L.Labarum.Labarum, de keizerlijke standaard, door Constantijn den Gr. ingevoerd. Hij bestond uit een rijk geborduurd zijden vaandel met het monogram van J. C., hangende aan een stok in den vorm van een kruis.Labda,Λάβδα, dochter van Amphīon, moeder van Cypselus.Labdacidae,Λαβδακίδαι, de zoon en verdere afstammelingen van Labdacus: Laïus, Oedipus, Eteocles en Polynīces.Labdacus,Λάβδακος, zoon van Polydōrus en Nyctēis, koning van Thebe. Gedurende zijne minderjarigheid stond hij onder de voogdij van zijn grootvader Nycteus, later onder die van zijn oudoom Lycus.Labeātes, dapper volk in Dalmatia met de hoofdstad Scodra (Scutari).Labeo, familienaam in degens Antistiaen degens Fabia(Fabiino. 27).Laberii, een plebejisch geslacht, waarvan het meest bekende lidDec. Laberiusis (105–43), rom. ridder en beroemd mimendichter. In weerwil van zijn rang dwong Caesar hem in 45 zelf als acteur op te treden en zich te meten met Publilius Syrus, tooneelspeler van beroep. Over deze diepe vernedering wreekte Laberius zich met bijtenden spot in een proloog, die nog bestaat.Labīcum, Labīci,Λαβικόν, oude stad van Latium, die zich met de Aequi verbonden had en daarom door de Rom. veroverd werd. Zij lag niet ver van Tusculum aan devia Labicana.Labiēna (lex), zieAttia (lex).Labiēni. 1)T. (Attius) Labienus, volkstribuun in 63 (z.Attia (lex)), klaagde Rabirius (z. a.) aan, en was later Caesars voornaamste legaat in Gallia, waar hij door beleid en onversaagdheid uitmuntte, ging uit eerzucht in 49 tot de partij van Pompeius over. Na den slag bij Pharsālus vluchtte hij naar Africa, en later na de nederlaag van Thapsus naar Hispania, waar hij in 45 bij Munda sneuvelde.—2)Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 1, werd door Brutus en Cassius naar den parthischen koning Orōdes gezonden om hulp te vragen. Op het bericht dat beiden bij Philippi waren omgekomen (42), bleef hij aan het parthische hof, en viel met Orodes’ zoon Pacorus aan het hoofd van een parthisch leger in Syria, drong zelfs tot Caria door, doch werd in 39 door P. Ventidius, legaatvan Antonius, verslagen. Door de Parthen verlaten, week hij naar Cilicia, waar hij op last van Ventidius werd omgebracht.—3)Labiēnus, die tijdens Sulla een werkzaam aandeel nam aan het ombrengen van vogelvrijverklaarden, werd na Caesars dood zelf op de lijst derproscriptigebracht en bezat moed genoeg om niet te vluchten, maar vóór zijne woning den dood af te wachten. Daar van dezen Labienus overigens niets bekend is, vermoedt men, dat de naam in den Griekschen tekst verschreven is.—4)T. Labienus, geschiedschrijver en redenaar, behoorde als republikein tot de hevigste tegenstanders van Augustus, zóó zelfs, dat sommigen hem spottendRabiēnusnoemden. Toen de senaat de verbranding zijner geschriften had bevolen, trok hij zich dit zóózeer aan, dat hij stierf.Labōtas,Λαβώτας, 1) koning van Sparta, vierde Agide, reg. 995–958; in zijn tijd begonnen de twisten met Argos over Cynuria.—2)spartaansch harmost in het thessalische Heraclēa, 409.Labranda,τὰ Λάβρανδα, Λάβραυνδα, vlek in Caria ten N. van de stad Mylasa, met een tempel van Zeus.Labrum, een groote steenen of metalen kuip tot allerlei gebruik, vooral het koudwaterbekken in de heete badzaal der badhuizen.Labynētus,Λαβύνητος, 1) koning van Babylon, die den vrede tusschen Cyaxares en Alyattes (z. a.) bewerkte, waarschijnlijk dezelfde als Nebucadnezar.—2)= Belsazar, laatste koning van Babylon, die in 538 door Cyrus van zijn rijk beroofd werd.Labyrinthus,λαβύρινθος, gebouw, bestaande uit een ingewikkeld stelsel van vertrekken en gangen, zoodat het moeilijk is zijn weg er in te vinden. De naam is v.s. ontleend aan het gebouw, dat de aegyptische koning Amenehma III aan het meer Moeris bij Arsinoë liet bouwen (Loperohunt= paleis aan den ingang van het meer), v. a. afgeleid vanλάβρυς, de dubbele bijl, een heilig symbool, dat men op vele monumenten van Cnosus vindt. Waarschijnlijk was het aegyptische lab. eene vereeniging van 12 paleizen onder één dak voor de 12 nomen of distrikten van Aegypte; het bevatte 3000 kamers, waarvan de helft onder den grond lag en voor vreemden niet toegankelijk was. Op Samus had Polycrates door verscheiden bouwkundigen een lab. laten aanleggen. Ook het grafteeken van koning Porsēna van Clusium wordt een lab. genoemd. Het lab. van Creta, door Daedalus aangelegd en tot verblijf voor den Minotaurus dienend, wordt eerst door schrijvers van lateren tijd vermeld, vandaar de meening, dat de verhalen omtrent dit bouwwerk mythisch zijn, en dat de uitgebreide steengroeven van Creta er toe aanleiding gegeven hebben. Anderen meenen, dat het bij Cnosus door Evans opgegraven paleis van Minos aanleiding gegeven heeft tot het ontstaan van de sage.Lacedaemon,Λακεδαίμων=Sparta.Lacerna, ruime mantel, voor aan den hals met een gesp of haak gesloten en vaak van een kap (cucullus) voorzien, dien men bij regen over het hoofd trok.Lacetāni, volk in het N.O. van Hispania Tarraconensis, in een bergachtige streek, misschien dezelfden als de Iacetani.Lachares,Λαχάρης, atheensch demagoog, kreeg na den slag bij Ipsus als aanhanger van Cassander grooten invloed, en wierp zich na diens dood als tyran op (297). Hij roofde, om aan geld te komen, o.a. de gouden mantel der godin, z.Athenaep. 102. Toen Athene zich aan Demetrius Poliorcētes overgaf, vluchtte hij naar Boeotië en werd hij te Coronēa vermoord.Laches,Λάχης, Athener, zoon van Melanōpus, bevelvoerder van de vloot, die in 427 naar Leontīni gezonden werd. In 425 werd hij teruggeroepen en door Cleon aangeklaagd, in den slag bij Delium diende hij als hopliet. Hij was werkzaam bij de onderhandelingen over den vrede van Nicias, en sneuvelde in den slag bij Mantinēa (418). Een gesprek van Plato over de dapperheid is naar hem genoemd.Lachesis,Λάχεσις, zij die het lot uitdeelt, eene van de Moerae, in lateren tijd afgebeeld met een aardbol, waarop zij ’s menschen lot aanwijst.Laciadae,Λακιάδαι, demus in Attica, ten W. van Athene.Lacinia, bijnaam van Juno, naar haar beroemden tempel bij het voorgebergte Lacinium.Lacinium promunturium,Λακίνιον ἄκρον, kaap in Z. Italia, bij Croton, met een beroemden tempel van Iuno Lacinia; thans kaap Nao.LacmonofLacmus,Λάκμων, noordelijkst gedeelte van het Pindusgebergte.Laconica,Λακωνική, Z.O. gewest der Peloponnēsus, het land der Spartanen, vóór de dorische verovering door Achaeërs bewoond. De bevolking bestond uit drie klassen: deSpartiātaeofSpartāni, de afstammelingen der dorische veroveraars, die alleen het volledige burgerrecht bezaten,—deLacedaemoniiofPerioeci, die van de oude achaeïsche bevolking afstamden en vrij waren en in wier handen nijverheid en handel waren,—deHelōtes, dieservi publiciwaren. Het bestuur bestond uit twee koningen, één uit het stamhuis der Agiden of Agiaden en één uit dat der Procliden of Eurypontiden, uit den senaat van 28 leden en uit eene volksvergadering zonder recht van discussie. Het hoogste gezag was echter in handen van de 5ephori, een collegie, dat slechts voor een jaar gekozen werd, doch waaraan zelfs de koningen gehoorzaamden. Beroemd waren de laconische wapenen, schoeisel en mantels. Laconica was de militaire grieksche staat bij uitnemendheid; de zoog. wetten van Lycurgus waren er bij uitstek op aangelegd, soldaten te vormen. Onder de bijzondere eigenaardigheden behooren: de opvoeding der knapen vanwege den staat, de gemeenschappelijke maaltijden ofσυσσίτια, de wetten tegen weelde. In Laconica behooren de mythente huis van Leda en van Castor en Pollux.Laconicum, z.balneum.Lactantius Cae(ci)lius Firmiānus, uit Africa, leerling van Arnobius, kwam tegen het einde der 3deeeuwna C. als rhetor naar Nicomedēa. Later, ± 312, werd hij door Constantijn (den Gr.), toen nog te Trier, tot leeraar van diens zoon Crispus aangesteld. Lactantius werd Christen, toen hij reeds op eenigsins gevorderden leeftijd was; zijn voornaamste werk is deinstitutiones divinae. Om de klassieke kleur van zijn stijl wordt hij wel eens deCicero Christianusgenoemd. Aan hem wordt ook toegeschreven het kleine, maar belangrijke geschrift:De mortibus persecutorum(einde 313 of begin 314), dat in het eenige H. S. op naam staat van L. Caecilius.Lacūnaroflaquear, zoldering, waarvan de balken ruiten vormden, zoogenaamd caissonwerk. Eigenlijk beteekentlacunarslechts de dieper liggende vakken tusschen de balken.Lacus, elk groot open waterbekken; in de huishouding ook open kuipen om olie, wijn en dgl. in op te vangen en te bewaren. Het woord wordt ook wel gebezigd voor eene ommuurde, van boven opengelaten plek, die met een put slechts den vorm gemeen heeft, zooals delacus Curtiusop het forum te Rome (zieCurtiino.2).Lacȳdes,Λακύδης, van Cyrēne, opvolger van Arcesilāus als hoofd der platonische school (241–215).Lade,Λάδη, eilandje bij Milētus, dat den ingang der haven dekte. Tegenwoordig is het door aanslibbing met den vasten wal verbonden. Toen in 494 de Perzen Lade vermeesterd hadden, kon de stad het niet uithouden.Ladon,Λάδων, de draak, die de appels der Hesperiden bewaakte.Ladon,Λάδων, naam van twee rivieren in de Peloponnēsus. De grootste ontspringt in Arcadia en stort zich dicht bij de grens van Elis in den Alphēus; de andere, in Elis, is een zijtak van den Penēus.Laeëtāni,Λεητανοί, volk in liet N.O. van Hispania aan de kust, met de hoofdst. Barcino (Barcelona).Laelaps,Λαίλαψ, de jachthond van Cephalus, z.CephalusenAmphitryo.Laelii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tibur afkomstig. 1)C. Laelius, de boezemvriend van Scipio Africānus maior, vergezelde dezen op zijne veldtochten in Hispania en Africa en nam zelf een werkzaam aandeel aan de inneming van Carthago nova (209), den slag bij Baecula (208), de gevangenneming van Syphax (203). Hij was even goed vlootvoogd als generaal, een man van groote kennis en geleerdheid en groote welsprekendheid en daarbij iemand van een zeer beminnelijk karakter. Scipio liet door hem de berichten der verovering van Carthago nova en van den slag bij Zama naar Rome overbrengen. In 190 was Laelius consul.—2)C. Laelius, zoon van no. 1, de boezemvriend van Scipio Africanus minor, door Cicero als spreker ingevoerd in zijne geschriftende amicitia, de senectuteende republica. Hij vergezelde Scipio in 147 op diens tocht tegen Carthago en had het hoofdaandeel in de verovering der carthaagsche binnenhaven Cothon. Als praetor streed hij in 145 voorspoedig tegen Viriāthus in Lusitania. Als consul wilde hij in 140 de zoogenaamde licinisch-sextische akkerwet vernieuwen, maar zag er wegens den tegenstand der aanzienlijken van af, hetgeen hem den bijnaamSapiensverschafte. Hij deed zijn best om grieksche beschaving te Rome ingang te doen vinden. Hij was een geleerd man, dichter en schrijver, en bovenal uitstekend redenaar.—3)Laelia, twee dochters van no. 2, ook beroemd om hare welsprekendheid.—4)D. Laelius Balbus, volkstribuun in 54, trad in 59 op als aanklager van L. Valerius Flaccus (Valeriino. 25), die door Hortensius en Cicero verdedigd werd. Later koos Laelius de partij van Pompeius en voerde het bevel over diens vloot (48). Later streed hij onder Q. Cornificius in Africa en doodde zich, toen deze gesneuveld was (42).Laena,χλαῖνα, wollige of harige stof, ook een mantel, die hiervan vervaardigd was eno. a.bij sommige offers door deflaminesgedragen werd.Laenas, familienaam in degens Popilia.Laenii, plebejisch geslacht. Een zijner leden,M. Laenius Flaccus, rom. ridder, te Brundisium, nam Cicero, toen hij verbannen was, gastvrij op. Hij was ook een vriend van T. Pomponius Atticus.Laërtes,Λαέρτης, zoon van Arcisius en Chalcomedūsa, vader van Odysseus, wordt genoemd als een van de deelnemers aan de calydonische jacht en den tocht der Argonauten. Hij leefde nog toen zijn zoon na zijne lange omzwervingen terugkwam, en werd door Athēna verjongd, zoodat hij kon medestrijden tegen de oproerige bewoners van Ithaca.Laërtiades,Λαερτιάδης, Odysseus, zoon van Laërtes.Laespodias,Λαισποδίας, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, werkzaam bij de oligarchische omwenteling van 411.Laestrygones,Λαιστρυγόνες, mythisch volk van menscheneters, in het verre Westen; later meende men hun woonplaats terug te vinden bij Leontīni op Silicië of bij Formiae. Toen Odysseus in hun land kwam, regeerde er Antiphates (z.a.).Laetorii, plebejisch geslacht, waarvan verschillende leden bij Livius voorkomen.Laevi, ligurische stam in Gallia Transpadāna, aan den Ticīnus, met de stad Ticīnum (Pavia). V. a. zijn het Kelten.Laevīnus,familienaam in degens Valeria.Lagus,Λάγος, vader van Ptolemaeus I, naar wien de dynastie der Lagiden genoemd is.Laïades,Λαϊάδης, Oedipus, zoon van Laïus.Lais,Λαΐς, 1) corinthische hetaere, de schoonste vrouw van haar tijd; Diogenes en Aristippus behoorden tot hare aanbidders.—2) van Hyccara, dochter van Timandra, leefde als hetaere te Corinthe, waar Apelles en Hyperīdes haar bezochten. In Thessalië werd zij, naar men verhaalde, vermoord door vrouwen, die haar hare buitengewone schoonheid benijdden.Laïus,Λάιος, zoon van Labdacus, koning van Thebe, leefde in zijn jeugd eenigen tijd als balling in de Peloponnēsus en kon eerst na den dood van Amphīon en Zethus in zijn vaderland terugkeeren. Hij was gehuwd met Iocaste, die hem een zoon baarde, Oedipus; daar een orakel voorspeld had, dat hij door zijn zoon gedood zou worden, en dat deze daarna met Iocaste zou trouwen, gaf hij het kind aan een herder om het op den Cithaeron te dooden. De herder volbracht zijn last echter niet, het kind groeide op, ontmoette vele jaren later zijn vader, geraakte met hem in twist en doodde hem zonder hem te kennen; z.Oedipus.Laletāni=Laeëtani.Lamachus,Λάμαχος, zoon van Xenophanes, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, een man van grooten persoonlijken moed, ook in zijn uiterlijk en manieren geheel en al soldaat. In 437 verdreef hij den tyran Timasilāus uit Sinope. Hij was een van de onderteekenaars van den vrede van Nicias, en had met dezen en met Alcibiades het opperbevel bij den tocht naar Sicilië; zijn raad om onmiddellijk Syracūsae aan te vallen werd echter niet opgevolgd. Hij sneuvelde in een gevecht tegen de Syracusanen, 414.Lamia,Λαμία, lybische koningin, die door Zeus bemind werd. Uit jaloerschheid beroofde Hera haar van al hare kinderen, en sedert dien tijd rooft zij de kinderen van anderen om ze te dooden. Daarom werd haar naam gebruikt om kinderen bang te maken.—De naam komt ook in het meervoud voor enbeteekentdan spookachtige wezens, die kinderen en schoone jongelingen tot zich lokken, hun bloed uitzuigen en hun vleesch opeten.Lamia, familienaam in de gens Aelia, z.Aeliino. 6.Lamia,Λαμία, thans Zeitoun, stad in het gebied der Maliërs, bekend door den lamischen oorlog (323).Lamische oorlogheet de oorlog, dien de Grieken na den dood van Alexander voerden om zich van de macedonische heerschappij te ontslaan. De beweging ging van Athene uit, en het leger, dat voor een deel uit huurlingen bestond en waarvoor een aantal grieksche staten manschappen geleverd hadden, werd aangevoerd door Leosthenes, een Athener. In het begin kon Antipater geen voldoend leger tegen hem in het veld brengen, hij verloor een slag bij Heraclēa en werd in de vesting Lamia ingesloten. Toen echter Leosthenes gesneuveld was en Antipater groote versterking uit Azië gekregen had, besliste de slag bij Crannon (322) den oorlog ten nadeele van de Grieken. Daar Antipater slechts met iederen staat afzonderlijk in onderhandeling wilde treden, werden de Atheners en Aetoliërs door hunne bondgenooten verlaten; Athene moest macedonische bezetting innemen, de anti-macedonische redenaars uitleveren, eene beperkte democratie invoeren, enz. De Aetoliërs bedongen gunstiger voorwaarden, daar Antipater spoedig wegens den loop der zaken in Azië Griekenland verlaten moest.Λαμπαδηδρομία, λαμπαδηφορία, λαμπάς, λαμπάδος ἀγών, fakkelwedloop, te Athene en elders bij eenige feesten gehouden; de mededingers, die soms te paard zaten, kregen elk een fakkel in de hand, overwinnaar was hij die het eerst het doel bereikte, zonder zijn fakkel te laten uitgaan. Het dragen van de onkosten hiervan behoorde tot de liturgieën.Lampetia,Λαμπετίη, dochter van Helius en Neaera. Zij bracht aan haar vader het bericht, dat zijne runderen op het eiland Thrinacia door de tochtgenooten van Odysseus geslacht waren.Lampon,Λάμπων, waarzegger te Athene, door de blijspeldichters dikwijls als huichelaar bespot, aanvoerder der atheensche kolonie, die Thurii stichtte (444).Lamponium,Λαμπώνιον, aeolische stad in het Z.W. van Troas, ookLamponiagenoemd.Lamponius(M.), een Lucaniër, een van de aanvoerders der italische bondgenooten in den marsischen oorlog. Later sloot hij zich aan bij den jongen Marius en sneuvelde in 82 bij Porta Collīna.Lampridius(Aelius), rom. geschiedschrijver uit de 3deeeuw na C., een van descriptores historiae Augustae, de levensbeschrijver der keizers Commodus, Diadumeniānus (het zoontje van Opellius Macrinus), Heliogabalus en Alexander Sevērus.Lamprus,Λάμπρος, beroemd toonkunstenaar, v. s. leermeester van Sophocles en Socrates.Lampsacus,Λάμψακος, in Troas aan den Hellespont, vroeger Pityussa geheeten, phocensische kolonie, eene der drie steden, waarvan Artaxerxes I de inkomsten aan Themistocles schonk. Hier was de eeredienst gevestigd van Priāpus, den god der tuinen, die door Aphrodīte te Lampsacus ter wereld was gebracht.Lamptrae,Λαμπτραί, twee attische demen, de ééne aan de Z.W. kust van Attica, niet ver ten Z.O. van kaap Zoster, de andere ten N. daarvan.Lamus,Λάμος, zoon van Poseidon, koning der Laestrygonen, mythisch stichter van Formiae (Lami urbs, Laestrygonia).Lamus,Λάμος, riv. en stad in Cilicia.Lancia,Λαγκία, sterke vesting der Astures in Tarraconensis.Langobardi, zieLongobardi.Lanista, schermmeester, diegladiatoresoefende en verhuurde.Lanuvium,Λανούιον, stad in Latium, aan devia Appiaen den albaanschen berg, één van de steden van den latijnschen bond, waarmede Rome na den slag bij den lacus Regillus het eeuwig verbond gesloten heeft, geboorteplaats van Antonīnus Pius, met een beroemden tempel van Juno Sospita.Laocoon,Λαοκόων, zoon van Antēnor of broeder van Anchīses, priester van Apollo te Troje. Hij zou na het vertrek der Grieken aan Poseidon een dankoffer brengen, toen plotseling twee reusachtige slangen verschenen, die hem met zijne beide zonen doodden. Dit lot was de straf voor eene beleediging, aan Apollo aangedaan, v. s. doordat hij tegen den wil van dien god getrouwd was, of Athēna wreekte zich op deze wijze, omdat hij aangeraden had het door de Grieken achtergelaten houten paard te verbranden, en zelfs zijn lans er tegen geworpen had.—De hierbij afgebeelde groep, waarvan het oorspronkelijke zich in het museum van het Vaticaan bevindt, is het werk van drie rhodische beeldhouwers, Agesander, Polydōrus en Athenodōrus, die waarschijnlijk niet, zooals men vroeger aannam, in de laatste helft der derde, maar in de 2dehelft der eerste eeuw v. C. leefden.Beeld van Laocoon in het Vaticaan.Laodamas,Λαοδάμας, 1) zoon van Eteocles, koning van Thebe; in den oorlog der Epigonen doodde hij Aegialeus, den zoon van Adrastus; hij leed echter de nederlaag en sneuvelde of vluchtte met het overschot van zijn leger naar Illyrië.—2)zoon van Antēnor, door Aiax no. 2 gedood.—3)zoon van Alcinous.Laodamīa,Λαοδάμεια, 1) dochter van Bellerophon, bij Zeus moeder van Sarpēdon, door Artemis gedood.—2)dochter van Acastus, gehuwd met Protesilāus. Toen zij den dood van haar echtgenoot vernam, smeekte zij de goden zoo dringend hem slechts voor weinige uren tot haar te laten terugkeeren, dat zij hare bede niet konden weigeren; toen de tijd, die hem was toegestaan, verstreken was, volgde zij hem in den dood.Laodice,Λαοδίκη, 1) eene nimf, bij Phorōneus moeder van Niobe en Apis.—2)dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met Helicāon, zoon van Antēnor.—V. a. was zij bij Acamas no. 1, moeder van Munitus, en toen deze aan een slangebeet stierf, stortte zij zich van een rots of werd zij door de aarde verzwolgen.—3)=Electrano. 4.—4)moeder van Seleucus I, die haar naam aan verscheiden steden gaf. Vele vrouwen in het geslacht der Seleuciden droegen dezen naam, o. a. de gemalin van Antiochus II (z. a.).Laodicēa,Λαοδίκεια, naam van verschillende steden, door Seleucus I naar zijne moeder Laodice genoemd. 1)L. ad mare,ἡ ἐπὶ τῇ θαλάττῃ, bloeiende stad op de syrische kust ten Z. van Antiochīa, onder de rom. keizers kolonie met hetius italicum.—2)L. ad Libanum,ἡ πρὸς Λιβάνῳ, in het Z. van Coelesyria, wegens de veelvuldig voorkomende schurftziekteScabiosabijgenaamd.—3)L. ad Lycum,ἡ πρὸς τῷ Λύκῳ, aanzienlijke handelsstad in Phrygia, dicht bij Colossae, hoofdplaats van een rom. rechtsgebied.—4)L. combusta,ἡ κατακεκαυμένη, in Lycaonia.Laomedon,Λαομέδων, 1) zoon van Ilus en Eurydice, koning van Troje. Hij omgaf de stad met een muur, en bij dit werk hielpen hem Apollo en Poseidon, hetzij vrijwillig, hetzij tot straf voor verzet tegen Zeus; z.Aeacus. Toen het werk voltooid was, weigerde Laom. echter den goden het bedongen loon te betalen, daarom zond Poseidon een zeemonster dat het land verwoestte. Om den toorn der goden te bevredigen, zou Hesione, de dochter van Laom., aan dit monster geofferdworden, toen juist Heracles, van zijn tocht naar de Amazonen terugkeerend, in Troje aankwam en op zich nam de jonkvrouw te redden, waarvoor Laom. hem de goddelijke paarden van Tros (z.Ganymēdes) zoude geven. Toen het monster echter gedood was, weigerde Laom. ook thans zijne belofte te vervullen. Heracles vertrok, maar kwam later met schepen terug, verwoestte de stad, en doodde Laom. met al zijne zonen, behalve Podarces.—2)van Mytilēne, door Philippus van Macedonië verbannen, maar na diens dood door Alex. teruggeroepen. Hij vergezelde Alex. als tolk op zijne tochten en had het opzicht over de krijgsgevangenen. Later werd hij satraap van Syrië, van waar hij echter in 320 door Nicānor verjaagd werd.Laomedontiades,Λαομεδοντιάδης, Priamus, zoon van Laomedon. Soms worden ook de Trojanen of de Romeinen, als hunne afstammelingen, zoo genoemd.Lapathus,Λάπαθος, aanzienlijke stad aan de N.-kust van Cyprus. Een anderLapathus(gen.-untis) was een vlek aan den Noordkant van het dal Tempe.Laphystius,Λαφύστιος, bijnaam van Zeus, naar den gelijknamigen berg in Boeotië, waar hem in ouden tijd menschenoffers gebracht werden, z.Athamas.Laphystius,Λαφύστιος, berg in Boeotia, tusschen Lebadēa en Coronēa, met een tempel van Zeus Laphystius.Lapidei campi, ziecampi lapidei.Lapis quadratus=Opus quadratum.Lapithae,Λαπίθαι, een thessalisch volk, afstammend van Lapithes, zoon van Apollo en Stilbe. Op de bruiloft van hun koning Pirithoüs beproefden de Centauren, die als gasten tegenwoordig waren, de bruid en andere vrouwen te ontvoeren, waardoor een strijd ontstond, die met de volkomen vernietiging der Centauren eindigde. In den oorlog tegen Aegimius werden de Lapithen op hun beurt door Heracles, bondgenoot van Aegimius, verslagen.Laquear=lacunar.Lara=Larunda.Laranda,τὰ Λάρανδα, aanzienlijke stad in het Z. van Lycaonia, in het Taurusgeb., een isaurisch zeerooversnest.Lararium, zieLares.T. Larcius Flavus, zieLartiino. 2.Lārentia, zieAcca Larentia.Lārentalia, een lijkofferfeest te Rome op 23 Dec. ter eere vanAcca Larentia.Lăres, zijn oorspronkelijk beschermgeesten van de velden, en werden aan decompita(ziecompitalia) vereerd; de Larenkapel staat daar, waar meerdere grondstukken aan elkaar grenzen, en heeft zooveel ingangen als er grondstukken zijn; ieder eigenaar offert op een altaar op eigen grond. Naast deLares compitalesvindt men in elk huis eenLar familiaris, die aan den huiselijken haard vereerd wordt, en de beschermgeest is van het huis. Later spreekt men vanLares (domestici). Oudtijds vond men hunne beelden in het atrium, later bewaarde men ze in een afzonderlijke kast,lararium, die bij den ingang van het huis of bij de slaapkamer stond. In den keizertijd worden gewoonlijk twee Lares afgebeeld, als dansende jongelingen, en tusschen hen in de Genius van den huisheer. Hun altaar was de huiselijke haard, waarin men bij iederen maaltijd een deel van de spijzen als offer voor de Lares wierp; bovendien bracht men hun offers op de Kalendae, Nonae en Idus van iedere maand, bij alle familiefeesten, in sommige gezinnen zelfs elken dag.—Maar niet alleen ieder huis en iedercompitum, ook vele andere plaatsen staan onder de hoede der Lares, die met een gemeenschappelijken naamL. publicigenoemd worden. Onder deze staan vooraan deL. urbaniofpraestites, beschermgoden van den geheelen staat, Romulus, Remus, Acca Larentia e. a., verderL. viales, militares, enz.Largitio, elke uitdeeling of geschenk aan het volk, o.a. spelen, gastmalen, uitdeeling van geld, enz. Over de geregelde uitdeelingen van koren van staatswege beneden den kostenden prijs zie menannōna. Over de buitengewone uitdeelingen op kosten der gevers zie mencongiarium. Somtijds heeftlargitiode slechte beteekenis van omkooping, vooral wanneer zij wordt aangewend tegenover deiudicesin een gerechtshof, wat slechts al te dikwijls gebeurde.Larīnum,Λάρινον, stad der Frentāni in Samnium, rom. municipium. De inwoners heetenFrentani Larinātes.Larī(s)sa,Λάρισσα, 1) stad der Pelasgen, in het thessalische landschap Pelasgiōtis, aan den Penēus. Hier behoorde het vorstengeslacht der Aleuaden te huis.—2)stad in het thessalische landschap Phthiōtis, tegen een berg gebouwd en vandaarκρεμαστή, het hangende, genoemd.—3)naam van den burg der stad Argos.—4)zeestad aan de W.-kust van Troas, in de perzische oorlogen verwoest.—5)stad in aziatisch Aeolis, met den bijnaamPhricōnis,ΦρικωνίςofΑἰγυπτία.—6)stad in Lydia, aan den Cayster, ookEphesiabijgenaamd.—7)stad in Assyria, ten N. van de uitmonding van den Lycus of Zapatas in den Tigris, met muren van 100 voet hoog, ten tijde van Xenophon verlaten, de onlangs opgegraven stad Kalach, ten Z. van Niniveh, tgw. Nimroed; z.Ninus.—DichterlijkLarissaeus= thessalisch.Larisus,Λάρισος, grensriviertje tusschen Achaia en Elis.Larius lacus,λίμνη ἡ Λάριος, vischrijk Alpenmeer, door den Addua (Adda) gevormd, thans meer van Como.Lars Tolumnius, zieTolumniusno. 2.Lartii, patricisch geslacht, uit Etruria afkomstig. 1)Sp. Lartius Flavuswordt reeds in 506 als consul genoemd. In 490 komt hij andermaal voor.—2)T. Lartius Flavus, broeder van no. 1, consul in 498, werd door zijn ambtgenoot Q. Cloelius Siculus totdictatorbenoemd. Hij was, volgens de traditie de eerstedictator. (V. a. was hij dit reeds in 501). In de verwikkelingen tusschen patriciërs en plebejers was hij steeds voor zachtemaatregelen en kwijtschelding der schulden.Larunda, Lara, bronnimf, die aan Juno de minnarijen van Jupiter en Juturna verried. Tot straf ontnam Jupiter haar de spraak en verwees hij haar naar de onderwereld. Bij Mercurius, die haar daarheen geleid had, werd zij moeder van de Lares Compitales.—Zij schijnt eene oud-italische godin des doods geweest te zijn, dezelfde die op de Feralia alsDea mutaoftacitawordt aangeroepen.Larvae, bij de Romeinen booze geesten van afgestorvenen, die tot straf voor een misdadig leven of wegens een verzuim bij hunne begrafenis in de onderwereld geen rust kunnen vinden, als schrikwekkende spookgestalten of skeletten ronddwalen, levenden door hunne verschijning soms waanzinnig maken, en zelfs de dooden verontrusten; z.Lemures.Larymna,Λάρυμνα, twee plaatsjes, boven- en beneden-L. op de kust der opuntische Locriërs aan de Euboeische golf.Las,Λᾶς, oude zeestad van Laconica, aan de Laconische golf. De naamΛαπέρσαι, bijnaam der Dioscuren, wordt door sommigen, waarschijnlijk ten onrechte, hiermede in verband gebracht, en vertaald als verwoesters van de stad Lās.Lasaea,Λασαία, stad aan de Z.-kust van Creta, nabij Gortyn.Lasio,Λασίων, grensvesting van Elis tegen Arcadia, aan den Ladon gelegen.Lasthenes,Λασθένης, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).Lasus,Λᾶσος, van Hermione, beroemd lyrisch dichter, die langen tijd te Athene aan het hof van Hipparchus leefde. Vooral zijne dithyramben werden geprezen, hoewel van hem gezegd wordt dat hij het eerst den tekst ondergeschikt maakte aan de muzikale begeleiding. Hij schreef ook over de theorie van muziek en poëzie, en onderrichtte v. s. Pindarus daarin.Latericium (opus), z.Opus.Latiāris, Latiālis, bijnaam van Jupiter als beschermgod van het latijnsche stedenverbond.Latifundium, een landgoed van groote uitgestrektheid. Daar deager publicus, voor zoover de rom. staat zelf den bodem niet gebruikte, slechts in zeer groote perceelen in erfpacht werd gegeven, kon de kleine man, bij gebrek aan bedrijfskapitaal, zulke stukken niet in bezit nemen. Hierbij kwam, dat de middelstand in Italia verdween. Geld en grondbezit hoopten zich op onder een betrekkelijk gering aantal familiën. Hierdoor ontstonden er landgoederen, zooals men er nog in Oostenrijk-Hongarije en Schotland aantreft, zoo groot als en soms grooter dan eene nederlandsche provincie. Vandaar de spreuk:latifundia perdidere Italiam, het groot grondbezit heeft Italië te gronde gericht.Latīna (via). Deze liep van Rome langs Tusculum over den mons Algidus, verder langs Ferentīnum, Fregellae en Casīnum naar Campania, waar hij zich even vóór Capua met de via Appia vereenigt. Het is één van de oudste wegen die door de Romeinen zijn aangelegd; hij diende oorspronkelijk om de Latijnsche bondgenooten tegen de aanvallen der Aequi en Volsci te beschermen.Latīni, inwoners van Latium (z. a.).Latīni, inwoners dercoloniae Latinae, zieius Latiiencoloniaeno. 2.Latīni Iuniāni, zielex Iunia Norbana.Latīnum (nomen), zieLatium.Latīnus, zoon van Faunus en Marīca of van Odysseus en Circe, van Telemachus en Circe, van Heracles en eene vrouw der Hyperboreërs, koning van Latium, die Aenēas gastvrij ontving, hem land afstond om eene stad te bouwen, en hem zijne dochter Lavinia ten huwelijk gaf.Latium,ἡ Λατίνη, landschap van Midden-Italia. Men onderscheidtLatium vetus, het oude gebied der Latijnen, enLatium novumofadiectum, het gebied der Aurunci, Volsci en Hernici. Oud-Latium strekt zich in oude tijden van even benoorden den Tibermond naar het Zuiden uit tot aan Tarracīna, en wordt in het Westen begrensd door Zuid-Etrurië, in het N. door den ager Sabīnus, en verder in het N.O., O. en Z.O. door de Aequi, Hernici en Volsci. De voornaamste steden van dit gebied waren, behalve Rome en Alba, dat vroeg aan Rome over ging, Tibur, Praeneste, Tusculum, Aricia, Laurentum, Antium, Ardea en Circeii. Deze steden vormden met vele andere kleinere steden een bond, waarvan Rome het hoofd was. Rome had sedert 493 gelijke rechten als de 30 steden van Latium samen, zoodat er een tweeledig isopolitisch verbond bestond met wederkeerig burgerrecht en conubium. Dit was het gevolg van den oorlog, dien Latium na de verdrijving van Tarquinius Superbus met Rome had gevoerd. In 486 voegden zich de Hernicers als derde lid bij den bond. V. s. dateert dit laatste verbond eerst uit de 4deeeuw (zieHernici). In de 5deeeuw verliezen de Latijnen veel terrein aan de Aequi (z.a.) en de Volsci. Aan de laatsten ging o. a. het geheele Zuiden tijdelijk te loor, z. de artikelenAntiumenCirceii. In den loop van de 4deeeuw worden de Volsci, en verder ook de Hernici en Aurunci onderworpen, en nu reikt Latium in het Zuiden tot aan Campania (z.a.). Wat het Latijnsch-Hernicisch verbond betreft: in den gallischen oorlog schijnen de bondgenooten Rome in den steek te hebben gelaten. Het verbond werd wel hernieuwd, doch in 340 barstte de beslissende strijd uit, die in 338 met de nederlaag der Latijnen eindigde. Het latijnsche verbond werd ontbonden, en Rome sloot met elke stad een afzonderlijk verdrag op verschillenden voet, naar gelang van omstandigheden. Eenige steden werden als municipia bij Rome ingelijfd en kregen dus het romeinsche burgerrecht, dochsine suffragio. De overige, o. a. Tibur en Praeneste, werden afhankelijkesocii. Rome behandelde hen echter op eenigszins anderen voet dan de bondgenooten in het overige Italia. Desocii Latini, ook onder den naam vannomen Latinumbekend, konden inzekere gevallen rom. burgers worden, b.v. door het bekleeden van posten in hunne stad, welk recht ook aan de latijnsche koloniën buiten Latium werd toegekend (zieius Latii), of wanneer zij naar Rome metterwoon verhuisden, mits met achterlating van een stamhouder in hunne oude woonplaats.Latmus,Λάτμος, gebergte in Caria, waar de mythe te huis behoort van Selēne en den schoonen slaper Endymion. Aan den voet strekte zich desinus Latmicus,ὁ Λατμικὸς κόλπος, uit, aan welks ingang Milētus lag, doch die thans door de aanslibbing van den Maeander grootendeels is verdwenen.Latmius venator= Endymion.Latobrigi, (Latovīci), keltisch volk, naburen der Helvetii, met wie zij in 58 den verhuizingstocht ondernamen, die door Caesar belet werd.Latoides,Λητοΐδης, Apollo, zoon van Leto.Latōis,Λητωίς, Artemis, dochter van Leto.Latōna=Leto.Latris, een groot eiland in de Oostzee, waarschijnlijk Seeland.Latrunculorum(ludus), een rom. spel, dat met schijven op een bord werd gespeeld en eenige overeenkomst moet gehad hebben met een damspel of met ons belegeringsspel.Laurentum, oud-latijnsche stad, aan zee, reeds in het rom.-carthaagsche handelsverdrag van 509 genoemd, waar de sage den zetel van koning Latīnus plaatst, die tijdens Aenēas’ komst in Latium heerschte. Niet ver van daar werd toenLaviniumgesticht en genoemd naar Lavinia, dochter van Latinus en echtgenoote van Aeneas. De Antonijnen vereenigden beide plaatsen tot één gemeenteLaurentolavinium.Lauretānus sinus, haven op de etruscische kust tusschen Populonia en Cosa.Lauriācum, vesting aan den Donau, in Noricum, station van de Donauvloot.Laurium,Λαύριον, -ρειον, berg op de Zuidpunt van Attica, met rijke zilvermijnen, waarvan de opbrengst jaarlijks onder de burgers van Attica werd verdeeld, totdat op voorstel van Themistocles besloten werd ze tot aanbouw van oorlogsschepen te bestemmen.Lauron,Λαύρων, zeestad in het O. van Hispania, waarschijnlijk ten Z. van Valencia, ten W. van den Sucro, bekend om de belegering door Q. Sertorius en de vruchtelooze poging van Pompeius om de stad te ontzetten. In de nabijheid kwam ook de jonge Cn. Pompeius om, na den slag bij Munda.Lāus,Λᾶος, grensrivier tusschen Lucania en Bruttii, met eene gelijknamige stad, door de Sybarieten gesticht. In ± 400 viel de stad in handen van de Lucaniërs, en in 389 werden de inwoners van Thurii daar door hen in een grooten veldslag verslagen, zieGraecia Magna.Laus Pompeii, thans Lodi Vecchio, stad der Boii in Gallia Transalpīna, ten Z.O. van Mediolanium (Milaan). Cn. Pompeius Strabo verhief ze in 89 tot een lat. kolonie, vandaar de naam; sedert 49 municipium.Lausus, zoon van Mezentius, koning van Caere. Vader en zoon kwamen in den strijd tegen Aenēas om.—Een andereLaususwordt genoemd als zoon van den albaanschen koning Numitor.Lautulae, vlek in het land der Volsci tusschen Anxur of Tarracīna en Fundi. In de nabijheid werd keizer Galba geboren.Lautumiae,Λατομίαι, 1) de steengroeven, van Syracusae (z. a.), waarvan de steenen gebruikt waren voor het bouwen van de stad. Hierin werden in den herfst van 413 de krijgsgevangenen van het leger van Nicias neergelaten, op elkaar gedrongen, en aan honger en dorst, en alle onguurheid van het weer blootgesteld. Later maakte Dionysius er een staatsgevangenis van, die in de dagen van Verres nog in gebruik was.—2)De staatsgevangenis te Rome, naar die van Syracusae benoemd, wel te onderscheiden van den Carcer Mamertinus (z.Carcer); ze lag aan de Oostzijde van de Arx; misschien heeft men hier oorspronkelijk ook steenen gebroken voor den bouw der huizen; ook de buurt in de nabijheid heet Lautumiae, tusschen de Arx en hetforum piscatorium(macellum).—3)Ook particuliere steengroeven worden wel eenslatomiae(lapidariae) genoemd; het latijnsche woord is echterlapicidinae. Daarin te werken komt voor als tuchtstraf voor slaven.Laverna, oorspronkelijk eene godin, die tot den kring der onderaardsche goden behoort, later beschermgodin der dieven (laverniones); zij had een altaar bij de Porta Lavernālis.Lavicāna (via). Deze liep van Rome langs Labīcum en sloot zich verderop aan de via Latina aan.Lavīcum=Labīcum.Lavinia, dochter van Latīnus en Amāta. Ofschoon zij verloofd was met Turnus, werd zij aan Aenēas tot vrouw gegeven, toen deze in Italië aankwam. Dit was de voornaamste oorzaak van den oorlog tusschen Turnus en Aenēas, die met den dood van eerstgenoemde eindigde.—V. a. was zij de dochter van Anius en had Apollo haar de gave der voorspelling geschonken. Aeneas bewoog haar hem te volgen, zij baarde hem een zoon, Anius, maar stierf kort na hunne aankomst in Italië. De stad Lavinium is naar haar genoemd.Lavinium, zieLaurentum.Lavinius,Λαβίνιος, zijriviertje van den Padus (Po), even ten W. van den Rhenus (Rhenusno. 2), tgw. Lavino. V.s. had op een eilandje in deze beek de bekende bijeenkomst plaats tusschen Octavianus, Antonius en Lepidus. Zie echterRhenusno. 2.Lazae, Lazi,Λᾶζαι, Λᾶζοι, roofzieke volksstam in Colchis.Leaena,Λέαινα, atheensche hetaere, betrokken in de samenzwering van Harmodius en Aristogīton. Zij werd gevangen genomen en op de pijnbank gelegd, maar weigerde hardnekkig iets te verraden. Te harer gedachtenis richtte men een beeld op, dat eene leeuwin zonder tong voorstelde.Leager,Λέαγρος, Athener, zoon van Glaucon, ging met Sophanes aan het hoofd van 10000 Atheners naar Thracië, om er op deplaats, waar later Amphipolis stond, eene volkplanting te stichten. Toen zij echter te ver in het binnenland doordrongen, werden zij bij Drabescus door de Thraciërs overvallen en gedood (465).Leander,Λέανδρος, een jongeling van Abȳdus, die iederen nacht over den Hellespont zwom, om zijne geliefde Hero te ontmoeten, die priesteres van Aphrodīte te Sestus was. Om hem den weg te wijzen, ontstak zij elken avond een licht op den toren van Sestus, maar in een stormachtigen nacht woei dit licht uit en L. vond zijn dood in de golven. Toen Hero den volgenden morgen van den toren zijn lijk zag aanspoelen, wierp zij zich naar beneden.Learchus,Λέαρχος, zoon van Athamas (z.a.) en Ino, werd door zijn vader gedood.Lebadēa,Λεβάδεια, thans Livadia, stad in Boeotia nabij de grens van Phocis. In de nabijheid was in eene grot binnen een bosch een orakel van Trophonius.Lebaea,Λέβαια, oude stad ergens in het N. van Macedonia.Lebecii,Λεβέκισι,volksstamin Gallia Transpadāna, met de hoofdstad Vercellae.Lebedus,Λέβεδος, stad in aziatisch-Ionia in de nabijheid van Colophon, eenmaal zeer bloeiend, totdat Lysimachus een gedeelte der inwoners naar Ephesus overbracht.Leben,Λεβήν, haven van Gortyn op Creta, met een tempel van Asclepius.Lebēthrum, -thra,Λείβηθρον, =Libethra.Lebinthus,Λέβινθος, klein eiland in de Aegaeische zee ten O. der Cycladen.Lechaeum,Λέχαιον, haven van Corinthus, aan de Corinthische golf, door een dubbelen muur met de stad verbonden.Lectio senatus, zieSenatus.Lectisternium, een feestmaal, aan goden en godinnen aangeboden, wier beelden dan op rustbedden aan tafel werden neergelegd of, wat de godinnen betreft, op stoelen werden neergezet. Een maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht, heettesellisternium.Lectum,Λεκτόν, kaap aan de Z.W.-spits van Troas, een uitlooper van het Idageb.Lecythus,Λήκυθος, kleine vesting op het chalcidische schiereiland Sithonia, door Brasidas in den peloponnesischen oorlog op de Atheners vermeesterd.Leda,Λήδα, dochter van Thestius, gemalin van Tyndareos. Zeus beminde haar om hare buitengewone schoonheid, in de gedaante van een zwaan wist hij zich toegang tot haar te verschaffen, en zij bracht twee eieren ter wereld; uit het eene daarvan kwam Helena, uit het andere de Dioscuren te voorschijn. V.a. baarde zij tegelijk Helena, Clytaemnestra en de Dioscuren, en waren Helena en Polydeuces kinderen van Zeus, de andere twee van Tyndareos, of Helena is de dochter van Zeus en de Dioscuren zijn kinderen van Tyndareos, of omgekeerd.Ledon,Λέδων, plaats in Phocis, aan den Cephīsus.Legatio libera, titulair gezant- of legaatschap. Senatoren, die om persoonlijke redenen eene reis wilden doen, ontvingen dikwijls van den rom. senaat den titel vanlegatus, die hun al de voordelen en eerbewijzen bezorgde, waarop een werkelijk gezant van den senaat aanspraak had, o.a. vrij vervoer en huisvesting. Om het misbruik, dat hiervan gemaakt werd, deed Cicero als consul in 63 een wetsvoorstel tot opheffing derliberae legationes, doch hij werd door de intercessio van een der volkstribunen in zijn plan verhinderd. Toch slaagde hij er in, den duur er van, die vroeger onbepaald was, tot een jaar te beperken.Legātusbeteekent in de eerste plaats gezant, in de tweede plaats onderbevelhebber. De veldheeren en stadhouders der provinciën kregen 3 of meer legaten mede, mannen van senatorischen rang en door den senaat benoemd, waarbij evenwel uit den aard der zaak op den wensch van den stadhouder of veldheer werd gelet. Zij stonden hem ter zijde in het bestuur der provincie en werden ook dikwijls aan het hoofd van afzonderlijke legerafdeelingen door hem uitgezonden. Moest een der legaten als plaatsvervangend stadhouder optreden (hetgeen in den regel echter denquaestortoekwam), dan was hijlegatus pro praetore. Toen met Augustus sommige provinciën (later alle) keizerlijk werden, en dus de keizer de algemeene gouverneur daarvan werd, zond hij naar de provinciënzijnestadhouders met den titel vanlegati CaesarisofAugusti pro praetore, en wel naar de belangrijke provinciën met den rang vanconsulares, naar de andere met dien vanpraetorii. Verder kreeg toen elk legioen een legaat aan het hoofd, met den titel vanlegatus legionis. Dit was eenpraetorius.Legio, legioen, in den beginne de gezamenlijke romeinsche krijgsmacht, 3000 man voetvolk en 300 ruiters. Toen Rome grooter werd en meer troepen te velde zond, werdlegiode naam eener bepaalde troepenafdeeling. Tijdens den tweeden punischen oorlog was de gewone sterkte van een legioen 4200 man voetvolk en 300 man ruiterij. Het voetvolk bestond uit vier soorten en was verdeeld inmanipuli, die ieder weder uit tweecenturiaebestonden. Er waren in een legioen 10 manipelshastātien 10 manipelsprincipes, elk van 120 man, en 10 manipelstriarii, elk van 60 man, terwijl aan elke centurie 20veliteswaren toegevoegd (zie overigens de artikelencenturiaencenturio).
L.Labarum.Labarum, de keizerlijke standaard, door Constantijn den Gr. ingevoerd. Hij bestond uit een rijk geborduurd zijden vaandel met het monogram van J. C., hangende aan een stok in den vorm van een kruis.Labda,Λάβδα, dochter van Amphīon, moeder van Cypselus.Labdacidae,Λαβδακίδαι, de zoon en verdere afstammelingen van Labdacus: Laïus, Oedipus, Eteocles en Polynīces.Labdacus,Λάβδακος, zoon van Polydōrus en Nyctēis, koning van Thebe. Gedurende zijne minderjarigheid stond hij onder de voogdij van zijn grootvader Nycteus, later onder die van zijn oudoom Lycus.Labeātes, dapper volk in Dalmatia met de hoofdstad Scodra (Scutari).Labeo, familienaam in degens Antistiaen degens Fabia(Fabiino. 27).Laberii, een plebejisch geslacht, waarvan het meest bekende lidDec. Laberiusis (105–43), rom. ridder en beroemd mimendichter. In weerwil van zijn rang dwong Caesar hem in 45 zelf als acteur op te treden en zich te meten met Publilius Syrus, tooneelspeler van beroep. Over deze diepe vernedering wreekte Laberius zich met bijtenden spot in een proloog, die nog bestaat.Labīcum, Labīci,Λαβικόν, oude stad van Latium, die zich met de Aequi verbonden had en daarom door de Rom. veroverd werd. Zij lag niet ver van Tusculum aan devia Labicana.Labiēna (lex), zieAttia (lex).Labiēni. 1)T. (Attius) Labienus, volkstribuun in 63 (z.Attia (lex)), klaagde Rabirius (z. a.) aan, en was later Caesars voornaamste legaat in Gallia, waar hij door beleid en onversaagdheid uitmuntte, ging uit eerzucht in 49 tot de partij van Pompeius over. Na den slag bij Pharsālus vluchtte hij naar Africa, en later na de nederlaag van Thapsus naar Hispania, waar hij in 45 bij Munda sneuvelde.—2)Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 1, werd door Brutus en Cassius naar den parthischen koning Orōdes gezonden om hulp te vragen. Op het bericht dat beiden bij Philippi waren omgekomen (42), bleef hij aan het parthische hof, en viel met Orodes’ zoon Pacorus aan het hoofd van een parthisch leger in Syria, drong zelfs tot Caria door, doch werd in 39 door P. Ventidius, legaatvan Antonius, verslagen. Door de Parthen verlaten, week hij naar Cilicia, waar hij op last van Ventidius werd omgebracht.—3)Labiēnus, die tijdens Sulla een werkzaam aandeel nam aan het ombrengen van vogelvrijverklaarden, werd na Caesars dood zelf op de lijst derproscriptigebracht en bezat moed genoeg om niet te vluchten, maar vóór zijne woning den dood af te wachten. Daar van dezen Labienus overigens niets bekend is, vermoedt men, dat de naam in den Griekschen tekst verschreven is.—4)T. Labienus, geschiedschrijver en redenaar, behoorde als republikein tot de hevigste tegenstanders van Augustus, zóó zelfs, dat sommigen hem spottendRabiēnusnoemden. Toen de senaat de verbranding zijner geschriften had bevolen, trok hij zich dit zóózeer aan, dat hij stierf.Labōtas,Λαβώτας, 1) koning van Sparta, vierde Agide, reg. 995–958; in zijn tijd begonnen de twisten met Argos over Cynuria.—2)spartaansch harmost in het thessalische Heraclēa, 409.Labranda,τὰ Λάβρανδα, Λάβραυνδα, vlek in Caria ten N. van de stad Mylasa, met een tempel van Zeus.Labrum, een groote steenen of metalen kuip tot allerlei gebruik, vooral het koudwaterbekken in de heete badzaal der badhuizen.Labynētus,Λαβύνητος, 1) koning van Babylon, die den vrede tusschen Cyaxares en Alyattes (z. a.) bewerkte, waarschijnlijk dezelfde als Nebucadnezar.—2)= Belsazar, laatste koning van Babylon, die in 538 door Cyrus van zijn rijk beroofd werd.Labyrinthus,λαβύρινθος, gebouw, bestaande uit een ingewikkeld stelsel van vertrekken en gangen, zoodat het moeilijk is zijn weg er in te vinden. De naam is v.s. ontleend aan het gebouw, dat de aegyptische koning Amenehma III aan het meer Moeris bij Arsinoë liet bouwen (Loperohunt= paleis aan den ingang van het meer), v. a. afgeleid vanλάβρυς, de dubbele bijl, een heilig symbool, dat men op vele monumenten van Cnosus vindt. Waarschijnlijk was het aegyptische lab. eene vereeniging van 12 paleizen onder één dak voor de 12 nomen of distrikten van Aegypte; het bevatte 3000 kamers, waarvan de helft onder den grond lag en voor vreemden niet toegankelijk was. Op Samus had Polycrates door verscheiden bouwkundigen een lab. laten aanleggen. Ook het grafteeken van koning Porsēna van Clusium wordt een lab. genoemd. Het lab. van Creta, door Daedalus aangelegd en tot verblijf voor den Minotaurus dienend, wordt eerst door schrijvers van lateren tijd vermeld, vandaar de meening, dat de verhalen omtrent dit bouwwerk mythisch zijn, en dat de uitgebreide steengroeven van Creta er toe aanleiding gegeven hebben. Anderen meenen, dat het bij Cnosus door Evans opgegraven paleis van Minos aanleiding gegeven heeft tot het ontstaan van de sage.Lacedaemon,Λακεδαίμων=Sparta.Lacerna, ruime mantel, voor aan den hals met een gesp of haak gesloten en vaak van een kap (cucullus) voorzien, dien men bij regen over het hoofd trok.Lacetāni, volk in het N.O. van Hispania Tarraconensis, in een bergachtige streek, misschien dezelfden als de Iacetani.Lachares,Λαχάρης, atheensch demagoog, kreeg na den slag bij Ipsus als aanhanger van Cassander grooten invloed, en wierp zich na diens dood als tyran op (297). Hij roofde, om aan geld te komen, o.a. de gouden mantel der godin, z.Athenaep. 102. Toen Athene zich aan Demetrius Poliorcētes overgaf, vluchtte hij naar Boeotië en werd hij te Coronēa vermoord.Laches,Λάχης, Athener, zoon van Melanōpus, bevelvoerder van de vloot, die in 427 naar Leontīni gezonden werd. In 425 werd hij teruggeroepen en door Cleon aangeklaagd, in den slag bij Delium diende hij als hopliet. Hij was werkzaam bij de onderhandelingen over den vrede van Nicias, en sneuvelde in den slag bij Mantinēa (418). Een gesprek van Plato over de dapperheid is naar hem genoemd.Lachesis,Λάχεσις, zij die het lot uitdeelt, eene van de Moerae, in lateren tijd afgebeeld met een aardbol, waarop zij ’s menschen lot aanwijst.Laciadae,Λακιάδαι, demus in Attica, ten W. van Athene.Lacinia, bijnaam van Juno, naar haar beroemden tempel bij het voorgebergte Lacinium.Lacinium promunturium,Λακίνιον ἄκρον, kaap in Z. Italia, bij Croton, met een beroemden tempel van Iuno Lacinia; thans kaap Nao.LacmonofLacmus,Λάκμων, noordelijkst gedeelte van het Pindusgebergte.Laconica,Λακωνική, Z.O. gewest der Peloponnēsus, het land der Spartanen, vóór de dorische verovering door Achaeërs bewoond. De bevolking bestond uit drie klassen: deSpartiātaeofSpartāni, de afstammelingen der dorische veroveraars, die alleen het volledige burgerrecht bezaten,—deLacedaemoniiofPerioeci, die van de oude achaeïsche bevolking afstamden en vrij waren en in wier handen nijverheid en handel waren,—deHelōtes, dieservi publiciwaren. Het bestuur bestond uit twee koningen, één uit het stamhuis der Agiden of Agiaden en één uit dat der Procliden of Eurypontiden, uit den senaat van 28 leden en uit eene volksvergadering zonder recht van discussie. Het hoogste gezag was echter in handen van de 5ephori, een collegie, dat slechts voor een jaar gekozen werd, doch waaraan zelfs de koningen gehoorzaamden. Beroemd waren de laconische wapenen, schoeisel en mantels. Laconica was de militaire grieksche staat bij uitnemendheid; de zoog. wetten van Lycurgus waren er bij uitstek op aangelegd, soldaten te vormen. Onder de bijzondere eigenaardigheden behooren: de opvoeding der knapen vanwege den staat, de gemeenschappelijke maaltijden ofσυσσίτια, de wetten tegen weelde. In Laconica behooren de mythente huis van Leda en van Castor en Pollux.Laconicum, z.balneum.Lactantius Cae(ci)lius Firmiānus, uit Africa, leerling van Arnobius, kwam tegen het einde der 3deeeuwna C. als rhetor naar Nicomedēa. Later, ± 312, werd hij door Constantijn (den Gr.), toen nog te Trier, tot leeraar van diens zoon Crispus aangesteld. Lactantius werd Christen, toen hij reeds op eenigsins gevorderden leeftijd was; zijn voornaamste werk is deinstitutiones divinae. Om de klassieke kleur van zijn stijl wordt hij wel eens deCicero Christianusgenoemd. Aan hem wordt ook toegeschreven het kleine, maar belangrijke geschrift:De mortibus persecutorum(einde 313 of begin 314), dat in het eenige H. S. op naam staat van L. Caecilius.Lacūnaroflaquear, zoldering, waarvan de balken ruiten vormden, zoogenaamd caissonwerk. Eigenlijk beteekentlacunarslechts de dieper liggende vakken tusschen de balken.Lacus, elk groot open waterbekken; in de huishouding ook open kuipen om olie, wijn en dgl. in op te vangen en te bewaren. Het woord wordt ook wel gebezigd voor eene ommuurde, van boven opengelaten plek, die met een put slechts den vorm gemeen heeft, zooals delacus Curtiusop het forum te Rome (zieCurtiino.2).Lacȳdes,Λακύδης, van Cyrēne, opvolger van Arcesilāus als hoofd der platonische school (241–215).Lade,Λάδη, eilandje bij Milētus, dat den ingang der haven dekte. Tegenwoordig is het door aanslibbing met den vasten wal verbonden. Toen in 494 de Perzen Lade vermeesterd hadden, kon de stad het niet uithouden.Ladon,Λάδων, de draak, die de appels der Hesperiden bewaakte.Ladon,Λάδων, naam van twee rivieren in de Peloponnēsus. De grootste ontspringt in Arcadia en stort zich dicht bij de grens van Elis in den Alphēus; de andere, in Elis, is een zijtak van den Penēus.Laeëtāni,Λεητανοί, volk in liet N.O. van Hispania aan de kust, met de hoofdst. Barcino (Barcelona).Laelaps,Λαίλαψ, de jachthond van Cephalus, z.CephalusenAmphitryo.Laelii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tibur afkomstig. 1)C. Laelius, de boezemvriend van Scipio Africānus maior, vergezelde dezen op zijne veldtochten in Hispania en Africa en nam zelf een werkzaam aandeel aan de inneming van Carthago nova (209), den slag bij Baecula (208), de gevangenneming van Syphax (203). Hij was even goed vlootvoogd als generaal, een man van groote kennis en geleerdheid en groote welsprekendheid en daarbij iemand van een zeer beminnelijk karakter. Scipio liet door hem de berichten der verovering van Carthago nova en van den slag bij Zama naar Rome overbrengen. In 190 was Laelius consul.—2)C. Laelius, zoon van no. 1, de boezemvriend van Scipio Africanus minor, door Cicero als spreker ingevoerd in zijne geschriftende amicitia, de senectuteende republica. Hij vergezelde Scipio in 147 op diens tocht tegen Carthago en had het hoofdaandeel in de verovering der carthaagsche binnenhaven Cothon. Als praetor streed hij in 145 voorspoedig tegen Viriāthus in Lusitania. Als consul wilde hij in 140 de zoogenaamde licinisch-sextische akkerwet vernieuwen, maar zag er wegens den tegenstand der aanzienlijken van af, hetgeen hem den bijnaamSapiensverschafte. Hij deed zijn best om grieksche beschaving te Rome ingang te doen vinden. Hij was een geleerd man, dichter en schrijver, en bovenal uitstekend redenaar.—3)Laelia, twee dochters van no. 2, ook beroemd om hare welsprekendheid.—4)D. Laelius Balbus, volkstribuun in 54, trad in 59 op als aanklager van L. Valerius Flaccus (Valeriino. 25), die door Hortensius en Cicero verdedigd werd. Later koos Laelius de partij van Pompeius en voerde het bevel over diens vloot (48). Later streed hij onder Q. Cornificius in Africa en doodde zich, toen deze gesneuveld was (42).Laena,χλαῖνα, wollige of harige stof, ook een mantel, die hiervan vervaardigd was eno. a.bij sommige offers door deflaminesgedragen werd.Laenas, familienaam in degens Popilia.Laenii, plebejisch geslacht. Een zijner leden,M. Laenius Flaccus, rom. ridder, te Brundisium, nam Cicero, toen hij verbannen was, gastvrij op. Hij was ook een vriend van T. Pomponius Atticus.Laërtes,Λαέρτης, zoon van Arcisius en Chalcomedūsa, vader van Odysseus, wordt genoemd als een van de deelnemers aan de calydonische jacht en den tocht der Argonauten. Hij leefde nog toen zijn zoon na zijne lange omzwervingen terugkwam, en werd door Athēna verjongd, zoodat hij kon medestrijden tegen de oproerige bewoners van Ithaca.Laërtiades,Λαερτιάδης, Odysseus, zoon van Laërtes.Laespodias,Λαισποδίας, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, werkzaam bij de oligarchische omwenteling van 411.Laestrygones,Λαιστρυγόνες, mythisch volk van menscheneters, in het verre Westen; later meende men hun woonplaats terug te vinden bij Leontīni op Silicië of bij Formiae. Toen Odysseus in hun land kwam, regeerde er Antiphates (z.a.).Laetorii, plebejisch geslacht, waarvan verschillende leden bij Livius voorkomen.Laevi, ligurische stam in Gallia Transpadāna, aan den Ticīnus, met de stad Ticīnum (Pavia). V. a. zijn het Kelten.Laevīnus,familienaam in degens Valeria.Lagus,Λάγος, vader van Ptolemaeus I, naar wien de dynastie der Lagiden genoemd is.Laïades,Λαϊάδης, Oedipus, zoon van Laïus.Lais,Λαΐς, 1) corinthische hetaere, de schoonste vrouw van haar tijd; Diogenes en Aristippus behoorden tot hare aanbidders.—2) van Hyccara, dochter van Timandra, leefde als hetaere te Corinthe, waar Apelles en Hyperīdes haar bezochten. In Thessalië werd zij, naar men verhaalde, vermoord door vrouwen, die haar hare buitengewone schoonheid benijdden.Laïus,Λάιος, zoon van Labdacus, koning van Thebe, leefde in zijn jeugd eenigen tijd als balling in de Peloponnēsus en kon eerst na den dood van Amphīon en Zethus in zijn vaderland terugkeeren. Hij was gehuwd met Iocaste, die hem een zoon baarde, Oedipus; daar een orakel voorspeld had, dat hij door zijn zoon gedood zou worden, en dat deze daarna met Iocaste zou trouwen, gaf hij het kind aan een herder om het op den Cithaeron te dooden. De herder volbracht zijn last echter niet, het kind groeide op, ontmoette vele jaren later zijn vader, geraakte met hem in twist en doodde hem zonder hem te kennen; z.Oedipus.Laletāni=Laeëtani.Lamachus,Λάμαχος, zoon van Xenophanes, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, een man van grooten persoonlijken moed, ook in zijn uiterlijk en manieren geheel en al soldaat. In 437 verdreef hij den tyran Timasilāus uit Sinope. Hij was een van de onderteekenaars van den vrede van Nicias, en had met dezen en met Alcibiades het opperbevel bij den tocht naar Sicilië; zijn raad om onmiddellijk Syracūsae aan te vallen werd echter niet opgevolgd. Hij sneuvelde in een gevecht tegen de Syracusanen, 414.Lamia,Λαμία, lybische koningin, die door Zeus bemind werd. Uit jaloerschheid beroofde Hera haar van al hare kinderen, en sedert dien tijd rooft zij de kinderen van anderen om ze te dooden. Daarom werd haar naam gebruikt om kinderen bang te maken.—De naam komt ook in het meervoud voor enbeteekentdan spookachtige wezens, die kinderen en schoone jongelingen tot zich lokken, hun bloed uitzuigen en hun vleesch opeten.Lamia, familienaam in de gens Aelia, z.Aeliino. 6.Lamia,Λαμία, thans Zeitoun, stad in het gebied der Maliërs, bekend door den lamischen oorlog (323).Lamische oorlogheet de oorlog, dien de Grieken na den dood van Alexander voerden om zich van de macedonische heerschappij te ontslaan. De beweging ging van Athene uit, en het leger, dat voor een deel uit huurlingen bestond en waarvoor een aantal grieksche staten manschappen geleverd hadden, werd aangevoerd door Leosthenes, een Athener. In het begin kon Antipater geen voldoend leger tegen hem in het veld brengen, hij verloor een slag bij Heraclēa en werd in de vesting Lamia ingesloten. Toen echter Leosthenes gesneuveld was en Antipater groote versterking uit Azië gekregen had, besliste de slag bij Crannon (322) den oorlog ten nadeele van de Grieken. Daar Antipater slechts met iederen staat afzonderlijk in onderhandeling wilde treden, werden de Atheners en Aetoliërs door hunne bondgenooten verlaten; Athene moest macedonische bezetting innemen, de anti-macedonische redenaars uitleveren, eene beperkte democratie invoeren, enz. De Aetoliërs bedongen gunstiger voorwaarden, daar Antipater spoedig wegens den loop der zaken in Azië Griekenland verlaten moest.Λαμπαδηδρομία, λαμπαδηφορία, λαμπάς, λαμπάδος ἀγών, fakkelwedloop, te Athene en elders bij eenige feesten gehouden; de mededingers, die soms te paard zaten, kregen elk een fakkel in de hand, overwinnaar was hij die het eerst het doel bereikte, zonder zijn fakkel te laten uitgaan. Het dragen van de onkosten hiervan behoorde tot de liturgieën.Lampetia,Λαμπετίη, dochter van Helius en Neaera. Zij bracht aan haar vader het bericht, dat zijne runderen op het eiland Thrinacia door de tochtgenooten van Odysseus geslacht waren.Lampon,Λάμπων, waarzegger te Athene, door de blijspeldichters dikwijls als huichelaar bespot, aanvoerder der atheensche kolonie, die Thurii stichtte (444).Lamponium,Λαμπώνιον, aeolische stad in het Z.W. van Troas, ookLamponiagenoemd.Lamponius(M.), een Lucaniër, een van de aanvoerders der italische bondgenooten in den marsischen oorlog. Later sloot hij zich aan bij den jongen Marius en sneuvelde in 82 bij Porta Collīna.Lampridius(Aelius), rom. geschiedschrijver uit de 3deeeuw na C., een van descriptores historiae Augustae, de levensbeschrijver der keizers Commodus, Diadumeniānus (het zoontje van Opellius Macrinus), Heliogabalus en Alexander Sevērus.Lamprus,Λάμπρος, beroemd toonkunstenaar, v. s. leermeester van Sophocles en Socrates.Lampsacus,Λάμψακος, in Troas aan den Hellespont, vroeger Pityussa geheeten, phocensische kolonie, eene der drie steden, waarvan Artaxerxes I de inkomsten aan Themistocles schonk. Hier was de eeredienst gevestigd van Priāpus, den god der tuinen, die door Aphrodīte te Lampsacus ter wereld was gebracht.Lamptrae,Λαμπτραί, twee attische demen, de ééne aan de Z.W. kust van Attica, niet ver ten Z.O. van kaap Zoster, de andere ten N. daarvan.Lamus,Λάμος, zoon van Poseidon, koning der Laestrygonen, mythisch stichter van Formiae (Lami urbs, Laestrygonia).Lamus,Λάμος, riv. en stad in Cilicia.Lancia,Λαγκία, sterke vesting der Astures in Tarraconensis.Langobardi, zieLongobardi.Lanista, schermmeester, diegladiatoresoefende en verhuurde.Lanuvium,Λανούιον, stad in Latium, aan devia Appiaen den albaanschen berg, één van de steden van den latijnschen bond, waarmede Rome na den slag bij den lacus Regillus het eeuwig verbond gesloten heeft, geboorteplaats van Antonīnus Pius, met een beroemden tempel van Juno Sospita.Laocoon,Λαοκόων, zoon van Antēnor of broeder van Anchīses, priester van Apollo te Troje. Hij zou na het vertrek der Grieken aan Poseidon een dankoffer brengen, toen plotseling twee reusachtige slangen verschenen, die hem met zijne beide zonen doodden. Dit lot was de straf voor eene beleediging, aan Apollo aangedaan, v. s. doordat hij tegen den wil van dien god getrouwd was, of Athēna wreekte zich op deze wijze, omdat hij aangeraden had het door de Grieken achtergelaten houten paard te verbranden, en zelfs zijn lans er tegen geworpen had.—De hierbij afgebeelde groep, waarvan het oorspronkelijke zich in het museum van het Vaticaan bevindt, is het werk van drie rhodische beeldhouwers, Agesander, Polydōrus en Athenodōrus, die waarschijnlijk niet, zooals men vroeger aannam, in de laatste helft der derde, maar in de 2dehelft der eerste eeuw v. C. leefden.Beeld van Laocoon in het Vaticaan.Laodamas,Λαοδάμας, 1) zoon van Eteocles, koning van Thebe; in den oorlog der Epigonen doodde hij Aegialeus, den zoon van Adrastus; hij leed echter de nederlaag en sneuvelde of vluchtte met het overschot van zijn leger naar Illyrië.—2)zoon van Antēnor, door Aiax no. 2 gedood.—3)zoon van Alcinous.Laodamīa,Λαοδάμεια, 1) dochter van Bellerophon, bij Zeus moeder van Sarpēdon, door Artemis gedood.—2)dochter van Acastus, gehuwd met Protesilāus. Toen zij den dood van haar echtgenoot vernam, smeekte zij de goden zoo dringend hem slechts voor weinige uren tot haar te laten terugkeeren, dat zij hare bede niet konden weigeren; toen de tijd, die hem was toegestaan, verstreken was, volgde zij hem in den dood.Laodice,Λαοδίκη, 1) eene nimf, bij Phorōneus moeder van Niobe en Apis.—2)dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met Helicāon, zoon van Antēnor.—V. a. was zij bij Acamas no. 1, moeder van Munitus, en toen deze aan een slangebeet stierf, stortte zij zich van een rots of werd zij door de aarde verzwolgen.—3)=Electrano. 4.—4)moeder van Seleucus I, die haar naam aan verscheiden steden gaf. Vele vrouwen in het geslacht der Seleuciden droegen dezen naam, o. a. de gemalin van Antiochus II (z. a.).Laodicēa,Λαοδίκεια, naam van verschillende steden, door Seleucus I naar zijne moeder Laodice genoemd. 1)L. ad mare,ἡ ἐπὶ τῇ θαλάττῃ, bloeiende stad op de syrische kust ten Z. van Antiochīa, onder de rom. keizers kolonie met hetius italicum.—2)L. ad Libanum,ἡ πρὸς Λιβάνῳ, in het Z. van Coelesyria, wegens de veelvuldig voorkomende schurftziekteScabiosabijgenaamd.—3)L. ad Lycum,ἡ πρὸς τῷ Λύκῳ, aanzienlijke handelsstad in Phrygia, dicht bij Colossae, hoofdplaats van een rom. rechtsgebied.—4)L. combusta,ἡ κατακεκαυμένη, in Lycaonia.Laomedon,Λαομέδων, 1) zoon van Ilus en Eurydice, koning van Troje. Hij omgaf de stad met een muur, en bij dit werk hielpen hem Apollo en Poseidon, hetzij vrijwillig, hetzij tot straf voor verzet tegen Zeus; z.Aeacus. Toen het werk voltooid was, weigerde Laom. echter den goden het bedongen loon te betalen, daarom zond Poseidon een zeemonster dat het land verwoestte. Om den toorn der goden te bevredigen, zou Hesione, de dochter van Laom., aan dit monster geofferdworden, toen juist Heracles, van zijn tocht naar de Amazonen terugkeerend, in Troje aankwam en op zich nam de jonkvrouw te redden, waarvoor Laom. hem de goddelijke paarden van Tros (z.Ganymēdes) zoude geven. Toen het monster echter gedood was, weigerde Laom. ook thans zijne belofte te vervullen. Heracles vertrok, maar kwam later met schepen terug, verwoestte de stad, en doodde Laom. met al zijne zonen, behalve Podarces.—2)van Mytilēne, door Philippus van Macedonië verbannen, maar na diens dood door Alex. teruggeroepen. Hij vergezelde Alex. als tolk op zijne tochten en had het opzicht over de krijgsgevangenen. Later werd hij satraap van Syrië, van waar hij echter in 320 door Nicānor verjaagd werd.Laomedontiades,Λαομεδοντιάδης, Priamus, zoon van Laomedon. Soms worden ook de Trojanen of de Romeinen, als hunne afstammelingen, zoo genoemd.Lapathus,Λάπαθος, aanzienlijke stad aan de N.-kust van Cyprus. Een anderLapathus(gen.-untis) was een vlek aan den Noordkant van het dal Tempe.Laphystius,Λαφύστιος, bijnaam van Zeus, naar den gelijknamigen berg in Boeotië, waar hem in ouden tijd menschenoffers gebracht werden, z.Athamas.Laphystius,Λαφύστιος, berg in Boeotia, tusschen Lebadēa en Coronēa, met een tempel van Zeus Laphystius.Lapidei campi, ziecampi lapidei.Lapis quadratus=Opus quadratum.Lapithae,Λαπίθαι, een thessalisch volk, afstammend van Lapithes, zoon van Apollo en Stilbe. Op de bruiloft van hun koning Pirithoüs beproefden de Centauren, die als gasten tegenwoordig waren, de bruid en andere vrouwen te ontvoeren, waardoor een strijd ontstond, die met de volkomen vernietiging der Centauren eindigde. In den oorlog tegen Aegimius werden de Lapithen op hun beurt door Heracles, bondgenoot van Aegimius, verslagen.Laquear=lacunar.Lara=Larunda.Laranda,τὰ Λάρανδα, aanzienlijke stad in het Z. van Lycaonia, in het Taurusgeb., een isaurisch zeerooversnest.Lararium, zieLares.T. Larcius Flavus, zieLartiino. 2.Lārentia, zieAcca Larentia.Lārentalia, een lijkofferfeest te Rome op 23 Dec. ter eere vanAcca Larentia.Lăres, zijn oorspronkelijk beschermgeesten van de velden, en werden aan decompita(ziecompitalia) vereerd; de Larenkapel staat daar, waar meerdere grondstukken aan elkaar grenzen, en heeft zooveel ingangen als er grondstukken zijn; ieder eigenaar offert op een altaar op eigen grond. Naast deLares compitalesvindt men in elk huis eenLar familiaris, die aan den huiselijken haard vereerd wordt, en de beschermgeest is van het huis. Later spreekt men vanLares (domestici). Oudtijds vond men hunne beelden in het atrium, later bewaarde men ze in een afzonderlijke kast,lararium, die bij den ingang van het huis of bij de slaapkamer stond. In den keizertijd worden gewoonlijk twee Lares afgebeeld, als dansende jongelingen, en tusschen hen in de Genius van den huisheer. Hun altaar was de huiselijke haard, waarin men bij iederen maaltijd een deel van de spijzen als offer voor de Lares wierp; bovendien bracht men hun offers op de Kalendae, Nonae en Idus van iedere maand, bij alle familiefeesten, in sommige gezinnen zelfs elken dag.—Maar niet alleen ieder huis en iedercompitum, ook vele andere plaatsen staan onder de hoede der Lares, die met een gemeenschappelijken naamL. publicigenoemd worden. Onder deze staan vooraan deL. urbaniofpraestites, beschermgoden van den geheelen staat, Romulus, Remus, Acca Larentia e. a., verderL. viales, militares, enz.Largitio, elke uitdeeling of geschenk aan het volk, o.a. spelen, gastmalen, uitdeeling van geld, enz. Over de geregelde uitdeelingen van koren van staatswege beneden den kostenden prijs zie menannōna. Over de buitengewone uitdeelingen op kosten der gevers zie mencongiarium. Somtijds heeftlargitiode slechte beteekenis van omkooping, vooral wanneer zij wordt aangewend tegenover deiudicesin een gerechtshof, wat slechts al te dikwijls gebeurde.Larīnum,Λάρινον, stad der Frentāni in Samnium, rom. municipium. De inwoners heetenFrentani Larinātes.Larī(s)sa,Λάρισσα, 1) stad der Pelasgen, in het thessalische landschap Pelasgiōtis, aan den Penēus. Hier behoorde het vorstengeslacht der Aleuaden te huis.—2)stad in het thessalische landschap Phthiōtis, tegen een berg gebouwd en vandaarκρεμαστή, het hangende, genoemd.—3)naam van den burg der stad Argos.—4)zeestad aan de W.-kust van Troas, in de perzische oorlogen verwoest.—5)stad in aziatisch Aeolis, met den bijnaamPhricōnis,ΦρικωνίςofΑἰγυπτία.—6)stad in Lydia, aan den Cayster, ookEphesiabijgenaamd.—7)stad in Assyria, ten N. van de uitmonding van den Lycus of Zapatas in den Tigris, met muren van 100 voet hoog, ten tijde van Xenophon verlaten, de onlangs opgegraven stad Kalach, ten Z. van Niniveh, tgw. Nimroed; z.Ninus.—DichterlijkLarissaeus= thessalisch.Larisus,Λάρισος, grensriviertje tusschen Achaia en Elis.Larius lacus,λίμνη ἡ Λάριος, vischrijk Alpenmeer, door den Addua (Adda) gevormd, thans meer van Como.Lars Tolumnius, zieTolumniusno. 2.Lartii, patricisch geslacht, uit Etruria afkomstig. 1)Sp. Lartius Flavuswordt reeds in 506 als consul genoemd. In 490 komt hij andermaal voor.—2)T. Lartius Flavus, broeder van no. 1, consul in 498, werd door zijn ambtgenoot Q. Cloelius Siculus totdictatorbenoemd. Hij was, volgens de traditie de eerstedictator. (V. a. was hij dit reeds in 501). In de verwikkelingen tusschen patriciërs en plebejers was hij steeds voor zachtemaatregelen en kwijtschelding der schulden.Larunda, Lara, bronnimf, die aan Juno de minnarijen van Jupiter en Juturna verried. Tot straf ontnam Jupiter haar de spraak en verwees hij haar naar de onderwereld. Bij Mercurius, die haar daarheen geleid had, werd zij moeder van de Lares Compitales.—Zij schijnt eene oud-italische godin des doods geweest te zijn, dezelfde die op de Feralia alsDea mutaoftacitawordt aangeroepen.Larvae, bij de Romeinen booze geesten van afgestorvenen, die tot straf voor een misdadig leven of wegens een verzuim bij hunne begrafenis in de onderwereld geen rust kunnen vinden, als schrikwekkende spookgestalten of skeletten ronddwalen, levenden door hunne verschijning soms waanzinnig maken, en zelfs de dooden verontrusten; z.Lemures.Larymna,Λάρυμνα, twee plaatsjes, boven- en beneden-L. op de kust der opuntische Locriërs aan de Euboeische golf.Las,Λᾶς, oude zeestad van Laconica, aan de Laconische golf. De naamΛαπέρσαι, bijnaam der Dioscuren, wordt door sommigen, waarschijnlijk ten onrechte, hiermede in verband gebracht, en vertaald als verwoesters van de stad Lās.Lasaea,Λασαία, stad aan de Z.-kust van Creta, nabij Gortyn.Lasio,Λασίων, grensvesting van Elis tegen Arcadia, aan den Ladon gelegen.Lasthenes,Λασθένης, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).Lasus,Λᾶσος, van Hermione, beroemd lyrisch dichter, die langen tijd te Athene aan het hof van Hipparchus leefde. Vooral zijne dithyramben werden geprezen, hoewel van hem gezegd wordt dat hij het eerst den tekst ondergeschikt maakte aan de muzikale begeleiding. Hij schreef ook over de theorie van muziek en poëzie, en onderrichtte v. s. Pindarus daarin.Latericium (opus), z.Opus.Latiāris, Latiālis, bijnaam van Jupiter als beschermgod van het latijnsche stedenverbond.Latifundium, een landgoed van groote uitgestrektheid. Daar deager publicus, voor zoover de rom. staat zelf den bodem niet gebruikte, slechts in zeer groote perceelen in erfpacht werd gegeven, kon de kleine man, bij gebrek aan bedrijfskapitaal, zulke stukken niet in bezit nemen. Hierbij kwam, dat de middelstand in Italia verdween. Geld en grondbezit hoopten zich op onder een betrekkelijk gering aantal familiën. Hierdoor ontstonden er landgoederen, zooals men er nog in Oostenrijk-Hongarije en Schotland aantreft, zoo groot als en soms grooter dan eene nederlandsche provincie. Vandaar de spreuk:latifundia perdidere Italiam, het groot grondbezit heeft Italië te gronde gericht.Latīna (via). Deze liep van Rome langs Tusculum over den mons Algidus, verder langs Ferentīnum, Fregellae en Casīnum naar Campania, waar hij zich even vóór Capua met de via Appia vereenigt. Het is één van de oudste wegen die door de Romeinen zijn aangelegd; hij diende oorspronkelijk om de Latijnsche bondgenooten tegen de aanvallen der Aequi en Volsci te beschermen.Latīni, inwoners van Latium (z. a.).Latīni, inwoners dercoloniae Latinae, zieius Latiiencoloniaeno. 2.Latīni Iuniāni, zielex Iunia Norbana.Latīnum (nomen), zieLatium.Latīnus, zoon van Faunus en Marīca of van Odysseus en Circe, van Telemachus en Circe, van Heracles en eene vrouw der Hyperboreërs, koning van Latium, die Aenēas gastvrij ontving, hem land afstond om eene stad te bouwen, en hem zijne dochter Lavinia ten huwelijk gaf.Latium,ἡ Λατίνη, landschap van Midden-Italia. Men onderscheidtLatium vetus, het oude gebied der Latijnen, enLatium novumofadiectum, het gebied der Aurunci, Volsci en Hernici. Oud-Latium strekt zich in oude tijden van even benoorden den Tibermond naar het Zuiden uit tot aan Tarracīna, en wordt in het Westen begrensd door Zuid-Etrurië, in het N. door den ager Sabīnus, en verder in het N.O., O. en Z.O. door de Aequi, Hernici en Volsci. De voornaamste steden van dit gebied waren, behalve Rome en Alba, dat vroeg aan Rome over ging, Tibur, Praeneste, Tusculum, Aricia, Laurentum, Antium, Ardea en Circeii. Deze steden vormden met vele andere kleinere steden een bond, waarvan Rome het hoofd was. Rome had sedert 493 gelijke rechten als de 30 steden van Latium samen, zoodat er een tweeledig isopolitisch verbond bestond met wederkeerig burgerrecht en conubium. Dit was het gevolg van den oorlog, dien Latium na de verdrijving van Tarquinius Superbus met Rome had gevoerd. In 486 voegden zich de Hernicers als derde lid bij den bond. V. s. dateert dit laatste verbond eerst uit de 4deeeuw (zieHernici). In de 5deeeuw verliezen de Latijnen veel terrein aan de Aequi (z.a.) en de Volsci. Aan de laatsten ging o. a. het geheele Zuiden tijdelijk te loor, z. de artikelenAntiumenCirceii. In den loop van de 4deeeuw worden de Volsci, en verder ook de Hernici en Aurunci onderworpen, en nu reikt Latium in het Zuiden tot aan Campania (z.a.). Wat het Latijnsch-Hernicisch verbond betreft: in den gallischen oorlog schijnen de bondgenooten Rome in den steek te hebben gelaten. Het verbond werd wel hernieuwd, doch in 340 barstte de beslissende strijd uit, die in 338 met de nederlaag der Latijnen eindigde. Het latijnsche verbond werd ontbonden, en Rome sloot met elke stad een afzonderlijk verdrag op verschillenden voet, naar gelang van omstandigheden. Eenige steden werden als municipia bij Rome ingelijfd en kregen dus het romeinsche burgerrecht, dochsine suffragio. De overige, o. a. Tibur en Praeneste, werden afhankelijkesocii. Rome behandelde hen echter op eenigszins anderen voet dan de bondgenooten in het overige Italia. Desocii Latini, ook onder den naam vannomen Latinumbekend, konden inzekere gevallen rom. burgers worden, b.v. door het bekleeden van posten in hunne stad, welk recht ook aan de latijnsche koloniën buiten Latium werd toegekend (zieius Latii), of wanneer zij naar Rome metterwoon verhuisden, mits met achterlating van een stamhouder in hunne oude woonplaats.Latmus,Λάτμος, gebergte in Caria, waar de mythe te huis behoort van Selēne en den schoonen slaper Endymion. Aan den voet strekte zich desinus Latmicus,ὁ Λατμικὸς κόλπος, uit, aan welks ingang Milētus lag, doch die thans door de aanslibbing van den Maeander grootendeels is verdwenen.Latmius venator= Endymion.Latobrigi, (Latovīci), keltisch volk, naburen der Helvetii, met wie zij in 58 den verhuizingstocht ondernamen, die door Caesar belet werd.Latoides,Λητοΐδης, Apollo, zoon van Leto.Latōis,Λητωίς, Artemis, dochter van Leto.Latōna=Leto.Latris, een groot eiland in de Oostzee, waarschijnlijk Seeland.Latrunculorum(ludus), een rom. spel, dat met schijven op een bord werd gespeeld en eenige overeenkomst moet gehad hebben met een damspel of met ons belegeringsspel.Laurentum, oud-latijnsche stad, aan zee, reeds in het rom.-carthaagsche handelsverdrag van 509 genoemd, waar de sage den zetel van koning Latīnus plaatst, die tijdens Aenēas’ komst in Latium heerschte. Niet ver van daar werd toenLaviniumgesticht en genoemd naar Lavinia, dochter van Latinus en echtgenoote van Aeneas. De Antonijnen vereenigden beide plaatsen tot één gemeenteLaurentolavinium.Lauretānus sinus, haven op de etruscische kust tusschen Populonia en Cosa.Lauriācum, vesting aan den Donau, in Noricum, station van de Donauvloot.Laurium,Λαύριον, -ρειον, berg op de Zuidpunt van Attica, met rijke zilvermijnen, waarvan de opbrengst jaarlijks onder de burgers van Attica werd verdeeld, totdat op voorstel van Themistocles besloten werd ze tot aanbouw van oorlogsschepen te bestemmen.Lauron,Λαύρων, zeestad in het O. van Hispania, waarschijnlijk ten Z. van Valencia, ten W. van den Sucro, bekend om de belegering door Q. Sertorius en de vruchtelooze poging van Pompeius om de stad te ontzetten. In de nabijheid kwam ook de jonge Cn. Pompeius om, na den slag bij Munda.Lāus,Λᾶος, grensrivier tusschen Lucania en Bruttii, met eene gelijknamige stad, door de Sybarieten gesticht. In ± 400 viel de stad in handen van de Lucaniërs, en in 389 werden de inwoners van Thurii daar door hen in een grooten veldslag verslagen, zieGraecia Magna.Laus Pompeii, thans Lodi Vecchio, stad der Boii in Gallia Transalpīna, ten Z.O. van Mediolanium (Milaan). Cn. Pompeius Strabo verhief ze in 89 tot een lat. kolonie, vandaar de naam; sedert 49 municipium.Lausus, zoon van Mezentius, koning van Caere. Vader en zoon kwamen in den strijd tegen Aenēas om.—Een andereLaususwordt genoemd als zoon van den albaanschen koning Numitor.Lautulae, vlek in het land der Volsci tusschen Anxur of Tarracīna en Fundi. In de nabijheid werd keizer Galba geboren.Lautumiae,Λατομίαι, 1) de steengroeven, van Syracusae (z. a.), waarvan de steenen gebruikt waren voor het bouwen van de stad. Hierin werden in den herfst van 413 de krijgsgevangenen van het leger van Nicias neergelaten, op elkaar gedrongen, en aan honger en dorst, en alle onguurheid van het weer blootgesteld. Later maakte Dionysius er een staatsgevangenis van, die in de dagen van Verres nog in gebruik was.—2)De staatsgevangenis te Rome, naar die van Syracusae benoemd, wel te onderscheiden van den Carcer Mamertinus (z.Carcer); ze lag aan de Oostzijde van de Arx; misschien heeft men hier oorspronkelijk ook steenen gebroken voor den bouw der huizen; ook de buurt in de nabijheid heet Lautumiae, tusschen de Arx en hetforum piscatorium(macellum).—3)Ook particuliere steengroeven worden wel eenslatomiae(lapidariae) genoemd; het latijnsche woord is echterlapicidinae. Daarin te werken komt voor als tuchtstraf voor slaven.Laverna, oorspronkelijk eene godin, die tot den kring der onderaardsche goden behoort, later beschermgodin der dieven (laverniones); zij had een altaar bij de Porta Lavernālis.Lavicāna (via). Deze liep van Rome langs Labīcum en sloot zich verderop aan de via Latina aan.Lavīcum=Labīcum.Lavinia, dochter van Latīnus en Amāta. Ofschoon zij verloofd was met Turnus, werd zij aan Aenēas tot vrouw gegeven, toen deze in Italië aankwam. Dit was de voornaamste oorzaak van den oorlog tusschen Turnus en Aenēas, die met den dood van eerstgenoemde eindigde.—V. a. was zij de dochter van Anius en had Apollo haar de gave der voorspelling geschonken. Aeneas bewoog haar hem te volgen, zij baarde hem een zoon, Anius, maar stierf kort na hunne aankomst in Italië. De stad Lavinium is naar haar genoemd.Lavinium, zieLaurentum.Lavinius,Λαβίνιος, zijriviertje van den Padus (Po), even ten W. van den Rhenus (Rhenusno. 2), tgw. Lavino. V.s. had op een eilandje in deze beek de bekende bijeenkomst plaats tusschen Octavianus, Antonius en Lepidus. Zie echterRhenusno. 2.Lazae, Lazi,Λᾶζαι, Λᾶζοι, roofzieke volksstam in Colchis.Leaena,Λέαινα, atheensche hetaere, betrokken in de samenzwering van Harmodius en Aristogīton. Zij werd gevangen genomen en op de pijnbank gelegd, maar weigerde hardnekkig iets te verraden. Te harer gedachtenis richtte men een beeld op, dat eene leeuwin zonder tong voorstelde.Leager,Λέαγρος, Athener, zoon van Glaucon, ging met Sophanes aan het hoofd van 10000 Atheners naar Thracië, om er op deplaats, waar later Amphipolis stond, eene volkplanting te stichten. Toen zij echter te ver in het binnenland doordrongen, werden zij bij Drabescus door de Thraciërs overvallen en gedood (465).Leander,Λέανδρος, een jongeling van Abȳdus, die iederen nacht over den Hellespont zwom, om zijne geliefde Hero te ontmoeten, die priesteres van Aphrodīte te Sestus was. Om hem den weg te wijzen, ontstak zij elken avond een licht op den toren van Sestus, maar in een stormachtigen nacht woei dit licht uit en L. vond zijn dood in de golven. Toen Hero den volgenden morgen van den toren zijn lijk zag aanspoelen, wierp zij zich naar beneden.Learchus,Λέαρχος, zoon van Athamas (z.a.) en Ino, werd door zijn vader gedood.Lebadēa,Λεβάδεια, thans Livadia, stad in Boeotia nabij de grens van Phocis. In de nabijheid was in eene grot binnen een bosch een orakel van Trophonius.Lebaea,Λέβαια, oude stad ergens in het N. van Macedonia.Lebecii,Λεβέκισι,volksstamin Gallia Transpadāna, met de hoofdstad Vercellae.Lebedus,Λέβεδος, stad in aziatisch-Ionia in de nabijheid van Colophon, eenmaal zeer bloeiend, totdat Lysimachus een gedeelte der inwoners naar Ephesus overbracht.Leben,Λεβήν, haven van Gortyn op Creta, met een tempel van Asclepius.Lebēthrum, -thra,Λείβηθρον, =Libethra.Lebinthus,Λέβινθος, klein eiland in de Aegaeische zee ten O. der Cycladen.Lechaeum,Λέχαιον, haven van Corinthus, aan de Corinthische golf, door een dubbelen muur met de stad verbonden.Lectio senatus, zieSenatus.Lectisternium, een feestmaal, aan goden en godinnen aangeboden, wier beelden dan op rustbedden aan tafel werden neergelegd of, wat de godinnen betreft, op stoelen werden neergezet. Een maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht, heettesellisternium.Lectum,Λεκτόν, kaap aan de Z.W.-spits van Troas, een uitlooper van het Idageb.Lecythus,Λήκυθος, kleine vesting op het chalcidische schiereiland Sithonia, door Brasidas in den peloponnesischen oorlog op de Atheners vermeesterd.Leda,Λήδα, dochter van Thestius, gemalin van Tyndareos. Zeus beminde haar om hare buitengewone schoonheid, in de gedaante van een zwaan wist hij zich toegang tot haar te verschaffen, en zij bracht twee eieren ter wereld; uit het eene daarvan kwam Helena, uit het andere de Dioscuren te voorschijn. V.a. baarde zij tegelijk Helena, Clytaemnestra en de Dioscuren, en waren Helena en Polydeuces kinderen van Zeus, de andere twee van Tyndareos, of Helena is de dochter van Zeus en de Dioscuren zijn kinderen van Tyndareos, of omgekeerd.Ledon,Λέδων, plaats in Phocis, aan den Cephīsus.Legatio libera, titulair gezant- of legaatschap. Senatoren, die om persoonlijke redenen eene reis wilden doen, ontvingen dikwijls van den rom. senaat den titel vanlegatus, die hun al de voordelen en eerbewijzen bezorgde, waarop een werkelijk gezant van den senaat aanspraak had, o.a. vrij vervoer en huisvesting. Om het misbruik, dat hiervan gemaakt werd, deed Cicero als consul in 63 een wetsvoorstel tot opheffing derliberae legationes, doch hij werd door de intercessio van een der volkstribunen in zijn plan verhinderd. Toch slaagde hij er in, den duur er van, die vroeger onbepaald was, tot een jaar te beperken.Legātusbeteekent in de eerste plaats gezant, in de tweede plaats onderbevelhebber. De veldheeren en stadhouders der provinciën kregen 3 of meer legaten mede, mannen van senatorischen rang en door den senaat benoemd, waarbij evenwel uit den aard der zaak op den wensch van den stadhouder of veldheer werd gelet. Zij stonden hem ter zijde in het bestuur der provincie en werden ook dikwijls aan het hoofd van afzonderlijke legerafdeelingen door hem uitgezonden. Moest een der legaten als plaatsvervangend stadhouder optreden (hetgeen in den regel echter denquaestortoekwam), dan was hijlegatus pro praetore. Toen met Augustus sommige provinciën (later alle) keizerlijk werden, en dus de keizer de algemeene gouverneur daarvan werd, zond hij naar de provinciënzijnestadhouders met den titel vanlegati CaesarisofAugusti pro praetore, en wel naar de belangrijke provinciën met den rang vanconsulares, naar de andere met dien vanpraetorii. Verder kreeg toen elk legioen een legaat aan het hoofd, met den titel vanlegatus legionis. Dit was eenpraetorius.Legio, legioen, in den beginne de gezamenlijke romeinsche krijgsmacht, 3000 man voetvolk en 300 ruiters. Toen Rome grooter werd en meer troepen te velde zond, werdlegiode naam eener bepaalde troepenafdeeling. Tijdens den tweeden punischen oorlog was de gewone sterkte van een legioen 4200 man voetvolk en 300 man ruiterij. Het voetvolk bestond uit vier soorten en was verdeeld inmanipuli, die ieder weder uit tweecenturiaebestonden. Er waren in een legioen 10 manipelshastātien 10 manipelsprincipes, elk van 120 man, en 10 manipelstriarii, elk van 60 man, terwijl aan elke centurie 20veliteswaren toegevoegd (zie overigens de artikelencenturiaencenturio).
Labarum.
Labarum, de keizerlijke standaard, door Constantijn den Gr. ingevoerd. Hij bestond uit een rijk geborduurd zijden vaandel met het monogram van J. C., hangende aan een stok in den vorm van een kruis.
Labda,Λάβδα, dochter van Amphīon, moeder van Cypselus.
Labdacidae,Λαβδακίδαι, de zoon en verdere afstammelingen van Labdacus: Laïus, Oedipus, Eteocles en Polynīces.
Labdacus,Λάβδακος, zoon van Polydōrus en Nyctēis, koning van Thebe. Gedurende zijne minderjarigheid stond hij onder de voogdij van zijn grootvader Nycteus, later onder die van zijn oudoom Lycus.
Labeātes, dapper volk in Dalmatia met de hoofdstad Scodra (Scutari).
Labeo, familienaam in degens Antistiaen degens Fabia(Fabiino. 27).
Laberii, een plebejisch geslacht, waarvan het meest bekende lidDec. Laberiusis (105–43), rom. ridder en beroemd mimendichter. In weerwil van zijn rang dwong Caesar hem in 45 zelf als acteur op te treden en zich te meten met Publilius Syrus, tooneelspeler van beroep. Over deze diepe vernedering wreekte Laberius zich met bijtenden spot in een proloog, die nog bestaat.
Labīcum, Labīci,Λαβικόν, oude stad van Latium, die zich met de Aequi verbonden had en daarom door de Rom. veroverd werd. Zij lag niet ver van Tusculum aan devia Labicana.
Labiēna (lex), zieAttia (lex).
Labiēni. 1)T. (Attius) Labienus, volkstribuun in 63 (z.Attia (lex)), klaagde Rabirius (z. a.) aan, en was later Caesars voornaamste legaat in Gallia, waar hij door beleid en onversaagdheid uitmuntte, ging uit eerzucht in 49 tot de partij van Pompeius over. Na den slag bij Pharsālus vluchtte hij naar Africa, en later na de nederlaag van Thapsus naar Hispania, waar hij in 45 bij Munda sneuvelde.—2)Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 1, werd door Brutus en Cassius naar den parthischen koning Orōdes gezonden om hulp te vragen. Op het bericht dat beiden bij Philippi waren omgekomen (42), bleef hij aan het parthische hof, en viel met Orodes’ zoon Pacorus aan het hoofd van een parthisch leger in Syria, drong zelfs tot Caria door, doch werd in 39 door P. Ventidius, legaatvan Antonius, verslagen. Door de Parthen verlaten, week hij naar Cilicia, waar hij op last van Ventidius werd omgebracht.—3)Labiēnus, die tijdens Sulla een werkzaam aandeel nam aan het ombrengen van vogelvrijverklaarden, werd na Caesars dood zelf op de lijst derproscriptigebracht en bezat moed genoeg om niet te vluchten, maar vóór zijne woning den dood af te wachten. Daar van dezen Labienus overigens niets bekend is, vermoedt men, dat de naam in den Griekschen tekst verschreven is.—4)T. Labienus, geschiedschrijver en redenaar, behoorde als republikein tot de hevigste tegenstanders van Augustus, zóó zelfs, dat sommigen hem spottendRabiēnusnoemden. Toen de senaat de verbranding zijner geschriften had bevolen, trok hij zich dit zóózeer aan, dat hij stierf.
Labōtas,Λαβώτας, 1) koning van Sparta, vierde Agide, reg. 995–958; in zijn tijd begonnen de twisten met Argos over Cynuria.—2)spartaansch harmost in het thessalische Heraclēa, 409.
Labranda,τὰ Λάβρανδα, Λάβραυνδα, vlek in Caria ten N. van de stad Mylasa, met een tempel van Zeus.
Labrum, een groote steenen of metalen kuip tot allerlei gebruik, vooral het koudwaterbekken in de heete badzaal der badhuizen.
Labynētus,Λαβύνητος, 1) koning van Babylon, die den vrede tusschen Cyaxares en Alyattes (z. a.) bewerkte, waarschijnlijk dezelfde als Nebucadnezar.—2)= Belsazar, laatste koning van Babylon, die in 538 door Cyrus van zijn rijk beroofd werd.
Labyrinthus,λαβύρινθος, gebouw, bestaande uit een ingewikkeld stelsel van vertrekken en gangen, zoodat het moeilijk is zijn weg er in te vinden. De naam is v.s. ontleend aan het gebouw, dat de aegyptische koning Amenehma III aan het meer Moeris bij Arsinoë liet bouwen (Loperohunt= paleis aan den ingang van het meer), v. a. afgeleid vanλάβρυς, de dubbele bijl, een heilig symbool, dat men op vele monumenten van Cnosus vindt. Waarschijnlijk was het aegyptische lab. eene vereeniging van 12 paleizen onder één dak voor de 12 nomen of distrikten van Aegypte; het bevatte 3000 kamers, waarvan de helft onder den grond lag en voor vreemden niet toegankelijk was. Op Samus had Polycrates door verscheiden bouwkundigen een lab. laten aanleggen. Ook het grafteeken van koning Porsēna van Clusium wordt een lab. genoemd. Het lab. van Creta, door Daedalus aangelegd en tot verblijf voor den Minotaurus dienend, wordt eerst door schrijvers van lateren tijd vermeld, vandaar de meening, dat de verhalen omtrent dit bouwwerk mythisch zijn, en dat de uitgebreide steengroeven van Creta er toe aanleiding gegeven hebben. Anderen meenen, dat het bij Cnosus door Evans opgegraven paleis van Minos aanleiding gegeven heeft tot het ontstaan van de sage.
Lacedaemon,Λακεδαίμων=Sparta.
Lacerna, ruime mantel, voor aan den hals met een gesp of haak gesloten en vaak van een kap (cucullus) voorzien, dien men bij regen over het hoofd trok.
Lacetāni, volk in het N.O. van Hispania Tarraconensis, in een bergachtige streek, misschien dezelfden als de Iacetani.
Lachares,Λαχάρης, atheensch demagoog, kreeg na den slag bij Ipsus als aanhanger van Cassander grooten invloed, en wierp zich na diens dood als tyran op (297). Hij roofde, om aan geld te komen, o.a. de gouden mantel der godin, z.Athenaep. 102. Toen Athene zich aan Demetrius Poliorcētes overgaf, vluchtte hij naar Boeotië en werd hij te Coronēa vermoord.
Laches,Λάχης, Athener, zoon van Melanōpus, bevelvoerder van de vloot, die in 427 naar Leontīni gezonden werd. In 425 werd hij teruggeroepen en door Cleon aangeklaagd, in den slag bij Delium diende hij als hopliet. Hij was werkzaam bij de onderhandelingen over den vrede van Nicias, en sneuvelde in den slag bij Mantinēa (418). Een gesprek van Plato over de dapperheid is naar hem genoemd.
Lachesis,Λάχεσις, zij die het lot uitdeelt, eene van de Moerae, in lateren tijd afgebeeld met een aardbol, waarop zij ’s menschen lot aanwijst.
Laciadae,Λακιάδαι, demus in Attica, ten W. van Athene.
Lacinia, bijnaam van Juno, naar haar beroemden tempel bij het voorgebergte Lacinium.
Lacinium promunturium,Λακίνιον ἄκρον, kaap in Z. Italia, bij Croton, met een beroemden tempel van Iuno Lacinia; thans kaap Nao.
LacmonofLacmus,Λάκμων, noordelijkst gedeelte van het Pindusgebergte.
Laconica,Λακωνική, Z.O. gewest der Peloponnēsus, het land der Spartanen, vóór de dorische verovering door Achaeërs bewoond. De bevolking bestond uit drie klassen: deSpartiātaeofSpartāni, de afstammelingen der dorische veroveraars, die alleen het volledige burgerrecht bezaten,—deLacedaemoniiofPerioeci, die van de oude achaeïsche bevolking afstamden en vrij waren en in wier handen nijverheid en handel waren,—deHelōtes, dieservi publiciwaren. Het bestuur bestond uit twee koningen, één uit het stamhuis der Agiden of Agiaden en één uit dat der Procliden of Eurypontiden, uit den senaat van 28 leden en uit eene volksvergadering zonder recht van discussie. Het hoogste gezag was echter in handen van de 5ephori, een collegie, dat slechts voor een jaar gekozen werd, doch waaraan zelfs de koningen gehoorzaamden. Beroemd waren de laconische wapenen, schoeisel en mantels. Laconica was de militaire grieksche staat bij uitnemendheid; de zoog. wetten van Lycurgus waren er bij uitstek op aangelegd, soldaten te vormen. Onder de bijzondere eigenaardigheden behooren: de opvoeding der knapen vanwege den staat, de gemeenschappelijke maaltijden ofσυσσίτια, de wetten tegen weelde. In Laconica behooren de mythente huis van Leda en van Castor en Pollux.
Laconicum, z.balneum.
Lactantius Cae(ci)lius Firmiānus, uit Africa, leerling van Arnobius, kwam tegen het einde der 3deeeuwna C. als rhetor naar Nicomedēa. Later, ± 312, werd hij door Constantijn (den Gr.), toen nog te Trier, tot leeraar van diens zoon Crispus aangesteld. Lactantius werd Christen, toen hij reeds op eenigsins gevorderden leeftijd was; zijn voornaamste werk is deinstitutiones divinae. Om de klassieke kleur van zijn stijl wordt hij wel eens deCicero Christianusgenoemd. Aan hem wordt ook toegeschreven het kleine, maar belangrijke geschrift:De mortibus persecutorum(einde 313 of begin 314), dat in het eenige H. S. op naam staat van L. Caecilius.
Lacūnaroflaquear, zoldering, waarvan de balken ruiten vormden, zoogenaamd caissonwerk. Eigenlijk beteekentlacunarslechts de dieper liggende vakken tusschen de balken.
Lacus, elk groot open waterbekken; in de huishouding ook open kuipen om olie, wijn en dgl. in op te vangen en te bewaren. Het woord wordt ook wel gebezigd voor eene ommuurde, van boven opengelaten plek, die met een put slechts den vorm gemeen heeft, zooals delacus Curtiusop het forum te Rome (zieCurtiino.2).
Lacȳdes,Λακύδης, van Cyrēne, opvolger van Arcesilāus als hoofd der platonische school (241–215).
Lade,Λάδη, eilandje bij Milētus, dat den ingang der haven dekte. Tegenwoordig is het door aanslibbing met den vasten wal verbonden. Toen in 494 de Perzen Lade vermeesterd hadden, kon de stad het niet uithouden.
Ladon,Λάδων, de draak, die de appels der Hesperiden bewaakte.
Ladon,Λάδων, naam van twee rivieren in de Peloponnēsus. De grootste ontspringt in Arcadia en stort zich dicht bij de grens van Elis in den Alphēus; de andere, in Elis, is een zijtak van den Penēus.
Laeëtāni,Λεητανοί, volk in liet N.O. van Hispania aan de kust, met de hoofdst. Barcino (Barcelona).
Laelaps,Λαίλαψ, de jachthond van Cephalus, z.CephalusenAmphitryo.
Laelii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tibur afkomstig. 1)C. Laelius, de boezemvriend van Scipio Africānus maior, vergezelde dezen op zijne veldtochten in Hispania en Africa en nam zelf een werkzaam aandeel aan de inneming van Carthago nova (209), den slag bij Baecula (208), de gevangenneming van Syphax (203). Hij was even goed vlootvoogd als generaal, een man van groote kennis en geleerdheid en groote welsprekendheid en daarbij iemand van een zeer beminnelijk karakter. Scipio liet door hem de berichten der verovering van Carthago nova en van den slag bij Zama naar Rome overbrengen. In 190 was Laelius consul.—2)C. Laelius, zoon van no. 1, de boezemvriend van Scipio Africanus minor, door Cicero als spreker ingevoerd in zijne geschriftende amicitia, de senectuteende republica. Hij vergezelde Scipio in 147 op diens tocht tegen Carthago en had het hoofdaandeel in de verovering der carthaagsche binnenhaven Cothon. Als praetor streed hij in 145 voorspoedig tegen Viriāthus in Lusitania. Als consul wilde hij in 140 de zoogenaamde licinisch-sextische akkerwet vernieuwen, maar zag er wegens den tegenstand der aanzienlijken van af, hetgeen hem den bijnaamSapiensverschafte. Hij deed zijn best om grieksche beschaving te Rome ingang te doen vinden. Hij was een geleerd man, dichter en schrijver, en bovenal uitstekend redenaar.—3)Laelia, twee dochters van no. 2, ook beroemd om hare welsprekendheid.—4)D. Laelius Balbus, volkstribuun in 54, trad in 59 op als aanklager van L. Valerius Flaccus (Valeriino. 25), die door Hortensius en Cicero verdedigd werd. Later koos Laelius de partij van Pompeius en voerde het bevel over diens vloot (48). Later streed hij onder Q. Cornificius in Africa en doodde zich, toen deze gesneuveld was (42).
Laena,χλαῖνα, wollige of harige stof, ook een mantel, die hiervan vervaardigd was eno. a.bij sommige offers door deflaminesgedragen werd.
Laenas, familienaam in degens Popilia.
Laenii, plebejisch geslacht. Een zijner leden,M. Laenius Flaccus, rom. ridder, te Brundisium, nam Cicero, toen hij verbannen was, gastvrij op. Hij was ook een vriend van T. Pomponius Atticus.
Laërtes,Λαέρτης, zoon van Arcisius en Chalcomedūsa, vader van Odysseus, wordt genoemd als een van de deelnemers aan de calydonische jacht en den tocht der Argonauten. Hij leefde nog toen zijn zoon na zijne lange omzwervingen terugkwam, en werd door Athēna verjongd, zoodat hij kon medestrijden tegen de oproerige bewoners van Ithaca.
Laërtiades,Λαερτιάδης, Odysseus, zoon van Laërtes.
Laespodias,Λαισποδίας, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, werkzaam bij de oligarchische omwenteling van 411.
Laestrygones,Λαιστρυγόνες, mythisch volk van menscheneters, in het verre Westen; later meende men hun woonplaats terug te vinden bij Leontīni op Silicië of bij Formiae. Toen Odysseus in hun land kwam, regeerde er Antiphates (z.a.).
Laetorii, plebejisch geslacht, waarvan verschillende leden bij Livius voorkomen.
Laevi, ligurische stam in Gallia Transpadāna, aan den Ticīnus, met de stad Ticīnum (Pavia). V. a. zijn het Kelten.
Laevīnus,familienaam in degens Valeria.
Lagus,Λάγος, vader van Ptolemaeus I, naar wien de dynastie der Lagiden genoemd is.
Laïades,Λαϊάδης, Oedipus, zoon van Laïus.
Lais,Λαΐς, 1) corinthische hetaere, de schoonste vrouw van haar tijd; Diogenes en Aristippus behoorden tot hare aanbidders.—2) van Hyccara, dochter van Timandra, leefde als hetaere te Corinthe, waar Apelles en Hyperīdes haar bezochten. In Thessalië werd zij, naar men verhaalde, vermoord door vrouwen, die haar hare buitengewone schoonheid benijdden.
Laïus,Λάιος, zoon van Labdacus, koning van Thebe, leefde in zijn jeugd eenigen tijd als balling in de Peloponnēsus en kon eerst na den dood van Amphīon en Zethus in zijn vaderland terugkeeren. Hij was gehuwd met Iocaste, die hem een zoon baarde, Oedipus; daar een orakel voorspeld had, dat hij door zijn zoon gedood zou worden, en dat deze daarna met Iocaste zou trouwen, gaf hij het kind aan een herder om het op den Cithaeron te dooden. De herder volbracht zijn last echter niet, het kind groeide op, ontmoette vele jaren later zijn vader, geraakte met hem in twist en doodde hem zonder hem te kennen; z.Oedipus.
Laletāni=Laeëtani.
Lamachus,Λάμαχος, zoon van Xenophanes, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, een man van grooten persoonlijken moed, ook in zijn uiterlijk en manieren geheel en al soldaat. In 437 verdreef hij den tyran Timasilāus uit Sinope. Hij was een van de onderteekenaars van den vrede van Nicias, en had met dezen en met Alcibiades het opperbevel bij den tocht naar Sicilië; zijn raad om onmiddellijk Syracūsae aan te vallen werd echter niet opgevolgd. Hij sneuvelde in een gevecht tegen de Syracusanen, 414.
Lamia,Λαμία, lybische koningin, die door Zeus bemind werd. Uit jaloerschheid beroofde Hera haar van al hare kinderen, en sedert dien tijd rooft zij de kinderen van anderen om ze te dooden. Daarom werd haar naam gebruikt om kinderen bang te maken.—De naam komt ook in het meervoud voor enbeteekentdan spookachtige wezens, die kinderen en schoone jongelingen tot zich lokken, hun bloed uitzuigen en hun vleesch opeten.
Lamia, familienaam in de gens Aelia, z.Aeliino. 6.
Lamia,Λαμία, thans Zeitoun, stad in het gebied der Maliërs, bekend door den lamischen oorlog (323).
Lamische oorlogheet de oorlog, dien de Grieken na den dood van Alexander voerden om zich van de macedonische heerschappij te ontslaan. De beweging ging van Athene uit, en het leger, dat voor een deel uit huurlingen bestond en waarvoor een aantal grieksche staten manschappen geleverd hadden, werd aangevoerd door Leosthenes, een Athener. In het begin kon Antipater geen voldoend leger tegen hem in het veld brengen, hij verloor een slag bij Heraclēa en werd in de vesting Lamia ingesloten. Toen echter Leosthenes gesneuveld was en Antipater groote versterking uit Azië gekregen had, besliste de slag bij Crannon (322) den oorlog ten nadeele van de Grieken. Daar Antipater slechts met iederen staat afzonderlijk in onderhandeling wilde treden, werden de Atheners en Aetoliërs door hunne bondgenooten verlaten; Athene moest macedonische bezetting innemen, de anti-macedonische redenaars uitleveren, eene beperkte democratie invoeren, enz. De Aetoliërs bedongen gunstiger voorwaarden, daar Antipater spoedig wegens den loop der zaken in Azië Griekenland verlaten moest.
Λαμπαδηδρομία, λαμπαδηφορία, λαμπάς, λαμπάδος ἀγών, fakkelwedloop, te Athene en elders bij eenige feesten gehouden; de mededingers, die soms te paard zaten, kregen elk een fakkel in de hand, overwinnaar was hij die het eerst het doel bereikte, zonder zijn fakkel te laten uitgaan. Het dragen van de onkosten hiervan behoorde tot de liturgieën.
Lampetia,Λαμπετίη, dochter van Helius en Neaera. Zij bracht aan haar vader het bericht, dat zijne runderen op het eiland Thrinacia door de tochtgenooten van Odysseus geslacht waren.
Lampon,Λάμπων, waarzegger te Athene, door de blijspeldichters dikwijls als huichelaar bespot, aanvoerder der atheensche kolonie, die Thurii stichtte (444).
Lamponium,Λαμπώνιον, aeolische stad in het Z.W. van Troas, ookLamponiagenoemd.
Lamponius(M.), een Lucaniër, een van de aanvoerders der italische bondgenooten in den marsischen oorlog. Later sloot hij zich aan bij den jongen Marius en sneuvelde in 82 bij Porta Collīna.
Lampridius(Aelius), rom. geschiedschrijver uit de 3deeeuw na C., een van descriptores historiae Augustae, de levensbeschrijver der keizers Commodus, Diadumeniānus (het zoontje van Opellius Macrinus), Heliogabalus en Alexander Sevērus.
Lamprus,Λάμπρος, beroemd toonkunstenaar, v. s. leermeester van Sophocles en Socrates.
Lampsacus,Λάμψακος, in Troas aan den Hellespont, vroeger Pityussa geheeten, phocensische kolonie, eene der drie steden, waarvan Artaxerxes I de inkomsten aan Themistocles schonk. Hier was de eeredienst gevestigd van Priāpus, den god der tuinen, die door Aphrodīte te Lampsacus ter wereld was gebracht.
Lamptrae,Λαμπτραί, twee attische demen, de ééne aan de Z.W. kust van Attica, niet ver ten Z.O. van kaap Zoster, de andere ten N. daarvan.
Lamus,Λάμος, zoon van Poseidon, koning der Laestrygonen, mythisch stichter van Formiae (Lami urbs, Laestrygonia).
Lamus,Λάμος, riv. en stad in Cilicia.
Lancia,Λαγκία, sterke vesting der Astures in Tarraconensis.
Langobardi, zieLongobardi.
Lanista, schermmeester, diegladiatoresoefende en verhuurde.
Lanuvium,Λανούιον, stad in Latium, aan devia Appiaen den albaanschen berg, één van de steden van den latijnschen bond, waarmede Rome na den slag bij den lacus Regillus het eeuwig verbond gesloten heeft, geboorteplaats van Antonīnus Pius, met een beroemden tempel van Juno Sospita.
Laocoon,Λαοκόων, zoon van Antēnor of broeder van Anchīses, priester van Apollo te Troje. Hij zou na het vertrek der Grieken aan Poseidon een dankoffer brengen, toen plotseling twee reusachtige slangen verschenen, die hem met zijne beide zonen doodden. Dit lot was de straf voor eene beleediging, aan Apollo aangedaan, v. s. doordat hij tegen den wil van dien god getrouwd was, of Athēna wreekte zich op deze wijze, omdat hij aangeraden had het door de Grieken achtergelaten houten paard te verbranden, en zelfs zijn lans er tegen geworpen had.—De hierbij afgebeelde groep, waarvan het oorspronkelijke zich in het museum van het Vaticaan bevindt, is het werk van drie rhodische beeldhouwers, Agesander, Polydōrus en Athenodōrus, die waarschijnlijk niet, zooals men vroeger aannam, in de laatste helft der derde, maar in de 2dehelft der eerste eeuw v. C. leefden.
Beeld van Laocoon in het Vaticaan.
Laodamas,Λαοδάμας, 1) zoon van Eteocles, koning van Thebe; in den oorlog der Epigonen doodde hij Aegialeus, den zoon van Adrastus; hij leed echter de nederlaag en sneuvelde of vluchtte met het overschot van zijn leger naar Illyrië.—2)zoon van Antēnor, door Aiax no. 2 gedood.—3)zoon van Alcinous.
Laodamīa,Λαοδάμεια, 1) dochter van Bellerophon, bij Zeus moeder van Sarpēdon, door Artemis gedood.—2)dochter van Acastus, gehuwd met Protesilāus. Toen zij den dood van haar echtgenoot vernam, smeekte zij de goden zoo dringend hem slechts voor weinige uren tot haar te laten terugkeeren, dat zij hare bede niet konden weigeren; toen de tijd, die hem was toegestaan, verstreken was, volgde zij hem in den dood.
Laodice,Λαοδίκη, 1) eene nimf, bij Phorōneus moeder van Niobe en Apis.—2)dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met Helicāon, zoon van Antēnor.—V. a. was zij bij Acamas no. 1, moeder van Munitus, en toen deze aan een slangebeet stierf, stortte zij zich van een rots of werd zij door de aarde verzwolgen.—3)=Electrano. 4.—4)moeder van Seleucus I, die haar naam aan verscheiden steden gaf. Vele vrouwen in het geslacht der Seleuciden droegen dezen naam, o. a. de gemalin van Antiochus II (z. a.).
Laodicēa,Λαοδίκεια, naam van verschillende steden, door Seleucus I naar zijne moeder Laodice genoemd. 1)L. ad mare,ἡ ἐπὶ τῇ θαλάττῃ, bloeiende stad op de syrische kust ten Z. van Antiochīa, onder de rom. keizers kolonie met hetius italicum.—2)L. ad Libanum,ἡ πρὸς Λιβάνῳ, in het Z. van Coelesyria, wegens de veelvuldig voorkomende schurftziekteScabiosabijgenaamd.—3)L. ad Lycum,ἡ πρὸς τῷ Λύκῳ, aanzienlijke handelsstad in Phrygia, dicht bij Colossae, hoofdplaats van een rom. rechtsgebied.—4)L. combusta,ἡ κατακεκαυμένη, in Lycaonia.
Laomedon,Λαομέδων, 1) zoon van Ilus en Eurydice, koning van Troje. Hij omgaf de stad met een muur, en bij dit werk hielpen hem Apollo en Poseidon, hetzij vrijwillig, hetzij tot straf voor verzet tegen Zeus; z.Aeacus. Toen het werk voltooid was, weigerde Laom. echter den goden het bedongen loon te betalen, daarom zond Poseidon een zeemonster dat het land verwoestte. Om den toorn der goden te bevredigen, zou Hesione, de dochter van Laom., aan dit monster geofferdworden, toen juist Heracles, van zijn tocht naar de Amazonen terugkeerend, in Troje aankwam en op zich nam de jonkvrouw te redden, waarvoor Laom. hem de goddelijke paarden van Tros (z.Ganymēdes) zoude geven. Toen het monster echter gedood was, weigerde Laom. ook thans zijne belofte te vervullen. Heracles vertrok, maar kwam later met schepen terug, verwoestte de stad, en doodde Laom. met al zijne zonen, behalve Podarces.—2)van Mytilēne, door Philippus van Macedonië verbannen, maar na diens dood door Alex. teruggeroepen. Hij vergezelde Alex. als tolk op zijne tochten en had het opzicht over de krijgsgevangenen. Later werd hij satraap van Syrië, van waar hij echter in 320 door Nicānor verjaagd werd.
Laomedontiades,Λαομεδοντιάδης, Priamus, zoon van Laomedon. Soms worden ook de Trojanen of de Romeinen, als hunne afstammelingen, zoo genoemd.
Lapathus,Λάπαθος, aanzienlijke stad aan de N.-kust van Cyprus. Een anderLapathus(gen.-untis) was een vlek aan den Noordkant van het dal Tempe.
Laphystius,Λαφύστιος, bijnaam van Zeus, naar den gelijknamigen berg in Boeotië, waar hem in ouden tijd menschenoffers gebracht werden, z.Athamas.
Laphystius,Λαφύστιος, berg in Boeotia, tusschen Lebadēa en Coronēa, met een tempel van Zeus Laphystius.
Lapidei campi, ziecampi lapidei.
Lapis quadratus=Opus quadratum.
Lapithae,Λαπίθαι, een thessalisch volk, afstammend van Lapithes, zoon van Apollo en Stilbe. Op de bruiloft van hun koning Pirithoüs beproefden de Centauren, die als gasten tegenwoordig waren, de bruid en andere vrouwen te ontvoeren, waardoor een strijd ontstond, die met de volkomen vernietiging der Centauren eindigde. In den oorlog tegen Aegimius werden de Lapithen op hun beurt door Heracles, bondgenoot van Aegimius, verslagen.
Laquear=lacunar.
Lara=Larunda.
Laranda,τὰ Λάρανδα, aanzienlijke stad in het Z. van Lycaonia, in het Taurusgeb., een isaurisch zeerooversnest.
Lararium, zieLares.
T. Larcius Flavus, zieLartiino. 2.
Lārentia, zieAcca Larentia.
Lārentalia, een lijkofferfeest te Rome op 23 Dec. ter eere vanAcca Larentia.
Lăres, zijn oorspronkelijk beschermgeesten van de velden, en werden aan decompita(ziecompitalia) vereerd; de Larenkapel staat daar, waar meerdere grondstukken aan elkaar grenzen, en heeft zooveel ingangen als er grondstukken zijn; ieder eigenaar offert op een altaar op eigen grond. Naast deLares compitalesvindt men in elk huis eenLar familiaris, die aan den huiselijken haard vereerd wordt, en de beschermgeest is van het huis. Later spreekt men vanLares (domestici). Oudtijds vond men hunne beelden in het atrium, later bewaarde men ze in een afzonderlijke kast,lararium, die bij den ingang van het huis of bij de slaapkamer stond. In den keizertijd worden gewoonlijk twee Lares afgebeeld, als dansende jongelingen, en tusschen hen in de Genius van den huisheer. Hun altaar was de huiselijke haard, waarin men bij iederen maaltijd een deel van de spijzen als offer voor de Lares wierp; bovendien bracht men hun offers op de Kalendae, Nonae en Idus van iedere maand, bij alle familiefeesten, in sommige gezinnen zelfs elken dag.—Maar niet alleen ieder huis en iedercompitum, ook vele andere plaatsen staan onder de hoede der Lares, die met een gemeenschappelijken naamL. publicigenoemd worden. Onder deze staan vooraan deL. urbaniofpraestites, beschermgoden van den geheelen staat, Romulus, Remus, Acca Larentia e. a., verderL. viales, militares, enz.
Largitio, elke uitdeeling of geschenk aan het volk, o.a. spelen, gastmalen, uitdeeling van geld, enz. Over de geregelde uitdeelingen van koren van staatswege beneden den kostenden prijs zie menannōna. Over de buitengewone uitdeelingen op kosten der gevers zie mencongiarium. Somtijds heeftlargitiode slechte beteekenis van omkooping, vooral wanneer zij wordt aangewend tegenover deiudicesin een gerechtshof, wat slechts al te dikwijls gebeurde.
Larīnum,Λάρινον, stad der Frentāni in Samnium, rom. municipium. De inwoners heetenFrentani Larinātes.
Larī(s)sa,Λάρισσα, 1) stad der Pelasgen, in het thessalische landschap Pelasgiōtis, aan den Penēus. Hier behoorde het vorstengeslacht der Aleuaden te huis.—2)stad in het thessalische landschap Phthiōtis, tegen een berg gebouwd en vandaarκρεμαστή, het hangende, genoemd.—3)naam van den burg der stad Argos.—4)zeestad aan de W.-kust van Troas, in de perzische oorlogen verwoest.—5)stad in aziatisch Aeolis, met den bijnaamPhricōnis,ΦρικωνίςofΑἰγυπτία.—6)stad in Lydia, aan den Cayster, ookEphesiabijgenaamd.—7)stad in Assyria, ten N. van de uitmonding van den Lycus of Zapatas in den Tigris, met muren van 100 voet hoog, ten tijde van Xenophon verlaten, de onlangs opgegraven stad Kalach, ten Z. van Niniveh, tgw. Nimroed; z.Ninus.—DichterlijkLarissaeus= thessalisch.
Larisus,Λάρισος, grensriviertje tusschen Achaia en Elis.
Larius lacus,λίμνη ἡ Λάριος, vischrijk Alpenmeer, door den Addua (Adda) gevormd, thans meer van Como.
Lars Tolumnius, zieTolumniusno. 2.
Lartii, patricisch geslacht, uit Etruria afkomstig. 1)Sp. Lartius Flavuswordt reeds in 506 als consul genoemd. In 490 komt hij andermaal voor.—2)T. Lartius Flavus, broeder van no. 1, consul in 498, werd door zijn ambtgenoot Q. Cloelius Siculus totdictatorbenoemd. Hij was, volgens de traditie de eerstedictator. (V. a. was hij dit reeds in 501). In de verwikkelingen tusschen patriciërs en plebejers was hij steeds voor zachtemaatregelen en kwijtschelding der schulden.
Larunda, Lara, bronnimf, die aan Juno de minnarijen van Jupiter en Juturna verried. Tot straf ontnam Jupiter haar de spraak en verwees hij haar naar de onderwereld. Bij Mercurius, die haar daarheen geleid had, werd zij moeder van de Lares Compitales.—Zij schijnt eene oud-italische godin des doods geweest te zijn, dezelfde die op de Feralia alsDea mutaoftacitawordt aangeroepen.
Larvae, bij de Romeinen booze geesten van afgestorvenen, die tot straf voor een misdadig leven of wegens een verzuim bij hunne begrafenis in de onderwereld geen rust kunnen vinden, als schrikwekkende spookgestalten of skeletten ronddwalen, levenden door hunne verschijning soms waanzinnig maken, en zelfs de dooden verontrusten; z.Lemures.
Larymna,Λάρυμνα, twee plaatsjes, boven- en beneden-L. op de kust der opuntische Locriërs aan de Euboeische golf.
Las,Λᾶς, oude zeestad van Laconica, aan de Laconische golf. De naamΛαπέρσαι, bijnaam der Dioscuren, wordt door sommigen, waarschijnlijk ten onrechte, hiermede in verband gebracht, en vertaald als verwoesters van de stad Lās.
Lasaea,Λασαία, stad aan de Z.-kust van Creta, nabij Gortyn.
Lasio,Λασίων, grensvesting van Elis tegen Arcadia, aan den Ladon gelegen.
Lasthenes,Λασθένης, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).
Lasus,Λᾶσος, van Hermione, beroemd lyrisch dichter, die langen tijd te Athene aan het hof van Hipparchus leefde. Vooral zijne dithyramben werden geprezen, hoewel van hem gezegd wordt dat hij het eerst den tekst ondergeschikt maakte aan de muzikale begeleiding. Hij schreef ook over de theorie van muziek en poëzie, en onderrichtte v. s. Pindarus daarin.
Latericium (opus), z.Opus.
Latiāris, Latiālis, bijnaam van Jupiter als beschermgod van het latijnsche stedenverbond.
Latifundium, een landgoed van groote uitgestrektheid. Daar deager publicus, voor zoover de rom. staat zelf den bodem niet gebruikte, slechts in zeer groote perceelen in erfpacht werd gegeven, kon de kleine man, bij gebrek aan bedrijfskapitaal, zulke stukken niet in bezit nemen. Hierbij kwam, dat de middelstand in Italia verdween. Geld en grondbezit hoopten zich op onder een betrekkelijk gering aantal familiën. Hierdoor ontstonden er landgoederen, zooals men er nog in Oostenrijk-Hongarije en Schotland aantreft, zoo groot als en soms grooter dan eene nederlandsche provincie. Vandaar de spreuk:latifundia perdidere Italiam, het groot grondbezit heeft Italië te gronde gericht.
Latīna (via). Deze liep van Rome langs Tusculum over den mons Algidus, verder langs Ferentīnum, Fregellae en Casīnum naar Campania, waar hij zich even vóór Capua met de via Appia vereenigt. Het is één van de oudste wegen die door de Romeinen zijn aangelegd; hij diende oorspronkelijk om de Latijnsche bondgenooten tegen de aanvallen der Aequi en Volsci te beschermen.
Latīni, inwoners van Latium (z. a.).
Latīni, inwoners dercoloniae Latinae, zieius Latiiencoloniaeno. 2.
Latīni Iuniāni, zielex Iunia Norbana.
Latīnum (nomen), zieLatium.
Latīnus, zoon van Faunus en Marīca of van Odysseus en Circe, van Telemachus en Circe, van Heracles en eene vrouw der Hyperboreërs, koning van Latium, die Aenēas gastvrij ontving, hem land afstond om eene stad te bouwen, en hem zijne dochter Lavinia ten huwelijk gaf.
Latium,ἡ Λατίνη, landschap van Midden-Italia. Men onderscheidtLatium vetus, het oude gebied der Latijnen, enLatium novumofadiectum, het gebied der Aurunci, Volsci en Hernici. Oud-Latium strekt zich in oude tijden van even benoorden den Tibermond naar het Zuiden uit tot aan Tarracīna, en wordt in het Westen begrensd door Zuid-Etrurië, in het N. door den ager Sabīnus, en verder in het N.O., O. en Z.O. door de Aequi, Hernici en Volsci. De voornaamste steden van dit gebied waren, behalve Rome en Alba, dat vroeg aan Rome over ging, Tibur, Praeneste, Tusculum, Aricia, Laurentum, Antium, Ardea en Circeii. Deze steden vormden met vele andere kleinere steden een bond, waarvan Rome het hoofd was. Rome had sedert 493 gelijke rechten als de 30 steden van Latium samen, zoodat er een tweeledig isopolitisch verbond bestond met wederkeerig burgerrecht en conubium. Dit was het gevolg van den oorlog, dien Latium na de verdrijving van Tarquinius Superbus met Rome had gevoerd. In 486 voegden zich de Hernicers als derde lid bij den bond. V. s. dateert dit laatste verbond eerst uit de 4deeeuw (zieHernici). In de 5deeeuw verliezen de Latijnen veel terrein aan de Aequi (z.a.) en de Volsci. Aan de laatsten ging o. a. het geheele Zuiden tijdelijk te loor, z. de artikelenAntiumenCirceii. In den loop van de 4deeeuw worden de Volsci, en verder ook de Hernici en Aurunci onderworpen, en nu reikt Latium in het Zuiden tot aan Campania (z.a.). Wat het Latijnsch-Hernicisch verbond betreft: in den gallischen oorlog schijnen de bondgenooten Rome in den steek te hebben gelaten. Het verbond werd wel hernieuwd, doch in 340 barstte de beslissende strijd uit, die in 338 met de nederlaag der Latijnen eindigde. Het latijnsche verbond werd ontbonden, en Rome sloot met elke stad een afzonderlijk verdrag op verschillenden voet, naar gelang van omstandigheden. Eenige steden werden als municipia bij Rome ingelijfd en kregen dus het romeinsche burgerrecht, dochsine suffragio. De overige, o. a. Tibur en Praeneste, werden afhankelijkesocii. Rome behandelde hen echter op eenigszins anderen voet dan de bondgenooten in het overige Italia. Desocii Latini, ook onder den naam vannomen Latinumbekend, konden inzekere gevallen rom. burgers worden, b.v. door het bekleeden van posten in hunne stad, welk recht ook aan de latijnsche koloniën buiten Latium werd toegekend (zieius Latii), of wanneer zij naar Rome metterwoon verhuisden, mits met achterlating van een stamhouder in hunne oude woonplaats.
Latmus,Λάτμος, gebergte in Caria, waar de mythe te huis behoort van Selēne en den schoonen slaper Endymion. Aan den voet strekte zich desinus Latmicus,ὁ Λατμικὸς κόλπος, uit, aan welks ingang Milētus lag, doch die thans door de aanslibbing van den Maeander grootendeels is verdwenen.Latmius venator= Endymion.
Latobrigi, (Latovīci), keltisch volk, naburen der Helvetii, met wie zij in 58 den verhuizingstocht ondernamen, die door Caesar belet werd.
Latoides,Λητοΐδης, Apollo, zoon van Leto.
Latōis,Λητωίς, Artemis, dochter van Leto.
Latōna=Leto.
Latris, een groot eiland in de Oostzee, waarschijnlijk Seeland.
Latrunculorum(ludus), een rom. spel, dat met schijven op een bord werd gespeeld en eenige overeenkomst moet gehad hebben met een damspel of met ons belegeringsspel.
Laurentum, oud-latijnsche stad, aan zee, reeds in het rom.-carthaagsche handelsverdrag van 509 genoemd, waar de sage den zetel van koning Latīnus plaatst, die tijdens Aenēas’ komst in Latium heerschte. Niet ver van daar werd toenLaviniumgesticht en genoemd naar Lavinia, dochter van Latinus en echtgenoote van Aeneas. De Antonijnen vereenigden beide plaatsen tot één gemeenteLaurentolavinium.
Lauretānus sinus, haven op de etruscische kust tusschen Populonia en Cosa.
Lauriācum, vesting aan den Donau, in Noricum, station van de Donauvloot.
Laurium,Λαύριον, -ρειον, berg op de Zuidpunt van Attica, met rijke zilvermijnen, waarvan de opbrengst jaarlijks onder de burgers van Attica werd verdeeld, totdat op voorstel van Themistocles besloten werd ze tot aanbouw van oorlogsschepen te bestemmen.
Lauron,Λαύρων, zeestad in het O. van Hispania, waarschijnlijk ten Z. van Valencia, ten W. van den Sucro, bekend om de belegering door Q. Sertorius en de vruchtelooze poging van Pompeius om de stad te ontzetten. In de nabijheid kwam ook de jonge Cn. Pompeius om, na den slag bij Munda.
Lāus,Λᾶος, grensrivier tusschen Lucania en Bruttii, met eene gelijknamige stad, door de Sybarieten gesticht. In ± 400 viel de stad in handen van de Lucaniërs, en in 389 werden de inwoners van Thurii daar door hen in een grooten veldslag verslagen, zieGraecia Magna.
Laus Pompeii, thans Lodi Vecchio, stad der Boii in Gallia Transalpīna, ten Z.O. van Mediolanium (Milaan). Cn. Pompeius Strabo verhief ze in 89 tot een lat. kolonie, vandaar de naam; sedert 49 municipium.
Lausus, zoon van Mezentius, koning van Caere. Vader en zoon kwamen in den strijd tegen Aenēas om.—Een andereLaususwordt genoemd als zoon van den albaanschen koning Numitor.
Lautulae, vlek in het land der Volsci tusschen Anxur of Tarracīna en Fundi. In de nabijheid werd keizer Galba geboren.
Lautumiae,Λατομίαι, 1) de steengroeven, van Syracusae (z. a.), waarvan de steenen gebruikt waren voor het bouwen van de stad. Hierin werden in den herfst van 413 de krijgsgevangenen van het leger van Nicias neergelaten, op elkaar gedrongen, en aan honger en dorst, en alle onguurheid van het weer blootgesteld. Later maakte Dionysius er een staatsgevangenis van, die in de dagen van Verres nog in gebruik was.—2)De staatsgevangenis te Rome, naar die van Syracusae benoemd, wel te onderscheiden van den Carcer Mamertinus (z.Carcer); ze lag aan de Oostzijde van de Arx; misschien heeft men hier oorspronkelijk ook steenen gebroken voor den bouw der huizen; ook de buurt in de nabijheid heet Lautumiae, tusschen de Arx en hetforum piscatorium(macellum).—3)Ook particuliere steengroeven worden wel eenslatomiae(lapidariae) genoemd; het latijnsche woord is echterlapicidinae. Daarin te werken komt voor als tuchtstraf voor slaven.
Laverna, oorspronkelijk eene godin, die tot den kring der onderaardsche goden behoort, later beschermgodin der dieven (laverniones); zij had een altaar bij de Porta Lavernālis.
Lavicāna (via). Deze liep van Rome langs Labīcum en sloot zich verderop aan de via Latina aan.
Lavīcum=Labīcum.
Lavinia, dochter van Latīnus en Amāta. Ofschoon zij verloofd was met Turnus, werd zij aan Aenēas tot vrouw gegeven, toen deze in Italië aankwam. Dit was de voornaamste oorzaak van den oorlog tusschen Turnus en Aenēas, die met den dood van eerstgenoemde eindigde.—V. a. was zij de dochter van Anius en had Apollo haar de gave der voorspelling geschonken. Aeneas bewoog haar hem te volgen, zij baarde hem een zoon, Anius, maar stierf kort na hunne aankomst in Italië. De stad Lavinium is naar haar genoemd.
Lavinium, zieLaurentum.
Lavinius,Λαβίνιος, zijriviertje van den Padus (Po), even ten W. van den Rhenus (Rhenusno. 2), tgw. Lavino. V.s. had op een eilandje in deze beek de bekende bijeenkomst plaats tusschen Octavianus, Antonius en Lepidus. Zie echterRhenusno. 2.
Lazae, Lazi,Λᾶζαι, Λᾶζοι, roofzieke volksstam in Colchis.
Leaena,Λέαινα, atheensche hetaere, betrokken in de samenzwering van Harmodius en Aristogīton. Zij werd gevangen genomen en op de pijnbank gelegd, maar weigerde hardnekkig iets te verraden. Te harer gedachtenis richtte men een beeld op, dat eene leeuwin zonder tong voorstelde.
Leager,Λέαγρος, Athener, zoon van Glaucon, ging met Sophanes aan het hoofd van 10000 Atheners naar Thracië, om er op deplaats, waar later Amphipolis stond, eene volkplanting te stichten. Toen zij echter te ver in het binnenland doordrongen, werden zij bij Drabescus door de Thraciërs overvallen en gedood (465).
Leander,Λέανδρος, een jongeling van Abȳdus, die iederen nacht over den Hellespont zwom, om zijne geliefde Hero te ontmoeten, die priesteres van Aphrodīte te Sestus was. Om hem den weg te wijzen, ontstak zij elken avond een licht op den toren van Sestus, maar in een stormachtigen nacht woei dit licht uit en L. vond zijn dood in de golven. Toen Hero den volgenden morgen van den toren zijn lijk zag aanspoelen, wierp zij zich naar beneden.
Learchus,Λέαρχος, zoon van Athamas (z.a.) en Ino, werd door zijn vader gedood.
Lebadēa,Λεβάδεια, thans Livadia, stad in Boeotia nabij de grens van Phocis. In de nabijheid was in eene grot binnen een bosch een orakel van Trophonius.
Lebaea,Λέβαια, oude stad ergens in het N. van Macedonia.
Lebecii,Λεβέκισι,volksstamin Gallia Transpadāna, met de hoofdstad Vercellae.
Lebedus,Λέβεδος, stad in aziatisch-Ionia in de nabijheid van Colophon, eenmaal zeer bloeiend, totdat Lysimachus een gedeelte der inwoners naar Ephesus overbracht.
Leben,Λεβήν, haven van Gortyn op Creta, met een tempel van Asclepius.
Lebēthrum, -thra,Λείβηθρον, =Libethra.
Lebinthus,Λέβινθος, klein eiland in de Aegaeische zee ten O. der Cycladen.
Lechaeum,Λέχαιον, haven van Corinthus, aan de Corinthische golf, door een dubbelen muur met de stad verbonden.
Lectio senatus, zieSenatus.
Lectisternium, een feestmaal, aan goden en godinnen aangeboden, wier beelden dan op rustbedden aan tafel werden neergelegd of, wat de godinnen betreft, op stoelen werden neergezet. Een maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht, heettesellisternium.
Lectum,Λεκτόν, kaap aan de Z.W.-spits van Troas, een uitlooper van het Idageb.
Lecythus,Λήκυθος, kleine vesting op het chalcidische schiereiland Sithonia, door Brasidas in den peloponnesischen oorlog op de Atheners vermeesterd.
Leda,Λήδα, dochter van Thestius, gemalin van Tyndareos. Zeus beminde haar om hare buitengewone schoonheid, in de gedaante van een zwaan wist hij zich toegang tot haar te verschaffen, en zij bracht twee eieren ter wereld; uit het eene daarvan kwam Helena, uit het andere de Dioscuren te voorschijn. V.a. baarde zij tegelijk Helena, Clytaemnestra en de Dioscuren, en waren Helena en Polydeuces kinderen van Zeus, de andere twee van Tyndareos, of Helena is de dochter van Zeus en de Dioscuren zijn kinderen van Tyndareos, of omgekeerd.
Ledon,Λέδων, plaats in Phocis, aan den Cephīsus.
Legatio libera, titulair gezant- of legaatschap. Senatoren, die om persoonlijke redenen eene reis wilden doen, ontvingen dikwijls van den rom. senaat den titel vanlegatus, die hun al de voordelen en eerbewijzen bezorgde, waarop een werkelijk gezant van den senaat aanspraak had, o.a. vrij vervoer en huisvesting. Om het misbruik, dat hiervan gemaakt werd, deed Cicero als consul in 63 een wetsvoorstel tot opheffing derliberae legationes, doch hij werd door de intercessio van een der volkstribunen in zijn plan verhinderd. Toch slaagde hij er in, den duur er van, die vroeger onbepaald was, tot een jaar te beperken.
Legātusbeteekent in de eerste plaats gezant, in de tweede plaats onderbevelhebber. De veldheeren en stadhouders der provinciën kregen 3 of meer legaten mede, mannen van senatorischen rang en door den senaat benoemd, waarbij evenwel uit den aard der zaak op den wensch van den stadhouder of veldheer werd gelet. Zij stonden hem ter zijde in het bestuur der provincie en werden ook dikwijls aan het hoofd van afzonderlijke legerafdeelingen door hem uitgezonden. Moest een der legaten als plaatsvervangend stadhouder optreden (hetgeen in den regel echter denquaestortoekwam), dan was hijlegatus pro praetore. Toen met Augustus sommige provinciën (later alle) keizerlijk werden, en dus de keizer de algemeene gouverneur daarvan werd, zond hij naar de provinciënzijnestadhouders met den titel vanlegati CaesarisofAugusti pro praetore, en wel naar de belangrijke provinciën met den rang vanconsulares, naar de andere met dien vanpraetorii. Verder kreeg toen elk legioen een legaat aan het hoofd, met den titel vanlegatus legionis. Dit was eenpraetorius.
Legio, legioen, in den beginne de gezamenlijke romeinsche krijgsmacht, 3000 man voetvolk en 300 ruiters. Toen Rome grooter werd en meer troepen te velde zond, werdlegiode naam eener bepaalde troepenafdeeling. Tijdens den tweeden punischen oorlog was de gewone sterkte van een legioen 4200 man voetvolk en 300 man ruiterij. Het voetvolk bestond uit vier soorten en was verdeeld inmanipuli, die ieder weder uit tweecenturiaebestonden. Er waren in een legioen 10 manipelshastātien 10 manipelsprincipes, elk van 120 man, en 10 manipelstriarii, elk van 60 man, terwijl aan elke centurie 20veliteswaren toegevoegd (zie overigens de artikelencenturiaencenturio).