Sceptici,Σκεπτικοί, z.Pyrrho.Schedius,Σχέδιος, naam van twee aanvoerders der Phocensers voor Troje, beiden door Hector gedood.Scheria,Σχερία, het eil. der Phaeāces (z. a.). In later tijd vond men dit eiland terug in Corcȳra (z. a.).Σχιστὴ ὁδός, de driesprong, waar Oedipus zijn vader Laius doodde; volgens Aeschylus bij Potniae aan den Cithaeron, volgens Sophocles in Phocis, in de buurt van Daulis (z.Parnassus).Schoeneus,Σχοινεύς, zoon van Athamas en Themisto, koning in Boeotië, vader van Atalante.Schoenus,Σχοῖνος, vlek in Boeotia, aan het meer van Hyle.Schoenus,Σχοινοῦς(= biezenstad), 1) eene der havens van Corinthus, aan de Oostkust van den Isthmus, ten N. van Cenchreae.—2)vlek in het hart van Arcadia, bij Methydrium.Scholium,σχόλιον, aanteekening op den rand van een handschrift; zulke aanteekeningen bevatten critische opmerkingen, verklaringen van moeilijke plaatsen, enz. Veelal waren het uittreksels uit de werken van alexandrijnsche geleerden, en bij het copieeren van het handschrift werden zij dikwijls mede overgeschreven. De scholia, die in de nog bestaande handschriften gevonden worden, zijn van zeer ongelijke waarde en in de meeste gevallen is het onbekend van wien zij afkomstig zijn.Sciapodes,Σκιάποδες, fabelachtig volk in Libye; zij hadden zulke groote voeten, dat zij die, wanneer zij zaten, als zonneschermen konden gebruiken.Sciathus,Σκίαθος, eiland en stad in de Aegaeïsche zee nabij de kusten van Euboea en van het thessalische kustland Magnesia, door de Chalcidiërs gekoloniseerd, in 200 door de Macedoniërs verwoest, later een schuilhoek voor de zeeroovers.Scidrus,Σκίδρος, kleine grieksche stad aan de Westkust van Italia, in Lucania, ten O. van Pyxus (Buxentum).Scillus,Σκιλλοῦς, stad in het elische gewest Triphylia, aan den Selīnus, een zijtakje van den Alphēus. Xenophon bracht er een gedeelte zijner ballingschap door en stichtte er een tempel voor Artemis, in het klein gelijkende op dien te Ephesus.Sciōne,Σκιώνη, stad van Chalcidice op het schiereiland Pallēne.Scipiades, iemand uit de familie der Scipio’s, dichterlijk woord.Scipio, familienaam in degens Corneliaz.Cornelii6–26.Sciras,Σκιράς, bijnaam van Athēna van onzekere beteekenis, vgl.Scirophoria.Sciritis,Σκιρῖτις, eene woeste bergstreek in het N. van Laconica, genoemd naar het stadjeScirus, ten N. van Sparta, aan den weg naar Tegea. De inwoners,Scirītae,Σκιρῖται, vormden in het spartaansche leger een afzonderlijk korps, meest van 600 man (Σκιρίτης λόχος), dat de eereplaats aan den rechtervleugel innam, op marsch de voorhoede vormde en op de gevaarlijkste plaats gelegerd was.Sciron,Σκ(ε)ίρων, 1) een berucht roover, die op de Scironische rots tusschen Attica en Megaris woonde, de voorbijgangers dwong hem de voeten te wasschen en hen daarna in zee schopte, waar zij door een schildpad werden verslonden. Theseus deed hem op dezelfde wijze omkomen.—2)zoon van Pylas, schoonzoon van Pandīon. Hij betwistte Nisus de heerschappij over Megara, maar Aeacus,als scheidsrechter ingeroepen, kende Nisus de regeering en Sc. het opperbevel in den oorlog toe.Scironides,Σκιρωνίδης, een van de atheensche strategen, die in 412 bij Milētus eene overwinning op deLacedaemoniërsen Milesiërs behaalde; onder de 400 werd hij afgezet.Scirophoria,Σκιροφόρια, feest ter eere van Athēna Sciras den 12denScirophorion te Athene gevierd. Bij den feestelijken optocht van den burcht naar Eleusis liepen de priesteressen dier godin en de priesters van Erechtheus en Helius onder een groot wit zonnescherm (σκίρον), het zinnebeeld van bescherming tegen de hitte der aanstaande hondsdagen.Scirophorion,Σκιροφοριών, 12demaand van het Attische jaar (Juni–Juli), z.annus.Scirtus,Σκίρτος, (= de huppelende), waterrijke rivier met sterk verval, die langs Edessa stroomt, en na zich met den Bilechas (Belias) vereenigd te hebben, bij Nicephorium in den Euphraat valt.Scirus,Σκῖρος, zieSciritis.Scodra,Σκόδρα, hoofdstad der Labeātes, een aanzienlijke stad en sterke vesting met vele rom. inwoners aan de Z. grens van Dalmatia, aan denlacus Labeātis, tgw. Scutari.Scodrus=Scardus.Scoedises,Σκοιδίσης=Scordiscus.Scolatium, stad in het land der Bruttii, dicht bij den Sinus Scylleticus, sedert 122 rom. kolonie.Scolium,σκόλιον, σκολιὸν μέλος, een bizonder soort van liederen, door de Grieken aan tafel gezongen. De naam wordt afgeleid van de willekeurige volgorde, waarin zulke liederen door de gasten gezongen werden, terwijl bij andere tafelliederen, vooral bij godsdienstige gezangen, ieder op zijn beurt of allen met elkander zongen. Anderen denken aan eigenaardigheden in metrum of melodie. Beroemd is onder de scolia, die bewaard gebleven zijn, dat van Callistratus op Harmodius en Aristogīton.Scollis,Σκόλλις, gebergte in Acrorēa.Scolus,Σκῶλος, 1) vlek in Boeotia ten O. van Erythrae, op de helling van den woesten Cithaeron aan den Asōpus gelegen, zóó naargeestig, dat men zeide:εἰς Σκῶλον μήτ’ αὐτὸς ἴμεν, μήτ’ ἄλλῳ ἕπεσθαι. Hier zou Pentheus door de Bacchanten verscheurd zijn.—2)vlek nabij Olynthus.Scomius,Σκόμιον ὄρος, hoog gebergte in Thracia, dat zich, O.waarts van den Scardus, van den Haemus afscheidt.Scopadae,Σκοπάδαι, een adellijk geslacht dat te Crannon in Thessalië regeerde, totdat de tyrannen van Pherae zich verhieven.Scopas,Σκόπας, 1) een van de Scopadae, beroemd door zijn rijkdom, bij wien Simonides langen tijd doorbracht. Bij een feestmaal kwam hij met al zijne gasten om door het instorten van de zoldering der eetzaal; alleen Simonides werd op wonderdadige wijze gered.—2)een van de Scopadae, van wien verhaald wordt dat hij met den jongen Cyrus bevriend was, en dat hij Socrates een toevluchtsoord aanbood.—3)van Parus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester. Hij maakte bij voorkeur groepen in marmer, die door afwisselende, maar altijd bevallige standen uitmuntten. Vooral beroemd was van hem de groep van Nereïden en Tritonen, die, door Thetis en Poseidon geleid, aan Achilles zijne nieuwe wapenrusting komen brengen. Zijn bloeitijd valt omstreeks 380, op hoogen leeftijd (350) werkte hij nog mede aan het mausolēum van Halicarnassus. Hij is het meest bekend door zijne koppen, waarvan de oogen diep liggen en naar boven gericht zijn. Hiermede komt het hartstochtelijk element in de grieksche beeldhouwkunst op, het dwepende, zooals steeds in tijden, waarin men ontevreden is met de bestaande toestanden.Scordisci,Σκορδίσκοι, keltische volksstam in Pannonia op beide oevers van den benedenloop van den Savus.Scordiscus,Σκορδίσκος, ofScoedises, gebergte op de grenzen van Armenia en Armenia minor.Scordus=Scardus.Scorpius, het sterrenbeeld de Schorpioen, de onder de sterren verplaatste schorpioen, die Orion gedood had.Scoti, Schotten, ziePicti.Scotussa,Σκοτοῦσσα, 1) oude stad in het thessalische gewest Pelasgiōtis, niet ver van Cynoscephalae. Pelopidas behaalde hier in 364 eene overwinning op Alexander, tyran van Pherae.—2)stad in Macedonia ten O. van den Strymon.Scribae, zieapparitores.Scriboniae(rogationes), van den volkstribuun C. Scribonius Curio, in 50. Het waren slechts voorstellen, die echter niet in behandeling kwamen of verworpen werden. 1)de intercalando, over het inlasschen eener maand. Dit was meer een verzoek aan depontifices, dan een wetsvoorstel. Het verzoek werd gedaan om tijd te winnen voor het doen aannemen zijnerrogationes, wat vóór 1 Maart 50 moest gebeurd zijn. Toen het afgewezen werd, ging hij tot de partij van Caesar over, zieScriboniino. 6.—2)viaria, over het onderhoud der openbare wegen, misschien ook een voorstel tot tolheffing.—3)alimentaria, over korenuitdeeling.—4)om het gebied van koning Juba tot rom. staatseigendom te verklaren.Scriboniānus(Furius CamillusofL. Arruntius Camillus), zieFuriino. 14.Scribonii, plebejisch geslacht, waarvan deLibōnesenCuriōnesde voornaamste familiën zijn. 1)L. Scrib. Libo, volkstribuun in 216 en praetor in 204.—2)C. Scrib. Curiobouwde als aediel met zijn ambtgenoot Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitiino. 2) in 196 den Faunus-tempel te Rome.—3)L. Scrib. Libo, drong in 149 als volkstribuun, gesteund door den 85-jarigen M. Porcius Cato (maior), op bestraffing van Ser. Sulpicius Galba (Sulpiciino. 11) aan, die zich tegenover de Lusitaniërs aan woordbreuk had schuldig gemaakt en verraderlijk hen, die zich ongewapend hadden overgegeven, had latenneerhouwen.—4)C. Scrib. Curio, een der voortreffelijkste redenaars van zijn tijd, praetor in 121.—5)C. Scrib. Curio, zoon van no. 4, minder goed redenaar dan zijn vader, was volkstribuun in 90 en diende in 84 onder Sulla tegen Mithradātes; in 76 was hij consul; later versloeg hij als proconsul van Macedonia de Moesiërs en Dardaniërs en was de eerste rom. veldheer, die tot aan den Donau doordrong. Hij was een man van den ouden stempel en van strenge zeden, evenwel in het staatkundige niet onpartijdig. Hij was het, die Verres geluk wenschte met de verkiezing van Hortensius tot consul. In de zaak van Catilīna stond hij aan Cicero’s zijde. Later was hij een vurig tegenstander van Caesar. Hij stierf in 53.—6)C. Scribonius Curio, zoon van no. 5, weder een uitstekend redenaar, doch verkwistend en trouweloos van aard. Eerst was hij republikeinsch gezind doch in zijn volkstribunaat (50), (zieScriboniae rogationesno. 1), ging hij tot de partij van Caesar over, v. s. door dezen omgekocht. Toen de onderhandelingen schipbreuk leden en het bekende senaatsbesluit tegen Caesar was aangenomen, nam Curio met C. Caelius en de tribunen M. Antonius en Q. Cassius in Jan. 49 de wijk naar Caesar. Hij diende hem vervolgens in Africa, en sneuvelde daar tegen Juba.—7)L. Scrib. Libowas een aanhanger van Pompeius, met wiens zoon Sextus zijne dochter was gehuwd. Hij streed in 49 als vlootvoogd tegen Caesar en bracht in 39 de overeenkomst tusschen Sextus Pompeius en het driemanschap tot stand. In 34 was hij consul. Hij was bevriend met Cicero.—8)Scribonia, zuster van no. 7, was de tweede vrouw van Octaviānus en de moeder van Iulia, zieIuliino. 14. Toen deze verbannen werd, trok zij met haar dochter mede.—9)L. Scrib. Libo Drususwekte de ijverzucht van Tiberius op en werd door Fulcinius Trio van tooverij aangeklaagd. Om eene veroordeeling te ontgaan, pleegde hij zelfmoord (16 n. C.).—10)een drietalScriboniiwerden door Caligula en Nero omgebracht.—11)Scrib. Larguswas in 43 na C. geneesheer van keizer Claudius op diens reis naar Britannia. Hij schreef een werkcompositiones medicamentorum, een receptenboek, dat gedeeltelijk bewaard is.Scrinium, eene ronde doos, tot bewaring van handschriften, die daarin opgerold naast elkander werden gezet. Onder de keizers heetten de bureaux der keizerlijke kanselarijscrinia. Zij waren tijdens Constantijn den Gr. vier in getal:scrinium memoriae, scr. epistularum, scr. libellorum supplicum, scr. dispositionum. Aan het hoofd van elke afdeeling stond eenmagisteren onder hem eenproximus, beiden tot despectabilesbehoorende.Scriptores historiae Augustae, een zestal schrijvers uit den tijd van Diocletiānus en Constantijn, met name Aelius Spartiānus, Vulcatius Gallicānus, Trebellius Pollio, Flavius Vopiscus, Aelius Lampridius en Iulius Capitolīnus. Hunne, later tot een bundel saamgevoegde levensbeschrijvingen van rom. keizers loopen van 117–285 na C. Zij beginnen met het leven van Hadriānus en eindigen met dat van Carīnus.Scriptūra, weidegeld, dat betaald werd bij het inschrijven van vee op depascua publica, d. z. de weidegronden, die tot het romeinsche staatsdomein behoorden.ScripulumofScrupulum, zeer klein gewicht, het 1/24 eeneruncia.Scultenna, zijtak van den Padus (Po), die op geringen afstand O.waarts van Mutina stroomt.Scutala, Scyt-,σκυτάλη, een stok, zooals de spartaansche overheden voor geheime correspondentie gebruikten. Een smalle witte strook werd stijf om den stok gewonden en overdwars beschreven; daarop werd de strook alleen verzonden, zoodat het geschrevene alleen kon gelezen worden, wanneer de strook om een stok van gelijke dikte gewonden werd. Ieder ambtenaar, die buitenslands ging, kreeg daarom zulk een stok mede.Scutum.Scutum,θυρεός, langwerpig vierkant gebogen schild van het rom. voetvolk, omstreeks M. 1,20 lang en M. 0,80 breed, van hout gemaakt, met leder overtrokken, van een metalen rand voorzien en in het midden van een metalen knop of plaat om de slagen op te vangen. De verschillende legioenen hadden de schilden met verschillende kleuren en distinctieve figuren versierd.Scylace,Σκυλάκη, oude nederzetting der Pelasgen aan de Propontis, ten O. van Cyzicus.Scylaceumof-cium, Scylletium,Σκυλάκιον, grieksche stad op twee heuvels aan de Oostkust van het land der Bruttii, aan densinus Scylacius,Σκυλλητικὸς κόλπος, gelegen, thans Squillace.Scylax,Σκύλαξ, 1) van Caryanda, een logograaf, die op last van Darīus Hystaspis eene onderzoekingsreis langs de aziatische kust van den Indus tot de Roode zee deed. De nog bestaandeπερίπλους τῆς θαλάσσης τῆς οἰκουμένης, die op zijn naam staat, is van veel lateren tijd.—2)van Halicarnassus, vriend van Panaetius, als staatsman, wis- en sterrenkundige en toonkunstenaar beroemd.Scylla,Σκύλλα, 1) dochter van Poseidon en de nimf Crataeïs, een vreeselijk blaffend monster met 12 voeten en 6 lange halzen, ieder met een kop met 3 rijen puntige tanden. Zij woont in het diepe hol van eene aan zee staande, hemelhooge, door wolken omhulde rots, en tegenover haar op een andere rots woont een ander monster, Charybdis, die drie maal daags het zeewater met schepen en al wat er in is inzwelgt en het ook driemaal daags weder uitbraakt. Toen Odysseus tusschen de beide rotsen doorvoer, hield hij zijn schip zoo ver mogelijk van Charybdis af, maar daardoor kwam hij te dicht bij Sc., diemet hare muilen 6 van zijne tochtgenooten wegroofde en verslond.—Sc. was vroeger een schoone zeenimf geweest, die door Glaucus of Poseidon bemind werd, uit jaloerschheid gaf Circe of Amphitrīte haar hare latere afgrijselijke gedaante. Charybdis was eene dochter van Poseidon en Gaea, die aan Heracles eenige runderen ontroofd had, en daarvoor door Zeus met den bliksem in zee geslingerd was.—In lateren tijd verklaarde men de twee monsters als twee gevaarlijke rotsen aan de beide zijden van de sicilische zeeëngte.—2)dochter van Nisus (z. a.), die haar vader aan Minos verried. Uit afschuw voor hare daad liet Minos haar aan zijn schip vastbinden en door het water meesleuren, zoodat zij verdronk; of zij sprong in zee om het schip van Minos te volgen en werd in een zeevogel veranderd, die altijd door haren in een zeearend veranderden vader vervolgd wordt.Scyllaeum,Σκυλλαῖον, 1) stad en kaap in het land der Bruttii, waarbij het monster Scylla zich ophield, ten N. van Rhegium. Anaxilas, tyran van Rhegium, legde hier eene versterkte haven aan.—2)kaap in Argolis bij Troezen.Scyllaeum fretum=fretum Siculum.Scylletium,Σκυλλήτιον=Scylaceum.Scymnus,Σκύμνος, van Chius, een geograaf van onbekenden tijd, misschien uit de 2deeeuw, schrijver eenerΠεριήγησις. Het nog bestaande gedicht, dat dien titel en den naam van Sc. draagt, is misschien eene metrische bewerking van zijn werk, dat in proza geschreven was.Scyrus,Σκύρος, eiland en stad ten O. van Euboea, waar volgens de sage Thetis haar zoon Achilles aan het hof van koning Lycomēdes in meisjeskleederen verborg. De bewoners waren Dolopes, die wegens zeeroof door de Amphictyonen bestraft werden. In 474 (of 473), na de vermeestering van Scyrus, ontdekte Cimon er het gebeente van Theseus, dat naar Athene werd overgebracht en in het Thesēum bijgezet. Scyrus bleef onder Athene tot in den macedonischen oorlog, in 196 echter gaven de Rom. het aan Athene terug.Scytala=Scutala.Scythia,Σκυθία. Bij Herodotus is Scythia het land ten N. van den Pontus Euxīnus (Zwarte Zee) tusschen den Ister en het land der Agathyrsi (thans Zevenbergen) ten W. en den Tanais (Don) ten O. Latere schrijvers breiden de grenzen oostwaarts uit. De bewoners,Scythae,Σκύθαι, waren dapper en vrijheidslievend en alle pogingen der perzische koningen om hen te onderwerpen, mislukten. Zij hadden geene steden of dorpen, maar leefden in wagens. Zij bestonden uit een onbekend aantal stammen; het talrijkst waren deΣκ. βασιλήιοιof krijgslieden, voorts had men herders en ook landbouwende stammen. Omstreeks 600 deden de Sc. een inval in Klein-Azië en Europa, doch werden na ruim een kwart eeuw door Cyaxares weder verdreven. Omtrent den tocht door Darīus tegen hen ondernomen, z.Dariusno. 1 enHistiaeus. Na 500 laten de Sc. niets van zich hooren, tot op den tijd van Mithradātes. Na Traiānus verdwijnt de naam Scythen uit Europa en verhuist naar Azië. Ptolemaeus (± 150 na C.) spreekt van eenScythia intraenextra Imāum. De Grieksche schrijvers van de 3deen 4deeeuw n. Chr. duiden met den naamΣκύθαιvaak de Gothen aan, die zich in de 3deeeuw n. Chr. aan de Zwarte Zee hadden gevestigd (zieGothi).—Zie ookτοξόται.Scythīni,Σκυθινοί, volk op de W. grens van Armenia, door wier gebied Xenophon en de 10000 Grieken een tocht van vier dagmarschen maakten.Scythopolis,Σκυθόπολις, aanzienlijke stad van Palaestina, op de grenzen van Galilaea en Samaria, een weinig ten W. van den Jordaan gelegen, met eene zeer gemengde bevolking.Sebaste,Σεβαστή, 1) stad op een eilandje aan de cilicische kust, door koning Archelāus (zieArchelausno. 7) gesticht ter eere van Augustus, omdat de Rom. Cilicia aspera bij zijn rijk hadden gevoegd.—2)stad in het binnenland van Phrygia.—3)=Cabira.—4)zieSamaria.Sebastēa,Σεβάστεια, stad in Pontus in het brongebied van den Halys, door Pompeius tot stad verheven onder den naam Megalopolis, in den keizertijd onder den naam Sebastēa zeer belangrijk als hoofdstad van Armenia minor.Sebastopolis,Σεβαστόπολις, latere naam van Dioscurias.Sebennyticum ostium,Σεβεννυτικὸν στόμα, een der Nijlmonden, gelegen tusschen den Bolbitinischen en den Phatnitischen Nijlmond.Sebennytus,Σεβέννυτος, distrikt en stad in de Nijldelta aan den sebennytischen Nijlarm.Sebēthus, beekje bij Neapolis.Sebīnus lacus, in Gallia Transpadāna, door den Ollius (Oglio) gevormd, thans lago d’ Iseo.Secessio plebis, uitwijking der plebs uit Rome onder bedreiging een eigene stad te zullen stichten. De eerste uitwijking, naar den Mons Sacer, die echter niet historisch is, had plaats in 494 ten gevolge van verdrukking en van strenge toepassing van het schuldrecht (ius nexus) en eindigde door de instelling van het volkstribunaat (zietribuni plebis). Bij de tweedesecessio, in 449, rukte het leger, dat op den Algidus stond, op naar den Aventīnus, en toen werd, na onderhandelingen tusschen de strijdende partijen, een overeenkomst gesloten, waarbij de tienmannen (ziedecemviri legibus scribundis) aftraden, en het consulaat hersteld werd (zie verderHoratiae Valeriae(leges). Bij de derdesecessio plebisin 287 week het volk gewapend uit naar den Ianiculus; als gevolg hiervan kwam delex Hortensia(z.a.) tot stand. Ook de tweedesecessiowordt door sommige geleerden voor onhistorisch gehouden.Sectio bonorum, openbare gerechtelijke verkooping in naam van den staat, b.v. bijverbeurdverklaringen. De verkoop hadsub hastaplaats en geschiedde aan den meestbiedende. De kooper was nu aansprakelijk voor de schulden van den boedel en daar hij meestal op speculatie kocht, trachtte hij de gekochte massa weder in perceelen te verkoopen. Aan deze verbrokkeling is de naamsectiozijn ontstaan verschuldigd, de kooper heette alsdansector. Bijbonorum emptio(z.a.) in den faillieten boedel hadauctioplaats, geensectio.Secundi, 1) rom. familienaam, o.a. bij dePlinii.—2)Iulius Secundus, zeer geprezen redenaar ten tijde van keizer Vespasiānus, een der sprekers in Tacitus’dialogus de oratoribus.—3)Secundus Carrinas, rhetor, door Caligula uit Rome verbannen, benam zich te Athene uit armoede het leven.Secūtor, zwaardvechter met zwaard en schild, die veeltijds tegen den retiarius vocht.Sedetani=Edetani.Sedūni, volksstam aan den Boven-Rhodanus (Rhône) in het tegenw. Zwitserland in den omtrek van het tegenwoordige Sion of Sitten.Sedusii, germaansch volk in het leger van Ariovistus.Segesama,Σεγεσάμα, stad der Murbogi in Hispania Tarraconensis, ten N.O. van Pallantia (Palencia).Segesta, Segetia, Sēia, Semonia, rom. godinnen, die het zaad onder de aarde en het reeds opgeschoten koren beschermden. Hare namen mochten alleen in de open lucht uitgesproken worden.Segesta,Σεγέστη=Egesta.Segestes, cheruscisch opperhoofd, schoonvader van Arminius, die zijne dochter had geschaakt. Segestes was tegen Arminius vijandig gezind en had vruchteloos Varus gewaarschuwd, dat er verraad broeide (9 na C.). Later (15) riep hij tegen zijn schoonzoon de hulp van Germanicus in, die hem een woonplaats aanwees op den linker Rijnoever.Segestus, -tes=Acestes.Segetia, z.Segesta.Segimērus,Σηγίμηρος, Σεγίμηρος, Segimer, 1) vader van Arminius, nam deel aan den strijd tegen Varus.—2)broeder van Segestes, onderwierp zich aan Germanicus in 15 na C.Segimundus, Siegmond, zoon van Segestes, was Romeinsch priester te Ara Ubiorum, toen de opstand der Cheruscen uitbrak (9 na C.), en vluchtte toen naar zijn vaderland. In 15 werd hij door zijn vader uitgeleverd, en door Germanicus in genade aangenomen.Segni, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Eburōnes, die aan de Mosa (Maas), en de Treviri, die aan de Mosella (Moezel) woonden.Segobrīga,Σεγόβριγα, in Hispania Tarraconensis, 1) hoofdstad der Celtibēri, aan den bovenloop van den Sucro gelegen.—2)stad der Edetāni, ten N.W. van Valentia (Valencia).Segodūnum,Σεγόδουνον, 1) hoofdstad der Rutēni in Aquitania, thans Rhodez.—2)stad der Hermundūri in Germania, misschien Würzburg aan den Main.Segontia,Σεγοντία=Saguntia.Segontiaci, volksst. in het Z. van Britannia.Segovia,Σεγουβία, stad der Arevaci in Hispania Tarraconensis, ten W. van de Iuga Carpetāna, thans nog Segovia geheeten.Seguntia, zieSaguntia.Segusiāni,Σεγουσιανοί, gallische volksstam in Lugdunensis, ten W. van den Rhodanus (Rhône), die hen van de Allobroges scheidde.Segusiāvi=Segusiani.Segusīni, alpenvolkje aan de Cottische Alpen, onderdanen van koning Cottius (z. a.). Hoofdstad: Segusio (Susa), waar nog een triumfboog bestaat, door Cottius ter eere van Augustus opgericht.Segusio, zieSegusinienCottiae Alpes.Sēia, z.Segesta.Seiānus(L. Aelius), zieAeliino. 8.Sēii. 1)M. Seiuswist als aediel in 74 bij eene groote duurte maatregelen te nemen om toch aan het volk te Rome goedkoop graan te leveren.—2)M. Seius, misschien zoon van no. 1, een vriend van D. Iunius Brutus.—3)Q. Seius Postumuswerd door P. Clodius vergiftigd, omdat hij weigerde, hem zijn huis te verkoopen.—4)L. Seius Strabo, praefectus praetorio in 14 n. Chr. vader van L. Aelius Seiānus, die nog in 14 zijn ambtgenoot werd (z.a.).—5)L. Seius Tubero, was in 16 na C. legaat onder Germanicus, in 18 met hem consul.Σεισάχθεια, afschudding van lasten, een maatregel, door Solon genomen tot verlichting der arme burgers, die tengevolge eener verkeerde wettelijke regeling steeds dieper bij de rijken in schuld geraakten, hoe langer hoe minder in staat waren hunne schuldeischers te voldoen, en ten slotte dikwijls hunne bezittingen en zelfs hunne vrijheid verloren. Solon verklaarde alle hypotheken en misschien ook alle andere schuldvorderingen vervallen.—V. a. bestond deσεισ. in verlaging van den muntstandaard (zoodat 100 nieuwe drachmen de waardehaddenvan 73 oude) en van den rentevoet, doch het is niet aan te nemen, dat deze maatregelen de beoogde, en ook werkelijk bereikte, gevolgen konden hebben.Selēne,Σελήνη, Μήνη,Luna, godin der maan, dochter van Hyperīon en Theia, zuster van Helius en Eos. Haar wagen is met witte paarden of koeien bespannen. Zij werd als maangodin dikwijls verward met Artemis, Hecate of Persephone, evenals Artemis draagt zij den naam Phoebe, en ook onderscheiden hare beelden zich van die van Artemis alleen door meer bekleeding en door een sluier van eigenaardigen vorm.Seleucia,Σελεύκεια, naam van verschillende steden, meest door Seleucus I gesticht. 1)Sel. ad Tigridem,ἡ ἐπὶ τοῦ Τίγρητος, eigenlijk niet onmiddellijk aan de Tigris, maar aan een zijkanaal gelegen. De muren waren gebouwd in den vorm van een adelaar metuitgespreide vlerken. Het was eene uiterst bloeiende handels- en fabrieksstad met eene bevolking van ongeveer 600000 zielen, Babyloniërs, Grieken, Macedoniërs, Joden. Kunsten en wetenschappen werden er vlijtig beoefend. In 116 na C. werd de stad wegens oproer door Traiānus getuchtigd en gedeeltelijk door brand vernield. Door L. Verus werd zij in den Parthischen oorlog in 165 andermaal voor een groot gedeelte verwoest. Overvleugeld door het nabijgelegen Ctesiphon, ging S. voortdurend achteruit en was tijdens Iuliānus geheel verlaten (363).—2)Sel. Pieria,ἡ ἐν Πιερίᾳ, in Syria, aan zee gelegen ten N. der monding van den Orontes, met eene ruime en veilige haven. Als vesting was het schier onneembaar. Er bestaan nog belangrijke ruïnen en catacomben van, nabij Kapse.—3)Sel. ad Belum,ἡ πρὸς Βήλῳ, kleine vesting in Syria aan den berg Belus, in het Orontesdal, tusschen Emesa en Apamēa.—4)stad in het N. van Palaestina, ten N. van het meer Samachonitis.—5)Sel. Tracheōtis,ἡ Τραχεῖα, in Cilicia aspera, aan den Calycadnus (Saleph), met een orakel van Apollo en jaarlijksche spelen ter eere van Zeus Olympius. De wijsgeeren Athenaeus en Xenarchus waren hier geboren.—6)stad in het N. van Pisidia.—7)stad in het Z. van het perzische gewest Margiāne, aan den bovenloop van den Margus, door Alexander den Gr. onder den naam van Alexandria gesticht, later door barbaren verwoest, doch door Antiochus I, Seleucus’ zoon, herbouwd.Seleucis,Σελευκίς, de schoonste provincie van Syria, ook Tetrapolis geheeten naar hare vier steden: Antiochia (Epidaphnes), Seleucia (Pieria), Apamēa (ad Orontem) en Laodicēa (ad Libanum).Seleucus,Σέλευκος, 1) S. I.Nicātor(Νικάτωρ), zoon van Antiochus en Laodice, verwierf onder Alexander d. Gr. vooral in Indië grooten roem als een van de aanvoerders der phalanx. Bij de tweede verdeeling van het rijk kreeg hij Babylonië tot satrapie en spoedig breidde hij zijn gebied uit, maar met Antigonus in twist geraakt, moest hij vluchten en begaf hij zich naar Ptolemaeus (316). Na den slag bij Gaza waagde hij het echter met een klein leger terug te keeren, hij nam Babylon in (1 Oct. 312, begin van de aera der Seleuciden) en veroverde weldra ook zonder veel moeite Susiāna en Medië. In de nu volgende oorlogen wist hij zich tegen Antigonus met roem staande te houden, terwijl hij in Indië, nu als vriend, dan als vijand, zelfs verder dan Alexander doordrong en met den machtigen Sandrocottus voortdurend in betrekking stond. Hij was de eerste onder de diadochen, die den koningstitel aannam en hij besliste den slag bij Ipsus (301) door zijne olifanten, waarna hij Syrië, Mesopotamië, Armenië en een groot deel van Klein-Azië aan zijn rijk toevoegde. Toen hij eindelijk ook Demetrius Poliorcētes in handen gekregen had, konde hij rustig over zijn groot rijk regeeren, dat het grootste gedeelte van Alexanders veroveringen omvatte en zich van den Indus tot de Middellandsche zee uitstrekte. Nog op 77-jarigen leeftijd ondernam hij, aangespoord door Ptolemaeus Ceraunus, een veldtocht tegen Lysimachus; hij behaalde de overwinning, maar werd bijna aan de grens van Macedonië, dat hij nu wilde in bezit nemen, door Ptolemaeus verraderlijk gedood (281). S. wordt na Alexander de grootste krijgs- en staatsman van zijn tijd genoemd. Hij bevorderde in zijn rijk grieksche beschaving, kunst en wetenschap, talrijke (v.s. 75) nieuw gestichte steden in alle deelen van het land werden met Grieken en Macedoniërs bevolkt, ook zijn leger bestond uit Grieken en Macedoniërs. Daarentegen waren de Aziaten van alle aanzienlijke en invloedrijke betrekkingen uitgesloten. In het belang van handel en wetenschap liet hij de landen van den Ganges en de Caspische zee door Megasthenes en Patrocles bereizen en onderzoeken.—2)S. IICallinīcus(Καλλίνικος), zoon en opvolger van Antiōchus II, 247–226. Bij het begin zijner regeering deed Ptolemaeus Euergetes, om den moord zijner zuster Berenīce (z.Antiochusno. 3) te wreken, een inval in Syrië, waardoor een groot deel van het rijk verloren ging; vele jaren had hij tegen den opstand van zijn broeder Antiochus Hierax te kampen; verscheiden provincies, later een deel der bactrische en parthische rijken, scheidden zich af en maakten zich onafhankelijk, eindelijk maakte Attalus van Pergamus van deze verwarde toestanden gebruik om zijn rijk ten koste van Syrië te vergrooten. Na een ongelukkig gevecht tegen Attalus vluchtend, viel S. van zijn paard en stierf.—3)S. IIICeraunus(Κεραυνός), zoon en opvolger van den vorigen, maakte krachtige toebereidselen tot herovering van het onder zijn vader verlorene, maar werd spoedig vermoord (223).—4)S. IVPhilopator(Φιλοπάτωρ), zoon en opvolger van Antiochus d. G., werd na een zwakke regeering (187–175) door zijn rentmeester Heliodorus vermoord.—5)S. V, oudste zoon van Demetrius Nicātor, kort na het aanvaarden der regeering door zijne moeder vermoord (125).—6)S. VIEpiphanes(Ἐπιφανής), zoon en opvolger van Antiochus VIII, voerde oorlog tegen zijn oom en neef (z.Antiochusno.11 en 12) en kwam te Mopsuestia om het leven (95).Selge,Σέλγη, belangrijke pisidische bergvesting, een weinig ten N. der pamphylische grenzen aan den Eurymedon gelegen. De inwoners, die den naam hadden af te stammen van Lacedaemoniërs, waren zeer krijgshaftig en onderhielden steeds eene aanzienlijke krijgsmacht, waarmede zij hunne onafhankelijkheid handhaafden.Selīnus,Σελινοῦς, naam van onderscheidene steden en rivieren = klimopstad, klimoprivier. 1) stad op de Z.W. kust van Sicilia op een heuvel ten Westen van een gelijknamig riviertje. In een strijd met Egesta, riep Sel. de hulp van Syracuse in, Egesta die van Athene, hetgeen aanleiding gaf tot den grooten tocht der Atheners tegen Syracuse.In 409 werd Selinus door de Carthagers geplunderd en verwoest, doch herbouwd; in 249 werden de inwoners door de Carthagers naar Lilybaeum overgevoerd en Sel. andermaal aan verwoesting prijs gegeven. Het was ± 625 gesticht door Doriërs uit Megara Hyblaea. Zeer belangrijke ruïnen vooral van dorische tempels zijn nog over.—2)rivier in het elische distrikt Triphylia, zijtak van den Alphēus, langs de stad Scillus stroomende.—3)rivier in Achaia, die tusschen Aegium en Helice in zee valt.—4)riviertje in Mysia, nabij Pergamus, zijtak van den Caicus.—5)zeestad in het W. van Cilicia, later Traianopolis, de sterfplaats van Traiānus.Sella(curulis), zieCurulis.Sellasia,Σελλασία, stad in Laconica ten N. van Sparta, aan de rivier Oenus. Hier werd Cleomenes III in 221 verslagen door Antigonus Doson.Sellēis,Σελλήεις, 1) rivier bij Ephyra in Thesprotia, v. s. in Elis.—2)rivier nabij Sicyon.—3)riv. in Troas, bij Arisbe, die in den Hellespont uitstroomt.Selli,Σελλοί, Ἑλλοί, priesters van het orakel van Zeus te Dodōna, die uit het ruischen der bladeren van den heiligen eik de toekomst voorspelden. Zij waren gewoon op den blooten grond te slapen en hunne voeten niet te wasschen. Helli of Selli is ook de naam van de oorspronkelijke bevolking van Hellopia; zieEpirus.Sellisternium.Daar het voor vrouwen niet welvoegelijk werd geacht, op rustbedden aan tafel te gaan liggen, zaten zij aan tafel aan. Bij een maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht (zielectisternium), werden er, om de beelden op te plaatsen, stoelen (sellae) om de tafel geplaatst.Sely(m)bria,Σηλυ(μ)βρία, stad op de thracische kust aan de Propontis (zee v. Marmara), oude volkplanting van Megara, thans Selivri.Sembella, zilveren munt ter waarde van ½libellaof as. Desemissis, ook = ½ as, was van koper. Door sommigen wordt het bestaan der zilveren sembella als muntstuk betwijfeld.Semele,Σεμέλη, dochter van Cadmus en Harmonia, bij Zeus moeder van Dionȳsus. Hera, die jaloersch op haar was, kwam tot haar onder de gedaante van haar oude voedster en overreedde haar om Zeus te verzoeken, zich in zijne volle majesteit aan haar te vertoonen, zooals hij Hera bezocht. Daar Zeus haar vooraf beloofd had iederen wensch van haar te zullen vervullen, konde hij niet anders dan aan haar verzoek voldoen, maar toen hij haar te midden van donder en bliksem verscheen, verbrandde S. door den gloed. Haar ongeboren kind werd echter door Zeus gered (z.Dionȳsus), en later werd zij onder den naam Thyōne onder de onsterfelijken opgenomen.Sementīnae, -tīvae, rom. feest, na afloop van den zaaitijd op twee door een week gescheiden dagen van Januari ter eere van Ceres en Tellus gevierd, zieFeriae.Semiramis,Σεμίραμις, dochter van Derceto (z. a.), gehuwd met den assyrischen landvoogd Menon of Onnes, trok bij het beleg van Bactra door haar schoonheid en heldhaftigheid de aandacht van koning Ninus, die haar tot vrouw nam en bij wien zij moeder werd van Ninyas. Na den dood van haar gemaal nam zij voor haar zoon de regeering in handen, en gedurende haar geheel verder leven bleef zij die behouden; eerst toen zij na eene regeering van 42 jaar gestorven of van de aarde verdwenen was, volgde Ninyas haar op. Zij stichtte Babylon, liet talrijke verbazingwekkende versterkingen, kanalen en bouwwerken aanleggen en drong met hare legers zegevierend tot ver in Libye door, ook ondernam zij een krijgstocht naar Indië, die echter ongelukkig afliep.—V. s. hebben deze berichten, hoe overdreven ook, betrekking op de babylonische, v. a. assyrische koningin Sammuramat, die omstreeks 800 eenigen tijd voor haar minderjarigen zoon regeerde, krijgstochten ondernam naar Syrië, Phoenicië, Palaestina en Medië en den dienst van babylonische goden in Assyrië invoerde.Semis(sis), koperen munt = 6 unciae of ½ as, aan de eene zijde gestempeld met een Jupiters-, Juno-, of Minerva-kop en de letterS, aan den anderen kant met den voorsteven van een schip. Zie ookSembella.Semnones, de machtigste der suebische volksstammen, ten N. der Hermunduren, in het tegenw. Thuringen tusschen den Albis (Elbe) en den Viadus (Oder). In hun gebied was in een heilig woud de vergaderplaats van de afgevaardigden van den suebischen volkenbond.Semo Sancus, zieDius Fidius.Semōnes, goddelijke wezens van sabijnschen oorsprong, wier dienst door de Rom. werd overgenomen, in beteekenis gelijk aan de Genii.Semonia, z.Segesta.Semonides, waarschijnlijk juistere schrijfwijze danSimonides.Sempronia(lex)de pecunia credita, van den volkstribuun M. Sempronius Tuditānus (Semproniino. 20) in 193. Door deze wet werden de rente- en woekerwetten van Rome ook van toepassing gemaakt op de latijnsche socii.Sempronia(lex)agrariavan den volkstribuun Tib. Sempronius Gracchus. Zieagrariae leges.Semproniae(leges) van den volkstribuun C. Sempronius Gracchus in 123 en 122. 1)lex agraria, zieagrariae leges.—2)lex frumentaria, tot verkrijgbaarstelling van goedkoop koren, tegen ⅚ as den modius, zieannona.—3)lex de civitate Italicis sociis danda; de bedoeling was aan de Latini het burgerrecht, aan de andere socii deLatinitaste verleenen; het plan hiertoe wordt reeds aan Tib. Gracchus toegeschreven; ook ditmaal is de wet niet aangenomen.—4)lex, ne de capite civium iniussu populi iudicaretur, eene vernieuwing, vermoedelijk eene verscherping derleges Porciae. Deze wet was oorspronkelijk gericht tegen P. Popilius Laenas (Popiliino. 5, z. a.), die dan ook in ballingschap gegaan is.—5)lex iudiciaria, die deiudiciaaan de equites gaf, zieiudexenequites.—6)lex de provinciis consularibus, dat de senaat jaarlijks nog vóór de comitiën de consulaire provinciën moest aanwijzen.—7)lex de provincia Asia a censoribus locanda, een wet, die de censoren verplichtte de belastingen van de provincie Asia (het rijk van Pergamum) te verpachten; deze wet was voor Asia een groote ramp, ziepublicani.—Nog andere wetten worden vermeld, die vermoedelijk slechts bij een ontwerp gebleven zijn, of waarvan de inhoud duister is.Sempronii, rom. geslacht, waarvan alleen de Atratīni patricisch zijn. 1)A. Sempronius Atratinus, consul in 497 en 491.—2)L. Sempr. Atratinus, consul in 444, censor in 443.—3)S. Sempr. Atratinus, consul in 423, voerde een ongelukkigen oorlog tegen de Volscen. In 422 hierom aangeklaagd, werd hij vrijgesproken, maar in 420 wederom aangeklaagd en tot eene boete veroordeeld.—4)A. Sempr. Atratinus, was bij herhaling consulairtribuun, in 425, 420 en 416. Hij was een zoon van no. 2.—5)L. Sempr. Atratinus, consul in 34, was in den burgeroorlog vlootvoogd van Antonius, doch verliet diens zijde nog voor den slag bij Actium. Later sloeg hij levensmoede de hand aan zich zelf.—6)C. Sempr. Blaesus, consul in 253, ondernam met zijn ambtgenoot Cn. Servilius Caepio een tocht naar Africa. Zij voerden niet veel uit, leden op de tehuisreis schipbreuk en verloren 150 schepen. In 244 was Blaesus andermaal consul.—7)Tiberius Sempr. Gracchus, consul in 238, versloeg de Liguriërs en bezette Sardinia en Corsica.—8)Tib. Sempr. Gracchus, zoon van no. 7, consul in 215, behaalde met een leger, grootendeels bestaande uit slaven, wien de vrijheid beloofd was (volōnes), eene overwinning op Hannibals onderveldheer Hanno bij Beneventum (214). In 213 was hij ten tweeden male consul, maar in het begin van 212 werd hij door Mago in een hinderlaag gelokt en sneuvelde.—9)Tib. Sempr. Gracchuswas in 190 in den syrischen oorlog legaat van L. Cornelius Scipio; in 187 was hij volkstribuun en trad toen als verdediger der gebroeders Scipio op (zieCorneliino. 13). In 180 ging hij als praetor naar Hispania, streed zegevierend tegen de Celtiberiërs en hield in 178 een luisterrijken triumftocht. In 177 was hij consul en bevocht hij de Sarden. In 169 was hij censor en in 163 nogmaals consul. Hij was gehuwd met de edele Cornelia, dochter van P. Corn. Scipio Africānus maior. Van 12 kinderen behield hij slechts 3 in leven; de gebroeders Tib. en C. Gracchus en eene dochter Sempronia, later de echtgenoote van Scipio Africānus minor.—10)Tib. Semp. Gracchus, zoon van no. 9, diende in 146 onder zijn zwager Scipio in Africa en in 136 in den numantijnschen oorlog onder den proconsul C. Hostilius Mancīnus. Over land naar Rome terugkeerende, werd hij getroffen door de ellende der armere klasse, terwijl de rijken grooter grondbezittingen hadden, dan zij konden bebouwen. In 133 trad hij als volkstribuun met eene akkerwet op, eene vernieuwing, eenigszins verzacht, van een nimmer uitgevoerde vroegere wet (zieagrariae leges). Toen zijn ambtgenoot M. Octavius, ondanks de smeekingen van Gracchus, zich tegen de behandeling bleef verzetten, stelde Gr. aan het volk voor, Octavius af te zetten. Dit geschiedde, doch aan de onschendbaarheid van het volkstribunaat was hierdoor een zware slag toegebracht. Toen hij nu ook voorstelde, de rijke erfenis van Attalus III van Pergamus niet in de schatkist te storten, maar onder de onvermogende burgers te verdeelen, opdat zij bij den te verkrijgen grond ook eenig bedrijfskapitaal zouden hebben, besloot de senaatspartij geweld te bezigen. Ten einde zich voor het volgende jaar tot volkstribuun te doen herkiezen, had Gr. met zijne aanhangers tijdig post gevat op het Capitool, doch werd door een aantal senatoren en gewapenden onder aanvoering van Scipio Nasīca, bijgenaamd Serapio (zieCorneliino. 21) overrompeld en met 300 der zijnen omgebracht. Zijn lijk werd in den Tiber geworpen.—11)C. Sempr. Gracchus, broeder van no. 10, doch bijna 10 jaren jonger, hernieuwde als volkstribuun in 123 de pogingen zijns broeders (zieagrariae leges) en zocht door verschillende wetten (zieSemproniae leges) de optimatenpartij te fnuiken (123 en 122). Deze echter slaagde er in, een anderen volkstribuun, M. Livius Drusus, over te halen, om door fraaie beloften en schoonklinkende woorden Gracchus’ invloed bij het volk te ondermijnen. Dit ging te gemakkelijker, omdat Gr. alstriumvir coloniae deducendaenaar Carthago was vertrokken, zieRubria(lex). Voor 121 werd Gr. niet herkozen. Een der nieuwe tribunen, Minucius Rufus (z.Minucia(lex) van 121), stelde nu voor, al de sempronische wetten in éénen adem op te heffen. Toen hierover zou gestemd worden, bezette Gr., die het plegen van geweld voorzag, met eene gewapende menigte den Aventijnschen berg, doch werd door den consul L. Opimius, aan het hoofd van senaat en ridderstand, verdreven. Omstreeks 3000 zijner aanhangers vielen in en na den strijd. Gr. zelf liet zich, om niet in handen zijner vijanden te vallen, door een slaaf dooden.—12)Sempronia, zuster van no. 10 en no. 11, gehuwd met Scipio Africānus minor (Corneliino. 18).—13)Tib. Sempronius Gracchuswerd door Augustus verbannen wegens ongeoorloofden omgang met diens dochter Julia. Tiberius liet hem ter dood brengen (14 n. C.). Hij is misschien de door Ovidius (Ex Ponto IV, 16, 31) genoemde tragische dichter Gracchus.—14)Tib. Sempr. Longus, consul in 218 bij het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, veroverde Melite (Malta) en wilde naar Africa oversteken, toen hij op het bericht van Hannibals nadering werd teruggeroepen. Hij werd door H. bij de Trebia verslagen. In 215 versloeg hij den Carthager Hanno in Zuid-Italië bij Grumentum.—15)Tib. Sempr. Longus, zoon van no. 14, consul in 194, overwon de Bojers.—16)P. Sempr. Sophus, consul in 304, onderwierp de Aequi. In 301 was hij magister equitum van den dictator M. Valerius Corvus, in 299 (v. a. in 300) censor. In deze hoedanigheid vermeerderde hij het aantal tribus met twee. Hij was een der oudsteiurisconsulti.—17)P. Sempr. Sophus, consul in 268, voltooide de onderwerping van Picēnum. In 252 was hij censor met M.’ Valerius Maximus Messa(l)la (Valeriino. 16); zij stieten 15 senatoren uit den senaat.—18)P. Sempr. Tuditānusontkwam als krijgstribuun in 216 na dapperen strijd aan het bloedbad bij Cannae, was in 213 praetor, in 209 censor, in welke hoedanigheid hij Q. Fabius Maximus (Cunctator) tot princeps senatus benoemde. In 204 streed hij als consul bij Croton voorspoedig tegen Hannibal.—19)C. Sempr. Tuditanusleed als praetor in 197 eene nederlaag door de Hispaniërs en stierf aan de bekomen wonden.—20)M. Sempr. Tuditanus, volkstribuun in 193 (zieSempronia(lex)de pecunia credita), consul in 185, overwon de Apuanische Liguriërs.—21)C. Sempr. Tuditanusdiende in 146 onder L. Mummius in Griekenland en was consul in 129. Hij schreef een geschiedkundig werk.—22)Sempr. Asellio, geschiedschrijver, schreef de geschiedenis van zijn tijd, vanaf den Numantijnschen oorlog, toen hij onder P. Scipio Africānus krijgstribuun was (134), tot op Livius Drusus (91).—22)C. Sempr. Rufus, een vriend van Cicero.—23)Sempr. Densus, centurio bij de lijfwacht, trachtte, bij het oproer tegen Galba, diens aangenomen opvolger C. Calpurnius Piso Liciniānus met eigen lijfsgevaar te beschermen.—24)Sempronia, echtgenoote van D. Iunius Brutus (Iuniino. 5), deelgenoote van de samenzwering van Catilina.Sena, 1)Sena Gallica,Σήνη, thans Senigaglia, stad der senonische Galliërs, op de umbrische kust aan den mond der riv. Sena gesticht, sedert 283 rom. kolonie. In de nabijheid, aan den Metaurus, sneuvelde Hannibals broeder Hasdrubal in 207.—2)Sena Iulia,Σαίνα, thans Siena, rom. kolonie in Etruria, ten Z. van Florentia.—3)Sena, eil. aan de W.punt van Gallia, thans Sein, met een orakel onder toezicht van negen maagden, die door het volk voor toovenaressen werden gehouden.Senaculum, plaats waar de senatoren te Rome zich verzamelden totdat het uur der zitting aanbrak. Het lag aan de N.W. zijde van hetComitium, naast hetVulcanal.Senātus,βουλή. In den koningstijd werd de koning in het bestuur bijgestaan door een raad der ouden (senatus, consilium regium), door hem zelven uit de patricische geslachten gekozen; de leden,patres(z. a.), waren oorspronkelijk ten getale van 100, later van 300. Bij het begin van de republiek ging de keuze der leden (lectio senatus) over op de consuls, die in de eerste plaats patriciërs kozen; eerst sedert de instelling dertribuni militum consulari potestatekomen waarschijnlijk ook plebejers onder de senatoren voor, die danconscriptigeheeten hebben (ziepatres). Delex Ovinia(z. a.) draagt de keuze op aan de censoren, terwijl de leden oud-ambtenaren en voor het meerendeel plebejers zijn. De curulische overheden behielden voortaan na het einde van hun ambtsjaar zitting in den senaat tot aan den eerstvolgenden census en kwamen dan natuurlijk in de eerste plaats voor senatoren in aanmerking. Tot zóó lang waren zij geene senatoren, maar personen,quibus in senatu sententiam dicere licebat. In ± 300 hebben ook deaediles plebisdit recht gekregen, terwijl het plebiscitum Atinium (zieAtinia(lex)) dit zittingsrecht ook tot de volkstribunen uitbreidde. Sedert Sulla (zieCorneliae legesvan 81, aan het slot) werden ook de quaestoren in den senaat toegelaten. Recht van zitting had ook de flamen Dialis. Sulla hief delectio senatusgeheel op door de bepaling, dat jaarlijks 20 quaestoren moesten gekozen worden, die in den senaat zitting zouden nemen en houden. Met het herstel der censuur (70) kwam ook de lectio senatus terug, en terstond werd een aantal onwaardigen van de lijst geschrapt (senatu movere,eiicere). P. Clodius Pulcher zocht in 58 dit recht van uitstooting te beperken (zieClodiae legesno. 4). Wat het getal betreft, schijnt de normale sterkte steeds op 300 te zijn gebleven, totdat Sulla het aantal op 600 bracht (zieCorneliae legesvan 81 aan het slot). Zeker echter is het, dat de vergadering nooit door zooveel leden werd bijgewoond. De drukst bezochte senaatsvergadering (senatus frequentissimus) tijdens de republiek, waarvan wij kennis dragen en waarin Cicero’s terugroeping uit de ballingschap ter tafel werd gebracht, telde 417 leden. Natuurlijk waren er altijd een aantal senatoren in dienst van den staat afwezig als stadhouders, legaten, enz. Caesar bracht het getal op 900, Antonius op 1000, welk getal later door Augustus op 600 werd teruggebracht. De werkkring van den senaat omvatte wel in het algemeen alles wat in het belang van den staat was, doch er waren vooral drie zaken, waarin de senaat zelfstandig handelde: de eeredienst, het finantiewezen en de buitenlandsche aangelegenheden. Onder het keizerrijk veranderde de toestand. De volksvergadering hield op te bestaan en hare rechten gingen over op den senaat; bovendien werd de senaat gerechtshof bij belangrijke politieke processen tegen hooggeplaatste personen; doch naarmate de absolute macht der keizers toenam, moest de beteekenis van den senaat lager zinken. Vóór Augustus was er geen maatstaf van vermogen vastgesteld voor de waardigheid van senator. Augustus stelde een census senatorius van 1 millioen sestertiën vast.—De zittingen moesten gehouden worden in eentemplum(z. a.); de voornaamste plaats was decuria Hostiliaaan het forum. Wanneer overwinnende veldheeren hunne aanvraag om een triumftocht aan den senaat voordroegen, geschiedde dit in den Bellōna-tempel, buiten de stad. Ook tal van anderevergaderplaatsen worden genoemd, als: de tempel der Eer, der Trouw, der Eendracht, die van Jupiter Capitolinus, van Jupiter Stator (waar Cicero zijne rede tegen Catilīna uitsprak), de curia Pompei, het theatrum Pompei (waar Caesar werd omgebracht) enz. In enkele gevallen ook kwam de senaat onder den blooten hemel,sub divo, bijeen, b. v. wanneer het prodigium gemeld werd,bovem locutam esse. De zittingen waren wel niet voor het publiek toegankelijk, doch de deuren van het gebouw bleven geopend en in de zaal waren ook scribae, herauten en dgl. aanwezig, tenzij bij eene geheime zitting. Het recht om den senaat bijeen te roepen (cogere, vocare senatum) viel niet samen met het recht om hem te leiden (habere, consulere senatum, agere cum patribus, referre ad senatum) en senaatsbesluiten te maken. Beide rechten waren deel van het imperium; maar in de 3deeeuw is hetius agendi cum patribusook aan de volkstribunen gegeven, niet echter het recht den senaat bijeen te roepen. De overheidspersoon, die den senaat bijeengeroepen had, gewoonlijk de consul, die de maandbeurt had, bij afwezigheid van beide consuls de praetor urbanus, bracht de aan de orde zijnde punten ter tafel(dit heetrelatio) met de formule:quod bonum faustum felix fortunatumque sit populo Romano Quiritium. Referimus ad vos, patres conscripti, enz. Na de zaak te hebben ingeleid, vroeg hij:de ea re quid fieri placet?en noodigde dan de senatoren,quibus ius sententiae dicendae erat, in bepaalde volgorde (die echter niet in alle tijden dezelfde is geweest) uit, hunne meening te zeggen, op deze wijze:quid censes, M. Tulli?Allen waren verplicht te antwoorden, en de eerst gevraagde senator moest omtrent het aan de orde zijnde onderwerp een voorstel doen. Daartoe stond hij op en hield een rede (stans sententiam dicebat). Zijn conclusie leidde hij in metcenseoofdecernoofmihi placet. Hij, die daarop gevraagd werd, kon met het gedane voorstel (sententia) instemmen, of een ander voorstel doen. Hij kon echter ook zoolang sproken als hij verkoos en kon ook, als hij over de voorgestelde zaak had uitgesproken, over elke andere zaak het woord voeren: men denke aan Cato’spraeterea censeo Carthaginem esse delendam. Daar een senaatsbesluit vóór zonsondergang behoorde genomen te zijn, werd dit middel wel eens gebezigd om het nemen van een besluit te verhinderen (diem dicendo consumere). De ambtenaren werden niet naar de rij af gevraagd, maar allen hadden het recht het woord te nemen, wanneer het hun behaagde. Na afloop van de discussies rangschikt de voorzitter de verschillende adviezen (pronuntiabat sententias) en liet dan daarover één voor één stemmen (discessioz. a.). Zie verderpedarii. Was nu de agenda afgehandeld, dan konden de andere ambtenaren, die hetius relationishadden, de leiding overnemen, maar bepaalden zich dan gewoonlijk bij zaken, die tot hun werkkring behoorden (referre de singulis rebus). Het recht om den algemeenen politieken toestand ter sprake te brengen (referre de republica) kwam alleen toe aan dengene, die den senaat bijeengeroepen had. Deze had ook het recht van intercessio tegen iederen ambtenaar, die de leiding van hem overgenomen had, ook tegen de volkstribunen, die van hetius referendihet meest gebruik maakten. De grond van dit recht van intercessio was deze, dat de magistraat, die de leiding overnam,alienis auspiciishandelde.Senātus auctoritas, senātus consultum.Een rechtsgeldig senaatsbesluit heetsenatus consultum. Het werd op schrift gebracht door den voorzitter, die hierbij bijgestaan werd door eenige senatoren,qui scribendo adfuerunt. Werd een besluit doorintercessiogetroffen, dan heette hetsenatus auctoritas; het werd, hoewel het niet voor uitvoering vatbaar was, toch opgeteekend. Deintercessiokon uitgeoefend worden door magistraatspersonen,qui eadem potestate qua ii qui senatus consultum facere vellent, maioreve essent, en door detribuni plebis. Z. ooksenatusaan het einde. Eensenatus consultum tacitumis een besluit, in eene geheime zitting genomen. Omtrent desenatus auctoritas, vereischt voor wetsvoorstellen in decom. centuriatazie menpatres.Senatus consultum ultimumwas de uiterste maatregel, waartoe de senaat overging, wanneer de staat door binnenlandsche onlusten of een buitenlandschen vijand naar zijn meening in gevaar verkeerde. Het was een uitnoodiging aan de in het besluit genoemde ambtenaren, in den vormvideant consules, (enz.)ne quid respublica detrimenti capiat. Zij verzocht hen, op eigen gezag alle naar omstandigheden noodige maatregelen te nemen, die in hun bevoegdheid lagen, zooals vormen van een leger met buitengewone lichtingen, bevelen uitvaardigen aan burgers en bondgenooten, met geweld de rust herstellen, enz. Zie ookhostis iudicatio.Senātus municipālis.In de rom. municipia had men een gemeenteraad,senatusgenoemd, wiens ledendecurionesheeten en die ook welordo decurionumwordt genoemd. In den regel bestond hij uit 100 leden.Seneca, familienaam, zieAnnaei.Senecio, familienaam, zieHerennii.Senogallia=Sena Gallica.Senones,Σένονες, machtige gallische volksstam aan de Sequana (Seine) in het latere Isle de France en Champagne. Hunne hoofdstad was Agedincum (Sens in Champagne). Een gedeelte van dit volk trok ± 400 de Alpen over naar Italië en stichtte daar aan de Adriatische zee de stad Sena, gewoonlijk Gallica bijgenaamd. Het waren deze Galliërs, die in 390 de Romeinen aan den Allia versloegen en het Capitool belegerden. In 283 werden zij door den consul P. Cornelius Dolabella Maximus verslagen en zoo goed als vernietigd. Z.Ager Gallicus.Sentia Aelia(lex), zieAelia Sentia(lex).Sentii.1)C. Sentiusoverwon in 89 als praetor de Thraciërs, na eerst zelf door hen te zijn verslagen.—2)C. Sentius Saturninus,vriend van den jongen Sex. Pompeius, consul in 29, toonde zich uiterst gestreng tegen afpersingen en ambitus. In 7 werd hij stadhouder van Syria en hield toen den census in Iudaea, later (4 en 5 n. C.) was hij legaat van Augustus in Germania.—3)C. Sentius Saturninus, een zoon van no. 2, consul in de eerste helft van het jaar 4 na C., zieAelia Sentia(lex). In de tweede helft van ditzelfde jaar vindt men als consul suffectusCn. Sentius Saturninus, die in 19 na C. legaat in Syria was.—4)Sentius Augurīnus, een vriend van Plinius minor.Sentīnum,Σεντῖνον, versterkte stad in Umbria aan den Aesis. Hier versloegen in 295 de Romeinen de vereenigde Samnieten, Galliërs en Etruscers. Consuls waren toen Q. Fabius Maximus Rulliānus (zieFabiino. 14) en P. Decius Mus, die volgens het verhaal zich ten doode wijdde.Sepias,Σηπίας, Z.O. punt van het thessalische landschap Magnesia.Sepīnum=Saepinum.Seplasia, eene straat te Capua, met parfumeriewinkels.Sepphōris,Σεπφωρίς=Diocaesarēa.Septem aquae, “de 7 meren”, landstreek bij Reāte in het sabijnsche land.Septempeda,Σεπτέμπεδα, rom. municipium in het N. van Picēnum, op de grens van Umbria.Septemviri epulōnes, zieepulones.Septentrio,Ἀπαρκτίας, de Noordenwind, zieWindstreken.Septimii, rom. geslacht, waarvan in Cicero’s tijd en later eenige leden voorkomen, echter niet belangrijk genoeg voor afzonderlijke vermelding. Aan het einde van de 2deeeuw na C. komt een dichter Septimius Serēnus voor. Zie ookDictysno. 2.Septimius Geta, rom. keizer, zieGeta.Septimius Sevērus, rom. keizer, zieSevēri.Septimontium, het zeven-heuvelenfeest, jaarlijks in Dec. te Rome gevierd, oorspronkelijk alleen door dat gedeelte van de bevolking, dat het Septimontium (zieRoma) vormde.Septizonium, paleis (z. echter ookNymphēum) door keizer Septimius Severus aan de Z.O. zijde van den Palatinus opgericht. Het had drie verdiepingen kolonnades, elke voorzien van eene kroonlijst, die op de via Appia uitzagen. Paus Sixtus V liet het gebouw afbreken om aan de zuilen een andere bestemming te geven. Ook keizer Titus had een dergelijk gebouw laten oprichten.Septa=saepta, zieovile.Septuaginta,οἱ ἑβδομήκοντα, worden bij verkorting de 72 Joden genoemd, die volgens het verhaal op last van Ptolemaeus Philadelphus te Alexandrië het O.T. in het Grieksch hebben vertaald. Deze vertaling was in de Hellenistisch-Joodsche en in den Oud-Christelijke wereld algemeen in gebruik. De schrijvers van het Nieuwe Testament citeeren deze uitgave, nooit den Hebreeuwschen bijbel. De taal is deΚοινή, maar met belangrijke afwijkingen;menzou dit het Joden-Grieksch kunnen noemen.Septunx= 7/12 as. Een muntstuk van deze waarde bestond niet.Sequana, rivier in Gallia, thans Seine.Sequani, keltisch volk, een der hoofdstammen van Gallia Transalpīna, aan de Westzijde van het Juragebergte, vijanden van de Aeduërs. Hoofdstad: Vesontio (Besançon).Serapēum,Σεράπειον, Serāpis-tempel. Beroemd was vooral het Serapeum te Alexandrië in Aegypte, met een aanzienlijke bibliotheek, dat in 379 n. C. door Theophilus van Alexandria vernietigd werd.Serapion,Σεραπίων, 1) van Alexandrië, stichter eener empirische geneeskundige school, omstreeks 220.—2)van Antiochië, beroemd wiskundige en aardrijkskundige, waarschijnlijk tijdgenoot van Eratosthenes no. 2.Serāpis,Σάραπις, een god, wiens beeld door Ptolemaeus I naar aanleiding van een droomgezicht uit Sinōpe gehaald werd en wiens eeredienst hij in Aegypte invoerde. Hij werd beschouwd als eene vereeniging van Osīris en Apis, als een god der afgestorven zielen, heer van gezondheid en ziekte. Zijn dienst vond ook ingang bij de Grieken en Rom., die hem met Zeus, Hades of Asclepius vereenzelvigden.Serbouis lacus,Σερβωνὶς λίμνη, een langgestrekt, ondiep zoutmeer ten O. van Aegypte langs de kust, in Casiōtis. Daarvóór lag de Casius mons (z.Casiusno. 1), en ten W. Pelusium, de grensvesting van Aegypte.
Sceptici,Σκεπτικοί, z.Pyrrho.Schedius,Σχέδιος, naam van twee aanvoerders der Phocensers voor Troje, beiden door Hector gedood.Scheria,Σχερία, het eil. der Phaeāces (z. a.). In later tijd vond men dit eiland terug in Corcȳra (z. a.).Σχιστὴ ὁδός, de driesprong, waar Oedipus zijn vader Laius doodde; volgens Aeschylus bij Potniae aan den Cithaeron, volgens Sophocles in Phocis, in de buurt van Daulis (z.Parnassus).Schoeneus,Σχοινεύς, zoon van Athamas en Themisto, koning in Boeotië, vader van Atalante.Schoenus,Σχοῖνος, vlek in Boeotia, aan het meer van Hyle.Schoenus,Σχοινοῦς(= biezenstad), 1) eene der havens van Corinthus, aan de Oostkust van den Isthmus, ten N. van Cenchreae.—2)vlek in het hart van Arcadia, bij Methydrium.Scholium,σχόλιον, aanteekening op den rand van een handschrift; zulke aanteekeningen bevatten critische opmerkingen, verklaringen van moeilijke plaatsen, enz. Veelal waren het uittreksels uit de werken van alexandrijnsche geleerden, en bij het copieeren van het handschrift werden zij dikwijls mede overgeschreven. De scholia, die in de nog bestaande handschriften gevonden worden, zijn van zeer ongelijke waarde en in de meeste gevallen is het onbekend van wien zij afkomstig zijn.Sciapodes,Σκιάποδες, fabelachtig volk in Libye; zij hadden zulke groote voeten, dat zij die, wanneer zij zaten, als zonneschermen konden gebruiken.Sciathus,Σκίαθος, eiland en stad in de Aegaeïsche zee nabij de kusten van Euboea en van het thessalische kustland Magnesia, door de Chalcidiërs gekoloniseerd, in 200 door de Macedoniërs verwoest, later een schuilhoek voor de zeeroovers.Scidrus,Σκίδρος, kleine grieksche stad aan de Westkust van Italia, in Lucania, ten O. van Pyxus (Buxentum).Scillus,Σκιλλοῦς, stad in het elische gewest Triphylia, aan den Selīnus, een zijtakje van den Alphēus. Xenophon bracht er een gedeelte zijner ballingschap door en stichtte er een tempel voor Artemis, in het klein gelijkende op dien te Ephesus.Sciōne,Σκιώνη, stad van Chalcidice op het schiereiland Pallēne.Scipiades, iemand uit de familie der Scipio’s, dichterlijk woord.Scipio, familienaam in degens Corneliaz.Cornelii6–26.Sciras,Σκιράς, bijnaam van Athēna van onzekere beteekenis, vgl.Scirophoria.Sciritis,Σκιρῖτις, eene woeste bergstreek in het N. van Laconica, genoemd naar het stadjeScirus, ten N. van Sparta, aan den weg naar Tegea. De inwoners,Scirītae,Σκιρῖται, vormden in het spartaansche leger een afzonderlijk korps, meest van 600 man (Σκιρίτης λόχος), dat de eereplaats aan den rechtervleugel innam, op marsch de voorhoede vormde en op de gevaarlijkste plaats gelegerd was.Sciron,Σκ(ε)ίρων, 1) een berucht roover, die op de Scironische rots tusschen Attica en Megaris woonde, de voorbijgangers dwong hem de voeten te wasschen en hen daarna in zee schopte, waar zij door een schildpad werden verslonden. Theseus deed hem op dezelfde wijze omkomen.—2)zoon van Pylas, schoonzoon van Pandīon. Hij betwistte Nisus de heerschappij over Megara, maar Aeacus,als scheidsrechter ingeroepen, kende Nisus de regeering en Sc. het opperbevel in den oorlog toe.Scironides,Σκιρωνίδης, een van de atheensche strategen, die in 412 bij Milētus eene overwinning op deLacedaemoniërsen Milesiërs behaalde; onder de 400 werd hij afgezet.Scirophoria,Σκιροφόρια, feest ter eere van Athēna Sciras den 12denScirophorion te Athene gevierd. Bij den feestelijken optocht van den burcht naar Eleusis liepen de priesteressen dier godin en de priesters van Erechtheus en Helius onder een groot wit zonnescherm (σκίρον), het zinnebeeld van bescherming tegen de hitte der aanstaande hondsdagen.Scirophorion,Σκιροφοριών, 12demaand van het Attische jaar (Juni–Juli), z.annus.Scirtus,Σκίρτος, (= de huppelende), waterrijke rivier met sterk verval, die langs Edessa stroomt, en na zich met den Bilechas (Belias) vereenigd te hebben, bij Nicephorium in den Euphraat valt.Scirus,Σκῖρος, zieSciritis.Scodra,Σκόδρα, hoofdstad der Labeātes, een aanzienlijke stad en sterke vesting met vele rom. inwoners aan de Z. grens van Dalmatia, aan denlacus Labeātis, tgw. Scutari.Scodrus=Scardus.Scoedises,Σκοιδίσης=Scordiscus.Scolatium, stad in het land der Bruttii, dicht bij den Sinus Scylleticus, sedert 122 rom. kolonie.Scolium,σκόλιον, σκολιὸν μέλος, een bizonder soort van liederen, door de Grieken aan tafel gezongen. De naam wordt afgeleid van de willekeurige volgorde, waarin zulke liederen door de gasten gezongen werden, terwijl bij andere tafelliederen, vooral bij godsdienstige gezangen, ieder op zijn beurt of allen met elkander zongen. Anderen denken aan eigenaardigheden in metrum of melodie. Beroemd is onder de scolia, die bewaard gebleven zijn, dat van Callistratus op Harmodius en Aristogīton.Scollis,Σκόλλις, gebergte in Acrorēa.Scolus,Σκῶλος, 1) vlek in Boeotia ten O. van Erythrae, op de helling van den woesten Cithaeron aan den Asōpus gelegen, zóó naargeestig, dat men zeide:εἰς Σκῶλον μήτ’ αὐτὸς ἴμεν, μήτ’ ἄλλῳ ἕπεσθαι. Hier zou Pentheus door de Bacchanten verscheurd zijn.—2)vlek nabij Olynthus.Scomius,Σκόμιον ὄρος, hoog gebergte in Thracia, dat zich, O.waarts van den Scardus, van den Haemus afscheidt.Scopadae,Σκοπάδαι, een adellijk geslacht dat te Crannon in Thessalië regeerde, totdat de tyrannen van Pherae zich verhieven.Scopas,Σκόπας, 1) een van de Scopadae, beroemd door zijn rijkdom, bij wien Simonides langen tijd doorbracht. Bij een feestmaal kwam hij met al zijne gasten om door het instorten van de zoldering der eetzaal; alleen Simonides werd op wonderdadige wijze gered.—2)een van de Scopadae, van wien verhaald wordt dat hij met den jongen Cyrus bevriend was, en dat hij Socrates een toevluchtsoord aanbood.—3)van Parus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester. Hij maakte bij voorkeur groepen in marmer, die door afwisselende, maar altijd bevallige standen uitmuntten. Vooral beroemd was van hem de groep van Nereïden en Tritonen, die, door Thetis en Poseidon geleid, aan Achilles zijne nieuwe wapenrusting komen brengen. Zijn bloeitijd valt omstreeks 380, op hoogen leeftijd (350) werkte hij nog mede aan het mausolēum van Halicarnassus. Hij is het meest bekend door zijne koppen, waarvan de oogen diep liggen en naar boven gericht zijn. Hiermede komt het hartstochtelijk element in de grieksche beeldhouwkunst op, het dwepende, zooals steeds in tijden, waarin men ontevreden is met de bestaande toestanden.Scordisci,Σκορδίσκοι, keltische volksstam in Pannonia op beide oevers van den benedenloop van den Savus.Scordiscus,Σκορδίσκος, ofScoedises, gebergte op de grenzen van Armenia en Armenia minor.Scordus=Scardus.Scorpius, het sterrenbeeld de Schorpioen, de onder de sterren verplaatste schorpioen, die Orion gedood had.Scoti, Schotten, ziePicti.Scotussa,Σκοτοῦσσα, 1) oude stad in het thessalische gewest Pelasgiōtis, niet ver van Cynoscephalae. Pelopidas behaalde hier in 364 eene overwinning op Alexander, tyran van Pherae.—2)stad in Macedonia ten O. van den Strymon.Scribae, zieapparitores.Scriboniae(rogationes), van den volkstribuun C. Scribonius Curio, in 50. Het waren slechts voorstellen, die echter niet in behandeling kwamen of verworpen werden. 1)de intercalando, over het inlasschen eener maand. Dit was meer een verzoek aan depontifices, dan een wetsvoorstel. Het verzoek werd gedaan om tijd te winnen voor het doen aannemen zijnerrogationes, wat vóór 1 Maart 50 moest gebeurd zijn. Toen het afgewezen werd, ging hij tot de partij van Caesar over, zieScriboniino. 6.—2)viaria, over het onderhoud der openbare wegen, misschien ook een voorstel tot tolheffing.—3)alimentaria, over korenuitdeeling.—4)om het gebied van koning Juba tot rom. staatseigendom te verklaren.Scriboniānus(Furius CamillusofL. Arruntius Camillus), zieFuriino. 14.Scribonii, plebejisch geslacht, waarvan deLibōnesenCuriōnesde voornaamste familiën zijn. 1)L. Scrib. Libo, volkstribuun in 216 en praetor in 204.—2)C. Scrib. Curiobouwde als aediel met zijn ambtgenoot Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitiino. 2) in 196 den Faunus-tempel te Rome.—3)L. Scrib. Libo, drong in 149 als volkstribuun, gesteund door den 85-jarigen M. Porcius Cato (maior), op bestraffing van Ser. Sulpicius Galba (Sulpiciino. 11) aan, die zich tegenover de Lusitaniërs aan woordbreuk had schuldig gemaakt en verraderlijk hen, die zich ongewapend hadden overgegeven, had latenneerhouwen.—4)C. Scrib. Curio, een der voortreffelijkste redenaars van zijn tijd, praetor in 121.—5)C. Scrib. Curio, zoon van no. 4, minder goed redenaar dan zijn vader, was volkstribuun in 90 en diende in 84 onder Sulla tegen Mithradātes; in 76 was hij consul; later versloeg hij als proconsul van Macedonia de Moesiërs en Dardaniërs en was de eerste rom. veldheer, die tot aan den Donau doordrong. Hij was een man van den ouden stempel en van strenge zeden, evenwel in het staatkundige niet onpartijdig. Hij was het, die Verres geluk wenschte met de verkiezing van Hortensius tot consul. In de zaak van Catilīna stond hij aan Cicero’s zijde. Later was hij een vurig tegenstander van Caesar. Hij stierf in 53.—6)C. Scribonius Curio, zoon van no. 5, weder een uitstekend redenaar, doch verkwistend en trouweloos van aard. Eerst was hij republikeinsch gezind doch in zijn volkstribunaat (50), (zieScriboniae rogationesno. 1), ging hij tot de partij van Caesar over, v. s. door dezen omgekocht. Toen de onderhandelingen schipbreuk leden en het bekende senaatsbesluit tegen Caesar was aangenomen, nam Curio met C. Caelius en de tribunen M. Antonius en Q. Cassius in Jan. 49 de wijk naar Caesar. Hij diende hem vervolgens in Africa, en sneuvelde daar tegen Juba.—7)L. Scrib. Libowas een aanhanger van Pompeius, met wiens zoon Sextus zijne dochter was gehuwd. Hij streed in 49 als vlootvoogd tegen Caesar en bracht in 39 de overeenkomst tusschen Sextus Pompeius en het driemanschap tot stand. In 34 was hij consul. Hij was bevriend met Cicero.—8)Scribonia, zuster van no. 7, was de tweede vrouw van Octaviānus en de moeder van Iulia, zieIuliino. 14. Toen deze verbannen werd, trok zij met haar dochter mede.—9)L. Scrib. Libo Drususwekte de ijverzucht van Tiberius op en werd door Fulcinius Trio van tooverij aangeklaagd. Om eene veroordeeling te ontgaan, pleegde hij zelfmoord (16 n. C.).—10)een drietalScriboniiwerden door Caligula en Nero omgebracht.—11)Scrib. Larguswas in 43 na C. geneesheer van keizer Claudius op diens reis naar Britannia. Hij schreef een werkcompositiones medicamentorum, een receptenboek, dat gedeeltelijk bewaard is.Scrinium, eene ronde doos, tot bewaring van handschriften, die daarin opgerold naast elkander werden gezet. Onder de keizers heetten de bureaux der keizerlijke kanselarijscrinia. Zij waren tijdens Constantijn den Gr. vier in getal:scrinium memoriae, scr. epistularum, scr. libellorum supplicum, scr. dispositionum. Aan het hoofd van elke afdeeling stond eenmagisteren onder hem eenproximus, beiden tot despectabilesbehoorende.Scriptores historiae Augustae, een zestal schrijvers uit den tijd van Diocletiānus en Constantijn, met name Aelius Spartiānus, Vulcatius Gallicānus, Trebellius Pollio, Flavius Vopiscus, Aelius Lampridius en Iulius Capitolīnus. Hunne, later tot een bundel saamgevoegde levensbeschrijvingen van rom. keizers loopen van 117–285 na C. Zij beginnen met het leven van Hadriānus en eindigen met dat van Carīnus.Scriptūra, weidegeld, dat betaald werd bij het inschrijven van vee op depascua publica, d. z. de weidegronden, die tot het romeinsche staatsdomein behoorden.ScripulumofScrupulum, zeer klein gewicht, het 1/24 eeneruncia.Scultenna, zijtak van den Padus (Po), die op geringen afstand O.waarts van Mutina stroomt.Scutala, Scyt-,σκυτάλη, een stok, zooals de spartaansche overheden voor geheime correspondentie gebruikten. Een smalle witte strook werd stijf om den stok gewonden en overdwars beschreven; daarop werd de strook alleen verzonden, zoodat het geschrevene alleen kon gelezen worden, wanneer de strook om een stok van gelijke dikte gewonden werd. Ieder ambtenaar, die buitenslands ging, kreeg daarom zulk een stok mede.Scutum.Scutum,θυρεός, langwerpig vierkant gebogen schild van het rom. voetvolk, omstreeks M. 1,20 lang en M. 0,80 breed, van hout gemaakt, met leder overtrokken, van een metalen rand voorzien en in het midden van een metalen knop of plaat om de slagen op te vangen. De verschillende legioenen hadden de schilden met verschillende kleuren en distinctieve figuren versierd.Scylace,Σκυλάκη, oude nederzetting der Pelasgen aan de Propontis, ten O. van Cyzicus.Scylaceumof-cium, Scylletium,Σκυλάκιον, grieksche stad op twee heuvels aan de Oostkust van het land der Bruttii, aan densinus Scylacius,Σκυλλητικὸς κόλπος, gelegen, thans Squillace.Scylax,Σκύλαξ, 1) van Caryanda, een logograaf, die op last van Darīus Hystaspis eene onderzoekingsreis langs de aziatische kust van den Indus tot de Roode zee deed. De nog bestaandeπερίπλους τῆς θαλάσσης τῆς οἰκουμένης, die op zijn naam staat, is van veel lateren tijd.—2)van Halicarnassus, vriend van Panaetius, als staatsman, wis- en sterrenkundige en toonkunstenaar beroemd.Scylla,Σκύλλα, 1) dochter van Poseidon en de nimf Crataeïs, een vreeselijk blaffend monster met 12 voeten en 6 lange halzen, ieder met een kop met 3 rijen puntige tanden. Zij woont in het diepe hol van eene aan zee staande, hemelhooge, door wolken omhulde rots, en tegenover haar op een andere rots woont een ander monster, Charybdis, die drie maal daags het zeewater met schepen en al wat er in is inzwelgt en het ook driemaal daags weder uitbraakt. Toen Odysseus tusschen de beide rotsen doorvoer, hield hij zijn schip zoo ver mogelijk van Charybdis af, maar daardoor kwam hij te dicht bij Sc., diemet hare muilen 6 van zijne tochtgenooten wegroofde en verslond.—Sc. was vroeger een schoone zeenimf geweest, die door Glaucus of Poseidon bemind werd, uit jaloerschheid gaf Circe of Amphitrīte haar hare latere afgrijselijke gedaante. Charybdis was eene dochter van Poseidon en Gaea, die aan Heracles eenige runderen ontroofd had, en daarvoor door Zeus met den bliksem in zee geslingerd was.—In lateren tijd verklaarde men de twee monsters als twee gevaarlijke rotsen aan de beide zijden van de sicilische zeeëngte.—2)dochter van Nisus (z. a.), die haar vader aan Minos verried. Uit afschuw voor hare daad liet Minos haar aan zijn schip vastbinden en door het water meesleuren, zoodat zij verdronk; of zij sprong in zee om het schip van Minos te volgen en werd in een zeevogel veranderd, die altijd door haren in een zeearend veranderden vader vervolgd wordt.Scyllaeum,Σκυλλαῖον, 1) stad en kaap in het land der Bruttii, waarbij het monster Scylla zich ophield, ten N. van Rhegium. Anaxilas, tyran van Rhegium, legde hier eene versterkte haven aan.—2)kaap in Argolis bij Troezen.Scyllaeum fretum=fretum Siculum.Scylletium,Σκυλλήτιον=Scylaceum.Scymnus,Σκύμνος, van Chius, een geograaf van onbekenden tijd, misschien uit de 2deeeuw, schrijver eenerΠεριήγησις. Het nog bestaande gedicht, dat dien titel en den naam van Sc. draagt, is misschien eene metrische bewerking van zijn werk, dat in proza geschreven was.Scyrus,Σκύρος, eiland en stad ten O. van Euboea, waar volgens de sage Thetis haar zoon Achilles aan het hof van koning Lycomēdes in meisjeskleederen verborg. De bewoners waren Dolopes, die wegens zeeroof door de Amphictyonen bestraft werden. In 474 (of 473), na de vermeestering van Scyrus, ontdekte Cimon er het gebeente van Theseus, dat naar Athene werd overgebracht en in het Thesēum bijgezet. Scyrus bleef onder Athene tot in den macedonischen oorlog, in 196 echter gaven de Rom. het aan Athene terug.Scytala=Scutala.Scythia,Σκυθία. Bij Herodotus is Scythia het land ten N. van den Pontus Euxīnus (Zwarte Zee) tusschen den Ister en het land der Agathyrsi (thans Zevenbergen) ten W. en den Tanais (Don) ten O. Latere schrijvers breiden de grenzen oostwaarts uit. De bewoners,Scythae,Σκύθαι, waren dapper en vrijheidslievend en alle pogingen der perzische koningen om hen te onderwerpen, mislukten. Zij hadden geene steden of dorpen, maar leefden in wagens. Zij bestonden uit een onbekend aantal stammen; het talrijkst waren deΣκ. βασιλήιοιof krijgslieden, voorts had men herders en ook landbouwende stammen. Omstreeks 600 deden de Sc. een inval in Klein-Azië en Europa, doch werden na ruim een kwart eeuw door Cyaxares weder verdreven. Omtrent den tocht door Darīus tegen hen ondernomen, z.Dariusno. 1 enHistiaeus. Na 500 laten de Sc. niets van zich hooren, tot op den tijd van Mithradātes. Na Traiānus verdwijnt de naam Scythen uit Europa en verhuist naar Azië. Ptolemaeus (± 150 na C.) spreekt van eenScythia intraenextra Imāum. De Grieksche schrijvers van de 3deen 4deeeuw n. Chr. duiden met den naamΣκύθαιvaak de Gothen aan, die zich in de 3deeeuw n. Chr. aan de Zwarte Zee hadden gevestigd (zieGothi).—Zie ookτοξόται.Scythīni,Σκυθινοί, volk op de W. grens van Armenia, door wier gebied Xenophon en de 10000 Grieken een tocht van vier dagmarschen maakten.Scythopolis,Σκυθόπολις, aanzienlijke stad van Palaestina, op de grenzen van Galilaea en Samaria, een weinig ten W. van den Jordaan gelegen, met eene zeer gemengde bevolking.Sebaste,Σεβαστή, 1) stad op een eilandje aan de cilicische kust, door koning Archelāus (zieArchelausno. 7) gesticht ter eere van Augustus, omdat de Rom. Cilicia aspera bij zijn rijk hadden gevoegd.—2)stad in het binnenland van Phrygia.—3)=Cabira.—4)zieSamaria.Sebastēa,Σεβάστεια, stad in Pontus in het brongebied van den Halys, door Pompeius tot stad verheven onder den naam Megalopolis, in den keizertijd onder den naam Sebastēa zeer belangrijk als hoofdstad van Armenia minor.Sebastopolis,Σεβαστόπολις, latere naam van Dioscurias.Sebennyticum ostium,Σεβεννυτικὸν στόμα, een der Nijlmonden, gelegen tusschen den Bolbitinischen en den Phatnitischen Nijlmond.Sebennytus,Σεβέννυτος, distrikt en stad in de Nijldelta aan den sebennytischen Nijlarm.Sebēthus, beekje bij Neapolis.Sebīnus lacus, in Gallia Transpadāna, door den Ollius (Oglio) gevormd, thans lago d’ Iseo.Secessio plebis, uitwijking der plebs uit Rome onder bedreiging een eigene stad te zullen stichten. De eerste uitwijking, naar den Mons Sacer, die echter niet historisch is, had plaats in 494 ten gevolge van verdrukking en van strenge toepassing van het schuldrecht (ius nexus) en eindigde door de instelling van het volkstribunaat (zietribuni plebis). Bij de tweedesecessio, in 449, rukte het leger, dat op den Algidus stond, op naar den Aventīnus, en toen werd, na onderhandelingen tusschen de strijdende partijen, een overeenkomst gesloten, waarbij de tienmannen (ziedecemviri legibus scribundis) aftraden, en het consulaat hersteld werd (zie verderHoratiae Valeriae(leges). Bij de derdesecessio plebisin 287 week het volk gewapend uit naar den Ianiculus; als gevolg hiervan kwam delex Hortensia(z.a.) tot stand. Ook de tweedesecessiowordt door sommige geleerden voor onhistorisch gehouden.Sectio bonorum, openbare gerechtelijke verkooping in naam van den staat, b.v. bijverbeurdverklaringen. De verkoop hadsub hastaplaats en geschiedde aan den meestbiedende. De kooper was nu aansprakelijk voor de schulden van den boedel en daar hij meestal op speculatie kocht, trachtte hij de gekochte massa weder in perceelen te verkoopen. Aan deze verbrokkeling is de naamsectiozijn ontstaan verschuldigd, de kooper heette alsdansector. Bijbonorum emptio(z.a.) in den faillieten boedel hadauctioplaats, geensectio.Secundi, 1) rom. familienaam, o.a. bij dePlinii.—2)Iulius Secundus, zeer geprezen redenaar ten tijde van keizer Vespasiānus, een der sprekers in Tacitus’dialogus de oratoribus.—3)Secundus Carrinas, rhetor, door Caligula uit Rome verbannen, benam zich te Athene uit armoede het leven.Secūtor, zwaardvechter met zwaard en schild, die veeltijds tegen den retiarius vocht.Sedetani=Edetani.Sedūni, volksstam aan den Boven-Rhodanus (Rhône) in het tegenw. Zwitserland in den omtrek van het tegenwoordige Sion of Sitten.Sedusii, germaansch volk in het leger van Ariovistus.Segesama,Σεγεσάμα, stad der Murbogi in Hispania Tarraconensis, ten N.O. van Pallantia (Palencia).Segesta, Segetia, Sēia, Semonia, rom. godinnen, die het zaad onder de aarde en het reeds opgeschoten koren beschermden. Hare namen mochten alleen in de open lucht uitgesproken worden.Segesta,Σεγέστη=Egesta.Segestes, cheruscisch opperhoofd, schoonvader van Arminius, die zijne dochter had geschaakt. Segestes was tegen Arminius vijandig gezind en had vruchteloos Varus gewaarschuwd, dat er verraad broeide (9 na C.). Later (15) riep hij tegen zijn schoonzoon de hulp van Germanicus in, die hem een woonplaats aanwees op den linker Rijnoever.Segestus, -tes=Acestes.Segetia, z.Segesta.Segimērus,Σηγίμηρος, Σεγίμηρος, Segimer, 1) vader van Arminius, nam deel aan den strijd tegen Varus.—2)broeder van Segestes, onderwierp zich aan Germanicus in 15 na C.Segimundus, Siegmond, zoon van Segestes, was Romeinsch priester te Ara Ubiorum, toen de opstand der Cheruscen uitbrak (9 na C.), en vluchtte toen naar zijn vaderland. In 15 werd hij door zijn vader uitgeleverd, en door Germanicus in genade aangenomen.Segni, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Eburōnes, die aan de Mosa (Maas), en de Treviri, die aan de Mosella (Moezel) woonden.Segobrīga,Σεγόβριγα, in Hispania Tarraconensis, 1) hoofdstad der Celtibēri, aan den bovenloop van den Sucro gelegen.—2)stad der Edetāni, ten N.W. van Valentia (Valencia).Segodūnum,Σεγόδουνον, 1) hoofdstad der Rutēni in Aquitania, thans Rhodez.—2)stad der Hermundūri in Germania, misschien Würzburg aan den Main.Segontia,Σεγοντία=Saguntia.Segontiaci, volksst. in het Z. van Britannia.Segovia,Σεγουβία, stad der Arevaci in Hispania Tarraconensis, ten W. van de Iuga Carpetāna, thans nog Segovia geheeten.Seguntia, zieSaguntia.Segusiāni,Σεγουσιανοί, gallische volksstam in Lugdunensis, ten W. van den Rhodanus (Rhône), die hen van de Allobroges scheidde.Segusiāvi=Segusiani.Segusīni, alpenvolkje aan de Cottische Alpen, onderdanen van koning Cottius (z. a.). Hoofdstad: Segusio (Susa), waar nog een triumfboog bestaat, door Cottius ter eere van Augustus opgericht.Segusio, zieSegusinienCottiae Alpes.Sēia, z.Segesta.Seiānus(L. Aelius), zieAeliino. 8.Sēii. 1)M. Seiuswist als aediel in 74 bij eene groote duurte maatregelen te nemen om toch aan het volk te Rome goedkoop graan te leveren.—2)M. Seius, misschien zoon van no. 1, een vriend van D. Iunius Brutus.—3)Q. Seius Postumuswerd door P. Clodius vergiftigd, omdat hij weigerde, hem zijn huis te verkoopen.—4)L. Seius Strabo, praefectus praetorio in 14 n. Chr. vader van L. Aelius Seiānus, die nog in 14 zijn ambtgenoot werd (z.a.).—5)L. Seius Tubero, was in 16 na C. legaat onder Germanicus, in 18 met hem consul.Σεισάχθεια, afschudding van lasten, een maatregel, door Solon genomen tot verlichting der arme burgers, die tengevolge eener verkeerde wettelijke regeling steeds dieper bij de rijken in schuld geraakten, hoe langer hoe minder in staat waren hunne schuldeischers te voldoen, en ten slotte dikwijls hunne bezittingen en zelfs hunne vrijheid verloren. Solon verklaarde alle hypotheken en misschien ook alle andere schuldvorderingen vervallen.—V. a. bestond deσεισ. in verlaging van den muntstandaard (zoodat 100 nieuwe drachmen de waardehaddenvan 73 oude) en van den rentevoet, doch het is niet aan te nemen, dat deze maatregelen de beoogde, en ook werkelijk bereikte, gevolgen konden hebben.Selēne,Σελήνη, Μήνη,Luna, godin der maan, dochter van Hyperīon en Theia, zuster van Helius en Eos. Haar wagen is met witte paarden of koeien bespannen. Zij werd als maangodin dikwijls verward met Artemis, Hecate of Persephone, evenals Artemis draagt zij den naam Phoebe, en ook onderscheiden hare beelden zich van die van Artemis alleen door meer bekleeding en door een sluier van eigenaardigen vorm.Seleucia,Σελεύκεια, naam van verschillende steden, meest door Seleucus I gesticht. 1)Sel. ad Tigridem,ἡ ἐπὶ τοῦ Τίγρητος, eigenlijk niet onmiddellijk aan de Tigris, maar aan een zijkanaal gelegen. De muren waren gebouwd in den vorm van een adelaar metuitgespreide vlerken. Het was eene uiterst bloeiende handels- en fabrieksstad met eene bevolking van ongeveer 600000 zielen, Babyloniërs, Grieken, Macedoniërs, Joden. Kunsten en wetenschappen werden er vlijtig beoefend. In 116 na C. werd de stad wegens oproer door Traiānus getuchtigd en gedeeltelijk door brand vernield. Door L. Verus werd zij in den Parthischen oorlog in 165 andermaal voor een groot gedeelte verwoest. Overvleugeld door het nabijgelegen Ctesiphon, ging S. voortdurend achteruit en was tijdens Iuliānus geheel verlaten (363).—2)Sel. Pieria,ἡ ἐν Πιερίᾳ, in Syria, aan zee gelegen ten N. der monding van den Orontes, met eene ruime en veilige haven. Als vesting was het schier onneembaar. Er bestaan nog belangrijke ruïnen en catacomben van, nabij Kapse.—3)Sel. ad Belum,ἡ πρὸς Βήλῳ, kleine vesting in Syria aan den berg Belus, in het Orontesdal, tusschen Emesa en Apamēa.—4)stad in het N. van Palaestina, ten N. van het meer Samachonitis.—5)Sel. Tracheōtis,ἡ Τραχεῖα, in Cilicia aspera, aan den Calycadnus (Saleph), met een orakel van Apollo en jaarlijksche spelen ter eere van Zeus Olympius. De wijsgeeren Athenaeus en Xenarchus waren hier geboren.—6)stad in het N. van Pisidia.—7)stad in het Z. van het perzische gewest Margiāne, aan den bovenloop van den Margus, door Alexander den Gr. onder den naam van Alexandria gesticht, later door barbaren verwoest, doch door Antiochus I, Seleucus’ zoon, herbouwd.Seleucis,Σελευκίς, de schoonste provincie van Syria, ook Tetrapolis geheeten naar hare vier steden: Antiochia (Epidaphnes), Seleucia (Pieria), Apamēa (ad Orontem) en Laodicēa (ad Libanum).Seleucus,Σέλευκος, 1) S. I.Nicātor(Νικάτωρ), zoon van Antiochus en Laodice, verwierf onder Alexander d. Gr. vooral in Indië grooten roem als een van de aanvoerders der phalanx. Bij de tweede verdeeling van het rijk kreeg hij Babylonië tot satrapie en spoedig breidde hij zijn gebied uit, maar met Antigonus in twist geraakt, moest hij vluchten en begaf hij zich naar Ptolemaeus (316). Na den slag bij Gaza waagde hij het echter met een klein leger terug te keeren, hij nam Babylon in (1 Oct. 312, begin van de aera der Seleuciden) en veroverde weldra ook zonder veel moeite Susiāna en Medië. In de nu volgende oorlogen wist hij zich tegen Antigonus met roem staande te houden, terwijl hij in Indië, nu als vriend, dan als vijand, zelfs verder dan Alexander doordrong en met den machtigen Sandrocottus voortdurend in betrekking stond. Hij was de eerste onder de diadochen, die den koningstitel aannam en hij besliste den slag bij Ipsus (301) door zijne olifanten, waarna hij Syrië, Mesopotamië, Armenië en een groot deel van Klein-Azië aan zijn rijk toevoegde. Toen hij eindelijk ook Demetrius Poliorcētes in handen gekregen had, konde hij rustig over zijn groot rijk regeeren, dat het grootste gedeelte van Alexanders veroveringen omvatte en zich van den Indus tot de Middellandsche zee uitstrekte. Nog op 77-jarigen leeftijd ondernam hij, aangespoord door Ptolemaeus Ceraunus, een veldtocht tegen Lysimachus; hij behaalde de overwinning, maar werd bijna aan de grens van Macedonië, dat hij nu wilde in bezit nemen, door Ptolemaeus verraderlijk gedood (281). S. wordt na Alexander de grootste krijgs- en staatsman van zijn tijd genoemd. Hij bevorderde in zijn rijk grieksche beschaving, kunst en wetenschap, talrijke (v.s. 75) nieuw gestichte steden in alle deelen van het land werden met Grieken en Macedoniërs bevolkt, ook zijn leger bestond uit Grieken en Macedoniërs. Daarentegen waren de Aziaten van alle aanzienlijke en invloedrijke betrekkingen uitgesloten. In het belang van handel en wetenschap liet hij de landen van den Ganges en de Caspische zee door Megasthenes en Patrocles bereizen en onderzoeken.—2)S. IICallinīcus(Καλλίνικος), zoon en opvolger van Antiōchus II, 247–226. Bij het begin zijner regeering deed Ptolemaeus Euergetes, om den moord zijner zuster Berenīce (z.Antiochusno. 3) te wreken, een inval in Syrië, waardoor een groot deel van het rijk verloren ging; vele jaren had hij tegen den opstand van zijn broeder Antiochus Hierax te kampen; verscheiden provincies, later een deel der bactrische en parthische rijken, scheidden zich af en maakten zich onafhankelijk, eindelijk maakte Attalus van Pergamus van deze verwarde toestanden gebruik om zijn rijk ten koste van Syrië te vergrooten. Na een ongelukkig gevecht tegen Attalus vluchtend, viel S. van zijn paard en stierf.—3)S. IIICeraunus(Κεραυνός), zoon en opvolger van den vorigen, maakte krachtige toebereidselen tot herovering van het onder zijn vader verlorene, maar werd spoedig vermoord (223).—4)S. IVPhilopator(Φιλοπάτωρ), zoon en opvolger van Antiochus d. G., werd na een zwakke regeering (187–175) door zijn rentmeester Heliodorus vermoord.—5)S. V, oudste zoon van Demetrius Nicātor, kort na het aanvaarden der regeering door zijne moeder vermoord (125).—6)S. VIEpiphanes(Ἐπιφανής), zoon en opvolger van Antiochus VIII, voerde oorlog tegen zijn oom en neef (z.Antiochusno.11 en 12) en kwam te Mopsuestia om het leven (95).Selge,Σέλγη, belangrijke pisidische bergvesting, een weinig ten N. der pamphylische grenzen aan den Eurymedon gelegen. De inwoners, die den naam hadden af te stammen van Lacedaemoniërs, waren zeer krijgshaftig en onderhielden steeds eene aanzienlijke krijgsmacht, waarmede zij hunne onafhankelijkheid handhaafden.Selīnus,Σελινοῦς, naam van onderscheidene steden en rivieren = klimopstad, klimoprivier. 1) stad op de Z.W. kust van Sicilia op een heuvel ten Westen van een gelijknamig riviertje. In een strijd met Egesta, riep Sel. de hulp van Syracuse in, Egesta die van Athene, hetgeen aanleiding gaf tot den grooten tocht der Atheners tegen Syracuse.In 409 werd Selinus door de Carthagers geplunderd en verwoest, doch herbouwd; in 249 werden de inwoners door de Carthagers naar Lilybaeum overgevoerd en Sel. andermaal aan verwoesting prijs gegeven. Het was ± 625 gesticht door Doriërs uit Megara Hyblaea. Zeer belangrijke ruïnen vooral van dorische tempels zijn nog over.—2)rivier in het elische distrikt Triphylia, zijtak van den Alphēus, langs de stad Scillus stroomende.—3)rivier in Achaia, die tusschen Aegium en Helice in zee valt.—4)riviertje in Mysia, nabij Pergamus, zijtak van den Caicus.—5)zeestad in het W. van Cilicia, later Traianopolis, de sterfplaats van Traiānus.Sella(curulis), zieCurulis.Sellasia,Σελλασία, stad in Laconica ten N. van Sparta, aan de rivier Oenus. Hier werd Cleomenes III in 221 verslagen door Antigonus Doson.Sellēis,Σελλήεις, 1) rivier bij Ephyra in Thesprotia, v. s. in Elis.—2)rivier nabij Sicyon.—3)riv. in Troas, bij Arisbe, die in den Hellespont uitstroomt.Selli,Σελλοί, Ἑλλοί, priesters van het orakel van Zeus te Dodōna, die uit het ruischen der bladeren van den heiligen eik de toekomst voorspelden. Zij waren gewoon op den blooten grond te slapen en hunne voeten niet te wasschen. Helli of Selli is ook de naam van de oorspronkelijke bevolking van Hellopia; zieEpirus.Sellisternium.Daar het voor vrouwen niet welvoegelijk werd geacht, op rustbedden aan tafel te gaan liggen, zaten zij aan tafel aan. Bij een maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht (zielectisternium), werden er, om de beelden op te plaatsen, stoelen (sellae) om de tafel geplaatst.Sely(m)bria,Σηλυ(μ)βρία, stad op de thracische kust aan de Propontis (zee v. Marmara), oude volkplanting van Megara, thans Selivri.Sembella, zilveren munt ter waarde van ½libellaof as. Desemissis, ook = ½ as, was van koper. Door sommigen wordt het bestaan der zilveren sembella als muntstuk betwijfeld.Semele,Σεμέλη, dochter van Cadmus en Harmonia, bij Zeus moeder van Dionȳsus. Hera, die jaloersch op haar was, kwam tot haar onder de gedaante van haar oude voedster en overreedde haar om Zeus te verzoeken, zich in zijne volle majesteit aan haar te vertoonen, zooals hij Hera bezocht. Daar Zeus haar vooraf beloofd had iederen wensch van haar te zullen vervullen, konde hij niet anders dan aan haar verzoek voldoen, maar toen hij haar te midden van donder en bliksem verscheen, verbrandde S. door den gloed. Haar ongeboren kind werd echter door Zeus gered (z.Dionȳsus), en later werd zij onder den naam Thyōne onder de onsterfelijken opgenomen.Sementīnae, -tīvae, rom. feest, na afloop van den zaaitijd op twee door een week gescheiden dagen van Januari ter eere van Ceres en Tellus gevierd, zieFeriae.Semiramis,Σεμίραμις, dochter van Derceto (z. a.), gehuwd met den assyrischen landvoogd Menon of Onnes, trok bij het beleg van Bactra door haar schoonheid en heldhaftigheid de aandacht van koning Ninus, die haar tot vrouw nam en bij wien zij moeder werd van Ninyas. Na den dood van haar gemaal nam zij voor haar zoon de regeering in handen, en gedurende haar geheel verder leven bleef zij die behouden; eerst toen zij na eene regeering van 42 jaar gestorven of van de aarde verdwenen was, volgde Ninyas haar op. Zij stichtte Babylon, liet talrijke verbazingwekkende versterkingen, kanalen en bouwwerken aanleggen en drong met hare legers zegevierend tot ver in Libye door, ook ondernam zij een krijgstocht naar Indië, die echter ongelukkig afliep.—V. s. hebben deze berichten, hoe overdreven ook, betrekking op de babylonische, v. a. assyrische koningin Sammuramat, die omstreeks 800 eenigen tijd voor haar minderjarigen zoon regeerde, krijgstochten ondernam naar Syrië, Phoenicië, Palaestina en Medië en den dienst van babylonische goden in Assyrië invoerde.Semis(sis), koperen munt = 6 unciae of ½ as, aan de eene zijde gestempeld met een Jupiters-, Juno-, of Minerva-kop en de letterS, aan den anderen kant met den voorsteven van een schip. Zie ookSembella.Semnones, de machtigste der suebische volksstammen, ten N. der Hermunduren, in het tegenw. Thuringen tusschen den Albis (Elbe) en den Viadus (Oder). In hun gebied was in een heilig woud de vergaderplaats van de afgevaardigden van den suebischen volkenbond.Semo Sancus, zieDius Fidius.Semōnes, goddelijke wezens van sabijnschen oorsprong, wier dienst door de Rom. werd overgenomen, in beteekenis gelijk aan de Genii.Semonia, z.Segesta.Semonides, waarschijnlijk juistere schrijfwijze danSimonides.Sempronia(lex)de pecunia credita, van den volkstribuun M. Sempronius Tuditānus (Semproniino. 20) in 193. Door deze wet werden de rente- en woekerwetten van Rome ook van toepassing gemaakt op de latijnsche socii.Sempronia(lex)agrariavan den volkstribuun Tib. Sempronius Gracchus. Zieagrariae leges.Semproniae(leges) van den volkstribuun C. Sempronius Gracchus in 123 en 122. 1)lex agraria, zieagrariae leges.—2)lex frumentaria, tot verkrijgbaarstelling van goedkoop koren, tegen ⅚ as den modius, zieannona.—3)lex de civitate Italicis sociis danda; de bedoeling was aan de Latini het burgerrecht, aan de andere socii deLatinitaste verleenen; het plan hiertoe wordt reeds aan Tib. Gracchus toegeschreven; ook ditmaal is de wet niet aangenomen.—4)lex, ne de capite civium iniussu populi iudicaretur, eene vernieuwing, vermoedelijk eene verscherping derleges Porciae. Deze wet was oorspronkelijk gericht tegen P. Popilius Laenas (Popiliino. 5, z. a.), die dan ook in ballingschap gegaan is.—5)lex iudiciaria, die deiudiciaaan de equites gaf, zieiudexenequites.—6)lex de provinciis consularibus, dat de senaat jaarlijks nog vóór de comitiën de consulaire provinciën moest aanwijzen.—7)lex de provincia Asia a censoribus locanda, een wet, die de censoren verplichtte de belastingen van de provincie Asia (het rijk van Pergamum) te verpachten; deze wet was voor Asia een groote ramp, ziepublicani.—Nog andere wetten worden vermeld, die vermoedelijk slechts bij een ontwerp gebleven zijn, of waarvan de inhoud duister is.Sempronii, rom. geslacht, waarvan alleen de Atratīni patricisch zijn. 1)A. Sempronius Atratinus, consul in 497 en 491.—2)L. Sempr. Atratinus, consul in 444, censor in 443.—3)S. Sempr. Atratinus, consul in 423, voerde een ongelukkigen oorlog tegen de Volscen. In 422 hierom aangeklaagd, werd hij vrijgesproken, maar in 420 wederom aangeklaagd en tot eene boete veroordeeld.—4)A. Sempr. Atratinus, was bij herhaling consulairtribuun, in 425, 420 en 416. Hij was een zoon van no. 2.—5)L. Sempr. Atratinus, consul in 34, was in den burgeroorlog vlootvoogd van Antonius, doch verliet diens zijde nog voor den slag bij Actium. Later sloeg hij levensmoede de hand aan zich zelf.—6)C. Sempr. Blaesus, consul in 253, ondernam met zijn ambtgenoot Cn. Servilius Caepio een tocht naar Africa. Zij voerden niet veel uit, leden op de tehuisreis schipbreuk en verloren 150 schepen. In 244 was Blaesus andermaal consul.—7)Tiberius Sempr. Gracchus, consul in 238, versloeg de Liguriërs en bezette Sardinia en Corsica.—8)Tib. Sempr. Gracchus, zoon van no. 7, consul in 215, behaalde met een leger, grootendeels bestaande uit slaven, wien de vrijheid beloofd was (volōnes), eene overwinning op Hannibals onderveldheer Hanno bij Beneventum (214). In 213 was hij ten tweeden male consul, maar in het begin van 212 werd hij door Mago in een hinderlaag gelokt en sneuvelde.—9)Tib. Sempr. Gracchuswas in 190 in den syrischen oorlog legaat van L. Cornelius Scipio; in 187 was hij volkstribuun en trad toen als verdediger der gebroeders Scipio op (zieCorneliino. 13). In 180 ging hij als praetor naar Hispania, streed zegevierend tegen de Celtiberiërs en hield in 178 een luisterrijken triumftocht. In 177 was hij consul en bevocht hij de Sarden. In 169 was hij censor en in 163 nogmaals consul. Hij was gehuwd met de edele Cornelia, dochter van P. Corn. Scipio Africānus maior. Van 12 kinderen behield hij slechts 3 in leven; de gebroeders Tib. en C. Gracchus en eene dochter Sempronia, later de echtgenoote van Scipio Africānus minor.—10)Tib. Semp. Gracchus, zoon van no. 9, diende in 146 onder zijn zwager Scipio in Africa en in 136 in den numantijnschen oorlog onder den proconsul C. Hostilius Mancīnus. Over land naar Rome terugkeerende, werd hij getroffen door de ellende der armere klasse, terwijl de rijken grooter grondbezittingen hadden, dan zij konden bebouwen. In 133 trad hij als volkstribuun met eene akkerwet op, eene vernieuwing, eenigszins verzacht, van een nimmer uitgevoerde vroegere wet (zieagrariae leges). Toen zijn ambtgenoot M. Octavius, ondanks de smeekingen van Gracchus, zich tegen de behandeling bleef verzetten, stelde Gr. aan het volk voor, Octavius af te zetten. Dit geschiedde, doch aan de onschendbaarheid van het volkstribunaat was hierdoor een zware slag toegebracht. Toen hij nu ook voorstelde, de rijke erfenis van Attalus III van Pergamus niet in de schatkist te storten, maar onder de onvermogende burgers te verdeelen, opdat zij bij den te verkrijgen grond ook eenig bedrijfskapitaal zouden hebben, besloot de senaatspartij geweld te bezigen. Ten einde zich voor het volgende jaar tot volkstribuun te doen herkiezen, had Gr. met zijne aanhangers tijdig post gevat op het Capitool, doch werd door een aantal senatoren en gewapenden onder aanvoering van Scipio Nasīca, bijgenaamd Serapio (zieCorneliino. 21) overrompeld en met 300 der zijnen omgebracht. Zijn lijk werd in den Tiber geworpen.—11)C. Sempr. Gracchus, broeder van no. 10, doch bijna 10 jaren jonger, hernieuwde als volkstribuun in 123 de pogingen zijns broeders (zieagrariae leges) en zocht door verschillende wetten (zieSemproniae leges) de optimatenpartij te fnuiken (123 en 122). Deze echter slaagde er in, een anderen volkstribuun, M. Livius Drusus, over te halen, om door fraaie beloften en schoonklinkende woorden Gracchus’ invloed bij het volk te ondermijnen. Dit ging te gemakkelijker, omdat Gr. alstriumvir coloniae deducendaenaar Carthago was vertrokken, zieRubria(lex). Voor 121 werd Gr. niet herkozen. Een der nieuwe tribunen, Minucius Rufus (z.Minucia(lex) van 121), stelde nu voor, al de sempronische wetten in éénen adem op te heffen. Toen hierover zou gestemd worden, bezette Gr., die het plegen van geweld voorzag, met eene gewapende menigte den Aventijnschen berg, doch werd door den consul L. Opimius, aan het hoofd van senaat en ridderstand, verdreven. Omstreeks 3000 zijner aanhangers vielen in en na den strijd. Gr. zelf liet zich, om niet in handen zijner vijanden te vallen, door een slaaf dooden.—12)Sempronia, zuster van no. 10 en no. 11, gehuwd met Scipio Africānus minor (Corneliino. 18).—13)Tib. Sempronius Gracchuswerd door Augustus verbannen wegens ongeoorloofden omgang met diens dochter Julia. Tiberius liet hem ter dood brengen (14 n. C.). Hij is misschien de door Ovidius (Ex Ponto IV, 16, 31) genoemde tragische dichter Gracchus.—14)Tib. Sempr. Longus, consul in 218 bij het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, veroverde Melite (Malta) en wilde naar Africa oversteken, toen hij op het bericht van Hannibals nadering werd teruggeroepen. Hij werd door H. bij de Trebia verslagen. In 215 versloeg hij den Carthager Hanno in Zuid-Italië bij Grumentum.—15)Tib. Sempr. Longus, zoon van no. 14, consul in 194, overwon de Bojers.—16)P. Sempr. Sophus, consul in 304, onderwierp de Aequi. In 301 was hij magister equitum van den dictator M. Valerius Corvus, in 299 (v. a. in 300) censor. In deze hoedanigheid vermeerderde hij het aantal tribus met twee. Hij was een der oudsteiurisconsulti.—17)P. Sempr. Sophus, consul in 268, voltooide de onderwerping van Picēnum. In 252 was hij censor met M.’ Valerius Maximus Messa(l)la (Valeriino. 16); zij stieten 15 senatoren uit den senaat.—18)P. Sempr. Tuditānusontkwam als krijgstribuun in 216 na dapperen strijd aan het bloedbad bij Cannae, was in 213 praetor, in 209 censor, in welke hoedanigheid hij Q. Fabius Maximus (Cunctator) tot princeps senatus benoemde. In 204 streed hij als consul bij Croton voorspoedig tegen Hannibal.—19)C. Sempr. Tuditanusleed als praetor in 197 eene nederlaag door de Hispaniërs en stierf aan de bekomen wonden.—20)M. Sempr. Tuditanus, volkstribuun in 193 (zieSempronia(lex)de pecunia credita), consul in 185, overwon de Apuanische Liguriërs.—21)C. Sempr. Tuditanusdiende in 146 onder L. Mummius in Griekenland en was consul in 129. Hij schreef een geschiedkundig werk.—22)Sempr. Asellio, geschiedschrijver, schreef de geschiedenis van zijn tijd, vanaf den Numantijnschen oorlog, toen hij onder P. Scipio Africānus krijgstribuun was (134), tot op Livius Drusus (91).—22)C. Sempr. Rufus, een vriend van Cicero.—23)Sempr. Densus, centurio bij de lijfwacht, trachtte, bij het oproer tegen Galba, diens aangenomen opvolger C. Calpurnius Piso Liciniānus met eigen lijfsgevaar te beschermen.—24)Sempronia, echtgenoote van D. Iunius Brutus (Iuniino. 5), deelgenoote van de samenzwering van Catilina.Sena, 1)Sena Gallica,Σήνη, thans Senigaglia, stad der senonische Galliërs, op de umbrische kust aan den mond der riv. Sena gesticht, sedert 283 rom. kolonie. In de nabijheid, aan den Metaurus, sneuvelde Hannibals broeder Hasdrubal in 207.—2)Sena Iulia,Σαίνα, thans Siena, rom. kolonie in Etruria, ten Z. van Florentia.—3)Sena, eil. aan de W.punt van Gallia, thans Sein, met een orakel onder toezicht van negen maagden, die door het volk voor toovenaressen werden gehouden.Senaculum, plaats waar de senatoren te Rome zich verzamelden totdat het uur der zitting aanbrak. Het lag aan de N.W. zijde van hetComitium, naast hetVulcanal.Senātus,βουλή. In den koningstijd werd de koning in het bestuur bijgestaan door een raad der ouden (senatus, consilium regium), door hem zelven uit de patricische geslachten gekozen; de leden,patres(z. a.), waren oorspronkelijk ten getale van 100, later van 300. Bij het begin van de republiek ging de keuze der leden (lectio senatus) over op de consuls, die in de eerste plaats patriciërs kozen; eerst sedert de instelling dertribuni militum consulari potestatekomen waarschijnlijk ook plebejers onder de senatoren voor, die danconscriptigeheeten hebben (ziepatres). Delex Ovinia(z. a.) draagt de keuze op aan de censoren, terwijl de leden oud-ambtenaren en voor het meerendeel plebejers zijn. De curulische overheden behielden voortaan na het einde van hun ambtsjaar zitting in den senaat tot aan den eerstvolgenden census en kwamen dan natuurlijk in de eerste plaats voor senatoren in aanmerking. Tot zóó lang waren zij geene senatoren, maar personen,quibus in senatu sententiam dicere licebat. In ± 300 hebben ook deaediles plebisdit recht gekregen, terwijl het plebiscitum Atinium (zieAtinia(lex)) dit zittingsrecht ook tot de volkstribunen uitbreidde. Sedert Sulla (zieCorneliae legesvan 81, aan het slot) werden ook de quaestoren in den senaat toegelaten. Recht van zitting had ook de flamen Dialis. Sulla hief delectio senatusgeheel op door de bepaling, dat jaarlijks 20 quaestoren moesten gekozen worden, die in den senaat zitting zouden nemen en houden. Met het herstel der censuur (70) kwam ook de lectio senatus terug, en terstond werd een aantal onwaardigen van de lijst geschrapt (senatu movere,eiicere). P. Clodius Pulcher zocht in 58 dit recht van uitstooting te beperken (zieClodiae legesno. 4). Wat het getal betreft, schijnt de normale sterkte steeds op 300 te zijn gebleven, totdat Sulla het aantal op 600 bracht (zieCorneliae legesvan 81 aan het slot). Zeker echter is het, dat de vergadering nooit door zooveel leden werd bijgewoond. De drukst bezochte senaatsvergadering (senatus frequentissimus) tijdens de republiek, waarvan wij kennis dragen en waarin Cicero’s terugroeping uit de ballingschap ter tafel werd gebracht, telde 417 leden. Natuurlijk waren er altijd een aantal senatoren in dienst van den staat afwezig als stadhouders, legaten, enz. Caesar bracht het getal op 900, Antonius op 1000, welk getal later door Augustus op 600 werd teruggebracht. De werkkring van den senaat omvatte wel in het algemeen alles wat in het belang van den staat was, doch er waren vooral drie zaken, waarin de senaat zelfstandig handelde: de eeredienst, het finantiewezen en de buitenlandsche aangelegenheden. Onder het keizerrijk veranderde de toestand. De volksvergadering hield op te bestaan en hare rechten gingen over op den senaat; bovendien werd de senaat gerechtshof bij belangrijke politieke processen tegen hooggeplaatste personen; doch naarmate de absolute macht der keizers toenam, moest de beteekenis van den senaat lager zinken. Vóór Augustus was er geen maatstaf van vermogen vastgesteld voor de waardigheid van senator. Augustus stelde een census senatorius van 1 millioen sestertiën vast.—De zittingen moesten gehouden worden in eentemplum(z. a.); de voornaamste plaats was decuria Hostiliaaan het forum. Wanneer overwinnende veldheeren hunne aanvraag om een triumftocht aan den senaat voordroegen, geschiedde dit in den Bellōna-tempel, buiten de stad. Ook tal van anderevergaderplaatsen worden genoemd, als: de tempel der Eer, der Trouw, der Eendracht, die van Jupiter Capitolinus, van Jupiter Stator (waar Cicero zijne rede tegen Catilīna uitsprak), de curia Pompei, het theatrum Pompei (waar Caesar werd omgebracht) enz. In enkele gevallen ook kwam de senaat onder den blooten hemel,sub divo, bijeen, b. v. wanneer het prodigium gemeld werd,bovem locutam esse. De zittingen waren wel niet voor het publiek toegankelijk, doch de deuren van het gebouw bleven geopend en in de zaal waren ook scribae, herauten en dgl. aanwezig, tenzij bij eene geheime zitting. Het recht om den senaat bijeen te roepen (cogere, vocare senatum) viel niet samen met het recht om hem te leiden (habere, consulere senatum, agere cum patribus, referre ad senatum) en senaatsbesluiten te maken. Beide rechten waren deel van het imperium; maar in de 3deeeuw is hetius agendi cum patribusook aan de volkstribunen gegeven, niet echter het recht den senaat bijeen te roepen. De overheidspersoon, die den senaat bijeengeroepen had, gewoonlijk de consul, die de maandbeurt had, bij afwezigheid van beide consuls de praetor urbanus, bracht de aan de orde zijnde punten ter tafel(dit heetrelatio) met de formule:quod bonum faustum felix fortunatumque sit populo Romano Quiritium. Referimus ad vos, patres conscripti, enz. Na de zaak te hebben ingeleid, vroeg hij:de ea re quid fieri placet?en noodigde dan de senatoren,quibus ius sententiae dicendae erat, in bepaalde volgorde (die echter niet in alle tijden dezelfde is geweest) uit, hunne meening te zeggen, op deze wijze:quid censes, M. Tulli?Allen waren verplicht te antwoorden, en de eerst gevraagde senator moest omtrent het aan de orde zijnde onderwerp een voorstel doen. Daartoe stond hij op en hield een rede (stans sententiam dicebat). Zijn conclusie leidde hij in metcenseoofdecernoofmihi placet. Hij, die daarop gevraagd werd, kon met het gedane voorstel (sententia) instemmen, of een ander voorstel doen. Hij kon echter ook zoolang sproken als hij verkoos en kon ook, als hij over de voorgestelde zaak had uitgesproken, over elke andere zaak het woord voeren: men denke aan Cato’spraeterea censeo Carthaginem esse delendam. Daar een senaatsbesluit vóór zonsondergang behoorde genomen te zijn, werd dit middel wel eens gebezigd om het nemen van een besluit te verhinderen (diem dicendo consumere). De ambtenaren werden niet naar de rij af gevraagd, maar allen hadden het recht het woord te nemen, wanneer het hun behaagde. Na afloop van de discussies rangschikt de voorzitter de verschillende adviezen (pronuntiabat sententias) en liet dan daarover één voor één stemmen (discessioz. a.). Zie verderpedarii. Was nu de agenda afgehandeld, dan konden de andere ambtenaren, die hetius relationishadden, de leiding overnemen, maar bepaalden zich dan gewoonlijk bij zaken, die tot hun werkkring behoorden (referre de singulis rebus). Het recht om den algemeenen politieken toestand ter sprake te brengen (referre de republica) kwam alleen toe aan dengene, die den senaat bijeengeroepen had. Deze had ook het recht van intercessio tegen iederen ambtenaar, die de leiding van hem overgenomen had, ook tegen de volkstribunen, die van hetius referendihet meest gebruik maakten. De grond van dit recht van intercessio was deze, dat de magistraat, die de leiding overnam,alienis auspiciishandelde.Senātus auctoritas, senātus consultum.Een rechtsgeldig senaatsbesluit heetsenatus consultum. Het werd op schrift gebracht door den voorzitter, die hierbij bijgestaan werd door eenige senatoren,qui scribendo adfuerunt. Werd een besluit doorintercessiogetroffen, dan heette hetsenatus auctoritas; het werd, hoewel het niet voor uitvoering vatbaar was, toch opgeteekend. Deintercessiokon uitgeoefend worden door magistraatspersonen,qui eadem potestate qua ii qui senatus consultum facere vellent, maioreve essent, en door detribuni plebis. Z. ooksenatusaan het einde. Eensenatus consultum tacitumis een besluit, in eene geheime zitting genomen. Omtrent desenatus auctoritas, vereischt voor wetsvoorstellen in decom. centuriatazie menpatres.Senatus consultum ultimumwas de uiterste maatregel, waartoe de senaat overging, wanneer de staat door binnenlandsche onlusten of een buitenlandschen vijand naar zijn meening in gevaar verkeerde. Het was een uitnoodiging aan de in het besluit genoemde ambtenaren, in den vormvideant consules, (enz.)ne quid respublica detrimenti capiat. Zij verzocht hen, op eigen gezag alle naar omstandigheden noodige maatregelen te nemen, die in hun bevoegdheid lagen, zooals vormen van een leger met buitengewone lichtingen, bevelen uitvaardigen aan burgers en bondgenooten, met geweld de rust herstellen, enz. Zie ookhostis iudicatio.Senātus municipālis.In de rom. municipia had men een gemeenteraad,senatusgenoemd, wiens ledendecurionesheeten en die ook welordo decurionumwordt genoemd. In den regel bestond hij uit 100 leden.Seneca, familienaam, zieAnnaei.Senecio, familienaam, zieHerennii.Senogallia=Sena Gallica.Senones,Σένονες, machtige gallische volksstam aan de Sequana (Seine) in het latere Isle de France en Champagne. Hunne hoofdstad was Agedincum (Sens in Champagne). Een gedeelte van dit volk trok ± 400 de Alpen over naar Italië en stichtte daar aan de Adriatische zee de stad Sena, gewoonlijk Gallica bijgenaamd. Het waren deze Galliërs, die in 390 de Romeinen aan den Allia versloegen en het Capitool belegerden. In 283 werden zij door den consul P. Cornelius Dolabella Maximus verslagen en zoo goed als vernietigd. Z.Ager Gallicus.Sentia Aelia(lex), zieAelia Sentia(lex).Sentii.1)C. Sentiusoverwon in 89 als praetor de Thraciërs, na eerst zelf door hen te zijn verslagen.—2)C. Sentius Saturninus,vriend van den jongen Sex. Pompeius, consul in 29, toonde zich uiterst gestreng tegen afpersingen en ambitus. In 7 werd hij stadhouder van Syria en hield toen den census in Iudaea, later (4 en 5 n. C.) was hij legaat van Augustus in Germania.—3)C. Sentius Saturninus, een zoon van no. 2, consul in de eerste helft van het jaar 4 na C., zieAelia Sentia(lex). In de tweede helft van ditzelfde jaar vindt men als consul suffectusCn. Sentius Saturninus, die in 19 na C. legaat in Syria was.—4)Sentius Augurīnus, een vriend van Plinius minor.Sentīnum,Σεντῖνον, versterkte stad in Umbria aan den Aesis. Hier versloegen in 295 de Romeinen de vereenigde Samnieten, Galliërs en Etruscers. Consuls waren toen Q. Fabius Maximus Rulliānus (zieFabiino. 14) en P. Decius Mus, die volgens het verhaal zich ten doode wijdde.Sepias,Σηπίας, Z.O. punt van het thessalische landschap Magnesia.Sepīnum=Saepinum.Seplasia, eene straat te Capua, met parfumeriewinkels.Sepphōris,Σεπφωρίς=Diocaesarēa.Septem aquae, “de 7 meren”, landstreek bij Reāte in het sabijnsche land.Septempeda,Σεπτέμπεδα, rom. municipium in het N. van Picēnum, op de grens van Umbria.Septemviri epulōnes, zieepulones.Septentrio,Ἀπαρκτίας, de Noordenwind, zieWindstreken.Septimii, rom. geslacht, waarvan in Cicero’s tijd en later eenige leden voorkomen, echter niet belangrijk genoeg voor afzonderlijke vermelding. Aan het einde van de 2deeeuw na C. komt een dichter Septimius Serēnus voor. Zie ookDictysno. 2.Septimius Geta, rom. keizer, zieGeta.Septimius Sevērus, rom. keizer, zieSevēri.Septimontium, het zeven-heuvelenfeest, jaarlijks in Dec. te Rome gevierd, oorspronkelijk alleen door dat gedeelte van de bevolking, dat het Septimontium (zieRoma) vormde.Septizonium, paleis (z. echter ookNymphēum) door keizer Septimius Severus aan de Z.O. zijde van den Palatinus opgericht. Het had drie verdiepingen kolonnades, elke voorzien van eene kroonlijst, die op de via Appia uitzagen. Paus Sixtus V liet het gebouw afbreken om aan de zuilen een andere bestemming te geven. Ook keizer Titus had een dergelijk gebouw laten oprichten.Septa=saepta, zieovile.Septuaginta,οἱ ἑβδομήκοντα, worden bij verkorting de 72 Joden genoemd, die volgens het verhaal op last van Ptolemaeus Philadelphus te Alexandrië het O.T. in het Grieksch hebben vertaald. Deze vertaling was in de Hellenistisch-Joodsche en in den Oud-Christelijke wereld algemeen in gebruik. De schrijvers van het Nieuwe Testament citeeren deze uitgave, nooit den Hebreeuwschen bijbel. De taal is deΚοινή, maar met belangrijke afwijkingen;menzou dit het Joden-Grieksch kunnen noemen.Septunx= 7/12 as. Een muntstuk van deze waarde bestond niet.Sequana, rivier in Gallia, thans Seine.Sequani, keltisch volk, een der hoofdstammen van Gallia Transalpīna, aan de Westzijde van het Juragebergte, vijanden van de Aeduërs. Hoofdstad: Vesontio (Besançon).Serapēum,Σεράπειον, Serāpis-tempel. Beroemd was vooral het Serapeum te Alexandrië in Aegypte, met een aanzienlijke bibliotheek, dat in 379 n. C. door Theophilus van Alexandria vernietigd werd.Serapion,Σεραπίων, 1) van Alexandrië, stichter eener empirische geneeskundige school, omstreeks 220.—2)van Antiochië, beroemd wiskundige en aardrijkskundige, waarschijnlijk tijdgenoot van Eratosthenes no. 2.Serāpis,Σάραπις, een god, wiens beeld door Ptolemaeus I naar aanleiding van een droomgezicht uit Sinōpe gehaald werd en wiens eeredienst hij in Aegypte invoerde. Hij werd beschouwd als eene vereeniging van Osīris en Apis, als een god der afgestorven zielen, heer van gezondheid en ziekte. Zijn dienst vond ook ingang bij de Grieken en Rom., die hem met Zeus, Hades of Asclepius vereenzelvigden.Serbouis lacus,Σερβωνὶς λίμνη, een langgestrekt, ondiep zoutmeer ten O. van Aegypte langs de kust, in Casiōtis. Daarvóór lag de Casius mons (z.Casiusno. 1), en ten W. Pelusium, de grensvesting van Aegypte.
Sceptici,Σκεπτικοί, z.Pyrrho.
Schedius,Σχέδιος, naam van twee aanvoerders der Phocensers voor Troje, beiden door Hector gedood.
Scheria,Σχερία, het eil. der Phaeāces (z. a.). In later tijd vond men dit eiland terug in Corcȳra (z. a.).
Σχιστὴ ὁδός, de driesprong, waar Oedipus zijn vader Laius doodde; volgens Aeschylus bij Potniae aan den Cithaeron, volgens Sophocles in Phocis, in de buurt van Daulis (z.Parnassus).
Schoeneus,Σχοινεύς, zoon van Athamas en Themisto, koning in Boeotië, vader van Atalante.
Schoenus,Σχοῖνος, vlek in Boeotia, aan het meer van Hyle.
Schoenus,Σχοινοῦς(= biezenstad), 1) eene der havens van Corinthus, aan de Oostkust van den Isthmus, ten N. van Cenchreae.—2)vlek in het hart van Arcadia, bij Methydrium.
Scholium,σχόλιον, aanteekening op den rand van een handschrift; zulke aanteekeningen bevatten critische opmerkingen, verklaringen van moeilijke plaatsen, enz. Veelal waren het uittreksels uit de werken van alexandrijnsche geleerden, en bij het copieeren van het handschrift werden zij dikwijls mede overgeschreven. De scholia, die in de nog bestaande handschriften gevonden worden, zijn van zeer ongelijke waarde en in de meeste gevallen is het onbekend van wien zij afkomstig zijn.
Sciapodes,Σκιάποδες, fabelachtig volk in Libye; zij hadden zulke groote voeten, dat zij die, wanneer zij zaten, als zonneschermen konden gebruiken.
Sciathus,Σκίαθος, eiland en stad in de Aegaeïsche zee nabij de kusten van Euboea en van het thessalische kustland Magnesia, door de Chalcidiërs gekoloniseerd, in 200 door de Macedoniërs verwoest, later een schuilhoek voor de zeeroovers.
Scidrus,Σκίδρος, kleine grieksche stad aan de Westkust van Italia, in Lucania, ten O. van Pyxus (Buxentum).
Scillus,Σκιλλοῦς, stad in het elische gewest Triphylia, aan den Selīnus, een zijtakje van den Alphēus. Xenophon bracht er een gedeelte zijner ballingschap door en stichtte er een tempel voor Artemis, in het klein gelijkende op dien te Ephesus.
Sciōne,Σκιώνη, stad van Chalcidice op het schiereiland Pallēne.
Scipiades, iemand uit de familie der Scipio’s, dichterlijk woord.
Scipio, familienaam in degens Corneliaz.Cornelii6–26.
Sciras,Σκιράς, bijnaam van Athēna van onzekere beteekenis, vgl.Scirophoria.
Sciritis,Σκιρῖτις, eene woeste bergstreek in het N. van Laconica, genoemd naar het stadjeScirus, ten N. van Sparta, aan den weg naar Tegea. De inwoners,Scirītae,Σκιρῖται, vormden in het spartaansche leger een afzonderlijk korps, meest van 600 man (Σκιρίτης λόχος), dat de eereplaats aan den rechtervleugel innam, op marsch de voorhoede vormde en op de gevaarlijkste plaats gelegerd was.
Sciron,Σκ(ε)ίρων, 1) een berucht roover, die op de Scironische rots tusschen Attica en Megaris woonde, de voorbijgangers dwong hem de voeten te wasschen en hen daarna in zee schopte, waar zij door een schildpad werden verslonden. Theseus deed hem op dezelfde wijze omkomen.—2)zoon van Pylas, schoonzoon van Pandīon. Hij betwistte Nisus de heerschappij over Megara, maar Aeacus,als scheidsrechter ingeroepen, kende Nisus de regeering en Sc. het opperbevel in den oorlog toe.
Scironides,Σκιρωνίδης, een van de atheensche strategen, die in 412 bij Milētus eene overwinning op deLacedaemoniërsen Milesiërs behaalde; onder de 400 werd hij afgezet.
Scirophoria,Σκιροφόρια, feest ter eere van Athēna Sciras den 12denScirophorion te Athene gevierd. Bij den feestelijken optocht van den burcht naar Eleusis liepen de priesteressen dier godin en de priesters van Erechtheus en Helius onder een groot wit zonnescherm (σκίρον), het zinnebeeld van bescherming tegen de hitte der aanstaande hondsdagen.
Scirophorion,Σκιροφοριών, 12demaand van het Attische jaar (Juni–Juli), z.annus.
Scirtus,Σκίρτος, (= de huppelende), waterrijke rivier met sterk verval, die langs Edessa stroomt, en na zich met den Bilechas (Belias) vereenigd te hebben, bij Nicephorium in den Euphraat valt.
Scirus,Σκῖρος, zieSciritis.
Scodra,Σκόδρα, hoofdstad der Labeātes, een aanzienlijke stad en sterke vesting met vele rom. inwoners aan de Z. grens van Dalmatia, aan denlacus Labeātis, tgw. Scutari.
Scodrus=Scardus.
Scoedises,Σκοιδίσης=Scordiscus.
Scolatium, stad in het land der Bruttii, dicht bij den Sinus Scylleticus, sedert 122 rom. kolonie.
Scolium,σκόλιον, σκολιὸν μέλος, een bizonder soort van liederen, door de Grieken aan tafel gezongen. De naam wordt afgeleid van de willekeurige volgorde, waarin zulke liederen door de gasten gezongen werden, terwijl bij andere tafelliederen, vooral bij godsdienstige gezangen, ieder op zijn beurt of allen met elkander zongen. Anderen denken aan eigenaardigheden in metrum of melodie. Beroemd is onder de scolia, die bewaard gebleven zijn, dat van Callistratus op Harmodius en Aristogīton.
Scollis,Σκόλλις, gebergte in Acrorēa.
Scolus,Σκῶλος, 1) vlek in Boeotia ten O. van Erythrae, op de helling van den woesten Cithaeron aan den Asōpus gelegen, zóó naargeestig, dat men zeide:εἰς Σκῶλον μήτ’ αὐτὸς ἴμεν, μήτ’ ἄλλῳ ἕπεσθαι. Hier zou Pentheus door de Bacchanten verscheurd zijn.—2)vlek nabij Olynthus.
Scomius,Σκόμιον ὄρος, hoog gebergte in Thracia, dat zich, O.waarts van den Scardus, van den Haemus afscheidt.
Scopadae,Σκοπάδαι, een adellijk geslacht dat te Crannon in Thessalië regeerde, totdat de tyrannen van Pherae zich verhieven.
Scopas,Σκόπας, 1) een van de Scopadae, beroemd door zijn rijkdom, bij wien Simonides langen tijd doorbracht. Bij een feestmaal kwam hij met al zijne gasten om door het instorten van de zoldering der eetzaal; alleen Simonides werd op wonderdadige wijze gered.—2)een van de Scopadae, van wien verhaald wordt dat hij met den jongen Cyrus bevriend was, en dat hij Socrates een toevluchtsoord aanbood.—3)van Parus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester. Hij maakte bij voorkeur groepen in marmer, die door afwisselende, maar altijd bevallige standen uitmuntten. Vooral beroemd was van hem de groep van Nereïden en Tritonen, die, door Thetis en Poseidon geleid, aan Achilles zijne nieuwe wapenrusting komen brengen. Zijn bloeitijd valt omstreeks 380, op hoogen leeftijd (350) werkte hij nog mede aan het mausolēum van Halicarnassus. Hij is het meest bekend door zijne koppen, waarvan de oogen diep liggen en naar boven gericht zijn. Hiermede komt het hartstochtelijk element in de grieksche beeldhouwkunst op, het dwepende, zooals steeds in tijden, waarin men ontevreden is met de bestaande toestanden.
Scordisci,Σκορδίσκοι, keltische volksstam in Pannonia op beide oevers van den benedenloop van den Savus.
Scordiscus,Σκορδίσκος, ofScoedises, gebergte op de grenzen van Armenia en Armenia minor.
Scordus=Scardus.
Scorpius, het sterrenbeeld de Schorpioen, de onder de sterren verplaatste schorpioen, die Orion gedood had.
Scoti, Schotten, ziePicti.
Scotussa,Σκοτοῦσσα, 1) oude stad in het thessalische gewest Pelasgiōtis, niet ver van Cynoscephalae. Pelopidas behaalde hier in 364 eene overwinning op Alexander, tyran van Pherae.—2)stad in Macedonia ten O. van den Strymon.
Scribae, zieapparitores.
Scriboniae(rogationes), van den volkstribuun C. Scribonius Curio, in 50. Het waren slechts voorstellen, die echter niet in behandeling kwamen of verworpen werden. 1)de intercalando, over het inlasschen eener maand. Dit was meer een verzoek aan depontifices, dan een wetsvoorstel. Het verzoek werd gedaan om tijd te winnen voor het doen aannemen zijnerrogationes, wat vóór 1 Maart 50 moest gebeurd zijn. Toen het afgewezen werd, ging hij tot de partij van Caesar over, zieScriboniino. 6.—2)viaria, over het onderhoud der openbare wegen, misschien ook een voorstel tot tolheffing.—3)alimentaria, over korenuitdeeling.—4)om het gebied van koning Juba tot rom. staatseigendom te verklaren.
Scriboniānus(Furius CamillusofL. Arruntius Camillus), zieFuriino. 14.
Scribonii, plebejisch geslacht, waarvan deLibōnesenCuriōnesde voornaamste familiën zijn. 1)L. Scrib. Libo, volkstribuun in 216 en praetor in 204.—2)C. Scrib. Curiobouwde als aediel met zijn ambtgenoot Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitiino. 2) in 196 den Faunus-tempel te Rome.—3)L. Scrib. Libo, drong in 149 als volkstribuun, gesteund door den 85-jarigen M. Porcius Cato (maior), op bestraffing van Ser. Sulpicius Galba (Sulpiciino. 11) aan, die zich tegenover de Lusitaniërs aan woordbreuk had schuldig gemaakt en verraderlijk hen, die zich ongewapend hadden overgegeven, had latenneerhouwen.—4)C. Scrib. Curio, een der voortreffelijkste redenaars van zijn tijd, praetor in 121.—5)C. Scrib. Curio, zoon van no. 4, minder goed redenaar dan zijn vader, was volkstribuun in 90 en diende in 84 onder Sulla tegen Mithradātes; in 76 was hij consul; later versloeg hij als proconsul van Macedonia de Moesiërs en Dardaniërs en was de eerste rom. veldheer, die tot aan den Donau doordrong. Hij was een man van den ouden stempel en van strenge zeden, evenwel in het staatkundige niet onpartijdig. Hij was het, die Verres geluk wenschte met de verkiezing van Hortensius tot consul. In de zaak van Catilīna stond hij aan Cicero’s zijde. Later was hij een vurig tegenstander van Caesar. Hij stierf in 53.—6)C. Scribonius Curio, zoon van no. 5, weder een uitstekend redenaar, doch verkwistend en trouweloos van aard. Eerst was hij republikeinsch gezind doch in zijn volkstribunaat (50), (zieScriboniae rogationesno. 1), ging hij tot de partij van Caesar over, v. s. door dezen omgekocht. Toen de onderhandelingen schipbreuk leden en het bekende senaatsbesluit tegen Caesar was aangenomen, nam Curio met C. Caelius en de tribunen M. Antonius en Q. Cassius in Jan. 49 de wijk naar Caesar. Hij diende hem vervolgens in Africa, en sneuvelde daar tegen Juba.—7)L. Scrib. Libowas een aanhanger van Pompeius, met wiens zoon Sextus zijne dochter was gehuwd. Hij streed in 49 als vlootvoogd tegen Caesar en bracht in 39 de overeenkomst tusschen Sextus Pompeius en het driemanschap tot stand. In 34 was hij consul. Hij was bevriend met Cicero.—8)Scribonia, zuster van no. 7, was de tweede vrouw van Octaviānus en de moeder van Iulia, zieIuliino. 14. Toen deze verbannen werd, trok zij met haar dochter mede.—9)L. Scrib. Libo Drususwekte de ijverzucht van Tiberius op en werd door Fulcinius Trio van tooverij aangeklaagd. Om eene veroordeeling te ontgaan, pleegde hij zelfmoord (16 n. C.).—10)een drietalScriboniiwerden door Caligula en Nero omgebracht.—11)Scrib. Larguswas in 43 na C. geneesheer van keizer Claudius op diens reis naar Britannia. Hij schreef een werkcompositiones medicamentorum, een receptenboek, dat gedeeltelijk bewaard is.
Scrinium, eene ronde doos, tot bewaring van handschriften, die daarin opgerold naast elkander werden gezet. Onder de keizers heetten de bureaux der keizerlijke kanselarijscrinia. Zij waren tijdens Constantijn den Gr. vier in getal:scrinium memoriae, scr. epistularum, scr. libellorum supplicum, scr. dispositionum. Aan het hoofd van elke afdeeling stond eenmagisteren onder hem eenproximus, beiden tot despectabilesbehoorende.
Scriptores historiae Augustae, een zestal schrijvers uit den tijd van Diocletiānus en Constantijn, met name Aelius Spartiānus, Vulcatius Gallicānus, Trebellius Pollio, Flavius Vopiscus, Aelius Lampridius en Iulius Capitolīnus. Hunne, later tot een bundel saamgevoegde levensbeschrijvingen van rom. keizers loopen van 117–285 na C. Zij beginnen met het leven van Hadriānus en eindigen met dat van Carīnus.
Scriptūra, weidegeld, dat betaald werd bij het inschrijven van vee op depascua publica, d. z. de weidegronden, die tot het romeinsche staatsdomein behoorden.
ScripulumofScrupulum, zeer klein gewicht, het 1/24 eeneruncia.
Scultenna, zijtak van den Padus (Po), die op geringen afstand O.waarts van Mutina stroomt.
Scutala, Scyt-,σκυτάλη, een stok, zooals de spartaansche overheden voor geheime correspondentie gebruikten. Een smalle witte strook werd stijf om den stok gewonden en overdwars beschreven; daarop werd de strook alleen verzonden, zoodat het geschrevene alleen kon gelezen worden, wanneer de strook om een stok van gelijke dikte gewonden werd. Ieder ambtenaar, die buitenslands ging, kreeg daarom zulk een stok mede.
Scutum.
Scutum,θυρεός, langwerpig vierkant gebogen schild van het rom. voetvolk, omstreeks M. 1,20 lang en M. 0,80 breed, van hout gemaakt, met leder overtrokken, van een metalen rand voorzien en in het midden van een metalen knop of plaat om de slagen op te vangen. De verschillende legioenen hadden de schilden met verschillende kleuren en distinctieve figuren versierd.
Scylace,Σκυλάκη, oude nederzetting der Pelasgen aan de Propontis, ten O. van Cyzicus.
Scylaceumof-cium, Scylletium,Σκυλάκιον, grieksche stad op twee heuvels aan de Oostkust van het land der Bruttii, aan densinus Scylacius,Σκυλλητικὸς κόλπος, gelegen, thans Squillace.
Scylax,Σκύλαξ, 1) van Caryanda, een logograaf, die op last van Darīus Hystaspis eene onderzoekingsreis langs de aziatische kust van den Indus tot de Roode zee deed. De nog bestaandeπερίπλους τῆς θαλάσσης τῆς οἰκουμένης, die op zijn naam staat, is van veel lateren tijd.—2)van Halicarnassus, vriend van Panaetius, als staatsman, wis- en sterrenkundige en toonkunstenaar beroemd.
Scylla,Σκύλλα, 1) dochter van Poseidon en de nimf Crataeïs, een vreeselijk blaffend monster met 12 voeten en 6 lange halzen, ieder met een kop met 3 rijen puntige tanden. Zij woont in het diepe hol van eene aan zee staande, hemelhooge, door wolken omhulde rots, en tegenover haar op een andere rots woont een ander monster, Charybdis, die drie maal daags het zeewater met schepen en al wat er in is inzwelgt en het ook driemaal daags weder uitbraakt. Toen Odysseus tusschen de beide rotsen doorvoer, hield hij zijn schip zoo ver mogelijk van Charybdis af, maar daardoor kwam hij te dicht bij Sc., diemet hare muilen 6 van zijne tochtgenooten wegroofde en verslond.—Sc. was vroeger een schoone zeenimf geweest, die door Glaucus of Poseidon bemind werd, uit jaloerschheid gaf Circe of Amphitrīte haar hare latere afgrijselijke gedaante. Charybdis was eene dochter van Poseidon en Gaea, die aan Heracles eenige runderen ontroofd had, en daarvoor door Zeus met den bliksem in zee geslingerd was.—In lateren tijd verklaarde men de twee monsters als twee gevaarlijke rotsen aan de beide zijden van de sicilische zeeëngte.—2)dochter van Nisus (z. a.), die haar vader aan Minos verried. Uit afschuw voor hare daad liet Minos haar aan zijn schip vastbinden en door het water meesleuren, zoodat zij verdronk; of zij sprong in zee om het schip van Minos te volgen en werd in een zeevogel veranderd, die altijd door haren in een zeearend veranderden vader vervolgd wordt.
Scyllaeum,Σκυλλαῖον, 1) stad en kaap in het land der Bruttii, waarbij het monster Scylla zich ophield, ten N. van Rhegium. Anaxilas, tyran van Rhegium, legde hier eene versterkte haven aan.—2)kaap in Argolis bij Troezen.
Scyllaeum fretum=fretum Siculum.
Scylletium,Σκυλλήτιον=Scylaceum.
Scymnus,Σκύμνος, van Chius, een geograaf van onbekenden tijd, misschien uit de 2deeeuw, schrijver eenerΠεριήγησις. Het nog bestaande gedicht, dat dien titel en den naam van Sc. draagt, is misschien eene metrische bewerking van zijn werk, dat in proza geschreven was.
Scyrus,Σκύρος, eiland en stad ten O. van Euboea, waar volgens de sage Thetis haar zoon Achilles aan het hof van koning Lycomēdes in meisjeskleederen verborg. De bewoners waren Dolopes, die wegens zeeroof door de Amphictyonen bestraft werden. In 474 (of 473), na de vermeestering van Scyrus, ontdekte Cimon er het gebeente van Theseus, dat naar Athene werd overgebracht en in het Thesēum bijgezet. Scyrus bleef onder Athene tot in den macedonischen oorlog, in 196 echter gaven de Rom. het aan Athene terug.
Scytala=Scutala.
Scythia,Σκυθία. Bij Herodotus is Scythia het land ten N. van den Pontus Euxīnus (Zwarte Zee) tusschen den Ister en het land der Agathyrsi (thans Zevenbergen) ten W. en den Tanais (Don) ten O. Latere schrijvers breiden de grenzen oostwaarts uit. De bewoners,Scythae,Σκύθαι, waren dapper en vrijheidslievend en alle pogingen der perzische koningen om hen te onderwerpen, mislukten. Zij hadden geene steden of dorpen, maar leefden in wagens. Zij bestonden uit een onbekend aantal stammen; het talrijkst waren deΣκ. βασιλήιοιof krijgslieden, voorts had men herders en ook landbouwende stammen. Omstreeks 600 deden de Sc. een inval in Klein-Azië en Europa, doch werden na ruim een kwart eeuw door Cyaxares weder verdreven. Omtrent den tocht door Darīus tegen hen ondernomen, z.Dariusno. 1 enHistiaeus. Na 500 laten de Sc. niets van zich hooren, tot op den tijd van Mithradātes. Na Traiānus verdwijnt de naam Scythen uit Europa en verhuist naar Azië. Ptolemaeus (± 150 na C.) spreekt van eenScythia intraenextra Imāum. De Grieksche schrijvers van de 3deen 4deeeuw n. Chr. duiden met den naamΣκύθαιvaak de Gothen aan, die zich in de 3deeeuw n. Chr. aan de Zwarte Zee hadden gevestigd (zieGothi).—Zie ookτοξόται.
Scythīni,Σκυθινοί, volk op de W. grens van Armenia, door wier gebied Xenophon en de 10000 Grieken een tocht van vier dagmarschen maakten.
Scythopolis,Σκυθόπολις, aanzienlijke stad van Palaestina, op de grenzen van Galilaea en Samaria, een weinig ten W. van den Jordaan gelegen, met eene zeer gemengde bevolking.
Sebaste,Σεβαστή, 1) stad op een eilandje aan de cilicische kust, door koning Archelāus (zieArchelausno. 7) gesticht ter eere van Augustus, omdat de Rom. Cilicia aspera bij zijn rijk hadden gevoegd.—2)stad in het binnenland van Phrygia.—3)=Cabira.—4)zieSamaria.
Sebastēa,Σεβάστεια, stad in Pontus in het brongebied van den Halys, door Pompeius tot stad verheven onder den naam Megalopolis, in den keizertijd onder den naam Sebastēa zeer belangrijk als hoofdstad van Armenia minor.
Sebastopolis,Σεβαστόπολις, latere naam van Dioscurias.
Sebennyticum ostium,Σεβεννυτικὸν στόμα, een der Nijlmonden, gelegen tusschen den Bolbitinischen en den Phatnitischen Nijlmond.
Sebennytus,Σεβέννυτος, distrikt en stad in de Nijldelta aan den sebennytischen Nijlarm.
Sebēthus, beekje bij Neapolis.
Sebīnus lacus, in Gallia Transpadāna, door den Ollius (Oglio) gevormd, thans lago d’ Iseo.
Secessio plebis, uitwijking der plebs uit Rome onder bedreiging een eigene stad te zullen stichten. De eerste uitwijking, naar den Mons Sacer, die echter niet historisch is, had plaats in 494 ten gevolge van verdrukking en van strenge toepassing van het schuldrecht (ius nexus) en eindigde door de instelling van het volkstribunaat (zietribuni plebis). Bij de tweedesecessio, in 449, rukte het leger, dat op den Algidus stond, op naar den Aventīnus, en toen werd, na onderhandelingen tusschen de strijdende partijen, een overeenkomst gesloten, waarbij de tienmannen (ziedecemviri legibus scribundis) aftraden, en het consulaat hersteld werd (zie verderHoratiae Valeriae(leges). Bij de derdesecessio plebisin 287 week het volk gewapend uit naar den Ianiculus; als gevolg hiervan kwam delex Hortensia(z.a.) tot stand. Ook de tweedesecessiowordt door sommige geleerden voor onhistorisch gehouden.
Sectio bonorum, openbare gerechtelijke verkooping in naam van den staat, b.v. bijverbeurdverklaringen. De verkoop hadsub hastaplaats en geschiedde aan den meestbiedende. De kooper was nu aansprakelijk voor de schulden van den boedel en daar hij meestal op speculatie kocht, trachtte hij de gekochte massa weder in perceelen te verkoopen. Aan deze verbrokkeling is de naamsectiozijn ontstaan verschuldigd, de kooper heette alsdansector. Bijbonorum emptio(z.a.) in den faillieten boedel hadauctioplaats, geensectio.
Secundi, 1) rom. familienaam, o.a. bij dePlinii.—2)Iulius Secundus, zeer geprezen redenaar ten tijde van keizer Vespasiānus, een der sprekers in Tacitus’dialogus de oratoribus.—3)Secundus Carrinas, rhetor, door Caligula uit Rome verbannen, benam zich te Athene uit armoede het leven.
Secūtor, zwaardvechter met zwaard en schild, die veeltijds tegen den retiarius vocht.
Sedetani=Edetani.
Sedūni, volksstam aan den Boven-Rhodanus (Rhône) in het tegenw. Zwitserland in den omtrek van het tegenwoordige Sion of Sitten.
Sedusii, germaansch volk in het leger van Ariovistus.
Segesama,Σεγεσάμα, stad der Murbogi in Hispania Tarraconensis, ten N.O. van Pallantia (Palencia).
Segesta, Segetia, Sēia, Semonia, rom. godinnen, die het zaad onder de aarde en het reeds opgeschoten koren beschermden. Hare namen mochten alleen in de open lucht uitgesproken worden.
Segesta,Σεγέστη=Egesta.
Segestes, cheruscisch opperhoofd, schoonvader van Arminius, die zijne dochter had geschaakt. Segestes was tegen Arminius vijandig gezind en had vruchteloos Varus gewaarschuwd, dat er verraad broeide (9 na C.). Later (15) riep hij tegen zijn schoonzoon de hulp van Germanicus in, die hem een woonplaats aanwees op den linker Rijnoever.
Segestus, -tes=Acestes.
Segetia, z.Segesta.
Segimērus,Σηγίμηρος, Σεγίμηρος, Segimer, 1) vader van Arminius, nam deel aan den strijd tegen Varus.—2)broeder van Segestes, onderwierp zich aan Germanicus in 15 na C.
Segimundus, Siegmond, zoon van Segestes, was Romeinsch priester te Ara Ubiorum, toen de opstand der Cheruscen uitbrak (9 na C.), en vluchtte toen naar zijn vaderland. In 15 werd hij door zijn vader uitgeleverd, en door Germanicus in genade aangenomen.
Segni, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Eburōnes, die aan de Mosa (Maas), en de Treviri, die aan de Mosella (Moezel) woonden.
Segobrīga,Σεγόβριγα, in Hispania Tarraconensis, 1) hoofdstad der Celtibēri, aan den bovenloop van den Sucro gelegen.—2)stad der Edetāni, ten N.W. van Valentia (Valencia).
Segodūnum,Σεγόδουνον, 1) hoofdstad der Rutēni in Aquitania, thans Rhodez.—2)stad der Hermundūri in Germania, misschien Würzburg aan den Main.
Segontia,Σεγοντία=Saguntia.
Segontiaci, volksst. in het Z. van Britannia.
Segovia,Σεγουβία, stad der Arevaci in Hispania Tarraconensis, ten W. van de Iuga Carpetāna, thans nog Segovia geheeten.
Seguntia, zieSaguntia.
Segusiāni,Σεγουσιανοί, gallische volksstam in Lugdunensis, ten W. van den Rhodanus (Rhône), die hen van de Allobroges scheidde.
Segusiāvi=Segusiani.
Segusīni, alpenvolkje aan de Cottische Alpen, onderdanen van koning Cottius (z. a.). Hoofdstad: Segusio (Susa), waar nog een triumfboog bestaat, door Cottius ter eere van Augustus opgericht.
Segusio, zieSegusinienCottiae Alpes.
Sēia, z.Segesta.
Seiānus(L. Aelius), zieAeliino. 8.
Sēii. 1)M. Seiuswist als aediel in 74 bij eene groote duurte maatregelen te nemen om toch aan het volk te Rome goedkoop graan te leveren.—2)M. Seius, misschien zoon van no. 1, een vriend van D. Iunius Brutus.—3)Q. Seius Postumuswerd door P. Clodius vergiftigd, omdat hij weigerde, hem zijn huis te verkoopen.—4)L. Seius Strabo, praefectus praetorio in 14 n. Chr. vader van L. Aelius Seiānus, die nog in 14 zijn ambtgenoot werd (z.a.).—5)L. Seius Tubero, was in 16 na C. legaat onder Germanicus, in 18 met hem consul.
Σεισάχθεια, afschudding van lasten, een maatregel, door Solon genomen tot verlichting der arme burgers, die tengevolge eener verkeerde wettelijke regeling steeds dieper bij de rijken in schuld geraakten, hoe langer hoe minder in staat waren hunne schuldeischers te voldoen, en ten slotte dikwijls hunne bezittingen en zelfs hunne vrijheid verloren. Solon verklaarde alle hypotheken en misschien ook alle andere schuldvorderingen vervallen.—V. a. bestond deσεισ. in verlaging van den muntstandaard (zoodat 100 nieuwe drachmen de waardehaddenvan 73 oude) en van den rentevoet, doch het is niet aan te nemen, dat deze maatregelen de beoogde, en ook werkelijk bereikte, gevolgen konden hebben.
Selēne,Σελήνη, Μήνη,Luna, godin der maan, dochter van Hyperīon en Theia, zuster van Helius en Eos. Haar wagen is met witte paarden of koeien bespannen. Zij werd als maangodin dikwijls verward met Artemis, Hecate of Persephone, evenals Artemis draagt zij den naam Phoebe, en ook onderscheiden hare beelden zich van die van Artemis alleen door meer bekleeding en door een sluier van eigenaardigen vorm.
Seleucia,Σελεύκεια, naam van verschillende steden, meest door Seleucus I gesticht. 1)Sel. ad Tigridem,ἡ ἐπὶ τοῦ Τίγρητος, eigenlijk niet onmiddellijk aan de Tigris, maar aan een zijkanaal gelegen. De muren waren gebouwd in den vorm van een adelaar metuitgespreide vlerken. Het was eene uiterst bloeiende handels- en fabrieksstad met eene bevolking van ongeveer 600000 zielen, Babyloniërs, Grieken, Macedoniërs, Joden. Kunsten en wetenschappen werden er vlijtig beoefend. In 116 na C. werd de stad wegens oproer door Traiānus getuchtigd en gedeeltelijk door brand vernield. Door L. Verus werd zij in den Parthischen oorlog in 165 andermaal voor een groot gedeelte verwoest. Overvleugeld door het nabijgelegen Ctesiphon, ging S. voortdurend achteruit en was tijdens Iuliānus geheel verlaten (363).—2)Sel. Pieria,ἡ ἐν Πιερίᾳ, in Syria, aan zee gelegen ten N. der monding van den Orontes, met eene ruime en veilige haven. Als vesting was het schier onneembaar. Er bestaan nog belangrijke ruïnen en catacomben van, nabij Kapse.—3)Sel. ad Belum,ἡ πρὸς Βήλῳ, kleine vesting in Syria aan den berg Belus, in het Orontesdal, tusschen Emesa en Apamēa.—4)stad in het N. van Palaestina, ten N. van het meer Samachonitis.—5)Sel. Tracheōtis,ἡ Τραχεῖα, in Cilicia aspera, aan den Calycadnus (Saleph), met een orakel van Apollo en jaarlijksche spelen ter eere van Zeus Olympius. De wijsgeeren Athenaeus en Xenarchus waren hier geboren.—6)stad in het N. van Pisidia.—7)stad in het Z. van het perzische gewest Margiāne, aan den bovenloop van den Margus, door Alexander den Gr. onder den naam van Alexandria gesticht, later door barbaren verwoest, doch door Antiochus I, Seleucus’ zoon, herbouwd.
Seleucis,Σελευκίς, de schoonste provincie van Syria, ook Tetrapolis geheeten naar hare vier steden: Antiochia (Epidaphnes), Seleucia (Pieria), Apamēa (ad Orontem) en Laodicēa (ad Libanum).
Seleucus,Σέλευκος, 1) S. I.Nicātor(Νικάτωρ), zoon van Antiochus en Laodice, verwierf onder Alexander d. Gr. vooral in Indië grooten roem als een van de aanvoerders der phalanx. Bij de tweede verdeeling van het rijk kreeg hij Babylonië tot satrapie en spoedig breidde hij zijn gebied uit, maar met Antigonus in twist geraakt, moest hij vluchten en begaf hij zich naar Ptolemaeus (316). Na den slag bij Gaza waagde hij het echter met een klein leger terug te keeren, hij nam Babylon in (1 Oct. 312, begin van de aera der Seleuciden) en veroverde weldra ook zonder veel moeite Susiāna en Medië. In de nu volgende oorlogen wist hij zich tegen Antigonus met roem staande te houden, terwijl hij in Indië, nu als vriend, dan als vijand, zelfs verder dan Alexander doordrong en met den machtigen Sandrocottus voortdurend in betrekking stond. Hij was de eerste onder de diadochen, die den koningstitel aannam en hij besliste den slag bij Ipsus (301) door zijne olifanten, waarna hij Syrië, Mesopotamië, Armenië en een groot deel van Klein-Azië aan zijn rijk toevoegde. Toen hij eindelijk ook Demetrius Poliorcētes in handen gekregen had, konde hij rustig over zijn groot rijk regeeren, dat het grootste gedeelte van Alexanders veroveringen omvatte en zich van den Indus tot de Middellandsche zee uitstrekte. Nog op 77-jarigen leeftijd ondernam hij, aangespoord door Ptolemaeus Ceraunus, een veldtocht tegen Lysimachus; hij behaalde de overwinning, maar werd bijna aan de grens van Macedonië, dat hij nu wilde in bezit nemen, door Ptolemaeus verraderlijk gedood (281). S. wordt na Alexander de grootste krijgs- en staatsman van zijn tijd genoemd. Hij bevorderde in zijn rijk grieksche beschaving, kunst en wetenschap, talrijke (v.s. 75) nieuw gestichte steden in alle deelen van het land werden met Grieken en Macedoniërs bevolkt, ook zijn leger bestond uit Grieken en Macedoniërs. Daarentegen waren de Aziaten van alle aanzienlijke en invloedrijke betrekkingen uitgesloten. In het belang van handel en wetenschap liet hij de landen van den Ganges en de Caspische zee door Megasthenes en Patrocles bereizen en onderzoeken.—2)S. IICallinīcus(Καλλίνικος), zoon en opvolger van Antiōchus II, 247–226. Bij het begin zijner regeering deed Ptolemaeus Euergetes, om den moord zijner zuster Berenīce (z.Antiochusno. 3) te wreken, een inval in Syrië, waardoor een groot deel van het rijk verloren ging; vele jaren had hij tegen den opstand van zijn broeder Antiochus Hierax te kampen; verscheiden provincies, later een deel der bactrische en parthische rijken, scheidden zich af en maakten zich onafhankelijk, eindelijk maakte Attalus van Pergamus van deze verwarde toestanden gebruik om zijn rijk ten koste van Syrië te vergrooten. Na een ongelukkig gevecht tegen Attalus vluchtend, viel S. van zijn paard en stierf.—3)S. IIICeraunus(Κεραυνός), zoon en opvolger van den vorigen, maakte krachtige toebereidselen tot herovering van het onder zijn vader verlorene, maar werd spoedig vermoord (223).—4)S. IVPhilopator(Φιλοπάτωρ), zoon en opvolger van Antiochus d. G., werd na een zwakke regeering (187–175) door zijn rentmeester Heliodorus vermoord.—5)S. V, oudste zoon van Demetrius Nicātor, kort na het aanvaarden der regeering door zijne moeder vermoord (125).—6)S. VIEpiphanes(Ἐπιφανής), zoon en opvolger van Antiochus VIII, voerde oorlog tegen zijn oom en neef (z.Antiochusno.11 en 12) en kwam te Mopsuestia om het leven (95).
Selge,Σέλγη, belangrijke pisidische bergvesting, een weinig ten N. der pamphylische grenzen aan den Eurymedon gelegen. De inwoners, die den naam hadden af te stammen van Lacedaemoniërs, waren zeer krijgshaftig en onderhielden steeds eene aanzienlijke krijgsmacht, waarmede zij hunne onafhankelijkheid handhaafden.
Selīnus,Σελινοῦς, naam van onderscheidene steden en rivieren = klimopstad, klimoprivier. 1) stad op de Z.W. kust van Sicilia op een heuvel ten Westen van een gelijknamig riviertje. In een strijd met Egesta, riep Sel. de hulp van Syracuse in, Egesta die van Athene, hetgeen aanleiding gaf tot den grooten tocht der Atheners tegen Syracuse.In 409 werd Selinus door de Carthagers geplunderd en verwoest, doch herbouwd; in 249 werden de inwoners door de Carthagers naar Lilybaeum overgevoerd en Sel. andermaal aan verwoesting prijs gegeven. Het was ± 625 gesticht door Doriërs uit Megara Hyblaea. Zeer belangrijke ruïnen vooral van dorische tempels zijn nog over.—2)rivier in het elische distrikt Triphylia, zijtak van den Alphēus, langs de stad Scillus stroomende.—3)rivier in Achaia, die tusschen Aegium en Helice in zee valt.—4)riviertje in Mysia, nabij Pergamus, zijtak van den Caicus.—5)zeestad in het W. van Cilicia, later Traianopolis, de sterfplaats van Traiānus.
Sella(curulis), zieCurulis.
Sellasia,Σελλασία, stad in Laconica ten N. van Sparta, aan de rivier Oenus. Hier werd Cleomenes III in 221 verslagen door Antigonus Doson.
Sellēis,Σελλήεις, 1) rivier bij Ephyra in Thesprotia, v. s. in Elis.—2)rivier nabij Sicyon.—3)riv. in Troas, bij Arisbe, die in den Hellespont uitstroomt.
Selli,Σελλοί, Ἑλλοί, priesters van het orakel van Zeus te Dodōna, die uit het ruischen der bladeren van den heiligen eik de toekomst voorspelden. Zij waren gewoon op den blooten grond te slapen en hunne voeten niet te wasschen. Helli of Selli is ook de naam van de oorspronkelijke bevolking van Hellopia; zieEpirus.
Sellisternium.Daar het voor vrouwen niet welvoegelijk werd geacht, op rustbedden aan tafel te gaan liggen, zaten zij aan tafel aan. Bij een maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht (zielectisternium), werden er, om de beelden op te plaatsen, stoelen (sellae) om de tafel geplaatst.
Sely(m)bria,Σηλυ(μ)βρία, stad op de thracische kust aan de Propontis (zee v. Marmara), oude volkplanting van Megara, thans Selivri.
Sembella, zilveren munt ter waarde van ½libellaof as. Desemissis, ook = ½ as, was van koper. Door sommigen wordt het bestaan der zilveren sembella als muntstuk betwijfeld.
Semele,Σεμέλη, dochter van Cadmus en Harmonia, bij Zeus moeder van Dionȳsus. Hera, die jaloersch op haar was, kwam tot haar onder de gedaante van haar oude voedster en overreedde haar om Zeus te verzoeken, zich in zijne volle majesteit aan haar te vertoonen, zooals hij Hera bezocht. Daar Zeus haar vooraf beloofd had iederen wensch van haar te zullen vervullen, konde hij niet anders dan aan haar verzoek voldoen, maar toen hij haar te midden van donder en bliksem verscheen, verbrandde S. door den gloed. Haar ongeboren kind werd echter door Zeus gered (z.Dionȳsus), en later werd zij onder den naam Thyōne onder de onsterfelijken opgenomen.
Sementīnae, -tīvae, rom. feest, na afloop van den zaaitijd op twee door een week gescheiden dagen van Januari ter eere van Ceres en Tellus gevierd, zieFeriae.
Semiramis,Σεμίραμις, dochter van Derceto (z. a.), gehuwd met den assyrischen landvoogd Menon of Onnes, trok bij het beleg van Bactra door haar schoonheid en heldhaftigheid de aandacht van koning Ninus, die haar tot vrouw nam en bij wien zij moeder werd van Ninyas. Na den dood van haar gemaal nam zij voor haar zoon de regeering in handen, en gedurende haar geheel verder leven bleef zij die behouden; eerst toen zij na eene regeering van 42 jaar gestorven of van de aarde verdwenen was, volgde Ninyas haar op. Zij stichtte Babylon, liet talrijke verbazingwekkende versterkingen, kanalen en bouwwerken aanleggen en drong met hare legers zegevierend tot ver in Libye door, ook ondernam zij een krijgstocht naar Indië, die echter ongelukkig afliep.—V. s. hebben deze berichten, hoe overdreven ook, betrekking op de babylonische, v. a. assyrische koningin Sammuramat, die omstreeks 800 eenigen tijd voor haar minderjarigen zoon regeerde, krijgstochten ondernam naar Syrië, Phoenicië, Palaestina en Medië en den dienst van babylonische goden in Assyrië invoerde.
Semis(sis), koperen munt = 6 unciae of ½ as, aan de eene zijde gestempeld met een Jupiters-, Juno-, of Minerva-kop en de letterS, aan den anderen kant met den voorsteven van een schip. Zie ookSembella.
Semnones, de machtigste der suebische volksstammen, ten N. der Hermunduren, in het tegenw. Thuringen tusschen den Albis (Elbe) en den Viadus (Oder). In hun gebied was in een heilig woud de vergaderplaats van de afgevaardigden van den suebischen volkenbond.
Semo Sancus, zieDius Fidius.
Semōnes, goddelijke wezens van sabijnschen oorsprong, wier dienst door de Rom. werd overgenomen, in beteekenis gelijk aan de Genii.
Semonia, z.Segesta.
Semonides, waarschijnlijk juistere schrijfwijze danSimonides.
Sempronia(lex)de pecunia credita, van den volkstribuun M. Sempronius Tuditānus (Semproniino. 20) in 193. Door deze wet werden de rente- en woekerwetten van Rome ook van toepassing gemaakt op de latijnsche socii.
Sempronia(lex)agrariavan den volkstribuun Tib. Sempronius Gracchus. Zieagrariae leges.
Semproniae(leges) van den volkstribuun C. Sempronius Gracchus in 123 en 122. 1)lex agraria, zieagrariae leges.—2)lex frumentaria, tot verkrijgbaarstelling van goedkoop koren, tegen ⅚ as den modius, zieannona.—3)lex de civitate Italicis sociis danda; de bedoeling was aan de Latini het burgerrecht, aan de andere socii deLatinitaste verleenen; het plan hiertoe wordt reeds aan Tib. Gracchus toegeschreven; ook ditmaal is de wet niet aangenomen.—4)lex, ne de capite civium iniussu populi iudicaretur, eene vernieuwing, vermoedelijk eene verscherping derleges Porciae. Deze wet was oorspronkelijk gericht tegen P. Popilius Laenas (Popiliino. 5, z. a.), die dan ook in ballingschap gegaan is.—5)lex iudiciaria, die deiudiciaaan de equites gaf, zieiudexenequites.—6)lex de provinciis consularibus, dat de senaat jaarlijks nog vóór de comitiën de consulaire provinciën moest aanwijzen.—7)lex de provincia Asia a censoribus locanda, een wet, die de censoren verplichtte de belastingen van de provincie Asia (het rijk van Pergamum) te verpachten; deze wet was voor Asia een groote ramp, ziepublicani.—Nog andere wetten worden vermeld, die vermoedelijk slechts bij een ontwerp gebleven zijn, of waarvan de inhoud duister is.
Sempronii, rom. geslacht, waarvan alleen de Atratīni patricisch zijn. 1)A. Sempronius Atratinus, consul in 497 en 491.—2)L. Sempr. Atratinus, consul in 444, censor in 443.—3)S. Sempr. Atratinus, consul in 423, voerde een ongelukkigen oorlog tegen de Volscen. In 422 hierom aangeklaagd, werd hij vrijgesproken, maar in 420 wederom aangeklaagd en tot eene boete veroordeeld.—4)A. Sempr. Atratinus, was bij herhaling consulairtribuun, in 425, 420 en 416. Hij was een zoon van no. 2.—5)L. Sempr. Atratinus, consul in 34, was in den burgeroorlog vlootvoogd van Antonius, doch verliet diens zijde nog voor den slag bij Actium. Later sloeg hij levensmoede de hand aan zich zelf.—6)C. Sempr. Blaesus, consul in 253, ondernam met zijn ambtgenoot Cn. Servilius Caepio een tocht naar Africa. Zij voerden niet veel uit, leden op de tehuisreis schipbreuk en verloren 150 schepen. In 244 was Blaesus andermaal consul.—7)Tiberius Sempr. Gracchus, consul in 238, versloeg de Liguriërs en bezette Sardinia en Corsica.—8)Tib. Sempr. Gracchus, zoon van no. 7, consul in 215, behaalde met een leger, grootendeels bestaande uit slaven, wien de vrijheid beloofd was (volōnes), eene overwinning op Hannibals onderveldheer Hanno bij Beneventum (214). In 213 was hij ten tweeden male consul, maar in het begin van 212 werd hij door Mago in een hinderlaag gelokt en sneuvelde.—9)Tib. Sempr. Gracchuswas in 190 in den syrischen oorlog legaat van L. Cornelius Scipio; in 187 was hij volkstribuun en trad toen als verdediger der gebroeders Scipio op (zieCorneliino. 13). In 180 ging hij als praetor naar Hispania, streed zegevierend tegen de Celtiberiërs en hield in 178 een luisterrijken triumftocht. In 177 was hij consul en bevocht hij de Sarden. In 169 was hij censor en in 163 nogmaals consul. Hij was gehuwd met de edele Cornelia, dochter van P. Corn. Scipio Africānus maior. Van 12 kinderen behield hij slechts 3 in leven; de gebroeders Tib. en C. Gracchus en eene dochter Sempronia, later de echtgenoote van Scipio Africānus minor.—10)Tib. Semp. Gracchus, zoon van no. 9, diende in 146 onder zijn zwager Scipio in Africa en in 136 in den numantijnschen oorlog onder den proconsul C. Hostilius Mancīnus. Over land naar Rome terugkeerende, werd hij getroffen door de ellende der armere klasse, terwijl de rijken grooter grondbezittingen hadden, dan zij konden bebouwen. In 133 trad hij als volkstribuun met eene akkerwet op, eene vernieuwing, eenigszins verzacht, van een nimmer uitgevoerde vroegere wet (zieagrariae leges). Toen zijn ambtgenoot M. Octavius, ondanks de smeekingen van Gracchus, zich tegen de behandeling bleef verzetten, stelde Gr. aan het volk voor, Octavius af te zetten. Dit geschiedde, doch aan de onschendbaarheid van het volkstribunaat was hierdoor een zware slag toegebracht. Toen hij nu ook voorstelde, de rijke erfenis van Attalus III van Pergamus niet in de schatkist te storten, maar onder de onvermogende burgers te verdeelen, opdat zij bij den te verkrijgen grond ook eenig bedrijfskapitaal zouden hebben, besloot de senaatspartij geweld te bezigen. Ten einde zich voor het volgende jaar tot volkstribuun te doen herkiezen, had Gr. met zijne aanhangers tijdig post gevat op het Capitool, doch werd door een aantal senatoren en gewapenden onder aanvoering van Scipio Nasīca, bijgenaamd Serapio (zieCorneliino. 21) overrompeld en met 300 der zijnen omgebracht. Zijn lijk werd in den Tiber geworpen.—11)C. Sempr. Gracchus, broeder van no. 10, doch bijna 10 jaren jonger, hernieuwde als volkstribuun in 123 de pogingen zijns broeders (zieagrariae leges) en zocht door verschillende wetten (zieSemproniae leges) de optimatenpartij te fnuiken (123 en 122). Deze echter slaagde er in, een anderen volkstribuun, M. Livius Drusus, over te halen, om door fraaie beloften en schoonklinkende woorden Gracchus’ invloed bij het volk te ondermijnen. Dit ging te gemakkelijker, omdat Gr. alstriumvir coloniae deducendaenaar Carthago was vertrokken, zieRubria(lex). Voor 121 werd Gr. niet herkozen. Een der nieuwe tribunen, Minucius Rufus (z.Minucia(lex) van 121), stelde nu voor, al de sempronische wetten in éénen adem op te heffen. Toen hierover zou gestemd worden, bezette Gr., die het plegen van geweld voorzag, met eene gewapende menigte den Aventijnschen berg, doch werd door den consul L. Opimius, aan het hoofd van senaat en ridderstand, verdreven. Omstreeks 3000 zijner aanhangers vielen in en na den strijd. Gr. zelf liet zich, om niet in handen zijner vijanden te vallen, door een slaaf dooden.—12)Sempronia, zuster van no. 10 en no. 11, gehuwd met Scipio Africānus minor (Corneliino. 18).—13)Tib. Sempronius Gracchuswerd door Augustus verbannen wegens ongeoorloofden omgang met diens dochter Julia. Tiberius liet hem ter dood brengen (14 n. C.). Hij is misschien de door Ovidius (Ex Ponto IV, 16, 31) genoemde tragische dichter Gracchus.—14)Tib. Sempr. Longus, consul in 218 bij het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, veroverde Melite (Malta) en wilde naar Africa oversteken, toen hij op het bericht van Hannibals nadering werd teruggeroepen. Hij werd door H. bij de Trebia verslagen. In 215 versloeg hij den Carthager Hanno in Zuid-Italië bij Grumentum.—15)Tib. Sempr. Longus, zoon van no. 14, consul in 194, overwon de Bojers.—16)P. Sempr. Sophus, consul in 304, onderwierp de Aequi. In 301 was hij magister equitum van den dictator M. Valerius Corvus, in 299 (v. a. in 300) censor. In deze hoedanigheid vermeerderde hij het aantal tribus met twee. Hij was een der oudsteiurisconsulti.—17)P. Sempr. Sophus, consul in 268, voltooide de onderwerping van Picēnum. In 252 was hij censor met M.’ Valerius Maximus Messa(l)la (Valeriino. 16); zij stieten 15 senatoren uit den senaat.—18)P. Sempr. Tuditānusontkwam als krijgstribuun in 216 na dapperen strijd aan het bloedbad bij Cannae, was in 213 praetor, in 209 censor, in welke hoedanigheid hij Q. Fabius Maximus (Cunctator) tot princeps senatus benoemde. In 204 streed hij als consul bij Croton voorspoedig tegen Hannibal.—19)C. Sempr. Tuditanusleed als praetor in 197 eene nederlaag door de Hispaniërs en stierf aan de bekomen wonden.—20)M. Sempr. Tuditanus, volkstribuun in 193 (zieSempronia(lex)de pecunia credita), consul in 185, overwon de Apuanische Liguriërs.—21)C. Sempr. Tuditanusdiende in 146 onder L. Mummius in Griekenland en was consul in 129. Hij schreef een geschiedkundig werk.—22)Sempr. Asellio, geschiedschrijver, schreef de geschiedenis van zijn tijd, vanaf den Numantijnschen oorlog, toen hij onder P. Scipio Africānus krijgstribuun was (134), tot op Livius Drusus (91).—22)C. Sempr. Rufus, een vriend van Cicero.—23)Sempr. Densus, centurio bij de lijfwacht, trachtte, bij het oproer tegen Galba, diens aangenomen opvolger C. Calpurnius Piso Liciniānus met eigen lijfsgevaar te beschermen.—24)Sempronia, echtgenoote van D. Iunius Brutus (Iuniino. 5), deelgenoote van de samenzwering van Catilina.
Sena, 1)Sena Gallica,Σήνη, thans Senigaglia, stad der senonische Galliërs, op de umbrische kust aan den mond der riv. Sena gesticht, sedert 283 rom. kolonie. In de nabijheid, aan den Metaurus, sneuvelde Hannibals broeder Hasdrubal in 207.—2)Sena Iulia,Σαίνα, thans Siena, rom. kolonie in Etruria, ten Z. van Florentia.—3)Sena, eil. aan de W.punt van Gallia, thans Sein, met een orakel onder toezicht van negen maagden, die door het volk voor toovenaressen werden gehouden.
Senaculum, plaats waar de senatoren te Rome zich verzamelden totdat het uur der zitting aanbrak. Het lag aan de N.W. zijde van hetComitium, naast hetVulcanal.
Senātus,βουλή. In den koningstijd werd de koning in het bestuur bijgestaan door een raad der ouden (senatus, consilium regium), door hem zelven uit de patricische geslachten gekozen; de leden,patres(z. a.), waren oorspronkelijk ten getale van 100, later van 300. Bij het begin van de republiek ging de keuze der leden (lectio senatus) over op de consuls, die in de eerste plaats patriciërs kozen; eerst sedert de instelling dertribuni militum consulari potestatekomen waarschijnlijk ook plebejers onder de senatoren voor, die danconscriptigeheeten hebben (ziepatres). Delex Ovinia(z. a.) draagt de keuze op aan de censoren, terwijl de leden oud-ambtenaren en voor het meerendeel plebejers zijn. De curulische overheden behielden voortaan na het einde van hun ambtsjaar zitting in den senaat tot aan den eerstvolgenden census en kwamen dan natuurlijk in de eerste plaats voor senatoren in aanmerking. Tot zóó lang waren zij geene senatoren, maar personen,quibus in senatu sententiam dicere licebat. In ± 300 hebben ook deaediles plebisdit recht gekregen, terwijl het plebiscitum Atinium (zieAtinia(lex)) dit zittingsrecht ook tot de volkstribunen uitbreidde. Sedert Sulla (zieCorneliae legesvan 81, aan het slot) werden ook de quaestoren in den senaat toegelaten. Recht van zitting had ook de flamen Dialis. Sulla hief delectio senatusgeheel op door de bepaling, dat jaarlijks 20 quaestoren moesten gekozen worden, die in den senaat zitting zouden nemen en houden. Met het herstel der censuur (70) kwam ook de lectio senatus terug, en terstond werd een aantal onwaardigen van de lijst geschrapt (senatu movere,eiicere). P. Clodius Pulcher zocht in 58 dit recht van uitstooting te beperken (zieClodiae legesno. 4). Wat het getal betreft, schijnt de normale sterkte steeds op 300 te zijn gebleven, totdat Sulla het aantal op 600 bracht (zieCorneliae legesvan 81 aan het slot). Zeker echter is het, dat de vergadering nooit door zooveel leden werd bijgewoond. De drukst bezochte senaatsvergadering (senatus frequentissimus) tijdens de republiek, waarvan wij kennis dragen en waarin Cicero’s terugroeping uit de ballingschap ter tafel werd gebracht, telde 417 leden. Natuurlijk waren er altijd een aantal senatoren in dienst van den staat afwezig als stadhouders, legaten, enz. Caesar bracht het getal op 900, Antonius op 1000, welk getal later door Augustus op 600 werd teruggebracht. De werkkring van den senaat omvatte wel in het algemeen alles wat in het belang van den staat was, doch er waren vooral drie zaken, waarin de senaat zelfstandig handelde: de eeredienst, het finantiewezen en de buitenlandsche aangelegenheden. Onder het keizerrijk veranderde de toestand. De volksvergadering hield op te bestaan en hare rechten gingen over op den senaat; bovendien werd de senaat gerechtshof bij belangrijke politieke processen tegen hooggeplaatste personen; doch naarmate de absolute macht der keizers toenam, moest de beteekenis van den senaat lager zinken. Vóór Augustus was er geen maatstaf van vermogen vastgesteld voor de waardigheid van senator. Augustus stelde een census senatorius van 1 millioen sestertiën vast.—De zittingen moesten gehouden worden in eentemplum(z. a.); de voornaamste plaats was decuria Hostiliaaan het forum. Wanneer overwinnende veldheeren hunne aanvraag om een triumftocht aan den senaat voordroegen, geschiedde dit in den Bellōna-tempel, buiten de stad. Ook tal van anderevergaderplaatsen worden genoemd, als: de tempel der Eer, der Trouw, der Eendracht, die van Jupiter Capitolinus, van Jupiter Stator (waar Cicero zijne rede tegen Catilīna uitsprak), de curia Pompei, het theatrum Pompei (waar Caesar werd omgebracht) enz. In enkele gevallen ook kwam de senaat onder den blooten hemel,sub divo, bijeen, b. v. wanneer het prodigium gemeld werd,bovem locutam esse. De zittingen waren wel niet voor het publiek toegankelijk, doch de deuren van het gebouw bleven geopend en in de zaal waren ook scribae, herauten en dgl. aanwezig, tenzij bij eene geheime zitting. Het recht om den senaat bijeen te roepen (cogere, vocare senatum) viel niet samen met het recht om hem te leiden (habere, consulere senatum, agere cum patribus, referre ad senatum) en senaatsbesluiten te maken. Beide rechten waren deel van het imperium; maar in de 3deeeuw is hetius agendi cum patribusook aan de volkstribunen gegeven, niet echter het recht den senaat bijeen te roepen. De overheidspersoon, die den senaat bijeengeroepen had, gewoonlijk de consul, die de maandbeurt had, bij afwezigheid van beide consuls de praetor urbanus, bracht de aan de orde zijnde punten ter tafel(dit heetrelatio) met de formule:quod bonum faustum felix fortunatumque sit populo Romano Quiritium. Referimus ad vos, patres conscripti, enz. Na de zaak te hebben ingeleid, vroeg hij:de ea re quid fieri placet?en noodigde dan de senatoren,quibus ius sententiae dicendae erat, in bepaalde volgorde (die echter niet in alle tijden dezelfde is geweest) uit, hunne meening te zeggen, op deze wijze:quid censes, M. Tulli?Allen waren verplicht te antwoorden, en de eerst gevraagde senator moest omtrent het aan de orde zijnde onderwerp een voorstel doen. Daartoe stond hij op en hield een rede (stans sententiam dicebat). Zijn conclusie leidde hij in metcenseoofdecernoofmihi placet. Hij, die daarop gevraagd werd, kon met het gedane voorstel (sententia) instemmen, of een ander voorstel doen. Hij kon echter ook zoolang sproken als hij verkoos en kon ook, als hij over de voorgestelde zaak had uitgesproken, over elke andere zaak het woord voeren: men denke aan Cato’spraeterea censeo Carthaginem esse delendam. Daar een senaatsbesluit vóór zonsondergang behoorde genomen te zijn, werd dit middel wel eens gebezigd om het nemen van een besluit te verhinderen (diem dicendo consumere). De ambtenaren werden niet naar de rij af gevraagd, maar allen hadden het recht het woord te nemen, wanneer het hun behaagde. Na afloop van de discussies rangschikt de voorzitter de verschillende adviezen (pronuntiabat sententias) en liet dan daarover één voor één stemmen (discessioz. a.). Zie verderpedarii. Was nu de agenda afgehandeld, dan konden de andere ambtenaren, die hetius relationishadden, de leiding overnemen, maar bepaalden zich dan gewoonlijk bij zaken, die tot hun werkkring behoorden (referre de singulis rebus). Het recht om den algemeenen politieken toestand ter sprake te brengen (referre de republica) kwam alleen toe aan dengene, die den senaat bijeengeroepen had. Deze had ook het recht van intercessio tegen iederen ambtenaar, die de leiding van hem overgenomen had, ook tegen de volkstribunen, die van hetius referendihet meest gebruik maakten. De grond van dit recht van intercessio was deze, dat de magistraat, die de leiding overnam,alienis auspiciishandelde.
Senātus auctoritas, senātus consultum.Een rechtsgeldig senaatsbesluit heetsenatus consultum. Het werd op schrift gebracht door den voorzitter, die hierbij bijgestaan werd door eenige senatoren,qui scribendo adfuerunt. Werd een besluit doorintercessiogetroffen, dan heette hetsenatus auctoritas; het werd, hoewel het niet voor uitvoering vatbaar was, toch opgeteekend. Deintercessiokon uitgeoefend worden door magistraatspersonen,qui eadem potestate qua ii qui senatus consultum facere vellent, maioreve essent, en door detribuni plebis. Z. ooksenatusaan het einde. Eensenatus consultum tacitumis een besluit, in eene geheime zitting genomen. Omtrent desenatus auctoritas, vereischt voor wetsvoorstellen in decom. centuriatazie menpatres.
Senatus consultum ultimumwas de uiterste maatregel, waartoe de senaat overging, wanneer de staat door binnenlandsche onlusten of een buitenlandschen vijand naar zijn meening in gevaar verkeerde. Het was een uitnoodiging aan de in het besluit genoemde ambtenaren, in den vormvideant consules, (enz.)ne quid respublica detrimenti capiat. Zij verzocht hen, op eigen gezag alle naar omstandigheden noodige maatregelen te nemen, die in hun bevoegdheid lagen, zooals vormen van een leger met buitengewone lichtingen, bevelen uitvaardigen aan burgers en bondgenooten, met geweld de rust herstellen, enz. Zie ookhostis iudicatio.
Senātus municipālis.In de rom. municipia had men een gemeenteraad,senatusgenoemd, wiens ledendecurionesheeten en die ook welordo decurionumwordt genoemd. In den regel bestond hij uit 100 leden.
Seneca, familienaam, zieAnnaei.
Senecio, familienaam, zieHerennii.
Senogallia=Sena Gallica.
Senones,Σένονες, machtige gallische volksstam aan de Sequana (Seine) in het latere Isle de France en Champagne. Hunne hoofdstad was Agedincum (Sens in Champagne). Een gedeelte van dit volk trok ± 400 de Alpen over naar Italië en stichtte daar aan de Adriatische zee de stad Sena, gewoonlijk Gallica bijgenaamd. Het waren deze Galliërs, die in 390 de Romeinen aan den Allia versloegen en het Capitool belegerden. In 283 werden zij door den consul P. Cornelius Dolabella Maximus verslagen en zoo goed als vernietigd. Z.Ager Gallicus.
Sentia Aelia(lex), zieAelia Sentia(lex).
Sentii.1)C. Sentiusoverwon in 89 als praetor de Thraciërs, na eerst zelf door hen te zijn verslagen.—2)C. Sentius Saturninus,vriend van den jongen Sex. Pompeius, consul in 29, toonde zich uiterst gestreng tegen afpersingen en ambitus. In 7 werd hij stadhouder van Syria en hield toen den census in Iudaea, later (4 en 5 n. C.) was hij legaat van Augustus in Germania.—3)C. Sentius Saturninus, een zoon van no. 2, consul in de eerste helft van het jaar 4 na C., zieAelia Sentia(lex). In de tweede helft van ditzelfde jaar vindt men als consul suffectusCn. Sentius Saturninus, die in 19 na C. legaat in Syria was.—4)Sentius Augurīnus, een vriend van Plinius minor.
Sentīnum,Σεντῖνον, versterkte stad in Umbria aan den Aesis. Hier versloegen in 295 de Romeinen de vereenigde Samnieten, Galliërs en Etruscers. Consuls waren toen Q. Fabius Maximus Rulliānus (zieFabiino. 14) en P. Decius Mus, die volgens het verhaal zich ten doode wijdde.
Sepias,Σηπίας, Z.O. punt van het thessalische landschap Magnesia.
Sepīnum=Saepinum.
Seplasia, eene straat te Capua, met parfumeriewinkels.
Sepphōris,Σεπφωρίς=Diocaesarēa.
Septem aquae, “de 7 meren”, landstreek bij Reāte in het sabijnsche land.
Septempeda,Σεπτέμπεδα, rom. municipium in het N. van Picēnum, op de grens van Umbria.
Septemviri epulōnes, zieepulones.
Septentrio,Ἀπαρκτίας, de Noordenwind, zieWindstreken.
Septimii, rom. geslacht, waarvan in Cicero’s tijd en later eenige leden voorkomen, echter niet belangrijk genoeg voor afzonderlijke vermelding. Aan het einde van de 2deeeuw na C. komt een dichter Septimius Serēnus voor. Zie ookDictysno. 2.
Septimius Geta, rom. keizer, zieGeta.
Septimius Sevērus, rom. keizer, zieSevēri.
Septimontium, het zeven-heuvelenfeest, jaarlijks in Dec. te Rome gevierd, oorspronkelijk alleen door dat gedeelte van de bevolking, dat het Septimontium (zieRoma) vormde.
Septizonium, paleis (z. echter ookNymphēum) door keizer Septimius Severus aan de Z.O. zijde van den Palatinus opgericht. Het had drie verdiepingen kolonnades, elke voorzien van eene kroonlijst, die op de via Appia uitzagen. Paus Sixtus V liet het gebouw afbreken om aan de zuilen een andere bestemming te geven. Ook keizer Titus had een dergelijk gebouw laten oprichten.
Septa=saepta, zieovile.
Septuaginta,οἱ ἑβδομήκοντα, worden bij verkorting de 72 Joden genoemd, die volgens het verhaal op last van Ptolemaeus Philadelphus te Alexandrië het O.T. in het Grieksch hebben vertaald. Deze vertaling was in de Hellenistisch-Joodsche en in den Oud-Christelijke wereld algemeen in gebruik. De schrijvers van het Nieuwe Testament citeeren deze uitgave, nooit den Hebreeuwschen bijbel. De taal is deΚοινή, maar met belangrijke afwijkingen;menzou dit het Joden-Grieksch kunnen noemen.
Septunx= 7/12 as. Een muntstuk van deze waarde bestond niet.
Sequana, rivier in Gallia, thans Seine.
Sequani, keltisch volk, een der hoofdstammen van Gallia Transalpīna, aan de Westzijde van het Juragebergte, vijanden van de Aeduërs. Hoofdstad: Vesontio (Besançon).
Serapēum,Σεράπειον, Serāpis-tempel. Beroemd was vooral het Serapeum te Alexandrië in Aegypte, met een aanzienlijke bibliotheek, dat in 379 n. C. door Theophilus van Alexandria vernietigd werd.
Serapion,Σεραπίων, 1) van Alexandrië, stichter eener empirische geneeskundige school, omstreeks 220.—2)van Antiochië, beroemd wiskundige en aardrijkskundige, waarschijnlijk tijdgenoot van Eratosthenes no. 2.
Serāpis,Σάραπις, een god, wiens beeld door Ptolemaeus I naar aanleiding van een droomgezicht uit Sinōpe gehaald werd en wiens eeredienst hij in Aegypte invoerde. Hij werd beschouwd als eene vereeniging van Osīris en Apis, als een god der afgestorven zielen, heer van gezondheid en ziekte. Zijn dienst vond ook ingang bij de Grieken en Rom., die hem met Zeus, Hades of Asclepius vereenzelvigden.
Serbouis lacus,Σερβωνὶς λίμνη, een langgestrekt, ondiep zoutmeer ten O. van Aegypte langs de kust, in Casiōtis. Daarvóór lag de Casius mons (z.Casiusno. 1), en ten W. Pelusium, de grensvesting van Aegypte.