Chapter 66

Diverse signa.Signum.Onder de verschillende beteekenissen van dit woord zijn er vier, die hier behooren vermeld te worden, 1) beeld eener godheid, nooit van een mensch, daar van menschenbeelden het woordstatuawordt gebezigd.—2)onderscheidingsteekenen van de verschillende afdeelingen van het leger te velde, standaarden, waarvan de hierbij gevoegde gravure er eenige te aanschouwen geeft. Vóór Marius hadden de drie afdeelingen van het rom. voetvolk verschillende standaarden, een wolf, een minotaurus, een everzwijn en een paard, terwijl een adelaar met uitgespreide vlerken de standaard van het legioen was. Marius schafte de genoemde bijzondere standaarden af en behield alleen den legioensadelaar. Doch naast den standaard had nog elke manipel zijn bijzonder onderscheidingsteeken, bestaande in een geopende hand boven op een lans bevestigd, terwijl de cohorte waarschijnlijk de afbeelding van een of ander dier voerde. De stok is versierd met kransen en kronen (ziecorōna), waarschijnlijk in den strijd verworven. Bij den legioensadelaar evenwel ontbreken v. s. deze sieraden; hoogstens vindt men dezen dan getooid met eenvexillum, een lap doek. Hetvexillum, vaandel, behoort vooral bij de ruiterij te huis. Verder ziet men onder designaook een paaranguesofdracōnes. In de legerplaats werd vóór het praetorium eene verhooging van zoden of aarde aangebracht, en daarin werden de legioenstandaarden in den grond geplant. Het uittrekken er van was het sein tot den marsch. Zat de stok zeer vast in den grond, zoodat de vaandeldrager,signifer, hem slechts met groote moeite er uit kon trekken, dan gold dit voor een slecht voorteeken. Aan de onderscheidingsteekenen te velde zijn verschillende zegswijzen ontleend, als:signa in hostem inferre= op den vijand aanrukken,signa conferre= handgemeen worden, slaags raken,signa proferre= voorwaarts rukken,signa referre= zich terugtrekken,signa transferre= zich overgeven,signa movere= opbreken,signa figere= zijn leger opslaan, e. a.—3)Zieauguria.—4)In de 3deen 4deeeuw na Christus een soort clubnaam. Zie ondernomen.Sigrium,Σίγριον, kaap aan de Westkust van het eiland Lesbus.Sigynnes,Σιγύννες, een half mythisch volk, volgens Herodotus ten N. van den Ister (Donau) woonachtig. Sommigen willen hierin de voorvaderen der Zigeuners zien.Sila,Σίλα, boschrijk gebergte in Bruttium, een deel der Apennijnen, dat het beroemde bruttische pek opleverde.Silanion,Σιλανίων, beroemd beeldgieter teAthene, tijdgenoot van Alexander d. Gr.Silanus, familienaam bij deIunii(Iuniino. 14–20) en deTurpilii.Silarus,Σίλαρος, 1) grensrivier tusschen Campania en Lucania, valt bij den mons Alburnus ten N. van Paestum in zee. Aan den Silarus werd de zwaardvechtersveldheer Spartacus in 72 door Crassus verslagen.—2)rivier in Gallia Cispadāna, die ten O. van Bononia (Bologna) naar den zuider Po-arm stroomt.—Beide rivieren heeten thans nog Silaro.Silenus met den kleinen Dionysus, Louvre-Museum.Silenus met den kleinen Dionysus, Louvre-Museum.Silēnus,Σειληνός, zoon van Hermes of Pan en eene nimf, de leermeester, opvoeder en trouwe metgezel van Dionȳsus, de oudste der Satyrs. Hij wordt afgebeeld als een vroolijk, oudachtig mannetje met stompen neus, kaal hoofd en buitengewoon dikken buik. Hij houdt van zang en muziek, maar vooral van wijn, steeds is hij in een roes, zoodat hij gewoonlijk op een ezel moet rijden of zich door andere Satyrs moet laten ondersteunen, daar zijne beenen slechts zelden in staat zijn hem te dragen. Zijne attributen zijn een wijnzak, beker, thyrsusstaf en krans van klimop.—Onder den invloed der mysteriën kreeg ook S. eene hoogere beteekenis. Als leermeester van Dionysus werd hij beschouwd als een wijze en profeet, ver verheven boven het ijdele streven der gewone menschen, en werd hij ook op geheel andere wijze afgebeeld.—Soms worden alle oudere Satyrs Silenus genoemd, ter onderscheiding draagt dan de opvoeder van Dionysus den naam van Papposilēnus.Silicernium, lijkmaal ter eere van een afgestorvene, hetzij op den dag der begrafenis, hetzij eenige dagen later gegeven. Ook als scheldwoord gebezigd = een afgeleefde oude vent, een oude sul.Silicius Corōnas(P.), rom. senator, die in de rechtbank, door Octaviānus ingesteld om de moordenaars van Caesar te vonnissen, openlijk ten gunste van die moordenaars, met name van Brutus, het woord voerde en hiervoor later door Octavianus op de proscriptielijsten werd geplaatst.Silii, plebejisch geslacht. 1)T. Siliusdiende onder Caesar in Gallia en werd in 56 door de Veneti (op de kust van Bretagne) gevangen gehouden.—2)P. Silius Nerva, in 51 propraetor van Bithynia, een vriend van Cicero.—3)A. Silius, bevriend met Cicero en met Atticus.—4)P. Silius Nerva, consul in 20, was eerstlegatus pro praetorevan Hispania citerior, en streed daarna voorspoedig tegen de Alpenbewoners, de Norici (16), de Pannoniërs en de Dalmaten.—5)C. Silius, consul in 13 na C., voerde eenige jaren het bevel in Germania en nam deel aan de tochten van Germanicus. Ook onderdrukte hij in 21 den opstand van Sacrovir. Hij laadde echter den argwaan van Tiberius op zich; door dezen van knevelarij beschuldigd, bracht hij zichzelf om het leven (24).—6)C. Silius, zoon van no. 5, werd onder Claudius met den dood gestraft wegens ongeoorloofden omgang met Messalīna, 48 na C.—7)Tib. Catius Silius Italicus, rom. dichter en redenaar, 25–100 na C., was in 68 consul en later stadhouder van Asia, en wijdde zich daarna op zijn landgoed aan de letterkunde. Hij schreef een epos,Punica, in 17 boeken, dat in 1415 te St. Gallen ontdekt is en over den tweeden punischen oorlog handelt; het verraadt wel studie, doch weinig genie. Waarschijnlijk is ook aan hem toe te schrijven een uittreksel uit de Ilias in hexameters gedicht, in de M. E. bekend alsHomerus latinusofPindarus Thebanus. Daar Silius aan eene ongeneeslijke kwaal leed, liet hij zich doodhongeren, ten einde van zijn lijden bevrijd te worden.Silis, beekje in het land der Veneti, dat zich bij Altīnum in de Adriatische zee stort.Σίλλοι, z.Timonno. 2.Silures,Σίλυρες, machtig en dapper volk in het W. van Britannia, in het Z.O. van het tegenw. Wales, met de steden Isca en Venta. Zij verdedigden zich hardnekkig tegen de Romeinen. Ze zijn donker van gelaatskleur, en hebben krulhaar; ze behooren niet tot de Kelten, maar waarschijnlijk tot deIberiërs.Silvanectes,volksstamin Belgica ten Z. der Suessiones. Hoofdstad: Augustomagus, tgw. Senlis.Silvānus, familienaam in degens Plautia(Plautiino. 5 en 8).Silvanus, rom. bosch- en veldgod, beschermer van planten, kudden en van de grenzen der akkers. Hij heeft veel overeenkomst met Pan en Faunus, houdt van muziek, is voor landlieden over het algemeen een weldoend god, jaagt daarentegen gaarne den menschen schrik aan en is daarom vooral voor kraamvrouwen te vreezen (z.Deverra). Te zijner eere vierde men in den herfst een oogstfeest, waarbij men hem de eerstelingen der vruchten, korenaren en melk offerde.Silvium, stad in Apulia op de lucanische grenzen, aan den weg van Venusia naar Tarentum.Silvius, zoon of stiefbroeder van Ascanius, volgde hem in de regeering over Alba Longa op; hij was de stamvader der albaansche koningen.Simbruīni colles, heuvelstreek in het Z. van het land der Aequi, later tot Latium behoorende, nabij het land der Marsen, tusschen Sublaqueum en Treba. In de nabijheid lagen deSimbruina stagna, waterbekkens, waarin zich verschillende bronnen en beken ontlastten, die door keizer Claudius gebruikt werden tot voeding der aqua Marcia en door Nero voor zijne schoone villa Sublaquensis. Thans zijn die kommen uitgedroogd, doordat de beken zich een anderen weg gebaand hebben.Simeni,Σιμενοί=Icēni.Simmias,Σιμμίας, 1) van Thebe, leerling van Philolāus, later vriend van Socrates en Plato.—2)zoon van Andromenes, broeder van Polemo no. 1.—3)epigrammendichter in den alexandrijnschen tijd.Simois,Σιμόεις, 1) een der beide riviertjes bij Troje; zieScamander.—2)op Sicilia; zieEgesta.—3)rivier in Epīrus, onzeker waar.Simonides,Σιμωνίδης, 1) van Amorgus, beroemd jambendichter, jonger tijdgenoot van Archilochus. Van zijne werken bestaan nog eenige fragmenten, waaronder twee vrij lange.—2)van Iūlis op Ceos, geb. 556, een van de grootste grieksche lierdichters. Hij leefde eenigen tijd aan het hof van Hipparchus te Athene, daarna in Thessalië bij de Aleuaden en Scopaden (514), vervolgens kwam hij naar Athene terug, waar hij met zijne elegie op de gesneuvelden bij Marathon den prijs behaalde. Zijne laatste levensjaren bracht hij in gezelschap van vele andere voortreffelijke dichters, o. a. Pindarus, bij Hiero te Syracuse door, waar hij in 468 stierf. Hij was een zeer vruchtbaar dichter, vooral een meester in treurzangen en epigrammen; 56 maal behaalde hij in wedstrijden den eersten prijs. Van zijne werken zijn slechts enkele fragmenten bewaard, die door fijn gevoel en schoone taal uitmunten. Hij geldt ook als de uitvinder der herinneringskunst (μνημονική), volgens zijn eigen getuigenis was zijn geheugen op zijn 80stejaar nog onverzwakt.Simpulum, een lepel met langen, rechtopstaanden steel, om den wijn over het offer te gieten. Spreekwoord:fluctus excitare in simpulo= veel geschreeuw om weinig wol.Simpuvium, een offergereedschap, misschien =simpulum.Sinae,Σῖναι, zieSerica.Sinai,Σινᾶ, een van de hoogste toppen der Zwarte bergen in het Z. van Arabia Petraea.Sinda,Σίνδα, 1) hoofdstad derSindi, een volk in Sarmatia aan de invaart der Palus Maeōtis (zee van Azow).—2)hoofdstad derSindiofSindae, een volk op de kust van India extra Gangem, in het tegenw. Achter-Indië.—3)stad in Pisidia.Sindi,Σινδοί, zieSindano. 1 en 2.Sindus,Σίνδος, stad in Macedonia aan de golf van Terma, ten W. van Therma (Thessalonica).Singara,τὰ Σίγγαρα, vesting in Mesopotamia tusschen den Chabōras en den Euphraat, rom. kolonie. In de oorlogen tusschen keizer Constantius II en Sapores II, koning van Perzië, werd de stad tweemaal (in 348 en 360 n. C.) door Sapores ingenomen, en na den dood van Keizer Iuliānus, door Ioviānus met vele andere steden voor goed aan Perzië afgestaan (363).Singidūnum,Σιγγίδουνον, sterke vesting aan de samenvloeiing van den Ister (Donau) en den Savus, thans Belgrado.Singiticus sinus, golf van Singus (z. a.) tusschen de chalcidische landtongen Acte en Sithonia.Singulis, linker zijrivier van den Baetis in Baetica.Singus,Σιγγός, stad op de chalcidische landtong Sithonia.Sinis,Σίνις, zoon van Polypēmon of Poseidon, een roover, die op de landengte van Corinthe woonde; hij was gewoon de reizigers die hij beroofd had, aan twee naar elkander toe gebogen pijnboomen vast te binden (Πιτυοκάμπτης); als hij dan de boomen losliet en zij hun oorspronkelijken stand hernamen, werden de slachtoffers uit elkander gescheurd. Theseus doodde hem op dezelfde wijze.Sinnius Capito, rom. grammaticus uit den tijd van Augustus.Sinon,Σίνων, zoon van Aesimus of Sisyphus, bloedverwant van Odysseus. Hij liet zich bij den geveinsden aftocht der Grieken door de Trojanen gevangen nemen en overreedde hen, het houten paard in de stad te halen, voorwendende dat het behoud van de stad daarvan afhing. Hij was het ook die ’s nachts het paard voor de Grieken opende.Sinope,Σινώπη, oudste en voornaamste der grieksche volkplantingen aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee), door Milētus op de kust van Paphlagonia gesticht (± 750), in het midden der 7deeeuw verwoest door de Cimmerii (z. a.), en in 632 herbouwd. De stad werd door handel en zeevaart spoedig zeer machtig, en zond op hare beurt tal van koloniën uit langs de kust van den Pontus Euxinus, terwijl zij haar eigen gebied (Sinōpis) tot aan den Halys uitbreidde. Mithradātes VI van Pontus maakte Sinope tot residentiestad. Door Lucullus werd het veroverd en geplunderd, doch het kwam den slag weder te boven, nadat het in 45 eene rom. kolonie was geworden onder den naamIulia Caesarēa Felix Sinōpe. Het had twee havens en wasde geboorteplaats van den cynischen wijsgeer Diogenes en den blijspeldichter Diphilus.Sintice,Σιντική, gewest van Macedonia op den rechteroever van den Beneden-Strymon, bewoond door een thracischen stam, deSinti,Σιντοί, met de stad Heraclēa Sintica.Sinties,Σίντιες, oudste bewoners van Lemnus, ook op Samothrāce. Strabo brengt hen in verband met deSinti, zieSintice.Sinuessa, bloeiende handelsstad in Latium aan de kust nabij de grenzen van Campania en den mons Massicus, rom. kolonie sedert 296. In den omtrek lagen warme bronnen,aquae Sinuessanae. De stad dreef een levendigen wijnhandel.Sion,Σίων, berg, die een deel uitmaakte van Jerusalem.Siparium, in tegenstelling vanaulaeum, een klein scherm: bijmimiwerden achter hetaulaeumeen of tweesipariagebruikt, die niet neergelaten, maar opgerold werden. Ze zijn waarschijnlijk een herinnering aan den tijd, dat demimusnog een poppekastvertooning was. Demimitraden op vóór hetsiparium(desiparia).Siphae,Σῖφαι, dorischΤίφα, haven aan de Zuidkust van Boeotia, tot het gebied van Thespiae behoorende.Siphnus,Σίφνος, eiland der Cycladen met eene stad van denzelfden naam. Het was rijk aan edele metalen; van het tiende deel der opbrengst legden de Siphniërs een schatkamer te Delphi aan. Toen echter in het zenden der tienden een verzuim had plaats gegrepen, drong de zee in die mijnen door, die aan de kust lagen, en vernielde ze. Toch bleef er nog genoeg over, om de welvaart te doen voortduren. Evenals de bewoners van Serīphus en Melos, weigerden ook die van Siphnus den Perzen schatting op te brengen. Voor de bondskas van het attische zeeverbond bracht Siphnus 3600 drachmen ’s jaars op. Op zedelijk gebied stond het in slechten naam; vandaarσιφνιάζειν, leven als een Siphniër.Sipontum, Sipuntum,Σιποῦς, stad en sedert 194 rom. kolonie in Apulia aan den mons Gargānus, eene aanzienlijke havenplaats, later vervallen.Sipylus,Σίπυλος, vulkanisch gebergte in Lydia, dat zich van den Tmolus afscheidt en langs den linkeroever van den Hermus naar de kust loopt. Het was rijk aan metalen. In het gebergte zou de oude hoofdstad van Lydia gelegen hebben,TantalisofSipylus, reeds vroeg bij gelegenheid eener aardbeving verzonken en in het meer Saloë of Sale herschapen.Siracesof-ci,Σίρακες, -κοι, 1) machtig sarmatisch volk ten N. van den Caucasus. Zij werden door koningen geregeerd. In 50 na C. geraakten de Rom. met hen in oorlog.—2)volksstamin N.W. Armenia.Sirbōnis lacus,Σιρβωνὶς ἡ λίμνη, lagune aan de aegyptische kust, tusschen den oostelijken of pelusischen Nijlmond en de judaeïsche grensstad Rhinocolūra. Het meer was diep en rijk aan asphalt. Thans is het grootendeels uitgedroogd.Siredones,Σειρηδόνες=Sirēnes.Sirēnes,Σειρῆνης, twee of drie nimfen, die op een bloemrijk eiland wonen en door haar betooverend gezang de voorbijvarenden onweerstaanbaar naar het strand lokken, waar zij op de klippen schipbreuk lijden. Op de Argonauten echter bleef haar gezang zonder uitwerking, daar Orpheus een lied zong, waarvoor zij moesten verstommen. Eveneens ontsnapte Odysseus aan het gevaar, door de ooren zijner tochtgenooten met was dicht te stoppen en zich zelf aan den mast te laten binden. Daarop wierpen de S. zich in zee en veranderden zij in rotsen.—Zij worden dochters van Phorcys of van Achelōus genoemd, hare namen zijn Aglaophēme, Thelxiepēa en Molpe, of Parthenope, Ligēa en Leucosia; als hare woonplaats beschouwde men kaap Pelōrum, de Sirenūsae of Capreae. Zij werden oudtijds afgebeeld als groote, logge vogels met vrouwenhoofden, later als vrouwen met vleugels en pooten van een vogel; hare beelden worden dikwijls als grafornamenten gebruikt. Men verhaalde dat zij gezellinnen van Persephone geweest waren en hare gedaante gekregen hadden om deze beter te kunnen zoeken, of als straf, omdat zij den roof van Persephone niet verhinderd hadden.Sirenūsae,Σειρηνοῦσσαι, ookSirēnum scopuli, drie onbewoonde eilandjes op de campaansche kust, ten Z. van het schiereiland van Surrentum, volgens de mythe eenmaal het verblijf der Sirenen.Siris,Σίρις, rivier van Lucania, die zich in de golf van Tarentum stortte. Aan den mond lag een gelijknamige, bloeiende stad, die ± 550 door de inwoners van Croton, Sybaris en Metapontum (Metapontion) verwoest werd. Ruim een eeuw later werd de stad door de Tarentijnen herbouwd, niet echter op de oude plaats, die ongezond was, maar op de nabijgelegen hoogten, en Heraclēa genoemd. Siris bleef slechts haven. Aan den Siris (bij Heraclea) behaalde Pyrrhus in 280 zijne eerste overwinning op de Rom.Sirius,Σείριος, z.Canis maior. In verscheiden deelen van Griekenland werden bij het opkomen van Sirius offers gebracht en godsdienstige plechtigheden verricht, om de verderfelijke gevolgen van de verzengende hitte der hondsdagen af te weren.Sirmio, stadje aan denlacus Benācus(Gardameer) in Gallia Transpadāna. Catullus had in den omtrek eene villa.Sirmium,Σίρμιον, stad in Pannonia aan den Savus (Save), sterke vesting met groote wapenfabrieken, hoofddepôt der Rom. in den dacischen oorlog. De stad was gesticht door de Tauriscers en werd onder de Rom. de hoofdstad der provincie en onder Diocletiānus die van depraefectura Illyrici.Sisapon,Σισαπών, belangrijke stad in Baetica, met zilver- en tinmijnen, ten N. van Corduba (Cordova), thans Almaden.Siscia,Σισκία, ookSegesta, thans Sissek, sterke vesting en aanzienlijke handelsplaats op een eiland, door den Savus en de Colapisgevormd. Het was de ligplaats der Savusvloot.Sisenna, zieCorneliino. 56.Sistrum.Sistrum,σεῖστρον, een rammelaar, bij den dienst van Isis in gebruik. Het instrument bestond uit een metalen beugel met gaten, waardoor aan de uiteinden gekromde metalen staafjes gestoken waren; bij het schudden sloegen de omgebogen einden van die staafjes tegen den beugel en zoo werd het geluid voortgebracht.Σισύρα, een grove, maar warme mantel, vooral bij landlieden in gebruik.Sisygambis,Σισύγαμβις, moeder van Darīus Codomannus, werd na den slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en met buitengewone oplettendheid door hem behandeld. Na den dood van Alexander stierf zij vrijwillig den hongerdood.Sisyphides,Σισυφίδης, Odysseus, zoo genoemd als zoon van Sisyphus.Sisyphus,Σίσυφος, zoon van Aeolus en Enarete, gehuwd met Merope (no. 3), stichter en koning van Corinthe. Ter gedachtenis aan Melicertes, wiens lijk hij aan het strand vond, stelde hij de isthmische spelen in. Hij was de hebzuchtigste aller menschen en ontzag niets in zijn streven om winst te behalen. Over het algemeen wordt hij als een zeer slecht mensch voorgesteld: hij verried de geheimen der goden, deed strooptochten in Attica, beroofde en vermoordde reizigers, maakte aan Asōpus bekend, dat Zeus diens dochter Aegīna geschaakt had, enz. Zelfs toen de Dood hem kwam halen, wist S. dezen op listige wijze in boeien te slaan, zoodat niemand meer stierf, totdat Hades zelf kwam en den gevangene bevrijdde. Nu moest S. sterven, maar vooraf gaf hij aan zijne vrouw bevel hem niet te begraven; na eenigen tijd beklaagde hij zich hierover bij Hades en kreeg hij verlof naar de aarde terug te keeren om zijne vrouw te straffen, hij maakte echter van dat verlof misbruik en keerde niet naar de onderwereld terug, totdat Hermes kwam en hem met geweld medenam. Wegens al deze misdaden moet hij in de onderwereld een zwaar rotsblok tegen een hoogen berg opwentelen, dat telkens, wanneer het doel bijna bereikt is, weder naar beneden stort.—V. s. had hij, om zich te wreken op Autolycus, die runderen van hem gestolen had, diens dochter Anticlēa verleid, en was zij bij hem moeder geworden van Odysseus.Sitace,Σιτάκη, volkrijke stad van Babylonia, aan den Tigris, stroomopwaarts van Seleucīa en Ctesiphon, maar nog binnen den medischen muur, hoofdstad van het distriktSitacēne,Σιτακηνή.Sitalces,Σιτάλκης, zoon en opvolger van Teres, vergrootte het door zijn vader gestichte rijk der odrysische Thraciërs en was eenigen tijd een bondgenoot der Atheners. Hij sneuvelde in een slag tegen de Triballi, 424.Sitella, vaas met betrekkelijk wijden buik en langen, nauwen hals, zooals in de comitiën te Rome gebruikt werd om de voorstemmende tribus aan te wijzen. Hiertoe werden plankjes (tesserae) met de namen der tribus in de vaas geworpen en dooreengeschud. Vervolgens werd desitellamet water gevuld en detessera, die het eerst aan den mond te voorschijn kwam, wees de tribus aan, waarvan de stem het eerst werd publiek gemaakt of waaruit de voorstemmende centurie zou genomen worden. Ook de urn, waarin deindicesbij dequaestiones perpetuaehunne stemtafeltjes (tabellae) werpen, heetsitella.Σιτηρέσιον, kosten van onderhoud en verpleging, die aan de atheensche soldaten boven hun soldij betaald werden. Als minimum wordt door Demosthenes gerekend 2 obolen per dag voor een voetknecht, 1 drachme voor een ruiter.Σίτησις, voeding op staatskosten, genoten te Athene allen of bijna allen, die in dienst van den staat waren. Bovendien onthaalde de staat in het Prytanēum vreemde gezanten, herauten, enz.; ook aan enkele burgers, die zich jegens den staat verdienstelijk gemaakt hadden, werd een plaats aan de tafel in het Prytaneum gegeven, wat in den bloeitijd van Athene als een groote eer beschouwd werd.Sithonia,Σιθωνία, de middelste der drie landtongen van Chalcidice, tusschen de Toronaeïsche en Singitische golven.Σιτῶναι, ambtenaars te Athene, wier taak het was te zorgen, dat steeds in de staatsmagazijnen genoeg koren in voorraad was om te beletten, dat de prijzen door de korenkoopers te zeer opgejaagd werden.Sitōnes, bij Tacitus een germaansch volk in Scandinavia, met eene vrouwenregeering. Het is echter een Finsche stam, die ten N. van deSuiōnes(de Zweden) het Midden en Noorden van Scandinavië bewoonde.Σιτοφύλακες, ambtenaars te Athene, belast met het toezicht op de uitvoering der korenwetten. Er waren 5, later 25, voor de stad, en 5, later 15, voor den Piraeus.Sittace=Sitace.Sittii.P. Sittius Nucerīnus, vriend van P. Cornelius Sulla, werd vóór het uitbarsten der catilinarische samenzwering naar Hispania gezonden, doch na zijne terugkomst van medeplichtigheid beticht. Hij ontvluchtte naar Afrika (62) en diende daar in de legers der afrikaansche vorsten, tot hij in den burgeroorlog de partij van Caesar koos, Juba’s troepen hielp verslaan en na den slag bij Thapsus de overblijfselen van het pompejaansche leger verstrooide. Caesar stelde hem aan als stadhouder over een gedeelte van Numidia; na Caesars dood werd ook Sittius vermoord.Σκύθαι, z.τοξόται.Σκυτάλη, z.Scutala.Σκυτάλισμος, doodstraf door middel van een knods of knuppel. Deze wijze van terechtstelling is in een tijd van hevige beroering(± 370) door het volk te Argos op 1000 (v. a. 1200) aanzienlijke burgers toegepast, terwijl ten laatste ook de demagogen, die het volk daartoe aangezet hadden, aldus werden terechtgesteld.Smerdis,Σμέρδις, broeder van Cambȳses, die hem uit jaloerschheid door Prexaspes liet dooden. Terwijl Cambyses nog in Aegypte was, gaf een magiër Gaumāta, Gometes, zich voor Smerdis uit, op wien hij inderdaad sprekend geleek, en maakte zich van de regeering meester. Hij werd door het volk erkend, en Cambyses stierf voordat hij hem had kunnen straffen, maar na 7 maanden werd de gewaande Smerdis (Pseudo-Sm.) ontmaskerd (z.Prexaspes) en door zeven edele Perzen, waaronder ook Darīus Hystaspis was, gedood.Smilis,Σμῖλις, van Aegīna, een van de oudste grieksche beeldhouwers, waarschijnlijk uit de eerste helft van de 6deeeuw; hij wordt een leerling van Daedalus genoemd.Smintheus,Σμινθεύς, bijnaam van Apollo, waarschijnlijk naar de stad Sminthe in Troas. Men leidde echter den naam gewoonlijk af vanσμίνθος(muis), omdat de muis het zinnebeeld der voorspellingskunst is, of omdat Apollo een van zijne priesters van muizen bevrijd zou hebben. Of hij had aan Teucriërs, die onder leiding van Scamander uit Creta verhuisden, een orakel gegeven, dat zij zich moesten vestigen, waar zij last zouden hebben van uit de aarde geborenen. Toen zij nu in Troas geland waren en vonden, dat muizen aan hunne bogen en schilden geknaagd hadden, bleven zij daar en stelden zij den dienst van Apollo Sm. in.Smyrna,Σμύρνα=Myrrha.Smyrna,Σμύρνα, aeolische kolonie van Cyme, eene der meest beroemde en welvarende steden van Klein-Azië, ± 700 door de Ioniërs vermeesterd en sedert lid van het ionisch-aziatisch verbond gebleven. Omstreeks 600 werd het door den lydischen koning Sadyattes verwoest, en het duurde tot na den dood van Alexander den Gr., eer door toedoen van Antigonus een nieuw Smyrna verrees, iets zuidelijker gelegen dan het oude. Lysimachus maakte er vervolgens eene van de prachtigste steden der oudheid van, met rechte en goed geplaveide straten. Ook onder rom. heerschappij bleef Smyrna eene bloeiende plaats en was het eenconventus. In 178 na C. werd het door eene aardbeving hevig geteisterd, doch op last van keizer M. Aurelius hersteld. Smyrna beweerde de geboorteplaats te zijn van Homerus, voor wien in het Homerēum een standbeeld was opgericht. Ook was er een fraaie tempel van Cybele. De tapijtweverijen van Smyrna waren reeds in de oudheid beroemd. De aanliggende golf heetteSmyrnaeus sinus. Thans heet de stad zoowel Smirna als Ismir.Soccus, een pantoffel van lichte stof, het eigenaardig schoeisel van tooneelspelers en dansers in het blijspel. Ook buiten het tooneel werd de soccus door de Grieken zeer algemeen gebruikt, bij de Rom. echter in den regel alleen door vrouwen.Sociāle bellum, opstand der italiaansche bondgenooten tegen Rome in de jaren 90 en 89. ZieMarsicum bellum.Socii, bondgenooten. Volgens de overlevering reeds in den koningstijd, en in elk geval sedert 493 is Rome door eenfoedus aequummet de Latijnen, en later met de Hernici verbonden geweest, zieLatium. Later, toen Rome langzamerhand geheel Italia veroverde, werd de afhankelijkheid, waarin de verschillende steden en staten gebracht werden, uitgedrukt door het woordsocii, waarbij dan hetnomen Latinumeen bevoorrechte plaats innam. De staten, waarmede Rome eenfoedussloot, heettencivitates foederatae, en behielden hun souvereiniteit; ze hadden eigen bestuur, eigen rechtspleging en het recht om munt te slaan. Zij mochten geen betrekkingen met het buitenland onderhouden; in elk verdrag kwam de bepaling voor:ut eosdem quos populus Romanus amicos atque hostes habeant. Zij betaalden geen belasting, maar waren verplicht troepen, en de staten aan zee ook schepen, te leveren. De afhankelijkheid waarin zij stonden ten opzichte van Rome werd uitgedrukt door de formule:maiestatem populi Romani comiter conservanto. Door hun verstandig en gematigd optreden wisten de Romeinen desociiaan zich te binden; en deze politiek heeft het hun mogelijk gemaakt, op den duur de nederlagen van den 2denpunischen oorlog te boven te komen. In de 2deeeuw beginnen ze echter de socii, wier hulp men niet meer noodig heeft, te onderdrukken, hetgeen dan ten slotte uitloopt op den bondgenooten-oorlog, die Italië ontvolkt heeft, zieMarsicum bellum. De provinciën, wier toestand door eene wet geregeld was, werden niet tot desociigerekend. Overigens waren er ook buiten Italië socii alscivitates foederatae(z. a.), en koningen wien de titelsocius et amicus populi Romaniwas verleend, doch ook dan was meestal het bondgenootschap slechts een zachtere vorm van afhankelijkheid. Buitenlandsche volken zijnexterae nationes, doch waar in engeren zin vansocii et exterae nationesgesproken wordt, moet men onder de laatsten de bewoners der rom. provinciën verstaan en ondersociide latijnsche en italische bondgenooten. Zelfs werd deze benaming nog wel voor de italiaanschecivitatesgebezigd, ook nadat deze in de jaren 90–88 het burgerrecht hadden verkregen en de naamsociidus strikt genomen op haar niet meer van toepassing was.—In de rom. legers waren vóór 90 de troepen der italiaanschecivitatesonder den naam vansociiaanwezig; andere hulptroepen heettenauxilia(z. a.).Socii navāles.De dienst ter zee stond bij de Rom. in minachting, daarom werd de bemanning der vloot uit de armste burgers genomen. Allengs kwam het bemannen en proviandeeren der vloot meer en meer ten laste dersocii(z. a.), die natuurlijk hiervoor het uitschot hunner bevolking en ook vrijgelaten slaven leverden, hetgeen niet strekte om den zeedienst te verheffen. De rom.marine was in den eersten punischen oorlog zeer belangrijk, later liet men ze vervallen (zieclassis) en bediende men zich veelvuldig van de vloten van verbonden volken, zooals de Rhodiërs e. a.Socrates,Σωκράτης, Athener, zoon van den beeldhouwer Sophroniscus en Phaenarete, geb. 470. In zijne jeugd genoot hij de gewone atheensche opvoeding, hij trachtte zich te ontwikkelen door het lezen van dichters en wijsgeeren en zocht met hetzelfde doel gaarne den omgang van beschaafde en verstandige lieden, in een bepaalde school gevormd werd hij echter niet. Hij leerde de kunst van zijn vader, en nog meer dan vijf eeuwen later wees men op de acropolis te Athene een groep, die voor het werk van S. gehouden werd. Hij streed mede in de slagen bij Potidaea, Delium (z.Alcibiades) en Amphipolis, in 406 was hij lid van den raad en verzette hij zich tegen de onwettige behandeling van het proces der veldheeren uit den Arginusenslag. Als wijsgeer heeft hij meer dan iemand anders invloed uitgeoefend op zijne vrienden en leerlingen niet alleen, maar ook op zijne tijdgenooten in het algemeen, zelfs op de geheele geschiedenis der philosophie. Zonder met een uitgewerkt wijsgeerig stelsel op te treden, wekte hij bij allen met wie hij omging de zucht tot wetenschappelijk onderzoek op het gebied der zedeleer op, waarbij hij uitging van de eenvoudige stelling dat deugd kennis is en dus geleerd kan worden, dat alzoo niemand vrijwillig, maar slechts uit onwetendheid, verkeerd handelt. Het hoogste dat men bereiken kan, tevens de noodzakelijke voorwaarde voor praktische voortreffelijkheid, is dus zelfkennis, en de eerste stap om daartoe te komen is het zich bevrijden van verkeerde meeningen. Daartoe trachtte hij nu hen, die met hem omgingen, langs een eigenaardigen weg te leiden. Hijzelf erkende dat hij niets wist, terwijl hij nu voorgaf te willen leeren van hen, die beweerden wel iets te weten (socratischeironie,εἰρωνεία), bracht hij door de inrichting van zijne gesprekken en vragen ieder tot het bewustzijn, dat diens vermeende kennis slechts schijn was en iederen vasten grondslag miste. In overeenstemming hiermede noemde hij zich ook geen leeraar en liet hij zich, ook om zijne vrijheid niet aan banden te leggen, voor zijn onderwijs niet betalen, ook had hij in den eigenlijken zin van het woord geen leerlingen, maar iedereen, dien hij er geschikt toe achtte, overviel hij met zijne vragen en dwong hij tot de erkentenis van zijne onwetendheid. In zijne handelingen beweerde hij geleid te worden door eene inwendige goddelijke stem (δαιμόνιον), die hem van het verkeerde terughield. Maar terwijl velen zich door zijne streng logische redeneering aangetrokken gevoelden en erkenden, dat hij den juisten weg voor wijsgeerige studiën aanwees, terwijl verder velen, vol bewondering voor zijn levenswandel, zijn zelfbeheersching, standvastigheid, matigheid, trouw, vaderlandsliefde en godsvrucht, zich met liefde en eerbied bij hem aansloten, was het aantal nog veel grooter van hen, die in hem alleen een lastig en eigenwijs mensch zagen, die al wat van ouds voor waar erkend was op losse schroeven zette en de gemoederen voortdurend in beroering bracht; men beschouwde hem als een van de sophisten, en juist de groote bijval, dien hij vond, maakte hem in het oog van het oppervlakkige volk tot den gevaarlijksten onder hen. Als zoodanig werd hij door Aristophanes in een van zijne comedies, deΝεφέλαι, aan aller bespotting prijs gegeven. Eindelijk werd hij, reeds 70 jaar oud, door Melētus, Anytus en Lycon aangeklaagd wegens het verachten der van staatswege erkende goden, het invoeren van nieuwe godheden en het verleiden der jeugd. Met een kleine meerderheid van stemmen werd hij schuldig bevonden; daar echter de aanklagers de doodstraf geëischt hadden, en S. daartegen de geringe som van 30 minen aanbood (zieτίμημα), daarbij bewerende, dat hij eigenlijk verdiend had op staatskosten in het Prytanēum onderhouden te worden, verbitterde hij door zijne onverschilligheid de rechters en werd hij met eene grootere meerderheid ter dood veroordeeld. Met de grootste kalmte en opgeruimdheid dronk hij den giftbeker (399).Sodāles, sodalitas, sodalicium.Sodaleszijn kameraden, deelgenooten van een disch, leden van een krans, van een gezelschap en dgl. Eenesodalitasis dus eene broederschap, een genootschap, en evenzoosodalicium. Beide woorden, doch vooral het laatste, komen echter ook in slechten zin voor, en beteekenen dan een geheime of verboden vereeniging, een politieke club. Vooral bij verkiezingen speelden zulke clubs door omkooping en andere ongeoorloofde middelen dikwijls eene groote rol. Ook priestercollegiën voor den dienst eener bepaalde godheid of tot het vieren van bepaalde feesten vormen eenesodalitas, o. a. deSalii, defratres arvāles.—Desodāles Titiiwaren, naar het heet, door Romulus ingesteld om de gedachtenis aan koning Titus Tatius in eere te houden. Voor de vereering van Augustus werd na diens dood te Rome een college, vansodāles Augustālesingesteld (niet te verwarren met de Augustāles in de municipiën). Later kreeg men ook sodales van andere vergode keizers.Sodoma,τὰ Σόδομα,Sodom, welvarende stad in het vruchtbare dal Siddim, die met Gomorra en nog andere steden door eene vulkanische uitbarsting werd verdelgd, terwijl de geheele landstreek verzonk en in een meer veranderd werd (lacus Asphaltītes, Doode zee).Sogdiāne,Σογδιανή, N.O. provincie van het perzische rijk, bergachtig doch niet onvruchtbaar. DeSogdiiofSogdiani,Σόγδιοι, Σογδιανοί, waren een vrij ruw volk, in verschillende stammen verdeeld. Hoofdstad: Maracanda (Samarkand).Sogdi(ān)us,Σόγδιος, Σογδιανός, zoon van Artaxerxes I, besteeg den troon na het vermoorden van zijn halfbroeder Xerxes II,doch werd na eene korte regeering door zijn broeder Darīus vermoord (425).Sol, latijnsche naam voor Helius.SolānusofSubsolānus, de Oostenwind, zieWindstreken.Solarium, 1) zonnewijzer, een werktuig, omstreeks 500 door Anaximander of Anaximenes in Griekenland ingevoerd en in 291 door L. Papirius Cursor of in 264 door M. Valerius Messāla naar Rome overgebracht, waar er een op het forum werd geplaatst. In 159 verving P. Scipio Nasīca den zonnewijzer door een wateruurwerk, dat nu den vreemden naam kreeg vansolarium ex aqua. In tegenstelling daarvan heet een werkelijke zonnewijzersolarium descriptum.—2)terras met borstwering of leuning boven op het platte dak van een huis, veeltijds met planten versierd, in later tijd ook wel overdekt, doch aan alle zijden open.Soleae, sandalen, bestaande in eene zool, met een riem dwars over den voet, de gewone dracht der Rom. in huis. Ook de hoeven van last- en trekdieren werden beschermd doorsoleae sparteae, kleine mandjes uit sparte of biezen gevlochten, die om de pooten sloten en met riempjes werden vastgebonden. Was, om het spoedige slijten tegen te gaan, zulk eene solea van een metalen zooltje voorzien, dan was zij eenesolea ferrea, aan hoefijzers schijnt men niet te moeten denken. In tijdperken van weelde onder de keizers worden ook welsoleae argenteae, zelfsaureae, voor dieren vermeld.—Desolea ligneawas een voetkluister voor misdadigers.Soli,Σόλοι, 1) voorname stad, atheensche kolonie op de cilicische kust ten Z.W. van Tarsus. Tigranes II van Armenia (96–56) verwoestte ze en bracht de inwoners over naar Tigranocerta; Pompeius herbouwde ze en bevolkte ze met gevangen zeeroovers, terwijl zij tevens den naam kreeg van Pompeiopolis. DitSoliwas de geboorteplaats van den stoicijn Chrysippus, en de dichters Arātus en Philēmon.—2)havenstad op het W. gedeelte der Noordkust van Cyprus.—Van het eerstgenoemde Soli wordt het woordsoloecismusafgeleid voor spreken met taalfouten.Solidus, zieAureus.Solīnus(C. Iulius), uit de 3de eeuw na C., schreef eene geografisch-historische schets der oude wereld onder den titelCollectanea rerum memorabilium, wat de geographie betreft, bewerkt naar Plinius’ Nat. Historia. Later heeft dit werkje den naam vanPolyhistorgekregen.Solis fons,Ἡλίου κρήνη, bron in de libysche woestijn nabij de oase Ammonium. Des middags was het water koud, te middernacht kokend heet.Solitaurilia=Suovetaurilia.Solium, stoel met hooge massieve rechtopstaande rugleuning en met armleuningen. Hij werd als troonzetel gebruikt door goden en koningen. Ook de rom. rechtsgeleerden hadden de gewoonte, wanneer zij te huis adviezen gaven, op eensoliumplaats te nemen. Vandaar de uitdrukkinga subselliis in otium soliumque se conferre= de rol van pleiter laten varen en zich bepalen tot het geven van adviezen.Solois,Σολόεις, 1) ver vooruitspringende met bosch begroeide kaap in Mauretania aan den Atlantischen oceaan.—2)=Solus.Solon,Σόλων, zoon van Execestides, afstammeling van Codrus, ondernam reeds vroeg als koopman verre reizen, waarbij hij meer dan gewone kennis en beschaving opdeed. In het openbare leven onderscheidde hij zich het eerst door de herovering van Salamis, waartoe hij zijne medeburgers aanspoorde, nadat het eiland kort te voren ten gevolge van een ongelukkigen oorlog aan Megara was afgestaan, ook in den heiligen oorlog tegen Cirrha trad hij op den voorgrond. Zijn grootsten roem heeft hij echter verworven door zijne wetgeving, die een einde maakte aan de verwarde toestanden te Athene, aan de verdeeldheid en partijtwisten, die door Draco’s wetgeving en door Cylon’s poging om de alleenheerschappij te verkrijgen ten top gestegen waren. S., in 594 tot eersten archont verkozen, trad als bemiddelaar tusschen de verschillende partijen op en deed door zijne wijze wetten rust en tevredenheid terugkeeren. Tot oogenblikkelijke verlichting van het verarmde volk diende deσεισάχθειαen eene amnestie voor hen, die volgens de schuldwetten hun burgerrecht verloren hadden; verder werd op dit gebied bepaald, dat men niet meer zijne persoonlijke vrijheid voor schulden zou kunnen verliezen. Vervolgens verdeelde hij de burgerij, waarin nu ook de vrije bewoners van het platteland werden opgenomen, in 4 klassen (z.φυλή), door welke verdeeling de staatkundige rechten der burgers, maar ook hunne verplichtingen tegenover den staat, van het vermogen afhankelijk gemaakt werden, en de voorrechten van den adel werden opgeheven. Alleen uit de eerste klasse werden de archonten en leden van den Areopagus gekozen, de vierde was van alle openbare ambten uitgesloten. Door een aantal bepalingen werden de bevoegdheden van de volksvergadering, de overheden, regeeringslichamen, rechtbanken, enz., nauwkeurig vastgesteld (z. o. a.Areopagus,Βουλή), het geheele staatsleven en alle maatschappelijke betrekkingen geregeld. Van groot belang is vooral ook zijne regeling van het attische privaatrecht. Omtrent de opstelling der wetten z.ἄξονες.—Om het volk te dwingen zich aan de nieuwe wetten te gewennen, liet hij zweren dat in 10 jaar geen verandering er in gebracht zoude worden. Hijzelf begaf zich gedurende dien tijd weder op reis. Wel ontbrandde in zijne afwezigheid de partijstrijd opnieuw en werden in 589 en 584 zelfs geen archonten verkozen (z. ookDamasias), wel zag hij spoedig na zijne terugkomst, in weerwil van zijn verzet, de hoogste macht in handen van Pisistratus vallen, maar zijne wetten bleven toch voor het grootste gedeelte van kracht en de latere democratische staatsinrichting van Athene heeft zich geleidelijk uit de door S. in het leven geroepen toestandenontwikkeld.—Ook als dichter toonde S. meer dan gewone talenten, vooral beroemd is zijne elegie, waarmede hij de Atheners tot de herovering van Salamis aanspoorde; wij bezitten van zijne gedichten, die door de Atheners ook lang na zijn dood in hooge eer gehouden werden, nog vrij talrijke fragmenten, meest van staatkundigen of wijsgeerigen inhoud. Als een van de 7 wijzen had hij tot spreukμηδὲν ἄγαν.—Hij stierf in 559 op den leeftijd van omstreeks 80 jaar.Solonius ager, streek in Latium, ten Z.O. van Ostia, die zich tot het grondgebied van Lanuvium uitstrekte.Solus, Soluntum,Σολοῦς, Σολόεις, oude havenstad op de N.-kust van Sicilia, carthaagsche volkplanting, ten O. van Panormus (Palermo).Solygīa,Σολύγεια, vlek in Corinthia op den berg Solygius, ten Z. van Cenchreae.Solyma,τὰ Σόλυμα, 1) =Climax.—2)=Hierosolyma.Solymi,Σόλυμοι, oud volk in Lycia. ZieClimax.Sontiātes,Σωτιᾶται, volk in Aquitania ten Z. van den Garumna (Garonne), voortreffelijke ruiters en mijnwerkers.Sontius, thans Isonzo, rivier in Venetia, die bij Aquileia in den sinus Tergesticus (golf van Triëst) valt.Sonus,Σῶνος, aanzienlijke rivier van India, die op den mons Vindius (Vindhya) ontspringt en bij Palibothra in den Ganges valt.Sopater,Σώπατρος, 1) van Paphus, kluchtspeldichter ten tijde van Alexander d. G.; de weinige fragmenten, die van zijne werken over zijn, zijn het eenige, dat wij van deze dichtsoort bezitten, z.Φλύαξ.—2)van Apamēa, neo-platonisch wijsgeer, leerling van Iamblichus, werd op bevel van Constantijn d. G. ter dood gebracht, omdat hij propaganda maakte voor den heidenschen godsdienst.Sophaenetus,Σοφαίνετος, van Stymphālus, een van de aanvoerders der grieksche troepen van den jongen Cyrus, waarschijnlijk dezelfde, van wien eeneΚύρου Ἀνάβασιςgenoemd wordt.Sophēne,Σωφηνή, landschap in het Z.W. van Armenia, door den Euphraat van Cappadocia gescheiden. Hoofdstad: Arsamosata.Sophistae,σοφισταί, in het algemeen geleerden; de naam werd toegepast op hen die in een of ander vak van wetenschap uitmuntten, of er eene bepaalde studie van maakten. Ook wijsgeeren werden oudtijds zoo genoemd, Pythagoras zou zichzelf het eerst den naam vanφιλόσοφοςgegeven hebben. Ten tijde van en na Pericles traden in vele grieksche steden, vooral te Athene, onder den naam van sophisten mannen op als leermeesters in alles wat voor het praktische leven, vooral voor den staatsman en redenaar noodig is. Zij vonden grooten bijval, ook bij de uitstekendste mannen van hun tijd, vormden vele leerlingen en lieten zich goed betalen. Daarentegen vonden vele voorstanders van het oude, dat men de wetenschap verlaagde, door haar aan praktische doeleinden dienstbaar te maken, en welsprekendheid, als eene kunst aangeleerd, werd altijd met wantrouwen beschouwd; men meende dat zij zoo tot niets konde dienen, dan om met een schijn van wijsheid te pronken en recht en waarheid te verdraaien. En inderdaad, hoewel vele oudere sophisten zich op wetenschappelijk gebied verdienstelijk gemaakt hebben (Protagoras, Gorgias, Hippias, Prodicus), waren hunne navolgers over het algemeen niets anders dan rhetoren, wier onderwijs zich grootendeels tot de mededeeling bepaalde van allerlei kunstjes, waardoor men, misbruik makend van de leer van Protagoras over het betrekkelijk juiste van iedere meening, zoowel voor als tegen iedere zaak kon spreken. De tegenstand, dien de sophisten van Socrates en diens leerlingen, vooral van Plato, ondervonden, is de oorzaak geweest, dat men hen lang ten onrechte als aanhangers eener wijsgeerige richting met zekere gemeenschappelijke leerstellingen beschouwd heeft, en dat men hun, naar aanleiding van de weinige uitdrukkingen van sophisten, die bekend zijn, een voor zedelijkheid en godsdienst verderfelijk stelsel heeft toegedicht, dat zij in werkelijkheid nooit verkondigd hebben.Sophocles,Σοφοκλῇς, 1) Athener, zoon van den rijken Sophillus, geb. 496 of 497. Van zijn leven is weinig bekend, onder zijne vrienden worden Herodotus en Pericles genoemd. In den samischen oorlog was hij te gelijk met dezen strateeg en even te voren had hij het ambt vanἙλληνοταμίαςbekleed. Algemeen bemind en geprezen stierf hij in 406 of 405, na zijn dood werden hem door de Atheners dezelfde eerbewijzen toegekend als aan Aeschylus, en op zijn graf werd jaarlijks van staatswege geofferd (z. ookIophon).—Als treurspeldichter wordt hem in ouden en nieuwen tijd eenstemmig de eerste rang toegekend; evenals Homerusὁ ποιητήςheette, zoo wordt S. dikwijls door de ouden eenvoudigὁ τραγικόςgenoemd. Reeds bij zijn eerste optreden (468) vertoonde zijne wijze van behandeling der stof zoo groote afwijking van die van Aeschylus, dat het toekennen van den prijs door de groote opgewondenheid der voorstanders van beide richtingen bemoeielijkt werd; ten slotte behaalde S. de overwinning. Door een derden tooneelspeler toe te voegen aan de twee, waarvoor de stukken van Aeschylus berekend waren, is hij in staat de handeling belangwekkender, de dialogen meer afwisselend te maken. Zonder in het alledaagsche te vervallen, staan de personen in zijne stukken ons nader dan bij Aeschylus; de geheele handeling ontwikkelt zich als van zelf en de afloop wordt op natuurlijke wijze voorbereid door de voortreffelijk geschilderde karakters, die hij soms door welberekende tegenstellingen nog scherper doet uitkomen; ook in hun taal, hoewel altijd edel en verheven, is alle duisterheid en onduidelijkheid vermeden. Met zijne 115 (v. a. 123 of 130) stukken behaalde hij 20 of 24 maal den eersten en zeer dikwijls den tweeden prijs. Wij bezitten er van nog 7 stukken in hun geheel, benevenseen groot aantal fragmenten. Het zijn de volgende: Antigone (441), Oedipus Tyrannus, Aias, Trachiniae, Electra (± 413), Philoctetes (409), Oedipus Coloneus.—2)kleinzoon van den vorigen, treurspeldichter.—3)atheensch veldheer, werd in 425 met eene vloot naar Sicilië gezonden en ondersteunde de democratische partij in de burgertwisten op Corcȳra; later werd hij, onder vermoeden dat hij zich door de Siciliërs had laten omkoopen, verbannen.Sophonisbe,Σοφονίσβη, dochter van den carthaagschen veldheer Hasdrubal (z. a. no. 4). Zij koesterde een onverzoenlijken haat tegen Rome. Daarom ook eischte Scipio hare uitlevering (zieMasinissa), uit vrees dat Masinissa’s trouw tegen Sophonisbe’s inblazingen op den duur niet bestand zou zijn.Sophron,Σώφρων, van Syracuse, z.Mimus.Σωφρονισταί, opzichters over de atheensche epheben, die op het gedrag der jongelieden toezicht hielden. Jaarlijks werden door iedere phyle drie candidaten, boven de 40 jaar oud, voor dit ambt aangewezen, en uit ieder drietal werd een door het volk verkozen. Zij werden van staatswege met een drachme per dag bezoldigd.Sopianae, stad in Pannonia Inferior, ten N. van den Dravus.Sora,Σώρα, volscische stad in Latium aan den Liris, met sterke muren en een sterken burcht. De Rom. hadden er eene latijnsche kolonie heengezonden, doch in 315 hadden de Soraners de kolonisten omgebracht en zich bij de Samnieten aangesloten, eene daad, waarvoor zij in 314 zwaar moesten boeten. In 303 werd Sora andermaal lat. kolonie.Soracte, genit.-is, berg in het Z.O. van Etruria nabij den Tiber. Op den top, die ook wel eens nog in den zomer met sneeuw bedekt was, stond een tempel van den god Sorānus, tot wiens eer daar op sommige tijden feesten werden gevierd, en aan den voet een tempel van Feronia.Sorānus, 1) een sabijnsch god, die op den Soracte vereerd werd en gewoonlijk voor denzelfden gehouden werd als Apollo, maar die in werkelijkheid tot de goden der onderwereld moet gerekend worden. Bij zijn jaarlijksch feest gingen zijne priesters, die tot het geslacht derHirpi Soranibehoorden, met de ingewanden der offerdieren in de hand, blootsvoets over brandende hoopen hout. Zij waren van den krijgsdienst en andere staatslasten vrijgesteld.—2)ZieBarea Soranus.—3)geneesheer en schrijver over geneeskunde onder Traiānus en Hadriānus.Sordice, een meer in Gallia Narbonensis, dicht bij de rivier Ruscino, aan den voet der Pyrenaeën, dat met een dikke korst modder of veen bedekt was.Sordidātus, in eenetoga sordidagehuld, als beschuldigde, om het medelijden der rechters op te wekken.Sordones, kleine stam in Gallia Narbonensis. Hoofdstad: Ruscino.Sortes, eene soort orakel door het lot. Eiken plankjes, waarop spreuken en teekens waren ingesneden, waren tot een bundel saamgebonden. Door een knaap werden zij getrokken en dan het antwoord er uit opgemaakt (Sortilegium,κληρομαντεία). Door droogte krompen zij wel eens, ook sleten zij door het gebruik af, en dan gebeurde het wel, dat er een plankje van zelf uit den bundel viel (sortes sua sponte attenuatae). De meest beroemde dezer orakels waren die van den Fortuna-tempel te Praeneste en van Caere.Sosibius,Σωσίβιος, 1) uit Sparta, geschiedschrijver en chronograaf ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus.—2)leermeester van Britannicus, een werktuig van Messalīna, later door toedoen van Agrippīna ter dood gebracht.Sosigenes, van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer en sterrenkundige, schreef o. a. commentaren op eenige werken van Aristoteles en hielp Julius Caesar bij het verbeteren van den rom. kalender.Sosii.1)C. Sosius, praetor in 49, werd in 37 door Antonius belast met den oorlog tegen Antigonus, zoon van den Maccabaeër Aristobūlus (z. a.), die met de hulp van den parthischen kroonprins Pacorus het bestuur over Judaea vermeesterd had. Sosius versloeg Antigonus en bracht hem ter dood, zoodat Herōdes I (z. a.) bezit van den troon kon nemen. In den burgeroorlog was hij op de zijde van Antonius, doch verzoende zich na den slag bij Actium met Octaviānus.—2)Q. Sosius Senecio, consul onder Traiānus, was een begunstiger van Plutarchus, die verscheidene levensbeschrijvingen aan hem opdroeg.—3)Q.SosiusFalco, na den dood van Commodus mededinger van Pertinax naar de keizerskroon; zoo P. hem niet het leven had gered, zou hij zijn pogen met den dood bekocht hebben.—4)de gebroedersSosii, bij wie Horatius zijne geschriften uitgaf.Sosilus,Σώσιλος, Lacedaemoniër, leermeester en vriend van Hannibal, wiens daden hij beschreef. Polybius spreekt over zijn werk een ongunstig oordeel uit.Sosipater,Σωσίπατρος, dichter der nieuwe attische comedie. Van een van zijne stukken is een vrij groot fragment bewaard gebleven.Sosiphanes,Σωσιφάνης, van Syracuse, treurspeldichter ten tijde van Philippus en Alexander. Hij schreef 73 stukken, behaalde 7 maal den eersten prijs, en werd in de alexandrijnsche pleias opgenomen.Sosistratus,Σωσίστρατος, 1) Syracusaan, hoofd der oligarchische partij na den dood van Timoleon, werd door Agathocles verbannen en ging naar Agrigentum.—2)tyran van Agrigentum die, door Syracuse aan te vallen, den Carthagers aanleiding gaf zich in de grieksche aangelegenheden te mengen. Toen tegen hem de hulp van Pyrrhus ingeroepen werd, moest S. vluchten (278).Sositheus,Σωσίθεος, van Alexandrië in Troas, trad te Athene en Alexandrië in Aegypte als treurspeldichter op en werd inde alexandrijnsche pleias opgenomen. Zijn bloeitijd was omstreeks 280.Sospita, redster, bijnaam van Juno, waaronder zij vooral te Lanuvium vereerd werd en te Rome een tempel had.Sosthenes,Σωσθένης, een Macedoniër van geringe afkomst, die koning Antigonus Gonātas dwong de regeering neder te leggen, zich aan het hoofd van het leger stelde en de Galliërs uit het land joeg (280). In het volgende jaar sneuvelde hij echter bij een nieuwen inval der Galliërs.Sostratus,Σώστρατος, 1) een zeeroover die zich ten koste van de Atheners van het eiland Halonēsus meester maakte, van waar hij door Philippus van Macedonië verdreven werd.—2)Macedoniër, ter dood gebracht als medeplichtige aan de samenzwering van Hermolāus.—3)van Cnidus, beroemd bouwmeester, die o. a. den vuurtoren op Pharus bouwde.—4)beroemd geneesheer te Alexandria uit de 2dehelft der eerste eeuw, vooral beroemd als chirurg. Er zijn nog fragmenten van zijn werken over.Sosus,Σῶσος, van Pergamus, uitvinder van de ingelegde mozaiek-vloeren. Een nabootsing van zijn duiven op den rand van een schaal vindt men in het capitolijnsch Museum te Rome. Ze stamt uit de villa Hadriani.Sotades,Σωτάδης, van Maronēa, schrijver van onzedelijke gedichten van mythologischen inhoud (versus Sotadei). Hij leefde onder Ptolemaeus Philadelphus, en naar men verhaalde werd hij in zee geworpen, omdat hij het huwelijk van den koning met diens zuster Arsinoë bespot had.Σωτήρ, Σώτειρα, 1) bijnaam van verscheiden goden en godinnen, waarbij men hen aanriep, als men om redding uit nood of gevaar bad. Vooral wordt die naam aan Zeus gegeven, maar ook aan Poseidon, Apollo, Dionȳsus, Hera, Artemis e. a.—2) bijnaam van Ptolemaeus I en Demetrius III.Soteria,Σωτήρια, feest ter eere van Apollo, jaarlijks te Delphi gevierd, ter herinnering aan den inval der Galliërs in 279, die door de hulp van Apollo afgeweerd was.Sotion,Σοτίων, 1) van Alexandrië, wijsgeer uit de school der Sextii, leermeester van Seneca, en schrijver van een werk van gemengden inhoud,Κέρας Ἀμαλθείας.—2)van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer en letterkundige in de 2deeeuw.Sottiātes=Sontiates.Spalatum, thans Spalatro, vlek nabij Salōna in Dalmatia, met eene prachtige villa van Diocletiānus, waar deze keizer zijne laatste levensjaren sleet.Sparta,Σπάρτη, ofLacedaemon,Λακεδαίμων, de hoofdstad van Laconica, bij Homerusἡ κοίλη Λακεδαίμωνgeheeten, omdat het in een kom van bergen gelegen was. Het was op onderscheidene heuvels gebouwd aan den rechteroever van den Eurōtas. Tot 206 was de stad niet ommuurd, doch niettemin sterk door hare ligging. Aan een der hoogste heuvels, waarop de tempel van Athēna Chalcioecus stond, werd de naam Acropolis gegeven. In dezen tempel stierf Pausanias den hongerdood. Aan den voet der Acropolis lag deagoramet deperzische gaanderij(στοὰ περσική), die uit den perzischen buit was gebouwd en waarvan het dak door beelden van Perzen op de wijze van caryatiden werd gedragen. Aan den Eurōtas lag dePlatanistas, eene door platanen belommerde oefenplaats der spartaansche jongelingschap. Tijdens den trojaanschen oorlog regeerde te Sparta Menelāus; het bekleedde toen geene voorname plaats onder de steden van de Peloponnesus en stond verre achter bij Argos. Na de dorische volksverhuizing kwam Sparta aan de beide zoons van den Heraclide Aristodēmus, de tweelingbroeders Eurysthenes en Procles. De zoon van Eurysthenes was Agis, naar wien het ééne koninklijke stamhuis genoemd wordt. De dorische stam was krijgshaftig en door de wetten van Lycurgus werd Sparta de militaire staat bij uitnemendheid van Griekenland. Dit ondervond Messenia (z. a.), en ook Athene dolf, grootendeels door eigen schuld, in den peloponnesischen oorlog het onderspit (404). Sedert dien tijd liet Sparta, niet altijd door eerlijke middelen, zich in Griekenland overwegend gelden, tot het door Epaminondas gefnuikt werd (371). Van nu af begon het tijdperk van verval, terwijl de toenemende oligarchie de macht in handen van enkele familiën bracht. Vruchteloos trachtte het zich tegen Macedonia aan te kanten. De pogingen van Agis III (z. a.), om eene hervorming tot stand te brengen, mislukten; beter slaagde Cleomenes III (z. a.), doch Arātus van Sicyon vreesde de macht van een herboren Sparta en de slag bij Sellasia (221) maakte een einde aan de regeering van Cleomenes. Met hem nam het huis der Heracliden een einde. Van nu af was Sparta overgeleverd aan de tyrannie; berucht zijn Machanidas (210–207) en Nabis (207–192). In 192 dwong Philopoemen, de strateeg van het achaeïsch verbond, Sparta tot dit verbond toe te treden, en in 189 werd het wegens poging tot afval streng gestraft en werd het overblijfsel der lycurgische wetgeving afgeschaft. De onderdrukte wrok der Spartanen verschafte den Rom. eene welkome gelegenheid om in Griekenland op bedekte wijze het twistvuur aan te blazen, totdat het land in 146 rom. provincie werd. Sparta bleef eenecivitas libera.—Zie ookLaconica.Spartacus,Σπάρτακος, een Thraciër, achtereenvolgens herder, soldaat, roover, gevangene, zwaardvechter. Met omstreeks 70 metgezellen ontsnapte hij in 73 uit eene zwaardvechterskazerne te Capua. Reeds terstond behaalden zij eenig voordeel op de militie van Capua en bereikten den Vesuvius, doch zagen zich daar weldra ingesloten door 3000 man onder den propraetor C. Claudius Glaber, die den eenigen destijds bestaanden uitweg bezette. De zwaardvechters echter vlochten ladders van op den berg groeiende wilde wijngaardranken, kwamen daarlangs aan den steilen kant van den berg naar beneden, en vielenClaudius zoo onverhoeds op het lijf, dat zijn legioen de vlucht nam. Van alle zijden stroomden nu weggeloopen slaven toe; ook de praetor P. Varinius en zijne legaten Furius en Cossinius werden totaal verslagen. De slaven hadden zich nevens Spartacus nog twee aanvoerders gekozen, Crixus en Oenomaüs. De laatste schijnt reeds vroeg gesneuveld te zijn, tusschen de beide overige ontstond een ernstig verschil van gevoelen. Spartacus wilde zoo spoedig mogelijk met de zijnen, meest Thraciërs en Galliërs, Italië verlaten om naar hun vaderland terug te keeren; Crixus daarentegen had zich met 30000 man van hem afgescheiden om te moorden en te plunderen, daar zij niet wilden heengaan zonder den buit van Italië mede te nemen. Crixus sneuvelde in 72 met twee derden van zijn leger tegen den Consul L. Gellius Poplicola en den propraetor Q. Arrius, doch Spartacus versloeg eerst den anderen consul Cn. Cornelius Lentulus, daarna Gellius en toen den proconsul van Cisalpīna, C. Cassius. Na deze overwinning liet Spartacus bij een lijkfeest voor Crixus 300 rom. krijgsgevangenen als gladiatoren vechten. Hij had toen nog 120000 man bij zich, waarmede hij reeds tot aan den Padus (Po) was gekomen; thans echter weigerden zij zijne plannen verder te volgen, hij moest weder zuidwaarts trekken, doch kreeg nu te doen met den praetor M. Licinius Crassus, die er in zes maanden tijds in slaagde, de slaven in Lucania te verslaan, waarbij Spartacus met 60000 der zijnen volgens Livius of 12500 volgens Plutarchus sneuvelde (71). Zijn lijk werd niet gevonden. Zesduizend gevangenen werden langs den weg van Rome naar Capua gekruisigd, vijfduizend anderen, die met versnelde marschen de Alpen zochten te bereiken, liepen juist Pompeius in den mond op diens terugkeer uit Hispania.

Diverse signa.Signum.Onder de verschillende beteekenissen van dit woord zijn er vier, die hier behooren vermeld te worden, 1) beeld eener godheid, nooit van een mensch, daar van menschenbeelden het woordstatuawordt gebezigd.—2)onderscheidingsteekenen van de verschillende afdeelingen van het leger te velde, standaarden, waarvan de hierbij gevoegde gravure er eenige te aanschouwen geeft. Vóór Marius hadden de drie afdeelingen van het rom. voetvolk verschillende standaarden, een wolf, een minotaurus, een everzwijn en een paard, terwijl een adelaar met uitgespreide vlerken de standaard van het legioen was. Marius schafte de genoemde bijzondere standaarden af en behield alleen den legioensadelaar. Doch naast den standaard had nog elke manipel zijn bijzonder onderscheidingsteeken, bestaande in een geopende hand boven op een lans bevestigd, terwijl de cohorte waarschijnlijk de afbeelding van een of ander dier voerde. De stok is versierd met kransen en kronen (ziecorōna), waarschijnlijk in den strijd verworven. Bij den legioensadelaar evenwel ontbreken v. s. deze sieraden; hoogstens vindt men dezen dan getooid met eenvexillum, een lap doek. Hetvexillum, vaandel, behoort vooral bij de ruiterij te huis. Verder ziet men onder designaook een paaranguesofdracōnes. In de legerplaats werd vóór het praetorium eene verhooging van zoden of aarde aangebracht, en daarin werden de legioenstandaarden in den grond geplant. Het uittrekken er van was het sein tot den marsch. Zat de stok zeer vast in den grond, zoodat de vaandeldrager,signifer, hem slechts met groote moeite er uit kon trekken, dan gold dit voor een slecht voorteeken. Aan de onderscheidingsteekenen te velde zijn verschillende zegswijzen ontleend, als:signa in hostem inferre= op den vijand aanrukken,signa conferre= handgemeen worden, slaags raken,signa proferre= voorwaarts rukken,signa referre= zich terugtrekken,signa transferre= zich overgeven,signa movere= opbreken,signa figere= zijn leger opslaan, e. a.—3)Zieauguria.—4)In de 3deen 4deeeuw na Christus een soort clubnaam. Zie ondernomen.Sigrium,Σίγριον, kaap aan de Westkust van het eiland Lesbus.Sigynnes,Σιγύννες, een half mythisch volk, volgens Herodotus ten N. van den Ister (Donau) woonachtig. Sommigen willen hierin de voorvaderen der Zigeuners zien.Sila,Σίλα, boschrijk gebergte in Bruttium, een deel der Apennijnen, dat het beroemde bruttische pek opleverde.Silanion,Σιλανίων, beroemd beeldgieter teAthene, tijdgenoot van Alexander d. Gr.Silanus, familienaam bij deIunii(Iuniino. 14–20) en deTurpilii.Silarus,Σίλαρος, 1) grensrivier tusschen Campania en Lucania, valt bij den mons Alburnus ten N. van Paestum in zee. Aan den Silarus werd de zwaardvechtersveldheer Spartacus in 72 door Crassus verslagen.—2)rivier in Gallia Cispadāna, die ten O. van Bononia (Bologna) naar den zuider Po-arm stroomt.—Beide rivieren heeten thans nog Silaro.Silenus met den kleinen Dionysus, Louvre-Museum.Silenus met den kleinen Dionysus, Louvre-Museum.Silēnus,Σειληνός, zoon van Hermes of Pan en eene nimf, de leermeester, opvoeder en trouwe metgezel van Dionȳsus, de oudste der Satyrs. Hij wordt afgebeeld als een vroolijk, oudachtig mannetje met stompen neus, kaal hoofd en buitengewoon dikken buik. Hij houdt van zang en muziek, maar vooral van wijn, steeds is hij in een roes, zoodat hij gewoonlijk op een ezel moet rijden of zich door andere Satyrs moet laten ondersteunen, daar zijne beenen slechts zelden in staat zijn hem te dragen. Zijne attributen zijn een wijnzak, beker, thyrsusstaf en krans van klimop.—Onder den invloed der mysteriën kreeg ook S. eene hoogere beteekenis. Als leermeester van Dionysus werd hij beschouwd als een wijze en profeet, ver verheven boven het ijdele streven der gewone menschen, en werd hij ook op geheel andere wijze afgebeeld.—Soms worden alle oudere Satyrs Silenus genoemd, ter onderscheiding draagt dan de opvoeder van Dionysus den naam van Papposilēnus.Silicernium, lijkmaal ter eere van een afgestorvene, hetzij op den dag der begrafenis, hetzij eenige dagen later gegeven. Ook als scheldwoord gebezigd = een afgeleefde oude vent, een oude sul.Silicius Corōnas(P.), rom. senator, die in de rechtbank, door Octaviānus ingesteld om de moordenaars van Caesar te vonnissen, openlijk ten gunste van die moordenaars, met name van Brutus, het woord voerde en hiervoor later door Octavianus op de proscriptielijsten werd geplaatst.Silii, plebejisch geslacht. 1)T. Siliusdiende onder Caesar in Gallia en werd in 56 door de Veneti (op de kust van Bretagne) gevangen gehouden.—2)P. Silius Nerva, in 51 propraetor van Bithynia, een vriend van Cicero.—3)A. Silius, bevriend met Cicero en met Atticus.—4)P. Silius Nerva, consul in 20, was eerstlegatus pro praetorevan Hispania citerior, en streed daarna voorspoedig tegen de Alpenbewoners, de Norici (16), de Pannoniërs en de Dalmaten.—5)C. Silius, consul in 13 na C., voerde eenige jaren het bevel in Germania en nam deel aan de tochten van Germanicus. Ook onderdrukte hij in 21 den opstand van Sacrovir. Hij laadde echter den argwaan van Tiberius op zich; door dezen van knevelarij beschuldigd, bracht hij zichzelf om het leven (24).—6)C. Silius, zoon van no. 5, werd onder Claudius met den dood gestraft wegens ongeoorloofden omgang met Messalīna, 48 na C.—7)Tib. Catius Silius Italicus, rom. dichter en redenaar, 25–100 na C., was in 68 consul en later stadhouder van Asia, en wijdde zich daarna op zijn landgoed aan de letterkunde. Hij schreef een epos,Punica, in 17 boeken, dat in 1415 te St. Gallen ontdekt is en over den tweeden punischen oorlog handelt; het verraadt wel studie, doch weinig genie. Waarschijnlijk is ook aan hem toe te schrijven een uittreksel uit de Ilias in hexameters gedicht, in de M. E. bekend alsHomerus latinusofPindarus Thebanus. Daar Silius aan eene ongeneeslijke kwaal leed, liet hij zich doodhongeren, ten einde van zijn lijden bevrijd te worden.Silis, beekje in het land der Veneti, dat zich bij Altīnum in de Adriatische zee stort.Σίλλοι, z.Timonno. 2.Silures,Σίλυρες, machtig en dapper volk in het W. van Britannia, in het Z.O. van het tegenw. Wales, met de steden Isca en Venta. Zij verdedigden zich hardnekkig tegen de Romeinen. Ze zijn donker van gelaatskleur, en hebben krulhaar; ze behooren niet tot de Kelten, maar waarschijnlijk tot deIberiërs.Silvanectes,volksstamin Belgica ten Z. der Suessiones. Hoofdstad: Augustomagus, tgw. Senlis.Silvānus, familienaam in degens Plautia(Plautiino. 5 en 8).Silvanus, rom. bosch- en veldgod, beschermer van planten, kudden en van de grenzen der akkers. Hij heeft veel overeenkomst met Pan en Faunus, houdt van muziek, is voor landlieden over het algemeen een weldoend god, jaagt daarentegen gaarne den menschen schrik aan en is daarom vooral voor kraamvrouwen te vreezen (z.Deverra). Te zijner eere vierde men in den herfst een oogstfeest, waarbij men hem de eerstelingen der vruchten, korenaren en melk offerde.Silvium, stad in Apulia op de lucanische grenzen, aan den weg van Venusia naar Tarentum.Silvius, zoon of stiefbroeder van Ascanius, volgde hem in de regeering over Alba Longa op; hij was de stamvader der albaansche koningen.Simbruīni colles, heuvelstreek in het Z. van het land der Aequi, later tot Latium behoorende, nabij het land der Marsen, tusschen Sublaqueum en Treba. In de nabijheid lagen deSimbruina stagna, waterbekkens, waarin zich verschillende bronnen en beken ontlastten, die door keizer Claudius gebruikt werden tot voeding der aqua Marcia en door Nero voor zijne schoone villa Sublaquensis. Thans zijn die kommen uitgedroogd, doordat de beken zich een anderen weg gebaand hebben.Simeni,Σιμενοί=Icēni.Simmias,Σιμμίας, 1) van Thebe, leerling van Philolāus, later vriend van Socrates en Plato.—2)zoon van Andromenes, broeder van Polemo no. 1.—3)epigrammendichter in den alexandrijnschen tijd.Simois,Σιμόεις, 1) een der beide riviertjes bij Troje; zieScamander.—2)op Sicilia; zieEgesta.—3)rivier in Epīrus, onzeker waar.Simonides,Σιμωνίδης, 1) van Amorgus, beroemd jambendichter, jonger tijdgenoot van Archilochus. Van zijne werken bestaan nog eenige fragmenten, waaronder twee vrij lange.—2)van Iūlis op Ceos, geb. 556, een van de grootste grieksche lierdichters. Hij leefde eenigen tijd aan het hof van Hipparchus te Athene, daarna in Thessalië bij de Aleuaden en Scopaden (514), vervolgens kwam hij naar Athene terug, waar hij met zijne elegie op de gesneuvelden bij Marathon den prijs behaalde. Zijne laatste levensjaren bracht hij in gezelschap van vele andere voortreffelijke dichters, o. a. Pindarus, bij Hiero te Syracuse door, waar hij in 468 stierf. Hij was een zeer vruchtbaar dichter, vooral een meester in treurzangen en epigrammen; 56 maal behaalde hij in wedstrijden den eersten prijs. Van zijne werken zijn slechts enkele fragmenten bewaard, die door fijn gevoel en schoone taal uitmunten. Hij geldt ook als de uitvinder der herinneringskunst (μνημονική), volgens zijn eigen getuigenis was zijn geheugen op zijn 80stejaar nog onverzwakt.Simpulum, een lepel met langen, rechtopstaanden steel, om den wijn over het offer te gieten. Spreekwoord:fluctus excitare in simpulo= veel geschreeuw om weinig wol.Simpuvium, een offergereedschap, misschien =simpulum.Sinae,Σῖναι, zieSerica.Sinai,Σινᾶ, een van de hoogste toppen der Zwarte bergen in het Z. van Arabia Petraea.Sinda,Σίνδα, 1) hoofdstad derSindi, een volk in Sarmatia aan de invaart der Palus Maeōtis (zee van Azow).—2)hoofdstad derSindiofSindae, een volk op de kust van India extra Gangem, in het tegenw. Achter-Indië.—3)stad in Pisidia.Sindi,Σινδοί, zieSindano. 1 en 2.Sindus,Σίνδος, stad in Macedonia aan de golf van Terma, ten W. van Therma (Thessalonica).Singara,τὰ Σίγγαρα, vesting in Mesopotamia tusschen den Chabōras en den Euphraat, rom. kolonie. In de oorlogen tusschen keizer Constantius II en Sapores II, koning van Perzië, werd de stad tweemaal (in 348 en 360 n. C.) door Sapores ingenomen, en na den dood van Keizer Iuliānus, door Ioviānus met vele andere steden voor goed aan Perzië afgestaan (363).Singidūnum,Σιγγίδουνον, sterke vesting aan de samenvloeiing van den Ister (Donau) en den Savus, thans Belgrado.Singiticus sinus, golf van Singus (z. a.) tusschen de chalcidische landtongen Acte en Sithonia.Singulis, linker zijrivier van den Baetis in Baetica.Singus,Σιγγός, stad op de chalcidische landtong Sithonia.Sinis,Σίνις, zoon van Polypēmon of Poseidon, een roover, die op de landengte van Corinthe woonde; hij was gewoon de reizigers die hij beroofd had, aan twee naar elkander toe gebogen pijnboomen vast te binden (Πιτυοκάμπτης); als hij dan de boomen losliet en zij hun oorspronkelijken stand hernamen, werden de slachtoffers uit elkander gescheurd. Theseus doodde hem op dezelfde wijze.Sinnius Capito, rom. grammaticus uit den tijd van Augustus.Sinon,Σίνων, zoon van Aesimus of Sisyphus, bloedverwant van Odysseus. Hij liet zich bij den geveinsden aftocht der Grieken door de Trojanen gevangen nemen en overreedde hen, het houten paard in de stad te halen, voorwendende dat het behoud van de stad daarvan afhing. Hij was het ook die ’s nachts het paard voor de Grieken opende.Sinope,Σινώπη, oudste en voornaamste der grieksche volkplantingen aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee), door Milētus op de kust van Paphlagonia gesticht (± 750), in het midden der 7deeeuw verwoest door de Cimmerii (z. a.), en in 632 herbouwd. De stad werd door handel en zeevaart spoedig zeer machtig, en zond op hare beurt tal van koloniën uit langs de kust van den Pontus Euxinus, terwijl zij haar eigen gebied (Sinōpis) tot aan den Halys uitbreidde. Mithradātes VI van Pontus maakte Sinope tot residentiestad. Door Lucullus werd het veroverd en geplunderd, doch het kwam den slag weder te boven, nadat het in 45 eene rom. kolonie was geworden onder den naamIulia Caesarēa Felix Sinōpe. Het had twee havens en wasde geboorteplaats van den cynischen wijsgeer Diogenes en den blijspeldichter Diphilus.Sintice,Σιντική, gewest van Macedonia op den rechteroever van den Beneden-Strymon, bewoond door een thracischen stam, deSinti,Σιντοί, met de stad Heraclēa Sintica.Sinties,Σίντιες, oudste bewoners van Lemnus, ook op Samothrāce. Strabo brengt hen in verband met deSinti, zieSintice.Sinuessa, bloeiende handelsstad in Latium aan de kust nabij de grenzen van Campania en den mons Massicus, rom. kolonie sedert 296. In den omtrek lagen warme bronnen,aquae Sinuessanae. De stad dreef een levendigen wijnhandel.Sion,Σίων, berg, die een deel uitmaakte van Jerusalem.Siparium, in tegenstelling vanaulaeum, een klein scherm: bijmimiwerden achter hetaulaeumeen of tweesipariagebruikt, die niet neergelaten, maar opgerold werden. Ze zijn waarschijnlijk een herinnering aan den tijd, dat demimusnog een poppekastvertooning was. Demimitraden op vóór hetsiparium(desiparia).Siphae,Σῖφαι, dorischΤίφα, haven aan de Zuidkust van Boeotia, tot het gebied van Thespiae behoorende.Siphnus,Σίφνος, eiland der Cycladen met eene stad van denzelfden naam. Het was rijk aan edele metalen; van het tiende deel der opbrengst legden de Siphniërs een schatkamer te Delphi aan. Toen echter in het zenden der tienden een verzuim had plaats gegrepen, drong de zee in die mijnen door, die aan de kust lagen, en vernielde ze. Toch bleef er nog genoeg over, om de welvaart te doen voortduren. Evenals de bewoners van Serīphus en Melos, weigerden ook die van Siphnus den Perzen schatting op te brengen. Voor de bondskas van het attische zeeverbond bracht Siphnus 3600 drachmen ’s jaars op. Op zedelijk gebied stond het in slechten naam; vandaarσιφνιάζειν, leven als een Siphniër.Sipontum, Sipuntum,Σιποῦς, stad en sedert 194 rom. kolonie in Apulia aan den mons Gargānus, eene aanzienlijke havenplaats, later vervallen.Sipylus,Σίπυλος, vulkanisch gebergte in Lydia, dat zich van den Tmolus afscheidt en langs den linkeroever van den Hermus naar de kust loopt. Het was rijk aan metalen. In het gebergte zou de oude hoofdstad van Lydia gelegen hebben,TantalisofSipylus, reeds vroeg bij gelegenheid eener aardbeving verzonken en in het meer Saloë of Sale herschapen.Siracesof-ci,Σίρακες, -κοι, 1) machtig sarmatisch volk ten N. van den Caucasus. Zij werden door koningen geregeerd. In 50 na C. geraakten de Rom. met hen in oorlog.—2)volksstamin N.W. Armenia.Sirbōnis lacus,Σιρβωνὶς ἡ λίμνη, lagune aan de aegyptische kust, tusschen den oostelijken of pelusischen Nijlmond en de judaeïsche grensstad Rhinocolūra. Het meer was diep en rijk aan asphalt. Thans is het grootendeels uitgedroogd.Siredones,Σειρηδόνες=Sirēnes.Sirēnes,Σειρῆνης, twee of drie nimfen, die op een bloemrijk eiland wonen en door haar betooverend gezang de voorbijvarenden onweerstaanbaar naar het strand lokken, waar zij op de klippen schipbreuk lijden. Op de Argonauten echter bleef haar gezang zonder uitwerking, daar Orpheus een lied zong, waarvoor zij moesten verstommen. Eveneens ontsnapte Odysseus aan het gevaar, door de ooren zijner tochtgenooten met was dicht te stoppen en zich zelf aan den mast te laten binden. Daarop wierpen de S. zich in zee en veranderden zij in rotsen.—Zij worden dochters van Phorcys of van Achelōus genoemd, hare namen zijn Aglaophēme, Thelxiepēa en Molpe, of Parthenope, Ligēa en Leucosia; als hare woonplaats beschouwde men kaap Pelōrum, de Sirenūsae of Capreae. Zij werden oudtijds afgebeeld als groote, logge vogels met vrouwenhoofden, later als vrouwen met vleugels en pooten van een vogel; hare beelden worden dikwijls als grafornamenten gebruikt. Men verhaalde dat zij gezellinnen van Persephone geweest waren en hare gedaante gekregen hadden om deze beter te kunnen zoeken, of als straf, omdat zij den roof van Persephone niet verhinderd hadden.Sirenūsae,Σειρηνοῦσσαι, ookSirēnum scopuli, drie onbewoonde eilandjes op de campaansche kust, ten Z. van het schiereiland van Surrentum, volgens de mythe eenmaal het verblijf der Sirenen.Siris,Σίρις, rivier van Lucania, die zich in de golf van Tarentum stortte. Aan den mond lag een gelijknamige, bloeiende stad, die ± 550 door de inwoners van Croton, Sybaris en Metapontum (Metapontion) verwoest werd. Ruim een eeuw later werd de stad door de Tarentijnen herbouwd, niet echter op de oude plaats, die ongezond was, maar op de nabijgelegen hoogten, en Heraclēa genoemd. Siris bleef slechts haven. Aan den Siris (bij Heraclea) behaalde Pyrrhus in 280 zijne eerste overwinning op de Rom.Sirius,Σείριος, z.Canis maior. In verscheiden deelen van Griekenland werden bij het opkomen van Sirius offers gebracht en godsdienstige plechtigheden verricht, om de verderfelijke gevolgen van de verzengende hitte der hondsdagen af te weren.Sirmio, stadje aan denlacus Benācus(Gardameer) in Gallia Transpadāna. Catullus had in den omtrek eene villa.Sirmium,Σίρμιον, stad in Pannonia aan den Savus (Save), sterke vesting met groote wapenfabrieken, hoofddepôt der Rom. in den dacischen oorlog. De stad was gesticht door de Tauriscers en werd onder de Rom. de hoofdstad der provincie en onder Diocletiānus die van depraefectura Illyrici.Sisapon,Σισαπών, belangrijke stad in Baetica, met zilver- en tinmijnen, ten N. van Corduba (Cordova), thans Almaden.Siscia,Σισκία, ookSegesta, thans Sissek, sterke vesting en aanzienlijke handelsplaats op een eiland, door den Savus en de Colapisgevormd. Het was de ligplaats der Savusvloot.Sisenna, zieCorneliino. 56.Sistrum.Sistrum,σεῖστρον, een rammelaar, bij den dienst van Isis in gebruik. Het instrument bestond uit een metalen beugel met gaten, waardoor aan de uiteinden gekromde metalen staafjes gestoken waren; bij het schudden sloegen de omgebogen einden van die staafjes tegen den beugel en zoo werd het geluid voortgebracht.Σισύρα, een grove, maar warme mantel, vooral bij landlieden in gebruik.Sisygambis,Σισύγαμβις, moeder van Darīus Codomannus, werd na den slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en met buitengewone oplettendheid door hem behandeld. Na den dood van Alexander stierf zij vrijwillig den hongerdood.Sisyphides,Σισυφίδης, Odysseus, zoo genoemd als zoon van Sisyphus.Sisyphus,Σίσυφος, zoon van Aeolus en Enarete, gehuwd met Merope (no. 3), stichter en koning van Corinthe. Ter gedachtenis aan Melicertes, wiens lijk hij aan het strand vond, stelde hij de isthmische spelen in. Hij was de hebzuchtigste aller menschen en ontzag niets in zijn streven om winst te behalen. Over het algemeen wordt hij als een zeer slecht mensch voorgesteld: hij verried de geheimen der goden, deed strooptochten in Attica, beroofde en vermoordde reizigers, maakte aan Asōpus bekend, dat Zeus diens dochter Aegīna geschaakt had, enz. Zelfs toen de Dood hem kwam halen, wist S. dezen op listige wijze in boeien te slaan, zoodat niemand meer stierf, totdat Hades zelf kwam en den gevangene bevrijdde. Nu moest S. sterven, maar vooraf gaf hij aan zijne vrouw bevel hem niet te begraven; na eenigen tijd beklaagde hij zich hierover bij Hades en kreeg hij verlof naar de aarde terug te keeren om zijne vrouw te straffen, hij maakte echter van dat verlof misbruik en keerde niet naar de onderwereld terug, totdat Hermes kwam en hem met geweld medenam. Wegens al deze misdaden moet hij in de onderwereld een zwaar rotsblok tegen een hoogen berg opwentelen, dat telkens, wanneer het doel bijna bereikt is, weder naar beneden stort.—V. s. had hij, om zich te wreken op Autolycus, die runderen van hem gestolen had, diens dochter Anticlēa verleid, en was zij bij hem moeder geworden van Odysseus.Sitace,Σιτάκη, volkrijke stad van Babylonia, aan den Tigris, stroomopwaarts van Seleucīa en Ctesiphon, maar nog binnen den medischen muur, hoofdstad van het distriktSitacēne,Σιτακηνή.Sitalces,Σιτάλκης, zoon en opvolger van Teres, vergrootte het door zijn vader gestichte rijk der odrysische Thraciërs en was eenigen tijd een bondgenoot der Atheners. Hij sneuvelde in een slag tegen de Triballi, 424.Sitella, vaas met betrekkelijk wijden buik en langen, nauwen hals, zooals in de comitiën te Rome gebruikt werd om de voorstemmende tribus aan te wijzen. Hiertoe werden plankjes (tesserae) met de namen der tribus in de vaas geworpen en dooreengeschud. Vervolgens werd desitellamet water gevuld en detessera, die het eerst aan den mond te voorschijn kwam, wees de tribus aan, waarvan de stem het eerst werd publiek gemaakt of waaruit de voorstemmende centurie zou genomen worden. Ook de urn, waarin deindicesbij dequaestiones perpetuaehunne stemtafeltjes (tabellae) werpen, heetsitella.Σιτηρέσιον, kosten van onderhoud en verpleging, die aan de atheensche soldaten boven hun soldij betaald werden. Als minimum wordt door Demosthenes gerekend 2 obolen per dag voor een voetknecht, 1 drachme voor een ruiter.Σίτησις, voeding op staatskosten, genoten te Athene allen of bijna allen, die in dienst van den staat waren. Bovendien onthaalde de staat in het Prytanēum vreemde gezanten, herauten, enz.; ook aan enkele burgers, die zich jegens den staat verdienstelijk gemaakt hadden, werd een plaats aan de tafel in het Prytaneum gegeven, wat in den bloeitijd van Athene als een groote eer beschouwd werd.Sithonia,Σιθωνία, de middelste der drie landtongen van Chalcidice, tusschen de Toronaeïsche en Singitische golven.Σιτῶναι, ambtenaars te Athene, wier taak het was te zorgen, dat steeds in de staatsmagazijnen genoeg koren in voorraad was om te beletten, dat de prijzen door de korenkoopers te zeer opgejaagd werden.Sitōnes, bij Tacitus een germaansch volk in Scandinavia, met eene vrouwenregeering. Het is echter een Finsche stam, die ten N. van deSuiōnes(de Zweden) het Midden en Noorden van Scandinavië bewoonde.Σιτοφύλακες, ambtenaars te Athene, belast met het toezicht op de uitvoering der korenwetten. Er waren 5, later 25, voor de stad, en 5, later 15, voor den Piraeus.Sittace=Sitace.Sittii.P. Sittius Nucerīnus, vriend van P. Cornelius Sulla, werd vóór het uitbarsten der catilinarische samenzwering naar Hispania gezonden, doch na zijne terugkomst van medeplichtigheid beticht. Hij ontvluchtte naar Afrika (62) en diende daar in de legers der afrikaansche vorsten, tot hij in den burgeroorlog de partij van Caesar koos, Juba’s troepen hielp verslaan en na den slag bij Thapsus de overblijfselen van het pompejaansche leger verstrooide. Caesar stelde hem aan als stadhouder over een gedeelte van Numidia; na Caesars dood werd ook Sittius vermoord.Σκύθαι, z.τοξόται.Σκυτάλη, z.Scutala.Σκυτάλισμος, doodstraf door middel van een knods of knuppel. Deze wijze van terechtstelling is in een tijd van hevige beroering(± 370) door het volk te Argos op 1000 (v. a. 1200) aanzienlijke burgers toegepast, terwijl ten laatste ook de demagogen, die het volk daartoe aangezet hadden, aldus werden terechtgesteld.Smerdis,Σμέρδις, broeder van Cambȳses, die hem uit jaloerschheid door Prexaspes liet dooden. Terwijl Cambyses nog in Aegypte was, gaf een magiër Gaumāta, Gometes, zich voor Smerdis uit, op wien hij inderdaad sprekend geleek, en maakte zich van de regeering meester. Hij werd door het volk erkend, en Cambyses stierf voordat hij hem had kunnen straffen, maar na 7 maanden werd de gewaande Smerdis (Pseudo-Sm.) ontmaskerd (z.Prexaspes) en door zeven edele Perzen, waaronder ook Darīus Hystaspis was, gedood.Smilis,Σμῖλις, van Aegīna, een van de oudste grieksche beeldhouwers, waarschijnlijk uit de eerste helft van de 6deeeuw; hij wordt een leerling van Daedalus genoemd.Smintheus,Σμινθεύς, bijnaam van Apollo, waarschijnlijk naar de stad Sminthe in Troas. Men leidde echter den naam gewoonlijk af vanσμίνθος(muis), omdat de muis het zinnebeeld der voorspellingskunst is, of omdat Apollo een van zijne priesters van muizen bevrijd zou hebben. Of hij had aan Teucriërs, die onder leiding van Scamander uit Creta verhuisden, een orakel gegeven, dat zij zich moesten vestigen, waar zij last zouden hebben van uit de aarde geborenen. Toen zij nu in Troas geland waren en vonden, dat muizen aan hunne bogen en schilden geknaagd hadden, bleven zij daar en stelden zij den dienst van Apollo Sm. in.Smyrna,Σμύρνα=Myrrha.Smyrna,Σμύρνα, aeolische kolonie van Cyme, eene der meest beroemde en welvarende steden van Klein-Azië, ± 700 door de Ioniërs vermeesterd en sedert lid van het ionisch-aziatisch verbond gebleven. Omstreeks 600 werd het door den lydischen koning Sadyattes verwoest, en het duurde tot na den dood van Alexander den Gr., eer door toedoen van Antigonus een nieuw Smyrna verrees, iets zuidelijker gelegen dan het oude. Lysimachus maakte er vervolgens eene van de prachtigste steden der oudheid van, met rechte en goed geplaveide straten. Ook onder rom. heerschappij bleef Smyrna eene bloeiende plaats en was het eenconventus. In 178 na C. werd het door eene aardbeving hevig geteisterd, doch op last van keizer M. Aurelius hersteld. Smyrna beweerde de geboorteplaats te zijn van Homerus, voor wien in het Homerēum een standbeeld was opgericht. Ook was er een fraaie tempel van Cybele. De tapijtweverijen van Smyrna waren reeds in de oudheid beroemd. De aanliggende golf heetteSmyrnaeus sinus. Thans heet de stad zoowel Smirna als Ismir.Soccus, een pantoffel van lichte stof, het eigenaardig schoeisel van tooneelspelers en dansers in het blijspel. Ook buiten het tooneel werd de soccus door de Grieken zeer algemeen gebruikt, bij de Rom. echter in den regel alleen door vrouwen.Sociāle bellum, opstand der italiaansche bondgenooten tegen Rome in de jaren 90 en 89. ZieMarsicum bellum.Socii, bondgenooten. Volgens de overlevering reeds in den koningstijd, en in elk geval sedert 493 is Rome door eenfoedus aequummet de Latijnen, en later met de Hernici verbonden geweest, zieLatium. Later, toen Rome langzamerhand geheel Italia veroverde, werd de afhankelijkheid, waarin de verschillende steden en staten gebracht werden, uitgedrukt door het woordsocii, waarbij dan hetnomen Latinumeen bevoorrechte plaats innam. De staten, waarmede Rome eenfoedussloot, heettencivitates foederatae, en behielden hun souvereiniteit; ze hadden eigen bestuur, eigen rechtspleging en het recht om munt te slaan. Zij mochten geen betrekkingen met het buitenland onderhouden; in elk verdrag kwam de bepaling voor:ut eosdem quos populus Romanus amicos atque hostes habeant. Zij betaalden geen belasting, maar waren verplicht troepen, en de staten aan zee ook schepen, te leveren. De afhankelijkheid waarin zij stonden ten opzichte van Rome werd uitgedrukt door de formule:maiestatem populi Romani comiter conservanto. Door hun verstandig en gematigd optreden wisten de Romeinen desociiaan zich te binden; en deze politiek heeft het hun mogelijk gemaakt, op den duur de nederlagen van den 2denpunischen oorlog te boven te komen. In de 2deeeuw beginnen ze echter de socii, wier hulp men niet meer noodig heeft, te onderdrukken, hetgeen dan ten slotte uitloopt op den bondgenooten-oorlog, die Italië ontvolkt heeft, zieMarsicum bellum. De provinciën, wier toestand door eene wet geregeld was, werden niet tot desociigerekend. Overigens waren er ook buiten Italië socii alscivitates foederatae(z. a.), en koningen wien de titelsocius et amicus populi Romaniwas verleend, doch ook dan was meestal het bondgenootschap slechts een zachtere vorm van afhankelijkheid. Buitenlandsche volken zijnexterae nationes, doch waar in engeren zin vansocii et exterae nationesgesproken wordt, moet men onder de laatsten de bewoners der rom. provinciën verstaan en ondersociide latijnsche en italische bondgenooten. Zelfs werd deze benaming nog wel voor de italiaanschecivitatesgebezigd, ook nadat deze in de jaren 90–88 het burgerrecht hadden verkregen en de naamsociidus strikt genomen op haar niet meer van toepassing was.—In de rom. legers waren vóór 90 de troepen der italiaanschecivitatesonder den naam vansociiaanwezig; andere hulptroepen heettenauxilia(z. a.).Socii navāles.De dienst ter zee stond bij de Rom. in minachting, daarom werd de bemanning der vloot uit de armste burgers genomen. Allengs kwam het bemannen en proviandeeren der vloot meer en meer ten laste dersocii(z. a.), die natuurlijk hiervoor het uitschot hunner bevolking en ook vrijgelaten slaven leverden, hetgeen niet strekte om den zeedienst te verheffen. De rom.marine was in den eersten punischen oorlog zeer belangrijk, later liet men ze vervallen (zieclassis) en bediende men zich veelvuldig van de vloten van verbonden volken, zooals de Rhodiërs e. a.Socrates,Σωκράτης, Athener, zoon van den beeldhouwer Sophroniscus en Phaenarete, geb. 470. In zijne jeugd genoot hij de gewone atheensche opvoeding, hij trachtte zich te ontwikkelen door het lezen van dichters en wijsgeeren en zocht met hetzelfde doel gaarne den omgang van beschaafde en verstandige lieden, in een bepaalde school gevormd werd hij echter niet. Hij leerde de kunst van zijn vader, en nog meer dan vijf eeuwen later wees men op de acropolis te Athene een groep, die voor het werk van S. gehouden werd. Hij streed mede in de slagen bij Potidaea, Delium (z.Alcibiades) en Amphipolis, in 406 was hij lid van den raad en verzette hij zich tegen de onwettige behandeling van het proces der veldheeren uit den Arginusenslag. Als wijsgeer heeft hij meer dan iemand anders invloed uitgeoefend op zijne vrienden en leerlingen niet alleen, maar ook op zijne tijdgenooten in het algemeen, zelfs op de geheele geschiedenis der philosophie. Zonder met een uitgewerkt wijsgeerig stelsel op te treden, wekte hij bij allen met wie hij omging de zucht tot wetenschappelijk onderzoek op het gebied der zedeleer op, waarbij hij uitging van de eenvoudige stelling dat deugd kennis is en dus geleerd kan worden, dat alzoo niemand vrijwillig, maar slechts uit onwetendheid, verkeerd handelt. Het hoogste dat men bereiken kan, tevens de noodzakelijke voorwaarde voor praktische voortreffelijkheid, is dus zelfkennis, en de eerste stap om daartoe te komen is het zich bevrijden van verkeerde meeningen. Daartoe trachtte hij nu hen, die met hem omgingen, langs een eigenaardigen weg te leiden. Hijzelf erkende dat hij niets wist, terwijl hij nu voorgaf te willen leeren van hen, die beweerden wel iets te weten (socratischeironie,εἰρωνεία), bracht hij door de inrichting van zijne gesprekken en vragen ieder tot het bewustzijn, dat diens vermeende kennis slechts schijn was en iederen vasten grondslag miste. In overeenstemming hiermede noemde hij zich ook geen leeraar en liet hij zich, ook om zijne vrijheid niet aan banden te leggen, voor zijn onderwijs niet betalen, ook had hij in den eigenlijken zin van het woord geen leerlingen, maar iedereen, dien hij er geschikt toe achtte, overviel hij met zijne vragen en dwong hij tot de erkentenis van zijne onwetendheid. In zijne handelingen beweerde hij geleid te worden door eene inwendige goddelijke stem (δαιμόνιον), die hem van het verkeerde terughield. Maar terwijl velen zich door zijne streng logische redeneering aangetrokken gevoelden en erkenden, dat hij den juisten weg voor wijsgeerige studiën aanwees, terwijl verder velen, vol bewondering voor zijn levenswandel, zijn zelfbeheersching, standvastigheid, matigheid, trouw, vaderlandsliefde en godsvrucht, zich met liefde en eerbied bij hem aansloten, was het aantal nog veel grooter van hen, die in hem alleen een lastig en eigenwijs mensch zagen, die al wat van ouds voor waar erkend was op losse schroeven zette en de gemoederen voortdurend in beroering bracht; men beschouwde hem als een van de sophisten, en juist de groote bijval, dien hij vond, maakte hem in het oog van het oppervlakkige volk tot den gevaarlijksten onder hen. Als zoodanig werd hij door Aristophanes in een van zijne comedies, deΝεφέλαι, aan aller bespotting prijs gegeven. Eindelijk werd hij, reeds 70 jaar oud, door Melētus, Anytus en Lycon aangeklaagd wegens het verachten der van staatswege erkende goden, het invoeren van nieuwe godheden en het verleiden der jeugd. Met een kleine meerderheid van stemmen werd hij schuldig bevonden; daar echter de aanklagers de doodstraf geëischt hadden, en S. daartegen de geringe som van 30 minen aanbood (zieτίμημα), daarbij bewerende, dat hij eigenlijk verdiend had op staatskosten in het Prytanēum onderhouden te worden, verbitterde hij door zijne onverschilligheid de rechters en werd hij met eene grootere meerderheid ter dood veroordeeld. Met de grootste kalmte en opgeruimdheid dronk hij den giftbeker (399).Sodāles, sodalitas, sodalicium.Sodaleszijn kameraden, deelgenooten van een disch, leden van een krans, van een gezelschap en dgl. Eenesodalitasis dus eene broederschap, een genootschap, en evenzoosodalicium. Beide woorden, doch vooral het laatste, komen echter ook in slechten zin voor, en beteekenen dan een geheime of verboden vereeniging, een politieke club. Vooral bij verkiezingen speelden zulke clubs door omkooping en andere ongeoorloofde middelen dikwijls eene groote rol. Ook priestercollegiën voor den dienst eener bepaalde godheid of tot het vieren van bepaalde feesten vormen eenesodalitas, o. a. deSalii, defratres arvāles.—Desodāles Titiiwaren, naar het heet, door Romulus ingesteld om de gedachtenis aan koning Titus Tatius in eere te houden. Voor de vereering van Augustus werd na diens dood te Rome een college, vansodāles Augustālesingesteld (niet te verwarren met de Augustāles in de municipiën). Later kreeg men ook sodales van andere vergode keizers.Sodoma,τὰ Σόδομα,Sodom, welvarende stad in het vruchtbare dal Siddim, die met Gomorra en nog andere steden door eene vulkanische uitbarsting werd verdelgd, terwijl de geheele landstreek verzonk en in een meer veranderd werd (lacus Asphaltītes, Doode zee).Sogdiāne,Σογδιανή, N.O. provincie van het perzische rijk, bergachtig doch niet onvruchtbaar. DeSogdiiofSogdiani,Σόγδιοι, Σογδιανοί, waren een vrij ruw volk, in verschillende stammen verdeeld. Hoofdstad: Maracanda (Samarkand).Sogdi(ān)us,Σόγδιος, Σογδιανός, zoon van Artaxerxes I, besteeg den troon na het vermoorden van zijn halfbroeder Xerxes II,doch werd na eene korte regeering door zijn broeder Darīus vermoord (425).Sol, latijnsche naam voor Helius.SolānusofSubsolānus, de Oostenwind, zieWindstreken.Solarium, 1) zonnewijzer, een werktuig, omstreeks 500 door Anaximander of Anaximenes in Griekenland ingevoerd en in 291 door L. Papirius Cursor of in 264 door M. Valerius Messāla naar Rome overgebracht, waar er een op het forum werd geplaatst. In 159 verving P. Scipio Nasīca den zonnewijzer door een wateruurwerk, dat nu den vreemden naam kreeg vansolarium ex aqua. In tegenstelling daarvan heet een werkelijke zonnewijzersolarium descriptum.—2)terras met borstwering of leuning boven op het platte dak van een huis, veeltijds met planten versierd, in later tijd ook wel overdekt, doch aan alle zijden open.Soleae, sandalen, bestaande in eene zool, met een riem dwars over den voet, de gewone dracht der Rom. in huis. Ook de hoeven van last- en trekdieren werden beschermd doorsoleae sparteae, kleine mandjes uit sparte of biezen gevlochten, die om de pooten sloten en met riempjes werden vastgebonden. Was, om het spoedige slijten tegen te gaan, zulk eene solea van een metalen zooltje voorzien, dan was zij eenesolea ferrea, aan hoefijzers schijnt men niet te moeten denken. In tijdperken van weelde onder de keizers worden ook welsoleae argenteae, zelfsaureae, voor dieren vermeld.—Desolea ligneawas een voetkluister voor misdadigers.Soli,Σόλοι, 1) voorname stad, atheensche kolonie op de cilicische kust ten Z.W. van Tarsus. Tigranes II van Armenia (96–56) verwoestte ze en bracht de inwoners over naar Tigranocerta; Pompeius herbouwde ze en bevolkte ze met gevangen zeeroovers, terwijl zij tevens den naam kreeg van Pompeiopolis. DitSoliwas de geboorteplaats van den stoicijn Chrysippus, en de dichters Arātus en Philēmon.—2)havenstad op het W. gedeelte der Noordkust van Cyprus.—Van het eerstgenoemde Soli wordt het woordsoloecismusafgeleid voor spreken met taalfouten.Solidus, zieAureus.Solīnus(C. Iulius), uit de 3de eeuw na C., schreef eene geografisch-historische schets der oude wereld onder den titelCollectanea rerum memorabilium, wat de geographie betreft, bewerkt naar Plinius’ Nat. Historia. Later heeft dit werkje den naam vanPolyhistorgekregen.Solis fons,Ἡλίου κρήνη, bron in de libysche woestijn nabij de oase Ammonium. Des middags was het water koud, te middernacht kokend heet.Solitaurilia=Suovetaurilia.Solium, stoel met hooge massieve rechtopstaande rugleuning en met armleuningen. Hij werd als troonzetel gebruikt door goden en koningen. Ook de rom. rechtsgeleerden hadden de gewoonte, wanneer zij te huis adviezen gaven, op eensoliumplaats te nemen. Vandaar de uitdrukkinga subselliis in otium soliumque se conferre= de rol van pleiter laten varen en zich bepalen tot het geven van adviezen.Solois,Σολόεις, 1) ver vooruitspringende met bosch begroeide kaap in Mauretania aan den Atlantischen oceaan.—2)=Solus.Solon,Σόλων, zoon van Execestides, afstammeling van Codrus, ondernam reeds vroeg als koopman verre reizen, waarbij hij meer dan gewone kennis en beschaving opdeed. In het openbare leven onderscheidde hij zich het eerst door de herovering van Salamis, waartoe hij zijne medeburgers aanspoorde, nadat het eiland kort te voren ten gevolge van een ongelukkigen oorlog aan Megara was afgestaan, ook in den heiligen oorlog tegen Cirrha trad hij op den voorgrond. Zijn grootsten roem heeft hij echter verworven door zijne wetgeving, die een einde maakte aan de verwarde toestanden te Athene, aan de verdeeldheid en partijtwisten, die door Draco’s wetgeving en door Cylon’s poging om de alleenheerschappij te verkrijgen ten top gestegen waren. S., in 594 tot eersten archont verkozen, trad als bemiddelaar tusschen de verschillende partijen op en deed door zijne wijze wetten rust en tevredenheid terugkeeren. Tot oogenblikkelijke verlichting van het verarmde volk diende deσεισάχθειαen eene amnestie voor hen, die volgens de schuldwetten hun burgerrecht verloren hadden; verder werd op dit gebied bepaald, dat men niet meer zijne persoonlijke vrijheid voor schulden zou kunnen verliezen. Vervolgens verdeelde hij de burgerij, waarin nu ook de vrije bewoners van het platteland werden opgenomen, in 4 klassen (z.φυλή), door welke verdeeling de staatkundige rechten der burgers, maar ook hunne verplichtingen tegenover den staat, van het vermogen afhankelijk gemaakt werden, en de voorrechten van den adel werden opgeheven. Alleen uit de eerste klasse werden de archonten en leden van den Areopagus gekozen, de vierde was van alle openbare ambten uitgesloten. Door een aantal bepalingen werden de bevoegdheden van de volksvergadering, de overheden, regeeringslichamen, rechtbanken, enz., nauwkeurig vastgesteld (z. o. a.Areopagus,Βουλή), het geheele staatsleven en alle maatschappelijke betrekkingen geregeld. Van groot belang is vooral ook zijne regeling van het attische privaatrecht. Omtrent de opstelling der wetten z.ἄξονες.—Om het volk te dwingen zich aan de nieuwe wetten te gewennen, liet hij zweren dat in 10 jaar geen verandering er in gebracht zoude worden. Hijzelf begaf zich gedurende dien tijd weder op reis. Wel ontbrandde in zijne afwezigheid de partijstrijd opnieuw en werden in 589 en 584 zelfs geen archonten verkozen (z. ookDamasias), wel zag hij spoedig na zijne terugkomst, in weerwil van zijn verzet, de hoogste macht in handen van Pisistratus vallen, maar zijne wetten bleven toch voor het grootste gedeelte van kracht en de latere democratische staatsinrichting van Athene heeft zich geleidelijk uit de door S. in het leven geroepen toestandenontwikkeld.—Ook als dichter toonde S. meer dan gewone talenten, vooral beroemd is zijne elegie, waarmede hij de Atheners tot de herovering van Salamis aanspoorde; wij bezitten van zijne gedichten, die door de Atheners ook lang na zijn dood in hooge eer gehouden werden, nog vrij talrijke fragmenten, meest van staatkundigen of wijsgeerigen inhoud. Als een van de 7 wijzen had hij tot spreukμηδὲν ἄγαν.—Hij stierf in 559 op den leeftijd van omstreeks 80 jaar.Solonius ager, streek in Latium, ten Z.O. van Ostia, die zich tot het grondgebied van Lanuvium uitstrekte.Solus, Soluntum,Σολοῦς, Σολόεις, oude havenstad op de N.-kust van Sicilia, carthaagsche volkplanting, ten O. van Panormus (Palermo).Solygīa,Σολύγεια, vlek in Corinthia op den berg Solygius, ten Z. van Cenchreae.Solyma,τὰ Σόλυμα, 1) =Climax.—2)=Hierosolyma.Solymi,Σόλυμοι, oud volk in Lycia. ZieClimax.Sontiātes,Σωτιᾶται, volk in Aquitania ten Z. van den Garumna (Garonne), voortreffelijke ruiters en mijnwerkers.Sontius, thans Isonzo, rivier in Venetia, die bij Aquileia in den sinus Tergesticus (golf van Triëst) valt.Sonus,Σῶνος, aanzienlijke rivier van India, die op den mons Vindius (Vindhya) ontspringt en bij Palibothra in den Ganges valt.Sopater,Σώπατρος, 1) van Paphus, kluchtspeldichter ten tijde van Alexander d. G.; de weinige fragmenten, die van zijne werken over zijn, zijn het eenige, dat wij van deze dichtsoort bezitten, z.Φλύαξ.—2)van Apamēa, neo-platonisch wijsgeer, leerling van Iamblichus, werd op bevel van Constantijn d. G. ter dood gebracht, omdat hij propaganda maakte voor den heidenschen godsdienst.Sophaenetus,Σοφαίνετος, van Stymphālus, een van de aanvoerders der grieksche troepen van den jongen Cyrus, waarschijnlijk dezelfde, van wien eeneΚύρου Ἀνάβασιςgenoemd wordt.Sophēne,Σωφηνή, landschap in het Z.W. van Armenia, door den Euphraat van Cappadocia gescheiden. Hoofdstad: Arsamosata.Sophistae,σοφισταί, in het algemeen geleerden; de naam werd toegepast op hen die in een of ander vak van wetenschap uitmuntten, of er eene bepaalde studie van maakten. Ook wijsgeeren werden oudtijds zoo genoemd, Pythagoras zou zichzelf het eerst den naam vanφιλόσοφοςgegeven hebben. Ten tijde van en na Pericles traden in vele grieksche steden, vooral te Athene, onder den naam van sophisten mannen op als leermeesters in alles wat voor het praktische leven, vooral voor den staatsman en redenaar noodig is. Zij vonden grooten bijval, ook bij de uitstekendste mannen van hun tijd, vormden vele leerlingen en lieten zich goed betalen. Daarentegen vonden vele voorstanders van het oude, dat men de wetenschap verlaagde, door haar aan praktische doeleinden dienstbaar te maken, en welsprekendheid, als eene kunst aangeleerd, werd altijd met wantrouwen beschouwd; men meende dat zij zoo tot niets konde dienen, dan om met een schijn van wijsheid te pronken en recht en waarheid te verdraaien. En inderdaad, hoewel vele oudere sophisten zich op wetenschappelijk gebied verdienstelijk gemaakt hebben (Protagoras, Gorgias, Hippias, Prodicus), waren hunne navolgers over het algemeen niets anders dan rhetoren, wier onderwijs zich grootendeels tot de mededeeling bepaalde van allerlei kunstjes, waardoor men, misbruik makend van de leer van Protagoras over het betrekkelijk juiste van iedere meening, zoowel voor als tegen iedere zaak kon spreken. De tegenstand, dien de sophisten van Socrates en diens leerlingen, vooral van Plato, ondervonden, is de oorzaak geweest, dat men hen lang ten onrechte als aanhangers eener wijsgeerige richting met zekere gemeenschappelijke leerstellingen beschouwd heeft, en dat men hun, naar aanleiding van de weinige uitdrukkingen van sophisten, die bekend zijn, een voor zedelijkheid en godsdienst verderfelijk stelsel heeft toegedicht, dat zij in werkelijkheid nooit verkondigd hebben.Sophocles,Σοφοκλῇς, 1) Athener, zoon van den rijken Sophillus, geb. 496 of 497. Van zijn leven is weinig bekend, onder zijne vrienden worden Herodotus en Pericles genoemd. In den samischen oorlog was hij te gelijk met dezen strateeg en even te voren had hij het ambt vanἙλληνοταμίαςbekleed. Algemeen bemind en geprezen stierf hij in 406 of 405, na zijn dood werden hem door de Atheners dezelfde eerbewijzen toegekend als aan Aeschylus, en op zijn graf werd jaarlijks van staatswege geofferd (z. ookIophon).—Als treurspeldichter wordt hem in ouden en nieuwen tijd eenstemmig de eerste rang toegekend; evenals Homerusὁ ποιητήςheette, zoo wordt S. dikwijls door de ouden eenvoudigὁ τραγικόςgenoemd. Reeds bij zijn eerste optreden (468) vertoonde zijne wijze van behandeling der stof zoo groote afwijking van die van Aeschylus, dat het toekennen van den prijs door de groote opgewondenheid der voorstanders van beide richtingen bemoeielijkt werd; ten slotte behaalde S. de overwinning. Door een derden tooneelspeler toe te voegen aan de twee, waarvoor de stukken van Aeschylus berekend waren, is hij in staat de handeling belangwekkender, de dialogen meer afwisselend te maken. Zonder in het alledaagsche te vervallen, staan de personen in zijne stukken ons nader dan bij Aeschylus; de geheele handeling ontwikkelt zich als van zelf en de afloop wordt op natuurlijke wijze voorbereid door de voortreffelijk geschilderde karakters, die hij soms door welberekende tegenstellingen nog scherper doet uitkomen; ook in hun taal, hoewel altijd edel en verheven, is alle duisterheid en onduidelijkheid vermeden. Met zijne 115 (v. a. 123 of 130) stukken behaalde hij 20 of 24 maal den eersten en zeer dikwijls den tweeden prijs. Wij bezitten er van nog 7 stukken in hun geheel, benevenseen groot aantal fragmenten. Het zijn de volgende: Antigone (441), Oedipus Tyrannus, Aias, Trachiniae, Electra (± 413), Philoctetes (409), Oedipus Coloneus.—2)kleinzoon van den vorigen, treurspeldichter.—3)atheensch veldheer, werd in 425 met eene vloot naar Sicilië gezonden en ondersteunde de democratische partij in de burgertwisten op Corcȳra; later werd hij, onder vermoeden dat hij zich door de Siciliërs had laten omkoopen, verbannen.Sophonisbe,Σοφονίσβη, dochter van den carthaagschen veldheer Hasdrubal (z. a. no. 4). Zij koesterde een onverzoenlijken haat tegen Rome. Daarom ook eischte Scipio hare uitlevering (zieMasinissa), uit vrees dat Masinissa’s trouw tegen Sophonisbe’s inblazingen op den duur niet bestand zou zijn.Sophron,Σώφρων, van Syracuse, z.Mimus.Σωφρονισταί, opzichters over de atheensche epheben, die op het gedrag der jongelieden toezicht hielden. Jaarlijks werden door iedere phyle drie candidaten, boven de 40 jaar oud, voor dit ambt aangewezen, en uit ieder drietal werd een door het volk verkozen. Zij werden van staatswege met een drachme per dag bezoldigd.Sopianae, stad in Pannonia Inferior, ten N. van den Dravus.Sora,Σώρα, volscische stad in Latium aan den Liris, met sterke muren en een sterken burcht. De Rom. hadden er eene latijnsche kolonie heengezonden, doch in 315 hadden de Soraners de kolonisten omgebracht en zich bij de Samnieten aangesloten, eene daad, waarvoor zij in 314 zwaar moesten boeten. In 303 werd Sora andermaal lat. kolonie.Soracte, genit.-is, berg in het Z.O. van Etruria nabij den Tiber. Op den top, die ook wel eens nog in den zomer met sneeuw bedekt was, stond een tempel van den god Sorānus, tot wiens eer daar op sommige tijden feesten werden gevierd, en aan den voet een tempel van Feronia.Sorānus, 1) een sabijnsch god, die op den Soracte vereerd werd en gewoonlijk voor denzelfden gehouden werd als Apollo, maar die in werkelijkheid tot de goden der onderwereld moet gerekend worden. Bij zijn jaarlijksch feest gingen zijne priesters, die tot het geslacht derHirpi Soranibehoorden, met de ingewanden der offerdieren in de hand, blootsvoets over brandende hoopen hout. Zij waren van den krijgsdienst en andere staatslasten vrijgesteld.—2)ZieBarea Soranus.—3)geneesheer en schrijver over geneeskunde onder Traiānus en Hadriānus.Sordice, een meer in Gallia Narbonensis, dicht bij de rivier Ruscino, aan den voet der Pyrenaeën, dat met een dikke korst modder of veen bedekt was.Sordidātus, in eenetoga sordidagehuld, als beschuldigde, om het medelijden der rechters op te wekken.Sordones, kleine stam in Gallia Narbonensis. Hoofdstad: Ruscino.Sortes, eene soort orakel door het lot. Eiken plankjes, waarop spreuken en teekens waren ingesneden, waren tot een bundel saamgebonden. Door een knaap werden zij getrokken en dan het antwoord er uit opgemaakt (Sortilegium,κληρομαντεία). Door droogte krompen zij wel eens, ook sleten zij door het gebruik af, en dan gebeurde het wel, dat er een plankje van zelf uit den bundel viel (sortes sua sponte attenuatae). De meest beroemde dezer orakels waren die van den Fortuna-tempel te Praeneste en van Caere.Sosibius,Σωσίβιος, 1) uit Sparta, geschiedschrijver en chronograaf ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus.—2)leermeester van Britannicus, een werktuig van Messalīna, later door toedoen van Agrippīna ter dood gebracht.Sosigenes, van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer en sterrenkundige, schreef o. a. commentaren op eenige werken van Aristoteles en hielp Julius Caesar bij het verbeteren van den rom. kalender.Sosii.1)C. Sosius, praetor in 49, werd in 37 door Antonius belast met den oorlog tegen Antigonus, zoon van den Maccabaeër Aristobūlus (z. a.), die met de hulp van den parthischen kroonprins Pacorus het bestuur over Judaea vermeesterd had. Sosius versloeg Antigonus en bracht hem ter dood, zoodat Herōdes I (z. a.) bezit van den troon kon nemen. In den burgeroorlog was hij op de zijde van Antonius, doch verzoende zich na den slag bij Actium met Octaviānus.—2)Q. Sosius Senecio, consul onder Traiānus, was een begunstiger van Plutarchus, die verscheidene levensbeschrijvingen aan hem opdroeg.—3)Q.SosiusFalco, na den dood van Commodus mededinger van Pertinax naar de keizerskroon; zoo P. hem niet het leven had gered, zou hij zijn pogen met den dood bekocht hebben.—4)de gebroedersSosii, bij wie Horatius zijne geschriften uitgaf.Sosilus,Σώσιλος, Lacedaemoniër, leermeester en vriend van Hannibal, wiens daden hij beschreef. Polybius spreekt over zijn werk een ongunstig oordeel uit.Sosipater,Σωσίπατρος, dichter der nieuwe attische comedie. Van een van zijne stukken is een vrij groot fragment bewaard gebleven.Sosiphanes,Σωσιφάνης, van Syracuse, treurspeldichter ten tijde van Philippus en Alexander. Hij schreef 73 stukken, behaalde 7 maal den eersten prijs, en werd in de alexandrijnsche pleias opgenomen.Sosistratus,Σωσίστρατος, 1) Syracusaan, hoofd der oligarchische partij na den dood van Timoleon, werd door Agathocles verbannen en ging naar Agrigentum.—2)tyran van Agrigentum die, door Syracuse aan te vallen, den Carthagers aanleiding gaf zich in de grieksche aangelegenheden te mengen. Toen tegen hem de hulp van Pyrrhus ingeroepen werd, moest S. vluchten (278).Sositheus,Σωσίθεος, van Alexandrië in Troas, trad te Athene en Alexandrië in Aegypte als treurspeldichter op en werd inde alexandrijnsche pleias opgenomen. Zijn bloeitijd was omstreeks 280.Sospita, redster, bijnaam van Juno, waaronder zij vooral te Lanuvium vereerd werd en te Rome een tempel had.Sosthenes,Σωσθένης, een Macedoniër van geringe afkomst, die koning Antigonus Gonātas dwong de regeering neder te leggen, zich aan het hoofd van het leger stelde en de Galliërs uit het land joeg (280). In het volgende jaar sneuvelde hij echter bij een nieuwen inval der Galliërs.Sostratus,Σώστρατος, 1) een zeeroover die zich ten koste van de Atheners van het eiland Halonēsus meester maakte, van waar hij door Philippus van Macedonië verdreven werd.—2)Macedoniër, ter dood gebracht als medeplichtige aan de samenzwering van Hermolāus.—3)van Cnidus, beroemd bouwmeester, die o. a. den vuurtoren op Pharus bouwde.—4)beroemd geneesheer te Alexandria uit de 2dehelft der eerste eeuw, vooral beroemd als chirurg. Er zijn nog fragmenten van zijn werken over.Sosus,Σῶσος, van Pergamus, uitvinder van de ingelegde mozaiek-vloeren. Een nabootsing van zijn duiven op den rand van een schaal vindt men in het capitolijnsch Museum te Rome. Ze stamt uit de villa Hadriani.Sotades,Σωτάδης, van Maronēa, schrijver van onzedelijke gedichten van mythologischen inhoud (versus Sotadei). Hij leefde onder Ptolemaeus Philadelphus, en naar men verhaalde werd hij in zee geworpen, omdat hij het huwelijk van den koning met diens zuster Arsinoë bespot had.Σωτήρ, Σώτειρα, 1) bijnaam van verscheiden goden en godinnen, waarbij men hen aanriep, als men om redding uit nood of gevaar bad. Vooral wordt die naam aan Zeus gegeven, maar ook aan Poseidon, Apollo, Dionȳsus, Hera, Artemis e. a.—2) bijnaam van Ptolemaeus I en Demetrius III.Soteria,Σωτήρια, feest ter eere van Apollo, jaarlijks te Delphi gevierd, ter herinnering aan den inval der Galliërs in 279, die door de hulp van Apollo afgeweerd was.Sotion,Σοτίων, 1) van Alexandrië, wijsgeer uit de school der Sextii, leermeester van Seneca, en schrijver van een werk van gemengden inhoud,Κέρας Ἀμαλθείας.—2)van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer en letterkundige in de 2deeeuw.Sottiātes=Sontiates.Spalatum, thans Spalatro, vlek nabij Salōna in Dalmatia, met eene prachtige villa van Diocletiānus, waar deze keizer zijne laatste levensjaren sleet.Sparta,Σπάρτη, ofLacedaemon,Λακεδαίμων, de hoofdstad van Laconica, bij Homerusἡ κοίλη Λακεδαίμωνgeheeten, omdat het in een kom van bergen gelegen was. Het was op onderscheidene heuvels gebouwd aan den rechteroever van den Eurōtas. Tot 206 was de stad niet ommuurd, doch niettemin sterk door hare ligging. Aan een der hoogste heuvels, waarop de tempel van Athēna Chalcioecus stond, werd de naam Acropolis gegeven. In dezen tempel stierf Pausanias den hongerdood. Aan den voet der Acropolis lag deagoramet deperzische gaanderij(στοὰ περσική), die uit den perzischen buit was gebouwd en waarvan het dak door beelden van Perzen op de wijze van caryatiden werd gedragen. Aan den Eurōtas lag dePlatanistas, eene door platanen belommerde oefenplaats der spartaansche jongelingschap. Tijdens den trojaanschen oorlog regeerde te Sparta Menelāus; het bekleedde toen geene voorname plaats onder de steden van de Peloponnesus en stond verre achter bij Argos. Na de dorische volksverhuizing kwam Sparta aan de beide zoons van den Heraclide Aristodēmus, de tweelingbroeders Eurysthenes en Procles. De zoon van Eurysthenes was Agis, naar wien het ééne koninklijke stamhuis genoemd wordt. De dorische stam was krijgshaftig en door de wetten van Lycurgus werd Sparta de militaire staat bij uitnemendheid van Griekenland. Dit ondervond Messenia (z. a.), en ook Athene dolf, grootendeels door eigen schuld, in den peloponnesischen oorlog het onderspit (404). Sedert dien tijd liet Sparta, niet altijd door eerlijke middelen, zich in Griekenland overwegend gelden, tot het door Epaminondas gefnuikt werd (371). Van nu af begon het tijdperk van verval, terwijl de toenemende oligarchie de macht in handen van enkele familiën bracht. Vruchteloos trachtte het zich tegen Macedonia aan te kanten. De pogingen van Agis III (z. a.), om eene hervorming tot stand te brengen, mislukten; beter slaagde Cleomenes III (z. a.), doch Arātus van Sicyon vreesde de macht van een herboren Sparta en de slag bij Sellasia (221) maakte een einde aan de regeering van Cleomenes. Met hem nam het huis der Heracliden een einde. Van nu af was Sparta overgeleverd aan de tyrannie; berucht zijn Machanidas (210–207) en Nabis (207–192). In 192 dwong Philopoemen, de strateeg van het achaeïsch verbond, Sparta tot dit verbond toe te treden, en in 189 werd het wegens poging tot afval streng gestraft en werd het overblijfsel der lycurgische wetgeving afgeschaft. De onderdrukte wrok der Spartanen verschafte den Rom. eene welkome gelegenheid om in Griekenland op bedekte wijze het twistvuur aan te blazen, totdat het land in 146 rom. provincie werd. Sparta bleef eenecivitas libera.—Zie ookLaconica.Spartacus,Σπάρτακος, een Thraciër, achtereenvolgens herder, soldaat, roover, gevangene, zwaardvechter. Met omstreeks 70 metgezellen ontsnapte hij in 73 uit eene zwaardvechterskazerne te Capua. Reeds terstond behaalden zij eenig voordeel op de militie van Capua en bereikten den Vesuvius, doch zagen zich daar weldra ingesloten door 3000 man onder den propraetor C. Claudius Glaber, die den eenigen destijds bestaanden uitweg bezette. De zwaardvechters echter vlochten ladders van op den berg groeiende wilde wijngaardranken, kwamen daarlangs aan den steilen kant van den berg naar beneden, en vielenClaudius zoo onverhoeds op het lijf, dat zijn legioen de vlucht nam. Van alle zijden stroomden nu weggeloopen slaven toe; ook de praetor P. Varinius en zijne legaten Furius en Cossinius werden totaal verslagen. De slaven hadden zich nevens Spartacus nog twee aanvoerders gekozen, Crixus en Oenomaüs. De laatste schijnt reeds vroeg gesneuveld te zijn, tusschen de beide overige ontstond een ernstig verschil van gevoelen. Spartacus wilde zoo spoedig mogelijk met de zijnen, meest Thraciërs en Galliërs, Italië verlaten om naar hun vaderland terug te keeren; Crixus daarentegen had zich met 30000 man van hem afgescheiden om te moorden en te plunderen, daar zij niet wilden heengaan zonder den buit van Italië mede te nemen. Crixus sneuvelde in 72 met twee derden van zijn leger tegen den Consul L. Gellius Poplicola en den propraetor Q. Arrius, doch Spartacus versloeg eerst den anderen consul Cn. Cornelius Lentulus, daarna Gellius en toen den proconsul van Cisalpīna, C. Cassius. Na deze overwinning liet Spartacus bij een lijkfeest voor Crixus 300 rom. krijgsgevangenen als gladiatoren vechten. Hij had toen nog 120000 man bij zich, waarmede hij reeds tot aan den Padus (Po) was gekomen; thans echter weigerden zij zijne plannen verder te volgen, hij moest weder zuidwaarts trekken, doch kreeg nu te doen met den praetor M. Licinius Crassus, die er in zes maanden tijds in slaagde, de slaven in Lucania te verslaan, waarbij Spartacus met 60000 der zijnen volgens Livius of 12500 volgens Plutarchus sneuvelde (71). Zijn lijk werd niet gevonden. Zesduizend gevangenen werden langs den weg van Rome naar Capua gekruisigd, vijfduizend anderen, die met versnelde marschen de Alpen zochten te bereiken, liepen juist Pompeius in den mond op diens terugkeer uit Hispania.

Diverse signa.

Signum.Onder de verschillende beteekenissen van dit woord zijn er vier, die hier behooren vermeld te worden, 1) beeld eener godheid, nooit van een mensch, daar van menschenbeelden het woordstatuawordt gebezigd.—2)onderscheidingsteekenen van de verschillende afdeelingen van het leger te velde, standaarden, waarvan de hierbij gevoegde gravure er eenige te aanschouwen geeft. Vóór Marius hadden de drie afdeelingen van het rom. voetvolk verschillende standaarden, een wolf, een minotaurus, een everzwijn en een paard, terwijl een adelaar met uitgespreide vlerken de standaard van het legioen was. Marius schafte de genoemde bijzondere standaarden af en behield alleen den legioensadelaar. Doch naast den standaard had nog elke manipel zijn bijzonder onderscheidingsteeken, bestaande in een geopende hand boven op een lans bevestigd, terwijl de cohorte waarschijnlijk de afbeelding van een of ander dier voerde. De stok is versierd met kransen en kronen (ziecorōna), waarschijnlijk in den strijd verworven. Bij den legioensadelaar evenwel ontbreken v. s. deze sieraden; hoogstens vindt men dezen dan getooid met eenvexillum, een lap doek. Hetvexillum, vaandel, behoort vooral bij de ruiterij te huis. Verder ziet men onder designaook een paaranguesofdracōnes. In de legerplaats werd vóór het praetorium eene verhooging van zoden of aarde aangebracht, en daarin werden de legioenstandaarden in den grond geplant. Het uittrekken er van was het sein tot den marsch. Zat de stok zeer vast in den grond, zoodat de vaandeldrager,signifer, hem slechts met groote moeite er uit kon trekken, dan gold dit voor een slecht voorteeken. Aan de onderscheidingsteekenen te velde zijn verschillende zegswijzen ontleend, als:signa in hostem inferre= op den vijand aanrukken,signa conferre= handgemeen worden, slaags raken,signa proferre= voorwaarts rukken,signa referre= zich terugtrekken,signa transferre= zich overgeven,signa movere= opbreken,signa figere= zijn leger opslaan, e. a.—3)Zieauguria.—4)In de 3deen 4deeeuw na Christus een soort clubnaam. Zie ondernomen.

Sigrium,Σίγριον, kaap aan de Westkust van het eiland Lesbus.

Sigynnes,Σιγύννες, een half mythisch volk, volgens Herodotus ten N. van den Ister (Donau) woonachtig. Sommigen willen hierin de voorvaderen der Zigeuners zien.

Sila,Σίλα, boschrijk gebergte in Bruttium, een deel der Apennijnen, dat het beroemde bruttische pek opleverde.

Silanion,Σιλανίων, beroemd beeldgieter teAthene, tijdgenoot van Alexander d. Gr.

Silanus, familienaam bij deIunii(Iuniino. 14–20) en deTurpilii.

Silarus,Σίλαρος, 1) grensrivier tusschen Campania en Lucania, valt bij den mons Alburnus ten N. van Paestum in zee. Aan den Silarus werd de zwaardvechtersveldheer Spartacus in 72 door Crassus verslagen.—2)rivier in Gallia Cispadāna, die ten O. van Bononia (Bologna) naar den zuider Po-arm stroomt.—Beide rivieren heeten thans nog Silaro.

Silenus met den kleinen Dionysus, Louvre-Museum.Silenus met den kleinen Dionysus, Louvre-Museum.

Silenus met den kleinen Dionysus, Louvre-Museum.

Silēnus,Σειληνός, zoon van Hermes of Pan en eene nimf, de leermeester, opvoeder en trouwe metgezel van Dionȳsus, de oudste der Satyrs. Hij wordt afgebeeld als een vroolijk, oudachtig mannetje met stompen neus, kaal hoofd en buitengewoon dikken buik. Hij houdt van zang en muziek, maar vooral van wijn, steeds is hij in een roes, zoodat hij gewoonlijk op een ezel moet rijden of zich door andere Satyrs moet laten ondersteunen, daar zijne beenen slechts zelden in staat zijn hem te dragen. Zijne attributen zijn een wijnzak, beker, thyrsusstaf en krans van klimop.—Onder den invloed der mysteriën kreeg ook S. eene hoogere beteekenis. Als leermeester van Dionysus werd hij beschouwd als een wijze en profeet, ver verheven boven het ijdele streven der gewone menschen, en werd hij ook op geheel andere wijze afgebeeld.—Soms worden alle oudere Satyrs Silenus genoemd, ter onderscheiding draagt dan de opvoeder van Dionysus den naam van Papposilēnus.

Silicernium, lijkmaal ter eere van een afgestorvene, hetzij op den dag der begrafenis, hetzij eenige dagen later gegeven. Ook als scheldwoord gebezigd = een afgeleefde oude vent, een oude sul.

Silicius Corōnas(P.), rom. senator, die in de rechtbank, door Octaviānus ingesteld om de moordenaars van Caesar te vonnissen, openlijk ten gunste van die moordenaars, met name van Brutus, het woord voerde en hiervoor later door Octavianus op de proscriptielijsten werd geplaatst.

Silii, plebejisch geslacht. 1)T. Siliusdiende onder Caesar in Gallia en werd in 56 door de Veneti (op de kust van Bretagne) gevangen gehouden.—2)P. Silius Nerva, in 51 propraetor van Bithynia, een vriend van Cicero.—3)A. Silius, bevriend met Cicero en met Atticus.—4)P. Silius Nerva, consul in 20, was eerstlegatus pro praetorevan Hispania citerior, en streed daarna voorspoedig tegen de Alpenbewoners, de Norici (16), de Pannoniërs en de Dalmaten.—5)C. Silius, consul in 13 na C., voerde eenige jaren het bevel in Germania en nam deel aan de tochten van Germanicus. Ook onderdrukte hij in 21 den opstand van Sacrovir. Hij laadde echter den argwaan van Tiberius op zich; door dezen van knevelarij beschuldigd, bracht hij zichzelf om het leven (24).—6)C. Silius, zoon van no. 5, werd onder Claudius met den dood gestraft wegens ongeoorloofden omgang met Messalīna, 48 na C.—7)Tib. Catius Silius Italicus, rom. dichter en redenaar, 25–100 na C., was in 68 consul en later stadhouder van Asia, en wijdde zich daarna op zijn landgoed aan de letterkunde. Hij schreef een epos,Punica, in 17 boeken, dat in 1415 te St. Gallen ontdekt is en over den tweeden punischen oorlog handelt; het verraadt wel studie, doch weinig genie. Waarschijnlijk is ook aan hem toe te schrijven een uittreksel uit de Ilias in hexameters gedicht, in de M. E. bekend alsHomerus latinusofPindarus Thebanus. Daar Silius aan eene ongeneeslijke kwaal leed, liet hij zich doodhongeren, ten einde van zijn lijden bevrijd te worden.

Silis, beekje in het land der Veneti, dat zich bij Altīnum in de Adriatische zee stort.

Σίλλοι, z.Timonno. 2.

Silures,Σίλυρες, machtig en dapper volk in het W. van Britannia, in het Z.O. van het tegenw. Wales, met de steden Isca en Venta. Zij verdedigden zich hardnekkig tegen de Romeinen. Ze zijn donker van gelaatskleur, en hebben krulhaar; ze behooren niet tot de Kelten, maar waarschijnlijk tot deIberiërs.

Silvanectes,volksstamin Belgica ten Z. der Suessiones. Hoofdstad: Augustomagus, tgw. Senlis.

Silvānus, familienaam in degens Plautia(Plautiino. 5 en 8).

Silvanus, rom. bosch- en veldgod, beschermer van planten, kudden en van de grenzen der akkers. Hij heeft veel overeenkomst met Pan en Faunus, houdt van muziek, is voor landlieden over het algemeen een weldoend god, jaagt daarentegen gaarne den menschen schrik aan en is daarom vooral voor kraamvrouwen te vreezen (z.Deverra). Te zijner eere vierde men in den herfst een oogstfeest, waarbij men hem de eerstelingen der vruchten, korenaren en melk offerde.

Silvium, stad in Apulia op de lucanische grenzen, aan den weg van Venusia naar Tarentum.

Silvius, zoon of stiefbroeder van Ascanius, volgde hem in de regeering over Alba Longa op; hij was de stamvader der albaansche koningen.

Simbruīni colles, heuvelstreek in het Z. van het land der Aequi, later tot Latium behoorende, nabij het land der Marsen, tusschen Sublaqueum en Treba. In de nabijheid lagen deSimbruina stagna, waterbekkens, waarin zich verschillende bronnen en beken ontlastten, die door keizer Claudius gebruikt werden tot voeding der aqua Marcia en door Nero voor zijne schoone villa Sublaquensis. Thans zijn die kommen uitgedroogd, doordat de beken zich een anderen weg gebaand hebben.

Simeni,Σιμενοί=Icēni.

Simmias,Σιμμίας, 1) van Thebe, leerling van Philolāus, later vriend van Socrates en Plato.—2)zoon van Andromenes, broeder van Polemo no. 1.—3)epigrammendichter in den alexandrijnschen tijd.

Simois,Σιμόεις, 1) een der beide riviertjes bij Troje; zieScamander.—2)op Sicilia; zieEgesta.—3)rivier in Epīrus, onzeker waar.

Simonides,Σιμωνίδης, 1) van Amorgus, beroemd jambendichter, jonger tijdgenoot van Archilochus. Van zijne werken bestaan nog eenige fragmenten, waaronder twee vrij lange.—2)van Iūlis op Ceos, geb. 556, een van de grootste grieksche lierdichters. Hij leefde eenigen tijd aan het hof van Hipparchus te Athene, daarna in Thessalië bij de Aleuaden en Scopaden (514), vervolgens kwam hij naar Athene terug, waar hij met zijne elegie op de gesneuvelden bij Marathon den prijs behaalde. Zijne laatste levensjaren bracht hij in gezelschap van vele andere voortreffelijke dichters, o. a. Pindarus, bij Hiero te Syracuse door, waar hij in 468 stierf. Hij was een zeer vruchtbaar dichter, vooral een meester in treurzangen en epigrammen; 56 maal behaalde hij in wedstrijden den eersten prijs. Van zijne werken zijn slechts enkele fragmenten bewaard, die door fijn gevoel en schoone taal uitmunten. Hij geldt ook als de uitvinder der herinneringskunst (μνημονική), volgens zijn eigen getuigenis was zijn geheugen op zijn 80stejaar nog onverzwakt.

Simpulum, een lepel met langen, rechtopstaanden steel, om den wijn over het offer te gieten. Spreekwoord:fluctus excitare in simpulo= veel geschreeuw om weinig wol.

Simpuvium, een offergereedschap, misschien =simpulum.

Sinae,Σῖναι, zieSerica.

Sinai,Σινᾶ, een van de hoogste toppen der Zwarte bergen in het Z. van Arabia Petraea.

Sinda,Σίνδα, 1) hoofdstad derSindi, een volk in Sarmatia aan de invaart der Palus Maeōtis (zee van Azow).—2)hoofdstad derSindiofSindae, een volk op de kust van India extra Gangem, in het tegenw. Achter-Indië.—3)stad in Pisidia.

Sindi,Σινδοί, zieSindano. 1 en 2.

Sindus,Σίνδος, stad in Macedonia aan de golf van Terma, ten W. van Therma (Thessalonica).

Singara,τὰ Σίγγαρα, vesting in Mesopotamia tusschen den Chabōras en den Euphraat, rom. kolonie. In de oorlogen tusschen keizer Constantius II en Sapores II, koning van Perzië, werd de stad tweemaal (in 348 en 360 n. C.) door Sapores ingenomen, en na den dood van Keizer Iuliānus, door Ioviānus met vele andere steden voor goed aan Perzië afgestaan (363).

Singidūnum,Σιγγίδουνον, sterke vesting aan de samenvloeiing van den Ister (Donau) en den Savus, thans Belgrado.

Singiticus sinus, golf van Singus (z. a.) tusschen de chalcidische landtongen Acte en Sithonia.

Singulis, linker zijrivier van den Baetis in Baetica.

Singus,Σιγγός, stad op de chalcidische landtong Sithonia.

Sinis,Σίνις, zoon van Polypēmon of Poseidon, een roover, die op de landengte van Corinthe woonde; hij was gewoon de reizigers die hij beroofd had, aan twee naar elkander toe gebogen pijnboomen vast te binden (Πιτυοκάμπτης); als hij dan de boomen losliet en zij hun oorspronkelijken stand hernamen, werden de slachtoffers uit elkander gescheurd. Theseus doodde hem op dezelfde wijze.

Sinnius Capito, rom. grammaticus uit den tijd van Augustus.

Sinon,Σίνων, zoon van Aesimus of Sisyphus, bloedverwant van Odysseus. Hij liet zich bij den geveinsden aftocht der Grieken door de Trojanen gevangen nemen en overreedde hen, het houten paard in de stad te halen, voorwendende dat het behoud van de stad daarvan afhing. Hij was het ook die ’s nachts het paard voor de Grieken opende.

Sinope,Σινώπη, oudste en voornaamste der grieksche volkplantingen aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee), door Milētus op de kust van Paphlagonia gesticht (± 750), in het midden der 7deeeuw verwoest door de Cimmerii (z. a.), en in 632 herbouwd. De stad werd door handel en zeevaart spoedig zeer machtig, en zond op hare beurt tal van koloniën uit langs de kust van den Pontus Euxinus, terwijl zij haar eigen gebied (Sinōpis) tot aan den Halys uitbreidde. Mithradātes VI van Pontus maakte Sinope tot residentiestad. Door Lucullus werd het veroverd en geplunderd, doch het kwam den slag weder te boven, nadat het in 45 eene rom. kolonie was geworden onder den naamIulia Caesarēa Felix Sinōpe. Het had twee havens en wasde geboorteplaats van den cynischen wijsgeer Diogenes en den blijspeldichter Diphilus.

Sintice,Σιντική, gewest van Macedonia op den rechteroever van den Beneden-Strymon, bewoond door een thracischen stam, deSinti,Σιντοί, met de stad Heraclēa Sintica.

Sinties,Σίντιες, oudste bewoners van Lemnus, ook op Samothrāce. Strabo brengt hen in verband met deSinti, zieSintice.

Sinuessa, bloeiende handelsstad in Latium aan de kust nabij de grenzen van Campania en den mons Massicus, rom. kolonie sedert 296. In den omtrek lagen warme bronnen,aquae Sinuessanae. De stad dreef een levendigen wijnhandel.

Sion,Σίων, berg, die een deel uitmaakte van Jerusalem.

Siparium, in tegenstelling vanaulaeum, een klein scherm: bijmimiwerden achter hetaulaeumeen of tweesipariagebruikt, die niet neergelaten, maar opgerold werden. Ze zijn waarschijnlijk een herinnering aan den tijd, dat demimusnog een poppekastvertooning was. Demimitraden op vóór hetsiparium(desiparia).

Siphae,Σῖφαι, dorischΤίφα, haven aan de Zuidkust van Boeotia, tot het gebied van Thespiae behoorende.

Siphnus,Σίφνος, eiland der Cycladen met eene stad van denzelfden naam. Het was rijk aan edele metalen; van het tiende deel der opbrengst legden de Siphniërs een schatkamer te Delphi aan. Toen echter in het zenden der tienden een verzuim had plaats gegrepen, drong de zee in die mijnen door, die aan de kust lagen, en vernielde ze. Toch bleef er nog genoeg over, om de welvaart te doen voortduren. Evenals de bewoners van Serīphus en Melos, weigerden ook die van Siphnus den Perzen schatting op te brengen. Voor de bondskas van het attische zeeverbond bracht Siphnus 3600 drachmen ’s jaars op. Op zedelijk gebied stond het in slechten naam; vandaarσιφνιάζειν, leven als een Siphniër.

Sipontum, Sipuntum,Σιποῦς, stad en sedert 194 rom. kolonie in Apulia aan den mons Gargānus, eene aanzienlijke havenplaats, later vervallen.

Sipylus,Σίπυλος, vulkanisch gebergte in Lydia, dat zich van den Tmolus afscheidt en langs den linkeroever van den Hermus naar de kust loopt. Het was rijk aan metalen. In het gebergte zou de oude hoofdstad van Lydia gelegen hebben,TantalisofSipylus, reeds vroeg bij gelegenheid eener aardbeving verzonken en in het meer Saloë of Sale herschapen.

Siracesof-ci,Σίρακες, -κοι, 1) machtig sarmatisch volk ten N. van den Caucasus. Zij werden door koningen geregeerd. In 50 na C. geraakten de Rom. met hen in oorlog.—2)volksstamin N.W. Armenia.

Sirbōnis lacus,Σιρβωνὶς ἡ λίμνη, lagune aan de aegyptische kust, tusschen den oostelijken of pelusischen Nijlmond en de judaeïsche grensstad Rhinocolūra. Het meer was diep en rijk aan asphalt. Thans is het grootendeels uitgedroogd.

Siredones,Σειρηδόνες=Sirēnes.

Sirēnes,Σειρῆνης, twee of drie nimfen, die op een bloemrijk eiland wonen en door haar betooverend gezang de voorbijvarenden onweerstaanbaar naar het strand lokken, waar zij op de klippen schipbreuk lijden. Op de Argonauten echter bleef haar gezang zonder uitwerking, daar Orpheus een lied zong, waarvoor zij moesten verstommen. Eveneens ontsnapte Odysseus aan het gevaar, door de ooren zijner tochtgenooten met was dicht te stoppen en zich zelf aan den mast te laten binden. Daarop wierpen de S. zich in zee en veranderden zij in rotsen.—Zij worden dochters van Phorcys of van Achelōus genoemd, hare namen zijn Aglaophēme, Thelxiepēa en Molpe, of Parthenope, Ligēa en Leucosia; als hare woonplaats beschouwde men kaap Pelōrum, de Sirenūsae of Capreae. Zij werden oudtijds afgebeeld als groote, logge vogels met vrouwenhoofden, later als vrouwen met vleugels en pooten van een vogel; hare beelden worden dikwijls als grafornamenten gebruikt. Men verhaalde dat zij gezellinnen van Persephone geweest waren en hare gedaante gekregen hadden om deze beter te kunnen zoeken, of als straf, omdat zij den roof van Persephone niet verhinderd hadden.

Sirenūsae,Σειρηνοῦσσαι, ookSirēnum scopuli, drie onbewoonde eilandjes op de campaansche kust, ten Z. van het schiereiland van Surrentum, volgens de mythe eenmaal het verblijf der Sirenen.

Siris,Σίρις, rivier van Lucania, die zich in de golf van Tarentum stortte. Aan den mond lag een gelijknamige, bloeiende stad, die ± 550 door de inwoners van Croton, Sybaris en Metapontum (Metapontion) verwoest werd. Ruim een eeuw later werd de stad door de Tarentijnen herbouwd, niet echter op de oude plaats, die ongezond was, maar op de nabijgelegen hoogten, en Heraclēa genoemd. Siris bleef slechts haven. Aan den Siris (bij Heraclea) behaalde Pyrrhus in 280 zijne eerste overwinning op de Rom.

Sirius,Σείριος, z.Canis maior. In verscheiden deelen van Griekenland werden bij het opkomen van Sirius offers gebracht en godsdienstige plechtigheden verricht, om de verderfelijke gevolgen van de verzengende hitte der hondsdagen af te weren.

Sirmio, stadje aan denlacus Benācus(Gardameer) in Gallia Transpadāna. Catullus had in den omtrek eene villa.

Sirmium,Σίρμιον, stad in Pannonia aan den Savus (Save), sterke vesting met groote wapenfabrieken, hoofddepôt der Rom. in den dacischen oorlog. De stad was gesticht door de Tauriscers en werd onder de Rom. de hoofdstad der provincie en onder Diocletiānus die van depraefectura Illyrici.

Sisapon,Σισαπών, belangrijke stad in Baetica, met zilver- en tinmijnen, ten N. van Corduba (Cordova), thans Almaden.

Siscia,Σισκία, ookSegesta, thans Sissek, sterke vesting en aanzienlijke handelsplaats op een eiland, door den Savus en de Colapisgevormd. Het was de ligplaats der Savusvloot.

Sisenna, zieCorneliino. 56.

Sistrum.

Sistrum,σεῖστρον, een rammelaar, bij den dienst van Isis in gebruik. Het instrument bestond uit een metalen beugel met gaten, waardoor aan de uiteinden gekromde metalen staafjes gestoken waren; bij het schudden sloegen de omgebogen einden van die staafjes tegen den beugel en zoo werd het geluid voortgebracht.

Σισύρα, een grove, maar warme mantel, vooral bij landlieden in gebruik.

Sisygambis,Σισύγαμβις, moeder van Darīus Codomannus, werd na den slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en met buitengewone oplettendheid door hem behandeld. Na den dood van Alexander stierf zij vrijwillig den hongerdood.

Sisyphides,Σισυφίδης, Odysseus, zoo genoemd als zoon van Sisyphus.

Sisyphus,Σίσυφος, zoon van Aeolus en Enarete, gehuwd met Merope (no. 3), stichter en koning van Corinthe. Ter gedachtenis aan Melicertes, wiens lijk hij aan het strand vond, stelde hij de isthmische spelen in. Hij was de hebzuchtigste aller menschen en ontzag niets in zijn streven om winst te behalen. Over het algemeen wordt hij als een zeer slecht mensch voorgesteld: hij verried de geheimen der goden, deed strooptochten in Attica, beroofde en vermoordde reizigers, maakte aan Asōpus bekend, dat Zeus diens dochter Aegīna geschaakt had, enz. Zelfs toen de Dood hem kwam halen, wist S. dezen op listige wijze in boeien te slaan, zoodat niemand meer stierf, totdat Hades zelf kwam en den gevangene bevrijdde. Nu moest S. sterven, maar vooraf gaf hij aan zijne vrouw bevel hem niet te begraven; na eenigen tijd beklaagde hij zich hierover bij Hades en kreeg hij verlof naar de aarde terug te keeren om zijne vrouw te straffen, hij maakte echter van dat verlof misbruik en keerde niet naar de onderwereld terug, totdat Hermes kwam en hem met geweld medenam. Wegens al deze misdaden moet hij in de onderwereld een zwaar rotsblok tegen een hoogen berg opwentelen, dat telkens, wanneer het doel bijna bereikt is, weder naar beneden stort.—V. s. had hij, om zich te wreken op Autolycus, die runderen van hem gestolen had, diens dochter Anticlēa verleid, en was zij bij hem moeder geworden van Odysseus.

Sitace,Σιτάκη, volkrijke stad van Babylonia, aan den Tigris, stroomopwaarts van Seleucīa en Ctesiphon, maar nog binnen den medischen muur, hoofdstad van het distriktSitacēne,Σιτακηνή.

Sitalces,Σιτάλκης, zoon en opvolger van Teres, vergrootte het door zijn vader gestichte rijk der odrysische Thraciërs en was eenigen tijd een bondgenoot der Atheners. Hij sneuvelde in een slag tegen de Triballi, 424.

Sitella, vaas met betrekkelijk wijden buik en langen, nauwen hals, zooals in de comitiën te Rome gebruikt werd om de voorstemmende tribus aan te wijzen. Hiertoe werden plankjes (tesserae) met de namen der tribus in de vaas geworpen en dooreengeschud. Vervolgens werd desitellamet water gevuld en detessera, die het eerst aan den mond te voorschijn kwam, wees de tribus aan, waarvan de stem het eerst werd publiek gemaakt of waaruit de voorstemmende centurie zou genomen worden. Ook de urn, waarin deindicesbij dequaestiones perpetuaehunne stemtafeltjes (tabellae) werpen, heetsitella.

Σιτηρέσιον, kosten van onderhoud en verpleging, die aan de atheensche soldaten boven hun soldij betaald werden. Als minimum wordt door Demosthenes gerekend 2 obolen per dag voor een voetknecht, 1 drachme voor een ruiter.

Σίτησις, voeding op staatskosten, genoten te Athene allen of bijna allen, die in dienst van den staat waren. Bovendien onthaalde de staat in het Prytanēum vreemde gezanten, herauten, enz.; ook aan enkele burgers, die zich jegens den staat verdienstelijk gemaakt hadden, werd een plaats aan de tafel in het Prytaneum gegeven, wat in den bloeitijd van Athene als een groote eer beschouwd werd.

Sithonia,Σιθωνία, de middelste der drie landtongen van Chalcidice, tusschen de Toronaeïsche en Singitische golven.

Σιτῶναι, ambtenaars te Athene, wier taak het was te zorgen, dat steeds in de staatsmagazijnen genoeg koren in voorraad was om te beletten, dat de prijzen door de korenkoopers te zeer opgejaagd werden.

Sitōnes, bij Tacitus een germaansch volk in Scandinavia, met eene vrouwenregeering. Het is echter een Finsche stam, die ten N. van deSuiōnes(de Zweden) het Midden en Noorden van Scandinavië bewoonde.

Σιτοφύλακες, ambtenaars te Athene, belast met het toezicht op de uitvoering der korenwetten. Er waren 5, later 25, voor de stad, en 5, later 15, voor den Piraeus.

Sittace=Sitace.

Sittii.P. Sittius Nucerīnus, vriend van P. Cornelius Sulla, werd vóór het uitbarsten der catilinarische samenzwering naar Hispania gezonden, doch na zijne terugkomst van medeplichtigheid beticht. Hij ontvluchtte naar Afrika (62) en diende daar in de legers der afrikaansche vorsten, tot hij in den burgeroorlog de partij van Caesar koos, Juba’s troepen hielp verslaan en na den slag bij Thapsus de overblijfselen van het pompejaansche leger verstrooide. Caesar stelde hem aan als stadhouder over een gedeelte van Numidia; na Caesars dood werd ook Sittius vermoord.

Σκύθαι, z.τοξόται.

Σκυτάλη, z.Scutala.

Σκυτάλισμος, doodstraf door middel van een knods of knuppel. Deze wijze van terechtstelling is in een tijd van hevige beroering(± 370) door het volk te Argos op 1000 (v. a. 1200) aanzienlijke burgers toegepast, terwijl ten laatste ook de demagogen, die het volk daartoe aangezet hadden, aldus werden terechtgesteld.

Smerdis,Σμέρδις, broeder van Cambȳses, die hem uit jaloerschheid door Prexaspes liet dooden. Terwijl Cambyses nog in Aegypte was, gaf een magiër Gaumāta, Gometes, zich voor Smerdis uit, op wien hij inderdaad sprekend geleek, en maakte zich van de regeering meester. Hij werd door het volk erkend, en Cambyses stierf voordat hij hem had kunnen straffen, maar na 7 maanden werd de gewaande Smerdis (Pseudo-Sm.) ontmaskerd (z.Prexaspes) en door zeven edele Perzen, waaronder ook Darīus Hystaspis was, gedood.

Smilis,Σμῖλις, van Aegīna, een van de oudste grieksche beeldhouwers, waarschijnlijk uit de eerste helft van de 6deeeuw; hij wordt een leerling van Daedalus genoemd.

Smintheus,Σμινθεύς, bijnaam van Apollo, waarschijnlijk naar de stad Sminthe in Troas. Men leidde echter den naam gewoonlijk af vanσμίνθος(muis), omdat de muis het zinnebeeld der voorspellingskunst is, of omdat Apollo een van zijne priesters van muizen bevrijd zou hebben. Of hij had aan Teucriërs, die onder leiding van Scamander uit Creta verhuisden, een orakel gegeven, dat zij zich moesten vestigen, waar zij last zouden hebben van uit de aarde geborenen. Toen zij nu in Troas geland waren en vonden, dat muizen aan hunne bogen en schilden geknaagd hadden, bleven zij daar en stelden zij den dienst van Apollo Sm. in.

Smyrna,Σμύρνα=Myrrha.

Smyrna,Σμύρνα, aeolische kolonie van Cyme, eene der meest beroemde en welvarende steden van Klein-Azië, ± 700 door de Ioniërs vermeesterd en sedert lid van het ionisch-aziatisch verbond gebleven. Omstreeks 600 werd het door den lydischen koning Sadyattes verwoest, en het duurde tot na den dood van Alexander den Gr., eer door toedoen van Antigonus een nieuw Smyrna verrees, iets zuidelijker gelegen dan het oude. Lysimachus maakte er vervolgens eene van de prachtigste steden der oudheid van, met rechte en goed geplaveide straten. Ook onder rom. heerschappij bleef Smyrna eene bloeiende plaats en was het eenconventus. In 178 na C. werd het door eene aardbeving hevig geteisterd, doch op last van keizer M. Aurelius hersteld. Smyrna beweerde de geboorteplaats te zijn van Homerus, voor wien in het Homerēum een standbeeld was opgericht. Ook was er een fraaie tempel van Cybele. De tapijtweverijen van Smyrna waren reeds in de oudheid beroemd. De aanliggende golf heetteSmyrnaeus sinus. Thans heet de stad zoowel Smirna als Ismir.

Soccus, een pantoffel van lichte stof, het eigenaardig schoeisel van tooneelspelers en dansers in het blijspel. Ook buiten het tooneel werd de soccus door de Grieken zeer algemeen gebruikt, bij de Rom. echter in den regel alleen door vrouwen.

Sociāle bellum, opstand der italiaansche bondgenooten tegen Rome in de jaren 90 en 89. ZieMarsicum bellum.

Socii, bondgenooten. Volgens de overlevering reeds in den koningstijd, en in elk geval sedert 493 is Rome door eenfoedus aequummet de Latijnen, en later met de Hernici verbonden geweest, zieLatium. Later, toen Rome langzamerhand geheel Italia veroverde, werd de afhankelijkheid, waarin de verschillende steden en staten gebracht werden, uitgedrukt door het woordsocii, waarbij dan hetnomen Latinumeen bevoorrechte plaats innam. De staten, waarmede Rome eenfoedussloot, heettencivitates foederatae, en behielden hun souvereiniteit; ze hadden eigen bestuur, eigen rechtspleging en het recht om munt te slaan. Zij mochten geen betrekkingen met het buitenland onderhouden; in elk verdrag kwam de bepaling voor:ut eosdem quos populus Romanus amicos atque hostes habeant. Zij betaalden geen belasting, maar waren verplicht troepen, en de staten aan zee ook schepen, te leveren. De afhankelijkheid waarin zij stonden ten opzichte van Rome werd uitgedrukt door de formule:maiestatem populi Romani comiter conservanto. Door hun verstandig en gematigd optreden wisten de Romeinen desociiaan zich te binden; en deze politiek heeft het hun mogelijk gemaakt, op den duur de nederlagen van den 2denpunischen oorlog te boven te komen. In de 2deeeuw beginnen ze echter de socii, wier hulp men niet meer noodig heeft, te onderdrukken, hetgeen dan ten slotte uitloopt op den bondgenooten-oorlog, die Italië ontvolkt heeft, zieMarsicum bellum. De provinciën, wier toestand door eene wet geregeld was, werden niet tot desociigerekend. Overigens waren er ook buiten Italië socii alscivitates foederatae(z. a.), en koningen wien de titelsocius et amicus populi Romaniwas verleend, doch ook dan was meestal het bondgenootschap slechts een zachtere vorm van afhankelijkheid. Buitenlandsche volken zijnexterae nationes, doch waar in engeren zin vansocii et exterae nationesgesproken wordt, moet men onder de laatsten de bewoners der rom. provinciën verstaan en ondersociide latijnsche en italische bondgenooten. Zelfs werd deze benaming nog wel voor de italiaanschecivitatesgebezigd, ook nadat deze in de jaren 90–88 het burgerrecht hadden verkregen en de naamsociidus strikt genomen op haar niet meer van toepassing was.—In de rom. legers waren vóór 90 de troepen der italiaanschecivitatesonder den naam vansociiaanwezig; andere hulptroepen heettenauxilia(z. a.).

Socii navāles.De dienst ter zee stond bij de Rom. in minachting, daarom werd de bemanning der vloot uit de armste burgers genomen. Allengs kwam het bemannen en proviandeeren der vloot meer en meer ten laste dersocii(z. a.), die natuurlijk hiervoor het uitschot hunner bevolking en ook vrijgelaten slaven leverden, hetgeen niet strekte om den zeedienst te verheffen. De rom.marine was in den eersten punischen oorlog zeer belangrijk, later liet men ze vervallen (zieclassis) en bediende men zich veelvuldig van de vloten van verbonden volken, zooals de Rhodiërs e. a.

Socrates,Σωκράτης, Athener, zoon van den beeldhouwer Sophroniscus en Phaenarete, geb. 470. In zijne jeugd genoot hij de gewone atheensche opvoeding, hij trachtte zich te ontwikkelen door het lezen van dichters en wijsgeeren en zocht met hetzelfde doel gaarne den omgang van beschaafde en verstandige lieden, in een bepaalde school gevormd werd hij echter niet. Hij leerde de kunst van zijn vader, en nog meer dan vijf eeuwen later wees men op de acropolis te Athene een groep, die voor het werk van S. gehouden werd. Hij streed mede in de slagen bij Potidaea, Delium (z.Alcibiades) en Amphipolis, in 406 was hij lid van den raad en verzette hij zich tegen de onwettige behandeling van het proces der veldheeren uit den Arginusenslag. Als wijsgeer heeft hij meer dan iemand anders invloed uitgeoefend op zijne vrienden en leerlingen niet alleen, maar ook op zijne tijdgenooten in het algemeen, zelfs op de geheele geschiedenis der philosophie. Zonder met een uitgewerkt wijsgeerig stelsel op te treden, wekte hij bij allen met wie hij omging de zucht tot wetenschappelijk onderzoek op het gebied der zedeleer op, waarbij hij uitging van de eenvoudige stelling dat deugd kennis is en dus geleerd kan worden, dat alzoo niemand vrijwillig, maar slechts uit onwetendheid, verkeerd handelt. Het hoogste dat men bereiken kan, tevens de noodzakelijke voorwaarde voor praktische voortreffelijkheid, is dus zelfkennis, en de eerste stap om daartoe te komen is het zich bevrijden van verkeerde meeningen. Daartoe trachtte hij nu hen, die met hem omgingen, langs een eigenaardigen weg te leiden. Hijzelf erkende dat hij niets wist, terwijl hij nu voorgaf te willen leeren van hen, die beweerden wel iets te weten (socratischeironie,εἰρωνεία), bracht hij door de inrichting van zijne gesprekken en vragen ieder tot het bewustzijn, dat diens vermeende kennis slechts schijn was en iederen vasten grondslag miste. In overeenstemming hiermede noemde hij zich ook geen leeraar en liet hij zich, ook om zijne vrijheid niet aan banden te leggen, voor zijn onderwijs niet betalen, ook had hij in den eigenlijken zin van het woord geen leerlingen, maar iedereen, dien hij er geschikt toe achtte, overviel hij met zijne vragen en dwong hij tot de erkentenis van zijne onwetendheid. In zijne handelingen beweerde hij geleid te worden door eene inwendige goddelijke stem (δαιμόνιον), die hem van het verkeerde terughield. Maar terwijl velen zich door zijne streng logische redeneering aangetrokken gevoelden en erkenden, dat hij den juisten weg voor wijsgeerige studiën aanwees, terwijl verder velen, vol bewondering voor zijn levenswandel, zijn zelfbeheersching, standvastigheid, matigheid, trouw, vaderlandsliefde en godsvrucht, zich met liefde en eerbied bij hem aansloten, was het aantal nog veel grooter van hen, die in hem alleen een lastig en eigenwijs mensch zagen, die al wat van ouds voor waar erkend was op losse schroeven zette en de gemoederen voortdurend in beroering bracht; men beschouwde hem als een van de sophisten, en juist de groote bijval, dien hij vond, maakte hem in het oog van het oppervlakkige volk tot den gevaarlijksten onder hen. Als zoodanig werd hij door Aristophanes in een van zijne comedies, deΝεφέλαι, aan aller bespotting prijs gegeven. Eindelijk werd hij, reeds 70 jaar oud, door Melētus, Anytus en Lycon aangeklaagd wegens het verachten der van staatswege erkende goden, het invoeren van nieuwe godheden en het verleiden der jeugd. Met een kleine meerderheid van stemmen werd hij schuldig bevonden; daar echter de aanklagers de doodstraf geëischt hadden, en S. daartegen de geringe som van 30 minen aanbood (zieτίμημα), daarbij bewerende, dat hij eigenlijk verdiend had op staatskosten in het Prytanēum onderhouden te worden, verbitterde hij door zijne onverschilligheid de rechters en werd hij met eene grootere meerderheid ter dood veroordeeld. Met de grootste kalmte en opgeruimdheid dronk hij den giftbeker (399).

Sodāles, sodalitas, sodalicium.Sodaleszijn kameraden, deelgenooten van een disch, leden van een krans, van een gezelschap en dgl. Eenesodalitasis dus eene broederschap, een genootschap, en evenzoosodalicium. Beide woorden, doch vooral het laatste, komen echter ook in slechten zin voor, en beteekenen dan een geheime of verboden vereeniging, een politieke club. Vooral bij verkiezingen speelden zulke clubs door omkooping en andere ongeoorloofde middelen dikwijls eene groote rol. Ook priestercollegiën voor den dienst eener bepaalde godheid of tot het vieren van bepaalde feesten vormen eenesodalitas, o. a. deSalii, defratres arvāles.—Desodāles Titiiwaren, naar het heet, door Romulus ingesteld om de gedachtenis aan koning Titus Tatius in eere te houden. Voor de vereering van Augustus werd na diens dood te Rome een college, vansodāles Augustālesingesteld (niet te verwarren met de Augustāles in de municipiën). Later kreeg men ook sodales van andere vergode keizers.

Sodoma,τὰ Σόδομα,Sodom, welvarende stad in het vruchtbare dal Siddim, die met Gomorra en nog andere steden door eene vulkanische uitbarsting werd verdelgd, terwijl de geheele landstreek verzonk en in een meer veranderd werd (lacus Asphaltītes, Doode zee).

Sogdiāne,Σογδιανή, N.O. provincie van het perzische rijk, bergachtig doch niet onvruchtbaar. DeSogdiiofSogdiani,Σόγδιοι, Σογδιανοί, waren een vrij ruw volk, in verschillende stammen verdeeld. Hoofdstad: Maracanda (Samarkand).

Sogdi(ān)us,Σόγδιος, Σογδιανός, zoon van Artaxerxes I, besteeg den troon na het vermoorden van zijn halfbroeder Xerxes II,doch werd na eene korte regeering door zijn broeder Darīus vermoord (425).

Sol, latijnsche naam voor Helius.

SolānusofSubsolānus, de Oostenwind, zieWindstreken.

Solarium, 1) zonnewijzer, een werktuig, omstreeks 500 door Anaximander of Anaximenes in Griekenland ingevoerd en in 291 door L. Papirius Cursor of in 264 door M. Valerius Messāla naar Rome overgebracht, waar er een op het forum werd geplaatst. In 159 verving P. Scipio Nasīca den zonnewijzer door een wateruurwerk, dat nu den vreemden naam kreeg vansolarium ex aqua. In tegenstelling daarvan heet een werkelijke zonnewijzersolarium descriptum.—2)terras met borstwering of leuning boven op het platte dak van een huis, veeltijds met planten versierd, in later tijd ook wel overdekt, doch aan alle zijden open.

Soleae, sandalen, bestaande in eene zool, met een riem dwars over den voet, de gewone dracht der Rom. in huis. Ook de hoeven van last- en trekdieren werden beschermd doorsoleae sparteae, kleine mandjes uit sparte of biezen gevlochten, die om de pooten sloten en met riempjes werden vastgebonden. Was, om het spoedige slijten tegen te gaan, zulk eene solea van een metalen zooltje voorzien, dan was zij eenesolea ferrea, aan hoefijzers schijnt men niet te moeten denken. In tijdperken van weelde onder de keizers worden ook welsoleae argenteae, zelfsaureae, voor dieren vermeld.—Desolea ligneawas een voetkluister voor misdadigers.

Soli,Σόλοι, 1) voorname stad, atheensche kolonie op de cilicische kust ten Z.W. van Tarsus. Tigranes II van Armenia (96–56) verwoestte ze en bracht de inwoners over naar Tigranocerta; Pompeius herbouwde ze en bevolkte ze met gevangen zeeroovers, terwijl zij tevens den naam kreeg van Pompeiopolis. DitSoliwas de geboorteplaats van den stoicijn Chrysippus, en de dichters Arātus en Philēmon.—2)havenstad op het W. gedeelte der Noordkust van Cyprus.—Van het eerstgenoemde Soli wordt het woordsoloecismusafgeleid voor spreken met taalfouten.

Solidus, zieAureus.

Solīnus(C. Iulius), uit de 3de eeuw na C., schreef eene geografisch-historische schets der oude wereld onder den titelCollectanea rerum memorabilium, wat de geographie betreft, bewerkt naar Plinius’ Nat. Historia. Later heeft dit werkje den naam vanPolyhistorgekregen.

Solis fons,Ἡλίου κρήνη, bron in de libysche woestijn nabij de oase Ammonium. Des middags was het water koud, te middernacht kokend heet.

Solitaurilia=Suovetaurilia.

Solium, stoel met hooge massieve rechtopstaande rugleuning en met armleuningen. Hij werd als troonzetel gebruikt door goden en koningen. Ook de rom. rechtsgeleerden hadden de gewoonte, wanneer zij te huis adviezen gaven, op eensoliumplaats te nemen. Vandaar de uitdrukkinga subselliis in otium soliumque se conferre= de rol van pleiter laten varen en zich bepalen tot het geven van adviezen.

Solois,Σολόεις, 1) ver vooruitspringende met bosch begroeide kaap in Mauretania aan den Atlantischen oceaan.—2)=Solus.

Solon,Σόλων, zoon van Execestides, afstammeling van Codrus, ondernam reeds vroeg als koopman verre reizen, waarbij hij meer dan gewone kennis en beschaving opdeed. In het openbare leven onderscheidde hij zich het eerst door de herovering van Salamis, waartoe hij zijne medeburgers aanspoorde, nadat het eiland kort te voren ten gevolge van een ongelukkigen oorlog aan Megara was afgestaan, ook in den heiligen oorlog tegen Cirrha trad hij op den voorgrond. Zijn grootsten roem heeft hij echter verworven door zijne wetgeving, die een einde maakte aan de verwarde toestanden te Athene, aan de verdeeldheid en partijtwisten, die door Draco’s wetgeving en door Cylon’s poging om de alleenheerschappij te verkrijgen ten top gestegen waren. S., in 594 tot eersten archont verkozen, trad als bemiddelaar tusschen de verschillende partijen op en deed door zijne wijze wetten rust en tevredenheid terugkeeren. Tot oogenblikkelijke verlichting van het verarmde volk diende deσεισάχθειαen eene amnestie voor hen, die volgens de schuldwetten hun burgerrecht verloren hadden; verder werd op dit gebied bepaald, dat men niet meer zijne persoonlijke vrijheid voor schulden zou kunnen verliezen. Vervolgens verdeelde hij de burgerij, waarin nu ook de vrije bewoners van het platteland werden opgenomen, in 4 klassen (z.φυλή), door welke verdeeling de staatkundige rechten der burgers, maar ook hunne verplichtingen tegenover den staat, van het vermogen afhankelijk gemaakt werden, en de voorrechten van den adel werden opgeheven. Alleen uit de eerste klasse werden de archonten en leden van den Areopagus gekozen, de vierde was van alle openbare ambten uitgesloten. Door een aantal bepalingen werden de bevoegdheden van de volksvergadering, de overheden, regeeringslichamen, rechtbanken, enz., nauwkeurig vastgesteld (z. o. a.Areopagus,Βουλή), het geheele staatsleven en alle maatschappelijke betrekkingen geregeld. Van groot belang is vooral ook zijne regeling van het attische privaatrecht. Omtrent de opstelling der wetten z.ἄξονες.—Om het volk te dwingen zich aan de nieuwe wetten te gewennen, liet hij zweren dat in 10 jaar geen verandering er in gebracht zoude worden. Hijzelf begaf zich gedurende dien tijd weder op reis. Wel ontbrandde in zijne afwezigheid de partijstrijd opnieuw en werden in 589 en 584 zelfs geen archonten verkozen (z. ookDamasias), wel zag hij spoedig na zijne terugkomst, in weerwil van zijn verzet, de hoogste macht in handen van Pisistratus vallen, maar zijne wetten bleven toch voor het grootste gedeelte van kracht en de latere democratische staatsinrichting van Athene heeft zich geleidelijk uit de door S. in het leven geroepen toestandenontwikkeld.—Ook als dichter toonde S. meer dan gewone talenten, vooral beroemd is zijne elegie, waarmede hij de Atheners tot de herovering van Salamis aanspoorde; wij bezitten van zijne gedichten, die door de Atheners ook lang na zijn dood in hooge eer gehouden werden, nog vrij talrijke fragmenten, meest van staatkundigen of wijsgeerigen inhoud. Als een van de 7 wijzen had hij tot spreukμηδὲν ἄγαν.—Hij stierf in 559 op den leeftijd van omstreeks 80 jaar.

Solonius ager, streek in Latium, ten Z.O. van Ostia, die zich tot het grondgebied van Lanuvium uitstrekte.

Solus, Soluntum,Σολοῦς, Σολόεις, oude havenstad op de N.-kust van Sicilia, carthaagsche volkplanting, ten O. van Panormus (Palermo).

Solygīa,Σολύγεια, vlek in Corinthia op den berg Solygius, ten Z. van Cenchreae.

Solyma,τὰ Σόλυμα, 1) =Climax.—2)=Hierosolyma.

Solymi,Σόλυμοι, oud volk in Lycia. ZieClimax.

Sontiātes,Σωτιᾶται, volk in Aquitania ten Z. van den Garumna (Garonne), voortreffelijke ruiters en mijnwerkers.

Sontius, thans Isonzo, rivier in Venetia, die bij Aquileia in den sinus Tergesticus (golf van Triëst) valt.

Sonus,Σῶνος, aanzienlijke rivier van India, die op den mons Vindius (Vindhya) ontspringt en bij Palibothra in den Ganges valt.

Sopater,Σώπατρος, 1) van Paphus, kluchtspeldichter ten tijde van Alexander d. G.; de weinige fragmenten, die van zijne werken over zijn, zijn het eenige, dat wij van deze dichtsoort bezitten, z.Φλύαξ.—2)van Apamēa, neo-platonisch wijsgeer, leerling van Iamblichus, werd op bevel van Constantijn d. G. ter dood gebracht, omdat hij propaganda maakte voor den heidenschen godsdienst.

Sophaenetus,Σοφαίνετος, van Stymphālus, een van de aanvoerders der grieksche troepen van den jongen Cyrus, waarschijnlijk dezelfde, van wien eeneΚύρου Ἀνάβασιςgenoemd wordt.

Sophēne,Σωφηνή, landschap in het Z.W. van Armenia, door den Euphraat van Cappadocia gescheiden. Hoofdstad: Arsamosata.

Sophistae,σοφισταί, in het algemeen geleerden; de naam werd toegepast op hen die in een of ander vak van wetenschap uitmuntten, of er eene bepaalde studie van maakten. Ook wijsgeeren werden oudtijds zoo genoemd, Pythagoras zou zichzelf het eerst den naam vanφιλόσοφοςgegeven hebben. Ten tijde van en na Pericles traden in vele grieksche steden, vooral te Athene, onder den naam van sophisten mannen op als leermeesters in alles wat voor het praktische leven, vooral voor den staatsman en redenaar noodig is. Zij vonden grooten bijval, ook bij de uitstekendste mannen van hun tijd, vormden vele leerlingen en lieten zich goed betalen. Daarentegen vonden vele voorstanders van het oude, dat men de wetenschap verlaagde, door haar aan praktische doeleinden dienstbaar te maken, en welsprekendheid, als eene kunst aangeleerd, werd altijd met wantrouwen beschouwd; men meende dat zij zoo tot niets konde dienen, dan om met een schijn van wijsheid te pronken en recht en waarheid te verdraaien. En inderdaad, hoewel vele oudere sophisten zich op wetenschappelijk gebied verdienstelijk gemaakt hebben (Protagoras, Gorgias, Hippias, Prodicus), waren hunne navolgers over het algemeen niets anders dan rhetoren, wier onderwijs zich grootendeels tot de mededeeling bepaalde van allerlei kunstjes, waardoor men, misbruik makend van de leer van Protagoras over het betrekkelijk juiste van iedere meening, zoowel voor als tegen iedere zaak kon spreken. De tegenstand, dien de sophisten van Socrates en diens leerlingen, vooral van Plato, ondervonden, is de oorzaak geweest, dat men hen lang ten onrechte als aanhangers eener wijsgeerige richting met zekere gemeenschappelijke leerstellingen beschouwd heeft, en dat men hun, naar aanleiding van de weinige uitdrukkingen van sophisten, die bekend zijn, een voor zedelijkheid en godsdienst verderfelijk stelsel heeft toegedicht, dat zij in werkelijkheid nooit verkondigd hebben.

Sophocles,Σοφοκλῇς, 1) Athener, zoon van den rijken Sophillus, geb. 496 of 497. Van zijn leven is weinig bekend, onder zijne vrienden worden Herodotus en Pericles genoemd. In den samischen oorlog was hij te gelijk met dezen strateeg en even te voren had hij het ambt vanἙλληνοταμίαςbekleed. Algemeen bemind en geprezen stierf hij in 406 of 405, na zijn dood werden hem door de Atheners dezelfde eerbewijzen toegekend als aan Aeschylus, en op zijn graf werd jaarlijks van staatswege geofferd (z. ookIophon).—Als treurspeldichter wordt hem in ouden en nieuwen tijd eenstemmig de eerste rang toegekend; evenals Homerusὁ ποιητήςheette, zoo wordt S. dikwijls door de ouden eenvoudigὁ τραγικόςgenoemd. Reeds bij zijn eerste optreden (468) vertoonde zijne wijze van behandeling der stof zoo groote afwijking van die van Aeschylus, dat het toekennen van den prijs door de groote opgewondenheid der voorstanders van beide richtingen bemoeielijkt werd; ten slotte behaalde S. de overwinning. Door een derden tooneelspeler toe te voegen aan de twee, waarvoor de stukken van Aeschylus berekend waren, is hij in staat de handeling belangwekkender, de dialogen meer afwisselend te maken. Zonder in het alledaagsche te vervallen, staan de personen in zijne stukken ons nader dan bij Aeschylus; de geheele handeling ontwikkelt zich als van zelf en de afloop wordt op natuurlijke wijze voorbereid door de voortreffelijk geschilderde karakters, die hij soms door welberekende tegenstellingen nog scherper doet uitkomen; ook in hun taal, hoewel altijd edel en verheven, is alle duisterheid en onduidelijkheid vermeden. Met zijne 115 (v. a. 123 of 130) stukken behaalde hij 20 of 24 maal den eersten en zeer dikwijls den tweeden prijs. Wij bezitten er van nog 7 stukken in hun geheel, benevenseen groot aantal fragmenten. Het zijn de volgende: Antigone (441), Oedipus Tyrannus, Aias, Trachiniae, Electra (± 413), Philoctetes (409), Oedipus Coloneus.—2)kleinzoon van den vorigen, treurspeldichter.—3)atheensch veldheer, werd in 425 met eene vloot naar Sicilië gezonden en ondersteunde de democratische partij in de burgertwisten op Corcȳra; later werd hij, onder vermoeden dat hij zich door de Siciliërs had laten omkoopen, verbannen.

Sophonisbe,Σοφονίσβη, dochter van den carthaagschen veldheer Hasdrubal (z. a. no. 4). Zij koesterde een onverzoenlijken haat tegen Rome. Daarom ook eischte Scipio hare uitlevering (zieMasinissa), uit vrees dat Masinissa’s trouw tegen Sophonisbe’s inblazingen op den duur niet bestand zou zijn.

Sophron,Σώφρων, van Syracuse, z.Mimus.

Σωφρονισταί, opzichters over de atheensche epheben, die op het gedrag der jongelieden toezicht hielden. Jaarlijks werden door iedere phyle drie candidaten, boven de 40 jaar oud, voor dit ambt aangewezen, en uit ieder drietal werd een door het volk verkozen. Zij werden van staatswege met een drachme per dag bezoldigd.

Sopianae, stad in Pannonia Inferior, ten N. van den Dravus.

Sora,Σώρα, volscische stad in Latium aan den Liris, met sterke muren en een sterken burcht. De Rom. hadden er eene latijnsche kolonie heengezonden, doch in 315 hadden de Soraners de kolonisten omgebracht en zich bij de Samnieten aangesloten, eene daad, waarvoor zij in 314 zwaar moesten boeten. In 303 werd Sora andermaal lat. kolonie.

Soracte, genit.-is, berg in het Z.O. van Etruria nabij den Tiber. Op den top, die ook wel eens nog in den zomer met sneeuw bedekt was, stond een tempel van den god Sorānus, tot wiens eer daar op sommige tijden feesten werden gevierd, en aan den voet een tempel van Feronia.

Sorānus, 1) een sabijnsch god, die op den Soracte vereerd werd en gewoonlijk voor denzelfden gehouden werd als Apollo, maar die in werkelijkheid tot de goden der onderwereld moet gerekend worden. Bij zijn jaarlijksch feest gingen zijne priesters, die tot het geslacht derHirpi Soranibehoorden, met de ingewanden der offerdieren in de hand, blootsvoets over brandende hoopen hout. Zij waren van den krijgsdienst en andere staatslasten vrijgesteld.—2)ZieBarea Soranus.—3)geneesheer en schrijver over geneeskunde onder Traiānus en Hadriānus.

Sordice, een meer in Gallia Narbonensis, dicht bij de rivier Ruscino, aan den voet der Pyrenaeën, dat met een dikke korst modder of veen bedekt was.

Sordidātus, in eenetoga sordidagehuld, als beschuldigde, om het medelijden der rechters op te wekken.

Sordones, kleine stam in Gallia Narbonensis. Hoofdstad: Ruscino.

Sortes, eene soort orakel door het lot. Eiken plankjes, waarop spreuken en teekens waren ingesneden, waren tot een bundel saamgebonden. Door een knaap werden zij getrokken en dan het antwoord er uit opgemaakt (Sortilegium,κληρομαντεία). Door droogte krompen zij wel eens, ook sleten zij door het gebruik af, en dan gebeurde het wel, dat er een plankje van zelf uit den bundel viel (sortes sua sponte attenuatae). De meest beroemde dezer orakels waren die van den Fortuna-tempel te Praeneste en van Caere.

Sosibius,Σωσίβιος, 1) uit Sparta, geschiedschrijver en chronograaf ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus.—2)leermeester van Britannicus, een werktuig van Messalīna, later door toedoen van Agrippīna ter dood gebracht.

Sosigenes, van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer en sterrenkundige, schreef o. a. commentaren op eenige werken van Aristoteles en hielp Julius Caesar bij het verbeteren van den rom. kalender.

Sosii.1)C. Sosius, praetor in 49, werd in 37 door Antonius belast met den oorlog tegen Antigonus, zoon van den Maccabaeër Aristobūlus (z. a.), die met de hulp van den parthischen kroonprins Pacorus het bestuur over Judaea vermeesterd had. Sosius versloeg Antigonus en bracht hem ter dood, zoodat Herōdes I (z. a.) bezit van den troon kon nemen. In den burgeroorlog was hij op de zijde van Antonius, doch verzoende zich na den slag bij Actium met Octaviānus.—2)Q. Sosius Senecio, consul onder Traiānus, was een begunstiger van Plutarchus, die verscheidene levensbeschrijvingen aan hem opdroeg.—3)Q.SosiusFalco, na den dood van Commodus mededinger van Pertinax naar de keizerskroon; zoo P. hem niet het leven had gered, zou hij zijn pogen met den dood bekocht hebben.—4)de gebroedersSosii, bij wie Horatius zijne geschriften uitgaf.

Sosilus,Σώσιλος, Lacedaemoniër, leermeester en vriend van Hannibal, wiens daden hij beschreef. Polybius spreekt over zijn werk een ongunstig oordeel uit.

Sosipater,Σωσίπατρος, dichter der nieuwe attische comedie. Van een van zijne stukken is een vrij groot fragment bewaard gebleven.

Sosiphanes,Σωσιφάνης, van Syracuse, treurspeldichter ten tijde van Philippus en Alexander. Hij schreef 73 stukken, behaalde 7 maal den eersten prijs, en werd in de alexandrijnsche pleias opgenomen.

Sosistratus,Σωσίστρατος, 1) Syracusaan, hoofd der oligarchische partij na den dood van Timoleon, werd door Agathocles verbannen en ging naar Agrigentum.—2)tyran van Agrigentum die, door Syracuse aan te vallen, den Carthagers aanleiding gaf zich in de grieksche aangelegenheden te mengen. Toen tegen hem de hulp van Pyrrhus ingeroepen werd, moest S. vluchten (278).

Sositheus,Σωσίθεος, van Alexandrië in Troas, trad te Athene en Alexandrië in Aegypte als treurspeldichter op en werd inde alexandrijnsche pleias opgenomen. Zijn bloeitijd was omstreeks 280.

Sospita, redster, bijnaam van Juno, waaronder zij vooral te Lanuvium vereerd werd en te Rome een tempel had.

Sosthenes,Σωσθένης, een Macedoniër van geringe afkomst, die koning Antigonus Gonātas dwong de regeering neder te leggen, zich aan het hoofd van het leger stelde en de Galliërs uit het land joeg (280). In het volgende jaar sneuvelde hij echter bij een nieuwen inval der Galliërs.

Sostratus,Σώστρατος, 1) een zeeroover die zich ten koste van de Atheners van het eiland Halonēsus meester maakte, van waar hij door Philippus van Macedonië verdreven werd.—2)Macedoniër, ter dood gebracht als medeplichtige aan de samenzwering van Hermolāus.—3)van Cnidus, beroemd bouwmeester, die o. a. den vuurtoren op Pharus bouwde.—4)beroemd geneesheer te Alexandria uit de 2dehelft der eerste eeuw, vooral beroemd als chirurg. Er zijn nog fragmenten van zijn werken over.

Sosus,Σῶσος, van Pergamus, uitvinder van de ingelegde mozaiek-vloeren. Een nabootsing van zijn duiven op den rand van een schaal vindt men in het capitolijnsch Museum te Rome. Ze stamt uit de villa Hadriani.

Sotades,Σωτάδης, van Maronēa, schrijver van onzedelijke gedichten van mythologischen inhoud (versus Sotadei). Hij leefde onder Ptolemaeus Philadelphus, en naar men verhaalde werd hij in zee geworpen, omdat hij het huwelijk van den koning met diens zuster Arsinoë bespot had.

Σωτήρ, Σώτειρα, 1) bijnaam van verscheiden goden en godinnen, waarbij men hen aanriep, als men om redding uit nood of gevaar bad. Vooral wordt die naam aan Zeus gegeven, maar ook aan Poseidon, Apollo, Dionȳsus, Hera, Artemis e. a.—2) bijnaam van Ptolemaeus I en Demetrius III.

Soteria,Σωτήρια, feest ter eere van Apollo, jaarlijks te Delphi gevierd, ter herinnering aan den inval der Galliërs in 279, die door de hulp van Apollo afgeweerd was.

Sotion,Σοτίων, 1) van Alexandrië, wijsgeer uit de school der Sextii, leermeester van Seneca, en schrijver van een werk van gemengden inhoud,Κέρας Ἀμαλθείας.—2)van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer en letterkundige in de 2deeeuw.

Sottiātes=Sontiates.

Spalatum, thans Spalatro, vlek nabij Salōna in Dalmatia, met eene prachtige villa van Diocletiānus, waar deze keizer zijne laatste levensjaren sleet.

Sparta,Σπάρτη, ofLacedaemon,Λακεδαίμων, de hoofdstad van Laconica, bij Homerusἡ κοίλη Λακεδαίμωνgeheeten, omdat het in een kom van bergen gelegen was. Het was op onderscheidene heuvels gebouwd aan den rechteroever van den Eurōtas. Tot 206 was de stad niet ommuurd, doch niettemin sterk door hare ligging. Aan een der hoogste heuvels, waarop de tempel van Athēna Chalcioecus stond, werd de naam Acropolis gegeven. In dezen tempel stierf Pausanias den hongerdood. Aan den voet der Acropolis lag deagoramet deperzische gaanderij(στοὰ περσική), die uit den perzischen buit was gebouwd en waarvan het dak door beelden van Perzen op de wijze van caryatiden werd gedragen. Aan den Eurōtas lag dePlatanistas, eene door platanen belommerde oefenplaats der spartaansche jongelingschap. Tijdens den trojaanschen oorlog regeerde te Sparta Menelāus; het bekleedde toen geene voorname plaats onder de steden van de Peloponnesus en stond verre achter bij Argos. Na de dorische volksverhuizing kwam Sparta aan de beide zoons van den Heraclide Aristodēmus, de tweelingbroeders Eurysthenes en Procles. De zoon van Eurysthenes was Agis, naar wien het ééne koninklijke stamhuis genoemd wordt. De dorische stam was krijgshaftig en door de wetten van Lycurgus werd Sparta de militaire staat bij uitnemendheid van Griekenland. Dit ondervond Messenia (z. a.), en ook Athene dolf, grootendeels door eigen schuld, in den peloponnesischen oorlog het onderspit (404). Sedert dien tijd liet Sparta, niet altijd door eerlijke middelen, zich in Griekenland overwegend gelden, tot het door Epaminondas gefnuikt werd (371). Van nu af begon het tijdperk van verval, terwijl de toenemende oligarchie de macht in handen van enkele familiën bracht. Vruchteloos trachtte het zich tegen Macedonia aan te kanten. De pogingen van Agis III (z. a.), om eene hervorming tot stand te brengen, mislukten; beter slaagde Cleomenes III (z. a.), doch Arātus van Sicyon vreesde de macht van een herboren Sparta en de slag bij Sellasia (221) maakte een einde aan de regeering van Cleomenes. Met hem nam het huis der Heracliden een einde. Van nu af was Sparta overgeleverd aan de tyrannie; berucht zijn Machanidas (210–207) en Nabis (207–192). In 192 dwong Philopoemen, de strateeg van het achaeïsch verbond, Sparta tot dit verbond toe te treden, en in 189 werd het wegens poging tot afval streng gestraft en werd het overblijfsel der lycurgische wetgeving afgeschaft. De onderdrukte wrok der Spartanen verschafte den Rom. eene welkome gelegenheid om in Griekenland op bedekte wijze het twistvuur aan te blazen, totdat het land in 146 rom. provincie werd. Sparta bleef eenecivitas libera.—Zie ookLaconica.

Spartacus,Σπάρτακος, een Thraciër, achtereenvolgens herder, soldaat, roover, gevangene, zwaardvechter. Met omstreeks 70 metgezellen ontsnapte hij in 73 uit eene zwaardvechterskazerne te Capua. Reeds terstond behaalden zij eenig voordeel op de militie van Capua en bereikten den Vesuvius, doch zagen zich daar weldra ingesloten door 3000 man onder den propraetor C. Claudius Glaber, die den eenigen destijds bestaanden uitweg bezette. De zwaardvechters echter vlochten ladders van op den berg groeiende wilde wijngaardranken, kwamen daarlangs aan den steilen kant van den berg naar beneden, en vielenClaudius zoo onverhoeds op het lijf, dat zijn legioen de vlucht nam. Van alle zijden stroomden nu weggeloopen slaven toe; ook de praetor P. Varinius en zijne legaten Furius en Cossinius werden totaal verslagen. De slaven hadden zich nevens Spartacus nog twee aanvoerders gekozen, Crixus en Oenomaüs. De laatste schijnt reeds vroeg gesneuveld te zijn, tusschen de beide overige ontstond een ernstig verschil van gevoelen. Spartacus wilde zoo spoedig mogelijk met de zijnen, meest Thraciërs en Galliërs, Italië verlaten om naar hun vaderland terug te keeren; Crixus daarentegen had zich met 30000 man van hem afgescheiden om te moorden en te plunderen, daar zij niet wilden heengaan zonder den buit van Italië mede te nemen. Crixus sneuvelde in 72 met twee derden van zijn leger tegen den Consul L. Gellius Poplicola en den propraetor Q. Arrius, doch Spartacus versloeg eerst den anderen consul Cn. Cornelius Lentulus, daarna Gellius en toen den proconsul van Cisalpīna, C. Cassius. Na deze overwinning liet Spartacus bij een lijkfeest voor Crixus 300 rom. krijgsgevangenen als gladiatoren vechten. Hij had toen nog 120000 man bij zich, waarmede hij reeds tot aan den Padus (Po) was gekomen; thans echter weigerden zij zijne plannen verder te volgen, hij moest weder zuidwaarts trekken, doch kreeg nu te doen met den praetor M. Licinius Crassus, die er in zes maanden tijds in slaagde, de slaven in Lucania te verslaan, waarbij Spartacus met 60000 der zijnen volgens Livius of 12500 volgens Plutarchus sneuvelde (71). Zijn lijk werd niet gevonden. Zesduizend gevangenen werden langs den weg van Rome naar Capua gekruisigd, vijfduizend anderen, die met versnelde marschen de Alpen zochten te bereiken, liepen juist Pompeius in den mond op diens terugkeer uit Hispania.


Back to IndexNext