem de middelen aan de hand om de gouden vacht meester te worden en daarna vluchtte zij met hem uit haar vaderland en werd zij zijne gemalin. Toen Iāson Iolcus belegerde, wist zij in de stad te komen en bewerkte zij op listige wijze den dood van Pelias (z. a.). Daardoor werd Iolcus genomen, Iāson moest echter spoedig weder het land verlaten en ging met haar naar Corinthe, waar zij geruimen tijd gelukkig leefden en drie kinderen kregen. Toen Iāson haar echter verstiet om met Creūsa (no. 4) te huwen, ruimde zij deze door hare toovermiddelen uit den weg en doodde zij hare eigen kinderen om zich op Iāson te wreken; daarna vluchtte zij naar Athene, waar zij bij Aegeus een zoon kreeg, dien zij Medus noemde, maar weldra moest zij ook van hier vluchten daar zij Theseus belaagde; zij ging met haar zoon naar Arīa, waarvan de bewoners sedert Mediërs genoemd werden. Na haar dood werd zij in het Elysium geplaatst en huwde zij met Achilles.Medeon,Μεδεών, naam van verschillende steden. 1) in Acarnania bij de Ambracische golf.—2)op de kust van Phocis, in den heiligen oorlog verwoest.—3)in Boeotia aan het Copaïsche meer.—4)in Dalmatia bij Scodra (Scutari).Media,Μηδία, hoogst belangrijk en volkrijk land van Azië, in het N.W. van Ariāna. Deioces (709) wordt als de stichter van het medische rijk genoemd en van de hoofdstad Ecbatana. De oude hoofdstad was Rhagae. Dit rijk breidde zich ook buiten Media uit, o. a. over het stamverwante Persis. Met Cyrus ging de heerschappij van het medische vorstenhuis in het perzische over (560). Alexander d. G. splitste Media in twee gewesten: Groot-Medië en Atropatēne. Bij dichters is dikwijlsΜῆδοι,Medi= Perzen,Mediook wel = Parthen,Medum flumen= Euphraat.Mediae murus,τὸ Μηδίας τεῖχος. Deze muur, 20 parasangen lang, 100 voet hoog, 20 voet dik, uit gebakken steen opgetrokken en van poorten voorzien, liep van den Euphraat tot den Tigris, van boven Sipphara naar Sittace, en boven het kanalengebied van Babylonia en vormde de scheiding tusschen Mesopotamia en Babylonia, om dit laatste tegen invallen van die zijde te dekken. Volgens de overlevering heeft Semiramis, in werkelijkheid Nebucadnezar den muur gebouwd, om Babylon tegen aanvallen der Meden te beveiligen.Medimnus,μέδιμνος, grieksche inhoudsmaat voor droge waren = 52.5 L.Mediolānum,Μεδιολάνιον(de lat. uitgang-iumkomt slechts voor bij het tegenw. Milaan),naam van verschillende gallische steden. 1) in Gallia Transpadāna, thans Milaan, dat in opschriften steedsMediolaniumheet. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49municipium. In den keizertijd is het zeer belangrijk; in de 4deeeuw n. Chr. is het een der residentiesteden, en woonplaats van denpraefectus praetorio Italiae.—2)in Gallia Transalpīna bij de Santones, thans Saintes; bij de Eburovices, thans Evreux; bij de Bituriges.—3)ook bij de Ordovices, in Britannia.Mediomatrici, volksstam in Belgica, aan de Mosella (Moezel). Hoofdstad Divodūrum (Metz).Medion=Medeonno. 1.Medius Fidius, zieDius Fidius.Medma, grieksche kolonie aan de Westkust van het land der Bruttii, aan een gelijknamig riviertje.Medoacus,Μεδόακος, rivier in Gallia Transpadāna, die langs Patavium (Padua) stroomt en zich in de lagunen der Adriatische zee stort, thans Brenta.Medobrīga, Mundobrīga, stad in Lusitania, dicht bij den mons Herminius, ten N. van den Tagus (Taag).Medocus,Μήδοκος, vorst der Odrysen, vriend van Alcibiades, in 389 door Thrasybūlus tot een bondgenootschap met de Atheners overgehaald.Medon,Μέδων, 1) zoon van Oīleus, vluchtte wegens een moord naar Phylace; voor Troje werd hij door Aenēas gedood.—2)zoon van Codrus, wordt de eerste der atheensche archonten genoemd, waarschijnlijker is het echter dat hij de koninklijke waardigheid van zijn vader erfde, en dat onder zijne regeering het archontaat als een afzonderlijk ambt is ingesteld. Hij was de stamvader der Medontiden, in welk geslacht de waardigheid van archont tot 714 erfelijk bleef.—3)lacedaemonisch beeldhouwer omstreeks 600.Meduli, volkje in Aquitania, aan den mond der Garumna aan den linker oever, omstreeks het tegenw. Medoc.Medulli, volkje aan de Alpenhellingen in Gallia Narbonensis, aan de bronnen der Druentia (Durance), ten N. der Caturiges.Medullia, oude latijnsche stad tusschen den Tiber en den Anio.Medullīnus, familienaam in degens Furia.Medus,Μῆδος, rivier in Persis, stroomt langs Persepolis.Medūsa,Μέδουσα, eene van de Gorgonen, de eenige die sterfelijk was, door Perseus (z.a.) onthoofd. Uit haar romp kwamen Chrysāor en het paard Pegasus (Medusaeus equus) te voorschijn, die Poseidon bij haar verwekt had. Haar hoofd werd door Athēna op de aegis geplaatst.Mefītis=Mephītis.Megabates,Μεγαβάτης, perzisch veldheer, die op raad van Aristagoras (z.a.) door Darīus Hystaspis uitgezonden werd om Naxus te veroveren; om Aristagoras tegen te werken verried hij het plan aan de Naxiërs, zoodat de onderneming mislukte.Megabāzus,Μεγάβαζος, 1) veldheer van Darīus Hystaspis, die den tocht naar Scythië medemaakte en na den terugkeer van Darīus Thracië onderwierp.—2)zoon van Megabates, aanvoerder van de vloot van Xerxes.—3)werd door Artaxerxes I naar Griekenland gezonden om de Spartanen tot een inval in Attica te bewegen, toen de Atheners den opstand van Inaros ondersteunden; hij moest echter onverrichter zake terugkeeren.Megabȳzus,Μεγάβυζος, 1) een van de saamgezworenen tegen den gewaanden Smerdis.—2)zoon van Zopyrus, een van de veldheeren van Xerxes, onder Artaxerxes I satraap van Syrië, overwon Inaros en de met hem verbonden Atheners, en maakte een einde aan den opstand van Aegypte (454). Ontevreden over de handelwijze van den koning tegenover de overwonnenen, stond hij op en, hoewel hij zich spoedig met Artaxerxes verzoende, bleef hij altijd verdacht; hij werd verbannen, ging naar Creta, doch kwam heimelijk naar Susa terug, waar hij eindelijk weder in genade aangenomen werd.Megacles,Μεγακλῆς, 1) Alcmaeonide, atheensch archont tijdens den opstand van Cylon, wiens aanhangers hij in strijd met zijne belofte liet dooden.—2)kleinzoon van den vorigen, aanvoerder der gematigde partij in de burgertwisten na Solon’s vertrek uitAthene, moest voor Pisistratus vluchten (560), kwam daarna terug, en dwong op zijn beurt Pisistratus tweemaal Athene te verlaten, doch moest eindelijk voor goed voor zijn vijand het veld ruimen (537).—3)kleinzoon van den vorigen, zoon van Clisthenes no. 2, grootvader van Alcibiades, overwinnaar in de pythische spelen, tweemaal door het ostracismus verbannen.—4)kleinzoon van no. 2, oom van Pericles.—5)vriend van Pyrrhus van Epīrus, sneuvelde in den slag bij Heraclēa.Megaera,Μέγαιρα, eene van de Erinyen.Megalesia, ofludi Megalenses, feesten, in April gevierd ter eere dermagna mater, Cybele. Zij gingen vergezeld van tooneelvoorstellingen, en wedrennen, en duurden zes dagen, gedurende welke men elkander wederkeerig ter maaltijd noodigde. De patricische vrouwen verrichtten daarbij nagenoeg dezelfde plechtigheden als de plebejische bij de kort daarop volgendeCerealia(z.a.). De priesters van Cybele, de Galli, hielden dan optochten door Rome. DeLudi Megalenseszijn ingesteld in 204, en met de inwijding van den tempel derMagna Materop den Palatinus in 191annuigeworden (z.Ludi).Megalopolis,Μεγάλη πόλις, Μεγαλόπολις, stad in het Z. van Arcadia, in 371 door Epaminondas gesticht als grensvesting tegen Sparta en kunstmatig bevolkt met de inwoners van bijna veertig naburige plaatsen, zoodat het tusschen 60- en 70000 inwoners telde. Later trad de stad tot het achaeïsch verbond toe (zieLydiadas), doch werd in 226 door Cleomenes van Sparta ingenomen en verwoest. Ofschoon zij binnen weinige jaren herbouwd werd, kwam zij toch niet meer tot bloei, maar verviel meer en meer. Megalopolis was de geboorteplaats van Philopoemen en Polybius.Megalophanes,Μεγαλοφάνης, z.Ecdemus.Megapenthes,Μεγαπένθης, 1) zoon van Proetus, regeerde over Tiryns, maar ruilde zijn rijk met Perseus en werd zoo koning van Argos.—2)zoon van Menelāus, verdreef na den dood van zijn vader zijne stiefmoeder Helena uit Sparta.Megara,Μεγάρα, dochter van Creon no. 3, gehuwd met Heracles en later met Iolāus.Megara(gen.Megaraeen-orum),τὰ Μέγαρα, hoofdstad van het staatje Megaris, op den Isthmus, met de havenstadNisaeaen den burchtAlcathoë. Megara was de geboorteplaats van den dichter Theognis en den wijsgeer Euclīdes, den leerling van Socrates.—Over Megara op Sicilia,zieHybla.Megareus,Μεγαρεύς, gewoonlijkMenoeceus, zoon van Creon no. 2, benam zich vrijwillig het leven, toen Thebe door de zeven vorsten belegerd werd, dewijl Tiresias voorspeld had, dat slechts door het offer van een der Sparti de Thebanen in den oorlogoverwinnaarskonden zijn.Megareïus, Hippomenes, zoon van Megareus.Megarici, wijsgeeren uit de megarische school, z.Euclīdesno. 3.Megaris,Μεγαρίς, klein gewest van Griekenland, aan en op den Isthmus, eerst door Ioniërs bevolkt, doch door de Doriërs veroverd. Het staatje lag dikwijls met Athene overhoop en had het dan meestal zwaar te verantwoorden, wanneer de Atheners door afsluiting der grenzen den invoer en het verkeer stremden. Dit was te gemakkelijker, omdat Megaris van Attica door een bergrij gescheiden was, waardoor een pas liep, in de rotsen uitgehouden, terwijl de bergpas, die over den Cithaeron naar Boeotia voerde, niet zonder gevaar was.Megasthenes,Μεγασθένης, 1) van Chalcis, stichter van Cumae in Campanië.—2)vriend en raadsman van Seleucus Nicātor, door dezen veelal voor zendingen naar het buitenland gebruikt. Zoo kwam hij dikwijls in Indië, waar hij de bouwstoffen verzamelde voor een werk over Indië (Ἰνδικά), waarvan nog enkele fragmenten bestaan. Aan hem danken wij de berichten over de Indische kasten, over Boeddhisten en Brahmanen.Meges,Μέγης, zoon van Phyleus, voor Troje aanvoerder der Epeërs of van de troepen uit Dulichium en de Echinaden.Megiddo,Μαγεδδώ, oude stad in Palestina, in het Z.W. van Galilaea. In de nabijheid ontstond later uit eene rom. legerplaats de stadLegio.Megista,Μεγίστη, eilandje en havenstad op de kust van Lycia.Megistias,Μεγιστίας, waarzegger uit Acarnanië, behoorde tot het leger van Leonidas en sneuvelde bij de Thermopylae.Megistus,Μέγιστος=Macestus.Mela(M. Pomponius), uit Hispania, schrijver van een aardrijkskundig werkde chorographiaofde situ orbisin 3 boeken. Hij leefde in den tijd der keizers Caligula en Claudius. Zijn werk is waarschijnlijk eerst na 46 n. Chr. uitgekomen.MelaeofMeles(gen.-ium), vlek in Samnium.Melaena,Μέλαινα, kaap aan de Noordpunt van den berg Mimas, in Ionia, ook Promonturium Atrum geheeten.Melampus,Μελάμπους, zoon van Amythāon en Idomene. Toen hij eens als kind in slaap gevallen was, kropen slangen over zijn lichaam en likten zijne ooren; sedert dien tijd verstond hij de taal der vogels en kon hij de toekomst voorspellen. Zijn broeder Bias dong naar de hand van Pero, de dochter van Neleus, die door haar vader beloofd was aan dengene, die hem de runderen van Iphiclus uit Thessalië zoude brengen. Nadat Bias hiertoe vergeefsche pogingen had aangewend, ondernam Mel. het, ze voor hem te halen, maar voorspelde dat hij ze eerst zou krijgen, na een jaar in de gevangenis doorgebracht te hebben. Inderdaad werd hij door Iphiclus gevangen genomen, maar toen hij na eenigen tijd verzocht naar een ander huis verplaatst te worden, omdat hij van houtwormen gehoord had dat de balken van dat, waarin hij zich bevond, geheel doorgeknaagd waren, zoodat het spoedig zoude instorten, en toen deze voorspelling inderdaad bewaarheid werd, erkende Iphiclus zijne voortreffelijkheid als ziener, en nadat Mel. hem de middelen had aan de hand gedaan, waardoor zijn huwelijk met kinderen gezegend zou worden, gaf hij hem de runderen vrijwillig mede. Eenigen tijd woonde Mel. nu in Messēne, later genas hij de vrouwen van Argos van waanzin (z.Proetides); tot belooning kreeg hij, evenals Bias, een derde van het rijk, en huwde hij met Iphianassa, de dochter van koning Proetus.—V. s. had Mel. den dienst van Dionȳsus in Griekenland ingevoerd.Melanchlaeni,Μελάγχλαινοι, (zwartmantels), nomadenvolk in aziatisch Sarmatia.Melanchrus,Μέλαγχρος, tyran van Mytilēne, door Pittacus, Alcaeus en twee broeders van dezen gedood.Melanippe,Μελανίππη, 1) dochter van Chiron, die aan Aeolus hare liefde schonk. Toen zij moeder worden zou, vluchtte zij uit vrees voor haar vader; op haar gebed werd zij door Artemis in een paard veranderd.—2)moeder van Aeolus (z. a.) en Boeōtus.—3)eene Amazone, zuster van Hippolyte. Heracles nam haar gevangen, en liet haar niet vrij, voordat de koningin hem haar gordel gegeven had.—4)eene van de Meleagrides.Melanippides,Μελανιππίδης, twee dithyrambendichters van Melus, grootvader en kleinzoon; met den laatsten, die op het einde der 5deeeuw leefde, begint het verval van deze dichtsoort.Melanippus,Μελάνιππος, 1) Thebaan, zoon van Astacus, gedroeg zich dapper bij de verdediging van Thebe tegen de zeven vorsten; hij versloeg Tydeus (z. a.), maar werd door Amphiarāus gedood.—2)een van de zonen van Agrius, die Oeneus van de regeering beroofden, waarvoor hij door Diomēdes gedood werd.—3)zoon van Theseus en Perigūna, de dochter van Sinis, overwinnaar in de nemeïsche spelen.Melanthius,Μελάνθιος, 1) geitenhoeder van Odysseus, maakte zich gedurende de afwezigheid van zijn heer aan ontrouw schuldig, en werd hij diens terugkomst op wreede wijze gedood.—2)aanvoerder der atheensche troepen, die aan Aristagoras van Milētus te hulp gezonden werden.—3)atheensch treurspeldichter, zoon van Philocles no. 1, vriend van Cimon.—4)van Rhodus, leerling van Carneades, bekend om zijn aangename wijze van voordragen.—5)schilder van de sicyonische school, leerling van Pamphilus. Hij leefde in de 4deeeuw.Melantho,Μελανθώ, 1) dochter van Deucalion, bij Poseidon moeder van Delphus.—2)een van de dienstmaagden in het huis van Odysseus, zij werd bij zijn terugkomst wegens haar ontrouw gedood.Melanthus,Μέλανθος, zoon van Andropompus, koning van Messēne, werd door de Heracliden verdreven en ging naar Attica. Toen Xanthus, de koning der Boeotiërs, een inval in Attica had gedaan, waagde Mel. een tweegevecht met hem, wat de atheensche koning Thymoetes geweigerd had te ondernemen. Gedurende het gevecht verscheen Dionȳsus achter Xanthus, en toen Mel. hem verweet dat hij niet alleen was, keerde X. zich om, en van dit oogenblik maakte zijn tegenstander gebruik om hem te doorsteken. Mel. werd koning van Attica, en ter herinnering aan de door bedrog behaalde overwinning werd, naar men zegt, het feest der Apaturia ingesteld.Melas,Μέλας, naam van verschillende rivieren, die donker van kleur waren. 1) in Thracia, die ten W. der thracische Chersonēsus in densinus Melas,Μέλας κόλπος, valt.—2)in het thessalische landschap Phthiōtis, zijtak van den Apidanus.—3)in Malis, stroomde langs Heraclēa in de malische golf uit.—4)in Boeotia, tusschen Orchomenus en Asplēdon, ontlast zich in het Copaïsche meer.—5)op Sicilia bij Mylae.—6)op de grenzen van Pamphylia en Cilicia.Melcarth,Μελίκαρθος, phoenicisch zonnegod, door de Grieken met Heracles geïdentificeerd; hij werd vooral te Tyrus vereerd. ZieMelicertes.MeldaeofMeldi,Μελδαί, -δοί, gallisch volk bij de Sequana en den Matrona, met de hoofdstad Iatinum (Meaux).Meleager,Μελέαγρος, 1) zoon van Oeneus en Althaea, geducht speerwerper, nam deel aan den Argonautentocht en was de aanvoerder van de calydonische jacht. Toen deze jacht was afgeloopen, ontstond over den kop en de huid van het gedoode dier, den prijs der overwinning, een bloedigen strijd tusschen de Aetoliërs en de Cureten; zoolang Mel. medestreed, behielden de Aetoliërs de overhand, maar toen zijne moeder hem vervloekte, omdat hij een van hare broeders in het gevecht verslagen had, trok hij zich terug, en de nood was hoog bij de Aetoliërs gestegen, eer hij zich door de beden zijner gemalin liet bewegen zich weder bij de strijdenden te voegen. Hij redde zijne landgenooten, maar werd zelf door Apollo met een pijl gedood.—V. a. waren op den zevenden dag na zijne geboorte de Moerae in de kamer zijner moeder gekomen en hadden gezegd, dat hij sterven zoude, zoodra een op den haard liggend stuk hout verbrand zoude zijn. Daarop nam Althaea het blok haastig uit het vuur en bewaarde het zorgvuldig. Na afloop van de calydonische jacht vereerde Mel. de schoone Atalante, die het zwijn de eerste wond had toegebracht, met de huid van het dier, maar de broeders van Althaea ontnamen haar die met geweld, waarop Mel. hen doodde. Hierover vertoornd, wierp zijne moeder het stuk hout op het vuur, waarop Mel. spoedig stierf.—2)veldheer van Alexander den Gr., bewerkte dat na diens dood Philippus Arrhidaeus tot koning uitgeroepen werd, door wien hij hoopte nevens Perdiccas de grootste macht in handen te krijgen. Deze doorzag echter zijn plan en liet hem met zijne aanhangers bij eene wapenschouwing dooden.—3)zoon van Ptolemaeus Lagi, regeerde na den dood van Ptolemaus Ceraunus twee maanden over Macedonië; daarna werd hij wegens zijne onbekwaamheid weggejaagd.—4)van Gadara, geestig epigrammendichter, maakte ook eene bloemlezing van oudere epigrammen; hij leefde omstreeks 80.Meleagrides,Μελεαγρίδες, vier zusters van Meleager, waarvan twee aanhoudend den dood van haar broeder beweenden, totdat zij door Artemis in parelhoenders veranderd werden.Meles, gen.-ētis,Μέλης, kustriviertje bij Smyrna; in eene bij de bron gelegen grot zou Homerus zijne werken hebben gedicht. VandaarΜελησιγενής= Homerus, en bij TibultusMeleteae chartae= de gedichten van H.Melesses(Maesesses), een afdeeling der Bastetāni, in het Z. van Tarraconensis, met de hoofdstad Oringis (Orongis), en met zilvermijnen in zijn gebied.Melete,Μελέτη, eene van de boeotische Muzen.Melētus,Μέλητος, 1) Athener, verdacht van oligarchische gezindheid en betrokken in het Hermocopidenproces.—2)een van de aanklagers van Socrates. V. s. werd hij kort na Socrates ter dood veroordeeld.—3)tragisch dichter, einde van de vijfde eeuw, misschien de vader van no. 2.Melia,Μελία, 1) nimf, dochter van Oceanus, bij Inachus moeder van Phorōneus en Aegialeus of Phegeus.—2)nimf, bij Poseidon moeder van Amycus.—3)dochter van Oceanus, door Apollo geschaakt en bij hem moeder van Ismenius en Tenerus.Meliades,Μελιάδες, Μελίαι, nimfen, ontstaan uit de bloeddruppels van den verminkten Uranus; zij worden ook voedsters van Zeus genoemd.Melibocus mons, het Harz-gebergte.Meliboea,Μελίβοια, 1) Oceanide, bij Pelasgus moeder van Lycāon.—2)dochter van Niobe, de eenige die niet door Artemis gedood werd. ZieChlorisno. 2.Meliboea,Μελίβοια, zeestad van het thessalischelandschap Magnesia, aan den voet van den Ossa gelegen, woonplaats van Philoctētes,Meliboeus dux.Melicertes,Μελικέρτης, zoon van Athamas (z. a.) en Ino, na zijn dood onder den naam Palaemon onder de godheden der zee opgenomen, door de Romeinen met Portūnus geïdentificeerd. Velen meenen dat hij dezelfde is als de phoenicische god Melcarth. V. s. waren de isthmische spelen oorspronkelijk als lijkfeesten voor Mel. ingesteld, maar later door Theseus aan Poseidon gewijd.Melinno,Μελιννώ, lyrische dichteres uit Locri Epizephyrii, die misschien tegen het einde der eerste eeuw leefde. Van haar bestaat nog een kort gedicht, dat soms aan Erinna wordt toegeschreven.Melische poëzie, z.Lyrische poëzie.Melissa,Μέλισσα, eene nimf, die den menschen het gebruik van honig leerde. Soms worden nimfen in het algemeenμέλισσαιgenoemd, en ook de priesteressen van Demēter en van de ephesische Artemis dragen denzelfden naam.Melisseus,Μελισσεύς, koning van Creta, vader van Adrastēa en Ida, de opvoedsters van Zeus.Melissus,Μέλισσος, 1) Thebaan, zoon van Telesiades, overwinnaar in de nemeïsche spelen.—2)van Samus, admiraal in den oorlog tegen Athene; Pericles leed eenmaal door hem eene nederlaag (441). Als wijsgeer behoorde hij tot de eleatische school; hij was een leerling van Parmenides, en trachtte in zijne geschriften de eenheid, eeuwigheid, onveranderlijkheid en onbewegelijkheid van het bestaande te bewijzen.—3)C. Mel., van Spoletium, vrijgelatene van Maecēnas, schrijver van kluchten (ineptiarum libellus).—4)Aelius Mel., romeinsch grammaticus, schrijver van een werkde loquendi proprietate, leefde in de 2deeeuw na C.Melita,Μελίτη, thans Malta, eil. tusschen Sicilia en Africa, beroemd door het melitensisch lijnwaad en bekend door decatuli Melitaeiof maltezer schoothondjes. Het eil. was eerst phoenicisch, toen carthaagsch, daarna rom.—Ook een eilandje op de dalmatische kust.Melitaea,Μελιταία, -ίτεια, oude stad in het thessalische gewest Phthiōtis; aan den Enīpeus.Melitēne,Μελιτήνη, stad en landschap in het O. van Cappadocia.Mellaria, naam van twee steden in Baetica, de ééne ten N. van Corduba, in Baeturia, de andere aan het fretum Gaditānum (straat van Gibraltar).Μελλείρενες, aanstaandeεἴρενες, spartaansche jongelingen van 18 tot 20 jaar.Μελλέφηβοι, aanstaandeἔφηβοι, atheensche jongelingen van 15 tot 16 jaar.Mel(l)on,Μέλ(λ)ων, rijk Thebaan, moest vluchten toen de Cadmēa door de Spartanen bezet werd (382). Later beijverde hij zich zeer voor de bevrijding van Thebe en was hij tegelijk met Pelopidas boeotarch.Melodūnum, stad in Gallia op een eiland, door de Sequana (Seine) omspoeld, in het gebied der Senones, thans Melun.Melpomene,Μελπομένη.Muze van muziek en zang, in het bizonder van het treurspel. Zij wordt afgebeeld met een tragisch masker in de hand en een krans op het hoofd.Melus,Μῆλος, thans Milo, eiland in de Aegaeische zee, tot de Sporaden gerekend, doch zeer W. en nabij de Cycladen gelegen. Door de ouden werd het rond of appelvormig genoemd, en de naam afgeleid vanμῆλον, appel; dezen vorm heeft het schijnbaar, wanneer men van het W. het eiland nadert, in werkelijkheid is het alles behalve rond. Het heeft een diepen inham, waaraan de gelijknamige stad lag. De bevolking was dorisch. In den peloponnesischen oorlog werd het eil. door de Atheners geblokkeerd en uitgehongerd (416), vandaar spreekwoordelijkλιμὸς Μήλιος. Na de overgaaf werden de mannen omgebracht, en vrouwen en kinderen als slaven verkocht, en atheensche kolonisten er heen gezonden. De bodem van het eiland was warm door vulkanische werking, doch de opstijgende zwaveldampen waren zeer hinderlijk.Memmia(lex) van den volkstribuun C. Memmius in 111, dat Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome moest ontboden worden, om te verklaren, wie geld van hem hadden aangenomen.Memmii, plebejisch geslacht, dat van Aenēas’ tochtgenoot Mnestheus beweerde af te stammen. 1)C. Memmius, volkstribuun in 111, zette het volk op tegen de optimaten, die de eer van Rome veil hadden voor het goud van Jugurtha, en bewerkte dat de senaat een leger tegen hem afzond. Toen hij in 100 met den woesten C. Servilius Glaucia naar het consulaat dong, werd hij door dezen en diens medestander Saturnīnus in de volle volksvergadering om het leven gebracht.—2.C. Memmius, ten onrechteGemellusgenoemd, volkstribuun in 66, praetor in 58 en vervolgens propraetor in Bithynia, werd later wegens omkooping veroordeeld en ging in ballingschap naar Griekenland, waar hij in 47 stierf. Hij was een goed redenaar. Aan hem droeg Lucretius zijn gedichtde rerum naturaop. Hij stond in geregelde briefwisseling met Cicero.—3)C. Memmius, stiefzoon van Sulla en volkstribuun in 54, klaagde A. Gabinius en C. Rabirius Postumus aan, die door Cicero werden verdedigd.—4)P. Memmius Regulussteunde Macro bij zijn pogingen om Seiānus ten val te brengen. Later was hij proconsul van Achaia, Macedonia en Moesia (sedert 36 n. C.). Caligula dwong hem zijne vrouw Lollia Paullīna aan hem af te staan. Hij stierf in 61.Memnon,Μέμνων, 1) zoon van Tithōnus en Eos, kwam met de Aethiopiërs van het Oosten (z.Aethiopes) Priamus te hulp en verrichtte vele heldendaden, o. a. doodde hij Antilochus; eindelijk werd hij door Achilles verslagen. Om Eos te troosten, gaf Zeus hem de onsterfelijkheid. Uit zijn brandstapel stegen vogels op (Memnonides), die ieder jaar zijn graf bezoeken en daar te zijner eere een wedstrijd houden.—Door eene verwarring tusschen de oostelijke en westelijke Aethiopiërs zijn vele verhalen omtrent M. ontstaan, die moeielijkmet elkander zijn overeen te brengen; zijn graf toonde men aan den Hellespont, in Phoenicië en in Aethiopië, en verscheiden kolossale gebouwen werden naar hem genoemd, o. a. de koningsburcht van SusaΜεμνόνια, en vooral een reusachtig beeld bij Thebe in Aegypte, waarvan door een aardbeving het bovenste gedeelte afgebroken was, en dat sedert dien tijd, wanneer het door de opgaande zon beschenen werd, een geluid gaf als een springende snaar. Uit het onderzoek van de nog bestaande overblijfsels van dit beeld is gebleken, dat het den oud-aegyptischen koning Amenophis III (omstreeks 1500) voorstelde.—2)van Rhodus, bekwaam aanvoerder der grieksche huurtroepen van Darīus Codomannus. Bij den inval van Alexander den G. stelde hij voor Klein-Azië prijs te geven, met de vloot Alexander van Europa af te snijden, en in Griekenland en Macedonië bewegingen tegen hem in het leven te roepen; zijn raad werd echter niet opgevolgd. Na den slag bij den Granīcus verdedigde hij Milētus en Halicarnassus, veroverde hij als bevelhebber der vloot Chius, Lesbus, enz., en stelde hij zich in betrekking met Agis; reeds was hij op het punt naar Europa over te steken, toen hij bij het beleg van Mytilēne ziek werd en stierf (334).—3)schrijver van eene geschiedenis van het pontische Heraclēa, waarvan enkele fragmenten bestaan. Hij leefde in de tweede eeuw na C.Memphis,Μέμφις, oude belangrijke stad van Aegypte, even boven het begin der Nijldelta, 5 uren gaans in omtrek, met prachtige tempels en paleizen. Vooral de god Phtha en de stier Apis werden hier vereerd. In den omtrek vond men een aantal pyramiden.Men,Μήν, 1) maangod bij de Phrygiërs.—2)=Menes.Menae,Μεναί, bergstad der Siculi, aan den weg van Catana naar Gela, geboorteplaats van Ducetius. In de nabijheid lag de bron Menaïs, waarbij de inwoners zwoeren.Menaechmus,Μέναιχμος, 1) van Naupactus, beeldhouwer omstreeks 500.—2)van Sicyon, tijdgenoot van Alexander den G., beeldhouwer en geschiedschrijver.—3)wiskundige, van wiens werken een fragment bewaard is. Van zijn leven is niets bekend.Menaenum,Μέναινον, stad der Siculi, ten W. van Syracūsae, stichting van Ducetius.Menalippe=Melanippe.Menander,Μένανδρος, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, nam deel aan den tocht naar Sicilië en aan den slag bij Aegospotami.—2)zoon van Diopīthes, geb. 342, vriend van Theophrastus, Epicūrus en Demetrius Phalēreus. Hij is de voornaamste dichter der nieuwe attische comedie en schreef, naar men meent, meer dan 100 stukken, waarvan de juiste karakterteekening, de goed gevonden toestanden en de beschaafde toon geroemd worden. Slechts achtmaal werd hem een prijs toegekend, toch waren zijne werken zoo bekend, dat Ptolemaeus Lagi hem trachtte over te halen naar Alexandrië te komen; hij bleef echter te Athene, waar hij, 52 jaar oud, in het bad verongelukte. Van zijne comedies zijn sommige door Terentius e. a. in het Latijn bewerkt. Tal van verzen uit zijne werken worden door lateren geciteerd; ook zijn nog zeer onlangs belangrijke fragmenten van sommige stukken van hem gevonden.—3)van Ephesus, schrijver eener geschiedenis van Phoenicië.—4)leerling van Diogenes no. 2.Menapii,Μενάπιοι, belgisch volk, dat door de Usipetes en Tencteri van den Rijn tot over de Mosa (Maas) werd gedrongen, te midden van bosschen en moerassen. Hetcastellum Menapiorumis òf het tegenw. Kessel op den linker Maasoever tusschen Roermond en Venlo, òf, daar de Menapii later meer westelijk wonen, Cassel in het Departement du Nord, dat ook wel voor een Castellum Morinorum aangezien wordt. Verder ligt in hun land Turnacum, tgw. Doornik.Menas,Μηνᾶς=Menodōrus.MendeofMendae,Μένδη, Μένδαι, kolonie van Eretria, op het chalcidische schiereiland Pallēne, aan de golf van Thermae.Mendes, gen.-ētis,Μένδης, stad in de Nijldelta aan den mendesischen rivierarm, zetel van den eeredienst van den God Mendes, die als zinnebeeld der voortbrengende natuurkracht onder de gedaante van een bok werd voorgesteld en door de Grieken met Pan werd vereenzelvigd.Mendesium ostium,Μενδήσιον στόμα, een van de Nijlmonden, ten O. van den Phatnitischen mond gelegen.Mēne,Μήνη=Sēlene.Menecles,Μενεκλῆς, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten Cicero hoorde.Meneclīdas,Μενεκλείδας, thebaansch volksredenaar, vijand van Epaminondas en Pelopidas, wegens zijn kuiperijen tot geldboete veroordeeld.Menecrates,Μενεκράτης, 1) wijsgeer der eleatische school, leerling van Xenophanes, schrijver van aardrijkskundige werken.—2)van Syracuse, geneesheer ten tijde van Philippus van Macedonië, die zich door zijne ijdelheid belachelijk maakte.—3)verdienstelijk geneesheer onder Tiberius.—4)vrijgelatene van Pompeius, aanvoerder van de vloot van Sextus Pompeius; in een zeeslag bij Cumae werd zijn schip genomen en hij stortte zich in zee.—5)citharoede, in groot aanzien bij Nero.Menedēmus,Μενέδημος, 1) veldheer van Alexander d. G.—2)van Eretria, zoon van Clisthenes, leerling van Plato en Stilpo, daarna leeraar der wijsbegeerte te Eretria, en stichter der eretrische school. Hij bekleedde er aanzienlijke staatsambten, maar werd van verraad beschuldigd en vluchtte naar Antigonus Gonātas. Zijne leefwijze was eenvoudig en zijn omgang aangenaam, bij voorkeur hield hij zich bezig met de studie van oude dichters.—3)van Lampsacus, cynisch wijsgeer van de uiterste richting.—4)rhetor te Athene omstreeks 94.—5)Macedoniër; die door zijn gastvriend Iulius Caesar het romeinsche burgerrecht kreeg.Menelāi portus,Μενελάιος λιμήν, havenstad in het O. van Cyrenaica, in het gebied der Gilligammae, volgens de mythe door Menelāus gesticht. Hier stierf Agesilāus van Sparta in 358 op den terugweg uit Aegypte.Menelaium,Μενελάιον, berg in Laconica ten Z.O. van Sparta, bij Therapne, met een heiligdom voor Menelāus.Menelāus,Μενέλαος, 1) zoon van Atreus of Plisthenes, broeder van Agamemnon (z. a.), gehuwd met Helena (z. a.), de dochter van Tyndareos, van wien hij de regeering over Sparta erft. Aan den trojaanschen oorlog neemt hij met 60 schepen deel, hij gaat met Odysseus naar Troje om Helena terug te vorderen, maar deze eisch wordt afgewezen. In den oorlog verricht hij onder bescherming van Athēna en Hera vele heldendaden, hij overwint Paris in een tweegevecht, ofschoon Aphrodīte zijn vijand uit zijne handen redt, strijdt met Hector en Aenēas, verdedigt het lijk van Patroclus en begeeft zich met het houten paard in de stad. Op zijn terugreis wordt hij bij kaap Malea door een storm overvallen, die hem naar Aegypte drijft, en eerst nadat hij 8 jaar rondgezworven had, keerde hij in zijn rijk terug. Hier leefde hij nog lang met Helena in vrede, rijkdom en geluk, eindelijk werd hij met haar naar het Elysium verplaatst. Niettemin werd hun graf bij Therapne getoond, waar te hunner eer een tempel was en spelen gevierd werden.—2)onechte zoon van Amyntas II; daar Phillippus hem niet vertrouwde en zijn leven bedreigde, ging hij bij de Atheners in dienst.—3)broeder van Ptolemaeus Lagi, verdedigde Salamis op Cyprus tegen Demetrius Poliorcētes, doch moest zich na eene langdurige en dappere verdediging overgeven (306).—4)van Marathus, onderwees Ti. Gracchus in de welsprekendheid.—5)beeldhouwer uit den tijd van keizer Tiberius. Van hem is de bekende groep Orestes en Electra, vroeger in Villa Ludovisi, tgw. in het Museo Nazionale te Rome.—6)van Alexandria, beroemd wis- en sterrenkundige, omstreeks 100 n.C. Hij heeft zich vooral bezig gehouden met trigonometrie en sphaerische astronomie.Menenia(lex)agraria, z.Maenia(Menenia) (lex)agraria.
Marīnus,Μαρῖνος, 1) beroemd ontleedkundige aan het einde der eerste eeuw n. C., wiens werken verloren zijn.—2)van Tyrus, een aardrijkskundige in de 2deeeuw na C., de eerste die de ligging van plaatsen naar lengte- en breedtegraden bepaalde. Ptolemaeus heeft van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.Maris, Marisus,Μάρις, Μάρισος, thans Marosj, riv. in Dacia, zijtak der Tisia (Theiss). Herodotus en Strabo meenden, dat het een zijtak was van den Donau.Marium,Μάριον, stad op de NW. kust van Cyprus, waarschijnlijk het latere Arsinoe.Marmarica,Μαρμαρική, thans Barca, landstreek op de Noordkust van Afrika tusschen Aegypte en Cyrenaïca. Hierin ligt hetAmmonium. Gewoonlijk wordt Marmarica tot Cyrenaïca gerekend.Marmessus, Marmyssus,Μερμησσός=Marpessusno. 1.Maro, zieVergilii.Maroboduus, zieMarcomanni.Marobūdum,Μαρόβουδον, eens de hoofdstad der Marcomanni, thans Budweis.Maron,Μὰρων, 1) zoon van Euanthes, Oenopion, Silēnus of Dionȳsus, priester van Apollo te Ismarus, waar hij later zelf een heiligdom had.—2)zoon van Orsiphantus, een van de dapperste Spartanen, die in den slag bij de Thermopylae sneuvelde.Maronēa,Μαρώνεια, ionische volkplanting in het gebied der Cicones op de thracische kust, beroemd om zijn heerlijken wijn. De stad wordt ook Orthagorēa genoemd.Marpessa,Μάρπησσα, gemalin van Idas (z. a.), moeder van Cleopatra no. 2.Marpessa, -sus,Μάρπησος, -σσος, 1) dorp in het gebied van Gergis in Troas, geboorteplaats van ééne der Sibyllen.—2)berg op Parus.Marpesia cautes= parisch marmer.Marrubiumof-vium, stad der Marsi aan den lacus Fucinus.Marruvia gens= Marsi.Marrucīni,Μαρρουκῖνοι, klein, doch dapper volk in Samnium aan de Adriatische zee, ten O. der Vestini. Hoofdstad: Teāte.Marruvium=Marrubium.Mars, italiaansche god vooral van den oorlog, wien de maand Maart gewijd is, dien men als MarsSilvānusenAverruncusaanriep, te wiens eere het feest derAmbarvaliain Mei door de landlieden met offers en vroolijke optochten gevierd werd, en die ook in het lied derfratres arvālesbezongen werd. Bij het houden van hetlustrumwerd het bekende offer vanzwijn, ramenstier, desuovetaurilia, aan hem gebracht, en de romeinsche burgers zijn daarvoor op het Marsveld(campus Martius) alsexercitusopgesteld. Wanneer de grieksche godenleer in Italië doordringt, wordt Mars vereenzelvigd met den griekschen Ares, en bij hetlectisternium(zie aldaar) van 217 werd het beeld van Venus (Aphrodite) naast het zijne geplaatst. Hij gaat de rom. legers voor in den strijd (Gradīvus), zegent hunne wapenen (Quirīnus), voert hen tot de overwinning (Victor) en brengt op die wijze ook den vrede terug (Pacifer); als vader van Romulus en Remus is hij als het ware de vader van het rom. volk (Pater, Marspiter), dat hij voortdurend blijft bewaken (Custos,Conservātor). Wanneer een leger ten oorlog zou trekken, ging de aanvoerder in den ouden tempel van Mars in de regia en riep daar zijne bescherming in, terwijl hij tegen de heilige lans, het symbool van den god, en tegen deanciliasloeg. Ook de oefeningen in den wapenhandel, de gladiatorengevechten en ruiterlijke spelen stonden onder zijne bescherming, en de oudtijds daarvoor bestemde plaats was naar hem genoemd (Campus Martius). De wolf, de specht, de stier en het paard waren hem geheiligd. Zijn dienst wordt waargenomen door een eigen priester, denflamen Martiālis.—Hij wordt gewoonlijk afgebeeld als een jong strijder met helm en lans, soms op een strijdwagen zittend.Marsacii, een volksstam aan of bij een der monden van den Rijn, misschien in Zeeland, wonend.Marsi,Μάρσοι, 1) samnietisch volk op de grenzen van Latium, rondom het meer Fucinus, in eene streek, geheel door bergen ingesloten. In 304 tot een bondgenootschap met Rome gedwongen, bewaarden zij een diepen haat tegen de Rom., die in den bondgenootenoorlog, in 90, tot uitbarsting kwam. Hunne hoofdstad was Marruvium. Zij bezaten veel kennis van geneeskrachtige kruiden en stonden bekend als goede wondheelers, als slangenbezweerders en ook als toovenaars; vandaarMarsa naenia= tooverspreuk. De mythe laat hen dan ook afstammen van een zoon van Circe.—2)germaansch volk aan de tegenw. Ruhr, bondgenooten der Cherusci tegen Varus. Germanicus dreef hen terug, en sedert verdwijnt hun naam.Marsicum bellum, aldus genaamd omdat de Marsi er het hoofdvolk van waren, ook welbellum Italicumofbellum sociorumgenoemd. De trotschheid, waarmede Rome na Carthago’s val de italische bondgenooten bejegende, had diepen wrok opgewekt, die nog werd aangevuurd, toen de pogingen van M. Livius Drusus en anderen, om hun het burgerrecht te verschaffen, verijdeld werden. Een aantal volken van samnietischen stam, Marsen, Paeligners, Lucaniërs, Campaniërs, vereenigde zich tot een bond, zij maakten Corfinium tot hunne bondshoofdstad onder den naam Italica, en kozen een senaat, twee consuls en 12 praetoren. Twee jaar lang werd er met verbittering gestreden. Slag op slag werd geleverd. De voornaamste aanvoerders derbondgenooten waren Pompaedius Silo, C. Papius Mutilus, Vettius Cato, Pontius Telesīnus, Marius Egnatius. Onder de rom. veldheeren onderscheidden zich Cn. Pompeius Strabo (consul in 89) en L. Cornelius Sulla, eerst als praetor, in 88 als consul. Reeds in den winter van 90 waren de Romeinen door den dreigenden afval van Umbria en Etruria genoodzaakt, door delex Juliavan den consul L. Julius Caesar aan de trouwgebleven bondgenooten, die het wenschten, het burgerrecht te geven. In het begin van 89 volgde daarop delex Plautia Papiriavan de volkstribunen M. Plautius Silvanus en C. Papirius Carbo, die het burgerrecht schonk aan alle Italianen ten zuiden van de Po, die zich binnen 60 dagen bij den praetor urbanus opgaven. Verder delex Pompeiavan Cn. Pompeius Strabo, waarbij hetius Latiiaan de Transpadāni gegeven werd. Deze maatregelen braken het verzet. Toch duurde de strijd ook nog in 88 voort. Midden-Italië was een toonbeeld van verwoesting; honderdduizenden waren omgekomen, Samnium was bijna ontvolkt, vooral Sulla had er op onmenschelijke wijze huis gehouden.Marsigni, suevische volksstam in het O. van Germania, ten noorden van denMons Asciburgius(het Reuzengebergte).Marsus(Domitius), zieDomitiino. 19.Marsyas,Μαρσύας, 1) zoon van Olympus, een Phrygiër, die de fluit vond, welke Athēna had weggeworpen. Hij waagde het met Apollo, die de cither bespeelde, een wedstrijd aan te gaan, en toen hij de nederlaag leed, werd hij levend gevild. De huid werd in een hol bij Celaenae opgehangen en bewoog zich, naar men zeide, vroolijk, wanneer zij op de fluit hoorde spelen.—V. s. had hij ook tot het gevolg van Dionȳsus behoord.—2)van Pella, stiefbroeder van Antigonus, met Alexander den G. opgevoed, later veldheer onder Demetrius Poliorcētes, schrijver eener macedonische geschiedenis (Μακεδονικά).—3)van Philippi, zoon van Critophēmus, geschiedschrijver van lateren tijd dan de vorige, ofschoon zij dikwijls met elkander verward worden.Marsyas,Μαρσύαςnaam van twee rivieren die beide in den Maeander vallen. De eene ontsprong volgens Xenophon op de markt van Celaenae in Phrygia, de andere stroomde door Caria.Martiālis(M. Valerius), epigrammendichter, te Bilbilis in Hispania geboren ± 40 na C., begaf zich, toen hij 24 jaar oud was, naar Rome en kwam bij Nero en diens opvolgers in gunst, vooral bij Domitiānus, die hem hetius trium liberorumschonk en nog andere gunsten verleende. Na Nerva’s dood keerde hij naar Bilbilis terug; eene rijke dame, Marcella, schonk hem daar een landgoed, waar hij ± 100 na C. overleed. Zijne 14 boeken metEpigrammatawaren bij zijne tijdgenooten zeer in trek. Zieapophorēta. Aan de 14 boeken gaat eenliber spectaculorumvooraf, in de handschriftenepigrammaton libergeheeten.Martianus(Aelius), zieMarcianusno. 2.Martianus(Felix Capella), zieMarcianusno. 3.Marus, noordelijke zijrivier van den Donau, die tegenover Carnuntum daarin valt, tgw. March.Maruvium=Marrubium.Mascas,Μασκᾶς, zijtak van den Euphraat, in Mesopotamia.Masinissa,Μασ(σ)ανάσσης, koning der Massylii in O. Numidia, zoon van koning Gala, was te Carthago opgevoed en met de grieksche en rom. letterkunde bekend geworden. In het begin van den tweeden punischen oorlog was hij met hart en ziel aan de zijde van Carthago, waartoe zijne verloving met Sophonisbe, dochter van Hasdrubal, den zoon van Gisco, veel bijdroeg. Daarentegen was Syphax, koning der Massaesylii in W. Numidia, met de Rom. verbonden. Masinissa streed onder Hasdrubal, Hamilcars zoon, in Hispania tegen den rom. veldheer Scipio. De Carthagers zochten ook Syphax voor zich te winnen, hetgeen hun ook gelukte door hem de schoone Sophonisbe, Masinissa’s verloofde, tot vrouw te geven. Inmiddels had Scipio na zijne overwinning bij Baecula (210) onderhandelingen met M. aangeknoopt, en had deze met de hem eigene schranderheid den staat van zaken doorzien, en begrepen dat de vriendschap van Rome voor hem voordeeliger zou wezen dan de overheersching door Carthago, welks zaken hij ook achteruit zag gaan. Het verlies zijner hartstochtelijk beminde Sophonisbe vervulde hem met bitteren haat jegens Carthago. Ondertusschen was zijn vader gestorven, diens opvolger en neef Capusa door een overweldiger Mezetūlus vermoord, en toen M. naar zijn vaderland terugkeerde, had hij met Mezetūlus, Syphax en de Carthagers te kampen en moest zich als gejaagd wild in eene grot in het gebergte schuil houden. Evenwel, de kans keerde; hij herwon een gedeelte van zijn erfland, en toen Scipio in 204 in Africa landde, verbond hij zich met hem. Syphax werd tweemaal verslagen en moest zich gevangen geven; in M’s handen viel ook Sophonisbe. Om deze voor rom. gevangenschap te behoeden, wilde M. haar tot vrouw nemen, doch toen Scipio haar zonder genade opeischte, liet M. haar den gifbeker drinken. Na den slag bij Zama kreeg M. het grootste gedeelte van Syphax’ rijk en regeerde nog ruim eene halve eeuw, tot 149. Daar de grenzen tusschen zijn gebied en dat van Carthago niet nauwkeurig bepaald waren, vond hij gelegenheid de Carthagers bij herhaling met allerlei eischen en strooptochten lastig te vallen, wat door de Rom., niettegenstaande Carthago’s billijke klachten, niet werd tegengegaan. Eindelijk greep de verbitterde stad zelve naar de wapenen (149), waardoor de derde punische oorlog ontbrandde.Afstammelingen van Masinissa.Masistius,Μασίστιος, aanvoerder der perzische ruiterij onder Xerxes, sneuvelde kort voor den slag bij Plataeae.Masias mons,Μάσιον ὄρος, grensgebergte van Armenia en Mesopotamia.Massaesylii,Μασσαισύλιοι, volk in W. Numidia.Massagetae,Μασσαγέται, ruw en woest nomadenvolk tot de Iraniërs behoorend; in de tijden van Cyrus woonden ze in de steppen tusschen de Caspische zee en het Aralmeer; in de dagen van Alexander den Groote woonden ze ten W. en N.W. van Sogdiane, aan den rechteroever van den Oxus.Massicus (mons), berg in het N.W. van Campania, die de grens vormt tusschen Campania en Latium, beroemd door zijn heerlijken wijn.Massilia,Μασσαλία, thans Marseille, eene volkplanting der Phocensers, ongeveer 600 gesticht, reeds vroeg vrijwillig en dus door eenfoedus aequummet Rome verbonden. Massilia was een belangrijke koopstad, waar letteren en wetenschappen in hooge mate bloeiden, zoodat Cicero ze het gallische Athene noemde. Daarom was M. een geliefkoosd verblijf van rijke rom. ballingen. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius koos de stad, die aan beiden verplichting had, in het eerst geen partij. Toen echter de aristocratie de onzijdigheid verbroken had door eene vloot van Pompeius op te nemen, werd M. door Caesar belegerd en na hardnekkige tegenweer en twee zeegevechten ingenomen. Het moest zware oorlogslasten dragen, doch bleef eenecivitas libera et foederataen door handel bloeiende.Massiva, 1) numidische prins, neef van Masinissa.—2)kleinzoon van Masinissa, te Rome door toedoen van Jugurtha vermoord.Massylii,Μασσύλιοι, volk in het O. van Numidia.Mastanabal,Μαστανάβας, jongste zoon van Masinissa en vader van Jugurtha.Mastarna, z.Servius Tullius.Mastiāni, zieBastetanienBastuli.Mastusia,Μαστουσία ἄκρα, 1) berg in Ionia, aan welks helling de stad Smyrna was gebouwd.—2)de zuidelijkste punt van de thracische Chersonēsus.Masurius Sabīnus, beroemd jurist onder Tiberius en volgende keizers, overleden onder Nero. Naar hem heet de school van C. Atēius Capito de sabiniaansche.Matiāna,Ματιανή, Ματιηνή, het N.W. gedeelte van Media, het latere Atropatēne (z.a.).Matiēni, plebejisch geslacht.Matinus, uitspringend gedeelte van den mons Gargānus in Apulia, nabij Horatius’ geboorteplaats Venusia.Matisco, stad der Aedui in het O. van Gallia Transalpīna, aan den Arar (Saône), thans Mâcon.Matius, 1)C. Matius, rom. ridder uit den tijd van Caesar en Cicero, die hem beiden oprecht liefhadden en hoogachtten. Hij was een der edelste en oprechtste figuren van zijn tijd en dikwijls de raadsman van Caesar, bij wien hij ook Cicero’s voorspraak was.—2)Cn. Matius, dichter vanmimi, uit de 1steeeuw. Er zijn nog fragmenten van over.Matralia, z.Matūta.Matrimonium. Een wettig huwelijk kon slechts gesloten worden, wanneer beide partijen hetconubiumhadden. De oudste vorm voor een rom. huwelijk was deconfarreatio, daarna kwam decoëmptioin zwang; van beide huwelijksvormen was deconventio in manumhet gevolg. Decoëmptioechter op zich zelve constitueerde het huwelijk niet; dit geschiedde door denuptiae, waarbij men openlijk ten overstaan van familie en bruiloftsgasten elkander tot man en vrouw aannam, wat bij de confarreatio ten overstaan van priesters geschiedde.Nuptiaezonder coëmptio waren dus ook geldig, er volgde geenemanusuit. Zulk een huwelijksvorm werdususgenoemd. De manus kon dan wel verworven worden door een onafgebroken samenleving van een jaar. Een echtverbintenis kan verbroken worden door een handeling, overeenstemmende met den vorm, waaronder zij gesloten was, ziedivortium. Uit eenmatrimonium iustumoflegitimumvolgde depatria potestasover de kinderen.Matrona, thans Marne, zijtak der Sequana (Seine).Matrona mons, zieAlpes.Matronalia, feest ter eere van Juno Lacīna den 1stenMaart (Calendae feminarum) gevierd, waarbij getrouwde vrouwen in haar tempel op den Esquilīnus om huwelijksgeluk baden en haar bloemen wijdden.Mattiacae (aquae), thans Wiesbaden.Mattiaci, germaansche volksstam, in het tegenw. Nassau, binnen denlimes Germaniae Superioriswonende. In hun gebied hadden de Rom. sterkten aangelegd. De naam van één dezercastellais nog over in Castel tegenover Maintz. De Mattiaci behoorden tot de Catti.Mattium, thans Maden, hoofdstad der Catten, aan de Adrana (Eder).Matūta, Mater Matūta, godin van den dageraad en geïdentificeerd met Ino Leucothea. Bij haar feest op 11 Juli,Matraliagenoemd, droegen de vrouwen de kinderen van hare zusters, en baden eerst voor deze, en daarna voor haar eigene, daar Ino het kind van hare zuster Semele had opgevoed. In werkelijkheid zal dit wel een overblijfsel zijn uit den tijd, dat men een andere opvatting had omtrent bloedverwantschap.Matutīnus(Pater), z.Ianus.MauretaniaofMauritania,Μαυριτανία, ἡ Μαυρουσίων γῆ, het tegenw. Fez en Marokko met een stuk van Algerië, tot aan de rivier de Muluccha (z.a.). Het was rijk aan wild en tam gedierte, bosschen en in de oudheid ook aan koren. Het werd bewoond door een krijgshaftige bevolking, deMauriofMaurusii, die niet zwart van kleur was, niet donkerder van tint dan de bewoners van zuidelijk Europa zijn. Eerst in den jugurthijnschen oorlog kwamen de Rom. met hen in aanraking. Tijdens Caesar heerschten over Mauretania Bocchus (z.a.) en Bogudes. In 25 werd hetsamen met West-Numidia aan Juba II (z.a.) als koninkrijk geschonken. Onder keizer Claudius werd het (in 42 n. C.) ingelijfd. Het eigenlijke Mauretania, met de hoofdstad Tingis (Tanger) werdM. Tingitānagenoemd, het vroegere West-Numidia heetteM. Caesariensisnaar de hoofdstad Caesarēa, vroeger Iol.Mauri, Maurusii,Μαῦροι, Μαυρούσιοι, bewoners van Mauretania. De naamMauriis afkomstig van de Romeinen.Mausoleum van Hadrianus.Mausoleum van Hadrianus.Mausolēum,Μαυσωλεῖον, het prachtige praalgraf, dat bij Halicarnassus voor Mausōlus gesticht was door zijne weduwe Artemisia (z. a.). Op een eenigszins langwerpig voetstuk of onderbouw van ± 37 voet hoog verrees een tempel, omgeven door 36 corinthische zuilen. Op deze rustte een pyramidaal dak, van boven afgeknot en gekroond door een marmeren vierspan. Het geheel was rijk met beeldwerk versierd. Het werd door de ouden onder de zeven wonderen der wereld gerangschikt en kostte drie jaren tijds, terwijl de uitstekendste kunstenaars er aan arbeidden.—De Rom. gebruikten den naammausoleumook voor andere prachtige grafgebouwen, als: hetmausoleum Augustien hetmausoleum Hadriani, welk laatste, schoon ontdaan van zijne versieringen en in een kasteel veranderd, nog te Rome bestaat onder den naam van Engelsburg.Mausōlus,Μαύσωλος, -σολλος, vorst van Carië (377–353), ondersteunde Rhodus, Chius, enz., in den bondgenootenoorlog tegen Athene. Naar hem is het Mausolēum (z.a.) genaamd.Mavors=Mars.Maxentius(M. Aurelius Valerius), rom. keizer 306–312 na C., zoon van Maximiānus. Toen Diocletiānus en Maximianus in 305 hunne keizerlijke waardigheid neerlegden, werden Constantius Chlorus en Galerius, die Caesars waren, tot den rang van Augustus verheven en Valerius Sevērus en Maximīnus Daia tot Caesars benoemd. Constantius Chlorus stierf in 306, zijn zoon Constantīnus werd Caesar in plaats van Severus, die Augustus werd. Maxentius, over zijne uitsluiting verbitterd, maakte zich te Rome van de regeering meester. Zijn vader kwam hem te hulp, doch daar dezen nu ook weder de lust tot heerschen bekroop en hij evenals de zoon weder den titel van Augustus aannam, ontstond er twist en Maximianus werd door Maxentius verdreven. Maxentius maakte zich spoedig veracht en gehaat, en Constantinus trok tegen hem op en versloeg hem in 312 bij den pons Milvius, ten N. van Rome. Op de vlucht verdronk Maxentius in den Tiber.Maximiānus(M. Aurelius Valerius), bijgenaamdHerculius, een ruw maar bekwaam soldaat, van geringe afkomst, klom door zijne wapenfeiten op en werd door Diocletiānus in 285 na C. tot Caesar en in 286 tot Augustus benoemd. Hij streed in Gallia tegen de Bagauden, die hij onderwierp (285), aan den Rijn tegen Franken, Alamannen en Burgundi, en in Afrika. In 305 na C. legde hij, schoon niet vrijwillig, doch onder den drang van Diocletianus, met dezen zijne waardigheid neder. Zie verderMaxentius. Toen Maximianus door zijn zoon verdreven was, nam hij de wijk naar zijn schoonzoon Constantīnus; doch toen hij dezen naar het leven stond, liet C. hem in 310 na C. ter dood brengen.Maximīnus(Iulius Verus), een Thraciër van reusachtigen lichaamsbouw en een dapper krijgsman, bij het leger zeer bemind, stond aan het hoofd van den opstand der Rijntroepen tegen Alexander Sevērus (235 na C.) en werd tot keizer uitgeroepen. Hij vocht flink tegen Germanen, Daciërs en Sarmaten, maar zijn woestheid en wreedheid, waaraan hij nu vrijen teugel vierde, verbitterde volk, senaat en zelfs de troepen. De senaat verklaarde hem in 238 vogelvrij en hij werd met zijn zoon en mederegent L. Julius Verus Maximīnus door zijne eigene troepen in zijn legerkamp vóór Aquileia vermoord.Maximīnus(Galerius Valerius), heette oorspronkelijk Daia, maar kreeg zijn lateren naam van zijn oom, keizer Galerius, die hem adopteerde. Hij werd in 305 n. C. door Diocletiānus tot Caesar benoemd en kreeg het bestuur over het Oosten. Hij was een nietswaardig vorst, zeer bijgeloovig, en een verbitterd vervolger van de Christenen. Bij de verwarring, door Maxentius teweeggebracht, nam ook hij den titel van Augustus aan, in 310. In 313 werd hij te Adrianopel door Licinius verslagen en stierf te Tarsus in Cilicia.Maximus, familienaam in een aantal gentes, vooral in degens Fabia(Fabiino. 14–23) voorkomende. Zie ookgens Valeria(Valeriino. 14 en 16).Maximus(MagnusClemens), een Hispaniër, wierp zich in 383 na C. in Britannia als tegenkeizer tegen Gratiānus op. Na de vermoording van Gratianus werd hij door Theodosius als keizer in het W. erkend, onder voorwaarde dat de 12-jarige Valentinianus II, het zoontje van Gratianus, Italia en Africa zou behouden. Toen Maximus in 387 deze voorwaarde wilde schenden, zond Theodosius zijn veldheer Arbogastes, een Frank, tegen hem af, die hem versloeg en ter dood bracht (388) en Val. II in de heerschappij herstelde.Maximus(Petronius), rom. senator, bracht in 455 na C. Valentiniānus III om en dwong diens weduwe Eudoxia, hem te huwen. Toen Eudoxia vernam, dat Maximus de moordenaar van V. was, riep zij den vandaalschen koning Geiserik uit Africa te hulp (dit bericht is onjuist). Geiserik kwam, plunderde Rome uit en sleepte duizenden gevangenen, ook Eudoxia met twee dochters, naar zijne hoofdstad Carthago mede. Vóór zijne aankomst in Rome echter was Maximus reeds door het verbitterde volk vermoord.Maximus Ephesius, nieuw platonisch wijsgeer, die te Ephesus en te Constantinopel leerde. Men zeide dat hij Iuliānus van het Christendom afvallig gemaakt had, en op grond hiervan werd hij door den proconsul Festus ter dood veroordeeld.Maximus Tyrius, een van de voorloopers der nieuw-platonische school, leefde onder de Antonijnen als leeraar der wijsbegeerte en welsprekendheid in Griekenland en te Rome. 41 verhandelingen van hem zijn bewaard gebleven.Maxyes,Μάξυες, een volksstam in Africa aan het Triton-meer; zij beweerden, volgens het verhaal van Herodotus, van de Trojanen af te stammen, verfden zich met menie, en lieten het haar alleen aan de rechterzijde groeien.Mazaca,τὰ Μάζακα=Caesarēa ad Argaeum.Mazaetullus, zieMezetūlus.Mazaeus,Μαζαῖος, perzisch veldheer onder Darīus Codomannus; hij liet de Macedoniërs ongehinderd over den Euphraat trekken, maar streed dapper bij Arbēla; toen de slag echter in het voordeel der Macedoniërs beslist was, trok hij zich naar Babylon terug en gaf hij die stad zonder tegenstand over; daarvoor maakte Alexander hem satraap van Babylonië. Hij stierf kort daarna (328).Mecōne,Μηκώνη, oude naam van Sicyon.Mecyberna,Μηκύβερνα, havenstad van Olynthus op Chalcidice, ten O. van Olynthus.Medaura=Madaura.Medēa,Μήδεια, dochter van Aeētes en Idyia, berucht door hare tooverkunsten. Uit liefde voor Iāson (z. a.) gaf zij hem de middelen aan de hand om de gouden vacht meester te worden en daarna vluchtte zij met hem uit haar vaderland en werd zij zijne gemalin. Toen Iāson Iolcus belegerde, wist zij in de stad te komen en bewerkte zij op listige wijze den dood van Pelias (z. a.). Daardoor werd Iolcus genomen, Iāson moest echter spoedig weder het land verlaten en ging met haar naar Corinthe, waar zij geruimen tijd gelukkig leefden en drie kinderen kregen. Toen Iāson haar echter verstiet om met Creūsa (no. 4) te huwen, ruimde zij deze door hare toovermiddelen uit den weg en doodde zij hare eigen kinderen om zich op Iāson te wreken; daarna vluchtte zij naar Athene, waar zij bij Aegeus een zoon kreeg, dien zij Medus noemde, maar weldra moest zij ook van hier vluchten daar zij Theseus belaagde; zij ging met haar zoon naar Arīa, waarvan de bewoners sedert Mediërs genoemd werden. Na haar dood werd zij in het Elysium geplaatst en huwde zij met Achilles.Medeon,Μεδεών, naam van verschillende steden. 1) in Acarnania bij de Ambracische golf.—2)op de kust van Phocis, in den heiligen oorlog verwoest.—3)in Boeotia aan het Copaïsche meer.—4)in Dalmatia bij Scodra (Scutari).Media,Μηδία, hoogst belangrijk en volkrijk land van Azië, in het N.W. van Ariāna. Deioces (709) wordt als de stichter van het medische rijk genoemd en van de hoofdstad Ecbatana. De oude hoofdstad was Rhagae. Dit rijk breidde zich ook buiten Media uit, o. a. over het stamverwante Persis. Met Cyrus ging de heerschappij van het medische vorstenhuis in het perzische over (560). Alexander d. G. splitste Media in twee gewesten: Groot-Medië en Atropatēne. Bij dichters is dikwijlsΜῆδοι,Medi= Perzen,Mediook wel = Parthen,Medum flumen= Euphraat.Mediae murus,τὸ Μηδίας τεῖχος. Deze muur, 20 parasangen lang, 100 voet hoog, 20 voet dik, uit gebakken steen opgetrokken en van poorten voorzien, liep van den Euphraat tot den Tigris, van boven Sipphara naar Sittace, en boven het kanalengebied van Babylonia en vormde de scheiding tusschen Mesopotamia en Babylonia, om dit laatste tegen invallen van die zijde te dekken. Volgens de overlevering heeft Semiramis, in werkelijkheid Nebucadnezar den muur gebouwd, om Babylon tegen aanvallen der Meden te beveiligen.Medimnus,μέδιμνος, grieksche inhoudsmaat voor droge waren = 52.5 L.Mediolānum,Μεδιολάνιον(de lat. uitgang-iumkomt slechts voor bij het tegenw. Milaan),naam van verschillende gallische steden. 1) in Gallia Transpadāna, thans Milaan, dat in opschriften steedsMediolaniumheet. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49municipium. In den keizertijd is het zeer belangrijk; in de 4deeeuw n. Chr. is het een der residentiesteden, en woonplaats van denpraefectus praetorio Italiae.—2)in Gallia Transalpīna bij de Santones, thans Saintes; bij de Eburovices, thans Evreux; bij de Bituriges.—3)ook bij de Ordovices, in Britannia.Mediomatrici, volksstam in Belgica, aan de Mosella (Moezel). Hoofdstad Divodūrum (Metz).Medion=Medeonno. 1.Medius Fidius, zieDius Fidius.Medma, grieksche kolonie aan de Westkust van het land der Bruttii, aan een gelijknamig riviertje.Medoacus,Μεδόακος, rivier in Gallia Transpadāna, die langs Patavium (Padua) stroomt en zich in de lagunen der Adriatische zee stort, thans Brenta.Medobrīga, Mundobrīga, stad in Lusitania, dicht bij den mons Herminius, ten N. van den Tagus (Taag).Medocus,Μήδοκος, vorst der Odrysen, vriend van Alcibiades, in 389 door Thrasybūlus tot een bondgenootschap met de Atheners overgehaald.Medon,Μέδων, 1) zoon van Oīleus, vluchtte wegens een moord naar Phylace; voor Troje werd hij door Aenēas gedood.—2)zoon van Codrus, wordt de eerste der atheensche archonten genoemd, waarschijnlijker is het echter dat hij de koninklijke waardigheid van zijn vader erfde, en dat onder zijne regeering het archontaat als een afzonderlijk ambt is ingesteld. Hij was de stamvader der Medontiden, in welk geslacht de waardigheid van archont tot 714 erfelijk bleef.—3)lacedaemonisch beeldhouwer omstreeks 600.Meduli, volkje in Aquitania, aan den mond der Garumna aan den linker oever, omstreeks het tegenw. Medoc.Medulli, volkje aan de Alpenhellingen in Gallia Narbonensis, aan de bronnen der Druentia (Durance), ten N. der Caturiges.Medullia, oude latijnsche stad tusschen den Tiber en den Anio.Medullīnus, familienaam in degens Furia.Medus,Μῆδος, rivier in Persis, stroomt langs Persepolis.Medūsa,Μέδουσα, eene van de Gorgonen, de eenige die sterfelijk was, door Perseus (z.a.) onthoofd. Uit haar romp kwamen Chrysāor en het paard Pegasus (Medusaeus equus) te voorschijn, die Poseidon bij haar verwekt had. Haar hoofd werd door Athēna op de aegis geplaatst.Mefītis=Mephītis.Megabates,Μεγαβάτης, perzisch veldheer, die op raad van Aristagoras (z.a.) door Darīus Hystaspis uitgezonden werd om Naxus te veroveren; om Aristagoras tegen te werken verried hij het plan aan de Naxiërs, zoodat de onderneming mislukte.Megabāzus,Μεγάβαζος, 1) veldheer van Darīus Hystaspis, die den tocht naar Scythië medemaakte en na den terugkeer van Darīus Thracië onderwierp.—2)zoon van Megabates, aanvoerder van de vloot van Xerxes.—3)werd door Artaxerxes I naar Griekenland gezonden om de Spartanen tot een inval in Attica te bewegen, toen de Atheners den opstand van Inaros ondersteunden; hij moest echter onverrichter zake terugkeeren.Megabȳzus,Μεγάβυζος, 1) een van de saamgezworenen tegen den gewaanden Smerdis.—2)zoon van Zopyrus, een van de veldheeren van Xerxes, onder Artaxerxes I satraap van Syrië, overwon Inaros en de met hem verbonden Atheners, en maakte een einde aan den opstand van Aegypte (454). Ontevreden over de handelwijze van den koning tegenover de overwonnenen, stond hij op en, hoewel hij zich spoedig met Artaxerxes verzoende, bleef hij altijd verdacht; hij werd verbannen, ging naar Creta, doch kwam heimelijk naar Susa terug, waar hij eindelijk weder in genade aangenomen werd.Megacles,Μεγακλῆς, 1) Alcmaeonide, atheensch archont tijdens den opstand van Cylon, wiens aanhangers hij in strijd met zijne belofte liet dooden.—2)kleinzoon van den vorigen, aanvoerder der gematigde partij in de burgertwisten na Solon’s vertrek uitAthene, moest voor Pisistratus vluchten (560), kwam daarna terug, en dwong op zijn beurt Pisistratus tweemaal Athene te verlaten, doch moest eindelijk voor goed voor zijn vijand het veld ruimen (537).—3)kleinzoon van den vorigen, zoon van Clisthenes no. 2, grootvader van Alcibiades, overwinnaar in de pythische spelen, tweemaal door het ostracismus verbannen.—4)kleinzoon van no. 2, oom van Pericles.—5)vriend van Pyrrhus van Epīrus, sneuvelde in den slag bij Heraclēa.Megaera,Μέγαιρα, eene van de Erinyen.Megalesia, ofludi Megalenses, feesten, in April gevierd ter eere dermagna mater, Cybele. Zij gingen vergezeld van tooneelvoorstellingen, en wedrennen, en duurden zes dagen, gedurende welke men elkander wederkeerig ter maaltijd noodigde. De patricische vrouwen verrichtten daarbij nagenoeg dezelfde plechtigheden als de plebejische bij de kort daarop volgendeCerealia(z.a.). De priesters van Cybele, de Galli, hielden dan optochten door Rome. DeLudi Megalenseszijn ingesteld in 204, en met de inwijding van den tempel derMagna Materop den Palatinus in 191annuigeworden (z.Ludi).Megalopolis,Μεγάλη πόλις, Μεγαλόπολις, stad in het Z. van Arcadia, in 371 door Epaminondas gesticht als grensvesting tegen Sparta en kunstmatig bevolkt met de inwoners van bijna veertig naburige plaatsen, zoodat het tusschen 60- en 70000 inwoners telde. Later trad de stad tot het achaeïsch verbond toe (zieLydiadas), doch werd in 226 door Cleomenes van Sparta ingenomen en verwoest. Ofschoon zij binnen weinige jaren herbouwd werd, kwam zij toch niet meer tot bloei, maar verviel meer en meer. Megalopolis was de geboorteplaats van Philopoemen en Polybius.Megalophanes,Μεγαλοφάνης, z.Ecdemus.Megapenthes,Μεγαπένθης, 1) zoon van Proetus, regeerde over Tiryns, maar ruilde zijn rijk met Perseus en werd zoo koning van Argos.—2)zoon van Menelāus, verdreef na den dood van zijn vader zijne stiefmoeder Helena uit Sparta.Megara,Μεγάρα, dochter van Creon no. 3, gehuwd met Heracles en later met Iolāus.Megara(gen.Megaraeen-orum),τὰ Μέγαρα, hoofdstad van het staatje Megaris, op den Isthmus, met de havenstadNisaeaen den burchtAlcathoë. Megara was de geboorteplaats van den dichter Theognis en den wijsgeer Euclīdes, den leerling van Socrates.—Over Megara op Sicilia,zieHybla.Megareus,Μεγαρεύς, gewoonlijkMenoeceus, zoon van Creon no. 2, benam zich vrijwillig het leven, toen Thebe door de zeven vorsten belegerd werd, dewijl Tiresias voorspeld had, dat slechts door het offer van een der Sparti de Thebanen in den oorlogoverwinnaarskonden zijn.Megareïus, Hippomenes, zoon van Megareus.Megarici, wijsgeeren uit de megarische school, z.Euclīdesno. 3.Megaris,Μεγαρίς, klein gewest van Griekenland, aan en op den Isthmus, eerst door Ioniërs bevolkt, doch door de Doriërs veroverd. Het staatje lag dikwijls met Athene overhoop en had het dan meestal zwaar te verantwoorden, wanneer de Atheners door afsluiting der grenzen den invoer en het verkeer stremden. Dit was te gemakkelijker, omdat Megaris van Attica door een bergrij gescheiden was, waardoor een pas liep, in de rotsen uitgehouden, terwijl de bergpas, die over den Cithaeron naar Boeotia voerde, niet zonder gevaar was.Megasthenes,Μεγασθένης, 1) van Chalcis, stichter van Cumae in Campanië.—2)vriend en raadsman van Seleucus Nicātor, door dezen veelal voor zendingen naar het buitenland gebruikt. Zoo kwam hij dikwijls in Indië, waar hij de bouwstoffen verzamelde voor een werk over Indië (Ἰνδικά), waarvan nog enkele fragmenten bestaan. Aan hem danken wij de berichten over de Indische kasten, over Boeddhisten en Brahmanen.Meges,Μέγης, zoon van Phyleus, voor Troje aanvoerder der Epeërs of van de troepen uit Dulichium en de Echinaden.Megiddo,Μαγεδδώ, oude stad in Palestina, in het Z.W. van Galilaea. In de nabijheid ontstond later uit eene rom. legerplaats de stadLegio.Megista,Μεγίστη, eilandje en havenstad op de kust van Lycia.Megistias,Μεγιστίας, waarzegger uit Acarnanië, behoorde tot het leger van Leonidas en sneuvelde bij de Thermopylae.Megistus,Μέγιστος=Macestus.Mela(M. Pomponius), uit Hispania, schrijver van een aardrijkskundig werkde chorographiaofde situ orbisin 3 boeken. Hij leefde in den tijd der keizers Caligula en Claudius. Zijn werk is waarschijnlijk eerst na 46 n. Chr. uitgekomen.MelaeofMeles(gen.-ium), vlek in Samnium.Melaena,Μέλαινα, kaap aan de Noordpunt van den berg Mimas, in Ionia, ook Promonturium Atrum geheeten.Melampus,Μελάμπους, zoon van Amythāon en Idomene. Toen hij eens als kind in slaap gevallen was, kropen slangen over zijn lichaam en likten zijne ooren; sedert dien tijd verstond hij de taal der vogels en kon hij de toekomst voorspellen. Zijn broeder Bias dong naar de hand van Pero, de dochter van Neleus, die door haar vader beloofd was aan dengene, die hem de runderen van Iphiclus uit Thessalië zoude brengen. Nadat Bias hiertoe vergeefsche pogingen had aangewend, ondernam Mel. het, ze voor hem te halen, maar voorspelde dat hij ze eerst zou krijgen, na een jaar in de gevangenis doorgebracht te hebben. Inderdaad werd hij door Iphiclus gevangen genomen, maar toen hij na eenigen tijd verzocht naar een ander huis verplaatst te worden, omdat hij van houtwormen gehoord had dat de balken van dat, waarin hij zich bevond, geheel doorgeknaagd waren, zoodat het spoedig zoude instorten, en toen deze voorspelling inderdaad bewaarheid werd, erkende Iphiclus zijne voortreffelijkheid als ziener, en nadat Mel. hem de middelen had aan de hand gedaan, waardoor zijn huwelijk met kinderen gezegend zou worden, gaf hij hem de runderen vrijwillig mede. Eenigen tijd woonde Mel. nu in Messēne, later genas hij de vrouwen van Argos van waanzin (z.Proetides); tot belooning kreeg hij, evenals Bias, een derde van het rijk, en huwde hij met Iphianassa, de dochter van koning Proetus.—V. s. had Mel. den dienst van Dionȳsus in Griekenland ingevoerd.Melanchlaeni,Μελάγχλαινοι, (zwartmantels), nomadenvolk in aziatisch Sarmatia.Melanchrus,Μέλαγχρος, tyran van Mytilēne, door Pittacus, Alcaeus en twee broeders van dezen gedood.Melanippe,Μελανίππη, 1) dochter van Chiron, die aan Aeolus hare liefde schonk. Toen zij moeder worden zou, vluchtte zij uit vrees voor haar vader; op haar gebed werd zij door Artemis in een paard veranderd.—2)moeder van Aeolus (z. a.) en Boeōtus.—3)eene Amazone, zuster van Hippolyte. Heracles nam haar gevangen, en liet haar niet vrij, voordat de koningin hem haar gordel gegeven had.—4)eene van de Meleagrides.Melanippides,Μελανιππίδης, twee dithyrambendichters van Melus, grootvader en kleinzoon; met den laatsten, die op het einde der 5deeeuw leefde, begint het verval van deze dichtsoort.Melanippus,Μελάνιππος, 1) Thebaan, zoon van Astacus, gedroeg zich dapper bij de verdediging van Thebe tegen de zeven vorsten; hij versloeg Tydeus (z. a.), maar werd door Amphiarāus gedood.—2)een van de zonen van Agrius, die Oeneus van de regeering beroofden, waarvoor hij door Diomēdes gedood werd.—3)zoon van Theseus en Perigūna, de dochter van Sinis, overwinnaar in de nemeïsche spelen.Melanthius,Μελάνθιος, 1) geitenhoeder van Odysseus, maakte zich gedurende de afwezigheid van zijn heer aan ontrouw schuldig, en werd hij diens terugkomst op wreede wijze gedood.—2)aanvoerder der atheensche troepen, die aan Aristagoras van Milētus te hulp gezonden werden.—3)atheensch treurspeldichter, zoon van Philocles no. 1, vriend van Cimon.—4)van Rhodus, leerling van Carneades, bekend om zijn aangename wijze van voordragen.—5)schilder van de sicyonische school, leerling van Pamphilus. Hij leefde in de 4deeeuw.Melantho,Μελανθώ, 1) dochter van Deucalion, bij Poseidon moeder van Delphus.—2)een van de dienstmaagden in het huis van Odysseus, zij werd bij zijn terugkomst wegens haar ontrouw gedood.Melanthus,Μέλανθος, zoon van Andropompus, koning van Messēne, werd door de Heracliden verdreven en ging naar Attica. Toen Xanthus, de koning der Boeotiërs, een inval in Attica had gedaan, waagde Mel. een tweegevecht met hem, wat de atheensche koning Thymoetes geweigerd had te ondernemen. Gedurende het gevecht verscheen Dionȳsus achter Xanthus, en toen Mel. hem verweet dat hij niet alleen was, keerde X. zich om, en van dit oogenblik maakte zijn tegenstander gebruik om hem te doorsteken. Mel. werd koning van Attica, en ter herinnering aan de door bedrog behaalde overwinning werd, naar men zegt, het feest der Apaturia ingesteld.Melas,Μέλας, naam van verschillende rivieren, die donker van kleur waren. 1) in Thracia, die ten W. der thracische Chersonēsus in densinus Melas,Μέλας κόλπος, valt.—2)in het thessalische landschap Phthiōtis, zijtak van den Apidanus.—3)in Malis, stroomde langs Heraclēa in de malische golf uit.—4)in Boeotia, tusschen Orchomenus en Asplēdon, ontlast zich in het Copaïsche meer.—5)op Sicilia bij Mylae.—6)op de grenzen van Pamphylia en Cilicia.Melcarth,Μελίκαρθος, phoenicisch zonnegod, door de Grieken met Heracles geïdentificeerd; hij werd vooral te Tyrus vereerd. ZieMelicertes.MeldaeofMeldi,Μελδαί, -δοί, gallisch volk bij de Sequana en den Matrona, met de hoofdstad Iatinum (Meaux).Meleager,Μελέαγρος, 1) zoon van Oeneus en Althaea, geducht speerwerper, nam deel aan den Argonautentocht en was de aanvoerder van de calydonische jacht. Toen deze jacht was afgeloopen, ontstond over den kop en de huid van het gedoode dier, den prijs der overwinning, een bloedigen strijd tusschen de Aetoliërs en de Cureten; zoolang Mel. medestreed, behielden de Aetoliërs de overhand, maar toen zijne moeder hem vervloekte, omdat hij een van hare broeders in het gevecht verslagen had, trok hij zich terug, en de nood was hoog bij de Aetoliërs gestegen, eer hij zich door de beden zijner gemalin liet bewegen zich weder bij de strijdenden te voegen. Hij redde zijne landgenooten, maar werd zelf door Apollo met een pijl gedood.—V. a. waren op den zevenden dag na zijne geboorte de Moerae in de kamer zijner moeder gekomen en hadden gezegd, dat hij sterven zoude, zoodra een op den haard liggend stuk hout verbrand zoude zijn. Daarop nam Althaea het blok haastig uit het vuur en bewaarde het zorgvuldig. Na afloop van de calydonische jacht vereerde Mel. de schoone Atalante, die het zwijn de eerste wond had toegebracht, met de huid van het dier, maar de broeders van Althaea ontnamen haar die met geweld, waarop Mel. hen doodde. Hierover vertoornd, wierp zijne moeder het stuk hout op het vuur, waarop Mel. spoedig stierf.—2)veldheer van Alexander den Gr., bewerkte dat na diens dood Philippus Arrhidaeus tot koning uitgeroepen werd, door wien hij hoopte nevens Perdiccas de grootste macht in handen te krijgen. Deze doorzag echter zijn plan en liet hem met zijne aanhangers bij eene wapenschouwing dooden.—3)zoon van Ptolemaeus Lagi, regeerde na den dood van Ptolemaus Ceraunus twee maanden over Macedonië; daarna werd hij wegens zijne onbekwaamheid weggejaagd.—4)van Gadara, geestig epigrammendichter, maakte ook eene bloemlezing van oudere epigrammen; hij leefde omstreeks 80.Meleagrides,Μελεαγρίδες, vier zusters van Meleager, waarvan twee aanhoudend den dood van haar broeder beweenden, totdat zij door Artemis in parelhoenders veranderd werden.Meles, gen.-ētis,Μέλης, kustriviertje bij Smyrna; in eene bij de bron gelegen grot zou Homerus zijne werken hebben gedicht. VandaarΜελησιγενής= Homerus, en bij TibultusMeleteae chartae= de gedichten van H.Melesses(Maesesses), een afdeeling der Bastetāni, in het Z. van Tarraconensis, met de hoofdstad Oringis (Orongis), en met zilvermijnen in zijn gebied.Melete,Μελέτη, eene van de boeotische Muzen.Melētus,Μέλητος, 1) Athener, verdacht van oligarchische gezindheid en betrokken in het Hermocopidenproces.—2)een van de aanklagers van Socrates. V. s. werd hij kort na Socrates ter dood veroordeeld.—3)tragisch dichter, einde van de vijfde eeuw, misschien de vader van no. 2.Melia,Μελία, 1) nimf, dochter van Oceanus, bij Inachus moeder van Phorōneus en Aegialeus of Phegeus.—2)nimf, bij Poseidon moeder van Amycus.—3)dochter van Oceanus, door Apollo geschaakt en bij hem moeder van Ismenius en Tenerus.Meliades,Μελιάδες, Μελίαι, nimfen, ontstaan uit de bloeddruppels van den verminkten Uranus; zij worden ook voedsters van Zeus genoemd.Melibocus mons, het Harz-gebergte.Meliboea,Μελίβοια, 1) Oceanide, bij Pelasgus moeder van Lycāon.—2)dochter van Niobe, de eenige die niet door Artemis gedood werd. ZieChlorisno. 2.Meliboea,Μελίβοια, zeestad van het thessalischelandschap Magnesia, aan den voet van den Ossa gelegen, woonplaats van Philoctētes,Meliboeus dux.Melicertes,Μελικέρτης, zoon van Athamas (z. a.) en Ino, na zijn dood onder den naam Palaemon onder de godheden der zee opgenomen, door de Romeinen met Portūnus geïdentificeerd. Velen meenen dat hij dezelfde is als de phoenicische god Melcarth. V. s. waren de isthmische spelen oorspronkelijk als lijkfeesten voor Mel. ingesteld, maar later door Theseus aan Poseidon gewijd.Melinno,Μελιννώ, lyrische dichteres uit Locri Epizephyrii, die misschien tegen het einde der eerste eeuw leefde. Van haar bestaat nog een kort gedicht, dat soms aan Erinna wordt toegeschreven.Melische poëzie, z.Lyrische poëzie.Melissa,Μέλισσα, eene nimf, die den menschen het gebruik van honig leerde. Soms worden nimfen in het algemeenμέλισσαιgenoemd, en ook de priesteressen van Demēter en van de ephesische Artemis dragen denzelfden naam.Melisseus,Μελισσεύς, koning van Creta, vader van Adrastēa en Ida, de opvoedsters van Zeus.Melissus,Μέλισσος, 1) Thebaan, zoon van Telesiades, overwinnaar in de nemeïsche spelen.—2)van Samus, admiraal in den oorlog tegen Athene; Pericles leed eenmaal door hem eene nederlaag (441). Als wijsgeer behoorde hij tot de eleatische school; hij was een leerling van Parmenides, en trachtte in zijne geschriften de eenheid, eeuwigheid, onveranderlijkheid en onbewegelijkheid van het bestaande te bewijzen.—3)C. Mel., van Spoletium, vrijgelatene van Maecēnas, schrijver van kluchten (ineptiarum libellus).—4)Aelius Mel., romeinsch grammaticus, schrijver van een werkde loquendi proprietate, leefde in de 2deeeuw na C.Melita,Μελίτη, thans Malta, eil. tusschen Sicilia en Africa, beroemd door het melitensisch lijnwaad en bekend door decatuli Melitaeiof maltezer schoothondjes. Het eil. was eerst phoenicisch, toen carthaagsch, daarna rom.—Ook een eilandje op de dalmatische kust.Melitaea,Μελιταία, -ίτεια, oude stad in het thessalische gewest Phthiōtis; aan den Enīpeus.Melitēne,Μελιτήνη, stad en landschap in het O. van Cappadocia.Mellaria, naam van twee steden in Baetica, de ééne ten N. van Corduba, in Baeturia, de andere aan het fretum Gaditānum (straat van Gibraltar).Μελλείρενες, aanstaandeεἴρενες, spartaansche jongelingen van 18 tot 20 jaar.Μελλέφηβοι, aanstaandeἔφηβοι, atheensche jongelingen van 15 tot 16 jaar.Mel(l)on,Μέλ(λ)ων, rijk Thebaan, moest vluchten toen de Cadmēa door de Spartanen bezet werd (382). Later beijverde hij zich zeer voor de bevrijding van Thebe en was hij tegelijk met Pelopidas boeotarch.Melodūnum, stad in Gallia op een eiland, door de Sequana (Seine) omspoeld, in het gebied der Senones, thans Melun.Melpomene,Μελπομένη.Muze van muziek en zang, in het bizonder van het treurspel. Zij wordt afgebeeld met een tragisch masker in de hand en een krans op het hoofd.Melus,Μῆλος, thans Milo, eiland in de Aegaeische zee, tot de Sporaden gerekend, doch zeer W. en nabij de Cycladen gelegen. Door de ouden werd het rond of appelvormig genoemd, en de naam afgeleid vanμῆλον, appel; dezen vorm heeft het schijnbaar, wanneer men van het W. het eiland nadert, in werkelijkheid is het alles behalve rond. Het heeft een diepen inham, waaraan de gelijknamige stad lag. De bevolking was dorisch. In den peloponnesischen oorlog werd het eil. door de Atheners geblokkeerd en uitgehongerd (416), vandaar spreekwoordelijkλιμὸς Μήλιος. Na de overgaaf werden de mannen omgebracht, en vrouwen en kinderen als slaven verkocht, en atheensche kolonisten er heen gezonden. De bodem van het eiland was warm door vulkanische werking, doch de opstijgende zwaveldampen waren zeer hinderlijk.Memmia(lex) van den volkstribuun C. Memmius in 111, dat Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome moest ontboden worden, om te verklaren, wie geld van hem hadden aangenomen.Memmii, plebejisch geslacht, dat van Aenēas’ tochtgenoot Mnestheus beweerde af te stammen. 1)C. Memmius, volkstribuun in 111, zette het volk op tegen de optimaten, die de eer van Rome veil hadden voor het goud van Jugurtha, en bewerkte dat de senaat een leger tegen hem afzond. Toen hij in 100 met den woesten C. Servilius Glaucia naar het consulaat dong, werd hij door dezen en diens medestander Saturnīnus in de volle volksvergadering om het leven gebracht.—2.C. Memmius, ten onrechteGemellusgenoemd, volkstribuun in 66, praetor in 58 en vervolgens propraetor in Bithynia, werd later wegens omkooping veroordeeld en ging in ballingschap naar Griekenland, waar hij in 47 stierf. Hij was een goed redenaar. Aan hem droeg Lucretius zijn gedichtde rerum naturaop. Hij stond in geregelde briefwisseling met Cicero.—3)C. Memmius, stiefzoon van Sulla en volkstribuun in 54, klaagde A. Gabinius en C. Rabirius Postumus aan, die door Cicero werden verdedigd.—4)P. Memmius Regulussteunde Macro bij zijn pogingen om Seiānus ten val te brengen. Later was hij proconsul van Achaia, Macedonia en Moesia (sedert 36 n. C.). Caligula dwong hem zijne vrouw Lollia Paullīna aan hem af te staan. Hij stierf in 61.Memnon,Μέμνων, 1) zoon van Tithōnus en Eos, kwam met de Aethiopiërs van het Oosten (z.Aethiopes) Priamus te hulp en verrichtte vele heldendaden, o. a. doodde hij Antilochus; eindelijk werd hij door Achilles verslagen. Om Eos te troosten, gaf Zeus hem de onsterfelijkheid. Uit zijn brandstapel stegen vogels op (Memnonides), die ieder jaar zijn graf bezoeken en daar te zijner eere een wedstrijd houden.—Door eene verwarring tusschen de oostelijke en westelijke Aethiopiërs zijn vele verhalen omtrent M. ontstaan, die moeielijkmet elkander zijn overeen te brengen; zijn graf toonde men aan den Hellespont, in Phoenicië en in Aethiopië, en verscheiden kolossale gebouwen werden naar hem genoemd, o. a. de koningsburcht van SusaΜεμνόνια, en vooral een reusachtig beeld bij Thebe in Aegypte, waarvan door een aardbeving het bovenste gedeelte afgebroken was, en dat sedert dien tijd, wanneer het door de opgaande zon beschenen werd, een geluid gaf als een springende snaar. Uit het onderzoek van de nog bestaande overblijfsels van dit beeld is gebleken, dat het den oud-aegyptischen koning Amenophis III (omstreeks 1500) voorstelde.—2)van Rhodus, bekwaam aanvoerder der grieksche huurtroepen van Darīus Codomannus. Bij den inval van Alexander den G. stelde hij voor Klein-Azië prijs te geven, met de vloot Alexander van Europa af te snijden, en in Griekenland en Macedonië bewegingen tegen hem in het leven te roepen; zijn raad werd echter niet opgevolgd. Na den slag bij den Granīcus verdedigde hij Milētus en Halicarnassus, veroverde hij als bevelhebber der vloot Chius, Lesbus, enz., en stelde hij zich in betrekking met Agis; reeds was hij op het punt naar Europa over te steken, toen hij bij het beleg van Mytilēne ziek werd en stierf (334).—3)schrijver van eene geschiedenis van het pontische Heraclēa, waarvan enkele fragmenten bestaan. Hij leefde in de tweede eeuw na C.Memphis,Μέμφις, oude belangrijke stad van Aegypte, even boven het begin der Nijldelta, 5 uren gaans in omtrek, met prachtige tempels en paleizen. Vooral de god Phtha en de stier Apis werden hier vereerd. In den omtrek vond men een aantal pyramiden.Men,Μήν, 1) maangod bij de Phrygiërs.—2)=Menes.Menae,Μεναί, bergstad der Siculi, aan den weg van Catana naar Gela, geboorteplaats van Ducetius. In de nabijheid lag de bron Menaïs, waarbij de inwoners zwoeren.Menaechmus,Μέναιχμος, 1) van Naupactus, beeldhouwer omstreeks 500.—2)van Sicyon, tijdgenoot van Alexander den G., beeldhouwer en geschiedschrijver.—3)wiskundige, van wiens werken een fragment bewaard is. Van zijn leven is niets bekend.Menaenum,Μέναινον, stad der Siculi, ten W. van Syracūsae, stichting van Ducetius.Menalippe=Melanippe.Menander,Μένανδρος, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, nam deel aan den tocht naar Sicilië en aan den slag bij Aegospotami.—2)zoon van Diopīthes, geb. 342, vriend van Theophrastus, Epicūrus en Demetrius Phalēreus. Hij is de voornaamste dichter der nieuwe attische comedie en schreef, naar men meent, meer dan 100 stukken, waarvan de juiste karakterteekening, de goed gevonden toestanden en de beschaafde toon geroemd worden. Slechts achtmaal werd hem een prijs toegekend, toch waren zijne werken zoo bekend, dat Ptolemaeus Lagi hem trachtte over te halen naar Alexandrië te komen; hij bleef echter te Athene, waar hij, 52 jaar oud, in het bad verongelukte. Van zijne comedies zijn sommige door Terentius e. a. in het Latijn bewerkt. Tal van verzen uit zijne werken worden door lateren geciteerd; ook zijn nog zeer onlangs belangrijke fragmenten van sommige stukken van hem gevonden.—3)van Ephesus, schrijver eener geschiedenis van Phoenicië.—4)leerling van Diogenes no. 2.Menapii,Μενάπιοι, belgisch volk, dat door de Usipetes en Tencteri van den Rijn tot over de Mosa (Maas) werd gedrongen, te midden van bosschen en moerassen. Hetcastellum Menapiorumis òf het tegenw. Kessel op den linker Maasoever tusschen Roermond en Venlo, òf, daar de Menapii later meer westelijk wonen, Cassel in het Departement du Nord, dat ook wel voor een Castellum Morinorum aangezien wordt. Verder ligt in hun land Turnacum, tgw. Doornik.Menas,Μηνᾶς=Menodōrus.MendeofMendae,Μένδη, Μένδαι, kolonie van Eretria, op het chalcidische schiereiland Pallēne, aan de golf van Thermae.Mendes, gen.-ētis,Μένδης, stad in de Nijldelta aan den mendesischen rivierarm, zetel van den eeredienst van den God Mendes, die als zinnebeeld der voortbrengende natuurkracht onder de gedaante van een bok werd voorgesteld en door de Grieken met Pan werd vereenzelvigd.Mendesium ostium,Μενδήσιον στόμα, een van de Nijlmonden, ten O. van den Phatnitischen mond gelegen.Mēne,Μήνη=Sēlene.Menecles,Μενεκλῆς, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten Cicero hoorde.Meneclīdas,Μενεκλείδας, thebaansch volksredenaar, vijand van Epaminondas en Pelopidas, wegens zijn kuiperijen tot geldboete veroordeeld.Menecrates,Μενεκράτης, 1) wijsgeer der eleatische school, leerling van Xenophanes, schrijver van aardrijkskundige werken.—2)van Syracuse, geneesheer ten tijde van Philippus van Macedonië, die zich door zijne ijdelheid belachelijk maakte.—3)verdienstelijk geneesheer onder Tiberius.—4)vrijgelatene van Pompeius, aanvoerder van de vloot van Sextus Pompeius; in een zeeslag bij Cumae werd zijn schip genomen en hij stortte zich in zee.—5)citharoede, in groot aanzien bij Nero.Menedēmus,Μενέδημος, 1) veldheer van Alexander d. G.—2)van Eretria, zoon van Clisthenes, leerling van Plato en Stilpo, daarna leeraar der wijsbegeerte te Eretria, en stichter der eretrische school. Hij bekleedde er aanzienlijke staatsambten, maar werd van verraad beschuldigd en vluchtte naar Antigonus Gonātas. Zijne leefwijze was eenvoudig en zijn omgang aangenaam, bij voorkeur hield hij zich bezig met de studie van oude dichters.—3)van Lampsacus, cynisch wijsgeer van de uiterste richting.—4)rhetor te Athene omstreeks 94.—5)Macedoniër; die door zijn gastvriend Iulius Caesar het romeinsche burgerrecht kreeg.Menelāi portus,Μενελάιος λιμήν, havenstad in het O. van Cyrenaica, in het gebied der Gilligammae, volgens de mythe door Menelāus gesticht. Hier stierf Agesilāus van Sparta in 358 op den terugweg uit Aegypte.Menelaium,Μενελάιον, berg in Laconica ten Z.O. van Sparta, bij Therapne, met een heiligdom voor Menelāus.Menelāus,Μενέλαος, 1) zoon van Atreus of Plisthenes, broeder van Agamemnon (z. a.), gehuwd met Helena (z. a.), de dochter van Tyndareos, van wien hij de regeering over Sparta erft. Aan den trojaanschen oorlog neemt hij met 60 schepen deel, hij gaat met Odysseus naar Troje om Helena terug te vorderen, maar deze eisch wordt afgewezen. In den oorlog verricht hij onder bescherming van Athēna en Hera vele heldendaden, hij overwint Paris in een tweegevecht, ofschoon Aphrodīte zijn vijand uit zijne handen redt, strijdt met Hector en Aenēas, verdedigt het lijk van Patroclus en begeeft zich met het houten paard in de stad. Op zijn terugreis wordt hij bij kaap Malea door een storm overvallen, die hem naar Aegypte drijft, en eerst nadat hij 8 jaar rondgezworven had, keerde hij in zijn rijk terug. Hier leefde hij nog lang met Helena in vrede, rijkdom en geluk, eindelijk werd hij met haar naar het Elysium verplaatst. Niettemin werd hun graf bij Therapne getoond, waar te hunner eer een tempel was en spelen gevierd werden.—2)onechte zoon van Amyntas II; daar Phillippus hem niet vertrouwde en zijn leven bedreigde, ging hij bij de Atheners in dienst.—3)broeder van Ptolemaeus Lagi, verdedigde Salamis op Cyprus tegen Demetrius Poliorcētes, doch moest zich na eene langdurige en dappere verdediging overgeven (306).—4)van Marathus, onderwees Ti. Gracchus in de welsprekendheid.—5)beeldhouwer uit den tijd van keizer Tiberius. Van hem is de bekende groep Orestes en Electra, vroeger in Villa Ludovisi, tgw. in het Museo Nazionale te Rome.—6)van Alexandria, beroemd wis- en sterrenkundige, omstreeks 100 n.C. Hij heeft zich vooral bezig gehouden met trigonometrie en sphaerische astronomie.Menenia(lex)agraria, z.Maenia(Menenia) (lex)agraria.
Marīnus,Μαρῖνος, 1) beroemd ontleedkundige aan het einde der eerste eeuw n. C., wiens werken verloren zijn.—2)van Tyrus, een aardrijkskundige in de 2deeeuw na C., de eerste die de ligging van plaatsen naar lengte- en breedtegraden bepaalde. Ptolemaeus heeft van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.
Maris, Marisus,Μάρις, Μάρισος, thans Marosj, riv. in Dacia, zijtak der Tisia (Theiss). Herodotus en Strabo meenden, dat het een zijtak was van den Donau.
Marium,Μάριον, stad op de NW. kust van Cyprus, waarschijnlijk het latere Arsinoe.
Marmarica,Μαρμαρική, thans Barca, landstreek op de Noordkust van Afrika tusschen Aegypte en Cyrenaïca. Hierin ligt hetAmmonium. Gewoonlijk wordt Marmarica tot Cyrenaïca gerekend.
Marmessus, Marmyssus,Μερμησσός=Marpessusno. 1.
Maro, zieVergilii.
Maroboduus, zieMarcomanni.
Marobūdum,Μαρόβουδον, eens de hoofdstad der Marcomanni, thans Budweis.
Maron,Μὰρων, 1) zoon van Euanthes, Oenopion, Silēnus of Dionȳsus, priester van Apollo te Ismarus, waar hij later zelf een heiligdom had.—2)zoon van Orsiphantus, een van de dapperste Spartanen, die in den slag bij de Thermopylae sneuvelde.
Maronēa,Μαρώνεια, ionische volkplanting in het gebied der Cicones op de thracische kust, beroemd om zijn heerlijken wijn. De stad wordt ook Orthagorēa genoemd.
Marpessa,Μάρπησσα, gemalin van Idas (z. a.), moeder van Cleopatra no. 2.
Marpessa, -sus,Μάρπησος, -σσος, 1) dorp in het gebied van Gergis in Troas, geboorteplaats van ééne der Sibyllen.—2)berg op Parus.Marpesia cautes= parisch marmer.
Marrubiumof-vium, stad der Marsi aan den lacus Fucinus.Marruvia gens= Marsi.
Marrucīni,Μαρρουκῖνοι, klein, doch dapper volk in Samnium aan de Adriatische zee, ten O. der Vestini. Hoofdstad: Teāte.
Marruvium=Marrubium.
Mars, italiaansche god vooral van den oorlog, wien de maand Maart gewijd is, dien men als MarsSilvānusenAverruncusaanriep, te wiens eere het feest derAmbarvaliain Mei door de landlieden met offers en vroolijke optochten gevierd werd, en die ook in het lied derfratres arvālesbezongen werd. Bij het houden van hetlustrumwerd het bekende offer vanzwijn, ramenstier, desuovetaurilia, aan hem gebracht, en de romeinsche burgers zijn daarvoor op het Marsveld(campus Martius) alsexercitusopgesteld. Wanneer de grieksche godenleer in Italië doordringt, wordt Mars vereenzelvigd met den griekschen Ares, en bij hetlectisternium(zie aldaar) van 217 werd het beeld van Venus (Aphrodite) naast het zijne geplaatst. Hij gaat de rom. legers voor in den strijd (Gradīvus), zegent hunne wapenen (Quirīnus), voert hen tot de overwinning (Victor) en brengt op die wijze ook den vrede terug (Pacifer); als vader van Romulus en Remus is hij als het ware de vader van het rom. volk (Pater, Marspiter), dat hij voortdurend blijft bewaken (Custos,Conservātor). Wanneer een leger ten oorlog zou trekken, ging de aanvoerder in den ouden tempel van Mars in de regia en riep daar zijne bescherming in, terwijl hij tegen de heilige lans, het symbool van den god, en tegen deanciliasloeg. Ook de oefeningen in den wapenhandel, de gladiatorengevechten en ruiterlijke spelen stonden onder zijne bescherming, en de oudtijds daarvoor bestemde plaats was naar hem genoemd (Campus Martius). De wolf, de specht, de stier en het paard waren hem geheiligd. Zijn dienst wordt waargenomen door een eigen priester, denflamen Martiālis.—Hij wordt gewoonlijk afgebeeld als een jong strijder met helm en lans, soms op een strijdwagen zittend.
Marsacii, een volksstam aan of bij een der monden van den Rijn, misschien in Zeeland, wonend.
Marsi,Μάρσοι, 1) samnietisch volk op de grenzen van Latium, rondom het meer Fucinus, in eene streek, geheel door bergen ingesloten. In 304 tot een bondgenootschap met Rome gedwongen, bewaarden zij een diepen haat tegen de Rom., die in den bondgenootenoorlog, in 90, tot uitbarsting kwam. Hunne hoofdstad was Marruvium. Zij bezaten veel kennis van geneeskrachtige kruiden en stonden bekend als goede wondheelers, als slangenbezweerders en ook als toovenaars; vandaarMarsa naenia= tooverspreuk. De mythe laat hen dan ook afstammen van een zoon van Circe.—2)germaansch volk aan de tegenw. Ruhr, bondgenooten der Cherusci tegen Varus. Germanicus dreef hen terug, en sedert verdwijnt hun naam.
Marsicum bellum, aldus genaamd omdat de Marsi er het hoofdvolk van waren, ook welbellum Italicumofbellum sociorumgenoemd. De trotschheid, waarmede Rome na Carthago’s val de italische bondgenooten bejegende, had diepen wrok opgewekt, die nog werd aangevuurd, toen de pogingen van M. Livius Drusus en anderen, om hun het burgerrecht te verschaffen, verijdeld werden. Een aantal volken van samnietischen stam, Marsen, Paeligners, Lucaniërs, Campaniërs, vereenigde zich tot een bond, zij maakten Corfinium tot hunne bondshoofdstad onder den naam Italica, en kozen een senaat, twee consuls en 12 praetoren. Twee jaar lang werd er met verbittering gestreden. Slag op slag werd geleverd. De voornaamste aanvoerders derbondgenooten waren Pompaedius Silo, C. Papius Mutilus, Vettius Cato, Pontius Telesīnus, Marius Egnatius. Onder de rom. veldheeren onderscheidden zich Cn. Pompeius Strabo (consul in 89) en L. Cornelius Sulla, eerst als praetor, in 88 als consul. Reeds in den winter van 90 waren de Romeinen door den dreigenden afval van Umbria en Etruria genoodzaakt, door delex Juliavan den consul L. Julius Caesar aan de trouwgebleven bondgenooten, die het wenschten, het burgerrecht te geven. In het begin van 89 volgde daarop delex Plautia Papiriavan de volkstribunen M. Plautius Silvanus en C. Papirius Carbo, die het burgerrecht schonk aan alle Italianen ten zuiden van de Po, die zich binnen 60 dagen bij den praetor urbanus opgaven. Verder delex Pompeiavan Cn. Pompeius Strabo, waarbij hetius Latiiaan de Transpadāni gegeven werd. Deze maatregelen braken het verzet. Toch duurde de strijd ook nog in 88 voort. Midden-Italië was een toonbeeld van verwoesting; honderdduizenden waren omgekomen, Samnium was bijna ontvolkt, vooral Sulla had er op onmenschelijke wijze huis gehouden.
Marsigni, suevische volksstam in het O. van Germania, ten noorden van denMons Asciburgius(het Reuzengebergte).
Marsus(Domitius), zieDomitiino. 19.
Marsyas,Μαρσύας, 1) zoon van Olympus, een Phrygiër, die de fluit vond, welke Athēna had weggeworpen. Hij waagde het met Apollo, die de cither bespeelde, een wedstrijd aan te gaan, en toen hij de nederlaag leed, werd hij levend gevild. De huid werd in een hol bij Celaenae opgehangen en bewoog zich, naar men zeide, vroolijk, wanneer zij op de fluit hoorde spelen.—V. s. had hij ook tot het gevolg van Dionȳsus behoord.—2)van Pella, stiefbroeder van Antigonus, met Alexander den G. opgevoed, later veldheer onder Demetrius Poliorcētes, schrijver eener macedonische geschiedenis (Μακεδονικά).—3)van Philippi, zoon van Critophēmus, geschiedschrijver van lateren tijd dan de vorige, ofschoon zij dikwijls met elkander verward worden.
Marsyas,Μαρσύαςnaam van twee rivieren die beide in den Maeander vallen. De eene ontsprong volgens Xenophon op de markt van Celaenae in Phrygia, de andere stroomde door Caria.
Martiālis(M. Valerius), epigrammendichter, te Bilbilis in Hispania geboren ± 40 na C., begaf zich, toen hij 24 jaar oud was, naar Rome en kwam bij Nero en diens opvolgers in gunst, vooral bij Domitiānus, die hem hetius trium liberorumschonk en nog andere gunsten verleende. Na Nerva’s dood keerde hij naar Bilbilis terug; eene rijke dame, Marcella, schonk hem daar een landgoed, waar hij ± 100 na C. overleed. Zijne 14 boeken metEpigrammatawaren bij zijne tijdgenooten zeer in trek. Zieapophorēta. Aan de 14 boeken gaat eenliber spectaculorumvooraf, in de handschriftenepigrammaton libergeheeten.
Martianus(Aelius), zieMarcianusno. 2.
Martianus(Felix Capella), zieMarcianusno. 3.
Marus, noordelijke zijrivier van den Donau, die tegenover Carnuntum daarin valt, tgw. March.
Maruvium=Marrubium.
Mascas,Μασκᾶς, zijtak van den Euphraat, in Mesopotamia.
Masinissa,Μασ(σ)ανάσσης, koning der Massylii in O. Numidia, zoon van koning Gala, was te Carthago opgevoed en met de grieksche en rom. letterkunde bekend geworden. In het begin van den tweeden punischen oorlog was hij met hart en ziel aan de zijde van Carthago, waartoe zijne verloving met Sophonisbe, dochter van Hasdrubal, den zoon van Gisco, veel bijdroeg. Daarentegen was Syphax, koning der Massaesylii in W. Numidia, met de Rom. verbonden. Masinissa streed onder Hasdrubal, Hamilcars zoon, in Hispania tegen den rom. veldheer Scipio. De Carthagers zochten ook Syphax voor zich te winnen, hetgeen hun ook gelukte door hem de schoone Sophonisbe, Masinissa’s verloofde, tot vrouw te geven. Inmiddels had Scipio na zijne overwinning bij Baecula (210) onderhandelingen met M. aangeknoopt, en had deze met de hem eigene schranderheid den staat van zaken doorzien, en begrepen dat de vriendschap van Rome voor hem voordeeliger zou wezen dan de overheersching door Carthago, welks zaken hij ook achteruit zag gaan. Het verlies zijner hartstochtelijk beminde Sophonisbe vervulde hem met bitteren haat jegens Carthago. Ondertusschen was zijn vader gestorven, diens opvolger en neef Capusa door een overweldiger Mezetūlus vermoord, en toen M. naar zijn vaderland terugkeerde, had hij met Mezetūlus, Syphax en de Carthagers te kampen en moest zich als gejaagd wild in eene grot in het gebergte schuil houden. Evenwel, de kans keerde; hij herwon een gedeelte van zijn erfland, en toen Scipio in 204 in Africa landde, verbond hij zich met hem. Syphax werd tweemaal verslagen en moest zich gevangen geven; in M’s handen viel ook Sophonisbe. Om deze voor rom. gevangenschap te behoeden, wilde M. haar tot vrouw nemen, doch toen Scipio haar zonder genade opeischte, liet M. haar den gifbeker drinken. Na den slag bij Zama kreeg M. het grootste gedeelte van Syphax’ rijk en regeerde nog ruim eene halve eeuw, tot 149. Daar de grenzen tusschen zijn gebied en dat van Carthago niet nauwkeurig bepaald waren, vond hij gelegenheid de Carthagers bij herhaling met allerlei eischen en strooptochten lastig te vallen, wat door de Rom., niettegenstaande Carthago’s billijke klachten, niet werd tegengegaan. Eindelijk greep de verbitterde stad zelve naar de wapenen (149), waardoor de derde punische oorlog ontbrandde.
Afstammelingen van Masinissa.
Masistius,Μασίστιος, aanvoerder der perzische ruiterij onder Xerxes, sneuvelde kort voor den slag bij Plataeae.
Masias mons,Μάσιον ὄρος, grensgebergte van Armenia en Mesopotamia.
Massaesylii,Μασσαισύλιοι, volk in W. Numidia.
Massagetae,Μασσαγέται, ruw en woest nomadenvolk tot de Iraniërs behoorend; in de tijden van Cyrus woonden ze in de steppen tusschen de Caspische zee en het Aralmeer; in de dagen van Alexander den Groote woonden ze ten W. en N.W. van Sogdiane, aan den rechteroever van den Oxus.
Massicus (mons), berg in het N.W. van Campania, die de grens vormt tusschen Campania en Latium, beroemd door zijn heerlijken wijn.
Massilia,Μασσαλία, thans Marseille, eene volkplanting der Phocensers, ongeveer 600 gesticht, reeds vroeg vrijwillig en dus door eenfoedus aequummet Rome verbonden. Massilia was een belangrijke koopstad, waar letteren en wetenschappen in hooge mate bloeiden, zoodat Cicero ze het gallische Athene noemde. Daarom was M. een geliefkoosd verblijf van rijke rom. ballingen. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius koos de stad, die aan beiden verplichting had, in het eerst geen partij. Toen echter de aristocratie de onzijdigheid verbroken had door eene vloot van Pompeius op te nemen, werd M. door Caesar belegerd en na hardnekkige tegenweer en twee zeegevechten ingenomen. Het moest zware oorlogslasten dragen, doch bleef eenecivitas libera et foederataen door handel bloeiende.
Massiva, 1) numidische prins, neef van Masinissa.—2)kleinzoon van Masinissa, te Rome door toedoen van Jugurtha vermoord.
Massylii,Μασσύλιοι, volk in het O. van Numidia.
Mastanabal,Μαστανάβας, jongste zoon van Masinissa en vader van Jugurtha.
Mastarna, z.Servius Tullius.
Mastiāni, zieBastetanienBastuli.
Mastusia,Μαστουσία ἄκρα, 1) berg in Ionia, aan welks helling de stad Smyrna was gebouwd.—2)de zuidelijkste punt van de thracische Chersonēsus.
Masurius Sabīnus, beroemd jurist onder Tiberius en volgende keizers, overleden onder Nero. Naar hem heet de school van C. Atēius Capito de sabiniaansche.
Matiāna,Ματιανή, Ματιηνή, het N.W. gedeelte van Media, het latere Atropatēne (z.a.).
Matiēni, plebejisch geslacht.
Matinus, uitspringend gedeelte van den mons Gargānus in Apulia, nabij Horatius’ geboorteplaats Venusia.
Matisco, stad der Aedui in het O. van Gallia Transalpīna, aan den Arar (Saône), thans Mâcon.
Matius, 1)C. Matius, rom. ridder uit den tijd van Caesar en Cicero, die hem beiden oprecht liefhadden en hoogachtten. Hij was een der edelste en oprechtste figuren van zijn tijd en dikwijls de raadsman van Caesar, bij wien hij ook Cicero’s voorspraak was.—2)Cn. Matius, dichter vanmimi, uit de 1steeeuw. Er zijn nog fragmenten van over.
Matralia, z.Matūta.
Matrimonium. Een wettig huwelijk kon slechts gesloten worden, wanneer beide partijen hetconubiumhadden. De oudste vorm voor een rom. huwelijk was deconfarreatio, daarna kwam decoëmptioin zwang; van beide huwelijksvormen was deconventio in manumhet gevolg. Decoëmptioechter op zich zelve constitueerde het huwelijk niet; dit geschiedde door denuptiae, waarbij men openlijk ten overstaan van familie en bruiloftsgasten elkander tot man en vrouw aannam, wat bij de confarreatio ten overstaan van priesters geschiedde.Nuptiaezonder coëmptio waren dus ook geldig, er volgde geenemanusuit. Zulk een huwelijksvorm werdususgenoemd. De manus kon dan wel verworven worden door een onafgebroken samenleving van een jaar. Een echtverbintenis kan verbroken worden door een handeling, overeenstemmende met den vorm, waaronder zij gesloten was, ziedivortium. Uit eenmatrimonium iustumoflegitimumvolgde depatria potestasover de kinderen.
Matrona, thans Marne, zijtak der Sequana (Seine).Matrona mons, zieAlpes.
Matronalia, feest ter eere van Juno Lacīna den 1stenMaart (Calendae feminarum) gevierd, waarbij getrouwde vrouwen in haar tempel op den Esquilīnus om huwelijksgeluk baden en haar bloemen wijdden.
Mattiacae (aquae), thans Wiesbaden.
Mattiaci, germaansche volksstam, in het tegenw. Nassau, binnen denlimes Germaniae Superioriswonende. In hun gebied hadden de Rom. sterkten aangelegd. De naam van één dezercastellais nog over in Castel tegenover Maintz. De Mattiaci behoorden tot de Catti.
Mattium, thans Maden, hoofdstad der Catten, aan de Adrana (Eder).
Matūta, Mater Matūta, godin van den dageraad en geïdentificeerd met Ino Leucothea. Bij haar feest op 11 Juli,Matraliagenoemd, droegen de vrouwen de kinderen van hare zusters, en baden eerst voor deze, en daarna voor haar eigene, daar Ino het kind van hare zuster Semele had opgevoed. In werkelijkheid zal dit wel een overblijfsel zijn uit den tijd, dat men een andere opvatting had omtrent bloedverwantschap.
Matutīnus(Pater), z.Ianus.
MauretaniaofMauritania,Μαυριτανία, ἡ Μαυρουσίων γῆ, het tegenw. Fez en Marokko met een stuk van Algerië, tot aan de rivier de Muluccha (z.a.). Het was rijk aan wild en tam gedierte, bosschen en in de oudheid ook aan koren. Het werd bewoond door een krijgshaftige bevolking, deMauriofMaurusii, die niet zwart van kleur was, niet donkerder van tint dan de bewoners van zuidelijk Europa zijn. Eerst in den jugurthijnschen oorlog kwamen de Rom. met hen in aanraking. Tijdens Caesar heerschten over Mauretania Bocchus (z.a.) en Bogudes. In 25 werd hetsamen met West-Numidia aan Juba II (z.a.) als koninkrijk geschonken. Onder keizer Claudius werd het (in 42 n. C.) ingelijfd. Het eigenlijke Mauretania, met de hoofdstad Tingis (Tanger) werdM. Tingitānagenoemd, het vroegere West-Numidia heetteM. Caesariensisnaar de hoofdstad Caesarēa, vroeger Iol.
Mauri, Maurusii,Μαῦροι, Μαυρούσιοι, bewoners van Mauretania. De naamMauriis afkomstig van de Romeinen.
Mausoleum van Hadrianus.Mausoleum van Hadrianus.
Mausoleum van Hadrianus.
Mausolēum,Μαυσωλεῖον, het prachtige praalgraf, dat bij Halicarnassus voor Mausōlus gesticht was door zijne weduwe Artemisia (z. a.). Op een eenigszins langwerpig voetstuk of onderbouw van ± 37 voet hoog verrees een tempel, omgeven door 36 corinthische zuilen. Op deze rustte een pyramidaal dak, van boven afgeknot en gekroond door een marmeren vierspan. Het geheel was rijk met beeldwerk versierd. Het werd door de ouden onder de zeven wonderen der wereld gerangschikt en kostte drie jaren tijds, terwijl de uitstekendste kunstenaars er aan arbeidden.—De Rom. gebruikten den naammausoleumook voor andere prachtige grafgebouwen, als: hetmausoleum Augustien hetmausoleum Hadriani, welk laatste, schoon ontdaan van zijne versieringen en in een kasteel veranderd, nog te Rome bestaat onder den naam van Engelsburg.
Mausōlus,Μαύσωλος, -σολλος, vorst van Carië (377–353), ondersteunde Rhodus, Chius, enz., in den bondgenootenoorlog tegen Athene. Naar hem is het Mausolēum (z.a.) genaamd.
Mavors=Mars.
Maxentius(M. Aurelius Valerius), rom. keizer 306–312 na C., zoon van Maximiānus. Toen Diocletiānus en Maximianus in 305 hunne keizerlijke waardigheid neerlegden, werden Constantius Chlorus en Galerius, die Caesars waren, tot den rang van Augustus verheven en Valerius Sevērus en Maximīnus Daia tot Caesars benoemd. Constantius Chlorus stierf in 306, zijn zoon Constantīnus werd Caesar in plaats van Severus, die Augustus werd. Maxentius, over zijne uitsluiting verbitterd, maakte zich te Rome van de regeering meester. Zijn vader kwam hem te hulp, doch daar dezen nu ook weder de lust tot heerschen bekroop en hij evenals de zoon weder den titel van Augustus aannam, ontstond er twist en Maximianus werd door Maxentius verdreven. Maxentius maakte zich spoedig veracht en gehaat, en Constantinus trok tegen hem op en versloeg hem in 312 bij den pons Milvius, ten N. van Rome. Op de vlucht verdronk Maxentius in den Tiber.
Maximiānus(M. Aurelius Valerius), bijgenaamdHerculius, een ruw maar bekwaam soldaat, van geringe afkomst, klom door zijne wapenfeiten op en werd door Diocletiānus in 285 na C. tot Caesar en in 286 tot Augustus benoemd. Hij streed in Gallia tegen de Bagauden, die hij onderwierp (285), aan den Rijn tegen Franken, Alamannen en Burgundi, en in Afrika. In 305 na C. legde hij, schoon niet vrijwillig, doch onder den drang van Diocletianus, met dezen zijne waardigheid neder. Zie verderMaxentius. Toen Maximianus door zijn zoon verdreven was, nam hij de wijk naar zijn schoonzoon Constantīnus; doch toen hij dezen naar het leven stond, liet C. hem in 310 na C. ter dood brengen.
Maximīnus(Iulius Verus), een Thraciër van reusachtigen lichaamsbouw en een dapper krijgsman, bij het leger zeer bemind, stond aan het hoofd van den opstand der Rijntroepen tegen Alexander Sevērus (235 na C.) en werd tot keizer uitgeroepen. Hij vocht flink tegen Germanen, Daciërs en Sarmaten, maar zijn woestheid en wreedheid, waaraan hij nu vrijen teugel vierde, verbitterde volk, senaat en zelfs de troepen. De senaat verklaarde hem in 238 vogelvrij en hij werd met zijn zoon en mederegent L. Julius Verus Maximīnus door zijne eigene troepen in zijn legerkamp vóór Aquileia vermoord.
Maximīnus(Galerius Valerius), heette oorspronkelijk Daia, maar kreeg zijn lateren naam van zijn oom, keizer Galerius, die hem adopteerde. Hij werd in 305 n. C. door Diocletiānus tot Caesar benoemd en kreeg het bestuur over het Oosten. Hij was een nietswaardig vorst, zeer bijgeloovig, en een verbitterd vervolger van de Christenen. Bij de verwarring, door Maxentius teweeggebracht, nam ook hij den titel van Augustus aan, in 310. In 313 werd hij te Adrianopel door Licinius verslagen en stierf te Tarsus in Cilicia.
Maximus, familienaam in een aantal gentes, vooral in degens Fabia(Fabiino. 14–23) voorkomende. Zie ookgens Valeria(Valeriino. 14 en 16).
Maximus(MagnusClemens), een Hispaniër, wierp zich in 383 na C. in Britannia als tegenkeizer tegen Gratiānus op. Na de vermoording van Gratianus werd hij door Theodosius als keizer in het W. erkend, onder voorwaarde dat de 12-jarige Valentinianus II, het zoontje van Gratianus, Italia en Africa zou behouden. Toen Maximus in 387 deze voorwaarde wilde schenden, zond Theodosius zijn veldheer Arbogastes, een Frank, tegen hem af, die hem versloeg en ter dood bracht (388) en Val. II in de heerschappij herstelde.
Maximus(Petronius), rom. senator, bracht in 455 na C. Valentiniānus III om en dwong diens weduwe Eudoxia, hem te huwen. Toen Eudoxia vernam, dat Maximus de moordenaar van V. was, riep zij den vandaalschen koning Geiserik uit Africa te hulp (dit bericht is onjuist). Geiserik kwam, plunderde Rome uit en sleepte duizenden gevangenen, ook Eudoxia met twee dochters, naar zijne hoofdstad Carthago mede. Vóór zijne aankomst in Rome echter was Maximus reeds door het verbitterde volk vermoord.
Maximus Ephesius, nieuw platonisch wijsgeer, die te Ephesus en te Constantinopel leerde. Men zeide dat hij Iuliānus van het Christendom afvallig gemaakt had, en op grond hiervan werd hij door den proconsul Festus ter dood veroordeeld.
Maximus Tyrius, een van de voorloopers der nieuw-platonische school, leefde onder de Antonijnen als leeraar der wijsbegeerte en welsprekendheid in Griekenland en te Rome. 41 verhandelingen van hem zijn bewaard gebleven.
Maxyes,Μάξυες, een volksstam in Africa aan het Triton-meer; zij beweerden, volgens het verhaal van Herodotus, van de Trojanen af te stammen, verfden zich met menie, en lieten het haar alleen aan de rechterzijde groeien.
Mazaca,τὰ Μάζακα=Caesarēa ad Argaeum.
Mazaetullus, zieMezetūlus.
Mazaeus,Μαζαῖος, perzisch veldheer onder Darīus Codomannus; hij liet de Macedoniërs ongehinderd over den Euphraat trekken, maar streed dapper bij Arbēla; toen de slag echter in het voordeel der Macedoniërs beslist was, trok hij zich naar Babylon terug en gaf hij die stad zonder tegenstand over; daarvoor maakte Alexander hem satraap van Babylonië. Hij stierf kort daarna (328).
Mecōne,Μηκώνη, oude naam van Sicyon.
Mecyberna,Μηκύβερνα, havenstad van Olynthus op Chalcidice, ten O. van Olynthus.
Medaura=Madaura.
Medēa,Μήδεια, dochter van Aeētes en Idyia, berucht door hare tooverkunsten. Uit liefde voor Iāson (z. a.) gaf zij hem de middelen aan de hand om de gouden vacht meester te worden en daarna vluchtte zij met hem uit haar vaderland en werd zij zijne gemalin. Toen Iāson Iolcus belegerde, wist zij in de stad te komen en bewerkte zij op listige wijze den dood van Pelias (z. a.). Daardoor werd Iolcus genomen, Iāson moest echter spoedig weder het land verlaten en ging met haar naar Corinthe, waar zij geruimen tijd gelukkig leefden en drie kinderen kregen. Toen Iāson haar echter verstiet om met Creūsa (no. 4) te huwen, ruimde zij deze door hare toovermiddelen uit den weg en doodde zij hare eigen kinderen om zich op Iāson te wreken; daarna vluchtte zij naar Athene, waar zij bij Aegeus een zoon kreeg, dien zij Medus noemde, maar weldra moest zij ook van hier vluchten daar zij Theseus belaagde; zij ging met haar zoon naar Arīa, waarvan de bewoners sedert Mediërs genoemd werden. Na haar dood werd zij in het Elysium geplaatst en huwde zij met Achilles.
Medeon,Μεδεών, naam van verschillende steden. 1) in Acarnania bij de Ambracische golf.—2)op de kust van Phocis, in den heiligen oorlog verwoest.—3)in Boeotia aan het Copaïsche meer.—4)in Dalmatia bij Scodra (Scutari).
Media,Μηδία, hoogst belangrijk en volkrijk land van Azië, in het N.W. van Ariāna. Deioces (709) wordt als de stichter van het medische rijk genoemd en van de hoofdstad Ecbatana. De oude hoofdstad was Rhagae. Dit rijk breidde zich ook buiten Media uit, o. a. over het stamverwante Persis. Met Cyrus ging de heerschappij van het medische vorstenhuis in het perzische over (560). Alexander d. G. splitste Media in twee gewesten: Groot-Medië en Atropatēne. Bij dichters is dikwijlsΜῆδοι,Medi= Perzen,Mediook wel = Parthen,Medum flumen= Euphraat.
Mediae murus,τὸ Μηδίας τεῖχος. Deze muur, 20 parasangen lang, 100 voet hoog, 20 voet dik, uit gebakken steen opgetrokken en van poorten voorzien, liep van den Euphraat tot den Tigris, van boven Sipphara naar Sittace, en boven het kanalengebied van Babylonia en vormde de scheiding tusschen Mesopotamia en Babylonia, om dit laatste tegen invallen van die zijde te dekken. Volgens de overlevering heeft Semiramis, in werkelijkheid Nebucadnezar den muur gebouwd, om Babylon tegen aanvallen der Meden te beveiligen.
Medimnus,μέδιμνος, grieksche inhoudsmaat voor droge waren = 52.5 L.
Mediolānum,Μεδιολάνιον(de lat. uitgang-iumkomt slechts voor bij het tegenw. Milaan),naam van verschillende gallische steden. 1) in Gallia Transpadāna, thans Milaan, dat in opschriften steedsMediolaniumheet. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49municipium. In den keizertijd is het zeer belangrijk; in de 4deeeuw n. Chr. is het een der residentiesteden, en woonplaats van denpraefectus praetorio Italiae.—2)in Gallia Transalpīna bij de Santones, thans Saintes; bij de Eburovices, thans Evreux; bij de Bituriges.—3)ook bij de Ordovices, in Britannia.
Mediomatrici, volksstam in Belgica, aan de Mosella (Moezel). Hoofdstad Divodūrum (Metz).
Medion=Medeonno. 1.
Medius Fidius, zieDius Fidius.
Medma, grieksche kolonie aan de Westkust van het land der Bruttii, aan een gelijknamig riviertje.
Medoacus,Μεδόακος, rivier in Gallia Transpadāna, die langs Patavium (Padua) stroomt en zich in de lagunen der Adriatische zee stort, thans Brenta.
Medobrīga, Mundobrīga, stad in Lusitania, dicht bij den mons Herminius, ten N. van den Tagus (Taag).
Medocus,Μήδοκος, vorst der Odrysen, vriend van Alcibiades, in 389 door Thrasybūlus tot een bondgenootschap met de Atheners overgehaald.
Medon,Μέδων, 1) zoon van Oīleus, vluchtte wegens een moord naar Phylace; voor Troje werd hij door Aenēas gedood.—2)zoon van Codrus, wordt de eerste der atheensche archonten genoemd, waarschijnlijker is het echter dat hij de koninklijke waardigheid van zijn vader erfde, en dat onder zijne regeering het archontaat als een afzonderlijk ambt is ingesteld. Hij was de stamvader der Medontiden, in welk geslacht de waardigheid van archont tot 714 erfelijk bleef.—3)lacedaemonisch beeldhouwer omstreeks 600.
Meduli, volkje in Aquitania, aan den mond der Garumna aan den linker oever, omstreeks het tegenw. Medoc.
Medulli, volkje aan de Alpenhellingen in Gallia Narbonensis, aan de bronnen der Druentia (Durance), ten N. der Caturiges.
Medullia, oude latijnsche stad tusschen den Tiber en den Anio.
Medullīnus, familienaam in degens Furia.
Medus,Μῆδος, rivier in Persis, stroomt langs Persepolis.
Medūsa,Μέδουσα, eene van de Gorgonen, de eenige die sterfelijk was, door Perseus (z.a.) onthoofd. Uit haar romp kwamen Chrysāor en het paard Pegasus (Medusaeus equus) te voorschijn, die Poseidon bij haar verwekt had. Haar hoofd werd door Athēna op de aegis geplaatst.
Mefītis=Mephītis.
Megabates,Μεγαβάτης, perzisch veldheer, die op raad van Aristagoras (z.a.) door Darīus Hystaspis uitgezonden werd om Naxus te veroveren; om Aristagoras tegen te werken verried hij het plan aan de Naxiërs, zoodat de onderneming mislukte.
Megabāzus,Μεγάβαζος, 1) veldheer van Darīus Hystaspis, die den tocht naar Scythië medemaakte en na den terugkeer van Darīus Thracië onderwierp.—2)zoon van Megabates, aanvoerder van de vloot van Xerxes.—3)werd door Artaxerxes I naar Griekenland gezonden om de Spartanen tot een inval in Attica te bewegen, toen de Atheners den opstand van Inaros ondersteunden; hij moest echter onverrichter zake terugkeeren.
Megabȳzus,Μεγάβυζος, 1) een van de saamgezworenen tegen den gewaanden Smerdis.—2)zoon van Zopyrus, een van de veldheeren van Xerxes, onder Artaxerxes I satraap van Syrië, overwon Inaros en de met hem verbonden Atheners, en maakte een einde aan den opstand van Aegypte (454). Ontevreden over de handelwijze van den koning tegenover de overwonnenen, stond hij op en, hoewel hij zich spoedig met Artaxerxes verzoende, bleef hij altijd verdacht; hij werd verbannen, ging naar Creta, doch kwam heimelijk naar Susa terug, waar hij eindelijk weder in genade aangenomen werd.
Megacles,Μεγακλῆς, 1) Alcmaeonide, atheensch archont tijdens den opstand van Cylon, wiens aanhangers hij in strijd met zijne belofte liet dooden.—2)kleinzoon van den vorigen, aanvoerder der gematigde partij in de burgertwisten na Solon’s vertrek uitAthene, moest voor Pisistratus vluchten (560), kwam daarna terug, en dwong op zijn beurt Pisistratus tweemaal Athene te verlaten, doch moest eindelijk voor goed voor zijn vijand het veld ruimen (537).—3)kleinzoon van den vorigen, zoon van Clisthenes no. 2, grootvader van Alcibiades, overwinnaar in de pythische spelen, tweemaal door het ostracismus verbannen.—4)kleinzoon van no. 2, oom van Pericles.—5)vriend van Pyrrhus van Epīrus, sneuvelde in den slag bij Heraclēa.
Megaera,Μέγαιρα, eene van de Erinyen.
Megalesia, ofludi Megalenses, feesten, in April gevierd ter eere dermagna mater, Cybele. Zij gingen vergezeld van tooneelvoorstellingen, en wedrennen, en duurden zes dagen, gedurende welke men elkander wederkeerig ter maaltijd noodigde. De patricische vrouwen verrichtten daarbij nagenoeg dezelfde plechtigheden als de plebejische bij de kort daarop volgendeCerealia(z.a.). De priesters van Cybele, de Galli, hielden dan optochten door Rome. DeLudi Megalenseszijn ingesteld in 204, en met de inwijding van den tempel derMagna Materop den Palatinus in 191annuigeworden (z.Ludi).
Megalopolis,Μεγάλη πόλις, Μεγαλόπολις, stad in het Z. van Arcadia, in 371 door Epaminondas gesticht als grensvesting tegen Sparta en kunstmatig bevolkt met de inwoners van bijna veertig naburige plaatsen, zoodat het tusschen 60- en 70000 inwoners telde. Later trad de stad tot het achaeïsch verbond toe (zieLydiadas), doch werd in 226 door Cleomenes van Sparta ingenomen en verwoest. Ofschoon zij binnen weinige jaren herbouwd werd, kwam zij toch niet meer tot bloei, maar verviel meer en meer. Megalopolis was de geboorteplaats van Philopoemen en Polybius.
Megalophanes,Μεγαλοφάνης, z.Ecdemus.
Megapenthes,Μεγαπένθης, 1) zoon van Proetus, regeerde over Tiryns, maar ruilde zijn rijk met Perseus en werd zoo koning van Argos.—2)zoon van Menelāus, verdreef na den dood van zijn vader zijne stiefmoeder Helena uit Sparta.
Megara,Μεγάρα, dochter van Creon no. 3, gehuwd met Heracles en later met Iolāus.
Megara(gen.Megaraeen-orum),τὰ Μέγαρα, hoofdstad van het staatje Megaris, op den Isthmus, met de havenstadNisaeaen den burchtAlcathoë. Megara was de geboorteplaats van den dichter Theognis en den wijsgeer Euclīdes, den leerling van Socrates.—Over Megara op Sicilia,zieHybla.
Megareus,Μεγαρεύς, gewoonlijkMenoeceus, zoon van Creon no. 2, benam zich vrijwillig het leven, toen Thebe door de zeven vorsten belegerd werd, dewijl Tiresias voorspeld had, dat slechts door het offer van een der Sparti de Thebanen in den oorlogoverwinnaarskonden zijn.
Megareïus, Hippomenes, zoon van Megareus.
Megarici, wijsgeeren uit de megarische school, z.Euclīdesno. 3.
Megaris,Μεγαρίς, klein gewest van Griekenland, aan en op den Isthmus, eerst door Ioniërs bevolkt, doch door de Doriërs veroverd. Het staatje lag dikwijls met Athene overhoop en had het dan meestal zwaar te verantwoorden, wanneer de Atheners door afsluiting der grenzen den invoer en het verkeer stremden. Dit was te gemakkelijker, omdat Megaris van Attica door een bergrij gescheiden was, waardoor een pas liep, in de rotsen uitgehouden, terwijl de bergpas, die over den Cithaeron naar Boeotia voerde, niet zonder gevaar was.
Megasthenes,Μεγασθένης, 1) van Chalcis, stichter van Cumae in Campanië.—2)vriend en raadsman van Seleucus Nicātor, door dezen veelal voor zendingen naar het buitenland gebruikt. Zoo kwam hij dikwijls in Indië, waar hij de bouwstoffen verzamelde voor een werk over Indië (Ἰνδικά), waarvan nog enkele fragmenten bestaan. Aan hem danken wij de berichten over de Indische kasten, over Boeddhisten en Brahmanen.
Meges,Μέγης, zoon van Phyleus, voor Troje aanvoerder der Epeërs of van de troepen uit Dulichium en de Echinaden.
Megiddo,Μαγεδδώ, oude stad in Palestina, in het Z.W. van Galilaea. In de nabijheid ontstond later uit eene rom. legerplaats de stadLegio.
Megista,Μεγίστη, eilandje en havenstad op de kust van Lycia.
Megistias,Μεγιστίας, waarzegger uit Acarnanië, behoorde tot het leger van Leonidas en sneuvelde bij de Thermopylae.
Megistus,Μέγιστος=Macestus.
Mela(M. Pomponius), uit Hispania, schrijver van een aardrijkskundig werkde chorographiaofde situ orbisin 3 boeken. Hij leefde in den tijd der keizers Caligula en Claudius. Zijn werk is waarschijnlijk eerst na 46 n. Chr. uitgekomen.
MelaeofMeles(gen.-ium), vlek in Samnium.
Melaena,Μέλαινα, kaap aan de Noordpunt van den berg Mimas, in Ionia, ook Promonturium Atrum geheeten.
Melampus,Μελάμπους, zoon van Amythāon en Idomene. Toen hij eens als kind in slaap gevallen was, kropen slangen over zijn lichaam en likten zijne ooren; sedert dien tijd verstond hij de taal der vogels en kon hij de toekomst voorspellen. Zijn broeder Bias dong naar de hand van Pero, de dochter van Neleus, die door haar vader beloofd was aan dengene, die hem de runderen van Iphiclus uit Thessalië zoude brengen. Nadat Bias hiertoe vergeefsche pogingen had aangewend, ondernam Mel. het, ze voor hem te halen, maar voorspelde dat hij ze eerst zou krijgen, na een jaar in de gevangenis doorgebracht te hebben. Inderdaad werd hij door Iphiclus gevangen genomen, maar toen hij na eenigen tijd verzocht naar een ander huis verplaatst te worden, omdat hij van houtwormen gehoord had dat de balken van dat, waarin hij zich bevond, geheel doorgeknaagd waren, zoodat het spoedig zoude instorten, en toen deze voorspelling inderdaad bewaarheid werd, erkende Iphiclus zijne voortreffelijkheid als ziener, en nadat Mel. hem de middelen had aan de hand gedaan, waardoor zijn huwelijk met kinderen gezegend zou worden, gaf hij hem de runderen vrijwillig mede. Eenigen tijd woonde Mel. nu in Messēne, later genas hij de vrouwen van Argos van waanzin (z.Proetides); tot belooning kreeg hij, evenals Bias, een derde van het rijk, en huwde hij met Iphianassa, de dochter van koning Proetus.—V. s. had Mel. den dienst van Dionȳsus in Griekenland ingevoerd.
Melanchlaeni,Μελάγχλαινοι, (zwartmantels), nomadenvolk in aziatisch Sarmatia.
Melanchrus,Μέλαγχρος, tyran van Mytilēne, door Pittacus, Alcaeus en twee broeders van dezen gedood.
Melanippe,Μελανίππη, 1) dochter van Chiron, die aan Aeolus hare liefde schonk. Toen zij moeder worden zou, vluchtte zij uit vrees voor haar vader; op haar gebed werd zij door Artemis in een paard veranderd.—2)moeder van Aeolus (z. a.) en Boeōtus.—3)eene Amazone, zuster van Hippolyte. Heracles nam haar gevangen, en liet haar niet vrij, voordat de koningin hem haar gordel gegeven had.—4)eene van de Meleagrides.
Melanippides,Μελανιππίδης, twee dithyrambendichters van Melus, grootvader en kleinzoon; met den laatsten, die op het einde der 5deeeuw leefde, begint het verval van deze dichtsoort.
Melanippus,Μελάνιππος, 1) Thebaan, zoon van Astacus, gedroeg zich dapper bij de verdediging van Thebe tegen de zeven vorsten; hij versloeg Tydeus (z. a.), maar werd door Amphiarāus gedood.—2)een van de zonen van Agrius, die Oeneus van de regeering beroofden, waarvoor hij door Diomēdes gedood werd.—3)zoon van Theseus en Perigūna, de dochter van Sinis, overwinnaar in de nemeïsche spelen.
Melanthius,Μελάνθιος, 1) geitenhoeder van Odysseus, maakte zich gedurende de afwezigheid van zijn heer aan ontrouw schuldig, en werd hij diens terugkomst op wreede wijze gedood.—2)aanvoerder der atheensche troepen, die aan Aristagoras van Milētus te hulp gezonden werden.—3)atheensch treurspeldichter, zoon van Philocles no. 1, vriend van Cimon.—4)van Rhodus, leerling van Carneades, bekend om zijn aangename wijze van voordragen.—5)schilder van de sicyonische school, leerling van Pamphilus. Hij leefde in de 4deeeuw.
Melantho,Μελανθώ, 1) dochter van Deucalion, bij Poseidon moeder van Delphus.—2)een van de dienstmaagden in het huis van Odysseus, zij werd bij zijn terugkomst wegens haar ontrouw gedood.
Melanthus,Μέλανθος, zoon van Andropompus, koning van Messēne, werd door de Heracliden verdreven en ging naar Attica. Toen Xanthus, de koning der Boeotiërs, een inval in Attica had gedaan, waagde Mel. een tweegevecht met hem, wat de atheensche koning Thymoetes geweigerd had te ondernemen. Gedurende het gevecht verscheen Dionȳsus achter Xanthus, en toen Mel. hem verweet dat hij niet alleen was, keerde X. zich om, en van dit oogenblik maakte zijn tegenstander gebruik om hem te doorsteken. Mel. werd koning van Attica, en ter herinnering aan de door bedrog behaalde overwinning werd, naar men zegt, het feest der Apaturia ingesteld.
Melas,Μέλας, naam van verschillende rivieren, die donker van kleur waren. 1) in Thracia, die ten W. der thracische Chersonēsus in densinus Melas,Μέλας κόλπος, valt.—2)in het thessalische landschap Phthiōtis, zijtak van den Apidanus.—3)in Malis, stroomde langs Heraclēa in de malische golf uit.—4)in Boeotia, tusschen Orchomenus en Asplēdon, ontlast zich in het Copaïsche meer.—5)op Sicilia bij Mylae.—6)op de grenzen van Pamphylia en Cilicia.
Melcarth,Μελίκαρθος, phoenicisch zonnegod, door de Grieken met Heracles geïdentificeerd; hij werd vooral te Tyrus vereerd. ZieMelicertes.
MeldaeofMeldi,Μελδαί, -δοί, gallisch volk bij de Sequana en den Matrona, met de hoofdstad Iatinum (Meaux).
Meleager,Μελέαγρος, 1) zoon van Oeneus en Althaea, geducht speerwerper, nam deel aan den Argonautentocht en was de aanvoerder van de calydonische jacht. Toen deze jacht was afgeloopen, ontstond over den kop en de huid van het gedoode dier, den prijs der overwinning, een bloedigen strijd tusschen de Aetoliërs en de Cureten; zoolang Mel. medestreed, behielden de Aetoliërs de overhand, maar toen zijne moeder hem vervloekte, omdat hij een van hare broeders in het gevecht verslagen had, trok hij zich terug, en de nood was hoog bij de Aetoliërs gestegen, eer hij zich door de beden zijner gemalin liet bewegen zich weder bij de strijdenden te voegen. Hij redde zijne landgenooten, maar werd zelf door Apollo met een pijl gedood.—V. a. waren op den zevenden dag na zijne geboorte de Moerae in de kamer zijner moeder gekomen en hadden gezegd, dat hij sterven zoude, zoodra een op den haard liggend stuk hout verbrand zoude zijn. Daarop nam Althaea het blok haastig uit het vuur en bewaarde het zorgvuldig. Na afloop van de calydonische jacht vereerde Mel. de schoone Atalante, die het zwijn de eerste wond had toegebracht, met de huid van het dier, maar de broeders van Althaea ontnamen haar die met geweld, waarop Mel. hen doodde. Hierover vertoornd, wierp zijne moeder het stuk hout op het vuur, waarop Mel. spoedig stierf.—2)veldheer van Alexander den Gr., bewerkte dat na diens dood Philippus Arrhidaeus tot koning uitgeroepen werd, door wien hij hoopte nevens Perdiccas de grootste macht in handen te krijgen. Deze doorzag echter zijn plan en liet hem met zijne aanhangers bij eene wapenschouwing dooden.—3)zoon van Ptolemaeus Lagi, regeerde na den dood van Ptolemaus Ceraunus twee maanden over Macedonië; daarna werd hij wegens zijne onbekwaamheid weggejaagd.—4)van Gadara, geestig epigrammendichter, maakte ook eene bloemlezing van oudere epigrammen; hij leefde omstreeks 80.
Meleagrides,Μελεαγρίδες, vier zusters van Meleager, waarvan twee aanhoudend den dood van haar broeder beweenden, totdat zij door Artemis in parelhoenders veranderd werden.
Meles, gen.-ētis,Μέλης, kustriviertje bij Smyrna; in eene bij de bron gelegen grot zou Homerus zijne werken hebben gedicht. VandaarΜελησιγενής= Homerus, en bij TibultusMeleteae chartae= de gedichten van H.
Melesses(Maesesses), een afdeeling der Bastetāni, in het Z. van Tarraconensis, met de hoofdstad Oringis (Orongis), en met zilvermijnen in zijn gebied.
Melete,Μελέτη, eene van de boeotische Muzen.
Melētus,Μέλητος, 1) Athener, verdacht van oligarchische gezindheid en betrokken in het Hermocopidenproces.—2)een van de aanklagers van Socrates. V. s. werd hij kort na Socrates ter dood veroordeeld.—3)tragisch dichter, einde van de vijfde eeuw, misschien de vader van no. 2.
Melia,Μελία, 1) nimf, dochter van Oceanus, bij Inachus moeder van Phorōneus en Aegialeus of Phegeus.—2)nimf, bij Poseidon moeder van Amycus.—3)dochter van Oceanus, door Apollo geschaakt en bij hem moeder van Ismenius en Tenerus.
Meliades,Μελιάδες, Μελίαι, nimfen, ontstaan uit de bloeddruppels van den verminkten Uranus; zij worden ook voedsters van Zeus genoemd.
Melibocus mons, het Harz-gebergte.
Meliboea,Μελίβοια, 1) Oceanide, bij Pelasgus moeder van Lycāon.—2)dochter van Niobe, de eenige die niet door Artemis gedood werd. ZieChlorisno. 2.
Meliboea,Μελίβοια, zeestad van het thessalischelandschap Magnesia, aan den voet van den Ossa gelegen, woonplaats van Philoctētes,Meliboeus dux.
Melicertes,Μελικέρτης, zoon van Athamas (z. a.) en Ino, na zijn dood onder den naam Palaemon onder de godheden der zee opgenomen, door de Romeinen met Portūnus geïdentificeerd. Velen meenen dat hij dezelfde is als de phoenicische god Melcarth. V. s. waren de isthmische spelen oorspronkelijk als lijkfeesten voor Mel. ingesteld, maar later door Theseus aan Poseidon gewijd.
Melinno,Μελιννώ, lyrische dichteres uit Locri Epizephyrii, die misschien tegen het einde der eerste eeuw leefde. Van haar bestaat nog een kort gedicht, dat soms aan Erinna wordt toegeschreven.
Melische poëzie, z.Lyrische poëzie.
Melissa,Μέλισσα, eene nimf, die den menschen het gebruik van honig leerde. Soms worden nimfen in het algemeenμέλισσαιgenoemd, en ook de priesteressen van Demēter en van de ephesische Artemis dragen denzelfden naam.
Melisseus,Μελισσεύς, koning van Creta, vader van Adrastēa en Ida, de opvoedsters van Zeus.
Melissus,Μέλισσος, 1) Thebaan, zoon van Telesiades, overwinnaar in de nemeïsche spelen.—2)van Samus, admiraal in den oorlog tegen Athene; Pericles leed eenmaal door hem eene nederlaag (441). Als wijsgeer behoorde hij tot de eleatische school; hij was een leerling van Parmenides, en trachtte in zijne geschriften de eenheid, eeuwigheid, onveranderlijkheid en onbewegelijkheid van het bestaande te bewijzen.—3)C. Mel., van Spoletium, vrijgelatene van Maecēnas, schrijver van kluchten (ineptiarum libellus).—4)Aelius Mel., romeinsch grammaticus, schrijver van een werkde loquendi proprietate, leefde in de 2deeeuw na C.
Melita,Μελίτη, thans Malta, eil. tusschen Sicilia en Africa, beroemd door het melitensisch lijnwaad en bekend door decatuli Melitaeiof maltezer schoothondjes. Het eil. was eerst phoenicisch, toen carthaagsch, daarna rom.—Ook een eilandje op de dalmatische kust.
Melitaea,Μελιταία, -ίτεια, oude stad in het thessalische gewest Phthiōtis; aan den Enīpeus.
Melitēne,Μελιτήνη, stad en landschap in het O. van Cappadocia.
Mellaria, naam van twee steden in Baetica, de ééne ten N. van Corduba, in Baeturia, de andere aan het fretum Gaditānum (straat van Gibraltar).
Μελλείρενες, aanstaandeεἴρενες, spartaansche jongelingen van 18 tot 20 jaar.
Μελλέφηβοι, aanstaandeἔφηβοι, atheensche jongelingen van 15 tot 16 jaar.
Mel(l)on,Μέλ(λ)ων, rijk Thebaan, moest vluchten toen de Cadmēa door de Spartanen bezet werd (382). Later beijverde hij zich zeer voor de bevrijding van Thebe en was hij tegelijk met Pelopidas boeotarch.
Melodūnum, stad in Gallia op een eiland, door de Sequana (Seine) omspoeld, in het gebied der Senones, thans Melun.
Melpomene,Μελπομένη.Muze van muziek en zang, in het bizonder van het treurspel. Zij wordt afgebeeld met een tragisch masker in de hand en een krans op het hoofd.
Melus,Μῆλος, thans Milo, eiland in de Aegaeische zee, tot de Sporaden gerekend, doch zeer W. en nabij de Cycladen gelegen. Door de ouden werd het rond of appelvormig genoemd, en de naam afgeleid vanμῆλον, appel; dezen vorm heeft het schijnbaar, wanneer men van het W. het eiland nadert, in werkelijkheid is het alles behalve rond. Het heeft een diepen inham, waaraan de gelijknamige stad lag. De bevolking was dorisch. In den peloponnesischen oorlog werd het eil. door de Atheners geblokkeerd en uitgehongerd (416), vandaar spreekwoordelijkλιμὸς Μήλιος. Na de overgaaf werden de mannen omgebracht, en vrouwen en kinderen als slaven verkocht, en atheensche kolonisten er heen gezonden. De bodem van het eiland was warm door vulkanische werking, doch de opstijgende zwaveldampen waren zeer hinderlijk.
Memmia(lex) van den volkstribuun C. Memmius in 111, dat Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome moest ontboden worden, om te verklaren, wie geld van hem hadden aangenomen.
Memmii, plebejisch geslacht, dat van Aenēas’ tochtgenoot Mnestheus beweerde af te stammen. 1)C. Memmius, volkstribuun in 111, zette het volk op tegen de optimaten, die de eer van Rome veil hadden voor het goud van Jugurtha, en bewerkte dat de senaat een leger tegen hem afzond. Toen hij in 100 met den woesten C. Servilius Glaucia naar het consulaat dong, werd hij door dezen en diens medestander Saturnīnus in de volle volksvergadering om het leven gebracht.—2.C. Memmius, ten onrechteGemellusgenoemd, volkstribuun in 66, praetor in 58 en vervolgens propraetor in Bithynia, werd later wegens omkooping veroordeeld en ging in ballingschap naar Griekenland, waar hij in 47 stierf. Hij was een goed redenaar. Aan hem droeg Lucretius zijn gedichtde rerum naturaop. Hij stond in geregelde briefwisseling met Cicero.—3)C. Memmius, stiefzoon van Sulla en volkstribuun in 54, klaagde A. Gabinius en C. Rabirius Postumus aan, die door Cicero werden verdedigd.—4)P. Memmius Regulussteunde Macro bij zijn pogingen om Seiānus ten val te brengen. Later was hij proconsul van Achaia, Macedonia en Moesia (sedert 36 n. C.). Caligula dwong hem zijne vrouw Lollia Paullīna aan hem af te staan. Hij stierf in 61.
Memnon,Μέμνων, 1) zoon van Tithōnus en Eos, kwam met de Aethiopiërs van het Oosten (z.Aethiopes) Priamus te hulp en verrichtte vele heldendaden, o. a. doodde hij Antilochus; eindelijk werd hij door Achilles verslagen. Om Eos te troosten, gaf Zeus hem de onsterfelijkheid. Uit zijn brandstapel stegen vogels op (Memnonides), die ieder jaar zijn graf bezoeken en daar te zijner eere een wedstrijd houden.—Door eene verwarring tusschen de oostelijke en westelijke Aethiopiërs zijn vele verhalen omtrent M. ontstaan, die moeielijkmet elkander zijn overeen te brengen; zijn graf toonde men aan den Hellespont, in Phoenicië en in Aethiopië, en verscheiden kolossale gebouwen werden naar hem genoemd, o. a. de koningsburcht van SusaΜεμνόνια, en vooral een reusachtig beeld bij Thebe in Aegypte, waarvan door een aardbeving het bovenste gedeelte afgebroken was, en dat sedert dien tijd, wanneer het door de opgaande zon beschenen werd, een geluid gaf als een springende snaar. Uit het onderzoek van de nog bestaande overblijfsels van dit beeld is gebleken, dat het den oud-aegyptischen koning Amenophis III (omstreeks 1500) voorstelde.—2)van Rhodus, bekwaam aanvoerder der grieksche huurtroepen van Darīus Codomannus. Bij den inval van Alexander den G. stelde hij voor Klein-Azië prijs te geven, met de vloot Alexander van Europa af te snijden, en in Griekenland en Macedonië bewegingen tegen hem in het leven te roepen; zijn raad werd echter niet opgevolgd. Na den slag bij den Granīcus verdedigde hij Milētus en Halicarnassus, veroverde hij als bevelhebber der vloot Chius, Lesbus, enz., en stelde hij zich in betrekking met Agis; reeds was hij op het punt naar Europa over te steken, toen hij bij het beleg van Mytilēne ziek werd en stierf (334).—3)schrijver van eene geschiedenis van het pontische Heraclēa, waarvan enkele fragmenten bestaan. Hij leefde in de tweede eeuw na C.
Memphis,Μέμφις, oude belangrijke stad van Aegypte, even boven het begin der Nijldelta, 5 uren gaans in omtrek, met prachtige tempels en paleizen. Vooral de god Phtha en de stier Apis werden hier vereerd. In den omtrek vond men een aantal pyramiden.
Men,Μήν, 1) maangod bij de Phrygiërs.—2)=Menes.
Menae,Μεναί, bergstad der Siculi, aan den weg van Catana naar Gela, geboorteplaats van Ducetius. In de nabijheid lag de bron Menaïs, waarbij de inwoners zwoeren.
Menaechmus,Μέναιχμος, 1) van Naupactus, beeldhouwer omstreeks 500.—2)van Sicyon, tijdgenoot van Alexander den G., beeldhouwer en geschiedschrijver.—3)wiskundige, van wiens werken een fragment bewaard is. Van zijn leven is niets bekend.
Menaenum,Μέναινον, stad der Siculi, ten W. van Syracūsae, stichting van Ducetius.
Menalippe=Melanippe.
Menander,Μένανδρος, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, nam deel aan den tocht naar Sicilië en aan den slag bij Aegospotami.—2)zoon van Diopīthes, geb. 342, vriend van Theophrastus, Epicūrus en Demetrius Phalēreus. Hij is de voornaamste dichter der nieuwe attische comedie en schreef, naar men meent, meer dan 100 stukken, waarvan de juiste karakterteekening, de goed gevonden toestanden en de beschaafde toon geroemd worden. Slechts achtmaal werd hem een prijs toegekend, toch waren zijne werken zoo bekend, dat Ptolemaeus Lagi hem trachtte over te halen naar Alexandrië te komen; hij bleef echter te Athene, waar hij, 52 jaar oud, in het bad verongelukte. Van zijne comedies zijn sommige door Terentius e. a. in het Latijn bewerkt. Tal van verzen uit zijne werken worden door lateren geciteerd; ook zijn nog zeer onlangs belangrijke fragmenten van sommige stukken van hem gevonden.—3)van Ephesus, schrijver eener geschiedenis van Phoenicië.—4)leerling van Diogenes no. 2.
Menapii,Μενάπιοι, belgisch volk, dat door de Usipetes en Tencteri van den Rijn tot over de Mosa (Maas) werd gedrongen, te midden van bosschen en moerassen. Hetcastellum Menapiorumis òf het tegenw. Kessel op den linker Maasoever tusschen Roermond en Venlo, òf, daar de Menapii later meer westelijk wonen, Cassel in het Departement du Nord, dat ook wel voor een Castellum Morinorum aangezien wordt. Verder ligt in hun land Turnacum, tgw. Doornik.
Menas,Μηνᾶς=Menodōrus.
MendeofMendae,Μένδη, Μένδαι, kolonie van Eretria, op het chalcidische schiereiland Pallēne, aan de golf van Thermae.
Mendes, gen.-ētis,Μένδης, stad in de Nijldelta aan den mendesischen rivierarm, zetel van den eeredienst van den God Mendes, die als zinnebeeld der voortbrengende natuurkracht onder de gedaante van een bok werd voorgesteld en door de Grieken met Pan werd vereenzelvigd.
Mendesium ostium,Μενδήσιον στόμα, een van de Nijlmonden, ten O. van den Phatnitischen mond gelegen.
Mēne,Μήνη=Sēlene.
Menecles,Μενεκλῆς, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten Cicero hoorde.
Meneclīdas,Μενεκλείδας, thebaansch volksredenaar, vijand van Epaminondas en Pelopidas, wegens zijn kuiperijen tot geldboete veroordeeld.
Menecrates,Μενεκράτης, 1) wijsgeer der eleatische school, leerling van Xenophanes, schrijver van aardrijkskundige werken.—2)van Syracuse, geneesheer ten tijde van Philippus van Macedonië, die zich door zijne ijdelheid belachelijk maakte.—3)verdienstelijk geneesheer onder Tiberius.—4)vrijgelatene van Pompeius, aanvoerder van de vloot van Sextus Pompeius; in een zeeslag bij Cumae werd zijn schip genomen en hij stortte zich in zee.—5)citharoede, in groot aanzien bij Nero.
Menedēmus,Μενέδημος, 1) veldheer van Alexander d. G.—2)van Eretria, zoon van Clisthenes, leerling van Plato en Stilpo, daarna leeraar der wijsbegeerte te Eretria, en stichter der eretrische school. Hij bekleedde er aanzienlijke staatsambten, maar werd van verraad beschuldigd en vluchtte naar Antigonus Gonātas. Zijne leefwijze was eenvoudig en zijn omgang aangenaam, bij voorkeur hield hij zich bezig met de studie van oude dichters.—3)van Lampsacus, cynisch wijsgeer van de uiterste richting.—4)rhetor te Athene omstreeks 94.—5)Macedoniër; die door zijn gastvriend Iulius Caesar het romeinsche burgerrecht kreeg.
Menelāi portus,Μενελάιος λιμήν, havenstad in het O. van Cyrenaica, in het gebied der Gilligammae, volgens de mythe door Menelāus gesticht. Hier stierf Agesilāus van Sparta in 358 op den terugweg uit Aegypte.
Menelaium,Μενελάιον, berg in Laconica ten Z.O. van Sparta, bij Therapne, met een heiligdom voor Menelāus.
Menelāus,Μενέλαος, 1) zoon van Atreus of Plisthenes, broeder van Agamemnon (z. a.), gehuwd met Helena (z. a.), de dochter van Tyndareos, van wien hij de regeering over Sparta erft. Aan den trojaanschen oorlog neemt hij met 60 schepen deel, hij gaat met Odysseus naar Troje om Helena terug te vorderen, maar deze eisch wordt afgewezen. In den oorlog verricht hij onder bescherming van Athēna en Hera vele heldendaden, hij overwint Paris in een tweegevecht, ofschoon Aphrodīte zijn vijand uit zijne handen redt, strijdt met Hector en Aenēas, verdedigt het lijk van Patroclus en begeeft zich met het houten paard in de stad. Op zijn terugreis wordt hij bij kaap Malea door een storm overvallen, die hem naar Aegypte drijft, en eerst nadat hij 8 jaar rondgezworven had, keerde hij in zijn rijk terug. Hier leefde hij nog lang met Helena in vrede, rijkdom en geluk, eindelijk werd hij met haar naar het Elysium verplaatst. Niettemin werd hun graf bij Therapne getoond, waar te hunner eer een tempel was en spelen gevierd werden.—2)onechte zoon van Amyntas II; daar Phillippus hem niet vertrouwde en zijn leven bedreigde, ging hij bij de Atheners in dienst.—3)broeder van Ptolemaeus Lagi, verdedigde Salamis op Cyprus tegen Demetrius Poliorcētes, doch moest zich na eene langdurige en dappere verdediging overgeven (306).—4)van Marathus, onderwees Ti. Gracchus in de welsprekendheid.—5)beeldhouwer uit den tijd van keizer Tiberius. Van hem is de bekende groep Orestes en Electra, vroeger in Villa Ludovisi, tgw. in het Museo Nazionale te Rome.—6)van Alexandria, beroemd wis- en sterrenkundige, omstreeks 100 n.C. Hij heeft zich vooral bezig gehouden met trigonometrie en sphaerische astronomie.
Menenia(lex)agraria, z.Maenia(Menenia) (lex)agraria.