Chapter 65

Serdica,Σερδική, aanzienlijke stad in het N.O. van Thracia, nabij de grenzen van Moesia en Dardania, in de bergstreek, waar de Scomius zich van den Haemus afscheidt. Tgw. Sophia. Sedert Diocletiānus behoorde dit gedeelte van Thracia, als Dacia mediterranea, tot de Praefectura Illyricum. Attila verwoestte de plaats, die echter weder werd opgebouwd.Serēnus Sammonicus(Q.), geleerde onder de regeering van Septimius Sevērus en Caracalla, die een groote bibliotheek had; op last van den laatstgenoemde werd hij ter dood gebracht. Zijn zoon, die den zelfden naam droeg, schreef als leek een receptenboek in hexameters, dat tot de lievelingslektuur van Alexander Severus behoorde, en nog in de middeleeuwen veel werd gelezen.Seres, bewoners van Serica (z. a.).Sergestus, een van de tochtgenooten van Aenēas, door de rom. Sergii als hun stamvader beschouwd.Sergii, aanzienlijk patricisch geslacht. 1)L. Sergius Fidēnas, consul in 437, verwierf zich zijn cognomen door zijne zegepraal op de Fidenaten en Vejenten.—2)M. Sergius, krijgstribuun in 205, ging met zijn ambtgenoot P. Matiēnus de schandelijke roofzucht der rom. bezetting te Locri Epizephyrii te keer en werd hiervoor door den rom. propraetor Q. Pleminius onder allerlei martelingen ter dood gebracht.—3)M. Sergius Silus, overgrootvader van no. 5, onderscheidde zich door moed in den tweeden punischen oorlog.—4)M. Sergius Silus, zoon van no. 3, wasonder Aemilius Paullus bevelhebber der ruiterij in den oorlog tegen Perseus.—5)L. Sergius Catilīna, achterkleinzoon van no. 3, toonde van jongs af een diep bedorven karakter. Hij bezat groote geestesgaven en was merkwaardig gehard tegen ontbering en inspanning, doch paarde daaraan een zeldzame gave van verleiding tot het kwade. Hij was een van Sulla’s handlangers geweest bij de proscripties (zieGratidiino. 3), werd in 77 quaestor, in 68 praetor en wilde in 65 naar het consulaat dingen, doch zag zich hierin verhinderd door eene aanklacht wegens afpersingen. Toen smeedde hij eene samenzwering, die echter door zijn eigen ongeduld mislukte. Toen hij in 64 niet tot consul verkozen was, beraamde hij een tweede complot met een groot aantal Rom. van aanzienlijken huize, voor een deel even berooid en in schulden gedompeld als hij zelf. Het doel was niets minder, dan de tegenstanders, den consul M. Tullius Cicero in de eerste plaats, om te brengen, Rome op verschillende punten in brand te steken en Italië en de provinciën onder elkander te verdeelen. Er waren te Rome en elders duizenden onder het volk, die niets te verliezen hadden en bij oproer en omwenteling althans de kans hadden iets te winnen. De onbedachtzaamheid van een der samenzweerders was oorzaak, dat het plan nog tijdig Cicero ter oore kwam, die hierop door zijne waakzaamheid de uitvoering er van voorkwam (63) en Catilina noodzaakte, Rome te verlaten en zich naar het leger te begeven, dat hij in het N. van Etruria in de bergen bij Faesulae verzameld had. Eenige hoofden der samenzwering bleven echter te Rome, en knoopten onderhandelingen aan met een gezantschap der Allobrogen, die juist te Rome waren om den senaat de grieven van hun volk kenbaar te maken. De brieven, die zij den gezanten medegaven, werden echter door Cicero onderschept, waarop de saamgezworenen in hechtenis werden genomen en, overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van den senaat, doch tegen Caesars raad, in den kerker door worging ter dood gebracht. Catilina zelf sneuvelde kort daarop na dapperen strijd in een slag bij Pistoria tegen de troepen van den legaat M. Petreius. De geheele loop der samenzwering is op meesterlijke wijze door Sallustius te boek gesteld.—6)C. Sergius Orāta, een bekende lekkerbek en fijnproever, omstreeks het jaar 100.Serica,Σηρική, het land derSeres,Σῆρες, en derSinae,Σῖναι, China. Het land der Sinae ligt ten Zuiden van Serica, en grenst aan den Sinus Magnus (de Zuid-Chineesche zee) en aan India trans Gangem; het is dus Zuid-China, terwijl Serica het binnenland en het Noorden van China (Mongolië en Mandschoerije) inneemt. Bij de ouden was het volk der Chineezen slechts bij naam uit de verhalen van oostersche kooplieden bekend. Zij hadden den naam, een zacht en goedaardig volk te zijn, dat echter den omgang met andere volken vermeed en niet gemakkelijk vreemden toeliet. Ammiānus Marcellīnus (390 na C.) had ook van den chineeschen muur gehoord. Ook wist men, dat Serica het vaderland was der zijdewormen; vandaarsericum= zijde. Zijden stoffen,vestes sericae, waren onder het keizerrijk ook te Rome niet onbekend.Seriphus,Σέριφος, een klein eiland, tot de groep der Cycladen behoorende, rotsig en onvruchtbaar, maar rijk aan metalen, o. a. ijzer en magneet. Hier laat de mythe de kist aanspoelen, waarin Danaë was opgesloten (zieAcrisiusenPerseusenDictysno. 1). Later vestigde zich op S. eene ionische kolonie. In den perzischen oorlog weigerde S. den Perzen schatting te betalen. Onder de rom. keizers werd het een verbanningsoord. Aristoteles vermeldt het bestaan van kikvorschen die niet kwaakten; vandaarΣερίφιος βάτραχος= een stomme, iemand die niet spreekt.Sermyle,Σερμύλη, stad op de chalcidische landtong Sithonia.Serrānus, familienaam in degens Atilia(Atiliino. 7–9).Serrati, z.Bigati.Serrīum,Σέρρειον, kaap en kasteel op de thracische kust, tegenover het eil. Samothrāce.Sertorius(Q.), geb. te Nursia in het sabijnsche land, had zich eerst op de studie van recht en redekunst toegelegd, diende als soldaat onder Marius in den strijd tegen de Cimbren en Teutonen (105–102) en vervolgens in Hispania onder T. Didius (97) als krijgstribuun. Als quaestor in Gallia Cisalpīna onderscheidde hij zich in 91 door onvermoeiden ijver en in den marsischen oorlog door moed en krijgstalent, en verloor op het slagveld een oog. In den burgeroorlog was hij de partij van Marius toegedaan, en als praetor zelfs aanvoerder van een der vier legers, die in 87 Rome bestormden. Hij verafschuwde echter uit den grond van zijn hart de wreedheden, door Marius en Cinna bedreven. Na den dood van deze beiden wanhoopte Sertorius aan de verdere verdediging van Italië en Rome tegen Sulla en begaf hij zich naar Hispania Citerior (83), welk gewest hem als praetor door het lot was toegewezen. Sulla zond hem den proconsul C. Annius Luscus achterna. Wel verdedigde een legaat van Sertorius, Iulius Salinātor, met moed den toegang tot de Pyrenaeën, doch na diens vermoording zag Sertorius zich genoodzaakt voor Luscus te wijken en zocht in Mauretania een toevluchtsoord. Van daar verdreven doolde hij op zee rond, doch Luscus versloeg zijne vloot. Andermaal in Mauretania geland, was hij gelukkiger (hij veroverde o. a. Tingis (Tanger)), totdat een gezantschap der Lusitaniërs, die in opstand waren tegen Rome, hem het bevel over hunne strijdkrachten kwam aanbieden. Toen begon Sertorius een guerilla; van alle zijden stroomden hem hispanische troepen toe, leger op leger der Rom. werd verslagen, de opstand breidde zich voortdurend uit, en Q. Caecilius Metellus Pius (Caeciliino. 17) kon dien niet meester worden. Doch ook Pompeius die in 76 met eenleger ter ondersteuning van Metellus naar Hispania trok, kon evenmin Sertorius verslaan, en stelde toen een prijs op diens hoofd. Niet om dit bloedgeld te verdienen, maar alleen uit naijver en trotschheid smeedde een der onderbevelhebbers van Sertorius, de optimaat M. Perperna, die het niet kon dulden aan een man van nederige afkomst te moeten gehoorzamen, een complot, en S. werd in 72 op een gastmaal vermoord. Hiermede was ook de kracht van den oorlog gebroken.Servare de caelo=signa observare de caelo. Deze uitdrukking wordt in het bijzonder gebezigd voor het nemen van auspiciën met de bedoeling de comitiën te storen. Bij designa impetrativakon men twee wegen inslaan; men kon in het algemeen een teeken van de goden vragen; men kon echter ook een bepaald teeken vragen en de overige veronachtzamen. Wie dus bepaald een goedkeurend teeken afbad, had slechts te wachten totdat hij zulk een teeken zag en had met de overige, die hij niet gevraagd had, niets te maken. Maar evenzoo kon men ook om een storend teeken vragen. Al wat naar onweder zweemde, een verwijderd gerommel, dat voor donder kon doorgaan, een schijn van weerlicht, kon te baat genomen worden om de comitiën te storen, en reeds de aankondiging van een overheidspersoon,se servaturum de caelo essewerd als storing beschouwd. De voorzitter had echter het recht, een ambtenaar van minderen rang te verbieden,obnuntiatioaan te wenden. Hij deed dit geregeld door aan de oproeping ter vergadering toe te voegen:ne quis magistratus minor de caelo servare velit. Deleges Aelia et Fufia(± 156) regelden deobnuntiatio. Waarschijnlijk bepaalde delex Aelia, dat zoodanige storing niet slechts door hoogere overheden tegenover lagere, maar ook door overheden van gelijken rang tegenover elkander zou mogen geschieden (zelfs hadden de praetoren alscollegae minoresdeobnuntiatiotegenover de consuls) en door de volkstribunen tegenover alle. Het belangrijke dezer wet lag vooral hierin, dat nu ook volkstribunen elkander in het doordrijven van wetten konden belemmeren; want de wet verklaarde uitdrukkelijk de bovengenoemde verklaring voor eene afdoendeobnuntiatio, waaraan onmiddellijk gehoor moest worden gegeven. Ook waren nu deconcilia plebisaan deobnuntiatioonderworpen. Delex Fufiabevestigde delex Aeliaen stelde strafbepalingen vast voor het aanwenden derobnuntiatioop dagen voor kiescomitiën bepaald. Delex Clodia(58) hief de bovengenoemde wetten voor de wetgevende comitiën op, doch werd, daar Clodius deobnuntiatioin den wind had geslagen, door velen niet als geldig erkend, hetgeen schromelijke verwarringen veroorzaakte.Servi, z.servitus.Servilia(lex)agraria, van den volkstribuun P. Servilius Rullus (63). Zie onderAgrariae leges.Servilia(lex)de repetundis, van den volkstribuun C. Servilius Glaucia (zieServiliino. 23). De wet is gemaakt kort voor 111. Ze beoogde een verscherping van de procedure bijcrimen repetundarumen een nadere uitwerking van delex iudiciariavan C. Sempronius Gracchus. O. a. verwierf volgens deze wet een Latinus, die een rom. burger met goeden uitslag van afpersingen aanklaagde, zelf het rom. burgerrecht. Ook werd door deze wet deampliatio(z. a.) afgeschaft en vervangen door decomperendinatio.Servilia(lex)iudiciariavan den consul Q. Servilius Caepio van 106 (Serviliino. 15), waarbij de iudicia tusschen senatoren en ridders in gelijke verhouding werden verdeeld.Servilii, oud geslacht, uit Alba Longa afkomstig. 1)P. Servilius Priscus Structus, consul in 495.—2)Sp. Serv. Priscus Structus, consul in 476.—3)C. Serv. Structus Ahāla, magister equitum van den dictator L. Quinctius Cincinnātus (439), doodde Sp. Maelius, die weigerde voor den dictator te verschijnen. Later moest hij hiervoor in ballingschap gaan. ZieMaeliino. 1 en 2.—4)Q. Serv. Priscus Structusveroverde in 435 als dictator Fidēnae, waarnaar hij den bijnaamFidēnaskreeg. In 418 was hij opnieuw dictator en overwon toen de Aequers.—5)C. Serv. Structus Axillawas drie jaren achtereen consulairtribuun, 419–417. In 418 was hij magister equitum van no. 4.—6)C. Serv. Structus Ahāla, in 408 mag. eq. van den dictator P. Cornelius Rutilus Cossus, was een hevig tegenstander der volkstribunen.—7)Q. Serv. Ahāla, dictator in 360, versloeg de Galliërs, die voor Rome waren verschenen.—8)P. Serv. Geminus, consul in 252 en 248, streed, volgens een niet geheel betrouwbaar bericht, voorspoedig op Sicilia tegen de Carthagers. Hij en zijn tweelingbroeder Q. geleken zoo sprekend op elkander, dat zij bijna niet te onderscheiden waren. Hieruit ontstond de familienaam Geminus.—9)Cn. Serv. Geminus, consul in 217, sneuvelde in 216 bij Cannae.—10)C. Serv.(Geminus), volkstribuun in 209, consul in 203, bevrijdde zijn vader, die in 218 bij het stichten eener kolonie door de Bojers krijgsgevangen was gemaakt (zieLutatiino. 3). In 202 was hijdictator comitiorum habendorum causa.—11)M. Serv. Pulex Geminus, consul in 202, een dapper krijgsman, voerde in 202 en 201 het bevel in Etruria en streed in 181 tegen deLiguriërs.—12)Cn. Serv. Caepiowas consul in 203, tegelijk met no. 10.—13)Cn. Serv. Caepio, consul in 169, had drie zoons, die het consulaat hebben bekleed. De oudste ging door adoptie in de gens Fabia over, zieFabiino. 19.—14)Cn. Serv. Caepio, ook een zoon van no. 13, consul in 141, was in 125 een gestreng censor.—15)Q. Serv. Caepio, zoon van no. 14, consul in 106 (zielex Servilia iudiciaria), werd in 105 als proconsul door de Cimbren bij Arausio verslagen. In 95 werd hij wegens wangedrag in dien oorlog en onwettige plundering (men beschuldigde hem namelijk, de tempelschatten van Tolosa(z. a.) verduisterd te hebben), aangeklaagd en tot verbanning veroordeeld, terwijl zijne bezittingen verbeurd verklaard en gerechtelijk verkocht werden. Z.Norbanino. 1.—16)Q. Serv. Caepio, derde zoon van no. 13, consul in 140, verbrak het verdrag, dat zijn broeder Q. Fabius Maximus Serviliānus (Fabiino. 19) met de Lusitaniërs gesloten had, en bewerkte dat Viriāthus door sluipmoord werd omgebracht.—17)Q. Serv. Caepio, kleinzoon van no. 16, was een heftig tegenstander van L. Appulēius Saturnīnus (100), en ook van M. Livius Drusus (91), toen deze den ridderstand de iudicia poogde te ontrukken. In den marsischen oorlog lokte Pompaedius Silo hem in eene hinderlaag, waar hij sneuvelde.—18)Q. Serv. Caepio, zoon van no. 17, stierf nog jong in Asia. Hij nam zijn zusterszoon M. Iunius Brutus (Iuniino. 9) als zoon aan, die hiernaar somsQ. Caepio Brutuswordt genoemd.—19)Servilia, dochter van no. 17, was gehuwd met M. Iunius Brutus, den vader van Caesars moordenaar. Zij was eene stiefzuster van Cato van Utica, en stond bekend als eene zeer schrandere, ontwikkelde vrouw, wier invloed in staatszaken niet gering was. Eene zuster van haar was gehuwd met L. Licinius Lucullus.—20)P. Serv. Vatia, consul in 79, tuchtigde in 78 en 77 de cilicische en lycische zeeroovers op eene nadrukkelijke wijze, drong vervolgens in den Taurus door, beoorloogde de Isauriërs (76) en verwierf zoo den bijnaamIsauricus.—21)P. Serv. Vatia Isauricus, zoon van no. 20, in 48 Caesars medeconsul, een zachtzinnig man, sloot zich na Caesars dood bij Cicero aan tegen Antonius.—22)P. Serv. Casca, volkstribuun in 43, bracht aan Caesar den eersten dolkstoot toe en werd daarbij zelf door Caesar met een schrijfstift aan de hand gewond. Zijn broederC. Serv. Casca, behoorde wel tot de saamgezworenen, doch niet rechtstreeks tot de moordenaars.—23)C. Serv. Glaucia, tribunus plebis kort voor 111 (z.Servilia(lex)de repetundis), praetor in 100, een slecht, beginselloos mensch, zeer geslepen, bevorderde de plannen van Marius en Saturnīnus en werd met Saturninus om het leven gebracht.—24)P. Serv. Globulus, vriend van Cicero, volkstribuun (66) en later praetor in Asia.—25)P. Serv. Rullus, volkstribuun in 63; zie onderAgrariae(leges):lex Servilia agraria.Servitus, 1) servituut, in den regel zakelijke rechten, die men op eens anders grond of erf heeft en waarvoor zoodanig erf dienstbaar is. Men onderscheidde ze inservitutes praediorum rusticorum, die op landerijen rustten, enservitutes praediorum urbanorum, op gebouwde eigendommen. Tot de eerste, dieres mancipi(z. a.) zijn, behoorden:actus, het recht om vee over eens anders land te drijven,iter, het recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan,via, er met een voertuig over te rijden,aquaeductus, het recht om over vreemden grond water te leiden. Het servituut vanviasloot dat vanactuseniterin, bijviawas een bepaalde rijweg aangewezen. Onder de tweede soort worden o. a. vermeld:ius tigni immittendi, het recht om balken in ’s buurmans muren te leggen,ius proiiciendi, het recht om een bovenbouw over eens anders grond te laten uitspringen,ius stillicidiienfluminis, het recht van afvoer van regen- en ander water,ius luminum, het recht om licht te ontvangen zonder dat de buurman dit mag betimmeren.Servitutes personarumzijn diensten waartoe een bepaald persoon krachtens overeenkomst is verplicht.—2)toestand van slavernij. Volgens het rom. recht is diegene slaaf,qui iustam servitutem servit. Hij was wel een mensch, doch geen persoon, slechts eeneres, die zijn meester toebehoort. Men werd slaaf door geboorte of door verlies zijner vrijheid, in het laatste geval door krijgsgevangenschap of door decapitis deminutio maxima(vgl.verna, ius postliminiiencapitis deminutio). De eigenaar was onbeperkt heer en meester over zijne slaven; slechts kon eene al te wreede behandeling door de censoren bestraft worden; onder de keizers kwam hierin verandering. Vrijverklaring heettemanumissio(z. a).Servi publiciwaren slaven in dienst van den staat. Zie ookΔουλεία.—3)servitus poenae, eerst onder de keizers in zwang gekomen voorpersonae humiles, die veroordeeld werdenad opus publicum, tot dwangarbeid bij openbare werken,ad metalla, tot dwangarbeid, in de mijnen, steengroeven en dgl.,ad bestias, om in het amphitheater tegen de wilde dieren te vechten.Servius, 1) rom. vóórnaam, vooral in degens Sulpiciavoorkomende, zoodat men wel eensServii=Sulpiciigebruikt vindt.—2)Servius Clodius(Claudius), romeinsch ridder, een man van groote geleerdheid; hij was een ijverig taalkundige en maakte vooral studie van Plautus. Hij bezat een uitgebreide bibliotheek, die na zijn dood door zijn bloedverwant L. Papirius Paetus (Papiriino. 14) aan Cicero ten geschenke werd gegeven. Hij was een schoonzoon van L. Aelius Stilo Praeconīnus (Aeliino. 7).—3)Servius Maurus Honorātus, taalgeleerde op het einde der 4deeeuw na C., gaf te Rome onderwijs in grammatica en rhetorica en heeft ons o. a. een uitvoerigen commentaar op Vergilius nagelaten, met een schat van oudheidkundige en mythologische ophelderingen en tal van fragmenten uit thans verloren geschriften van verschillende schrijvers.Servius Tullius, zesde koning van Rome. Volgens de overlevering was hij de zoon eener slavin Ocrisia, eene krijgsgevangene uit de latijnsche stad Corniculum, en was hij in het paleis van Tarquinius Priscus te Rome geboren. Eens zagen Tarq. en diens gemalin Tanaquil het hoofd van den slapenden knaap door een stralenden lichtkrans omgeven en daarop namen zij hem als kind aan. Hij wies op als een edel jongeling, de lieveling van goden en menschen, hij huwde ’s konings dochter en werd na diens dood door het overleg van Tanaquil zijn opvolger. In een nog bewaard fragment eener redevoeringvan keizer Claudius wordt een ander verhaal medegedeeld, uit etrurische bron geput. Onder de regeering van Tarquinius Priscus zou een Etruscer, met name Mastarna, een aanhanger van Caeles Vibenna, met eene schaar uitgewekenen naar Rome zijn gekomen en zich op den Caelischen berg hebben neergezet en vervolgens zijn naam tegen dien van Servius Tullius verwisseld hebben.—Na zijne troonsbeklimming trad S. T. spoedig als hervormer op. Vooreerst trok hij drie heuvels binnen den kring der stad, n.l. den Quirinālis, den Esquilīnus en den Viminālis, en omringde nu het geheel door een kolossalen muur. Wat in verschillende deelen van Rome nog over is van den zoogenaamdenagger Servii Tulliibehoort tot twee bouwperioden; de oudste muurbrokken zijn waarschijnlijk uit de 6deeeuw, de jongere gedeelten uit den tijd der samnietische oorlogen. Hij verdeelde vervolgens het terrein binnen de stad in 4 wijken oftribus(z. a.) en het omliggende gebied in een zeker aantalregiones, ook meestaltribus(rusticae) genoemd. Ten tweede bracht hij een verbond tot stand tusschen Rome en Latium, met een bondsheiligdom, den Diana-tempel op den Aventīnus. Ten derde maakte hij eene nieuwe indeeling van het volk, op timocratisch beginsel berustende, in klassen en centuriën (ziecenturia), zonder dat daarbij op afkomst werd gelet. Zoo ontstonden decomitia centuriata. De patriciërs waren den hervormingsgezinden koning moede, die al te zeer naar de zijde der plebejers overhelde. Er vormde zich eene samenzwering, aan welker hoofd ’s konings schoonzoon L. Tarquinius stond, en S. T. werd na eene 43-jarige regeering (578–535) vermoord. Zoo luidt de overlevering; in hoeverre in deze verhalen waarheid schuilt, is niet meer na te gaan.Sesamus, stad in Paphlagonia, zieAmastrisno. 2.Sesos(tr)is,Σέσωσ(τρ)ις, naam, door de Grieken aan Ramses II (z. a.) gegeven.Sessa Aurunca=Suessa Aurunca.Sestertius, voorSemistertius, derdehalf = 2½as, de meest algemeene zilvermunt en de algemeene rekenmunt bij de Rom. In het schrijven werd hij aangeduid doorLLS(libra libra semis), laterIISofHS. Het dwarsstreepje is slechts een verbindingsstreepje. Bij de munthervorming in 217 (zieas) werd de waarde van den sestertius op 4 as bepaald. Eigenlijk issestertiuseen adjectief en is de volledige naamnummus sestertius; vandaar wordt ook meermalen alleen het woordnummusgebezigd. Eene som van 1000sestertiën,mille sestertium(=sestertiorum) werd kortwegsestertiumgeheeten, waaruit zich een nieuw onzijdig substantief vormde, d.v.decem sestertia= 10000sestertiën. Bij de veelvouden van 100000 echter bleefsestertiumals onverbuigbaar woord staan met een multiplicatief telwoord. Zoo is dan b.v. eene som vanquingenti sestertii= 500sestertiën,quingenta sestertia= 500 × 1000 sestertiën,quinquies sestertium= 5 × 100000 sestertiën. Wanneer echter geldsommen geschreven worden met cijfers en het teekenHS(dat voor al de drie beteekenissen geldt), moet men uit den zin de bedoeling afleiden. Een liggend streepje boven de cijfers b.v.CCduidt aan, dat men het getal met 1000 moet vermenigvuldigen; staan de cijfers tusschen drie streepjes (twee staande rechts en links, en één liggend van boven, b.v.|CC|), dan worden honderdduizenden bedoeld. Die streepjes worden echter niet altijd geschreven.Sestii=Sextii.Sestīnum, stad in het umbrische bergland, aan den N.O. kant der Apennijnen.Sestus,Σηστός, stad op de thracische Chersonesus aan den Hellespont, tegenover Abȳdus. Nabij deze plaatsen sloeg Xerxes eene schipbrug over de zeeëngte. Te Sestus woonde Hero (zieLeander).Sesubii=Esubii.Setabis=Saetabis.Setia,Σητία, stad in Latium, ten Z.O. van Rome met belangrijken wijnbouw. Het hoorde oorspronkelijk tot den latijnschen bond, kwam later onder de Volscen, maar werd in 382 of 379 latijnsche kolonie.Seuthes,Σεύθης, 1) koning der odrysische Thraciërs, opvolger van Sitalces.—2)zoon van Maesades, trachtte het gebied waaruit zijn vader verdreven was, door de hulp der 10.000 Grieken onder Xenophon te heroveren.Sevēri.Vier rom. keizers hebben dezen naam gedragen. 1)L. Septimius Severus, rom. keizer 193–211 na C., geb. te Leptis in Africa, was onder Marcus Aurelius en Commodus achtereenvolgens stadhouder in Gallia en Pannonia. Na den dood van Pertinax werd hij door zijne legioenen te Carnuntum (aan den Donau) tot keizer uitgeroepen. Terstond trok hij naar Rome op, waar zijn mededinger Didius Iuliānus, die de regeering van de praetorianen gekocht had, bij zijne nadering werd vermoord. Hierop trok hij naar het O. op tegen zijn tweeden mededinger Pescennius Niger, die bij Cyzicus, Nicaea en Issus verslagen werd (194), en veroverde na een langdurig beleg Byzantium (196). De derde mededinger was Clodius Albīnus, veldheer in Britannia, die reeds op marsch naar Italië was, maar bij Lugdūnum (Lyon) verslagen en op de vlucht gedood werd (197). Aldus meester van het rijk geworden, zuiverde hij den rom. senaat, richtte eene nieuwe lijfwacht op (de oude had hij reeds na den dood van Iulianus ontbonden), en voerde een streng militair despotisme, eene soldatenregeering, in. Daarna trok hij tegen de Parthen te velde, veroverde en vernietigde hunne hoofdstad Ctesiphon (198) en keerde in 202 naar Rome terug, dat hij met prachtige bouwwerken verfraaide, terwijl hij zich beijverde, door een wijs en gematigd bestuur de herinnering aan zijne vroegere gestrengheid uit te wissen. In 208 trok hij met zijn beide zoons Caracalla en Geta naar Britannia, waar hij den bestaanden wal tegen de Caledoniërs door een sterken muurverving (zieBritannia). Hij stierf in 211 te Eborācum.—2)M. Aurelius Severus Alexander, geboren te Arca Caesarēa in Phoenicia, werd door zijn neef, keizer Heliogabalus (z. a.), als zoon aangenomen, bij welke gelegenheid zijn eigenlijke naam Alexiānus in Alexander veranderd werd (221 n. C.). Spoedig echter haalde de genegenheid van het leger hem den haat van den tyran op den hals, die hem herhaaldelijk zocht te vermoorden, tot hij zelf door de woedende soldaten werd omgebracht (222), waarop Alex. Sev., 13 jaar oud, doch zorgvuldig onderwezen en opgevoed onder de leiding zijner voortreffelijke moeder Julia Mammaea en zijner brave grootmoeder Julia Maesa, door senaat, volk en leger als keizer werd erkend. Hij verhoogde het aanzien en de macht van den senaat. Hij trachtte het binnenlandsch beheer te verbeteren en de uitspattingen van den door Heliogabalus ingevoerden syrischen eeredienst tegen te gaan, doch hij wilde ook de verslapte krijgstucht herstellen, hetgeen oorzaak was, dat zijn staatsdienaar Ulpianus in 228 voor zijne oogen werd vermoord. In 232 voerde hij oorlog tegen dennieuw-perzischenkoning Artaxerxes I; in 234 trok hij op tegen de Germanen, die over den Rijn stroopten, doch hij werd in een soldatenoproer met zijne moeder vermoord, waarop Maximīnus tot keizer werd uitgeroepen.—3)Flavius Valerius Severus, een Illyriër, werd in 305 na C. door Galerius tot Caesar benoemd en in 306 tot Augustus, doch in den strijd tegen Maxentius werd hij in 307 door zijne troepen verlaten en te Ravenna vermoord.—4)Libius Severus, rom. keizer 461–465 na C., door Ricimer (z. a.) op den troon gezet.Sevēri.1)Cornelius Severus, episch dichter, vriend van Ovidius.—2)Iulius Severus, generaal van keizer Hadriānus in den oorlog tegen de Joden, die onder leiding van Bar-Kochba waren opgestaan (132–134 n. C.), zieHadrianus; later was hij stadhouder van Syria Palaestina.—3)Sulpicius Severus, omstreeks 400 na C., een Christen, schreef eenehistoria sacravan de schepping tot op zijn tijd.Severiāna(via), van Ostia over Antium naar Tarracīna.Sevērus mons, rots in het Sabijnsche land op de grenzen van Picēnum.SēvirofSexvir, meest VIvir of IiiiiIvir geschreven, lid van een college van 6 leden. 1) aanvoerder van deequites Romani equo publico, in den keizertijd; ze worden voor een jaar benoemd; het eerst komen ze voor tijdens keizer Augustus (2 v. C.).—2)lid van het bestuur derAugustālesin de municipiën; ziemunicipium.Sevo mons=Saevo mons.Sextans= 2unciae= ⅙as.Sextarius, rom. maat, iets meer dan een halve liter, het 1/48 deel eener amphora, het 1/16 van een congius.Sextia(rogatio) van P. Sextius in 57, tot terugroeping van Cicero uit de ballingschap, kwam niet in behandeling.SextiiofSestii, dezelfde naam, hoewel men soms de eene schrijfwijze hoven de andere ziet voorgetrokken. 1)P. Sestius Capitolinus(v. a.Capito)Vaticānus, consul in 452 (z.Menenia Sestia(lex)) en in 451 een der decemviri legibus scribundis.—2)L. Sextius Sextinus Laterānus, in 366 de eerste consul uit de plebs ten gevolge derLex Licinia Sextia, waartoe hij zelf had medegewerkt. ZieLiciniino. 4.—3)C. Sextius Calvīnus, consul in 124, voerde voorspoedig oorlog in Gallia Transalpīna en stichtte de badplaats Aquae Sextiae (Aix).—4)T. Sextiusdiende van af 54 als legaat onder Caesar in Gallia. Later ontnam hij in dienst van Octaviānus, de provincie Africa aan Q. Cornificius, die in den strijd sneuvelde (42). Na den slag bij Philippi moest hij Numidia afstaan aan den legaat van Octavianus, C. Fuficius Fango, maar veroverde het weer na den Perusijnschen oorlog. In 40 gaf hij de provincie en zijn troepen over aan Lepidus.—5)P. SextiusofSestius, quaestor in 63, zuiverde Campania van de Catilinarii, dwong den consul C. Antonius aan Catilīna slag te leveren, hetgeen Ant. evenwel door zijn legaat Petreius liet doen, en schaarde zich als volkstribuun in 57 geheel aan de zijde van Cicero. Door zijn vijand P. Clodius werd hij in 56 van geweldenarij en omkooping aangeklaagd doch door Cicero verdedigd en vrijgepleit. Bij het begin van den burgeroorlog volgde hij Pompeius en ging eerst later tot Caesar over.—6)L. Sestius, zoon van no. 5, volgde na Caesar’s dood eerst de vanen van Brutus, doch werd niettemin in 23 door Augustus tot consul suffectus benoemd. Aan hem is gericht Horatius’ ode I. 4.—7)Q. Sextius, een aanzienlijk Romein, een senatorszoon, onder Augustus, om zijne eenvoudige levenswijze zeer geacht, stichtte te Rome eene wijsgeerige school vermoedelijk op stoicijnsche en pythagoreïsche beginselen. Hij schreef in het Grieksch. Ten onrechte neemt men wel eens aan, dat een verzameling spreuken van een zekeren Sextus, die later in het Latijn vertaald is, maar waarvan hetorigineelin 1880 teruggevonden is, van hem afkomstig is. Dit is het werk van een Christen uit de 2deof 3deeeuw. Na Sextius trad zijn zoon als hoofd der school op, daarnageraaktezij spoedig in verval.Sextilii, een rom. geslacht, dat geen mannen van beteekenis heeft opgeleverd. 1)P. Sextilius(v. a.Sextius), propraetor van Africa, verjoeg den als balling ronddolenden Marius uit zijne provincie.—2)C. Sextilius Rufus, admiraal van Cassius in 43.—3)Sextilia, moeder van keizer A. Vitellius, eene vrouw van strenge, oud-romeinsche zeden.Sextīlis, vroegere naam der maand Augustus.Sextula= ⅙uncia= 1/72as.Sextus Empiricus, arts en sceptisch wijsgeer omstreeks 200 n. C. Van zijne werken zijn bewaard geblevenΠυρρωνεῖαι ὑποτυπώσεις, eene uiteenzetting van de leer van Pyrrho enΠρὸς τοὺς μαθηματικούς, waarin hij bezwaren ontwikkelt tegen de grondstellingenvan iedere wetenschap en ieder wijsgeerig stelsel.Sibuzates, volksstam in Aquitania, bij het tegenw. Sobousse aan den Adour.Sibylla,Σίβυλλα, een geheimzinnig vrouwelijk wezen, dat in verschillende landen en in verschillende tijden voorkomt, in eenzame holen woont en van Apollo de gave der voorspelling heeft. Gewoonlijk nam men aan dat er meer dan ééne S. was, in latere tijden sprak men van tien. De meest bekende is de S. van Cumae, die onder verschillende namen voorkomt (Herophile, Demophile, Demo, Deïphobe, Amalthēa), uit Azië naar Italië kwam, zeer oud was en reeds aan Aenēas de toekomst voorspelde. Eene verzameling van hare profetieën, in het Grieksch opgesteld, werd door Tarquinius Priscus voor eene groote som gelds gekocht. De verzameling,libri Sibyllinigenoemd, werd bewaard doorIIviri(sedert 367Xviri, sedert SullaXVviri)sacrorumofsacris faciundis, die in buitengewone omstandigheden, vooral bij prodigia, van den senaat bevel kregen de boeken te raadplegen (adire libros). Vooral door den invloed van deze boeken werd de rom. godsdienst met vele grieksche elementen vermengd. Toen zij bij den brand van het Capitolium (83) verloren gingen, werden overal sibyllijnsche orakels opgezocht, en eene nieuwe verzameling aangelegd, waaruit echter onder Augustus en Tiberius een aantal als onecht verwijderd werden. De sibyllijnsche boeken behielden lang hun invloed en zelfs de oudsteChristenenontzeiden hun niet alle gezag, eerst onder Stilicho werden zij verbrand.—De nu nog bestaandeΧρησμοὶ Σιβυλλιακοίzijn van verschillende tijden en uiteenloopenden inhoud, grootendeels bevatten zij als profetieën ingekleede historische verhalen.Sibyrtius,Σιβύρτιος, onder en na Alexander d. Gr. satraap van Arachosië en Gedrosië, later verbond hij zich met Eumenes, dien hij echter verliet om tot Antigonus over te gaan.Sycambri=Sygambri.Sicania, Sicāni, Sicānus, zieSicilia.Sicānus,Σικανός, een van de strategen van Syracuse in den atheenschen oorlog.Sicca, de vriend van Cicero, op wiens landgoed hij in zijn ballingschap een schuilplaats vond.Sicca Veneria,Σίκκα, aanzienlijke stad in Numidia ten O. van den Muthul; het behoort later tot Africa Vetus (Zeugitana).Siccii, zieSicinii.Sichaeus, z.Dido.Sicilia,Σικελία, het bekende eiland Sicilië bij Italië. In den mythischen tijd was het de woonplaats der Cyclopen en der menschenetende Laestrygonen. In den historischen tijd vindt men als oudste bewoners deSicāni,Σικανοί, vermeld, volgens Thucydides afkomstig uit Iberia, waar zij aan de boorden eener rivier Sicānus,Σικανός, later Sucro geheeten, zouden gewoond hebben, hetgeen tegenwoordig op taalkundige gronden wordt tegengesproken. Later vindt men hen slechts in de westelijke helft, terwijl het oostelijk gedeelte bevolkt is doorSiculi,Σικελοί, een door de Oscers uit Italia verdreven volk. Niet onwaarschijnlijk is het, dat Sicani en Siculi tot één stam behooren, die met de Latijnen verwant is. De grens tusschen beide stammen is de rivier de Himera. In den Westhoek vindt men nog een klein gebied bezet doorElemi,Ἔλυμοι, die over zee waren gekomen. De mythe laat deze Elymers afstammen van Trojanen (zieElymus), doch de namen hunner stedenSegesta, Entella, worden op de oostligurische kust ook aangetroffen, terwijl met Eryx en den Venusdienst de havenportus Venerisin Liguria overeenkomt. Op de kusten van het zoo vruchtbare en uitstekend gelegen eiland vestigden zich een aantal volkplantingen: phoenicische, carthaagsche, ionische en dorische. De afstammelingen der grieksche kolonisten noemden zichΣικελιῶται. Naar de drie meest vooruitspringende kapen,Lilybaeumten W.,Pelōrumten N.O.,Pachȳnumten Z., wordt het eiland bij dichters ookTrinacria,Τρινακρία, geheeten, ookSicaniais een dichterlijke naam. Terwijl het W. gedeelte in de macht der Carthagers kwam, breidde de machtige stad Syracuse haar gezag over het O. deel uit. Beide mogendheden streefden naar het bezit van het geheele eiland en bloedige worstelingen waren hiervan het gevolg. In den eersten punischen oorlog verloor Carthago zijn deel aan de Rom.; West-Sicilia werd toen de eerste rom. provincie (241), het overige bleef syracusaansch tot aan den val van Syracuse in 212. Beide deelen bleven, ofschoon één stadhouder hebbende, onder rom. bestuur toch in zooverre administratief gescheiden, dat zij elk een afzonderlijken quaestor hadden (één te Lilybaeum en één te Syracuse), en dat in het syracusaansche gedeelte de tiendregeling in stand bleef, zooals deze door koning Hiero II (260–215) was vastgesteld (lex Hieronica frumentaria). De gemeenten in dit gedeelte werdencivitates decumanaegenoemd en hare korentienden werden op het eiland zelf verpacht; de gemeenten in het vroegere carthaagsche gedeelte, waarvan de tienden te Rome met anderevectigaliadoor de censoren verpacht werden, heettencivitates censoriae. In Cicero’s tijd waren Messāna, Tauromenium en Netumcivitates foederatae, Centuripae, Halesa, Segesta, Panormus en Halicyaecivitates liberae et immunes. Van de verschillende civitates, 63 in getal, hadden alleen de burgers van Centuripae recht van grondbezit over het geheele eiland. Sicilia was door zijn graanbouw van groote waarde voor de Rom., die er jaarlijks ontzaggelijke hoeveelheden koren uit trokken; terecht was het aan Demēter geheiligd; thans is door de onverschilligheid der latere bevolking de toestand geheel anders geworden. Berucht zijn de afpersingen, door C. Verres gepleegd (73–71) en reeds van dit tijdstip af openbaart zich bij de bevolking een zekere onwil, om verder hunne akkers te bebouwen en zich te laten uitmergelen. Sicilia heeft een aantal beroemdemannen voortgebracht, o.a., Theocritus, tijdgenoot van Hiero II en den vader der bucolische poëzie. Bij Vergilius isSiculus pastor= Theocritus,Sicelides Musae= de Muzen van het herdersdicht.—De zee ten O. van het eiland heettemare Siculum; door sommigen werd zij als een gedeelte der ionische zee beschouwd, v. a. strekte zij zich tot Creta uit.Sicinii. 1)T. Sic. Sabīnus, consul in 487, zegepraalde over de Volscen.—2)C. Sic. Bellutusvoerde het volk in 494 naar den Mons Sacer en werd een der eerste volkstribunen (493).—3)C. SiciniusofSicciuswas onder de eerste volkstribunen, die krachtens delex Publilia Voleronis(471) door de plebstributimwerden gekozen. In het volgende jaar klaagde hij met M. Duilius den trotschen App. Claudius Sabīnus, consul in 471, aan; deze stierf echter vóór den afloop van het proces. Het verhaal van dit proces en van Claudius’ dood is geheel verzonnen. ZieClaudiino. 2.—4)L. Sic.ofSiccius Dentātus, bijgenaamd de rom. Achilles, een man die door zijne schitterende wapenfeiten meer dan 300 militaire onderscheidingen had verworven, 120 gevechten had bijgewoond en 45 wonden in de borst had gekregen, volkstribuun in 454, was een warm strijder voor de rechten der plebejers. In 450 lieten de tienmannen hem in den oorlog tegen de Aequers in eene hinderlaag vallen, waar hij sneuvelde. Dit verhaal is verzonnen, met het doel de tienmannen van het jaar 450 als tyrannen voor te stellen.—5)Cn. Sicinius, praetor in 183, werd in 172 met een leger naar Macedonia gezonden.—6)C. Sicinius, door Cicero onder de goede redenaars gerangschikt, overigens niet nader bekend.—7)Cn. Sicinius, volkstribuun in 76, wendde vergeefsche pogingen aan om de macht van het tribunaat te herstellen. Zijne vijanden wisten hem uit den weg te ruimen.Sicinnis,σίκιν(ν)ις, de dans van het satyrdrama.Sicinus,Σίκινος, eiland der Sporaden, ten Z. van de Cycladengroep gelegen en om zijn wijnbouw vroeger Oenoë genoemd.Sicoris,Σίκορις, thans Segre, zijtak van den Ibērus (Ebro), stroomt langs Ilerda (Lerida).Siculi,Σικελοί, zieSicilia.Siculum fretum, thans straat van Messina. Zie ookScylla.Siculus. 1)Calpurnius Siculus, bucolisch dichter uit Nero’s tijd, schrijver van 7Eclogae.—2)Siculus Flaccus, rom. landmeter uit de 2deeeuw na C., schrijver van een werkjede condicionibus agrorum, z.Groma.—3)Diodōrus Siculus, zieDiodorusno. 3.Sicyon,Σικυών=augurkenstad, hoofdstad van het kleine peloponnesische gewestSicyonia,Σικυωνία, aan den Z.O. hoek der Corinthische golf gelegen. Volgens de overlevering was na Argos Sicyon de oudste staat van Griekenland. Bij de dorische volksverhuizing kwam het onder de Doriërs, in wier bezit het bleef. Het staatje, dat te onbeduidend was om eenig gewicht in de schaal te leggen, stond van ± 670 tot 576 onder de zeer dragelijke heerschappij der Orthagoriden, wier laatste telg Clisthenes was, de schoonvader van den Athener Megacles. Hierna werd de regeeringsvorm een tijd lang democratisch, totdat er onder den invloed van Sparta weder tyrannen kwamen. Eerst sedert 249 vervulde Sicyon weder eene rol (zieArātus) als lid van het achaeisch verbond. Onder rom. heerschappij verviel het meer en meer.—Desicyonische schilderschool(Eupompus, Pamphilus, Pausias) kenmerkte zich door wetenschappelijke behandeling. Debeeldhouwschoollegde zich minder toe op het scheppen van godenbeelden, dan van schoone menschenfiguren. Onder de sicyonische beeldhouwers zijn vooral beroemd Polyclētus (z. a.) en Lysippus (z. a.), die ook een kundig metaalgieter was.Sida, Side,Σίδη, 1) aeolische kolonie op de kust van Pamphylia, hoofdzetel van den dienst van Athēna, die er werd afgebeeld met een granaatappel (σίδη) in de hand. De bevolking is grootendeels van phoenicischen oorsprong.—2)havenstad in Pontus, later Polemonium (z. a.).—3)vroeg vervallen stadje aan de Z.O. spits van Laconica.Sidēro,Σιδηρώ, tweede gemalin van Salmōneus, wreede stiefmoeder van Tyro, door wier zonen Neleus en Pelias zij gedood werd.Sidicīni, een oscischevolksstamin Campania (z.a.); hun stad heet Teānum Sidicīnum.Sidon,Σιδών, de oudste en lang de machtigste der phoenicische steden, eene sterke vesting met een dubbele haven. Door handel, zeevaart, kunst en nijverheid en door het uitzenden van talrijke volkplantingen verhief Sidon zich tot een hoogen trap van bloei, totdat het door het jongere Tyrus overschaduwd werd. De sidonische schepen waren uitstekende zeilers, de sidonische zeelieden in hun tijd de beste der wereld. De nijverheid bloeide vooral door glasfabrieken en door de weverijen, waar de kostbare sidonische gewaden werden vervaardigd. Van oudsher stond Sidon onder erfelijke koningen, die ook onder de perzische en de macedonische opperheerschappij aan het bewind bleven. In 675 was Sidon door Assarhaddon van Niniveh vernietigd, maar als assyrische kolonie weer opgebouwd. Sedert de 5deeeuw begint de grieksche invloed er door te dringen. De 17 sarkophagen van de koningen van Sidon, die in 1887 terug gevonden zijn, en zich nu in het Museum teConstantinopelbevinden, zijn door grieksche kunstenaars van den eersten rang vervaardigd. De verwoesting door den perzischen koning Artaxerxes III Ochus (± 350), tot straf voor haren afval, bracht aan de stad een onherstelbaren slag toe.Sidonius Apollināris, voluitC. Sollius Apollinaris Modestus Sidonius, in 428 na C. te Lugdūnum (Lyon) geboren, bisschop van Clermont, schrijver eener verzameling brieven en van enkele gedichten in vrij gezwollen stijl, doch belangrijk voor de kennis van zijn tijd.Sidus,Σιδοῦς=granaatappelstad, sterke vesting in Corinthia, ten O. van Corinthus.Sidussa,Σιδοῦσσα, vlek in Lydia in het gebied der ionische stad Erythrae.Siga,Σίγα, handelsstad en rom. municipium op de kust van Mauretania Caesariensis.Sigambri=Sygambri.Sigēum,Σίγειον, kaap en stad in Troas, iets ten zuiden der invaart van den Hellespont. In de nabijheid was het graf van Achilles.Sigillaria(vansigillum, deminutief vansignum), het beeldjesfeest, te Rome op 21 en 22 Dec. gevierd. Men gaf godenbeeldjes ten geschenke, uit klei gebakken of uit metaal vervaardigd. Ook werden bontgekleurde kaarsen en gebak in verschillende vormen weggegeven. Het schijnt vooral een kinderfeest te zijn geweest. Er was te Rome eene beeldjesstraat,via sigillaria, waar men winkels van zulke beeldjes had. Het feest hing met de Saturnalia (z. a.) samen.Sigma, eene sofa in den vorm van een hoefijzer, aldus genoemd naar den ouden vorm der grieksche letter,C.Ditsigmaofstibadiumkwam in gebruik, toen de vierkante tafels door de ronde werden verdrongen. Vgl.triclinium.Signia, thans Segni, stad in Latium aan den Oostkant der volscische bergen, door Tarquinius Superbus gesticht en bekend door een tempel van Jupiter Urius, door hard cement (opus Signīnum), lekkere peren en wrangen wijn. Van de cyclopische muren bestaan nog overblijfselen.

Serdica,Σερδική, aanzienlijke stad in het N.O. van Thracia, nabij de grenzen van Moesia en Dardania, in de bergstreek, waar de Scomius zich van den Haemus afscheidt. Tgw. Sophia. Sedert Diocletiānus behoorde dit gedeelte van Thracia, als Dacia mediterranea, tot de Praefectura Illyricum. Attila verwoestte de plaats, die echter weder werd opgebouwd.Serēnus Sammonicus(Q.), geleerde onder de regeering van Septimius Sevērus en Caracalla, die een groote bibliotheek had; op last van den laatstgenoemde werd hij ter dood gebracht. Zijn zoon, die den zelfden naam droeg, schreef als leek een receptenboek in hexameters, dat tot de lievelingslektuur van Alexander Severus behoorde, en nog in de middeleeuwen veel werd gelezen.Seres, bewoners van Serica (z. a.).Sergestus, een van de tochtgenooten van Aenēas, door de rom. Sergii als hun stamvader beschouwd.Sergii, aanzienlijk patricisch geslacht. 1)L. Sergius Fidēnas, consul in 437, verwierf zich zijn cognomen door zijne zegepraal op de Fidenaten en Vejenten.—2)M. Sergius, krijgstribuun in 205, ging met zijn ambtgenoot P. Matiēnus de schandelijke roofzucht der rom. bezetting te Locri Epizephyrii te keer en werd hiervoor door den rom. propraetor Q. Pleminius onder allerlei martelingen ter dood gebracht.—3)M. Sergius Silus, overgrootvader van no. 5, onderscheidde zich door moed in den tweeden punischen oorlog.—4)M. Sergius Silus, zoon van no. 3, wasonder Aemilius Paullus bevelhebber der ruiterij in den oorlog tegen Perseus.—5)L. Sergius Catilīna, achterkleinzoon van no. 3, toonde van jongs af een diep bedorven karakter. Hij bezat groote geestesgaven en was merkwaardig gehard tegen ontbering en inspanning, doch paarde daaraan een zeldzame gave van verleiding tot het kwade. Hij was een van Sulla’s handlangers geweest bij de proscripties (zieGratidiino. 3), werd in 77 quaestor, in 68 praetor en wilde in 65 naar het consulaat dingen, doch zag zich hierin verhinderd door eene aanklacht wegens afpersingen. Toen smeedde hij eene samenzwering, die echter door zijn eigen ongeduld mislukte. Toen hij in 64 niet tot consul verkozen was, beraamde hij een tweede complot met een groot aantal Rom. van aanzienlijken huize, voor een deel even berooid en in schulden gedompeld als hij zelf. Het doel was niets minder, dan de tegenstanders, den consul M. Tullius Cicero in de eerste plaats, om te brengen, Rome op verschillende punten in brand te steken en Italië en de provinciën onder elkander te verdeelen. Er waren te Rome en elders duizenden onder het volk, die niets te verliezen hadden en bij oproer en omwenteling althans de kans hadden iets te winnen. De onbedachtzaamheid van een der samenzweerders was oorzaak, dat het plan nog tijdig Cicero ter oore kwam, die hierop door zijne waakzaamheid de uitvoering er van voorkwam (63) en Catilina noodzaakte, Rome te verlaten en zich naar het leger te begeven, dat hij in het N. van Etruria in de bergen bij Faesulae verzameld had. Eenige hoofden der samenzwering bleven echter te Rome, en knoopten onderhandelingen aan met een gezantschap der Allobrogen, die juist te Rome waren om den senaat de grieven van hun volk kenbaar te maken. De brieven, die zij den gezanten medegaven, werden echter door Cicero onderschept, waarop de saamgezworenen in hechtenis werden genomen en, overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van den senaat, doch tegen Caesars raad, in den kerker door worging ter dood gebracht. Catilina zelf sneuvelde kort daarop na dapperen strijd in een slag bij Pistoria tegen de troepen van den legaat M. Petreius. De geheele loop der samenzwering is op meesterlijke wijze door Sallustius te boek gesteld.—6)C. Sergius Orāta, een bekende lekkerbek en fijnproever, omstreeks het jaar 100.Serica,Σηρική, het land derSeres,Σῆρες, en derSinae,Σῖναι, China. Het land der Sinae ligt ten Zuiden van Serica, en grenst aan den Sinus Magnus (de Zuid-Chineesche zee) en aan India trans Gangem; het is dus Zuid-China, terwijl Serica het binnenland en het Noorden van China (Mongolië en Mandschoerije) inneemt. Bij de ouden was het volk der Chineezen slechts bij naam uit de verhalen van oostersche kooplieden bekend. Zij hadden den naam, een zacht en goedaardig volk te zijn, dat echter den omgang met andere volken vermeed en niet gemakkelijk vreemden toeliet. Ammiānus Marcellīnus (390 na C.) had ook van den chineeschen muur gehoord. Ook wist men, dat Serica het vaderland was der zijdewormen; vandaarsericum= zijde. Zijden stoffen,vestes sericae, waren onder het keizerrijk ook te Rome niet onbekend.Seriphus,Σέριφος, een klein eiland, tot de groep der Cycladen behoorende, rotsig en onvruchtbaar, maar rijk aan metalen, o. a. ijzer en magneet. Hier laat de mythe de kist aanspoelen, waarin Danaë was opgesloten (zieAcrisiusenPerseusenDictysno. 1). Later vestigde zich op S. eene ionische kolonie. In den perzischen oorlog weigerde S. den Perzen schatting te betalen. Onder de rom. keizers werd het een verbanningsoord. Aristoteles vermeldt het bestaan van kikvorschen die niet kwaakten; vandaarΣερίφιος βάτραχος= een stomme, iemand die niet spreekt.Sermyle,Σερμύλη, stad op de chalcidische landtong Sithonia.Serrānus, familienaam in degens Atilia(Atiliino. 7–9).Serrati, z.Bigati.Serrīum,Σέρρειον, kaap en kasteel op de thracische kust, tegenover het eil. Samothrāce.Sertorius(Q.), geb. te Nursia in het sabijnsche land, had zich eerst op de studie van recht en redekunst toegelegd, diende als soldaat onder Marius in den strijd tegen de Cimbren en Teutonen (105–102) en vervolgens in Hispania onder T. Didius (97) als krijgstribuun. Als quaestor in Gallia Cisalpīna onderscheidde hij zich in 91 door onvermoeiden ijver en in den marsischen oorlog door moed en krijgstalent, en verloor op het slagveld een oog. In den burgeroorlog was hij de partij van Marius toegedaan, en als praetor zelfs aanvoerder van een der vier legers, die in 87 Rome bestormden. Hij verafschuwde echter uit den grond van zijn hart de wreedheden, door Marius en Cinna bedreven. Na den dood van deze beiden wanhoopte Sertorius aan de verdere verdediging van Italië en Rome tegen Sulla en begaf hij zich naar Hispania Citerior (83), welk gewest hem als praetor door het lot was toegewezen. Sulla zond hem den proconsul C. Annius Luscus achterna. Wel verdedigde een legaat van Sertorius, Iulius Salinātor, met moed den toegang tot de Pyrenaeën, doch na diens vermoording zag Sertorius zich genoodzaakt voor Luscus te wijken en zocht in Mauretania een toevluchtsoord. Van daar verdreven doolde hij op zee rond, doch Luscus versloeg zijne vloot. Andermaal in Mauretania geland, was hij gelukkiger (hij veroverde o. a. Tingis (Tanger)), totdat een gezantschap der Lusitaniërs, die in opstand waren tegen Rome, hem het bevel over hunne strijdkrachten kwam aanbieden. Toen begon Sertorius een guerilla; van alle zijden stroomden hem hispanische troepen toe, leger op leger der Rom. werd verslagen, de opstand breidde zich voortdurend uit, en Q. Caecilius Metellus Pius (Caeciliino. 17) kon dien niet meester worden. Doch ook Pompeius die in 76 met eenleger ter ondersteuning van Metellus naar Hispania trok, kon evenmin Sertorius verslaan, en stelde toen een prijs op diens hoofd. Niet om dit bloedgeld te verdienen, maar alleen uit naijver en trotschheid smeedde een der onderbevelhebbers van Sertorius, de optimaat M. Perperna, die het niet kon dulden aan een man van nederige afkomst te moeten gehoorzamen, een complot, en S. werd in 72 op een gastmaal vermoord. Hiermede was ook de kracht van den oorlog gebroken.Servare de caelo=signa observare de caelo. Deze uitdrukking wordt in het bijzonder gebezigd voor het nemen van auspiciën met de bedoeling de comitiën te storen. Bij designa impetrativakon men twee wegen inslaan; men kon in het algemeen een teeken van de goden vragen; men kon echter ook een bepaald teeken vragen en de overige veronachtzamen. Wie dus bepaald een goedkeurend teeken afbad, had slechts te wachten totdat hij zulk een teeken zag en had met de overige, die hij niet gevraagd had, niets te maken. Maar evenzoo kon men ook om een storend teeken vragen. Al wat naar onweder zweemde, een verwijderd gerommel, dat voor donder kon doorgaan, een schijn van weerlicht, kon te baat genomen worden om de comitiën te storen, en reeds de aankondiging van een overheidspersoon,se servaturum de caelo essewerd als storing beschouwd. De voorzitter had echter het recht, een ambtenaar van minderen rang te verbieden,obnuntiatioaan te wenden. Hij deed dit geregeld door aan de oproeping ter vergadering toe te voegen:ne quis magistratus minor de caelo servare velit. Deleges Aelia et Fufia(± 156) regelden deobnuntiatio. Waarschijnlijk bepaalde delex Aelia, dat zoodanige storing niet slechts door hoogere overheden tegenover lagere, maar ook door overheden van gelijken rang tegenover elkander zou mogen geschieden (zelfs hadden de praetoren alscollegae minoresdeobnuntiatiotegenover de consuls) en door de volkstribunen tegenover alle. Het belangrijke dezer wet lag vooral hierin, dat nu ook volkstribunen elkander in het doordrijven van wetten konden belemmeren; want de wet verklaarde uitdrukkelijk de bovengenoemde verklaring voor eene afdoendeobnuntiatio, waaraan onmiddellijk gehoor moest worden gegeven. Ook waren nu deconcilia plebisaan deobnuntiatioonderworpen. Delex Fufiabevestigde delex Aeliaen stelde strafbepalingen vast voor het aanwenden derobnuntiatioop dagen voor kiescomitiën bepaald. Delex Clodia(58) hief de bovengenoemde wetten voor de wetgevende comitiën op, doch werd, daar Clodius deobnuntiatioin den wind had geslagen, door velen niet als geldig erkend, hetgeen schromelijke verwarringen veroorzaakte.Servi, z.servitus.Servilia(lex)agraria, van den volkstribuun P. Servilius Rullus (63). Zie onderAgrariae leges.Servilia(lex)de repetundis, van den volkstribuun C. Servilius Glaucia (zieServiliino. 23). De wet is gemaakt kort voor 111. Ze beoogde een verscherping van de procedure bijcrimen repetundarumen een nadere uitwerking van delex iudiciariavan C. Sempronius Gracchus. O. a. verwierf volgens deze wet een Latinus, die een rom. burger met goeden uitslag van afpersingen aanklaagde, zelf het rom. burgerrecht. Ook werd door deze wet deampliatio(z. a.) afgeschaft en vervangen door decomperendinatio.Servilia(lex)iudiciariavan den consul Q. Servilius Caepio van 106 (Serviliino. 15), waarbij de iudicia tusschen senatoren en ridders in gelijke verhouding werden verdeeld.Servilii, oud geslacht, uit Alba Longa afkomstig. 1)P. Servilius Priscus Structus, consul in 495.—2)Sp. Serv. Priscus Structus, consul in 476.—3)C. Serv. Structus Ahāla, magister equitum van den dictator L. Quinctius Cincinnātus (439), doodde Sp. Maelius, die weigerde voor den dictator te verschijnen. Later moest hij hiervoor in ballingschap gaan. ZieMaeliino. 1 en 2.—4)Q. Serv. Priscus Structusveroverde in 435 als dictator Fidēnae, waarnaar hij den bijnaamFidēnaskreeg. In 418 was hij opnieuw dictator en overwon toen de Aequers.—5)C. Serv. Structus Axillawas drie jaren achtereen consulairtribuun, 419–417. In 418 was hij magister equitum van no. 4.—6)C. Serv. Structus Ahāla, in 408 mag. eq. van den dictator P. Cornelius Rutilus Cossus, was een hevig tegenstander der volkstribunen.—7)Q. Serv. Ahāla, dictator in 360, versloeg de Galliërs, die voor Rome waren verschenen.—8)P. Serv. Geminus, consul in 252 en 248, streed, volgens een niet geheel betrouwbaar bericht, voorspoedig op Sicilia tegen de Carthagers. Hij en zijn tweelingbroeder Q. geleken zoo sprekend op elkander, dat zij bijna niet te onderscheiden waren. Hieruit ontstond de familienaam Geminus.—9)Cn. Serv. Geminus, consul in 217, sneuvelde in 216 bij Cannae.—10)C. Serv.(Geminus), volkstribuun in 209, consul in 203, bevrijdde zijn vader, die in 218 bij het stichten eener kolonie door de Bojers krijgsgevangen was gemaakt (zieLutatiino. 3). In 202 was hijdictator comitiorum habendorum causa.—11)M. Serv. Pulex Geminus, consul in 202, een dapper krijgsman, voerde in 202 en 201 het bevel in Etruria en streed in 181 tegen deLiguriërs.—12)Cn. Serv. Caepiowas consul in 203, tegelijk met no. 10.—13)Cn. Serv. Caepio, consul in 169, had drie zoons, die het consulaat hebben bekleed. De oudste ging door adoptie in de gens Fabia over, zieFabiino. 19.—14)Cn. Serv. Caepio, ook een zoon van no. 13, consul in 141, was in 125 een gestreng censor.—15)Q. Serv. Caepio, zoon van no. 14, consul in 106 (zielex Servilia iudiciaria), werd in 105 als proconsul door de Cimbren bij Arausio verslagen. In 95 werd hij wegens wangedrag in dien oorlog en onwettige plundering (men beschuldigde hem namelijk, de tempelschatten van Tolosa(z. a.) verduisterd te hebben), aangeklaagd en tot verbanning veroordeeld, terwijl zijne bezittingen verbeurd verklaard en gerechtelijk verkocht werden. Z.Norbanino. 1.—16)Q. Serv. Caepio, derde zoon van no. 13, consul in 140, verbrak het verdrag, dat zijn broeder Q. Fabius Maximus Serviliānus (Fabiino. 19) met de Lusitaniërs gesloten had, en bewerkte dat Viriāthus door sluipmoord werd omgebracht.—17)Q. Serv. Caepio, kleinzoon van no. 16, was een heftig tegenstander van L. Appulēius Saturnīnus (100), en ook van M. Livius Drusus (91), toen deze den ridderstand de iudicia poogde te ontrukken. In den marsischen oorlog lokte Pompaedius Silo hem in eene hinderlaag, waar hij sneuvelde.—18)Q. Serv. Caepio, zoon van no. 17, stierf nog jong in Asia. Hij nam zijn zusterszoon M. Iunius Brutus (Iuniino. 9) als zoon aan, die hiernaar somsQ. Caepio Brutuswordt genoemd.—19)Servilia, dochter van no. 17, was gehuwd met M. Iunius Brutus, den vader van Caesars moordenaar. Zij was eene stiefzuster van Cato van Utica, en stond bekend als eene zeer schrandere, ontwikkelde vrouw, wier invloed in staatszaken niet gering was. Eene zuster van haar was gehuwd met L. Licinius Lucullus.—20)P. Serv. Vatia, consul in 79, tuchtigde in 78 en 77 de cilicische en lycische zeeroovers op eene nadrukkelijke wijze, drong vervolgens in den Taurus door, beoorloogde de Isauriërs (76) en verwierf zoo den bijnaamIsauricus.—21)P. Serv. Vatia Isauricus, zoon van no. 20, in 48 Caesars medeconsul, een zachtzinnig man, sloot zich na Caesars dood bij Cicero aan tegen Antonius.—22)P. Serv. Casca, volkstribuun in 43, bracht aan Caesar den eersten dolkstoot toe en werd daarbij zelf door Caesar met een schrijfstift aan de hand gewond. Zijn broederC. Serv. Casca, behoorde wel tot de saamgezworenen, doch niet rechtstreeks tot de moordenaars.—23)C. Serv. Glaucia, tribunus plebis kort voor 111 (z.Servilia(lex)de repetundis), praetor in 100, een slecht, beginselloos mensch, zeer geslepen, bevorderde de plannen van Marius en Saturnīnus en werd met Saturninus om het leven gebracht.—24)P. Serv. Globulus, vriend van Cicero, volkstribuun (66) en later praetor in Asia.—25)P. Serv. Rullus, volkstribuun in 63; zie onderAgrariae(leges):lex Servilia agraria.Servitus, 1) servituut, in den regel zakelijke rechten, die men op eens anders grond of erf heeft en waarvoor zoodanig erf dienstbaar is. Men onderscheidde ze inservitutes praediorum rusticorum, die op landerijen rustten, enservitutes praediorum urbanorum, op gebouwde eigendommen. Tot de eerste, dieres mancipi(z. a.) zijn, behoorden:actus, het recht om vee over eens anders land te drijven,iter, het recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan,via, er met een voertuig over te rijden,aquaeductus, het recht om over vreemden grond water te leiden. Het servituut vanviasloot dat vanactuseniterin, bijviawas een bepaalde rijweg aangewezen. Onder de tweede soort worden o. a. vermeld:ius tigni immittendi, het recht om balken in ’s buurmans muren te leggen,ius proiiciendi, het recht om een bovenbouw over eens anders grond te laten uitspringen,ius stillicidiienfluminis, het recht van afvoer van regen- en ander water,ius luminum, het recht om licht te ontvangen zonder dat de buurman dit mag betimmeren.Servitutes personarumzijn diensten waartoe een bepaald persoon krachtens overeenkomst is verplicht.—2)toestand van slavernij. Volgens het rom. recht is diegene slaaf,qui iustam servitutem servit. Hij was wel een mensch, doch geen persoon, slechts eeneres, die zijn meester toebehoort. Men werd slaaf door geboorte of door verlies zijner vrijheid, in het laatste geval door krijgsgevangenschap of door decapitis deminutio maxima(vgl.verna, ius postliminiiencapitis deminutio). De eigenaar was onbeperkt heer en meester over zijne slaven; slechts kon eene al te wreede behandeling door de censoren bestraft worden; onder de keizers kwam hierin verandering. Vrijverklaring heettemanumissio(z. a).Servi publiciwaren slaven in dienst van den staat. Zie ookΔουλεία.—3)servitus poenae, eerst onder de keizers in zwang gekomen voorpersonae humiles, die veroordeeld werdenad opus publicum, tot dwangarbeid bij openbare werken,ad metalla, tot dwangarbeid, in de mijnen, steengroeven en dgl.,ad bestias, om in het amphitheater tegen de wilde dieren te vechten.Servius, 1) rom. vóórnaam, vooral in degens Sulpiciavoorkomende, zoodat men wel eensServii=Sulpiciigebruikt vindt.—2)Servius Clodius(Claudius), romeinsch ridder, een man van groote geleerdheid; hij was een ijverig taalkundige en maakte vooral studie van Plautus. Hij bezat een uitgebreide bibliotheek, die na zijn dood door zijn bloedverwant L. Papirius Paetus (Papiriino. 14) aan Cicero ten geschenke werd gegeven. Hij was een schoonzoon van L. Aelius Stilo Praeconīnus (Aeliino. 7).—3)Servius Maurus Honorātus, taalgeleerde op het einde der 4deeeuw na C., gaf te Rome onderwijs in grammatica en rhetorica en heeft ons o. a. een uitvoerigen commentaar op Vergilius nagelaten, met een schat van oudheidkundige en mythologische ophelderingen en tal van fragmenten uit thans verloren geschriften van verschillende schrijvers.Servius Tullius, zesde koning van Rome. Volgens de overlevering was hij de zoon eener slavin Ocrisia, eene krijgsgevangene uit de latijnsche stad Corniculum, en was hij in het paleis van Tarquinius Priscus te Rome geboren. Eens zagen Tarq. en diens gemalin Tanaquil het hoofd van den slapenden knaap door een stralenden lichtkrans omgeven en daarop namen zij hem als kind aan. Hij wies op als een edel jongeling, de lieveling van goden en menschen, hij huwde ’s konings dochter en werd na diens dood door het overleg van Tanaquil zijn opvolger. In een nog bewaard fragment eener redevoeringvan keizer Claudius wordt een ander verhaal medegedeeld, uit etrurische bron geput. Onder de regeering van Tarquinius Priscus zou een Etruscer, met name Mastarna, een aanhanger van Caeles Vibenna, met eene schaar uitgewekenen naar Rome zijn gekomen en zich op den Caelischen berg hebben neergezet en vervolgens zijn naam tegen dien van Servius Tullius verwisseld hebben.—Na zijne troonsbeklimming trad S. T. spoedig als hervormer op. Vooreerst trok hij drie heuvels binnen den kring der stad, n.l. den Quirinālis, den Esquilīnus en den Viminālis, en omringde nu het geheel door een kolossalen muur. Wat in verschillende deelen van Rome nog over is van den zoogenaamdenagger Servii Tulliibehoort tot twee bouwperioden; de oudste muurbrokken zijn waarschijnlijk uit de 6deeeuw, de jongere gedeelten uit den tijd der samnietische oorlogen. Hij verdeelde vervolgens het terrein binnen de stad in 4 wijken oftribus(z. a.) en het omliggende gebied in een zeker aantalregiones, ook meestaltribus(rusticae) genoemd. Ten tweede bracht hij een verbond tot stand tusschen Rome en Latium, met een bondsheiligdom, den Diana-tempel op den Aventīnus. Ten derde maakte hij eene nieuwe indeeling van het volk, op timocratisch beginsel berustende, in klassen en centuriën (ziecenturia), zonder dat daarbij op afkomst werd gelet. Zoo ontstonden decomitia centuriata. De patriciërs waren den hervormingsgezinden koning moede, die al te zeer naar de zijde der plebejers overhelde. Er vormde zich eene samenzwering, aan welker hoofd ’s konings schoonzoon L. Tarquinius stond, en S. T. werd na eene 43-jarige regeering (578–535) vermoord. Zoo luidt de overlevering; in hoeverre in deze verhalen waarheid schuilt, is niet meer na te gaan.Sesamus, stad in Paphlagonia, zieAmastrisno. 2.Sesos(tr)is,Σέσωσ(τρ)ις, naam, door de Grieken aan Ramses II (z. a.) gegeven.Sessa Aurunca=Suessa Aurunca.Sestertius, voorSemistertius, derdehalf = 2½as, de meest algemeene zilvermunt en de algemeene rekenmunt bij de Rom. In het schrijven werd hij aangeduid doorLLS(libra libra semis), laterIISofHS. Het dwarsstreepje is slechts een verbindingsstreepje. Bij de munthervorming in 217 (zieas) werd de waarde van den sestertius op 4 as bepaald. Eigenlijk issestertiuseen adjectief en is de volledige naamnummus sestertius; vandaar wordt ook meermalen alleen het woordnummusgebezigd. Eene som van 1000sestertiën,mille sestertium(=sestertiorum) werd kortwegsestertiumgeheeten, waaruit zich een nieuw onzijdig substantief vormde, d.v.decem sestertia= 10000sestertiën. Bij de veelvouden van 100000 echter bleefsestertiumals onverbuigbaar woord staan met een multiplicatief telwoord. Zoo is dan b.v. eene som vanquingenti sestertii= 500sestertiën,quingenta sestertia= 500 × 1000 sestertiën,quinquies sestertium= 5 × 100000 sestertiën. Wanneer echter geldsommen geschreven worden met cijfers en het teekenHS(dat voor al de drie beteekenissen geldt), moet men uit den zin de bedoeling afleiden. Een liggend streepje boven de cijfers b.v.CCduidt aan, dat men het getal met 1000 moet vermenigvuldigen; staan de cijfers tusschen drie streepjes (twee staande rechts en links, en één liggend van boven, b.v.|CC|), dan worden honderdduizenden bedoeld. Die streepjes worden echter niet altijd geschreven.Sestii=Sextii.Sestīnum, stad in het umbrische bergland, aan den N.O. kant der Apennijnen.Sestus,Σηστός, stad op de thracische Chersonesus aan den Hellespont, tegenover Abȳdus. Nabij deze plaatsen sloeg Xerxes eene schipbrug over de zeeëngte. Te Sestus woonde Hero (zieLeander).Sesubii=Esubii.Setabis=Saetabis.Setia,Σητία, stad in Latium, ten Z.O. van Rome met belangrijken wijnbouw. Het hoorde oorspronkelijk tot den latijnschen bond, kwam later onder de Volscen, maar werd in 382 of 379 latijnsche kolonie.Seuthes,Σεύθης, 1) koning der odrysische Thraciërs, opvolger van Sitalces.—2)zoon van Maesades, trachtte het gebied waaruit zijn vader verdreven was, door de hulp der 10.000 Grieken onder Xenophon te heroveren.Sevēri.Vier rom. keizers hebben dezen naam gedragen. 1)L. Septimius Severus, rom. keizer 193–211 na C., geb. te Leptis in Africa, was onder Marcus Aurelius en Commodus achtereenvolgens stadhouder in Gallia en Pannonia. Na den dood van Pertinax werd hij door zijne legioenen te Carnuntum (aan den Donau) tot keizer uitgeroepen. Terstond trok hij naar Rome op, waar zijn mededinger Didius Iuliānus, die de regeering van de praetorianen gekocht had, bij zijne nadering werd vermoord. Hierop trok hij naar het O. op tegen zijn tweeden mededinger Pescennius Niger, die bij Cyzicus, Nicaea en Issus verslagen werd (194), en veroverde na een langdurig beleg Byzantium (196). De derde mededinger was Clodius Albīnus, veldheer in Britannia, die reeds op marsch naar Italië was, maar bij Lugdūnum (Lyon) verslagen en op de vlucht gedood werd (197). Aldus meester van het rijk geworden, zuiverde hij den rom. senaat, richtte eene nieuwe lijfwacht op (de oude had hij reeds na den dood van Iulianus ontbonden), en voerde een streng militair despotisme, eene soldatenregeering, in. Daarna trok hij tegen de Parthen te velde, veroverde en vernietigde hunne hoofdstad Ctesiphon (198) en keerde in 202 naar Rome terug, dat hij met prachtige bouwwerken verfraaide, terwijl hij zich beijverde, door een wijs en gematigd bestuur de herinnering aan zijne vroegere gestrengheid uit te wissen. In 208 trok hij met zijn beide zoons Caracalla en Geta naar Britannia, waar hij den bestaanden wal tegen de Caledoniërs door een sterken muurverving (zieBritannia). Hij stierf in 211 te Eborācum.—2)M. Aurelius Severus Alexander, geboren te Arca Caesarēa in Phoenicia, werd door zijn neef, keizer Heliogabalus (z. a.), als zoon aangenomen, bij welke gelegenheid zijn eigenlijke naam Alexiānus in Alexander veranderd werd (221 n. C.). Spoedig echter haalde de genegenheid van het leger hem den haat van den tyran op den hals, die hem herhaaldelijk zocht te vermoorden, tot hij zelf door de woedende soldaten werd omgebracht (222), waarop Alex. Sev., 13 jaar oud, doch zorgvuldig onderwezen en opgevoed onder de leiding zijner voortreffelijke moeder Julia Mammaea en zijner brave grootmoeder Julia Maesa, door senaat, volk en leger als keizer werd erkend. Hij verhoogde het aanzien en de macht van den senaat. Hij trachtte het binnenlandsch beheer te verbeteren en de uitspattingen van den door Heliogabalus ingevoerden syrischen eeredienst tegen te gaan, doch hij wilde ook de verslapte krijgstucht herstellen, hetgeen oorzaak was, dat zijn staatsdienaar Ulpianus in 228 voor zijne oogen werd vermoord. In 232 voerde hij oorlog tegen dennieuw-perzischenkoning Artaxerxes I; in 234 trok hij op tegen de Germanen, die over den Rijn stroopten, doch hij werd in een soldatenoproer met zijne moeder vermoord, waarop Maximīnus tot keizer werd uitgeroepen.—3)Flavius Valerius Severus, een Illyriër, werd in 305 na C. door Galerius tot Caesar benoemd en in 306 tot Augustus, doch in den strijd tegen Maxentius werd hij in 307 door zijne troepen verlaten en te Ravenna vermoord.—4)Libius Severus, rom. keizer 461–465 na C., door Ricimer (z. a.) op den troon gezet.Sevēri.1)Cornelius Severus, episch dichter, vriend van Ovidius.—2)Iulius Severus, generaal van keizer Hadriānus in den oorlog tegen de Joden, die onder leiding van Bar-Kochba waren opgestaan (132–134 n. C.), zieHadrianus; later was hij stadhouder van Syria Palaestina.—3)Sulpicius Severus, omstreeks 400 na C., een Christen, schreef eenehistoria sacravan de schepping tot op zijn tijd.Severiāna(via), van Ostia over Antium naar Tarracīna.Sevērus mons, rots in het Sabijnsche land op de grenzen van Picēnum.SēvirofSexvir, meest VIvir of IiiiiIvir geschreven, lid van een college van 6 leden. 1) aanvoerder van deequites Romani equo publico, in den keizertijd; ze worden voor een jaar benoemd; het eerst komen ze voor tijdens keizer Augustus (2 v. C.).—2)lid van het bestuur derAugustālesin de municipiën; ziemunicipium.Sevo mons=Saevo mons.Sextans= 2unciae= ⅙as.Sextarius, rom. maat, iets meer dan een halve liter, het 1/48 deel eener amphora, het 1/16 van een congius.Sextia(rogatio) van P. Sextius in 57, tot terugroeping van Cicero uit de ballingschap, kwam niet in behandeling.SextiiofSestii, dezelfde naam, hoewel men soms de eene schrijfwijze hoven de andere ziet voorgetrokken. 1)P. Sestius Capitolinus(v. a.Capito)Vaticānus, consul in 452 (z.Menenia Sestia(lex)) en in 451 een der decemviri legibus scribundis.—2)L. Sextius Sextinus Laterānus, in 366 de eerste consul uit de plebs ten gevolge derLex Licinia Sextia, waartoe hij zelf had medegewerkt. ZieLiciniino. 4.—3)C. Sextius Calvīnus, consul in 124, voerde voorspoedig oorlog in Gallia Transalpīna en stichtte de badplaats Aquae Sextiae (Aix).—4)T. Sextiusdiende van af 54 als legaat onder Caesar in Gallia. Later ontnam hij in dienst van Octaviānus, de provincie Africa aan Q. Cornificius, die in den strijd sneuvelde (42). Na den slag bij Philippi moest hij Numidia afstaan aan den legaat van Octavianus, C. Fuficius Fango, maar veroverde het weer na den Perusijnschen oorlog. In 40 gaf hij de provincie en zijn troepen over aan Lepidus.—5)P. SextiusofSestius, quaestor in 63, zuiverde Campania van de Catilinarii, dwong den consul C. Antonius aan Catilīna slag te leveren, hetgeen Ant. evenwel door zijn legaat Petreius liet doen, en schaarde zich als volkstribuun in 57 geheel aan de zijde van Cicero. Door zijn vijand P. Clodius werd hij in 56 van geweldenarij en omkooping aangeklaagd doch door Cicero verdedigd en vrijgepleit. Bij het begin van den burgeroorlog volgde hij Pompeius en ging eerst later tot Caesar over.—6)L. Sestius, zoon van no. 5, volgde na Caesar’s dood eerst de vanen van Brutus, doch werd niettemin in 23 door Augustus tot consul suffectus benoemd. Aan hem is gericht Horatius’ ode I. 4.—7)Q. Sextius, een aanzienlijk Romein, een senatorszoon, onder Augustus, om zijne eenvoudige levenswijze zeer geacht, stichtte te Rome eene wijsgeerige school vermoedelijk op stoicijnsche en pythagoreïsche beginselen. Hij schreef in het Grieksch. Ten onrechte neemt men wel eens aan, dat een verzameling spreuken van een zekeren Sextus, die later in het Latijn vertaald is, maar waarvan hetorigineelin 1880 teruggevonden is, van hem afkomstig is. Dit is het werk van een Christen uit de 2deof 3deeeuw. Na Sextius trad zijn zoon als hoofd der school op, daarnageraaktezij spoedig in verval.Sextilii, een rom. geslacht, dat geen mannen van beteekenis heeft opgeleverd. 1)P. Sextilius(v. a.Sextius), propraetor van Africa, verjoeg den als balling ronddolenden Marius uit zijne provincie.—2)C. Sextilius Rufus, admiraal van Cassius in 43.—3)Sextilia, moeder van keizer A. Vitellius, eene vrouw van strenge, oud-romeinsche zeden.Sextīlis, vroegere naam der maand Augustus.Sextula= ⅙uncia= 1/72as.Sextus Empiricus, arts en sceptisch wijsgeer omstreeks 200 n. C. Van zijne werken zijn bewaard geblevenΠυρρωνεῖαι ὑποτυπώσεις, eene uiteenzetting van de leer van Pyrrho enΠρὸς τοὺς μαθηματικούς, waarin hij bezwaren ontwikkelt tegen de grondstellingenvan iedere wetenschap en ieder wijsgeerig stelsel.Sibuzates, volksstam in Aquitania, bij het tegenw. Sobousse aan den Adour.Sibylla,Σίβυλλα, een geheimzinnig vrouwelijk wezen, dat in verschillende landen en in verschillende tijden voorkomt, in eenzame holen woont en van Apollo de gave der voorspelling heeft. Gewoonlijk nam men aan dat er meer dan ééne S. was, in latere tijden sprak men van tien. De meest bekende is de S. van Cumae, die onder verschillende namen voorkomt (Herophile, Demophile, Demo, Deïphobe, Amalthēa), uit Azië naar Italië kwam, zeer oud was en reeds aan Aenēas de toekomst voorspelde. Eene verzameling van hare profetieën, in het Grieksch opgesteld, werd door Tarquinius Priscus voor eene groote som gelds gekocht. De verzameling,libri Sibyllinigenoemd, werd bewaard doorIIviri(sedert 367Xviri, sedert SullaXVviri)sacrorumofsacris faciundis, die in buitengewone omstandigheden, vooral bij prodigia, van den senaat bevel kregen de boeken te raadplegen (adire libros). Vooral door den invloed van deze boeken werd de rom. godsdienst met vele grieksche elementen vermengd. Toen zij bij den brand van het Capitolium (83) verloren gingen, werden overal sibyllijnsche orakels opgezocht, en eene nieuwe verzameling aangelegd, waaruit echter onder Augustus en Tiberius een aantal als onecht verwijderd werden. De sibyllijnsche boeken behielden lang hun invloed en zelfs de oudsteChristenenontzeiden hun niet alle gezag, eerst onder Stilicho werden zij verbrand.—De nu nog bestaandeΧρησμοὶ Σιβυλλιακοίzijn van verschillende tijden en uiteenloopenden inhoud, grootendeels bevatten zij als profetieën ingekleede historische verhalen.Sibyrtius,Σιβύρτιος, onder en na Alexander d. Gr. satraap van Arachosië en Gedrosië, later verbond hij zich met Eumenes, dien hij echter verliet om tot Antigonus over te gaan.Sycambri=Sygambri.Sicania, Sicāni, Sicānus, zieSicilia.Sicānus,Σικανός, een van de strategen van Syracuse in den atheenschen oorlog.Sicca, de vriend van Cicero, op wiens landgoed hij in zijn ballingschap een schuilplaats vond.Sicca Veneria,Σίκκα, aanzienlijke stad in Numidia ten O. van den Muthul; het behoort later tot Africa Vetus (Zeugitana).Siccii, zieSicinii.Sichaeus, z.Dido.Sicilia,Σικελία, het bekende eiland Sicilië bij Italië. In den mythischen tijd was het de woonplaats der Cyclopen en der menschenetende Laestrygonen. In den historischen tijd vindt men als oudste bewoners deSicāni,Σικανοί, vermeld, volgens Thucydides afkomstig uit Iberia, waar zij aan de boorden eener rivier Sicānus,Σικανός, later Sucro geheeten, zouden gewoond hebben, hetgeen tegenwoordig op taalkundige gronden wordt tegengesproken. Later vindt men hen slechts in de westelijke helft, terwijl het oostelijk gedeelte bevolkt is doorSiculi,Σικελοί, een door de Oscers uit Italia verdreven volk. Niet onwaarschijnlijk is het, dat Sicani en Siculi tot één stam behooren, die met de Latijnen verwant is. De grens tusschen beide stammen is de rivier de Himera. In den Westhoek vindt men nog een klein gebied bezet doorElemi,Ἔλυμοι, die over zee waren gekomen. De mythe laat deze Elymers afstammen van Trojanen (zieElymus), doch de namen hunner stedenSegesta, Entella, worden op de oostligurische kust ook aangetroffen, terwijl met Eryx en den Venusdienst de havenportus Venerisin Liguria overeenkomt. Op de kusten van het zoo vruchtbare en uitstekend gelegen eiland vestigden zich een aantal volkplantingen: phoenicische, carthaagsche, ionische en dorische. De afstammelingen der grieksche kolonisten noemden zichΣικελιῶται. Naar de drie meest vooruitspringende kapen,Lilybaeumten W.,Pelōrumten N.O.,Pachȳnumten Z., wordt het eiland bij dichters ookTrinacria,Τρινακρία, geheeten, ookSicaniais een dichterlijke naam. Terwijl het W. gedeelte in de macht der Carthagers kwam, breidde de machtige stad Syracuse haar gezag over het O. deel uit. Beide mogendheden streefden naar het bezit van het geheele eiland en bloedige worstelingen waren hiervan het gevolg. In den eersten punischen oorlog verloor Carthago zijn deel aan de Rom.; West-Sicilia werd toen de eerste rom. provincie (241), het overige bleef syracusaansch tot aan den val van Syracuse in 212. Beide deelen bleven, ofschoon één stadhouder hebbende, onder rom. bestuur toch in zooverre administratief gescheiden, dat zij elk een afzonderlijken quaestor hadden (één te Lilybaeum en één te Syracuse), en dat in het syracusaansche gedeelte de tiendregeling in stand bleef, zooals deze door koning Hiero II (260–215) was vastgesteld (lex Hieronica frumentaria). De gemeenten in dit gedeelte werdencivitates decumanaegenoemd en hare korentienden werden op het eiland zelf verpacht; de gemeenten in het vroegere carthaagsche gedeelte, waarvan de tienden te Rome met anderevectigaliadoor de censoren verpacht werden, heettencivitates censoriae. In Cicero’s tijd waren Messāna, Tauromenium en Netumcivitates foederatae, Centuripae, Halesa, Segesta, Panormus en Halicyaecivitates liberae et immunes. Van de verschillende civitates, 63 in getal, hadden alleen de burgers van Centuripae recht van grondbezit over het geheele eiland. Sicilia was door zijn graanbouw van groote waarde voor de Rom., die er jaarlijks ontzaggelijke hoeveelheden koren uit trokken; terecht was het aan Demēter geheiligd; thans is door de onverschilligheid der latere bevolking de toestand geheel anders geworden. Berucht zijn de afpersingen, door C. Verres gepleegd (73–71) en reeds van dit tijdstip af openbaart zich bij de bevolking een zekere onwil, om verder hunne akkers te bebouwen en zich te laten uitmergelen. Sicilia heeft een aantal beroemdemannen voortgebracht, o.a., Theocritus, tijdgenoot van Hiero II en den vader der bucolische poëzie. Bij Vergilius isSiculus pastor= Theocritus,Sicelides Musae= de Muzen van het herdersdicht.—De zee ten O. van het eiland heettemare Siculum; door sommigen werd zij als een gedeelte der ionische zee beschouwd, v. a. strekte zij zich tot Creta uit.Sicinii. 1)T. Sic. Sabīnus, consul in 487, zegepraalde over de Volscen.—2)C. Sic. Bellutusvoerde het volk in 494 naar den Mons Sacer en werd een der eerste volkstribunen (493).—3)C. SiciniusofSicciuswas onder de eerste volkstribunen, die krachtens delex Publilia Voleronis(471) door de plebstributimwerden gekozen. In het volgende jaar klaagde hij met M. Duilius den trotschen App. Claudius Sabīnus, consul in 471, aan; deze stierf echter vóór den afloop van het proces. Het verhaal van dit proces en van Claudius’ dood is geheel verzonnen. ZieClaudiino. 2.—4)L. Sic.ofSiccius Dentātus, bijgenaamd de rom. Achilles, een man die door zijne schitterende wapenfeiten meer dan 300 militaire onderscheidingen had verworven, 120 gevechten had bijgewoond en 45 wonden in de borst had gekregen, volkstribuun in 454, was een warm strijder voor de rechten der plebejers. In 450 lieten de tienmannen hem in den oorlog tegen de Aequers in eene hinderlaag vallen, waar hij sneuvelde. Dit verhaal is verzonnen, met het doel de tienmannen van het jaar 450 als tyrannen voor te stellen.—5)Cn. Sicinius, praetor in 183, werd in 172 met een leger naar Macedonia gezonden.—6)C. Sicinius, door Cicero onder de goede redenaars gerangschikt, overigens niet nader bekend.—7)Cn. Sicinius, volkstribuun in 76, wendde vergeefsche pogingen aan om de macht van het tribunaat te herstellen. Zijne vijanden wisten hem uit den weg te ruimen.Sicinnis,σίκιν(ν)ις, de dans van het satyrdrama.Sicinus,Σίκινος, eiland der Sporaden, ten Z. van de Cycladengroep gelegen en om zijn wijnbouw vroeger Oenoë genoemd.Sicoris,Σίκορις, thans Segre, zijtak van den Ibērus (Ebro), stroomt langs Ilerda (Lerida).Siculi,Σικελοί, zieSicilia.Siculum fretum, thans straat van Messina. Zie ookScylla.Siculus. 1)Calpurnius Siculus, bucolisch dichter uit Nero’s tijd, schrijver van 7Eclogae.—2)Siculus Flaccus, rom. landmeter uit de 2deeeuw na C., schrijver van een werkjede condicionibus agrorum, z.Groma.—3)Diodōrus Siculus, zieDiodorusno. 3.Sicyon,Σικυών=augurkenstad, hoofdstad van het kleine peloponnesische gewestSicyonia,Σικυωνία, aan den Z.O. hoek der Corinthische golf gelegen. Volgens de overlevering was na Argos Sicyon de oudste staat van Griekenland. Bij de dorische volksverhuizing kwam het onder de Doriërs, in wier bezit het bleef. Het staatje, dat te onbeduidend was om eenig gewicht in de schaal te leggen, stond van ± 670 tot 576 onder de zeer dragelijke heerschappij der Orthagoriden, wier laatste telg Clisthenes was, de schoonvader van den Athener Megacles. Hierna werd de regeeringsvorm een tijd lang democratisch, totdat er onder den invloed van Sparta weder tyrannen kwamen. Eerst sedert 249 vervulde Sicyon weder eene rol (zieArātus) als lid van het achaeisch verbond. Onder rom. heerschappij verviel het meer en meer.—Desicyonische schilderschool(Eupompus, Pamphilus, Pausias) kenmerkte zich door wetenschappelijke behandeling. Debeeldhouwschoollegde zich minder toe op het scheppen van godenbeelden, dan van schoone menschenfiguren. Onder de sicyonische beeldhouwers zijn vooral beroemd Polyclētus (z. a.) en Lysippus (z. a.), die ook een kundig metaalgieter was.Sida, Side,Σίδη, 1) aeolische kolonie op de kust van Pamphylia, hoofdzetel van den dienst van Athēna, die er werd afgebeeld met een granaatappel (σίδη) in de hand. De bevolking is grootendeels van phoenicischen oorsprong.—2)havenstad in Pontus, later Polemonium (z. a.).—3)vroeg vervallen stadje aan de Z.O. spits van Laconica.Sidēro,Σιδηρώ, tweede gemalin van Salmōneus, wreede stiefmoeder van Tyro, door wier zonen Neleus en Pelias zij gedood werd.Sidicīni, een oscischevolksstamin Campania (z.a.); hun stad heet Teānum Sidicīnum.Sidon,Σιδών, de oudste en lang de machtigste der phoenicische steden, eene sterke vesting met een dubbele haven. Door handel, zeevaart, kunst en nijverheid en door het uitzenden van talrijke volkplantingen verhief Sidon zich tot een hoogen trap van bloei, totdat het door het jongere Tyrus overschaduwd werd. De sidonische schepen waren uitstekende zeilers, de sidonische zeelieden in hun tijd de beste der wereld. De nijverheid bloeide vooral door glasfabrieken en door de weverijen, waar de kostbare sidonische gewaden werden vervaardigd. Van oudsher stond Sidon onder erfelijke koningen, die ook onder de perzische en de macedonische opperheerschappij aan het bewind bleven. In 675 was Sidon door Assarhaddon van Niniveh vernietigd, maar als assyrische kolonie weer opgebouwd. Sedert de 5deeeuw begint de grieksche invloed er door te dringen. De 17 sarkophagen van de koningen van Sidon, die in 1887 terug gevonden zijn, en zich nu in het Museum teConstantinopelbevinden, zijn door grieksche kunstenaars van den eersten rang vervaardigd. De verwoesting door den perzischen koning Artaxerxes III Ochus (± 350), tot straf voor haren afval, bracht aan de stad een onherstelbaren slag toe.Sidonius Apollināris, voluitC. Sollius Apollinaris Modestus Sidonius, in 428 na C. te Lugdūnum (Lyon) geboren, bisschop van Clermont, schrijver eener verzameling brieven en van enkele gedichten in vrij gezwollen stijl, doch belangrijk voor de kennis van zijn tijd.Sidus,Σιδοῦς=granaatappelstad, sterke vesting in Corinthia, ten O. van Corinthus.Sidussa,Σιδοῦσσα, vlek in Lydia in het gebied der ionische stad Erythrae.Siga,Σίγα, handelsstad en rom. municipium op de kust van Mauretania Caesariensis.Sigambri=Sygambri.Sigēum,Σίγειον, kaap en stad in Troas, iets ten zuiden der invaart van den Hellespont. In de nabijheid was het graf van Achilles.Sigillaria(vansigillum, deminutief vansignum), het beeldjesfeest, te Rome op 21 en 22 Dec. gevierd. Men gaf godenbeeldjes ten geschenke, uit klei gebakken of uit metaal vervaardigd. Ook werden bontgekleurde kaarsen en gebak in verschillende vormen weggegeven. Het schijnt vooral een kinderfeest te zijn geweest. Er was te Rome eene beeldjesstraat,via sigillaria, waar men winkels van zulke beeldjes had. Het feest hing met de Saturnalia (z. a.) samen.Sigma, eene sofa in den vorm van een hoefijzer, aldus genoemd naar den ouden vorm der grieksche letter,C.Ditsigmaofstibadiumkwam in gebruik, toen de vierkante tafels door de ronde werden verdrongen. Vgl.triclinium.Signia, thans Segni, stad in Latium aan den Oostkant der volscische bergen, door Tarquinius Superbus gesticht en bekend door een tempel van Jupiter Urius, door hard cement (opus Signīnum), lekkere peren en wrangen wijn. Van de cyclopische muren bestaan nog overblijfselen.

Serdica,Σερδική, aanzienlijke stad in het N.O. van Thracia, nabij de grenzen van Moesia en Dardania, in de bergstreek, waar de Scomius zich van den Haemus afscheidt. Tgw. Sophia. Sedert Diocletiānus behoorde dit gedeelte van Thracia, als Dacia mediterranea, tot de Praefectura Illyricum. Attila verwoestte de plaats, die echter weder werd opgebouwd.

Serēnus Sammonicus(Q.), geleerde onder de regeering van Septimius Sevērus en Caracalla, die een groote bibliotheek had; op last van den laatstgenoemde werd hij ter dood gebracht. Zijn zoon, die den zelfden naam droeg, schreef als leek een receptenboek in hexameters, dat tot de lievelingslektuur van Alexander Severus behoorde, en nog in de middeleeuwen veel werd gelezen.

Seres, bewoners van Serica (z. a.).

Sergestus, een van de tochtgenooten van Aenēas, door de rom. Sergii als hun stamvader beschouwd.

Sergii, aanzienlijk patricisch geslacht. 1)L. Sergius Fidēnas, consul in 437, verwierf zich zijn cognomen door zijne zegepraal op de Fidenaten en Vejenten.—2)M. Sergius, krijgstribuun in 205, ging met zijn ambtgenoot P. Matiēnus de schandelijke roofzucht der rom. bezetting te Locri Epizephyrii te keer en werd hiervoor door den rom. propraetor Q. Pleminius onder allerlei martelingen ter dood gebracht.—3)M. Sergius Silus, overgrootvader van no. 5, onderscheidde zich door moed in den tweeden punischen oorlog.—4)M. Sergius Silus, zoon van no. 3, wasonder Aemilius Paullus bevelhebber der ruiterij in den oorlog tegen Perseus.—5)L. Sergius Catilīna, achterkleinzoon van no. 3, toonde van jongs af een diep bedorven karakter. Hij bezat groote geestesgaven en was merkwaardig gehard tegen ontbering en inspanning, doch paarde daaraan een zeldzame gave van verleiding tot het kwade. Hij was een van Sulla’s handlangers geweest bij de proscripties (zieGratidiino. 3), werd in 77 quaestor, in 68 praetor en wilde in 65 naar het consulaat dingen, doch zag zich hierin verhinderd door eene aanklacht wegens afpersingen. Toen smeedde hij eene samenzwering, die echter door zijn eigen ongeduld mislukte. Toen hij in 64 niet tot consul verkozen was, beraamde hij een tweede complot met een groot aantal Rom. van aanzienlijken huize, voor een deel even berooid en in schulden gedompeld als hij zelf. Het doel was niets minder, dan de tegenstanders, den consul M. Tullius Cicero in de eerste plaats, om te brengen, Rome op verschillende punten in brand te steken en Italië en de provinciën onder elkander te verdeelen. Er waren te Rome en elders duizenden onder het volk, die niets te verliezen hadden en bij oproer en omwenteling althans de kans hadden iets te winnen. De onbedachtzaamheid van een der samenzweerders was oorzaak, dat het plan nog tijdig Cicero ter oore kwam, die hierop door zijne waakzaamheid de uitvoering er van voorkwam (63) en Catilina noodzaakte, Rome te verlaten en zich naar het leger te begeven, dat hij in het N. van Etruria in de bergen bij Faesulae verzameld had. Eenige hoofden der samenzwering bleven echter te Rome, en knoopten onderhandelingen aan met een gezantschap der Allobrogen, die juist te Rome waren om den senaat de grieven van hun volk kenbaar te maken. De brieven, die zij den gezanten medegaven, werden echter door Cicero onderschept, waarop de saamgezworenen in hechtenis werden genomen en, overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van den senaat, doch tegen Caesars raad, in den kerker door worging ter dood gebracht. Catilina zelf sneuvelde kort daarop na dapperen strijd in een slag bij Pistoria tegen de troepen van den legaat M. Petreius. De geheele loop der samenzwering is op meesterlijke wijze door Sallustius te boek gesteld.—6)C. Sergius Orāta, een bekende lekkerbek en fijnproever, omstreeks het jaar 100.

Serica,Σηρική, het land derSeres,Σῆρες, en derSinae,Σῖναι, China. Het land der Sinae ligt ten Zuiden van Serica, en grenst aan den Sinus Magnus (de Zuid-Chineesche zee) en aan India trans Gangem; het is dus Zuid-China, terwijl Serica het binnenland en het Noorden van China (Mongolië en Mandschoerije) inneemt. Bij de ouden was het volk der Chineezen slechts bij naam uit de verhalen van oostersche kooplieden bekend. Zij hadden den naam, een zacht en goedaardig volk te zijn, dat echter den omgang met andere volken vermeed en niet gemakkelijk vreemden toeliet. Ammiānus Marcellīnus (390 na C.) had ook van den chineeschen muur gehoord. Ook wist men, dat Serica het vaderland was der zijdewormen; vandaarsericum= zijde. Zijden stoffen,vestes sericae, waren onder het keizerrijk ook te Rome niet onbekend.

Seriphus,Σέριφος, een klein eiland, tot de groep der Cycladen behoorende, rotsig en onvruchtbaar, maar rijk aan metalen, o. a. ijzer en magneet. Hier laat de mythe de kist aanspoelen, waarin Danaë was opgesloten (zieAcrisiusenPerseusenDictysno. 1). Later vestigde zich op S. eene ionische kolonie. In den perzischen oorlog weigerde S. den Perzen schatting te betalen. Onder de rom. keizers werd het een verbanningsoord. Aristoteles vermeldt het bestaan van kikvorschen die niet kwaakten; vandaarΣερίφιος βάτραχος= een stomme, iemand die niet spreekt.

Sermyle,Σερμύλη, stad op de chalcidische landtong Sithonia.

Serrānus, familienaam in degens Atilia(Atiliino. 7–9).

Serrati, z.Bigati.

Serrīum,Σέρρειον, kaap en kasteel op de thracische kust, tegenover het eil. Samothrāce.

Sertorius(Q.), geb. te Nursia in het sabijnsche land, had zich eerst op de studie van recht en redekunst toegelegd, diende als soldaat onder Marius in den strijd tegen de Cimbren en Teutonen (105–102) en vervolgens in Hispania onder T. Didius (97) als krijgstribuun. Als quaestor in Gallia Cisalpīna onderscheidde hij zich in 91 door onvermoeiden ijver en in den marsischen oorlog door moed en krijgstalent, en verloor op het slagveld een oog. In den burgeroorlog was hij de partij van Marius toegedaan, en als praetor zelfs aanvoerder van een der vier legers, die in 87 Rome bestormden. Hij verafschuwde echter uit den grond van zijn hart de wreedheden, door Marius en Cinna bedreven. Na den dood van deze beiden wanhoopte Sertorius aan de verdere verdediging van Italië en Rome tegen Sulla en begaf hij zich naar Hispania Citerior (83), welk gewest hem als praetor door het lot was toegewezen. Sulla zond hem den proconsul C. Annius Luscus achterna. Wel verdedigde een legaat van Sertorius, Iulius Salinātor, met moed den toegang tot de Pyrenaeën, doch na diens vermoording zag Sertorius zich genoodzaakt voor Luscus te wijken en zocht in Mauretania een toevluchtsoord. Van daar verdreven doolde hij op zee rond, doch Luscus versloeg zijne vloot. Andermaal in Mauretania geland, was hij gelukkiger (hij veroverde o. a. Tingis (Tanger)), totdat een gezantschap der Lusitaniërs, die in opstand waren tegen Rome, hem het bevel over hunne strijdkrachten kwam aanbieden. Toen begon Sertorius een guerilla; van alle zijden stroomden hem hispanische troepen toe, leger op leger der Rom. werd verslagen, de opstand breidde zich voortdurend uit, en Q. Caecilius Metellus Pius (Caeciliino. 17) kon dien niet meester worden. Doch ook Pompeius die in 76 met eenleger ter ondersteuning van Metellus naar Hispania trok, kon evenmin Sertorius verslaan, en stelde toen een prijs op diens hoofd. Niet om dit bloedgeld te verdienen, maar alleen uit naijver en trotschheid smeedde een der onderbevelhebbers van Sertorius, de optimaat M. Perperna, die het niet kon dulden aan een man van nederige afkomst te moeten gehoorzamen, een complot, en S. werd in 72 op een gastmaal vermoord. Hiermede was ook de kracht van den oorlog gebroken.

Servare de caelo=signa observare de caelo. Deze uitdrukking wordt in het bijzonder gebezigd voor het nemen van auspiciën met de bedoeling de comitiën te storen. Bij designa impetrativakon men twee wegen inslaan; men kon in het algemeen een teeken van de goden vragen; men kon echter ook een bepaald teeken vragen en de overige veronachtzamen. Wie dus bepaald een goedkeurend teeken afbad, had slechts te wachten totdat hij zulk een teeken zag en had met de overige, die hij niet gevraagd had, niets te maken. Maar evenzoo kon men ook om een storend teeken vragen. Al wat naar onweder zweemde, een verwijderd gerommel, dat voor donder kon doorgaan, een schijn van weerlicht, kon te baat genomen worden om de comitiën te storen, en reeds de aankondiging van een overheidspersoon,se servaturum de caelo essewerd als storing beschouwd. De voorzitter had echter het recht, een ambtenaar van minderen rang te verbieden,obnuntiatioaan te wenden. Hij deed dit geregeld door aan de oproeping ter vergadering toe te voegen:ne quis magistratus minor de caelo servare velit. Deleges Aelia et Fufia(± 156) regelden deobnuntiatio. Waarschijnlijk bepaalde delex Aelia, dat zoodanige storing niet slechts door hoogere overheden tegenover lagere, maar ook door overheden van gelijken rang tegenover elkander zou mogen geschieden (zelfs hadden de praetoren alscollegae minoresdeobnuntiatiotegenover de consuls) en door de volkstribunen tegenover alle. Het belangrijke dezer wet lag vooral hierin, dat nu ook volkstribunen elkander in het doordrijven van wetten konden belemmeren; want de wet verklaarde uitdrukkelijk de bovengenoemde verklaring voor eene afdoendeobnuntiatio, waaraan onmiddellijk gehoor moest worden gegeven. Ook waren nu deconcilia plebisaan deobnuntiatioonderworpen. Delex Fufiabevestigde delex Aeliaen stelde strafbepalingen vast voor het aanwenden derobnuntiatioop dagen voor kiescomitiën bepaald. Delex Clodia(58) hief de bovengenoemde wetten voor de wetgevende comitiën op, doch werd, daar Clodius deobnuntiatioin den wind had geslagen, door velen niet als geldig erkend, hetgeen schromelijke verwarringen veroorzaakte.

Servi, z.servitus.

Servilia(lex)agraria, van den volkstribuun P. Servilius Rullus (63). Zie onderAgrariae leges.

Servilia(lex)de repetundis, van den volkstribuun C. Servilius Glaucia (zieServiliino. 23). De wet is gemaakt kort voor 111. Ze beoogde een verscherping van de procedure bijcrimen repetundarumen een nadere uitwerking van delex iudiciariavan C. Sempronius Gracchus. O. a. verwierf volgens deze wet een Latinus, die een rom. burger met goeden uitslag van afpersingen aanklaagde, zelf het rom. burgerrecht. Ook werd door deze wet deampliatio(z. a.) afgeschaft en vervangen door decomperendinatio.

Servilia(lex)iudiciariavan den consul Q. Servilius Caepio van 106 (Serviliino. 15), waarbij de iudicia tusschen senatoren en ridders in gelijke verhouding werden verdeeld.

Servilii, oud geslacht, uit Alba Longa afkomstig. 1)P. Servilius Priscus Structus, consul in 495.—2)Sp. Serv. Priscus Structus, consul in 476.—3)C. Serv. Structus Ahāla, magister equitum van den dictator L. Quinctius Cincinnātus (439), doodde Sp. Maelius, die weigerde voor den dictator te verschijnen. Later moest hij hiervoor in ballingschap gaan. ZieMaeliino. 1 en 2.—4)Q. Serv. Priscus Structusveroverde in 435 als dictator Fidēnae, waarnaar hij den bijnaamFidēnaskreeg. In 418 was hij opnieuw dictator en overwon toen de Aequers.—5)C. Serv. Structus Axillawas drie jaren achtereen consulairtribuun, 419–417. In 418 was hij magister equitum van no. 4.—6)C. Serv. Structus Ahāla, in 408 mag. eq. van den dictator P. Cornelius Rutilus Cossus, was een hevig tegenstander der volkstribunen.—7)Q. Serv. Ahāla, dictator in 360, versloeg de Galliërs, die voor Rome waren verschenen.—8)P. Serv. Geminus, consul in 252 en 248, streed, volgens een niet geheel betrouwbaar bericht, voorspoedig op Sicilia tegen de Carthagers. Hij en zijn tweelingbroeder Q. geleken zoo sprekend op elkander, dat zij bijna niet te onderscheiden waren. Hieruit ontstond de familienaam Geminus.—9)Cn. Serv. Geminus, consul in 217, sneuvelde in 216 bij Cannae.—10)C. Serv.(Geminus), volkstribuun in 209, consul in 203, bevrijdde zijn vader, die in 218 bij het stichten eener kolonie door de Bojers krijgsgevangen was gemaakt (zieLutatiino. 3). In 202 was hijdictator comitiorum habendorum causa.—11)M. Serv. Pulex Geminus, consul in 202, een dapper krijgsman, voerde in 202 en 201 het bevel in Etruria en streed in 181 tegen deLiguriërs.—12)Cn. Serv. Caepiowas consul in 203, tegelijk met no. 10.—13)Cn. Serv. Caepio, consul in 169, had drie zoons, die het consulaat hebben bekleed. De oudste ging door adoptie in de gens Fabia over, zieFabiino. 19.—14)Cn. Serv. Caepio, ook een zoon van no. 13, consul in 141, was in 125 een gestreng censor.—15)Q. Serv. Caepio, zoon van no. 14, consul in 106 (zielex Servilia iudiciaria), werd in 105 als proconsul door de Cimbren bij Arausio verslagen. In 95 werd hij wegens wangedrag in dien oorlog en onwettige plundering (men beschuldigde hem namelijk, de tempelschatten van Tolosa(z. a.) verduisterd te hebben), aangeklaagd en tot verbanning veroordeeld, terwijl zijne bezittingen verbeurd verklaard en gerechtelijk verkocht werden. Z.Norbanino. 1.—16)Q. Serv. Caepio, derde zoon van no. 13, consul in 140, verbrak het verdrag, dat zijn broeder Q. Fabius Maximus Serviliānus (Fabiino. 19) met de Lusitaniërs gesloten had, en bewerkte dat Viriāthus door sluipmoord werd omgebracht.—17)Q. Serv. Caepio, kleinzoon van no. 16, was een heftig tegenstander van L. Appulēius Saturnīnus (100), en ook van M. Livius Drusus (91), toen deze den ridderstand de iudicia poogde te ontrukken. In den marsischen oorlog lokte Pompaedius Silo hem in eene hinderlaag, waar hij sneuvelde.—18)Q. Serv. Caepio, zoon van no. 17, stierf nog jong in Asia. Hij nam zijn zusterszoon M. Iunius Brutus (Iuniino. 9) als zoon aan, die hiernaar somsQ. Caepio Brutuswordt genoemd.—19)Servilia, dochter van no. 17, was gehuwd met M. Iunius Brutus, den vader van Caesars moordenaar. Zij was eene stiefzuster van Cato van Utica, en stond bekend als eene zeer schrandere, ontwikkelde vrouw, wier invloed in staatszaken niet gering was. Eene zuster van haar was gehuwd met L. Licinius Lucullus.—20)P. Serv. Vatia, consul in 79, tuchtigde in 78 en 77 de cilicische en lycische zeeroovers op eene nadrukkelijke wijze, drong vervolgens in den Taurus door, beoorloogde de Isauriërs (76) en verwierf zoo den bijnaamIsauricus.—21)P. Serv. Vatia Isauricus, zoon van no. 20, in 48 Caesars medeconsul, een zachtzinnig man, sloot zich na Caesars dood bij Cicero aan tegen Antonius.—22)P. Serv. Casca, volkstribuun in 43, bracht aan Caesar den eersten dolkstoot toe en werd daarbij zelf door Caesar met een schrijfstift aan de hand gewond. Zijn broederC. Serv. Casca, behoorde wel tot de saamgezworenen, doch niet rechtstreeks tot de moordenaars.—23)C. Serv. Glaucia, tribunus plebis kort voor 111 (z.Servilia(lex)de repetundis), praetor in 100, een slecht, beginselloos mensch, zeer geslepen, bevorderde de plannen van Marius en Saturnīnus en werd met Saturninus om het leven gebracht.—24)P. Serv. Globulus, vriend van Cicero, volkstribuun (66) en later praetor in Asia.—25)P. Serv. Rullus, volkstribuun in 63; zie onderAgrariae(leges):lex Servilia agraria.

Servitus, 1) servituut, in den regel zakelijke rechten, die men op eens anders grond of erf heeft en waarvoor zoodanig erf dienstbaar is. Men onderscheidde ze inservitutes praediorum rusticorum, die op landerijen rustten, enservitutes praediorum urbanorum, op gebouwde eigendommen. Tot de eerste, dieres mancipi(z. a.) zijn, behoorden:actus, het recht om vee over eens anders land te drijven,iter, het recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan,via, er met een voertuig over te rijden,aquaeductus, het recht om over vreemden grond water te leiden. Het servituut vanviasloot dat vanactuseniterin, bijviawas een bepaalde rijweg aangewezen. Onder de tweede soort worden o. a. vermeld:ius tigni immittendi, het recht om balken in ’s buurmans muren te leggen,ius proiiciendi, het recht om een bovenbouw over eens anders grond te laten uitspringen,ius stillicidiienfluminis, het recht van afvoer van regen- en ander water,ius luminum, het recht om licht te ontvangen zonder dat de buurman dit mag betimmeren.Servitutes personarumzijn diensten waartoe een bepaald persoon krachtens overeenkomst is verplicht.—2)toestand van slavernij. Volgens het rom. recht is diegene slaaf,qui iustam servitutem servit. Hij was wel een mensch, doch geen persoon, slechts eeneres, die zijn meester toebehoort. Men werd slaaf door geboorte of door verlies zijner vrijheid, in het laatste geval door krijgsgevangenschap of door decapitis deminutio maxima(vgl.verna, ius postliminiiencapitis deminutio). De eigenaar was onbeperkt heer en meester over zijne slaven; slechts kon eene al te wreede behandeling door de censoren bestraft worden; onder de keizers kwam hierin verandering. Vrijverklaring heettemanumissio(z. a).Servi publiciwaren slaven in dienst van den staat. Zie ookΔουλεία.—3)servitus poenae, eerst onder de keizers in zwang gekomen voorpersonae humiles, die veroordeeld werdenad opus publicum, tot dwangarbeid bij openbare werken,ad metalla, tot dwangarbeid, in de mijnen, steengroeven en dgl.,ad bestias, om in het amphitheater tegen de wilde dieren te vechten.

Servius, 1) rom. vóórnaam, vooral in degens Sulpiciavoorkomende, zoodat men wel eensServii=Sulpiciigebruikt vindt.—2)Servius Clodius(Claudius), romeinsch ridder, een man van groote geleerdheid; hij was een ijverig taalkundige en maakte vooral studie van Plautus. Hij bezat een uitgebreide bibliotheek, die na zijn dood door zijn bloedverwant L. Papirius Paetus (Papiriino. 14) aan Cicero ten geschenke werd gegeven. Hij was een schoonzoon van L. Aelius Stilo Praeconīnus (Aeliino. 7).—3)Servius Maurus Honorātus, taalgeleerde op het einde der 4deeeuw na C., gaf te Rome onderwijs in grammatica en rhetorica en heeft ons o. a. een uitvoerigen commentaar op Vergilius nagelaten, met een schat van oudheidkundige en mythologische ophelderingen en tal van fragmenten uit thans verloren geschriften van verschillende schrijvers.

Servius Tullius, zesde koning van Rome. Volgens de overlevering was hij de zoon eener slavin Ocrisia, eene krijgsgevangene uit de latijnsche stad Corniculum, en was hij in het paleis van Tarquinius Priscus te Rome geboren. Eens zagen Tarq. en diens gemalin Tanaquil het hoofd van den slapenden knaap door een stralenden lichtkrans omgeven en daarop namen zij hem als kind aan. Hij wies op als een edel jongeling, de lieveling van goden en menschen, hij huwde ’s konings dochter en werd na diens dood door het overleg van Tanaquil zijn opvolger. In een nog bewaard fragment eener redevoeringvan keizer Claudius wordt een ander verhaal medegedeeld, uit etrurische bron geput. Onder de regeering van Tarquinius Priscus zou een Etruscer, met name Mastarna, een aanhanger van Caeles Vibenna, met eene schaar uitgewekenen naar Rome zijn gekomen en zich op den Caelischen berg hebben neergezet en vervolgens zijn naam tegen dien van Servius Tullius verwisseld hebben.—Na zijne troonsbeklimming trad S. T. spoedig als hervormer op. Vooreerst trok hij drie heuvels binnen den kring der stad, n.l. den Quirinālis, den Esquilīnus en den Viminālis, en omringde nu het geheel door een kolossalen muur. Wat in verschillende deelen van Rome nog over is van den zoogenaamdenagger Servii Tulliibehoort tot twee bouwperioden; de oudste muurbrokken zijn waarschijnlijk uit de 6deeeuw, de jongere gedeelten uit den tijd der samnietische oorlogen. Hij verdeelde vervolgens het terrein binnen de stad in 4 wijken oftribus(z. a.) en het omliggende gebied in een zeker aantalregiones, ook meestaltribus(rusticae) genoemd. Ten tweede bracht hij een verbond tot stand tusschen Rome en Latium, met een bondsheiligdom, den Diana-tempel op den Aventīnus. Ten derde maakte hij eene nieuwe indeeling van het volk, op timocratisch beginsel berustende, in klassen en centuriën (ziecenturia), zonder dat daarbij op afkomst werd gelet. Zoo ontstonden decomitia centuriata. De patriciërs waren den hervormingsgezinden koning moede, die al te zeer naar de zijde der plebejers overhelde. Er vormde zich eene samenzwering, aan welker hoofd ’s konings schoonzoon L. Tarquinius stond, en S. T. werd na eene 43-jarige regeering (578–535) vermoord. Zoo luidt de overlevering; in hoeverre in deze verhalen waarheid schuilt, is niet meer na te gaan.

Sesamus, stad in Paphlagonia, zieAmastrisno. 2.

Sesos(tr)is,Σέσωσ(τρ)ις, naam, door de Grieken aan Ramses II (z. a.) gegeven.

Sessa Aurunca=Suessa Aurunca.

Sestertius, voorSemistertius, derdehalf = 2½as, de meest algemeene zilvermunt en de algemeene rekenmunt bij de Rom. In het schrijven werd hij aangeduid doorLLS(libra libra semis), laterIISofHS. Het dwarsstreepje is slechts een verbindingsstreepje. Bij de munthervorming in 217 (zieas) werd de waarde van den sestertius op 4 as bepaald. Eigenlijk issestertiuseen adjectief en is de volledige naamnummus sestertius; vandaar wordt ook meermalen alleen het woordnummusgebezigd. Eene som van 1000sestertiën,mille sestertium(=sestertiorum) werd kortwegsestertiumgeheeten, waaruit zich een nieuw onzijdig substantief vormde, d.v.decem sestertia= 10000sestertiën. Bij de veelvouden van 100000 echter bleefsestertiumals onverbuigbaar woord staan met een multiplicatief telwoord. Zoo is dan b.v. eene som vanquingenti sestertii= 500sestertiën,quingenta sestertia= 500 × 1000 sestertiën,quinquies sestertium= 5 × 100000 sestertiën. Wanneer echter geldsommen geschreven worden met cijfers en het teekenHS(dat voor al de drie beteekenissen geldt), moet men uit den zin de bedoeling afleiden. Een liggend streepje boven de cijfers b.v.CCduidt aan, dat men het getal met 1000 moet vermenigvuldigen; staan de cijfers tusschen drie streepjes (twee staande rechts en links, en één liggend van boven, b.v.|CC|), dan worden honderdduizenden bedoeld. Die streepjes worden echter niet altijd geschreven.

Sestii=Sextii.

Sestīnum, stad in het umbrische bergland, aan den N.O. kant der Apennijnen.

Sestus,Σηστός, stad op de thracische Chersonesus aan den Hellespont, tegenover Abȳdus. Nabij deze plaatsen sloeg Xerxes eene schipbrug over de zeeëngte. Te Sestus woonde Hero (zieLeander).

Sesubii=Esubii.

Setabis=Saetabis.

Setia,Σητία, stad in Latium, ten Z.O. van Rome met belangrijken wijnbouw. Het hoorde oorspronkelijk tot den latijnschen bond, kwam later onder de Volscen, maar werd in 382 of 379 latijnsche kolonie.

Seuthes,Σεύθης, 1) koning der odrysische Thraciërs, opvolger van Sitalces.—2)zoon van Maesades, trachtte het gebied waaruit zijn vader verdreven was, door de hulp der 10.000 Grieken onder Xenophon te heroveren.

Sevēri.Vier rom. keizers hebben dezen naam gedragen. 1)L. Septimius Severus, rom. keizer 193–211 na C., geb. te Leptis in Africa, was onder Marcus Aurelius en Commodus achtereenvolgens stadhouder in Gallia en Pannonia. Na den dood van Pertinax werd hij door zijne legioenen te Carnuntum (aan den Donau) tot keizer uitgeroepen. Terstond trok hij naar Rome op, waar zijn mededinger Didius Iuliānus, die de regeering van de praetorianen gekocht had, bij zijne nadering werd vermoord. Hierop trok hij naar het O. op tegen zijn tweeden mededinger Pescennius Niger, die bij Cyzicus, Nicaea en Issus verslagen werd (194), en veroverde na een langdurig beleg Byzantium (196). De derde mededinger was Clodius Albīnus, veldheer in Britannia, die reeds op marsch naar Italië was, maar bij Lugdūnum (Lyon) verslagen en op de vlucht gedood werd (197). Aldus meester van het rijk geworden, zuiverde hij den rom. senaat, richtte eene nieuwe lijfwacht op (de oude had hij reeds na den dood van Iulianus ontbonden), en voerde een streng militair despotisme, eene soldatenregeering, in. Daarna trok hij tegen de Parthen te velde, veroverde en vernietigde hunne hoofdstad Ctesiphon (198) en keerde in 202 naar Rome terug, dat hij met prachtige bouwwerken verfraaide, terwijl hij zich beijverde, door een wijs en gematigd bestuur de herinnering aan zijne vroegere gestrengheid uit te wissen. In 208 trok hij met zijn beide zoons Caracalla en Geta naar Britannia, waar hij den bestaanden wal tegen de Caledoniërs door een sterken muurverving (zieBritannia). Hij stierf in 211 te Eborācum.—2)M. Aurelius Severus Alexander, geboren te Arca Caesarēa in Phoenicia, werd door zijn neef, keizer Heliogabalus (z. a.), als zoon aangenomen, bij welke gelegenheid zijn eigenlijke naam Alexiānus in Alexander veranderd werd (221 n. C.). Spoedig echter haalde de genegenheid van het leger hem den haat van den tyran op den hals, die hem herhaaldelijk zocht te vermoorden, tot hij zelf door de woedende soldaten werd omgebracht (222), waarop Alex. Sev., 13 jaar oud, doch zorgvuldig onderwezen en opgevoed onder de leiding zijner voortreffelijke moeder Julia Mammaea en zijner brave grootmoeder Julia Maesa, door senaat, volk en leger als keizer werd erkend. Hij verhoogde het aanzien en de macht van den senaat. Hij trachtte het binnenlandsch beheer te verbeteren en de uitspattingen van den door Heliogabalus ingevoerden syrischen eeredienst tegen te gaan, doch hij wilde ook de verslapte krijgstucht herstellen, hetgeen oorzaak was, dat zijn staatsdienaar Ulpianus in 228 voor zijne oogen werd vermoord. In 232 voerde hij oorlog tegen dennieuw-perzischenkoning Artaxerxes I; in 234 trok hij op tegen de Germanen, die over den Rijn stroopten, doch hij werd in een soldatenoproer met zijne moeder vermoord, waarop Maximīnus tot keizer werd uitgeroepen.—3)Flavius Valerius Severus, een Illyriër, werd in 305 na C. door Galerius tot Caesar benoemd en in 306 tot Augustus, doch in den strijd tegen Maxentius werd hij in 307 door zijne troepen verlaten en te Ravenna vermoord.—4)Libius Severus, rom. keizer 461–465 na C., door Ricimer (z. a.) op den troon gezet.

Sevēri.1)Cornelius Severus, episch dichter, vriend van Ovidius.—2)Iulius Severus, generaal van keizer Hadriānus in den oorlog tegen de Joden, die onder leiding van Bar-Kochba waren opgestaan (132–134 n. C.), zieHadrianus; later was hij stadhouder van Syria Palaestina.—3)Sulpicius Severus, omstreeks 400 na C., een Christen, schreef eenehistoria sacravan de schepping tot op zijn tijd.

Severiāna(via), van Ostia over Antium naar Tarracīna.

Sevērus mons, rots in het Sabijnsche land op de grenzen van Picēnum.

SēvirofSexvir, meest VIvir of IiiiiIvir geschreven, lid van een college van 6 leden. 1) aanvoerder van deequites Romani equo publico, in den keizertijd; ze worden voor een jaar benoemd; het eerst komen ze voor tijdens keizer Augustus (2 v. C.).—2)lid van het bestuur derAugustālesin de municipiën; ziemunicipium.

Sevo mons=Saevo mons.

Sextans= 2unciae= ⅙as.

Sextarius, rom. maat, iets meer dan een halve liter, het 1/48 deel eener amphora, het 1/16 van een congius.

Sextia(rogatio) van P. Sextius in 57, tot terugroeping van Cicero uit de ballingschap, kwam niet in behandeling.

SextiiofSestii, dezelfde naam, hoewel men soms de eene schrijfwijze hoven de andere ziet voorgetrokken. 1)P. Sestius Capitolinus(v. a.Capito)Vaticānus, consul in 452 (z.Menenia Sestia(lex)) en in 451 een der decemviri legibus scribundis.—2)L. Sextius Sextinus Laterānus, in 366 de eerste consul uit de plebs ten gevolge derLex Licinia Sextia, waartoe hij zelf had medegewerkt. ZieLiciniino. 4.—3)C. Sextius Calvīnus, consul in 124, voerde voorspoedig oorlog in Gallia Transalpīna en stichtte de badplaats Aquae Sextiae (Aix).—4)T. Sextiusdiende van af 54 als legaat onder Caesar in Gallia. Later ontnam hij in dienst van Octaviānus, de provincie Africa aan Q. Cornificius, die in den strijd sneuvelde (42). Na den slag bij Philippi moest hij Numidia afstaan aan den legaat van Octavianus, C. Fuficius Fango, maar veroverde het weer na den Perusijnschen oorlog. In 40 gaf hij de provincie en zijn troepen over aan Lepidus.—5)P. SextiusofSestius, quaestor in 63, zuiverde Campania van de Catilinarii, dwong den consul C. Antonius aan Catilīna slag te leveren, hetgeen Ant. evenwel door zijn legaat Petreius liet doen, en schaarde zich als volkstribuun in 57 geheel aan de zijde van Cicero. Door zijn vijand P. Clodius werd hij in 56 van geweldenarij en omkooping aangeklaagd doch door Cicero verdedigd en vrijgepleit. Bij het begin van den burgeroorlog volgde hij Pompeius en ging eerst later tot Caesar over.—6)L. Sestius, zoon van no. 5, volgde na Caesar’s dood eerst de vanen van Brutus, doch werd niettemin in 23 door Augustus tot consul suffectus benoemd. Aan hem is gericht Horatius’ ode I. 4.—7)Q. Sextius, een aanzienlijk Romein, een senatorszoon, onder Augustus, om zijne eenvoudige levenswijze zeer geacht, stichtte te Rome eene wijsgeerige school vermoedelijk op stoicijnsche en pythagoreïsche beginselen. Hij schreef in het Grieksch. Ten onrechte neemt men wel eens aan, dat een verzameling spreuken van een zekeren Sextus, die later in het Latijn vertaald is, maar waarvan hetorigineelin 1880 teruggevonden is, van hem afkomstig is. Dit is het werk van een Christen uit de 2deof 3deeeuw. Na Sextius trad zijn zoon als hoofd der school op, daarnageraaktezij spoedig in verval.

Sextilii, een rom. geslacht, dat geen mannen van beteekenis heeft opgeleverd. 1)P. Sextilius(v. a.Sextius), propraetor van Africa, verjoeg den als balling ronddolenden Marius uit zijne provincie.—2)C. Sextilius Rufus, admiraal van Cassius in 43.—3)Sextilia, moeder van keizer A. Vitellius, eene vrouw van strenge, oud-romeinsche zeden.

Sextīlis, vroegere naam der maand Augustus.

Sextula= ⅙uncia= 1/72as.

Sextus Empiricus, arts en sceptisch wijsgeer omstreeks 200 n. C. Van zijne werken zijn bewaard geblevenΠυρρωνεῖαι ὑποτυπώσεις, eene uiteenzetting van de leer van Pyrrho enΠρὸς τοὺς μαθηματικούς, waarin hij bezwaren ontwikkelt tegen de grondstellingenvan iedere wetenschap en ieder wijsgeerig stelsel.

Sibuzates, volksstam in Aquitania, bij het tegenw. Sobousse aan den Adour.

Sibylla,Σίβυλλα, een geheimzinnig vrouwelijk wezen, dat in verschillende landen en in verschillende tijden voorkomt, in eenzame holen woont en van Apollo de gave der voorspelling heeft. Gewoonlijk nam men aan dat er meer dan ééne S. was, in latere tijden sprak men van tien. De meest bekende is de S. van Cumae, die onder verschillende namen voorkomt (Herophile, Demophile, Demo, Deïphobe, Amalthēa), uit Azië naar Italië kwam, zeer oud was en reeds aan Aenēas de toekomst voorspelde. Eene verzameling van hare profetieën, in het Grieksch opgesteld, werd door Tarquinius Priscus voor eene groote som gelds gekocht. De verzameling,libri Sibyllinigenoemd, werd bewaard doorIIviri(sedert 367Xviri, sedert SullaXVviri)sacrorumofsacris faciundis, die in buitengewone omstandigheden, vooral bij prodigia, van den senaat bevel kregen de boeken te raadplegen (adire libros). Vooral door den invloed van deze boeken werd de rom. godsdienst met vele grieksche elementen vermengd. Toen zij bij den brand van het Capitolium (83) verloren gingen, werden overal sibyllijnsche orakels opgezocht, en eene nieuwe verzameling aangelegd, waaruit echter onder Augustus en Tiberius een aantal als onecht verwijderd werden. De sibyllijnsche boeken behielden lang hun invloed en zelfs de oudsteChristenenontzeiden hun niet alle gezag, eerst onder Stilicho werden zij verbrand.—De nu nog bestaandeΧρησμοὶ Σιβυλλιακοίzijn van verschillende tijden en uiteenloopenden inhoud, grootendeels bevatten zij als profetieën ingekleede historische verhalen.

Sibyrtius,Σιβύρτιος, onder en na Alexander d. Gr. satraap van Arachosië en Gedrosië, later verbond hij zich met Eumenes, dien hij echter verliet om tot Antigonus over te gaan.

Sycambri=Sygambri.

Sicania, Sicāni, Sicānus, zieSicilia.

Sicānus,Σικανός, een van de strategen van Syracuse in den atheenschen oorlog.

Sicca, de vriend van Cicero, op wiens landgoed hij in zijn ballingschap een schuilplaats vond.

Sicca Veneria,Σίκκα, aanzienlijke stad in Numidia ten O. van den Muthul; het behoort later tot Africa Vetus (Zeugitana).

Siccii, zieSicinii.

Sichaeus, z.Dido.

Sicilia,Σικελία, het bekende eiland Sicilië bij Italië. In den mythischen tijd was het de woonplaats der Cyclopen en der menschenetende Laestrygonen. In den historischen tijd vindt men als oudste bewoners deSicāni,Σικανοί, vermeld, volgens Thucydides afkomstig uit Iberia, waar zij aan de boorden eener rivier Sicānus,Σικανός, later Sucro geheeten, zouden gewoond hebben, hetgeen tegenwoordig op taalkundige gronden wordt tegengesproken. Later vindt men hen slechts in de westelijke helft, terwijl het oostelijk gedeelte bevolkt is doorSiculi,Σικελοί, een door de Oscers uit Italia verdreven volk. Niet onwaarschijnlijk is het, dat Sicani en Siculi tot één stam behooren, die met de Latijnen verwant is. De grens tusschen beide stammen is de rivier de Himera. In den Westhoek vindt men nog een klein gebied bezet doorElemi,Ἔλυμοι, die over zee waren gekomen. De mythe laat deze Elymers afstammen van Trojanen (zieElymus), doch de namen hunner stedenSegesta, Entella, worden op de oostligurische kust ook aangetroffen, terwijl met Eryx en den Venusdienst de havenportus Venerisin Liguria overeenkomt. Op de kusten van het zoo vruchtbare en uitstekend gelegen eiland vestigden zich een aantal volkplantingen: phoenicische, carthaagsche, ionische en dorische. De afstammelingen der grieksche kolonisten noemden zichΣικελιῶται. Naar de drie meest vooruitspringende kapen,Lilybaeumten W.,Pelōrumten N.O.,Pachȳnumten Z., wordt het eiland bij dichters ookTrinacria,Τρινακρία, geheeten, ookSicaniais een dichterlijke naam. Terwijl het W. gedeelte in de macht der Carthagers kwam, breidde de machtige stad Syracuse haar gezag over het O. deel uit. Beide mogendheden streefden naar het bezit van het geheele eiland en bloedige worstelingen waren hiervan het gevolg. In den eersten punischen oorlog verloor Carthago zijn deel aan de Rom.; West-Sicilia werd toen de eerste rom. provincie (241), het overige bleef syracusaansch tot aan den val van Syracuse in 212. Beide deelen bleven, ofschoon één stadhouder hebbende, onder rom. bestuur toch in zooverre administratief gescheiden, dat zij elk een afzonderlijken quaestor hadden (één te Lilybaeum en één te Syracuse), en dat in het syracusaansche gedeelte de tiendregeling in stand bleef, zooals deze door koning Hiero II (260–215) was vastgesteld (lex Hieronica frumentaria). De gemeenten in dit gedeelte werdencivitates decumanaegenoemd en hare korentienden werden op het eiland zelf verpacht; de gemeenten in het vroegere carthaagsche gedeelte, waarvan de tienden te Rome met anderevectigaliadoor de censoren verpacht werden, heettencivitates censoriae. In Cicero’s tijd waren Messāna, Tauromenium en Netumcivitates foederatae, Centuripae, Halesa, Segesta, Panormus en Halicyaecivitates liberae et immunes. Van de verschillende civitates, 63 in getal, hadden alleen de burgers van Centuripae recht van grondbezit over het geheele eiland. Sicilia was door zijn graanbouw van groote waarde voor de Rom., die er jaarlijks ontzaggelijke hoeveelheden koren uit trokken; terecht was het aan Demēter geheiligd; thans is door de onverschilligheid der latere bevolking de toestand geheel anders geworden. Berucht zijn de afpersingen, door C. Verres gepleegd (73–71) en reeds van dit tijdstip af openbaart zich bij de bevolking een zekere onwil, om verder hunne akkers te bebouwen en zich te laten uitmergelen. Sicilia heeft een aantal beroemdemannen voortgebracht, o.a., Theocritus, tijdgenoot van Hiero II en den vader der bucolische poëzie. Bij Vergilius isSiculus pastor= Theocritus,Sicelides Musae= de Muzen van het herdersdicht.—De zee ten O. van het eiland heettemare Siculum; door sommigen werd zij als een gedeelte der ionische zee beschouwd, v. a. strekte zij zich tot Creta uit.

Sicinii. 1)T. Sic. Sabīnus, consul in 487, zegepraalde over de Volscen.—2)C. Sic. Bellutusvoerde het volk in 494 naar den Mons Sacer en werd een der eerste volkstribunen (493).—3)C. SiciniusofSicciuswas onder de eerste volkstribunen, die krachtens delex Publilia Voleronis(471) door de plebstributimwerden gekozen. In het volgende jaar klaagde hij met M. Duilius den trotschen App. Claudius Sabīnus, consul in 471, aan; deze stierf echter vóór den afloop van het proces. Het verhaal van dit proces en van Claudius’ dood is geheel verzonnen. ZieClaudiino. 2.—4)L. Sic.ofSiccius Dentātus, bijgenaamd de rom. Achilles, een man die door zijne schitterende wapenfeiten meer dan 300 militaire onderscheidingen had verworven, 120 gevechten had bijgewoond en 45 wonden in de borst had gekregen, volkstribuun in 454, was een warm strijder voor de rechten der plebejers. In 450 lieten de tienmannen hem in den oorlog tegen de Aequers in eene hinderlaag vallen, waar hij sneuvelde. Dit verhaal is verzonnen, met het doel de tienmannen van het jaar 450 als tyrannen voor te stellen.—5)Cn. Sicinius, praetor in 183, werd in 172 met een leger naar Macedonia gezonden.—6)C. Sicinius, door Cicero onder de goede redenaars gerangschikt, overigens niet nader bekend.—7)Cn. Sicinius, volkstribuun in 76, wendde vergeefsche pogingen aan om de macht van het tribunaat te herstellen. Zijne vijanden wisten hem uit den weg te ruimen.

Sicinnis,σίκιν(ν)ις, de dans van het satyrdrama.

Sicinus,Σίκινος, eiland der Sporaden, ten Z. van de Cycladengroep gelegen en om zijn wijnbouw vroeger Oenoë genoemd.

Sicoris,Σίκορις, thans Segre, zijtak van den Ibērus (Ebro), stroomt langs Ilerda (Lerida).

Siculi,Σικελοί, zieSicilia.

Siculum fretum, thans straat van Messina. Zie ookScylla.

Siculus. 1)Calpurnius Siculus, bucolisch dichter uit Nero’s tijd, schrijver van 7Eclogae.—2)Siculus Flaccus, rom. landmeter uit de 2deeeuw na C., schrijver van een werkjede condicionibus agrorum, z.Groma.—3)Diodōrus Siculus, zieDiodorusno. 3.

Sicyon,Σικυών=augurkenstad, hoofdstad van het kleine peloponnesische gewestSicyonia,Σικυωνία, aan den Z.O. hoek der Corinthische golf gelegen. Volgens de overlevering was na Argos Sicyon de oudste staat van Griekenland. Bij de dorische volksverhuizing kwam het onder de Doriërs, in wier bezit het bleef. Het staatje, dat te onbeduidend was om eenig gewicht in de schaal te leggen, stond van ± 670 tot 576 onder de zeer dragelijke heerschappij der Orthagoriden, wier laatste telg Clisthenes was, de schoonvader van den Athener Megacles. Hierna werd de regeeringsvorm een tijd lang democratisch, totdat er onder den invloed van Sparta weder tyrannen kwamen. Eerst sedert 249 vervulde Sicyon weder eene rol (zieArātus) als lid van het achaeisch verbond. Onder rom. heerschappij verviel het meer en meer.—Desicyonische schilderschool(Eupompus, Pamphilus, Pausias) kenmerkte zich door wetenschappelijke behandeling. Debeeldhouwschoollegde zich minder toe op het scheppen van godenbeelden, dan van schoone menschenfiguren. Onder de sicyonische beeldhouwers zijn vooral beroemd Polyclētus (z. a.) en Lysippus (z. a.), die ook een kundig metaalgieter was.

Sida, Side,Σίδη, 1) aeolische kolonie op de kust van Pamphylia, hoofdzetel van den dienst van Athēna, die er werd afgebeeld met een granaatappel (σίδη) in de hand. De bevolking is grootendeels van phoenicischen oorsprong.—2)havenstad in Pontus, later Polemonium (z. a.).—3)vroeg vervallen stadje aan de Z.O. spits van Laconica.

Sidēro,Σιδηρώ, tweede gemalin van Salmōneus, wreede stiefmoeder van Tyro, door wier zonen Neleus en Pelias zij gedood werd.

Sidicīni, een oscischevolksstamin Campania (z.a.); hun stad heet Teānum Sidicīnum.

Sidon,Σιδών, de oudste en lang de machtigste der phoenicische steden, eene sterke vesting met een dubbele haven. Door handel, zeevaart, kunst en nijverheid en door het uitzenden van talrijke volkplantingen verhief Sidon zich tot een hoogen trap van bloei, totdat het door het jongere Tyrus overschaduwd werd. De sidonische schepen waren uitstekende zeilers, de sidonische zeelieden in hun tijd de beste der wereld. De nijverheid bloeide vooral door glasfabrieken en door de weverijen, waar de kostbare sidonische gewaden werden vervaardigd. Van oudsher stond Sidon onder erfelijke koningen, die ook onder de perzische en de macedonische opperheerschappij aan het bewind bleven. In 675 was Sidon door Assarhaddon van Niniveh vernietigd, maar als assyrische kolonie weer opgebouwd. Sedert de 5deeeuw begint de grieksche invloed er door te dringen. De 17 sarkophagen van de koningen van Sidon, die in 1887 terug gevonden zijn, en zich nu in het Museum teConstantinopelbevinden, zijn door grieksche kunstenaars van den eersten rang vervaardigd. De verwoesting door den perzischen koning Artaxerxes III Ochus (± 350), tot straf voor haren afval, bracht aan de stad een onherstelbaren slag toe.

Sidonius Apollināris, voluitC. Sollius Apollinaris Modestus Sidonius, in 428 na C. te Lugdūnum (Lyon) geboren, bisschop van Clermont, schrijver eener verzameling brieven en van enkele gedichten in vrij gezwollen stijl, doch belangrijk voor de kennis van zijn tijd.

Sidus,Σιδοῦς=granaatappelstad, sterke vesting in Corinthia, ten O. van Corinthus.

Sidussa,Σιδοῦσσα, vlek in Lydia in het gebied der ionische stad Erythrae.

Siga,Σίγα, handelsstad en rom. municipium op de kust van Mauretania Caesariensis.

Sigambri=Sygambri.

Sigēum,Σίγειον, kaap en stad in Troas, iets ten zuiden der invaart van den Hellespont. In de nabijheid was het graf van Achilles.

Sigillaria(vansigillum, deminutief vansignum), het beeldjesfeest, te Rome op 21 en 22 Dec. gevierd. Men gaf godenbeeldjes ten geschenke, uit klei gebakken of uit metaal vervaardigd. Ook werden bontgekleurde kaarsen en gebak in verschillende vormen weggegeven. Het schijnt vooral een kinderfeest te zijn geweest. Er was te Rome eene beeldjesstraat,via sigillaria, waar men winkels van zulke beeldjes had. Het feest hing met de Saturnalia (z. a.) samen.

Sigma, eene sofa in den vorm van een hoefijzer, aldus genoemd naar den ouden vorm der grieksche letter,C.Ditsigmaofstibadiumkwam in gebruik, toen de vierkante tafels door de ronde werden verdrongen. Vgl.triclinium.

Signia, thans Segni, stad in Latium aan den Oostkant der volscische bergen, door Tarquinius Superbus gesticht en bekend door een tempel van Jupiter Urius, door hard cement (opus Signīnum), lekkere peren en wrangen wijn. Van de cyclopische muren bestaan nog overblijfselen.


Back to IndexNext