D.DaaeofDahae,Δάαι, scythisch volk ten O. der Caspische zee. Zij deden als ruiters dienst in de legers der Perzen, van Alexander d. G. en van Antiochus III van Syria.Dacia,Δακία, thans Zevenbergen en Rumenië, rijk aan granen, hout en metalen, werd bewoond door een krijgshaftig thracisch volk (deDaci), dat voortdurend de rom. grenzen bestookte. Zie ookGetae. Domitiānus kocht van hun koning Decebalus den vrede voor eene jaarlijksche schatting; Traiānus echter onderwierp het land in twee oorlogen 101–102 en 105–107 n. C. De verschillende gebeurtenissen uit deze oorlogen zijn op de Columna Traiani in beeld gebracht. Traianus bracht vele kolonisten naar Dacia over, vooral om de goudmijnen te bewerken. Aureliānus liet het weder varen (270), terwijl de Gothen er bezit van namen. De rom. bewoners werden toen naar den zuidelijken oever van den Donau overgebracht, waar uit een stuk van Moesia eene nieuwe provincieDacia Aurelianiwerd gevormd; later komt deze voor onder den naamDacia ripensis, terwijl in het binnenland een nieuwe provincieDacia mediterraneawerd ingericht, hoofdstad Serdica (tgw. Sophia).Dactyli Idaei,Δάκτυλοι Ἰδαῖοι, zeer oude daemonen, die op den berg Ida in Phrygië of op Creta woonden en de eerste bewerkers van metalen waren; in Griekenland gelden zij als priesters van Rhea Cybele en worden zij steeds met de Curētes en Corybantes te zamen genoemd, dikwijls niet van hen onderscheiden. Een van hen zou de stichter der olympische spelen zijn.Dadicae,Δαδίκαι, volksstam op de grenzen van Sogdiāne.Dadūchus,Δᾳδοῦχος, fakkeldrager, vooral eene voorname betrekking bij de eleusinische mysteriën, erfelijk in het geslacht van Callias en Hipponīcus, het geslacht derΚήρυκες.Daedala,τὰ Δαίδαλα, stad en berg op de grenzen van Lycia en Caria. Ook eene stad ergens in India.Daedala,Δαίδαλα, feest ter eere van Zeus en Hera, in Boeotië gevierd. Bij de kleine Daedala, die waarschijnlijk eens om de vier jaar te Plataeae plaats hadden, werd een eik omgehouwen en daaruit een beeld van Hera vervaardigd; bij de groote, die slechts eens om de zestig jaar gevierd werden, waren dus veertien van die beelden gereed, die door vertegenwoordigers van de veertien bondssteden naar den Cithaeron gebracht werden; daar werd een stier en een koe geofferd, en de beelden verbrand op een houten altaar, dat mede verbrandde.Daedalion,Δαιδαλίων, zoon van Hesperus en Philōnis, stortte zich van verdriet over den dood zijner dochter Chione van den Parnassus en werd in een havik veranderd.Daedalus,Δαίδαλος, 1) zoon van Metion of Palamāon, achterkleinzoon van Erechtheus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester en uitvinder van een groot aantal werktuigen; hij was de eerste die beelden maakte, waarvan de oogen open waren en de beenen van elkander stonden, zoodat men zeide dat hij zelfs wandelende beelden maken konde. Uit naijver doodde hij zijn neef en bekwamen leerling Talos, waarvoor hij door den Areopagus ter dood veroordeeld werd ; hij redde zich echter door de vlucht en ging naar Creta, waar hij door Minos goed ontvangen werd. Onder de kunstwerken, die hij hier maakte, behoort het beroemde labyrinth, dat tot gevangenis van den Minotaurus diende. Daar Minos echter vermoedde, dat hij aan Ariadne den draad gegeven had, waarmede Theseus zich uit het labyrinth gered had, liet hij Daedalus zelf met zijn zoon Icarus in dien doolhof opsluiten; beiden ontsnapten echter door middel van vleugels, welke Daedalus gemaakt had uitveeren met was aan elkander verbonden. Icarus vloog te hoog op en kwam zoo dicht bij de zon, dat het was smolt en hij in de naar hem genoemde Icarische zee stortte; Daedalus kwam echter behouden bij Cumae in Italië aan, waar hij een tempel voor Apollo stichtte. Daarop begaf hij zich naar Sicilië, waar Cocalus (z.a.) hem gastvrij ontving en waar hij o.a. eene onneembare vesting bij Agrigentum en een tempel voor Aphrodīte op den Eryx bouwde.—Ook in andere landen zag men later in merkwaardige oude kunstwerken sporen van een bezoek van D.—2)sicyonisch beeldhouwer omstreeks 400.Daemon,Δαίμων, oorspronkelijk de naam dien men aan de goden gaf, wanneer men dacht aan den goeden of slechten invloed dien zij op het menschelijk leven uitoefenden. Later beschouwde men hen als wezens, die tusschen heroën en goden in stonden, afgestorvenen uit de gouden eeuw, die over het welzijn der menschen waakten, hun de gaven der goden brachten en omgekeerd hunne gebeden ten hemel droegen. Maar tegenover deze beschermgeesten (ἀγαθοδαίμονες) stonden ook kwelgeesten (ἀλάστορες), die de menschen tot kwaad verleiden en in het ongeluk storten. Door Socrates vond het geloof ingang, dat ieder mensch zijn eigen daemon heeft, die hem gedurende zijn geheele leven beschermt, en eindelijk kende men aan ieder mensch een goeden en een kwaden daemon toe.—De Joden en Christenen gaven den naam daemon weder als in de oudste tijden aan alle heidensche goden, maar verklaarden hen allen voor booze daemonen of duivels.Dahae=Daae.Daia, romeinsch keizer 305–313 n. C., zieMaximinus (Galerius Valerius).Dalmatae, zieDalmatia.Dalmatia,Δαλματία, in ruimen zin, omvatte het kustland ten O. der Adriatische zee, van Histria af tot aan den Drilon, de grens van Illyris Graeca. De naam is door de Romeinen aan dit gewest gegeven naar de hieronder genoemde Dalmaten, met wie ze lang oorlog gevoerd hebben. Het werd ookIllyria Barbaragenoemd, en nog in twee kustlanden onderscheiden:Liburnia, het noordelijk deel, van Histria tot aan den Titius, enDalmatiain engeren zin, tusschen de rivieren Titius en Drilon. De bevolking van dit kustland leefde van jacht, visscherij, veeteelt en ook van zeeroof. Dientengevolge kwamen zij bij herhaling met de Rom. in botsing. De eerste illyrische oorlog had plaats 229–228 tegen koningin Teuta, de tweede in 219 tegen Demetrius van Pharus. In 168 werd koning Gentius, omdat hij met Perseus van Macedonia een bondgenootschap had gesloten, door den praetor L. Anicius in een dertigdaagschen veldtocht verslagen en gevangen genomen, en zijn rijk in drie cijnsplichtige distrikten verdeeld. Doch reeds vóór Gentius hadden zich een aantal stammen losgerukt van het illyrische rijk en onder den naam Dalmaten, Dalmatae, eene republiek gesticht met Delminium tot hoofdstad. In 156 versloegen deze Dalmaten den rom. consul C. Marcius Figulus (Marciino. 12), doch zij werden in 155 onderworpen door P. Cornelius Scipio Nasīca (Corneliino. 20), doordat hij hun hoofdstad innam. In 117 werden zij andermaal onderworpen door L. Caecilius Metellus, die den naam Dalmaticus verwierf (Caeciliino. 12). Bij herhaling stonden de Dalmatiërs weder op, in 78, 50–47, 16 en 11, en 6–9 na C. (opstand van Bato).Dalmatius, stiefbroeder van Constantijn den Gr. Ook zijn zoon droeg denzelfden naam. Na Constantijns dood verloor deze laatste, aan wien Constantijn de Groote een deel van het rijk toegedacht had, in een soldatenoproer het leven, zieConstantiusII.DalminiumofDelminium, hoofdstad van de dalmatische republiek.Damalis,Δάμαλιςofἡ Βοῦς, kaap en vlek in Bithynia aan den thracischen Bosporus, op de plaats waar Io, in een koe veranderd, de zeeëngte overzwom. Vandaar voer men, van Chalcedon komend, over naar Byzantium.Damarete,Δαμαρέτη, gemalin van Gelon; naar haar heet een sicilische munt = 10 att. drachmen,δαμαρέτειον.Damaratus=Demaratusno. 1.Damascus,Δαμασκός, overoude stad in Coelesyria, aan de rivier Bardines of Chrysorrhoas, in eene zeer vruchtbare streek onder een heerlijk klimaat gelegen. Door verschillende besproeiingskanalen, uit de rivier afgeleid, was dáár in de woestijn eene groote oase ontstaan, waar verschillende karavaanwegen als in één middelpunt samenliepen. Damascus was tot aan de verovering door de Assyriërs (± 750) de hoofdstad van het machtigste der syrische (aramaeische) staten, en geregeld met Israël in oorlog. De Assyriërs verwoestten stad en omgeving, maar in den tijd der Perzen is het weer een belangrijke handelsstad. In den tijd der Diadochen hoorde het nu eens tot het rijk der Seleuciden, dan weder tot dat der Ptolemaeën. In 85 ontstond er een onafhankelijk staatje onder een arabisch vorstenhuis, dat echter reeds sedert Pompeius (66) onder Rome kwam te staan. De rom. keizers, vooral Diocletiānus, begunstigden de stad zeer, die beroemd werd door hare wapenfabrieken (damascener klingen) en lijnwaadweverijen (damast).Damasiaswerd in 582 archont te Athene, en gebruik makend van de burgertwisten die sedert Solons vertrek woedden, bleef hij deze waardigheid gedurende 26 maanden bekleeden; toen verbonden zich echter alle partijen tegen hem en werd hij verjaagd.Damasippus, naam in degens Licinia(Liciniino. 19 en 20).Damasithȳmus,Δαμασίθυμος, vorst van Calynda, ging met Xerxes naar Griekenland en sneuvelde bij Salamis, door de goedgeslaagde list van Artemisia.Damastes,Δαμάστης, 1) =Procrustes.—2)van Sigēum, geschiedschrijver, omstreeks 400.Damia,Δαμία, 1) godin van den wasdom, op verschillende plaatsen te zamen met Auxesiavereerd, misschien bijnaam van Persephone. Op Aegina vond men beelden van hen in knieënde houding, van olijvenhout.—2)bijnaam der Bona Dea, v. s. dezelfde als no. 1.Damocles,Δαμοκλῆς, gunsteling van Dionysius I, die steeds het geluk van den tyran roemde. Daarom liet Dionysius hem op zekeren dag alles genieten, wat hem zoozeer bekoorde, maar liet ondertusschen boven zijn hoofd een scherp zwaard aan een paardenhaar ophangen als beeld van de gevaren die een alleenheerscher bedreigen. Het zwaard van Dam. is tot een spreekwoord geworden.Damon,Δάμων, 1) atheensch toonkunstenaar en sophist, leermeester en vriend van Pericles, wegens ongeloof verbannen.—2)van Syracūsae, die voor zijn vriend Phintias gijzelaar bleef, toen deze wegens een waarschijnlijk verdichten moordaanslag op Dionysius II ter dood veroordeeld was en eenigen tijd uitstel van straf gevraagd had. Tegen de verwachting der hovelingen keerde Phintias nog juist bijtijds terug, waardoor de tyran zoo getroffen was, dat hij beiden het leven schonk en verzocht in hun vriendschapsbond opgenomen te worden, wat hem echter geweigerd werd.Δαμοσία, de tent der spartaansche koningen, wanneer zij in het veld waren;οἱ περὶ δαμοσίαν, οἱ ἀπὸ δαμοσίας, zij die met hen die tent bewoonden.Dana,Δάνα, ofThoana,Θόανα, groote stad in Cappadocia, waarschijnlijk dezelfde als Tyana (z. a.).Danaë,Δανάη, z.Acrisius. Volgens eene italiaansche legende zou zij met haar zoon in Italië gekomen zijn en de stad Ardea gesticht hebben; daarna zou zij bij Pilumnus moeder geworden zijn van Daunus, van wien Turnus afstamde.Danai,Δαναοί, heeten de Grieken in de gedichten van Homerus, oorspronkelijk een volk in Argos.Danaides,Δαναΐδης, Perseus, zoon van Danaë;Δαναΐδαι, Argiven, ook algemeen Grieken.Danaides,Δαναΐδες, de vijftig dochters van Danaüs (z. a.).Danapris, thans Dniëpr =Borysthenes.Danastris, thans Dniëstr, oudtijds Tyras geheeten, rivier in Sarmatia.Danaus,Δαναός, zoon van Belus en Anchinoë, kreeg na den dood van zijn vader de regeering over Libye, maar door zijn tweelingbroeder Aegyptus en diens zonen bedreigd, vluchtte hij met zijne vijftig dochters naar Argos, waar hij koning werd; hij bouwde den burcht van Argos en leerde hoe men in tijden van droogte het land van water kon voorzien. De vijftig zonen van Aegyptus volgden hem echter en vroegen zijne dochters ten huwelijk; Danaüs gaf toe, maar overreedde zijne dochters, hunne echtgenooten in den huwelijksnacht te vermoorden, waaraan alle gevolg gaven, behalve Hypermnestra. De echtgenoot van deze, Lynceus, doodde nu Danaüs zelf en al zijne schoonzusters, die tot straf voor hare misdaad in de onderwereld eeuwig water moeten scheppen in een bodemloos vat.DandaridaeofDandarii,Δανδάριοι, scythisch volk aan de Oostkust van de Palus Maeōtis (zee van Azow) ten N. van den Caucasus.Danuvius,Δανούβιος, vroegerIster(Hister), welke naam voor den benedenloop ook in later tijd nog dikwerf voorkomt. Deze stroom, thans Donau, was onder de keizers langen tijd de grensrivier van het rom. rijk.Daorsi,Δαόριζοι, kleine volksstam in Zuid-Dalmatia.Daphnae Pelusiae,Δάφναι αἱ Πελούσιαι, aegyptische grensvesting tegen Arabia, nabij Pelusium.Daphne,Δάφνη, 1) dochter van Penēus, werd door Apollo bemind; toen zij, door hem vervolgd, de goden om hulp smeekte, werd zij in een laurier veranderd.—2)nimf van den Parnassus, in de oudste tijden priesteres bij het delphische orakel, toen dit nog aan Gaea behoorde.Daphne,Δάφνη, voorstad der syrische stad Antiochīa, een waar lustoord, rijk aan laurierboomen en cypressen, met een beroemden Apollo-tempel. Daphne was een lievelingsverblijf der Seleuciden, later ook van Pompeius en andere Romeinen. In zedelijk opzicht stond het slecht aangeschreven, men spreekt vanDaphnici mores.Daphnephoria,Δαφνηφόρια, feest om de acht jaar ter eere van Apollo te Delphi en in Boeotië gevierd, ter herinnering aan zijne reiniging na het dooden van den Python.Daphnis,Δάφνις, zoon van Hermes en eene nimf, herder en jager op Sicilië, bekwaam fluitspeler en de uitvinder der bucolische poëzie. Hij zwoer trouw aan eene nimf, die hem beminde, en toen hij zijn eed brak, strafte zij hem met blindheid of veranderde hem in een steen; Hermes verplaatste hem echter onder de sterren.—V.a. stierf hij van liefdesmart, daar hij zich tegen den wil van Aphrodīte verzet had.Daradax,Δαράδαξ, zijrivier van den Euphraat in Syria (Cyrrhestica).Darapsa=Drepsa.Dardanarii, opkoopers en speculanten in koren, die de prijzen zochten op te drijven. Dit was onder de keizers strafbaar gesteld en behoorde tot dedelicta extraordinaria.Dardania,Δαρδανία, 1) gewest en stad van het trojaansche land, aan den Hellespont, de zetel van Aenēas. Hiernaar worden de Trojanen ook wel Dardani genoemd. De stad Dardania moet niet verward worden met Dardanus.—2)het land der Dardani,Δάρδανοι, in Moesia Superior, het tegenw. Servië. De Dardaniërs waren een morsig, doch muzikaal volk, van illyrischen stam.Dardanides,Δαρδανίδης, Δαρδανίων, Priamus, Anchīses e.a. afstammelingen van Dardanus;Dardanidae,Δαρδανιδαι, Δαρδάνιοι, Δαρδανίωνες, Δάρδανοι, Trojanen.Dardanis,Δαρδανίς, trojaansche vrouw, in het bijzonder Creūsa (no. 3).Dardanus,Δάρδανος, zoon van Zeus enElectra, de mythische stamvader der Trojanen en dus ook der Romeinen. Hij stichtte in Phrygië de stad Dardania en erfde later van zijn schoonvader Teucer de regeering; sedert dien tijd werd het land naar hem Dardania genoemd, totdat zijn kleinzoon Tros het den naam Troia gaf. Zijne vrouw Chryse had van Athēna als huwelijksgift het Palladium en de beelden der groote goden gekregen, wier dienst hij eerst op Samothrāce instelde en later naar zijn rijk overbracht. Dardanus was v. s. in het trojaansche land geboren, v. a. was zijn vaderland Samothrāce, Arcadië, Creta of Italië.Dardanus,Δάρδανος, stad aan den Hellespont op den aziatischen oever, ten Z. van Abȳdus. De naam Dardanellen is hiervan afgeleid.Dares,Δάρης, trojaansch priester van Hephaestus, zou nog voor Homerus eene Ilias op palmbladen geschreven hebben. Het latijnsche prozawerk, dat nog bestaat en eene vertaling van de Ilias van Dares Phrygius heet te zijn, is een werk van weinig beteekenis, dat echter door middeleeuwsche dichters veel gebruikt en nagevolgd is. Het is waarschijnlijk uit de 5deeeuw na C., het Grieksche origineel, dat verloren gegaan is, is misschien uit de 1steof 2deeeuw n. C. ZieDictys.Darīcus,δαρεικός, perzische gouden munt, ook in Griekenland gangbaar, ongeveer ter waarde van 22 att. drachmen. Het gewicht van den dariek bedraagt gemiddeld 8.41 gram.Darīus,Δαρεῖος, 1) D. I.Hystaspis, zoon van Hystaspes, behoorde tot het geslacht der Achaemeniden, diende onder Cambȳses, was een van de zeven perzische edellieden die tegen den valschen Smerdis samenzwoeren, en werd, nadat deze vermoord was, ten gevolge van een orakel tot koning verheven (521). In het begin van zijne regeering had hij met een algemeenen opstand van de onderworpen landen te kampen, toen echter Babylon na een lang beleg weder ingenomen was, gaven de andere provinciën zich na elkander over. Daarop wijdde D. het eerst zijn zorg aan het binnenlandsch bestuur: hij hervormde het belastingstelsel, legde goede wegen aan, met vaste halten voor de posterijen, en verdeelde het rijk in satrapieën. In 513 ondernam hij met een leger van 700,000 (?) man een veldtocht tegen de Scythen; door middel van een schipbrug trok hij over den Ister en deed een inval in hun land, maar de Scythen trokken zich in hunne steppen terug en vermeden een open gevecht, zoodat D. na vele verliezen door gebrek genoodzaakt was onverrichter zake terug te keeren en verloren geweest ware, indien de aziatische Grieken aan het verlangen der Scythen voldaan hadden en de brug hadden afgebroken. Terwijl nu zijn veldheer Megabāzus de landen aan den Bosporus onderwierp, breidde hij zijn rijk tot aan den Indus uit en veroverde hij ook Barca (510). Nadat de door Aristagoras (z. a.) verwekte opstand der ionische Grieken bedwongen was, wenschte D. de Atheners en Eretriërs, die de opstandelingen geholpen hadden, te straffen. Hij zond daarom zijn schoonzoon Mardonius met een groote vloot naar Griekenland (493), doch de meeste schepen verongelukten bij het voorgebergte Athos; drie jaar later gingen Datis en Artaphernes met een nog talrijker leger, die wel Eretria verwoestten en de inwoners naar Azië overbrachten, maar bij Marathon tegen de Atheners een volkomen nederlaag leden. Verdere plannen van Darius tegen Athene en tegen het inmiddels afgevallen Aegypte werden door zijn dood verijdeld (486).—2)D. IIOchus(Ὦχος), bastaardzoon van Artaxerxes I, en daarom door de GriekenNothus(Νόθος) genoemd, maakte zich door het vermoorden van zijn broeder van de regeering meester (424). Hij liet zich geheel door zijne vrouw, Parysatis, en door gunstelingen beheerschen en lokte door zijne zwakheid allerlei onlusten en opstanden uit, die hij meest door list wist te dempen; Aegypte konde hij echter niet onderwerpen. Hij stierf in 405.—3)D. IIICodomannus, kleinzoon van Artaxerxes II, werd na de vermoording van Arses door Bagōas op den troon gebracht (336). Hij trachtte het inwendig zeer verzwakte rijk te herstellen, en maakte een einde aan het schrikbewind van Bagōas; in den oorlog tegen Alexander d. G. toonde hij zich echter zwak; hij verloor de gevechten bij Issus en Gaugamēla, trachtte naar de oostelijke provinciën van zijn rijk te vluchten, maar werd op weg door zijn satraap Bessus vermoord (331).Dascon,Δάσκων, vesting en inham op Sicilia, ten Z. van Syracūsae.Dascylium,Δασκύλιον, stad in Bithynia, aan de Propontis. Onder de perzische heerschappij was het de residentie van de satrapen van Phrygia minor, dat daarnaar ookἡ Δασκυλῖτις σατραπείαofὁ ἐν Δασκυλείῳ νομόςheette.Dassarētae,Δασσαρῆται, stam in het Z.O. van Illyris Graeca. Hoofdstad Lychnidus aan den lacus Lychnītis.Datames,Δατάμης, een Cariër, die onder Artaxerxes II tegen de Cadusiërs streed en tot belooning voor zijn beleid en dapperheid satraap van Cappadocië werd. Hij bewees den koning vele diensten en werd zeer door hem onderscheiden, maar uit vrees dat Artaxerxes aan zijne invloedrijke vijanden het oor zou leenen, kwam hij in opstand (± 370). Langen tijd hield hij zich staande, maar eindelijk werd hij verraderlijk vermoord (360).Dataphernes,Δαταφέρνης, was een van hen die Bessus aan Alexander verrieden; niettemin bleef hij met Spitamenes den oorlog voortzetten, totdat hij door de Dahae aan Alexander overgeleverd werd.Datis,Δᾶτις, veldheer van Darīus Hystaspis, die met Artaphernes de nederlaag bij Marathon leed.Datum,Δᾶτον, stad en streek in oostelijk Macedonia ten O. van den Pangaeus mons, tegenover Thasus, met rijke goudmijnen.Daulis,Δαυλίς, sterke stad in Phocis ten O. van den Parnassus, aan den weg vanChaeronēa naar Delphi. Hier behoort de mythe van Philomēla en Procne te huis.Daunia, het noordelijk gedeelte van Apulia, het land van Daunus, den vader van den rutulischen koning Turnus (zieAeneas) en schoonvader van Diomēdes.Daunius heros= Turnus;Daunia gens= Rutuliërs;dea Daunia= Iuturna, Turnus’ zuster;Daunias(bij Horatius) = Apulia.Daunus,Δαῦνος, zoon van Pilumnus en Danaë, of een Arcadiër, zoon van Lycāon, koning van Daunia. Diomēdes stond hem bij in den oorlog tegen de Messapiërs en nam zijne dochter tot vrouw.Dea Dia, waarschijnlijk de godin der voortbrengende kracht in de natuur, een andere naam voor Ceres of Tellus, wier dienst te Rome door de fratres arvales (z.Arvales fratres) waargenomen werd; te harer eere werd jaarlijks gedurende drie dagen in Mei in de stad en in een nabijgelegen heilig woud een feest gevierd.Decānus, in den keizertijd een hoofdman van tien soldaten, die in dezelfde tent gelegerd waren.Decebalus,Δεκέβαλος, koning van Dacia, van wien Domitiānus den vrede kocht (89 n. C.), maar die door Traiānus geheel verslagen werd en zichzelf het leven benam (106 n. C.). ZieDacia.Decelēa,Δεκέλεια, attische gemeente ten N.W. van Athenae, bekend door den deceleïschen oorlog (413–404), toen de Spartanen op raad van Alcibiades de plaats bezetten.Decemprīmi, 1) eene commissie van 10 leden, die in demunicipiaaan het hoofd van den senaat stond. In navolging van dezen vindt men in den keizertijd, in het Oosten van het rijkdecaproti,οἱ δέκα πρῶτοι, die echter een anderen werkkring hebben. De decaprōti behoeven niet tot de senaatsleden te behooren. Zij innen de belastingen en zijn aansprakelijk voor het binnenkomen daarvan.—2)decemprimiheeten ook de bestuursleden van den indecuriaeingedeeldenordoderscribae(z.apparitores).Decemviri, een collegie van 10 mannen. 1)Decemviri agris dividundis, commissie van landverdeeling uit denager publicusonder het volk. ZieAgrariae(leges), en welRogatio Servilia agrariavan 63.—2)Decemviri legibus scribundis, het uit de rom. geschiedenis bekende collegie der tienmannen in 451–449, tengevolge derlex Terentiliain het leven geroepen en waartoe App. Claudius behoorde. ZieClaudiino. 2 enTabularum(leges XII).—3)Decemviri(st)litibus iudicandis, een oud rechterlijk collegie, dat in processen over vrijheid en burgerrecht recht sprak, en dat reeds in de 5deeeuw bestond (z.Horatiae Valeriae(leges)), als we ten minste aan mogen nemen, dat de woordeniudices decemviriop hen betrekking hebben; v. s. is het college eerst in de 3deeeuw, tusschen 242 en 227, ingesteld. De leden werden in de tribuutcomitiën gekozen. Onder Augustus veranderde hun werkkring en werden zij voorzitters dercentumviri. Zij vormen een onderdeel van devigintiviri.—4)Decemviri sacrorumofsacris faciundis, belast met het toezicht op de sibyllijnsche boeken, die op het Capitool bewaard werden en die zij op last van den senaat raadpleegden (zieSibylla). Zij hebben het toezicht op de offers, dieGraeco ritugebracht worden, oorspronkelijk ook op desupplicationesenlectisternia, waartoeex librisbesloten was. In den beginne waren er 2, later 10 (5 patricische en 5 plebejische), sedert Sulla 15.Decentius, Caesar (onderkeizer) 350–353 n. C. Hij was een neef van Magnentius, die hem aangesteld had om de aanvallen der Germanen af te weren; tijdens zijn bestuur werd echter Gallia door de Germanen verwoest. Hij doodde zichzelf, toen hij den dood van Magnentius vernam.Decetia, stad der Aeduërs in Gallia Transalpīna aan den Liger (Loire).Deciānus, naam in degens Appuleia(Appuleiino. 4 en 5).Decidius Saxa, naam van twee broeders, die in den burgeroorlog voor Caesar en later voor Antonius streden. De een sneuvelde als propraetor van Syria in 40 tegen de Parthen, die onder aanvoering van Q. Labienus in de provincie gevallen waren.Decimatio. Wanneer eene geheele troepenafdeeling van een rom. leger zich had schuldig gemaakt aan iets, wat in een enkele met den dood zou worden gestraft, b.v. muiterij, lafhartigheid in den strijd, dan werd die afdeeling in het gelid geschaard, het lot wees aan, waar men zou beginnen te tellen, en elke tiende man werd onmiddellijk ter dood gebracht. Onder de keizers werd deze straf dikwijls verzacht totvicesimatioofcentesimatio.Decii, een plebejisch geslacht. 1)P. Decius Mus, krijgstribuun in 343, redde toen door zijn kloekmoedigheid het rom. leger, dat door de Samnieten bij den berg Gaurus was ingesloten, en deed een bijna wissen ondergang in eene luisterrijke zegepraal verkeeren. In 340 offerde hij als consul zich in den strijd tegen de Latijnen op, en bezorgde hierdoor den zijnen eene schitterende overwinning. Evenals de geheele eerste samnietische oorlog, is ook het verhaal omtrent de opoffering van Decius in den oorlog tegen de Latijnen verzonnen. Slechts staat vast, dat Decius als consul gesneuveld is.—2)P. Decius Mus, zoon van no. 1, consul in 312, 308, 297 en 295, censor in 304, streed voorspoedig tegen de Etruscers, Samnieten en Umbriërs, en bezorgde in 295 bij Sentīnum, het voorbeeld zijns vaders volgende, door een vrijwilligen dood zijn leger de overwinning op de Samnieten en de Kelten.—3)P. Decius Mus, zoon van no. 2, consul in 279, viel in den slag bij Asculum (Ausculum) tegen Pyrrhus. V. s. is het verhaal omtrent het heldhaftig gedrag der Decii, n. m. dat ze zich aan de onderaardsche goden wijdden en daarna den dood zochten, op dezen Decius Mus toepasselijk.—4)P. Deciusklaagde in 120 als volkstribuun den gewezen consul L. Opimius aan, dat hij burgers onveroordeeldin den kerker had geworpen. Cicero noemt hem als redenaar.—5)P. Decius(Mus) sloot zich, om zijne schulden te kunnen betalen, aan Antonius aan en nam deel aan den mutinensischen oorlog. Cicero zegt daarom spottend, dat hij op het voorbeeld zijner voorvaderen zich voor zijne schulden had opgeofferd.Decimii, aanzienlijk geslacht uit Samnium.Decius(C. Messius Quintus Traiānus), uit Pannonia afkomstig, rom. keizer 249–251 na C., opvolger van Philippus Arabs, regeerde goed, doch vervolgde de Christenen. Op een tocht tegen de Gothen kwam hij met zijn zoon in een moeras om.Decumāna porta, de poort aan de achterzijde der legerplaats. Ziecastra.Decumānus, tiendpachter.Ager decumanus, tiendplichtig land.Miles decumanus, soldaat van het tiende legioen. Zie ookauguria.Decumātes agri, zieagri decumates.Decuria, afdeeling van 10 personen, later eene kleine afdeeling in het algemeen, zonder dat men zich streng aan het getal 10 hield. Bij de ruiterij was elketurma(30 man) in driedecuriaeafgedeeld.Decurio, de eerste van eenedecuriaruiterij en als zoodanig de hoofdman er van.—Decurionesworden in de municipia de leden van densenatus municipalisgenoemd, die ookordo decurionumheet.Decursioofdecursus, 1) militaire oefening met pak en zak door het geheele leger, waarbij verschillende krijgsbewegingen werden uitgevoerd en waarbij de soldaten vooral geoefend werden, hunne liniën en gelederen te bewaren.—2)een militaire optocht of parade rondom een grafheuvel of een altaar, ter eere van een in den strijd gevallene opgericht.Dedicatio, plechtige inwijding van eenig openbaar gebouw, b.v. van een tempel. Hij die den tempel wijdde, sloeg daarbij de hand aan de deurpost en moest een wijdingsformulier nazeggen, dat de pontifex maximus hem voorzeide. Daarbij te haperen gold als een slecht voorteeken.Dediticiiwaren zij, die zich onvoorwaardelijk aan de genade der Rom. hadden moeten overgeven.—Zie ookAelia Sentia(lex).Dediticiikonden nochcivesnochLatiniworden.Deïanīra,Δηιάνειρα, dochter van Oeneus, gemalin van Heracles (z.Achelōus) en de onschuldige bewerkster van zijn dood (z.Heracles), waarom zij zich van het leven beroofde.Deïdamēa,Δηιδάμεια, 1) dochter van Lycomēdes, werd bij Achilles, die in meisjeskleederen aan het hof van haar vader leefde, moeder van Neoptolemus.—2)vrouw van Pirithoüs.—3)zuster van Pyrrhus van Epīrus, gehuwd met Demetrius Poliorcētes.—4)dochter van Pyrrhus van Epīrus.Δεῖγμα, gebouw in den Piraeus, waar monsters van koopwaren ter bezichtiging uitgestald werden.Δειμός, zoon of dienaar van Ares.Deïoces,Δηιόκης, een Mediër, die, nadat het volk zich van de Assyriërs onafhankelijk gemaakt had, door zijne wijsheid en rechtvaardigheid grooten roem verwierf en daarom tot koning verheven werd (709 of 700), stichter van Ecbatana.Deïoneus,Δηιονεύς, 1) ofDeïon,Δηίων, een van de zeven zonen van Aeolus, werd koning van Phocis.—2)schoonvader van Ixīon, werd door dezen, toen hij de bruidsgeschenken van hem vorderde, verraderlijk in een vuurpoel geworpen.—3)zoon van Eurytus.Deïonides, Milētus, zoon van Apollo en Deïone.Deiotarus,Δηιόταρος, tetrarch van Galatia in Azië, ondersteunde de Rom. in den mithradatischen oorlog en ontving daarvoor van den rom. senaat den titel vanrexmet een vergrooting van grondgebied. In den burgeroorlog streed hij voor Pompeius; Caesar vergaf het hem echter en liet hem het grootste gedeelte van zijn rijk. In 45 werd Deiotarus door zijn kleinzoon Castor en zijn arts Phidippus aangeklaagd van een aanslag tegen Caesars leven, toen deze indertijd bij hem had vertoefd. Cicero verdedigde den koning, en hoewel er geene vrijspraak schijnt gevolgd te zijn, werd de zaak toch niet verder vervolgd. Antonius bevestigde voor eene groote som gelds Deiotarus weder in zijn vroeger gebied, maar later streed hij onder Brutus bij Phillippi tegen de triumviri, met wie hij zich echter verzoende.Deïphobeheette de sibylle van Cumae, dochter van den zeegod Glaucus.Deïphobus,Δηίφοβος, zoon van Priamus en Hecabe, een van de voornaamste trojaansche helden. Hij was steeds tegen de uitlevering van Helena en trouwde haar na den dood van Paris. Bij de verovering van Troje werd zijn huis verwoest en hij door Menelāus op wreedaardige wijze gedood. Met Paris zou hij Achilles gedood hebben.Deïphontes,Δηιφόντης, zoon van Antimachus, schoonzoon en opvolger van Temenus (z.a.); v.a. vluchtte hij na den dood van zijn schoonvader uit vrees voor zijne zwagers naar Epidaurus.Δεῖπνον, de hoofdmaaltijd der Grieken, in de oudste tijden omstreeks den middag, later tegen den avond gebruikt, waarbij men dikwijls gasten ontving, of die ook wel met bijdragen (ἀπὸ συμβολῶν) der gezamenlijke deelnemers betaald werd. Bij aankomst der gasten werden hun door slaven de zolen afgenomen en de voeten gewasschen, daarop wiesch men de handen en nam men plaats op de rustbank, waarop men liggende het maal gebruikte. Als spijzen worden genoemd gerstebrei (bij armere lieden het voornaamste gerecht), groenten, vleeschspijzen en visch; vorken of messen gebruikte men niet, wel lepels; onder het eten hield men de handen schoon met fijngewreven broodkruimels. Na het eten werden de schotels weggenomen, waschwater met een soort zeep, soms ook bloemen en reukwerken rondgediend en begon het nagerecht (δεύτεραι τράπεζαι) of drinkgelag (συμπόσιον) met een drankoffer (σπονδαί) waarbij men de woordenἀγαθοῦ δαίμονοςuitsprak. Nadat door het lot een tafelpresident(συμποσίαρχος, βασιλεύς, ἄρχων) was aangewezen, bleef men onder het genot van wijn, vruchten, kaas, koek, enz., dan dikwijls nog lang bij elkander, terwijl men zich den tijd verdreef met gesprekken, gezelschapsspelen, dikwijls ook met voordrachten van fluitspeelsters of vertooningen van danseressen.Deïpyle,Δηιπύλη, dochter van Adrastus, gehuwd met Tydeus.Δέκαπρῶτοι, z.Decemprimino. 1.Δεκαρχίαι, δεκαδαρχίαι, colleges van tien personen, na den peloponnesischen oorlog door Lysander met de regeering belast in de meeste steden, die zich bij Sparta hadden aangesloten. De willekeur, waarmede deze colleges, gesteund door spartaansche bezettingen en harmosten, regeerden, maakte in korten tijd de spartaansche hegemonie algemeen gehaat.Delatio nominis, heet in den tijd derquaestiones perpetuaehet indienen eener aanklacht bij denpraetor quaestionis.Delatōres, aanbrengers van misdrijven, waartegen straf bedreigd was. Onder sommige keizers, toen majesteitsprocessen aan de orde van den dag waren, maakten sommigen van dit aanbrengen eene broodwinning, daar hun een vierde van de opgelegde boete of van het verbeurdverklaarde vermogen des veroordeelden ten deel viel. Ook persten zij dikwerf aanzienlijke sommen af door de bedreiging, in geval van weigering eene aanklacht in te dienen. Ze worden ookquadruplatoresgenoemd.Delia, geliefde van Tibullus (z.a.); pseudonym voor Plania.Delium,Δήλιον, boeotisch stadje in het gebied van Tanagra, waar de Boeotiërs in 424 de Atheners versloegen.Delius, -ia,Δήλιος, -ία, bijnamen van Apollo en Artemis, naar het eiland Delus, waar zij geboren waren en waar Apollo hoog vereerd werd.Dellius (Q.), dezelfde, aan wien Horatius een ode heeft gericht, werd door Antonius in 41 naar Aegypte gezonden, om Cleopatra ter verantwoording naar Tarsus te ontbieden. Later ging hij tot Octavianus over. Hij heeft den oorlog tegen de Parthen beschreven, dien hij in het gevolg van Antonius medemaakte.Delmatiaoude schrijfwijze voorDalmatia.Delmatius=Dalmatius.Delminium=Dalminium.Delphi,Δελφοί, kleine maar beroemde stad van Phocis, langs den Z.rand van den tweetoppigen Parnassus tegen den berg aan gebouwd, met verscheidene tempels, waaronder die van den Pythischen Apollo de voornaamste was. Delphi werd oudtijds als het middelpunt der aarde beschouwd. De oudste tempel, die volgens de sage door Trophonius en Agamēdes gebouwd was, verbrandde in 548. Hij werd (530–514) door de uit Athene verdreven Alcmaeoniden prachtig in dorischen stijl herbouwd, waarbij de oostgevel, in plaats van in porus of tufsteen, in parisch marmer werd opgetrokken. In 373 werd hij door een aardbeving en een brand vernietigd, maar door de Amphictyonen met het geld van den tempel in nieuweren stijl herbouwd. Ook later is hij nog herhaaldelijk hersteld, tot hij ten laatste door een aardbeving vernietigd werd. Hij bevatte een ontzaggelijken tempelschat, een gouden beeld van den god en een heiligen steen, die als de navel der aarde,ὀμφαλὸς τῆς γῆς, beschouwd werd, terwijl nog vele andere standbeelden op den voorhof stonden. In den pronaos las men de spreukenγνῶθι σεαυτόνenμηδὲν ἄγαν. Achter decellawas een afzonderlijke ruimte, hetadyton, waaronder of waarbij de aardkloof zich bevond, waaruit zwaveldampen opstegen, die de Pythia (zie hieronder) in geestvervoering brachten. (Het bericht omtrent die zwaveldampen wordt tegenwoordig voor een fabeltje gehouden). In den phocensischen oorlog (357–346) werd de tempel uitgeplunderd door de huurtroepen der Phocensen, in 278 door de Galliërs, die ten getale van 200000 Griekenland trachtten binnen te dringen, later door Sulla, vervolgens door Nero, die honderden standbeelden uit Delphi naar Rome liet voeren, terwijl het overschot later door Constantijn den Gr. naar Constantinopel werd overgebracht. De stad verviel, en verschillende aardbevingen vernielden ze en verdreven de bevolking. Op de plaats lag later het dorp Kastri; nu heeft de fransche regeering dit doen verplaatsen, en daarop is tusschen 1892 en 1901 opgegraven, wat er nog over is. De tempel zelf lag in het midden van denτέμενος, een met hooge muren omgeven sterk hellend terrein; in het zuidelijke gedeelte, dat het laagst lag, vindt men voornamelijkθησαυροίen geschenken, ten N. van den tempel links het theater, rechts deλέσχηvan de Cnidiërs, een gebouw, waar de vreemdelingen plachten samen te komen. Hetorakel van Delphiwas het meest beroemde der oudheid; eerst behoorde het aan Gaea,Γῆ; deze schonk het aan Themis, Themis aan Phoebe, Phoebe aan Phoebus Apollo, z.Pytho. Wanneer het orakel zou geraadpleegd worden, plaatste zich eene der priesteressen ofΠυθίαι, na zich gebaad en uit de bron Cassōtis gedronken en laurierbladeren in den mond genomen te hebben, op een zetel, die op een drievoet rustte, en uit de geluiden, die zij uitstiet, maakten de priesters het antwoord gereed. Door zijn groot aanzien heeft het orakel meermalen op den gang der historische gebeurtenissen invloed uitgeoefend. Depythische spelenhadden in de vlakte van Crissa plaats, telkens in het derde jaar eener olympiade. De eereprijs bestond in een lauwerkrans.Δελφίνια, feest ter eere van Apollo als beschermer der zeevaart, te Athene den 6enof 7denMunychion gevierd.Delphinium,Δελφίνιον, 1) stad aan de Oostkust van het eil. Chius.—2)haven van Orōpus in Attica, overvaartplaats naar Euboea.—3)gerechtshof te Athene in den tempel van Apollo Delphinius, dat overφόνος δίκαιοςrecht sprak (zieEphetae).Delphīnus, Delphin,Δελφίς, Δελφίν, 1) sterrenbeeld, waarin men den dolfijn van Arīon of van Amphitrīte meende te zien.—2)een werktuig waarvan men zich in den zeeoorlog bediende; het was een groote klomp lood of ijzer, die aan den mast hing en met kracht tegen het vijandelijke schip geslingerd werd.Delta, het noordelijke deel van Aegypte, tusschen de verschillende armen, waarin de Nijl zich splitst, door aanslibbing gevormd en uiterst vruchtbaar, en met een groot getal steden. De naam is ontleend aan den driehoekigen vorm.Delubrum, de plaats van reiniging en verzoening, de tempel, vooral dat gedeelte er van, waar het beeld der godheid stond.Delus, Delos,Δῆλος, het heilige Cycladeneiland, waar Apollo en Artemis door Latōna ter wereld waren gebracht. Apollo had er een wit marmeren tempel met een altaar uit hoornen in elkaar gewerkt. Tot de viering van Apollo’s geboortefeest (Ἀπολλώνια) zonden de grieksche staten jaarlijks in de maand Thargelion plechtige gezandschappen. Om de vier jaar werd dit feest vervangen door deΔήλια, een van de luisterrijkste feesten van geheel Griekenland. Geen begrafenis mocht op Delus plaats hebben; lijken werden naar het nabijgelegen Rhenēa overgebracht. De oudste bewoners warenCariërs, daarna vestigden er zich Ioniërs. Na den perzischen oorlog werd te Delus de bondskas van het atheensche zeeverbond bewaard, totdat Pericles deze naar Athene overbracht (454). Delus was in de 2deeeuw, toen het door de Romeinen aan Athene werd toegewezen, en een vrijhaven werd, beroemd om zijne slavenmarkten, die van heinde en verre werden bezocht. In den eersten mithradatischen oorlog werd het (88) door den pontischen veldheer Menophanes of door Archelāus geplunderd en verwoest, de mannelijke bevolking omgebracht, vrouwen en kinderen in slavernij weggevoerd. In 69 werd het eiland wederom geplunderd, nu door de zeeroovers, en sedert dien tijd is het vervallen. Thans is Delus woest en verlaten. Naar het eiland en den berg Cynthus wordt Apollo dikwerfDeliusenCynthiusgenoemd. ZieAsteria.Demādes,Δημάδης, atheensch redenaar van geringen stand, die in het belang van Macedonië werkte en een geducht tegenstander van Demosthenes was; bij Alexander d. G. stond hij in hooge gunst, zoodat hij met Phocion tot hem gezonden werd, toen de Atheners na het bedwingen van den thebaanschen opstand de wraak des konings vreesden (z.Demosthenes). Antipater liet hem ter dood brengen, daar hij in onderschepte brieven de bewijzen van een aanslag van Demades tegen hem gevonden had (319). Zijn karakter wordtuiterstbedorven genoemd, daarentegen roemen de ouden zijne onweerstaanbare welsprekendheid, zijne geestigheid en gevatheid; niettemin waren zijne werken reeds vroeg verloren.Δημαγωγός, leider der volkspartij in eene republiek (ookπροστάτης τοῦ δήμου); gewoonlijk menschen die, niet door deambtendie zij bekleedden, maar door persoonlijke eigenschappen, vooral door welsprekendheid, grooten invloed hadden verworven. Terwijl een bekwaam en braaf man, zooals Pericles, als demagoog veel kon doen om het volk ten goede te leiden, gebruikten latere atheensche demagogen hun invloed veelal om het volk tegen de rijken en aanzienlijken op te hitsen, waardoor partijschappen ontstonden, die voor den staat een werkelijk gevaar opleverden; vandaar dat het woord meestal eene ongunstige bijbeteekenis heeft.Demarātus,Δημάρατος, 1) koning van Sparta, zoon van Aristo, tegenstander van zijn ambtgenoot Cleomenes I (z.a.).Toen hij van de regeering ontzet was, ging hij naar Perzië, waar hij door Darīus met achting behandeld werd en een eigen grondgebied kreeg. Later begeleidde hij Xerxes op zijn tocht naar Griekenland, doch zijne raadgevingen en waarschuwingen vonden weinig gehoor.—2)corinthisch koopman, die voor den tyran Cypselus vluchtte en naar Tarquinii ging; hij was de vader van Tarquinius Priscus.Demarchus,δήμαρχος, bestuurder van een attischen demus; hij werd voor een jaar door de leden van den demus gekozen, riep hun vergaderingen bijeen en leidde ze, hield een register van de leden, enz. Grieksche schrijvers over rom. geschiedenis geven denzelfden naam aan de volkstribunen.Demēter,Δημήτηρ,Ceres, dochter van Cronus en Rhea, godin van den akkerbouw, van de geheele plantenwereld en vooral van het koren, die de goede gaven der aarde doet opkomen (Ἀνησιδώρα). Zijzelve had op vele plaatsen de menschen leeren zaaien en ploegen en had later door Triptolemus (z.a.) de kennis daarvan over de geheele aarde doen verbreiden. Daardoor was zij de oorzaak geworden, dat de menschen hun vroeger zwervend leven vaarwel zeiden en zich tot staten en eene geordende maatschappij vereenigden; zij is daarom ook de godin van wet en orde (Θεσμία, Θεσμοφόρος) en van het huwelijk. Dikwijls wordt zij als de vruchtbare aarde zelve beschouwd en daarom somtijds voor dezelfde gehouden als Gaea of Rhea; ook haar naam werd door sommigen alsΓῆ μήτηρverklaard. Zij is een van de oudste grieksche godheden en werd reeds door de Pelasgen vereerd (Πελασγίς), in lateren tijd raakte haar dienst bij de dorische volken meer op den achtergrond. Zij was bij Zeus moeder van Persephone, bij Poseidon van het paard Arīon, en bij Iasion van Plutus. De voornaamste mythus van Demeter heeft betrekking op het zoeken en vinden van hare door Hades geroofde dochter Persephone (z.a.), bij verscheiden groote feesten te harer eere gevierd, vooral bij de eleusinische mysteriën, werd deze mythus in herinnering gebracht, waarbij men, naar het schijnt, symbolisch zeker verband zocht aan te toonen tusschen het jaarlijks afsterven en herleven der natuur en het herleven van ’s menschen ziel na dendood.—Men offerde aan Dem. runderen, zwijnen, vruchten en honig; de korenaar, de papaver, alle vruchtboomen, de pijnboom en de olm zijn aan haar gewijd. Hare afbeeldingen gelijken veel op die van Hera, echter heeft haar gelaat eene zachtere, minder strenge uitdrukking; gewoonlijk heeft zij een krans van korenaren om het hoofd en een korf met vruchten of de mystische fakkel in de handen.
D.DaaeofDahae,Δάαι, scythisch volk ten O. der Caspische zee. Zij deden als ruiters dienst in de legers der Perzen, van Alexander d. G. en van Antiochus III van Syria.Dacia,Δακία, thans Zevenbergen en Rumenië, rijk aan granen, hout en metalen, werd bewoond door een krijgshaftig thracisch volk (deDaci), dat voortdurend de rom. grenzen bestookte. Zie ookGetae. Domitiānus kocht van hun koning Decebalus den vrede voor eene jaarlijksche schatting; Traiānus echter onderwierp het land in twee oorlogen 101–102 en 105–107 n. C. De verschillende gebeurtenissen uit deze oorlogen zijn op de Columna Traiani in beeld gebracht. Traianus bracht vele kolonisten naar Dacia over, vooral om de goudmijnen te bewerken. Aureliānus liet het weder varen (270), terwijl de Gothen er bezit van namen. De rom. bewoners werden toen naar den zuidelijken oever van den Donau overgebracht, waar uit een stuk van Moesia eene nieuwe provincieDacia Aurelianiwerd gevormd; later komt deze voor onder den naamDacia ripensis, terwijl in het binnenland een nieuwe provincieDacia mediterraneawerd ingericht, hoofdstad Serdica (tgw. Sophia).Dactyli Idaei,Δάκτυλοι Ἰδαῖοι, zeer oude daemonen, die op den berg Ida in Phrygië of op Creta woonden en de eerste bewerkers van metalen waren; in Griekenland gelden zij als priesters van Rhea Cybele en worden zij steeds met de Curētes en Corybantes te zamen genoemd, dikwijls niet van hen onderscheiden. Een van hen zou de stichter der olympische spelen zijn.Dadicae,Δαδίκαι, volksstam op de grenzen van Sogdiāne.Dadūchus,Δᾳδοῦχος, fakkeldrager, vooral eene voorname betrekking bij de eleusinische mysteriën, erfelijk in het geslacht van Callias en Hipponīcus, het geslacht derΚήρυκες.Daedala,τὰ Δαίδαλα, stad en berg op de grenzen van Lycia en Caria. Ook eene stad ergens in India.Daedala,Δαίδαλα, feest ter eere van Zeus en Hera, in Boeotië gevierd. Bij de kleine Daedala, die waarschijnlijk eens om de vier jaar te Plataeae plaats hadden, werd een eik omgehouwen en daaruit een beeld van Hera vervaardigd; bij de groote, die slechts eens om de zestig jaar gevierd werden, waren dus veertien van die beelden gereed, die door vertegenwoordigers van de veertien bondssteden naar den Cithaeron gebracht werden; daar werd een stier en een koe geofferd, en de beelden verbrand op een houten altaar, dat mede verbrandde.Daedalion,Δαιδαλίων, zoon van Hesperus en Philōnis, stortte zich van verdriet over den dood zijner dochter Chione van den Parnassus en werd in een havik veranderd.Daedalus,Δαίδαλος, 1) zoon van Metion of Palamāon, achterkleinzoon van Erechtheus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester en uitvinder van een groot aantal werktuigen; hij was de eerste die beelden maakte, waarvan de oogen open waren en de beenen van elkander stonden, zoodat men zeide dat hij zelfs wandelende beelden maken konde. Uit naijver doodde hij zijn neef en bekwamen leerling Talos, waarvoor hij door den Areopagus ter dood veroordeeld werd ; hij redde zich echter door de vlucht en ging naar Creta, waar hij door Minos goed ontvangen werd. Onder de kunstwerken, die hij hier maakte, behoort het beroemde labyrinth, dat tot gevangenis van den Minotaurus diende. Daar Minos echter vermoedde, dat hij aan Ariadne den draad gegeven had, waarmede Theseus zich uit het labyrinth gered had, liet hij Daedalus zelf met zijn zoon Icarus in dien doolhof opsluiten; beiden ontsnapten echter door middel van vleugels, welke Daedalus gemaakt had uitveeren met was aan elkander verbonden. Icarus vloog te hoog op en kwam zoo dicht bij de zon, dat het was smolt en hij in de naar hem genoemde Icarische zee stortte; Daedalus kwam echter behouden bij Cumae in Italië aan, waar hij een tempel voor Apollo stichtte. Daarop begaf hij zich naar Sicilië, waar Cocalus (z.a.) hem gastvrij ontving en waar hij o.a. eene onneembare vesting bij Agrigentum en een tempel voor Aphrodīte op den Eryx bouwde.—Ook in andere landen zag men later in merkwaardige oude kunstwerken sporen van een bezoek van D.—2)sicyonisch beeldhouwer omstreeks 400.Daemon,Δαίμων, oorspronkelijk de naam dien men aan de goden gaf, wanneer men dacht aan den goeden of slechten invloed dien zij op het menschelijk leven uitoefenden. Later beschouwde men hen als wezens, die tusschen heroën en goden in stonden, afgestorvenen uit de gouden eeuw, die over het welzijn der menschen waakten, hun de gaven der goden brachten en omgekeerd hunne gebeden ten hemel droegen. Maar tegenover deze beschermgeesten (ἀγαθοδαίμονες) stonden ook kwelgeesten (ἀλάστορες), die de menschen tot kwaad verleiden en in het ongeluk storten. Door Socrates vond het geloof ingang, dat ieder mensch zijn eigen daemon heeft, die hem gedurende zijn geheele leven beschermt, en eindelijk kende men aan ieder mensch een goeden en een kwaden daemon toe.—De Joden en Christenen gaven den naam daemon weder als in de oudste tijden aan alle heidensche goden, maar verklaarden hen allen voor booze daemonen of duivels.Dahae=Daae.Daia, romeinsch keizer 305–313 n. C., zieMaximinus (Galerius Valerius).Dalmatae, zieDalmatia.Dalmatia,Δαλματία, in ruimen zin, omvatte het kustland ten O. der Adriatische zee, van Histria af tot aan den Drilon, de grens van Illyris Graeca. De naam is door de Romeinen aan dit gewest gegeven naar de hieronder genoemde Dalmaten, met wie ze lang oorlog gevoerd hebben. Het werd ookIllyria Barbaragenoemd, en nog in twee kustlanden onderscheiden:Liburnia, het noordelijk deel, van Histria tot aan den Titius, enDalmatiain engeren zin, tusschen de rivieren Titius en Drilon. De bevolking van dit kustland leefde van jacht, visscherij, veeteelt en ook van zeeroof. Dientengevolge kwamen zij bij herhaling met de Rom. in botsing. De eerste illyrische oorlog had plaats 229–228 tegen koningin Teuta, de tweede in 219 tegen Demetrius van Pharus. In 168 werd koning Gentius, omdat hij met Perseus van Macedonia een bondgenootschap had gesloten, door den praetor L. Anicius in een dertigdaagschen veldtocht verslagen en gevangen genomen, en zijn rijk in drie cijnsplichtige distrikten verdeeld. Doch reeds vóór Gentius hadden zich een aantal stammen losgerukt van het illyrische rijk en onder den naam Dalmaten, Dalmatae, eene republiek gesticht met Delminium tot hoofdstad. In 156 versloegen deze Dalmaten den rom. consul C. Marcius Figulus (Marciino. 12), doch zij werden in 155 onderworpen door P. Cornelius Scipio Nasīca (Corneliino. 20), doordat hij hun hoofdstad innam. In 117 werden zij andermaal onderworpen door L. Caecilius Metellus, die den naam Dalmaticus verwierf (Caeciliino. 12). Bij herhaling stonden de Dalmatiërs weder op, in 78, 50–47, 16 en 11, en 6–9 na C. (opstand van Bato).Dalmatius, stiefbroeder van Constantijn den Gr. Ook zijn zoon droeg denzelfden naam. Na Constantijns dood verloor deze laatste, aan wien Constantijn de Groote een deel van het rijk toegedacht had, in een soldatenoproer het leven, zieConstantiusII.DalminiumofDelminium, hoofdstad van de dalmatische republiek.Damalis,Δάμαλιςofἡ Βοῦς, kaap en vlek in Bithynia aan den thracischen Bosporus, op de plaats waar Io, in een koe veranderd, de zeeëngte overzwom. Vandaar voer men, van Chalcedon komend, over naar Byzantium.Damarete,Δαμαρέτη, gemalin van Gelon; naar haar heet een sicilische munt = 10 att. drachmen,δαμαρέτειον.Damaratus=Demaratusno. 1.Damascus,Δαμασκός, overoude stad in Coelesyria, aan de rivier Bardines of Chrysorrhoas, in eene zeer vruchtbare streek onder een heerlijk klimaat gelegen. Door verschillende besproeiingskanalen, uit de rivier afgeleid, was dáár in de woestijn eene groote oase ontstaan, waar verschillende karavaanwegen als in één middelpunt samenliepen. Damascus was tot aan de verovering door de Assyriërs (± 750) de hoofdstad van het machtigste der syrische (aramaeische) staten, en geregeld met Israël in oorlog. De Assyriërs verwoestten stad en omgeving, maar in den tijd der Perzen is het weer een belangrijke handelsstad. In den tijd der Diadochen hoorde het nu eens tot het rijk der Seleuciden, dan weder tot dat der Ptolemaeën. In 85 ontstond er een onafhankelijk staatje onder een arabisch vorstenhuis, dat echter reeds sedert Pompeius (66) onder Rome kwam te staan. De rom. keizers, vooral Diocletiānus, begunstigden de stad zeer, die beroemd werd door hare wapenfabrieken (damascener klingen) en lijnwaadweverijen (damast).Damasiaswerd in 582 archont te Athene, en gebruik makend van de burgertwisten die sedert Solons vertrek woedden, bleef hij deze waardigheid gedurende 26 maanden bekleeden; toen verbonden zich echter alle partijen tegen hem en werd hij verjaagd.Damasippus, naam in degens Licinia(Liciniino. 19 en 20).Damasithȳmus,Δαμασίθυμος, vorst van Calynda, ging met Xerxes naar Griekenland en sneuvelde bij Salamis, door de goedgeslaagde list van Artemisia.Damastes,Δαμάστης, 1) =Procrustes.—2)van Sigēum, geschiedschrijver, omstreeks 400.Damia,Δαμία, 1) godin van den wasdom, op verschillende plaatsen te zamen met Auxesiavereerd, misschien bijnaam van Persephone. Op Aegina vond men beelden van hen in knieënde houding, van olijvenhout.—2)bijnaam der Bona Dea, v. s. dezelfde als no. 1.Damocles,Δαμοκλῆς, gunsteling van Dionysius I, die steeds het geluk van den tyran roemde. Daarom liet Dionysius hem op zekeren dag alles genieten, wat hem zoozeer bekoorde, maar liet ondertusschen boven zijn hoofd een scherp zwaard aan een paardenhaar ophangen als beeld van de gevaren die een alleenheerscher bedreigen. Het zwaard van Dam. is tot een spreekwoord geworden.Damon,Δάμων, 1) atheensch toonkunstenaar en sophist, leermeester en vriend van Pericles, wegens ongeloof verbannen.—2)van Syracūsae, die voor zijn vriend Phintias gijzelaar bleef, toen deze wegens een waarschijnlijk verdichten moordaanslag op Dionysius II ter dood veroordeeld was en eenigen tijd uitstel van straf gevraagd had. Tegen de verwachting der hovelingen keerde Phintias nog juist bijtijds terug, waardoor de tyran zoo getroffen was, dat hij beiden het leven schonk en verzocht in hun vriendschapsbond opgenomen te worden, wat hem echter geweigerd werd.Δαμοσία, de tent der spartaansche koningen, wanneer zij in het veld waren;οἱ περὶ δαμοσίαν, οἱ ἀπὸ δαμοσίας, zij die met hen die tent bewoonden.Dana,Δάνα, ofThoana,Θόανα, groote stad in Cappadocia, waarschijnlijk dezelfde als Tyana (z. a.).Danaë,Δανάη, z.Acrisius. Volgens eene italiaansche legende zou zij met haar zoon in Italië gekomen zijn en de stad Ardea gesticht hebben; daarna zou zij bij Pilumnus moeder geworden zijn van Daunus, van wien Turnus afstamde.Danai,Δαναοί, heeten de Grieken in de gedichten van Homerus, oorspronkelijk een volk in Argos.Danaides,Δαναΐδης, Perseus, zoon van Danaë;Δαναΐδαι, Argiven, ook algemeen Grieken.Danaides,Δαναΐδες, de vijftig dochters van Danaüs (z. a.).Danapris, thans Dniëpr =Borysthenes.Danastris, thans Dniëstr, oudtijds Tyras geheeten, rivier in Sarmatia.Danaus,Δαναός, zoon van Belus en Anchinoë, kreeg na den dood van zijn vader de regeering over Libye, maar door zijn tweelingbroeder Aegyptus en diens zonen bedreigd, vluchtte hij met zijne vijftig dochters naar Argos, waar hij koning werd; hij bouwde den burcht van Argos en leerde hoe men in tijden van droogte het land van water kon voorzien. De vijftig zonen van Aegyptus volgden hem echter en vroegen zijne dochters ten huwelijk; Danaüs gaf toe, maar overreedde zijne dochters, hunne echtgenooten in den huwelijksnacht te vermoorden, waaraan alle gevolg gaven, behalve Hypermnestra. De echtgenoot van deze, Lynceus, doodde nu Danaüs zelf en al zijne schoonzusters, die tot straf voor hare misdaad in de onderwereld eeuwig water moeten scheppen in een bodemloos vat.DandaridaeofDandarii,Δανδάριοι, scythisch volk aan de Oostkust van de Palus Maeōtis (zee van Azow) ten N. van den Caucasus.Danuvius,Δανούβιος, vroegerIster(Hister), welke naam voor den benedenloop ook in later tijd nog dikwerf voorkomt. Deze stroom, thans Donau, was onder de keizers langen tijd de grensrivier van het rom. rijk.Daorsi,Δαόριζοι, kleine volksstam in Zuid-Dalmatia.Daphnae Pelusiae,Δάφναι αἱ Πελούσιαι, aegyptische grensvesting tegen Arabia, nabij Pelusium.Daphne,Δάφνη, 1) dochter van Penēus, werd door Apollo bemind; toen zij, door hem vervolgd, de goden om hulp smeekte, werd zij in een laurier veranderd.—2)nimf van den Parnassus, in de oudste tijden priesteres bij het delphische orakel, toen dit nog aan Gaea behoorde.Daphne,Δάφνη, voorstad der syrische stad Antiochīa, een waar lustoord, rijk aan laurierboomen en cypressen, met een beroemden Apollo-tempel. Daphne was een lievelingsverblijf der Seleuciden, later ook van Pompeius en andere Romeinen. In zedelijk opzicht stond het slecht aangeschreven, men spreekt vanDaphnici mores.Daphnephoria,Δαφνηφόρια, feest om de acht jaar ter eere van Apollo te Delphi en in Boeotië gevierd, ter herinnering aan zijne reiniging na het dooden van den Python.Daphnis,Δάφνις, zoon van Hermes en eene nimf, herder en jager op Sicilië, bekwaam fluitspeler en de uitvinder der bucolische poëzie. Hij zwoer trouw aan eene nimf, die hem beminde, en toen hij zijn eed brak, strafte zij hem met blindheid of veranderde hem in een steen; Hermes verplaatste hem echter onder de sterren.—V.a. stierf hij van liefdesmart, daar hij zich tegen den wil van Aphrodīte verzet had.Daradax,Δαράδαξ, zijrivier van den Euphraat in Syria (Cyrrhestica).Darapsa=Drepsa.Dardanarii, opkoopers en speculanten in koren, die de prijzen zochten op te drijven. Dit was onder de keizers strafbaar gesteld en behoorde tot dedelicta extraordinaria.Dardania,Δαρδανία, 1) gewest en stad van het trojaansche land, aan den Hellespont, de zetel van Aenēas. Hiernaar worden de Trojanen ook wel Dardani genoemd. De stad Dardania moet niet verward worden met Dardanus.—2)het land der Dardani,Δάρδανοι, in Moesia Superior, het tegenw. Servië. De Dardaniërs waren een morsig, doch muzikaal volk, van illyrischen stam.Dardanides,Δαρδανίδης, Δαρδανίων, Priamus, Anchīses e.a. afstammelingen van Dardanus;Dardanidae,Δαρδανιδαι, Δαρδάνιοι, Δαρδανίωνες, Δάρδανοι, Trojanen.Dardanis,Δαρδανίς, trojaansche vrouw, in het bijzonder Creūsa (no. 3).Dardanus,Δάρδανος, zoon van Zeus enElectra, de mythische stamvader der Trojanen en dus ook der Romeinen. Hij stichtte in Phrygië de stad Dardania en erfde later van zijn schoonvader Teucer de regeering; sedert dien tijd werd het land naar hem Dardania genoemd, totdat zijn kleinzoon Tros het den naam Troia gaf. Zijne vrouw Chryse had van Athēna als huwelijksgift het Palladium en de beelden der groote goden gekregen, wier dienst hij eerst op Samothrāce instelde en later naar zijn rijk overbracht. Dardanus was v. s. in het trojaansche land geboren, v. a. was zijn vaderland Samothrāce, Arcadië, Creta of Italië.Dardanus,Δάρδανος, stad aan den Hellespont op den aziatischen oever, ten Z. van Abȳdus. De naam Dardanellen is hiervan afgeleid.Dares,Δάρης, trojaansch priester van Hephaestus, zou nog voor Homerus eene Ilias op palmbladen geschreven hebben. Het latijnsche prozawerk, dat nog bestaat en eene vertaling van de Ilias van Dares Phrygius heet te zijn, is een werk van weinig beteekenis, dat echter door middeleeuwsche dichters veel gebruikt en nagevolgd is. Het is waarschijnlijk uit de 5deeeuw na C., het Grieksche origineel, dat verloren gegaan is, is misschien uit de 1steof 2deeeuw n. C. ZieDictys.Darīcus,δαρεικός, perzische gouden munt, ook in Griekenland gangbaar, ongeveer ter waarde van 22 att. drachmen. Het gewicht van den dariek bedraagt gemiddeld 8.41 gram.Darīus,Δαρεῖος, 1) D. I.Hystaspis, zoon van Hystaspes, behoorde tot het geslacht der Achaemeniden, diende onder Cambȳses, was een van de zeven perzische edellieden die tegen den valschen Smerdis samenzwoeren, en werd, nadat deze vermoord was, ten gevolge van een orakel tot koning verheven (521). In het begin van zijne regeering had hij met een algemeenen opstand van de onderworpen landen te kampen, toen echter Babylon na een lang beleg weder ingenomen was, gaven de andere provinciën zich na elkander over. Daarop wijdde D. het eerst zijn zorg aan het binnenlandsch bestuur: hij hervormde het belastingstelsel, legde goede wegen aan, met vaste halten voor de posterijen, en verdeelde het rijk in satrapieën. In 513 ondernam hij met een leger van 700,000 (?) man een veldtocht tegen de Scythen; door middel van een schipbrug trok hij over den Ister en deed een inval in hun land, maar de Scythen trokken zich in hunne steppen terug en vermeden een open gevecht, zoodat D. na vele verliezen door gebrek genoodzaakt was onverrichter zake terug te keeren en verloren geweest ware, indien de aziatische Grieken aan het verlangen der Scythen voldaan hadden en de brug hadden afgebroken. Terwijl nu zijn veldheer Megabāzus de landen aan den Bosporus onderwierp, breidde hij zijn rijk tot aan den Indus uit en veroverde hij ook Barca (510). Nadat de door Aristagoras (z. a.) verwekte opstand der ionische Grieken bedwongen was, wenschte D. de Atheners en Eretriërs, die de opstandelingen geholpen hadden, te straffen. Hij zond daarom zijn schoonzoon Mardonius met een groote vloot naar Griekenland (493), doch de meeste schepen verongelukten bij het voorgebergte Athos; drie jaar later gingen Datis en Artaphernes met een nog talrijker leger, die wel Eretria verwoestten en de inwoners naar Azië overbrachten, maar bij Marathon tegen de Atheners een volkomen nederlaag leden. Verdere plannen van Darius tegen Athene en tegen het inmiddels afgevallen Aegypte werden door zijn dood verijdeld (486).—2)D. IIOchus(Ὦχος), bastaardzoon van Artaxerxes I, en daarom door de GriekenNothus(Νόθος) genoemd, maakte zich door het vermoorden van zijn broeder van de regeering meester (424). Hij liet zich geheel door zijne vrouw, Parysatis, en door gunstelingen beheerschen en lokte door zijne zwakheid allerlei onlusten en opstanden uit, die hij meest door list wist te dempen; Aegypte konde hij echter niet onderwerpen. Hij stierf in 405.—3)D. IIICodomannus, kleinzoon van Artaxerxes II, werd na de vermoording van Arses door Bagōas op den troon gebracht (336). Hij trachtte het inwendig zeer verzwakte rijk te herstellen, en maakte een einde aan het schrikbewind van Bagōas; in den oorlog tegen Alexander d. G. toonde hij zich echter zwak; hij verloor de gevechten bij Issus en Gaugamēla, trachtte naar de oostelijke provinciën van zijn rijk te vluchten, maar werd op weg door zijn satraap Bessus vermoord (331).Dascon,Δάσκων, vesting en inham op Sicilia, ten Z. van Syracūsae.Dascylium,Δασκύλιον, stad in Bithynia, aan de Propontis. Onder de perzische heerschappij was het de residentie van de satrapen van Phrygia minor, dat daarnaar ookἡ Δασκυλῖτις σατραπείαofὁ ἐν Δασκυλείῳ νομόςheette.Dassarētae,Δασσαρῆται, stam in het Z.O. van Illyris Graeca. Hoofdstad Lychnidus aan den lacus Lychnītis.Datames,Δατάμης, een Cariër, die onder Artaxerxes II tegen de Cadusiërs streed en tot belooning voor zijn beleid en dapperheid satraap van Cappadocië werd. Hij bewees den koning vele diensten en werd zeer door hem onderscheiden, maar uit vrees dat Artaxerxes aan zijne invloedrijke vijanden het oor zou leenen, kwam hij in opstand (± 370). Langen tijd hield hij zich staande, maar eindelijk werd hij verraderlijk vermoord (360).Dataphernes,Δαταφέρνης, was een van hen die Bessus aan Alexander verrieden; niettemin bleef hij met Spitamenes den oorlog voortzetten, totdat hij door de Dahae aan Alexander overgeleverd werd.Datis,Δᾶτις, veldheer van Darīus Hystaspis, die met Artaphernes de nederlaag bij Marathon leed.Datum,Δᾶτον, stad en streek in oostelijk Macedonia ten O. van den Pangaeus mons, tegenover Thasus, met rijke goudmijnen.Daulis,Δαυλίς, sterke stad in Phocis ten O. van den Parnassus, aan den weg vanChaeronēa naar Delphi. Hier behoort de mythe van Philomēla en Procne te huis.Daunia, het noordelijk gedeelte van Apulia, het land van Daunus, den vader van den rutulischen koning Turnus (zieAeneas) en schoonvader van Diomēdes.Daunius heros= Turnus;Daunia gens= Rutuliërs;dea Daunia= Iuturna, Turnus’ zuster;Daunias(bij Horatius) = Apulia.Daunus,Δαῦνος, zoon van Pilumnus en Danaë, of een Arcadiër, zoon van Lycāon, koning van Daunia. Diomēdes stond hem bij in den oorlog tegen de Messapiërs en nam zijne dochter tot vrouw.Dea Dia, waarschijnlijk de godin der voortbrengende kracht in de natuur, een andere naam voor Ceres of Tellus, wier dienst te Rome door de fratres arvales (z.Arvales fratres) waargenomen werd; te harer eere werd jaarlijks gedurende drie dagen in Mei in de stad en in een nabijgelegen heilig woud een feest gevierd.Decānus, in den keizertijd een hoofdman van tien soldaten, die in dezelfde tent gelegerd waren.Decebalus,Δεκέβαλος, koning van Dacia, van wien Domitiānus den vrede kocht (89 n. C.), maar die door Traiānus geheel verslagen werd en zichzelf het leven benam (106 n. C.). ZieDacia.Decelēa,Δεκέλεια, attische gemeente ten N.W. van Athenae, bekend door den deceleïschen oorlog (413–404), toen de Spartanen op raad van Alcibiades de plaats bezetten.Decemprīmi, 1) eene commissie van 10 leden, die in demunicipiaaan het hoofd van den senaat stond. In navolging van dezen vindt men in den keizertijd, in het Oosten van het rijkdecaproti,οἱ δέκα πρῶτοι, die echter een anderen werkkring hebben. De decaprōti behoeven niet tot de senaatsleden te behooren. Zij innen de belastingen en zijn aansprakelijk voor het binnenkomen daarvan.—2)decemprimiheeten ook de bestuursleden van den indecuriaeingedeeldenordoderscribae(z.apparitores).Decemviri, een collegie van 10 mannen. 1)Decemviri agris dividundis, commissie van landverdeeling uit denager publicusonder het volk. ZieAgrariae(leges), en welRogatio Servilia agrariavan 63.—2)Decemviri legibus scribundis, het uit de rom. geschiedenis bekende collegie der tienmannen in 451–449, tengevolge derlex Terentiliain het leven geroepen en waartoe App. Claudius behoorde. ZieClaudiino. 2 enTabularum(leges XII).—3)Decemviri(st)litibus iudicandis, een oud rechterlijk collegie, dat in processen over vrijheid en burgerrecht recht sprak, en dat reeds in de 5deeeuw bestond (z.Horatiae Valeriae(leges)), als we ten minste aan mogen nemen, dat de woordeniudices decemviriop hen betrekking hebben; v. s. is het college eerst in de 3deeeuw, tusschen 242 en 227, ingesteld. De leden werden in de tribuutcomitiën gekozen. Onder Augustus veranderde hun werkkring en werden zij voorzitters dercentumviri. Zij vormen een onderdeel van devigintiviri.—4)Decemviri sacrorumofsacris faciundis, belast met het toezicht op de sibyllijnsche boeken, die op het Capitool bewaard werden en die zij op last van den senaat raadpleegden (zieSibylla). Zij hebben het toezicht op de offers, dieGraeco ritugebracht worden, oorspronkelijk ook op desupplicationesenlectisternia, waartoeex librisbesloten was. In den beginne waren er 2, later 10 (5 patricische en 5 plebejische), sedert Sulla 15.Decentius, Caesar (onderkeizer) 350–353 n. C. Hij was een neef van Magnentius, die hem aangesteld had om de aanvallen der Germanen af te weren; tijdens zijn bestuur werd echter Gallia door de Germanen verwoest. Hij doodde zichzelf, toen hij den dood van Magnentius vernam.Decetia, stad der Aeduërs in Gallia Transalpīna aan den Liger (Loire).Deciānus, naam in degens Appuleia(Appuleiino. 4 en 5).Decidius Saxa, naam van twee broeders, die in den burgeroorlog voor Caesar en later voor Antonius streden. De een sneuvelde als propraetor van Syria in 40 tegen de Parthen, die onder aanvoering van Q. Labienus in de provincie gevallen waren.Decimatio. Wanneer eene geheele troepenafdeeling van een rom. leger zich had schuldig gemaakt aan iets, wat in een enkele met den dood zou worden gestraft, b.v. muiterij, lafhartigheid in den strijd, dan werd die afdeeling in het gelid geschaard, het lot wees aan, waar men zou beginnen te tellen, en elke tiende man werd onmiddellijk ter dood gebracht. Onder de keizers werd deze straf dikwijls verzacht totvicesimatioofcentesimatio.Decii, een plebejisch geslacht. 1)P. Decius Mus, krijgstribuun in 343, redde toen door zijn kloekmoedigheid het rom. leger, dat door de Samnieten bij den berg Gaurus was ingesloten, en deed een bijna wissen ondergang in eene luisterrijke zegepraal verkeeren. In 340 offerde hij als consul zich in den strijd tegen de Latijnen op, en bezorgde hierdoor den zijnen eene schitterende overwinning. Evenals de geheele eerste samnietische oorlog, is ook het verhaal omtrent de opoffering van Decius in den oorlog tegen de Latijnen verzonnen. Slechts staat vast, dat Decius als consul gesneuveld is.—2)P. Decius Mus, zoon van no. 1, consul in 312, 308, 297 en 295, censor in 304, streed voorspoedig tegen de Etruscers, Samnieten en Umbriërs, en bezorgde in 295 bij Sentīnum, het voorbeeld zijns vaders volgende, door een vrijwilligen dood zijn leger de overwinning op de Samnieten en de Kelten.—3)P. Decius Mus, zoon van no. 2, consul in 279, viel in den slag bij Asculum (Ausculum) tegen Pyrrhus. V. s. is het verhaal omtrent het heldhaftig gedrag der Decii, n. m. dat ze zich aan de onderaardsche goden wijdden en daarna den dood zochten, op dezen Decius Mus toepasselijk.—4)P. Deciusklaagde in 120 als volkstribuun den gewezen consul L. Opimius aan, dat hij burgers onveroordeeldin den kerker had geworpen. Cicero noemt hem als redenaar.—5)P. Decius(Mus) sloot zich, om zijne schulden te kunnen betalen, aan Antonius aan en nam deel aan den mutinensischen oorlog. Cicero zegt daarom spottend, dat hij op het voorbeeld zijner voorvaderen zich voor zijne schulden had opgeofferd.Decimii, aanzienlijk geslacht uit Samnium.Decius(C. Messius Quintus Traiānus), uit Pannonia afkomstig, rom. keizer 249–251 na C., opvolger van Philippus Arabs, regeerde goed, doch vervolgde de Christenen. Op een tocht tegen de Gothen kwam hij met zijn zoon in een moeras om.Decumāna porta, de poort aan de achterzijde der legerplaats. Ziecastra.Decumānus, tiendpachter.Ager decumanus, tiendplichtig land.Miles decumanus, soldaat van het tiende legioen. Zie ookauguria.Decumātes agri, zieagri decumates.Decuria, afdeeling van 10 personen, later eene kleine afdeeling in het algemeen, zonder dat men zich streng aan het getal 10 hield. Bij de ruiterij was elketurma(30 man) in driedecuriaeafgedeeld.Decurio, de eerste van eenedecuriaruiterij en als zoodanig de hoofdman er van.—Decurionesworden in de municipia de leden van densenatus municipalisgenoemd, die ookordo decurionumheet.Decursioofdecursus, 1) militaire oefening met pak en zak door het geheele leger, waarbij verschillende krijgsbewegingen werden uitgevoerd en waarbij de soldaten vooral geoefend werden, hunne liniën en gelederen te bewaren.—2)een militaire optocht of parade rondom een grafheuvel of een altaar, ter eere van een in den strijd gevallene opgericht.Dedicatio, plechtige inwijding van eenig openbaar gebouw, b.v. van een tempel. Hij die den tempel wijdde, sloeg daarbij de hand aan de deurpost en moest een wijdingsformulier nazeggen, dat de pontifex maximus hem voorzeide. Daarbij te haperen gold als een slecht voorteeken.Dediticiiwaren zij, die zich onvoorwaardelijk aan de genade der Rom. hadden moeten overgeven.—Zie ookAelia Sentia(lex).Dediticiikonden nochcivesnochLatiniworden.Deïanīra,Δηιάνειρα, dochter van Oeneus, gemalin van Heracles (z.Achelōus) en de onschuldige bewerkster van zijn dood (z.Heracles), waarom zij zich van het leven beroofde.Deïdamēa,Δηιδάμεια, 1) dochter van Lycomēdes, werd bij Achilles, die in meisjeskleederen aan het hof van haar vader leefde, moeder van Neoptolemus.—2)vrouw van Pirithoüs.—3)zuster van Pyrrhus van Epīrus, gehuwd met Demetrius Poliorcētes.—4)dochter van Pyrrhus van Epīrus.Δεῖγμα, gebouw in den Piraeus, waar monsters van koopwaren ter bezichtiging uitgestald werden.Δειμός, zoon of dienaar van Ares.Deïoces,Δηιόκης, een Mediër, die, nadat het volk zich van de Assyriërs onafhankelijk gemaakt had, door zijne wijsheid en rechtvaardigheid grooten roem verwierf en daarom tot koning verheven werd (709 of 700), stichter van Ecbatana.Deïoneus,Δηιονεύς, 1) ofDeïon,Δηίων, een van de zeven zonen van Aeolus, werd koning van Phocis.—2)schoonvader van Ixīon, werd door dezen, toen hij de bruidsgeschenken van hem vorderde, verraderlijk in een vuurpoel geworpen.—3)zoon van Eurytus.Deïonides, Milētus, zoon van Apollo en Deïone.Deiotarus,Δηιόταρος, tetrarch van Galatia in Azië, ondersteunde de Rom. in den mithradatischen oorlog en ontving daarvoor van den rom. senaat den titel vanrexmet een vergrooting van grondgebied. In den burgeroorlog streed hij voor Pompeius; Caesar vergaf het hem echter en liet hem het grootste gedeelte van zijn rijk. In 45 werd Deiotarus door zijn kleinzoon Castor en zijn arts Phidippus aangeklaagd van een aanslag tegen Caesars leven, toen deze indertijd bij hem had vertoefd. Cicero verdedigde den koning, en hoewel er geene vrijspraak schijnt gevolgd te zijn, werd de zaak toch niet verder vervolgd. Antonius bevestigde voor eene groote som gelds Deiotarus weder in zijn vroeger gebied, maar later streed hij onder Brutus bij Phillippi tegen de triumviri, met wie hij zich echter verzoende.Deïphobeheette de sibylle van Cumae, dochter van den zeegod Glaucus.Deïphobus,Δηίφοβος, zoon van Priamus en Hecabe, een van de voornaamste trojaansche helden. Hij was steeds tegen de uitlevering van Helena en trouwde haar na den dood van Paris. Bij de verovering van Troje werd zijn huis verwoest en hij door Menelāus op wreedaardige wijze gedood. Met Paris zou hij Achilles gedood hebben.Deïphontes,Δηιφόντης, zoon van Antimachus, schoonzoon en opvolger van Temenus (z.a.); v.a. vluchtte hij na den dood van zijn schoonvader uit vrees voor zijne zwagers naar Epidaurus.Δεῖπνον, de hoofdmaaltijd der Grieken, in de oudste tijden omstreeks den middag, later tegen den avond gebruikt, waarbij men dikwijls gasten ontving, of die ook wel met bijdragen (ἀπὸ συμβολῶν) der gezamenlijke deelnemers betaald werd. Bij aankomst der gasten werden hun door slaven de zolen afgenomen en de voeten gewasschen, daarop wiesch men de handen en nam men plaats op de rustbank, waarop men liggende het maal gebruikte. Als spijzen worden genoemd gerstebrei (bij armere lieden het voornaamste gerecht), groenten, vleeschspijzen en visch; vorken of messen gebruikte men niet, wel lepels; onder het eten hield men de handen schoon met fijngewreven broodkruimels. Na het eten werden de schotels weggenomen, waschwater met een soort zeep, soms ook bloemen en reukwerken rondgediend en begon het nagerecht (δεύτεραι τράπεζαι) of drinkgelag (συμπόσιον) met een drankoffer (σπονδαί) waarbij men de woordenἀγαθοῦ δαίμονοςuitsprak. Nadat door het lot een tafelpresident(συμποσίαρχος, βασιλεύς, ἄρχων) was aangewezen, bleef men onder het genot van wijn, vruchten, kaas, koek, enz., dan dikwijls nog lang bij elkander, terwijl men zich den tijd verdreef met gesprekken, gezelschapsspelen, dikwijls ook met voordrachten van fluitspeelsters of vertooningen van danseressen.Deïpyle,Δηιπύλη, dochter van Adrastus, gehuwd met Tydeus.Δέκαπρῶτοι, z.Decemprimino. 1.Δεκαρχίαι, δεκαδαρχίαι, colleges van tien personen, na den peloponnesischen oorlog door Lysander met de regeering belast in de meeste steden, die zich bij Sparta hadden aangesloten. De willekeur, waarmede deze colleges, gesteund door spartaansche bezettingen en harmosten, regeerden, maakte in korten tijd de spartaansche hegemonie algemeen gehaat.Delatio nominis, heet in den tijd derquaestiones perpetuaehet indienen eener aanklacht bij denpraetor quaestionis.Delatōres, aanbrengers van misdrijven, waartegen straf bedreigd was. Onder sommige keizers, toen majesteitsprocessen aan de orde van den dag waren, maakten sommigen van dit aanbrengen eene broodwinning, daar hun een vierde van de opgelegde boete of van het verbeurdverklaarde vermogen des veroordeelden ten deel viel. Ook persten zij dikwerf aanzienlijke sommen af door de bedreiging, in geval van weigering eene aanklacht in te dienen. Ze worden ookquadruplatoresgenoemd.Delia, geliefde van Tibullus (z.a.); pseudonym voor Plania.Delium,Δήλιον, boeotisch stadje in het gebied van Tanagra, waar de Boeotiërs in 424 de Atheners versloegen.Delius, -ia,Δήλιος, -ία, bijnamen van Apollo en Artemis, naar het eiland Delus, waar zij geboren waren en waar Apollo hoog vereerd werd.Dellius (Q.), dezelfde, aan wien Horatius een ode heeft gericht, werd door Antonius in 41 naar Aegypte gezonden, om Cleopatra ter verantwoording naar Tarsus te ontbieden. Later ging hij tot Octavianus over. Hij heeft den oorlog tegen de Parthen beschreven, dien hij in het gevolg van Antonius medemaakte.Delmatiaoude schrijfwijze voorDalmatia.Delmatius=Dalmatius.Delminium=Dalminium.Delphi,Δελφοί, kleine maar beroemde stad van Phocis, langs den Z.rand van den tweetoppigen Parnassus tegen den berg aan gebouwd, met verscheidene tempels, waaronder die van den Pythischen Apollo de voornaamste was. Delphi werd oudtijds als het middelpunt der aarde beschouwd. De oudste tempel, die volgens de sage door Trophonius en Agamēdes gebouwd was, verbrandde in 548. Hij werd (530–514) door de uit Athene verdreven Alcmaeoniden prachtig in dorischen stijl herbouwd, waarbij de oostgevel, in plaats van in porus of tufsteen, in parisch marmer werd opgetrokken. In 373 werd hij door een aardbeving en een brand vernietigd, maar door de Amphictyonen met het geld van den tempel in nieuweren stijl herbouwd. Ook later is hij nog herhaaldelijk hersteld, tot hij ten laatste door een aardbeving vernietigd werd. Hij bevatte een ontzaggelijken tempelschat, een gouden beeld van den god en een heiligen steen, die als de navel der aarde,ὀμφαλὸς τῆς γῆς, beschouwd werd, terwijl nog vele andere standbeelden op den voorhof stonden. In den pronaos las men de spreukenγνῶθι σεαυτόνenμηδὲν ἄγαν. Achter decellawas een afzonderlijke ruimte, hetadyton, waaronder of waarbij de aardkloof zich bevond, waaruit zwaveldampen opstegen, die de Pythia (zie hieronder) in geestvervoering brachten. (Het bericht omtrent die zwaveldampen wordt tegenwoordig voor een fabeltje gehouden). In den phocensischen oorlog (357–346) werd de tempel uitgeplunderd door de huurtroepen der Phocensen, in 278 door de Galliërs, die ten getale van 200000 Griekenland trachtten binnen te dringen, later door Sulla, vervolgens door Nero, die honderden standbeelden uit Delphi naar Rome liet voeren, terwijl het overschot later door Constantijn den Gr. naar Constantinopel werd overgebracht. De stad verviel, en verschillende aardbevingen vernielden ze en verdreven de bevolking. Op de plaats lag later het dorp Kastri; nu heeft de fransche regeering dit doen verplaatsen, en daarop is tusschen 1892 en 1901 opgegraven, wat er nog over is. De tempel zelf lag in het midden van denτέμενος, een met hooge muren omgeven sterk hellend terrein; in het zuidelijke gedeelte, dat het laagst lag, vindt men voornamelijkθησαυροίen geschenken, ten N. van den tempel links het theater, rechts deλέσχηvan de Cnidiërs, een gebouw, waar de vreemdelingen plachten samen te komen. Hetorakel van Delphiwas het meest beroemde der oudheid; eerst behoorde het aan Gaea,Γῆ; deze schonk het aan Themis, Themis aan Phoebe, Phoebe aan Phoebus Apollo, z.Pytho. Wanneer het orakel zou geraadpleegd worden, plaatste zich eene der priesteressen ofΠυθίαι, na zich gebaad en uit de bron Cassōtis gedronken en laurierbladeren in den mond genomen te hebben, op een zetel, die op een drievoet rustte, en uit de geluiden, die zij uitstiet, maakten de priesters het antwoord gereed. Door zijn groot aanzien heeft het orakel meermalen op den gang der historische gebeurtenissen invloed uitgeoefend. Depythische spelenhadden in de vlakte van Crissa plaats, telkens in het derde jaar eener olympiade. De eereprijs bestond in een lauwerkrans.Δελφίνια, feest ter eere van Apollo als beschermer der zeevaart, te Athene den 6enof 7denMunychion gevierd.Delphinium,Δελφίνιον, 1) stad aan de Oostkust van het eil. Chius.—2)haven van Orōpus in Attica, overvaartplaats naar Euboea.—3)gerechtshof te Athene in den tempel van Apollo Delphinius, dat overφόνος δίκαιοςrecht sprak (zieEphetae).Delphīnus, Delphin,Δελφίς, Δελφίν, 1) sterrenbeeld, waarin men den dolfijn van Arīon of van Amphitrīte meende te zien.—2)een werktuig waarvan men zich in den zeeoorlog bediende; het was een groote klomp lood of ijzer, die aan den mast hing en met kracht tegen het vijandelijke schip geslingerd werd.Delta, het noordelijke deel van Aegypte, tusschen de verschillende armen, waarin de Nijl zich splitst, door aanslibbing gevormd en uiterst vruchtbaar, en met een groot getal steden. De naam is ontleend aan den driehoekigen vorm.Delubrum, de plaats van reiniging en verzoening, de tempel, vooral dat gedeelte er van, waar het beeld der godheid stond.Delus, Delos,Δῆλος, het heilige Cycladeneiland, waar Apollo en Artemis door Latōna ter wereld waren gebracht. Apollo had er een wit marmeren tempel met een altaar uit hoornen in elkaar gewerkt. Tot de viering van Apollo’s geboortefeest (Ἀπολλώνια) zonden de grieksche staten jaarlijks in de maand Thargelion plechtige gezandschappen. Om de vier jaar werd dit feest vervangen door deΔήλια, een van de luisterrijkste feesten van geheel Griekenland. Geen begrafenis mocht op Delus plaats hebben; lijken werden naar het nabijgelegen Rhenēa overgebracht. De oudste bewoners warenCariërs, daarna vestigden er zich Ioniërs. Na den perzischen oorlog werd te Delus de bondskas van het atheensche zeeverbond bewaard, totdat Pericles deze naar Athene overbracht (454). Delus was in de 2deeeuw, toen het door de Romeinen aan Athene werd toegewezen, en een vrijhaven werd, beroemd om zijne slavenmarkten, die van heinde en verre werden bezocht. In den eersten mithradatischen oorlog werd het (88) door den pontischen veldheer Menophanes of door Archelāus geplunderd en verwoest, de mannelijke bevolking omgebracht, vrouwen en kinderen in slavernij weggevoerd. In 69 werd het eiland wederom geplunderd, nu door de zeeroovers, en sedert dien tijd is het vervallen. Thans is Delus woest en verlaten. Naar het eiland en den berg Cynthus wordt Apollo dikwerfDeliusenCynthiusgenoemd. ZieAsteria.Demādes,Δημάδης, atheensch redenaar van geringen stand, die in het belang van Macedonië werkte en een geducht tegenstander van Demosthenes was; bij Alexander d. G. stond hij in hooge gunst, zoodat hij met Phocion tot hem gezonden werd, toen de Atheners na het bedwingen van den thebaanschen opstand de wraak des konings vreesden (z.Demosthenes). Antipater liet hem ter dood brengen, daar hij in onderschepte brieven de bewijzen van een aanslag van Demades tegen hem gevonden had (319). Zijn karakter wordtuiterstbedorven genoemd, daarentegen roemen de ouden zijne onweerstaanbare welsprekendheid, zijne geestigheid en gevatheid; niettemin waren zijne werken reeds vroeg verloren.Δημαγωγός, leider der volkspartij in eene republiek (ookπροστάτης τοῦ δήμου); gewoonlijk menschen die, niet door deambtendie zij bekleedden, maar door persoonlijke eigenschappen, vooral door welsprekendheid, grooten invloed hadden verworven. Terwijl een bekwaam en braaf man, zooals Pericles, als demagoog veel kon doen om het volk ten goede te leiden, gebruikten latere atheensche demagogen hun invloed veelal om het volk tegen de rijken en aanzienlijken op te hitsen, waardoor partijschappen ontstonden, die voor den staat een werkelijk gevaar opleverden; vandaar dat het woord meestal eene ongunstige bijbeteekenis heeft.Demarātus,Δημάρατος, 1) koning van Sparta, zoon van Aristo, tegenstander van zijn ambtgenoot Cleomenes I (z.a.).Toen hij van de regeering ontzet was, ging hij naar Perzië, waar hij door Darīus met achting behandeld werd en een eigen grondgebied kreeg. Later begeleidde hij Xerxes op zijn tocht naar Griekenland, doch zijne raadgevingen en waarschuwingen vonden weinig gehoor.—2)corinthisch koopman, die voor den tyran Cypselus vluchtte en naar Tarquinii ging; hij was de vader van Tarquinius Priscus.Demarchus,δήμαρχος, bestuurder van een attischen demus; hij werd voor een jaar door de leden van den demus gekozen, riep hun vergaderingen bijeen en leidde ze, hield een register van de leden, enz. Grieksche schrijvers over rom. geschiedenis geven denzelfden naam aan de volkstribunen.Demēter,Δημήτηρ,Ceres, dochter van Cronus en Rhea, godin van den akkerbouw, van de geheele plantenwereld en vooral van het koren, die de goede gaven der aarde doet opkomen (Ἀνησιδώρα). Zijzelve had op vele plaatsen de menschen leeren zaaien en ploegen en had later door Triptolemus (z.a.) de kennis daarvan over de geheele aarde doen verbreiden. Daardoor was zij de oorzaak geworden, dat de menschen hun vroeger zwervend leven vaarwel zeiden en zich tot staten en eene geordende maatschappij vereenigden; zij is daarom ook de godin van wet en orde (Θεσμία, Θεσμοφόρος) en van het huwelijk. Dikwijls wordt zij als de vruchtbare aarde zelve beschouwd en daarom somtijds voor dezelfde gehouden als Gaea of Rhea; ook haar naam werd door sommigen alsΓῆ μήτηρverklaard. Zij is een van de oudste grieksche godheden en werd reeds door de Pelasgen vereerd (Πελασγίς), in lateren tijd raakte haar dienst bij de dorische volken meer op den achtergrond. Zij was bij Zeus moeder van Persephone, bij Poseidon van het paard Arīon, en bij Iasion van Plutus. De voornaamste mythus van Demeter heeft betrekking op het zoeken en vinden van hare door Hades geroofde dochter Persephone (z.a.), bij verscheiden groote feesten te harer eere gevierd, vooral bij de eleusinische mysteriën, werd deze mythus in herinnering gebracht, waarbij men, naar het schijnt, symbolisch zeker verband zocht aan te toonen tusschen het jaarlijks afsterven en herleven der natuur en het herleven van ’s menschen ziel na dendood.—Men offerde aan Dem. runderen, zwijnen, vruchten en honig; de korenaar, de papaver, alle vruchtboomen, de pijnboom en de olm zijn aan haar gewijd. Hare afbeeldingen gelijken veel op die van Hera, echter heeft haar gelaat eene zachtere, minder strenge uitdrukking; gewoonlijk heeft zij een krans van korenaren om het hoofd en een korf met vruchten of de mystische fakkel in de handen.
DaaeofDahae,Δάαι, scythisch volk ten O. der Caspische zee. Zij deden als ruiters dienst in de legers der Perzen, van Alexander d. G. en van Antiochus III van Syria.
Dacia,Δακία, thans Zevenbergen en Rumenië, rijk aan granen, hout en metalen, werd bewoond door een krijgshaftig thracisch volk (deDaci), dat voortdurend de rom. grenzen bestookte. Zie ookGetae. Domitiānus kocht van hun koning Decebalus den vrede voor eene jaarlijksche schatting; Traiānus echter onderwierp het land in twee oorlogen 101–102 en 105–107 n. C. De verschillende gebeurtenissen uit deze oorlogen zijn op de Columna Traiani in beeld gebracht. Traianus bracht vele kolonisten naar Dacia over, vooral om de goudmijnen te bewerken. Aureliānus liet het weder varen (270), terwijl de Gothen er bezit van namen. De rom. bewoners werden toen naar den zuidelijken oever van den Donau overgebracht, waar uit een stuk van Moesia eene nieuwe provincieDacia Aurelianiwerd gevormd; later komt deze voor onder den naamDacia ripensis, terwijl in het binnenland een nieuwe provincieDacia mediterraneawerd ingericht, hoofdstad Serdica (tgw. Sophia).
Dactyli Idaei,Δάκτυλοι Ἰδαῖοι, zeer oude daemonen, die op den berg Ida in Phrygië of op Creta woonden en de eerste bewerkers van metalen waren; in Griekenland gelden zij als priesters van Rhea Cybele en worden zij steeds met de Curētes en Corybantes te zamen genoemd, dikwijls niet van hen onderscheiden. Een van hen zou de stichter der olympische spelen zijn.
Dadicae,Δαδίκαι, volksstam op de grenzen van Sogdiāne.
Dadūchus,Δᾳδοῦχος, fakkeldrager, vooral eene voorname betrekking bij de eleusinische mysteriën, erfelijk in het geslacht van Callias en Hipponīcus, het geslacht derΚήρυκες.
Daedala,τὰ Δαίδαλα, stad en berg op de grenzen van Lycia en Caria. Ook eene stad ergens in India.
Daedala,Δαίδαλα, feest ter eere van Zeus en Hera, in Boeotië gevierd. Bij de kleine Daedala, die waarschijnlijk eens om de vier jaar te Plataeae plaats hadden, werd een eik omgehouwen en daaruit een beeld van Hera vervaardigd; bij de groote, die slechts eens om de zestig jaar gevierd werden, waren dus veertien van die beelden gereed, die door vertegenwoordigers van de veertien bondssteden naar den Cithaeron gebracht werden; daar werd een stier en een koe geofferd, en de beelden verbrand op een houten altaar, dat mede verbrandde.
Daedalion,Δαιδαλίων, zoon van Hesperus en Philōnis, stortte zich van verdriet over den dood zijner dochter Chione van den Parnassus en werd in een havik veranderd.
Daedalus,Δαίδαλος, 1) zoon van Metion of Palamāon, achterkleinzoon van Erechtheus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester en uitvinder van een groot aantal werktuigen; hij was de eerste die beelden maakte, waarvan de oogen open waren en de beenen van elkander stonden, zoodat men zeide dat hij zelfs wandelende beelden maken konde. Uit naijver doodde hij zijn neef en bekwamen leerling Talos, waarvoor hij door den Areopagus ter dood veroordeeld werd ; hij redde zich echter door de vlucht en ging naar Creta, waar hij door Minos goed ontvangen werd. Onder de kunstwerken, die hij hier maakte, behoort het beroemde labyrinth, dat tot gevangenis van den Minotaurus diende. Daar Minos echter vermoedde, dat hij aan Ariadne den draad gegeven had, waarmede Theseus zich uit het labyrinth gered had, liet hij Daedalus zelf met zijn zoon Icarus in dien doolhof opsluiten; beiden ontsnapten echter door middel van vleugels, welke Daedalus gemaakt had uitveeren met was aan elkander verbonden. Icarus vloog te hoog op en kwam zoo dicht bij de zon, dat het was smolt en hij in de naar hem genoemde Icarische zee stortte; Daedalus kwam echter behouden bij Cumae in Italië aan, waar hij een tempel voor Apollo stichtte. Daarop begaf hij zich naar Sicilië, waar Cocalus (z.a.) hem gastvrij ontving en waar hij o.a. eene onneembare vesting bij Agrigentum en een tempel voor Aphrodīte op den Eryx bouwde.—Ook in andere landen zag men later in merkwaardige oude kunstwerken sporen van een bezoek van D.—2)sicyonisch beeldhouwer omstreeks 400.
Daemon,Δαίμων, oorspronkelijk de naam dien men aan de goden gaf, wanneer men dacht aan den goeden of slechten invloed dien zij op het menschelijk leven uitoefenden. Later beschouwde men hen als wezens, die tusschen heroën en goden in stonden, afgestorvenen uit de gouden eeuw, die over het welzijn der menschen waakten, hun de gaven der goden brachten en omgekeerd hunne gebeden ten hemel droegen. Maar tegenover deze beschermgeesten (ἀγαθοδαίμονες) stonden ook kwelgeesten (ἀλάστορες), die de menschen tot kwaad verleiden en in het ongeluk storten. Door Socrates vond het geloof ingang, dat ieder mensch zijn eigen daemon heeft, die hem gedurende zijn geheele leven beschermt, en eindelijk kende men aan ieder mensch een goeden en een kwaden daemon toe.—De Joden en Christenen gaven den naam daemon weder als in de oudste tijden aan alle heidensche goden, maar verklaarden hen allen voor booze daemonen of duivels.
Dahae=Daae.
Daia, romeinsch keizer 305–313 n. C., zieMaximinus (Galerius Valerius).
Dalmatae, zieDalmatia.
Dalmatia,Δαλματία, in ruimen zin, omvatte het kustland ten O. der Adriatische zee, van Histria af tot aan den Drilon, de grens van Illyris Graeca. De naam is door de Romeinen aan dit gewest gegeven naar de hieronder genoemde Dalmaten, met wie ze lang oorlog gevoerd hebben. Het werd ookIllyria Barbaragenoemd, en nog in twee kustlanden onderscheiden:Liburnia, het noordelijk deel, van Histria tot aan den Titius, enDalmatiain engeren zin, tusschen de rivieren Titius en Drilon. De bevolking van dit kustland leefde van jacht, visscherij, veeteelt en ook van zeeroof. Dientengevolge kwamen zij bij herhaling met de Rom. in botsing. De eerste illyrische oorlog had plaats 229–228 tegen koningin Teuta, de tweede in 219 tegen Demetrius van Pharus. In 168 werd koning Gentius, omdat hij met Perseus van Macedonia een bondgenootschap had gesloten, door den praetor L. Anicius in een dertigdaagschen veldtocht verslagen en gevangen genomen, en zijn rijk in drie cijnsplichtige distrikten verdeeld. Doch reeds vóór Gentius hadden zich een aantal stammen losgerukt van het illyrische rijk en onder den naam Dalmaten, Dalmatae, eene republiek gesticht met Delminium tot hoofdstad. In 156 versloegen deze Dalmaten den rom. consul C. Marcius Figulus (Marciino. 12), doch zij werden in 155 onderworpen door P. Cornelius Scipio Nasīca (Corneliino. 20), doordat hij hun hoofdstad innam. In 117 werden zij andermaal onderworpen door L. Caecilius Metellus, die den naam Dalmaticus verwierf (Caeciliino. 12). Bij herhaling stonden de Dalmatiërs weder op, in 78, 50–47, 16 en 11, en 6–9 na C. (opstand van Bato).
Dalmatius, stiefbroeder van Constantijn den Gr. Ook zijn zoon droeg denzelfden naam. Na Constantijns dood verloor deze laatste, aan wien Constantijn de Groote een deel van het rijk toegedacht had, in een soldatenoproer het leven, zieConstantiusII.
DalminiumofDelminium, hoofdstad van de dalmatische republiek.
Damalis,Δάμαλιςofἡ Βοῦς, kaap en vlek in Bithynia aan den thracischen Bosporus, op de plaats waar Io, in een koe veranderd, de zeeëngte overzwom. Vandaar voer men, van Chalcedon komend, over naar Byzantium.
Damarete,Δαμαρέτη, gemalin van Gelon; naar haar heet een sicilische munt = 10 att. drachmen,δαμαρέτειον.
Damaratus=Demaratusno. 1.
Damascus,Δαμασκός, overoude stad in Coelesyria, aan de rivier Bardines of Chrysorrhoas, in eene zeer vruchtbare streek onder een heerlijk klimaat gelegen. Door verschillende besproeiingskanalen, uit de rivier afgeleid, was dáár in de woestijn eene groote oase ontstaan, waar verschillende karavaanwegen als in één middelpunt samenliepen. Damascus was tot aan de verovering door de Assyriërs (± 750) de hoofdstad van het machtigste der syrische (aramaeische) staten, en geregeld met Israël in oorlog. De Assyriërs verwoestten stad en omgeving, maar in den tijd der Perzen is het weer een belangrijke handelsstad. In den tijd der Diadochen hoorde het nu eens tot het rijk der Seleuciden, dan weder tot dat der Ptolemaeën. In 85 ontstond er een onafhankelijk staatje onder een arabisch vorstenhuis, dat echter reeds sedert Pompeius (66) onder Rome kwam te staan. De rom. keizers, vooral Diocletiānus, begunstigden de stad zeer, die beroemd werd door hare wapenfabrieken (damascener klingen) en lijnwaadweverijen (damast).
Damasiaswerd in 582 archont te Athene, en gebruik makend van de burgertwisten die sedert Solons vertrek woedden, bleef hij deze waardigheid gedurende 26 maanden bekleeden; toen verbonden zich echter alle partijen tegen hem en werd hij verjaagd.
Damasippus, naam in degens Licinia(Liciniino. 19 en 20).
Damasithȳmus,Δαμασίθυμος, vorst van Calynda, ging met Xerxes naar Griekenland en sneuvelde bij Salamis, door de goedgeslaagde list van Artemisia.
Damastes,Δαμάστης, 1) =Procrustes.—2)van Sigēum, geschiedschrijver, omstreeks 400.
Damia,Δαμία, 1) godin van den wasdom, op verschillende plaatsen te zamen met Auxesiavereerd, misschien bijnaam van Persephone. Op Aegina vond men beelden van hen in knieënde houding, van olijvenhout.—2)bijnaam der Bona Dea, v. s. dezelfde als no. 1.
Damocles,Δαμοκλῆς, gunsteling van Dionysius I, die steeds het geluk van den tyran roemde. Daarom liet Dionysius hem op zekeren dag alles genieten, wat hem zoozeer bekoorde, maar liet ondertusschen boven zijn hoofd een scherp zwaard aan een paardenhaar ophangen als beeld van de gevaren die een alleenheerscher bedreigen. Het zwaard van Dam. is tot een spreekwoord geworden.
Damon,Δάμων, 1) atheensch toonkunstenaar en sophist, leermeester en vriend van Pericles, wegens ongeloof verbannen.—2)van Syracūsae, die voor zijn vriend Phintias gijzelaar bleef, toen deze wegens een waarschijnlijk verdichten moordaanslag op Dionysius II ter dood veroordeeld was en eenigen tijd uitstel van straf gevraagd had. Tegen de verwachting der hovelingen keerde Phintias nog juist bijtijds terug, waardoor de tyran zoo getroffen was, dat hij beiden het leven schonk en verzocht in hun vriendschapsbond opgenomen te worden, wat hem echter geweigerd werd.
Δαμοσία, de tent der spartaansche koningen, wanneer zij in het veld waren;οἱ περὶ δαμοσίαν, οἱ ἀπὸ δαμοσίας, zij die met hen die tent bewoonden.
Dana,Δάνα, ofThoana,Θόανα, groote stad in Cappadocia, waarschijnlijk dezelfde als Tyana (z. a.).
Danaë,Δανάη, z.Acrisius. Volgens eene italiaansche legende zou zij met haar zoon in Italië gekomen zijn en de stad Ardea gesticht hebben; daarna zou zij bij Pilumnus moeder geworden zijn van Daunus, van wien Turnus afstamde.
Danai,Δαναοί, heeten de Grieken in de gedichten van Homerus, oorspronkelijk een volk in Argos.
Danaides,Δαναΐδης, Perseus, zoon van Danaë;Δαναΐδαι, Argiven, ook algemeen Grieken.
Danaides,Δαναΐδες, de vijftig dochters van Danaüs (z. a.).
Danapris, thans Dniëpr =Borysthenes.
Danastris, thans Dniëstr, oudtijds Tyras geheeten, rivier in Sarmatia.
Danaus,Δαναός, zoon van Belus en Anchinoë, kreeg na den dood van zijn vader de regeering over Libye, maar door zijn tweelingbroeder Aegyptus en diens zonen bedreigd, vluchtte hij met zijne vijftig dochters naar Argos, waar hij koning werd; hij bouwde den burcht van Argos en leerde hoe men in tijden van droogte het land van water kon voorzien. De vijftig zonen van Aegyptus volgden hem echter en vroegen zijne dochters ten huwelijk; Danaüs gaf toe, maar overreedde zijne dochters, hunne echtgenooten in den huwelijksnacht te vermoorden, waaraan alle gevolg gaven, behalve Hypermnestra. De echtgenoot van deze, Lynceus, doodde nu Danaüs zelf en al zijne schoonzusters, die tot straf voor hare misdaad in de onderwereld eeuwig water moeten scheppen in een bodemloos vat.
DandaridaeofDandarii,Δανδάριοι, scythisch volk aan de Oostkust van de Palus Maeōtis (zee van Azow) ten N. van den Caucasus.
Danuvius,Δανούβιος, vroegerIster(Hister), welke naam voor den benedenloop ook in later tijd nog dikwerf voorkomt. Deze stroom, thans Donau, was onder de keizers langen tijd de grensrivier van het rom. rijk.
Daorsi,Δαόριζοι, kleine volksstam in Zuid-Dalmatia.
Daphnae Pelusiae,Δάφναι αἱ Πελούσιαι, aegyptische grensvesting tegen Arabia, nabij Pelusium.
Daphne,Δάφνη, 1) dochter van Penēus, werd door Apollo bemind; toen zij, door hem vervolgd, de goden om hulp smeekte, werd zij in een laurier veranderd.—2)nimf van den Parnassus, in de oudste tijden priesteres bij het delphische orakel, toen dit nog aan Gaea behoorde.
Daphne,Δάφνη, voorstad der syrische stad Antiochīa, een waar lustoord, rijk aan laurierboomen en cypressen, met een beroemden Apollo-tempel. Daphne was een lievelingsverblijf der Seleuciden, later ook van Pompeius en andere Romeinen. In zedelijk opzicht stond het slecht aangeschreven, men spreekt vanDaphnici mores.
Daphnephoria,Δαφνηφόρια, feest om de acht jaar ter eere van Apollo te Delphi en in Boeotië gevierd, ter herinnering aan zijne reiniging na het dooden van den Python.
Daphnis,Δάφνις, zoon van Hermes en eene nimf, herder en jager op Sicilië, bekwaam fluitspeler en de uitvinder der bucolische poëzie. Hij zwoer trouw aan eene nimf, die hem beminde, en toen hij zijn eed brak, strafte zij hem met blindheid of veranderde hem in een steen; Hermes verplaatste hem echter onder de sterren.—V.a. stierf hij van liefdesmart, daar hij zich tegen den wil van Aphrodīte verzet had.
Daradax,Δαράδαξ, zijrivier van den Euphraat in Syria (Cyrrhestica).
Darapsa=Drepsa.
Dardanarii, opkoopers en speculanten in koren, die de prijzen zochten op te drijven. Dit was onder de keizers strafbaar gesteld en behoorde tot dedelicta extraordinaria.
Dardania,Δαρδανία, 1) gewest en stad van het trojaansche land, aan den Hellespont, de zetel van Aenēas. Hiernaar worden de Trojanen ook wel Dardani genoemd. De stad Dardania moet niet verward worden met Dardanus.—2)het land der Dardani,Δάρδανοι, in Moesia Superior, het tegenw. Servië. De Dardaniërs waren een morsig, doch muzikaal volk, van illyrischen stam.
Dardanides,Δαρδανίδης, Δαρδανίων, Priamus, Anchīses e.a. afstammelingen van Dardanus;Dardanidae,Δαρδανιδαι, Δαρδάνιοι, Δαρδανίωνες, Δάρδανοι, Trojanen.
Dardanis,Δαρδανίς, trojaansche vrouw, in het bijzonder Creūsa (no. 3).
Dardanus,Δάρδανος, zoon van Zeus enElectra, de mythische stamvader der Trojanen en dus ook der Romeinen. Hij stichtte in Phrygië de stad Dardania en erfde later van zijn schoonvader Teucer de regeering; sedert dien tijd werd het land naar hem Dardania genoemd, totdat zijn kleinzoon Tros het den naam Troia gaf. Zijne vrouw Chryse had van Athēna als huwelijksgift het Palladium en de beelden der groote goden gekregen, wier dienst hij eerst op Samothrāce instelde en later naar zijn rijk overbracht. Dardanus was v. s. in het trojaansche land geboren, v. a. was zijn vaderland Samothrāce, Arcadië, Creta of Italië.
Dardanus,Δάρδανος, stad aan den Hellespont op den aziatischen oever, ten Z. van Abȳdus. De naam Dardanellen is hiervan afgeleid.
Dares,Δάρης, trojaansch priester van Hephaestus, zou nog voor Homerus eene Ilias op palmbladen geschreven hebben. Het latijnsche prozawerk, dat nog bestaat en eene vertaling van de Ilias van Dares Phrygius heet te zijn, is een werk van weinig beteekenis, dat echter door middeleeuwsche dichters veel gebruikt en nagevolgd is. Het is waarschijnlijk uit de 5deeeuw na C., het Grieksche origineel, dat verloren gegaan is, is misschien uit de 1steof 2deeeuw n. C. ZieDictys.
Darīcus,δαρεικός, perzische gouden munt, ook in Griekenland gangbaar, ongeveer ter waarde van 22 att. drachmen. Het gewicht van den dariek bedraagt gemiddeld 8.41 gram.
Darīus,Δαρεῖος, 1) D. I.Hystaspis, zoon van Hystaspes, behoorde tot het geslacht der Achaemeniden, diende onder Cambȳses, was een van de zeven perzische edellieden die tegen den valschen Smerdis samenzwoeren, en werd, nadat deze vermoord was, ten gevolge van een orakel tot koning verheven (521). In het begin van zijne regeering had hij met een algemeenen opstand van de onderworpen landen te kampen, toen echter Babylon na een lang beleg weder ingenomen was, gaven de andere provinciën zich na elkander over. Daarop wijdde D. het eerst zijn zorg aan het binnenlandsch bestuur: hij hervormde het belastingstelsel, legde goede wegen aan, met vaste halten voor de posterijen, en verdeelde het rijk in satrapieën. In 513 ondernam hij met een leger van 700,000 (?) man een veldtocht tegen de Scythen; door middel van een schipbrug trok hij over den Ister en deed een inval in hun land, maar de Scythen trokken zich in hunne steppen terug en vermeden een open gevecht, zoodat D. na vele verliezen door gebrek genoodzaakt was onverrichter zake terug te keeren en verloren geweest ware, indien de aziatische Grieken aan het verlangen der Scythen voldaan hadden en de brug hadden afgebroken. Terwijl nu zijn veldheer Megabāzus de landen aan den Bosporus onderwierp, breidde hij zijn rijk tot aan den Indus uit en veroverde hij ook Barca (510). Nadat de door Aristagoras (z. a.) verwekte opstand der ionische Grieken bedwongen was, wenschte D. de Atheners en Eretriërs, die de opstandelingen geholpen hadden, te straffen. Hij zond daarom zijn schoonzoon Mardonius met een groote vloot naar Griekenland (493), doch de meeste schepen verongelukten bij het voorgebergte Athos; drie jaar later gingen Datis en Artaphernes met een nog talrijker leger, die wel Eretria verwoestten en de inwoners naar Azië overbrachten, maar bij Marathon tegen de Atheners een volkomen nederlaag leden. Verdere plannen van Darius tegen Athene en tegen het inmiddels afgevallen Aegypte werden door zijn dood verijdeld (486).—2)D. IIOchus(Ὦχος), bastaardzoon van Artaxerxes I, en daarom door de GriekenNothus(Νόθος) genoemd, maakte zich door het vermoorden van zijn broeder van de regeering meester (424). Hij liet zich geheel door zijne vrouw, Parysatis, en door gunstelingen beheerschen en lokte door zijne zwakheid allerlei onlusten en opstanden uit, die hij meest door list wist te dempen; Aegypte konde hij echter niet onderwerpen. Hij stierf in 405.—3)D. IIICodomannus, kleinzoon van Artaxerxes II, werd na de vermoording van Arses door Bagōas op den troon gebracht (336). Hij trachtte het inwendig zeer verzwakte rijk te herstellen, en maakte een einde aan het schrikbewind van Bagōas; in den oorlog tegen Alexander d. G. toonde hij zich echter zwak; hij verloor de gevechten bij Issus en Gaugamēla, trachtte naar de oostelijke provinciën van zijn rijk te vluchten, maar werd op weg door zijn satraap Bessus vermoord (331).
Dascon,Δάσκων, vesting en inham op Sicilia, ten Z. van Syracūsae.
Dascylium,Δασκύλιον, stad in Bithynia, aan de Propontis. Onder de perzische heerschappij was het de residentie van de satrapen van Phrygia minor, dat daarnaar ookἡ Δασκυλῖτις σατραπείαofὁ ἐν Δασκυλείῳ νομόςheette.
Dassarētae,Δασσαρῆται, stam in het Z.O. van Illyris Graeca. Hoofdstad Lychnidus aan den lacus Lychnītis.
Datames,Δατάμης, een Cariër, die onder Artaxerxes II tegen de Cadusiërs streed en tot belooning voor zijn beleid en dapperheid satraap van Cappadocië werd. Hij bewees den koning vele diensten en werd zeer door hem onderscheiden, maar uit vrees dat Artaxerxes aan zijne invloedrijke vijanden het oor zou leenen, kwam hij in opstand (± 370). Langen tijd hield hij zich staande, maar eindelijk werd hij verraderlijk vermoord (360).
Dataphernes,Δαταφέρνης, was een van hen die Bessus aan Alexander verrieden; niettemin bleef hij met Spitamenes den oorlog voortzetten, totdat hij door de Dahae aan Alexander overgeleverd werd.
Datis,Δᾶτις, veldheer van Darīus Hystaspis, die met Artaphernes de nederlaag bij Marathon leed.
Datum,Δᾶτον, stad en streek in oostelijk Macedonia ten O. van den Pangaeus mons, tegenover Thasus, met rijke goudmijnen.
Daulis,Δαυλίς, sterke stad in Phocis ten O. van den Parnassus, aan den weg vanChaeronēa naar Delphi. Hier behoort de mythe van Philomēla en Procne te huis.
Daunia, het noordelijk gedeelte van Apulia, het land van Daunus, den vader van den rutulischen koning Turnus (zieAeneas) en schoonvader van Diomēdes.Daunius heros= Turnus;Daunia gens= Rutuliërs;dea Daunia= Iuturna, Turnus’ zuster;Daunias(bij Horatius) = Apulia.
Daunus,Δαῦνος, zoon van Pilumnus en Danaë, of een Arcadiër, zoon van Lycāon, koning van Daunia. Diomēdes stond hem bij in den oorlog tegen de Messapiërs en nam zijne dochter tot vrouw.
Dea Dia, waarschijnlijk de godin der voortbrengende kracht in de natuur, een andere naam voor Ceres of Tellus, wier dienst te Rome door de fratres arvales (z.Arvales fratres) waargenomen werd; te harer eere werd jaarlijks gedurende drie dagen in Mei in de stad en in een nabijgelegen heilig woud een feest gevierd.
Decānus, in den keizertijd een hoofdman van tien soldaten, die in dezelfde tent gelegerd waren.
Decebalus,Δεκέβαλος, koning van Dacia, van wien Domitiānus den vrede kocht (89 n. C.), maar die door Traiānus geheel verslagen werd en zichzelf het leven benam (106 n. C.). ZieDacia.
Decelēa,Δεκέλεια, attische gemeente ten N.W. van Athenae, bekend door den deceleïschen oorlog (413–404), toen de Spartanen op raad van Alcibiades de plaats bezetten.
Decemprīmi, 1) eene commissie van 10 leden, die in demunicipiaaan het hoofd van den senaat stond. In navolging van dezen vindt men in den keizertijd, in het Oosten van het rijkdecaproti,οἱ δέκα πρῶτοι, die echter een anderen werkkring hebben. De decaprōti behoeven niet tot de senaatsleden te behooren. Zij innen de belastingen en zijn aansprakelijk voor het binnenkomen daarvan.—2)decemprimiheeten ook de bestuursleden van den indecuriaeingedeeldenordoderscribae(z.apparitores).
Decemviri, een collegie van 10 mannen. 1)Decemviri agris dividundis, commissie van landverdeeling uit denager publicusonder het volk. ZieAgrariae(leges), en welRogatio Servilia agrariavan 63.—2)Decemviri legibus scribundis, het uit de rom. geschiedenis bekende collegie der tienmannen in 451–449, tengevolge derlex Terentiliain het leven geroepen en waartoe App. Claudius behoorde. ZieClaudiino. 2 enTabularum(leges XII).—3)Decemviri(st)litibus iudicandis, een oud rechterlijk collegie, dat in processen over vrijheid en burgerrecht recht sprak, en dat reeds in de 5deeeuw bestond (z.Horatiae Valeriae(leges)), als we ten minste aan mogen nemen, dat de woordeniudices decemviriop hen betrekking hebben; v. s. is het college eerst in de 3deeeuw, tusschen 242 en 227, ingesteld. De leden werden in de tribuutcomitiën gekozen. Onder Augustus veranderde hun werkkring en werden zij voorzitters dercentumviri. Zij vormen een onderdeel van devigintiviri.—4)Decemviri sacrorumofsacris faciundis, belast met het toezicht op de sibyllijnsche boeken, die op het Capitool bewaard werden en die zij op last van den senaat raadpleegden (zieSibylla). Zij hebben het toezicht op de offers, dieGraeco ritugebracht worden, oorspronkelijk ook op desupplicationesenlectisternia, waartoeex librisbesloten was. In den beginne waren er 2, later 10 (5 patricische en 5 plebejische), sedert Sulla 15.
Decentius, Caesar (onderkeizer) 350–353 n. C. Hij was een neef van Magnentius, die hem aangesteld had om de aanvallen der Germanen af te weren; tijdens zijn bestuur werd echter Gallia door de Germanen verwoest. Hij doodde zichzelf, toen hij den dood van Magnentius vernam.
Decetia, stad der Aeduërs in Gallia Transalpīna aan den Liger (Loire).
Deciānus, naam in degens Appuleia(Appuleiino. 4 en 5).
Decidius Saxa, naam van twee broeders, die in den burgeroorlog voor Caesar en later voor Antonius streden. De een sneuvelde als propraetor van Syria in 40 tegen de Parthen, die onder aanvoering van Q. Labienus in de provincie gevallen waren.
Decimatio. Wanneer eene geheele troepenafdeeling van een rom. leger zich had schuldig gemaakt aan iets, wat in een enkele met den dood zou worden gestraft, b.v. muiterij, lafhartigheid in den strijd, dan werd die afdeeling in het gelid geschaard, het lot wees aan, waar men zou beginnen te tellen, en elke tiende man werd onmiddellijk ter dood gebracht. Onder de keizers werd deze straf dikwijls verzacht totvicesimatioofcentesimatio.
Decii, een plebejisch geslacht. 1)P. Decius Mus, krijgstribuun in 343, redde toen door zijn kloekmoedigheid het rom. leger, dat door de Samnieten bij den berg Gaurus was ingesloten, en deed een bijna wissen ondergang in eene luisterrijke zegepraal verkeeren. In 340 offerde hij als consul zich in den strijd tegen de Latijnen op, en bezorgde hierdoor den zijnen eene schitterende overwinning. Evenals de geheele eerste samnietische oorlog, is ook het verhaal omtrent de opoffering van Decius in den oorlog tegen de Latijnen verzonnen. Slechts staat vast, dat Decius als consul gesneuveld is.—2)P. Decius Mus, zoon van no. 1, consul in 312, 308, 297 en 295, censor in 304, streed voorspoedig tegen de Etruscers, Samnieten en Umbriërs, en bezorgde in 295 bij Sentīnum, het voorbeeld zijns vaders volgende, door een vrijwilligen dood zijn leger de overwinning op de Samnieten en de Kelten.—3)P. Decius Mus, zoon van no. 2, consul in 279, viel in den slag bij Asculum (Ausculum) tegen Pyrrhus. V. s. is het verhaal omtrent het heldhaftig gedrag der Decii, n. m. dat ze zich aan de onderaardsche goden wijdden en daarna den dood zochten, op dezen Decius Mus toepasselijk.—4)P. Deciusklaagde in 120 als volkstribuun den gewezen consul L. Opimius aan, dat hij burgers onveroordeeldin den kerker had geworpen. Cicero noemt hem als redenaar.—5)P. Decius(Mus) sloot zich, om zijne schulden te kunnen betalen, aan Antonius aan en nam deel aan den mutinensischen oorlog. Cicero zegt daarom spottend, dat hij op het voorbeeld zijner voorvaderen zich voor zijne schulden had opgeofferd.
Decimii, aanzienlijk geslacht uit Samnium.
Decius(C. Messius Quintus Traiānus), uit Pannonia afkomstig, rom. keizer 249–251 na C., opvolger van Philippus Arabs, regeerde goed, doch vervolgde de Christenen. Op een tocht tegen de Gothen kwam hij met zijn zoon in een moeras om.
Decumāna porta, de poort aan de achterzijde der legerplaats. Ziecastra.
Decumānus, tiendpachter.Ager decumanus, tiendplichtig land.Miles decumanus, soldaat van het tiende legioen. Zie ookauguria.
Decumātes agri, zieagri decumates.
Decuria, afdeeling van 10 personen, later eene kleine afdeeling in het algemeen, zonder dat men zich streng aan het getal 10 hield. Bij de ruiterij was elketurma(30 man) in driedecuriaeafgedeeld.
Decurio, de eerste van eenedecuriaruiterij en als zoodanig de hoofdman er van.—Decurionesworden in de municipia de leden van densenatus municipalisgenoemd, die ookordo decurionumheet.
Decursioofdecursus, 1) militaire oefening met pak en zak door het geheele leger, waarbij verschillende krijgsbewegingen werden uitgevoerd en waarbij de soldaten vooral geoefend werden, hunne liniën en gelederen te bewaren.—2)een militaire optocht of parade rondom een grafheuvel of een altaar, ter eere van een in den strijd gevallene opgericht.
Dedicatio, plechtige inwijding van eenig openbaar gebouw, b.v. van een tempel. Hij die den tempel wijdde, sloeg daarbij de hand aan de deurpost en moest een wijdingsformulier nazeggen, dat de pontifex maximus hem voorzeide. Daarbij te haperen gold als een slecht voorteeken.
Dediticiiwaren zij, die zich onvoorwaardelijk aan de genade der Rom. hadden moeten overgeven.—Zie ookAelia Sentia(lex).Dediticiikonden nochcivesnochLatiniworden.
Deïanīra,Δηιάνειρα, dochter van Oeneus, gemalin van Heracles (z.Achelōus) en de onschuldige bewerkster van zijn dood (z.Heracles), waarom zij zich van het leven beroofde.
Deïdamēa,Δηιδάμεια, 1) dochter van Lycomēdes, werd bij Achilles, die in meisjeskleederen aan het hof van haar vader leefde, moeder van Neoptolemus.—2)vrouw van Pirithoüs.—3)zuster van Pyrrhus van Epīrus, gehuwd met Demetrius Poliorcētes.—4)dochter van Pyrrhus van Epīrus.
Δεῖγμα, gebouw in den Piraeus, waar monsters van koopwaren ter bezichtiging uitgestald werden.
Δειμός, zoon of dienaar van Ares.
Deïoces,Δηιόκης, een Mediër, die, nadat het volk zich van de Assyriërs onafhankelijk gemaakt had, door zijne wijsheid en rechtvaardigheid grooten roem verwierf en daarom tot koning verheven werd (709 of 700), stichter van Ecbatana.
Deïoneus,Δηιονεύς, 1) ofDeïon,Δηίων, een van de zeven zonen van Aeolus, werd koning van Phocis.—2)schoonvader van Ixīon, werd door dezen, toen hij de bruidsgeschenken van hem vorderde, verraderlijk in een vuurpoel geworpen.—3)zoon van Eurytus.
Deïonides, Milētus, zoon van Apollo en Deïone.
Deiotarus,Δηιόταρος, tetrarch van Galatia in Azië, ondersteunde de Rom. in den mithradatischen oorlog en ontving daarvoor van den rom. senaat den titel vanrexmet een vergrooting van grondgebied. In den burgeroorlog streed hij voor Pompeius; Caesar vergaf het hem echter en liet hem het grootste gedeelte van zijn rijk. In 45 werd Deiotarus door zijn kleinzoon Castor en zijn arts Phidippus aangeklaagd van een aanslag tegen Caesars leven, toen deze indertijd bij hem had vertoefd. Cicero verdedigde den koning, en hoewel er geene vrijspraak schijnt gevolgd te zijn, werd de zaak toch niet verder vervolgd. Antonius bevestigde voor eene groote som gelds Deiotarus weder in zijn vroeger gebied, maar later streed hij onder Brutus bij Phillippi tegen de triumviri, met wie hij zich echter verzoende.
Deïphobeheette de sibylle van Cumae, dochter van den zeegod Glaucus.
Deïphobus,Δηίφοβος, zoon van Priamus en Hecabe, een van de voornaamste trojaansche helden. Hij was steeds tegen de uitlevering van Helena en trouwde haar na den dood van Paris. Bij de verovering van Troje werd zijn huis verwoest en hij door Menelāus op wreedaardige wijze gedood. Met Paris zou hij Achilles gedood hebben.
Deïphontes,Δηιφόντης, zoon van Antimachus, schoonzoon en opvolger van Temenus (z.a.); v.a. vluchtte hij na den dood van zijn schoonvader uit vrees voor zijne zwagers naar Epidaurus.
Δεῖπνον, de hoofdmaaltijd der Grieken, in de oudste tijden omstreeks den middag, later tegen den avond gebruikt, waarbij men dikwijls gasten ontving, of die ook wel met bijdragen (ἀπὸ συμβολῶν) der gezamenlijke deelnemers betaald werd. Bij aankomst der gasten werden hun door slaven de zolen afgenomen en de voeten gewasschen, daarop wiesch men de handen en nam men plaats op de rustbank, waarop men liggende het maal gebruikte. Als spijzen worden genoemd gerstebrei (bij armere lieden het voornaamste gerecht), groenten, vleeschspijzen en visch; vorken of messen gebruikte men niet, wel lepels; onder het eten hield men de handen schoon met fijngewreven broodkruimels. Na het eten werden de schotels weggenomen, waschwater met een soort zeep, soms ook bloemen en reukwerken rondgediend en begon het nagerecht (δεύτεραι τράπεζαι) of drinkgelag (συμπόσιον) met een drankoffer (σπονδαί) waarbij men de woordenἀγαθοῦ δαίμονοςuitsprak. Nadat door het lot een tafelpresident(συμποσίαρχος, βασιλεύς, ἄρχων) was aangewezen, bleef men onder het genot van wijn, vruchten, kaas, koek, enz., dan dikwijls nog lang bij elkander, terwijl men zich den tijd verdreef met gesprekken, gezelschapsspelen, dikwijls ook met voordrachten van fluitspeelsters of vertooningen van danseressen.
Deïpyle,Δηιπύλη, dochter van Adrastus, gehuwd met Tydeus.
Δέκαπρῶτοι, z.Decemprimino. 1.
Δεκαρχίαι, δεκαδαρχίαι, colleges van tien personen, na den peloponnesischen oorlog door Lysander met de regeering belast in de meeste steden, die zich bij Sparta hadden aangesloten. De willekeur, waarmede deze colleges, gesteund door spartaansche bezettingen en harmosten, regeerden, maakte in korten tijd de spartaansche hegemonie algemeen gehaat.
Delatio nominis, heet in den tijd derquaestiones perpetuaehet indienen eener aanklacht bij denpraetor quaestionis.
Delatōres, aanbrengers van misdrijven, waartegen straf bedreigd was. Onder sommige keizers, toen majesteitsprocessen aan de orde van den dag waren, maakten sommigen van dit aanbrengen eene broodwinning, daar hun een vierde van de opgelegde boete of van het verbeurdverklaarde vermogen des veroordeelden ten deel viel. Ook persten zij dikwerf aanzienlijke sommen af door de bedreiging, in geval van weigering eene aanklacht in te dienen. Ze worden ookquadruplatoresgenoemd.
Delia, geliefde van Tibullus (z.a.); pseudonym voor Plania.
Delium,Δήλιον, boeotisch stadje in het gebied van Tanagra, waar de Boeotiërs in 424 de Atheners versloegen.
Delius, -ia,Δήλιος, -ία, bijnamen van Apollo en Artemis, naar het eiland Delus, waar zij geboren waren en waar Apollo hoog vereerd werd.
Dellius (Q.), dezelfde, aan wien Horatius een ode heeft gericht, werd door Antonius in 41 naar Aegypte gezonden, om Cleopatra ter verantwoording naar Tarsus te ontbieden. Later ging hij tot Octavianus over. Hij heeft den oorlog tegen de Parthen beschreven, dien hij in het gevolg van Antonius medemaakte.
Delmatiaoude schrijfwijze voorDalmatia.
Delmatius=Dalmatius.
Delminium=Dalminium.
Delphi,Δελφοί, kleine maar beroemde stad van Phocis, langs den Z.rand van den tweetoppigen Parnassus tegen den berg aan gebouwd, met verscheidene tempels, waaronder die van den Pythischen Apollo de voornaamste was. Delphi werd oudtijds als het middelpunt der aarde beschouwd. De oudste tempel, die volgens de sage door Trophonius en Agamēdes gebouwd was, verbrandde in 548. Hij werd (530–514) door de uit Athene verdreven Alcmaeoniden prachtig in dorischen stijl herbouwd, waarbij de oostgevel, in plaats van in porus of tufsteen, in parisch marmer werd opgetrokken. In 373 werd hij door een aardbeving en een brand vernietigd, maar door de Amphictyonen met het geld van den tempel in nieuweren stijl herbouwd. Ook later is hij nog herhaaldelijk hersteld, tot hij ten laatste door een aardbeving vernietigd werd. Hij bevatte een ontzaggelijken tempelschat, een gouden beeld van den god en een heiligen steen, die als de navel der aarde,ὀμφαλὸς τῆς γῆς, beschouwd werd, terwijl nog vele andere standbeelden op den voorhof stonden. In den pronaos las men de spreukenγνῶθι σεαυτόνenμηδὲν ἄγαν. Achter decellawas een afzonderlijke ruimte, hetadyton, waaronder of waarbij de aardkloof zich bevond, waaruit zwaveldampen opstegen, die de Pythia (zie hieronder) in geestvervoering brachten. (Het bericht omtrent die zwaveldampen wordt tegenwoordig voor een fabeltje gehouden). In den phocensischen oorlog (357–346) werd de tempel uitgeplunderd door de huurtroepen der Phocensen, in 278 door de Galliërs, die ten getale van 200000 Griekenland trachtten binnen te dringen, later door Sulla, vervolgens door Nero, die honderden standbeelden uit Delphi naar Rome liet voeren, terwijl het overschot later door Constantijn den Gr. naar Constantinopel werd overgebracht. De stad verviel, en verschillende aardbevingen vernielden ze en verdreven de bevolking. Op de plaats lag later het dorp Kastri; nu heeft de fransche regeering dit doen verplaatsen, en daarop is tusschen 1892 en 1901 opgegraven, wat er nog over is. De tempel zelf lag in het midden van denτέμενος, een met hooge muren omgeven sterk hellend terrein; in het zuidelijke gedeelte, dat het laagst lag, vindt men voornamelijkθησαυροίen geschenken, ten N. van den tempel links het theater, rechts deλέσχηvan de Cnidiërs, een gebouw, waar de vreemdelingen plachten samen te komen. Hetorakel van Delphiwas het meest beroemde der oudheid; eerst behoorde het aan Gaea,Γῆ; deze schonk het aan Themis, Themis aan Phoebe, Phoebe aan Phoebus Apollo, z.Pytho. Wanneer het orakel zou geraadpleegd worden, plaatste zich eene der priesteressen ofΠυθίαι, na zich gebaad en uit de bron Cassōtis gedronken en laurierbladeren in den mond genomen te hebben, op een zetel, die op een drievoet rustte, en uit de geluiden, die zij uitstiet, maakten de priesters het antwoord gereed. Door zijn groot aanzien heeft het orakel meermalen op den gang der historische gebeurtenissen invloed uitgeoefend. Depythische spelenhadden in de vlakte van Crissa plaats, telkens in het derde jaar eener olympiade. De eereprijs bestond in een lauwerkrans.
Δελφίνια, feest ter eere van Apollo als beschermer der zeevaart, te Athene den 6enof 7denMunychion gevierd.
Delphinium,Δελφίνιον, 1) stad aan de Oostkust van het eil. Chius.—2)haven van Orōpus in Attica, overvaartplaats naar Euboea.—3)gerechtshof te Athene in den tempel van Apollo Delphinius, dat overφόνος δίκαιοςrecht sprak (zieEphetae).
Delphīnus, Delphin,Δελφίς, Δελφίν, 1) sterrenbeeld, waarin men den dolfijn van Arīon of van Amphitrīte meende te zien.—2)een werktuig waarvan men zich in den zeeoorlog bediende; het was een groote klomp lood of ijzer, die aan den mast hing en met kracht tegen het vijandelijke schip geslingerd werd.
Delta, het noordelijke deel van Aegypte, tusschen de verschillende armen, waarin de Nijl zich splitst, door aanslibbing gevormd en uiterst vruchtbaar, en met een groot getal steden. De naam is ontleend aan den driehoekigen vorm.
Delubrum, de plaats van reiniging en verzoening, de tempel, vooral dat gedeelte er van, waar het beeld der godheid stond.
Delus, Delos,Δῆλος, het heilige Cycladeneiland, waar Apollo en Artemis door Latōna ter wereld waren gebracht. Apollo had er een wit marmeren tempel met een altaar uit hoornen in elkaar gewerkt. Tot de viering van Apollo’s geboortefeest (Ἀπολλώνια) zonden de grieksche staten jaarlijks in de maand Thargelion plechtige gezandschappen. Om de vier jaar werd dit feest vervangen door deΔήλια, een van de luisterrijkste feesten van geheel Griekenland. Geen begrafenis mocht op Delus plaats hebben; lijken werden naar het nabijgelegen Rhenēa overgebracht. De oudste bewoners warenCariërs, daarna vestigden er zich Ioniërs. Na den perzischen oorlog werd te Delus de bondskas van het atheensche zeeverbond bewaard, totdat Pericles deze naar Athene overbracht (454). Delus was in de 2deeeuw, toen het door de Romeinen aan Athene werd toegewezen, en een vrijhaven werd, beroemd om zijne slavenmarkten, die van heinde en verre werden bezocht. In den eersten mithradatischen oorlog werd het (88) door den pontischen veldheer Menophanes of door Archelāus geplunderd en verwoest, de mannelijke bevolking omgebracht, vrouwen en kinderen in slavernij weggevoerd. In 69 werd het eiland wederom geplunderd, nu door de zeeroovers, en sedert dien tijd is het vervallen. Thans is Delus woest en verlaten. Naar het eiland en den berg Cynthus wordt Apollo dikwerfDeliusenCynthiusgenoemd. ZieAsteria.
Demādes,Δημάδης, atheensch redenaar van geringen stand, die in het belang van Macedonië werkte en een geducht tegenstander van Demosthenes was; bij Alexander d. G. stond hij in hooge gunst, zoodat hij met Phocion tot hem gezonden werd, toen de Atheners na het bedwingen van den thebaanschen opstand de wraak des konings vreesden (z.Demosthenes). Antipater liet hem ter dood brengen, daar hij in onderschepte brieven de bewijzen van een aanslag van Demades tegen hem gevonden had (319). Zijn karakter wordtuiterstbedorven genoemd, daarentegen roemen de ouden zijne onweerstaanbare welsprekendheid, zijne geestigheid en gevatheid; niettemin waren zijne werken reeds vroeg verloren.
Δημαγωγός, leider der volkspartij in eene republiek (ookπροστάτης τοῦ δήμου); gewoonlijk menschen die, niet door deambtendie zij bekleedden, maar door persoonlijke eigenschappen, vooral door welsprekendheid, grooten invloed hadden verworven. Terwijl een bekwaam en braaf man, zooals Pericles, als demagoog veel kon doen om het volk ten goede te leiden, gebruikten latere atheensche demagogen hun invloed veelal om het volk tegen de rijken en aanzienlijken op te hitsen, waardoor partijschappen ontstonden, die voor den staat een werkelijk gevaar opleverden; vandaar dat het woord meestal eene ongunstige bijbeteekenis heeft.
Demarātus,Δημάρατος, 1) koning van Sparta, zoon van Aristo, tegenstander van zijn ambtgenoot Cleomenes I (z.a.).Toen hij van de regeering ontzet was, ging hij naar Perzië, waar hij door Darīus met achting behandeld werd en een eigen grondgebied kreeg. Later begeleidde hij Xerxes op zijn tocht naar Griekenland, doch zijne raadgevingen en waarschuwingen vonden weinig gehoor.—2)corinthisch koopman, die voor den tyran Cypselus vluchtte en naar Tarquinii ging; hij was de vader van Tarquinius Priscus.
Demarchus,δήμαρχος, bestuurder van een attischen demus; hij werd voor een jaar door de leden van den demus gekozen, riep hun vergaderingen bijeen en leidde ze, hield een register van de leden, enz. Grieksche schrijvers over rom. geschiedenis geven denzelfden naam aan de volkstribunen.
Demēter,Δημήτηρ,Ceres, dochter van Cronus en Rhea, godin van den akkerbouw, van de geheele plantenwereld en vooral van het koren, die de goede gaven der aarde doet opkomen (Ἀνησιδώρα). Zijzelve had op vele plaatsen de menschen leeren zaaien en ploegen en had later door Triptolemus (z.a.) de kennis daarvan over de geheele aarde doen verbreiden. Daardoor was zij de oorzaak geworden, dat de menschen hun vroeger zwervend leven vaarwel zeiden en zich tot staten en eene geordende maatschappij vereenigden; zij is daarom ook de godin van wet en orde (Θεσμία, Θεσμοφόρος) en van het huwelijk. Dikwijls wordt zij als de vruchtbare aarde zelve beschouwd en daarom somtijds voor dezelfde gehouden als Gaea of Rhea; ook haar naam werd door sommigen alsΓῆ μήτηρverklaard. Zij is een van de oudste grieksche godheden en werd reeds door de Pelasgen vereerd (Πελασγίς), in lateren tijd raakte haar dienst bij de dorische volken meer op den achtergrond. Zij was bij Zeus moeder van Persephone, bij Poseidon van het paard Arīon, en bij Iasion van Plutus. De voornaamste mythus van Demeter heeft betrekking op het zoeken en vinden van hare door Hades geroofde dochter Persephone (z.a.), bij verscheiden groote feesten te harer eere gevierd, vooral bij de eleusinische mysteriën, werd deze mythus in herinnering gebracht, waarbij men, naar het schijnt, symbolisch zeker verband zocht aan te toonen tusschen het jaarlijks afsterven en herleven der natuur en het herleven van ’s menschen ziel na dendood.—Men offerde aan Dem. runderen, zwijnen, vruchten en honig; de korenaar, de papaver, alle vruchtboomen, de pijnboom en de olm zijn aan haar gewijd. Hare afbeeldingen gelijken veel op die van Hera, echter heeft haar gelaat eene zachtere, minder strenge uitdrukking; gewoonlijk heeft zij een krans van korenaren om het hoofd en een korf met vruchten of de mystische fakkel in de handen.