Chapter 67

Spartarius Campus=Campus Spartarius.Sparti,Σπαρτοί, z.Cadmus.Spartiānus(Aelius), een derscriptores historiae Augustae, schrijver der levens van eenige keizers nam. van Hadriānus, Marcus Aurelius, Verus, Septimius Sevērus, Pescennius Niger en Macrīnus. Ze zijn later overgewerkt.Spartocus,Σπάρτοκος, naam van een vijftal koningen der tweede dynastie van het bosporaansche rijk, van 438–284.Spartōlus,Σπάρτωλος, stad op Chalcidice, ten W. van Olynthus.Spasinu(Pasinu)Charax, zieCharax.Spectabilis, titel der tweede klasse van ambtenaren onder Constantijn den Gr.Spectio, z.auguria.Speculatōres, 1) spionnen in den oorlog.—2)lichte troepen, die op verkenning worden uitgezonden =exploratores.—3)ordonnansen.—4)bereden lijfwachten.Sperchēus,Σπερχειός, aanzienlijke rivier ten Z. van Thessalia, in het gebied der Dolopers en Aenianen, die zich in de Malische golf stort. Als riviergod is hij een der zoons van Oceanus en Gaea, en bij Polydōra, dochter van Peleus, de vader van Menesthius.Sperthias,Σπερθίας, z.Bulis.Spes, personificatie van de hoop. Zij had te Rome verscheiden tempels, de oudste hiervan was tijdens den eersten punischen oorlog aan het forum olitorium gebouwd, waar men haar den 1stenAugustus offers bracht. Zij wordt afgebeeld als een schoone, jonge vrouw, die met de linkerhand haar lang gewaad een weinig opheft, en in de rechterhand een ontluikende bloem draagt.Σπευσίνιοι, z.τοξόται.Speusippus,Σπεύσιππος, zoon eener zuster van Plato, werd door zijn oom met veel liefde en zorg opgevoed; naar het schijnt vergezelde hij hem op een zijner reizen naar Sicilië, waar hij kennis maakte met de leer van Pythagoras, waaruit hij het een en ander overnam. Na Plato’s dood stond Sp. aan het hoofd der academie, maar wegens lichaamszwakte kon hij slechts tot 339 als leeraar werkzaam zijn, en in 334 maakte hij door een vrijwilligen dood een einde aan zijn lijden. Hij was ongeveer 60 jaar oud geworden. Van zijn talrijke werken, die Aristoteles voor 3 talenten kocht, is niets bewaard gebleven.Sphacteria,Σφακτηρία, eilandje op de messenische kust, thans Sfagia, bekend in den peloponnesischen oorlog (ziePylusno. 3 enCleon).Sphaeria,Σφαιρία, eilandje op de kust van Argolis, nabij Troezen en Calauria.Sphaeristerium,σφαιριστήριον, zaal voor het bij de ouden zoo geliefkoosde bal- of kaatsspel, zooals men in de grieksche gymnasiën, de rom. badhuizen en ook in de huizen en op de buitenplaatsen der rijke Rom. vond.Sphagia,Σφαγία=Sphacteria.Sphendale,Σφενδάλη, vlek in het N.O. van Attica, tusschen den berg Parnes en de kust.Σφενδονῆται,funditores, slingeraars, lichtgewapenden, die met een slinger van leder, soms van biezen, in de oudste tijden van wol, looden kogels of groote steenen naar de vijanden wierpen. Onder de Grieken muntten de Rhodiërs uit door behendigheid en zekerheid in het behandelen van dit wapen, in de rom. legers dienden daarvoor vooral Balearen.Sphettus,Σφηττός, vlek in het Zuiden van Attica, aan den weg van Athene naar Sunium.Sphinx,Σφίγξ, dochter van Typhon en Echidna of van Orthrus en Chimaera, een monster met het hoofd en de borst eener vrouw en verder de gedaante van een leeuw met vleugels. Zij zat op een rots nabij Thebe en gaf den voorbijgangers een raadsel op, wie het niet kon oplossen, werd gedood. Het raadsel luidde: Welk wezen heeft nu eens vier, dan weer twee, dan weer drie voeten, en gaat langzamer naarmate het meer voeten heeft? Oedipus vond de oplossing (mensch), waarop de Sph. zich van de rots in de diepte stortte.—De aegyptische sphinxen hebben eveneens de gedaante van een leeuw, maar zijn ongevleugeld en hebben het hoofd van een man.Sphodrias,Σφοδρίας, spartaansch veldheer, die in 378 harmost van Thespiae was eneen aanval op den Piraeus deed. Toen deze aanval mislukt was, werd wel beweerd, dat Sph. zich door de Thebanen daartoe had laten omkoopen, om de Atheners in een oorlog met Sparta te wikkelen, doch toen hij daarvoor te Sparta werd aangeklaagd, wist Agesilāus zijn vrijspraak te bewerken. Hij sneuvelde in den slag bij Leuctra.Spina,Σπῖνα, 1) stad aan den zuidelijken mond van den Padus (Po), welke monding naar de stadostium Spineticumheet. De stad is waarschijnlijk oorspronkelijk umbrisch, maar reeds vroeg door Etruriërs bezet; ze is evenals Adria uitvoerhaven voor barnsteen.—2)stad in Gallia Transpadāna aan den Addua (Adda).Spina, ziecircus.Spino, beek bij Rome, niet nader bekend.Spinther, bijnaam van eenigeLentuliin degens Cornelia, z.Corneliino. 50.Spitamenes,Σπιταμένης, generaal van Darīus Codomannus, medeplichtige van Bessus. Ook nadat hij dezen uitgeleverd had, zette Sp. den oorlog tegen Alexander voort, zelfs wist hij scythische volksstammen tot een bondgenootschap te bewegen; toen echter zijne zaak hopeloos stond, werd hij door de Scythen gedood en zijn hoofd aan Alexander gezonden.Spithradātes, Spithrid.,Σπιθριδάτης, satraap van Ionië en Lydië onder Darīus Codomannus, werd in den slag bij den Granīcus, terwijl hij op Alexander zelf een aanval deed, door Clitus gedood.Spolatum=Spalatum.Spolētum, -tium,Σπολήτιον, thans Spoleto, umbrische stad aan de via Flaminia, in 241 lat. kolonie. In den burgeroorlog had het veel van Sulla te lijden en in later tijd van de Gothen.Spolia opīma.Onderspoliaverstaat men de wapenrusting, die de overwinnaar den verslagen vijand ontneemt. Dezespoliawordenopimagenoemd, wanneer de eene veldheer den anderen in den strijd eigenhandig doodt. Zoo behaalde Romulus de spolia opima in den strijd tegen de latijnsche Caeninensers, evenzoo de consul A. Cornelius (Corneliino. 3) in 428 op den vejentischen koning Tolumnius, en in 222 de consul M. Claudius Marcellus (Claudiino. 30) op den gallischen aanvoerder Virdumarus in den slag bij Clastidium.Σπονδοφόροι, zieOlympia(τὰ Ὀλ.).Sporades,Σποράδες, de eilanden, die in de Aegaeische zee tusschen Creta, Rhodus, de kust van Asia en de Cycladen verspreid liggen.Sportula, een mandje met eetwaren, zooals declientes(z. a.) ontvingen bij desalutatio matutina. Later werd het een geschenk in geld, en kreegsportulaede beteekenis van emolumenten, zooals presentiegelden en dgl.Spurīnae, etruscisch geslacht. 1)Spurina(Spurinna), een haruspex, zou Caesar in den ochtend van den moord gewaarschuwd hebben, dat hem een onheil dreigde.—2)Vestricius Spurina, streed in 69 n. C. voor Otho tegen Vitellius, overwon later alslegatus Germaniae Inferiorisde Bructeri; hij maakte ook latijnsche en grieksche gedichten. De gedichten, die op zijn naam staan, zijn onecht.Staberii.1)L. Staberius, aanhanger van Pompeius had het bevel te Apollonia op de epirotische kust, doch ontruimde het bij Caesar’s nadering in 48.—2)Staberius Eros, latijnsch taalkundige, schrijver van een werkde proportione, leermeester van Brutus en Cassius.—3)Staberius, een rijkaard bij Horatius, overigens geheel onbekend.Stabiae, oude stad aan de campaansche kust, ten Z. van Pompeii, door Sulla in den marsischen oorlog in 90 verwoest. Het herleefde later als villa-dorp, maar hoorde toen tot het grondgebied van Nuceria. In 79 n. C. werd het bij de uitbarsting van den Vesuvius onder de asch bedolven. Later komt het weer voor als badplaats, tgw. Castellamare di Stabia.Stadium,στάδιον, de renbaan in een gymnasium, ook de enkele wedloop, waarbij men eenmaal de baan afliep. Als afstandsmaat is het st. 600 gr. voet, ongeveer 182 m.; naam en lengteheeftdeze maat van de renbaan te Olympia.Stagīrus,Στάγειρος, ookStagīra,τὰ Στάγειρα, kolonie van Andrus, in het N.O. van Chalcidice, geboorteplaats van Aristoteles, op wiens verzoek Philippus van Macedonia de door hem verwoeste stad liet herbouwen.Staiēnus, naam in degens Aelia, zonder historisch belang. In Cicero’soratio pro Cluentiokomt zekereC. Aelius Paetus Staienusvoor, die een schurkachtig voogd en een omkoopbaar rechter was, en de som, waarmede hij ook andere rechters zou omkoopen, in zijn eigen zak stak.Staius Murcus(L.), veldheer van Caesar, belegerde met Q. Marcius Crispus (Marcii no. 11), Q. Caecilius Bassus (Caecilii no. 28) te Apamēa ad Orontem, maar sloot zich in Maart 43 bij Cassius aan, en werd als vlootvoogd naar de Adriatische zee gezonden, waar hij den overtocht van Antonius en Octaviānus niet wist tegen te gaan. Na den dood van Brutus en Cassius sloot hij zich met zijn vloot bij Sex. Pompeius aan, die hem echter spoedig liet ombrengen. V.a. was zijn naamStatius Murcus.Staphylus,Στάφυλος, zoon van Dionȳsus of Theseus en Ariadne of van Dionysus en Erigone, een van de Argonauten.Stasānor,Στασάνωρ, van Cyprus, onder Alexander satraap van Ariāne en Drangiāne, na Alexanders dood van Bactria en Sogdiāne, waar hij zich in weerwil van de aanvallen van Antigonus staande hield.Staseas, van Neapolis, peripatetisch wijsgeer, met Cicero bevriend.Stasicrates,Στασικράτης, z.Dinochares.Stasīnus,Στασῖνος, van Cyprus, waarschijnlijk uit de 8steeeuw, een van de cyclici, wien door sommigen een episch gedicht (Κύπρια ἔπη) werd toegeschreven, dat degebeurtenissenvan de bruiloft van Peleus tot aan het begin der Ilias behandelde.Stata Mater, eene godin, die te Rome aangeroepen werd tot afwering van branden. Zijwas in beteekenis verwant met Vulcānus en Vesta; haar beeld stond op het forum, waar ’s nachts te harer eer een vuur brandde.Stater,στατήρ, oorspronkelijk lydische gouden munt ter waarde van ongeveer 22 attische drachmen. Zij was niet slechts in Griekenland algemeen gangbaar, maar werd ook door vele grieksche staten geslagen en uitgegeven.Statielli, -ellātes, -ellenses, kleine ligurischevolksstam, tusschen den Padus (Po) en de Apennijnen, met de badplaatsaquae Statiellae.Statii.1)Statius Albius Oppianicus, rom. ridder, die zijn zwager en twee van zijn eigen zoons om het leven bracht, en zijn stiefzoon A. Cluentius Habitus trachtte te vermoorden, om zich diens fortuin toe te eigenen. Door Cluentius aangeklaagd, poogde hij zijn rechters om te koopen (zieStaiēnus), doch moest zich door vrijwillige ballingschap aan het vonnis onttrekken (74).—2)Statius Albius Oppianicus, zoon van no. 1, beschuldigde Cluentius (z. a.), dat deze den ouden Oppianicus had pogen te vergeven.—3)Statius Sebōsus, rom. zeevaarder, ontdekker der Canarische eilanden, en schrijver over aardrijkskunde, leefde in de eerste helft van de eerste eeuw n. C.—4)L. Statius Murcus, z.Staius Murcus.—5)M. Statius Priscus, rom. veldheer, veroverde ± 163 na C. de armenische hoofdstad Artaxata.—6)Statius, vrijgelatene van Q. Cicero, die veel invloed op hem had.—7)P. Papinius Statius(± 45–96 na C.), te Neapolis geboren, doch te Rome opgevoed, beroemd improvisator, dichter van twee epische gedichten,Thebais, in 12 boeken, enAchilleis(onvoltooid), alsmede van 5 boeken mengelpoëzie onder den naamSilvae.—8)Statius Caecilius, zieCaeciliino. 31.—9)Statius Gellius, zieGelliino. 1.Statilii.1)Statilius, een dapper marsisch krijgsman, die aan Rome trouw bleef, toen zijne landslieden tot Hannibal overgingen.—2)L. Statilius, een van de saamgezworenen van Catilīna, die Rome in brand zou steken.—3)Statilius, aanhanger van Cato van Utica, die zich bij Cato’s dood ook van het leven wilde berooven, doch door zijne vrienden hierin verhinderd werd en later bij Philippi in de handen zijner vijanden viel en gedood werd.—4)T. Statilius Taurus, legaat van Octaviānus, streed in 36 tegen Sex. Pompeius op Sicilia, veroverde na de afzetting van Lepidus Sicilia en Africa, streed in 34/33 in Dalmatia tegen de Dalmaten, stond aan het hoofd der landingstroepen bij Actium (31), onderwierp later (29) de Cantabriërs, Asturiërs en Vaccaeërs in Hispania, was in 26 consul, en werd in 25 doorAugustustot praefectus urbi benoemd. Uit eigen fondsen bouwde hij in 30 te Rome het eerste steenen amphitheater. Hij was een groot vriend van Augustus.—4a)T. Statilius Sisenna Taurus, consul in 16 n. C.—5)T. Statilius Taurus, consul 44 n. C., een rijk man, wiens moeder eene Valeria Messalīna (Corvīna) was, werd om zijne schatten aangeklaagd van knevelarij en tooverij (Z.Tarquitii), op aanstoken van Agrippīna, de gemalin van keizer Claudius. Hij benam zichzelf het leven (53).—6)Statilia Messalīna, dochter van no. 5, huwde in 65 n. C. met Vestīnus. Over dit huwelijk was keizer Nero woedend en hij liet hem in zijn huis vermoorden (zieVestinino.2), waarna hij Statilia tot vrouw nam. Later verloofde zij zich met Otho, wiens dood hem belette haar tot keizerin te verheffen.Statīra,Στάτειρα, 1) gemalin van Artaxerxes Mnemon, door hare schoonmoeder Parysatis vergiftigd.—2)gemalin van Darīus Codomannus, werd na den slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en stierf kort daarna.—3)z.Barsineno.1.Statonia, oude stad in Etruria ten N. van Volci, aan het riviertje Albinia en den lacus Statoniensis, ten W. van den lacus Volsiniensis.Stator, bijnaam van Jupiter, oorspronkelijk beteekenend: hij, die de vluchtende legers tot staan brengt; later gaven de Rom. er de beteekenis aan van instandhouder, bevestiger.Statorii.Q. Statorius, in 213 centurio onder de Scipio’s in Hispania, ging naar koning Syphax, om diens leger in den wapenhandel te oefenen.Stellās(Stellātis)campus, vruchtbare streek in het N. van Campania nabij den ager Falernus. Oorspronkelijk maakte deze streek een onderdeel uit van den ager Campānus (het land van Capua), maar in 211 werd ze ervan afgescheiden. In 59 bij de lex Iulia agraria werd ook de ager Stellas evenals de overige ager Campanus met kolonisten bevolkt.Stemmata, soort van loofwerk, waarmede deimagines maiorumtot een stamboom vereenigd werden.Stentor,Στέντωρ, een van de Grieken voor Troje, beroemd door zijn sterke stem. Hij kon zoo hard schreeuwen als 50 andere mannen.Stenyclērus,Στενύκληρος, oude stad in Messenia, eenmaal de residentie der messenische koningen uit de Doriërs.Stephanus,Στέφανος, beeldhouwer te Rome, uit de 2dehelft der eerste eeuw.Steropes,Στερόπης, een van de Cyclopen.Stertinii.1)L. Stertinius, als proconsul in 199 naar Hispania gezonden, bracht in 196 een buit van 50000 pond zilver naar Rome.—2)Stertinius, een stoicijnsch wijsgeer, bij Horatius in gesprek met Damasippus.—3)Q. Stertinius, een bekwaam arts onder de eerste keizers, evenals zijn broeder.—4)L. Stertinius, legatus van Germanicus, versloeg in 15 en 16 na C. de Bructeren en Angrivariërs en onderwierp Segimerus no.2.—5)L. Stertinius Avītus, dichter tijdens Domitiānus, een vriend van Martiālis.Stesagoras,Στησαγόρας, volgde zijn oom Miltiades no. 1 op en werd na eene korte regeering gedood. Hij was een oudere broeder van Miltiades no. 2.Stesichorus,Στησίχορος, van Himera, een van deberoemdstegrieksche lierdichters, 640–555. In een van zijne gedichten noemde hij Helena de oorzaak van al de rampen, die uit den trojaanschen oorlog voortgekomenwaren; tot straf daarvoor werd hij blind en hij kreeg het gezicht niet terug, voordat hij in eene palinodie (z. a.) verklaard had, dat slechts eene schijngestalte Paris naar Troje vergezeld had. Om politieke redenen moest hij uit Himera vluchten; zijn graf was te Catana nabij de naar hem genoemde poort.—Van zijne door de ouden hooggeprezen werken, waarvan slechts fragmenten bewaard zijn, hebben de meeste, wat hun inhoud betreft, veel overeenkomst met het epos; hij tracht echter in de oude mythen en sagen een zedelijke beteekenis te vinden en de rechtvaardigheid van het goddelijk wereldbestuur aan te toonen.Stesicles,Στησικλῆς, aanvoerder van een troep lichtgewapenden, door de Atheners aan Corcȳra te hulp gezonden, toen dit door Mnasippus belegerd werd (373).Stesimbrotus,Στησίμβροτος, van Thasus, leefde ten tijde van Cimon en Pericles te Athene als sophist en hield zich vooral met de verklaring van de gedichten van Homerus bezig. Zijne levensbeschrijvingen van Themistocles, Pericles e. a. schijnen weinig geloofwaardig geweest te zijn.Stheneboea,Σθενέβοια, zieAntēa. Naar haar wordt BellerophonStheneboius herosgenoemd.Sthenelus,Σθένελος, 1) zoon van Perseus en Andromeda, koning van Mycēnae, vader van Eurystheus.—2)zoon van Capaneus en Euadne, een der epigonen (z.Adrastus), vriend en krijgsmakker van Diomēdes voor Troje.—3)zoon van Androgeos, volgde Heracles op diens tocht tegen de Amazonen; later regeerde hij met zijn broeder Alcaeus over Thasus.—4)vader van Cycnus, naar hem wordt de zwaanSthenelēis volucrisgenoemd.—5)treurspeldichter te Athene, door Aristophanes e. a. om zijne weinig verheven gedichten bespot.Sthen(n)is,Σθέν(ν)ις, van Olynthus, beroemd beeldgieter ten tijde van Alexander d. G.Stheno,Σθε(ι)νώ, eene van de Gorgonen.Stibadium=Sigma.Stigma, het brandmerk, dat op het voorhoofd werd ingebrand, b.v. K voorcalumniatoresvolgens eene zekerelex Remmia, F voor weggeloopen slaven,fugitivi, of voor dieven,fures. Het schijnt, dat men zich niet altijd met ééne letter vergenoegde. Ook werd het merk niet altijd ingebrand, maar ook wel met een scherp gepunt werktuig ingegrift, zóó dat het litteeken bleef. Op deze wijze werden onder de latere keizers ook recruten en dwangarbeiders op den arm gemerkt.Stigmatias,στιγματίας, een gemerkte slaaf; ziestigma.Stilicho,Στελίχων, een Vandaal in rom. krijgsdienst, die het onder Theodosius den Gr. zoover bracht, dat hij met ’s keizers nicht en aangenomen dochter Serēna huwde. In 395 n. C. vertrouwde Theodosius hem de voogdij over den jeugdigen Honorius toe (z. a.), die achtereenvolgens Stilicho’s beide dochters tot vrouw kreeg. Stilicho verdedigde het westersche rijk met krachtige hand tegen de Germanen en tegen den Gothenvorst Alarik, totdat hij ten gevolge van hofkabalen in 408 op last van zijn keizerlijken schoonzoon in diens paleis werd omgebracht.Stilo Praeconīnus(L.Aelius), z.Aeliino. 7.Stilpo,Στίλπων, van Megara, scherpzinnig wijsgeer uit de megarische school in de tweede helft der 4deeeuw, leermeester van Zeno. Hij bestreed deideeënleervan Plato.Stilus, de metalen schrijfstift, waarmede men op dewastafeltjes,tabulae ceratae, schreef. Het boveneinde was plat, om het geschrevene, zoo het niet beviel, te kunnen uitwrijven. Vandaar de dichterlijke uitdrukkingstilum vertere.Stimula, oud-italische godin, die vooral bij vrouwen hevige hartstochten opwekt, later geïdentificeerd met Semele. Zij had een gewijd bosch buiten Rome aan den Tiber, waar de later door den senaat verboden Bacchanalia gevierd werden.Stipendium, 1) de soldij,μισθός, die te Rome tijdens het beleg van Veii werd ingevoerd, en niet in termijnen werd uitbetaald, maar eens in het jaar, op het einde van den veldtocht of van het dienstjaar, na aftrek van hetgeen de staat voor wapening en onderhoud had uitgegeven. Later werd de soldij naar dagen berekend, en bedroeg in den tijd van Polybius 5 lichteasses, sedert Caesar 10asses= ruim ƒ0.26. Depraetorianikregen van Augustus eerst 20asses, later 2denarii= ƒ0.84. Desocii(z. a.) ontvingen geen stipendium, doch werden kosteloos van het noodige voorzien.—2)de directe belastingen (wel te onderscheiden vanvectigalia) in de provinciën, waar de belastingplichtigenstipendiariiwerden genoemd. Twee provincies, Sicilia en Asia (van delex Semproniatot Caesar) betaaldentributum soli(z. a.) in plaats van stipendium.Stiris,Στεῖρις, stad in het Z. van Phocis.Στοά, zuilengang, 1)στ. βασιλικήofβασίλειοςofἡ τοῦ βασιλέως, het ambtslokaal van denἄρχων βασιλεύς(z.ἄρχοντες) te Athene. Aan dit gebouw ontleenen debasilicae(z. a.) hun naam en hun vorm.—2)στ.ποικίλη, z. het artikelAthenaep. 103, enZenono. 3.Stobaeus(Johannes),Ἰωάννης Στοβαῖος, van Stobi, leefde waarschijnlijk omstreeks 450 n. C. Eene door hem ten behoeve van zijn zoon aangelegde verzameling van uittreksels uit meer dan 500 grieksche dichters en prozaschrijvers is voor het grootste gedeelte bewaard gebleven, en is van groot belang voor de kennis van oudere schrijvers, wier werken overigens verloren gegaan zijn.Stobi,Στόβοι, hoofdstad van het macedonische gewest Paeonia, ongeveer aan de samenvloeiing van den Erigon met den Axius, in de vierde eeuw na C. door de Gothen verwoest.Stoechades insulae,Στοιχάδες νῆσοι, groep van vijf eilandjes op de kust van Gallia Narbonensis, tot het gebied van Massilia behoorende, thans Iles d’ Hyères.Stoeni, ligurisch volk, tot de Euganei behoorend, in 118 door Q.Marcius Rex onderworpen.Waarschijnlijk woonden ze ten N. van Verona.Stoici,Στωικοί, οἱ ἐκ τῆς στοᾶς, stoicijnen, wijsgeeren uit de school van Zeno (z. a. no. 3).Stola, het bovenkleed eener rom. dame, dat rondom tot op de voeten hing en waaraan nog een rand,instita, kon gehaakt worden, die van achteren een sleep vormde. De stola had korte mouwen. Aanmeretrīcesenadulterii damnataewas het dragen derstolaontzegd; deze waren verplicht zich in het openbaar in detogate vertoonen. Daar bij huiselijke bezigheden de stola hinderlijk kon zijn, droegen de dames een gordel (cingulum), ten einde haar kleed te kunnen opschorten.Stolo, familienaam in degens Licinia(Liciniino. 3 en 4).Strabo(=scheele), familienaam in onderscheidene gentes, alsg. Fannia, g. Iulia(Juliino. 5),g. Pompēia(Pompeiino. 9).Strabo,Στράβων, van Amasēa, geb. 66, wijdde zich, na grondige studie van wijsbegeerte en geschiedenis, geheel aan de beoefening der aardrijkskunde. Te dien einde ondernam hij groote reizen door Griekenland en Klein-Azië, ging hij westwaarts tot Sardinië, zuidwaarts tot Aethiopië, ook bezocht hij Rome, waar hij zich lang schijnt opgehouden te hebben, en bereisde hij Aegypte in gezelschap van Aelius Gallus. De vruchten van zijn onderzoek heeft hij nedergelegd in een groot werk,Γεωγραφικά, in 17 boeken, dat bijna volledig bewaard gebleven is, en voor de oude aardrijkskunde van het hoogste belang is. Het bevat, behalve de eigenlijke aardrijkskunde, vele bizonderheden over geschiedenis, staatsinrichting, zeden en gewoonten der beschreven landen. Van zijneὙπομνήματα ἱστορικά, een uitvoerig werk in ten minste 43 boeken, is slechts weinig bewaard gebleven. Str. stierf in 19 na C.Στρατηγός. Te Athene werd omstreeks 500 het opperbevel over het leger aan denπολέμαρχοςontnomen en opgedragen aan een collegie van 10 jaarlijks door het volk te verkiezenστρατηγοί. Zij waren de hoogste militaire overheid, hadden het geheele beheer van leger en vloot in handen en kregen, door het belangrijke van hun betrekking, weldra ook op politiek gebied grooten invloed. Aanvankelijk hadden zij waarschijnlijk allen gelijke bevoegdheden, tenzij door volksbesluit of onderlinge overeenkomst aan een van hen het opperbevel was opgedragen; in lateren tijd (ongeveer sedert 350) werden hun bij hun verkiezing speciale werkzaamheden toegewezen, en vindt men bijv. eenστρ. ἐπὶ τὴν φυλακὴν τῆς χώρας, eenστρ. ἐπὶ τὰς συμμορίας, enz.—Zie ookachaeïsch verbond.Strato,Στράτων, van Lampsacus, leerling van Theophrastus en na diens dood (287) gedurende 18 jaar hoofd der peripatetische school, beroemd door zijne omvangrijke geleerdheid en scherpzinnigheid. Hij beoefende vooral de natuurwetenschappen en verklaarde het ontstaan van het heelal uitsluitend uit de werking van natuurkrachten (vandaar zijn bijnaamΦυσικός, maar behandelde in zijne talrijke geschriften ook alle andere onderdeelen der wijsbegeerte. Hij stierf in 270.Stratocles,Στρατοκλῆς, 1) atheensch redenaar, tegenstander van Demosthenes.—2)atheensch veldheer in den oorlog tegen Philippus van Macedonië.—3)van Amphipolis, riep voor zijne vaderstad vruchteloos de hulp der Atheners tegen Philippus in en werd daarom later door dezen verbannen.Stratonīce,Στρατονίκη, dochter van Demetrius Poliorcētes, gehuwd met Seleucus Nicātor en later met diens zoon Antiochus (z. a. no. 2).Stratonicēa,Στρατονίκεια, 1) voorname stad in het binnenland van Caria, door den syrischen koning Antiochus I Soter (z. a.) gebouwd en ter eere zijner vrouw aldus genoemd. De stad en ook de omgeving heette vroeger Idrias. Bij deze stad stond de carische bondstempel van Zeus.—2)stad aan den Caīcus in Mysia, later Adrianupolis (Hadrianupolis) geheeten. Hier nam M. Perperna den kroonpretendent Aristonīcus gevangen (130).Stratonīcus,Στρατόνικος, 1) Athener, bekwaam toonkunstenaar, die vele leerlingen had. Hij was beroemd door zijne geestigheid, waarmede hij echter aan koning Nicocles van Salamis aanstoot gaf, die hem ter dood liet brengen.—2)van Cyzicus, een van de beeldhouwers, die de gevechten van Attalus en Eumenes tegen de Galliërs in beeld brachten (± 200).Stratonis turris,Στράτωνος πύργος, zieCaesarēano. 2.Strattis,Στράττις, 1) tyran van Chius ten tijde van de perzische oorlogen.—2)dichter der oude comedie, jonger tijdgenoot van Aristophanes.Stratus,Στράτος, 1) sterke hoofdstad van Acarnania, in het binnenland ten W. van den Achelōus gelegen, ± 260 door de Aetoliërs veroverd, en sedert in hun bezit.—2)stad in het W. van Arcadia, op de grenzen van Elis, in het gebied van Thelpūsa, dat daarover gedurig met Elis strijd voerde.—3)= het latere Dyme, in Achaia.Strenae, 1) nieuwjaarsgeschenken bij de Rom. vanwaar het franscheétrennes.—2)=omen.Striglis.Striglis, Strigilis,στλεγγίς, ξυστρίς, een krabber, waarvan men zich in Grieksche en Romeinsche badhuizen bediende, om na het worstelen, of na het heete luchtbad, het vuil en zweet van de huid te verwijderen: ziebalneum.Strombichides,Στρομβιχίδης, atheensch veldheer in het laatste gedeelte van den peloponnesischen oorlog, heroverde Lampsacus, dat van Athene afgevallen was (411). Hij verzette zich tegen den vrede van Theramenes (z. a.);daarom werd hij nog vóór het sluiten van den vrede op een valsche aanklacht van oligarchische zijde gevangen genomen en onder de 30 ter doodgebracht.Strongyle,Στρογγύλη, 1) het noordelijkste der Liparische eilanden ten N. van Sicilia, thans Stromboli.—2)oude naam van Naxus.Strongylion,Στρογγυλίων, atheensch beeldgieter op het einde der 5deeeuw, vooral beroemd door zijne paarden en stieren.Strophades,Στροφάδες, ookΠλωταίgeheeten, twee eilandjes in de ionische zee, ten Z.O. van Zacynthus (Zante). Zij behoorden tot het gebied van Cyparissia op de messenische kust en waren rijk aan wijn. Toen Calais en Zetes, zonen van Boreas, de Harpyieën vervolgden, staakten zij bij deze eilanden de vervolging en keerden toen om; vandaar de naam (vanστρέφειν).Strophium,στρόφιον, lange strook lijnwaad, soort van sjerp, die koordvormig werd ineengedraaid en door vrouwen en meisjes over het hemd om het lichaam werd gebonden tot steun voor de borsten. Tot dergelijk doel werd ook hetmamillaregebezigd, een platte band, soms van zacht leder, doch op het bloote lijf gedragen.Strophius,Στρόφιος, 1) koning van Phocis, gehuwd met eene zuster van Agamemnon, z.Orestes.—2)kleinzoon van den vorigen, zoon van Pylades en Electra.Stryme,Στρύμη, stad der Thasiërs op de thracische kust aan den mons Ismarus.Strymon,Στρυμών, belangrijke rivier van Macedonia, vóór Philippus grensrivier tegen Thracia. Hij ontsprong op den Scomius en liep aan de Oostzijde van Chalcidice in de Strymonische golf uit. Niet ver van den mond lag Amphipolis.Stubera,Στυβέρρα, stad in Pelagonia, het Z. W. gedeelte van het macedonische gewest Paeonia, tusschen den Axius (Vardar) en diens zijrivier Erigon.Stymphālus,Στύμφαλος, stad in het N.O. van Arcadia aan den mons Stymphalus en aan het stymphalische meer. Hier verdreef of doodde Heracles (z.a.) de stymphalische vogels. Het water liep door onderaardsche kanalen af.Styra,τὰ Στύρα, stad in Z. W. Euboea; de bevolking is van dryopischen stam.Styx,Στύξ, 1) arm van den Oceaan, die onder de aarde stroomt en negenmaal rondom de onderwereld loopt. De nimf van deze rivier is eene dochter van Oceanus en Tethys, gehuwd met den Titan Pallas; zij woont aan den ingang van den Tartarus in een grot met zilveren kolommen. Toen de Titanen tegen Zeus opstonden, was zij de eerste die hem hare kinderen, Zelus, Nice, Cratus en Bia, te hulp zond; daarom beloonde Zeus haar door te bepalen, dat de eed bij de Styx voor de goden heilig en onschendbaar zou zijn, terwijl hare kinderen op den Olympus bleven wonen.—2)rivier in noordelijk Arcadië, tegenwoordig Mavronera, waarvan het water volgens de ouden doodelijk is en alles verteert behalve ezels- of paardenhoeven.Suardones, germaansche volksstam in het N. van Germania, op den rechteroever van den Albis (Elbe); ze behooren tot die volkeren, die de godin Nerthus vereeren.Sub novis, sub veteribus.Langs een gedeelte der lange zijden van het forum stonden twee rijen vaste kramen of winkeltjes. Die aan den Zuidkant waren de oudste en de weg daarlangs werdsub veteribusgeheeten, terwijl de weg langs de winkels aan de Noordzijdesub noviswerd genoemd.Subertum, stad in het hart van Etruria, waarschijnlijk ten O. van denlacus Volsiniensis; juiste ligging onbekend.Sublaqueum, stad der Aequi, aan den Boven-Anio. In den keizertijd behoorde dit gebied tot Latium. In de nabijheid lag de prachtige villa van Claudius en Nero.Sublicius(pons), houten paalbrug, in het bijzonder de oude Tiberbrug te Rome, in den oorlog tegen Porsēna afgebroken. Toen zij weder herbouwd werd, geschiedde dit zonder er bouten of spijkers in te slaan; zij was zoo ineengevoegd, dat men ze in geval van nood geheel uiteen kon nemen.Subscriptio, de onderteekening eener aanklacht, in engeren zin de onderteekening door de medeaanklagers, terwijl dan de onderteekening door den hoofdbeschuldigerinscriptiowerd genoemd (z. a.).SubsolānusofSolānus, de Oostenwind, zieWindstreken.Subucula, ondertunica, meest van wol en van mouwen voorzien.Subūra, buurt van Rome met een zeer drukke winkelstraat, die van het forum in N.O. richting liep. De derderegiovan Servius Tullius heetteSuburāna.Sucro, rivier in het O. van Hispania, die ten Z. van Valentia in zee valt, thans Xucar, met eene gelijknamige stad in het gebied der Edetāni. De rivier heette vroeger Sicānus, zieSicilia.Sudatio, Sudatorium, ziebalneum.Sudēti montes,Σούδητα ὄρη, het W. gedeelte der tegenw. Sudeten, met het Ertsgebergte.Suēbi, uitgebreide en machtige volkenbond in Germania, een groot gedeelte van de latere Hoogduitschers. Hun land was in 100 gouwen verdeeld, waarvan elk 1000 krijgers kon leveren. Hun roem was, alles rondom hen zoover te verwoesten, dat zij geene naburen hadden. Onder Ariovistus neemt een gedeelte van het volk bezit van de door deHelvetiërsverlaten streken ten Zuiden van den Main, en dringt dan ook in den Elzas door, waar Caesar ze in 58 verslaat. Ook deSemnonesin Midden-Germania (tusschen Elbe en Spree) behoorden er toe. Bij Tacitus wordt O. Germania tusschen de Donau en de OostzeeSuebiagenoemd. Hun naam leeft nog voort inZwaben. In de 3deeeuw n. Chr. vormt een gedeelte van de Suebische stammen (vooral de Semnones) den nieuwen volkerenbond der Alamannen (z. a.).Suebicum mare, de Oostzee.Suessa.1)Suessa(Sessa)Aurunca, stad der Aurunci in Latium, aan den mons Massicus,col.lat.sedert 313, geboorteplaats van den dichter Lucilius.—2)Suessa Pometia, stad der Volsci in Latium, door Tarquinius Priscus veroverd, later door de Rom. verwoest. De ligging is onzeker.Suessetāni, volksstam in Tarraconensis, nabij den Ibērus (Ebro), in wier gebied de stad Corbio ligt.Suess(i)ōnes, machtig volk in het Z. van Belgica dat 50000 man op de been kon brengen en wier koning Divitiācus niet slechts over een aanzienlijk deel van Gallia heerschte, maar zelfs over een deel van Britannia. Hoofdstad: Nuviodūnum, later Augusta Suessionum geheeten, thans Soissons.Suessula, stad in Campania tusschen Calatia en Nola.Suetonii.1)C. Suetonius Paulīnus, beroemd veldheer, werd in 41 na C. stadhouder van Mauretania en drong dieper dan een zijner voorgangers in de binnenlanden van Africa door. In 59 werd hij naar Britannia gezonden, waar hij na een bloedigen strijd den opstand van Boudicca dempte, doch reeds in 61 werd hij, ten gevolge van lasterlijke beschuldigingen, door Nero teruggeroepen (ziePolyclitus). Later streed hij voor Otho in den slag bij Cremōna (69), doch onderwierp zich na diens dood aan Vitellius, waarbij hij op niet zeer eervolle wijze den schijn aannam, als zou door zijn opzettelijk toedoen Otho den slag hebben verloren.—2)C. Suetonius Tranquillusleefde ten tijde van Domitiānus, Traiānus en Hadriānus. Door den invloed van zijn vriend Plinius (minor) verkreeg hij van Traianus verschillende ambten, maar hij viel bij Hadrianus in ongenade, nadat hij onder dezen een post bij de kanselarij had bekleed alsmagister epistularum(ziescrinium). Zijn verder leven sleet hij met letterkundigen arbeid. Hij schreef de levens der eerste 12 keizers (van Caesar tot Domitianus), waarin hij zonder chronologische volgorde in eenvoudigen, helderen stijl tal van kleine bijzonderheden mededeelt (de vita Caesarum libri VIII), voorts over taalgeleerden, rhetoren, enz., alsmede de levens van Terentius, Horatius, Persius, Lucānus, Juvenālis, Plinius, samen behoorende tot een werkde viris illustribus.Suēvi=Suebi.Suffectusis de overheidspersoon, die voor de rest van hetambtsjaargekozen wordt, wanneer het ambt binnentijds openviel, b.v. door overlijden.Suffētes, titel der twee hoogste overheden te Carthago, die de uitvoerende macht bezaten, in den senaat het voorzitterschap bekleedden en somtijds ook het leger aanvoerden. Hun ambt werd hun, althans in den beginne, slechts voor één jaar opgedragen.Suffibulum, lange witte sluier, die van het hoofd naar achteren over den rug afhing en onder de kin met een gesp (fibula) werd vastgehecht, en die tot de dracht der vestaalsche maagden behoorde. Ook droegen de priesters dit kleedingstuk bij het offeren.Suffragia(sex), naam van 6 der 18 rom. riddercenturiën, vermoedelijk de drie dubbelcenturiën van Tarquinius,Ramn(ens)es, Titi(ens)esenLucer(ens)es prioresenposteriores. Welk verschil er tusschen deze zes en de overigeXII centuriae equitumwas, blijkt niet. Waarschijnlijk waren desex suffragiaeen tijd lang uitsluitend patricisch, de overige gemengd.Sugambri=Sygambri.Σύγκλητος ἐκκλησία, z.ἐκκλησία.Suillii.P. Suillius Rufus, schoonzoon van Ovidius, was eerst quaestor van Germanicus geweest, en werd in 24 na C. verbannen wegens omkoopbaarheid, doch kreeg onder de regeering van Claudius verlof naar Rome terug te keeren en wist toen wederom grooten invloed te verwerven. Zijne geldzucht dreef hem er toe, als verklikker en valsche aanklager tegen aanzienlijke mannen op te treden, totdat Nero zelf hem bij den senaat beschuldigde (58) en hij met ballingschap en verbeurdverklaring van een gedeelte zijner bezittingen werd gestraft.—2)M. Suillius Nerulīnus, zoon van no. 1, consul in 50 na C., werd na de veroordeeling zijns vaders van afpersingen beschuldigd, doch door Nero vrijgesproken. Onder Vespasianus was hij proconsul van Asia.Suiōnes, de tegenwoordige Zweden, bij Tacitus de naam der bewoners van Scandinavia, als goede zeevaarders bekend, wier schepen voor en achter gelijk gebouwd waren, zoodat zij in beide richtingen konden varen. ZieScandia.Συκοφάντηςwerd te Athene iemand genoemd, die uit winstbejag anderen met processen lastig viel. Bij de overmatige, tegenover sommige standen soms onrechtvaardige gestrengheid der atheensche rechters, konde een onbeteekenende of zelfs een geheel valsche aanklacht voor den aangeklaagde dikwijls lastig of gevaarlijk worden en daarom vond men het gewoonlijk veiliger een sycophant af te koopen, wanneer hij met een aanklacht dreigde, dan zich aan een proces te wagen. Meende men het boos opzet van een syc. te kunnen bewijzen, dan kon men hem bij den raad of het volk of, door deγραφὴ συκοφαντίας, bij de thesmotheten aanklagen.Sulla, familienaam in degens Cornelia(Corneliino. 52–54).Συλλογῆς, beambten of buitengewone commissarissen bij het financiewezen te Athene, wier werkkring niet nader bekend is, alleen wordt van hen vermeld, dat zij verbeurdverklaarde goederen der oligarchen in beslag namen.Sulmo,Σοῦλμον, 1) thans nog Sulmo, paelignische stad, de geboorteplaats van Ovidius, die hetgelidis uberrimus undisnoemt naar de koele bergstroompjes en bronnen in den omtrek. In den burgeroorlog werd het door Sulla verwoest, doch later herbouwd als kolonie.—2)volscische stad in Latium, die in de eerste eeuw na C. reeds geheel verdwenen was.Sulpiciae(leges) van den volkstribuun P.Sulpicius Rufus (Sulpiciino. 18) van 88, 1) tot terugroeping der ballingen, n.l. van hen, die na de woelingen van M. Livius Drusus in 91 en na delex Variade wijk hadden genomen.—2)dat de nieuwe italiaansche burgers (na den marsischen oorlog) en de vrijgelatenen over al de 35 tribus zouden worden verdeeld.—3)dat geen senator meer dan 2000 drachmen schuld zou mogen hebben (de inhoud dezer wet wordt alleen in het Grieksch vermeld).—4)dat niet Sulla, doch Marius het bevel in den mithradatischen oorlog zou voeren. Deze wetten werden, toen Sulla met zijn leger in de stad binnendrong, door den senaat ongeldig verklaard.Sulpicii, patricisch geslacht. 1)Ser. Sulpicius Camerīnus Cornūtus, consul in 500, bewerkte in 496 de hernieuwing van het verbond met Latium.—2)Ser. Sulp. Camer. Corn., consul in 461, tegenstander derlex Terentilla de legibus scribundis. In 454 was hij een der drie mannen, die naar Griekenland gezonden werden tot het bestudeeren der wetten aldaar.—3)Ser. Sulp. Camerinus, consul in 393, kantte zich sterk tegen het ontworpen plan der plebejers om naar Veii te verhuizen.—4)Q. Sulp. Longus, consulairtribuun in 390, liet de wacht, die de beklimming van het Capitool door de Galliërs niet had bespeurd, van de rots afwerpen.—5)Ser. Sulp. Praetextātus, consulairtribuun in 377 en 376, ontzette den burg van Tusculum, die door de Latijnen werd belegerd.—6)C. Sulp. Peticus, consul in 364, 361, 355, 353 en 351, dictator in 358, versloeg in 361 de Hernicers, in 358 de Galliërs, in 351 de Tarquiniërs, die gedwongen werden vrede te sluiten.—7)C. Sulp. Longus, consul in 337, 323 en 314, versloeg in 314 de Samnieten.—8)C. Sulp. Paterculus, consul in 258, voerde op Sardinia oorlog tegen de Carthagers.—9)P. Sulp. Galba Maximuswerd voor het jaar 211 tot consul gekozen zonder eenig ander curulisch ambt te hebben bekleed; hij beschermde met zijn ambtgenoot Cn. Fulvius Centumalus en den proconsul Q. Fulvius Flaccus Rome tegen eene overrompeling door Hannibal. In 203 was hij dictator comit. habend. causa en in 200 andermaal consul. De oorlog tegen Philippus van Macedonia werd hem toen opgedragen, waarin hij het volgende jaar door den toenmaligen consul P. Villius Tappulus werd vervangen.—10)C. Sulp. Galluswas in 168 krijgstribuun in het leger van Aemilius Paullus en voorspelde de maansverduistering in den nacht vóór den slag bij Pydna (21/22 Juni 168, volgens den Juliaanschen kalender); tegenwoordig neemt men aan, dat hij die maansverduistering niet voorspeld, maar uitgelegd en verklaard heeft. In 166 was hij consul en overwon de Liguriërs. In 164 werd hij belast met een onderzoek naar de klachten, tegen Eumenes van Pergamus ingebracht. Dat hij de sterrenkunde beoefende, is uit het bovenstaande reeds gebleken; ook was hij ervaren in de grieksche letterkunde.—11)Ser. Sulp. Galba, krijgstribuun, zocht uit haat tegen L. Aemilius Paullus, de volkstribunen over te halen om diens zegepraal te beletten. In 151 en 150 voerde hij als propraetor oorlog in Lusitania; hij werd eerst verslagen en pleegde later schandelijke woordbreuk, toen hij ongewapende krijgsgevangenen verraderlijk liet neerhouwen. Onder de weinigen die ontkwamen, behoorde Viriāthus. Om deze reden werd Galba in 149 door den volkstribuun L. Scribonius Libo (Scriboniino. 3), ondersteund door den 85-jarigen M. Cato, aangeklaagd. Hij ontging de veroordeeling slechts door bidden en smeeken. Hij was consul in 144 met L. Aurelius Cotta, z.Aureliino. 3. Hij was de beste redenaar van zijn tijd, hoewel ook Libo in dit opzicht niet gering te schatten was.—12)Ser. Sulp. Galba, zoon van no. 11, consul in 108, was in 100 onder de tegenstanders van Saturnīnus.—13)C. Sulp. Galba, zwager van C. Gracchus, was een goed redenaar. Hij werd in 110 veroordeeld, omdat hij zich door Jugurtha had laten omkoopen.—14)Ser. Sulp. Galbadiende in 90 als legaat voorspoedig tegen de opgestane bondgenooten.—15)P. Sulp. Galbawas aediel tegelijk met Cicero, doch tevergeefs diens mededinger naar het consulaat.—16)Ser. Sulp. Galba, legaat van Caesar in Gallia, dong in 49 vergeefs naar het consulaat en was later onder Caesars moordenaars. In den mutinensischen oorlog streed hij onder Hirtius tegen Antonius. Toen het driemanschap gesloten was, werd hij veroordeeld.—17)Ser. Sulp. Galba, rom. keizer, zieGalba.—18)P. Sulp. Rufus, een der meest beroemde redenaars van zijn tijd, riep in 94, toen hij nog de rechten van den senaat verdedigde, C. Norbānus (z.Norbanino. 1) voor het gerecht en vocht later als legaat met roem in den bondgenootenoorlog (89). Hij ging daarop tot de plebs over, en liet zich voor 88 tot volkstribuun kiezen, om aan de bondgenooten het volle genot van het burgerrecht te kunnen verschaffen (zieleges Sulpiciae); toen Sulla met zijn leger in Rome binnendrong, nam hij de vlucht, doch werd achterhaald en omgebracht.—19)Ser. Sulp. Rufus, voortreffelijk jurist en redenaar en kundig staatsman, was in 65 praetor en in 51 consul. Toen de burgeroorlog tusschen Caesar en Pompeius tot uitbarsting kwam, bleef hij een tijd lang besluiteloos, totdat hij eindelijk Caesars partij koos, door wien hij later als proconsul naar Achaia gezonden werd. Na Caesars dood weifelde hij opnieuw, bij welke partij hij zich zou aansluiten. Hij stierf kort daarop (43), 81 jaar oud, in de legerplaats van Antonius voor Mutina, waarheen hij door den senaat gezonden was om eene schikking te bewerken. Als grondig wetenschappelijk rechtsgeleerde had hij in zijn tijd vele leerlingen; hij was ook een vruchtbaar schrijver. Beroemd is zijn troostbrief aan Cicero bij het overlijden van diens dochter Tullia (45).—20)Ser. Sulp. Rufus, zoon van no. 19, door Cicero als een braaf en talentvol jongeling geprezen,diende onder Caesar in Gallia.—21)P. Sulp. Quirinius, consul in 12, onderwierp, als stadhouder van Syria ± 5, een volksstam in de bergen van Cilicia, vergezelde Augustus’ kleinzoon C. Caesar naar Armenia (1/2 n. C.), en was later wederom stadhouder van Syria. Als zoodanig heeft hij in 6 n. C. een census gehouden in Judaea, waarvan ook het N. T. gewag maakt. Hij heet daar Cyrenius,Κυρήνιος. Hij was een vriend van Tiberius, stierf kinderloos in 21 en werd op staatskosten begraven. Hij behoorde niet tot het patricisch geslacht der Sulpicii, maar stamde uit Lanuvium.—22)C. Sulp. Apollināris, in het tijdperk der Antonijnen, taalkundige, te Carthago geboren, leermeester van keizer Pertinax en van Aulus Gellius (Gelliino. 6), wijdde zich vooral aan de studie van Vergilius.—23)Sulpicia, dochter van no. 20, en nicht van M. Valerius Messala Corvinus (Valeriino. 28), dichteres, z.Albii.—24)Sulpicia, erotische dichteres onder Domitiānus. Het kleine gedicht Satira, dat haar naam draagt, is niet door haar geschreven.—25)Sulpicius Sevērus, zieSeverino. 3.Summānus, oorspronkelijk waarschijnlijk een bijnaam van Jupiter, later als een afzonderlijk god van nachtelijke onweders en luchtverschijnsels beschouwd. Hij had een tempel bij den Circus Maximus, waar hem den 20stenJuni een offer gebracht werd.Συμμορίαι, afdeelingen, waarin sedert 377 de atheensche burgerij voor de heffing derεἰσφοράverdeeld was. In iedere phyle waren tweeσυμμ., die ieder 60 van de rijkste burgers bevatten, de minder vermogenden werden zoo bij de verschillendeσυμμ.ingedeeld, dat iedere afdeeling een ongeveer gelijk belastbaar vermogen had. Werd nu eeneεἰσφοράuitgeschreven, dan werd deσυμμ.in haar geheel belast, de rijkste leden waren tot deπροεισφοράverplicht en konden van hunne medeleden de bijdragen innen, die door deἡγεμόνεςofἐπιμεληταὶ τῶν συμμοριῶνvastgesteld werden. In 358 werd eene dergelijke inrichting bij de triërarchie ingevoerd (z.συντέλεια, maar ondoelmatig bevonden, weshalve zij door eene wet van Demosthenes omstreeks 340 werd opgeheven.Συμπόσιον, z.δεῖπνον.Sumptuariae(leges), wetten tegen de weelde. De voornaamste zijn:de lex Oppiavan 215,Orchiavan ± 181,Fanniavan 161,Didiavan 143,Aemiliavan 115,Corneliavan 81,Iuliavan 46,Iuliavan 18. Keizer Tiberius verzette zich tegen het vaststellen van nieuwe en strengere wetten, daar hij inzag, dat deze toch niet hielpen.Σύνδικοι, 1) te Athene zij, die ten voordeele van eene der beide partijen in een proces voor de rechtbank het woord voeren. Volgens de wet moest wel ieder zijn eigen zaak verdedigen, maar met toestemming van de rechters mocht men, na zelf gesproken te hebben, ook anderen tot zijne verdediging laten optreden. Het was denσύνδικος(ookσυνήγοροςgenoemd) verboden, zich voor zijne redevoering (συνηγορία) te laten betalen.—2) z.ἐπιχειροτονίαno. 1.—3) eene buitengewone commissie, na de verdrijving der 30 aangesteld om het verwarde financiewezen te regelen. In het bizonder schijnt het hun taak geweest te zijn te onderzoeken, wie onder de 30 zich ten onrechte van staatsgoederen had meester gemaakt of van het zijne beroofd was.Συνήγορος, -γορία, z.σύνδικοι; ook de bijzitters der logisten heettenσυνήγοροι.Sunici, Sunuci, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Treviren, Ubiërs en Nerviërs.Sunium,Σούνιον, Zuidkaap van Attica, sedert 415 zeer versterkt en van twee havens voorzien. Binnen de, thans nog grootendeels bestaande, muren stond een beroemde Athēna-tempel, 300 voet boven de zee. Naar eenige nog overeind staande zuilen daarvan heet het voorgebergte thans kaap Colonne.Συνοίκια, ookμετοίκια, feest, te Athene den 16denHecatombaeon gevierd, ter herinnering aan de vereeniging van alle bewoners van Attica tot één staat (συνοικισμός).Συνωμοσία=ἑταιρία.Συντέλεια, onderafdeeling eenerσυμμορία. Wanneer aan eeneσυμμορίαeen triërarchie was opgelegd, dan werd zij in evenveelσυντέλειαι, verdeeld als er schepen noodig waren, zoodat iedereσυντ.voor één schip te zorgen had. Ieder lid derσυμμ.werd door deἐπιμεληταίbij eene of andereσυντ.ingedeeld, en wel zóó, dat iedere groep ongeveer hetzelfde vermogen vertegenwoordigde.Suovetaurilia, een offer, bestaande uit een ever, ram en stier, bij bijzonder plechtige gelegenheden, bijv. na afloop van den census, aan Mars gebracht.Superum mare, de Adriatische zee.Supparus, -parum, -pārum, een schoudermanteltje, een soort linnen tunica, meest door vrouwen over desubuculagedragen, zonder mouwen.Supplicatio, openbare verootmoediging voor het aangezicht der goden, boete-, bede- of dankdag, al naar gelang groote rampen of gevaren of wel luisterrijke overwinningen er de aanleiding toe waren. Zulk eenesupplicatioduurde oorspronkelijk slechts één dag, vervolgens meer dagen, totdat er ten laatste feesten voorkomen van 30 en 40 dagen. Zulk een bededag ging gepaard met offers, met omgangen door de stad, ook processies van vrouwen, onder het zingen van lofliederen ter eere der goden, met godenmaaltijden (zielectisternium). Enkele malen gelastte de senaat ook het houden van een openbaren maaltijd. Het bevelen (decernere) van zulke dagen behoorde als eene zaak van godsdienst geheel tot de bevoegdheid van den senaat, die echter zich liet adviseeren door de deskundige priestercollegiën, in de eerste plaats dat der pontifices.Sura, bijnaam van eenige Lentuli in degens Cornelia(Corneliino. 48).Surēna, bij de Parthen de eerste grootwaardigheidsbekleeder na den koning, diedezen hij de kroning de kroon op het hoofd zette. De rang is het best te vergelijken bij dien van een turksch grootvizier.Surrentum,Σούρρεντον, oude campaansche stad op het promunturium Minervae, tusschen de golven van Puteoli (g. v. Napels) en van Paestum (g. v. Salerno). De omliggendeSurrentini collesleverden voortreffelijken wijn op. Thans Sorrento.Susa,τὰ Σοῦσα=leliënstad, hoofdstad van het gewest Susiāne, ontleende zijn naam aan de tallooze leliën, die in den omtrek groeiden. Sedert Cyrus werd Susa om zijn warm klimaat de gewone winterresidentie der perzische koningen; in den zomer was het er ondragelijk heet, daar het land juist open lag voor de winden, die, uit Afrika komende, over de arabische zandwoestijnen heen streken. De huizen waren smal en diep, zonder bovenverdieping, van boven met eene laag aarde bedekt, op de wijze van kazematten. De plaats had geene muren, maar een sterken burg,τὰ Μεμνόνια, waarin zich het paleis en de schatkamers bevonden. Sedert 1850 na C. zijn hier vele beeldwerken en andere overblijfselen opgegraven. De stad was wijd uiteen gebouwd, zoodat zij, volgens verschillende opgaven, 120–200 stadiën (4–6⅔ uur gaans) in omtrek had. Hier traden Alexander de Gr. en zijne officieren met perzische vrouwen in den echt.Susarion,Σουσαρίων, van Megaris, vestigde zich in Attica en trad hier voor het eerst met het megarische blijspel op, omstreeks 570.Susiāne,Σουσιανή, Σουσίς, perzisch gewest tusschen den Beneden-Tigris en het Zagrusgeb. ten O. In overouden tijd bestond hier een zelfstandige staat, die zelfs over Babylon en Assyria moet geheerscht hebben, doch in het midden der 7deeeuw zijne onafhankelijkheid verloor. De oudste naam, waaronder de Grieken het kenden, wasCissia, CyssiaofCossia, naar de roofziekeCissaeiofCossaei, die de bergpassen naar Media beheerschten en zelfs de perzische koningen voor hun doortocht tol lieten betalen. In de vlakte woonden deElymaei, vreedzame landbouwers. In de bergen was het klimaat ruw, over dat van de vlakte zie menSusa.Συσσίτιαofφιδίτια, oudtijdsἀνδρεῖα, de verplichte gemeenschappelijke maaltijden van mannen in dorische staten, vooral op Creta en te Sparta bekend. Zij waren verdeeld in gezelschappen van ongeveer 15 personen, waarin men alleen met algemeene stemmen aangenomen werd. Op Creta werden deze maaltijden grootendeels door den staat bekostigd, te Sparta gaf daarentegen ieder deelnemer zijn bijdrage, deels in spijzen, deels in geld; wie deze bijdragen niet leverde of de maaltijden niet geregeld bijwoonde, verloor zijn burgerrecht. Het hoofdgerecht was de zwarte soep (αἱματία, μέλας ζωμός), verder gebruikte men brij, vleesch, kaas, vruchten en wijn. Buitengewone lekkernijen, zooals wild, brood e. dgl. (ἐπάικλα), kreeg men door vrijwillige bijdragen, zij mochten niet voor geld gekocht zijn. Op Creta was in iedere stad een gebouw (ἀνδρεῖον) voor deze maaltijden bestemd.Suthul, kasteel in Numidia, waar Jugurtha’s schatten geborgen lagen.Sutrium,Σούτριον, stad in Etruria, latijnsche kolonie sedert 383, aan den weg van Rome naar Volsinii, ten O. van den mons Ciminius.Svardones=Suardones.Sybaris,Σύβαρις, een monster, dat de omstreken van den Parnassus verwoestte en door Eurybates gedood werd. Z.Alcyoneus.Sybaris,Σύβαρις, beroemde grieksche stad aan een gelijknamig riviertje (zieCrathis), op de kust van Lucania aan de golf van Tarentum, omstreeks 720 door Achaeërs en Troezeners gesticht. Het dreef een levendigen handel en kon met zijne 25 onderhebbende steden 300000 (?) man tegen Croton in het veld brengen. De verwijfdheid evenwel der inwoners, zóó groot dat zij spreekwoordelijk is geworden, werd de oorzaak van den val der stad. In 510 werd Sybaris door de Crotoniaten verwoest. Zie verderThurii. Tengevolge van de twisten bij de stichting van Thurii verhuisden de afstammelingen der oude Sybarieten, die tot nu toe in Laüs en Scidrus gewoond hadden, naar een streek aan de Traïs, waar zeSybaris novastichtten.Sybota,τὰ Σύβοτα, eilandjes op de kust van Epīrus, tegenover de Zuidpunt van Corcȳra, waarbij in 432 de zeeslag tusschen de Corcyraeërs en de Corinthiërs voorviel, het voorspel van den peloponnesischen oorlog.Sychaeus=Sichaeus.

Spartarius Campus=Campus Spartarius.Sparti,Σπαρτοί, z.Cadmus.Spartiānus(Aelius), een derscriptores historiae Augustae, schrijver der levens van eenige keizers nam. van Hadriānus, Marcus Aurelius, Verus, Septimius Sevērus, Pescennius Niger en Macrīnus. Ze zijn later overgewerkt.Spartocus,Σπάρτοκος, naam van een vijftal koningen der tweede dynastie van het bosporaansche rijk, van 438–284.Spartōlus,Σπάρτωλος, stad op Chalcidice, ten W. van Olynthus.Spasinu(Pasinu)Charax, zieCharax.Spectabilis, titel der tweede klasse van ambtenaren onder Constantijn den Gr.Spectio, z.auguria.Speculatōres, 1) spionnen in den oorlog.—2)lichte troepen, die op verkenning worden uitgezonden =exploratores.—3)ordonnansen.—4)bereden lijfwachten.Sperchēus,Σπερχειός, aanzienlijke rivier ten Z. van Thessalia, in het gebied der Dolopers en Aenianen, die zich in de Malische golf stort. Als riviergod is hij een der zoons van Oceanus en Gaea, en bij Polydōra, dochter van Peleus, de vader van Menesthius.Sperthias,Σπερθίας, z.Bulis.Spes, personificatie van de hoop. Zij had te Rome verscheiden tempels, de oudste hiervan was tijdens den eersten punischen oorlog aan het forum olitorium gebouwd, waar men haar den 1stenAugustus offers bracht. Zij wordt afgebeeld als een schoone, jonge vrouw, die met de linkerhand haar lang gewaad een weinig opheft, en in de rechterhand een ontluikende bloem draagt.Σπευσίνιοι, z.τοξόται.Speusippus,Σπεύσιππος, zoon eener zuster van Plato, werd door zijn oom met veel liefde en zorg opgevoed; naar het schijnt vergezelde hij hem op een zijner reizen naar Sicilië, waar hij kennis maakte met de leer van Pythagoras, waaruit hij het een en ander overnam. Na Plato’s dood stond Sp. aan het hoofd der academie, maar wegens lichaamszwakte kon hij slechts tot 339 als leeraar werkzaam zijn, en in 334 maakte hij door een vrijwilligen dood een einde aan zijn lijden. Hij was ongeveer 60 jaar oud geworden. Van zijn talrijke werken, die Aristoteles voor 3 talenten kocht, is niets bewaard gebleven.Sphacteria,Σφακτηρία, eilandje op de messenische kust, thans Sfagia, bekend in den peloponnesischen oorlog (ziePylusno. 3 enCleon).Sphaeria,Σφαιρία, eilandje op de kust van Argolis, nabij Troezen en Calauria.Sphaeristerium,σφαιριστήριον, zaal voor het bij de ouden zoo geliefkoosde bal- of kaatsspel, zooals men in de grieksche gymnasiën, de rom. badhuizen en ook in de huizen en op de buitenplaatsen der rijke Rom. vond.Sphagia,Σφαγία=Sphacteria.Sphendale,Σφενδάλη, vlek in het N.O. van Attica, tusschen den berg Parnes en de kust.Σφενδονῆται,funditores, slingeraars, lichtgewapenden, die met een slinger van leder, soms van biezen, in de oudste tijden van wol, looden kogels of groote steenen naar de vijanden wierpen. Onder de Grieken muntten de Rhodiërs uit door behendigheid en zekerheid in het behandelen van dit wapen, in de rom. legers dienden daarvoor vooral Balearen.Sphettus,Σφηττός, vlek in het Zuiden van Attica, aan den weg van Athene naar Sunium.Sphinx,Σφίγξ, dochter van Typhon en Echidna of van Orthrus en Chimaera, een monster met het hoofd en de borst eener vrouw en verder de gedaante van een leeuw met vleugels. Zij zat op een rots nabij Thebe en gaf den voorbijgangers een raadsel op, wie het niet kon oplossen, werd gedood. Het raadsel luidde: Welk wezen heeft nu eens vier, dan weer twee, dan weer drie voeten, en gaat langzamer naarmate het meer voeten heeft? Oedipus vond de oplossing (mensch), waarop de Sph. zich van de rots in de diepte stortte.—De aegyptische sphinxen hebben eveneens de gedaante van een leeuw, maar zijn ongevleugeld en hebben het hoofd van een man.Sphodrias,Σφοδρίας, spartaansch veldheer, die in 378 harmost van Thespiae was eneen aanval op den Piraeus deed. Toen deze aanval mislukt was, werd wel beweerd, dat Sph. zich door de Thebanen daartoe had laten omkoopen, om de Atheners in een oorlog met Sparta te wikkelen, doch toen hij daarvoor te Sparta werd aangeklaagd, wist Agesilāus zijn vrijspraak te bewerken. Hij sneuvelde in den slag bij Leuctra.Spina,Σπῖνα, 1) stad aan den zuidelijken mond van den Padus (Po), welke monding naar de stadostium Spineticumheet. De stad is waarschijnlijk oorspronkelijk umbrisch, maar reeds vroeg door Etruriërs bezet; ze is evenals Adria uitvoerhaven voor barnsteen.—2)stad in Gallia Transpadāna aan den Addua (Adda).Spina, ziecircus.Spino, beek bij Rome, niet nader bekend.Spinther, bijnaam van eenigeLentuliin degens Cornelia, z.Corneliino. 50.Spitamenes,Σπιταμένης, generaal van Darīus Codomannus, medeplichtige van Bessus. Ook nadat hij dezen uitgeleverd had, zette Sp. den oorlog tegen Alexander voort, zelfs wist hij scythische volksstammen tot een bondgenootschap te bewegen; toen echter zijne zaak hopeloos stond, werd hij door de Scythen gedood en zijn hoofd aan Alexander gezonden.Spithradātes, Spithrid.,Σπιθριδάτης, satraap van Ionië en Lydië onder Darīus Codomannus, werd in den slag bij den Granīcus, terwijl hij op Alexander zelf een aanval deed, door Clitus gedood.Spolatum=Spalatum.Spolētum, -tium,Σπολήτιον, thans Spoleto, umbrische stad aan de via Flaminia, in 241 lat. kolonie. In den burgeroorlog had het veel van Sulla te lijden en in later tijd van de Gothen.Spolia opīma.Onderspoliaverstaat men de wapenrusting, die de overwinnaar den verslagen vijand ontneemt. Dezespoliawordenopimagenoemd, wanneer de eene veldheer den anderen in den strijd eigenhandig doodt. Zoo behaalde Romulus de spolia opima in den strijd tegen de latijnsche Caeninensers, evenzoo de consul A. Cornelius (Corneliino. 3) in 428 op den vejentischen koning Tolumnius, en in 222 de consul M. Claudius Marcellus (Claudiino. 30) op den gallischen aanvoerder Virdumarus in den slag bij Clastidium.Σπονδοφόροι, zieOlympia(τὰ Ὀλ.).Sporades,Σποράδες, de eilanden, die in de Aegaeische zee tusschen Creta, Rhodus, de kust van Asia en de Cycladen verspreid liggen.Sportula, een mandje met eetwaren, zooals declientes(z. a.) ontvingen bij desalutatio matutina. Later werd het een geschenk in geld, en kreegsportulaede beteekenis van emolumenten, zooals presentiegelden en dgl.Spurīnae, etruscisch geslacht. 1)Spurina(Spurinna), een haruspex, zou Caesar in den ochtend van den moord gewaarschuwd hebben, dat hem een onheil dreigde.—2)Vestricius Spurina, streed in 69 n. C. voor Otho tegen Vitellius, overwon later alslegatus Germaniae Inferiorisde Bructeri; hij maakte ook latijnsche en grieksche gedichten. De gedichten, die op zijn naam staan, zijn onecht.Staberii.1)L. Staberius, aanhanger van Pompeius had het bevel te Apollonia op de epirotische kust, doch ontruimde het bij Caesar’s nadering in 48.—2)Staberius Eros, latijnsch taalkundige, schrijver van een werkde proportione, leermeester van Brutus en Cassius.—3)Staberius, een rijkaard bij Horatius, overigens geheel onbekend.Stabiae, oude stad aan de campaansche kust, ten Z. van Pompeii, door Sulla in den marsischen oorlog in 90 verwoest. Het herleefde later als villa-dorp, maar hoorde toen tot het grondgebied van Nuceria. In 79 n. C. werd het bij de uitbarsting van den Vesuvius onder de asch bedolven. Later komt het weer voor als badplaats, tgw. Castellamare di Stabia.Stadium,στάδιον, de renbaan in een gymnasium, ook de enkele wedloop, waarbij men eenmaal de baan afliep. Als afstandsmaat is het st. 600 gr. voet, ongeveer 182 m.; naam en lengteheeftdeze maat van de renbaan te Olympia.Stagīrus,Στάγειρος, ookStagīra,τὰ Στάγειρα, kolonie van Andrus, in het N.O. van Chalcidice, geboorteplaats van Aristoteles, op wiens verzoek Philippus van Macedonia de door hem verwoeste stad liet herbouwen.Staiēnus, naam in degens Aelia, zonder historisch belang. In Cicero’soratio pro Cluentiokomt zekereC. Aelius Paetus Staienusvoor, die een schurkachtig voogd en een omkoopbaar rechter was, en de som, waarmede hij ook andere rechters zou omkoopen, in zijn eigen zak stak.Staius Murcus(L.), veldheer van Caesar, belegerde met Q. Marcius Crispus (Marcii no. 11), Q. Caecilius Bassus (Caecilii no. 28) te Apamēa ad Orontem, maar sloot zich in Maart 43 bij Cassius aan, en werd als vlootvoogd naar de Adriatische zee gezonden, waar hij den overtocht van Antonius en Octaviānus niet wist tegen te gaan. Na den dood van Brutus en Cassius sloot hij zich met zijn vloot bij Sex. Pompeius aan, die hem echter spoedig liet ombrengen. V.a. was zijn naamStatius Murcus.Staphylus,Στάφυλος, zoon van Dionȳsus of Theseus en Ariadne of van Dionysus en Erigone, een van de Argonauten.Stasānor,Στασάνωρ, van Cyprus, onder Alexander satraap van Ariāne en Drangiāne, na Alexanders dood van Bactria en Sogdiāne, waar hij zich in weerwil van de aanvallen van Antigonus staande hield.Staseas, van Neapolis, peripatetisch wijsgeer, met Cicero bevriend.Stasicrates,Στασικράτης, z.Dinochares.Stasīnus,Στασῖνος, van Cyprus, waarschijnlijk uit de 8steeeuw, een van de cyclici, wien door sommigen een episch gedicht (Κύπρια ἔπη) werd toegeschreven, dat degebeurtenissenvan de bruiloft van Peleus tot aan het begin der Ilias behandelde.Stata Mater, eene godin, die te Rome aangeroepen werd tot afwering van branden. Zijwas in beteekenis verwant met Vulcānus en Vesta; haar beeld stond op het forum, waar ’s nachts te harer eer een vuur brandde.Stater,στατήρ, oorspronkelijk lydische gouden munt ter waarde van ongeveer 22 attische drachmen. Zij was niet slechts in Griekenland algemeen gangbaar, maar werd ook door vele grieksche staten geslagen en uitgegeven.Statielli, -ellātes, -ellenses, kleine ligurischevolksstam, tusschen den Padus (Po) en de Apennijnen, met de badplaatsaquae Statiellae.Statii.1)Statius Albius Oppianicus, rom. ridder, die zijn zwager en twee van zijn eigen zoons om het leven bracht, en zijn stiefzoon A. Cluentius Habitus trachtte te vermoorden, om zich diens fortuin toe te eigenen. Door Cluentius aangeklaagd, poogde hij zijn rechters om te koopen (zieStaiēnus), doch moest zich door vrijwillige ballingschap aan het vonnis onttrekken (74).—2)Statius Albius Oppianicus, zoon van no. 1, beschuldigde Cluentius (z. a.), dat deze den ouden Oppianicus had pogen te vergeven.—3)Statius Sebōsus, rom. zeevaarder, ontdekker der Canarische eilanden, en schrijver over aardrijkskunde, leefde in de eerste helft van de eerste eeuw n. C.—4)L. Statius Murcus, z.Staius Murcus.—5)M. Statius Priscus, rom. veldheer, veroverde ± 163 na C. de armenische hoofdstad Artaxata.—6)Statius, vrijgelatene van Q. Cicero, die veel invloed op hem had.—7)P. Papinius Statius(± 45–96 na C.), te Neapolis geboren, doch te Rome opgevoed, beroemd improvisator, dichter van twee epische gedichten,Thebais, in 12 boeken, enAchilleis(onvoltooid), alsmede van 5 boeken mengelpoëzie onder den naamSilvae.—8)Statius Caecilius, zieCaeciliino. 31.—9)Statius Gellius, zieGelliino. 1.Statilii.1)Statilius, een dapper marsisch krijgsman, die aan Rome trouw bleef, toen zijne landslieden tot Hannibal overgingen.—2)L. Statilius, een van de saamgezworenen van Catilīna, die Rome in brand zou steken.—3)Statilius, aanhanger van Cato van Utica, die zich bij Cato’s dood ook van het leven wilde berooven, doch door zijne vrienden hierin verhinderd werd en later bij Philippi in de handen zijner vijanden viel en gedood werd.—4)T. Statilius Taurus, legaat van Octaviānus, streed in 36 tegen Sex. Pompeius op Sicilia, veroverde na de afzetting van Lepidus Sicilia en Africa, streed in 34/33 in Dalmatia tegen de Dalmaten, stond aan het hoofd der landingstroepen bij Actium (31), onderwierp later (29) de Cantabriërs, Asturiërs en Vaccaeërs in Hispania, was in 26 consul, en werd in 25 doorAugustustot praefectus urbi benoemd. Uit eigen fondsen bouwde hij in 30 te Rome het eerste steenen amphitheater. Hij was een groot vriend van Augustus.—4a)T. Statilius Sisenna Taurus, consul in 16 n. C.—5)T. Statilius Taurus, consul 44 n. C., een rijk man, wiens moeder eene Valeria Messalīna (Corvīna) was, werd om zijne schatten aangeklaagd van knevelarij en tooverij (Z.Tarquitii), op aanstoken van Agrippīna, de gemalin van keizer Claudius. Hij benam zichzelf het leven (53).—6)Statilia Messalīna, dochter van no. 5, huwde in 65 n. C. met Vestīnus. Over dit huwelijk was keizer Nero woedend en hij liet hem in zijn huis vermoorden (zieVestinino.2), waarna hij Statilia tot vrouw nam. Later verloofde zij zich met Otho, wiens dood hem belette haar tot keizerin te verheffen.Statīra,Στάτειρα, 1) gemalin van Artaxerxes Mnemon, door hare schoonmoeder Parysatis vergiftigd.—2)gemalin van Darīus Codomannus, werd na den slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en stierf kort daarna.—3)z.Barsineno.1.Statonia, oude stad in Etruria ten N. van Volci, aan het riviertje Albinia en den lacus Statoniensis, ten W. van den lacus Volsiniensis.Stator, bijnaam van Jupiter, oorspronkelijk beteekenend: hij, die de vluchtende legers tot staan brengt; later gaven de Rom. er de beteekenis aan van instandhouder, bevestiger.Statorii.Q. Statorius, in 213 centurio onder de Scipio’s in Hispania, ging naar koning Syphax, om diens leger in den wapenhandel te oefenen.Stellās(Stellātis)campus, vruchtbare streek in het N. van Campania nabij den ager Falernus. Oorspronkelijk maakte deze streek een onderdeel uit van den ager Campānus (het land van Capua), maar in 211 werd ze ervan afgescheiden. In 59 bij de lex Iulia agraria werd ook de ager Stellas evenals de overige ager Campanus met kolonisten bevolkt.Stemmata, soort van loofwerk, waarmede deimagines maiorumtot een stamboom vereenigd werden.Stentor,Στέντωρ, een van de Grieken voor Troje, beroemd door zijn sterke stem. Hij kon zoo hard schreeuwen als 50 andere mannen.Stenyclērus,Στενύκληρος, oude stad in Messenia, eenmaal de residentie der messenische koningen uit de Doriërs.Stephanus,Στέφανος, beeldhouwer te Rome, uit de 2dehelft der eerste eeuw.Steropes,Στερόπης, een van de Cyclopen.Stertinii.1)L. Stertinius, als proconsul in 199 naar Hispania gezonden, bracht in 196 een buit van 50000 pond zilver naar Rome.—2)Stertinius, een stoicijnsch wijsgeer, bij Horatius in gesprek met Damasippus.—3)Q. Stertinius, een bekwaam arts onder de eerste keizers, evenals zijn broeder.—4)L. Stertinius, legatus van Germanicus, versloeg in 15 en 16 na C. de Bructeren en Angrivariërs en onderwierp Segimerus no.2.—5)L. Stertinius Avītus, dichter tijdens Domitiānus, een vriend van Martiālis.Stesagoras,Στησαγόρας, volgde zijn oom Miltiades no. 1 op en werd na eene korte regeering gedood. Hij was een oudere broeder van Miltiades no. 2.Stesichorus,Στησίχορος, van Himera, een van deberoemdstegrieksche lierdichters, 640–555. In een van zijne gedichten noemde hij Helena de oorzaak van al de rampen, die uit den trojaanschen oorlog voortgekomenwaren; tot straf daarvoor werd hij blind en hij kreeg het gezicht niet terug, voordat hij in eene palinodie (z. a.) verklaard had, dat slechts eene schijngestalte Paris naar Troje vergezeld had. Om politieke redenen moest hij uit Himera vluchten; zijn graf was te Catana nabij de naar hem genoemde poort.—Van zijne door de ouden hooggeprezen werken, waarvan slechts fragmenten bewaard zijn, hebben de meeste, wat hun inhoud betreft, veel overeenkomst met het epos; hij tracht echter in de oude mythen en sagen een zedelijke beteekenis te vinden en de rechtvaardigheid van het goddelijk wereldbestuur aan te toonen.Stesicles,Στησικλῆς, aanvoerder van een troep lichtgewapenden, door de Atheners aan Corcȳra te hulp gezonden, toen dit door Mnasippus belegerd werd (373).Stesimbrotus,Στησίμβροτος, van Thasus, leefde ten tijde van Cimon en Pericles te Athene als sophist en hield zich vooral met de verklaring van de gedichten van Homerus bezig. Zijne levensbeschrijvingen van Themistocles, Pericles e. a. schijnen weinig geloofwaardig geweest te zijn.Stheneboea,Σθενέβοια, zieAntēa. Naar haar wordt BellerophonStheneboius herosgenoemd.Sthenelus,Σθένελος, 1) zoon van Perseus en Andromeda, koning van Mycēnae, vader van Eurystheus.—2)zoon van Capaneus en Euadne, een der epigonen (z.Adrastus), vriend en krijgsmakker van Diomēdes voor Troje.—3)zoon van Androgeos, volgde Heracles op diens tocht tegen de Amazonen; later regeerde hij met zijn broeder Alcaeus over Thasus.—4)vader van Cycnus, naar hem wordt de zwaanSthenelēis volucrisgenoemd.—5)treurspeldichter te Athene, door Aristophanes e. a. om zijne weinig verheven gedichten bespot.Sthen(n)is,Σθέν(ν)ις, van Olynthus, beroemd beeldgieter ten tijde van Alexander d. G.Stheno,Σθε(ι)νώ, eene van de Gorgonen.Stibadium=Sigma.Stigma, het brandmerk, dat op het voorhoofd werd ingebrand, b.v. K voorcalumniatoresvolgens eene zekerelex Remmia, F voor weggeloopen slaven,fugitivi, of voor dieven,fures. Het schijnt, dat men zich niet altijd met ééne letter vergenoegde. Ook werd het merk niet altijd ingebrand, maar ook wel met een scherp gepunt werktuig ingegrift, zóó dat het litteeken bleef. Op deze wijze werden onder de latere keizers ook recruten en dwangarbeiders op den arm gemerkt.Stigmatias,στιγματίας, een gemerkte slaaf; ziestigma.Stilicho,Στελίχων, een Vandaal in rom. krijgsdienst, die het onder Theodosius den Gr. zoover bracht, dat hij met ’s keizers nicht en aangenomen dochter Serēna huwde. In 395 n. C. vertrouwde Theodosius hem de voogdij over den jeugdigen Honorius toe (z. a.), die achtereenvolgens Stilicho’s beide dochters tot vrouw kreeg. Stilicho verdedigde het westersche rijk met krachtige hand tegen de Germanen en tegen den Gothenvorst Alarik, totdat hij ten gevolge van hofkabalen in 408 op last van zijn keizerlijken schoonzoon in diens paleis werd omgebracht.Stilo Praeconīnus(L.Aelius), z.Aeliino. 7.Stilpo,Στίλπων, van Megara, scherpzinnig wijsgeer uit de megarische school in de tweede helft der 4deeeuw, leermeester van Zeno. Hij bestreed deideeënleervan Plato.Stilus, de metalen schrijfstift, waarmede men op dewastafeltjes,tabulae ceratae, schreef. Het boveneinde was plat, om het geschrevene, zoo het niet beviel, te kunnen uitwrijven. Vandaar de dichterlijke uitdrukkingstilum vertere.Stimula, oud-italische godin, die vooral bij vrouwen hevige hartstochten opwekt, later geïdentificeerd met Semele. Zij had een gewijd bosch buiten Rome aan den Tiber, waar de later door den senaat verboden Bacchanalia gevierd werden.Stipendium, 1) de soldij,μισθός, die te Rome tijdens het beleg van Veii werd ingevoerd, en niet in termijnen werd uitbetaald, maar eens in het jaar, op het einde van den veldtocht of van het dienstjaar, na aftrek van hetgeen de staat voor wapening en onderhoud had uitgegeven. Later werd de soldij naar dagen berekend, en bedroeg in den tijd van Polybius 5 lichteasses, sedert Caesar 10asses= ruim ƒ0.26. Depraetorianikregen van Augustus eerst 20asses, later 2denarii= ƒ0.84. Desocii(z. a.) ontvingen geen stipendium, doch werden kosteloos van het noodige voorzien.—2)de directe belastingen (wel te onderscheiden vanvectigalia) in de provinciën, waar de belastingplichtigenstipendiariiwerden genoemd. Twee provincies, Sicilia en Asia (van delex Semproniatot Caesar) betaaldentributum soli(z. a.) in plaats van stipendium.Stiris,Στεῖρις, stad in het Z. van Phocis.Στοά, zuilengang, 1)στ. βασιλικήofβασίλειοςofἡ τοῦ βασιλέως, het ambtslokaal van denἄρχων βασιλεύς(z.ἄρχοντες) te Athene. Aan dit gebouw ontleenen debasilicae(z. a.) hun naam en hun vorm.—2)στ.ποικίλη, z. het artikelAthenaep. 103, enZenono. 3.Stobaeus(Johannes),Ἰωάννης Στοβαῖος, van Stobi, leefde waarschijnlijk omstreeks 450 n. C. Eene door hem ten behoeve van zijn zoon aangelegde verzameling van uittreksels uit meer dan 500 grieksche dichters en prozaschrijvers is voor het grootste gedeelte bewaard gebleven, en is van groot belang voor de kennis van oudere schrijvers, wier werken overigens verloren gegaan zijn.Stobi,Στόβοι, hoofdstad van het macedonische gewest Paeonia, ongeveer aan de samenvloeiing van den Erigon met den Axius, in de vierde eeuw na C. door de Gothen verwoest.Stoechades insulae,Στοιχάδες νῆσοι, groep van vijf eilandjes op de kust van Gallia Narbonensis, tot het gebied van Massilia behoorende, thans Iles d’ Hyères.Stoeni, ligurisch volk, tot de Euganei behoorend, in 118 door Q.Marcius Rex onderworpen.Waarschijnlijk woonden ze ten N. van Verona.Stoici,Στωικοί, οἱ ἐκ τῆς στοᾶς, stoicijnen, wijsgeeren uit de school van Zeno (z. a. no. 3).Stola, het bovenkleed eener rom. dame, dat rondom tot op de voeten hing en waaraan nog een rand,instita, kon gehaakt worden, die van achteren een sleep vormde. De stola had korte mouwen. Aanmeretrīcesenadulterii damnataewas het dragen derstolaontzegd; deze waren verplicht zich in het openbaar in detogate vertoonen. Daar bij huiselijke bezigheden de stola hinderlijk kon zijn, droegen de dames een gordel (cingulum), ten einde haar kleed te kunnen opschorten.Stolo, familienaam in degens Licinia(Liciniino. 3 en 4).Strabo(=scheele), familienaam in onderscheidene gentes, alsg. Fannia, g. Iulia(Juliino. 5),g. Pompēia(Pompeiino. 9).Strabo,Στράβων, van Amasēa, geb. 66, wijdde zich, na grondige studie van wijsbegeerte en geschiedenis, geheel aan de beoefening der aardrijkskunde. Te dien einde ondernam hij groote reizen door Griekenland en Klein-Azië, ging hij westwaarts tot Sardinië, zuidwaarts tot Aethiopië, ook bezocht hij Rome, waar hij zich lang schijnt opgehouden te hebben, en bereisde hij Aegypte in gezelschap van Aelius Gallus. De vruchten van zijn onderzoek heeft hij nedergelegd in een groot werk,Γεωγραφικά, in 17 boeken, dat bijna volledig bewaard gebleven is, en voor de oude aardrijkskunde van het hoogste belang is. Het bevat, behalve de eigenlijke aardrijkskunde, vele bizonderheden over geschiedenis, staatsinrichting, zeden en gewoonten der beschreven landen. Van zijneὙπομνήματα ἱστορικά, een uitvoerig werk in ten minste 43 boeken, is slechts weinig bewaard gebleven. Str. stierf in 19 na C.Στρατηγός. Te Athene werd omstreeks 500 het opperbevel over het leger aan denπολέμαρχοςontnomen en opgedragen aan een collegie van 10 jaarlijks door het volk te verkiezenστρατηγοί. Zij waren de hoogste militaire overheid, hadden het geheele beheer van leger en vloot in handen en kregen, door het belangrijke van hun betrekking, weldra ook op politiek gebied grooten invloed. Aanvankelijk hadden zij waarschijnlijk allen gelijke bevoegdheden, tenzij door volksbesluit of onderlinge overeenkomst aan een van hen het opperbevel was opgedragen; in lateren tijd (ongeveer sedert 350) werden hun bij hun verkiezing speciale werkzaamheden toegewezen, en vindt men bijv. eenστρ. ἐπὶ τὴν φυλακὴν τῆς χώρας, eenστρ. ἐπὶ τὰς συμμορίας, enz.—Zie ookachaeïsch verbond.Strato,Στράτων, van Lampsacus, leerling van Theophrastus en na diens dood (287) gedurende 18 jaar hoofd der peripatetische school, beroemd door zijne omvangrijke geleerdheid en scherpzinnigheid. Hij beoefende vooral de natuurwetenschappen en verklaarde het ontstaan van het heelal uitsluitend uit de werking van natuurkrachten (vandaar zijn bijnaamΦυσικός, maar behandelde in zijne talrijke geschriften ook alle andere onderdeelen der wijsbegeerte. Hij stierf in 270.Stratocles,Στρατοκλῆς, 1) atheensch redenaar, tegenstander van Demosthenes.—2)atheensch veldheer in den oorlog tegen Philippus van Macedonië.—3)van Amphipolis, riep voor zijne vaderstad vruchteloos de hulp der Atheners tegen Philippus in en werd daarom later door dezen verbannen.Stratonīce,Στρατονίκη, dochter van Demetrius Poliorcētes, gehuwd met Seleucus Nicātor en later met diens zoon Antiochus (z. a. no. 2).Stratonicēa,Στρατονίκεια, 1) voorname stad in het binnenland van Caria, door den syrischen koning Antiochus I Soter (z. a.) gebouwd en ter eere zijner vrouw aldus genoemd. De stad en ook de omgeving heette vroeger Idrias. Bij deze stad stond de carische bondstempel van Zeus.—2)stad aan den Caīcus in Mysia, later Adrianupolis (Hadrianupolis) geheeten. Hier nam M. Perperna den kroonpretendent Aristonīcus gevangen (130).Stratonīcus,Στρατόνικος, 1) Athener, bekwaam toonkunstenaar, die vele leerlingen had. Hij was beroemd door zijne geestigheid, waarmede hij echter aan koning Nicocles van Salamis aanstoot gaf, die hem ter dood liet brengen.—2)van Cyzicus, een van de beeldhouwers, die de gevechten van Attalus en Eumenes tegen de Galliërs in beeld brachten (± 200).Stratonis turris,Στράτωνος πύργος, zieCaesarēano. 2.Strattis,Στράττις, 1) tyran van Chius ten tijde van de perzische oorlogen.—2)dichter der oude comedie, jonger tijdgenoot van Aristophanes.Stratus,Στράτος, 1) sterke hoofdstad van Acarnania, in het binnenland ten W. van den Achelōus gelegen, ± 260 door de Aetoliërs veroverd, en sedert in hun bezit.—2)stad in het W. van Arcadia, op de grenzen van Elis, in het gebied van Thelpūsa, dat daarover gedurig met Elis strijd voerde.—3)= het latere Dyme, in Achaia.Strenae, 1) nieuwjaarsgeschenken bij de Rom. vanwaar het franscheétrennes.—2)=omen.Striglis.Striglis, Strigilis,στλεγγίς, ξυστρίς, een krabber, waarvan men zich in Grieksche en Romeinsche badhuizen bediende, om na het worstelen, of na het heete luchtbad, het vuil en zweet van de huid te verwijderen: ziebalneum.Strombichides,Στρομβιχίδης, atheensch veldheer in het laatste gedeelte van den peloponnesischen oorlog, heroverde Lampsacus, dat van Athene afgevallen was (411). Hij verzette zich tegen den vrede van Theramenes (z. a.);daarom werd hij nog vóór het sluiten van den vrede op een valsche aanklacht van oligarchische zijde gevangen genomen en onder de 30 ter doodgebracht.Strongyle,Στρογγύλη, 1) het noordelijkste der Liparische eilanden ten N. van Sicilia, thans Stromboli.—2)oude naam van Naxus.Strongylion,Στρογγυλίων, atheensch beeldgieter op het einde der 5deeeuw, vooral beroemd door zijne paarden en stieren.Strophades,Στροφάδες, ookΠλωταίgeheeten, twee eilandjes in de ionische zee, ten Z.O. van Zacynthus (Zante). Zij behoorden tot het gebied van Cyparissia op de messenische kust en waren rijk aan wijn. Toen Calais en Zetes, zonen van Boreas, de Harpyieën vervolgden, staakten zij bij deze eilanden de vervolging en keerden toen om; vandaar de naam (vanστρέφειν).Strophium,στρόφιον, lange strook lijnwaad, soort van sjerp, die koordvormig werd ineengedraaid en door vrouwen en meisjes over het hemd om het lichaam werd gebonden tot steun voor de borsten. Tot dergelijk doel werd ook hetmamillaregebezigd, een platte band, soms van zacht leder, doch op het bloote lijf gedragen.Strophius,Στρόφιος, 1) koning van Phocis, gehuwd met eene zuster van Agamemnon, z.Orestes.—2)kleinzoon van den vorigen, zoon van Pylades en Electra.Stryme,Στρύμη, stad der Thasiërs op de thracische kust aan den mons Ismarus.Strymon,Στρυμών, belangrijke rivier van Macedonia, vóór Philippus grensrivier tegen Thracia. Hij ontsprong op den Scomius en liep aan de Oostzijde van Chalcidice in de Strymonische golf uit. Niet ver van den mond lag Amphipolis.Stubera,Στυβέρρα, stad in Pelagonia, het Z. W. gedeelte van het macedonische gewest Paeonia, tusschen den Axius (Vardar) en diens zijrivier Erigon.Stymphālus,Στύμφαλος, stad in het N.O. van Arcadia aan den mons Stymphalus en aan het stymphalische meer. Hier verdreef of doodde Heracles (z.a.) de stymphalische vogels. Het water liep door onderaardsche kanalen af.Styra,τὰ Στύρα, stad in Z. W. Euboea; de bevolking is van dryopischen stam.Styx,Στύξ, 1) arm van den Oceaan, die onder de aarde stroomt en negenmaal rondom de onderwereld loopt. De nimf van deze rivier is eene dochter van Oceanus en Tethys, gehuwd met den Titan Pallas; zij woont aan den ingang van den Tartarus in een grot met zilveren kolommen. Toen de Titanen tegen Zeus opstonden, was zij de eerste die hem hare kinderen, Zelus, Nice, Cratus en Bia, te hulp zond; daarom beloonde Zeus haar door te bepalen, dat de eed bij de Styx voor de goden heilig en onschendbaar zou zijn, terwijl hare kinderen op den Olympus bleven wonen.—2)rivier in noordelijk Arcadië, tegenwoordig Mavronera, waarvan het water volgens de ouden doodelijk is en alles verteert behalve ezels- of paardenhoeven.Suardones, germaansche volksstam in het N. van Germania, op den rechteroever van den Albis (Elbe); ze behooren tot die volkeren, die de godin Nerthus vereeren.Sub novis, sub veteribus.Langs een gedeelte der lange zijden van het forum stonden twee rijen vaste kramen of winkeltjes. Die aan den Zuidkant waren de oudste en de weg daarlangs werdsub veteribusgeheeten, terwijl de weg langs de winkels aan de Noordzijdesub noviswerd genoemd.Subertum, stad in het hart van Etruria, waarschijnlijk ten O. van denlacus Volsiniensis; juiste ligging onbekend.Sublaqueum, stad der Aequi, aan den Boven-Anio. In den keizertijd behoorde dit gebied tot Latium. In de nabijheid lag de prachtige villa van Claudius en Nero.Sublicius(pons), houten paalbrug, in het bijzonder de oude Tiberbrug te Rome, in den oorlog tegen Porsēna afgebroken. Toen zij weder herbouwd werd, geschiedde dit zonder er bouten of spijkers in te slaan; zij was zoo ineengevoegd, dat men ze in geval van nood geheel uiteen kon nemen.Subscriptio, de onderteekening eener aanklacht, in engeren zin de onderteekening door de medeaanklagers, terwijl dan de onderteekening door den hoofdbeschuldigerinscriptiowerd genoemd (z. a.).SubsolānusofSolānus, de Oostenwind, zieWindstreken.Subucula, ondertunica, meest van wol en van mouwen voorzien.Subūra, buurt van Rome met een zeer drukke winkelstraat, die van het forum in N.O. richting liep. De derderegiovan Servius Tullius heetteSuburāna.Sucro, rivier in het O. van Hispania, die ten Z. van Valentia in zee valt, thans Xucar, met eene gelijknamige stad in het gebied der Edetāni. De rivier heette vroeger Sicānus, zieSicilia.Sudatio, Sudatorium, ziebalneum.Sudēti montes,Σούδητα ὄρη, het W. gedeelte der tegenw. Sudeten, met het Ertsgebergte.Suēbi, uitgebreide en machtige volkenbond in Germania, een groot gedeelte van de latere Hoogduitschers. Hun land was in 100 gouwen verdeeld, waarvan elk 1000 krijgers kon leveren. Hun roem was, alles rondom hen zoover te verwoesten, dat zij geene naburen hadden. Onder Ariovistus neemt een gedeelte van het volk bezit van de door deHelvetiërsverlaten streken ten Zuiden van den Main, en dringt dan ook in den Elzas door, waar Caesar ze in 58 verslaat. Ook deSemnonesin Midden-Germania (tusschen Elbe en Spree) behoorden er toe. Bij Tacitus wordt O. Germania tusschen de Donau en de OostzeeSuebiagenoemd. Hun naam leeft nog voort inZwaben. In de 3deeeuw n. Chr. vormt een gedeelte van de Suebische stammen (vooral de Semnones) den nieuwen volkerenbond der Alamannen (z. a.).Suebicum mare, de Oostzee.Suessa.1)Suessa(Sessa)Aurunca, stad der Aurunci in Latium, aan den mons Massicus,col.lat.sedert 313, geboorteplaats van den dichter Lucilius.—2)Suessa Pometia, stad der Volsci in Latium, door Tarquinius Priscus veroverd, later door de Rom. verwoest. De ligging is onzeker.Suessetāni, volksstam in Tarraconensis, nabij den Ibērus (Ebro), in wier gebied de stad Corbio ligt.Suess(i)ōnes, machtig volk in het Z. van Belgica dat 50000 man op de been kon brengen en wier koning Divitiācus niet slechts over een aanzienlijk deel van Gallia heerschte, maar zelfs over een deel van Britannia. Hoofdstad: Nuviodūnum, later Augusta Suessionum geheeten, thans Soissons.Suessula, stad in Campania tusschen Calatia en Nola.Suetonii.1)C. Suetonius Paulīnus, beroemd veldheer, werd in 41 na C. stadhouder van Mauretania en drong dieper dan een zijner voorgangers in de binnenlanden van Africa door. In 59 werd hij naar Britannia gezonden, waar hij na een bloedigen strijd den opstand van Boudicca dempte, doch reeds in 61 werd hij, ten gevolge van lasterlijke beschuldigingen, door Nero teruggeroepen (ziePolyclitus). Later streed hij voor Otho in den slag bij Cremōna (69), doch onderwierp zich na diens dood aan Vitellius, waarbij hij op niet zeer eervolle wijze den schijn aannam, als zou door zijn opzettelijk toedoen Otho den slag hebben verloren.—2)C. Suetonius Tranquillusleefde ten tijde van Domitiānus, Traiānus en Hadriānus. Door den invloed van zijn vriend Plinius (minor) verkreeg hij van Traianus verschillende ambten, maar hij viel bij Hadrianus in ongenade, nadat hij onder dezen een post bij de kanselarij had bekleed alsmagister epistularum(ziescrinium). Zijn verder leven sleet hij met letterkundigen arbeid. Hij schreef de levens der eerste 12 keizers (van Caesar tot Domitianus), waarin hij zonder chronologische volgorde in eenvoudigen, helderen stijl tal van kleine bijzonderheden mededeelt (de vita Caesarum libri VIII), voorts over taalgeleerden, rhetoren, enz., alsmede de levens van Terentius, Horatius, Persius, Lucānus, Juvenālis, Plinius, samen behoorende tot een werkde viris illustribus.Suēvi=Suebi.Suffectusis de overheidspersoon, die voor de rest van hetambtsjaargekozen wordt, wanneer het ambt binnentijds openviel, b.v. door overlijden.Suffētes, titel der twee hoogste overheden te Carthago, die de uitvoerende macht bezaten, in den senaat het voorzitterschap bekleedden en somtijds ook het leger aanvoerden. Hun ambt werd hun, althans in den beginne, slechts voor één jaar opgedragen.Suffibulum, lange witte sluier, die van het hoofd naar achteren over den rug afhing en onder de kin met een gesp (fibula) werd vastgehecht, en die tot de dracht der vestaalsche maagden behoorde. Ook droegen de priesters dit kleedingstuk bij het offeren.Suffragia(sex), naam van 6 der 18 rom. riddercenturiën, vermoedelijk de drie dubbelcenturiën van Tarquinius,Ramn(ens)es, Titi(ens)esenLucer(ens)es prioresenposteriores. Welk verschil er tusschen deze zes en de overigeXII centuriae equitumwas, blijkt niet. Waarschijnlijk waren desex suffragiaeen tijd lang uitsluitend patricisch, de overige gemengd.Sugambri=Sygambri.Σύγκλητος ἐκκλησία, z.ἐκκλησία.Suillii.P. Suillius Rufus, schoonzoon van Ovidius, was eerst quaestor van Germanicus geweest, en werd in 24 na C. verbannen wegens omkoopbaarheid, doch kreeg onder de regeering van Claudius verlof naar Rome terug te keeren en wist toen wederom grooten invloed te verwerven. Zijne geldzucht dreef hem er toe, als verklikker en valsche aanklager tegen aanzienlijke mannen op te treden, totdat Nero zelf hem bij den senaat beschuldigde (58) en hij met ballingschap en verbeurdverklaring van een gedeelte zijner bezittingen werd gestraft.—2)M. Suillius Nerulīnus, zoon van no. 1, consul in 50 na C., werd na de veroordeeling zijns vaders van afpersingen beschuldigd, doch door Nero vrijgesproken. Onder Vespasianus was hij proconsul van Asia.Suiōnes, de tegenwoordige Zweden, bij Tacitus de naam der bewoners van Scandinavia, als goede zeevaarders bekend, wier schepen voor en achter gelijk gebouwd waren, zoodat zij in beide richtingen konden varen. ZieScandia.Συκοφάντηςwerd te Athene iemand genoemd, die uit winstbejag anderen met processen lastig viel. Bij de overmatige, tegenover sommige standen soms onrechtvaardige gestrengheid der atheensche rechters, konde een onbeteekenende of zelfs een geheel valsche aanklacht voor den aangeklaagde dikwijls lastig of gevaarlijk worden en daarom vond men het gewoonlijk veiliger een sycophant af te koopen, wanneer hij met een aanklacht dreigde, dan zich aan een proces te wagen. Meende men het boos opzet van een syc. te kunnen bewijzen, dan kon men hem bij den raad of het volk of, door deγραφὴ συκοφαντίας, bij de thesmotheten aanklagen.Sulla, familienaam in degens Cornelia(Corneliino. 52–54).Συλλογῆς, beambten of buitengewone commissarissen bij het financiewezen te Athene, wier werkkring niet nader bekend is, alleen wordt van hen vermeld, dat zij verbeurdverklaarde goederen der oligarchen in beslag namen.Sulmo,Σοῦλμον, 1) thans nog Sulmo, paelignische stad, de geboorteplaats van Ovidius, die hetgelidis uberrimus undisnoemt naar de koele bergstroompjes en bronnen in den omtrek. In den burgeroorlog werd het door Sulla verwoest, doch later herbouwd als kolonie.—2)volscische stad in Latium, die in de eerste eeuw na C. reeds geheel verdwenen was.Sulpiciae(leges) van den volkstribuun P.Sulpicius Rufus (Sulpiciino. 18) van 88, 1) tot terugroeping der ballingen, n.l. van hen, die na de woelingen van M. Livius Drusus in 91 en na delex Variade wijk hadden genomen.—2)dat de nieuwe italiaansche burgers (na den marsischen oorlog) en de vrijgelatenen over al de 35 tribus zouden worden verdeeld.—3)dat geen senator meer dan 2000 drachmen schuld zou mogen hebben (de inhoud dezer wet wordt alleen in het Grieksch vermeld).—4)dat niet Sulla, doch Marius het bevel in den mithradatischen oorlog zou voeren. Deze wetten werden, toen Sulla met zijn leger in de stad binnendrong, door den senaat ongeldig verklaard.Sulpicii, patricisch geslacht. 1)Ser. Sulpicius Camerīnus Cornūtus, consul in 500, bewerkte in 496 de hernieuwing van het verbond met Latium.—2)Ser. Sulp. Camer. Corn., consul in 461, tegenstander derlex Terentilla de legibus scribundis. In 454 was hij een der drie mannen, die naar Griekenland gezonden werden tot het bestudeeren der wetten aldaar.—3)Ser. Sulp. Camerinus, consul in 393, kantte zich sterk tegen het ontworpen plan der plebejers om naar Veii te verhuizen.—4)Q. Sulp. Longus, consulairtribuun in 390, liet de wacht, die de beklimming van het Capitool door de Galliërs niet had bespeurd, van de rots afwerpen.—5)Ser. Sulp. Praetextātus, consulairtribuun in 377 en 376, ontzette den burg van Tusculum, die door de Latijnen werd belegerd.—6)C. Sulp. Peticus, consul in 364, 361, 355, 353 en 351, dictator in 358, versloeg in 361 de Hernicers, in 358 de Galliërs, in 351 de Tarquiniërs, die gedwongen werden vrede te sluiten.—7)C. Sulp. Longus, consul in 337, 323 en 314, versloeg in 314 de Samnieten.—8)C. Sulp. Paterculus, consul in 258, voerde op Sardinia oorlog tegen de Carthagers.—9)P. Sulp. Galba Maximuswerd voor het jaar 211 tot consul gekozen zonder eenig ander curulisch ambt te hebben bekleed; hij beschermde met zijn ambtgenoot Cn. Fulvius Centumalus en den proconsul Q. Fulvius Flaccus Rome tegen eene overrompeling door Hannibal. In 203 was hij dictator comit. habend. causa en in 200 andermaal consul. De oorlog tegen Philippus van Macedonia werd hem toen opgedragen, waarin hij het volgende jaar door den toenmaligen consul P. Villius Tappulus werd vervangen.—10)C. Sulp. Galluswas in 168 krijgstribuun in het leger van Aemilius Paullus en voorspelde de maansverduistering in den nacht vóór den slag bij Pydna (21/22 Juni 168, volgens den Juliaanschen kalender); tegenwoordig neemt men aan, dat hij die maansverduistering niet voorspeld, maar uitgelegd en verklaard heeft. In 166 was hij consul en overwon de Liguriërs. In 164 werd hij belast met een onderzoek naar de klachten, tegen Eumenes van Pergamus ingebracht. Dat hij de sterrenkunde beoefende, is uit het bovenstaande reeds gebleken; ook was hij ervaren in de grieksche letterkunde.—11)Ser. Sulp. Galba, krijgstribuun, zocht uit haat tegen L. Aemilius Paullus, de volkstribunen over te halen om diens zegepraal te beletten. In 151 en 150 voerde hij als propraetor oorlog in Lusitania; hij werd eerst verslagen en pleegde later schandelijke woordbreuk, toen hij ongewapende krijgsgevangenen verraderlijk liet neerhouwen. Onder de weinigen die ontkwamen, behoorde Viriāthus. Om deze reden werd Galba in 149 door den volkstribuun L. Scribonius Libo (Scriboniino. 3), ondersteund door den 85-jarigen M. Cato, aangeklaagd. Hij ontging de veroordeeling slechts door bidden en smeeken. Hij was consul in 144 met L. Aurelius Cotta, z.Aureliino. 3. Hij was de beste redenaar van zijn tijd, hoewel ook Libo in dit opzicht niet gering te schatten was.—12)Ser. Sulp. Galba, zoon van no. 11, consul in 108, was in 100 onder de tegenstanders van Saturnīnus.—13)C. Sulp. Galba, zwager van C. Gracchus, was een goed redenaar. Hij werd in 110 veroordeeld, omdat hij zich door Jugurtha had laten omkoopen.—14)Ser. Sulp. Galbadiende in 90 als legaat voorspoedig tegen de opgestane bondgenooten.—15)P. Sulp. Galbawas aediel tegelijk met Cicero, doch tevergeefs diens mededinger naar het consulaat.—16)Ser. Sulp. Galba, legaat van Caesar in Gallia, dong in 49 vergeefs naar het consulaat en was later onder Caesars moordenaars. In den mutinensischen oorlog streed hij onder Hirtius tegen Antonius. Toen het driemanschap gesloten was, werd hij veroordeeld.—17)Ser. Sulp. Galba, rom. keizer, zieGalba.—18)P. Sulp. Rufus, een der meest beroemde redenaars van zijn tijd, riep in 94, toen hij nog de rechten van den senaat verdedigde, C. Norbānus (z.Norbanino. 1) voor het gerecht en vocht later als legaat met roem in den bondgenootenoorlog (89). Hij ging daarop tot de plebs over, en liet zich voor 88 tot volkstribuun kiezen, om aan de bondgenooten het volle genot van het burgerrecht te kunnen verschaffen (zieleges Sulpiciae); toen Sulla met zijn leger in Rome binnendrong, nam hij de vlucht, doch werd achterhaald en omgebracht.—19)Ser. Sulp. Rufus, voortreffelijk jurist en redenaar en kundig staatsman, was in 65 praetor en in 51 consul. Toen de burgeroorlog tusschen Caesar en Pompeius tot uitbarsting kwam, bleef hij een tijd lang besluiteloos, totdat hij eindelijk Caesars partij koos, door wien hij later als proconsul naar Achaia gezonden werd. Na Caesars dood weifelde hij opnieuw, bij welke partij hij zich zou aansluiten. Hij stierf kort daarop (43), 81 jaar oud, in de legerplaats van Antonius voor Mutina, waarheen hij door den senaat gezonden was om eene schikking te bewerken. Als grondig wetenschappelijk rechtsgeleerde had hij in zijn tijd vele leerlingen; hij was ook een vruchtbaar schrijver. Beroemd is zijn troostbrief aan Cicero bij het overlijden van diens dochter Tullia (45).—20)Ser. Sulp. Rufus, zoon van no. 19, door Cicero als een braaf en talentvol jongeling geprezen,diende onder Caesar in Gallia.—21)P. Sulp. Quirinius, consul in 12, onderwierp, als stadhouder van Syria ± 5, een volksstam in de bergen van Cilicia, vergezelde Augustus’ kleinzoon C. Caesar naar Armenia (1/2 n. C.), en was later wederom stadhouder van Syria. Als zoodanig heeft hij in 6 n. C. een census gehouden in Judaea, waarvan ook het N. T. gewag maakt. Hij heet daar Cyrenius,Κυρήνιος. Hij was een vriend van Tiberius, stierf kinderloos in 21 en werd op staatskosten begraven. Hij behoorde niet tot het patricisch geslacht der Sulpicii, maar stamde uit Lanuvium.—22)C. Sulp. Apollināris, in het tijdperk der Antonijnen, taalkundige, te Carthago geboren, leermeester van keizer Pertinax en van Aulus Gellius (Gelliino. 6), wijdde zich vooral aan de studie van Vergilius.—23)Sulpicia, dochter van no. 20, en nicht van M. Valerius Messala Corvinus (Valeriino. 28), dichteres, z.Albii.—24)Sulpicia, erotische dichteres onder Domitiānus. Het kleine gedicht Satira, dat haar naam draagt, is niet door haar geschreven.—25)Sulpicius Sevērus, zieSeverino. 3.Summānus, oorspronkelijk waarschijnlijk een bijnaam van Jupiter, later als een afzonderlijk god van nachtelijke onweders en luchtverschijnsels beschouwd. Hij had een tempel bij den Circus Maximus, waar hem den 20stenJuni een offer gebracht werd.Συμμορίαι, afdeelingen, waarin sedert 377 de atheensche burgerij voor de heffing derεἰσφοράverdeeld was. In iedere phyle waren tweeσυμμ., die ieder 60 van de rijkste burgers bevatten, de minder vermogenden werden zoo bij de verschillendeσυμμ.ingedeeld, dat iedere afdeeling een ongeveer gelijk belastbaar vermogen had. Werd nu eeneεἰσφοράuitgeschreven, dan werd deσυμμ.in haar geheel belast, de rijkste leden waren tot deπροεισφοράverplicht en konden van hunne medeleden de bijdragen innen, die door deἡγεμόνεςofἐπιμεληταὶ τῶν συμμοριῶνvastgesteld werden. In 358 werd eene dergelijke inrichting bij de triërarchie ingevoerd (z.συντέλεια, maar ondoelmatig bevonden, weshalve zij door eene wet van Demosthenes omstreeks 340 werd opgeheven.Συμπόσιον, z.δεῖπνον.Sumptuariae(leges), wetten tegen de weelde. De voornaamste zijn:de lex Oppiavan 215,Orchiavan ± 181,Fanniavan 161,Didiavan 143,Aemiliavan 115,Corneliavan 81,Iuliavan 46,Iuliavan 18. Keizer Tiberius verzette zich tegen het vaststellen van nieuwe en strengere wetten, daar hij inzag, dat deze toch niet hielpen.Σύνδικοι, 1) te Athene zij, die ten voordeele van eene der beide partijen in een proces voor de rechtbank het woord voeren. Volgens de wet moest wel ieder zijn eigen zaak verdedigen, maar met toestemming van de rechters mocht men, na zelf gesproken te hebben, ook anderen tot zijne verdediging laten optreden. Het was denσύνδικος(ookσυνήγοροςgenoemd) verboden, zich voor zijne redevoering (συνηγορία) te laten betalen.—2) z.ἐπιχειροτονίαno. 1.—3) eene buitengewone commissie, na de verdrijving der 30 aangesteld om het verwarde financiewezen te regelen. In het bizonder schijnt het hun taak geweest te zijn te onderzoeken, wie onder de 30 zich ten onrechte van staatsgoederen had meester gemaakt of van het zijne beroofd was.Συνήγορος, -γορία, z.σύνδικοι; ook de bijzitters der logisten heettenσυνήγοροι.Sunici, Sunuci, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Treviren, Ubiërs en Nerviërs.Sunium,Σούνιον, Zuidkaap van Attica, sedert 415 zeer versterkt en van twee havens voorzien. Binnen de, thans nog grootendeels bestaande, muren stond een beroemde Athēna-tempel, 300 voet boven de zee. Naar eenige nog overeind staande zuilen daarvan heet het voorgebergte thans kaap Colonne.Συνοίκια, ookμετοίκια, feest, te Athene den 16denHecatombaeon gevierd, ter herinnering aan de vereeniging van alle bewoners van Attica tot één staat (συνοικισμός).Συνωμοσία=ἑταιρία.Συντέλεια, onderafdeeling eenerσυμμορία. Wanneer aan eeneσυμμορίαeen triërarchie was opgelegd, dan werd zij in evenveelσυντέλειαι, verdeeld als er schepen noodig waren, zoodat iedereσυντ.voor één schip te zorgen had. Ieder lid derσυμμ.werd door deἐπιμεληταίbij eene of andereσυντ.ingedeeld, en wel zóó, dat iedere groep ongeveer hetzelfde vermogen vertegenwoordigde.Suovetaurilia, een offer, bestaande uit een ever, ram en stier, bij bijzonder plechtige gelegenheden, bijv. na afloop van den census, aan Mars gebracht.Superum mare, de Adriatische zee.Supparus, -parum, -pārum, een schoudermanteltje, een soort linnen tunica, meest door vrouwen over desubuculagedragen, zonder mouwen.Supplicatio, openbare verootmoediging voor het aangezicht der goden, boete-, bede- of dankdag, al naar gelang groote rampen of gevaren of wel luisterrijke overwinningen er de aanleiding toe waren. Zulk eenesupplicatioduurde oorspronkelijk slechts één dag, vervolgens meer dagen, totdat er ten laatste feesten voorkomen van 30 en 40 dagen. Zulk een bededag ging gepaard met offers, met omgangen door de stad, ook processies van vrouwen, onder het zingen van lofliederen ter eere der goden, met godenmaaltijden (zielectisternium). Enkele malen gelastte de senaat ook het houden van een openbaren maaltijd. Het bevelen (decernere) van zulke dagen behoorde als eene zaak van godsdienst geheel tot de bevoegdheid van den senaat, die echter zich liet adviseeren door de deskundige priestercollegiën, in de eerste plaats dat der pontifices.Sura, bijnaam van eenige Lentuli in degens Cornelia(Corneliino. 48).Surēna, bij de Parthen de eerste grootwaardigheidsbekleeder na den koning, diedezen hij de kroning de kroon op het hoofd zette. De rang is het best te vergelijken bij dien van een turksch grootvizier.Surrentum,Σούρρεντον, oude campaansche stad op het promunturium Minervae, tusschen de golven van Puteoli (g. v. Napels) en van Paestum (g. v. Salerno). De omliggendeSurrentini collesleverden voortreffelijken wijn op. Thans Sorrento.Susa,τὰ Σοῦσα=leliënstad, hoofdstad van het gewest Susiāne, ontleende zijn naam aan de tallooze leliën, die in den omtrek groeiden. Sedert Cyrus werd Susa om zijn warm klimaat de gewone winterresidentie der perzische koningen; in den zomer was het er ondragelijk heet, daar het land juist open lag voor de winden, die, uit Afrika komende, over de arabische zandwoestijnen heen streken. De huizen waren smal en diep, zonder bovenverdieping, van boven met eene laag aarde bedekt, op de wijze van kazematten. De plaats had geene muren, maar een sterken burg,τὰ Μεμνόνια, waarin zich het paleis en de schatkamers bevonden. Sedert 1850 na C. zijn hier vele beeldwerken en andere overblijfselen opgegraven. De stad was wijd uiteen gebouwd, zoodat zij, volgens verschillende opgaven, 120–200 stadiën (4–6⅔ uur gaans) in omtrek had. Hier traden Alexander de Gr. en zijne officieren met perzische vrouwen in den echt.Susarion,Σουσαρίων, van Megaris, vestigde zich in Attica en trad hier voor het eerst met het megarische blijspel op, omstreeks 570.Susiāne,Σουσιανή, Σουσίς, perzisch gewest tusschen den Beneden-Tigris en het Zagrusgeb. ten O. In overouden tijd bestond hier een zelfstandige staat, die zelfs over Babylon en Assyria moet geheerscht hebben, doch in het midden der 7deeeuw zijne onafhankelijkheid verloor. De oudste naam, waaronder de Grieken het kenden, wasCissia, CyssiaofCossia, naar de roofziekeCissaeiofCossaei, die de bergpassen naar Media beheerschten en zelfs de perzische koningen voor hun doortocht tol lieten betalen. In de vlakte woonden deElymaei, vreedzame landbouwers. In de bergen was het klimaat ruw, over dat van de vlakte zie menSusa.Συσσίτιαofφιδίτια, oudtijdsἀνδρεῖα, de verplichte gemeenschappelijke maaltijden van mannen in dorische staten, vooral op Creta en te Sparta bekend. Zij waren verdeeld in gezelschappen van ongeveer 15 personen, waarin men alleen met algemeene stemmen aangenomen werd. Op Creta werden deze maaltijden grootendeels door den staat bekostigd, te Sparta gaf daarentegen ieder deelnemer zijn bijdrage, deels in spijzen, deels in geld; wie deze bijdragen niet leverde of de maaltijden niet geregeld bijwoonde, verloor zijn burgerrecht. Het hoofdgerecht was de zwarte soep (αἱματία, μέλας ζωμός), verder gebruikte men brij, vleesch, kaas, vruchten en wijn. Buitengewone lekkernijen, zooals wild, brood e. dgl. (ἐπάικλα), kreeg men door vrijwillige bijdragen, zij mochten niet voor geld gekocht zijn. Op Creta was in iedere stad een gebouw (ἀνδρεῖον) voor deze maaltijden bestemd.Suthul, kasteel in Numidia, waar Jugurtha’s schatten geborgen lagen.Sutrium,Σούτριον, stad in Etruria, latijnsche kolonie sedert 383, aan den weg van Rome naar Volsinii, ten O. van den mons Ciminius.Svardones=Suardones.Sybaris,Σύβαρις, een monster, dat de omstreken van den Parnassus verwoestte en door Eurybates gedood werd. Z.Alcyoneus.Sybaris,Σύβαρις, beroemde grieksche stad aan een gelijknamig riviertje (zieCrathis), op de kust van Lucania aan de golf van Tarentum, omstreeks 720 door Achaeërs en Troezeners gesticht. Het dreef een levendigen handel en kon met zijne 25 onderhebbende steden 300000 (?) man tegen Croton in het veld brengen. De verwijfdheid evenwel der inwoners, zóó groot dat zij spreekwoordelijk is geworden, werd de oorzaak van den val der stad. In 510 werd Sybaris door de Crotoniaten verwoest. Zie verderThurii. Tengevolge van de twisten bij de stichting van Thurii verhuisden de afstammelingen der oude Sybarieten, die tot nu toe in Laüs en Scidrus gewoond hadden, naar een streek aan de Traïs, waar zeSybaris novastichtten.Sybota,τὰ Σύβοτα, eilandjes op de kust van Epīrus, tegenover de Zuidpunt van Corcȳra, waarbij in 432 de zeeslag tusschen de Corcyraeërs en de Corinthiërs voorviel, het voorspel van den peloponnesischen oorlog.Sychaeus=Sichaeus.

Spartarius Campus=Campus Spartarius.

Sparti,Σπαρτοί, z.Cadmus.

Spartiānus(Aelius), een derscriptores historiae Augustae, schrijver der levens van eenige keizers nam. van Hadriānus, Marcus Aurelius, Verus, Septimius Sevērus, Pescennius Niger en Macrīnus. Ze zijn later overgewerkt.

Spartocus,Σπάρτοκος, naam van een vijftal koningen der tweede dynastie van het bosporaansche rijk, van 438–284.

Spartōlus,Σπάρτωλος, stad op Chalcidice, ten W. van Olynthus.

Spasinu(Pasinu)Charax, zieCharax.

Spectabilis, titel der tweede klasse van ambtenaren onder Constantijn den Gr.

Spectio, z.auguria.

Speculatōres, 1) spionnen in den oorlog.—2)lichte troepen, die op verkenning worden uitgezonden =exploratores.—3)ordonnansen.—4)bereden lijfwachten.

Sperchēus,Σπερχειός, aanzienlijke rivier ten Z. van Thessalia, in het gebied der Dolopers en Aenianen, die zich in de Malische golf stort. Als riviergod is hij een der zoons van Oceanus en Gaea, en bij Polydōra, dochter van Peleus, de vader van Menesthius.

Sperthias,Σπερθίας, z.Bulis.

Spes, personificatie van de hoop. Zij had te Rome verscheiden tempels, de oudste hiervan was tijdens den eersten punischen oorlog aan het forum olitorium gebouwd, waar men haar den 1stenAugustus offers bracht. Zij wordt afgebeeld als een schoone, jonge vrouw, die met de linkerhand haar lang gewaad een weinig opheft, en in de rechterhand een ontluikende bloem draagt.

Σπευσίνιοι, z.τοξόται.

Speusippus,Σπεύσιππος, zoon eener zuster van Plato, werd door zijn oom met veel liefde en zorg opgevoed; naar het schijnt vergezelde hij hem op een zijner reizen naar Sicilië, waar hij kennis maakte met de leer van Pythagoras, waaruit hij het een en ander overnam. Na Plato’s dood stond Sp. aan het hoofd der academie, maar wegens lichaamszwakte kon hij slechts tot 339 als leeraar werkzaam zijn, en in 334 maakte hij door een vrijwilligen dood een einde aan zijn lijden. Hij was ongeveer 60 jaar oud geworden. Van zijn talrijke werken, die Aristoteles voor 3 talenten kocht, is niets bewaard gebleven.

Sphacteria,Σφακτηρία, eilandje op de messenische kust, thans Sfagia, bekend in den peloponnesischen oorlog (ziePylusno. 3 enCleon).

Sphaeria,Σφαιρία, eilandje op de kust van Argolis, nabij Troezen en Calauria.

Sphaeristerium,σφαιριστήριον, zaal voor het bij de ouden zoo geliefkoosde bal- of kaatsspel, zooals men in de grieksche gymnasiën, de rom. badhuizen en ook in de huizen en op de buitenplaatsen der rijke Rom. vond.

Sphagia,Σφαγία=Sphacteria.

Sphendale,Σφενδάλη, vlek in het N.O. van Attica, tusschen den berg Parnes en de kust.

Σφενδονῆται,funditores, slingeraars, lichtgewapenden, die met een slinger van leder, soms van biezen, in de oudste tijden van wol, looden kogels of groote steenen naar de vijanden wierpen. Onder de Grieken muntten de Rhodiërs uit door behendigheid en zekerheid in het behandelen van dit wapen, in de rom. legers dienden daarvoor vooral Balearen.

Sphettus,Σφηττός, vlek in het Zuiden van Attica, aan den weg van Athene naar Sunium.

Sphinx,Σφίγξ, dochter van Typhon en Echidna of van Orthrus en Chimaera, een monster met het hoofd en de borst eener vrouw en verder de gedaante van een leeuw met vleugels. Zij zat op een rots nabij Thebe en gaf den voorbijgangers een raadsel op, wie het niet kon oplossen, werd gedood. Het raadsel luidde: Welk wezen heeft nu eens vier, dan weer twee, dan weer drie voeten, en gaat langzamer naarmate het meer voeten heeft? Oedipus vond de oplossing (mensch), waarop de Sph. zich van de rots in de diepte stortte.—De aegyptische sphinxen hebben eveneens de gedaante van een leeuw, maar zijn ongevleugeld en hebben het hoofd van een man.

Sphodrias,Σφοδρίας, spartaansch veldheer, die in 378 harmost van Thespiae was eneen aanval op den Piraeus deed. Toen deze aanval mislukt was, werd wel beweerd, dat Sph. zich door de Thebanen daartoe had laten omkoopen, om de Atheners in een oorlog met Sparta te wikkelen, doch toen hij daarvoor te Sparta werd aangeklaagd, wist Agesilāus zijn vrijspraak te bewerken. Hij sneuvelde in den slag bij Leuctra.

Spina,Σπῖνα, 1) stad aan den zuidelijken mond van den Padus (Po), welke monding naar de stadostium Spineticumheet. De stad is waarschijnlijk oorspronkelijk umbrisch, maar reeds vroeg door Etruriërs bezet; ze is evenals Adria uitvoerhaven voor barnsteen.—2)stad in Gallia Transpadāna aan den Addua (Adda).

Spina, ziecircus.

Spino, beek bij Rome, niet nader bekend.

Spinther, bijnaam van eenigeLentuliin degens Cornelia, z.Corneliino. 50.

Spitamenes,Σπιταμένης, generaal van Darīus Codomannus, medeplichtige van Bessus. Ook nadat hij dezen uitgeleverd had, zette Sp. den oorlog tegen Alexander voort, zelfs wist hij scythische volksstammen tot een bondgenootschap te bewegen; toen echter zijne zaak hopeloos stond, werd hij door de Scythen gedood en zijn hoofd aan Alexander gezonden.

Spithradātes, Spithrid.,Σπιθριδάτης, satraap van Ionië en Lydië onder Darīus Codomannus, werd in den slag bij den Granīcus, terwijl hij op Alexander zelf een aanval deed, door Clitus gedood.

Spolatum=Spalatum.

Spolētum, -tium,Σπολήτιον, thans Spoleto, umbrische stad aan de via Flaminia, in 241 lat. kolonie. In den burgeroorlog had het veel van Sulla te lijden en in later tijd van de Gothen.

Spolia opīma.Onderspoliaverstaat men de wapenrusting, die de overwinnaar den verslagen vijand ontneemt. Dezespoliawordenopimagenoemd, wanneer de eene veldheer den anderen in den strijd eigenhandig doodt. Zoo behaalde Romulus de spolia opima in den strijd tegen de latijnsche Caeninensers, evenzoo de consul A. Cornelius (Corneliino. 3) in 428 op den vejentischen koning Tolumnius, en in 222 de consul M. Claudius Marcellus (Claudiino. 30) op den gallischen aanvoerder Virdumarus in den slag bij Clastidium.

Σπονδοφόροι, zieOlympia(τὰ Ὀλ.).

Sporades,Σποράδες, de eilanden, die in de Aegaeische zee tusschen Creta, Rhodus, de kust van Asia en de Cycladen verspreid liggen.

Sportula, een mandje met eetwaren, zooals declientes(z. a.) ontvingen bij desalutatio matutina. Later werd het een geschenk in geld, en kreegsportulaede beteekenis van emolumenten, zooals presentiegelden en dgl.

Spurīnae, etruscisch geslacht. 1)Spurina(Spurinna), een haruspex, zou Caesar in den ochtend van den moord gewaarschuwd hebben, dat hem een onheil dreigde.—2)Vestricius Spurina, streed in 69 n. C. voor Otho tegen Vitellius, overwon later alslegatus Germaniae Inferiorisde Bructeri; hij maakte ook latijnsche en grieksche gedichten. De gedichten, die op zijn naam staan, zijn onecht.

Staberii.1)L. Staberius, aanhanger van Pompeius had het bevel te Apollonia op de epirotische kust, doch ontruimde het bij Caesar’s nadering in 48.—2)Staberius Eros, latijnsch taalkundige, schrijver van een werkde proportione, leermeester van Brutus en Cassius.—3)Staberius, een rijkaard bij Horatius, overigens geheel onbekend.

Stabiae, oude stad aan de campaansche kust, ten Z. van Pompeii, door Sulla in den marsischen oorlog in 90 verwoest. Het herleefde later als villa-dorp, maar hoorde toen tot het grondgebied van Nuceria. In 79 n. C. werd het bij de uitbarsting van den Vesuvius onder de asch bedolven. Later komt het weer voor als badplaats, tgw. Castellamare di Stabia.

Stadium,στάδιον, de renbaan in een gymnasium, ook de enkele wedloop, waarbij men eenmaal de baan afliep. Als afstandsmaat is het st. 600 gr. voet, ongeveer 182 m.; naam en lengteheeftdeze maat van de renbaan te Olympia.

Stagīrus,Στάγειρος, ookStagīra,τὰ Στάγειρα, kolonie van Andrus, in het N.O. van Chalcidice, geboorteplaats van Aristoteles, op wiens verzoek Philippus van Macedonia de door hem verwoeste stad liet herbouwen.

Staiēnus, naam in degens Aelia, zonder historisch belang. In Cicero’soratio pro Cluentiokomt zekereC. Aelius Paetus Staienusvoor, die een schurkachtig voogd en een omkoopbaar rechter was, en de som, waarmede hij ook andere rechters zou omkoopen, in zijn eigen zak stak.

Staius Murcus(L.), veldheer van Caesar, belegerde met Q. Marcius Crispus (Marcii no. 11), Q. Caecilius Bassus (Caecilii no. 28) te Apamēa ad Orontem, maar sloot zich in Maart 43 bij Cassius aan, en werd als vlootvoogd naar de Adriatische zee gezonden, waar hij den overtocht van Antonius en Octaviānus niet wist tegen te gaan. Na den dood van Brutus en Cassius sloot hij zich met zijn vloot bij Sex. Pompeius aan, die hem echter spoedig liet ombrengen. V.a. was zijn naamStatius Murcus.

Staphylus,Στάφυλος, zoon van Dionȳsus of Theseus en Ariadne of van Dionysus en Erigone, een van de Argonauten.

Stasānor,Στασάνωρ, van Cyprus, onder Alexander satraap van Ariāne en Drangiāne, na Alexanders dood van Bactria en Sogdiāne, waar hij zich in weerwil van de aanvallen van Antigonus staande hield.

Staseas, van Neapolis, peripatetisch wijsgeer, met Cicero bevriend.

Stasicrates,Στασικράτης, z.Dinochares.

Stasīnus,Στασῖνος, van Cyprus, waarschijnlijk uit de 8steeeuw, een van de cyclici, wien door sommigen een episch gedicht (Κύπρια ἔπη) werd toegeschreven, dat degebeurtenissenvan de bruiloft van Peleus tot aan het begin der Ilias behandelde.

Stata Mater, eene godin, die te Rome aangeroepen werd tot afwering van branden. Zijwas in beteekenis verwant met Vulcānus en Vesta; haar beeld stond op het forum, waar ’s nachts te harer eer een vuur brandde.

Stater,στατήρ, oorspronkelijk lydische gouden munt ter waarde van ongeveer 22 attische drachmen. Zij was niet slechts in Griekenland algemeen gangbaar, maar werd ook door vele grieksche staten geslagen en uitgegeven.

Statielli, -ellātes, -ellenses, kleine ligurischevolksstam, tusschen den Padus (Po) en de Apennijnen, met de badplaatsaquae Statiellae.

Statii.1)Statius Albius Oppianicus, rom. ridder, die zijn zwager en twee van zijn eigen zoons om het leven bracht, en zijn stiefzoon A. Cluentius Habitus trachtte te vermoorden, om zich diens fortuin toe te eigenen. Door Cluentius aangeklaagd, poogde hij zijn rechters om te koopen (zieStaiēnus), doch moest zich door vrijwillige ballingschap aan het vonnis onttrekken (74).—2)Statius Albius Oppianicus, zoon van no. 1, beschuldigde Cluentius (z. a.), dat deze den ouden Oppianicus had pogen te vergeven.—3)Statius Sebōsus, rom. zeevaarder, ontdekker der Canarische eilanden, en schrijver over aardrijkskunde, leefde in de eerste helft van de eerste eeuw n. C.—4)L. Statius Murcus, z.Staius Murcus.—5)M. Statius Priscus, rom. veldheer, veroverde ± 163 na C. de armenische hoofdstad Artaxata.—6)Statius, vrijgelatene van Q. Cicero, die veel invloed op hem had.—7)P. Papinius Statius(± 45–96 na C.), te Neapolis geboren, doch te Rome opgevoed, beroemd improvisator, dichter van twee epische gedichten,Thebais, in 12 boeken, enAchilleis(onvoltooid), alsmede van 5 boeken mengelpoëzie onder den naamSilvae.—8)Statius Caecilius, zieCaeciliino. 31.—9)Statius Gellius, zieGelliino. 1.

Statilii.1)Statilius, een dapper marsisch krijgsman, die aan Rome trouw bleef, toen zijne landslieden tot Hannibal overgingen.—2)L. Statilius, een van de saamgezworenen van Catilīna, die Rome in brand zou steken.—3)Statilius, aanhanger van Cato van Utica, die zich bij Cato’s dood ook van het leven wilde berooven, doch door zijne vrienden hierin verhinderd werd en later bij Philippi in de handen zijner vijanden viel en gedood werd.—4)T. Statilius Taurus, legaat van Octaviānus, streed in 36 tegen Sex. Pompeius op Sicilia, veroverde na de afzetting van Lepidus Sicilia en Africa, streed in 34/33 in Dalmatia tegen de Dalmaten, stond aan het hoofd der landingstroepen bij Actium (31), onderwierp later (29) de Cantabriërs, Asturiërs en Vaccaeërs in Hispania, was in 26 consul, en werd in 25 doorAugustustot praefectus urbi benoemd. Uit eigen fondsen bouwde hij in 30 te Rome het eerste steenen amphitheater. Hij was een groot vriend van Augustus.—4a)T. Statilius Sisenna Taurus, consul in 16 n. C.—5)T. Statilius Taurus, consul 44 n. C., een rijk man, wiens moeder eene Valeria Messalīna (Corvīna) was, werd om zijne schatten aangeklaagd van knevelarij en tooverij (Z.Tarquitii), op aanstoken van Agrippīna, de gemalin van keizer Claudius. Hij benam zichzelf het leven (53).—6)Statilia Messalīna, dochter van no. 5, huwde in 65 n. C. met Vestīnus. Over dit huwelijk was keizer Nero woedend en hij liet hem in zijn huis vermoorden (zieVestinino.2), waarna hij Statilia tot vrouw nam. Later verloofde zij zich met Otho, wiens dood hem belette haar tot keizerin te verheffen.

Statīra,Στάτειρα, 1) gemalin van Artaxerxes Mnemon, door hare schoonmoeder Parysatis vergiftigd.—2)gemalin van Darīus Codomannus, werd na den slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en stierf kort daarna.—3)z.Barsineno.1.

Statonia, oude stad in Etruria ten N. van Volci, aan het riviertje Albinia en den lacus Statoniensis, ten W. van den lacus Volsiniensis.

Stator, bijnaam van Jupiter, oorspronkelijk beteekenend: hij, die de vluchtende legers tot staan brengt; later gaven de Rom. er de beteekenis aan van instandhouder, bevestiger.

Statorii.Q. Statorius, in 213 centurio onder de Scipio’s in Hispania, ging naar koning Syphax, om diens leger in den wapenhandel te oefenen.

Stellās(Stellātis)campus, vruchtbare streek in het N. van Campania nabij den ager Falernus. Oorspronkelijk maakte deze streek een onderdeel uit van den ager Campānus (het land van Capua), maar in 211 werd ze ervan afgescheiden. In 59 bij de lex Iulia agraria werd ook de ager Stellas evenals de overige ager Campanus met kolonisten bevolkt.

Stemmata, soort van loofwerk, waarmede deimagines maiorumtot een stamboom vereenigd werden.

Stentor,Στέντωρ, een van de Grieken voor Troje, beroemd door zijn sterke stem. Hij kon zoo hard schreeuwen als 50 andere mannen.

Stenyclērus,Στενύκληρος, oude stad in Messenia, eenmaal de residentie der messenische koningen uit de Doriërs.

Stephanus,Στέφανος, beeldhouwer te Rome, uit de 2dehelft der eerste eeuw.

Steropes,Στερόπης, een van de Cyclopen.

Stertinii.1)L. Stertinius, als proconsul in 199 naar Hispania gezonden, bracht in 196 een buit van 50000 pond zilver naar Rome.—2)Stertinius, een stoicijnsch wijsgeer, bij Horatius in gesprek met Damasippus.—3)Q. Stertinius, een bekwaam arts onder de eerste keizers, evenals zijn broeder.—4)L. Stertinius, legatus van Germanicus, versloeg in 15 en 16 na C. de Bructeren en Angrivariërs en onderwierp Segimerus no.2.—5)L. Stertinius Avītus, dichter tijdens Domitiānus, een vriend van Martiālis.

Stesagoras,Στησαγόρας, volgde zijn oom Miltiades no. 1 op en werd na eene korte regeering gedood. Hij was een oudere broeder van Miltiades no. 2.

Stesichorus,Στησίχορος, van Himera, een van deberoemdstegrieksche lierdichters, 640–555. In een van zijne gedichten noemde hij Helena de oorzaak van al de rampen, die uit den trojaanschen oorlog voortgekomenwaren; tot straf daarvoor werd hij blind en hij kreeg het gezicht niet terug, voordat hij in eene palinodie (z. a.) verklaard had, dat slechts eene schijngestalte Paris naar Troje vergezeld had. Om politieke redenen moest hij uit Himera vluchten; zijn graf was te Catana nabij de naar hem genoemde poort.—Van zijne door de ouden hooggeprezen werken, waarvan slechts fragmenten bewaard zijn, hebben de meeste, wat hun inhoud betreft, veel overeenkomst met het epos; hij tracht echter in de oude mythen en sagen een zedelijke beteekenis te vinden en de rechtvaardigheid van het goddelijk wereldbestuur aan te toonen.

Stesicles,Στησικλῆς, aanvoerder van een troep lichtgewapenden, door de Atheners aan Corcȳra te hulp gezonden, toen dit door Mnasippus belegerd werd (373).

Stesimbrotus,Στησίμβροτος, van Thasus, leefde ten tijde van Cimon en Pericles te Athene als sophist en hield zich vooral met de verklaring van de gedichten van Homerus bezig. Zijne levensbeschrijvingen van Themistocles, Pericles e. a. schijnen weinig geloofwaardig geweest te zijn.

Stheneboea,Σθενέβοια, zieAntēa. Naar haar wordt BellerophonStheneboius herosgenoemd.

Sthenelus,Σθένελος, 1) zoon van Perseus en Andromeda, koning van Mycēnae, vader van Eurystheus.—2)zoon van Capaneus en Euadne, een der epigonen (z.Adrastus), vriend en krijgsmakker van Diomēdes voor Troje.—3)zoon van Androgeos, volgde Heracles op diens tocht tegen de Amazonen; later regeerde hij met zijn broeder Alcaeus over Thasus.—4)vader van Cycnus, naar hem wordt de zwaanSthenelēis volucrisgenoemd.—5)treurspeldichter te Athene, door Aristophanes e. a. om zijne weinig verheven gedichten bespot.

Sthen(n)is,Σθέν(ν)ις, van Olynthus, beroemd beeldgieter ten tijde van Alexander d. G.

Stheno,Σθε(ι)νώ, eene van de Gorgonen.

Stibadium=Sigma.

Stigma, het brandmerk, dat op het voorhoofd werd ingebrand, b.v. K voorcalumniatoresvolgens eene zekerelex Remmia, F voor weggeloopen slaven,fugitivi, of voor dieven,fures. Het schijnt, dat men zich niet altijd met ééne letter vergenoegde. Ook werd het merk niet altijd ingebrand, maar ook wel met een scherp gepunt werktuig ingegrift, zóó dat het litteeken bleef. Op deze wijze werden onder de latere keizers ook recruten en dwangarbeiders op den arm gemerkt.

Stigmatias,στιγματίας, een gemerkte slaaf; ziestigma.

Stilicho,Στελίχων, een Vandaal in rom. krijgsdienst, die het onder Theodosius den Gr. zoover bracht, dat hij met ’s keizers nicht en aangenomen dochter Serēna huwde. In 395 n. C. vertrouwde Theodosius hem de voogdij over den jeugdigen Honorius toe (z. a.), die achtereenvolgens Stilicho’s beide dochters tot vrouw kreeg. Stilicho verdedigde het westersche rijk met krachtige hand tegen de Germanen en tegen den Gothenvorst Alarik, totdat hij ten gevolge van hofkabalen in 408 op last van zijn keizerlijken schoonzoon in diens paleis werd omgebracht.

Stilo Praeconīnus(L.Aelius), z.Aeliino. 7.

Stilpo,Στίλπων, van Megara, scherpzinnig wijsgeer uit de megarische school in de tweede helft der 4deeeuw, leermeester van Zeno. Hij bestreed deideeënleervan Plato.

Stilus, de metalen schrijfstift, waarmede men op dewastafeltjes,tabulae ceratae, schreef. Het boveneinde was plat, om het geschrevene, zoo het niet beviel, te kunnen uitwrijven. Vandaar de dichterlijke uitdrukkingstilum vertere.

Stimula, oud-italische godin, die vooral bij vrouwen hevige hartstochten opwekt, later geïdentificeerd met Semele. Zij had een gewijd bosch buiten Rome aan den Tiber, waar de later door den senaat verboden Bacchanalia gevierd werden.

Stipendium, 1) de soldij,μισθός, die te Rome tijdens het beleg van Veii werd ingevoerd, en niet in termijnen werd uitbetaald, maar eens in het jaar, op het einde van den veldtocht of van het dienstjaar, na aftrek van hetgeen de staat voor wapening en onderhoud had uitgegeven. Later werd de soldij naar dagen berekend, en bedroeg in den tijd van Polybius 5 lichteasses, sedert Caesar 10asses= ruim ƒ0.26. Depraetorianikregen van Augustus eerst 20asses, later 2denarii= ƒ0.84. Desocii(z. a.) ontvingen geen stipendium, doch werden kosteloos van het noodige voorzien.—2)de directe belastingen (wel te onderscheiden vanvectigalia) in de provinciën, waar de belastingplichtigenstipendiariiwerden genoemd. Twee provincies, Sicilia en Asia (van delex Semproniatot Caesar) betaaldentributum soli(z. a.) in plaats van stipendium.

Stiris,Στεῖρις, stad in het Z. van Phocis.

Στοά, zuilengang, 1)στ. βασιλικήofβασίλειοςofἡ τοῦ βασιλέως, het ambtslokaal van denἄρχων βασιλεύς(z.ἄρχοντες) te Athene. Aan dit gebouw ontleenen debasilicae(z. a.) hun naam en hun vorm.—2)στ.ποικίλη, z. het artikelAthenaep. 103, enZenono. 3.

Stobaeus(Johannes),Ἰωάννης Στοβαῖος, van Stobi, leefde waarschijnlijk omstreeks 450 n. C. Eene door hem ten behoeve van zijn zoon aangelegde verzameling van uittreksels uit meer dan 500 grieksche dichters en prozaschrijvers is voor het grootste gedeelte bewaard gebleven, en is van groot belang voor de kennis van oudere schrijvers, wier werken overigens verloren gegaan zijn.

Stobi,Στόβοι, hoofdstad van het macedonische gewest Paeonia, ongeveer aan de samenvloeiing van den Erigon met den Axius, in de vierde eeuw na C. door de Gothen verwoest.

Stoechades insulae,Στοιχάδες νῆσοι, groep van vijf eilandjes op de kust van Gallia Narbonensis, tot het gebied van Massilia behoorende, thans Iles d’ Hyères.

Stoeni, ligurisch volk, tot de Euganei behoorend, in 118 door Q.Marcius Rex onderworpen.Waarschijnlijk woonden ze ten N. van Verona.

Stoici,Στωικοί, οἱ ἐκ τῆς στοᾶς, stoicijnen, wijsgeeren uit de school van Zeno (z. a. no. 3).

Stola, het bovenkleed eener rom. dame, dat rondom tot op de voeten hing en waaraan nog een rand,instita, kon gehaakt worden, die van achteren een sleep vormde. De stola had korte mouwen. Aanmeretrīcesenadulterii damnataewas het dragen derstolaontzegd; deze waren verplicht zich in het openbaar in detogate vertoonen. Daar bij huiselijke bezigheden de stola hinderlijk kon zijn, droegen de dames een gordel (cingulum), ten einde haar kleed te kunnen opschorten.

Stolo, familienaam in degens Licinia(Liciniino. 3 en 4).

Strabo(=scheele), familienaam in onderscheidene gentes, alsg. Fannia, g. Iulia(Juliino. 5),g. Pompēia(Pompeiino. 9).

Strabo,Στράβων, van Amasēa, geb. 66, wijdde zich, na grondige studie van wijsbegeerte en geschiedenis, geheel aan de beoefening der aardrijkskunde. Te dien einde ondernam hij groote reizen door Griekenland en Klein-Azië, ging hij westwaarts tot Sardinië, zuidwaarts tot Aethiopië, ook bezocht hij Rome, waar hij zich lang schijnt opgehouden te hebben, en bereisde hij Aegypte in gezelschap van Aelius Gallus. De vruchten van zijn onderzoek heeft hij nedergelegd in een groot werk,Γεωγραφικά, in 17 boeken, dat bijna volledig bewaard gebleven is, en voor de oude aardrijkskunde van het hoogste belang is. Het bevat, behalve de eigenlijke aardrijkskunde, vele bizonderheden over geschiedenis, staatsinrichting, zeden en gewoonten der beschreven landen. Van zijneὙπομνήματα ἱστορικά, een uitvoerig werk in ten minste 43 boeken, is slechts weinig bewaard gebleven. Str. stierf in 19 na C.

Στρατηγός. Te Athene werd omstreeks 500 het opperbevel over het leger aan denπολέμαρχοςontnomen en opgedragen aan een collegie van 10 jaarlijks door het volk te verkiezenστρατηγοί. Zij waren de hoogste militaire overheid, hadden het geheele beheer van leger en vloot in handen en kregen, door het belangrijke van hun betrekking, weldra ook op politiek gebied grooten invloed. Aanvankelijk hadden zij waarschijnlijk allen gelijke bevoegdheden, tenzij door volksbesluit of onderlinge overeenkomst aan een van hen het opperbevel was opgedragen; in lateren tijd (ongeveer sedert 350) werden hun bij hun verkiezing speciale werkzaamheden toegewezen, en vindt men bijv. eenστρ. ἐπὶ τὴν φυλακὴν τῆς χώρας, eenστρ. ἐπὶ τὰς συμμορίας, enz.—Zie ookachaeïsch verbond.

Strato,Στράτων, van Lampsacus, leerling van Theophrastus en na diens dood (287) gedurende 18 jaar hoofd der peripatetische school, beroemd door zijne omvangrijke geleerdheid en scherpzinnigheid. Hij beoefende vooral de natuurwetenschappen en verklaarde het ontstaan van het heelal uitsluitend uit de werking van natuurkrachten (vandaar zijn bijnaamΦυσικός, maar behandelde in zijne talrijke geschriften ook alle andere onderdeelen der wijsbegeerte. Hij stierf in 270.

Stratocles,Στρατοκλῆς, 1) atheensch redenaar, tegenstander van Demosthenes.—2)atheensch veldheer in den oorlog tegen Philippus van Macedonië.—3)van Amphipolis, riep voor zijne vaderstad vruchteloos de hulp der Atheners tegen Philippus in en werd daarom later door dezen verbannen.

Stratonīce,Στρατονίκη, dochter van Demetrius Poliorcētes, gehuwd met Seleucus Nicātor en later met diens zoon Antiochus (z. a. no. 2).

Stratonicēa,Στρατονίκεια, 1) voorname stad in het binnenland van Caria, door den syrischen koning Antiochus I Soter (z. a.) gebouwd en ter eere zijner vrouw aldus genoemd. De stad en ook de omgeving heette vroeger Idrias. Bij deze stad stond de carische bondstempel van Zeus.—2)stad aan den Caīcus in Mysia, later Adrianupolis (Hadrianupolis) geheeten. Hier nam M. Perperna den kroonpretendent Aristonīcus gevangen (130).

Stratonīcus,Στρατόνικος, 1) Athener, bekwaam toonkunstenaar, die vele leerlingen had. Hij was beroemd door zijne geestigheid, waarmede hij echter aan koning Nicocles van Salamis aanstoot gaf, die hem ter dood liet brengen.—2)van Cyzicus, een van de beeldhouwers, die de gevechten van Attalus en Eumenes tegen de Galliërs in beeld brachten (± 200).

Stratonis turris,Στράτωνος πύργος, zieCaesarēano. 2.

Strattis,Στράττις, 1) tyran van Chius ten tijde van de perzische oorlogen.—2)dichter der oude comedie, jonger tijdgenoot van Aristophanes.

Stratus,Στράτος, 1) sterke hoofdstad van Acarnania, in het binnenland ten W. van den Achelōus gelegen, ± 260 door de Aetoliërs veroverd, en sedert in hun bezit.—2)stad in het W. van Arcadia, op de grenzen van Elis, in het gebied van Thelpūsa, dat daarover gedurig met Elis strijd voerde.—3)= het latere Dyme, in Achaia.

Strenae, 1) nieuwjaarsgeschenken bij de Rom. vanwaar het franscheétrennes.—2)=omen.

Striglis.

Striglis, Strigilis,στλεγγίς, ξυστρίς, een krabber, waarvan men zich in Grieksche en Romeinsche badhuizen bediende, om na het worstelen, of na het heete luchtbad, het vuil en zweet van de huid te verwijderen: ziebalneum.

Strombichides,Στρομβιχίδης, atheensch veldheer in het laatste gedeelte van den peloponnesischen oorlog, heroverde Lampsacus, dat van Athene afgevallen was (411). Hij verzette zich tegen den vrede van Theramenes (z. a.);daarom werd hij nog vóór het sluiten van den vrede op een valsche aanklacht van oligarchische zijde gevangen genomen en onder de 30 ter doodgebracht.

Strongyle,Στρογγύλη, 1) het noordelijkste der Liparische eilanden ten N. van Sicilia, thans Stromboli.—2)oude naam van Naxus.

Strongylion,Στρογγυλίων, atheensch beeldgieter op het einde der 5deeeuw, vooral beroemd door zijne paarden en stieren.

Strophades,Στροφάδες, ookΠλωταίgeheeten, twee eilandjes in de ionische zee, ten Z.O. van Zacynthus (Zante). Zij behoorden tot het gebied van Cyparissia op de messenische kust en waren rijk aan wijn. Toen Calais en Zetes, zonen van Boreas, de Harpyieën vervolgden, staakten zij bij deze eilanden de vervolging en keerden toen om; vandaar de naam (vanστρέφειν).

Strophium,στρόφιον, lange strook lijnwaad, soort van sjerp, die koordvormig werd ineengedraaid en door vrouwen en meisjes over het hemd om het lichaam werd gebonden tot steun voor de borsten. Tot dergelijk doel werd ook hetmamillaregebezigd, een platte band, soms van zacht leder, doch op het bloote lijf gedragen.

Strophius,Στρόφιος, 1) koning van Phocis, gehuwd met eene zuster van Agamemnon, z.Orestes.—2)kleinzoon van den vorigen, zoon van Pylades en Electra.

Stryme,Στρύμη, stad der Thasiërs op de thracische kust aan den mons Ismarus.

Strymon,Στρυμών, belangrijke rivier van Macedonia, vóór Philippus grensrivier tegen Thracia. Hij ontsprong op den Scomius en liep aan de Oostzijde van Chalcidice in de Strymonische golf uit. Niet ver van den mond lag Amphipolis.

Stubera,Στυβέρρα, stad in Pelagonia, het Z. W. gedeelte van het macedonische gewest Paeonia, tusschen den Axius (Vardar) en diens zijrivier Erigon.

Stymphālus,Στύμφαλος, stad in het N.O. van Arcadia aan den mons Stymphalus en aan het stymphalische meer. Hier verdreef of doodde Heracles (z.a.) de stymphalische vogels. Het water liep door onderaardsche kanalen af.

Styra,τὰ Στύρα, stad in Z. W. Euboea; de bevolking is van dryopischen stam.

Styx,Στύξ, 1) arm van den Oceaan, die onder de aarde stroomt en negenmaal rondom de onderwereld loopt. De nimf van deze rivier is eene dochter van Oceanus en Tethys, gehuwd met den Titan Pallas; zij woont aan den ingang van den Tartarus in een grot met zilveren kolommen. Toen de Titanen tegen Zeus opstonden, was zij de eerste die hem hare kinderen, Zelus, Nice, Cratus en Bia, te hulp zond; daarom beloonde Zeus haar door te bepalen, dat de eed bij de Styx voor de goden heilig en onschendbaar zou zijn, terwijl hare kinderen op den Olympus bleven wonen.—2)rivier in noordelijk Arcadië, tegenwoordig Mavronera, waarvan het water volgens de ouden doodelijk is en alles verteert behalve ezels- of paardenhoeven.

Suardones, germaansche volksstam in het N. van Germania, op den rechteroever van den Albis (Elbe); ze behooren tot die volkeren, die de godin Nerthus vereeren.

Sub novis, sub veteribus.Langs een gedeelte der lange zijden van het forum stonden twee rijen vaste kramen of winkeltjes. Die aan den Zuidkant waren de oudste en de weg daarlangs werdsub veteribusgeheeten, terwijl de weg langs de winkels aan de Noordzijdesub noviswerd genoemd.

Subertum, stad in het hart van Etruria, waarschijnlijk ten O. van denlacus Volsiniensis; juiste ligging onbekend.

Sublaqueum, stad der Aequi, aan den Boven-Anio. In den keizertijd behoorde dit gebied tot Latium. In de nabijheid lag de prachtige villa van Claudius en Nero.

Sublicius(pons), houten paalbrug, in het bijzonder de oude Tiberbrug te Rome, in den oorlog tegen Porsēna afgebroken. Toen zij weder herbouwd werd, geschiedde dit zonder er bouten of spijkers in te slaan; zij was zoo ineengevoegd, dat men ze in geval van nood geheel uiteen kon nemen.

Subscriptio, de onderteekening eener aanklacht, in engeren zin de onderteekening door de medeaanklagers, terwijl dan de onderteekening door den hoofdbeschuldigerinscriptiowerd genoemd (z. a.).

SubsolānusofSolānus, de Oostenwind, zieWindstreken.

Subucula, ondertunica, meest van wol en van mouwen voorzien.

Subūra, buurt van Rome met een zeer drukke winkelstraat, die van het forum in N.O. richting liep. De derderegiovan Servius Tullius heetteSuburāna.

Sucro, rivier in het O. van Hispania, die ten Z. van Valentia in zee valt, thans Xucar, met eene gelijknamige stad in het gebied der Edetāni. De rivier heette vroeger Sicānus, zieSicilia.

Sudatio, Sudatorium, ziebalneum.

Sudēti montes,Σούδητα ὄρη, het W. gedeelte der tegenw. Sudeten, met het Ertsgebergte.

Suēbi, uitgebreide en machtige volkenbond in Germania, een groot gedeelte van de latere Hoogduitschers. Hun land was in 100 gouwen verdeeld, waarvan elk 1000 krijgers kon leveren. Hun roem was, alles rondom hen zoover te verwoesten, dat zij geene naburen hadden. Onder Ariovistus neemt een gedeelte van het volk bezit van de door deHelvetiërsverlaten streken ten Zuiden van den Main, en dringt dan ook in den Elzas door, waar Caesar ze in 58 verslaat. Ook deSemnonesin Midden-Germania (tusschen Elbe en Spree) behoorden er toe. Bij Tacitus wordt O. Germania tusschen de Donau en de OostzeeSuebiagenoemd. Hun naam leeft nog voort inZwaben. In de 3deeeuw n. Chr. vormt een gedeelte van de Suebische stammen (vooral de Semnones) den nieuwen volkerenbond der Alamannen (z. a.).

Suebicum mare, de Oostzee.

Suessa.1)Suessa(Sessa)Aurunca, stad der Aurunci in Latium, aan den mons Massicus,col.lat.sedert 313, geboorteplaats van den dichter Lucilius.—2)Suessa Pometia, stad der Volsci in Latium, door Tarquinius Priscus veroverd, later door de Rom. verwoest. De ligging is onzeker.

Suessetāni, volksstam in Tarraconensis, nabij den Ibērus (Ebro), in wier gebied de stad Corbio ligt.

Suess(i)ōnes, machtig volk in het Z. van Belgica dat 50000 man op de been kon brengen en wier koning Divitiācus niet slechts over een aanzienlijk deel van Gallia heerschte, maar zelfs over een deel van Britannia. Hoofdstad: Nuviodūnum, later Augusta Suessionum geheeten, thans Soissons.

Suessula, stad in Campania tusschen Calatia en Nola.

Suetonii.1)C. Suetonius Paulīnus, beroemd veldheer, werd in 41 na C. stadhouder van Mauretania en drong dieper dan een zijner voorgangers in de binnenlanden van Africa door. In 59 werd hij naar Britannia gezonden, waar hij na een bloedigen strijd den opstand van Boudicca dempte, doch reeds in 61 werd hij, ten gevolge van lasterlijke beschuldigingen, door Nero teruggeroepen (ziePolyclitus). Later streed hij voor Otho in den slag bij Cremōna (69), doch onderwierp zich na diens dood aan Vitellius, waarbij hij op niet zeer eervolle wijze den schijn aannam, als zou door zijn opzettelijk toedoen Otho den slag hebben verloren.—2)C. Suetonius Tranquillusleefde ten tijde van Domitiānus, Traiānus en Hadriānus. Door den invloed van zijn vriend Plinius (minor) verkreeg hij van Traianus verschillende ambten, maar hij viel bij Hadrianus in ongenade, nadat hij onder dezen een post bij de kanselarij had bekleed alsmagister epistularum(ziescrinium). Zijn verder leven sleet hij met letterkundigen arbeid. Hij schreef de levens der eerste 12 keizers (van Caesar tot Domitianus), waarin hij zonder chronologische volgorde in eenvoudigen, helderen stijl tal van kleine bijzonderheden mededeelt (de vita Caesarum libri VIII), voorts over taalgeleerden, rhetoren, enz., alsmede de levens van Terentius, Horatius, Persius, Lucānus, Juvenālis, Plinius, samen behoorende tot een werkde viris illustribus.

Suēvi=Suebi.

Suffectusis de overheidspersoon, die voor de rest van hetambtsjaargekozen wordt, wanneer het ambt binnentijds openviel, b.v. door overlijden.

Suffētes, titel der twee hoogste overheden te Carthago, die de uitvoerende macht bezaten, in den senaat het voorzitterschap bekleedden en somtijds ook het leger aanvoerden. Hun ambt werd hun, althans in den beginne, slechts voor één jaar opgedragen.

Suffibulum, lange witte sluier, die van het hoofd naar achteren over den rug afhing en onder de kin met een gesp (fibula) werd vastgehecht, en die tot de dracht der vestaalsche maagden behoorde. Ook droegen de priesters dit kleedingstuk bij het offeren.

Suffragia(sex), naam van 6 der 18 rom. riddercenturiën, vermoedelijk de drie dubbelcenturiën van Tarquinius,Ramn(ens)es, Titi(ens)esenLucer(ens)es prioresenposteriores. Welk verschil er tusschen deze zes en de overigeXII centuriae equitumwas, blijkt niet. Waarschijnlijk waren desex suffragiaeen tijd lang uitsluitend patricisch, de overige gemengd.

Sugambri=Sygambri.

Σύγκλητος ἐκκλησία, z.ἐκκλησία.

Suillii.P. Suillius Rufus, schoonzoon van Ovidius, was eerst quaestor van Germanicus geweest, en werd in 24 na C. verbannen wegens omkoopbaarheid, doch kreeg onder de regeering van Claudius verlof naar Rome terug te keeren en wist toen wederom grooten invloed te verwerven. Zijne geldzucht dreef hem er toe, als verklikker en valsche aanklager tegen aanzienlijke mannen op te treden, totdat Nero zelf hem bij den senaat beschuldigde (58) en hij met ballingschap en verbeurdverklaring van een gedeelte zijner bezittingen werd gestraft.—2)M. Suillius Nerulīnus, zoon van no. 1, consul in 50 na C., werd na de veroordeeling zijns vaders van afpersingen beschuldigd, doch door Nero vrijgesproken. Onder Vespasianus was hij proconsul van Asia.

Suiōnes, de tegenwoordige Zweden, bij Tacitus de naam der bewoners van Scandinavia, als goede zeevaarders bekend, wier schepen voor en achter gelijk gebouwd waren, zoodat zij in beide richtingen konden varen. ZieScandia.

Συκοφάντηςwerd te Athene iemand genoemd, die uit winstbejag anderen met processen lastig viel. Bij de overmatige, tegenover sommige standen soms onrechtvaardige gestrengheid der atheensche rechters, konde een onbeteekenende of zelfs een geheel valsche aanklacht voor den aangeklaagde dikwijls lastig of gevaarlijk worden en daarom vond men het gewoonlijk veiliger een sycophant af te koopen, wanneer hij met een aanklacht dreigde, dan zich aan een proces te wagen. Meende men het boos opzet van een syc. te kunnen bewijzen, dan kon men hem bij den raad of het volk of, door deγραφὴ συκοφαντίας, bij de thesmotheten aanklagen.

Sulla, familienaam in degens Cornelia(Corneliino. 52–54).

Συλλογῆς, beambten of buitengewone commissarissen bij het financiewezen te Athene, wier werkkring niet nader bekend is, alleen wordt van hen vermeld, dat zij verbeurdverklaarde goederen der oligarchen in beslag namen.

Sulmo,Σοῦλμον, 1) thans nog Sulmo, paelignische stad, de geboorteplaats van Ovidius, die hetgelidis uberrimus undisnoemt naar de koele bergstroompjes en bronnen in den omtrek. In den burgeroorlog werd het door Sulla verwoest, doch later herbouwd als kolonie.—2)volscische stad in Latium, die in de eerste eeuw na C. reeds geheel verdwenen was.

Sulpiciae(leges) van den volkstribuun P.Sulpicius Rufus (Sulpiciino. 18) van 88, 1) tot terugroeping der ballingen, n.l. van hen, die na de woelingen van M. Livius Drusus in 91 en na delex Variade wijk hadden genomen.—2)dat de nieuwe italiaansche burgers (na den marsischen oorlog) en de vrijgelatenen over al de 35 tribus zouden worden verdeeld.—3)dat geen senator meer dan 2000 drachmen schuld zou mogen hebben (de inhoud dezer wet wordt alleen in het Grieksch vermeld).—4)dat niet Sulla, doch Marius het bevel in den mithradatischen oorlog zou voeren. Deze wetten werden, toen Sulla met zijn leger in de stad binnendrong, door den senaat ongeldig verklaard.

Sulpicii, patricisch geslacht. 1)Ser. Sulpicius Camerīnus Cornūtus, consul in 500, bewerkte in 496 de hernieuwing van het verbond met Latium.—2)Ser. Sulp. Camer. Corn., consul in 461, tegenstander derlex Terentilla de legibus scribundis. In 454 was hij een der drie mannen, die naar Griekenland gezonden werden tot het bestudeeren der wetten aldaar.—3)Ser. Sulp. Camerinus, consul in 393, kantte zich sterk tegen het ontworpen plan der plebejers om naar Veii te verhuizen.—4)Q. Sulp. Longus, consulairtribuun in 390, liet de wacht, die de beklimming van het Capitool door de Galliërs niet had bespeurd, van de rots afwerpen.—5)Ser. Sulp. Praetextātus, consulairtribuun in 377 en 376, ontzette den burg van Tusculum, die door de Latijnen werd belegerd.—6)C. Sulp. Peticus, consul in 364, 361, 355, 353 en 351, dictator in 358, versloeg in 361 de Hernicers, in 358 de Galliërs, in 351 de Tarquiniërs, die gedwongen werden vrede te sluiten.—7)C. Sulp. Longus, consul in 337, 323 en 314, versloeg in 314 de Samnieten.—8)C. Sulp. Paterculus, consul in 258, voerde op Sardinia oorlog tegen de Carthagers.—9)P. Sulp. Galba Maximuswerd voor het jaar 211 tot consul gekozen zonder eenig ander curulisch ambt te hebben bekleed; hij beschermde met zijn ambtgenoot Cn. Fulvius Centumalus en den proconsul Q. Fulvius Flaccus Rome tegen eene overrompeling door Hannibal. In 203 was hij dictator comit. habend. causa en in 200 andermaal consul. De oorlog tegen Philippus van Macedonia werd hem toen opgedragen, waarin hij het volgende jaar door den toenmaligen consul P. Villius Tappulus werd vervangen.—10)C. Sulp. Galluswas in 168 krijgstribuun in het leger van Aemilius Paullus en voorspelde de maansverduistering in den nacht vóór den slag bij Pydna (21/22 Juni 168, volgens den Juliaanschen kalender); tegenwoordig neemt men aan, dat hij die maansverduistering niet voorspeld, maar uitgelegd en verklaard heeft. In 166 was hij consul en overwon de Liguriërs. In 164 werd hij belast met een onderzoek naar de klachten, tegen Eumenes van Pergamus ingebracht. Dat hij de sterrenkunde beoefende, is uit het bovenstaande reeds gebleken; ook was hij ervaren in de grieksche letterkunde.—11)Ser. Sulp. Galba, krijgstribuun, zocht uit haat tegen L. Aemilius Paullus, de volkstribunen over te halen om diens zegepraal te beletten. In 151 en 150 voerde hij als propraetor oorlog in Lusitania; hij werd eerst verslagen en pleegde later schandelijke woordbreuk, toen hij ongewapende krijgsgevangenen verraderlijk liet neerhouwen. Onder de weinigen die ontkwamen, behoorde Viriāthus. Om deze reden werd Galba in 149 door den volkstribuun L. Scribonius Libo (Scriboniino. 3), ondersteund door den 85-jarigen M. Cato, aangeklaagd. Hij ontging de veroordeeling slechts door bidden en smeeken. Hij was consul in 144 met L. Aurelius Cotta, z.Aureliino. 3. Hij was de beste redenaar van zijn tijd, hoewel ook Libo in dit opzicht niet gering te schatten was.—12)Ser. Sulp. Galba, zoon van no. 11, consul in 108, was in 100 onder de tegenstanders van Saturnīnus.—13)C. Sulp. Galba, zwager van C. Gracchus, was een goed redenaar. Hij werd in 110 veroordeeld, omdat hij zich door Jugurtha had laten omkoopen.—14)Ser. Sulp. Galbadiende in 90 als legaat voorspoedig tegen de opgestane bondgenooten.—15)P. Sulp. Galbawas aediel tegelijk met Cicero, doch tevergeefs diens mededinger naar het consulaat.—16)Ser. Sulp. Galba, legaat van Caesar in Gallia, dong in 49 vergeefs naar het consulaat en was later onder Caesars moordenaars. In den mutinensischen oorlog streed hij onder Hirtius tegen Antonius. Toen het driemanschap gesloten was, werd hij veroordeeld.—17)Ser. Sulp. Galba, rom. keizer, zieGalba.—18)P. Sulp. Rufus, een der meest beroemde redenaars van zijn tijd, riep in 94, toen hij nog de rechten van den senaat verdedigde, C. Norbānus (z.Norbanino. 1) voor het gerecht en vocht later als legaat met roem in den bondgenootenoorlog (89). Hij ging daarop tot de plebs over, en liet zich voor 88 tot volkstribuun kiezen, om aan de bondgenooten het volle genot van het burgerrecht te kunnen verschaffen (zieleges Sulpiciae); toen Sulla met zijn leger in Rome binnendrong, nam hij de vlucht, doch werd achterhaald en omgebracht.—19)Ser. Sulp. Rufus, voortreffelijk jurist en redenaar en kundig staatsman, was in 65 praetor en in 51 consul. Toen de burgeroorlog tusschen Caesar en Pompeius tot uitbarsting kwam, bleef hij een tijd lang besluiteloos, totdat hij eindelijk Caesars partij koos, door wien hij later als proconsul naar Achaia gezonden werd. Na Caesars dood weifelde hij opnieuw, bij welke partij hij zich zou aansluiten. Hij stierf kort daarop (43), 81 jaar oud, in de legerplaats van Antonius voor Mutina, waarheen hij door den senaat gezonden was om eene schikking te bewerken. Als grondig wetenschappelijk rechtsgeleerde had hij in zijn tijd vele leerlingen; hij was ook een vruchtbaar schrijver. Beroemd is zijn troostbrief aan Cicero bij het overlijden van diens dochter Tullia (45).—20)Ser. Sulp. Rufus, zoon van no. 19, door Cicero als een braaf en talentvol jongeling geprezen,diende onder Caesar in Gallia.—21)P. Sulp. Quirinius, consul in 12, onderwierp, als stadhouder van Syria ± 5, een volksstam in de bergen van Cilicia, vergezelde Augustus’ kleinzoon C. Caesar naar Armenia (1/2 n. C.), en was later wederom stadhouder van Syria. Als zoodanig heeft hij in 6 n. C. een census gehouden in Judaea, waarvan ook het N. T. gewag maakt. Hij heet daar Cyrenius,Κυρήνιος. Hij was een vriend van Tiberius, stierf kinderloos in 21 en werd op staatskosten begraven. Hij behoorde niet tot het patricisch geslacht der Sulpicii, maar stamde uit Lanuvium.—22)C. Sulp. Apollināris, in het tijdperk der Antonijnen, taalkundige, te Carthago geboren, leermeester van keizer Pertinax en van Aulus Gellius (Gelliino. 6), wijdde zich vooral aan de studie van Vergilius.—23)Sulpicia, dochter van no. 20, en nicht van M. Valerius Messala Corvinus (Valeriino. 28), dichteres, z.Albii.—24)Sulpicia, erotische dichteres onder Domitiānus. Het kleine gedicht Satira, dat haar naam draagt, is niet door haar geschreven.—25)Sulpicius Sevērus, zieSeverino. 3.

Summānus, oorspronkelijk waarschijnlijk een bijnaam van Jupiter, later als een afzonderlijk god van nachtelijke onweders en luchtverschijnsels beschouwd. Hij had een tempel bij den Circus Maximus, waar hem den 20stenJuni een offer gebracht werd.

Συμμορίαι, afdeelingen, waarin sedert 377 de atheensche burgerij voor de heffing derεἰσφοράverdeeld was. In iedere phyle waren tweeσυμμ., die ieder 60 van de rijkste burgers bevatten, de minder vermogenden werden zoo bij de verschillendeσυμμ.ingedeeld, dat iedere afdeeling een ongeveer gelijk belastbaar vermogen had. Werd nu eeneεἰσφοράuitgeschreven, dan werd deσυμμ.in haar geheel belast, de rijkste leden waren tot deπροεισφοράverplicht en konden van hunne medeleden de bijdragen innen, die door deἡγεμόνεςofἐπιμεληταὶ τῶν συμμοριῶνvastgesteld werden. In 358 werd eene dergelijke inrichting bij de triërarchie ingevoerd (z.συντέλεια, maar ondoelmatig bevonden, weshalve zij door eene wet van Demosthenes omstreeks 340 werd opgeheven.

Συμπόσιον, z.δεῖπνον.

Sumptuariae(leges), wetten tegen de weelde. De voornaamste zijn:de lex Oppiavan 215,Orchiavan ± 181,Fanniavan 161,Didiavan 143,Aemiliavan 115,Corneliavan 81,Iuliavan 46,Iuliavan 18. Keizer Tiberius verzette zich tegen het vaststellen van nieuwe en strengere wetten, daar hij inzag, dat deze toch niet hielpen.

Σύνδικοι, 1) te Athene zij, die ten voordeele van eene der beide partijen in een proces voor de rechtbank het woord voeren. Volgens de wet moest wel ieder zijn eigen zaak verdedigen, maar met toestemming van de rechters mocht men, na zelf gesproken te hebben, ook anderen tot zijne verdediging laten optreden. Het was denσύνδικος(ookσυνήγοροςgenoemd) verboden, zich voor zijne redevoering (συνηγορία) te laten betalen.—2) z.ἐπιχειροτονίαno. 1.—3) eene buitengewone commissie, na de verdrijving der 30 aangesteld om het verwarde financiewezen te regelen. In het bizonder schijnt het hun taak geweest te zijn te onderzoeken, wie onder de 30 zich ten onrechte van staatsgoederen had meester gemaakt of van het zijne beroofd was.

Συνήγορος, -γορία, z.σύνδικοι; ook de bijzitters der logisten heettenσυνήγοροι.

Sunici, Sunuci, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Treviren, Ubiërs en Nerviërs.

Sunium,Σούνιον, Zuidkaap van Attica, sedert 415 zeer versterkt en van twee havens voorzien. Binnen de, thans nog grootendeels bestaande, muren stond een beroemde Athēna-tempel, 300 voet boven de zee. Naar eenige nog overeind staande zuilen daarvan heet het voorgebergte thans kaap Colonne.

Συνοίκια, ookμετοίκια, feest, te Athene den 16denHecatombaeon gevierd, ter herinnering aan de vereeniging van alle bewoners van Attica tot één staat (συνοικισμός).

Συνωμοσία=ἑταιρία.

Συντέλεια, onderafdeeling eenerσυμμορία. Wanneer aan eeneσυμμορίαeen triërarchie was opgelegd, dan werd zij in evenveelσυντέλειαι, verdeeld als er schepen noodig waren, zoodat iedereσυντ.voor één schip te zorgen had. Ieder lid derσυμμ.werd door deἐπιμεληταίbij eene of andereσυντ.ingedeeld, en wel zóó, dat iedere groep ongeveer hetzelfde vermogen vertegenwoordigde.

Suovetaurilia, een offer, bestaande uit een ever, ram en stier, bij bijzonder plechtige gelegenheden, bijv. na afloop van den census, aan Mars gebracht.

Superum mare, de Adriatische zee.

Supparus, -parum, -pārum, een schoudermanteltje, een soort linnen tunica, meest door vrouwen over desubuculagedragen, zonder mouwen.

Supplicatio, openbare verootmoediging voor het aangezicht der goden, boete-, bede- of dankdag, al naar gelang groote rampen of gevaren of wel luisterrijke overwinningen er de aanleiding toe waren. Zulk eenesupplicatioduurde oorspronkelijk slechts één dag, vervolgens meer dagen, totdat er ten laatste feesten voorkomen van 30 en 40 dagen. Zulk een bededag ging gepaard met offers, met omgangen door de stad, ook processies van vrouwen, onder het zingen van lofliederen ter eere der goden, met godenmaaltijden (zielectisternium). Enkele malen gelastte de senaat ook het houden van een openbaren maaltijd. Het bevelen (decernere) van zulke dagen behoorde als eene zaak van godsdienst geheel tot de bevoegdheid van den senaat, die echter zich liet adviseeren door de deskundige priestercollegiën, in de eerste plaats dat der pontifices.

Sura, bijnaam van eenige Lentuli in degens Cornelia(Corneliino. 48).

Surēna, bij de Parthen de eerste grootwaardigheidsbekleeder na den koning, diedezen hij de kroning de kroon op het hoofd zette. De rang is het best te vergelijken bij dien van een turksch grootvizier.

Surrentum,Σούρρεντον, oude campaansche stad op het promunturium Minervae, tusschen de golven van Puteoli (g. v. Napels) en van Paestum (g. v. Salerno). De omliggendeSurrentini collesleverden voortreffelijken wijn op. Thans Sorrento.

Susa,τὰ Σοῦσα=leliënstad, hoofdstad van het gewest Susiāne, ontleende zijn naam aan de tallooze leliën, die in den omtrek groeiden. Sedert Cyrus werd Susa om zijn warm klimaat de gewone winterresidentie der perzische koningen; in den zomer was het er ondragelijk heet, daar het land juist open lag voor de winden, die, uit Afrika komende, over de arabische zandwoestijnen heen streken. De huizen waren smal en diep, zonder bovenverdieping, van boven met eene laag aarde bedekt, op de wijze van kazematten. De plaats had geene muren, maar een sterken burg,τὰ Μεμνόνια, waarin zich het paleis en de schatkamers bevonden. Sedert 1850 na C. zijn hier vele beeldwerken en andere overblijfselen opgegraven. De stad was wijd uiteen gebouwd, zoodat zij, volgens verschillende opgaven, 120–200 stadiën (4–6⅔ uur gaans) in omtrek had. Hier traden Alexander de Gr. en zijne officieren met perzische vrouwen in den echt.

Susarion,Σουσαρίων, van Megaris, vestigde zich in Attica en trad hier voor het eerst met het megarische blijspel op, omstreeks 570.

Susiāne,Σουσιανή, Σουσίς, perzisch gewest tusschen den Beneden-Tigris en het Zagrusgeb. ten O. In overouden tijd bestond hier een zelfstandige staat, die zelfs over Babylon en Assyria moet geheerscht hebben, doch in het midden der 7deeeuw zijne onafhankelijkheid verloor. De oudste naam, waaronder de Grieken het kenden, wasCissia, CyssiaofCossia, naar de roofziekeCissaeiofCossaei, die de bergpassen naar Media beheerschten en zelfs de perzische koningen voor hun doortocht tol lieten betalen. In de vlakte woonden deElymaei, vreedzame landbouwers. In de bergen was het klimaat ruw, over dat van de vlakte zie menSusa.

Συσσίτιαofφιδίτια, oudtijdsἀνδρεῖα, de verplichte gemeenschappelijke maaltijden van mannen in dorische staten, vooral op Creta en te Sparta bekend. Zij waren verdeeld in gezelschappen van ongeveer 15 personen, waarin men alleen met algemeene stemmen aangenomen werd. Op Creta werden deze maaltijden grootendeels door den staat bekostigd, te Sparta gaf daarentegen ieder deelnemer zijn bijdrage, deels in spijzen, deels in geld; wie deze bijdragen niet leverde of de maaltijden niet geregeld bijwoonde, verloor zijn burgerrecht. Het hoofdgerecht was de zwarte soep (αἱματία, μέλας ζωμός), verder gebruikte men brij, vleesch, kaas, vruchten en wijn. Buitengewone lekkernijen, zooals wild, brood e. dgl. (ἐπάικλα), kreeg men door vrijwillige bijdragen, zij mochten niet voor geld gekocht zijn. Op Creta was in iedere stad een gebouw (ἀνδρεῖον) voor deze maaltijden bestemd.

Suthul, kasteel in Numidia, waar Jugurtha’s schatten geborgen lagen.

Sutrium,Σούτριον, stad in Etruria, latijnsche kolonie sedert 383, aan den weg van Rome naar Volsinii, ten O. van den mons Ciminius.

Svardones=Suardones.

Sybaris,Σύβαρις, een monster, dat de omstreken van den Parnassus verwoestte en door Eurybates gedood werd. Z.Alcyoneus.

Sybaris,Σύβαρις, beroemde grieksche stad aan een gelijknamig riviertje (zieCrathis), op de kust van Lucania aan de golf van Tarentum, omstreeks 720 door Achaeërs en Troezeners gesticht. Het dreef een levendigen handel en kon met zijne 25 onderhebbende steden 300000 (?) man tegen Croton in het veld brengen. De verwijfdheid evenwel der inwoners, zóó groot dat zij spreekwoordelijk is geworden, werd de oorzaak van den val der stad. In 510 werd Sybaris door de Crotoniaten verwoest. Zie verderThurii. Tengevolge van de twisten bij de stichting van Thurii verhuisden de afstammelingen der oude Sybarieten, die tot nu toe in Laüs en Scidrus gewoond hadden, naar een streek aan de Traïs, waar zeSybaris novastichtten.

Sybota,τὰ Σύβοτα, eilandjes op de kust van Epīrus, tegenover de Zuidpunt van Corcȳra, waarbij in 432 de zeeslag tusschen de Corcyraeërs en de Corinthiërs voorviel, het voorspel van den peloponnesischen oorlog.

Sychaeus=Sichaeus.


Back to IndexNext