O.

O.Oanis,Ὤανις, riviertje op de Z.kust van Sicilia bij de stad Camarīna.Oaracta,τὰ Ὀάρακτα, vruchtbaar eiland in de Perzische golf op de kust van Carmania.Oarus,Ὄαρος, rivier ergens in Sarmatia, die volgens Herodotus in de Palus Maeōtis (zee v. Azow) zou vallen, O.waarts van den Tanaïs (Don). Bedoeld is deRha(Wolga).Oaxus,Ὄαξος, stad midden op Creta, ookAxusgenoemd, aan de rivier Oaxes.Ὠβή, z.Φυλή.Obeliscus,ὀβελίσκος, hooge, vierhoekige zuil, die naar boven toe gelijkmatig dunner wordt en aan den top op eenmaal in eene pyramidale spits uitloopt. Oorspronkelijk behooren deze zuilen, in het Nederlandsch ook naalden genoemd, in Aegypte te huis, waar zij uit graniet, marmer of kalksteen in één stuk gehouwen werden. De hoogte wisselt van 50 tot 150 voet. Vele obelisken zijn met hiëroglyphen beschreven. Na de verovering van Aegypte door de Perzen schijnt het houwen van obelisken gestaakt te zijn; verscheidene er van zijn met groote kosten naar Rome en in de vorige eeuw zelfs naar Londen, Parijs en New-York overgebracht. In Aegypte stonden zij voor de tempelgebouwen. Bij eene obelisk behoort een vierkant voetstuk, rondom ongeveer een voet breeder dan het ondereind der naald.Obelus,ὀβελός, een dwarsstreepje, waarmede de alexandrijnsche grammatici in hunne uitgaven van oude schrijvers onechte of verdachte plaatsen aanduidden.Obligatio, de band tusschen twee personen of partijen, van wie de eencreditoris en eene vordering heeft, en de anderedebitoris en onder zekere verplichting ligt.Obligationes ex contractuontstaan uit eene op wettigen grondslag rustende overeenkomst,obligationes ex delictouit een wederrechtelijk vergrijp tegen de rechten van een ander, waarvoor deze dan vergoeding of voldoening kan vorderen. Verder kent het Romeinsche recht nogobligationes ex variis causarum figuris, waartoe o. a. hoort de aansprakelijkheid van den rechter, die een partijdig vonnis heeft geveld.Obnuntiatio, mededeeling der augurs, dat de auspiciën ongunstig zijn. Zie de artikelsdivinatioenservare de coelo.Ὀβολός, grieksche munt, vroeger van zilver, later van brons, het 6dedeel van een drachme.Ὀβ. νεκροῦ,z.Charon.Obrima,Ὄβριμος, zijtak van den Maeander in Phrygia.Ὀβριμοπάτρη, zij, wier vader machtig is, bijnaam van Athēna.Obsequens(Iulius), schrijver van een werkje over wonderteekenen,prodigia, waarvan nog een gedeelte over is. Hij leefde waarschijnlijk in de 4deeeuw na C.Obucola,Ὀβούκολα, stad in Baetica, ten O. van Hispalis (Sevilla).Ocalēa,Ὠκάλεια, dochter van Mantineus, gemalin van Abas, moeder van Acrisius en Proetus.Ocalea,Ὠκαλέη, riviertje en vlek in Boeotia ten W. van het meer Copāis.Oceanides, -nīnae,Ὠκεανίδες, -νῖναι, -νίτιδες, 3000 dochters van Oceanus en Tethys, nimfen der zee.Oceanus,Ὠκεανός, zoon van Uranus en Gaea, de oudste der Titanen, die zich aan het heerschende godengeslacht heeft onderworpen en door hen met liefde en zorg behandeld wordt, maar geen aandeel heeft aan de regeering der wereld, afgezonderd leeft en niet bij de vergaderingen der goden komt. Bij Tethys is hij de vader van de 3000 stroomgoden en 3000 Oceaniden. Hij is de god van den grooten stroom (Oceaan), volgens ouderen eene rivier, volgens lateren een zee, die aarde en zeeën insluit, waaruit alle wateren der aarde hun oorsprong hebben, en zon, maan en sterren oprijzen. Aan deze zijde van den Oceaan wonen de vrome Aethiopiërs en ligt het Elysium, aan gene zijde heerscht eeuwige duisternis en is de ingang naar het rijk van Hades.—In latere tijden onderscheidde men verschillende deelen van den Oceaan, bij voorkeur gaf men dien naam aan den Atlantischen Oceaan (Oc. Occidentalis), maar ook de Erythraeïsche, Hyperboreïsche, Aethiopische e. a. worden genoemd. Over het algemeen verbindt men aan het woord Oceanus het begrip van eb en vloed.OccelusofOcellus Lucānus,ὌκκελοςofὌκελλος ὁ Λευκανός, pythagoreïsch wijsgeer uit onzekeren tijd; het hem toegeschreven werkπερὶ τῆς τοῦ παντὸς φύσεωςis waarschijnlijk eerst uit de 1eeeuw voor C.Ocelum, stad der Graioceli in de Grajische Alpen.Ocha, berg in het Z. van Euboea, bij de stad Carystus.Ochus,Ὦχος, bijnaam van Artaxerxes III.Ochus,Ὦχος, 1) linker zijrivier van den Oxus, tgw. Sangalak.—2)rivier in Hyrcania, die in de Caspische zee uitstroomt, tgw. Atrek.Ocnus,Ὄκνος, zoon van Tiberis en Manto, stichter van Mantua. V. a. was hij een zoonof broeder van Aulētes, den stichter van Perusia, en had hij Felsīna, het latere Bononia, gesticht.Ocriculum,Ὀκρίκολα, welvarend municipium in Umbria aan den Tiber en de via Flaminia, thans Otricoli.Octavia (lex)frumentariater verhooging van den korenprijs en gedeeltelijke opheffing derlex Sempronia. ZieAnnonaenOctaviino. 5.Octaviānus, zieIuliino. 14.Octavii, rom. gesl., uit Velitrae afkomstig, dat reeds in den koningstijd naar Rome verhuisde. 1)Cn. Octavius, rom. vlootvoogd in den tweeden punischen oorlog (205 en 202). In 192 werd hij als gezant naar Griekenland gezonden, om Antiochus tegen te werken.—2)Cn. Octavius, zoon van no. 1, was in 168 rom. vlootvoogd tegen koning Perseus, die zich op Samothrāce aan hem moest overgeven. Van den buit bouwde hij deporticus Octaviate Rome. In 165 was hij consul; in 162 werd hij te Laodicēa vermoord, terwijl hij met een staatkundigen last in Azië vertoefde.—3)M. Octavius, in 133 volkstribuun met Ti. Gracchus, verzette zich tegen diens akkerwet en werd op diens voorstel door het volk afgezet. ZieSemproniino. 10.—4)Cn. Octavius, consul in 87, trachtte als hoofd der optimatenpartij Cinna te keer te gaan en verdreef hem zelfs uit Rome; toen echter Cinna Rome bestormde, werd Oct. vermoord.—5)M. Octavius, zoon van no. 4, bewerkte als volkstribuun eene inkrimping der korenwet van C. Gracchus, zieOctavia (lex) frumentaria.—6)L. Octavius, consul in 75.—7)M. Octaviuswas in den burgeroorlog vlootvoogd van Pompeius; hij verdreef Caesars legaat P. Cornelius Dolabella uit Illyria en nam C. Antonius gevangen (49). Later belegerde hij tevergeefs A. Gabinius te Salona. Na den slag bij Pharsālus wordt hij door een gedeelte zijner manschappen verlaten, hij lijdt een nederlaag tegen P. Vatinius, en vlucht met de rest van zijn vloot.—8)C. Octavius, geroemd om zijn goedheid en braafheid, praetor in 61, vernietigde in 60 het overschot van Catilina’s benden en bestuurde daarna met grooten lof Macedonia, waar hij tegen de Thraciërs streed (60/59). Hij was de vader van keizer Augustus. Hij stierf in het begin van 58 te Nola.—9)C. Octavius, zoon van no. 8, geb. in 63, was vier jaar oud, toen zijn vader te Nola overleed. Hij was de latere keizer Augustus. ZieIuliino. 14.—10)Octavia, dochter van no. 8, eerst gehuwd met C. Claudius Marcellus en daarna (40) met M. Antonius, den drieman, won aller harten door haar edel en zacht karakter. Zij droeg er veel toe bij om eene uitbarsting tusschen haar man en haar broeder Octaviānus te voorkomen. Doch Antonius, naar het Oosten vertrokken, verwaarloosde haar, zooals hij te voren Fulvia had gedaan, en liet zich in 32 van haarscheiden. Zij stierf in 11, diep betreurd als een toonbeeld van eene rom. vrouw en moeder. Zij liet deporticus Octaviaebouwen, waarvan nog enkele brokstukken over zijn. Daar zij nog een oudere zuster had, wordt zij ook welminorbijgenaamd. Haar zoon, de in 23 gestorven M. Marcellus (Claudiino. 37), om wien zij tot haar dood gerouwd heeft, was de eerste man van Augustus’ dochter Julia.—11)Octavia, dochter van keizer Claudius uit diens derde huwelijk met Valeria Messalīna, huwde in 53 na C. met keizer Nero. Hare strenge zeden konden hem echter niet behagen. Ze werd eerst door Nero verstooten, daarna verbannen naar Pandataria en vermoord (62). Zij was zeer geliefd bij het volk, en na Nero’s dood leverde zij de stof voor een tragedieOctavia, die onder de geschriften van Seneca bewaard gebleven is.Octodūrus, tgw. Martigny, stad der Veragri, in het tegenw. kanton Wallis.Octogēsa, stad der Ilergetes aan den Ibērus in Hispania.Ocypete,Ὠκυπέτη, een van de Harpyiën.Ocyrhoe,Ὠκυρόη, dochter van Chiron en Chariclo, eene wijze profetes; zij werd in een paard veranderd.Odenāthus,Ὠδέναθος, aanzienlijk burger van Palmȳra, die zich in het zoogenaamde tijdperk der 30 tyrannen tot vorst verhief (261 na C.), den perzischen koning Sapōres uit Syrië verjoeg, en door den rom. keizer Galliēnus als mederegent erkend werd. In 267 werd hij door een bloedverwant omgebracht. Zijne weduwe, de schoone en begaafde Zenobia nam nu als beheerscheres van het Oosten de teugels van het bewind in handen.Odessus,Ὀδησσός, milesische kolonie in Thracia aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee), thans Varna.Odēum,ᾠδεῖον, gebouw voor muzikale wedstrijden, gebouwd op de wijze van een theater, doch van een dak voorzien. Pericles liet het eerste odeum te Athene bouwen. Bij het beleg der stad door Sulla in 86 brandde het af, doch werd op kosten van den cappadocischen koning Ariobarzanes, Philoromaeus bijgenaamd, weder opgebouwd. Herōdes Atticus gaf aan Athene een tweede odeum ten geschenke, het prachtigste der oude wereld; het kon 8000 personen bevatten. Ook te Corinthus bouwde Herodes er een. Na dat van Athene was het odeum van Patrae het prachtigste. Het eerste odeum te Rome was dat van Domitiānus.Odoācer, een Rugiër, die bij een opstand der rom. huurtroepen zich aan hun hoofd stelde, den laatsten keizer van het westrom. rijk, Romulus Augustulus, afzette, en een koninkrijk Italië stichtte, 476 na C. In 493 werd hij ten val gebracht door Theodorik, koning der Oostgothen.Odomanti, thracische volksstam aan den mons Orbēlus, tusschen den Strymon en den Nestus.Odrysae,Ὀδρύσαι, het machtigste volk van Thracia, uitstekende ruiters met voortreffelijke paarden. Hun grootste macht bereikten zij onder de achtereenvolgende koningen Teres, Sitalces, met wien de Atheners in 431 een verbond tegen Perdiccas van Macedonië sloten, en Seuthes I. Diens neef Seuthes II riep de hulp in der 10000 Grieken,die met Xenophon huiswaarts keerden. Twisten over de opvolging brachten den staat later wel in een zekere afhankelijkheid van Macedonië, maar toch bleef hij zelfstandig bestaan, ook nog onder de Rom., tot hij eindelijk in 46 n. C. onder den naam Thracia bij het rijk werd ingelijfd.Odysseus,Ὀδυσσεύς,Ulixes, zoon van Laërtes of Sisyphus en Anticlēa, koning van Ithaca, Same en Zacynthus. Ook hij had naar de hand van Helena gedongen, en toen aan Tyndareos een goeden raad gegeven (z.Helena), uit dankbaarheid daarvoor was deze zijn voorspraak bij Icarius, toen hij diens dochter Penelope tot vrouw begeerde. Toen de trojaansche oorlog uitbrak, was O. verplicht mede op te trekken; v.s. had hij door geveinsde krankzinnigheid getracht zich aan die verplichting te onttrekken, maar was deze list door Palamēdes (z.a.) ontdekt. Hij ging dus met 12 schepen naar Troje en toonde zich daar een dapper en volhardend krijgsman, maar vooral onderscheidde hij zich door schranderheid, tegenwoordigheid van geest en welsprekendheid. Daarom werd hij vooral gaarne gebruikt, waar deze eigenschappen te pas komen, als onderhandelaar of verspieder, en luistert men met aandacht naar zijn raad. Vóór het begin van den oorlog werd hij naar Troje gezonden om Helena terug te eischen, hij weet Achilles (z.a.) op te sporen, als deze zich op Scyrus verborgen houdt, bij den strijd om de wapenen van Achilles behaalt hij de overwinning op den grooten Aiax, en het houten paard, waardoor eindelijk Troje genomen werd, was van zijne vinding. Maar bovenal is hij beroemd door vele gevaren en avonturen, die zijne terugreis bemoeilijkten en die het onderwerp uitmaken van de Odyssēa van Homērus. Tien jaar lang zwierf hij over de zee en door verre landen, eer hij zijn vaderland weder bereikte. Reeds was hij tot kaap Malea gekomen, toen een storm hem naar het land der Lotophagen dreef, waar sommige van zijn makkers zoo door den smaak van de zoete lotusvrucht bekoord werden, dat zij met geweld naar de schepen teruggedreven moesten worden. Daarna landde hij bij de Cyclopen, hier beroofde hij den woesten menscheneter Polyphēmus (z.a.) van het gezicht, waarom hij sedert voortdurend door den toorn van Poseidon vervolgd werd. Op het eiland van Aeolus werd hij goed ontvangen, en bij zijn vertrek kreeg hij een zak mede, waarin alle winden opgesloten waren behalve de Westenwind, zoodat de vaart zeer voorspoedig was, maar in het gezicht van Ithaca openden sommige schepelingen den zak, de winden ontsnapten en een geweldige storm dreef het schip weder naar het eiland van Aeolus terug. Vervolgens kwam hij bij de Laestrygonen (z.Antiphates) en bij Circe (z.a.), op wier raad hij over den Oceaan zeilt en in het voorportaal der onderwereld de schim van Tiresias over zijne verdere lotgevallen ondervraagt. Langs het eiland der Sirenen, tusschen Scylla en Charybdis doorzeilend, komt hij op Thrinacia, waar zijne tochtgenooten, door denuiterstenhonger gedreven, zich in weerwil van zijne dringende vermaningen aan de kudden van Helius vergrijpen. Deze beklaagt zich bij Zeus, die het schip van O., zoodra het weder in zee is, door een bliksemstraal verbrijzelt en alle schepelingen doet omkomen, behalve O. zelf, die op een plank naar het eiland Ogygia drijft. Daar wordt hij ontvangen door Calypso (z.a.), en zeven jaar blijft hij, hoewel door heimwee verteerd, bij haar; als zij hem eindelijk op uitdrukkelijk bevel der goden laat gaan, vaart hij 18 dagen lang gelukkig op een door hem zelf vervaardigd vlot; daarna merkt Poseidon hem op, en in een vreeselijken storm wordt het vlot verbrijzeld, maar door de hulp van Ino Leucothea komt hij, met verlies van alles, zelfs van zijne kleederen, op het eiland Scheria. Van uitputting valt hij in slaap, en zoo wordt hij gevonden door Nausicaa, die hem naar het hof van haar vader Alcinous, koning der Phaeaciërs, brengt. Nadat hij hier eenige dagen eene gastvrije ontvangst had genoten, zich bekend gemaakt en zijne lotgevallen verhaald had, wordt hij eindelijk, met geschenken overladen, naar zijn vaderland teruggebracht. Daar verneemt hij dat zijne moeder van verdriet over zijne lange afwezigheid gestorven is, dat zijn vader zich uit de stad teruggetrokken heeft, dat sedert drie jaar meer dan 100 edele jongelieden naar de hand van Penelope dingen, en in afwachting van hare beslissing in zijn huis brassen en zwelgen en zijn vermogen verteren, en eindelijk dat Telemachus, die in den laatsten tijd begonnen is zich krachtiger tegen hen te verzetten, nauwelijks voor hunne lagen veilig is. Door Athēna, zijne trouwe beschermster, als oude bedelaar vermomd, maakt hij zich voorloopig alleen aan zijn zoon bekend, dan gaat hij naar zijn huis en komt er juist wanneer Penelope, die nog steeds op de terugkomst van haar gemaal hopend, tot nu toe aan hare vrijers geen beslissend antwoord gegeven heeft, zich eindelijk gedwongen ziet eene keuze te doen. Zij verklaart dat zij hem tot echtgenoot zal nemen, die den boog van O. kan spannen, en als niemand daartoe in staat is, vraagt O. zelf, nog steeds als bedelaar vermomd, of hij het beproeven mag; zij stemt toe, en zoodra hij den boog in handen heeft, doodt hij met de hulp van Telemachus en eenige getrouwe dienaars al de overmoedige vrijers. Daarna maakt hij zich bekend, terwijl Athēna een oproer stilt, dat door den moord der vrijers dreigde te ontstaan.—Over zijne verdere lotgevallen zijn de berichten verschillend. V.s. doodde hem zijn eigen zoon Telegonus (z.a.), zonder hem te kennen, v.a. was hij naar Italië gegaan en had daar verscheiden steden gesticht.Oea,Οἴα, 1) vlek op het eilandThera.—2)stad op de kust van Africa, tusschen de beide Syrten.Oeager,Οἴαγρος, koning van Thracië, v.s. vader van Orpheus en Linus. VandaarOeagrius= thracisch.Oeagrides,Οἰαγρίδες, de Muzen, als zusters, van Orpheus, den zoon van Oeager.Oeanthe,-ēa,Οἰάνθη, Οἰάνθεια, stad der Locri Ozolae aan de westkust van de golf van Crisa.Oeax,Οἴαξ, zoon van Nauplius no. 2.Oebalia, de burcht van Tarentum. ZieOebalus.Oebalides,Οἰβαλίδης, Hyacinthus of de Dioscuren (Oebalii fratres), afstammelingen van Oebalus. Soms alg. = Spartaan.Oebalus,Οἴβαλος, 1) zoon van Cynortas of Periēres, koning van Sparta, vader van Tyndareos. Naar hem wordt HelenaOebalia pellexen TarentumOebalia arxgenoemd.—2)zoon van Telon, verliet het eil. Capreae, waar zijn vader over de Teleboërs regeerde, en vestigde een nieuw rijk in Campanië.Oechalia,Οἰχαλία, naam van verschillende steden, als: 1) in Thessalia aan den Penēus, tusschen Tricca en Pelinna, de zetel van den door Heracles gedooden Eurȳtus.—2)in het N. van Messenia.—3)in Trachis.—4)nabij Eretria op Euboea.—5)in Aetolia.Oeclides,Οἰκλείδης, zoon van Oecleus, Amphiarāus.Oecus, eene zaal in een rom. huis, zonder lichtopening in de zoldering. Het licht moest dus door vensters naar binnen vallen of het vertrek moest op een peristylium of veranda uitkomen. Ze diende als pronkzaal (z.domus) of alstriclinium.Oedipus,Οἰδίπους, Οἰδιπόδης, zoon van Laius en Iocaste. Wegens een onheilspellend orakel (z.Laius) gaf zijn vader hem kort na zijne geboorte aan een herder, met bevel het kind op den Cithaeron te dooden. Door medelijden bewogen, volbracht de herder dien last echter niet, maar gaf het kind aan een anderen herder, die het medenam naar Corinthe en het aan zijn heer, den kinderloozen koning Polybus, gaf. O. groeide op in de meening dat hij een zoon van Polybus was, maar toen hij volwassen was geworden, werd hem eens bij een feest toegevoegd, dat hij zich voor een ondergeschoven kind wat al te trotsch gedroeg. Deze woorden griefden hem, en daar hij op zijne vragen om inlichtingen van iedereen ontwijkende antwoorden kreeg, besloot hij het delphische orakel over zijne afkomst te gaan ondervragen. Ook hier kreeg hij echter op deze vraag geen antwoord, maar de Pythia herhaalde tot hem, wat eens tot Laius gezegd was: dat hij zijn vader zou dooden, met zijne moeder zou trouwen en met haar een geslacht zou verwekken, dat goden en menschen tot gruwel zou zijn. In de onzekerheid, of hij niet misschien toch een zoon van Polybus en diens echtgenoote was, besloot hij in ieder geval niet naar Corinthe terug te keeren, en onverschillig waarheen hij zich begeven zoude, sloeg hij den weg naar Thebe in. Op een smallen bergweg kwam hem een reiziger te gemoet, die op een wagen gezeten was en door eenige dienaars begeleid werd; wijken was moeielijk, er ontstond een twist, waarbij O. den reiziger en zijn geheel gezelschap doodde, behalve één man die ontvluchtte. Daarna kwam hij in Thebe aan en vond het land in de grootste verwarring: de koning was kort te voren op reis aangevallen en gedood, en bovendien werd het land geteisterd door de Sphinx (z. a.), die reeds talrijke slachtoffers gemaakt had. In deze omstandigheden nam Creon, de broeder der koningin, voorloopig de regeering in handen en maakte bekend, dat hij, die het land van de Sphinx zou verlossen, met de hand van Iocaste en de koninklijke waardigheid zou beloond worden. O. lost het raadsel van deSphinxop en wordt zoo koning van Thebe, maar tevens huwt hij, zooals het orakel voorspeld had, met zijne moeder; dat hij de moordenaar van Laius is, kan hij niet vermoeden, want de eenige man, die het bericht van diens dood in de stad gebracht heeft, beweert dat hij door een rooverbende den dood gevonden heeft; op deze wijze wil hij het n.l. doen voorkomen, dat hijzelf niet uit lafheid, maar voor de overmacht gevlucht is. Lang regeert O. gelukkig en tot heil van het land, bij Iocaste krijgt hij vier kinderen: Eteocles, Polynīces, Antigone en Ismēne. Na vele jaren wordt het land echter door een verschrikkelijke pest bezocht, en in den hoogsten nood zendt O. zijn zwager Creon naar Delphi, ten einde Apollo om raad te vragen. Het antwoord luidt dat de toorn der goden op het land zal blijven drukken, totdat de moordenaar van Laius verbannen of ter dood gebracht zal zijn. Vol ijver begint O. zijne nasporingen om hem te vinden, maar niemand kan hem inlichtingen geven dan de man, die bij den moord tegenwoordig is geweest, toevallig dezelfde die hem als kind op bevel van Laius had moeten dooden. Terwijl deze man ondervraagd wordt, komt een bode uit Corinthe den dood van Polybus berichten, deze bode is dezelfde, die O. als kind van den anderen herder had overgenomen en naar Corinthe gebracht, en door de elkander aanvullende verklaringen van deze twee personen ontdekt O. eindelijk, hoe de oude orakels vervuld zijn. Hij steekt zich in wanhoop de oogen uit, terwijl Iocaste zich ophangt. Ofschoon hij in het begin gewenscht had, volgens het bevel der goden, uit het land verbannen te worden, weet Creon hem tot bedaren te brengen, en zoolang deze regeert, blijft O. inderdaad te Thebe. Toen echter zijne beide zonen volwassen waren geworden, behandelden zij hun vader met minachting, en spoedig dwongen zij hem het land te verlaten. O. vloekt zijne zonen en terwijl zij zich alleen om de bevrediging hunner heerschzucht bekommeren, begint hij, oud en blind, een zwervend leven, waarbij hem zijne dochter Antigone trouw vergezelt en ook Ismēne hem nu en dan diensten bewijst. Wel verklaarde een later orakel, dat het land, waar het graf van O. zich zou bevinden, groot en bloeiend zou worden en door Thebe niet te overwinnen zou zijn, en trachtten daarom Creon en Polynīces hem te bewegen naar zijn vaderland terug te komen, maar O., die intusschen bij Theseus in Attica vriendelijk opgenomen is, wil hiervan niets weten. Met de goden verzoend, eindigt hij zijn leven zacht in het woud der Eumeniden op den heuvel Colōnus bij Athene, zijngraf is alleen aan de koningen van Attica bekend en is een onderpand van heil voor hun land.—Volgens de oudste verhalen was de naam van zijne moeder Epicaste, en regeert hij na de ontdekking zijner gruweldaden, hoewel door de Erinyen gekweld, tot het einde van zijn leven over Thebe. Nadat Epicaste zich opgehangen had, nam hij Euryganēa tot vrouw, en deze was de moeder zijner vier kinderen. Later zoude hij haar verstooten en Astymedūsa tot vrouw genomen hebben.Oenēis,Οἰνηίς, eene van de 10 phylen, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.Oeneon,Οἰνεών, havenstad der Locri Ozolae.Oeneus,Οἰνεύς, zoon van Portheus of Porthāon, koning van Calydon en Pleuron, de eerste die den wijnbouw in Aetolië invoerde, waartoe Dionȳsus hem zelf den eersten wijnstok gaf. In zijn tijd had de calydonische jacht plaats. De zonen van zijn broeder Agrius zetten hem gevangen en gaven de regeering aan hun vader, Diomēdes doodt echter na zijne terugkomst van Troje Agrius met de meeste van diens zonen en geeft de regeering aan zijn grootvader terug, die haar echter aan zijn schoonzoon Andraemon afstaat.—Op eene reis in de Peloponnēsus werd hij door de in leven gebleven zonen van Agrius gedood. Diomēdes begroef hem in Argos, op de plaats die naar hem Oenoë genoemd werd.Oeniadae,Οἰνιάδαι, oude kustst. van Acarnania aan den mond van den Achelōus, die ze in den winter onder water zette. De burcht, Nasus,Νῆσος(z. a.), lag op een eilandje in een meertje.Oenīdes,Οἰνείδης, Meleager en Diomēdes, zoon en kleinzoon van Oeneus.Oenoanda,Οἰνόανδα, stad in Cabalia, op de grenzen van Lycia.Oenoë,Οἰνόη, 1) attische demus bij Eleutherae, tot de hippothoönsche phyle behoorende, grensvesting tegen Boeotia.—2)attische demus der phyle Aeantis, bij Marathon.—3)corinthische sterkte aan de golf van Corinthus.—4)vlek in Argolis, ten W. van Argos.—5)stadje in Elis aan den Ladon, oudtijds Ephyra geheeten.Oenomaüs,Οἰνόμαος, zoon van Ares, koning van Pisa. Daar hem voorspeld was, dat hij zou sterven wanneer zijne schoone dochter Hippodamēa trouwde, maakte hij bekend, dat hij hare hand slechts aan dengene zou geven, die hem in den wedren overwon. Daar hij van Poseidon paarden gekregen had, die alle andere in snelheid overtroffen, was hij zeker dat deze voorwaarde niet vervuld konde worden. Reeds velen, die om Hippodamea aanzoek gedaan hadden, waren op deze wijze door O. overwonnen en gedood, totdat Pelops den wagenmenner van O., Myrtilus, omkocht om zwarte was in plaats van pinnen in de assen van den wagen van zijn heer te steken, daardoor viel de wagen van O. om, hij werd door zijne paarden voortgesleept en kwam jammerlijk om.—V. a. overwon Pelops hem niet door verraad, maar door de hulp van Poseidon, die hem paarden geschonken had, nog vlugger dan die van O.Oenōne,Οἰνώνη, 1) oude naam van Aegīna.—2)dochter van den riviergod Cebren, gemalin van Paris, bij wien zij een zoon had, Corythus (z. a.). Toen Paris doodelijk gewond was, liet hij zich hij haar brengen, daar zij hem konde genezen, maar vertoornd over zijne ontrouw, weigerde zij. Maar toen hij gestorven was, wierp zij zich van smart op den brandstapel, waarop zijn lijk lag, en verbrandde zij met hem.Oenophyta,τὰ Οἰνόφυτα, vlek in Boeotia aan den Asopus, waar de Atheners in 456 de Boeotiërs versloegen.Oenopia,Οἰνοπία, oude naam van het eil. Aegīna.Oenopion,Οἰνοπίων, zoon van Dionȳsus of Rhadamanthys en Ariadne, die van Creta naar Chius verhuisde en daar den wijnbouw invoerde, z.Orīon.Oenotria,Οἰνωτρία= wijnland, oude naam voor Lucania en Bruttii, en dichterlijk voor geheel Italia. De Oenotri zijn de oudste bewoners dezer streken; ze werden door de Grieken, die zich aan hun kusten vestigden, onderworpen. Een gedeelte der Oenotri vindt men nog later op Sicilia, zieMorgantium. Zie ookOenōtrus.Oenotropi, -pae,Οἰνότροποι, dochters van Anius, die van Dionȳsus het vermogen hadden gekregen om alles wat zij wilden in wijn, v. a. in wijn, koren en olie, te veranderen. Haar vader konde door deze gave het grieksche leger voor Troje negen jaar lang van het noodige voorzien. Later trachtte Agamemnon de meisjes met geweld naar Troje te brengen, doch Dionȳsus veranderde ze in duiven.Oenōtrus,Οἴνωτρος, jongste zoon van Lycāon, verhuisde uit Arcadië naar Italië, waarvan een deel naar hem Oenotria genoemd werd.Oenus,Οἰνοῦς, rivier in Laconica, die boven Sparta in den Eurōtas valt.Oenussae,Οἰνοῦσσαι, 1) vijftal eilandjes tusschen Chius en de aziatische kust (het Mimasgebergte).—2)eilandengroep ten Z. van Messenia.Oeōnus,Οἰωνός, zoon van Licymnius, bondgenoot van Heracles in den oorlog tegen Augīas, eerste overwinnaar in den wedloop bij de olympische spelen. In Sparta werd hij door de zonen van Hippocoön gedood, later werd er een gedenkteeken voor hem opgericht.Oëroë,ὨερόαofὨερόη, riviertje en eilandje bij Plataeae in Boeotia.Oesȳme,Οἰσύμη, thasische kolonie op de thracische kust, tusschen den Nestus en den Strymon.Oeta,Οἴτη, zijtak van het Pindusgeb., die zich ten Z. van Thessalia tot bij de Malische golf uitbreidt en waarvan de Callidromus met den pas der Thermopylae en de Cnemis eene voortzetting zijn. Het is een woest gebergte, bijna 6000 voet hoog. Op den Oeta liet Heracles zich verbranden.Oetaei,Οἰταῖοι, thessalische volksstam aan het Oetagebergte, ten W. van Doris en Malis.Oetylus,Οἴτυλος, havenstad in Laconica aan de Messenische golf met een tempel van Serāpis.Ofella, familienaam in degens Lucretia, (Lucretiino. 4).Ofilii.A. Ofilius, een bekwaam rechtsgeleerde, tijdgenoot van Cicero en vriend van Caesar. Een andere Ofilius komt voor in den oorlog van Octaviānus tegen S. Pompeius.Ogulnia(lex) van de volkstribunen Q. en Cn. Ogulnius (300), dat er in plaats van 6 patricische pontifices en 6 (v. a. 5) patr. augurs 9 pontifices en 9 augurs zouden gekozen worden, en dat hiervan 5 plaatsen door plebejers moesten bezet worden. Hieruit blijkt duidelijk, dat reeds in 300 de aanzienlijke plebejers de macht in handen hadden.Ogulnii.Van deze familie zijn slechts twee broeders bekend; zieOgulnia lex. Als aedilen lieten zij in 296 van de boeten, aan woekeraars opgelegd, bronzen beelden tot versiering van Rome gieten, o.a. van Romulus en Remus, door de wolvin gezoogd. Zie hieromtrentRumina. Q. Ogulnius was een dergenen, die in 293 naar Epidaurus werden gezonden, zieAesculapius.Ogygia,Ὠγυγία, 1) het eiland van Calypso, de navel der zee genoemd, waarmede waarschijnlijk bedoeld wordt, dat het zoo ver mogelijk van ieder vastland verwijderd was.—2)oude naam van Thebe.Ogyges, Ogygus,Ὠγύγης, Ὤγυγος, een attische of boeotische koning uit zeer ouden tijd, onder wiens regeering het land door een groote overstrooming geteisterd werd. Een van de poorten van Thebae heette de Ogygische, ook een woud en heuvel in de nabijheid van de stad droegen dien naam.—Ook worden Ogygische nimfen genoemd, die voor dezelfde gehouden worden als de Erinyen.Oīcles, -cleus,Ὀικλῆς, -κλεύς, kleinzoon van Melampus, vader van Amphiarāus. Hij vergezelde Heracles op diens tocht tegen Laomedon en sneuvelde daarbij. V.a. zoude hij echter behouden van Troje teruggekomen zijn en sedert in Arcadië gewoond hebben.Oiclīdes,Ὀικλείδης, Amphiarāus, zoon van Oicles.Plattegrond van een Grieks huis.Οἰκία, Οἶκος, huis. Hoewel de inrichting van de huizen bij de Grieken, evenals overal, naar de beschikbare ruimte en de behoeften der bewoners verschillend geweest moet zijn, kan men zich toch, gebruik makende van de mededeelingen van oude schrijvers, zeer in het algemeen een denkbeeld vormen van hun aanleg. Eigenaardig is aan de grieksche huizen ten eerste, dat een betrekkelijk groot deel van de door muren ingesloten ruimte onoverdekt blijft, ten tweede, dat de vertrekken verdeeld zijn in een afdeeling voor mannen, waar ook vreemden ontvangen, gastmalen gegeven worden, enz., en eene afdeeling voor vrouwen, waar geen vreemde komt en de eigenlijke zetel van het huiselijke leven is. In de huizen, of liever paleizen, die Homerus beschrijft, komt men van de straat door een met dubbele deuren gesloten gang (πρόθυρον) op een open plaats (αὐλή), omgeven door vertrekken voor slaven, stallen en dgl. Aan beide zijden van de voordeur was eene zuilengalerij (αἴθουσα αὐλῆς) en aan de overzijde eene dergelijke, maar doorloopende en waarschijnlijk ruimere, galerij (αἴθουσα δώματος), waarachter het eigenlijke woonhuis (δῶμα, δόμος; deαὐλήmet de galerijen, enz., heeten met elkanderπρόδομος) lag. Achter deze galerij ligt het mannenvertrek (μέγαρον), vanwaar een kleine gang (πρόθυρον) naar de overige vertrekken (θάλαμοι) van het huis geleidt; onder deze is een het gewone verblijf van de huisvrouw met hare slavinnen, terwijl de verdere ruimte en, waar deze niet voldoende is, ook een bovenverdieping (ὑπερῷον) slaapkamers, voorraadkamers, enz., bevat. Van de voorgalerij loopt verder een gang langs de geheele diepte van het huis, waarop de verschillende aan die zijde gelegen vertrekken een uitgang hebben.—Van een atheensch huis uit den hellenistischen tijd kan het plan op deze bladzijde eene voorstelling geven. Daarop isade voordeur (αὔλειος θύρα),been gang (θυρών, πυλών, θυρωρεῖον), met een portierswoning aan de eene en een stal aan de andere zijde,cde open plaats (αὐλή) der mannenafdeeling (ἀνδρωνῖτις), aan alle vier zijden door zuilengangen omgeven (vandaar ookπεριστύλιον), rondom welke de mannenvertrekken (ἀνδρῶνες, οἶκοι, 1–9) gelegen zijn. Uit dezeαὐλή, leidt een gangd(μέσαυλος, μέταυλοςz.a.) naar deαὐλή, e, van het vrouwenverblijf (γυναικεῖον, γυναικωνῖτις, dezeαὐλήheeft slechts aan drie zijden zuilengangen, terwijl aan de vierde zijde in het midden een vertrekfligt, dat naar deαὐλήgeheel open is, waarschijnlijk de eigenlijke huiskamer (παραστάς, προστάς); naast dit vertrek zijn twee slaapkamers (θάλαμοςenἀμφιθάλαμος,g); aan de andere zijden van deαὐλήzijn verschillende andere vrouwenvertrekken, geheel achter in het huis zijn vertrekkenh, waar de vrouwen arbeiden, en door de achterdeuri(κηπαία θύρα) komt men in den tuin of op straat.—Het behoeft niet gezegd te worden dat dit plan, dat geheel en al berust op soms niet volkomen duidelijke aanwijzingen bij oude schrijvers, in de werkelijkheid vele en belangrijke wijzigingen konde en moest ondergaan,—al ware het slechts omdat daarbij op eene ruimte gerekend is, die soms onvoldoende, maar zeer dikwijls ook niet noodig en niet beschikbaar moet geweestzijn. In vele gevallen wordt melding gemaakt van een bovenverdieping, die in groote huizen alleen gediend kan hebben als verblijf voor slaven, bergplaats, enz., maar waarheen in kleinere het geheele vrouwenverblijf verplaatst is, zoodat dit in het geheel geen afzonderlijkeαὐλήhad. Zeer groote afwijkingen toont bovenstaand plan van de overblijfsels van een particuliere woning, op Delus gevonden, waarvan de indeeling volstrekt niet met die van bl. 437 te vergelijken is, alleen is inBde gang te herkennen, terwijlCde open plaats geweest moet zijn, die klein en smal is en geene sporen van zuilen meer vertoont, bijFwas een waterput, de bestemming van de overige ruimten is niet nader te bepalen. Dat dit echter geen armoedig huis geweest is, mag men uit den smaakvol met ionische zuilen versierden voorgevel veilig besluiten.Plattegrond van een Grieks huis.Οἰκουμένη(γῆ), eigenlijk het bewoonde gedeelte van de aarde; men veronderstelde, dat de keerkringen wegens de hitte onbewoonbaar waren. In engeren zin beteekentοἰκ.het aan de Grieken, later aan de Romeinen bekende of door hen beheerschte gedeelte der aarde,orbis Romanus, orbis terrarum antiquis notus.Oīleus,Ὀιλεύς, koning der Locriërs, een van de Argonauten, bij Eriōpis vader van Aiax, bij Rhene van Medon.Οἰωνοπόλοι, Οἰωνισται, waarzeggers, die de toekomst voorspellen uit wonderteekenen (τέρατα), voornamelijk uit het verschijnen van vogels, de omstandigheden, waarin deze zich vertoonen, de richting, waarin zij vliegen, enz.Olba,Ὂλβη, stad in het binnenland van Cilicia Trachēa, ten N. van Soli, in den hellenistischen tijd zetel van het priestergeslacht der Teucriden; hier vond men den tempel van Zeus Olbios,Ζεὺς Ὄλβιος, waarvan nog vele overblijfselen bewaard gebleven zijn.Olbia,Ὀλβία, 1) stad op de Oostkust van Sardinia, de meest gewone landingsplaats der Rom.—2)kuststad in Gallia Narbonensis, door Massilia (Marseille) gesticht. Tgw. Eoubes.—3)vesting in Pamphylia, in den hoek der Pamphylische golf.—4)stad in Bithynia, ook Astacus genoemd, z. a.—5)stad in Scythia, ook Borysthenis geheeten, aan de monden van den Borysthenes (Dniepr) en den Hypanis (Bug).Olcades,Ὀλκάδες, kleine volksstam in Hispania, in het gebied der Oretani, aan den bovenloop van den Anas (Guadiana).Olcinium, illyrische zeestad, ten W. van Scodra, thans Dulcigno. In den oorlog tegen Gentius (168) schaarde zij zich aan de zijde der Romeinen.Olearas=Oliarus.Olen,Ὠλήν, mythisch dichter, uit Lycië of uit het land der Hyperboreërs afkomstig, de eerste die op Delus orakels van Apollo verkondigde, uitvinder van de epische versmaat. Op Delus werden oude hymnen van hem bewaard, waarvan de inhoud voor zeer belangrijk gehouden werd.Olennius, primipilaris, d.i. eerste centurio bij de pilāni of triarii, onder keizer Tiberius, in 28 na C. naar de Friezen gezonden om de schatting van runderhuiden te innen, bracht hen tot opstand door zijne hebzucht. Hij eischte huiden van oerossen of wilde stieren, die bijna uitgeroeid waren, en daar de Friezen geene zoo groote huiden konden leveren, werd hierdoor eene bron van afpersingen geopend.Olenus,Ὤλενος, bewoner van den Ida, wiens gemalin Lethaea zich beroemde schooner te zijn dan alle godinnen; voor dezen overmoed werden beiden in steenen veranderd.Olenus,Ὤλενος, 1) eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de golf van Patrae (Patras).—2)oude stad in Aetolia, ten W. van den Aracynthus, zetel van Oeneus, door de Aetoliërs verwoest.—DichterlijkOlenius= achaeisch of aetolisch,Olenia capella= de geit Amalthēa.Oliarus,Ὠλιαρός, eil. van de groep der Cycladen, ten W. van Parus, thans Antiparo. De beroemde grot wordt bij de ouden niet vermeld en schijnt hun dus niet bekend te zijn geweest.Oligyrtus,Ὀλίγυρτος, bergvesting in N.O. Arcadia, ten Z. van Stymphālus.Olisīpo,Ὀλισίπων, stad in Lusitania, thans Lissabon, zieJuniino. 4.Olīzon,Ὀλιζών, stad in het Z. van het thessalische landschap Magnesia, tegenover het eil. Euboea.Ollius(T.), de vader der schoone, maar beruchte Poppaea Sabina, Nero’s tweede vrouw. Ollius was een vriend van Seiānus en werd in diens val medegesleept. Zijne dochter droeg niet den naam van haar eigen vader, maar van haar moeders vader.Ollius, thans Oglio, rechterzijtak van den Padus (Po), die in zijn loop den lacus Sebīnus (lago d’Isea) vormt.Oloösson,Ὀλοοσσών, stad der Perrhaebi in het N. van Thessalia.Olophyxus,Ὀλόφυξος, stad aan den berg Athos met eene gemengde bevolking van Thraciërs, Pelasgen en Grieken (Chalcidiërs).Olpae,Ὄλπαι, Ὄλπη, sterkte in Acarnania, op een heuvel aan de Oostkust der Ambracische golf gelegen.Oltis, rechter zijtak van den Garumna.Olūrus,Ὄλουρος, 1) vesting in Achaia bij Pallēne op de sicyonische grenzen.—2)ook Olūris en Dorium geheeten, stad in het N. van Messenia.Olympia,ἡ Ὀλυμπία, was niet zoozeer eene stad, als wel eene verzameling van tempels met de noodige worstelperken, loop- en renbanen voor de spelen, alles in een liefelijk oord ten N. van de rivier Alphēus en ten O. van de beek Cladeüs gelegen te midden van plataan- en olijfboomen. In het eigenlijke tempelgebied (ἡ Ἄλτις), gedeeltelijk door muren omgeven, lagen ook het Heraeum, de oude tempel van Hera (vroeger van Zeus en Hera) met daarvoor het groote altaar van Zeus, en de nieuwe Zeus-tempel uit de 5deeeuw, waarvoor Phidias het Zeus-beeld gemaakt heeft, vele schatkamers (θησαυροί) en vele wijgeschenken en standbeelden. Buiten de Altis vond men o. a het Gymnasium, de Palaestra en het Stadium. Op kosten van het Duitsche rijk is Olympia in 1875–1881 volledig opgegraven. Oorspronkelijk behoorde dit tempelgebied tot de stad Pisa (z. a.), doch toen de Eleërs Pisa verwoest hadden, wilden zij evenmin de vestiging eener zelfstandige gemeente te Olympia als den herbouw van Pisa toestaan. Zie ookElis.Olympia,τὰ Ὀλύμπια, de olympische spelen, oorspronkelijk een feest ter eere van den pelasgischen Zeus, later verbonden met lijkfeesten ter nagedachtenis van Pelops, vervolgens door Heracles vernieuwd, en eindelijk door Lycurgus van Sparta en Iphitus van Elis voor goed geregeld. Het was het grootste nationale feest der Grieken, waaraan sedert het einde der 7deeeuw ook Grieken uit Azië, Italië en Sicilië deelnamen, en waarbij alle grieksche staten officieel vertegenwoordigd waren. De wedstrijd bestond aanvankelijk alleen uit een wedloop, waarbij achtereenvolgens gevoegd werden:δίαυλος, δόλιχος, worstelen enπένταθλον, rijden met vierspan, paardrijden enπαγκράτιον, wedloop in wapenrusting (ὁπλίτης δρόμος), rijden met tweespan. Wegens het talrijke bezoek was het hier ook de meest geschikte plaats tot het voordragen van redevoeringen, gedichten, enz., en tot het doen van afkondigingen van algemeen belang; eerbetuigingen aan bizondere personen of staten werden hier bekend gemaakt, enz. De feesten werden om de vier jaar des zomers in de Altis gevierd; oudtijds—men zegt tot 472—liep alles in één dag af, later duurden de feesten vijf dagen. Uit naam van de Eleërs, die het beheer over de feestviering hadden, werd in alle grieksche staten eenigen tijd te voren het naderen van het feest door drie aanzienlijke Eleërs,σπονδοφόροιbekend gemaakt, en op deze bekendmaking volgde een stilstand in alle oorlogen tusschen grieksche staten (ὲκεχειρία); van heinde en ver kwamen feestgezantschappen, de beroemdste gymnasten van Griekenland als mededingers, en tallooze toeschouwers toestroomen. De kamprechters,ἑλλανοδίκαι, hadden streng toe te zien, dat geen onwaardige aan een wedstrijd deelnam. Eerst nadat men hen had overtuigd dat men een vrijgeboren Griek van onberispelijk levensgedrag was en dat men zich minstens 10 maanden in een gymnasium geoefend had, kreeg men verlof naar den prijs mede te dingen. Deze bestond in een palmtak en een krans van den heiligen olijfboom in de Altis, door een knaap, wiens beide ouders in leven waren, met een gouden mes afgesneden, terwijl de overwinnaar het recht kreeg zijn standbeeld in de Altis te laten plaatsen. Hoe groote waarde men aan zulk een prijs hechtte, blijkt uit de eer, die den overwinnaar (Ὀλυμπιονίκης) ook buiten het tooneel van den wedstrijd te beurt viel; in zijn vaderstad werd hij met gejuich ontvangen en van alle lasten vrijgesteld en had hij een eereplaats (προεδρία) bij alle feesten, de voornaamste dichters bezongen zijn roem, enz.—Sedert 776 begon men te Olympia lijsten van de overwinnaars aan te leggen, dit jaar geldt dus voor het eerste der eerste olympiade (Ὀλυμπιάς) en is het begin van de in Griekenland meest algemeene tijdrekening naar Olympiaden. Ook de meest gebruikelijke afstandsmaat, het stadium, heeft naam en lengte van de renbaan van Olympia.—Hoewel de olympische feesten met het einde van de onafhankelijkheid van Griekenland veel van hunne beteekenis verloren, werden zij nog lang daarna met grooten luister gevierd; in 394 na C. werden zij op bevel van Theodosius d. G. opgeheven.Olympiades,Ὀλυμπιάδες, de Muzen, naar haar verblijf op den Olympus.Olympias,Ὀλυμπιάς, 1) dochter van Neoptolemus van Epīrus, huwde met Philippus van Macedonië en werd moeder van Alexander d. G. Met haar hartstochtelijk en heerschzuchtig karakter konde zij niet dulden, dat Philippus eene andere vrouw, Cleopatra, huwde, zij verliet hem, ging naar Epirus terug, en laadde door haar gedrag zware verdenking op zich, dat zij aan het vermoorden van haar vroegeren echtgenoot medeplichtig was. Gedurende de afwezigheid van Alexander was zij wegens hare aanmatiging voortdurend in twist met Antipater, en na Alexander’s dood (v. a. reeds in 330) vond zij het raadzaam naar Epirus te vluchten. In 319 riep de zwakke Polyperchon haar terug om den jongen Alexander op te voeden, en nu nam zij bloedige wraak op de partij van Antipater, ook Arrhidaeus en diens gemalin werden gedood. Maar toen Cassander uit de Peloponnēsus terugkwam en haar in Pydna belegerde, moest zij zich na eene moedige en standvastige verdediging overgeven, en werd zij door Cassander, in strijd met zijn gegeven woord, ter dood gebracht (315).—2)z.Olympia.Olymp(i)ēni,Ὀλυμπ(ι)ηνοί, bewoners van het gewest Olympēne in Mysia.Olympiēum,Ὀλυμπιεῖον, ook-πίειον, 1) tempel van Zeus Olympius, zooals er in verschillende steden vermeld worden.—2)stadje op Sicilia vlak bij Syracūsae, ten Z. van de monding van den Anapus, naar zulk een tempel genoemd en ook welOlympiumgeheeten.Olympiodōrus,Ὀλυμπιόδωρος, 1) zoon van Lampon, dapper lochaag der Atheners in den perzischen oorlog.—2)atheensch archont, veldheer tegen Cassander (304) en tegen Demetrius Poliorcētes (287).—3)van Alexandrië, neo-platonisch wijsgeer uit de school van Iamblichus, leermeester van Proclus.—4)neo-platonisch wijsgeer uit de school van Proclus, schrijver van commentaren op verscheiden werken van Plato.—5)van Thebe in Aegypte, leefde te Byzantium in het begin der 5deeeuw na C. en schreef eene geschiedenis van zijn tijd, waarvan een uittreksel bewaard is gebleven.Olympius, -pia,Ὀλύμπιος, -πία, bijnaam van verscheiden goden en godinnen, naar hun woonplaats op den Olympus.Olympus,Ὄλυμπος, 1) mythisch zanger en fluitspeler, leerling van Marsyas, die zich aan een wedstrijd met Pan waagde.—2)beroemd fluitspeler, musicus en liederendichter op het einde der 8steeeuw.Olympus,Ὄλυμπος, naam van onderscheidene bergen. 1) op de grenzen van Macedonia en Thessalia, in de mythologie de woonplaats der meeste goden, 6–7000 voet hoog en van boven met eeuwige sneeuw bedekt.—2)in Mysia, ten Z. der stad Prusa (Brussa).—3)in Galatia, ten Noorden van Pessinus, op de grenzen van Bithynië. Hier versloeg Cn. Manlius Vulso (Manliino. 4) de Galaten in 189.—4)vulkaan met gelijknamige stad aan de Oostkust van Lycia.—5)op den staart van het eiland Cyprus.—6)in het Z. van hetzelfde eiland.—7)in Laconica bij Sellasia.—8)op Euboea, ten N. van Eretria.—9)in het Z. van het eiland Lesbus.Olynthus,Ὄλυνθος, grieksche kolonie op Chalcidice aan den sinus Toronaicus, de belangrijkste van alle volkplantingen aan de macedonische kust. In den peloponnesischen oorlog nam het de inwoners van Potidaea en andere kleinere plaatsen in zich op en kon hierdoor lang zijne zelfstandigheid handhaven, totdat het zich in 379 aan de Spartanen moest overgeven. In 349 werd de stad aangevallen door Philippus van Macedonia, wel zocht de redenaar Demosthenes in zijne drie olynthische redevoeringen de Atheners tot het zenden van tijdige hulp aan te sporen, doch de Atheners draalden tot het te laat was. Philippus verwoestte de stad (herfst van 348), die niet herbouwd werd, en verkocht de inwoners als slaven.Olysīpo=Olisīpo.Ombrius,Ὄμβριος, bijnaam van Zeus als regengod.Omana, Omanades, zieHomona, Homonadenses.Omen, zieauguria.Omphale,Ὀμφάλη, dochter van Iardanus, koningin van Lydië, bij wie Heracles als slaaf diende. Zij werd bij hem moeder van Lamus en Agelāus.Onātas,Ὀνατᾱς, zoon van Micon no. 1, beroemd beeldgieter en schilder, uit de eerste helft van de 5deeeuw.Onca,Ὄγκα, bijnaam van Athēna, naar haar heiligdom te Oncae bij Thebe.Onchesmus,Ὀγχησμός, haven in Chaonia (Epīrus), tegenover het eil. Corcȳra (Corfu).Onchestus,Ὀγχηστός, 1) oude stad in Boeotia, in het gebied van Haliartus.—2)rivier in Thessalia, die bij Cynoscephalae ontspringt, en met een grooten omweg uitstroomt in het meer Boebēis.Onēus mons,Ὄνειον ὄρος, Ὂνεια ὄρη, ezelsberg, aan het Z. uiteinde der landengte van Corinthus, bij Cenchreae, een sleutel tot de Peloponnēsus en daarom een dikwijls hevig betwist strategisch punt.Onesicritus, -crates,Ὀνησίκριτος, -κράτης, van Aegīna, leerling van Diogenes den cynicus. Hij ging met Alexander d. G. naar Azië, werd als gezant naar een indisch volk gezonden, en was later opperstuurman op de vloot van Nearchus. Hij schreef eene geschiedenis van zijne tochten en van de daden van Alexander, aan welke echter door de ouden weinig vertrouwen geschonken werd.Onochonus,Ὀνόχωνος, rivier in het gewest Thessaliōtis in Thessalia, zijrivier van den Penēus, tusschen den Pamīsus en den Enipeus. V. a. =Onchestusno. 2.Onomacles,Ὀνομακλῆς, een van de atheensche strategen, die in 412 bij Milētus eene overwinning op de Peloponnesiërs behaalde.Onomacritus,Ὀνομάκριτος, Athener, tijdgenoot der Pisistratiden, een van de verzamelaars en bewerkers van de gedichten van Homerus. Hij verzamelde ook orakels van Musaeus en Orpheus, maar daar hij deze door interpolaties vervalschte, werd hij door Hipparchus verbannen. Hij verzoende zich echter later met de Pisistratiden, en werkte door zijne voorspellingen mede om Xerxes tot den oorlog tegen Griekenland te bewegen.Onomarchus,Ὀνόμαρχος, na den dood van Philomēlus (354) aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog. Hij plunderde den delphischen tempel, overwon Philippus van Macedonië tweemaal, en voerde den oorlog over het geheel met geluk, in 352 werd hij echter door Phillippus in Thessalië verslagen, bij welke gelegenheid hij sneuvelde.Onosander,Ὀνόσανδρος, platonisch wijsgeer omstreeks 60 na C., schrijver van eenige werken over krijgskunde.Onūphis,Ὄνουφις, stad in de Nijldelta, in het distrikt of den nomus Onuphītis.Onusa, stad aan de kust van Spanje, ten Noorden van Carthago Nova.Opellius Macrīnus(M.), zieMacrinus(M. Opellius).Ophelion,Ὠφελίων, 1) atheensch blijspeldichter, waarschijnlijk uit het middelste tijdperk der comedie.—2)grieksch schrijver over geneeskunde en natuurlijke historie.—3)zoon van Aristonidas, beeldhouwer omstreeks 160,van wien een beeld bewaard is gebleven. Ook een schilder van dien naam komt voor; misschien is dit dezelfde.Ophel(l)as,Ὀφέλ(λ)ας, generaal van Ptolemaeus Lagi, veroverde Cyrēne (322) en regeerde er eerst als stadhouder, later onafhankelijk. Hij verbond zich met Agathocles tot een oorlog tegen Carthago, maar werd spoedig daarop door zijn bondgenoot trouweloos vermoord (308).Opheltes,Ὀφέλτης, de eigenlijke naam van Archemorus (z. a.).Ophīon,Ὀφίων, 1) een van de oudste Titanen, die met zijne gemalin Eurynome nog vóór Cronus regeerde, doch door dezen verdreven en in den Tartarus of den Oceanus geworpen werd.—2)een van de Giganten.Ophis,Ὄφις, riviertje in Arcadia bij Mantinēa.Ophiūchus,Ὀφιοῦχος,Serpentarius, Anguifer,Anguitenens, een sterrenbeeld, voorstellend een man, die een slang bij den kop houdt, welke tusschen zijn beenen ligt. Men zag daarin Asclepius, Heracles, Carnabon, Triopas, Phorbas, Polyīdus of nog anderen.Ophiūsa,Ὀφιοῦσα= het slangeneiland, 1) eiland in de Propontis (zee van Marmara).—2)een der Pityūsae, ook Colubraria genoemd.—3)oude naam zoowel van Rhodus als van Cyprus; dichterlijkOphiusius= cyprisch.—4)oude naam van Tenus.Ophrynēum,Ὀφρύνειον, stadje in Troas aan den Hellespont, dicht bij Rhoetēum, met een aan Hector gewijd bosch.Opici,Ὀπικοί, ofOsci, oud-italisch volk. ZieItalia.Opiconsivia, -sīva, feest, ter eere van Ops Consīva den 25stenAugustus te Rome gevierd.Opilius(Aurelius), vrijgelatene, leeraar in wijsbegeerte, rhetorica en grammatica, omstreeks 90, eerst te Rome, later te Smyrna. Van zijne werken is niets overgebleven.Opimii, plebejisch geslacht. 1)L. Opimiusverwoestte als praetor in 125 de opgestane stad Fregellae. In 121 was hij consul en deed toen aan het hoofd der optimatenpartij den gewapenden aanval op C. Gracchus, waarbij deze met 3000 zijner aanhangers omkwam. In 120 werd hij hiervoor zonder succes aangeklaagd door P. Decius, en was hij censor; in 115 als gezant tot Jugurtha gezonden, liet hij zich door dezen omkoopen, waarvoor hij later veroordeeld werd en te Dyrrachium in armoede stierf. Het jaar 121 was een beroemd wijnjaar; vandaar dat men nog lang sprak vanvinum Opimianum.—2)Q. Opimiuswerd in 74 veroordeeld en door den praetor C. Verres van zijn geheele vermogen beroofd, omdat hij als volkstribuun de lex tribunicia van Sulla had overtreden.—3)M. Opimius, praef. equitumonder Pompeius (48), ontsnapte met enkelen in Macedonië aan gevangenneming door de soldaten van Cn. Domitius Calvīnus (Domitiino.15).Opis,Ὦπις, handelsstad aan de samenvloeiing van den Physcus en den Tigris.Opitergium, rom. kolonie in het land der Veneti, tusschen Verōna en Aquileia.Oppia (lex)sumptuaria, van den volkstribuun C. Oppius, in 215. Zij verbood den vrouwen o.a. meer dan een halveunciaaan gouden sieraden te hebben, of bonte gewaden te dragen, of binnen den omtrek eener stad in een rijtuig te rijden tenzij bij godsdienstige plechtigheden. In 195 werd zij afgeschaft.Oppiānus,Ὀππιανός, 1) uit Cilicië, tijdgenoot van M. Aurelius, dichter van een didactisch epos,Ἁλιευτικά, over het leven der visschen, vischvangst, enz., dat hij aan den keizer opdroeg, en dat bij dezen, evenals bij zijne andere tijdgenooten, buitengewoon grooten bijval vond. Hij stierf reeds op zijn 30stejaar.—2)uit Syrië, tijdgenoot van Caracalla, dichter van een dergelijk werk over de jacht,Κυνηγετικά.Oppidum Batavorum, z.Batavodurum.Oppii, plebejisch geslacht waarvan verscheidene leden vermeld worden. 1)Sp. Oppius Cornicen, een van de tien mannen van 450, die, volgens het verhaal, met App. Claudius Crassīnus zelfmoord pleegde.—2)Q. Oppius, proconsul van Asia, viel bij de verovering van Klein-Azië in handen van Mithradātes Eupator, en kreeg eerst door Sulla zijne vrijheid terug.—3)onder de vertrouwelingen van Caesar komt eenC. Oppiusvoor, die te Rome een tijd lang veel invloed had en zich later bij Octaviānus aansloot.—4)Oppius Sabīnus, legaat van Moesia onder keizer Domitiānus, werd door Decebalus verslagen, en sneuvelde (± 86 n. C.).Oppius (mons), een van de bergen van hetSeptimontium(zieRoma), gelegen in het Z. van de regio Esquilīna.Ops, rom. godin van vruchtbaarheid en overvloed, later gemalin van Saturnus. Oorspronkelijk is zij eene godin van den oogst, en hoort zij bij Consus, hetgeen uit den naam van haar feest, Opiconsivia, blijkt. Haar andere feest, deOpalia, werd op 19 December gevierd. Als godin der zaadvelden had zij den bijnaamConsīva. Zij werd later dikwijls verward met Fauna, Maia, Bona Dea of geïdentificeerd met Rhea Cybele of Demēter.Ὄψον,Opsonium, Obs-, toespijs, alles wat bij het brood genuttigd wordt, vleesch, kaas, vruchten, maar vooral visch, de voornaamste lekkernij der ouden, waaraan veel geld besteed werd.

O.Oanis,Ὤανις, riviertje op de Z.kust van Sicilia bij de stad Camarīna.Oaracta,τὰ Ὀάρακτα, vruchtbaar eiland in de Perzische golf op de kust van Carmania.Oarus,Ὄαρος, rivier ergens in Sarmatia, die volgens Herodotus in de Palus Maeōtis (zee v. Azow) zou vallen, O.waarts van den Tanaïs (Don). Bedoeld is deRha(Wolga).Oaxus,Ὄαξος, stad midden op Creta, ookAxusgenoemd, aan de rivier Oaxes.Ὠβή, z.Φυλή.Obeliscus,ὀβελίσκος, hooge, vierhoekige zuil, die naar boven toe gelijkmatig dunner wordt en aan den top op eenmaal in eene pyramidale spits uitloopt. Oorspronkelijk behooren deze zuilen, in het Nederlandsch ook naalden genoemd, in Aegypte te huis, waar zij uit graniet, marmer of kalksteen in één stuk gehouwen werden. De hoogte wisselt van 50 tot 150 voet. Vele obelisken zijn met hiëroglyphen beschreven. Na de verovering van Aegypte door de Perzen schijnt het houwen van obelisken gestaakt te zijn; verscheidene er van zijn met groote kosten naar Rome en in de vorige eeuw zelfs naar Londen, Parijs en New-York overgebracht. In Aegypte stonden zij voor de tempelgebouwen. Bij eene obelisk behoort een vierkant voetstuk, rondom ongeveer een voet breeder dan het ondereind der naald.Obelus,ὀβελός, een dwarsstreepje, waarmede de alexandrijnsche grammatici in hunne uitgaven van oude schrijvers onechte of verdachte plaatsen aanduidden.Obligatio, de band tusschen twee personen of partijen, van wie de eencreditoris en eene vordering heeft, en de anderedebitoris en onder zekere verplichting ligt.Obligationes ex contractuontstaan uit eene op wettigen grondslag rustende overeenkomst,obligationes ex delictouit een wederrechtelijk vergrijp tegen de rechten van een ander, waarvoor deze dan vergoeding of voldoening kan vorderen. Verder kent het Romeinsche recht nogobligationes ex variis causarum figuris, waartoe o. a. hoort de aansprakelijkheid van den rechter, die een partijdig vonnis heeft geveld.Obnuntiatio, mededeeling der augurs, dat de auspiciën ongunstig zijn. Zie de artikelsdivinatioenservare de coelo.Ὀβολός, grieksche munt, vroeger van zilver, later van brons, het 6dedeel van een drachme.Ὀβ. νεκροῦ,z.Charon.Obrima,Ὄβριμος, zijtak van den Maeander in Phrygia.Ὀβριμοπάτρη, zij, wier vader machtig is, bijnaam van Athēna.Obsequens(Iulius), schrijver van een werkje over wonderteekenen,prodigia, waarvan nog een gedeelte over is. Hij leefde waarschijnlijk in de 4deeeuw na C.Obucola,Ὀβούκολα, stad in Baetica, ten O. van Hispalis (Sevilla).Ocalēa,Ὠκάλεια, dochter van Mantineus, gemalin van Abas, moeder van Acrisius en Proetus.Ocalea,Ὠκαλέη, riviertje en vlek in Boeotia ten W. van het meer Copāis.Oceanides, -nīnae,Ὠκεανίδες, -νῖναι, -νίτιδες, 3000 dochters van Oceanus en Tethys, nimfen der zee.Oceanus,Ὠκεανός, zoon van Uranus en Gaea, de oudste der Titanen, die zich aan het heerschende godengeslacht heeft onderworpen en door hen met liefde en zorg behandeld wordt, maar geen aandeel heeft aan de regeering der wereld, afgezonderd leeft en niet bij de vergaderingen der goden komt. Bij Tethys is hij de vader van de 3000 stroomgoden en 3000 Oceaniden. Hij is de god van den grooten stroom (Oceaan), volgens ouderen eene rivier, volgens lateren een zee, die aarde en zeeën insluit, waaruit alle wateren der aarde hun oorsprong hebben, en zon, maan en sterren oprijzen. Aan deze zijde van den Oceaan wonen de vrome Aethiopiërs en ligt het Elysium, aan gene zijde heerscht eeuwige duisternis en is de ingang naar het rijk van Hades.—In latere tijden onderscheidde men verschillende deelen van den Oceaan, bij voorkeur gaf men dien naam aan den Atlantischen Oceaan (Oc. Occidentalis), maar ook de Erythraeïsche, Hyperboreïsche, Aethiopische e. a. worden genoemd. Over het algemeen verbindt men aan het woord Oceanus het begrip van eb en vloed.OccelusofOcellus Lucānus,ὌκκελοςofὌκελλος ὁ Λευκανός, pythagoreïsch wijsgeer uit onzekeren tijd; het hem toegeschreven werkπερὶ τῆς τοῦ παντὸς φύσεωςis waarschijnlijk eerst uit de 1eeeuw voor C.Ocelum, stad der Graioceli in de Grajische Alpen.Ocha, berg in het Z. van Euboea, bij de stad Carystus.Ochus,Ὦχος, bijnaam van Artaxerxes III.Ochus,Ὦχος, 1) linker zijrivier van den Oxus, tgw. Sangalak.—2)rivier in Hyrcania, die in de Caspische zee uitstroomt, tgw. Atrek.Ocnus,Ὄκνος, zoon van Tiberis en Manto, stichter van Mantua. V. a. was hij een zoonof broeder van Aulētes, den stichter van Perusia, en had hij Felsīna, het latere Bononia, gesticht.Ocriculum,Ὀκρίκολα, welvarend municipium in Umbria aan den Tiber en de via Flaminia, thans Otricoli.Octavia (lex)frumentariater verhooging van den korenprijs en gedeeltelijke opheffing derlex Sempronia. ZieAnnonaenOctaviino. 5.Octaviānus, zieIuliino. 14.Octavii, rom. gesl., uit Velitrae afkomstig, dat reeds in den koningstijd naar Rome verhuisde. 1)Cn. Octavius, rom. vlootvoogd in den tweeden punischen oorlog (205 en 202). In 192 werd hij als gezant naar Griekenland gezonden, om Antiochus tegen te werken.—2)Cn. Octavius, zoon van no. 1, was in 168 rom. vlootvoogd tegen koning Perseus, die zich op Samothrāce aan hem moest overgeven. Van den buit bouwde hij deporticus Octaviate Rome. In 165 was hij consul; in 162 werd hij te Laodicēa vermoord, terwijl hij met een staatkundigen last in Azië vertoefde.—3)M. Octavius, in 133 volkstribuun met Ti. Gracchus, verzette zich tegen diens akkerwet en werd op diens voorstel door het volk afgezet. ZieSemproniino. 10.—4)Cn. Octavius, consul in 87, trachtte als hoofd der optimatenpartij Cinna te keer te gaan en verdreef hem zelfs uit Rome; toen echter Cinna Rome bestormde, werd Oct. vermoord.—5)M. Octavius, zoon van no. 4, bewerkte als volkstribuun eene inkrimping der korenwet van C. Gracchus, zieOctavia (lex) frumentaria.—6)L. Octavius, consul in 75.—7)M. Octaviuswas in den burgeroorlog vlootvoogd van Pompeius; hij verdreef Caesars legaat P. Cornelius Dolabella uit Illyria en nam C. Antonius gevangen (49). Later belegerde hij tevergeefs A. Gabinius te Salona. Na den slag bij Pharsālus wordt hij door een gedeelte zijner manschappen verlaten, hij lijdt een nederlaag tegen P. Vatinius, en vlucht met de rest van zijn vloot.—8)C. Octavius, geroemd om zijn goedheid en braafheid, praetor in 61, vernietigde in 60 het overschot van Catilina’s benden en bestuurde daarna met grooten lof Macedonia, waar hij tegen de Thraciërs streed (60/59). Hij was de vader van keizer Augustus. Hij stierf in het begin van 58 te Nola.—9)C. Octavius, zoon van no. 8, geb. in 63, was vier jaar oud, toen zijn vader te Nola overleed. Hij was de latere keizer Augustus. ZieIuliino. 14.—10)Octavia, dochter van no. 8, eerst gehuwd met C. Claudius Marcellus en daarna (40) met M. Antonius, den drieman, won aller harten door haar edel en zacht karakter. Zij droeg er veel toe bij om eene uitbarsting tusschen haar man en haar broeder Octaviānus te voorkomen. Doch Antonius, naar het Oosten vertrokken, verwaarloosde haar, zooals hij te voren Fulvia had gedaan, en liet zich in 32 van haarscheiden. Zij stierf in 11, diep betreurd als een toonbeeld van eene rom. vrouw en moeder. Zij liet deporticus Octaviaebouwen, waarvan nog enkele brokstukken over zijn. Daar zij nog een oudere zuster had, wordt zij ook welminorbijgenaamd. Haar zoon, de in 23 gestorven M. Marcellus (Claudiino. 37), om wien zij tot haar dood gerouwd heeft, was de eerste man van Augustus’ dochter Julia.—11)Octavia, dochter van keizer Claudius uit diens derde huwelijk met Valeria Messalīna, huwde in 53 na C. met keizer Nero. Hare strenge zeden konden hem echter niet behagen. Ze werd eerst door Nero verstooten, daarna verbannen naar Pandataria en vermoord (62). Zij was zeer geliefd bij het volk, en na Nero’s dood leverde zij de stof voor een tragedieOctavia, die onder de geschriften van Seneca bewaard gebleven is.Octodūrus, tgw. Martigny, stad der Veragri, in het tegenw. kanton Wallis.Octogēsa, stad der Ilergetes aan den Ibērus in Hispania.Ocypete,Ὠκυπέτη, een van de Harpyiën.Ocyrhoe,Ὠκυρόη, dochter van Chiron en Chariclo, eene wijze profetes; zij werd in een paard veranderd.Odenāthus,Ὠδέναθος, aanzienlijk burger van Palmȳra, die zich in het zoogenaamde tijdperk der 30 tyrannen tot vorst verhief (261 na C.), den perzischen koning Sapōres uit Syrië verjoeg, en door den rom. keizer Galliēnus als mederegent erkend werd. In 267 werd hij door een bloedverwant omgebracht. Zijne weduwe, de schoone en begaafde Zenobia nam nu als beheerscheres van het Oosten de teugels van het bewind in handen.Odessus,Ὀδησσός, milesische kolonie in Thracia aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee), thans Varna.Odēum,ᾠδεῖον, gebouw voor muzikale wedstrijden, gebouwd op de wijze van een theater, doch van een dak voorzien. Pericles liet het eerste odeum te Athene bouwen. Bij het beleg der stad door Sulla in 86 brandde het af, doch werd op kosten van den cappadocischen koning Ariobarzanes, Philoromaeus bijgenaamd, weder opgebouwd. Herōdes Atticus gaf aan Athene een tweede odeum ten geschenke, het prachtigste der oude wereld; het kon 8000 personen bevatten. Ook te Corinthus bouwde Herodes er een. Na dat van Athene was het odeum van Patrae het prachtigste. Het eerste odeum te Rome was dat van Domitiānus.Odoācer, een Rugiër, die bij een opstand der rom. huurtroepen zich aan hun hoofd stelde, den laatsten keizer van het westrom. rijk, Romulus Augustulus, afzette, en een koninkrijk Italië stichtte, 476 na C. In 493 werd hij ten val gebracht door Theodorik, koning der Oostgothen.Odomanti, thracische volksstam aan den mons Orbēlus, tusschen den Strymon en den Nestus.Odrysae,Ὀδρύσαι, het machtigste volk van Thracia, uitstekende ruiters met voortreffelijke paarden. Hun grootste macht bereikten zij onder de achtereenvolgende koningen Teres, Sitalces, met wien de Atheners in 431 een verbond tegen Perdiccas van Macedonië sloten, en Seuthes I. Diens neef Seuthes II riep de hulp in der 10000 Grieken,die met Xenophon huiswaarts keerden. Twisten over de opvolging brachten den staat later wel in een zekere afhankelijkheid van Macedonië, maar toch bleef hij zelfstandig bestaan, ook nog onder de Rom., tot hij eindelijk in 46 n. C. onder den naam Thracia bij het rijk werd ingelijfd.Odysseus,Ὀδυσσεύς,Ulixes, zoon van Laërtes of Sisyphus en Anticlēa, koning van Ithaca, Same en Zacynthus. Ook hij had naar de hand van Helena gedongen, en toen aan Tyndareos een goeden raad gegeven (z.Helena), uit dankbaarheid daarvoor was deze zijn voorspraak bij Icarius, toen hij diens dochter Penelope tot vrouw begeerde. Toen de trojaansche oorlog uitbrak, was O. verplicht mede op te trekken; v.s. had hij door geveinsde krankzinnigheid getracht zich aan die verplichting te onttrekken, maar was deze list door Palamēdes (z.a.) ontdekt. Hij ging dus met 12 schepen naar Troje en toonde zich daar een dapper en volhardend krijgsman, maar vooral onderscheidde hij zich door schranderheid, tegenwoordigheid van geest en welsprekendheid. Daarom werd hij vooral gaarne gebruikt, waar deze eigenschappen te pas komen, als onderhandelaar of verspieder, en luistert men met aandacht naar zijn raad. Vóór het begin van den oorlog werd hij naar Troje gezonden om Helena terug te eischen, hij weet Achilles (z.a.) op te sporen, als deze zich op Scyrus verborgen houdt, bij den strijd om de wapenen van Achilles behaalt hij de overwinning op den grooten Aiax, en het houten paard, waardoor eindelijk Troje genomen werd, was van zijne vinding. Maar bovenal is hij beroemd door vele gevaren en avonturen, die zijne terugreis bemoeilijkten en die het onderwerp uitmaken van de Odyssēa van Homērus. Tien jaar lang zwierf hij over de zee en door verre landen, eer hij zijn vaderland weder bereikte. Reeds was hij tot kaap Malea gekomen, toen een storm hem naar het land der Lotophagen dreef, waar sommige van zijn makkers zoo door den smaak van de zoete lotusvrucht bekoord werden, dat zij met geweld naar de schepen teruggedreven moesten worden. Daarna landde hij bij de Cyclopen, hier beroofde hij den woesten menscheneter Polyphēmus (z.a.) van het gezicht, waarom hij sedert voortdurend door den toorn van Poseidon vervolgd werd. Op het eiland van Aeolus werd hij goed ontvangen, en bij zijn vertrek kreeg hij een zak mede, waarin alle winden opgesloten waren behalve de Westenwind, zoodat de vaart zeer voorspoedig was, maar in het gezicht van Ithaca openden sommige schepelingen den zak, de winden ontsnapten en een geweldige storm dreef het schip weder naar het eiland van Aeolus terug. Vervolgens kwam hij bij de Laestrygonen (z.Antiphates) en bij Circe (z.a.), op wier raad hij over den Oceaan zeilt en in het voorportaal der onderwereld de schim van Tiresias over zijne verdere lotgevallen ondervraagt. Langs het eiland der Sirenen, tusschen Scylla en Charybdis doorzeilend, komt hij op Thrinacia, waar zijne tochtgenooten, door denuiterstenhonger gedreven, zich in weerwil van zijne dringende vermaningen aan de kudden van Helius vergrijpen. Deze beklaagt zich bij Zeus, die het schip van O., zoodra het weder in zee is, door een bliksemstraal verbrijzelt en alle schepelingen doet omkomen, behalve O. zelf, die op een plank naar het eiland Ogygia drijft. Daar wordt hij ontvangen door Calypso (z.a.), en zeven jaar blijft hij, hoewel door heimwee verteerd, bij haar; als zij hem eindelijk op uitdrukkelijk bevel der goden laat gaan, vaart hij 18 dagen lang gelukkig op een door hem zelf vervaardigd vlot; daarna merkt Poseidon hem op, en in een vreeselijken storm wordt het vlot verbrijzeld, maar door de hulp van Ino Leucothea komt hij, met verlies van alles, zelfs van zijne kleederen, op het eiland Scheria. Van uitputting valt hij in slaap, en zoo wordt hij gevonden door Nausicaa, die hem naar het hof van haar vader Alcinous, koning der Phaeaciërs, brengt. Nadat hij hier eenige dagen eene gastvrije ontvangst had genoten, zich bekend gemaakt en zijne lotgevallen verhaald had, wordt hij eindelijk, met geschenken overladen, naar zijn vaderland teruggebracht. Daar verneemt hij dat zijne moeder van verdriet over zijne lange afwezigheid gestorven is, dat zijn vader zich uit de stad teruggetrokken heeft, dat sedert drie jaar meer dan 100 edele jongelieden naar de hand van Penelope dingen, en in afwachting van hare beslissing in zijn huis brassen en zwelgen en zijn vermogen verteren, en eindelijk dat Telemachus, die in den laatsten tijd begonnen is zich krachtiger tegen hen te verzetten, nauwelijks voor hunne lagen veilig is. Door Athēna, zijne trouwe beschermster, als oude bedelaar vermomd, maakt hij zich voorloopig alleen aan zijn zoon bekend, dan gaat hij naar zijn huis en komt er juist wanneer Penelope, die nog steeds op de terugkomst van haar gemaal hopend, tot nu toe aan hare vrijers geen beslissend antwoord gegeven heeft, zich eindelijk gedwongen ziet eene keuze te doen. Zij verklaart dat zij hem tot echtgenoot zal nemen, die den boog van O. kan spannen, en als niemand daartoe in staat is, vraagt O. zelf, nog steeds als bedelaar vermomd, of hij het beproeven mag; zij stemt toe, en zoodra hij den boog in handen heeft, doodt hij met de hulp van Telemachus en eenige getrouwe dienaars al de overmoedige vrijers. Daarna maakt hij zich bekend, terwijl Athēna een oproer stilt, dat door den moord der vrijers dreigde te ontstaan.—Over zijne verdere lotgevallen zijn de berichten verschillend. V.s. doodde hem zijn eigen zoon Telegonus (z.a.), zonder hem te kennen, v.a. was hij naar Italië gegaan en had daar verscheiden steden gesticht.Oea,Οἴα, 1) vlek op het eilandThera.—2)stad op de kust van Africa, tusschen de beide Syrten.Oeager,Οἴαγρος, koning van Thracië, v.s. vader van Orpheus en Linus. VandaarOeagrius= thracisch.Oeagrides,Οἰαγρίδες, de Muzen, als zusters, van Orpheus, den zoon van Oeager.Oeanthe,-ēa,Οἰάνθη, Οἰάνθεια, stad der Locri Ozolae aan de westkust van de golf van Crisa.Oeax,Οἴαξ, zoon van Nauplius no. 2.Oebalia, de burcht van Tarentum. ZieOebalus.Oebalides,Οἰβαλίδης, Hyacinthus of de Dioscuren (Oebalii fratres), afstammelingen van Oebalus. Soms alg. = Spartaan.Oebalus,Οἴβαλος, 1) zoon van Cynortas of Periēres, koning van Sparta, vader van Tyndareos. Naar hem wordt HelenaOebalia pellexen TarentumOebalia arxgenoemd.—2)zoon van Telon, verliet het eil. Capreae, waar zijn vader over de Teleboërs regeerde, en vestigde een nieuw rijk in Campanië.Oechalia,Οἰχαλία, naam van verschillende steden, als: 1) in Thessalia aan den Penēus, tusschen Tricca en Pelinna, de zetel van den door Heracles gedooden Eurȳtus.—2)in het N. van Messenia.—3)in Trachis.—4)nabij Eretria op Euboea.—5)in Aetolia.Oeclides,Οἰκλείδης, zoon van Oecleus, Amphiarāus.Oecus, eene zaal in een rom. huis, zonder lichtopening in de zoldering. Het licht moest dus door vensters naar binnen vallen of het vertrek moest op een peristylium of veranda uitkomen. Ze diende als pronkzaal (z.domus) of alstriclinium.Oedipus,Οἰδίπους, Οἰδιπόδης, zoon van Laius en Iocaste. Wegens een onheilspellend orakel (z.Laius) gaf zijn vader hem kort na zijne geboorte aan een herder, met bevel het kind op den Cithaeron te dooden. Door medelijden bewogen, volbracht de herder dien last echter niet, maar gaf het kind aan een anderen herder, die het medenam naar Corinthe en het aan zijn heer, den kinderloozen koning Polybus, gaf. O. groeide op in de meening dat hij een zoon van Polybus was, maar toen hij volwassen was geworden, werd hem eens bij een feest toegevoegd, dat hij zich voor een ondergeschoven kind wat al te trotsch gedroeg. Deze woorden griefden hem, en daar hij op zijne vragen om inlichtingen van iedereen ontwijkende antwoorden kreeg, besloot hij het delphische orakel over zijne afkomst te gaan ondervragen. Ook hier kreeg hij echter op deze vraag geen antwoord, maar de Pythia herhaalde tot hem, wat eens tot Laius gezegd was: dat hij zijn vader zou dooden, met zijne moeder zou trouwen en met haar een geslacht zou verwekken, dat goden en menschen tot gruwel zou zijn. In de onzekerheid, of hij niet misschien toch een zoon van Polybus en diens echtgenoote was, besloot hij in ieder geval niet naar Corinthe terug te keeren, en onverschillig waarheen hij zich begeven zoude, sloeg hij den weg naar Thebe in. Op een smallen bergweg kwam hem een reiziger te gemoet, die op een wagen gezeten was en door eenige dienaars begeleid werd; wijken was moeielijk, er ontstond een twist, waarbij O. den reiziger en zijn geheel gezelschap doodde, behalve één man die ontvluchtte. Daarna kwam hij in Thebe aan en vond het land in de grootste verwarring: de koning was kort te voren op reis aangevallen en gedood, en bovendien werd het land geteisterd door de Sphinx (z. a.), die reeds talrijke slachtoffers gemaakt had. In deze omstandigheden nam Creon, de broeder der koningin, voorloopig de regeering in handen en maakte bekend, dat hij, die het land van de Sphinx zou verlossen, met de hand van Iocaste en de koninklijke waardigheid zou beloond worden. O. lost het raadsel van deSphinxop en wordt zoo koning van Thebe, maar tevens huwt hij, zooals het orakel voorspeld had, met zijne moeder; dat hij de moordenaar van Laius is, kan hij niet vermoeden, want de eenige man, die het bericht van diens dood in de stad gebracht heeft, beweert dat hij door een rooverbende den dood gevonden heeft; op deze wijze wil hij het n.l. doen voorkomen, dat hijzelf niet uit lafheid, maar voor de overmacht gevlucht is. Lang regeert O. gelukkig en tot heil van het land, bij Iocaste krijgt hij vier kinderen: Eteocles, Polynīces, Antigone en Ismēne. Na vele jaren wordt het land echter door een verschrikkelijke pest bezocht, en in den hoogsten nood zendt O. zijn zwager Creon naar Delphi, ten einde Apollo om raad te vragen. Het antwoord luidt dat de toorn der goden op het land zal blijven drukken, totdat de moordenaar van Laius verbannen of ter dood gebracht zal zijn. Vol ijver begint O. zijne nasporingen om hem te vinden, maar niemand kan hem inlichtingen geven dan de man, die bij den moord tegenwoordig is geweest, toevallig dezelfde die hem als kind op bevel van Laius had moeten dooden. Terwijl deze man ondervraagd wordt, komt een bode uit Corinthe den dood van Polybus berichten, deze bode is dezelfde, die O. als kind van den anderen herder had overgenomen en naar Corinthe gebracht, en door de elkander aanvullende verklaringen van deze twee personen ontdekt O. eindelijk, hoe de oude orakels vervuld zijn. Hij steekt zich in wanhoop de oogen uit, terwijl Iocaste zich ophangt. Ofschoon hij in het begin gewenscht had, volgens het bevel der goden, uit het land verbannen te worden, weet Creon hem tot bedaren te brengen, en zoolang deze regeert, blijft O. inderdaad te Thebe. Toen echter zijne beide zonen volwassen waren geworden, behandelden zij hun vader met minachting, en spoedig dwongen zij hem het land te verlaten. O. vloekt zijne zonen en terwijl zij zich alleen om de bevrediging hunner heerschzucht bekommeren, begint hij, oud en blind, een zwervend leven, waarbij hem zijne dochter Antigone trouw vergezelt en ook Ismēne hem nu en dan diensten bewijst. Wel verklaarde een later orakel, dat het land, waar het graf van O. zich zou bevinden, groot en bloeiend zou worden en door Thebe niet te overwinnen zou zijn, en trachtten daarom Creon en Polynīces hem te bewegen naar zijn vaderland terug te komen, maar O., die intusschen bij Theseus in Attica vriendelijk opgenomen is, wil hiervan niets weten. Met de goden verzoend, eindigt hij zijn leven zacht in het woud der Eumeniden op den heuvel Colōnus bij Athene, zijngraf is alleen aan de koningen van Attica bekend en is een onderpand van heil voor hun land.—Volgens de oudste verhalen was de naam van zijne moeder Epicaste, en regeert hij na de ontdekking zijner gruweldaden, hoewel door de Erinyen gekweld, tot het einde van zijn leven over Thebe. Nadat Epicaste zich opgehangen had, nam hij Euryganēa tot vrouw, en deze was de moeder zijner vier kinderen. Later zoude hij haar verstooten en Astymedūsa tot vrouw genomen hebben.Oenēis,Οἰνηίς, eene van de 10 phylen, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.Oeneon,Οἰνεών, havenstad der Locri Ozolae.Oeneus,Οἰνεύς, zoon van Portheus of Porthāon, koning van Calydon en Pleuron, de eerste die den wijnbouw in Aetolië invoerde, waartoe Dionȳsus hem zelf den eersten wijnstok gaf. In zijn tijd had de calydonische jacht plaats. De zonen van zijn broeder Agrius zetten hem gevangen en gaven de regeering aan hun vader, Diomēdes doodt echter na zijne terugkomst van Troje Agrius met de meeste van diens zonen en geeft de regeering aan zijn grootvader terug, die haar echter aan zijn schoonzoon Andraemon afstaat.—Op eene reis in de Peloponnēsus werd hij door de in leven gebleven zonen van Agrius gedood. Diomēdes begroef hem in Argos, op de plaats die naar hem Oenoë genoemd werd.Oeniadae,Οἰνιάδαι, oude kustst. van Acarnania aan den mond van den Achelōus, die ze in den winter onder water zette. De burcht, Nasus,Νῆσος(z. a.), lag op een eilandje in een meertje.Oenīdes,Οἰνείδης, Meleager en Diomēdes, zoon en kleinzoon van Oeneus.Oenoanda,Οἰνόανδα, stad in Cabalia, op de grenzen van Lycia.Oenoë,Οἰνόη, 1) attische demus bij Eleutherae, tot de hippothoönsche phyle behoorende, grensvesting tegen Boeotia.—2)attische demus der phyle Aeantis, bij Marathon.—3)corinthische sterkte aan de golf van Corinthus.—4)vlek in Argolis, ten W. van Argos.—5)stadje in Elis aan den Ladon, oudtijds Ephyra geheeten.Oenomaüs,Οἰνόμαος, zoon van Ares, koning van Pisa. Daar hem voorspeld was, dat hij zou sterven wanneer zijne schoone dochter Hippodamēa trouwde, maakte hij bekend, dat hij hare hand slechts aan dengene zou geven, die hem in den wedren overwon. Daar hij van Poseidon paarden gekregen had, die alle andere in snelheid overtroffen, was hij zeker dat deze voorwaarde niet vervuld konde worden. Reeds velen, die om Hippodamea aanzoek gedaan hadden, waren op deze wijze door O. overwonnen en gedood, totdat Pelops den wagenmenner van O., Myrtilus, omkocht om zwarte was in plaats van pinnen in de assen van den wagen van zijn heer te steken, daardoor viel de wagen van O. om, hij werd door zijne paarden voortgesleept en kwam jammerlijk om.—V. a. overwon Pelops hem niet door verraad, maar door de hulp van Poseidon, die hem paarden geschonken had, nog vlugger dan die van O.Oenōne,Οἰνώνη, 1) oude naam van Aegīna.—2)dochter van den riviergod Cebren, gemalin van Paris, bij wien zij een zoon had, Corythus (z. a.). Toen Paris doodelijk gewond was, liet hij zich hij haar brengen, daar zij hem konde genezen, maar vertoornd over zijne ontrouw, weigerde zij. Maar toen hij gestorven was, wierp zij zich van smart op den brandstapel, waarop zijn lijk lag, en verbrandde zij met hem.Oenophyta,τὰ Οἰνόφυτα, vlek in Boeotia aan den Asopus, waar de Atheners in 456 de Boeotiërs versloegen.Oenopia,Οἰνοπία, oude naam van het eil. Aegīna.Oenopion,Οἰνοπίων, zoon van Dionȳsus of Rhadamanthys en Ariadne, die van Creta naar Chius verhuisde en daar den wijnbouw invoerde, z.Orīon.Oenotria,Οἰνωτρία= wijnland, oude naam voor Lucania en Bruttii, en dichterlijk voor geheel Italia. De Oenotri zijn de oudste bewoners dezer streken; ze werden door de Grieken, die zich aan hun kusten vestigden, onderworpen. Een gedeelte der Oenotri vindt men nog later op Sicilia, zieMorgantium. Zie ookOenōtrus.Oenotropi, -pae,Οἰνότροποι, dochters van Anius, die van Dionȳsus het vermogen hadden gekregen om alles wat zij wilden in wijn, v. a. in wijn, koren en olie, te veranderen. Haar vader konde door deze gave het grieksche leger voor Troje negen jaar lang van het noodige voorzien. Later trachtte Agamemnon de meisjes met geweld naar Troje te brengen, doch Dionȳsus veranderde ze in duiven.Oenōtrus,Οἴνωτρος, jongste zoon van Lycāon, verhuisde uit Arcadië naar Italië, waarvan een deel naar hem Oenotria genoemd werd.Oenus,Οἰνοῦς, rivier in Laconica, die boven Sparta in den Eurōtas valt.Oenussae,Οἰνοῦσσαι, 1) vijftal eilandjes tusschen Chius en de aziatische kust (het Mimasgebergte).—2)eilandengroep ten Z. van Messenia.Oeōnus,Οἰωνός, zoon van Licymnius, bondgenoot van Heracles in den oorlog tegen Augīas, eerste overwinnaar in den wedloop bij de olympische spelen. In Sparta werd hij door de zonen van Hippocoön gedood, later werd er een gedenkteeken voor hem opgericht.Oëroë,ὨερόαofὨερόη, riviertje en eilandje bij Plataeae in Boeotia.Oesȳme,Οἰσύμη, thasische kolonie op de thracische kust, tusschen den Nestus en den Strymon.Oeta,Οἴτη, zijtak van het Pindusgeb., die zich ten Z. van Thessalia tot bij de Malische golf uitbreidt en waarvan de Callidromus met den pas der Thermopylae en de Cnemis eene voortzetting zijn. Het is een woest gebergte, bijna 6000 voet hoog. Op den Oeta liet Heracles zich verbranden.Oetaei,Οἰταῖοι, thessalische volksstam aan het Oetagebergte, ten W. van Doris en Malis.Oetylus,Οἴτυλος, havenstad in Laconica aan de Messenische golf met een tempel van Serāpis.Ofella, familienaam in degens Lucretia, (Lucretiino. 4).Ofilii.A. Ofilius, een bekwaam rechtsgeleerde, tijdgenoot van Cicero en vriend van Caesar. Een andere Ofilius komt voor in den oorlog van Octaviānus tegen S. Pompeius.Ogulnia(lex) van de volkstribunen Q. en Cn. Ogulnius (300), dat er in plaats van 6 patricische pontifices en 6 (v. a. 5) patr. augurs 9 pontifices en 9 augurs zouden gekozen worden, en dat hiervan 5 plaatsen door plebejers moesten bezet worden. Hieruit blijkt duidelijk, dat reeds in 300 de aanzienlijke plebejers de macht in handen hadden.Ogulnii.Van deze familie zijn slechts twee broeders bekend; zieOgulnia lex. Als aedilen lieten zij in 296 van de boeten, aan woekeraars opgelegd, bronzen beelden tot versiering van Rome gieten, o.a. van Romulus en Remus, door de wolvin gezoogd. Zie hieromtrentRumina. Q. Ogulnius was een dergenen, die in 293 naar Epidaurus werden gezonden, zieAesculapius.Ogygia,Ὠγυγία, 1) het eiland van Calypso, de navel der zee genoemd, waarmede waarschijnlijk bedoeld wordt, dat het zoo ver mogelijk van ieder vastland verwijderd was.—2)oude naam van Thebe.Ogyges, Ogygus,Ὠγύγης, Ὤγυγος, een attische of boeotische koning uit zeer ouden tijd, onder wiens regeering het land door een groote overstrooming geteisterd werd. Een van de poorten van Thebae heette de Ogygische, ook een woud en heuvel in de nabijheid van de stad droegen dien naam.—Ook worden Ogygische nimfen genoemd, die voor dezelfde gehouden worden als de Erinyen.Oīcles, -cleus,Ὀικλῆς, -κλεύς, kleinzoon van Melampus, vader van Amphiarāus. Hij vergezelde Heracles op diens tocht tegen Laomedon en sneuvelde daarbij. V.a. zoude hij echter behouden van Troje teruggekomen zijn en sedert in Arcadië gewoond hebben.Oiclīdes,Ὀικλείδης, Amphiarāus, zoon van Oicles.Plattegrond van een Grieks huis.Οἰκία, Οἶκος, huis. Hoewel de inrichting van de huizen bij de Grieken, evenals overal, naar de beschikbare ruimte en de behoeften der bewoners verschillend geweest moet zijn, kan men zich toch, gebruik makende van de mededeelingen van oude schrijvers, zeer in het algemeen een denkbeeld vormen van hun aanleg. Eigenaardig is aan de grieksche huizen ten eerste, dat een betrekkelijk groot deel van de door muren ingesloten ruimte onoverdekt blijft, ten tweede, dat de vertrekken verdeeld zijn in een afdeeling voor mannen, waar ook vreemden ontvangen, gastmalen gegeven worden, enz., en eene afdeeling voor vrouwen, waar geen vreemde komt en de eigenlijke zetel van het huiselijke leven is. In de huizen, of liever paleizen, die Homerus beschrijft, komt men van de straat door een met dubbele deuren gesloten gang (πρόθυρον) op een open plaats (αὐλή), omgeven door vertrekken voor slaven, stallen en dgl. Aan beide zijden van de voordeur was eene zuilengalerij (αἴθουσα αὐλῆς) en aan de overzijde eene dergelijke, maar doorloopende en waarschijnlijk ruimere, galerij (αἴθουσα δώματος), waarachter het eigenlijke woonhuis (δῶμα, δόμος; deαὐλήmet de galerijen, enz., heeten met elkanderπρόδομος) lag. Achter deze galerij ligt het mannenvertrek (μέγαρον), vanwaar een kleine gang (πρόθυρον) naar de overige vertrekken (θάλαμοι) van het huis geleidt; onder deze is een het gewone verblijf van de huisvrouw met hare slavinnen, terwijl de verdere ruimte en, waar deze niet voldoende is, ook een bovenverdieping (ὑπερῷον) slaapkamers, voorraadkamers, enz., bevat. Van de voorgalerij loopt verder een gang langs de geheele diepte van het huis, waarop de verschillende aan die zijde gelegen vertrekken een uitgang hebben.—Van een atheensch huis uit den hellenistischen tijd kan het plan op deze bladzijde eene voorstelling geven. Daarop isade voordeur (αὔλειος θύρα),been gang (θυρών, πυλών, θυρωρεῖον), met een portierswoning aan de eene en een stal aan de andere zijde,cde open plaats (αὐλή) der mannenafdeeling (ἀνδρωνῖτις), aan alle vier zijden door zuilengangen omgeven (vandaar ookπεριστύλιον), rondom welke de mannenvertrekken (ἀνδρῶνες, οἶκοι, 1–9) gelegen zijn. Uit dezeαὐλή, leidt een gangd(μέσαυλος, μέταυλοςz.a.) naar deαὐλή, e, van het vrouwenverblijf (γυναικεῖον, γυναικωνῖτις, dezeαὐλήheeft slechts aan drie zijden zuilengangen, terwijl aan de vierde zijde in het midden een vertrekfligt, dat naar deαὐλήgeheel open is, waarschijnlijk de eigenlijke huiskamer (παραστάς, προστάς); naast dit vertrek zijn twee slaapkamers (θάλαμοςenἀμφιθάλαμος,g); aan de andere zijden van deαὐλήzijn verschillende andere vrouwenvertrekken, geheel achter in het huis zijn vertrekkenh, waar de vrouwen arbeiden, en door de achterdeuri(κηπαία θύρα) komt men in den tuin of op straat.—Het behoeft niet gezegd te worden dat dit plan, dat geheel en al berust op soms niet volkomen duidelijke aanwijzingen bij oude schrijvers, in de werkelijkheid vele en belangrijke wijzigingen konde en moest ondergaan,—al ware het slechts omdat daarbij op eene ruimte gerekend is, die soms onvoldoende, maar zeer dikwijls ook niet noodig en niet beschikbaar moet geweestzijn. In vele gevallen wordt melding gemaakt van een bovenverdieping, die in groote huizen alleen gediend kan hebben als verblijf voor slaven, bergplaats, enz., maar waarheen in kleinere het geheele vrouwenverblijf verplaatst is, zoodat dit in het geheel geen afzonderlijkeαὐλήhad. Zeer groote afwijkingen toont bovenstaand plan van de overblijfsels van een particuliere woning, op Delus gevonden, waarvan de indeeling volstrekt niet met die van bl. 437 te vergelijken is, alleen is inBde gang te herkennen, terwijlCde open plaats geweest moet zijn, die klein en smal is en geene sporen van zuilen meer vertoont, bijFwas een waterput, de bestemming van de overige ruimten is niet nader te bepalen. Dat dit echter geen armoedig huis geweest is, mag men uit den smaakvol met ionische zuilen versierden voorgevel veilig besluiten.Plattegrond van een Grieks huis.Οἰκουμένη(γῆ), eigenlijk het bewoonde gedeelte van de aarde; men veronderstelde, dat de keerkringen wegens de hitte onbewoonbaar waren. In engeren zin beteekentοἰκ.het aan de Grieken, later aan de Romeinen bekende of door hen beheerschte gedeelte der aarde,orbis Romanus, orbis terrarum antiquis notus.Oīleus,Ὀιλεύς, koning der Locriërs, een van de Argonauten, bij Eriōpis vader van Aiax, bij Rhene van Medon.Οἰωνοπόλοι, Οἰωνισται, waarzeggers, die de toekomst voorspellen uit wonderteekenen (τέρατα), voornamelijk uit het verschijnen van vogels, de omstandigheden, waarin deze zich vertoonen, de richting, waarin zij vliegen, enz.Olba,Ὂλβη, stad in het binnenland van Cilicia Trachēa, ten N. van Soli, in den hellenistischen tijd zetel van het priestergeslacht der Teucriden; hier vond men den tempel van Zeus Olbios,Ζεὺς Ὄλβιος, waarvan nog vele overblijfselen bewaard gebleven zijn.Olbia,Ὀλβία, 1) stad op de Oostkust van Sardinia, de meest gewone landingsplaats der Rom.—2)kuststad in Gallia Narbonensis, door Massilia (Marseille) gesticht. Tgw. Eoubes.—3)vesting in Pamphylia, in den hoek der Pamphylische golf.—4)stad in Bithynia, ook Astacus genoemd, z. a.—5)stad in Scythia, ook Borysthenis geheeten, aan de monden van den Borysthenes (Dniepr) en den Hypanis (Bug).Olcades,Ὀλκάδες, kleine volksstam in Hispania, in het gebied der Oretani, aan den bovenloop van den Anas (Guadiana).Olcinium, illyrische zeestad, ten W. van Scodra, thans Dulcigno. In den oorlog tegen Gentius (168) schaarde zij zich aan de zijde der Romeinen.Olearas=Oliarus.Olen,Ὠλήν, mythisch dichter, uit Lycië of uit het land der Hyperboreërs afkomstig, de eerste die op Delus orakels van Apollo verkondigde, uitvinder van de epische versmaat. Op Delus werden oude hymnen van hem bewaard, waarvan de inhoud voor zeer belangrijk gehouden werd.Olennius, primipilaris, d.i. eerste centurio bij de pilāni of triarii, onder keizer Tiberius, in 28 na C. naar de Friezen gezonden om de schatting van runderhuiden te innen, bracht hen tot opstand door zijne hebzucht. Hij eischte huiden van oerossen of wilde stieren, die bijna uitgeroeid waren, en daar de Friezen geene zoo groote huiden konden leveren, werd hierdoor eene bron van afpersingen geopend.Olenus,Ὤλενος, bewoner van den Ida, wiens gemalin Lethaea zich beroemde schooner te zijn dan alle godinnen; voor dezen overmoed werden beiden in steenen veranderd.Olenus,Ὤλενος, 1) eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de golf van Patrae (Patras).—2)oude stad in Aetolia, ten W. van den Aracynthus, zetel van Oeneus, door de Aetoliërs verwoest.—DichterlijkOlenius= achaeisch of aetolisch,Olenia capella= de geit Amalthēa.Oliarus,Ὠλιαρός, eil. van de groep der Cycladen, ten W. van Parus, thans Antiparo. De beroemde grot wordt bij de ouden niet vermeld en schijnt hun dus niet bekend te zijn geweest.Oligyrtus,Ὀλίγυρτος, bergvesting in N.O. Arcadia, ten Z. van Stymphālus.Olisīpo,Ὀλισίπων, stad in Lusitania, thans Lissabon, zieJuniino. 4.Olīzon,Ὀλιζών, stad in het Z. van het thessalische landschap Magnesia, tegenover het eil. Euboea.Ollius(T.), de vader der schoone, maar beruchte Poppaea Sabina, Nero’s tweede vrouw. Ollius was een vriend van Seiānus en werd in diens val medegesleept. Zijne dochter droeg niet den naam van haar eigen vader, maar van haar moeders vader.Ollius, thans Oglio, rechterzijtak van den Padus (Po), die in zijn loop den lacus Sebīnus (lago d’Isea) vormt.Oloösson,Ὀλοοσσών, stad der Perrhaebi in het N. van Thessalia.Olophyxus,Ὀλόφυξος, stad aan den berg Athos met eene gemengde bevolking van Thraciërs, Pelasgen en Grieken (Chalcidiërs).Olpae,Ὄλπαι, Ὄλπη, sterkte in Acarnania, op een heuvel aan de Oostkust der Ambracische golf gelegen.Oltis, rechter zijtak van den Garumna.Olūrus,Ὄλουρος, 1) vesting in Achaia bij Pallēne op de sicyonische grenzen.—2)ook Olūris en Dorium geheeten, stad in het N. van Messenia.Olympia,ἡ Ὀλυμπία, was niet zoozeer eene stad, als wel eene verzameling van tempels met de noodige worstelperken, loop- en renbanen voor de spelen, alles in een liefelijk oord ten N. van de rivier Alphēus en ten O. van de beek Cladeüs gelegen te midden van plataan- en olijfboomen. In het eigenlijke tempelgebied (ἡ Ἄλτις), gedeeltelijk door muren omgeven, lagen ook het Heraeum, de oude tempel van Hera (vroeger van Zeus en Hera) met daarvoor het groote altaar van Zeus, en de nieuwe Zeus-tempel uit de 5deeeuw, waarvoor Phidias het Zeus-beeld gemaakt heeft, vele schatkamers (θησαυροί) en vele wijgeschenken en standbeelden. Buiten de Altis vond men o. a het Gymnasium, de Palaestra en het Stadium. Op kosten van het Duitsche rijk is Olympia in 1875–1881 volledig opgegraven. Oorspronkelijk behoorde dit tempelgebied tot de stad Pisa (z. a.), doch toen de Eleërs Pisa verwoest hadden, wilden zij evenmin de vestiging eener zelfstandige gemeente te Olympia als den herbouw van Pisa toestaan. Zie ookElis.Olympia,τὰ Ὀλύμπια, de olympische spelen, oorspronkelijk een feest ter eere van den pelasgischen Zeus, later verbonden met lijkfeesten ter nagedachtenis van Pelops, vervolgens door Heracles vernieuwd, en eindelijk door Lycurgus van Sparta en Iphitus van Elis voor goed geregeld. Het was het grootste nationale feest der Grieken, waaraan sedert het einde der 7deeeuw ook Grieken uit Azië, Italië en Sicilië deelnamen, en waarbij alle grieksche staten officieel vertegenwoordigd waren. De wedstrijd bestond aanvankelijk alleen uit een wedloop, waarbij achtereenvolgens gevoegd werden:δίαυλος, δόλιχος, worstelen enπένταθλον, rijden met vierspan, paardrijden enπαγκράτιον, wedloop in wapenrusting (ὁπλίτης δρόμος), rijden met tweespan. Wegens het talrijke bezoek was het hier ook de meest geschikte plaats tot het voordragen van redevoeringen, gedichten, enz., en tot het doen van afkondigingen van algemeen belang; eerbetuigingen aan bizondere personen of staten werden hier bekend gemaakt, enz. De feesten werden om de vier jaar des zomers in de Altis gevierd; oudtijds—men zegt tot 472—liep alles in één dag af, later duurden de feesten vijf dagen. Uit naam van de Eleërs, die het beheer over de feestviering hadden, werd in alle grieksche staten eenigen tijd te voren het naderen van het feest door drie aanzienlijke Eleërs,σπονδοφόροιbekend gemaakt, en op deze bekendmaking volgde een stilstand in alle oorlogen tusschen grieksche staten (ὲκεχειρία); van heinde en ver kwamen feestgezantschappen, de beroemdste gymnasten van Griekenland als mededingers, en tallooze toeschouwers toestroomen. De kamprechters,ἑλλανοδίκαι, hadden streng toe te zien, dat geen onwaardige aan een wedstrijd deelnam. Eerst nadat men hen had overtuigd dat men een vrijgeboren Griek van onberispelijk levensgedrag was en dat men zich minstens 10 maanden in een gymnasium geoefend had, kreeg men verlof naar den prijs mede te dingen. Deze bestond in een palmtak en een krans van den heiligen olijfboom in de Altis, door een knaap, wiens beide ouders in leven waren, met een gouden mes afgesneden, terwijl de overwinnaar het recht kreeg zijn standbeeld in de Altis te laten plaatsen. Hoe groote waarde men aan zulk een prijs hechtte, blijkt uit de eer, die den overwinnaar (Ὀλυμπιονίκης) ook buiten het tooneel van den wedstrijd te beurt viel; in zijn vaderstad werd hij met gejuich ontvangen en van alle lasten vrijgesteld en had hij een eereplaats (προεδρία) bij alle feesten, de voornaamste dichters bezongen zijn roem, enz.—Sedert 776 begon men te Olympia lijsten van de overwinnaars aan te leggen, dit jaar geldt dus voor het eerste der eerste olympiade (Ὀλυμπιάς) en is het begin van de in Griekenland meest algemeene tijdrekening naar Olympiaden. Ook de meest gebruikelijke afstandsmaat, het stadium, heeft naam en lengte van de renbaan van Olympia.—Hoewel de olympische feesten met het einde van de onafhankelijkheid van Griekenland veel van hunne beteekenis verloren, werden zij nog lang daarna met grooten luister gevierd; in 394 na C. werden zij op bevel van Theodosius d. G. opgeheven.Olympiades,Ὀλυμπιάδες, de Muzen, naar haar verblijf op den Olympus.Olympias,Ὀλυμπιάς, 1) dochter van Neoptolemus van Epīrus, huwde met Philippus van Macedonië en werd moeder van Alexander d. G. Met haar hartstochtelijk en heerschzuchtig karakter konde zij niet dulden, dat Philippus eene andere vrouw, Cleopatra, huwde, zij verliet hem, ging naar Epirus terug, en laadde door haar gedrag zware verdenking op zich, dat zij aan het vermoorden van haar vroegeren echtgenoot medeplichtig was. Gedurende de afwezigheid van Alexander was zij wegens hare aanmatiging voortdurend in twist met Antipater, en na Alexander’s dood (v. a. reeds in 330) vond zij het raadzaam naar Epirus te vluchten. In 319 riep de zwakke Polyperchon haar terug om den jongen Alexander op te voeden, en nu nam zij bloedige wraak op de partij van Antipater, ook Arrhidaeus en diens gemalin werden gedood. Maar toen Cassander uit de Peloponnēsus terugkwam en haar in Pydna belegerde, moest zij zich na eene moedige en standvastige verdediging overgeven, en werd zij door Cassander, in strijd met zijn gegeven woord, ter dood gebracht (315).—2)z.Olympia.Olymp(i)ēni,Ὀλυμπ(ι)ηνοί, bewoners van het gewest Olympēne in Mysia.Olympiēum,Ὀλυμπιεῖον, ook-πίειον, 1) tempel van Zeus Olympius, zooals er in verschillende steden vermeld worden.—2)stadje op Sicilia vlak bij Syracūsae, ten Z. van de monding van den Anapus, naar zulk een tempel genoemd en ook welOlympiumgeheeten.Olympiodōrus,Ὀλυμπιόδωρος, 1) zoon van Lampon, dapper lochaag der Atheners in den perzischen oorlog.—2)atheensch archont, veldheer tegen Cassander (304) en tegen Demetrius Poliorcētes (287).—3)van Alexandrië, neo-platonisch wijsgeer uit de school van Iamblichus, leermeester van Proclus.—4)neo-platonisch wijsgeer uit de school van Proclus, schrijver van commentaren op verscheiden werken van Plato.—5)van Thebe in Aegypte, leefde te Byzantium in het begin der 5deeeuw na C. en schreef eene geschiedenis van zijn tijd, waarvan een uittreksel bewaard is gebleven.Olympius, -pia,Ὀλύμπιος, -πία, bijnaam van verscheiden goden en godinnen, naar hun woonplaats op den Olympus.Olympus,Ὄλυμπος, 1) mythisch zanger en fluitspeler, leerling van Marsyas, die zich aan een wedstrijd met Pan waagde.—2)beroemd fluitspeler, musicus en liederendichter op het einde der 8steeeuw.Olympus,Ὄλυμπος, naam van onderscheidene bergen. 1) op de grenzen van Macedonia en Thessalia, in de mythologie de woonplaats der meeste goden, 6–7000 voet hoog en van boven met eeuwige sneeuw bedekt.—2)in Mysia, ten Z. der stad Prusa (Brussa).—3)in Galatia, ten Noorden van Pessinus, op de grenzen van Bithynië. Hier versloeg Cn. Manlius Vulso (Manliino. 4) de Galaten in 189.—4)vulkaan met gelijknamige stad aan de Oostkust van Lycia.—5)op den staart van het eiland Cyprus.—6)in het Z. van hetzelfde eiland.—7)in Laconica bij Sellasia.—8)op Euboea, ten N. van Eretria.—9)in het Z. van het eiland Lesbus.Olynthus,Ὄλυνθος, grieksche kolonie op Chalcidice aan den sinus Toronaicus, de belangrijkste van alle volkplantingen aan de macedonische kust. In den peloponnesischen oorlog nam het de inwoners van Potidaea en andere kleinere plaatsen in zich op en kon hierdoor lang zijne zelfstandigheid handhaven, totdat het zich in 379 aan de Spartanen moest overgeven. In 349 werd de stad aangevallen door Philippus van Macedonia, wel zocht de redenaar Demosthenes in zijne drie olynthische redevoeringen de Atheners tot het zenden van tijdige hulp aan te sporen, doch de Atheners draalden tot het te laat was. Philippus verwoestte de stad (herfst van 348), die niet herbouwd werd, en verkocht de inwoners als slaven.Olysīpo=Olisīpo.Ombrius,Ὄμβριος, bijnaam van Zeus als regengod.Omana, Omanades, zieHomona, Homonadenses.Omen, zieauguria.Omphale,Ὀμφάλη, dochter van Iardanus, koningin van Lydië, bij wie Heracles als slaaf diende. Zij werd bij hem moeder van Lamus en Agelāus.Onātas,Ὀνατᾱς, zoon van Micon no. 1, beroemd beeldgieter en schilder, uit de eerste helft van de 5deeeuw.Onca,Ὄγκα, bijnaam van Athēna, naar haar heiligdom te Oncae bij Thebe.Onchesmus,Ὀγχησμός, haven in Chaonia (Epīrus), tegenover het eil. Corcȳra (Corfu).Onchestus,Ὀγχηστός, 1) oude stad in Boeotia, in het gebied van Haliartus.—2)rivier in Thessalia, die bij Cynoscephalae ontspringt, en met een grooten omweg uitstroomt in het meer Boebēis.Onēus mons,Ὄνειον ὄρος, Ὂνεια ὄρη, ezelsberg, aan het Z. uiteinde der landengte van Corinthus, bij Cenchreae, een sleutel tot de Peloponnēsus en daarom een dikwijls hevig betwist strategisch punt.Onesicritus, -crates,Ὀνησίκριτος, -κράτης, van Aegīna, leerling van Diogenes den cynicus. Hij ging met Alexander d. G. naar Azië, werd als gezant naar een indisch volk gezonden, en was later opperstuurman op de vloot van Nearchus. Hij schreef eene geschiedenis van zijne tochten en van de daden van Alexander, aan welke echter door de ouden weinig vertrouwen geschonken werd.Onochonus,Ὀνόχωνος, rivier in het gewest Thessaliōtis in Thessalia, zijrivier van den Penēus, tusschen den Pamīsus en den Enipeus. V. a. =Onchestusno. 2.Onomacles,Ὀνομακλῆς, een van de atheensche strategen, die in 412 bij Milētus eene overwinning op de Peloponnesiërs behaalde.Onomacritus,Ὀνομάκριτος, Athener, tijdgenoot der Pisistratiden, een van de verzamelaars en bewerkers van de gedichten van Homerus. Hij verzamelde ook orakels van Musaeus en Orpheus, maar daar hij deze door interpolaties vervalschte, werd hij door Hipparchus verbannen. Hij verzoende zich echter later met de Pisistratiden, en werkte door zijne voorspellingen mede om Xerxes tot den oorlog tegen Griekenland te bewegen.Onomarchus,Ὀνόμαρχος, na den dood van Philomēlus (354) aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog. Hij plunderde den delphischen tempel, overwon Philippus van Macedonië tweemaal, en voerde den oorlog over het geheel met geluk, in 352 werd hij echter door Phillippus in Thessalië verslagen, bij welke gelegenheid hij sneuvelde.Onosander,Ὀνόσανδρος, platonisch wijsgeer omstreeks 60 na C., schrijver van eenige werken over krijgskunde.Onūphis,Ὄνουφις, stad in de Nijldelta, in het distrikt of den nomus Onuphītis.Onusa, stad aan de kust van Spanje, ten Noorden van Carthago Nova.Opellius Macrīnus(M.), zieMacrinus(M. Opellius).Ophelion,Ὠφελίων, 1) atheensch blijspeldichter, waarschijnlijk uit het middelste tijdperk der comedie.—2)grieksch schrijver over geneeskunde en natuurlijke historie.—3)zoon van Aristonidas, beeldhouwer omstreeks 160,van wien een beeld bewaard is gebleven. Ook een schilder van dien naam komt voor; misschien is dit dezelfde.Ophel(l)as,Ὀφέλ(λ)ας, generaal van Ptolemaeus Lagi, veroverde Cyrēne (322) en regeerde er eerst als stadhouder, later onafhankelijk. Hij verbond zich met Agathocles tot een oorlog tegen Carthago, maar werd spoedig daarop door zijn bondgenoot trouweloos vermoord (308).Opheltes,Ὀφέλτης, de eigenlijke naam van Archemorus (z. a.).Ophīon,Ὀφίων, 1) een van de oudste Titanen, die met zijne gemalin Eurynome nog vóór Cronus regeerde, doch door dezen verdreven en in den Tartarus of den Oceanus geworpen werd.—2)een van de Giganten.Ophis,Ὄφις, riviertje in Arcadia bij Mantinēa.Ophiūchus,Ὀφιοῦχος,Serpentarius, Anguifer,Anguitenens, een sterrenbeeld, voorstellend een man, die een slang bij den kop houdt, welke tusschen zijn beenen ligt. Men zag daarin Asclepius, Heracles, Carnabon, Triopas, Phorbas, Polyīdus of nog anderen.Ophiūsa,Ὀφιοῦσα= het slangeneiland, 1) eiland in de Propontis (zee van Marmara).—2)een der Pityūsae, ook Colubraria genoemd.—3)oude naam zoowel van Rhodus als van Cyprus; dichterlijkOphiusius= cyprisch.—4)oude naam van Tenus.Ophrynēum,Ὀφρύνειον, stadje in Troas aan den Hellespont, dicht bij Rhoetēum, met een aan Hector gewijd bosch.Opici,Ὀπικοί, ofOsci, oud-italisch volk. ZieItalia.Opiconsivia, -sīva, feest, ter eere van Ops Consīva den 25stenAugustus te Rome gevierd.Opilius(Aurelius), vrijgelatene, leeraar in wijsbegeerte, rhetorica en grammatica, omstreeks 90, eerst te Rome, later te Smyrna. Van zijne werken is niets overgebleven.Opimii, plebejisch geslacht. 1)L. Opimiusverwoestte als praetor in 125 de opgestane stad Fregellae. In 121 was hij consul en deed toen aan het hoofd der optimatenpartij den gewapenden aanval op C. Gracchus, waarbij deze met 3000 zijner aanhangers omkwam. In 120 werd hij hiervoor zonder succes aangeklaagd door P. Decius, en was hij censor; in 115 als gezant tot Jugurtha gezonden, liet hij zich door dezen omkoopen, waarvoor hij later veroordeeld werd en te Dyrrachium in armoede stierf. Het jaar 121 was een beroemd wijnjaar; vandaar dat men nog lang sprak vanvinum Opimianum.—2)Q. Opimiuswerd in 74 veroordeeld en door den praetor C. Verres van zijn geheele vermogen beroofd, omdat hij als volkstribuun de lex tribunicia van Sulla had overtreden.—3)M. Opimius, praef. equitumonder Pompeius (48), ontsnapte met enkelen in Macedonië aan gevangenneming door de soldaten van Cn. Domitius Calvīnus (Domitiino.15).Opis,Ὦπις, handelsstad aan de samenvloeiing van den Physcus en den Tigris.Opitergium, rom. kolonie in het land der Veneti, tusschen Verōna en Aquileia.Oppia (lex)sumptuaria, van den volkstribuun C. Oppius, in 215. Zij verbood den vrouwen o.a. meer dan een halveunciaaan gouden sieraden te hebben, of bonte gewaden te dragen, of binnen den omtrek eener stad in een rijtuig te rijden tenzij bij godsdienstige plechtigheden. In 195 werd zij afgeschaft.Oppiānus,Ὀππιανός, 1) uit Cilicië, tijdgenoot van M. Aurelius, dichter van een didactisch epos,Ἁλιευτικά, over het leven der visschen, vischvangst, enz., dat hij aan den keizer opdroeg, en dat bij dezen, evenals bij zijne andere tijdgenooten, buitengewoon grooten bijval vond. Hij stierf reeds op zijn 30stejaar.—2)uit Syrië, tijdgenoot van Caracalla, dichter van een dergelijk werk over de jacht,Κυνηγετικά.Oppidum Batavorum, z.Batavodurum.Oppii, plebejisch geslacht waarvan verscheidene leden vermeld worden. 1)Sp. Oppius Cornicen, een van de tien mannen van 450, die, volgens het verhaal, met App. Claudius Crassīnus zelfmoord pleegde.—2)Q. Oppius, proconsul van Asia, viel bij de verovering van Klein-Azië in handen van Mithradātes Eupator, en kreeg eerst door Sulla zijne vrijheid terug.—3)onder de vertrouwelingen van Caesar komt eenC. Oppiusvoor, die te Rome een tijd lang veel invloed had en zich later bij Octaviānus aansloot.—4)Oppius Sabīnus, legaat van Moesia onder keizer Domitiānus, werd door Decebalus verslagen, en sneuvelde (± 86 n. C.).Oppius (mons), een van de bergen van hetSeptimontium(zieRoma), gelegen in het Z. van de regio Esquilīna.Ops, rom. godin van vruchtbaarheid en overvloed, later gemalin van Saturnus. Oorspronkelijk is zij eene godin van den oogst, en hoort zij bij Consus, hetgeen uit den naam van haar feest, Opiconsivia, blijkt. Haar andere feest, deOpalia, werd op 19 December gevierd. Als godin der zaadvelden had zij den bijnaamConsīva. Zij werd later dikwijls verward met Fauna, Maia, Bona Dea of geïdentificeerd met Rhea Cybele of Demēter.Ὄψον,Opsonium, Obs-, toespijs, alles wat bij het brood genuttigd wordt, vleesch, kaas, vruchten, maar vooral visch, de voornaamste lekkernij der ouden, waaraan veel geld besteed werd.

Oanis,Ὤανις, riviertje op de Z.kust van Sicilia bij de stad Camarīna.

Oaracta,τὰ Ὀάρακτα, vruchtbaar eiland in de Perzische golf op de kust van Carmania.

Oarus,Ὄαρος, rivier ergens in Sarmatia, die volgens Herodotus in de Palus Maeōtis (zee v. Azow) zou vallen, O.waarts van den Tanaïs (Don). Bedoeld is deRha(Wolga).

Oaxus,Ὄαξος, stad midden op Creta, ookAxusgenoemd, aan de rivier Oaxes.

Ὠβή, z.Φυλή.

Obeliscus,ὀβελίσκος, hooge, vierhoekige zuil, die naar boven toe gelijkmatig dunner wordt en aan den top op eenmaal in eene pyramidale spits uitloopt. Oorspronkelijk behooren deze zuilen, in het Nederlandsch ook naalden genoemd, in Aegypte te huis, waar zij uit graniet, marmer of kalksteen in één stuk gehouwen werden. De hoogte wisselt van 50 tot 150 voet. Vele obelisken zijn met hiëroglyphen beschreven. Na de verovering van Aegypte door de Perzen schijnt het houwen van obelisken gestaakt te zijn; verscheidene er van zijn met groote kosten naar Rome en in de vorige eeuw zelfs naar Londen, Parijs en New-York overgebracht. In Aegypte stonden zij voor de tempelgebouwen. Bij eene obelisk behoort een vierkant voetstuk, rondom ongeveer een voet breeder dan het ondereind der naald.

Obelus,ὀβελός, een dwarsstreepje, waarmede de alexandrijnsche grammatici in hunne uitgaven van oude schrijvers onechte of verdachte plaatsen aanduidden.

Obligatio, de band tusschen twee personen of partijen, van wie de eencreditoris en eene vordering heeft, en de anderedebitoris en onder zekere verplichting ligt.Obligationes ex contractuontstaan uit eene op wettigen grondslag rustende overeenkomst,obligationes ex delictouit een wederrechtelijk vergrijp tegen de rechten van een ander, waarvoor deze dan vergoeding of voldoening kan vorderen. Verder kent het Romeinsche recht nogobligationes ex variis causarum figuris, waartoe o. a. hoort de aansprakelijkheid van den rechter, die een partijdig vonnis heeft geveld.

Obnuntiatio, mededeeling der augurs, dat de auspiciën ongunstig zijn. Zie de artikelsdivinatioenservare de coelo.

Ὀβολός, grieksche munt, vroeger van zilver, later van brons, het 6dedeel van een drachme.Ὀβ. νεκροῦ,z.Charon.

Obrima,Ὄβριμος, zijtak van den Maeander in Phrygia.

Ὀβριμοπάτρη, zij, wier vader machtig is, bijnaam van Athēna.

Obsequens(Iulius), schrijver van een werkje over wonderteekenen,prodigia, waarvan nog een gedeelte over is. Hij leefde waarschijnlijk in de 4deeeuw na C.

Obucola,Ὀβούκολα, stad in Baetica, ten O. van Hispalis (Sevilla).

Ocalēa,Ὠκάλεια, dochter van Mantineus, gemalin van Abas, moeder van Acrisius en Proetus.

Ocalea,Ὠκαλέη, riviertje en vlek in Boeotia ten W. van het meer Copāis.

Oceanides, -nīnae,Ὠκεανίδες, -νῖναι, -νίτιδες, 3000 dochters van Oceanus en Tethys, nimfen der zee.

Oceanus,Ὠκεανός, zoon van Uranus en Gaea, de oudste der Titanen, die zich aan het heerschende godengeslacht heeft onderworpen en door hen met liefde en zorg behandeld wordt, maar geen aandeel heeft aan de regeering der wereld, afgezonderd leeft en niet bij de vergaderingen der goden komt. Bij Tethys is hij de vader van de 3000 stroomgoden en 3000 Oceaniden. Hij is de god van den grooten stroom (Oceaan), volgens ouderen eene rivier, volgens lateren een zee, die aarde en zeeën insluit, waaruit alle wateren der aarde hun oorsprong hebben, en zon, maan en sterren oprijzen. Aan deze zijde van den Oceaan wonen de vrome Aethiopiërs en ligt het Elysium, aan gene zijde heerscht eeuwige duisternis en is de ingang naar het rijk van Hades.—In latere tijden onderscheidde men verschillende deelen van den Oceaan, bij voorkeur gaf men dien naam aan den Atlantischen Oceaan (Oc. Occidentalis), maar ook de Erythraeïsche, Hyperboreïsche, Aethiopische e. a. worden genoemd. Over het algemeen verbindt men aan het woord Oceanus het begrip van eb en vloed.

OccelusofOcellus Lucānus,ὌκκελοςofὌκελλος ὁ Λευκανός, pythagoreïsch wijsgeer uit onzekeren tijd; het hem toegeschreven werkπερὶ τῆς τοῦ παντὸς φύσεωςis waarschijnlijk eerst uit de 1eeeuw voor C.

Ocelum, stad der Graioceli in de Grajische Alpen.

Ocha, berg in het Z. van Euboea, bij de stad Carystus.

Ochus,Ὦχος, bijnaam van Artaxerxes III.

Ochus,Ὦχος, 1) linker zijrivier van den Oxus, tgw. Sangalak.—2)rivier in Hyrcania, die in de Caspische zee uitstroomt, tgw. Atrek.

Ocnus,Ὄκνος, zoon van Tiberis en Manto, stichter van Mantua. V. a. was hij een zoonof broeder van Aulētes, den stichter van Perusia, en had hij Felsīna, het latere Bononia, gesticht.

Ocriculum,Ὀκρίκολα, welvarend municipium in Umbria aan den Tiber en de via Flaminia, thans Otricoli.

Octavia (lex)frumentariater verhooging van den korenprijs en gedeeltelijke opheffing derlex Sempronia. ZieAnnonaenOctaviino. 5.

Octaviānus, zieIuliino. 14.

Octavii, rom. gesl., uit Velitrae afkomstig, dat reeds in den koningstijd naar Rome verhuisde. 1)Cn. Octavius, rom. vlootvoogd in den tweeden punischen oorlog (205 en 202). In 192 werd hij als gezant naar Griekenland gezonden, om Antiochus tegen te werken.—2)Cn. Octavius, zoon van no. 1, was in 168 rom. vlootvoogd tegen koning Perseus, die zich op Samothrāce aan hem moest overgeven. Van den buit bouwde hij deporticus Octaviate Rome. In 165 was hij consul; in 162 werd hij te Laodicēa vermoord, terwijl hij met een staatkundigen last in Azië vertoefde.—3)M. Octavius, in 133 volkstribuun met Ti. Gracchus, verzette zich tegen diens akkerwet en werd op diens voorstel door het volk afgezet. ZieSemproniino. 10.—4)Cn. Octavius, consul in 87, trachtte als hoofd der optimatenpartij Cinna te keer te gaan en verdreef hem zelfs uit Rome; toen echter Cinna Rome bestormde, werd Oct. vermoord.—5)M. Octavius, zoon van no. 4, bewerkte als volkstribuun eene inkrimping der korenwet van C. Gracchus, zieOctavia (lex) frumentaria.—6)L. Octavius, consul in 75.—7)M. Octaviuswas in den burgeroorlog vlootvoogd van Pompeius; hij verdreef Caesars legaat P. Cornelius Dolabella uit Illyria en nam C. Antonius gevangen (49). Later belegerde hij tevergeefs A. Gabinius te Salona. Na den slag bij Pharsālus wordt hij door een gedeelte zijner manschappen verlaten, hij lijdt een nederlaag tegen P. Vatinius, en vlucht met de rest van zijn vloot.—8)C. Octavius, geroemd om zijn goedheid en braafheid, praetor in 61, vernietigde in 60 het overschot van Catilina’s benden en bestuurde daarna met grooten lof Macedonia, waar hij tegen de Thraciërs streed (60/59). Hij was de vader van keizer Augustus. Hij stierf in het begin van 58 te Nola.—9)C. Octavius, zoon van no. 8, geb. in 63, was vier jaar oud, toen zijn vader te Nola overleed. Hij was de latere keizer Augustus. ZieIuliino. 14.—10)Octavia, dochter van no. 8, eerst gehuwd met C. Claudius Marcellus en daarna (40) met M. Antonius, den drieman, won aller harten door haar edel en zacht karakter. Zij droeg er veel toe bij om eene uitbarsting tusschen haar man en haar broeder Octaviānus te voorkomen. Doch Antonius, naar het Oosten vertrokken, verwaarloosde haar, zooals hij te voren Fulvia had gedaan, en liet zich in 32 van haarscheiden. Zij stierf in 11, diep betreurd als een toonbeeld van eene rom. vrouw en moeder. Zij liet deporticus Octaviaebouwen, waarvan nog enkele brokstukken over zijn. Daar zij nog een oudere zuster had, wordt zij ook welminorbijgenaamd. Haar zoon, de in 23 gestorven M. Marcellus (Claudiino. 37), om wien zij tot haar dood gerouwd heeft, was de eerste man van Augustus’ dochter Julia.—11)Octavia, dochter van keizer Claudius uit diens derde huwelijk met Valeria Messalīna, huwde in 53 na C. met keizer Nero. Hare strenge zeden konden hem echter niet behagen. Ze werd eerst door Nero verstooten, daarna verbannen naar Pandataria en vermoord (62). Zij was zeer geliefd bij het volk, en na Nero’s dood leverde zij de stof voor een tragedieOctavia, die onder de geschriften van Seneca bewaard gebleven is.

Octodūrus, tgw. Martigny, stad der Veragri, in het tegenw. kanton Wallis.

Octogēsa, stad der Ilergetes aan den Ibērus in Hispania.

Ocypete,Ὠκυπέτη, een van de Harpyiën.

Ocyrhoe,Ὠκυρόη, dochter van Chiron en Chariclo, eene wijze profetes; zij werd in een paard veranderd.

Odenāthus,Ὠδέναθος, aanzienlijk burger van Palmȳra, die zich in het zoogenaamde tijdperk der 30 tyrannen tot vorst verhief (261 na C.), den perzischen koning Sapōres uit Syrië verjoeg, en door den rom. keizer Galliēnus als mederegent erkend werd. In 267 werd hij door een bloedverwant omgebracht. Zijne weduwe, de schoone en begaafde Zenobia nam nu als beheerscheres van het Oosten de teugels van het bewind in handen.

Odessus,Ὀδησσός, milesische kolonie in Thracia aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee), thans Varna.

Odēum,ᾠδεῖον, gebouw voor muzikale wedstrijden, gebouwd op de wijze van een theater, doch van een dak voorzien. Pericles liet het eerste odeum te Athene bouwen. Bij het beleg der stad door Sulla in 86 brandde het af, doch werd op kosten van den cappadocischen koning Ariobarzanes, Philoromaeus bijgenaamd, weder opgebouwd. Herōdes Atticus gaf aan Athene een tweede odeum ten geschenke, het prachtigste der oude wereld; het kon 8000 personen bevatten. Ook te Corinthus bouwde Herodes er een. Na dat van Athene was het odeum van Patrae het prachtigste. Het eerste odeum te Rome was dat van Domitiānus.

Odoācer, een Rugiër, die bij een opstand der rom. huurtroepen zich aan hun hoofd stelde, den laatsten keizer van het westrom. rijk, Romulus Augustulus, afzette, en een koninkrijk Italië stichtte, 476 na C. In 493 werd hij ten val gebracht door Theodorik, koning der Oostgothen.

Odomanti, thracische volksstam aan den mons Orbēlus, tusschen den Strymon en den Nestus.

Odrysae,Ὀδρύσαι, het machtigste volk van Thracia, uitstekende ruiters met voortreffelijke paarden. Hun grootste macht bereikten zij onder de achtereenvolgende koningen Teres, Sitalces, met wien de Atheners in 431 een verbond tegen Perdiccas van Macedonië sloten, en Seuthes I. Diens neef Seuthes II riep de hulp in der 10000 Grieken,die met Xenophon huiswaarts keerden. Twisten over de opvolging brachten den staat later wel in een zekere afhankelijkheid van Macedonië, maar toch bleef hij zelfstandig bestaan, ook nog onder de Rom., tot hij eindelijk in 46 n. C. onder den naam Thracia bij het rijk werd ingelijfd.

Odysseus,Ὀδυσσεύς,Ulixes, zoon van Laërtes of Sisyphus en Anticlēa, koning van Ithaca, Same en Zacynthus. Ook hij had naar de hand van Helena gedongen, en toen aan Tyndareos een goeden raad gegeven (z.Helena), uit dankbaarheid daarvoor was deze zijn voorspraak bij Icarius, toen hij diens dochter Penelope tot vrouw begeerde. Toen de trojaansche oorlog uitbrak, was O. verplicht mede op te trekken; v.s. had hij door geveinsde krankzinnigheid getracht zich aan die verplichting te onttrekken, maar was deze list door Palamēdes (z.a.) ontdekt. Hij ging dus met 12 schepen naar Troje en toonde zich daar een dapper en volhardend krijgsman, maar vooral onderscheidde hij zich door schranderheid, tegenwoordigheid van geest en welsprekendheid. Daarom werd hij vooral gaarne gebruikt, waar deze eigenschappen te pas komen, als onderhandelaar of verspieder, en luistert men met aandacht naar zijn raad. Vóór het begin van den oorlog werd hij naar Troje gezonden om Helena terug te eischen, hij weet Achilles (z.a.) op te sporen, als deze zich op Scyrus verborgen houdt, bij den strijd om de wapenen van Achilles behaalt hij de overwinning op den grooten Aiax, en het houten paard, waardoor eindelijk Troje genomen werd, was van zijne vinding. Maar bovenal is hij beroemd door vele gevaren en avonturen, die zijne terugreis bemoeilijkten en die het onderwerp uitmaken van de Odyssēa van Homērus. Tien jaar lang zwierf hij over de zee en door verre landen, eer hij zijn vaderland weder bereikte. Reeds was hij tot kaap Malea gekomen, toen een storm hem naar het land der Lotophagen dreef, waar sommige van zijn makkers zoo door den smaak van de zoete lotusvrucht bekoord werden, dat zij met geweld naar de schepen teruggedreven moesten worden. Daarna landde hij bij de Cyclopen, hier beroofde hij den woesten menscheneter Polyphēmus (z.a.) van het gezicht, waarom hij sedert voortdurend door den toorn van Poseidon vervolgd werd. Op het eiland van Aeolus werd hij goed ontvangen, en bij zijn vertrek kreeg hij een zak mede, waarin alle winden opgesloten waren behalve de Westenwind, zoodat de vaart zeer voorspoedig was, maar in het gezicht van Ithaca openden sommige schepelingen den zak, de winden ontsnapten en een geweldige storm dreef het schip weder naar het eiland van Aeolus terug. Vervolgens kwam hij bij de Laestrygonen (z.Antiphates) en bij Circe (z.a.), op wier raad hij over den Oceaan zeilt en in het voorportaal der onderwereld de schim van Tiresias over zijne verdere lotgevallen ondervraagt. Langs het eiland der Sirenen, tusschen Scylla en Charybdis doorzeilend, komt hij op Thrinacia, waar zijne tochtgenooten, door denuiterstenhonger gedreven, zich in weerwil van zijne dringende vermaningen aan de kudden van Helius vergrijpen. Deze beklaagt zich bij Zeus, die het schip van O., zoodra het weder in zee is, door een bliksemstraal verbrijzelt en alle schepelingen doet omkomen, behalve O. zelf, die op een plank naar het eiland Ogygia drijft. Daar wordt hij ontvangen door Calypso (z.a.), en zeven jaar blijft hij, hoewel door heimwee verteerd, bij haar; als zij hem eindelijk op uitdrukkelijk bevel der goden laat gaan, vaart hij 18 dagen lang gelukkig op een door hem zelf vervaardigd vlot; daarna merkt Poseidon hem op, en in een vreeselijken storm wordt het vlot verbrijzeld, maar door de hulp van Ino Leucothea komt hij, met verlies van alles, zelfs van zijne kleederen, op het eiland Scheria. Van uitputting valt hij in slaap, en zoo wordt hij gevonden door Nausicaa, die hem naar het hof van haar vader Alcinous, koning der Phaeaciërs, brengt. Nadat hij hier eenige dagen eene gastvrije ontvangst had genoten, zich bekend gemaakt en zijne lotgevallen verhaald had, wordt hij eindelijk, met geschenken overladen, naar zijn vaderland teruggebracht. Daar verneemt hij dat zijne moeder van verdriet over zijne lange afwezigheid gestorven is, dat zijn vader zich uit de stad teruggetrokken heeft, dat sedert drie jaar meer dan 100 edele jongelieden naar de hand van Penelope dingen, en in afwachting van hare beslissing in zijn huis brassen en zwelgen en zijn vermogen verteren, en eindelijk dat Telemachus, die in den laatsten tijd begonnen is zich krachtiger tegen hen te verzetten, nauwelijks voor hunne lagen veilig is. Door Athēna, zijne trouwe beschermster, als oude bedelaar vermomd, maakt hij zich voorloopig alleen aan zijn zoon bekend, dan gaat hij naar zijn huis en komt er juist wanneer Penelope, die nog steeds op de terugkomst van haar gemaal hopend, tot nu toe aan hare vrijers geen beslissend antwoord gegeven heeft, zich eindelijk gedwongen ziet eene keuze te doen. Zij verklaart dat zij hem tot echtgenoot zal nemen, die den boog van O. kan spannen, en als niemand daartoe in staat is, vraagt O. zelf, nog steeds als bedelaar vermomd, of hij het beproeven mag; zij stemt toe, en zoodra hij den boog in handen heeft, doodt hij met de hulp van Telemachus en eenige getrouwe dienaars al de overmoedige vrijers. Daarna maakt hij zich bekend, terwijl Athēna een oproer stilt, dat door den moord der vrijers dreigde te ontstaan.—Over zijne verdere lotgevallen zijn de berichten verschillend. V.s. doodde hem zijn eigen zoon Telegonus (z.a.), zonder hem te kennen, v.a. was hij naar Italië gegaan en had daar verscheiden steden gesticht.

Oea,Οἴα, 1) vlek op het eilandThera.—2)stad op de kust van Africa, tusschen de beide Syrten.

Oeager,Οἴαγρος, koning van Thracië, v.s. vader van Orpheus en Linus. VandaarOeagrius= thracisch.

Oeagrides,Οἰαγρίδες, de Muzen, als zusters, van Orpheus, den zoon van Oeager.

Oeanthe,-ēa,Οἰάνθη, Οἰάνθεια, stad der Locri Ozolae aan de westkust van de golf van Crisa.

Oeax,Οἴαξ, zoon van Nauplius no. 2.

Oebalia, de burcht van Tarentum. ZieOebalus.

Oebalides,Οἰβαλίδης, Hyacinthus of de Dioscuren (Oebalii fratres), afstammelingen van Oebalus. Soms alg. = Spartaan.

Oebalus,Οἴβαλος, 1) zoon van Cynortas of Periēres, koning van Sparta, vader van Tyndareos. Naar hem wordt HelenaOebalia pellexen TarentumOebalia arxgenoemd.—2)zoon van Telon, verliet het eil. Capreae, waar zijn vader over de Teleboërs regeerde, en vestigde een nieuw rijk in Campanië.

Oechalia,Οἰχαλία, naam van verschillende steden, als: 1) in Thessalia aan den Penēus, tusschen Tricca en Pelinna, de zetel van den door Heracles gedooden Eurȳtus.—2)in het N. van Messenia.—3)in Trachis.—4)nabij Eretria op Euboea.—5)in Aetolia.

Oeclides,Οἰκλείδης, zoon van Oecleus, Amphiarāus.

Oecus, eene zaal in een rom. huis, zonder lichtopening in de zoldering. Het licht moest dus door vensters naar binnen vallen of het vertrek moest op een peristylium of veranda uitkomen. Ze diende als pronkzaal (z.domus) of alstriclinium.

Oedipus,Οἰδίπους, Οἰδιπόδης, zoon van Laius en Iocaste. Wegens een onheilspellend orakel (z.Laius) gaf zijn vader hem kort na zijne geboorte aan een herder, met bevel het kind op den Cithaeron te dooden. Door medelijden bewogen, volbracht de herder dien last echter niet, maar gaf het kind aan een anderen herder, die het medenam naar Corinthe en het aan zijn heer, den kinderloozen koning Polybus, gaf. O. groeide op in de meening dat hij een zoon van Polybus was, maar toen hij volwassen was geworden, werd hem eens bij een feest toegevoegd, dat hij zich voor een ondergeschoven kind wat al te trotsch gedroeg. Deze woorden griefden hem, en daar hij op zijne vragen om inlichtingen van iedereen ontwijkende antwoorden kreeg, besloot hij het delphische orakel over zijne afkomst te gaan ondervragen. Ook hier kreeg hij echter op deze vraag geen antwoord, maar de Pythia herhaalde tot hem, wat eens tot Laius gezegd was: dat hij zijn vader zou dooden, met zijne moeder zou trouwen en met haar een geslacht zou verwekken, dat goden en menschen tot gruwel zou zijn. In de onzekerheid, of hij niet misschien toch een zoon van Polybus en diens echtgenoote was, besloot hij in ieder geval niet naar Corinthe terug te keeren, en onverschillig waarheen hij zich begeven zoude, sloeg hij den weg naar Thebe in. Op een smallen bergweg kwam hem een reiziger te gemoet, die op een wagen gezeten was en door eenige dienaars begeleid werd; wijken was moeielijk, er ontstond een twist, waarbij O. den reiziger en zijn geheel gezelschap doodde, behalve één man die ontvluchtte. Daarna kwam hij in Thebe aan en vond het land in de grootste verwarring: de koning was kort te voren op reis aangevallen en gedood, en bovendien werd het land geteisterd door de Sphinx (z. a.), die reeds talrijke slachtoffers gemaakt had. In deze omstandigheden nam Creon, de broeder der koningin, voorloopig de regeering in handen en maakte bekend, dat hij, die het land van de Sphinx zou verlossen, met de hand van Iocaste en de koninklijke waardigheid zou beloond worden. O. lost het raadsel van deSphinxop en wordt zoo koning van Thebe, maar tevens huwt hij, zooals het orakel voorspeld had, met zijne moeder; dat hij de moordenaar van Laius is, kan hij niet vermoeden, want de eenige man, die het bericht van diens dood in de stad gebracht heeft, beweert dat hij door een rooverbende den dood gevonden heeft; op deze wijze wil hij het n.l. doen voorkomen, dat hijzelf niet uit lafheid, maar voor de overmacht gevlucht is. Lang regeert O. gelukkig en tot heil van het land, bij Iocaste krijgt hij vier kinderen: Eteocles, Polynīces, Antigone en Ismēne. Na vele jaren wordt het land echter door een verschrikkelijke pest bezocht, en in den hoogsten nood zendt O. zijn zwager Creon naar Delphi, ten einde Apollo om raad te vragen. Het antwoord luidt dat de toorn der goden op het land zal blijven drukken, totdat de moordenaar van Laius verbannen of ter dood gebracht zal zijn. Vol ijver begint O. zijne nasporingen om hem te vinden, maar niemand kan hem inlichtingen geven dan de man, die bij den moord tegenwoordig is geweest, toevallig dezelfde die hem als kind op bevel van Laius had moeten dooden. Terwijl deze man ondervraagd wordt, komt een bode uit Corinthe den dood van Polybus berichten, deze bode is dezelfde, die O. als kind van den anderen herder had overgenomen en naar Corinthe gebracht, en door de elkander aanvullende verklaringen van deze twee personen ontdekt O. eindelijk, hoe de oude orakels vervuld zijn. Hij steekt zich in wanhoop de oogen uit, terwijl Iocaste zich ophangt. Ofschoon hij in het begin gewenscht had, volgens het bevel der goden, uit het land verbannen te worden, weet Creon hem tot bedaren te brengen, en zoolang deze regeert, blijft O. inderdaad te Thebe. Toen echter zijne beide zonen volwassen waren geworden, behandelden zij hun vader met minachting, en spoedig dwongen zij hem het land te verlaten. O. vloekt zijne zonen en terwijl zij zich alleen om de bevrediging hunner heerschzucht bekommeren, begint hij, oud en blind, een zwervend leven, waarbij hem zijne dochter Antigone trouw vergezelt en ook Ismēne hem nu en dan diensten bewijst. Wel verklaarde een later orakel, dat het land, waar het graf van O. zich zou bevinden, groot en bloeiend zou worden en door Thebe niet te overwinnen zou zijn, en trachtten daarom Creon en Polynīces hem te bewegen naar zijn vaderland terug te komen, maar O., die intusschen bij Theseus in Attica vriendelijk opgenomen is, wil hiervan niets weten. Met de goden verzoend, eindigt hij zijn leven zacht in het woud der Eumeniden op den heuvel Colōnus bij Athene, zijngraf is alleen aan de koningen van Attica bekend en is een onderpand van heil voor hun land.—Volgens de oudste verhalen was de naam van zijne moeder Epicaste, en regeert hij na de ontdekking zijner gruweldaden, hoewel door de Erinyen gekweld, tot het einde van zijn leven over Thebe. Nadat Epicaste zich opgehangen had, nam hij Euryganēa tot vrouw, en deze was de moeder zijner vier kinderen. Later zoude hij haar verstooten en Astymedūsa tot vrouw genomen hebben.

Oenēis,Οἰνηίς, eene van de 10 phylen, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Oeneon,Οἰνεών, havenstad der Locri Ozolae.

Oeneus,Οἰνεύς, zoon van Portheus of Porthāon, koning van Calydon en Pleuron, de eerste die den wijnbouw in Aetolië invoerde, waartoe Dionȳsus hem zelf den eersten wijnstok gaf. In zijn tijd had de calydonische jacht plaats. De zonen van zijn broeder Agrius zetten hem gevangen en gaven de regeering aan hun vader, Diomēdes doodt echter na zijne terugkomst van Troje Agrius met de meeste van diens zonen en geeft de regeering aan zijn grootvader terug, die haar echter aan zijn schoonzoon Andraemon afstaat.—Op eene reis in de Peloponnēsus werd hij door de in leven gebleven zonen van Agrius gedood. Diomēdes begroef hem in Argos, op de plaats die naar hem Oenoë genoemd werd.

Oeniadae,Οἰνιάδαι, oude kustst. van Acarnania aan den mond van den Achelōus, die ze in den winter onder water zette. De burcht, Nasus,Νῆσος(z. a.), lag op een eilandje in een meertje.

Oenīdes,Οἰνείδης, Meleager en Diomēdes, zoon en kleinzoon van Oeneus.

Oenoanda,Οἰνόανδα, stad in Cabalia, op de grenzen van Lycia.

Oenoë,Οἰνόη, 1) attische demus bij Eleutherae, tot de hippothoönsche phyle behoorende, grensvesting tegen Boeotia.—2)attische demus der phyle Aeantis, bij Marathon.—3)corinthische sterkte aan de golf van Corinthus.—4)vlek in Argolis, ten W. van Argos.—5)stadje in Elis aan den Ladon, oudtijds Ephyra geheeten.

Oenomaüs,Οἰνόμαος, zoon van Ares, koning van Pisa. Daar hem voorspeld was, dat hij zou sterven wanneer zijne schoone dochter Hippodamēa trouwde, maakte hij bekend, dat hij hare hand slechts aan dengene zou geven, die hem in den wedren overwon. Daar hij van Poseidon paarden gekregen had, die alle andere in snelheid overtroffen, was hij zeker dat deze voorwaarde niet vervuld konde worden. Reeds velen, die om Hippodamea aanzoek gedaan hadden, waren op deze wijze door O. overwonnen en gedood, totdat Pelops den wagenmenner van O., Myrtilus, omkocht om zwarte was in plaats van pinnen in de assen van den wagen van zijn heer te steken, daardoor viel de wagen van O. om, hij werd door zijne paarden voortgesleept en kwam jammerlijk om.—V. a. overwon Pelops hem niet door verraad, maar door de hulp van Poseidon, die hem paarden geschonken had, nog vlugger dan die van O.

Oenōne,Οἰνώνη, 1) oude naam van Aegīna.—2)dochter van den riviergod Cebren, gemalin van Paris, bij wien zij een zoon had, Corythus (z. a.). Toen Paris doodelijk gewond was, liet hij zich hij haar brengen, daar zij hem konde genezen, maar vertoornd over zijne ontrouw, weigerde zij. Maar toen hij gestorven was, wierp zij zich van smart op den brandstapel, waarop zijn lijk lag, en verbrandde zij met hem.

Oenophyta,τὰ Οἰνόφυτα, vlek in Boeotia aan den Asopus, waar de Atheners in 456 de Boeotiërs versloegen.

Oenopia,Οἰνοπία, oude naam van het eil. Aegīna.

Oenopion,Οἰνοπίων, zoon van Dionȳsus of Rhadamanthys en Ariadne, die van Creta naar Chius verhuisde en daar den wijnbouw invoerde, z.Orīon.

Oenotria,Οἰνωτρία= wijnland, oude naam voor Lucania en Bruttii, en dichterlijk voor geheel Italia. De Oenotri zijn de oudste bewoners dezer streken; ze werden door de Grieken, die zich aan hun kusten vestigden, onderworpen. Een gedeelte der Oenotri vindt men nog later op Sicilia, zieMorgantium. Zie ookOenōtrus.

Oenotropi, -pae,Οἰνότροποι, dochters van Anius, die van Dionȳsus het vermogen hadden gekregen om alles wat zij wilden in wijn, v. a. in wijn, koren en olie, te veranderen. Haar vader konde door deze gave het grieksche leger voor Troje negen jaar lang van het noodige voorzien. Later trachtte Agamemnon de meisjes met geweld naar Troje te brengen, doch Dionȳsus veranderde ze in duiven.

Oenōtrus,Οἴνωτρος, jongste zoon van Lycāon, verhuisde uit Arcadië naar Italië, waarvan een deel naar hem Oenotria genoemd werd.

Oenus,Οἰνοῦς, rivier in Laconica, die boven Sparta in den Eurōtas valt.

Oenussae,Οἰνοῦσσαι, 1) vijftal eilandjes tusschen Chius en de aziatische kust (het Mimasgebergte).—2)eilandengroep ten Z. van Messenia.

Oeōnus,Οἰωνός, zoon van Licymnius, bondgenoot van Heracles in den oorlog tegen Augīas, eerste overwinnaar in den wedloop bij de olympische spelen. In Sparta werd hij door de zonen van Hippocoön gedood, later werd er een gedenkteeken voor hem opgericht.

Oëroë,ὨερόαofὨερόη, riviertje en eilandje bij Plataeae in Boeotia.

Oesȳme,Οἰσύμη, thasische kolonie op de thracische kust, tusschen den Nestus en den Strymon.

Oeta,Οἴτη, zijtak van het Pindusgeb., die zich ten Z. van Thessalia tot bij de Malische golf uitbreidt en waarvan de Callidromus met den pas der Thermopylae en de Cnemis eene voortzetting zijn. Het is een woest gebergte, bijna 6000 voet hoog. Op den Oeta liet Heracles zich verbranden.

Oetaei,Οἰταῖοι, thessalische volksstam aan het Oetagebergte, ten W. van Doris en Malis.

Oetylus,Οἴτυλος, havenstad in Laconica aan de Messenische golf met een tempel van Serāpis.

Ofella, familienaam in degens Lucretia, (Lucretiino. 4).

Ofilii.A. Ofilius, een bekwaam rechtsgeleerde, tijdgenoot van Cicero en vriend van Caesar. Een andere Ofilius komt voor in den oorlog van Octaviānus tegen S. Pompeius.

Ogulnia(lex) van de volkstribunen Q. en Cn. Ogulnius (300), dat er in plaats van 6 patricische pontifices en 6 (v. a. 5) patr. augurs 9 pontifices en 9 augurs zouden gekozen worden, en dat hiervan 5 plaatsen door plebejers moesten bezet worden. Hieruit blijkt duidelijk, dat reeds in 300 de aanzienlijke plebejers de macht in handen hadden.

Ogulnii.Van deze familie zijn slechts twee broeders bekend; zieOgulnia lex. Als aedilen lieten zij in 296 van de boeten, aan woekeraars opgelegd, bronzen beelden tot versiering van Rome gieten, o.a. van Romulus en Remus, door de wolvin gezoogd. Zie hieromtrentRumina. Q. Ogulnius was een dergenen, die in 293 naar Epidaurus werden gezonden, zieAesculapius.

Ogygia,Ὠγυγία, 1) het eiland van Calypso, de navel der zee genoemd, waarmede waarschijnlijk bedoeld wordt, dat het zoo ver mogelijk van ieder vastland verwijderd was.—2)oude naam van Thebe.

Ogyges, Ogygus,Ὠγύγης, Ὤγυγος, een attische of boeotische koning uit zeer ouden tijd, onder wiens regeering het land door een groote overstrooming geteisterd werd. Een van de poorten van Thebae heette de Ogygische, ook een woud en heuvel in de nabijheid van de stad droegen dien naam.—Ook worden Ogygische nimfen genoemd, die voor dezelfde gehouden worden als de Erinyen.

Oīcles, -cleus,Ὀικλῆς, -κλεύς, kleinzoon van Melampus, vader van Amphiarāus. Hij vergezelde Heracles op diens tocht tegen Laomedon en sneuvelde daarbij. V.a. zoude hij echter behouden van Troje teruggekomen zijn en sedert in Arcadië gewoond hebben.

Oiclīdes,Ὀικλείδης, Amphiarāus, zoon van Oicles.

Plattegrond van een Grieks huis.

Οἰκία, Οἶκος, huis. Hoewel de inrichting van de huizen bij de Grieken, evenals overal, naar de beschikbare ruimte en de behoeften der bewoners verschillend geweest moet zijn, kan men zich toch, gebruik makende van de mededeelingen van oude schrijvers, zeer in het algemeen een denkbeeld vormen van hun aanleg. Eigenaardig is aan de grieksche huizen ten eerste, dat een betrekkelijk groot deel van de door muren ingesloten ruimte onoverdekt blijft, ten tweede, dat de vertrekken verdeeld zijn in een afdeeling voor mannen, waar ook vreemden ontvangen, gastmalen gegeven worden, enz., en eene afdeeling voor vrouwen, waar geen vreemde komt en de eigenlijke zetel van het huiselijke leven is. In de huizen, of liever paleizen, die Homerus beschrijft, komt men van de straat door een met dubbele deuren gesloten gang (πρόθυρον) op een open plaats (αὐλή), omgeven door vertrekken voor slaven, stallen en dgl. Aan beide zijden van de voordeur was eene zuilengalerij (αἴθουσα αὐλῆς) en aan de overzijde eene dergelijke, maar doorloopende en waarschijnlijk ruimere, galerij (αἴθουσα δώματος), waarachter het eigenlijke woonhuis (δῶμα, δόμος; deαὐλήmet de galerijen, enz., heeten met elkanderπρόδομος) lag. Achter deze galerij ligt het mannenvertrek (μέγαρον), vanwaar een kleine gang (πρόθυρον) naar de overige vertrekken (θάλαμοι) van het huis geleidt; onder deze is een het gewone verblijf van de huisvrouw met hare slavinnen, terwijl de verdere ruimte en, waar deze niet voldoende is, ook een bovenverdieping (ὑπερῷον) slaapkamers, voorraadkamers, enz., bevat. Van de voorgalerij loopt verder een gang langs de geheele diepte van het huis, waarop de verschillende aan die zijde gelegen vertrekken een uitgang hebben.—Van een atheensch huis uit den hellenistischen tijd kan het plan op deze bladzijde eene voorstelling geven. Daarop isade voordeur (αὔλειος θύρα),been gang (θυρών, πυλών, θυρωρεῖον), met een portierswoning aan de eene en een stal aan de andere zijde,cde open plaats (αὐλή) der mannenafdeeling (ἀνδρωνῖτις), aan alle vier zijden door zuilengangen omgeven (vandaar ookπεριστύλιον), rondom welke de mannenvertrekken (ἀνδρῶνες, οἶκοι, 1–9) gelegen zijn. Uit dezeαὐλή, leidt een gangd(μέσαυλος, μέταυλοςz.a.) naar deαὐλή, e, van het vrouwenverblijf (γυναικεῖον, γυναικωνῖτις, dezeαὐλήheeft slechts aan drie zijden zuilengangen, terwijl aan de vierde zijde in het midden een vertrekfligt, dat naar deαὐλήgeheel open is, waarschijnlijk de eigenlijke huiskamer (παραστάς, προστάς); naast dit vertrek zijn twee slaapkamers (θάλαμοςenἀμφιθάλαμος,g); aan de andere zijden van deαὐλήzijn verschillende andere vrouwenvertrekken, geheel achter in het huis zijn vertrekkenh, waar de vrouwen arbeiden, en door de achterdeuri(κηπαία θύρα) komt men in den tuin of op straat.—Het behoeft niet gezegd te worden dat dit plan, dat geheel en al berust op soms niet volkomen duidelijke aanwijzingen bij oude schrijvers, in de werkelijkheid vele en belangrijke wijzigingen konde en moest ondergaan,—al ware het slechts omdat daarbij op eene ruimte gerekend is, die soms onvoldoende, maar zeer dikwijls ook niet noodig en niet beschikbaar moet geweestzijn. In vele gevallen wordt melding gemaakt van een bovenverdieping, die in groote huizen alleen gediend kan hebben als verblijf voor slaven, bergplaats, enz., maar waarheen in kleinere het geheele vrouwenverblijf verplaatst is, zoodat dit in het geheel geen afzonderlijkeαὐλήhad. Zeer groote afwijkingen toont bovenstaand plan van de overblijfsels van een particuliere woning, op Delus gevonden, waarvan de indeeling volstrekt niet met die van bl. 437 te vergelijken is, alleen is inBde gang te herkennen, terwijlCde open plaats geweest moet zijn, die klein en smal is en geene sporen van zuilen meer vertoont, bijFwas een waterput, de bestemming van de overige ruimten is niet nader te bepalen. Dat dit echter geen armoedig huis geweest is, mag men uit den smaakvol met ionische zuilen versierden voorgevel veilig besluiten.

Plattegrond van een Grieks huis.

Οἰκουμένη(γῆ), eigenlijk het bewoonde gedeelte van de aarde; men veronderstelde, dat de keerkringen wegens de hitte onbewoonbaar waren. In engeren zin beteekentοἰκ.het aan de Grieken, later aan de Romeinen bekende of door hen beheerschte gedeelte der aarde,orbis Romanus, orbis terrarum antiquis notus.

Oīleus,Ὀιλεύς, koning der Locriërs, een van de Argonauten, bij Eriōpis vader van Aiax, bij Rhene van Medon.

Οἰωνοπόλοι, Οἰωνισται, waarzeggers, die de toekomst voorspellen uit wonderteekenen (τέρατα), voornamelijk uit het verschijnen van vogels, de omstandigheden, waarin deze zich vertoonen, de richting, waarin zij vliegen, enz.

Olba,Ὂλβη, stad in het binnenland van Cilicia Trachēa, ten N. van Soli, in den hellenistischen tijd zetel van het priestergeslacht der Teucriden; hier vond men den tempel van Zeus Olbios,Ζεὺς Ὄλβιος, waarvan nog vele overblijfselen bewaard gebleven zijn.

Olbia,Ὀλβία, 1) stad op de Oostkust van Sardinia, de meest gewone landingsplaats der Rom.—2)kuststad in Gallia Narbonensis, door Massilia (Marseille) gesticht. Tgw. Eoubes.—3)vesting in Pamphylia, in den hoek der Pamphylische golf.—4)stad in Bithynia, ook Astacus genoemd, z. a.—5)stad in Scythia, ook Borysthenis geheeten, aan de monden van den Borysthenes (Dniepr) en den Hypanis (Bug).

Olcades,Ὀλκάδες, kleine volksstam in Hispania, in het gebied der Oretani, aan den bovenloop van den Anas (Guadiana).

Olcinium, illyrische zeestad, ten W. van Scodra, thans Dulcigno. In den oorlog tegen Gentius (168) schaarde zij zich aan de zijde der Romeinen.

Olearas=Oliarus.

Olen,Ὠλήν, mythisch dichter, uit Lycië of uit het land der Hyperboreërs afkomstig, de eerste die op Delus orakels van Apollo verkondigde, uitvinder van de epische versmaat. Op Delus werden oude hymnen van hem bewaard, waarvan de inhoud voor zeer belangrijk gehouden werd.

Olennius, primipilaris, d.i. eerste centurio bij de pilāni of triarii, onder keizer Tiberius, in 28 na C. naar de Friezen gezonden om de schatting van runderhuiden te innen, bracht hen tot opstand door zijne hebzucht. Hij eischte huiden van oerossen of wilde stieren, die bijna uitgeroeid waren, en daar de Friezen geene zoo groote huiden konden leveren, werd hierdoor eene bron van afpersingen geopend.

Olenus,Ὤλενος, bewoner van den Ida, wiens gemalin Lethaea zich beroemde schooner te zijn dan alle godinnen; voor dezen overmoed werden beiden in steenen veranderd.

Olenus,Ὤλενος, 1) eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de golf van Patrae (Patras).—2)oude stad in Aetolia, ten W. van den Aracynthus, zetel van Oeneus, door de Aetoliërs verwoest.—DichterlijkOlenius= achaeisch of aetolisch,Olenia capella= de geit Amalthēa.

Oliarus,Ὠλιαρός, eil. van de groep der Cycladen, ten W. van Parus, thans Antiparo. De beroemde grot wordt bij de ouden niet vermeld en schijnt hun dus niet bekend te zijn geweest.

Oligyrtus,Ὀλίγυρτος, bergvesting in N.O. Arcadia, ten Z. van Stymphālus.

Olisīpo,Ὀλισίπων, stad in Lusitania, thans Lissabon, zieJuniino. 4.

Olīzon,Ὀλιζών, stad in het Z. van het thessalische landschap Magnesia, tegenover het eil. Euboea.

Ollius(T.), de vader der schoone, maar beruchte Poppaea Sabina, Nero’s tweede vrouw. Ollius was een vriend van Seiānus en werd in diens val medegesleept. Zijne dochter droeg niet den naam van haar eigen vader, maar van haar moeders vader.

Ollius, thans Oglio, rechterzijtak van den Padus (Po), die in zijn loop den lacus Sebīnus (lago d’Isea) vormt.

Oloösson,Ὀλοοσσών, stad der Perrhaebi in het N. van Thessalia.

Olophyxus,Ὀλόφυξος, stad aan den berg Athos met eene gemengde bevolking van Thraciërs, Pelasgen en Grieken (Chalcidiërs).

Olpae,Ὄλπαι, Ὄλπη, sterkte in Acarnania, op een heuvel aan de Oostkust der Ambracische golf gelegen.

Oltis, rechter zijtak van den Garumna.

Olūrus,Ὄλουρος, 1) vesting in Achaia bij Pallēne op de sicyonische grenzen.—2)ook Olūris en Dorium geheeten, stad in het N. van Messenia.

Olympia,ἡ Ὀλυμπία, was niet zoozeer eene stad, als wel eene verzameling van tempels met de noodige worstelperken, loop- en renbanen voor de spelen, alles in een liefelijk oord ten N. van de rivier Alphēus en ten O. van de beek Cladeüs gelegen te midden van plataan- en olijfboomen. In het eigenlijke tempelgebied (ἡ Ἄλτις), gedeeltelijk door muren omgeven, lagen ook het Heraeum, de oude tempel van Hera (vroeger van Zeus en Hera) met daarvoor het groote altaar van Zeus, en de nieuwe Zeus-tempel uit de 5deeeuw, waarvoor Phidias het Zeus-beeld gemaakt heeft, vele schatkamers (θησαυροί) en vele wijgeschenken en standbeelden. Buiten de Altis vond men o. a het Gymnasium, de Palaestra en het Stadium. Op kosten van het Duitsche rijk is Olympia in 1875–1881 volledig opgegraven. Oorspronkelijk behoorde dit tempelgebied tot de stad Pisa (z. a.), doch toen de Eleërs Pisa verwoest hadden, wilden zij evenmin de vestiging eener zelfstandige gemeente te Olympia als den herbouw van Pisa toestaan. Zie ookElis.

Olympia,τὰ Ὀλύμπια, de olympische spelen, oorspronkelijk een feest ter eere van den pelasgischen Zeus, later verbonden met lijkfeesten ter nagedachtenis van Pelops, vervolgens door Heracles vernieuwd, en eindelijk door Lycurgus van Sparta en Iphitus van Elis voor goed geregeld. Het was het grootste nationale feest der Grieken, waaraan sedert het einde der 7deeeuw ook Grieken uit Azië, Italië en Sicilië deelnamen, en waarbij alle grieksche staten officieel vertegenwoordigd waren. De wedstrijd bestond aanvankelijk alleen uit een wedloop, waarbij achtereenvolgens gevoegd werden:δίαυλος, δόλιχος, worstelen enπένταθλον, rijden met vierspan, paardrijden enπαγκράτιον, wedloop in wapenrusting (ὁπλίτης δρόμος), rijden met tweespan. Wegens het talrijke bezoek was het hier ook de meest geschikte plaats tot het voordragen van redevoeringen, gedichten, enz., en tot het doen van afkondigingen van algemeen belang; eerbetuigingen aan bizondere personen of staten werden hier bekend gemaakt, enz. De feesten werden om de vier jaar des zomers in de Altis gevierd; oudtijds—men zegt tot 472—liep alles in één dag af, later duurden de feesten vijf dagen. Uit naam van de Eleërs, die het beheer over de feestviering hadden, werd in alle grieksche staten eenigen tijd te voren het naderen van het feest door drie aanzienlijke Eleërs,σπονδοφόροιbekend gemaakt, en op deze bekendmaking volgde een stilstand in alle oorlogen tusschen grieksche staten (ὲκεχειρία); van heinde en ver kwamen feestgezantschappen, de beroemdste gymnasten van Griekenland als mededingers, en tallooze toeschouwers toestroomen. De kamprechters,ἑλλανοδίκαι, hadden streng toe te zien, dat geen onwaardige aan een wedstrijd deelnam. Eerst nadat men hen had overtuigd dat men een vrijgeboren Griek van onberispelijk levensgedrag was en dat men zich minstens 10 maanden in een gymnasium geoefend had, kreeg men verlof naar den prijs mede te dingen. Deze bestond in een palmtak en een krans van den heiligen olijfboom in de Altis, door een knaap, wiens beide ouders in leven waren, met een gouden mes afgesneden, terwijl de overwinnaar het recht kreeg zijn standbeeld in de Altis te laten plaatsen. Hoe groote waarde men aan zulk een prijs hechtte, blijkt uit de eer, die den overwinnaar (Ὀλυμπιονίκης) ook buiten het tooneel van den wedstrijd te beurt viel; in zijn vaderstad werd hij met gejuich ontvangen en van alle lasten vrijgesteld en had hij een eereplaats (προεδρία) bij alle feesten, de voornaamste dichters bezongen zijn roem, enz.—Sedert 776 begon men te Olympia lijsten van de overwinnaars aan te leggen, dit jaar geldt dus voor het eerste der eerste olympiade (Ὀλυμπιάς) en is het begin van de in Griekenland meest algemeene tijdrekening naar Olympiaden. Ook de meest gebruikelijke afstandsmaat, het stadium, heeft naam en lengte van de renbaan van Olympia.—Hoewel de olympische feesten met het einde van de onafhankelijkheid van Griekenland veel van hunne beteekenis verloren, werden zij nog lang daarna met grooten luister gevierd; in 394 na C. werden zij op bevel van Theodosius d. G. opgeheven.

Olympiades,Ὀλυμπιάδες, de Muzen, naar haar verblijf op den Olympus.

Olympias,Ὀλυμπιάς, 1) dochter van Neoptolemus van Epīrus, huwde met Philippus van Macedonië en werd moeder van Alexander d. G. Met haar hartstochtelijk en heerschzuchtig karakter konde zij niet dulden, dat Philippus eene andere vrouw, Cleopatra, huwde, zij verliet hem, ging naar Epirus terug, en laadde door haar gedrag zware verdenking op zich, dat zij aan het vermoorden van haar vroegeren echtgenoot medeplichtig was. Gedurende de afwezigheid van Alexander was zij wegens hare aanmatiging voortdurend in twist met Antipater, en na Alexander’s dood (v. a. reeds in 330) vond zij het raadzaam naar Epirus te vluchten. In 319 riep de zwakke Polyperchon haar terug om den jongen Alexander op te voeden, en nu nam zij bloedige wraak op de partij van Antipater, ook Arrhidaeus en diens gemalin werden gedood. Maar toen Cassander uit de Peloponnēsus terugkwam en haar in Pydna belegerde, moest zij zich na eene moedige en standvastige verdediging overgeven, en werd zij door Cassander, in strijd met zijn gegeven woord, ter dood gebracht (315).—2)z.Olympia.

Olymp(i)ēni,Ὀλυμπ(ι)ηνοί, bewoners van het gewest Olympēne in Mysia.

Olympiēum,Ὀλυμπιεῖον, ook-πίειον, 1) tempel van Zeus Olympius, zooals er in verschillende steden vermeld worden.—2)stadje op Sicilia vlak bij Syracūsae, ten Z. van de monding van den Anapus, naar zulk een tempel genoemd en ook welOlympiumgeheeten.

Olympiodōrus,Ὀλυμπιόδωρος, 1) zoon van Lampon, dapper lochaag der Atheners in den perzischen oorlog.—2)atheensch archont, veldheer tegen Cassander (304) en tegen Demetrius Poliorcētes (287).—3)van Alexandrië, neo-platonisch wijsgeer uit de school van Iamblichus, leermeester van Proclus.—4)neo-platonisch wijsgeer uit de school van Proclus, schrijver van commentaren op verscheiden werken van Plato.—5)van Thebe in Aegypte, leefde te Byzantium in het begin der 5deeeuw na C. en schreef eene geschiedenis van zijn tijd, waarvan een uittreksel bewaard is gebleven.

Olympius, -pia,Ὀλύμπιος, -πία, bijnaam van verscheiden goden en godinnen, naar hun woonplaats op den Olympus.

Olympus,Ὄλυμπος, 1) mythisch zanger en fluitspeler, leerling van Marsyas, die zich aan een wedstrijd met Pan waagde.—2)beroemd fluitspeler, musicus en liederendichter op het einde der 8steeeuw.

Olympus,Ὄλυμπος, naam van onderscheidene bergen. 1) op de grenzen van Macedonia en Thessalia, in de mythologie de woonplaats der meeste goden, 6–7000 voet hoog en van boven met eeuwige sneeuw bedekt.—2)in Mysia, ten Z. der stad Prusa (Brussa).—3)in Galatia, ten Noorden van Pessinus, op de grenzen van Bithynië. Hier versloeg Cn. Manlius Vulso (Manliino. 4) de Galaten in 189.—4)vulkaan met gelijknamige stad aan de Oostkust van Lycia.—5)op den staart van het eiland Cyprus.—6)in het Z. van hetzelfde eiland.—7)in Laconica bij Sellasia.—8)op Euboea, ten N. van Eretria.—9)in het Z. van het eiland Lesbus.

Olynthus,Ὄλυνθος, grieksche kolonie op Chalcidice aan den sinus Toronaicus, de belangrijkste van alle volkplantingen aan de macedonische kust. In den peloponnesischen oorlog nam het de inwoners van Potidaea en andere kleinere plaatsen in zich op en kon hierdoor lang zijne zelfstandigheid handhaven, totdat het zich in 379 aan de Spartanen moest overgeven. In 349 werd de stad aangevallen door Philippus van Macedonia, wel zocht de redenaar Demosthenes in zijne drie olynthische redevoeringen de Atheners tot het zenden van tijdige hulp aan te sporen, doch de Atheners draalden tot het te laat was. Philippus verwoestte de stad (herfst van 348), die niet herbouwd werd, en verkocht de inwoners als slaven.

Olysīpo=Olisīpo.

Ombrius,Ὄμβριος, bijnaam van Zeus als regengod.

Omana, Omanades, zieHomona, Homonadenses.

Omen, zieauguria.

Omphale,Ὀμφάλη, dochter van Iardanus, koningin van Lydië, bij wie Heracles als slaaf diende. Zij werd bij hem moeder van Lamus en Agelāus.

Onātas,Ὀνατᾱς, zoon van Micon no. 1, beroemd beeldgieter en schilder, uit de eerste helft van de 5deeeuw.

Onca,Ὄγκα, bijnaam van Athēna, naar haar heiligdom te Oncae bij Thebe.

Onchesmus,Ὀγχησμός, haven in Chaonia (Epīrus), tegenover het eil. Corcȳra (Corfu).

Onchestus,Ὀγχηστός, 1) oude stad in Boeotia, in het gebied van Haliartus.—2)rivier in Thessalia, die bij Cynoscephalae ontspringt, en met een grooten omweg uitstroomt in het meer Boebēis.

Onēus mons,Ὄνειον ὄρος, Ὂνεια ὄρη, ezelsberg, aan het Z. uiteinde der landengte van Corinthus, bij Cenchreae, een sleutel tot de Peloponnēsus en daarom een dikwijls hevig betwist strategisch punt.

Onesicritus, -crates,Ὀνησίκριτος, -κράτης, van Aegīna, leerling van Diogenes den cynicus. Hij ging met Alexander d. G. naar Azië, werd als gezant naar een indisch volk gezonden, en was later opperstuurman op de vloot van Nearchus. Hij schreef eene geschiedenis van zijne tochten en van de daden van Alexander, aan welke echter door de ouden weinig vertrouwen geschonken werd.

Onochonus,Ὀνόχωνος, rivier in het gewest Thessaliōtis in Thessalia, zijrivier van den Penēus, tusschen den Pamīsus en den Enipeus. V. a. =Onchestusno. 2.

Onomacles,Ὀνομακλῆς, een van de atheensche strategen, die in 412 bij Milētus eene overwinning op de Peloponnesiërs behaalde.

Onomacritus,Ὀνομάκριτος, Athener, tijdgenoot der Pisistratiden, een van de verzamelaars en bewerkers van de gedichten van Homerus. Hij verzamelde ook orakels van Musaeus en Orpheus, maar daar hij deze door interpolaties vervalschte, werd hij door Hipparchus verbannen. Hij verzoende zich echter later met de Pisistratiden, en werkte door zijne voorspellingen mede om Xerxes tot den oorlog tegen Griekenland te bewegen.

Onomarchus,Ὀνόμαρχος, na den dood van Philomēlus (354) aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog. Hij plunderde den delphischen tempel, overwon Philippus van Macedonië tweemaal, en voerde den oorlog over het geheel met geluk, in 352 werd hij echter door Phillippus in Thessalië verslagen, bij welke gelegenheid hij sneuvelde.

Onosander,Ὀνόσανδρος, platonisch wijsgeer omstreeks 60 na C., schrijver van eenige werken over krijgskunde.

Onūphis,Ὄνουφις, stad in de Nijldelta, in het distrikt of den nomus Onuphītis.

Onusa, stad aan de kust van Spanje, ten Noorden van Carthago Nova.

Opellius Macrīnus(M.), zieMacrinus(M. Opellius).

Ophelion,Ὠφελίων, 1) atheensch blijspeldichter, waarschijnlijk uit het middelste tijdperk der comedie.—2)grieksch schrijver over geneeskunde en natuurlijke historie.—3)zoon van Aristonidas, beeldhouwer omstreeks 160,van wien een beeld bewaard is gebleven. Ook een schilder van dien naam komt voor; misschien is dit dezelfde.

Ophel(l)as,Ὀφέλ(λ)ας, generaal van Ptolemaeus Lagi, veroverde Cyrēne (322) en regeerde er eerst als stadhouder, later onafhankelijk. Hij verbond zich met Agathocles tot een oorlog tegen Carthago, maar werd spoedig daarop door zijn bondgenoot trouweloos vermoord (308).

Opheltes,Ὀφέλτης, de eigenlijke naam van Archemorus (z. a.).

Ophīon,Ὀφίων, 1) een van de oudste Titanen, die met zijne gemalin Eurynome nog vóór Cronus regeerde, doch door dezen verdreven en in den Tartarus of den Oceanus geworpen werd.—2)een van de Giganten.

Ophis,Ὄφις, riviertje in Arcadia bij Mantinēa.

Ophiūchus,Ὀφιοῦχος,Serpentarius, Anguifer,Anguitenens, een sterrenbeeld, voorstellend een man, die een slang bij den kop houdt, welke tusschen zijn beenen ligt. Men zag daarin Asclepius, Heracles, Carnabon, Triopas, Phorbas, Polyīdus of nog anderen.

Ophiūsa,Ὀφιοῦσα= het slangeneiland, 1) eiland in de Propontis (zee van Marmara).—2)een der Pityūsae, ook Colubraria genoemd.—3)oude naam zoowel van Rhodus als van Cyprus; dichterlijkOphiusius= cyprisch.—4)oude naam van Tenus.

Ophrynēum,Ὀφρύνειον, stadje in Troas aan den Hellespont, dicht bij Rhoetēum, met een aan Hector gewijd bosch.

Opici,Ὀπικοί, ofOsci, oud-italisch volk. ZieItalia.

Opiconsivia, -sīva, feest, ter eere van Ops Consīva den 25stenAugustus te Rome gevierd.

Opilius(Aurelius), vrijgelatene, leeraar in wijsbegeerte, rhetorica en grammatica, omstreeks 90, eerst te Rome, later te Smyrna. Van zijne werken is niets overgebleven.

Opimii, plebejisch geslacht. 1)L. Opimiusverwoestte als praetor in 125 de opgestane stad Fregellae. In 121 was hij consul en deed toen aan het hoofd der optimatenpartij den gewapenden aanval op C. Gracchus, waarbij deze met 3000 zijner aanhangers omkwam. In 120 werd hij hiervoor zonder succes aangeklaagd door P. Decius, en was hij censor; in 115 als gezant tot Jugurtha gezonden, liet hij zich door dezen omkoopen, waarvoor hij later veroordeeld werd en te Dyrrachium in armoede stierf. Het jaar 121 was een beroemd wijnjaar; vandaar dat men nog lang sprak vanvinum Opimianum.—2)Q. Opimiuswerd in 74 veroordeeld en door den praetor C. Verres van zijn geheele vermogen beroofd, omdat hij als volkstribuun de lex tribunicia van Sulla had overtreden.—3)M. Opimius, praef. equitumonder Pompeius (48), ontsnapte met enkelen in Macedonië aan gevangenneming door de soldaten van Cn. Domitius Calvīnus (Domitiino.15).

Opis,Ὦπις, handelsstad aan de samenvloeiing van den Physcus en den Tigris.

Opitergium, rom. kolonie in het land der Veneti, tusschen Verōna en Aquileia.

Oppia (lex)sumptuaria, van den volkstribuun C. Oppius, in 215. Zij verbood den vrouwen o.a. meer dan een halveunciaaan gouden sieraden te hebben, of bonte gewaden te dragen, of binnen den omtrek eener stad in een rijtuig te rijden tenzij bij godsdienstige plechtigheden. In 195 werd zij afgeschaft.

Oppiānus,Ὀππιανός, 1) uit Cilicië, tijdgenoot van M. Aurelius, dichter van een didactisch epos,Ἁλιευτικά, over het leven der visschen, vischvangst, enz., dat hij aan den keizer opdroeg, en dat bij dezen, evenals bij zijne andere tijdgenooten, buitengewoon grooten bijval vond. Hij stierf reeds op zijn 30stejaar.—2)uit Syrië, tijdgenoot van Caracalla, dichter van een dergelijk werk over de jacht,Κυνηγετικά.

Oppidum Batavorum, z.Batavodurum.

Oppii, plebejisch geslacht waarvan verscheidene leden vermeld worden. 1)Sp. Oppius Cornicen, een van de tien mannen van 450, die, volgens het verhaal, met App. Claudius Crassīnus zelfmoord pleegde.—2)Q. Oppius, proconsul van Asia, viel bij de verovering van Klein-Azië in handen van Mithradātes Eupator, en kreeg eerst door Sulla zijne vrijheid terug.—3)onder de vertrouwelingen van Caesar komt eenC. Oppiusvoor, die te Rome een tijd lang veel invloed had en zich later bij Octaviānus aansloot.—4)Oppius Sabīnus, legaat van Moesia onder keizer Domitiānus, werd door Decebalus verslagen, en sneuvelde (± 86 n. C.).

Oppius (mons), een van de bergen van hetSeptimontium(zieRoma), gelegen in het Z. van de regio Esquilīna.

Ops, rom. godin van vruchtbaarheid en overvloed, later gemalin van Saturnus. Oorspronkelijk is zij eene godin van den oogst, en hoort zij bij Consus, hetgeen uit den naam van haar feest, Opiconsivia, blijkt. Haar andere feest, deOpalia, werd op 19 December gevierd. Als godin der zaadvelden had zij den bijnaamConsīva. Zij werd later dikwijls verward met Fauna, Maia, Bona Dea of geïdentificeerd met Rhea Cybele of Demēter.

Ὄψον,Opsonium, Obs-, toespijs, alles wat bij het brood genuttigd wordt, vleesch, kaas, vruchten, maar vooral visch, de voornaamste lekkernij der ouden, waaraan veel geld besteed werd.


Back to IndexNext