Chapter 51

Niobe met haar jongste dochter. Uit de Niobegroep te Florence.Niobe met haar jongste dochter. Uit de Niobegroep te Florence.Niobe,Νιόβη, 1) dochter van Phorōneus en Laodice, bij Zeus moeder van Argus en Pelasgus.—2)dochter van Tantalus en Taygete of Diōne, gemalin van Amphīon. Trotsch op haar talrijk en bloeiend kroost—zij had 7 zonen en 7 dochters (bij Homerus 6 z. en 6 d.), allen door schoonheid uitmuntend—durfde zij beweren dat haar meer eer toekwam dan aan Leto, die slechts twee kinderen ter wereld had gebracht. Om haar voor dezen overmoed te straffen, doodden Apollo en Artemis al hare kinderen op denzelfden dag. N. zelve versteende van smart of werd na lang rondzwerven door Zeus op haar gebed in een rots veranderd. Zoo staat zij nog op de hoogten van den Sipylus, steeds tranen vergietend over het ondervonden leed.—De rots, die door de ouden voor de versteende Niobe gehouden werd, meent men dicht bij Magnesia gevonden te hebben.Niphātes,Νιφάτης= sneeuwgebergte, bergketen in Armenia, ten N. van de meren Thospītis en Arsissa.Nireus,Νιρεύς, zoon van Charopus en Aglaia, na Achilles de schoonste der Grieken voor Troje.Nisaea,Νίσαια, haven van Megara, door lange muren, die door de Atheners in 460 gebouwd waren, met Megara verbonden.Nisaei campi,Νίσαιον πέδιον, vruchtbare hoogvlakte in Media, bekend door het voortreffelijke nisaeische paardenras en de groote koninklijke stoeterijen.Nisibis,Νίσιβις, oude en volkrijke stad aan den Mygdonius, in het N.O. van Mesopotamia (Mygdonia). Het was een stapelplaats voor den karavaanhandel, en werd onder de SeleucidenAntiochīa Mygdoniagenoemd. Als grensvesting speelde N. later een belangrijke rol in de oorlogen met de Parthen en het Nieuw-Perzische rijk.Nisus,Νῖσος, 1) zoon van Pandīon, broeder van Aegeus, koning van Megara, stichter van Nisaea. Toen Minos tegen Attica zou optrekken, verbond N. zich met Aegeus, en nadat deze overwonnen was, veroverde Minos ook Megara en belegerde hij Nisaea. Uit liefde voor den belegeraar trok Scylla, de dochter van N., haar vader een gouden of purperen haarlok uit, waarvan het behoud van zijn leven afhing; daarop stierf hij onmiddellijk en de stad werd veroverd, vgl.Comaetho. Hij werd in een zeearend veranderd en in deze gedaante vervolgt hij zijne dochter (z.Scylla) onophoudelijk.—2)zoon van Hirtacus, tochtgenoot van Aenēas, beroemd door zijn vriendschap voor Euryalus. Te zamen deden ze een nachtelijke aanval op het leger der Rutuliërs en sneuvelden na er een geduchte slachting aangericht te hebben.Nisȳrus,Νίσυρος, rotsachtig eiland met gelijknamige stad ten Z. van Cos, met warme baden. De bevolking was dorisch.Nitiobriges,Νιτιόβριγες, volksstam in Aquitania.Hoofdstad Aginnum (Agen) aan den Garumna.Nitōcris,Νίτωκρις, 1) koningin van Babylonië, aan wie vele bouwwerken toegeschreven werden, die in werkelijkheid door Nebucadrezar uitgevoerd zijn, daarom wordt zij gewoonlijk voor de gemalin van dezen gehouden.—2)koningin van Aegypte, van wie verhaald wordt, dat zij, om haar broeder en voorganger, die door samenzweerders vermoord was, te wreken, de hoofdschuldigen tot een feest in een onderaardsche zaal noodigde, die zij vervolgens onder water liet zetten. Om aan de wraak van het volk te ontkomen, doodde zij zich zelve.NitrariaeofNitriae,Νιτρίαι, groote sodameren in eene vallei (vallis Nitria) ten N. W. van Memphis gelegen.Nixi(di), drie godheden, die hulp verleenden bij de geboorte, en wier knielende beelden op het Capitool te zien waren.Nobilesofoptimātesheetten bij de Rom. die familiën, die hetius imaginumhadden, omdat hunne voorzaten curulische ambten hadden bekleed.Nobilior, familienaam in degens Fulvia(Fulviino. 10–13).Nola,Νῶλα, belangrijke stad in Campania, ten N.O. van den Vesuvius. Marcellus behaalde hier in 215 eene overwinning op Hannibal. Hier is Augustus gestorven.Nomen.De Grieken hadden geene geslachts- of familienamen. Het kind ontving één enkelen naam naar de keuze der ouders. Het eenige middel ter onderscheiding was, dat men den naam des vaders en in officieele stukken ook den naam van den demus er bij voegde, b. v.Δημοσθένης Δημοσθένους Παιανιεύς, Θεόφραστος Θεοδώρου. Bij de Rom. onderscheidde men vooreerstnomenof geslachtsnaam enpraenomen, vóórnaam, b.v. P. Cornelius. De verschillende familiën van een zelfde geslacht onderscheidden zich door een derden naam ofcognomen, als: Scipio, Cossus, Cinna, Sulla, Lentulus, Dolabella, enz. Soms vond men nog een vierden naam ofagnomen, waardoor weder een tak der familie werd aangewezen, als: Africānus, Nasīca. Bij adoptie nam de geadopteerde officieel hetnomen gentiliciumen hetcognomenen dikwijls ook hetpraenomenvan zijn adoptiefvader aan, doch voegde er dan een adjectief aan toe, aan zijn vroegeren geslachtsnaam ontleend, b.v. P. Licinius CrassusMuciānus, P. Cornelius ScipioAemiliānusAfricānus minor. Gebeurde dit evenwel op eenigszins gevorderden leeftijd, dan werden zij ook dikwijls nog bij hun ouden naam genoemd. Vrijgelatenen namen vóór- en geslachtsnaam aan van hun vroegeren meester, terwijl zij als cognomen hun slavennaam behielden, als: P. Terentius Afer, de bekende dichter, vrijgelatene van P. Terentius Lucānus. Vrijgelatenen van steden vormden eennomenuit den naam der stad, b.v. P. Pisaurius Achilles (v. Pisaurum). Meisjes kregen geen naam, zij werden slechts aangewezen door een gentieladjectief, Cornelia, Tullia, enz.; soms voegde men er den naam van vader of echtgenoot bij. Zoo was Cicero’s dochter Tullia Ciceronis, zijne vrouw Terentia Ciceronis. Had een vader slechts twee dochters, zoo noemde hij zemaiorenminor; waren er meer, dan werden zij eenvoudig genummerd:prima, secunda, tertia, enz. Toch komen er in ouden tijd ook vrouwelijke voornamen voor, als: Aula, Lucia, Publia, Rutila, Caesellia e. a. Tegen het einde der rom. republiek kwam het in zwang, aan de meisjes twee adjectieven als naam te geven, hetzij beide aan de namen van den vader ontleend, als: Caecilia Metella, hetzij aan die der beide ouders, b.v. Valeria Attia, dochter van zekeren S. Attius Atticus en Valeria Sextīna, hetzij aan andere familiebetrekkingen, als: Iulia Agrippīna, Iulia Drusilla, Iulia Livilla, de drie dochters van Germanicus. Zeer zeldzaam zijn drie of vier namen, als: Livia Medullīna Camilla, Lucia Baebia Sallustia Crescentilla. In den keizertijd begint het verschil tusschennomen gentiliciumennomen familiaete slijten, en gebruikt men ze door elkaar. In de 3deen 4deeeuw n. Chr. komt naast de gewone namen hetsignumop, een soort herkenningsteeken, of clubnaam, die eerst vooral tusschen ambtenaren een soort band vormt, en later den eigenlijken naam verdringt. Het zijn meestgroepnamenopiusenia, van latijnsche en grieksche woorden afgeleid, b.v.Gaudentiusvangaudens, Asteriusvanἀστήρ. De personen hiermede bedoeld, behooren tot een zelfdevereeniging, die een bepaaldsignum, teeken, heeft aangenomen.Nomenclātor, een slaaf, wiens taak het was, de aanzienlijke en invloedrijke personen te Rome van aangezicht en bij naam te kennen. Hij, die naar eenig ambt dong, begaf zich geregeld naar het forum, om zijne candidatuur aan te bevelen, en daar de beleefdheid vorderde, dat men de burgers bij hun naam aansprak, moest denomenclatorzijn meester de namen influisteren. In huis moest hij de bezoekers aandienen.Nomentānus(L. Cassius), een groote lekkerbek bij Horatīus. Een andere Nomentanus wordt door den dichter om zijne wijsheid geprezen.Nomentum,Νώμεντον, latijnsche stad ten N.O. van Rome. De poort en de weg, die er heen voerden, heettenportaenvia Nomentana.Nominis delatio, de aangifte bij den praetor van den persoon, dien men wenscht aan te klagen, dus: aanklacht.Nominis receptio, het aannemen eener klacht door den praetor.Nomius,Νόμιος, bijnaam van Apollo, Pan, Hermes en Aristaeus als herdersgoden.Νομοφύλακες, te Athene een college van 7 mannen, door Ephialtes ingesteld en toegerust met de meeste bevoegdheden, die hij aan den Areopagus ontnomen had. Deze betrekking werd in 403 afgeschaft en eerst door Demetrius Phalēreus weder in het leven geroepen.—Ook verscheiden dorische staten haddenνομ., die vooral moesten toezien dat in raads- of volksvergaderingen geen onwettig besluit genomen werd. Op Corcȳra waren zij controleurs van het geldelijk beheer der magistraten, evenals de atheensche logisten.Νομοθέται, z.ἐπιχειροτονίαno. 1.Nonācris,Νώνακρις, vlek en bergstreek in het N. van Arcadia. Hier ontsprong de Styx.Nonacrius heros= Euander,Nonacria virgo= Callisto,Nonacria= Atalanta.Nonae, zieannus.Nonii, plebejisch geslacht.Nonius Asprenas, gunsteling van Caesar, die door Catullus bespot wordt. Hij was proconsul in 46, en legaat van Caesar in Africa en Hispania.Nonius Marcellus, rom. taalgeleerde uit Numidia, waarschijnlijk tegen het midden der 3deeeuw na C.Nonnus,Νόννος, van Panopolis, omstreeks 400 na C., bezong in een episch gedicht de daden van Dionȳsus; later ging hij tot het Christendom over en leverde hij in denzelfden vorm eene paraphrase van het evangelie van Johannes. Beide werken zijn bewaard gebleven.Nora, 1)Νώρα, oude stad op de Z.kust van Sardinia.—2)τὰ Νῶρα, bergslot in Cappadocia, waar Eumenes door Antigonus werd belegerd.Norba,Νώρβα, 1) sterke vesting in Latium ten Z.O. van Rome, in 492 rom. kolonie in het gebied der Volscen; hier werden na den tweeden punischen oorlog de carthaagsche gijzelaars bewaard. In den burgeroorlog werd het door Sulla’s troepen verwoest.—2)Norba Caesarēa, rom. kolonie in Lusitania, aan den Tagus, thans Alcantara, met eene rom. brug, op welker midden een triumfboog van Traiānus staat.Norbāni, eene rom. familie, uit Norba afkomstig. 1)C. Norbanus, volkstribuun in 95, trad toen als aanklager op van Q. Servilius Caepio (consul 106), die in 105 door de Cimbren was verslagen. Hij werd wegens die aanklacht in 94 door P. Sulpicius Rufuslege Appuleia maiestatisaangeklaagd, maar vrijgesproken. Cicero noemt Norbanusseditiosum et inutilem civem. Hij was praetor op Sicilië in 88, en consul in 83. Hij werd door Sulla vogelvrij verklaard, leed in den burgeroorlog twee nederlagen (82) en vluchtte naar Rhodus, waar hij zich zelf van kant maakte.—2)C. Norbanus Flaccuswas legaat van Antonius en Octaviānus in den strijd tegen Brutus en Cassius; in 38 was hij consul, in 34 hield hij een zegetocht over de Hispaniërs.—3)Hiervan te onderscheiden isC. Norbanus Flaccus, consul 24, waarschijnlijk de zoon van den voorgaanden.—4)onder Domitiānus en Traiānus komt eenL. Appius Norbanus Maximusvoor.Noreia,Νωρήια, hoofdstad der Taurisci in Noricum, aan den Murius (Mur), thans Neumark in Stiermarken. Hier werd in 113 de consul Cn. Papirius Carbo door de Cimbren verslagen.Noricum,Νωρικόν, sedert 16 een der rom. Donau-provinciën, tusschen den Donau en de Alpen, van den Aenus (Inn) af tot aan den mons Cetius (Wienerwald) bij Vindobōna (Weenen). De inwoners,Taurisci, van celtischen stam, waren een nijver volk en dreven over Aquileia een niet onbelangrijken handel met Italia. De bodem was rijk aan metalen; het norische staal en de wapenfabrieken van Lauriacum (Lorch, aan den Donau) waren vermaard. Ook veeteelt en zoutwinning waren bronnen van bestaan. In de jaren 15–13 werden al de gewesten tusschen Alpen en Donau tot rom. provinciën gemaakt.Nortia, etrurische godin van het noodlot, voornamelijk te Volsinii vereerd.Nossis,Νοσσίς, lyrische dichteres uit Locri, omstreeks 300. Eenige epigrammen van haar zijn bewaard gebleven.Νόστοι, epische gedichten betreffende de avonturen van verschillende grieksche vorsten op hun terugreis van Troje.Nota censoria, ooknotatio, animadversio censoria, openbare bestraffing door de censoren, als: het schrappen van onwaardige senaatsleden van de lijst (senatu movere, eicere) of van ridders uit de ridderlijsten, het overbrengen van burgers uit eenetribus rusticain eenetribus urbanaof wel onder deaerarii(tribu movere, in aerarios referre). Stellig bewijs van schuld was niet noodig; de persoonlijke overtuiging der censoren was voldoende; zij behoorden het echter eens te zijn.Notarius, snelschrijver, verslaggever, geheimschrijver of secretaris.Νόθοι, buiten huwelijk geboren kinderen, of zij, wier ouders tot twee verschillende staten zonderἐπιγαμίαbehoorden. De laatstgenoemden kregen, althans te Athene, vrij gemakkelijk het burgerrecht, totdat in 457 een wet van Pericles bepaalde, dat alleen kinderen van een atheenschen vader en moeder dit recht zouden mogen hebben. De buiten huwelijk geborenen waren van alle familierechten uitgesloten; zij konden van het vermogen van hun vader slechts een bij de wet bepaald deel (νοθεῖα) erven, dat niet meer dan 1000 drachmen kon bedragen.Notium,Νότιον, stadje van Aeolis, later haven van Colophon op de aeolisch-mysische kust.Notus,Νότος, de Zuidenwind, zieWindstreken.Novaesium=Novesium.Novaria, thans Novara, stad der Insubres in Gallia Transpadāna. Sedert 89 had de stad hetius Latii, sedert 49 was het municipium.Novemdiale sacrum, een huiselijk reinigingsoffer op den negenden dag na eene begrafenis. Hiermede gepaard ging een maaltijd,coena novemdialisofferalis. Ook een godsdienstig feest van negen dagen, dat somtijds ten gevolge vanprodigiadoor den senaat werd bevolen.Novempopulana (provincia), zieAquitania.NovensilesofNovensides Dii, zieDi(i) Novensides.Novesium, stad der Ubii aan den Rijn, tevens kwartier van een legioen, thans Neuss tegenover Dusseldorf.Novii, oud geslacht uit Capua afkomstig. Omstreeks 90 leefde er een blijspeldichterNovius; hij was dichter van Atellanae fabulae (z. a.), evenals zijn tijdgenoot L. Pomponius.Noviodūnum, keltische naam van verschillende steden in Gallia Transalpīna. 1) stad der Bituriges Cubi, tusschen Genabum (Orléans)en Avaricum (Bourges).—2)stad der Aedui, thans Nevers aan de Loire.—3)stad der Suessiones =Augusta Suessionum, thans Soissons.—4)stad der Helvetii, aan den lacus Lemanus (meer van Genève), thans Nyon.Noviomagus, keltische stedennaam in Gallia Transalpīna. 1) bij de Bituriges Vibisci in Aquitania.—2)bij de Leuci in Belgica aan de Mosa (Maas).—3)bij de Nemētes aan den Rhenus (Rijn), thans Spiers.—4)Ulpia Noviomagus, kolonie door keizer Traiānus gesticht, bij de Batavieren, thans Nijmegen. Deze nederzetting is waarschijnlijk ontstaan in de nabijheid van het kamp, dat de Romeinen in 70 n. C. ten Z. van het verbrande Batavodurum (z. a.) hebben opgericht.Novus (homo), de eerste eener rom. familie, die tot een curulisch ambt gekozen wordt en dus zijne nazaten tot den rang vannobilesverheft.NP. Ziefasti (dies).Nuceria,Νουκερία, 1)Alfaternabijgenaamd, stad in het Z. van Campania, door Hannibal in 216 ingenomen en verbrand, later herbouwd.—2)stad in het hart van Umbria, met den bijnaamCamellaria, aan de via Flaminia.—3)stad in Apulia =Luceria.Nuithones, germaansch volk aan den rechteroever van den Albis (Elbe), behoort tot die volkeren, die de godin Nerthus vereeren.Numa Pompilius,Νουμᾶς, tweede koning van Rome (± 715–679), een Sabijn uit de stad Cures, die door wijsheid en godsvrucht de ruwe zeden der eerste Rom. verzachtte en den openbaren godsdienst regelde overeenkomstig den raad en de voorschriften der nimf Egeria, met wie hij vertrouwelijken omgang had. Godsdienstige instellingen van hoogen ouderdom werden door de Rom. in den regel aan Numa toegeschreven.Numantia,Νουμαντία, in Hispania Tarraconensis, aan den Durius (Douro), hoofdstad van den celtiberischen stam der Arevaci, v. a. der Pelendones. De stad was door hare ligging op eene hooge en steile, slechts van ééne zijde toegankelijke rots zoo sterk, dat zij muren ontberen kon. In 143 bewerkte Viriāthus, de aanvoerder der Lusitaniërs, dat de Arevacers zijne zijde kozen. Toen ontbrandde deNumantijnsche oorlog. De proconsul Q. Caecilius Metellus Macedonicus behaalde in het begin (142) groote voordeelen op de Celtiberiërs; doch toen hij vernam, dat zijn persoonlijke vijand Q. Pompeius (consul in 141) hem in het bevel zou opvolgen, ontsloeg hij de soldaten die vertrekken wilden, liet de voorraadschuren onbewaakt aan plundering over, liet de bogen en pijlen der cretensische boogschutters aan stukken breken en de olifanten doodhongeren. Pompeius werd dan ook in 141 door de Numantijnen verslagen en sloot met hen een verdrag (140), dat door den senaat echter niet bekrachtigd werd. Nadat in 138 de proconsul M. Pompilius Laenas en in 137 de consul C. Hostilius Mancīnus het onderspit hadden moeten delven en de laatste een schandelijken vrede had moeten sluiten (zieHostilii), werd in 133 Scipio Africānus minor tegen N. afgezonden. Na een merkwaardig beleg van 15 maanden viel het in zijne handen en werd geheel verwoest. De verschillende kampen en versterkingen, die Scipio voor deze belegering om de stad had opgeslagen, zijn niet lang geleden opgegraven.Numenius,Νουμήνιος, 1) aegyptisch gezant te Rome, 167.—2)van Apamēa in Syrië, omstreeks het einde der 2deeeuw n. C., vereenigde in zijn werken de leer van Pythagoras met die van Plato tot een nieuw stelsel, dat volgens zijn beweren echter, hoewel minder duidelijk, reeds bij Plato te vinden was. Hij was een van de voornaamste voorloopers der neo-platonici, Plotīnus heeft van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.Numeriānus(M. Aurelius Numerius), jongste zoon van keizer Carus, vergezelde dezen op zijn veldtocht tegen de Parthen, waarbij Carus omkwam (283 na C.). Met zijn ouderen broeder Carīnus volgde hij zijn vader op, doch werd in 284 omgebracht door zijn schoonvader, den praefectus praetorio Arrius Aper.Numerii. De naam Numerius was in Italia zeer algemeen.Q. Numerius Rufus, volkstribuun in 57, was tegen de terugroeping van Cicero, doch kwam hierdoor zelf in moeielijkheden. Cicero bespot hem in zijneoratio pro Sestio.Numicii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in de volscische en samnietische oorlogen voorkomen.NumiciusofNumīcus,Νουμίκιος, kustriviertje van Latium, valt bij Ardea in zee.Numidia,Νομαδία, Νουμιδία, het afrikaansche kustland, van de rom. provincie Africa af tot aan de rivier Muluchath. De naam van de bewoners, Numidae, wordt door de ouden afgeleid van Nomades,Νομάδες, zwervers. Hoofdstammen waren deMassaesyliien deMassylii. De kust was bezet met phoenicische volkplantingen, die later in de macht van Carthago overgingen. Na Carthago’s val kreeg koning Masinissa van de Rom. de geheele kust bij zijn gebied. Hij slaagde er in, zijne Numidiërs aan vaste woonplaatsen te gewennen en ze op een hoogeren trap van beschaving te brengen (zieMasinissa). Het O. gedeelte, tot aan den Ampsāga, werd in 46 door Caesar tot provincie gemaakt onder den naamNova Africa; doch ook de naam Numidia bleef in gebruik. Het westelijk gedeelte kwam in 25 met Mauretania aan Juba; het werd in 37 n. C. bij het Romeinsche rijk gevoegd, en heette voortaan Mauretania Caesariensis. De Numidiërs waren stoute ruiters en hunne paarden van een uitmuntend ras.Numisii, een rom. geslacht van weinig belang.Numistro, stad heel in het N. van Lucania, op de grenzen van Zuid-Samnium.Numitor,Νομήτωρ, koning van Alba Longa, vader van Rea Silvia, door zijn broeder Amulius van den troon gestooten, doch later door zijne kleinzonen Romulus en Remus hersteld.Numitorii, rom. geslacht, afkomstig uit Etruria.Nummusofnumus, in het algemeen geldstuk, in het bijzonder desestertius. De(nummus) aureusofsoliduswas gelijk aan 100 sestertiën.Nummi adulterini= valsch geld.Numonii, rom. geslacht met den familienaamVala.Νυμφαγωγός, z.Παράνυμφος.Nuncupare, v.nomen capere, iets met name noemen, duidelijk en ondubbelzinnig uitspreken; vandaarvota nuncupare, zijn wensch uitspreken, geloften doen.Nuncupatiois ook het plechtig aangaan eener verbintenis ten overstaan van getuigen.Nundinae, marktdag, eigenlijk de eerste dag van de week, diemundinumheette. ZieTrinundinum. Tusschen twee marktdagen lagen 7 andere dagen in; van den eenen marktdag tot den volgenden verliepen dus volgens romeinsche telling 9 dagen, vandaar de naam =novemdinae.Nuntiatio, zieaugures.Nuptiae, bruiloft. Deze had in het huis van de bruid plaats. Na de sluiting van het huwelijk (z.ConfarreatioenCoëmptio) verwijderde de man zich en haalde daarna de bruid met een stoet van vrienden in optocht (pompa nuptialis) uit haar huis; men droeg fakkels (hierdoor werdfaxhet symbool van het huwelijk), strooide noten en zong liederen voor Hymenaeus. De jonge vrouw legde in de straat, waar zij zou wonen, een geldstuk op hetsacellumvan den Lar Compitalis; aan het huis gekomen droeg de man haar over zijn drempel.Nursia, sabijnsche stad aan den Nar, geboorteplaats van Q. Sertorius.Nurtia=Nortia.Nyctēis,Νυκτηίς, dochter van Nycteus, moeder van Labdacus, ook Antiope, als dochter van Nycteus.Nyctelius,Νυκτέλιος, bijnaam van Dionȳsus naar de nachtfeesten,Νυκτέλια, die te zijner eer gevierd werden.Nycteus,Νυκτεύς, zoon van Hyrieus, koning van Thebe, z.Lycus, LabdacusenAntiope.Nyctimene,Νυκτιμένη, dochter van Epōpeus, koning van Lesbus; uit schaamte over de liefde, die zij voor haar vader, of v. a. haar vader voor haar, had opgevat, verborg zij zich in het diepste der wouden. Athēna veranderde haar in een nachtuil.Nyctimus,Νύκτιμος, zoon en opvolger van Lycāon no.1. Onder zijne regeering kwam de groote overstrooming van Deucalion over de aarde.Nymphae,Νύμφαι, dochters van Zeus, godheden van minderen rang, personificaties van het leven der natuur in al zijne verschillende uitingen. Iedere berg, iedere rivier, iedere boomsoort heeft bijzondere nimfen, in lateren tijd stelde men zich zelfs voor, dat iedere boom een eigen nimf had, die dan met den boom ontstond en stierf. Overigens zijn zij onsterfelijk, betoonen zij zich vriendelijk en herbergzaam voor de menschen, die haar gebied betreden, en sluiten zij zich gaarne aan bij de hoogere goden, die bij voorkeur in de vrije natuur leven, zooals Artemis en Dionȳsus. Soms hebben zij zitting in de vergadering der goden op den Olympus.—Men onderscheidt ze in: zeenimfen (Oceanides, Nereïdes), rivier- en bronnimfen (Naïades), bergnimfen (Oreades), dalnimfen (Napaeae), boschnimfen (Alseïdes), boomnimfen (Dryades, Hamadryades), soms heeten zij naar de plaats, waar zij zich ophouden:Acheloïdes, Cithaeronides, Nyseïdes,Dodonides, enz.—Zij genoten goddelijke vereering vooral in wouden en grotten, bij rivieren en bronnen, maar ook in vele steden hadden zij prachtige heiligdommen,νυμφεῖα. Men offerde haar geiten, lammeren, melk en olie. Zij werden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, licht of niet gekleed, gewoonlijk met een of ander attribuut, dat hare beteekenis duidelijk maakt.—Ook sommige andere goddelijke wezens, die onsterfelijk zijn en meer dan menschelijke macht hebben, worden nimfen genoemd, ofschoon zij niet tot het leven der natuur in betrekking staan, bijv. Calypso, Circe, e. a. Ook in Rome worden Nymphae, oudtijds Lymphae geheeten, als godheden van het water en van de bronnen, vereerd; ze hadden een tempel op het Campus Martius; hier hadden de Censoren hun archief.Nymphaeum,Νύμφαιον, 1) kaap en haven op de illyrische kust, nabij Apollonia.—2)kaap in de taurische Chersonēsus (Krim).—3)kaap van het voorgebergte Acte, een uitlooper van het Athosgebergte.Nymphēum,νυμφεῖον, gebouw, aan de waternimfen gewijd en versierd met zuilen en beelden. Daarbinnen stroomden een of meer fonteinen, omgeven door zitplaatsen, waar men bij groote hitte eene aangename koelte kon genieten. Te Rome vond men verscheidenenymphea(ooknymphaea,νύμφαια, geschreven). Zulk eennymphēumwas ook het zoogenaamde Septizonium (z. a.).Nymphidius Sabīnus(C.), verklikker onder Nero, die zich tot bevelhebber der lijfwacht wist op te werken. Na Nero’s dood werd hij door zijne eigene soldaten vermoord, toen hij hen van Galba afvallig zocht te maken.Nymphis,Νύμφις, van Heraclēa in Pontus, geschiedschrijver ten tijde van Ptolemaeus Euergetes, van wiens werken weinige fragmenten bewaard zijn.Nymphodōrus,Νυμφόδωρος, van Syracuse, schrijver van twee aardrijkskundige werken ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus; eenige fragmenten van een werk over de merkwaardigheden van Sicilië zijn bewaard gebleven.Nysa,Νύσ(σ)α, de plek waar Dionȳsus door nimfen werd opgevoed. Deze nimfen wordenNyseides,Νυσηίδες, genoemd en de god zelfNyseus,Νυσεύς. Men zocht dit Nysa in verschillende oorden, in India, Aethiopia, Caria, Pisidia, Cappadocia, Thracia, Boeotia, op Naxos, overal waar bergen of steden met den naam Nysa voorkwamen en waar de god op zijne tochten geweest was. De belangrijkste steden van dien naam zijn:—1o.Nysa ad Maeandrum, stad in Carië, ten O. van Tralles, gesticht in de 3deeeuw. Belangrijke ruïnen uit den keizertijd zijn nog over.—2o.Nyssain Cappadocia, aan den Halys, z.Gregoriusno. 3.Nyseides,Νυσηίδες, nimfen van Nysa, opvoedsters van Dionȳsus.Nyseus, Nysius, Nysigena,Νυσεύς, Dionȳsus, naar zijne geboorteplaats Nysa.Nysiades=Nyseides.

Niobe met haar jongste dochter. Uit de Niobegroep te Florence.Niobe met haar jongste dochter. Uit de Niobegroep te Florence.Niobe,Νιόβη, 1) dochter van Phorōneus en Laodice, bij Zeus moeder van Argus en Pelasgus.—2)dochter van Tantalus en Taygete of Diōne, gemalin van Amphīon. Trotsch op haar talrijk en bloeiend kroost—zij had 7 zonen en 7 dochters (bij Homerus 6 z. en 6 d.), allen door schoonheid uitmuntend—durfde zij beweren dat haar meer eer toekwam dan aan Leto, die slechts twee kinderen ter wereld had gebracht. Om haar voor dezen overmoed te straffen, doodden Apollo en Artemis al hare kinderen op denzelfden dag. N. zelve versteende van smart of werd na lang rondzwerven door Zeus op haar gebed in een rots veranderd. Zoo staat zij nog op de hoogten van den Sipylus, steeds tranen vergietend over het ondervonden leed.—De rots, die door de ouden voor de versteende Niobe gehouden werd, meent men dicht bij Magnesia gevonden te hebben.Niphātes,Νιφάτης= sneeuwgebergte, bergketen in Armenia, ten N. van de meren Thospītis en Arsissa.Nireus,Νιρεύς, zoon van Charopus en Aglaia, na Achilles de schoonste der Grieken voor Troje.Nisaea,Νίσαια, haven van Megara, door lange muren, die door de Atheners in 460 gebouwd waren, met Megara verbonden.Nisaei campi,Νίσαιον πέδιον, vruchtbare hoogvlakte in Media, bekend door het voortreffelijke nisaeische paardenras en de groote koninklijke stoeterijen.Nisibis,Νίσιβις, oude en volkrijke stad aan den Mygdonius, in het N.O. van Mesopotamia (Mygdonia). Het was een stapelplaats voor den karavaanhandel, en werd onder de SeleucidenAntiochīa Mygdoniagenoemd. Als grensvesting speelde N. later een belangrijke rol in de oorlogen met de Parthen en het Nieuw-Perzische rijk.Nisus,Νῖσος, 1) zoon van Pandīon, broeder van Aegeus, koning van Megara, stichter van Nisaea. Toen Minos tegen Attica zou optrekken, verbond N. zich met Aegeus, en nadat deze overwonnen was, veroverde Minos ook Megara en belegerde hij Nisaea. Uit liefde voor den belegeraar trok Scylla, de dochter van N., haar vader een gouden of purperen haarlok uit, waarvan het behoud van zijn leven afhing; daarop stierf hij onmiddellijk en de stad werd veroverd, vgl.Comaetho. Hij werd in een zeearend veranderd en in deze gedaante vervolgt hij zijne dochter (z.Scylla) onophoudelijk.—2)zoon van Hirtacus, tochtgenoot van Aenēas, beroemd door zijn vriendschap voor Euryalus. Te zamen deden ze een nachtelijke aanval op het leger der Rutuliërs en sneuvelden na er een geduchte slachting aangericht te hebben.Nisȳrus,Νίσυρος, rotsachtig eiland met gelijknamige stad ten Z. van Cos, met warme baden. De bevolking was dorisch.Nitiobriges,Νιτιόβριγες, volksstam in Aquitania.Hoofdstad Aginnum (Agen) aan den Garumna.Nitōcris,Νίτωκρις, 1) koningin van Babylonië, aan wie vele bouwwerken toegeschreven werden, die in werkelijkheid door Nebucadrezar uitgevoerd zijn, daarom wordt zij gewoonlijk voor de gemalin van dezen gehouden.—2)koningin van Aegypte, van wie verhaald wordt, dat zij, om haar broeder en voorganger, die door samenzweerders vermoord was, te wreken, de hoofdschuldigen tot een feest in een onderaardsche zaal noodigde, die zij vervolgens onder water liet zetten. Om aan de wraak van het volk te ontkomen, doodde zij zich zelve.NitrariaeofNitriae,Νιτρίαι, groote sodameren in eene vallei (vallis Nitria) ten N. W. van Memphis gelegen.Nixi(di), drie godheden, die hulp verleenden bij de geboorte, en wier knielende beelden op het Capitool te zien waren.Nobilesofoptimātesheetten bij de Rom. die familiën, die hetius imaginumhadden, omdat hunne voorzaten curulische ambten hadden bekleed.Nobilior, familienaam in degens Fulvia(Fulviino. 10–13).Nola,Νῶλα, belangrijke stad in Campania, ten N.O. van den Vesuvius. Marcellus behaalde hier in 215 eene overwinning op Hannibal. Hier is Augustus gestorven.Nomen.De Grieken hadden geene geslachts- of familienamen. Het kind ontving één enkelen naam naar de keuze der ouders. Het eenige middel ter onderscheiding was, dat men den naam des vaders en in officieele stukken ook den naam van den demus er bij voegde, b. v.Δημοσθένης Δημοσθένους Παιανιεύς, Θεόφραστος Θεοδώρου. Bij de Rom. onderscheidde men vooreerstnomenof geslachtsnaam enpraenomen, vóórnaam, b.v. P. Cornelius. De verschillende familiën van een zelfde geslacht onderscheidden zich door een derden naam ofcognomen, als: Scipio, Cossus, Cinna, Sulla, Lentulus, Dolabella, enz. Soms vond men nog een vierden naam ofagnomen, waardoor weder een tak der familie werd aangewezen, als: Africānus, Nasīca. Bij adoptie nam de geadopteerde officieel hetnomen gentiliciumen hetcognomenen dikwijls ook hetpraenomenvan zijn adoptiefvader aan, doch voegde er dan een adjectief aan toe, aan zijn vroegeren geslachtsnaam ontleend, b.v. P. Licinius CrassusMuciānus, P. Cornelius ScipioAemiliānusAfricānus minor. Gebeurde dit evenwel op eenigszins gevorderden leeftijd, dan werden zij ook dikwijls nog bij hun ouden naam genoemd. Vrijgelatenen namen vóór- en geslachtsnaam aan van hun vroegeren meester, terwijl zij als cognomen hun slavennaam behielden, als: P. Terentius Afer, de bekende dichter, vrijgelatene van P. Terentius Lucānus. Vrijgelatenen van steden vormden eennomenuit den naam der stad, b.v. P. Pisaurius Achilles (v. Pisaurum). Meisjes kregen geen naam, zij werden slechts aangewezen door een gentieladjectief, Cornelia, Tullia, enz.; soms voegde men er den naam van vader of echtgenoot bij. Zoo was Cicero’s dochter Tullia Ciceronis, zijne vrouw Terentia Ciceronis. Had een vader slechts twee dochters, zoo noemde hij zemaiorenminor; waren er meer, dan werden zij eenvoudig genummerd:prima, secunda, tertia, enz. Toch komen er in ouden tijd ook vrouwelijke voornamen voor, als: Aula, Lucia, Publia, Rutila, Caesellia e. a. Tegen het einde der rom. republiek kwam het in zwang, aan de meisjes twee adjectieven als naam te geven, hetzij beide aan de namen van den vader ontleend, als: Caecilia Metella, hetzij aan die der beide ouders, b.v. Valeria Attia, dochter van zekeren S. Attius Atticus en Valeria Sextīna, hetzij aan andere familiebetrekkingen, als: Iulia Agrippīna, Iulia Drusilla, Iulia Livilla, de drie dochters van Germanicus. Zeer zeldzaam zijn drie of vier namen, als: Livia Medullīna Camilla, Lucia Baebia Sallustia Crescentilla. In den keizertijd begint het verschil tusschennomen gentiliciumennomen familiaete slijten, en gebruikt men ze door elkaar. In de 3deen 4deeeuw n. Chr. komt naast de gewone namen hetsignumop, een soort herkenningsteeken, of clubnaam, die eerst vooral tusschen ambtenaren een soort band vormt, en later den eigenlijken naam verdringt. Het zijn meestgroepnamenopiusenia, van latijnsche en grieksche woorden afgeleid, b.v.Gaudentiusvangaudens, Asteriusvanἀστήρ. De personen hiermede bedoeld, behooren tot een zelfdevereeniging, die een bepaaldsignum, teeken, heeft aangenomen.Nomenclātor, een slaaf, wiens taak het was, de aanzienlijke en invloedrijke personen te Rome van aangezicht en bij naam te kennen. Hij, die naar eenig ambt dong, begaf zich geregeld naar het forum, om zijne candidatuur aan te bevelen, en daar de beleefdheid vorderde, dat men de burgers bij hun naam aansprak, moest denomenclatorzijn meester de namen influisteren. In huis moest hij de bezoekers aandienen.Nomentānus(L. Cassius), een groote lekkerbek bij Horatīus. Een andere Nomentanus wordt door den dichter om zijne wijsheid geprezen.Nomentum,Νώμεντον, latijnsche stad ten N.O. van Rome. De poort en de weg, die er heen voerden, heettenportaenvia Nomentana.Nominis delatio, de aangifte bij den praetor van den persoon, dien men wenscht aan te klagen, dus: aanklacht.Nominis receptio, het aannemen eener klacht door den praetor.Nomius,Νόμιος, bijnaam van Apollo, Pan, Hermes en Aristaeus als herdersgoden.Νομοφύλακες, te Athene een college van 7 mannen, door Ephialtes ingesteld en toegerust met de meeste bevoegdheden, die hij aan den Areopagus ontnomen had. Deze betrekking werd in 403 afgeschaft en eerst door Demetrius Phalēreus weder in het leven geroepen.—Ook verscheiden dorische staten haddenνομ., die vooral moesten toezien dat in raads- of volksvergaderingen geen onwettig besluit genomen werd. Op Corcȳra waren zij controleurs van het geldelijk beheer der magistraten, evenals de atheensche logisten.Νομοθέται, z.ἐπιχειροτονίαno. 1.Nonācris,Νώνακρις, vlek en bergstreek in het N. van Arcadia. Hier ontsprong de Styx.Nonacrius heros= Euander,Nonacria virgo= Callisto,Nonacria= Atalanta.Nonae, zieannus.Nonii, plebejisch geslacht.Nonius Asprenas, gunsteling van Caesar, die door Catullus bespot wordt. Hij was proconsul in 46, en legaat van Caesar in Africa en Hispania.Nonius Marcellus, rom. taalgeleerde uit Numidia, waarschijnlijk tegen het midden der 3deeeuw na C.Nonnus,Νόννος, van Panopolis, omstreeks 400 na C., bezong in een episch gedicht de daden van Dionȳsus; later ging hij tot het Christendom over en leverde hij in denzelfden vorm eene paraphrase van het evangelie van Johannes. Beide werken zijn bewaard gebleven.Nora, 1)Νώρα, oude stad op de Z.kust van Sardinia.—2)τὰ Νῶρα, bergslot in Cappadocia, waar Eumenes door Antigonus werd belegerd.Norba,Νώρβα, 1) sterke vesting in Latium ten Z.O. van Rome, in 492 rom. kolonie in het gebied der Volscen; hier werden na den tweeden punischen oorlog de carthaagsche gijzelaars bewaard. In den burgeroorlog werd het door Sulla’s troepen verwoest.—2)Norba Caesarēa, rom. kolonie in Lusitania, aan den Tagus, thans Alcantara, met eene rom. brug, op welker midden een triumfboog van Traiānus staat.Norbāni, eene rom. familie, uit Norba afkomstig. 1)C. Norbanus, volkstribuun in 95, trad toen als aanklager op van Q. Servilius Caepio (consul 106), die in 105 door de Cimbren was verslagen. Hij werd wegens die aanklacht in 94 door P. Sulpicius Rufuslege Appuleia maiestatisaangeklaagd, maar vrijgesproken. Cicero noemt Norbanusseditiosum et inutilem civem. Hij was praetor op Sicilië in 88, en consul in 83. Hij werd door Sulla vogelvrij verklaard, leed in den burgeroorlog twee nederlagen (82) en vluchtte naar Rhodus, waar hij zich zelf van kant maakte.—2)C. Norbanus Flaccuswas legaat van Antonius en Octaviānus in den strijd tegen Brutus en Cassius; in 38 was hij consul, in 34 hield hij een zegetocht over de Hispaniërs.—3)Hiervan te onderscheiden isC. Norbanus Flaccus, consul 24, waarschijnlijk de zoon van den voorgaanden.—4)onder Domitiānus en Traiānus komt eenL. Appius Norbanus Maximusvoor.Noreia,Νωρήια, hoofdstad der Taurisci in Noricum, aan den Murius (Mur), thans Neumark in Stiermarken. Hier werd in 113 de consul Cn. Papirius Carbo door de Cimbren verslagen.Noricum,Νωρικόν, sedert 16 een der rom. Donau-provinciën, tusschen den Donau en de Alpen, van den Aenus (Inn) af tot aan den mons Cetius (Wienerwald) bij Vindobōna (Weenen). De inwoners,Taurisci, van celtischen stam, waren een nijver volk en dreven over Aquileia een niet onbelangrijken handel met Italia. De bodem was rijk aan metalen; het norische staal en de wapenfabrieken van Lauriacum (Lorch, aan den Donau) waren vermaard. Ook veeteelt en zoutwinning waren bronnen van bestaan. In de jaren 15–13 werden al de gewesten tusschen Alpen en Donau tot rom. provinciën gemaakt.Nortia, etrurische godin van het noodlot, voornamelijk te Volsinii vereerd.Nossis,Νοσσίς, lyrische dichteres uit Locri, omstreeks 300. Eenige epigrammen van haar zijn bewaard gebleven.Νόστοι, epische gedichten betreffende de avonturen van verschillende grieksche vorsten op hun terugreis van Troje.Nota censoria, ooknotatio, animadversio censoria, openbare bestraffing door de censoren, als: het schrappen van onwaardige senaatsleden van de lijst (senatu movere, eicere) of van ridders uit de ridderlijsten, het overbrengen van burgers uit eenetribus rusticain eenetribus urbanaof wel onder deaerarii(tribu movere, in aerarios referre). Stellig bewijs van schuld was niet noodig; de persoonlijke overtuiging der censoren was voldoende; zij behoorden het echter eens te zijn.Notarius, snelschrijver, verslaggever, geheimschrijver of secretaris.Νόθοι, buiten huwelijk geboren kinderen, of zij, wier ouders tot twee verschillende staten zonderἐπιγαμίαbehoorden. De laatstgenoemden kregen, althans te Athene, vrij gemakkelijk het burgerrecht, totdat in 457 een wet van Pericles bepaalde, dat alleen kinderen van een atheenschen vader en moeder dit recht zouden mogen hebben. De buiten huwelijk geborenen waren van alle familierechten uitgesloten; zij konden van het vermogen van hun vader slechts een bij de wet bepaald deel (νοθεῖα) erven, dat niet meer dan 1000 drachmen kon bedragen.Notium,Νότιον, stadje van Aeolis, later haven van Colophon op de aeolisch-mysische kust.Notus,Νότος, de Zuidenwind, zieWindstreken.Novaesium=Novesium.Novaria, thans Novara, stad der Insubres in Gallia Transpadāna. Sedert 89 had de stad hetius Latii, sedert 49 was het municipium.Novemdiale sacrum, een huiselijk reinigingsoffer op den negenden dag na eene begrafenis. Hiermede gepaard ging een maaltijd,coena novemdialisofferalis. Ook een godsdienstig feest van negen dagen, dat somtijds ten gevolge vanprodigiadoor den senaat werd bevolen.Novempopulana (provincia), zieAquitania.NovensilesofNovensides Dii, zieDi(i) Novensides.Novesium, stad der Ubii aan den Rijn, tevens kwartier van een legioen, thans Neuss tegenover Dusseldorf.Novii, oud geslacht uit Capua afkomstig. Omstreeks 90 leefde er een blijspeldichterNovius; hij was dichter van Atellanae fabulae (z. a.), evenals zijn tijdgenoot L. Pomponius.Noviodūnum, keltische naam van verschillende steden in Gallia Transalpīna. 1) stad der Bituriges Cubi, tusschen Genabum (Orléans)en Avaricum (Bourges).—2)stad der Aedui, thans Nevers aan de Loire.—3)stad der Suessiones =Augusta Suessionum, thans Soissons.—4)stad der Helvetii, aan den lacus Lemanus (meer van Genève), thans Nyon.Noviomagus, keltische stedennaam in Gallia Transalpīna. 1) bij de Bituriges Vibisci in Aquitania.—2)bij de Leuci in Belgica aan de Mosa (Maas).—3)bij de Nemētes aan den Rhenus (Rijn), thans Spiers.—4)Ulpia Noviomagus, kolonie door keizer Traiānus gesticht, bij de Batavieren, thans Nijmegen. Deze nederzetting is waarschijnlijk ontstaan in de nabijheid van het kamp, dat de Romeinen in 70 n. C. ten Z. van het verbrande Batavodurum (z. a.) hebben opgericht.Novus (homo), de eerste eener rom. familie, die tot een curulisch ambt gekozen wordt en dus zijne nazaten tot den rang vannobilesverheft.NP. Ziefasti (dies).Nuceria,Νουκερία, 1)Alfaternabijgenaamd, stad in het Z. van Campania, door Hannibal in 216 ingenomen en verbrand, later herbouwd.—2)stad in het hart van Umbria, met den bijnaamCamellaria, aan de via Flaminia.—3)stad in Apulia =Luceria.Nuithones, germaansch volk aan den rechteroever van den Albis (Elbe), behoort tot die volkeren, die de godin Nerthus vereeren.Numa Pompilius,Νουμᾶς, tweede koning van Rome (± 715–679), een Sabijn uit de stad Cures, die door wijsheid en godsvrucht de ruwe zeden der eerste Rom. verzachtte en den openbaren godsdienst regelde overeenkomstig den raad en de voorschriften der nimf Egeria, met wie hij vertrouwelijken omgang had. Godsdienstige instellingen van hoogen ouderdom werden door de Rom. in den regel aan Numa toegeschreven.Numantia,Νουμαντία, in Hispania Tarraconensis, aan den Durius (Douro), hoofdstad van den celtiberischen stam der Arevaci, v. a. der Pelendones. De stad was door hare ligging op eene hooge en steile, slechts van ééne zijde toegankelijke rots zoo sterk, dat zij muren ontberen kon. In 143 bewerkte Viriāthus, de aanvoerder der Lusitaniërs, dat de Arevacers zijne zijde kozen. Toen ontbrandde deNumantijnsche oorlog. De proconsul Q. Caecilius Metellus Macedonicus behaalde in het begin (142) groote voordeelen op de Celtiberiërs; doch toen hij vernam, dat zijn persoonlijke vijand Q. Pompeius (consul in 141) hem in het bevel zou opvolgen, ontsloeg hij de soldaten die vertrekken wilden, liet de voorraadschuren onbewaakt aan plundering over, liet de bogen en pijlen der cretensische boogschutters aan stukken breken en de olifanten doodhongeren. Pompeius werd dan ook in 141 door de Numantijnen verslagen en sloot met hen een verdrag (140), dat door den senaat echter niet bekrachtigd werd. Nadat in 138 de proconsul M. Pompilius Laenas en in 137 de consul C. Hostilius Mancīnus het onderspit hadden moeten delven en de laatste een schandelijken vrede had moeten sluiten (zieHostilii), werd in 133 Scipio Africānus minor tegen N. afgezonden. Na een merkwaardig beleg van 15 maanden viel het in zijne handen en werd geheel verwoest. De verschillende kampen en versterkingen, die Scipio voor deze belegering om de stad had opgeslagen, zijn niet lang geleden opgegraven.Numenius,Νουμήνιος, 1) aegyptisch gezant te Rome, 167.—2)van Apamēa in Syrië, omstreeks het einde der 2deeeuw n. C., vereenigde in zijn werken de leer van Pythagoras met die van Plato tot een nieuw stelsel, dat volgens zijn beweren echter, hoewel minder duidelijk, reeds bij Plato te vinden was. Hij was een van de voornaamste voorloopers der neo-platonici, Plotīnus heeft van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.Numeriānus(M. Aurelius Numerius), jongste zoon van keizer Carus, vergezelde dezen op zijn veldtocht tegen de Parthen, waarbij Carus omkwam (283 na C.). Met zijn ouderen broeder Carīnus volgde hij zijn vader op, doch werd in 284 omgebracht door zijn schoonvader, den praefectus praetorio Arrius Aper.Numerii. De naam Numerius was in Italia zeer algemeen.Q. Numerius Rufus, volkstribuun in 57, was tegen de terugroeping van Cicero, doch kwam hierdoor zelf in moeielijkheden. Cicero bespot hem in zijneoratio pro Sestio.Numicii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in de volscische en samnietische oorlogen voorkomen.NumiciusofNumīcus,Νουμίκιος, kustriviertje van Latium, valt bij Ardea in zee.Numidia,Νομαδία, Νουμιδία, het afrikaansche kustland, van de rom. provincie Africa af tot aan de rivier Muluchath. De naam van de bewoners, Numidae, wordt door de ouden afgeleid van Nomades,Νομάδες, zwervers. Hoofdstammen waren deMassaesyliien deMassylii. De kust was bezet met phoenicische volkplantingen, die later in de macht van Carthago overgingen. Na Carthago’s val kreeg koning Masinissa van de Rom. de geheele kust bij zijn gebied. Hij slaagde er in, zijne Numidiërs aan vaste woonplaatsen te gewennen en ze op een hoogeren trap van beschaving te brengen (zieMasinissa). Het O. gedeelte, tot aan den Ampsāga, werd in 46 door Caesar tot provincie gemaakt onder den naamNova Africa; doch ook de naam Numidia bleef in gebruik. Het westelijk gedeelte kwam in 25 met Mauretania aan Juba; het werd in 37 n. C. bij het Romeinsche rijk gevoegd, en heette voortaan Mauretania Caesariensis. De Numidiërs waren stoute ruiters en hunne paarden van een uitmuntend ras.Numisii, een rom. geslacht van weinig belang.Numistro, stad heel in het N. van Lucania, op de grenzen van Zuid-Samnium.Numitor,Νομήτωρ, koning van Alba Longa, vader van Rea Silvia, door zijn broeder Amulius van den troon gestooten, doch later door zijne kleinzonen Romulus en Remus hersteld.Numitorii, rom. geslacht, afkomstig uit Etruria.Nummusofnumus, in het algemeen geldstuk, in het bijzonder desestertius. De(nummus) aureusofsoliduswas gelijk aan 100 sestertiën.Nummi adulterini= valsch geld.Numonii, rom. geslacht met den familienaamVala.Νυμφαγωγός, z.Παράνυμφος.Nuncupare, v.nomen capere, iets met name noemen, duidelijk en ondubbelzinnig uitspreken; vandaarvota nuncupare, zijn wensch uitspreken, geloften doen.Nuncupatiois ook het plechtig aangaan eener verbintenis ten overstaan van getuigen.Nundinae, marktdag, eigenlijk de eerste dag van de week, diemundinumheette. ZieTrinundinum. Tusschen twee marktdagen lagen 7 andere dagen in; van den eenen marktdag tot den volgenden verliepen dus volgens romeinsche telling 9 dagen, vandaar de naam =novemdinae.Nuntiatio, zieaugures.Nuptiae, bruiloft. Deze had in het huis van de bruid plaats. Na de sluiting van het huwelijk (z.ConfarreatioenCoëmptio) verwijderde de man zich en haalde daarna de bruid met een stoet van vrienden in optocht (pompa nuptialis) uit haar huis; men droeg fakkels (hierdoor werdfaxhet symbool van het huwelijk), strooide noten en zong liederen voor Hymenaeus. De jonge vrouw legde in de straat, waar zij zou wonen, een geldstuk op hetsacellumvan den Lar Compitalis; aan het huis gekomen droeg de man haar over zijn drempel.Nursia, sabijnsche stad aan den Nar, geboorteplaats van Q. Sertorius.Nurtia=Nortia.Nyctēis,Νυκτηίς, dochter van Nycteus, moeder van Labdacus, ook Antiope, als dochter van Nycteus.Nyctelius,Νυκτέλιος, bijnaam van Dionȳsus naar de nachtfeesten,Νυκτέλια, die te zijner eer gevierd werden.Nycteus,Νυκτεύς, zoon van Hyrieus, koning van Thebe, z.Lycus, LabdacusenAntiope.Nyctimene,Νυκτιμένη, dochter van Epōpeus, koning van Lesbus; uit schaamte over de liefde, die zij voor haar vader, of v. a. haar vader voor haar, had opgevat, verborg zij zich in het diepste der wouden. Athēna veranderde haar in een nachtuil.Nyctimus,Νύκτιμος, zoon en opvolger van Lycāon no.1. Onder zijne regeering kwam de groote overstrooming van Deucalion over de aarde.Nymphae,Νύμφαι, dochters van Zeus, godheden van minderen rang, personificaties van het leven der natuur in al zijne verschillende uitingen. Iedere berg, iedere rivier, iedere boomsoort heeft bijzondere nimfen, in lateren tijd stelde men zich zelfs voor, dat iedere boom een eigen nimf had, die dan met den boom ontstond en stierf. Overigens zijn zij onsterfelijk, betoonen zij zich vriendelijk en herbergzaam voor de menschen, die haar gebied betreden, en sluiten zij zich gaarne aan bij de hoogere goden, die bij voorkeur in de vrije natuur leven, zooals Artemis en Dionȳsus. Soms hebben zij zitting in de vergadering der goden op den Olympus.—Men onderscheidt ze in: zeenimfen (Oceanides, Nereïdes), rivier- en bronnimfen (Naïades), bergnimfen (Oreades), dalnimfen (Napaeae), boschnimfen (Alseïdes), boomnimfen (Dryades, Hamadryades), soms heeten zij naar de plaats, waar zij zich ophouden:Acheloïdes, Cithaeronides, Nyseïdes,Dodonides, enz.—Zij genoten goddelijke vereering vooral in wouden en grotten, bij rivieren en bronnen, maar ook in vele steden hadden zij prachtige heiligdommen,νυμφεῖα. Men offerde haar geiten, lammeren, melk en olie. Zij werden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, licht of niet gekleed, gewoonlijk met een of ander attribuut, dat hare beteekenis duidelijk maakt.—Ook sommige andere goddelijke wezens, die onsterfelijk zijn en meer dan menschelijke macht hebben, worden nimfen genoemd, ofschoon zij niet tot het leven der natuur in betrekking staan, bijv. Calypso, Circe, e. a. Ook in Rome worden Nymphae, oudtijds Lymphae geheeten, als godheden van het water en van de bronnen, vereerd; ze hadden een tempel op het Campus Martius; hier hadden de Censoren hun archief.Nymphaeum,Νύμφαιον, 1) kaap en haven op de illyrische kust, nabij Apollonia.—2)kaap in de taurische Chersonēsus (Krim).—3)kaap van het voorgebergte Acte, een uitlooper van het Athosgebergte.Nymphēum,νυμφεῖον, gebouw, aan de waternimfen gewijd en versierd met zuilen en beelden. Daarbinnen stroomden een of meer fonteinen, omgeven door zitplaatsen, waar men bij groote hitte eene aangename koelte kon genieten. Te Rome vond men verscheidenenymphea(ooknymphaea,νύμφαια, geschreven). Zulk eennymphēumwas ook het zoogenaamde Septizonium (z. a.).Nymphidius Sabīnus(C.), verklikker onder Nero, die zich tot bevelhebber der lijfwacht wist op te werken. Na Nero’s dood werd hij door zijne eigene soldaten vermoord, toen hij hen van Galba afvallig zocht te maken.Nymphis,Νύμφις, van Heraclēa in Pontus, geschiedschrijver ten tijde van Ptolemaeus Euergetes, van wiens werken weinige fragmenten bewaard zijn.Nymphodōrus,Νυμφόδωρος, van Syracuse, schrijver van twee aardrijkskundige werken ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus; eenige fragmenten van een werk over de merkwaardigheden van Sicilië zijn bewaard gebleven.Nysa,Νύσ(σ)α, de plek waar Dionȳsus door nimfen werd opgevoed. Deze nimfen wordenNyseides,Νυσηίδες, genoemd en de god zelfNyseus,Νυσεύς. Men zocht dit Nysa in verschillende oorden, in India, Aethiopia, Caria, Pisidia, Cappadocia, Thracia, Boeotia, op Naxos, overal waar bergen of steden met den naam Nysa voorkwamen en waar de god op zijne tochten geweest was. De belangrijkste steden van dien naam zijn:—1o.Nysa ad Maeandrum, stad in Carië, ten O. van Tralles, gesticht in de 3deeeuw. Belangrijke ruïnen uit den keizertijd zijn nog over.—2o.Nyssain Cappadocia, aan den Halys, z.Gregoriusno. 3.Nyseides,Νυσηίδες, nimfen van Nysa, opvoedsters van Dionȳsus.Nyseus, Nysius, Nysigena,Νυσεύς, Dionȳsus, naar zijne geboorteplaats Nysa.Nysiades=Nyseides.

Niobe met haar jongste dochter. Uit de Niobegroep te Florence.Niobe met haar jongste dochter. Uit de Niobegroep te Florence.

Niobe met haar jongste dochter. Uit de Niobegroep te Florence.

Niobe,Νιόβη, 1) dochter van Phorōneus en Laodice, bij Zeus moeder van Argus en Pelasgus.—2)dochter van Tantalus en Taygete of Diōne, gemalin van Amphīon. Trotsch op haar talrijk en bloeiend kroost—zij had 7 zonen en 7 dochters (bij Homerus 6 z. en 6 d.), allen door schoonheid uitmuntend—durfde zij beweren dat haar meer eer toekwam dan aan Leto, die slechts twee kinderen ter wereld had gebracht. Om haar voor dezen overmoed te straffen, doodden Apollo en Artemis al hare kinderen op denzelfden dag. N. zelve versteende van smart of werd na lang rondzwerven door Zeus op haar gebed in een rots veranderd. Zoo staat zij nog op de hoogten van den Sipylus, steeds tranen vergietend over het ondervonden leed.—De rots, die door de ouden voor de versteende Niobe gehouden werd, meent men dicht bij Magnesia gevonden te hebben.

Niphātes,Νιφάτης= sneeuwgebergte, bergketen in Armenia, ten N. van de meren Thospītis en Arsissa.

Nireus,Νιρεύς, zoon van Charopus en Aglaia, na Achilles de schoonste der Grieken voor Troje.

Nisaea,Νίσαια, haven van Megara, door lange muren, die door de Atheners in 460 gebouwd waren, met Megara verbonden.

Nisaei campi,Νίσαιον πέδιον, vruchtbare hoogvlakte in Media, bekend door het voortreffelijke nisaeische paardenras en de groote koninklijke stoeterijen.

Nisibis,Νίσιβις, oude en volkrijke stad aan den Mygdonius, in het N.O. van Mesopotamia (Mygdonia). Het was een stapelplaats voor den karavaanhandel, en werd onder de SeleucidenAntiochīa Mygdoniagenoemd. Als grensvesting speelde N. later een belangrijke rol in de oorlogen met de Parthen en het Nieuw-Perzische rijk.

Nisus,Νῖσος, 1) zoon van Pandīon, broeder van Aegeus, koning van Megara, stichter van Nisaea. Toen Minos tegen Attica zou optrekken, verbond N. zich met Aegeus, en nadat deze overwonnen was, veroverde Minos ook Megara en belegerde hij Nisaea. Uit liefde voor den belegeraar trok Scylla, de dochter van N., haar vader een gouden of purperen haarlok uit, waarvan het behoud van zijn leven afhing; daarop stierf hij onmiddellijk en de stad werd veroverd, vgl.Comaetho. Hij werd in een zeearend veranderd en in deze gedaante vervolgt hij zijne dochter (z.Scylla) onophoudelijk.—2)zoon van Hirtacus, tochtgenoot van Aenēas, beroemd door zijn vriendschap voor Euryalus. Te zamen deden ze een nachtelijke aanval op het leger der Rutuliërs en sneuvelden na er een geduchte slachting aangericht te hebben.

Nisȳrus,Νίσυρος, rotsachtig eiland met gelijknamige stad ten Z. van Cos, met warme baden. De bevolking was dorisch.

Nitiobriges,Νιτιόβριγες, volksstam in Aquitania.Hoofdstad Aginnum (Agen) aan den Garumna.

Nitōcris,Νίτωκρις, 1) koningin van Babylonië, aan wie vele bouwwerken toegeschreven werden, die in werkelijkheid door Nebucadrezar uitgevoerd zijn, daarom wordt zij gewoonlijk voor de gemalin van dezen gehouden.—2)koningin van Aegypte, van wie verhaald wordt, dat zij, om haar broeder en voorganger, die door samenzweerders vermoord was, te wreken, de hoofdschuldigen tot een feest in een onderaardsche zaal noodigde, die zij vervolgens onder water liet zetten. Om aan de wraak van het volk te ontkomen, doodde zij zich zelve.

NitrariaeofNitriae,Νιτρίαι, groote sodameren in eene vallei (vallis Nitria) ten N. W. van Memphis gelegen.

Nixi(di), drie godheden, die hulp verleenden bij de geboorte, en wier knielende beelden op het Capitool te zien waren.

Nobilesofoptimātesheetten bij de Rom. die familiën, die hetius imaginumhadden, omdat hunne voorzaten curulische ambten hadden bekleed.

Nobilior, familienaam in degens Fulvia(Fulviino. 10–13).

Nola,Νῶλα, belangrijke stad in Campania, ten N.O. van den Vesuvius. Marcellus behaalde hier in 215 eene overwinning op Hannibal. Hier is Augustus gestorven.

Nomen.De Grieken hadden geene geslachts- of familienamen. Het kind ontving één enkelen naam naar de keuze der ouders. Het eenige middel ter onderscheiding was, dat men den naam des vaders en in officieele stukken ook den naam van den demus er bij voegde, b. v.Δημοσθένης Δημοσθένους Παιανιεύς, Θεόφραστος Θεοδώρου. Bij de Rom. onderscheidde men vooreerstnomenof geslachtsnaam enpraenomen, vóórnaam, b.v. P. Cornelius. De verschillende familiën van een zelfde geslacht onderscheidden zich door een derden naam ofcognomen, als: Scipio, Cossus, Cinna, Sulla, Lentulus, Dolabella, enz. Soms vond men nog een vierden naam ofagnomen, waardoor weder een tak der familie werd aangewezen, als: Africānus, Nasīca. Bij adoptie nam de geadopteerde officieel hetnomen gentiliciumen hetcognomenen dikwijls ook hetpraenomenvan zijn adoptiefvader aan, doch voegde er dan een adjectief aan toe, aan zijn vroegeren geslachtsnaam ontleend, b.v. P. Licinius CrassusMuciānus, P. Cornelius ScipioAemiliānusAfricānus minor. Gebeurde dit evenwel op eenigszins gevorderden leeftijd, dan werden zij ook dikwijls nog bij hun ouden naam genoemd. Vrijgelatenen namen vóór- en geslachtsnaam aan van hun vroegeren meester, terwijl zij als cognomen hun slavennaam behielden, als: P. Terentius Afer, de bekende dichter, vrijgelatene van P. Terentius Lucānus. Vrijgelatenen van steden vormden eennomenuit den naam der stad, b.v. P. Pisaurius Achilles (v. Pisaurum). Meisjes kregen geen naam, zij werden slechts aangewezen door een gentieladjectief, Cornelia, Tullia, enz.; soms voegde men er den naam van vader of echtgenoot bij. Zoo was Cicero’s dochter Tullia Ciceronis, zijne vrouw Terentia Ciceronis. Had een vader slechts twee dochters, zoo noemde hij zemaiorenminor; waren er meer, dan werden zij eenvoudig genummerd:prima, secunda, tertia, enz. Toch komen er in ouden tijd ook vrouwelijke voornamen voor, als: Aula, Lucia, Publia, Rutila, Caesellia e. a. Tegen het einde der rom. republiek kwam het in zwang, aan de meisjes twee adjectieven als naam te geven, hetzij beide aan de namen van den vader ontleend, als: Caecilia Metella, hetzij aan die der beide ouders, b.v. Valeria Attia, dochter van zekeren S. Attius Atticus en Valeria Sextīna, hetzij aan andere familiebetrekkingen, als: Iulia Agrippīna, Iulia Drusilla, Iulia Livilla, de drie dochters van Germanicus. Zeer zeldzaam zijn drie of vier namen, als: Livia Medullīna Camilla, Lucia Baebia Sallustia Crescentilla. In den keizertijd begint het verschil tusschennomen gentiliciumennomen familiaete slijten, en gebruikt men ze door elkaar. In de 3deen 4deeeuw n. Chr. komt naast de gewone namen hetsignumop, een soort herkenningsteeken, of clubnaam, die eerst vooral tusschen ambtenaren een soort band vormt, en later den eigenlijken naam verdringt. Het zijn meestgroepnamenopiusenia, van latijnsche en grieksche woorden afgeleid, b.v.Gaudentiusvangaudens, Asteriusvanἀστήρ. De personen hiermede bedoeld, behooren tot een zelfdevereeniging, die een bepaaldsignum, teeken, heeft aangenomen.

Nomenclātor, een slaaf, wiens taak het was, de aanzienlijke en invloedrijke personen te Rome van aangezicht en bij naam te kennen. Hij, die naar eenig ambt dong, begaf zich geregeld naar het forum, om zijne candidatuur aan te bevelen, en daar de beleefdheid vorderde, dat men de burgers bij hun naam aansprak, moest denomenclatorzijn meester de namen influisteren. In huis moest hij de bezoekers aandienen.

Nomentānus(L. Cassius), een groote lekkerbek bij Horatīus. Een andere Nomentanus wordt door den dichter om zijne wijsheid geprezen.

Nomentum,Νώμεντον, latijnsche stad ten N.O. van Rome. De poort en de weg, die er heen voerden, heettenportaenvia Nomentana.

Nominis delatio, de aangifte bij den praetor van den persoon, dien men wenscht aan te klagen, dus: aanklacht.

Nominis receptio, het aannemen eener klacht door den praetor.

Nomius,Νόμιος, bijnaam van Apollo, Pan, Hermes en Aristaeus als herdersgoden.

Νομοφύλακες, te Athene een college van 7 mannen, door Ephialtes ingesteld en toegerust met de meeste bevoegdheden, die hij aan den Areopagus ontnomen had. Deze betrekking werd in 403 afgeschaft en eerst door Demetrius Phalēreus weder in het leven geroepen.—Ook verscheiden dorische staten haddenνομ., die vooral moesten toezien dat in raads- of volksvergaderingen geen onwettig besluit genomen werd. Op Corcȳra waren zij controleurs van het geldelijk beheer der magistraten, evenals de atheensche logisten.

Νομοθέται, z.ἐπιχειροτονίαno. 1.

Nonācris,Νώνακρις, vlek en bergstreek in het N. van Arcadia. Hier ontsprong de Styx.Nonacrius heros= Euander,Nonacria virgo= Callisto,Nonacria= Atalanta.

Nonae, zieannus.

Nonii, plebejisch geslacht.Nonius Asprenas, gunsteling van Caesar, die door Catullus bespot wordt. Hij was proconsul in 46, en legaat van Caesar in Africa en Hispania.

Nonius Marcellus, rom. taalgeleerde uit Numidia, waarschijnlijk tegen het midden der 3deeeuw na C.

Nonnus,Νόννος, van Panopolis, omstreeks 400 na C., bezong in een episch gedicht de daden van Dionȳsus; later ging hij tot het Christendom over en leverde hij in denzelfden vorm eene paraphrase van het evangelie van Johannes. Beide werken zijn bewaard gebleven.

Nora, 1)Νώρα, oude stad op de Z.kust van Sardinia.—2)τὰ Νῶρα, bergslot in Cappadocia, waar Eumenes door Antigonus werd belegerd.

Norba,Νώρβα, 1) sterke vesting in Latium ten Z.O. van Rome, in 492 rom. kolonie in het gebied der Volscen; hier werden na den tweeden punischen oorlog de carthaagsche gijzelaars bewaard. In den burgeroorlog werd het door Sulla’s troepen verwoest.—2)Norba Caesarēa, rom. kolonie in Lusitania, aan den Tagus, thans Alcantara, met eene rom. brug, op welker midden een triumfboog van Traiānus staat.

Norbāni, eene rom. familie, uit Norba afkomstig. 1)C. Norbanus, volkstribuun in 95, trad toen als aanklager op van Q. Servilius Caepio (consul 106), die in 105 door de Cimbren was verslagen. Hij werd wegens die aanklacht in 94 door P. Sulpicius Rufuslege Appuleia maiestatisaangeklaagd, maar vrijgesproken. Cicero noemt Norbanusseditiosum et inutilem civem. Hij was praetor op Sicilië in 88, en consul in 83. Hij werd door Sulla vogelvrij verklaard, leed in den burgeroorlog twee nederlagen (82) en vluchtte naar Rhodus, waar hij zich zelf van kant maakte.—2)C. Norbanus Flaccuswas legaat van Antonius en Octaviānus in den strijd tegen Brutus en Cassius; in 38 was hij consul, in 34 hield hij een zegetocht over de Hispaniërs.—3)Hiervan te onderscheiden isC. Norbanus Flaccus, consul 24, waarschijnlijk de zoon van den voorgaanden.—4)onder Domitiānus en Traiānus komt eenL. Appius Norbanus Maximusvoor.

Noreia,Νωρήια, hoofdstad der Taurisci in Noricum, aan den Murius (Mur), thans Neumark in Stiermarken. Hier werd in 113 de consul Cn. Papirius Carbo door de Cimbren verslagen.

Noricum,Νωρικόν, sedert 16 een der rom. Donau-provinciën, tusschen den Donau en de Alpen, van den Aenus (Inn) af tot aan den mons Cetius (Wienerwald) bij Vindobōna (Weenen). De inwoners,Taurisci, van celtischen stam, waren een nijver volk en dreven over Aquileia een niet onbelangrijken handel met Italia. De bodem was rijk aan metalen; het norische staal en de wapenfabrieken van Lauriacum (Lorch, aan den Donau) waren vermaard. Ook veeteelt en zoutwinning waren bronnen van bestaan. In de jaren 15–13 werden al de gewesten tusschen Alpen en Donau tot rom. provinciën gemaakt.

Nortia, etrurische godin van het noodlot, voornamelijk te Volsinii vereerd.

Nossis,Νοσσίς, lyrische dichteres uit Locri, omstreeks 300. Eenige epigrammen van haar zijn bewaard gebleven.

Νόστοι, epische gedichten betreffende de avonturen van verschillende grieksche vorsten op hun terugreis van Troje.

Nota censoria, ooknotatio, animadversio censoria, openbare bestraffing door de censoren, als: het schrappen van onwaardige senaatsleden van de lijst (senatu movere, eicere) of van ridders uit de ridderlijsten, het overbrengen van burgers uit eenetribus rusticain eenetribus urbanaof wel onder deaerarii(tribu movere, in aerarios referre). Stellig bewijs van schuld was niet noodig; de persoonlijke overtuiging der censoren was voldoende; zij behoorden het echter eens te zijn.

Notarius, snelschrijver, verslaggever, geheimschrijver of secretaris.

Νόθοι, buiten huwelijk geboren kinderen, of zij, wier ouders tot twee verschillende staten zonderἐπιγαμίαbehoorden. De laatstgenoemden kregen, althans te Athene, vrij gemakkelijk het burgerrecht, totdat in 457 een wet van Pericles bepaalde, dat alleen kinderen van een atheenschen vader en moeder dit recht zouden mogen hebben. De buiten huwelijk geborenen waren van alle familierechten uitgesloten; zij konden van het vermogen van hun vader slechts een bij de wet bepaald deel (νοθεῖα) erven, dat niet meer dan 1000 drachmen kon bedragen.

Notium,Νότιον, stadje van Aeolis, later haven van Colophon op de aeolisch-mysische kust.

Notus,Νότος, de Zuidenwind, zieWindstreken.

Novaesium=Novesium.

Novaria, thans Novara, stad der Insubres in Gallia Transpadāna. Sedert 89 had de stad hetius Latii, sedert 49 was het municipium.

Novemdiale sacrum, een huiselijk reinigingsoffer op den negenden dag na eene begrafenis. Hiermede gepaard ging een maaltijd,coena novemdialisofferalis. Ook een godsdienstig feest van negen dagen, dat somtijds ten gevolge vanprodigiadoor den senaat werd bevolen.

Novempopulana (provincia), zieAquitania.

NovensilesofNovensides Dii, zieDi(i) Novensides.

Novesium, stad der Ubii aan den Rijn, tevens kwartier van een legioen, thans Neuss tegenover Dusseldorf.

Novii, oud geslacht uit Capua afkomstig. Omstreeks 90 leefde er een blijspeldichterNovius; hij was dichter van Atellanae fabulae (z. a.), evenals zijn tijdgenoot L. Pomponius.

Noviodūnum, keltische naam van verschillende steden in Gallia Transalpīna. 1) stad der Bituriges Cubi, tusschen Genabum (Orléans)en Avaricum (Bourges).—2)stad der Aedui, thans Nevers aan de Loire.—3)stad der Suessiones =Augusta Suessionum, thans Soissons.—4)stad der Helvetii, aan den lacus Lemanus (meer van Genève), thans Nyon.

Noviomagus, keltische stedennaam in Gallia Transalpīna. 1) bij de Bituriges Vibisci in Aquitania.—2)bij de Leuci in Belgica aan de Mosa (Maas).—3)bij de Nemētes aan den Rhenus (Rijn), thans Spiers.—4)Ulpia Noviomagus, kolonie door keizer Traiānus gesticht, bij de Batavieren, thans Nijmegen. Deze nederzetting is waarschijnlijk ontstaan in de nabijheid van het kamp, dat de Romeinen in 70 n. C. ten Z. van het verbrande Batavodurum (z. a.) hebben opgericht.

Novus (homo), de eerste eener rom. familie, die tot een curulisch ambt gekozen wordt en dus zijne nazaten tot den rang vannobilesverheft.

NP. Ziefasti (dies).

Nuceria,Νουκερία, 1)Alfaternabijgenaamd, stad in het Z. van Campania, door Hannibal in 216 ingenomen en verbrand, later herbouwd.—2)stad in het hart van Umbria, met den bijnaamCamellaria, aan de via Flaminia.—3)stad in Apulia =Luceria.

Nuithones, germaansch volk aan den rechteroever van den Albis (Elbe), behoort tot die volkeren, die de godin Nerthus vereeren.

Numa Pompilius,Νουμᾶς, tweede koning van Rome (± 715–679), een Sabijn uit de stad Cures, die door wijsheid en godsvrucht de ruwe zeden der eerste Rom. verzachtte en den openbaren godsdienst regelde overeenkomstig den raad en de voorschriften der nimf Egeria, met wie hij vertrouwelijken omgang had. Godsdienstige instellingen van hoogen ouderdom werden door de Rom. in den regel aan Numa toegeschreven.

Numantia,Νουμαντία, in Hispania Tarraconensis, aan den Durius (Douro), hoofdstad van den celtiberischen stam der Arevaci, v. a. der Pelendones. De stad was door hare ligging op eene hooge en steile, slechts van ééne zijde toegankelijke rots zoo sterk, dat zij muren ontberen kon. In 143 bewerkte Viriāthus, de aanvoerder der Lusitaniërs, dat de Arevacers zijne zijde kozen. Toen ontbrandde deNumantijnsche oorlog. De proconsul Q. Caecilius Metellus Macedonicus behaalde in het begin (142) groote voordeelen op de Celtiberiërs; doch toen hij vernam, dat zijn persoonlijke vijand Q. Pompeius (consul in 141) hem in het bevel zou opvolgen, ontsloeg hij de soldaten die vertrekken wilden, liet de voorraadschuren onbewaakt aan plundering over, liet de bogen en pijlen der cretensische boogschutters aan stukken breken en de olifanten doodhongeren. Pompeius werd dan ook in 141 door de Numantijnen verslagen en sloot met hen een verdrag (140), dat door den senaat echter niet bekrachtigd werd. Nadat in 138 de proconsul M. Pompilius Laenas en in 137 de consul C. Hostilius Mancīnus het onderspit hadden moeten delven en de laatste een schandelijken vrede had moeten sluiten (zieHostilii), werd in 133 Scipio Africānus minor tegen N. afgezonden. Na een merkwaardig beleg van 15 maanden viel het in zijne handen en werd geheel verwoest. De verschillende kampen en versterkingen, die Scipio voor deze belegering om de stad had opgeslagen, zijn niet lang geleden opgegraven.

Numenius,Νουμήνιος, 1) aegyptisch gezant te Rome, 167.—2)van Apamēa in Syrië, omstreeks het einde der 2deeeuw n. C., vereenigde in zijn werken de leer van Pythagoras met die van Plato tot een nieuw stelsel, dat volgens zijn beweren echter, hoewel minder duidelijk, reeds bij Plato te vinden was. Hij was een van de voornaamste voorloopers der neo-platonici, Plotīnus heeft van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.

Numeriānus(M. Aurelius Numerius), jongste zoon van keizer Carus, vergezelde dezen op zijn veldtocht tegen de Parthen, waarbij Carus omkwam (283 na C.). Met zijn ouderen broeder Carīnus volgde hij zijn vader op, doch werd in 284 omgebracht door zijn schoonvader, den praefectus praetorio Arrius Aper.

Numerii. De naam Numerius was in Italia zeer algemeen.Q. Numerius Rufus, volkstribuun in 57, was tegen de terugroeping van Cicero, doch kwam hierdoor zelf in moeielijkheden. Cicero bespot hem in zijneoratio pro Sestio.

Numicii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in de volscische en samnietische oorlogen voorkomen.

NumiciusofNumīcus,Νουμίκιος, kustriviertje van Latium, valt bij Ardea in zee.

Numidia,Νομαδία, Νουμιδία, het afrikaansche kustland, van de rom. provincie Africa af tot aan de rivier Muluchath. De naam van de bewoners, Numidae, wordt door de ouden afgeleid van Nomades,Νομάδες, zwervers. Hoofdstammen waren deMassaesyliien deMassylii. De kust was bezet met phoenicische volkplantingen, die later in de macht van Carthago overgingen. Na Carthago’s val kreeg koning Masinissa van de Rom. de geheele kust bij zijn gebied. Hij slaagde er in, zijne Numidiërs aan vaste woonplaatsen te gewennen en ze op een hoogeren trap van beschaving te brengen (zieMasinissa). Het O. gedeelte, tot aan den Ampsāga, werd in 46 door Caesar tot provincie gemaakt onder den naamNova Africa; doch ook de naam Numidia bleef in gebruik. Het westelijk gedeelte kwam in 25 met Mauretania aan Juba; het werd in 37 n. C. bij het Romeinsche rijk gevoegd, en heette voortaan Mauretania Caesariensis. De Numidiërs waren stoute ruiters en hunne paarden van een uitmuntend ras.

Numisii, een rom. geslacht van weinig belang.

Numistro, stad heel in het N. van Lucania, op de grenzen van Zuid-Samnium.

Numitor,Νομήτωρ, koning van Alba Longa, vader van Rea Silvia, door zijn broeder Amulius van den troon gestooten, doch later door zijne kleinzonen Romulus en Remus hersteld.

Numitorii, rom. geslacht, afkomstig uit Etruria.

Nummusofnumus, in het algemeen geldstuk, in het bijzonder desestertius. De(nummus) aureusofsoliduswas gelijk aan 100 sestertiën.Nummi adulterini= valsch geld.

Numonii, rom. geslacht met den familienaamVala.

Νυμφαγωγός, z.Παράνυμφος.

Nuncupare, v.nomen capere, iets met name noemen, duidelijk en ondubbelzinnig uitspreken; vandaarvota nuncupare, zijn wensch uitspreken, geloften doen.Nuncupatiois ook het plechtig aangaan eener verbintenis ten overstaan van getuigen.

Nundinae, marktdag, eigenlijk de eerste dag van de week, diemundinumheette. ZieTrinundinum. Tusschen twee marktdagen lagen 7 andere dagen in; van den eenen marktdag tot den volgenden verliepen dus volgens romeinsche telling 9 dagen, vandaar de naam =novemdinae.

Nuntiatio, zieaugures.

Nuptiae, bruiloft. Deze had in het huis van de bruid plaats. Na de sluiting van het huwelijk (z.ConfarreatioenCoëmptio) verwijderde de man zich en haalde daarna de bruid met een stoet van vrienden in optocht (pompa nuptialis) uit haar huis; men droeg fakkels (hierdoor werdfaxhet symbool van het huwelijk), strooide noten en zong liederen voor Hymenaeus. De jonge vrouw legde in de straat, waar zij zou wonen, een geldstuk op hetsacellumvan den Lar Compitalis; aan het huis gekomen droeg de man haar over zijn drempel.

Nursia, sabijnsche stad aan den Nar, geboorteplaats van Q. Sertorius.

Nurtia=Nortia.

Nyctēis,Νυκτηίς, dochter van Nycteus, moeder van Labdacus, ook Antiope, als dochter van Nycteus.

Nyctelius,Νυκτέλιος, bijnaam van Dionȳsus naar de nachtfeesten,Νυκτέλια, die te zijner eer gevierd werden.

Nycteus,Νυκτεύς, zoon van Hyrieus, koning van Thebe, z.Lycus, LabdacusenAntiope.

Nyctimene,Νυκτιμένη, dochter van Epōpeus, koning van Lesbus; uit schaamte over de liefde, die zij voor haar vader, of v. a. haar vader voor haar, had opgevat, verborg zij zich in het diepste der wouden. Athēna veranderde haar in een nachtuil.

Nyctimus,Νύκτιμος, zoon en opvolger van Lycāon no.1. Onder zijne regeering kwam de groote overstrooming van Deucalion over de aarde.

Nymphae,Νύμφαι, dochters van Zeus, godheden van minderen rang, personificaties van het leven der natuur in al zijne verschillende uitingen. Iedere berg, iedere rivier, iedere boomsoort heeft bijzondere nimfen, in lateren tijd stelde men zich zelfs voor, dat iedere boom een eigen nimf had, die dan met den boom ontstond en stierf. Overigens zijn zij onsterfelijk, betoonen zij zich vriendelijk en herbergzaam voor de menschen, die haar gebied betreden, en sluiten zij zich gaarne aan bij de hoogere goden, die bij voorkeur in de vrije natuur leven, zooals Artemis en Dionȳsus. Soms hebben zij zitting in de vergadering der goden op den Olympus.—Men onderscheidt ze in: zeenimfen (Oceanides, Nereïdes), rivier- en bronnimfen (Naïades), bergnimfen (Oreades), dalnimfen (Napaeae), boschnimfen (Alseïdes), boomnimfen (Dryades, Hamadryades), soms heeten zij naar de plaats, waar zij zich ophouden:Acheloïdes, Cithaeronides, Nyseïdes,Dodonides, enz.—Zij genoten goddelijke vereering vooral in wouden en grotten, bij rivieren en bronnen, maar ook in vele steden hadden zij prachtige heiligdommen,νυμφεῖα. Men offerde haar geiten, lammeren, melk en olie. Zij werden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, licht of niet gekleed, gewoonlijk met een of ander attribuut, dat hare beteekenis duidelijk maakt.—Ook sommige andere goddelijke wezens, die onsterfelijk zijn en meer dan menschelijke macht hebben, worden nimfen genoemd, ofschoon zij niet tot het leven der natuur in betrekking staan, bijv. Calypso, Circe, e. a. Ook in Rome worden Nymphae, oudtijds Lymphae geheeten, als godheden van het water en van de bronnen, vereerd; ze hadden een tempel op het Campus Martius; hier hadden de Censoren hun archief.

Nymphaeum,Νύμφαιον, 1) kaap en haven op de illyrische kust, nabij Apollonia.—2)kaap in de taurische Chersonēsus (Krim).—3)kaap van het voorgebergte Acte, een uitlooper van het Athosgebergte.

Nymphēum,νυμφεῖον, gebouw, aan de waternimfen gewijd en versierd met zuilen en beelden. Daarbinnen stroomden een of meer fonteinen, omgeven door zitplaatsen, waar men bij groote hitte eene aangename koelte kon genieten. Te Rome vond men verscheidenenymphea(ooknymphaea,νύμφαια, geschreven). Zulk eennymphēumwas ook het zoogenaamde Septizonium (z. a.).

Nymphidius Sabīnus(C.), verklikker onder Nero, die zich tot bevelhebber der lijfwacht wist op te werken. Na Nero’s dood werd hij door zijne eigene soldaten vermoord, toen hij hen van Galba afvallig zocht te maken.

Nymphis,Νύμφις, van Heraclēa in Pontus, geschiedschrijver ten tijde van Ptolemaeus Euergetes, van wiens werken weinige fragmenten bewaard zijn.

Nymphodōrus,Νυμφόδωρος, van Syracuse, schrijver van twee aardrijkskundige werken ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus; eenige fragmenten van een werk over de merkwaardigheden van Sicilië zijn bewaard gebleven.

Nysa,Νύσ(σ)α, de plek waar Dionȳsus door nimfen werd opgevoed. Deze nimfen wordenNyseides,Νυσηίδες, genoemd en de god zelfNyseus,Νυσεύς. Men zocht dit Nysa in verschillende oorden, in India, Aethiopia, Caria, Pisidia, Cappadocia, Thracia, Boeotia, op Naxos, overal waar bergen of steden met den naam Nysa voorkwamen en waar de god op zijne tochten geweest was. De belangrijkste steden van dien naam zijn:—1o.Nysa ad Maeandrum, stad in Carië, ten O. van Tralles, gesticht in de 3deeeuw. Belangrijke ruïnen uit den keizertijd zijn nog over.—2o.Nyssain Cappadocia, aan den Halys, z.Gregoriusno. 3.

Nyseides,Νυσηίδες, nimfen van Nysa, opvoedsters van Dionȳsus.

Nyseus, Nysius, Nysigena,Νυσεύς, Dionȳsus, naar zijne geboorteplaats Nysa.

Nysiades=Nyseides.


Back to IndexNext