M.Macae,Μάκαι, naam van twee volksstammen: op de arabische kust der Perzische golf en op de libysche kust tusschen de Syrten.Macar, Macareus,Μάκαρ, Μακαρεύς, 1) een van de Heliadae (z. a.), vluchtte na den moord van Tenages naar Lesbus.—2)broeder van Canace (z. a.).—3)een van de tochtgenooten van Odysseus.—4)een van de Lapithen op de bruiloft van Pirithous.Macarēis, Issa, dochter van Macar no. 1, beminde van Apollo.Macaria,Μακαρία, dochter van Heracles en Deïanīra, vluchtte met hare broeders uit de Peloponnēsus naar Attica, en beroofde zich vrijwillig van het leven, toen Eurystheus hen vervolgde, omdat een orakel op die voorwaarde aan de Heracliden de overwinning beloofd had.Macaria,Μακαρία, oude naam van zeer vruchtbare eilanden, als Lesbus, Rhodus, Cyprus. Ook elders dragen vruchtbare streken dezen naam, o. a. de vlakte van Messenia, die door de rivier de Pamīsus doorstroomd wordt.Maccabaei, een joodsch geslacht, onder welks leiding de Joden zich ten tijde van Antiochus IV van de syrische heerschappij bevrijdden, en dat gedurende meer dan eene eeuw de regeering in handen had (167–40). De laatste der M. werd door Herōdes gedood.Maccus, een soort van domme Pierrot in defabulae Atellanae.Macedonia,Μακεδονία. De bakermat van het macedonische rijk is te zoeken in het landschap Emathia, ten W. van den Axius (Vardar). Hierdoor vindt men den naamEmathiaook voor Macedonia gebruikt. Hoewel de macedonische koningen de omliggende volken aan hun heerschappij trachtten te onderwerpen, bleef Macedonia toch een onbeteekenende staat tot aan de troonsbeklimming van Philippus II in 360. Deze vergrootte zijn rijk met Paeonia, een deel van Thracia en met het gebied der grieksche volkplantingen langs de kust en op Chalcidice, en maakte van Maced. in de 24 jaren zijner regeering eene machtige zee- en landmogendheid, die den Grieken de hegemonie afdwong. Zijn zoon Alexander de Gr. zette de veroveringen op nog grooter schaal voort. In het tijdperk der diadochen werd Maced. wel tot het europeesche gedeelte van het groote rijk beperkt, doch bleef toch een machtige staat, totdat de oorlog, door Philippus III tegen de Rom. gevoerd (200–197) het in eens van Rome afhankelijk maakte. Onder zijn zoon Perseus (179–168) werd het geheel een buit der Rom., die het voorloopig in vier republieken splitsten (Amphipolis, Thessalonīca, Pella, Pelagonia), totdat het in 146 formeel tot rom. provincie werd gemaakt. De eigenlijke Macedones waren Grieken, die echter in hun ontwikkeling teruggebleven waren, daar ze door niet-grieksche, thracische en illyrische, stammen omgeven waren. Ze werden derhalve door de overige Grieken met minachting als barbaren beschouwd.Macella, kleine vesting in het W. van Sicilia, in het binnenland ten N. van Entella gelegen.Macellum(vanμάκελλον, omheining), overdekte marktplaats voor eetwaren te Rome. Er waren er twee:macellum Liviaeop den Esquilijnschen,macellum magnumop den Caelischen berg. Ook in Pompeii heeft men eenmacellumopgegraven, waarvan de afbeelding op pg. 382 een voorstelling geeft.Macellum.Macellum.Macer, naam van twee rom. dichters. De een,Aemilius Macer, uit Verona, gest. 16, een vriend van Vergilius en Ovidius, vertaalde in latijnsche verzen de dichtwerken van den arts Nicander (2deeeuw) van Colophon. De ander,C. Licinius Macer Calvus(82–48), was lierdichter en een vriend van Catullus. Zie verderLiciniino. 6. Verder maakt Ovidius nog melding van een vriend Macer, vervaardiger van epische gedichten.Macestus,Μάκεστος, rivier in Mysia, die zich met den Rhyndacus vereenigt.Machaerus,Μαχαιροῦς, sterke grensvesting van Palaestina, in het Z. van Peraea, ten O. der Doode Zee. Hier heeft Johannes de Dooper gevangen gezeten.Machanidas,Μαχανίδας, Spartaan, die zich in 210 van de alleenheerschappij meester maakte en wreed regeerde; na drie jaar viel hij in een strijd tegen het achaeïsch verbond (207).Machāon,Μαχάων, zoon van Asclepius en Epione, met zijn broeder Podalirius aanvoerder van eenige thessalische volken in den oorlog tegen Troje, waarin hij den dood vond. Zijne beenderen werden door Nestor naar Griekenland medegenomen, en bij Gerenia vond men zijn graf met een heiligdom.—Beide broeders waren vooral beroemd als geneesheeren, en de naam van M. wordt soms spreekwoordelijk voor een bekwaam geneesheer gebruikt.Machlyes,Μάχλυες, 1) een libysche stam aan de kleine Syrte, ten Z. van de Tritonzee.—2)een scythische stam aan depalus Maeōtis(zee van Azow).Macistus,Μάκιστος, stad in het elische landschap Triphylia. Ook een gebergte op Euboea.Macra,Μάκρης, grensriviertje tusschen Liguria en Etruria, valt bij Luna in de Ligurische zee. Oudtijds was het met den Rubico de Noordgrens van het eigenlijk Italië.Macri campi, vlakte tusschen Parma en Mutina (Modena) in Gallia Cisalpīna.Macrīnus(M. Opellius), eerst jurist, later praefectus praetorio onder Caracalla, vernam bij toeval, dat de keizer hem uit den weg wilde ruimen en liet toen heimelijk Caracalla ombrengen (217 n. C.). Het leger keurde de verheffing van Macrinus op den troon goed. Deze nam zijn jeugdig zoontje Diadumeniānus tot medekeizer aan. Na eene niet zeer roemrijke regeering van 14 maanden (217–218) werden vader en zoon door de oproerige troepen vermoord.Macro(Naevius Sertorius), praefectus praetorio onder Tiberius, opvolger van Seiānus, bracht in 37 na C. Tiberius om, doch werd met zijne vrouw Ennia door Caligula uit den weg geruimd (38).Macrobii,Μακρόβιοι, aethiopische volksstam langs den Z. oceaan.Macrobius(Ambrosius Theodosius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), van wien nog twee werken aanwezig zijn:Saturnalia convivia, in 7 boeken, enCommentarii in Somnium Scipionis, in 2 boeken.Macrōnes,Μάκρωνες, machtige stam aan de Z. kust van de Zwarte Zee, in het O. van Pontus, tusschen de Mosynoeci en de Moschi.Mactorium,Μακτώριον, stad in het Z. van Sicilia, ten N. van Gela.Madauraof-rus,Μάδουρος, stad in Numidia, ten Z.O. van Tipasa, geboorteplaats van den schrijver L. Appuleius.Madēna, distrikt van Armenia Minor.Maduatēni, thracische stam aan den Haemus.Madytus,Μάδυτος, havenstad van de thracische Chersonēsus, aan den Hellespontus.Maeander,Μαίανδρος, rivier in Asia minor, ontspringt in het Z. van Phrygia bij Celaenae, loopt met tallooze kronkelingen door Caria en Ionia en valt tegenover Milētus in zee. De stroomgod is de grootvader van Caeneus, die dan ookMaeandrius iuveniswordt geheeten.Maeandrius,Μαιάνδριος, regeerde na den dood van Polycrates (522), wiens geheimschrijver hij geweest was, eenigen tijd over Samus, toen echter na korten tijd Syloson door de Perzen teruggebracht werd (omstreeks 516), vluchtte M. naar Sparta, waar men hem wegens de schatten, die hij had medegebracht, gevaarlijk achtte en hem het verblijf in de stad verbood.Maecēnas, zieCilnii.Maecius Tarpa(Sp.), kunstcriticus van grooten naam, wien door Augustus de beoordeeling en keus der op te voeren tooneelstukken werd opgedragen.Maedi,Μαιδοί, thracische volksstam aan den Strymon.Maelii, plebejisch geslacht te Rome. 1)Sp. Maelius, rom. ridder, had in den hongersnood van 440 op groote schaal uitdeelingen van koren onder de onvermogenden gehouden. De patriciërs, naijverig op de genegenheid van het volk, beschuldigden hem van opruiing en eerzuchtige bedoelingen. Op zijne weigering, om voor het gerecht te verschijnen, werd hij door C. Servilius Ahāla, mag. equitum van L. Quinctius Cincinnātus, die tot dictatorseditionis sedandae causabenoemd was, op het forum doodgestoken (439). Het vermogen van Maelius werd verbeurd verklaard en zijn huis met den grond gelijk gemaakt; de open plek hierdoor ontstaan, kreeg den naam vanAequimaelium. Volgens een oudere lezing van het verhaal stak C. Servilius Ahāla als ambteloos burger op straat Sp. Maelius dood, omdat deze naar de alleenheerschappij streefde. Het verhaal, waarvan alleen historisch is de terechtstelling van Maelius en het neerhalen van zijn huis, heeft, door het sanctionneeren van den tyrannenmoord, op de latere geschiedenis(men denke aan de vermoording van Caesar) ingewerkt.—2)Sp. Maelius, volkstribuun in 436, vervolgde den bovengenoemden Servilius Ahala, die den gepleegden moord met ballingschap moest boeten.—3)Q. Maelius, was een der twee volkstribunen, die in 321 in de bergengte van Caudium den vrede met de Samnieten hielpen sluiten en hierom met de beide consuls werden uitgeleverd.Maelo, vorst der Sygambri, deed in 12 een inval in Gallia, maar werd door Drusus teruggedreven. ZieClaudiino. 26.Maemacterion,Μαιμακτηριών, 5demaand van het Attische jaar (Nov.–Dec.), z.Annus.Maemactes,Μαιμάκτης, bijnaam van Zeus als god der stormen; te zijner eer werden in de maand Maemacterion de Maemacteria gevierd.Maenades,Μαινάδες, =Bacchae.Maenalia,Μαιναλία, landstreek in Arcadië, ten W. van den berg Maenalus.Maenalius,Μαινάλιος, bijnaam van Pan, naar het gebergte Maenalus, waar hij zich bij voorkeur ophield.Maenalus,Μαίναλον ὄρος, berg en stad in het binnenland van Arcadia, ten ZW. van Mantinēa, geliefkoosd verblijf van den god Pan. Bij dichters:Maenalius deus= Pan,Maenalius= arcadisch,Maenalis ursa= Callisto,Maenalii versus= herderszangen.Maenia (columna), ziecolumna Maenia.Maenia (lex), waarschijnlijk ± 287, v.a. van ± 300,ut in incertum comitiorum eventum patres auctores fierent, d.w.z. dat de patricische leden van den senaat (ziepatres) vooraf de keuzen van de volksvergadering, hoe die ook mochten uitvallen, moesten bekrachtigen. Hierdoor werd depatrum auctoritasniet afgeschaft, maar tot een formaliteit gemaakt. Zie ookPubliliae (leges)no. 2.Maenia (Menenia) (lex)agrariavan den volkstribuun M. Maenius (Menenius), ging niet door, daar zijne ambtgenooten er tegen waren (410). Daarleges agrariaein werkelijkheid zoo vroeg niet voorkomen, is hoogst waarschijnlijk ook deze wet, evenals delex Cassia(zieagrariae leges), verzonnen.Maenia(ofMenenia)Duilia (lex), zieFenus.Maeniānum, balkon aan de voorzijde van een huis, genoemd naar C. Maenius, die als censor in 318 de gebouwen aan het forum van balkons voorzag, om bij openbare feesten meer toeschouwers te kunnen bergen.Maenii, plebejisch geslacht. In 482 en 410 komen Maenii onder de volkstribunen voor met pogingen om ook de plebs aandeel aan denager publicuste verschaffen. De eerste historische persoonlijkheid isC. Maenius, die in 338, als consul met L. Furius Camillus (Furiino. 12), voorspoedig streed tegen de opgestane Latijnen, vooral tegen Antium. In 320 was hij dictator; in 314 werd hij weder tot dictator gekozen om eene samenspanning te Capua te onderzoeken. Toen hij echter zijn onderzoek ook tot Rome wilde uitbreiden, verzette zich de adel, waarop hij zijn ambt neerlegde en zich aan een rechterlijk onderzoek onderwierp, dat glansrijk voor hem afliep. Men vertelt, dat ter eere zijner overwinning op de Antiaten decolumna Maeniana(z. a.) op het forum is opgericht. Zie ookmaenianum. In de eerste helft der 2deeeuw moet er te Rome een gek en verkwister geleefd hebben met name Maenius, over wien Horatius spreekt.Maeon,Μαίων, de aanvoerder der 50 Thebanen, die Tydeus een hinderlaag legden en allen door dezen verslagen werden. M. liet hij echter op bevel van een orakel in leven.Maeonia,Μαιονία, oude naam van Lydia (z. a.) en dientengevolge ook dichterlijk =Etruria.Maeonides,Μαιονίδης, wordt Homerus soms genoemd als zoon van Maeon of als Lydiër (Maeoniër).Maeonis, lydische (maeonische) vrouw, bijv. Omphale, Arachne.Maeōtis palus,Μαιῶτις λίμνη, thans zee van Azow. De omwonende scythische stammen werden met den algemeenen naamMaeotaeaangeduid.Maera,Μαῖρα, 1) de hond van Erigone, z.Icarius.—2)dochter van Proetus, jachtgezellin van Artemis; zij werd bij Zeus moeder van Locrus en werd daarom door Artemis gedood.—3)dochter van Atlas, gehuwd met Tegeātes, den zoon van Lycāon.Maesesses=Melesses.Maevius, zieBavius.Magaba, berg in Galatia, tusschen Ancȳra en den Halys, waar Cn. Manlius Vulso in 189 de Tectosages versloeg.Magas,Μάγας, stiefzoon van Ptolemaeus I, werd door dezen tot stadhouder over Cyrēne aangesteld, doch maakte zich onafhankelijk (280), en wist zich ook tegen Ptolemaeus II te handhaven. Hij stierf in 258. Zie ookApamano. 2.Magdolum,Μάγδολον, Μάγδωλον, stad in Beneden-Aegypte, ten Z.Z.W. van Pelusium.Mageddo=Megiddo.Magetobrīga, stad der Sequani in Gallia Transalpīna.Magi,Μάγοι, een medisch geslacht van priesters, droomuitleggers en orakelduiders, die ook in het staatkundige grooten invloed uitoefenden. Toen de heerschappij van de Mediërs op de Perzen overging, bleven de Magi hunne waardigheden behouden.Magii, plebejisch geslacht uit Campania.Magister admissionum, onder de latere keizers de opperkamerheer, die belast was met de toelating en ontvangst ter audiëntie bij den keizer.Magister equitum, ziedictator.Magister officiorum, hofmaarschalk van de keizerlijke hofhouding. Deze post behoorde tot de hooge hofambten, door Constantijn den Gr. ingesteld.Magister populi, oude titel voor den dictator, als aanvoerder van het voetvolk.Magister scriniorum, hoofd der keizerlijke kanselarij. ZieScrinium.Magna Mater, z.Rhea Cybele.Magnentius(Flavius Magnus), rom. tegenkeizer in het W. des rijks, ontrukte dentroon aan Constans, die in 350 na C. vermoord werd, doch werd door Constantius II bij Sirmium in 352 verslagen en benam zichzelf in 353 na C. te Lugdūnum (Lyon) het leven.Magnes,Μάγνης, een van de attische blijspeldichters vóór Aristophanes, wiens werken dikwijls den eersten prijs behaalden.Magnesia,Μαγνησία, 1) oostelijk gedeelte van Thessalia, eene betrekkelijk smalle strook lands; uitloopende in een landtong, die de golf van Pagasae als het ware omarmt. De inwoners heettenMagnētes,Μάγνητες.—2)stad in Lydia, aan den voet van den berg Sipylus gelegen en daaromMagnesia ad Sipylumgenoemd. Hier werd Antiochus III van Syria door L. Cornelius Scipio Asiaticus (Corneliino. 14) in 190 verslagen.—3)stad in het lydisch-carische grensdistrikt, nabij den Maeander, ten Z.O. van Ephesus, met een beroemden tempel van Artemis. Dit Magnesia was eene der drie steden, waarvan Artaxerxes de inkomsten aan Themistocles toewees.Magnum promunturium, kaap aan den mond van den Tagus, thans kaap Espichel, ook een kaap in Mauretania Caesariensis, dicht bij Siga.Magnus portus, 1) haven in Gallaecia, thans baai van Corunha.—2)haven in Mauretania, thans Oran.Mago,Μάγων, naam van verschillende carthaagsche staatslieden en veldheeren, waaronder vooral drie merkwaardig zijn: 1)Mago de Groote, ± 550–500, beroemd staatsman, die de grondslagen legde tot Carthago’s grootheid en ook als generaal lauweren verwierf.—2)schrijver van een groot werk over den landbouw, dat later op last van den rom. senaat in het Latijn werd vertaald.—3)jongere broeder van Hannibal, die met dezen naar Italia toog en na den slag bij Cannae naar Carthago werd gezonden om het bericht over te brengen en versche troepen te halen. Hij werd echter naar Hispania gezonden ter ondersteuning van zijn broeder Hasdrubal. In 205 stak hij onverwachts van Gades in Spanje, dat hij moest ontruimen, naar Liguria over en veroverde Genua, doch werd in 203 in het gebied der Insubres verslagen, en toen hij in Genua terugkwam, kreeg hij daar het bevel, naar Carthago terug te keeren. V. s. stierf hij onderweg aan zijn wonden of door schipbreuk, v. a. leefde hij in 193 nog.Magontiācum=Mogontiacum.Maharbal, veldheer van Hannibal, die hem na den slag bij Cannae trachtte te overreden om rechtstreeks naar Rome op te trekken.Maia,Μαῖα, Μαιάς, 1) dochter van Atlas en Pleione, de oudste der Pleiaden, bij Zeus moeder van Hermes.—2)italiaansche godin, soms ookMaiestagenoemd. Zij is de gemalin van Vulcānus, maar wordt later dikwijls met de grieksche Maia verward. De maand Mei was naar haar genoemd, en op den 1stenvan die maand bracht de priester van Vulcanus haar een offer.Maiesta=Maiano. 2.Maioriānus(Flavius Iuliānus), een der laatste keizers van het west.-rom. rijk, 457–461 na C. Hij roeide vele misbruiken uit, waardoor hij zich onder de ambtenaren vele vijanden maakte. Toen nu een oorlog tegen den vandaalschen koning Geiserik ongelukkig afliep, werd het leger onder den Sueef Ricimer tot opstand overgehaald en Maiorianus tot afstand gedwongen. Hij stierf weinige dagen later aan eene plotselinge ziekte. Het rijk verloor in hem een edel en doortastend vorst.Μακάρων νῆσοι, ver afgelegen eilanden, waar de heroën, evenals in het Elysium, na driemaal op aarde zonder zonde geleefd te hebben, onder de regeering van Cronus een gelukzalig leven leiden. Zie ookFortunatae insulae.Μάκεδνοι, dorische stam, eerst tijdens Deucalion in Phthiōtis, later aan den Pindus.Malaca,Μάλακα, phoenicische kol., later rom. municipium in Hispania Baetica, thans Malaga.Malchus,Μάλχος, 1) carthaagsch veldheer, ± 600–550, had eerst op Sicilië en Sardinië groote veroveringen gemaakt, en is daardoor de eigenlijke grondlegger geworden van de macht van Carthago, maar toen hij later op Sardinia eene groote nederlaag geleden had, werd hij uit Carthago verbannen. Hij trok toen tegen Carthago te velde, nam het in, en liet een aantal senatoren ter dood brengen. Later werd hij zelf ter dood veroordeeld, omdat hij naar de monarchie streefde. Het verhaal is eenigszins verward, maar toont in elk geval aan, dat het leger toen nog uit Carthagers bestond, en geen huurleger was.—2)koning der Nabataeërs, bondgenoot van Caesar in den alexandrijnschen oorlog.—3)uit Philadelphia no. 2, geschiedschrijver uit de 5deeeuw n. C., die het werk van Priscus no. 2 (z. a.) tot 480 n. C. voortzette.—4)= Porphyrius (z. a.).Malea,Μαλέα, 1) kaap aan de Zuidoostkust van het eil. Lesbus.—2)Z.O. punt van de Peloponnesus, thans kaap S. Angelo, die moeielijk was om te varen wegens de stroomingen en riffen.Maleventum, vroegere naam vanBeneventum.Maliades, Malides,Μαλιάδες, Μαλίδες, nimfen, die kudden en vruchtboomen beschermen.Mālis,Μαλίς, een klein landschap aan de Malische golf,sinus Maliacus, een N.W. inham der Euboeïsche golf. De inwoners heettenMalienses,Μαλιῆς.Malli,Μαλλοί, indisch volk aan den Hydraōtes, een der zijrivieren van den Indus.Mallii, rom. geslacht, dat geene beroemde personen heeft opgeleverd. Bekend is slechts geworden de onbekwame consulCn. Mallius Maximus, die in 105 met den proc. Q. Servilius Caepio (Serviliino. 15) den slag bij Arausio tegen de Cimbren verloor. Zie ookManliino. 15.Malloea,Μαλλοία, vesting in het thessalische landschap Perrhaebia.Mallus,Μαλλός, oude stad van Cilicia nabij den Pyramus.Maluginensis, familien. in degens Cornelia.Mamercīnus, familien. in degens Aemilia.Mamercus, een oscische voornaam, dien wij alleen nog in degens Aemiliaaantreffen.Mamertīni, zonen van Mamers of Mars, campaansche huurtroepen (zieCampania) in dienst van Agathocles, na diens dood (289) uit Syracusae verdreven, nestelden zich toen in Messāna, van waar zij strooptochten deden. Door de Syracusanen in het nauw gebracht, riepen de Mam. Carthagers en Rom. te hulp, hetgeen de aanleiding werd tot den eersten punischen oorlog. Messana komt vervolgensofficieelvoor onder den naamcivitas Mamertinorum. Onder het stadhouderschap van Verres speelde de stad de rol van handlangster.Mamertīnus(Claudius), de schrijver van een dankrede aan keizer Iuliānus (gratiarum actio de consulatu suo Iuliano Imp.), gehouden in 362 n. C. Hij was door Iulianus benoemd totcomes sacrarum largitionum, minister van finantiën, en later totpraefectus praetorio Illyrici et Italiae.Mamilia (lex)van den volkstribuun C. Mamilius Limetānus, tot instelling van een gerechtelijk onderzoek tegen hen, die zich door Jugurtha hadden laten omkoopen (109).Mamilii, rom. geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1)Octavius Mamilius, te Tusculum, schoonzoon van Tarquinius Superbus, verleende hem na diens verdrijving hulp en sneuvelde bij het meer Regillus, evenals zijn zoon.—2)L. Mamilius Tusculānus, dictator van Tusculum, had den Romeinen hulp verleend, toen de Sabijn Herdonius in 460 bij een nachtelijken overval het Capitool vermeesterd had. Hiervoor kreeg L. Mamilius het rom. burgerrecht.—3)Q. Mamilius Vitulus, consul in 262, veroverde Agrigentum op de Puniërs.—4)C. Mamilius Limetānus, zieMamilia (lex).Mammaea(Iulia), moeder van keizer Alex. Sevērus (Severino. 2), voor wien zij wegens zijne jeugd in den beginne als regentes optrad en met beleid het bewind voerde.Mamurius Veturius, metaalwerker uit Etruria. Zieancile.Mamurra, rom. ridder van geringe afkomst, maar die onder Caesar in Gallia zijn fortuin had gemaakt en vervolgens te Rome door zijne houding en buitensporige levenswijze aanstoot gaf. Hij was uit Formiae, dat hierom door Horatius spottendurbs Mamurrarumwordt genoemd.Mancīnus, familienaam in degens Hostilia.Mancipatio, is de plechtige overdrachtper aes et libramvan eene zaak in tegenwoordigheid van 5 getuigen en eenlibripens. De kooper nam met een zeker formulier de zaak over en sloeg met een muntstuk (raudusculum) tegen de weegschaal. Zulk een mancipatio werd wettelijk gevorderd bij den verkoop vanres mancipi. De geheele vorm was eene nabootsing van een verkoop uit den ouden tijd, toen het geld nog werd afgewogen. Deze handeling peraes et libramhad ook plaats bij den huwelijksvorm doorcoëmptioen bij deemancipatio.Mancipi (res). Tot deres mancipibehoorden volgens Ulpianus:praedia in Italico solo, tam rustica, qualis est fundus, quam urbana, qualis domus;item iura praediorum rusticorum, velut via, iter, actus, aquaeductus;item servi et quadrupedes, quae collo dorsove domantur, velut boves, muli, equi, asini. Van de genoemdeiuraof servituten beteekentiterhet recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan,via, er met een voertuig over te rijden,actus, er vee over te drijven,aquaeductus, er water over te leiden. Zie verderservitusno. 1. Ulpianus voegt er nog bij, dat olifanten en kameelen,quamvis collo dorsove domentur, geeneres mancipizijn, daar zij tot debestiaebehooren.Res mancipinu konden in rom. eigendom overgaan doorin iure cessio, afstand ten overstaan van den praetor, door gerechtelijke toewijzing ofadiudicatioof door eene wet, door erfenis en doormancipatio(z. a.). Was er in plaats van de vormelijke mancipatie eene eenvoudigetraditioof overgave van hand in hand gebezigd, dan gaf dit geen wettigen rom. eigendomstitel ofdominium. Zooals echter bij het artikelius honorariumis aangewezen, kon de praetor toestaan,res mancipite bezitten,in bonis habere. Door verjaring,usucapio, d. i. door ongestoord bezit van roerende goederen gedurende één jaar, van onroerende gedurende twee jaren, kon men dan toch hetdominiumverwerven.Mancipium, 1) =mancipatio.—2)het voorwerp der mancipatie, vooral slaven, ook lasten trekdieren.—3)de betrekking van afhankelijkheid, waarin vrijen gebracht waren door mancipatie, zooals b.v. depater fiduciariusverkreeg bij de emancipatio (z. a.) en zooals depater naturalisnog slechts over zijn zoon behield, wanneer deze na den derden schijnverkoop weder aan hem werd teruggegeven. Of wel, wanneer volgens het oudste schuldrecht iemand in de macht van den schuldeischer was overgegaan. Een vrije, diein mancipiowas, was welservi loco, maar daarom nog geenservus.Mandane,Μανδάνη, dochter van Astyages, moeder van den ouden Cyrus.Mandēla, sabijnsch dorpje nabij het landgoed van den dichter Horatius.Mandonius, een Hispaniër, broeder van Indibilis. Hij speelde dezelfde rol van herhaalde onderwerping en afval, tot hij gedood werd (206).Mandrocles,Μανδροκλῆς, van Samus, beroemd bouwmeester, die voor Darīus Hystaspis, toen deze tegen de Scythen optrok, een brug over den Bosporus legde; ter gedachtenis hieraan liet hij in den tempel van Hera op Samus een schilderij ophangen, die den tocht van het leger over de brug voorstelde.Mandropolis,Μανδρόπολις, stad in het Z. van Phrygia.Mandubii,Μανδούβιοι, volk in Gallia ten W. van de Lingones. Tot hun gebied behoorde Alesia (Alise-Ste-Reine), waar Vercingetorix door Caesar belegerd werd.Manduria,Μανδύριον, stad der Sallentīniin Calabria, aan den weg van Tarentum naar Hydruntum (Otranto). Hier sneuvelde de spartaansche koning Archidāmus III in 338 tegen de Lucaniërs en Messapiërs, toen hij Tarentum te hulp kwam. In 209 werd de stad door den consul Q. Fabius Maximus Verrucōsus (Fabiino. 16) veroverd.Maneros,Μανέρως, zoon van den eersten koning van Aegypte, die jong stierf en, evenals Adōnis, Linus e. a. in klaagliederen herdacht werd.Manes, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen, als goden gedacht (dii Manes). Zij wonen in de onderwereld en komen, behalve op bepaalde tijden, alleen dan op aarde, wanneer de levenden hen vergeten of verzuimen hun de verschuldigde offers te brengen. Deze offers bestonden uit koren, zout, wijn, melk, enz.—Te hunner eer vierde men den 21stenFebruari het algemeene doodenfeestFeralia, waarbij de tempels van alle goden, die niet tot de onderwereld in betrekking stonden, gesloten waren.Manetho, -thos,Μανέθων, -νεθώς, aegyptisch priester te Heliopolis, leefde onder Ptolemaeus Philadelphus. Onder zijne talrijke geschied-, natuur- en sterrenkundige werken behoorde ook eene geschiedenis van Aegypte (Αἰγυπτιακά) van de oudste tijden tot Alexander d. G., waaruit o. a. eene volledige chronologische lijst van aegyptische koningen bewaard gebleven is. Zijne overige geschriften zijn alle verloren.Mania, volgens de Romeinsche geleerden de moeder der Lares; ze heeft echter nooit vereering genoten. Haar naam is waarschijnlijk afgeleid van demaniae, poppen, die op de Compitalia aan decompitaen voor de huisdeuren werden opgehangen.Μανίαιheetten de Erinyes in sommige deelen van Griekenland, als godinnen, die door hare vervolgingen tot razernij drijven.Maniliae (leges), van den volkstribuun C. Manilius in 66. 1)de libertinorum suffragiis, dat de vrijgelatenen in de tribus van hunnepatroni, en dus in alle tribus zouden mogen stemmen, in plaats van in 4. Deze wet werd door den senaat ongeldig verklaard. Z.Manlia (lex) de libertinorum suffragiis.—2)de imperio Cn. Pompei, dat het voeren van den mithradatischen oorlog aan Pompeius zou worden opgedragen.Manilianae (leges)venalium vendendorum, geene wetten, maar formulieren voor koop en verkoop, opgesteld door den kundigen jurist M’. Manilius, consul in 149.Manilii, plebejisch geslacht, waarvan de meest bekende leden zijn: 1)M’. Manilius, consul in 149, ontving het bevel over het leger, dat tegen Carthago werd afgezonden, doch kon niets uitrichten, evenmin als zijn ambtgenoot L. Marcius Censorīnus. Hij was met Laelius en Scipio bevriend en een scherpzinnig rechtsgeleerde, die gaarne adviezen gaf en ook rechtsgeleerde boeken schreef. Zie ookleges Manilianae.—2)C. Manilius, volkstribuun in 66 (zieleges Maniliae) is het meest bekend door Cicero’s verdediging van het wetsontwerpde imperio Cn. Pompei. In het volgend jaar verdedigde Cicero hem zelf in een proces.—3)Manilius, rom. dichter ten tijde van Augustus, dichter eenerAstronomica, die nog over is.—4)L. Manilius, z.Manliino. 15.Manimi, een stam der Ligii in O. Germania, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel).Manipulus, eene afdeeling van twee centuriën soldaten, ziecohors. Volgens de afleiding der ouden zou de standaard van den manipel (zievexillum) in den beginne bestaan hebben uit een handvol hooi aan een staak gebonden. De latere vexilla der manipels hebben boven op den stok een uitgestrekte hand.Manlia (lex)de vicesima manumissionum, tot invoering eener belasting van 5%, door slaven, die vrijgelaten werden, van hunne marktwaarde te betalen. De voorsteller dezer wet, de consul Cn. Manlius Capitolīnus Imperiōsus (357) (Manliino. 9), riep hiertoe de tribuutcomitiën bijeen, niet te Rome, maar in zijne legerplaats bij Sutrium. De volkstribunen echter namen maatregelen, dat dit niet ten tweede male gebeuren kon.Manlia (lex)de libertinorum suffragiis, van een volkstribuun Cn. Manlius in 58. Misschien is dit wel delex Maniliavan 66. Cn. Manlius wordt ook wel C. Manlius of Manilius genoemd.Manlii, rom. geslacht met patricische en plebejische takken. VoorManliusvindt men ook welMalliusgeschreven. 1)A. Manlius Vulso, consul in 474, dwong de Vejenten tot het sluiten van een veertigjarig bestand.—2)A. Manlius Vulso Capitolīnus, consulairtribuun in 405 en 402, beproefde in het laatste jaar te vergeefs Veji te vermeesteren.—3)L. Manlius Vulso Longus, consul in 256, trok met zijn ambtgenoot M. Atilius Regulus naar Africa. Na eerst de Carthagers bij Ecnomus te hebben verslagen, en Clupea te hebben bezet, keerde Vulso naar Rome terug, terwijl Regulus in Africa bleef. In zijn tweede consulaat (250) belegerde hij met zijn ambtgenoot C. Atilius Regulus tevergeefs de stad Lilybaeum op Sicilia.—4)Cn. Manlius Vulso, consul in 189, overwon de Galatiërs en sloot den vrede met Antiochus III van Syria.—5)A. Manlius Vulso, consul in 178, oorloogde minder gelukkig. De Histri maakten zich van zijn legerkamp aan den mond van den Timāvus meester, maar werden daarna verslagen.—6)M. Manlius Capitolīnus, consul in 392, redde in 389 het Capitool van eene nachtelijke overrompeling door de Galliërs. HetcognomenCapitolinus heeft hij echter niet om deze daad, zooals men wel eens aanneemt, maar omdat hij op het Capitool (dearx) woonde. In 385, toen de schulden der plebejers weder zeer hoog gestegen waren, offerde Manlius een groot deel van zijn vermogen op om plebejers uit de schuldgevangenschap vrij te koopen. De adel beschuldigde hem van verkeerde bedoelingen, doch de houding van het volk boezemde vrees in, enManlius werd vrijgesproken. Of hij hierna werkelijk plannen tot oproer heeft voorbereid, is niet duidelijk. In eene volksvergadering te Rome werd hij wederom vrijgesproken, doch in eene tweede buiten Rome in een bosch gehouden, wegens hoogverraad veroordeeld. Hij werd van de tarpejische rots geworpen, zijn huis verwoest en de voornaam Marcus in degens Manliaafgeschaft (384). Van dit geheele verhaal is alleen historisch het feit van Manlius’ veroordeeling wegens het streven naar de koninklijke macht, de verwoesting van zijn huis, waarvan de grond later aan Iuno Monēta gewijd werd, en het afschaffen van den voornaam Marcus in degens Manlia. Het verhaal van de ondragelijke schulden der plebejers is eerst in den bondgenootenoorlog ontstaan, toen dergelijke toestanden werkelijk bestonden. Zijn broeder A. Manlius Capit. was bij herhaling consulairtribuun.—7)P. Manlius Capitolinus, in 367 te midden der twisten over de licinisch-sextische wetsvoorstellen tot dictator benoemd, toonde zich tegen verwachting jegens deze voorstellen niet vijandig.—8)L. Manlius Capitolinus Imperiōsus, aldus bijgenaamd om zijne gestrengheid, dictator in 363clavi figendi causa, wilde ook eene lichting houden, waarvoor hij niet benoemd was, en ontging met moeite eene veroordeeling.—9)Cn. Manlius Capit. Imper., zoon van no. 8, consul in 359 en 357, censor in 351; z.Manlia (lex) de vicesima manumissionum.—10)T. Manlius Imper. Torquatus, ook een zoon van no. 8, was een uitstekend veldheer, doch een man van een woest en streng karakter. In een tweegevecht met een reusachtigen Galliër in den oorlog van 361 maakte hij diens gouden halsketen buit en werd sedertTorquātusgenoemd. Hij was consul in 347, 344 en 340. In zijn derde consulaat behaalde hij door de zelfopoffering van P. Decius Mus eene schitterende overwinning op de Latijnen bij den Vesuvius, doch liet zijn zoon, die tegen zijns vaders bevel met een uittartenden vijand een strijd had aangevangen en hem verslagen had, ter dood brengen. Vandaar de bekende uitdrukkingManliana imperia. Het verhaal omtrent den slag bij de Vesuvius schijnt verzonnen, daarentegen heeft T. Manlius de Latijnen in 340 bij Trifanum, tusschen Sinuessa en Minturnae verslagen.—Het verhaal omtrent het ter dood brengen van zijn zoon wordt door andere schrijvers op naam van den dictator Postumius (431) gezet. ZiePostumiino. 4.—11)T. Manlius Torquātus, consul in 235 en 224, dictator in 208, sloot in 235, na een opstand der Sarden onderdrukt te hebben, den Ianustempel en streed later tegen de Galliërs (224) en de Carthagers (215). Hij was in het laatste jaarpraetor, en versloeg de verbonden Carthagers en Sarden. De Carthagers werden uit Sardinië verdreven. Hij verloochende de onbuigzaamheid van karakter, aan zijne familie eigen, niet.—12)T. Manlius Torquatusverstiet zijn zoon D. Iunius Silānus (z.Iuniino. 15) uit zijne oogen wegens afpersingen, in Macedonia gepleegd, waarop de zoon zich ophing. De vader woonde de begrafenis niet bij (141).—13)L. Manlius Torquatus, consul in 65, was een groot vriend van den redenaar Hortensius en een zeer vaderlandslievend man. Hij had Catilīna in 65 bijgestaan, toen deze van knevelarij beschuldigd was, doch keerde zich van hem af na de ontdekking der samenzwering.—14)L. Manlius Torquatus, zoon van no. 13, was een vriend van Cicero, die hem in zijn werkde finibus bonorum et malorumsprekend invoert. Hij was meer politiek man dan redenaar. In 62 klaagde hij P. Cornelius Sulla aan (zieCorneliino. 54). In den burgeroorlog sloot hij zich aan bij de partij van Pompeius, werd door Caesar gevangen genomen, doch weder vrijgelaten, en sneuvelde later in Africa (47).—15)Verder komt er nog eene familie vanManlii Acidīnivoor. Onder de Manlii, die zonder familienaam (cognomen) voorkomen, behoort ook C. Manlius (of Mallius), die voor Catilīna troepen bij Faesulae verzamelde en bij Pistoria sneuvelde (62). Verder L. Manlius (Mallius) v. a. L. Manilius, propraetor van Gallia Narbonensis, die in 78 tegen de Sertoriani te velde getrokken was, maar door den quaestor L. Hirtuleius, onderbevelhebber van Sertorius in Hispania geheel verslagen was; op zijn terugkeer naar de provincie werd de rest van zijn leger door de opgestane Aquitaniërs vernietigd en sneuvelde zijn onderbevelhebber L. Valerius Praeconīnus (Valeriino. 25a).Μαντεία, Μαντική, de kunst van het verklaren der teekens, waardoor de godheid haar wil openbaart. Ook bij de Grieken wordt een onderscheid gemaakt tusschen signa oblativa en impetrativa (zieAuguria). Tot de eerste soort (σήματα, τέρατα) behooren verschijnselen aan den hemel, het vliegen of roepen van een grooten vogel (οἰωνός) en dgl. Het zijn in den regel alledaagsche verschijnselen, die alleen door den tijd, de plaats of de omstandigheden, waaronder men ze waarneemt, eene bizondere beteekenis verkrijgen, en dus gewoonlijk gemakkelijk te verklaren zijn als voorboden van geluk of ongeluk; lag de verklaring niet zoo voor de hand, dan riep men de hulp van een deskundige (μάντις, θεοπρόπος, οἰωνοπόλος) in. Altijd was die hulp noodig bij de andere soort van voorteekenen, waarom men de goden vroeg als een bepaald teeken van goed- of afkeuring van een voorgenomen handeling. De meest gebruikelijke wijze, waarop men zulk een teeken meende te vinden, was door de (bij Homerus nog niet genoemde) beschouwing der ingewanden van een geofferd dier (ἱερομαντεία), waartoe men zich van de tusschenkomst van eenἱεροσκόποςbediende. Andere middelen om den wil der goden te vragen, zooals het waarnemen van de lijnen in de hand (χειρομαντεία), van de kringen, veroorzaakt door een in het water geworpen voorwerp (ὑδρομαντεία), het gebruikmaken van loten (κληρομαντεία,sortilegium, z.sortes), en dgl. genoten geen algemeen vertrouwen en het geloof hieraan werd door velen min ofmeer als bijgeloof beschouwd. Zie ookἐγκοίμησις.Mantinēa,Μαντίνεια, eene der oudste steden van Arcadia, nabij de argolische grenzen in eene moerassige streek aan het riviertje Ophis gelegen, waar het des zomers drukkend heet en ’s winters streng koud was. Tot aan de perzische oorlogen bestond het uit vijf dorpen, maar korten tijd daarna (464–459) werd de bevolking in de stad bijeengebracht, en werd het bestuur democratisch. In 385 werd Mantinea door de Spartanen verwoest, doch in 370 iets zuidelijker herbouwd. Door deze verwoesting verloor M. de hegemonie over Arcadia. In 362 behaalde Epaminondas, doch ten koste van zijn leven, bij het naburige bosch Pelagos eene schitterende overwinning op de Spartanen. Later behoorde M. tot het achaeïsch verbond. Toen het echter, bij de groote worsteling met Cleomenes III van Sparta, van het verbond afviel (229) werd het door Arātus, den strateeg der Achaeërs, zwaar gestraft. Ter eere van den macedonischen koning Antigonus Doson werd het in Antigonēa herdoopt. Keizer Hadrianus, die er een prachtigen tempel voor zijn lieveling Antinoüs liet bouwen, gaf aan de stad haar ouden naam terug.Mantius,Μάντιος, zoon van Melampus, vader van Clitus (no. 1) en Polyphīdes.Manto,Μαντώ, dochter van Tiresias. Toen Thebe door de Epigonen was ingenomen, werd zij met een deel van den buit aan den delphischen Apollo gebracht. Op bevel van het orakel werd zij naar Colophon gezonden, om er den tempel en het orakel van ApolloΚλάριοςte stichten. Zij huwde daar met een Cretenser, Rhacius, die den tempel op zijne kosten liet bouwen, en werd bij hem moeder van Mopsus.—V. a. was zij ook in Italië gekomen, en had zij bij Tiberis een zoon gekregen, Ocnus, die de naar haar genoemde stad Mantua stichtte. V. a. is echter deze stad naar een andere Manto, dochter van Heracles, genoemd.Mantua,Μάντουα, oude stad op een eil. in den Mincius (Mincio), reeds door de Etruscers bewoond, toen zij nog als Rasennae in het Po-dal woonden. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49municipium. In het nabijgelegen dorpje Andes was Vergilius geboren.Mantus, de god der onderwereld bij de Etruriërs, gewoonlijk afgebeeld als een zeer groot gevleugeld wezen met woeste trekken, gewapend met een zwaard of hamer.Manubiae(vanmanu habere), in het algemeen buit, in het bijzonder echter dat gedeelte, dat de overwinnende veldheer te zijner beschikking kreeg en dat meestal door hem werd aangewend tot stichting van een tempel, een zuilengang of eenig ander openbaar werk. In ongunstigen zin wordt het woord ook gebezigd van den buit, dien een stadhouder zich door afpersingen verwerft.—In het enkelvoud beteekentmanubiain de taal der augurs een bliksemstraal. ZieAuguriano. 2.Manumissio, vrijlating van slaven. Deze kon op verschillende wijze plaats vinden;—1)vindictaoffestūca. De heer bracht zijn slaaf voor den praetor; diens lictor of een ander trad dan alsassertor(z. a.) op, raakte het hoofd van den slaaf met een roedje (festuca, vindicta) aan, en zeide:hunc hominem liberum esse aio ex iure Quiritium. Daar nu de eigenaar niet tegensprak, verklaarde de praetor den man voor vrij.—2)censu. De meester liet zijn slaaf bij den census in de burgerlijsten inschrijven.—3)testamento. Door deze drie wijzen van vrijlating werd de slaaf niet alleen vrij man, maar ook burger. Als vierde wijze voegde Constantijn de Gr. er de vrijlating in de kerk (in ecclesia) bij. Een feitelijke toestand van vrijheid, doch zonder burgerrecht, was het gevolg van demanumissio inter amicos, binnenshuis in tegenwoordigheid van een vijftal vrienden als getuigen,—per mensam, doordat de eigenaar den slaaf als een vrij man aan tafel noodigde,—per epistulamof onderhandsche schriftelijke verklaring, zielex Iunia Norbana. Delex Aelia Sentia(4 na C.) en delex Furia Caniniabeperkten het recht van vrijlating. Delibertiniwerden alleen in de viertribus urbanaeingeschreven (zie echterlex Manilia).Manusis eigenlijk de macht van den echtgenoot over zijne vrouw, waardoor zij hem als eene dochter,filiae loco, toebehoort, en waardoor al wat zij bij het huwelijk medebrengt of later verwerft, het zijne wordt. Demanuswas het gevolg van een huwelijk, dat gesloten was doorconfarreatioof doorcoëmptio, van een huwelijk doorususalleen dan, wanneer er verjaring (usucapio) had plaats gehad, doordat de vrouw gedurende een vol jaar geentrinoctiumbuiten de echtelijke woning doorgebracht had. Terloops zij hier opgemerkt, dat decoëmptioop zich zelve welmanus, maar nog geen huwelijk tot stand brengt; zij moet met het huwelijk gepaard gaan. De beteekenis vanmanuswordt ook wel uitgebreid tot anderen, die in iemandspotestasen vooral, die in iemandsmancipiumzijn.Manūs iniectio. Wanneer een gedaagde onwillig bevonden werd om met den eischer voor den praetor te verschijnen, dan kon de eischer in tegenwoordigheid van getuigen de hand aan hem slaan en hem met geweld medevoeren. Ook kon zulk eenemanus iniectioin sommige andere gevallen plaats grijpen, b. v. wanneer de verliezende partij weigerachtig of onmachtig was aan het vonnis te voldoen, of wanneer men op heeterdaad betrapt werd, b. v. eenfur manifestus. Delegis actio per manus iniectionemis eene aanvullingsactie waarbij de eischer den praetor vergunning vraagt, om zonder verderein ius vocatioden onwillige te grijpen.Maracanda,τὰ Μαράκανδα, groote hoofdstad van Sogdiāna. Thans Samarkand.Maraces,Μαρακοί,volksstamin Aetolia.Marathon,Μαραθών, vlek op de O.kust van Attica, aan eene vlakte, die de marathonische werd genoemd. Dáár joeg Theseus den marathonischen stier. In de nabijheid,in een niet te breede vallei, behaalde Miltiades in 490 de beroemde overwinning op de Perzen.Marathus,Μάραθος, oude bloeiende koopstad in het N. van Phoenīce tegenover Aradus.Marathūsa,Μαράθουσα, eilandje op de kust van aziatisch Ionia, nabij Clazomenae.Marcellus, familienaam in degens Claudia(Claudiino. 30–38).Marcellus Empiricus, een Galliër van geboorte, lijfarts van keizer Theodosius den Grooten, schrijver van een nog bestaand werk,medicamentorum liber.Marcia (aqua), waterleiding te Rome, die om haar heerlijk water geroemd werd. Zij was in 144 aangelegd door den praetor Q. Marcius Rex.Marcia (lex)de censura, dat niemand ten tweeden male censor zou kunnen worden. Deze wet is aangenomen op verzoek van C. Marcius Rutilus, die in 265 ten tweede male censor was en dit voor het vervolg wilde voorkomen. De voorsteller van de wet is onbekend.Marcia (lex)de Liguribus deditis. M. Popilius Laenas, consul in 173, had een onrechtvaardigen oorlog begonnen tegen den ligurischen stam der Statielli, die geen aanleiding hadden gegeven. Hij had verscheidene duizenden gedood of als slaven verkocht. De volkstribunen M. Marcius Sermo en Q.Marcius Scylla (172) deden met goedvinden van den senaat een wetsvoorstel om Laenas in staat van beschuldiging te stellen. De wet werd aangenomen, en Popilius ontsnapte alleen aan een veroordeeling door de partijdigheid van den praetor.Marcia (lex)agraria, van L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104 (zieMarciino. 15), tot verdeeling van land onder arme burgers. De wet werd niet aangenomen.Marcia Atinia (lex). De vrede met Philippus van Macedonia was in 197 gesloten. M. Claudius Marcellus (Claudiino. 31) echter, voor het volgende jaar tot consul benoemd en begeerig den oorlog te heropenen, trachtte den senaat voor te spiegelen, dat de vrede van de zijde van Philippus slechts bedrog was. Daarom lieten de volkstribunen Q. Marcius Rex en C. Antinius Labeo den vrede door een plebisciet bekrachtigen.Marcia Porcia (lex), z.Maria (Marcia) Porcia (lex).Marciāna carmina, een boek met voorspellingen van zekeren beroemden waarzegger Marcius, dat in 213 ontdekt was en waarin de noodlottige afloop van den slag bij Cannae was voorspeld. De voorschriften van het tweedecarmenwerden door den senaat opgevolgd.Marciāna Silva, vroegerAbnoba monsgeheeten, het tegenw. Schwarzwald, in het Z.W. van Germania.Marcianopolis,Μαρκιανόπολις, stad in Moesia inferior, even ten Z. van Odessus dicht bij de kust. Traiānus had ze naar zijne zuster Marcia aldus genoemd.Marciānus,Μαρκιανός, 1) aardrijkskundigeuitHeraclēa in Pontus, ± 400 na C., ontwerper van eenπερίπλουςder bekende wereld, met afstandswijzer.—2)Aelius Marcianus, rom. jurist, wiens werken zijn uitgekomen na 217 n. C. (dood van keizer Caracalla).—3)Felix Capella Marcianus, ± 470 na C. uit Madaura in Africa, schrijver eener soort van encyclopaedie der zeven vrije kunsten, onder den titelSatiraofSatiricon.—4)ZieTheodosiusno. 3.Marcii, een geslacht met verschillende takken, alsRex, Rutilus(laterCensorīnus),Crispus, Figulus, Philippus, Tremuluse. a. De eerste drie zijn patriciërs, de andere plebejers. 1)Numa Marciusvolgde koning Numa Pompilius naar Rome en was diens raadsman bij de regeling van den eeredienst.—2)Ancus Marcius, vierde koning van Rome, kleinzoon van no.1. ZieAncus Marcius.—3)Cn. Marcius, bijgenaamdCoriolānusnaar de verovering van Corioli in het gebied der Volscen. Volgens de overlevering zou hij bij gelegenheid van een hongersnood de plebejers door honger hebben willen dwingen tot afschaffing van het volkstribunaat (491). Dientengevolge verbannen, zocht hij hulp bij de Volscen, bracht aan het hoofd van een volscisch leger Rome tot op het uiterste in het nauw en liet zich slechts door de smeekbeden zijner moeder Veturia en zijner vrouw Volumnia bewegen om af te trekken. Volgens sommigen zou hij niet lang daarna door de Volscen vermoord zijn, volgens anderen op hoogen leeftijd als balling gestorven zijn.—4)Q. Marcius Rex, consul in 118, oorloogde tegen de Stoeni, een Alpenvolk in Liguria. Onder zijn consulaat werd Narbo (Narbonne) in Gallia Transalpīna gekoloniseerd als Narbo Martius.—5)Q. Marcius Rex, consul in 68, zwager van P. Clodius. Daar zijn ambtgenoot L. Caecilius Metellus in zijn ambtsjaar stierf en diens benoemde opvolger nog voor de aanvaarding van zijn ambt overleed, liet men Rex verder alleen regeeren. Na afloop van het consulaat werd hij alsproconsulnaar Cilicië gezonden. Toen hij na zijn terugkeer zichad urbembevond, wachtende op dentriumphus, werd hij in 63 door den senaat naar Etruria gezonden, om den Catilinariër Manlius te keer te gaan.—6)C. Marcius Rutilusoverwon in 357 als consul de Privernaten (in Latium). In 356 was hij de eerste dictator uit de plebs en zegepraalde over de Etruscers. In 352 was hij andermaal consul, met P. Valerius Poplicola. Dit consulaat is merkwaardig doordat er toen, om aan den algemeenen schuldnood te gemoet te komen, eene soort staatsbank werd opgericht (ziequinqueviri mensarii). In 351 was Rutilus de eerste plebejische censor. In 344 en 342 bekleedde hij nogmaals het consulaat.—7)C. Marcius Rutilus, zoon van no.6, werd als consul in 310 door de Samnieten verslagen en was censor in 294. In 265 was hij wederom censor, wat hem den bijnaamCensorīnusverschafte. Hij berispte het volk, dat het ten tweeden male het censorschap aan denzelfden persoon had opgedragen, en verzocht het volk eene wet hiertegen te maken (zielex Marcia).—8)L. Marcius Censorinus,belegerde als consul in 149 met zijn ambtgenoot M.’ Manilius te vergeefs Carthago. Hij wordt als een wetenschappelijk man geroemd.—9)C. Marcius Censorinus, redenaar, koos in den burgeroorlog partij voor Marius. Hij werd echter eerst door Pompeius verslagen bij Sena, en vervolgens bij Praeneste door Sulla, in wiens handen hij viel en die hem ter dood liet brengen (82).—10)L. Marcius Censorinus, aanhanger van Antonius, nam deel aan den mutinensischen oorlog. Later was hij propraetor van Achaia.—11)Q. Marcius Crispus, een dapper krijgsman, met Cicero bevriend, belegerde met L. Staius Murcus op bevel van Caesar Q. Caecilius Bassus (Caeciliino. 28) te Apamēa, maar stond in 43 de legioenen, waarover hij in Syria het bevel voerde, aan Cassius af.—12)C. Marcius Figuluswas in den oorlog tegen Perseus (169) rom. vlootvoogd. Voor het jaar 162 werd hij tot consul verkozen, doch moest evenals zijn ambtgenoot P. Cornelius Scipio Nasīca Corculum (Corneliino. 20) alsvitio creatus, zijn ambt nederleggen. In 156 bekleedde hij werkelijk het consulaat en werd hij door de Dalmatae verslagen.—13)C. Marcius Figulus, consul in 64.—14)Q. Marcius Philippus, consul in 186. Hem en zijn ambtgenoot Sp. Postumius Albīnus werd opgedragen een onderzoek in te stellen naar de geheime vereenigingen, tengevolge waarvan de Bacchanaliën bij Senaatsbesluit in geheel Italia verboden werden. In een oorlog tegen de ligurische Apuāni werd hij in een bosch in een hinderlaag gelokt en leed hij een zware nederlaag, waarnaar de plekMarcius saltusis genoemd. In 171 werd hij met A. Atilius Serrānus (Atiliino.8) als gezant naar Griekenland en Macedonia gezonden. Hij wist Perseus om den tuin te leiden en tot een wapenstilstand te bewegen, waardoor de Rom., die met hunne toebereidselen voor den oorlog niet gereed waren, tijd wonnen, terwijl Philippus de Grieken op Rome’s hand bracht. Openlijk beroemde Philippus zich in den senaat op zijn sluwe handelwijze, en de groote meerderheid juichte hem toe. In 169 was hij andermaal consul en bracht Perseus eenige gevoelige verliezen toe. Het einde van den oorlog moest hij echter in 168 aan den nieuwen consul L. Aemilius Paullus overlaten.—15)L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104, consul in 91, was in het eerst een van de mannen der volkspartij (zieMarcia (lex) agraria); uit den tijd van zijn tribunaat is zijn gezegde, dat er in den staat geen tweeduizend welgestelden waren, wat Cicero eencapitalis oratio et ad aequationem bonorum pertinensnoemt; later verzoende hij zich met de optimaten en werkte als consul mede om de wetten van M. Livius Drusus te doen opheffen. Later was hij aan de zijde van Sulla en vervolgens een voorstander van Pompeius, die bij hem in hoog aanzien stond. Hij was een zeer kundig man en een uitstekend redenaar, die vooral degavebezat, onvoorbereid het woord te kunnen voeren.—16)L. Marcius Phillippus, zoon van no.15, huwde met Attia, de moeder van Octaviānus, wiens stiefvader hij dus werd. Hij was zoowel met Caesar als met Cicero bevriend en koos in den burgeroorlog niet openlijk partij.—17)L. Marcius Septimus, rom. ridder, redde in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, het rom. leger van den ondergang. Hij hield met T. Fonteius Crassus het bevel tot aan de komst van P. Scipio (Africānus maior) en streed ook onder hem nog met roem.—18)Q. Marcius Tremulus, consul in 306, streed zegevierend tegen de Samnieten en de Hernicers.—19)Marcius Macer, veldheer van keizer Otho.—20)Q. Marcius Turbo Fronto Publicius Severus, onder Hadriānus stadhouder van Judaea, van Mauretania en later bevelhebber der lijfwacht.—21)Marcius, waarzegger ten tijde van den tweeden punischen oorlog, z.Marciana carmina.Marcodūrum, vlek der Ubii, ten W. van Colonia Agrippīna (Keulen), thans Duren.Marcomanni= grensbewoners, eensuevischestam, schijnen eerst aan den Moenus (Main) te hebben gewoond. Omstreeks het begin onzer jaartelling veroverden zij onder aanvoering van Maroboduus Boiohaemum (Boheme). Marbod, een man van doorzicht en van groote heerschzucht, die te Rome aan het hof van Augustus was opgevoed, wist bij zijn volk een éénhoofdig bestuur en rom. krijgstucht in te voeren, en bracht een groot volkenverbond tot stand. Zijne heerschzucht bracht hem echter in een oorlog met de Cheruscers onder Arminius, later (18 n. C.) werd hij zelf door zijn eigen volk verdreven en week naar Ravenna uit, waar Tiberius hem liet wonen en waar hij ook gestorven is. Zijn werk bleef echter in stand, en de bond van Marcomannen werd later een van de geduchtste vijanden van het rom. rijk. Vooral tijdens de regeering van Domitiānus en van Marcus Aurelius (166–172 en 178–181) werden er bloedige oorlogen gevoerd, totdat Commodus in 181 den vrede kocht. Ook in lateren tijd hadden de Donaulanden van hunne strooptochten te lijden, doch door zware verliezen tegen de Gothen werd hunne macht gebroken en wordt hun naam alleen nog onder de legerscharen van den Hunnenvorst Attila gevonden.Mardi=Amardi.Mardonius,Μαρδόνιος, zoon van Gobryas, schoonzoon van Darīus Hystaspis, werd in 493 door Darīus met een leger naar Griekenland gezonden, maar moest onverrichter zake terugkeeren, daar zijn vlootschipbreukleed en zijn leger in Macedonië teruggeslagen werd. Hij was het, die later Xerxes tot den veldtocht tegen Griekenland dreef, en toen deze na den slag bij Salamis naar Azië terugkeerde, bleef M. op zijn verzoek met een groot leger achter. Nadat hij vergeefs getracht had met Athene onderhandelingen aan te knoopen rukte hij in het voorjaar van 479 van Thessalië uit weder voorwaarts en nam hij Athene in; vervolgens legerde hij zich in Boeotië en leverde hij bij Plataeae den beroemden veldslag,waarin hij na een dappere verdediging sneuvelde.Marea,Μαρέα, stad in het W. der Nijldelta, ten ZZW. van Alexandria, beroemd door den krachtigen wijn, die in den omtrek werd geteeld,vinum Mareoticum. Zij lag aan een groot meer,Mareōtis lacus, dat door Nijlarmen en kanalen werd gevoed en van de zee slechts gescheiden was door de landtong, waarop Alexandria gebouwd was, zoodat deze stad er een reusachtigen binnenhaven aan had.Mareotis,Μαρεῶτις, zieMarea.Marēsa,Μαρησά, Μαρισσά, sterkte in Z. Palaestina aan den weg van Jerusalem naar Ascalon, dicht bij Eleutheropolis.Margala(Margana), stad in Triphylia, in Elis. De inwoners heetenΜαργανῆς.Margiāna,Μαργιανή, gewest in het O. gedeelte van het Perzische rijk, tusschen Parthyaea en Bactriāne, doorsneden door de rivier Margus (Murghâb).Margītes,Μαργίτης, personificatie van verwaande domheid, die in grieksche sprookjes voorkomt, de held van een klein komisch epos, dat ten onrechte aan Homerus, door anderen aan Pigres, werd toegeschreven.Margus,Μάργος, 1) rivier in Moesia Superior die dicht bij Viminacium in den Hister (Donau) valt, tgw. Morava.—2)z.Margiana.Maria (lex)de suffragiis ferendisvan C. Marius, toen hij in 119 volkstribuun was. Deze wet strekte om, door het vernauwen der bruggetjes in de volksvergadering, te voorkomen, dat personen zich er op plaatsten om de stemmenden lastig te vallen of te controleeren, hoe zij stemden.Maria (Marcia) Porcia (lex)de triumphis, van de volkstribunen L. Marius (Marcius) en M. Porcius Cato in 62, dat deimperatores, die een zegetocht wenschten te houden, de waarheid der door hen verstrekte opgaven bij den praetor moesten bezweren.Mariaba, zieSaba.Mariamme,Μαριάμμη, stad in Coelesyria ten W. van Emesa.Mariāna fossa, ziefossa.Mariandȳni,Μαριανδυνοί, niet-thracische volksstam in het O. van Bithynia, bij Heraclēa.Marīca, nimf, echtgenoote van Faunus en moeder van Latinus, of moeder van Faunus; zij had een tempel en heilig bosch bij Minturnae; wat eenmaal in dat bosch gebracht was, mocht er niet weder uitgehaald worden.Marii, plebejisch geslacht. 1)C. Marius, in 156 in het dorp Cereate bij Arpīnum uit ouders, die tot den boerenstand behoorden, geboren, gaf reeds vroeg bewijzen van groote krijgsmanstalenten. In 134 diende hij onder Scipio in den numantijnschen oorlog. In 119 ging hij als volkstribuun door zijnelex de suffragiisde kuiperijen der aanzienlijken bij de verkiezingen te keer. Zijn huwelijk met deadellijkeJulia, de tante van Caesar, verschafte hem de praetuur, en in 114 was hij propraetor in Hispania, waar hij door rechtvaardigheid en handhaving van tucht en veiligheid zich de algemeene achting verwierf. In den jugurthijnschen oorlog bewees hij als legaat groote diensten aan Metellus (109 en 108) en werd voor 107 tot consul gekozen, vooral omdat hij tot de volkspartij behoorde en de optimaten door hunne omkoopbaarheid hun eigen aanzien hadden ondermijnd. In 105 bracht hij den oorlog ten einde en voerde Jugurtha gevankelijk mede naar Rome. Hij triumpheerde 1 Jan. 104. Hierna werd hij, daar Italië door de Cimbren en Teutonen bedreigd werd, vier jaar achtereen (104–101) tot consul gekozen. De Teutonen en Ambronen versloeg hij in 102 bij Aquae Sextiae (Aix in Provence), de Cimbren in 101 bij Vercellae. Hierna werd hij ten zesden male consul (100). In dit consulaat verbond hij zich met den woelzieken volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus en den praetor C. Servilius Glaucia en werkte mede om zijn tegenstander Metellus Numidicus te doen verbannen, die de akkerwet van Saturninus weigerde te bezweren. Vervolgens verloochende hij in het oogenblik van gevaar ook Saturninus en Glaucia. Daar hij begreep, slechts in oorlogstijd de man van beteekenis te zijn, vertrok hij vervolgens naar Azië om met Mithradātes van Pontus onderhandelingen aan te knoopen. In den bondgenootenoorlog verwierf hij zich nieuwe lauweren (90–89). In 88 barstte de mithradatische oorlog uit, doch tot groote teleurstelling van Marius ontging hem zoowel het opperbevel als het consulaat; beiden werden aan Sulla opgedragen. Dit was Marius te veel; door eene wet van den volkstribuun P. Sulpicius Rufus liet hij zich door het volk met het veldheerschap bekleeden, doch Sulla, die Italië nog niet verlaten had, keerde met zijn leger naar Rome terug, Sulpicius werd gedood, Marius en een aantal anderen werden vogelvrij verklaard. Met zijn zoon zwierf hij als gejaagd wild rond; bij Minturnae werd hij gevangen genomen en ontsnapte ter nauwernood aan den dood. Hij stak naar Africa over, waar hij op de puinhoopen van Carthago rondzwierf. Inmiddels keerden de zaken te Rome; Cinna, hoewel eerst verdreven en als consul afgezet, keerde met Marius terug en beiden werden voor het jaar 86 tot consul verkozen. Doch reeds op den 13dendag van zijn consulaat bezweek Marius, evenwel niet zonder eerst nog zijne wraakzucht op de optimaten te hebben botgevierd. Zijne asch werd later op Sulla’s last opgegraven en in het water van den Anio geworpen.—2)C. Marius, aangenomen zoon van no. 1, woest en wreed als zijn vader in diens laatste levensjaren, deelde diens vlucht en kwam met hem terug. In 82 was hij consul. Sulla versloeg hem bij Sacriportus, en Ofella (Lucretiino. 4) belegerde hem in Praeneste. Toen hij de stad niet houden kon en zijne vlucht mislukte, bracht hij zich zelf om.—3)M. Marius Gratidiānus, zieGratidii.—4)M. Marius, een groot vriend van Cicero; hunne villa’s te Pompeii lagen dicht bij elkander.—5)C. Amatius, Pseudo-Marius geheeten, een bedrieger, die zich voor een zoon of neef of kleinzoon van no. 1 uitgaf, door Caesar alsbedrieger weggejaagd en later door M. Antonius ter dood gebracht werd.—6)Marius Celsus, veldheer onder Galba en Otho.—7)L. Marius Maximus, bekleedde in het begin der derde eeuw na C. vele hooge ambten, hij was o. a. proconsul van Africa en later van Asia, en in 223 voor de tweede maal consul. Hij schreef onder Alexander Sevērus biografiën van de keizers, van Nerva tot Elagabalus, in den trant van Suetonius. Excerpten hiervan zijn over in het werk derScriptores historiae Augustae.
M.Macae,Μάκαι, naam van twee volksstammen: op de arabische kust der Perzische golf en op de libysche kust tusschen de Syrten.Macar, Macareus,Μάκαρ, Μακαρεύς, 1) een van de Heliadae (z. a.), vluchtte na den moord van Tenages naar Lesbus.—2)broeder van Canace (z. a.).—3)een van de tochtgenooten van Odysseus.—4)een van de Lapithen op de bruiloft van Pirithous.Macarēis, Issa, dochter van Macar no. 1, beminde van Apollo.Macaria,Μακαρία, dochter van Heracles en Deïanīra, vluchtte met hare broeders uit de Peloponnēsus naar Attica, en beroofde zich vrijwillig van het leven, toen Eurystheus hen vervolgde, omdat een orakel op die voorwaarde aan de Heracliden de overwinning beloofd had.Macaria,Μακαρία, oude naam van zeer vruchtbare eilanden, als Lesbus, Rhodus, Cyprus. Ook elders dragen vruchtbare streken dezen naam, o. a. de vlakte van Messenia, die door de rivier de Pamīsus doorstroomd wordt.Maccabaei, een joodsch geslacht, onder welks leiding de Joden zich ten tijde van Antiochus IV van de syrische heerschappij bevrijdden, en dat gedurende meer dan eene eeuw de regeering in handen had (167–40). De laatste der M. werd door Herōdes gedood.Maccus, een soort van domme Pierrot in defabulae Atellanae.Macedonia,Μακεδονία. De bakermat van het macedonische rijk is te zoeken in het landschap Emathia, ten W. van den Axius (Vardar). Hierdoor vindt men den naamEmathiaook voor Macedonia gebruikt. Hoewel de macedonische koningen de omliggende volken aan hun heerschappij trachtten te onderwerpen, bleef Macedonia toch een onbeteekenende staat tot aan de troonsbeklimming van Philippus II in 360. Deze vergrootte zijn rijk met Paeonia, een deel van Thracia en met het gebied der grieksche volkplantingen langs de kust en op Chalcidice, en maakte van Maced. in de 24 jaren zijner regeering eene machtige zee- en landmogendheid, die den Grieken de hegemonie afdwong. Zijn zoon Alexander de Gr. zette de veroveringen op nog grooter schaal voort. In het tijdperk der diadochen werd Maced. wel tot het europeesche gedeelte van het groote rijk beperkt, doch bleef toch een machtige staat, totdat de oorlog, door Philippus III tegen de Rom. gevoerd (200–197) het in eens van Rome afhankelijk maakte. Onder zijn zoon Perseus (179–168) werd het geheel een buit der Rom., die het voorloopig in vier republieken splitsten (Amphipolis, Thessalonīca, Pella, Pelagonia), totdat het in 146 formeel tot rom. provincie werd gemaakt. De eigenlijke Macedones waren Grieken, die echter in hun ontwikkeling teruggebleven waren, daar ze door niet-grieksche, thracische en illyrische, stammen omgeven waren. Ze werden derhalve door de overige Grieken met minachting als barbaren beschouwd.Macella, kleine vesting in het W. van Sicilia, in het binnenland ten N. van Entella gelegen.Macellum(vanμάκελλον, omheining), overdekte marktplaats voor eetwaren te Rome. Er waren er twee:macellum Liviaeop den Esquilijnschen,macellum magnumop den Caelischen berg. Ook in Pompeii heeft men eenmacellumopgegraven, waarvan de afbeelding op pg. 382 een voorstelling geeft.Macellum.Macellum.Macer, naam van twee rom. dichters. De een,Aemilius Macer, uit Verona, gest. 16, een vriend van Vergilius en Ovidius, vertaalde in latijnsche verzen de dichtwerken van den arts Nicander (2deeeuw) van Colophon. De ander,C. Licinius Macer Calvus(82–48), was lierdichter en een vriend van Catullus. Zie verderLiciniino. 6. Verder maakt Ovidius nog melding van een vriend Macer, vervaardiger van epische gedichten.Macestus,Μάκεστος, rivier in Mysia, die zich met den Rhyndacus vereenigt.Machaerus,Μαχαιροῦς, sterke grensvesting van Palaestina, in het Z. van Peraea, ten O. der Doode Zee. Hier heeft Johannes de Dooper gevangen gezeten.Machanidas,Μαχανίδας, Spartaan, die zich in 210 van de alleenheerschappij meester maakte en wreed regeerde; na drie jaar viel hij in een strijd tegen het achaeïsch verbond (207).Machāon,Μαχάων, zoon van Asclepius en Epione, met zijn broeder Podalirius aanvoerder van eenige thessalische volken in den oorlog tegen Troje, waarin hij den dood vond. Zijne beenderen werden door Nestor naar Griekenland medegenomen, en bij Gerenia vond men zijn graf met een heiligdom.—Beide broeders waren vooral beroemd als geneesheeren, en de naam van M. wordt soms spreekwoordelijk voor een bekwaam geneesheer gebruikt.Machlyes,Μάχλυες, 1) een libysche stam aan de kleine Syrte, ten Z. van de Tritonzee.—2)een scythische stam aan depalus Maeōtis(zee van Azow).Macistus,Μάκιστος, stad in het elische landschap Triphylia. Ook een gebergte op Euboea.Macra,Μάκρης, grensriviertje tusschen Liguria en Etruria, valt bij Luna in de Ligurische zee. Oudtijds was het met den Rubico de Noordgrens van het eigenlijk Italië.Macri campi, vlakte tusschen Parma en Mutina (Modena) in Gallia Cisalpīna.Macrīnus(M. Opellius), eerst jurist, later praefectus praetorio onder Caracalla, vernam bij toeval, dat de keizer hem uit den weg wilde ruimen en liet toen heimelijk Caracalla ombrengen (217 n. C.). Het leger keurde de verheffing van Macrinus op den troon goed. Deze nam zijn jeugdig zoontje Diadumeniānus tot medekeizer aan. Na eene niet zeer roemrijke regeering van 14 maanden (217–218) werden vader en zoon door de oproerige troepen vermoord.Macro(Naevius Sertorius), praefectus praetorio onder Tiberius, opvolger van Seiānus, bracht in 37 na C. Tiberius om, doch werd met zijne vrouw Ennia door Caligula uit den weg geruimd (38).Macrobii,Μακρόβιοι, aethiopische volksstam langs den Z. oceaan.Macrobius(Ambrosius Theodosius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), van wien nog twee werken aanwezig zijn:Saturnalia convivia, in 7 boeken, enCommentarii in Somnium Scipionis, in 2 boeken.Macrōnes,Μάκρωνες, machtige stam aan de Z. kust van de Zwarte Zee, in het O. van Pontus, tusschen de Mosynoeci en de Moschi.Mactorium,Μακτώριον, stad in het Z. van Sicilia, ten N. van Gela.Madauraof-rus,Μάδουρος, stad in Numidia, ten Z.O. van Tipasa, geboorteplaats van den schrijver L. Appuleius.Madēna, distrikt van Armenia Minor.Maduatēni, thracische stam aan den Haemus.Madytus,Μάδυτος, havenstad van de thracische Chersonēsus, aan den Hellespontus.Maeander,Μαίανδρος, rivier in Asia minor, ontspringt in het Z. van Phrygia bij Celaenae, loopt met tallooze kronkelingen door Caria en Ionia en valt tegenover Milētus in zee. De stroomgod is de grootvader van Caeneus, die dan ookMaeandrius iuveniswordt geheeten.Maeandrius,Μαιάνδριος, regeerde na den dood van Polycrates (522), wiens geheimschrijver hij geweest was, eenigen tijd over Samus, toen echter na korten tijd Syloson door de Perzen teruggebracht werd (omstreeks 516), vluchtte M. naar Sparta, waar men hem wegens de schatten, die hij had medegebracht, gevaarlijk achtte en hem het verblijf in de stad verbood.Maecēnas, zieCilnii.Maecius Tarpa(Sp.), kunstcriticus van grooten naam, wien door Augustus de beoordeeling en keus der op te voeren tooneelstukken werd opgedragen.Maedi,Μαιδοί, thracische volksstam aan den Strymon.Maelii, plebejisch geslacht te Rome. 1)Sp. Maelius, rom. ridder, had in den hongersnood van 440 op groote schaal uitdeelingen van koren onder de onvermogenden gehouden. De patriciërs, naijverig op de genegenheid van het volk, beschuldigden hem van opruiing en eerzuchtige bedoelingen. Op zijne weigering, om voor het gerecht te verschijnen, werd hij door C. Servilius Ahāla, mag. equitum van L. Quinctius Cincinnātus, die tot dictatorseditionis sedandae causabenoemd was, op het forum doodgestoken (439). Het vermogen van Maelius werd verbeurd verklaard en zijn huis met den grond gelijk gemaakt; de open plek hierdoor ontstaan, kreeg den naam vanAequimaelium. Volgens een oudere lezing van het verhaal stak C. Servilius Ahāla als ambteloos burger op straat Sp. Maelius dood, omdat deze naar de alleenheerschappij streefde. Het verhaal, waarvan alleen historisch is de terechtstelling van Maelius en het neerhalen van zijn huis, heeft, door het sanctionneeren van den tyrannenmoord, op de latere geschiedenis(men denke aan de vermoording van Caesar) ingewerkt.—2)Sp. Maelius, volkstribuun in 436, vervolgde den bovengenoemden Servilius Ahala, die den gepleegden moord met ballingschap moest boeten.—3)Q. Maelius, was een der twee volkstribunen, die in 321 in de bergengte van Caudium den vrede met de Samnieten hielpen sluiten en hierom met de beide consuls werden uitgeleverd.Maelo, vorst der Sygambri, deed in 12 een inval in Gallia, maar werd door Drusus teruggedreven. ZieClaudiino. 26.Maemacterion,Μαιμακτηριών, 5demaand van het Attische jaar (Nov.–Dec.), z.Annus.Maemactes,Μαιμάκτης, bijnaam van Zeus als god der stormen; te zijner eer werden in de maand Maemacterion de Maemacteria gevierd.Maenades,Μαινάδες, =Bacchae.Maenalia,Μαιναλία, landstreek in Arcadië, ten W. van den berg Maenalus.Maenalius,Μαινάλιος, bijnaam van Pan, naar het gebergte Maenalus, waar hij zich bij voorkeur ophield.Maenalus,Μαίναλον ὄρος, berg en stad in het binnenland van Arcadia, ten ZW. van Mantinēa, geliefkoosd verblijf van den god Pan. Bij dichters:Maenalius deus= Pan,Maenalius= arcadisch,Maenalis ursa= Callisto,Maenalii versus= herderszangen.Maenia (columna), ziecolumna Maenia.Maenia (lex), waarschijnlijk ± 287, v.a. van ± 300,ut in incertum comitiorum eventum patres auctores fierent, d.w.z. dat de patricische leden van den senaat (ziepatres) vooraf de keuzen van de volksvergadering, hoe die ook mochten uitvallen, moesten bekrachtigen. Hierdoor werd depatrum auctoritasniet afgeschaft, maar tot een formaliteit gemaakt. Zie ookPubliliae (leges)no. 2.Maenia (Menenia) (lex)agrariavan den volkstribuun M. Maenius (Menenius), ging niet door, daar zijne ambtgenooten er tegen waren (410). Daarleges agrariaein werkelijkheid zoo vroeg niet voorkomen, is hoogst waarschijnlijk ook deze wet, evenals delex Cassia(zieagrariae leges), verzonnen.Maenia(ofMenenia)Duilia (lex), zieFenus.Maeniānum, balkon aan de voorzijde van een huis, genoemd naar C. Maenius, die als censor in 318 de gebouwen aan het forum van balkons voorzag, om bij openbare feesten meer toeschouwers te kunnen bergen.Maenii, plebejisch geslacht. In 482 en 410 komen Maenii onder de volkstribunen voor met pogingen om ook de plebs aandeel aan denager publicuste verschaffen. De eerste historische persoonlijkheid isC. Maenius, die in 338, als consul met L. Furius Camillus (Furiino. 12), voorspoedig streed tegen de opgestane Latijnen, vooral tegen Antium. In 320 was hij dictator; in 314 werd hij weder tot dictator gekozen om eene samenspanning te Capua te onderzoeken. Toen hij echter zijn onderzoek ook tot Rome wilde uitbreiden, verzette zich de adel, waarop hij zijn ambt neerlegde en zich aan een rechterlijk onderzoek onderwierp, dat glansrijk voor hem afliep. Men vertelt, dat ter eere zijner overwinning op de Antiaten decolumna Maeniana(z. a.) op het forum is opgericht. Zie ookmaenianum. In de eerste helft der 2deeeuw moet er te Rome een gek en verkwister geleefd hebben met name Maenius, over wien Horatius spreekt.Maeon,Μαίων, de aanvoerder der 50 Thebanen, die Tydeus een hinderlaag legden en allen door dezen verslagen werden. M. liet hij echter op bevel van een orakel in leven.Maeonia,Μαιονία, oude naam van Lydia (z. a.) en dientengevolge ook dichterlijk =Etruria.Maeonides,Μαιονίδης, wordt Homerus soms genoemd als zoon van Maeon of als Lydiër (Maeoniër).Maeonis, lydische (maeonische) vrouw, bijv. Omphale, Arachne.Maeōtis palus,Μαιῶτις λίμνη, thans zee van Azow. De omwonende scythische stammen werden met den algemeenen naamMaeotaeaangeduid.Maera,Μαῖρα, 1) de hond van Erigone, z.Icarius.—2)dochter van Proetus, jachtgezellin van Artemis; zij werd bij Zeus moeder van Locrus en werd daarom door Artemis gedood.—3)dochter van Atlas, gehuwd met Tegeātes, den zoon van Lycāon.Maesesses=Melesses.Maevius, zieBavius.Magaba, berg in Galatia, tusschen Ancȳra en den Halys, waar Cn. Manlius Vulso in 189 de Tectosages versloeg.Magas,Μάγας, stiefzoon van Ptolemaeus I, werd door dezen tot stadhouder over Cyrēne aangesteld, doch maakte zich onafhankelijk (280), en wist zich ook tegen Ptolemaeus II te handhaven. Hij stierf in 258. Zie ookApamano. 2.Magdolum,Μάγδολον, Μάγδωλον, stad in Beneden-Aegypte, ten Z.Z.W. van Pelusium.Mageddo=Megiddo.Magetobrīga, stad der Sequani in Gallia Transalpīna.Magi,Μάγοι, een medisch geslacht van priesters, droomuitleggers en orakelduiders, die ook in het staatkundige grooten invloed uitoefenden. Toen de heerschappij van de Mediërs op de Perzen overging, bleven de Magi hunne waardigheden behouden.Magii, plebejisch geslacht uit Campania.Magister admissionum, onder de latere keizers de opperkamerheer, die belast was met de toelating en ontvangst ter audiëntie bij den keizer.Magister equitum, ziedictator.Magister officiorum, hofmaarschalk van de keizerlijke hofhouding. Deze post behoorde tot de hooge hofambten, door Constantijn den Gr. ingesteld.Magister populi, oude titel voor den dictator, als aanvoerder van het voetvolk.Magister scriniorum, hoofd der keizerlijke kanselarij. ZieScrinium.Magna Mater, z.Rhea Cybele.Magnentius(Flavius Magnus), rom. tegenkeizer in het W. des rijks, ontrukte dentroon aan Constans, die in 350 na C. vermoord werd, doch werd door Constantius II bij Sirmium in 352 verslagen en benam zichzelf in 353 na C. te Lugdūnum (Lyon) het leven.Magnes,Μάγνης, een van de attische blijspeldichters vóór Aristophanes, wiens werken dikwijls den eersten prijs behaalden.Magnesia,Μαγνησία, 1) oostelijk gedeelte van Thessalia, eene betrekkelijk smalle strook lands; uitloopende in een landtong, die de golf van Pagasae als het ware omarmt. De inwoners heettenMagnētes,Μάγνητες.—2)stad in Lydia, aan den voet van den berg Sipylus gelegen en daaromMagnesia ad Sipylumgenoemd. Hier werd Antiochus III van Syria door L. Cornelius Scipio Asiaticus (Corneliino. 14) in 190 verslagen.—3)stad in het lydisch-carische grensdistrikt, nabij den Maeander, ten Z.O. van Ephesus, met een beroemden tempel van Artemis. Dit Magnesia was eene der drie steden, waarvan Artaxerxes de inkomsten aan Themistocles toewees.Magnum promunturium, kaap aan den mond van den Tagus, thans kaap Espichel, ook een kaap in Mauretania Caesariensis, dicht bij Siga.Magnus portus, 1) haven in Gallaecia, thans baai van Corunha.—2)haven in Mauretania, thans Oran.Mago,Μάγων, naam van verschillende carthaagsche staatslieden en veldheeren, waaronder vooral drie merkwaardig zijn: 1)Mago de Groote, ± 550–500, beroemd staatsman, die de grondslagen legde tot Carthago’s grootheid en ook als generaal lauweren verwierf.—2)schrijver van een groot werk over den landbouw, dat later op last van den rom. senaat in het Latijn werd vertaald.—3)jongere broeder van Hannibal, die met dezen naar Italia toog en na den slag bij Cannae naar Carthago werd gezonden om het bericht over te brengen en versche troepen te halen. Hij werd echter naar Hispania gezonden ter ondersteuning van zijn broeder Hasdrubal. In 205 stak hij onverwachts van Gades in Spanje, dat hij moest ontruimen, naar Liguria over en veroverde Genua, doch werd in 203 in het gebied der Insubres verslagen, en toen hij in Genua terugkwam, kreeg hij daar het bevel, naar Carthago terug te keeren. V. s. stierf hij onderweg aan zijn wonden of door schipbreuk, v. a. leefde hij in 193 nog.Magontiācum=Mogontiacum.Maharbal, veldheer van Hannibal, die hem na den slag bij Cannae trachtte te overreden om rechtstreeks naar Rome op te trekken.Maia,Μαῖα, Μαιάς, 1) dochter van Atlas en Pleione, de oudste der Pleiaden, bij Zeus moeder van Hermes.—2)italiaansche godin, soms ookMaiestagenoemd. Zij is de gemalin van Vulcānus, maar wordt later dikwijls met de grieksche Maia verward. De maand Mei was naar haar genoemd, en op den 1stenvan die maand bracht de priester van Vulcanus haar een offer.Maiesta=Maiano. 2.Maioriānus(Flavius Iuliānus), een der laatste keizers van het west.-rom. rijk, 457–461 na C. Hij roeide vele misbruiken uit, waardoor hij zich onder de ambtenaren vele vijanden maakte. Toen nu een oorlog tegen den vandaalschen koning Geiserik ongelukkig afliep, werd het leger onder den Sueef Ricimer tot opstand overgehaald en Maiorianus tot afstand gedwongen. Hij stierf weinige dagen later aan eene plotselinge ziekte. Het rijk verloor in hem een edel en doortastend vorst.Μακάρων νῆσοι, ver afgelegen eilanden, waar de heroën, evenals in het Elysium, na driemaal op aarde zonder zonde geleefd te hebben, onder de regeering van Cronus een gelukzalig leven leiden. Zie ookFortunatae insulae.Μάκεδνοι, dorische stam, eerst tijdens Deucalion in Phthiōtis, later aan den Pindus.Malaca,Μάλακα, phoenicische kol., later rom. municipium in Hispania Baetica, thans Malaga.Malchus,Μάλχος, 1) carthaagsch veldheer, ± 600–550, had eerst op Sicilië en Sardinië groote veroveringen gemaakt, en is daardoor de eigenlijke grondlegger geworden van de macht van Carthago, maar toen hij later op Sardinia eene groote nederlaag geleden had, werd hij uit Carthago verbannen. Hij trok toen tegen Carthago te velde, nam het in, en liet een aantal senatoren ter dood brengen. Later werd hij zelf ter dood veroordeeld, omdat hij naar de monarchie streefde. Het verhaal is eenigszins verward, maar toont in elk geval aan, dat het leger toen nog uit Carthagers bestond, en geen huurleger was.—2)koning der Nabataeërs, bondgenoot van Caesar in den alexandrijnschen oorlog.—3)uit Philadelphia no. 2, geschiedschrijver uit de 5deeeuw n. C., die het werk van Priscus no. 2 (z. a.) tot 480 n. C. voortzette.—4)= Porphyrius (z. a.).Malea,Μαλέα, 1) kaap aan de Zuidoostkust van het eil. Lesbus.—2)Z.O. punt van de Peloponnesus, thans kaap S. Angelo, die moeielijk was om te varen wegens de stroomingen en riffen.Maleventum, vroegere naam vanBeneventum.Maliades, Malides,Μαλιάδες, Μαλίδες, nimfen, die kudden en vruchtboomen beschermen.Mālis,Μαλίς, een klein landschap aan de Malische golf,sinus Maliacus, een N.W. inham der Euboeïsche golf. De inwoners heettenMalienses,Μαλιῆς.Malli,Μαλλοί, indisch volk aan den Hydraōtes, een der zijrivieren van den Indus.Mallii, rom. geslacht, dat geene beroemde personen heeft opgeleverd. Bekend is slechts geworden de onbekwame consulCn. Mallius Maximus, die in 105 met den proc. Q. Servilius Caepio (Serviliino. 15) den slag bij Arausio tegen de Cimbren verloor. Zie ookManliino. 15.Malloea,Μαλλοία, vesting in het thessalische landschap Perrhaebia.Mallus,Μαλλός, oude stad van Cilicia nabij den Pyramus.Maluginensis, familien. in degens Cornelia.Mamercīnus, familien. in degens Aemilia.Mamercus, een oscische voornaam, dien wij alleen nog in degens Aemiliaaantreffen.Mamertīni, zonen van Mamers of Mars, campaansche huurtroepen (zieCampania) in dienst van Agathocles, na diens dood (289) uit Syracusae verdreven, nestelden zich toen in Messāna, van waar zij strooptochten deden. Door de Syracusanen in het nauw gebracht, riepen de Mam. Carthagers en Rom. te hulp, hetgeen de aanleiding werd tot den eersten punischen oorlog. Messana komt vervolgensofficieelvoor onder den naamcivitas Mamertinorum. Onder het stadhouderschap van Verres speelde de stad de rol van handlangster.Mamertīnus(Claudius), de schrijver van een dankrede aan keizer Iuliānus (gratiarum actio de consulatu suo Iuliano Imp.), gehouden in 362 n. C. Hij was door Iulianus benoemd totcomes sacrarum largitionum, minister van finantiën, en later totpraefectus praetorio Illyrici et Italiae.Mamilia (lex)van den volkstribuun C. Mamilius Limetānus, tot instelling van een gerechtelijk onderzoek tegen hen, die zich door Jugurtha hadden laten omkoopen (109).Mamilii, rom. geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1)Octavius Mamilius, te Tusculum, schoonzoon van Tarquinius Superbus, verleende hem na diens verdrijving hulp en sneuvelde bij het meer Regillus, evenals zijn zoon.—2)L. Mamilius Tusculānus, dictator van Tusculum, had den Romeinen hulp verleend, toen de Sabijn Herdonius in 460 bij een nachtelijken overval het Capitool vermeesterd had. Hiervoor kreeg L. Mamilius het rom. burgerrecht.—3)Q. Mamilius Vitulus, consul in 262, veroverde Agrigentum op de Puniërs.—4)C. Mamilius Limetānus, zieMamilia (lex).Mammaea(Iulia), moeder van keizer Alex. Sevērus (Severino. 2), voor wien zij wegens zijne jeugd in den beginne als regentes optrad en met beleid het bewind voerde.Mamurius Veturius, metaalwerker uit Etruria. Zieancile.Mamurra, rom. ridder van geringe afkomst, maar die onder Caesar in Gallia zijn fortuin had gemaakt en vervolgens te Rome door zijne houding en buitensporige levenswijze aanstoot gaf. Hij was uit Formiae, dat hierom door Horatius spottendurbs Mamurrarumwordt genoemd.Mancīnus, familienaam in degens Hostilia.Mancipatio, is de plechtige overdrachtper aes et libramvan eene zaak in tegenwoordigheid van 5 getuigen en eenlibripens. De kooper nam met een zeker formulier de zaak over en sloeg met een muntstuk (raudusculum) tegen de weegschaal. Zulk een mancipatio werd wettelijk gevorderd bij den verkoop vanres mancipi. De geheele vorm was eene nabootsing van een verkoop uit den ouden tijd, toen het geld nog werd afgewogen. Deze handeling peraes et libramhad ook plaats bij den huwelijksvorm doorcoëmptioen bij deemancipatio.Mancipi (res). Tot deres mancipibehoorden volgens Ulpianus:praedia in Italico solo, tam rustica, qualis est fundus, quam urbana, qualis domus;item iura praediorum rusticorum, velut via, iter, actus, aquaeductus;item servi et quadrupedes, quae collo dorsove domantur, velut boves, muli, equi, asini. Van de genoemdeiuraof servituten beteekentiterhet recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan,via, er met een voertuig over te rijden,actus, er vee over te drijven,aquaeductus, er water over te leiden. Zie verderservitusno. 1. Ulpianus voegt er nog bij, dat olifanten en kameelen,quamvis collo dorsove domentur, geeneres mancipizijn, daar zij tot debestiaebehooren.Res mancipinu konden in rom. eigendom overgaan doorin iure cessio, afstand ten overstaan van den praetor, door gerechtelijke toewijzing ofadiudicatioof door eene wet, door erfenis en doormancipatio(z. a.). Was er in plaats van de vormelijke mancipatie eene eenvoudigetraditioof overgave van hand in hand gebezigd, dan gaf dit geen wettigen rom. eigendomstitel ofdominium. Zooals echter bij het artikelius honorariumis aangewezen, kon de praetor toestaan,res mancipite bezitten,in bonis habere. Door verjaring,usucapio, d. i. door ongestoord bezit van roerende goederen gedurende één jaar, van onroerende gedurende twee jaren, kon men dan toch hetdominiumverwerven.Mancipium, 1) =mancipatio.—2)het voorwerp der mancipatie, vooral slaven, ook lasten trekdieren.—3)de betrekking van afhankelijkheid, waarin vrijen gebracht waren door mancipatie, zooals b.v. depater fiduciariusverkreeg bij de emancipatio (z. a.) en zooals depater naturalisnog slechts over zijn zoon behield, wanneer deze na den derden schijnverkoop weder aan hem werd teruggegeven. Of wel, wanneer volgens het oudste schuldrecht iemand in de macht van den schuldeischer was overgegaan. Een vrije, diein mancipiowas, was welservi loco, maar daarom nog geenservus.Mandane,Μανδάνη, dochter van Astyages, moeder van den ouden Cyrus.Mandēla, sabijnsch dorpje nabij het landgoed van den dichter Horatius.Mandonius, een Hispaniër, broeder van Indibilis. Hij speelde dezelfde rol van herhaalde onderwerping en afval, tot hij gedood werd (206).Mandrocles,Μανδροκλῆς, van Samus, beroemd bouwmeester, die voor Darīus Hystaspis, toen deze tegen de Scythen optrok, een brug over den Bosporus legde; ter gedachtenis hieraan liet hij in den tempel van Hera op Samus een schilderij ophangen, die den tocht van het leger over de brug voorstelde.Mandropolis,Μανδρόπολις, stad in het Z. van Phrygia.Mandubii,Μανδούβιοι, volk in Gallia ten W. van de Lingones. Tot hun gebied behoorde Alesia (Alise-Ste-Reine), waar Vercingetorix door Caesar belegerd werd.Manduria,Μανδύριον, stad der Sallentīniin Calabria, aan den weg van Tarentum naar Hydruntum (Otranto). Hier sneuvelde de spartaansche koning Archidāmus III in 338 tegen de Lucaniërs en Messapiërs, toen hij Tarentum te hulp kwam. In 209 werd de stad door den consul Q. Fabius Maximus Verrucōsus (Fabiino. 16) veroverd.Maneros,Μανέρως, zoon van den eersten koning van Aegypte, die jong stierf en, evenals Adōnis, Linus e. a. in klaagliederen herdacht werd.Manes, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen, als goden gedacht (dii Manes). Zij wonen in de onderwereld en komen, behalve op bepaalde tijden, alleen dan op aarde, wanneer de levenden hen vergeten of verzuimen hun de verschuldigde offers te brengen. Deze offers bestonden uit koren, zout, wijn, melk, enz.—Te hunner eer vierde men den 21stenFebruari het algemeene doodenfeestFeralia, waarbij de tempels van alle goden, die niet tot de onderwereld in betrekking stonden, gesloten waren.Manetho, -thos,Μανέθων, -νεθώς, aegyptisch priester te Heliopolis, leefde onder Ptolemaeus Philadelphus. Onder zijne talrijke geschied-, natuur- en sterrenkundige werken behoorde ook eene geschiedenis van Aegypte (Αἰγυπτιακά) van de oudste tijden tot Alexander d. G., waaruit o. a. eene volledige chronologische lijst van aegyptische koningen bewaard gebleven is. Zijne overige geschriften zijn alle verloren.Mania, volgens de Romeinsche geleerden de moeder der Lares; ze heeft echter nooit vereering genoten. Haar naam is waarschijnlijk afgeleid van demaniae, poppen, die op de Compitalia aan decompitaen voor de huisdeuren werden opgehangen.Μανίαιheetten de Erinyes in sommige deelen van Griekenland, als godinnen, die door hare vervolgingen tot razernij drijven.Maniliae (leges), van den volkstribuun C. Manilius in 66. 1)de libertinorum suffragiis, dat de vrijgelatenen in de tribus van hunnepatroni, en dus in alle tribus zouden mogen stemmen, in plaats van in 4. Deze wet werd door den senaat ongeldig verklaard. Z.Manlia (lex) de libertinorum suffragiis.—2)de imperio Cn. Pompei, dat het voeren van den mithradatischen oorlog aan Pompeius zou worden opgedragen.Manilianae (leges)venalium vendendorum, geene wetten, maar formulieren voor koop en verkoop, opgesteld door den kundigen jurist M’. Manilius, consul in 149.Manilii, plebejisch geslacht, waarvan de meest bekende leden zijn: 1)M’. Manilius, consul in 149, ontving het bevel over het leger, dat tegen Carthago werd afgezonden, doch kon niets uitrichten, evenmin als zijn ambtgenoot L. Marcius Censorīnus. Hij was met Laelius en Scipio bevriend en een scherpzinnig rechtsgeleerde, die gaarne adviezen gaf en ook rechtsgeleerde boeken schreef. Zie ookleges Manilianae.—2)C. Manilius, volkstribuun in 66 (zieleges Maniliae) is het meest bekend door Cicero’s verdediging van het wetsontwerpde imperio Cn. Pompei. In het volgend jaar verdedigde Cicero hem zelf in een proces.—3)Manilius, rom. dichter ten tijde van Augustus, dichter eenerAstronomica, die nog over is.—4)L. Manilius, z.Manliino. 15.Manimi, een stam der Ligii in O. Germania, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel).Manipulus, eene afdeeling van twee centuriën soldaten, ziecohors. Volgens de afleiding der ouden zou de standaard van den manipel (zievexillum) in den beginne bestaan hebben uit een handvol hooi aan een staak gebonden. De latere vexilla der manipels hebben boven op den stok een uitgestrekte hand.Manlia (lex)de vicesima manumissionum, tot invoering eener belasting van 5%, door slaven, die vrijgelaten werden, van hunne marktwaarde te betalen. De voorsteller dezer wet, de consul Cn. Manlius Capitolīnus Imperiōsus (357) (Manliino. 9), riep hiertoe de tribuutcomitiën bijeen, niet te Rome, maar in zijne legerplaats bij Sutrium. De volkstribunen echter namen maatregelen, dat dit niet ten tweede male gebeuren kon.Manlia (lex)de libertinorum suffragiis, van een volkstribuun Cn. Manlius in 58. Misschien is dit wel delex Maniliavan 66. Cn. Manlius wordt ook wel C. Manlius of Manilius genoemd.Manlii, rom. geslacht met patricische en plebejische takken. VoorManliusvindt men ook welMalliusgeschreven. 1)A. Manlius Vulso, consul in 474, dwong de Vejenten tot het sluiten van een veertigjarig bestand.—2)A. Manlius Vulso Capitolīnus, consulairtribuun in 405 en 402, beproefde in het laatste jaar te vergeefs Veji te vermeesteren.—3)L. Manlius Vulso Longus, consul in 256, trok met zijn ambtgenoot M. Atilius Regulus naar Africa. Na eerst de Carthagers bij Ecnomus te hebben verslagen, en Clupea te hebben bezet, keerde Vulso naar Rome terug, terwijl Regulus in Africa bleef. In zijn tweede consulaat (250) belegerde hij met zijn ambtgenoot C. Atilius Regulus tevergeefs de stad Lilybaeum op Sicilia.—4)Cn. Manlius Vulso, consul in 189, overwon de Galatiërs en sloot den vrede met Antiochus III van Syria.—5)A. Manlius Vulso, consul in 178, oorloogde minder gelukkig. De Histri maakten zich van zijn legerkamp aan den mond van den Timāvus meester, maar werden daarna verslagen.—6)M. Manlius Capitolīnus, consul in 392, redde in 389 het Capitool van eene nachtelijke overrompeling door de Galliërs. HetcognomenCapitolinus heeft hij echter niet om deze daad, zooals men wel eens aanneemt, maar omdat hij op het Capitool (dearx) woonde. In 385, toen de schulden der plebejers weder zeer hoog gestegen waren, offerde Manlius een groot deel van zijn vermogen op om plebejers uit de schuldgevangenschap vrij te koopen. De adel beschuldigde hem van verkeerde bedoelingen, doch de houding van het volk boezemde vrees in, enManlius werd vrijgesproken. Of hij hierna werkelijk plannen tot oproer heeft voorbereid, is niet duidelijk. In eene volksvergadering te Rome werd hij wederom vrijgesproken, doch in eene tweede buiten Rome in een bosch gehouden, wegens hoogverraad veroordeeld. Hij werd van de tarpejische rots geworpen, zijn huis verwoest en de voornaam Marcus in degens Manliaafgeschaft (384). Van dit geheele verhaal is alleen historisch het feit van Manlius’ veroordeeling wegens het streven naar de koninklijke macht, de verwoesting van zijn huis, waarvan de grond later aan Iuno Monēta gewijd werd, en het afschaffen van den voornaam Marcus in degens Manlia. Het verhaal van de ondragelijke schulden der plebejers is eerst in den bondgenootenoorlog ontstaan, toen dergelijke toestanden werkelijk bestonden. Zijn broeder A. Manlius Capit. was bij herhaling consulairtribuun.—7)P. Manlius Capitolinus, in 367 te midden der twisten over de licinisch-sextische wetsvoorstellen tot dictator benoemd, toonde zich tegen verwachting jegens deze voorstellen niet vijandig.—8)L. Manlius Capitolinus Imperiōsus, aldus bijgenaamd om zijne gestrengheid, dictator in 363clavi figendi causa, wilde ook eene lichting houden, waarvoor hij niet benoemd was, en ontging met moeite eene veroordeeling.—9)Cn. Manlius Capit. Imper., zoon van no. 8, consul in 359 en 357, censor in 351; z.Manlia (lex) de vicesima manumissionum.—10)T. Manlius Imper. Torquatus, ook een zoon van no. 8, was een uitstekend veldheer, doch een man van een woest en streng karakter. In een tweegevecht met een reusachtigen Galliër in den oorlog van 361 maakte hij diens gouden halsketen buit en werd sedertTorquātusgenoemd. Hij was consul in 347, 344 en 340. In zijn derde consulaat behaalde hij door de zelfopoffering van P. Decius Mus eene schitterende overwinning op de Latijnen bij den Vesuvius, doch liet zijn zoon, die tegen zijns vaders bevel met een uittartenden vijand een strijd had aangevangen en hem verslagen had, ter dood brengen. Vandaar de bekende uitdrukkingManliana imperia. Het verhaal omtrent den slag bij de Vesuvius schijnt verzonnen, daarentegen heeft T. Manlius de Latijnen in 340 bij Trifanum, tusschen Sinuessa en Minturnae verslagen.—Het verhaal omtrent het ter dood brengen van zijn zoon wordt door andere schrijvers op naam van den dictator Postumius (431) gezet. ZiePostumiino. 4.—11)T. Manlius Torquātus, consul in 235 en 224, dictator in 208, sloot in 235, na een opstand der Sarden onderdrukt te hebben, den Ianustempel en streed later tegen de Galliërs (224) en de Carthagers (215). Hij was in het laatste jaarpraetor, en versloeg de verbonden Carthagers en Sarden. De Carthagers werden uit Sardinië verdreven. Hij verloochende de onbuigzaamheid van karakter, aan zijne familie eigen, niet.—12)T. Manlius Torquatusverstiet zijn zoon D. Iunius Silānus (z.Iuniino. 15) uit zijne oogen wegens afpersingen, in Macedonia gepleegd, waarop de zoon zich ophing. De vader woonde de begrafenis niet bij (141).—13)L. Manlius Torquatus, consul in 65, was een groot vriend van den redenaar Hortensius en een zeer vaderlandslievend man. Hij had Catilīna in 65 bijgestaan, toen deze van knevelarij beschuldigd was, doch keerde zich van hem af na de ontdekking der samenzwering.—14)L. Manlius Torquatus, zoon van no. 13, was een vriend van Cicero, die hem in zijn werkde finibus bonorum et malorumsprekend invoert. Hij was meer politiek man dan redenaar. In 62 klaagde hij P. Cornelius Sulla aan (zieCorneliino. 54). In den burgeroorlog sloot hij zich aan bij de partij van Pompeius, werd door Caesar gevangen genomen, doch weder vrijgelaten, en sneuvelde later in Africa (47).—15)Verder komt er nog eene familie vanManlii Acidīnivoor. Onder de Manlii, die zonder familienaam (cognomen) voorkomen, behoort ook C. Manlius (of Mallius), die voor Catilīna troepen bij Faesulae verzamelde en bij Pistoria sneuvelde (62). Verder L. Manlius (Mallius) v. a. L. Manilius, propraetor van Gallia Narbonensis, die in 78 tegen de Sertoriani te velde getrokken was, maar door den quaestor L. Hirtuleius, onderbevelhebber van Sertorius in Hispania geheel verslagen was; op zijn terugkeer naar de provincie werd de rest van zijn leger door de opgestane Aquitaniërs vernietigd en sneuvelde zijn onderbevelhebber L. Valerius Praeconīnus (Valeriino. 25a).Μαντεία, Μαντική, de kunst van het verklaren der teekens, waardoor de godheid haar wil openbaart. Ook bij de Grieken wordt een onderscheid gemaakt tusschen signa oblativa en impetrativa (zieAuguria). Tot de eerste soort (σήματα, τέρατα) behooren verschijnselen aan den hemel, het vliegen of roepen van een grooten vogel (οἰωνός) en dgl. Het zijn in den regel alledaagsche verschijnselen, die alleen door den tijd, de plaats of de omstandigheden, waaronder men ze waarneemt, eene bizondere beteekenis verkrijgen, en dus gewoonlijk gemakkelijk te verklaren zijn als voorboden van geluk of ongeluk; lag de verklaring niet zoo voor de hand, dan riep men de hulp van een deskundige (μάντις, θεοπρόπος, οἰωνοπόλος) in. Altijd was die hulp noodig bij de andere soort van voorteekenen, waarom men de goden vroeg als een bepaald teeken van goed- of afkeuring van een voorgenomen handeling. De meest gebruikelijke wijze, waarop men zulk een teeken meende te vinden, was door de (bij Homerus nog niet genoemde) beschouwing der ingewanden van een geofferd dier (ἱερομαντεία), waartoe men zich van de tusschenkomst van eenἱεροσκόποςbediende. Andere middelen om den wil der goden te vragen, zooals het waarnemen van de lijnen in de hand (χειρομαντεία), van de kringen, veroorzaakt door een in het water geworpen voorwerp (ὑδρομαντεία), het gebruikmaken van loten (κληρομαντεία,sortilegium, z.sortes), en dgl. genoten geen algemeen vertrouwen en het geloof hieraan werd door velen min ofmeer als bijgeloof beschouwd. Zie ookἐγκοίμησις.Mantinēa,Μαντίνεια, eene der oudste steden van Arcadia, nabij de argolische grenzen in eene moerassige streek aan het riviertje Ophis gelegen, waar het des zomers drukkend heet en ’s winters streng koud was. Tot aan de perzische oorlogen bestond het uit vijf dorpen, maar korten tijd daarna (464–459) werd de bevolking in de stad bijeengebracht, en werd het bestuur democratisch. In 385 werd Mantinea door de Spartanen verwoest, doch in 370 iets zuidelijker herbouwd. Door deze verwoesting verloor M. de hegemonie over Arcadia. In 362 behaalde Epaminondas, doch ten koste van zijn leven, bij het naburige bosch Pelagos eene schitterende overwinning op de Spartanen. Later behoorde M. tot het achaeïsch verbond. Toen het echter, bij de groote worsteling met Cleomenes III van Sparta, van het verbond afviel (229) werd het door Arātus, den strateeg der Achaeërs, zwaar gestraft. Ter eere van den macedonischen koning Antigonus Doson werd het in Antigonēa herdoopt. Keizer Hadrianus, die er een prachtigen tempel voor zijn lieveling Antinoüs liet bouwen, gaf aan de stad haar ouden naam terug.Mantius,Μάντιος, zoon van Melampus, vader van Clitus (no. 1) en Polyphīdes.Manto,Μαντώ, dochter van Tiresias. Toen Thebe door de Epigonen was ingenomen, werd zij met een deel van den buit aan den delphischen Apollo gebracht. Op bevel van het orakel werd zij naar Colophon gezonden, om er den tempel en het orakel van ApolloΚλάριοςte stichten. Zij huwde daar met een Cretenser, Rhacius, die den tempel op zijne kosten liet bouwen, en werd bij hem moeder van Mopsus.—V. a. was zij ook in Italië gekomen, en had zij bij Tiberis een zoon gekregen, Ocnus, die de naar haar genoemde stad Mantua stichtte. V. a. is echter deze stad naar een andere Manto, dochter van Heracles, genoemd.Mantua,Μάντουα, oude stad op een eil. in den Mincius (Mincio), reeds door de Etruscers bewoond, toen zij nog als Rasennae in het Po-dal woonden. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49municipium. In het nabijgelegen dorpje Andes was Vergilius geboren.Mantus, de god der onderwereld bij de Etruriërs, gewoonlijk afgebeeld als een zeer groot gevleugeld wezen met woeste trekken, gewapend met een zwaard of hamer.Manubiae(vanmanu habere), in het algemeen buit, in het bijzonder echter dat gedeelte, dat de overwinnende veldheer te zijner beschikking kreeg en dat meestal door hem werd aangewend tot stichting van een tempel, een zuilengang of eenig ander openbaar werk. In ongunstigen zin wordt het woord ook gebezigd van den buit, dien een stadhouder zich door afpersingen verwerft.—In het enkelvoud beteekentmanubiain de taal der augurs een bliksemstraal. ZieAuguriano. 2.Manumissio, vrijlating van slaven. Deze kon op verschillende wijze plaats vinden;—1)vindictaoffestūca. De heer bracht zijn slaaf voor den praetor; diens lictor of een ander trad dan alsassertor(z. a.) op, raakte het hoofd van den slaaf met een roedje (festuca, vindicta) aan, en zeide:hunc hominem liberum esse aio ex iure Quiritium. Daar nu de eigenaar niet tegensprak, verklaarde de praetor den man voor vrij.—2)censu. De meester liet zijn slaaf bij den census in de burgerlijsten inschrijven.—3)testamento. Door deze drie wijzen van vrijlating werd de slaaf niet alleen vrij man, maar ook burger. Als vierde wijze voegde Constantijn de Gr. er de vrijlating in de kerk (in ecclesia) bij. Een feitelijke toestand van vrijheid, doch zonder burgerrecht, was het gevolg van demanumissio inter amicos, binnenshuis in tegenwoordigheid van een vijftal vrienden als getuigen,—per mensam, doordat de eigenaar den slaaf als een vrij man aan tafel noodigde,—per epistulamof onderhandsche schriftelijke verklaring, zielex Iunia Norbana. Delex Aelia Sentia(4 na C.) en delex Furia Caniniabeperkten het recht van vrijlating. Delibertiniwerden alleen in de viertribus urbanaeingeschreven (zie echterlex Manilia).Manusis eigenlijk de macht van den echtgenoot over zijne vrouw, waardoor zij hem als eene dochter,filiae loco, toebehoort, en waardoor al wat zij bij het huwelijk medebrengt of later verwerft, het zijne wordt. Demanuswas het gevolg van een huwelijk, dat gesloten was doorconfarreatioof doorcoëmptio, van een huwelijk doorususalleen dan, wanneer er verjaring (usucapio) had plaats gehad, doordat de vrouw gedurende een vol jaar geentrinoctiumbuiten de echtelijke woning doorgebracht had. Terloops zij hier opgemerkt, dat decoëmptioop zich zelve welmanus, maar nog geen huwelijk tot stand brengt; zij moet met het huwelijk gepaard gaan. De beteekenis vanmanuswordt ook wel uitgebreid tot anderen, die in iemandspotestasen vooral, die in iemandsmancipiumzijn.Manūs iniectio. Wanneer een gedaagde onwillig bevonden werd om met den eischer voor den praetor te verschijnen, dan kon de eischer in tegenwoordigheid van getuigen de hand aan hem slaan en hem met geweld medevoeren. Ook kon zulk eenemanus iniectioin sommige andere gevallen plaats grijpen, b. v. wanneer de verliezende partij weigerachtig of onmachtig was aan het vonnis te voldoen, of wanneer men op heeterdaad betrapt werd, b. v. eenfur manifestus. Delegis actio per manus iniectionemis eene aanvullingsactie waarbij de eischer den praetor vergunning vraagt, om zonder verderein ius vocatioden onwillige te grijpen.Maracanda,τὰ Μαράκανδα, groote hoofdstad van Sogdiāna. Thans Samarkand.Maraces,Μαρακοί,volksstamin Aetolia.Marathon,Μαραθών, vlek op de O.kust van Attica, aan eene vlakte, die de marathonische werd genoemd. Dáár joeg Theseus den marathonischen stier. In de nabijheid,in een niet te breede vallei, behaalde Miltiades in 490 de beroemde overwinning op de Perzen.Marathus,Μάραθος, oude bloeiende koopstad in het N. van Phoenīce tegenover Aradus.Marathūsa,Μαράθουσα, eilandje op de kust van aziatisch Ionia, nabij Clazomenae.Marcellus, familienaam in degens Claudia(Claudiino. 30–38).Marcellus Empiricus, een Galliër van geboorte, lijfarts van keizer Theodosius den Grooten, schrijver van een nog bestaand werk,medicamentorum liber.Marcia (aqua), waterleiding te Rome, die om haar heerlijk water geroemd werd. Zij was in 144 aangelegd door den praetor Q. Marcius Rex.Marcia (lex)de censura, dat niemand ten tweeden male censor zou kunnen worden. Deze wet is aangenomen op verzoek van C. Marcius Rutilus, die in 265 ten tweede male censor was en dit voor het vervolg wilde voorkomen. De voorsteller van de wet is onbekend.Marcia (lex)de Liguribus deditis. M. Popilius Laenas, consul in 173, had een onrechtvaardigen oorlog begonnen tegen den ligurischen stam der Statielli, die geen aanleiding hadden gegeven. Hij had verscheidene duizenden gedood of als slaven verkocht. De volkstribunen M. Marcius Sermo en Q.Marcius Scylla (172) deden met goedvinden van den senaat een wetsvoorstel om Laenas in staat van beschuldiging te stellen. De wet werd aangenomen, en Popilius ontsnapte alleen aan een veroordeeling door de partijdigheid van den praetor.Marcia (lex)agraria, van L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104 (zieMarciino. 15), tot verdeeling van land onder arme burgers. De wet werd niet aangenomen.Marcia Atinia (lex). De vrede met Philippus van Macedonia was in 197 gesloten. M. Claudius Marcellus (Claudiino. 31) echter, voor het volgende jaar tot consul benoemd en begeerig den oorlog te heropenen, trachtte den senaat voor te spiegelen, dat de vrede van de zijde van Philippus slechts bedrog was. Daarom lieten de volkstribunen Q. Marcius Rex en C. Antinius Labeo den vrede door een plebisciet bekrachtigen.Marcia Porcia (lex), z.Maria (Marcia) Porcia (lex).Marciāna carmina, een boek met voorspellingen van zekeren beroemden waarzegger Marcius, dat in 213 ontdekt was en waarin de noodlottige afloop van den slag bij Cannae was voorspeld. De voorschriften van het tweedecarmenwerden door den senaat opgevolgd.Marciāna Silva, vroegerAbnoba monsgeheeten, het tegenw. Schwarzwald, in het Z.W. van Germania.Marcianopolis,Μαρκιανόπολις, stad in Moesia inferior, even ten Z. van Odessus dicht bij de kust. Traiānus had ze naar zijne zuster Marcia aldus genoemd.Marciānus,Μαρκιανός, 1) aardrijkskundigeuitHeraclēa in Pontus, ± 400 na C., ontwerper van eenπερίπλουςder bekende wereld, met afstandswijzer.—2)Aelius Marcianus, rom. jurist, wiens werken zijn uitgekomen na 217 n. C. (dood van keizer Caracalla).—3)Felix Capella Marcianus, ± 470 na C. uit Madaura in Africa, schrijver eener soort van encyclopaedie der zeven vrije kunsten, onder den titelSatiraofSatiricon.—4)ZieTheodosiusno. 3.Marcii, een geslacht met verschillende takken, alsRex, Rutilus(laterCensorīnus),Crispus, Figulus, Philippus, Tremuluse. a. De eerste drie zijn patriciërs, de andere plebejers. 1)Numa Marciusvolgde koning Numa Pompilius naar Rome en was diens raadsman bij de regeling van den eeredienst.—2)Ancus Marcius, vierde koning van Rome, kleinzoon van no.1. ZieAncus Marcius.—3)Cn. Marcius, bijgenaamdCoriolānusnaar de verovering van Corioli in het gebied der Volscen. Volgens de overlevering zou hij bij gelegenheid van een hongersnood de plebejers door honger hebben willen dwingen tot afschaffing van het volkstribunaat (491). Dientengevolge verbannen, zocht hij hulp bij de Volscen, bracht aan het hoofd van een volscisch leger Rome tot op het uiterste in het nauw en liet zich slechts door de smeekbeden zijner moeder Veturia en zijner vrouw Volumnia bewegen om af te trekken. Volgens sommigen zou hij niet lang daarna door de Volscen vermoord zijn, volgens anderen op hoogen leeftijd als balling gestorven zijn.—4)Q. Marcius Rex, consul in 118, oorloogde tegen de Stoeni, een Alpenvolk in Liguria. Onder zijn consulaat werd Narbo (Narbonne) in Gallia Transalpīna gekoloniseerd als Narbo Martius.—5)Q. Marcius Rex, consul in 68, zwager van P. Clodius. Daar zijn ambtgenoot L. Caecilius Metellus in zijn ambtsjaar stierf en diens benoemde opvolger nog voor de aanvaarding van zijn ambt overleed, liet men Rex verder alleen regeeren. Na afloop van het consulaat werd hij alsproconsulnaar Cilicië gezonden. Toen hij na zijn terugkeer zichad urbembevond, wachtende op dentriumphus, werd hij in 63 door den senaat naar Etruria gezonden, om den Catilinariër Manlius te keer te gaan.—6)C. Marcius Rutilusoverwon in 357 als consul de Privernaten (in Latium). In 356 was hij de eerste dictator uit de plebs en zegepraalde over de Etruscers. In 352 was hij andermaal consul, met P. Valerius Poplicola. Dit consulaat is merkwaardig doordat er toen, om aan den algemeenen schuldnood te gemoet te komen, eene soort staatsbank werd opgericht (ziequinqueviri mensarii). In 351 was Rutilus de eerste plebejische censor. In 344 en 342 bekleedde hij nogmaals het consulaat.—7)C. Marcius Rutilus, zoon van no.6, werd als consul in 310 door de Samnieten verslagen en was censor in 294. In 265 was hij wederom censor, wat hem den bijnaamCensorīnusverschafte. Hij berispte het volk, dat het ten tweeden male het censorschap aan denzelfden persoon had opgedragen, en verzocht het volk eene wet hiertegen te maken (zielex Marcia).—8)L. Marcius Censorinus,belegerde als consul in 149 met zijn ambtgenoot M.’ Manilius te vergeefs Carthago. Hij wordt als een wetenschappelijk man geroemd.—9)C. Marcius Censorinus, redenaar, koos in den burgeroorlog partij voor Marius. Hij werd echter eerst door Pompeius verslagen bij Sena, en vervolgens bij Praeneste door Sulla, in wiens handen hij viel en die hem ter dood liet brengen (82).—10)L. Marcius Censorinus, aanhanger van Antonius, nam deel aan den mutinensischen oorlog. Later was hij propraetor van Achaia.—11)Q. Marcius Crispus, een dapper krijgsman, met Cicero bevriend, belegerde met L. Staius Murcus op bevel van Caesar Q. Caecilius Bassus (Caeciliino. 28) te Apamēa, maar stond in 43 de legioenen, waarover hij in Syria het bevel voerde, aan Cassius af.—12)C. Marcius Figuluswas in den oorlog tegen Perseus (169) rom. vlootvoogd. Voor het jaar 162 werd hij tot consul verkozen, doch moest evenals zijn ambtgenoot P. Cornelius Scipio Nasīca Corculum (Corneliino. 20) alsvitio creatus, zijn ambt nederleggen. In 156 bekleedde hij werkelijk het consulaat en werd hij door de Dalmatae verslagen.—13)C. Marcius Figulus, consul in 64.—14)Q. Marcius Philippus, consul in 186. Hem en zijn ambtgenoot Sp. Postumius Albīnus werd opgedragen een onderzoek in te stellen naar de geheime vereenigingen, tengevolge waarvan de Bacchanaliën bij Senaatsbesluit in geheel Italia verboden werden. In een oorlog tegen de ligurische Apuāni werd hij in een bosch in een hinderlaag gelokt en leed hij een zware nederlaag, waarnaar de plekMarcius saltusis genoemd. In 171 werd hij met A. Atilius Serrānus (Atiliino.8) als gezant naar Griekenland en Macedonia gezonden. Hij wist Perseus om den tuin te leiden en tot een wapenstilstand te bewegen, waardoor de Rom., die met hunne toebereidselen voor den oorlog niet gereed waren, tijd wonnen, terwijl Philippus de Grieken op Rome’s hand bracht. Openlijk beroemde Philippus zich in den senaat op zijn sluwe handelwijze, en de groote meerderheid juichte hem toe. In 169 was hij andermaal consul en bracht Perseus eenige gevoelige verliezen toe. Het einde van den oorlog moest hij echter in 168 aan den nieuwen consul L. Aemilius Paullus overlaten.—15)L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104, consul in 91, was in het eerst een van de mannen der volkspartij (zieMarcia (lex) agraria); uit den tijd van zijn tribunaat is zijn gezegde, dat er in den staat geen tweeduizend welgestelden waren, wat Cicero eencapitalis oratio et ad aequationem bonorum pertinensnoemt; later verzoende hij zich met de optimaten en werkte als consul mede om de wetten van M. Livius Drusus te doen opheffen. Later was hij aan de zijde van Sulla en vervolgens een voorstander van Pompeius, die bij hem in hoog aanzien stond. Hij was een zeer kundig man en een uitstekend redenaar, die vooral degavebezat, onvoorbereid het woord te kunnen voeren.—16)L. Marcius Phillippus, zoon van no.15, huwde met Attia, de moeder van Octaviānus, wiens stiefvader hij dus werd. Hij was zoowel met Caesar als met Cicero bevriend en koos in den burgeroorlog niet openlijk partij.—17)L. Marcius Septimus, rom. ridder, redde in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, het rom. leger van den ondergang. Hij hield met T. Fonteius Crassus het bevel tot aan de komst van P. Scipio (Africānus maior) en streed ook onder hem nog met roem.—18)Q. Marcius Tremulus, consul in 306, streed zegevierend tegen de Samnieten en de Hernicers.—19)Marcius Macer, veldheer van keizer Otho.—20)Q. Marcius Turbo Fronto Publicius Severus, onder Hadriānus stadhouder van Judaea, van Mauretania en later bevelhebber der lijfwacht.—21)Marcius, waarzegger ten tijde van den tweeden punischen oorlog, z.Marciana carmina.Marcodūrum, vlek der Ubii, ten W. van Colonia Agrippīna (Keulen), thans Duren.Marcomanni= grensbewoners, eensuevischestam, schijnen eerst aan den Moenus (Main) te hebben gewoond. Omstreeks het begin onzer jaartelling veroverden zij onder aanvoering van Maroboduus Boiohaemum (Boheme). Marbod, een man van doorzicht en van groote heerschzucht, die te Rome aan het hof van Augustus was opgevoed, wist bij zijn volk een éénhoofdig bestuur en rom. krijgstucht in te voeren, en bracht een groot volkenverbond tot stand. Zijne heerschzucht bracht hem echter in een oorlog met de Cheruscers onder Arminius, later (18 n. C.) werd hij zelf door zijn eigen volk verdreven en week naar Ravenna uit, waar Tiberius hem liet wonen en waar hij ook gestorven is. Zijn werk bleef echter in stand, en de bond van Marcomannen werd later een van de geduchtste vijanden van het rom. rijk. Vooral tijdens de regeering van Domitiānus en van Marcus Aurelius (166–172 en 178–181) werden er bloedige oorlogen gevoerd, totdat Commodus in 181 den vrede kocht. Ook in lateren tijd hadden de Donaulanden van hunne strooptochten te lijden, doch door zware verliezen tegen de Gothen werd hunne macht gebroken en wordt hun naam alleen nog onder de legerscharen van den Hunnenvorst Attila gevonden.Mardi=Amardi.Mardonius,Μαρδόνιος, zoon van Gobryas, schoonzoon van Darīus Hystaspis, werd in 493 door Darīus met een leger naar Griekenland gezonden, maar moest onverrichter zake terugkeeren, daar zijn vlootschipbreukleed en zijn leger in Macedonië teruggeslagen werd. Hij was het, die later Xerxes tot den veldtocht tegen Griekenland dreef, en toen deze na den slag bij Salamis naar Azië terugkeerde, bleef M. op zijn verzoek met een groot leger achter. Nadat hij vergeefs getracht had met Athene onderhandelingen aan te knoopen rukte hij in het voorjaar van 479 van Thessalië uit weder voorwaarts en nam hij Athene in; vervolgens legerde hij zich in Boeotië en leverde hij bij Plataeae den beroemden veldslag,waarin hij na een dappere verdediging sneuvelde.Marea,Μαρέα, stad in het W. der Nijldelta, ten ZZW. van Alexandria, beroemd door den krachtigen wijn, die in den omtrek werd geteeld,vinum Mareoticum. Zij lag aan een groot meer,Mareōtis lacus, dat door Nijlarmen en kanalen werd gevoed en van de zee slechts gescheiden was door de landtong, waarop Alexandria gebouwd was, zoodat deze stad er een reusachtigen binnenhaven aan had.Mareotis,Μαρεῶτις, zieMarea.Marēsa,Μαρησά, Μαρισσά, sterkte in Z. Palaestina aan den weg van Jerusalem naar Ascalon, dicht bij Eleutheropolis.Margala(Margana), stad in Triphylia, in Elis. De inwoners heetenΜαργανῆς.Margiāna,Μαργιανή, gewest in het O. gedeelte van het Perzische rijk, tusschen Parthyaea en Bactriāne, doorsneden door de rivier Margus (Murghâb).Margītes,Μαργίτης, personificatie van verwaande domheid, die in grieksche sprookjes voorkomt, de held van een klein komisch epos, dat ten onrechte aan Homerus, door anderen aan Pigres, werd toegeschreven.Margus,Μάργος, 1) rivier in Moesia Superior die dicht bij Viminacium in den Hister (Donau) valt, tgw. Morava.—2)z.Margiana.Maria (lex)de suffragiis ferendisvan C. Marius, toen hij in 119 volkstribuun was. Deze wet strekte om, door het vernauwen der bruggetjes in de volksvergadering, te voorkomen, dat personen zich er op plaatsten om de stemmenden lastig te vallen of te controleeren, hoe zij stemden.Maria (Marcia) Porcia (lex)de triumphis, van de volkstribunen L. Marius (Marcius) en M. Porcius Cato in 62, dat deimperatores, die een zegetocht wenschten te houden, de waarheid der door hen verstrekte opgaven bij den praetor moesten bezweren.Mariaba, zieSaba.Mariamme,Μαριάμμη, stad in Coelesyria ten W. van Emesa.Mariāna fossa, ziefossa.Mariandȳni,Μαριανδυνοί, niet-thracische volksstam in het O. van Bithynia, bij Heraclēa.Marīca, nimf, echtgenoote van Faunus en moeder van Latinus, of moeder van Faunus; zij had een tempel en heilig bosch bij Minturnae; wat eenmaal in dat bosch gebracht was, mocht er niet weder uitgehaald worden.Marii, plebejisch geslacht. 1)C. Marius, in 156 in het dorp Cereate bij Arpīnum uit ouders, die tot den boerenstand behoorden, geboren, gaf reeds vroeg bewijzen van groote krijgsmanstalenten. In 134 diende hij onder Scipio in den numantijnschen oorlog. In 119 ging hij als volkstribuun door zijnelex de suffragiisde kuiperijen der aanzienlijken bij de verkiezingen te keer. Zijn huwelijk met deadellijkeJulia, de tante van Caesar, verschafte hem de praetuur, en in 114 was hij propraetor in Hispania, waar hij door rechtvaardigheid en handhaving van tucht en veiligheid zich de algemeene achting verwierf. In den jugurthijnschen oorlog bewees hij als legaat groote diensten aan Metellus (109 en 108) en werd voor 107 tot consul gekozen, vooral omdat hij tot de volkspartij behoorde en de optimaten door hunne omkoopbaarheid hun eigen aanzien hadden ondermijnd. In 105 bracht hij den oorlog ten einde en voerde Jugurtha gevankelijk mede naar Rome. Hij triumpheerde 1 Jan. 104. Hierna werd hij, daar Italië door de Cimbren en Teutonen bedreigd werd, vier jaar achtereen (104–101) tot consul gekozen. De Teutonen en Ambronen versloeg hij in 102 bij Aquae Sextiae (Aix in Provence), de Cimbren in 101 bij Vercellae. Hierna werd hij ten zesden male consul (100). In dit consulaat verbond hij zich met den woelzieken volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus en den praetor C. Servilius Glaucia en werkte mede om zijn tegenstander Metellus Numidicus te doen verbannen, die de akkerwet van Saturninus weigerde te bezweren. Vervolgens verloochende hij in het oogenblik van gevaar ook Saturninus en Glaucia. Daar hij begreep, slechts in oorlogstijd de man van beteekenis te zijn, vertrok hij vervolgens naar Azië om met Mithradātes van Pontus onderhandelingen aan te knoopen. In den bondgenootenoorlog verwierf hij zich nieuwe lauweren (90–89). In 88 barstte de mithradatische oorlog uit, doch tot groote teleurstelling van Marius ontging hem zoowel het opperbevel als het consulaat; beiden werden aan Sulla opgedragen. Dit was Marius te veel; door eene wet van den volkstribuun P. Sulpicius Rufus liet hij zich door het volk met het veldheerschap bekleeden, doch Sulla, die Italië nog niet verlaten had, keerde met zijn leger naar Rome terug, Sulpicius werd gedood, Marius en een aantal anderen werden vogelvrij verklaard. Met zijn zoon zwierf hij als gejaagd wild rond; bij Minturnae werd hij gevangen genomen en ontsnapte ter nauwernood aan den dood. Hij stak naar Africa over, waar hij op de puinhoopen van Carthago rondzwierf. Inmiddels keerden de zaken te Rome; Cinna, hoewel eerst verdreven en als consul afgezet, keerde met Marius terug en beiden werden voor het jaar 86 tot consul verkozen. Doch reeds op den 13dendag van zijn consulaat bezweek Marius, evenwel niet zonder eerst nog zijne wraakzucht op de optimaten te hebben botgevierd. Zijne asch werd later op Sulla’s last opgegraven en in het water van den Anio geworpen.—2)C. Marius, aangenomen zoon van no. 1, woest en wreed als zijn vader in diens laatste levensjaren, deelde diens vlucht en kwam met hem terug. In 82 was hij consul. Sulla versloeg hem bij Sacriportus, en Ofella (Lucretiino. 4) belegerde hem in Praeneste. Toen hij de stad niet houden kon en zijne vlucht mislukte, bracht hij zich zelf om.—3)M. Marius Gratidiānus, zieGratidii.—4)M. Marius, een groot vriend van Cicero; hunne villa’s te Pompeii lagen dicht bij elkander.—5)C. Amatius, Pseudo-Marius geheeten, een bedrieger, die zich voor een zoon of neef of kleinzoon van no. 1 uitgaf, door Caesar alsbedrieger weggejaagd en later door M. Antonius ter dood gebracht werd.—6)Marius Celsus, veldheer onder Galba en Otho.—7)L. Marius Maximus, bekleedde in het begin der derde eeuw na C. vele hooge ambten, hij was o. a. proconsul van Africa en later van Asia, en in 223 voor de tweede maal consul. Hij schreef onder Alexander Sevērus biografiën van de keizers, van Nerva tot Elagabalus, in den trant van Suetonius. Excerpten hiervan zijn over in het werk derScriptores historiae Augustae.
Macae,Μάκαι, naam van twee volksstammen: op de arabische kust der Perzische golf en op de libysche kust tusschen de Syrten.
Macar, Macareus,Μάκαρ, Μακαρεύς, 1) een van de Heliadae (z. a.), vluchtte na den moord van Tenages naar Lesbus.—2)broeder van Canace (z. a.).—3)een van de tochtgenooten van Odysseus.—4)een van de Lapithen op de bruiloft van Pirithous.
Macarēis, Issa, dochter van Macar no. 1, beminde van Apollo.
Macaria,Μακαρία, dochter van Heracles en Deïanīra, vluchtte met hare broeders uit de Peloponnēsus naar Attica, en beroofde zich vrijwillig van het leven, toen Eurystheus hen vervolgde, omdat een orakel op die voorwaarde aan de Heracliden de overwinning beloofd had.
Macaria,Μακαρία, oude naam van zeer vruchtbare eilanden, als Lesbus, Rhodus, Cyprus. Ook elders dragen vruchtbare streken dezen naam, o. a. de vlakte van Messenia, die door de rivier de Pamīsus doorstroomd wordt.
Maccabaei, een joodsch geslacht, onder welks leiding de Joden zich ten tijde van Antiochus IV van de syrische heerschappij bevrijdden, en dat gedurende meer dan eene eeuw de regeering in handen had (167–40). De laatste der M. werd door Herōdes gedood.
Maccus, een soort van domme Pierrot in defabulae Atellanae.
Macedonia,Μακεδονία. De bakermat van het macedonische rijk is te zoeken in het landschap Emathia, ten W. van den Axius (Vardar). Hierdoor vindt men den naamEmathiaook voor Macedonia gebruikt. Hoewel de macedonische koningen de omliggende volken aan hun heerschappij trachtten te onderwerpen, bleef Macedonia toch een onbeteekenende staat tot aan de troonsbeklimming van Philippus II in 360. Deze vergrootte zijn rijk met Paeonia, een deel van Thracia en met het gebied der grieksche volkplantingen langs de kust en op Chalcidice, en maakte van Maced. in de 24 jaren zijner regeering eene machtige zee- en landmogendheid, die den Grieken de hegemonie afdwong. Zijn zoon Alexander de Gr. zette de veroveringen op nog grooter schaal voort. In het tijdperk der diadochen werd Maced. wel tot het europeesche gedeelte van het groote rijk beperkt, doch bleef toch een machtige staat, totdat de oorlog, door Philippus III tegen de Rom. gevoerd (200–197) het in eens van Rome afhankelijk maakte. Onder zijn zoon Perseus (179–168) werd het geheel een buit der Rom., die het voorloopig in vier republieken splitsten (Amphipolis, Thessalonīca, Pella, Pelagonia), totdat het in 146 formeel tot rom. provincie werd gemaakt. De eigenlijke Macedones waren Grieken, die echter in hun ontwikkeling teruggebleven waren, daar ze door niet-grieksche, thracische en illyrische, stammen omgeven waren. Ze werden derhalve door de overige Grieken met minachting als barbaren beschouwd.
Macella, kleine vesting in het W. van Sicilia, in het binnenland ten N. van Entella gelegen.
Macellum(vanμάκελλον, omheining), overdekte marktplaats voor eetwaren te Rome. Er waren er twee:macellum Liviaeop den Esquilijnschen,macellum magnumop den Caelischen berg. Ook in Pompeii heeft men eenmacellumopgegraven, waarvan de afbeelding op pg. 382 een voorstelling geeft.
Macellum.Macellum.
Macellum.
Macer, naam van twee rom. dichters. De een,Aemilius Macer, uit Verona, gest. 16, een vriend van Vergilius en Ovidius, vertaalde in latijnsche verzen de dichtwerken van den arts Nicander (2deeeuw) van Colophon. De ander,C. Licinius Macer Calvus(82–48), was lierdichter en een vriend van Catullus. Zie verderLiciniino. 6. Verder maakt Ovidius nog melding van een vriend Macer, vervaardiger van epische gedichten.
Macestus,Μάκεστος, rivier in Mysia, die zich met den Rhyndacus vereenigt.
Machaerus,Μαχαιροῦς, sterke grensvesting van Palaestina, in het Z. van Peraea, ten O. der Doode Zee. Hier heeft Johannes de Dooper gevangen gezeten.
Machanidas,Μαχανίδας, Spartaan, die zich in 210 van de alleenheerschappij meester maakte en wreed regeerde; na drie jaar viel hij in een strijd tegen het achaeïsch verbond (207).
Machāon,Μαχάων, zoon van Asclepius en Epione, met zijn broeder Podalirius aanvoerder van eenige thessalische volken in den oorlog tegen Troje, waarin hij den dood vond. Zijne beenderen werden door Nestor naar Griekenland medegenomen, en bij Gerenia vond men zijn graf met een heiligdom.—Beide broeders waren vooral beroemd als geneesheeren, en de naam van M. wordt soms spreekwoordelijk voor een bekwaam geneesheer gebruikt.
Machlyes,Μάχλυες, 1) een libysche stam aan de kleine Syrte, ten Z. van de Tritonzee.—2)een scythische stam aan depalus Maeōtis(zee van Azow).
Macistus,Μάκιστος, stad in het elische landschap Triphylia. Ook een gebergte op Euboea.
Macra,Μάκρης, grensriviertje tusschen Liguria en Etruria, valt bij Luna in de Ligurische zee. Oudtijds was het met den Rubico de Noordgrens van het eigenlijk Italië.
Macri campi, vlakte tusschen Parma en Mutina (Modena) in Gallia Cisalpīna.
Macrīnus(M. Opellius), eerst jurist, later praefectus praetorio onder Caracalla, vernam bij toeval, dat de keizer hem uit den weg wilde ruimen en liet toen heimelijk Caracalla ombrengen (217 n. C.). Het leger keurde de verheffing van Macrinus op den troon goed. Deze nam zijn jeugdig zoontje Diadumeniānus tot medekeizer aan. Na eene niet zeer roemrijke regeering van 14 maanden (217–218) werden vader en zoon door de oproerige troepen vermoord.
Macro(Naevius Sertorius), praefectus praetorio onder Tiberius, opvolger van Seiānus, bracht in 37 na C. Tiberius om, doch werd met zijne vrouw Ennia door Caligula uit den weg geruimd (38).
Macrobii,Μακρόβιοι, aethiopische volksstam langs den Z. oceaan.
Macrobius(Ambrosius Theodosius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), van wien nog twee werken aanwezig zijn:Saturnalia convivia, in 7 boeken, enCommentarii in Somnium Scipionis, in 2 boeken.
Macrōnes,Μάκρωνες, machtige stam aan de Z. kust van de Zwarte Zee, in het O. van Pontus, tusschen de Mosynoeci en de Moschi.
Mactorium,Μακτώριον, stad in het Z. van Sicilia, ten N. van Gela.
Madauraof-rus,Μάδουρος, stad in Numidia, ten Z.O. van Tipasa, geboorteplaats van den schrijver L. Appuleius.
Madēna, distrikt van Armenia Minor.
Maduatēni, thracische stam aan den Haemus.
Madytus,Μάδυτος, havenstad van de thracische Chersonēsus, aan den Hellespontus.
Maeander,Μαίανδρος, rivier in Asia minor, ontspringt in het Z. van Phrygia bij Celaenae, loopt met tallooze kronkelingen door Caria en Ionia en valt tegenover Milētus in zee. De stroomgod is de grootvader van Caeneus, die dan ookMaeandrius iuveniswordt geheeten.
Maeandrius,Μαιάνδριος, regeerde na den dood van Polycrates (522), wiens geheimschrijver hij geweest was, eenigen tijd over Samus, toen echter na korten tijd Syloson door de Perzen teruggebracht werd (omstreeks 516), vluchtte M. naar Sparta, waar men hem wegens de schatten, die hij had medegebracht, gevaarlijk achtte en hem het verblijf in de stad verbood.
Maecēnas, zieCilnii.
Maecius Tarpa(Sp.), kunstcriticus van grooten naam, wien door Augustus de beoordeeling en keus der op te voeren tooneelstukken werd opgedragen.
Maedi,Μαιδοί, thracische volksstam aan den Strymon.
Maelii, plebejisch geslacht te Rome. 1)Sp. Maelius, rom. ridder, had in den hongersnood van 440 op groote schaal uitdeelingen van koren onder de onvermogenden gehouden. De patriciërs, naijverig op de genegenheid van het volk, beschuldigden hem van opruiing en eerzuchtige bedoelingen. Op zijne weigering, om voor het gerecht te verschijnen, werd hij door C. Servilius Ahāla, mag. equitum van L. Quinctius Cincinnātus, die tot dictatorseditionis sedandae causabenoemd was, op het forum doodgestoken (439). Het vermogen van Maelius werd verbeurd verklaard en zijn huis met den grond gelijk gemaakt; de open plek hierdoor ontstaan, kreeg den naam vanAequimaelium. Volgens een oudere lezing van het verhaal stak C. Servilius Ahāla als ambteloos burger op straat Sp. Maelius dood, omdat deze naar de alleenheerschappij streefde. Het verhaal, waarvan alleen historisch is de terechtstelling van Maelius en het neerhalen van zijn huis, heeft, door het sanctionneeren van den tyrannenmoord, op de latere geschiedenis(men denke aan de vermoording van Caesar) ingewerkt.—2)Sp. Maelius, volkstribuun in 436, vervolgde den bovengenoemden Servilius Ahala, die den gepleegden moord met ballingschap moest boeten.—3)Q. Maelius, was een der twee volkstribunen, die in 321 in de bergengte van Caudium den vrede met de Samnieten hielpen sluiten en hierom met de beide consuls werden uitgeleverd.
Maelo, vorst der Sygambri, deed in 12 een inval in Gallia, maar werd door Drusus teruggedreven. ZieClaudiino. 26.
Maemacterion,Μαιμακτηριών, 5demaand van het Attische jaar (Nov.–Dec.), z.Annus.
Maemactes,Μαιμάκτης, bijnaam van Zeus als god der stormen; te zijner eer werden in de maand Maemacterion de Maemacteria gevierd.
Maenades,Μαινάδες, =Bacchae.
Maenalia,Μαιναλία, landstreek in Arcadië, ten W. van den berg Maenalus.
Maenalius,Μαινάλιος, bijnaam van Pan, naar het gebergte Maenalus, waar hij zich bij voorkeur ophield.
Maenalus,Μαίναλον ὄρος, berg en stad in het binnenland van Arcadia, ten ZW. van Mantinēa, geliefkoosd verblijf van den god Pan. Bij dichters:Maenalius deus= Pan,Maenalius= arcadisch,Maenalis ursa= Callisto,Maenalii versus= herderszangen.
Maenia (columna), ziecolumna Maenia.
Maenia (lex), waarschijnlijk ± 287, v.a. van ± 300,ut in incertum comitiorum eventum patres auctores fierent, d.w.z. dat de patricische leden van den senaat (ziepatres) vooraf de keuzen van de volksvergadering, hoe die ook mochten uitvallen, moesten bekrachtigen. Hierdoor werd depatrum auctoritasniet afgeschaft, maar tot een formaliteit gemaakt. Zie ookPubliliae (leges)no. 2.
Maenia (Menenia) (lex)agrariavan den volkstribuun M. Maenius (Menenius), ging niet door, daar zijne ambtgenooten er tegen waren (410). Daarleges agrariaein werkelijkheid zoo vroeg niet voorkomen, is hoogst waarschijnlijk ook deze wet, evenals delex Cassia(zieagrariae leges), verzonnen.
Maenia(ofMenenia)Duilia (lex), zieFenus.
Maeniānum, balkon aan de voorzijde van een huis, genoemd naar C. Maenius, die als censor in 318 de gebouwen aan het forum van balkons voorzag, om bij openbare feesten meer toeschouwers te kunnen bergen.
Maenii, plebejisch geslacht. In 482 en 410 komen Maenii onder de volkstribunen voor met pogingen om ook de plebs aandeel aan denager publicuste verschaffen. De eerste historische persoonlijkheid isC. Maenius, die in 338, als consul met L. Furius Camillus (Furiino. 12), voorspoedig streed tegen de opgestane Latijnen, vooral tegen Antium. In 320 was hij dictator; in 314 werd hij weder tot dictator gekozen om eene samenspanning te Capua te onderzoeken. Toen hij echter zijn onderzoek ook tot Rome wilde uitbreiden, verzette zich de adel, waarop hij zijn ambt neerlegde en zich aan een rechterlijk onderzoek onderwierp, dat glansrijk voor hem afliep. Men vertelt, dat ter eere zijner overwinning op de Antiaten decolumna Maeniana(z. a.) op het forum is opgericht. Zie ookmaenianum. In de eerste helft der 2deeeuw moet er te Rome een gek en verkwister geleefd hebben met name Maenius, over wien Horatius spreekt.
Maeon,Μαίων, de aanvoerder der 50 Thebanen, die Tydeus een hinderlaag legden en allen door dezen verslagen werden. M. liet hij echter op bevel van een orakel in leven.
Maeonia,Μαιονία, oude naam van Lydia (z. a.) en dientengevolge ook dichterlijk =Etruria.
Maeonides,Μαιονίδης, wordt Homerus soms genoemd als zoon van Maeon of als Lydiër (Maeoniër).
Maeonis, lydische (maeonische) vrouw, bijv. Omphale, Arachne.
Maeōtis palus,Μαιῶτις λίμνη, thans zee van Azow. De omwonende scythische stammen werden met den algemeenen naamMaeotaeaangeduid.
Maera,Μαῖρα, 1) de hond van Erigone, z.Icarius.—2)dochter van Proetus, jachtgezellin van Artemis; zij werd bij Zeus moeder van Locrus en werd daarom door Artemis gedood.—3)dochter van Atlas, gehuwd met Tegeātes, den zoon van Lycāon.
Maesesses=Melesses.
Maevius, zieBavius.
Magaba, berg in Galatia, tusschen Ancȳra en den Halys, waar Cn. Manlius Vulso in 189 de Tectosages versloeg.
Magas,Μάγας, stiefzoon van Ptolemaeus I, werd door dezen tot stadhouder over Cyrēne aangesteld, doch maakte zich onafhankelijk (280), en wist zich ook tegen Ptolemaeus II te handhaven. Hij stierf in 258. Zie ookApamano. 2.
Magdolum,Μάγδολον, Μάγδωλον, stad in Beneden-Aegypte, ten Z.Z.W. van Pelusium.
Mageddo=Megiddo.
Magetobrīga, stad der Sequani in Gallia Transalpīna.
Magi,Μάγοι, een medisch geslacht van priesters, droomuitleggers en orakelduiders, die ook in het staatkundige grooten invloed uitoefenden. Toen de heerschappij van de Mediërs op de Perzen overging, bleven de Magi hunne waardigheden behouden.
Magii, plebejisch geslacht uit Campania.
Magister admissionum, onder de latere keizers de opperkamerheer, die belast was met de toelating en ontvangst ter audiëntie bij den keizer.
Magister equitum, ziedictator.
Magister officiorum, hofmaarschalk van de keizerlijke hofhouding. Deze post behoorde tot de hooge hofambten, door Constantijn den Gr. ingesteld.
Magister populi, oude titel voor den dictator, als aanvoerder van het voetvolk.
Magister scriniorum, hoofd der keizerlijke kanselarij. ZieScrinium.
Magna Mater, z.Rhea Cybele.
Magnentius(Flavius Magnus), rom. tegenkeizer in het W. des rijks, ontrukte dentroon aan Constans, die in 350 na C. vermoord werd, doch werd door Constantius II bij Sirmium in 352 verslagen en benam zichzelf in 353 na C. te Lugdūnum (Lyon) het leven.
Magnes,Μάγνης, een van de attische blijspeldichters vóór Aristophanes, wiens werken dikwijls den eersten prijs behaalden.
Magnesia,Μαγνησία, 1) oostelijk gedeelte van Thessalia, eene betrekkelijk smalle strook lands; uitloopende in een landtong, die de golf van Pagasae als het ware omarmt. De inwoners heettenMagnētes,Μάγνητες.—2)stad in Lydia, aan den voet van den berg Sipylus gelegen en daaromMagnesia ad Sipylumgenoemd. Hier werd Antiochus III van Syria door L. Cornelius Scipio Asiaticus (Corneliino. 14) in 190 verslagen.—3)stad in het lydisch-carische grensdistrikt, nabij den Maeander, ten Z.O. van Ephesus, met een beroemden tempel van Artemis. Dit Magnesia was eene der drie steden, waarvan Artaxerxes de inkomsten aan Themistocles toewees.
Magnum promunturium, kaap aan den mond van den Tagus, thans kaap Espichel, ook een kaap in Mauretania Caesariensis, dicht bij Siga.
Magnus portus, 1) haven in Gallaecia, thans baai van Corunha.—2)haven in Mauretania, thans Oran.
Mago,Μάγων, naam van verschillende carthaagsche staatslieden en veldheeren, waaronder vooral drie merkwaardig zijn: 1)Mago de Groote, ± 550–500, beroemd staatsman, die de grondslagen legde tot Carthago’s grootheid en ook als generaal lauweren verwierf.—2)schrijver van een groot werk over den landbouw, dat later op last van den rom. senaat in het Latijn werd vertaald.—3)jongere broeder van Hannibal, die met dezen naar Italia toog en na den slag bij Cannae naar Carthago werd gezonden om het bericht over te brengen en versche troepen te halen. Hij werd echter naar Hispania gezonden ter ondersteuning van zijn broeder Hasdrubal. In 205 stak hij onverwachts van Gades in Spanje, dat hij moest ontruimen, naar Liguria over en veroverde Genua, doch werd in 203 in het gebied der Insubres verslagen, en toen hij in Genua terugkwam, kreeg hij daar het bevel, naar Carthago terug te keeren. V. s. stierf hij onderweg aan zijn wonden of door schipbreuk, v. a. leefde hij in 193 nog.
Magontiācum=Mogontiacum.
Maharbal, veldheer van Hannibal, die hem na den slag bij Cannae trachtte te overreden om rechtstreeks naar Rome op te trekken.
Maia,Μαῖα, Μαιάς, 1) dochter van Atlas en Pleione, de oudste der Pleiaden, bij Zeus moeder van Hermes.—2)italiaansche godin, soms ookMaiestagenoemd. Zij is de gemalin van Vulcānus, maar wordt later dikwijls met de grieksche Maia verward. De maand Mei was naar haar genoemd, en op den 1stenvan die maand bracht de priester van Vulcanus haar een offer.
Maiesta=Maiano. 2.
Maioriānus(Flavius Iuliānus), een der laatste keizers van het west.-rom. rijk, 457–461 na C. Hij roeide vele misbruiken uit, waardoor hij zich onder de ambtenaren vele vijanden maakte. Toen nu een oorlog tegen den vandaalschen koning Geiserik ongelukkig afliep, werd het leger onder den Sueef Ricimer tot opstand overgehaald en Maiorianus tot afstand gedwongen. Hij stierf weinige dagen later aan eene plotselinge ziekte. Het rijk verloor in hem een edel en doortastend vorst.
Μακάρων νῆσοι, ver afgelegen eilanden, waar de heroën, evenals in het Elysium, na driemaal op aarde zonder zonde geleefd te hebben, onder de regeering van Cronus een gelukzalig leven leiden. Zie ookFortunatae insulae.
Μάκεδνοι, dorische stam, eerst tijdens Deucalion in Phthiōtis, later aan den Pindus.
Malaca,Μάλακα, phoenicische kol., later rom. municipium in Hispania Baetica, thans Malaga.
Malchus,Μάλχος, 1) carthaagsch veldheer, ± 600–550, had eerst op Sicilië en Sardinië groote veroveringen gemaakt, en is daardoor de eigenlijke grondlegger geworden van de macht van Carthago, maar toen hij later op Sardinia eene groote nederlaag geleden had, werd hij uit Carthago verbannen. Hij trok toen tegen Carthago te velde, nam het in, en liet een aantal senatoren ter dood brengen. Later werd hij zelf ter dood veroordeeld, omdat hij naar de monarchie streefde. Het verhaal is eenigszins verward, maar toont in elk geval aan, dat het leger toen nog uit Carthagers bestond, en geen huurleger was.—2)koning der Nabataeërs, bondgenoot van Caesar in den alexandrijnschen oorlog.—3)uit Philadelphia no. 2, geschiedschrijver uit de 5deeeuw n. C., die het werk van Priscus no. 2 (z. a.) tot 480 n. C. voortzette.—4)= Porphyrius (z. a.).
Malea,Μαλέα, 1) kaap aan de Zuidoostkust van het eil. Lesbus.—2)Z.O. punt van de Peloponnesus, thans kaap S. Angelo, die moeielijk was om te varen wegens de stroomingen en riffen.
Maleventum, vroegere naam vanBeneventum.
Maliades, Malides,Μαλιάδες, Μαλίδες, nimfen, die kudden en vruchtboomen beschermen.
Mālis,Μαλίς, een klein landschap aan de Malische golf,sinus Maliacus, een N.W. inham der Euboeïsche golf. De inwoners heettenMalienses,Μαλιῆς.
Malli,Μαλλοί, indisch volk aan den Hydraōtes, een der zijrivieren van den Indus.
Mallii, rom. geslacht, dat geene beroemde personen heeft opgeleverd. Bekend is slechts geworden de onbekwame consulCn. Mallius Maximus, die in 105 met den proc. Q. Servilius Caepio (Serviliino. 15) den slag bij Arausio tegen de Cimbren verloor. Zie ookManliino. 15.
Malloea,Μαλλοία, vesting in het thessalische landschap Perrhaebia.
Mallus,Μαλλός, oude stad van Cilicia nabij den Pyramus.
Maluginensis, familien. in degens Cornelia.
Mamercīnus, familien. in degens Aemilia.
Mamercus, een oscische voornaam, dien wij alleen nog in degens Aemiliaaantreffen.
Mamertīni, zonen van Mamers of Mars, campaansche huurtroepen (zieCampania) in dienst van Agathocles, na diens dood (289) uit Syracusae verdreven, nestelden zich toen in Messāna, van waar zij strooptochten deden. Door de Syracusanen in het nauw gebracht, riepen de Mam. Carthagers en Rom. te hulp, hetgeen de aanleiding werd tot den eersten punischen oorlog. Messana komt vervolgensofficieelvoor onder den naamcivitas Mamertinorum. Onder het stadhouderschap van Verres speelde de stad de rol van handlangster.
Mamertīnus(Claudius), de schrijver van een dankrede aan keizer Iuliānus (gratiarum actio de consulatu suo Iuliano Imp.), gehouden in 362 n. C. Hij was door Iulianus benoemd totcomes sacrarum largitionum, minister van finantiën, en later totpraefectus praetorio Illyrici et Italiae.
Mamilia (lex)van den volkstribuun C. Mamilius Limetānus, tot instelling van een gerechtelijk onderzoek tegen hen, die zich door Jugurtha hadden laten omkoopen (109).
Mamilii, rom. geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1)Octavius Mamilius, te Tusculum, schoonzoon van Tarquinius Superbus, verleende hem na diens verdrijving hulp en sneuvelde bij het meer Regillus, evenals zijn zoon.—2)L. Mamilius Tusculānus, dictator van Tusculum, had den Romeinen hulp verleend, toen de Sabijn Herdonius in 460 bij een nachtelijken overval het Capitool vermeesterd had. Hiervoor kreeg L. Mamilius het rom. burgerrecht.—3)Q. Mamilius Vitulus, consul in 262, veroverde Agrigentum op de Puniërs.—4)C. Mamilius Limetānus, zieMamilia (lex).
Mammaea(Iulia), moeder van keizer Alex. Sevērus (Severino. 2), voor wien zij wegens zijne jeugd in den beginne als regentes optrad en met beleid het bewind voerde.
Mamurius Veturius, metaalwerker uit Etruria. Zieancile.
Mamurra, rom. ridder van geringe afkomst, maar die onder Caesar in Gallia zijn fortuin had gemaakt en vervolgens te Rome door zijne houding en buitensporige levenswijze aanstoot gaf. Hij was uit Formiae, dat hierom door Horatius spottendurbs Mamurrarumwordt genoemd.
Mancīnus, familienaam in degens Hostilia.
Mancipatio, is de plechtige overdrachtper aes et libramvan eene zaak in tegenwoordigheid van 5 getuigen en eenlibripens. De kooper nam met een zeker formulier de zaak over en sloeg met een muntstuk (raudusculum) tegen de weegschaal. Zulk een mancipatio werd wettelijk gevorderd bij den verkoop vanres mancipi. De geheele vorm was eene nabootsing van een verkoop uit den ouden tijd, toen het geld nog werd afgewogen. Deze handeling peraes et libramhad ook plaats bij den huwelijksvorm doorcoëmptioen bij deemancipatio.
Mancipi (res). Tot deres mancipibehoorden volgens Ulpianus:praedia in Italico solo, tam rustica, qualis est fundus, quam urbana, qualis domus;item iura praediorum rusticorum, velut via, iter, actus, aquaeductus;item servi et quadrupedes, quae collo dorsove domantur, velut boves, muli, equi, asini. Van de genoemdeiuraof servituten beteekentiterhet recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan,via, er met een voertuig over te rijden,actus, er vee over te drijven,aquaeductus, er water over te leiden. Zie verderservitusno. 1. Ulpianus voegt er nog bij, dat olifanten en kameelen,quamvis collo dorsove domentur, geeneres mancipizijn, daar zij tot debestiaebehooren.Res mancipinu konden in rom. eigendom overgaan doorin iure cessio, afstand ten overstaan van den praetor, door gerechtelijke toewijzing ofadiudicatioof door eene wet, door erfenis en doormancipatio(z. a.). Was er in plaats van de vormelijke mancipatie eene eenvoudigetraditioof overgave van hand in hand gebezigd, dan gaf dit geen wettigen rom. eigendomstitel ofdominium. Zooals echter bij het artikelius honorariumis aangewezen, kon de praetor toestaan,res mancipite bezitten,in bonis habere. Door verjaring,usucapio, d. i. door ongestoord bezit van roerende goederen gedurende één jaar, van onroerende gedurende twee jaren, kon men dan toch hetdominiumverwerven.
Mancipium, 1) =mancipatio.—2)het voorwerp der mancipatie, vooral slaven, ook lasten trekdieren.—3)de betrekking van afhankelijkheid, waarin vrijen gebracht waren door mancipatie, zooals b.v. depater fiduciariusverkreeg bij de emancipatio (z. a.) en zooals depater naturalisnog slechts over zijn zoon behield, wanneer deze na den derden schijnverkoop weder aan hem werd teruggegeven. Of wel, wanneer volgens het oudste schuldrecht iemand in de macht van den schuldeischer was overgegaan. Een vrije, diein mancipiowas, was welservi loco, maar daarom nog geenservus.
Mandane,Μανδάνη, dochter van Astyages, moeder van den ouden Cyrus.
Mandēla, sabijnsch dorpje nabij het landgoed van den dichter Horatius.
Mandonius, een Hispaniër, broeder van Indibilis. Hij speelde dezelfde rol van herhaalde onderwerping en afval, tot hij gedood werd (206).
Mandrocles,Μανδροκλῆς, van Samus, beroemd bouwmeester, die voor Darīus Hystaspis, toen deze tegen de Scythen optrok, een brug over den Bosporus legde; ter gedachtenis hieraan liet hij in den tempel van Hera op Samus een schilderij ophangen, die den tocht van het leger over de brug voorstelde.
Mandropolis,Μανδρόπολις, stad in het Z. van Phrygia.
Mandubii,Μανδούβιοι, volk in Gallia ten W. van de Lingones. Tot hun gebied behoorde Alesia (Alise-Ste-Reine), waar Vercingetorix door Caesar belegerd werd.
Manduria,Μανδύριον, stad der Sallentīniin Calabria, aan den weg van Tarentum naar Hydruntum (Otranto). Hier sneuvelde de spartaansche koning Archidāmus III in 338 tegen de Lucaniërs en Messapiërs, toen hij Tarentum te hulp kwam. In 209 werd de stad door den consul Q. Fabius Maximus Verrucōsus (Fabiino. 16) veroverd.
Maneros,Μανέρως, zoon van den eersten koning van Aegypte, die jong stierf en, evenals Adōnis, Linus e. a. in klaagliederen herdacht werd.
Manes, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen, als goden gedacht (dii Manes). Zij wonen in de onderwereld en komen, behalve op bepaalde tijden, alleen dan op aarde, wanneer de levenden hen vergeten of verzuimen hun de verschuldigde offers te brengen. Deze offers bestonden uit koren, zout, wijn, melk, enz.—Te hunner eer vierde men den 21stenFebruari het algemeene doodenfeestFeralia, waarbij de tempels van alle goden, die niet tot de onderwereld in betrekking stonden, gesloten waren.
Manetho, -thos,Μανέθων, -νεθώς, aegyptisch priester te Heliopolis, leefde onder Ptolemaeus Philadelphus. Onder zijne talrijke geschied-, natuur- en sterrenkundige werken behoorde ook eene geschiedenis van Aegypte (Αἰγυπτιακά) van de oudste tijden tot Alexander d. G., waaruit o. a. eene volledige chronologische lijst van aegyptische koningen bewaard gebleven is. Zijne overige geschriften zijn alle verloren.
Mania, volgens de Romeinsche geleerden de moeder der Lares; ze heeft echter nooit vereering genoten. Haar naam is waarschijnlijk afgeleid van demaniae, poppen, die op de Compitalia aan decompitaen voor de huisdeuren werden opgehangen.
Μανίαιheetten de Erinyes in sommige deelen van Griekenland, als godinnen, die door hare vervolgingen tot razernij drijven.
Maniliae (leges), van den volkstribuun C. Manilius in 66. 1)de libertinorum suffragiis, dat de vrijgelatenen in de tribus van hunnepatroni, en dus in alle tribus zouden mogen stemmen, in plaats van in 4. Deze wet werd door den senaat ongeldig verklaard. Z.Manlia (lex) de libertinorum suffragiis.—2)de imperio Cn. Pompei, dat het voeren van den mithradatischen oorlog aan Pompeius zou worden opgedragen.
Manilianae (leges)venalium vendendorum, geene wetten, maar formulieren voor koop en verkoop, opgesteld door den kundigen jurist M’. Manilius, consul in 149.
Manilii, plebejisch geslacht, waarvan de meest bekende leden zijn: 1)M’. Manilius, consul in 149, ontving het bevel over het leger, dat tegen Carthago werd afgezonden, doch kon niets uitrichten, evenmin als zijn ambtgenoot L. Marcius Censorīnus. Hij was met Laelius en Scipio bevriend en een scherpzinnig rechtsgeleerde, die gaarne adviezen gaf en ook rechtsgeleerde boeken schreef. Zie ookleges Manilianae.—2)C. Manilius, volkstribuun in 66 (zieleges Maniliae) is het meest bekend door Cicero’s verdediging van het wetsontwerpde imperio Cn. Pompei. In het volgend jaar verdedigde Cicero hem zelf in een proces.—3)Manilius, rom. dichter ten tijde van Augustus, dichter eenerAstronomica, die nog over is.—4)L. Manilius, z.Manliino. 15.
Manimi, een stam der Ligii in O. Germania, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel).
Manipulus, eene afdeeling van twee centuriën soldaten, ziecohors. Volgens de afleiding der ouden zou de standaard van den manipel (zievexillum) in den beginne bestaan hebben uit een handvol hooi aan een staak gebonden. De latere vexilla der manipels hebben boven op den stok een uitgestrekte hand.
Manlia (lex)de vicesima manumissionum, tot invoering eener belasting van 5%, door slaven, die vrijgelaten werden, van hunne marktwaarde te betalen. De voorsteller dezer wet, de consul Cn. Manlius Capitolīnus Imperiōsus (357) (Manliino. 9), riep hiertoe de tribuutcomitiën bijeen, niet te Rome, maar in zijne legerplaats bij Sutrium. De volkstribunen echter namen maatregelen, dat dit niet ten tweede male gebeuren kon.
Manlia (lex)de libertinorum suffragiis, van een volkstribuun Cn. Manlius in 58. Misschien is dit wel delex Maniliavan 66. Cn. Manlius wordt ook wel C. Manlius of Manilius genoemd.
Manlii, rom. geslacht met patricische en plebejische takken. VoorManliusvindt men ook welMalliusgeschreven. 1)A. Manlius Vulso, consul in 474, dwong de Vejenten tot het sluiten van een veertigjarig bestand.—2)A. Manlius Vulso Capitolīnus, consulairtribuun in 405 en 402, beproefde in het laatste jaar te vergeefs Veji te vermeesteren.—3)L. Manlius Vulso Longus, consul in 256, trok met zijn ambtgenoot M. Atilius Regulus naar Africa. Na eerst de Carthagers bij Ecnomus te hebben verslagen, en Clupea te hebben bezet, keerde Vulso naar Rome terug, terwijl Regulus in Africa bleef. In zijn tweede consulaat (250) belegerde hij met zijn ambtgenoot C. Atilius Regulus tevergeefs de stad Lilybaeum op Sicilia.—4)Cn. Manlius Vulso, consul in 189, overwon de Galatiërs en sloot den vrede met Antiochus III van Syria.—5)A. Manlius Vulso, consul in 178, oorloogde minder gelukkig. De Histri maakten zich van zijn legerkamp aan den mond van den Timāvus meester, maar werden daarna verslagen.—6)M. Manlius Capitolīnus, consul in 392, redde in 389 het Capitool van eene nachtelijke overrompeling door de Galliërs. HetcognomenCapitolinus heeft hij echter niet om deze daad, zooals men wel eens aanneemt, maar omdat hij op het Capitool (dearx) woonde. In 385, toen de schulden der plebejers weder zeer hoog gestegen waren, offerde Manlius een groot deel van zijn vermogen op om plebejers uit de schuldgevangenschap vrij te koopen. De adel beschuldigde hem van verkeerde bedoelingen, doch de houding van het volk boezemde vrees in, enManlius werd vrijgesproken. Of hij hierna werkelijk plannen tot oproer heeft voorbereid, is niet duidelijk. In eene volksvergadering te Rome werd hij wederom vrijgesproken, doch in eene tweede buiten Rome in een bosch gehouden, wegens hoogverraad veroordeeld. Hij werd van de tarpejische rots geworpen, zijn huis verwoest en de voornaam Marcus in degens Manliaafgeschaft (384). Van dit geheele verhaal is alleen historisch het feit van Manlius’ veroordeeling wegens het streven naar de koninklijke macht, de verwoesting van zijn huis, waarvan de grond later aan Iuno Monēta gewijd werd, en het afschaffen van den voornaam Marcus in degens Manlia. Het verhaal van de ondragelijke schulden der plebejers is eerst in den bondgenootenoorlog ontstaan, toen dergelijke toestanden werkelijk bestonden. Zijn broeder A. Manlius Capit. was bij herhaling consulairtribuun.—7)P. Manlius Capitolinus, in 367 te midden der twisten over de licinisch-sextische wetsvoorstellen tot dictator benoemd, toonde zich tegen verwachting jegens deze voorstellen niet vijandig.—8)L. Manlius Capitolinus Imperiōsus, aldus bijgenaamd om zijne gestrengheid, dictator in 363clavi figendi causa, wilde ook eene lichting houden, waarvoor hij niet benoemd was, en ontging met moeite eene veroordeeling.—9)Cn. Manlius Capit. Imper., zoon van no. 8, consul in 359 en 357, censor in 351; z.Manlia (lex) de vicesima manumissionum.—10)T. Manlius Imper. Torquatus, ook een zoon van no. 8, was een uitstekend veldheer, doch een man van een woest en streng karakter. In een tweegevecht met een reusachtigen Galliër in den oorlog van 361 maakte hij diens gouden halsketen buit en werd sedertTorquātusgenoemd. Hij was consul in 347, 344 en 340. In zijn derde consulaat behaalde hij door de zelfopoffering van P. Decius Mus eene schitterende overwinning op de Latijnen bij den Vesuvius, doch liet zijn zoon, die tegen zijns vaders bevel met een uittartenden vijand een strijd had aangevangen en hem verslagen had, ter dood brengen. Vandaar de bekende uitdrukkingManliana imperia. Het verhaal omtrent den slag bij de Vesuvius schijnt verzonnen, daarentegen heeft T. Manlius de Latijnen in 340 bij Trifanum, tusschen Sinuessa en Minturnae verslagen.—Het verhaal omtrent het ter dood brengen van zijn zoon wordt door andere schrijvers op naam van den dictator Postumius (431) gezet. ZiePostumiino. 4.—11)T. Manlius Torquātus, consul in 235 en 224, dictator in 208, sloot in 235, na een opstand der Sarden onderdrukt te hebben, den Ianustempel en streed later tegen de Galliërs (224) en de Carthagers (215). Hij was in het laatste jaarpraetor, en versloeg de verbonden Carthagers en Sarden. De Carthagers werden uit Sardinië verdreven. Hij verloochende de onbuigzaamheid van karakter, aan zijne familie eigen, niet.—12)T. Manlius Torquatusverstiet zijn zoon D. Iunius Silānus (z.Iuniino. 15) uit zijne oogen wegens afpersingen, in Macedonia gepleegd, waarop de zoon zich ophing. De vader woonde de begrafenis niet bij (141).—13)L. Manlius Torquatus, consul in 65, was een groot vriend van den redenaar Hortensius en een zeer vaderlandslievend man. Hij had Catilīna in 65 bijgestaan, toen deze van knevelarij beschuldigd was, doch keerde zich van hem af na de ontdekking der samenzwering.—14)L. Manlius Torquatus, zoon van no. 13, was een vriend van Cicero, die hem in zijn werkde finibus bonorum et malorumsprekend invoert. Hij was meer politiek man dan redenaar. In 62 klaagde hij P. Cornelius Sulla aan (zieCorneliino. 54). In den burgeroorlog sloot hij zich aan bij de partij van Pompeius, werd door Caesar gevangen genomen, doch weder vrijgelaten, en sneuvelde later in Africa (47).—15)Verder komt er nog eene familie vanManlii Acidīnivoor. Onder de Manlii, die zonder familienaam (cognomen) voorkomen, behoort ook C. Manlius (of Mallius), die voor Catilīna troepen bij Faesulae verzamelde en bij Pistoria sneuvelde (62). Verder L. Manlius (Mallius) v. a. L. Manilius, propraetor van Gallia Narbonensis, die in 78 tegen de Sertoriani te velde getrokken was, maar door den quaestor L. Hirtuleius, onderbevelhebber van Sertorius in Hispania geheel verslagen was; op zijn terugkeer naar de provincie werd de rest van zijn leger door de opgestane Aquitaniërs vernietigd en sneuvelde zijn onderbevelhebber L. Valerius Praeconīnus (Valeriino. 25a).
Μαντεία, Μαντική, de kunst van het verklaren der teekens, waardoor de godheid haar wil openbaart. Ook bij de Grieken wordt een onderscheid gemaakt tusschen signa oblativa en impetrativa (zieAuguria). Tot de eerste soort (σήματα, τέρατα) behooren verschijnselen aan den hemel, het vliegen of roepen van een grooten vogel (οἰωνός) en dgl. Het zijn in den regel alledaagsche verschijnselen, die alleen door den tijd, de plaats of de omstandigheden, waaronder men ze waarneemt, eene bizondere beteekenis verkrijgen, en dus gewoonlijk gemakkelijk te verklaren zijn als voorboden van geluk of ongeluk; lag de verklaring niet zoo voor de hand, dan riep men de hulp van een deskundige (μάντις, θεοπρόπος, οἰωνοπόλος) in. Altijd was die hulp noodig bij de andere soort van voorteekenen, waarom men de goden vroeg als een bepaald teeken van goed- of afkeuring van een voorgenomen handeling. De meest gebruikelijke wijze, waarop men zulk een teeken meende te vinden, was door de (bij Homerus nog niet genoemde) beschouwing der ingewanden van een geofferd dier (ἱερομαντεία), waartoe men zich van de tusschenkomst van eenἱεροσκόποςbediende. Andere middelen om den wil der goden te vragen, zooals het waarnemen van de lijnen in de hand (χειρομαντεία), van de kringen, veroorzaakt door een in het water geworpen voorwerp (ὑδρομαντεία), het gebruikmaken van loten (κληρομαντεία,sortilegium, z.sortes), en dgl. genoten geen algemeen vertrouwen en het geloof hieraan werd door velen min ofmeer als bijgeloof beschouwd. Zie ookἐγκοίμησις.
Mantinēa,Μαντίνεια, eene der oudste steden van Arcadia, nabij de argolische grenzen in eene moerassige streek aan het riviertje Ophis gelegen, waar het des zomers drukkend heet en ’s winters streng koud was. Tot aan de perzische oorlogen bestond het uit vijf dorpen, maar korten tijd daarna (464–459) werd de bevolking in de stad bijeengebracht, en werd het bestuur democratisch. In 385 werd Mantinea door de Spartanen verwoest, doch in 370 iets zuidelijker herbouwd. Door deze verwoesting verloor M. de hegemonie over Arcadia. In 362 behaalde Epaminondas, doch ten koste van zijn leven, bij het naburige bosch Pelagos eene schitterende overwinning op de Spartanen. Later behoorde M. tot het achaeïsch verbond. Toen het echter, bij de groote worsteling met Cleomenes III van Sparta, van het verbond afviel (229) werd het door Arātus, den strateeg der Achaeërs, zwaar gestraft. Ter eere van den macedonischen koning Antigonus Doson werd het in Antigonēa herdoopt. Keizer Hadrianus, die er een prachtigen tempel voor zijn lieveling Antinoüs liet bouwen, gaf aan de stad haar ouden naam terug.
Mantius,Μάντιος, zoon van Melampus, vader van Clitus (no. 1) en Polyphīdes.
Manto,Μαντώ, dochter van Tiresias. Toen Thebe door de Epigonen was ingenomen, werd zij met een deel van den buit aan den delphischen Apollo gebracht. Op bevel van het orakel werd zij naar Colophon gezonden, om er den tempel en het orakel van ApolloΚλάριοςte stichten. Zij huwde daar met een Cretenser, Rhacius, die den tempel op zijne kosten liet bouwen, en werd bij hem moeder van Mopsus.—V. a. was zij ook in Italië gekomen, en had zij bij Tiberis een zoon gekregen, Ocnus, die de naar haar genoemde stad Mantua stichtte. V. a. is echter deze stad naar een andere Manto, dochter van Heracles, genoemd.
Mantua,Μάντουα, oude stad op een eil. in den Mincius (Mincio), reeds door de Etruscers bewoond, toen zij nog als Rasennae in het Po-dal woonden. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49municipium. In het nabijgelegen dorpje Andes was Vergilius geboren.
Mantus, de god der onderwereld bij de Etruriërs, gewoonlijk afgebeeld als een zeer groot gevleugeld wezen met woeste trekken, gewapend met een zwaard of hamer.
Manubiae(vanmanu habere), in het algemeen buit, in het bijzonder echter dat gedeelte, dat de overwinnende veldheer te zijner beschikking kreeg en dat meestal door hem werd aangewend tot stichting van een tempel, een zuilengang of eenig ander openbaar werk. In ongunstigen zin wordt het woord ook gebezigd van den buit, dien een stadhouder zich door afpersingen verwerft.—In het enkelvoud beteekentmanubiain de taal der augurs een bliksemstraal. ZieAuguriano. 2.
Manumissio, vrijlating van slaven. Deze kon op verschillende wijze plaats vinden;—1)vindictaoffestūca. De heer bracht zijn slaaf voor den praetor; diens lictor of een ander trad dan alsassertor(z. a.) op, raakte het hoofd van den slaaf met een roedje (festuca, vindicta) aan, en zeide:hunc hominem liberum esse aio ex iure Quiritium. Daar nu de eigenaar niet tegensprak, verklaarde de praetor den man voor vrij.—2)censu. De meester liet zijn slaaf bij den census in de burgerlijsten inschrijven.—3)testamento. Door deze drie wijzen van vrijlating werd de slaaf niet alleen vrij man, maar ook burger. Als vierde wijze voegde Constantijn de Gr. er de vrijlating in de kerk (in ecclesia) bij. Een feitelijke toestand van vrijheid, doch zonder burgerrecht, was het gevolg van demanumissio inter amicos, binnenshuis in tegenwoordigheid van een vijftal vrienden als getuigen,—per mensam, doordat de eigenaar den slaaf als een vrij man aan tafel noodigde,—per epistulamof onderhandsche schriftelijke verklaring, zielex Iunia Norbana. Delex Aelia Sentia(4 na C.) en delex Furia Caniniabeperkten het recht van vrijlating. Delibertiniwerden alleen in de viertribus urbanaeingeschreven (zie echterlex Manilia).
Manusis eigenlijk de macht van den echtgenoot over zijne vrouw, waardoor zij hem als eene dochter,filiae loco, toebehoort, en waardoor al wat zij bij het huwelijk medebrengt of later verwerft, het zijne wordt. Demanuswas het gevolg van een huwelijk, dat gesloten was doorconfarreatioof doorcoëmptio, van een huwelijk doorususalleen dan, wanneer er verjaring (usucapio) had plaats gehad, doordat de vrouw gedurende een vol jaar geentrinoctiumbuiten de echtelijke woning doorgebracht had. Terloops zij hier opgemerkt, dat decoëmptioop zich zelve welmanus, maar nog geen huwelijk tot stand brengt; zij moet met het huwelijk gepaard gaan. De beteekenis vanmanuswordt ook wel uitgebreid tot anderen, die in iemandspotestasen vooral, die in iemandsmancipiumzijn.
Manūs iniectio. Wanneer een gedaagde onwillig bevonden werd om met den eischer voor den praetor te verschijnen, dan kon de eischer in tegenwoordigheid van getuigen de hand aan hem slaan en hem met geweld medevoeren. Ook kon zulk eenemanus iniectioin sommige andere gevallen plaats grijpen, b. v. wanneer de verliezende partij weigerachtig of onmachtig was aan het vonnis te voldoen, of wanneer men op heeterdaad betrapt werd, b. v. eenfur manifestus. Delegis actio per manus iniectionemis eene aanvullingsactie waarbij de eischer den praetor vergunning vraagt, om zonder verderein ius vocatioden onwillige te grijpen.
Maracanda,τὰ Μαράκανδα, groote hoofdstad van Sogdiāna. Thans Samarkand.
Maraces,Μαρακοί,volksstamin Aetolia.
Marathon,Μαραθών, vlek op de O.kust van Attica, aan eene vlakte, die de marathonische werd genoemd. Dáár joeg Theseus den marathonischen stier. In de nabijheid,in een niet te breede vallei, behaalde Miltiades in 490 de beroemde overwinning op de Perzen.
Marathus,Μάραθος, oude bloeiende koopstad in het N. van Phoenīce tegenover Aradus.
Marathūsa,Μαράθουσα, eilandje op de kust van aziatisch Ionia, nabij Clazomenae.
Marcellus, familienaam in degens Claudia(Claudiino. 30–38).
Marcellus Empiricus, een Galliër van geboorte, lijfarts van keizer Theodosius den Grooten, schrijver van een nog bestaand werk,medicamentorum liber.
Marcia (aqua), waterleiding te Rome, die om haar heerlijk water geroemd werd. Zij was in 144 aangelegd door den praetor Q. Marcius Rex.
Marcia (lex)de censura, dat niemand ten tweeden male censor zou kunnen worden. Deze wet is aangenomen op verzoek van C. Marcius Rutilus, die in 265 ten tweede male censor was en dit voor het vervolg wilde voorkomen. De voorsteller van de wet is onbekend.
Marcia (lex)de Liguribus deditis. M. Popilius Laenas, consul in 173, had een onrechtvaardigen oorlog begonnen tegen den ligurischen stam der Statielli, die geen aanleiding hadden gegeven. Hij had verscheidene duizenden gedood of als slaven verkocht. De volkstribunen M. Marcius Sermo en Q.Marcius Scylla (172) deden met goedvinden van den senaat een wetsvoorstel om Laenas in staat van beschuldiging te stellen. De wet werd aangenomen, en Popilius ontsnapte alleen aan een veroordeeling door de partijdigheid van den praetor.
Marcia (lex)agraria, van L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104 (zieMarciino. 15), tot verdeeling van land onder arme burgers. De wet werd niet aangenomen.
Marcia Atinia (lex). De vrede met Philippus van Macedonia was in 197 gesloten. M. Claudius Marcellus (Claudiino. 31) echter, voor het volgende jaar tot consul benoemd en begeerig den oorlog te heropenen, trachtte den senaat voor te spiegelen, dat de vrede van de zijde van Philippus slechts bedrog was. Daarom lieten de volkstribunen Q. Marcius Rex en C. Antinius Labeo den vrede door een plebisciet bekrachtigen.
Marcia Porcia (lex), z.Maria (Marcia) Porcia (lex).
Marciāna carmina, een boek met voorspellingen van zekeren beroemden waarzegger Marcius, dat in 213 ontdekt was en waarin de noodlottige afloop van den slag bij Cannae was voorspeld. De voorschriften van het tweedecarmenwerden door den senaat opgevolgd.
Marciāna Silva, vroegerAbnoba monsgeheeten, het tegenw. Schwarzwald, in het Z.W. van Germania.
Marcianopolis,Μαρκιανόπολις, stad in Moesia inferior, even ten Z. van Odessus dicht bij de kust. Traiānus had ze naar zijne zuster Marcia aldus genoemd.
Marciānus,Μαρκιανός, 1) aardrijkskundigeuitHeraclēa in Pontus, ± 400 na C., ontwerper van eenπερίπλουςder bekende wereld, met afstandswijzer.—2)Aelius Marcianus, rom. jurist, wiens werken zijn uitgekomen na 217 n. C. (dood van keizer Caracalla).—3)Felix Capella Marcianus, ± 470 na C. uit Madaura in Africa, schrijver eener soort van encyclopaedie der zeven vrije kunsten, onder den titelSatiraofSatiricon.—4)ZieTheodosiusno. 3.
Marcii, een geslacht met verschillende takken, alsRex, Rutilus(laterCensorīnus),Crispus, Figulus, Philippus, Tremuluse. a. De eerste drie zijn patriciërs, de andere plebejers. 1)Numa Marciusvolgde koning Numa Pompilius naar Rome en was diens raadsman bij de regeling van den eeredienst.—2)Ancus Marcius, vierde koning van Rome, kleinzoon van no.1. ZieAncus Marcius.—3)Cn. Marcius, bijgenaamdCoriolānusnaar de verovering van Corioli in het gebied der Volscen. Volgens de overlevering zou hij bij gelegenheid van een hongersnood de plebejers door honger hebben willen dwingen tot afschaffing van het volkstribunaat (491). Dientengevolge verbannen, zocht hij hulp bij de Volscen, bracht aan het hoofd van een volscisch leger Rome tot op het uiterste in het nauw en liet zich slechts door de smeekbeden zijner moeder Veturia en zijner vrouw Volumnia bewegen om af te trekken. Volgens sommigen zou hij niet lang daarna door de Volscen vermoord zijn, volgens anderen op hoogen leeftijd als balling gestorven zijn.—4)Q. Marcius Rex, consul in 118, oorloogde tegen de Stoeni, een Alpenvolk in Liguria. Onder zijn consulaat werd Narbo (Narbonne) in Gallia Transalpīna gekoloniseerd als Narbo Martius.—5)Q. Marcius Rex, consul in 68, zwager van P. Clodius. Daar zijn ambtgenoot L. Caecilius Metellus in zijn ambtsjaar stierf en diens benoemde opvolger nog voor de aanvaarding van zijn ambt overleed, liet men Rex verder alleen regeeren. Na afloop van het consulaat werd hij alsproconsulnaar Cilicië gezonden. Toen hij na zijn terugkeer zichad urbembevond, wachtende op dentriumphus, werd hij in 63 door den senaat naar Etruria gezonden, om den Catilinariër Manlius te keer te gaan.—6)C. Marcius Rutilusoverwon in 357 als consul de Privernaten (in Latium). In 356 was hij de eerste dictator uit de plebs en zegepraalde over de Etruscers. In 352 was hij andermaal consul, met P. Valerius Poplicola. Dit consulaat is merkwaardig doordat er toen, om aan den algemeenen schuldnood te gemoet te komen, eene soort staatsbank werd opgericht (ziequinqueviri mensarii). In 351 was Rutilus de eerste plebejische censor. In 344 en 342 bekleedde hij nogmaals het consulaat.—7)C. Marcius Rutilus, zoon van no.6, werd als consul in 310 door de Samnieten verslagen en was censor in 294. In 265 was hij wederom censor, wat hem den bijnaamCensorīnusverschafte. Hij berispte het volk, dat het ten tweeden male het censorschap aan denzelfden persoon had opgedragen, en verzocht het volk eene wet hiertegen te maken (zielex Marcia).—8)L. Marcius Censorinus,belegerde als consul in 149 met zijn ambtgenoot M.’ Manilius te vergeefs Carthago. Hij wordt als een wetenschappelijk man geroemd.—9)C. Marcius Censorinus, redenaar, koos in den burgeroorlog partij voor Marius. Hij werd echter eerst door Pompeius verslagen bij Sena, en vervolgens bij Praeneste door Sulla, in wiens handen hij viel en die hem ter dood liet brengen (82).—10)L. Marcius Censorinus, aanhanger van Antonius, nam deel aan den mutinensischen oorlog. Later was hij propraetor van Achaia.—11)Q. Marcius Crispus, een dapper krijgsman, met Cicero bevriend, belegerde met L. Staius Murcus op bevel van Caesar Q. Caecilius Bassus (Caeciliino. 28) te Apamēa, maar stond in 43 de legioenen, waarover hij in Syria het bevel voerde, aan Cassius af.—12)C. Marcius Figuluswas in den oorlog tegen Perseus (169) rom. vlootvoogd. Voor het jaar 162 werd hij tot consul verkozen, doch moest evenals zijn ambtgenoot P. Cornelius Scipio Nasīca Corculum (Corneliino. 20) alsvitio creatus, zijn ambt nederleggen. In 156 bekleedde hij werkelijk het consulaat en werd hij door de Dalmatae verslagen.—13)C. Marcius Figulus, consul in 64.—14)Q. Marcius Philippus, consul in 186. Hem en zijn ambtgenoot Sp. Postumius Albīnus werd opgedragen een onderzoek in te stellen naar de geheime vereenigingen, tengevolge waarvan de Bacchanaliën bij Senaatsbesluit in geheel Italia verboden werden. In een oorlog tegen de ligurische Apuāni werd hij in een bosch in een hinderlaag gelokt en leed hij een zware nederlaag, waarnaar de plekMarcius saltusis genoemd. In 171 werd hij met A. Atilius Serrānus (Atiliino.8) als gezant naar Griekenland en Macedonia gezonden. Hij wist Perseus om den tuin te leiden en tot een wapenstilstand te bewegen, waardoor de Rom., die met hunne toebereidselen voor den oorlog niet gereed waren, tijd wonnen, terwijl Philippus de Grieken op Rome’s hand bracht. Openlijk beroemde Philippus zich in den senaat op zijn sluwe handelwijze, en de groote meerderheid juichte hem toe. In 169 was hij andermaal consul en bracht Perseus eenige gevoelige verliezen toe. Het einde van den oorlog moest hij echter in 168 aan den nieuwen consul L. Aemilius Paullus overlaten.—15)L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104, consul in 91, was in het eerst een van de mannen der volkspartij (zieMarcia (lex) agraria); uit den tijd van zijn tribunaat is zijn gezegde, dat er in den staat geen tweeduizend welgestelden waren, wat Cicero eencapitalis oratio et ad aequationem bonorum pertinensnoemt; later verzoende hij zich met de optimaten en werkte als consul mede om de wetten van M. Livius Drusus te doen opheffen. Later was hij aan de zijde van Sulla en vervolgens een voorstander van Pompeius, die bij hem in hoog aanzien stond. Hij was een zeer kundig man en een uitstekend redenaar, die vooral degavebezat, onvoorbereid het woord te kunnen voeren.—16)L. Marcius Phillippus, zoon van no.15, huwde met Attia, de moeder van Octaviānus, wiens stiefvader hij dus werd. Hij was zoowel met Caesar als met Cicero bevriend en koos in den burgeroorlog niet openlijk partij.—17)L. Marcius Septimus, rom. ridder, redde in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, het rom. leger van den ondergang. Hij hield met T. Fonteius Crassus het bevel tot aan de komst van P. Scipio (Africānus maior) en streed ook onder hem nog met roem.—18)Q. Marcius Tremulus, consul in 306, streed zegevierend tegen de Samnieten en de Hernicers.—19)Marcius Macer, veldheer van keizer Otho.—20)Q. Marcius Turbo Fronto Publicius Severus, onder Hadriānus stadhouder van Judaea, van Mauretania en later bevelhebber der lijfwacht.—21)Marcius, waarzegger ten tijde van den tweeden punischen oorlog, z.Marciana carmina.
Marcodūrum, vlek der Ubii, ten W. van Colonia Agrippīna (Keulen), thans Duren.
Marcomanni= grensbewoners, eensuevischestam, schijnen eerst aan den Moenus (Main) te hebben gewoond. Omstreeks het begin onzer jaartelling veroverden zij onder aanvoering van Maroboduus Boiohaemum (Boheme). Marbod, een man van doorzicht en van groote heerschzucht, die te Rome aan het hof van Augustus was opgevoed, wist bij zijn volk een éénhoofdig bestuur en rom. krijgstucht in te voeren, en bracht een groot volkenverbond tot stand. Zijne heerschzucht bracht hem echter in een oorlog met de Cheruscers onder Arminius, later (18 n. C.) werd hij zelf door zijn eigen volk verdreven en week naar Ravenna uit, waar Tiberius hem liet wonen en waar hij ook gestorven is. Zijn werk bleef echter in stand, en de bond van Marcomannen werd later een van de geduchtste vijanden van het rom. rijk. Vooral tijdens de regeering van Domitiānus en van Marcus Aurelius (166–172 en 178–181) werden er bloedige oorlogen gevoerd, totdat Commodus in 181 den vrede kocht. Ook in lateren tijd hadden de Donaulanden van hunne strooptochten te lijden, doch door zware verliezen tegen de Gothen werd hunne macht gebroken en wordt hun naam alleen nog onder de legerscharen van den Hunnenvorst Attila gevonden.
Mardi=Amardi.
Mardonius,Μαρδόνιος, zoon van Gobryas, schoonzoon van Darīus Hystaspis, werd in 493 door Darīus met een leger naar Griekenland gezonden, maar moest onverrichter zake terugkeeren, daar zijn vlootschipbreukleed en zijn leger in Macedonië teruggeslagen werd. Hij was het, die later Xerxes tot den veldtocht tegen Griekenland dreef, en toen deze na den slag bij Salamis naar Azië terugkeerde, bleef M. op zijn verzoek met een groot leger achter. Nadat hij vergeefs getracht had met Athene onderhandelingen aan te knoopen rukte hij in het voorjaar van 479 van Thessalië uit weder voorwaarts en nam hij Athene in; vervolgens legerde hij zich in Boeotië en leverde hij bij Plataeae den beroemden veldslag,waarin hij na een dappere verdediging sneuvelde.
Marea,Μαρέα, stad in het W. der Nijldelta, ten ZZW. van Alexandria, beroemd door den krachtigen wijn, die in den omtrek werd geteeld,vinum Mareoticum. Zij lag aan een groot meer,Mareōtis lacus, dat door Nijlarmen en kanalen werd gevoed en van de zee slechts gescheiden was door de landtong, waarop Alexandria gebouwd was, zoodat deze stad er een reusachtigen binnenhaven aan had.
Mareotis,Μαρεῶτις, zieMarea.
Marēsa,Μαρησά, Μαρισσά, sterkte in Z. Palaestina aan den weg van Jerusalem naar Ascalon, dicht bij Eleutheropolis.
Margala(Margana), stad in Triphylia, in Elis. De inwoners heetenΜαργανῆς.
Margiāna,Μαργιανή, gewest in het O. gedeelte van het Perzische rijk, tusschen Parthyaea en Bactriāne, doorsneden door de rivier Margus (Murghâb).
Margītes,Μαργίτης, personificatie van verwaande domheid, die in grieksche sprookjes voorkomt, de held van een klein komisch epos, dat ten onrechte aan Homerus, door anderen aan Pigres, werd toegeschreven.
Margus,Μάργος, 1) rivier in Moesia Superior die dicht bij Viminacium in den Hister (Donau) valt, tgw. Morava.—2)z.Margiana.
Maria (lex)de suffragiis ferendisvan C. Marius, toen hij in 119 volkstribuun was. Deze wet strekte om, door het vernauwen der bruggetjes in de volksvergadering, te voorkomen, dat personen zich er op plaatsten om de stemmenden lastig te vallen of te controleeren, hoe zij stemden.
Maria (Marcia) Porcia (lex)de triumphis, van de volkstribunen L. Marius (Marcius) en M. Porcius Cato in 62, dat deimperatores, die een zegetocht wenschten te houden, de waarheid der door hen verstrekte opgaven bij den praetor moesten bezweren.
Mariaba, zieSaba.
Mariamme,Μαριάμμη, stad in Coelesyria ten W. van Emesa.
Mariāna fossa, ziefossa.
Mariandȳni,Μαριανδυνοί, niet-thracische volksstam in het O. van Bithynia, bij Heraclēa.
Marīca, nimf, echtgenoote van Faunus en moeder van Latinus, of moeder van Faunus; zij had een tempel en heilig bosch bij Minturnae; wat eenmaal in dat bosch gebracht was, mocht er niet weder uitgehaald worden.
Marii, plebejisch geslacht. 1)C. Marius, in 156 in het dorp Cereate bij Arpīnum uit ouders, die tot den boerenstand behoorden, geboren, gaf reeds vroeg bewijzen van groote krijgsmanstalenten. In 134 diende hij onder Scipio in den numantijnschen oorlog. In 119 ging hij als volkstribuun door zijnelex de suffragiisde kuiperijen der aanzienlijken bij de verkiezingen te keer. Zijn huwelijk met deadellijkeJulia, de tante van Caesar, verschafte hem de praetuur, en in 114 was hij propraetor in Hispania, waar hij door rechtvaardigheid en handhaving van tucht en veiligheid zich de algemeene achting verwierf. In den jugurthijnschen oorlog bewees hij als legaat groote diensten aan Metellus (109 en 108) en werd voor 107 tot consul gekozen, vooral omdat hij tot de volkspartij behoorde en de optimaten door hunne omkoopbaarheid hun eigen aanzien hadden ondermijnd. In 105 bracht hij den oorlog ten einde en voerde Jugurtha gevankelijk mede naar Rome. Hij triumpheerde 1 Jan. 104. Hierna werd hij, daar Italië door de Cimbren en Teutonen bedreigd werd, vier jaar achtereen (104–101) tot consul gekozen. De Teutonen en Ambronen versloeg hij in 102 bij Aquae Sextiae (Aix in Provence), de Cimbren in 101 bij Vercellae. Hierna werd hij ten zesden male consul (100). In dit consulaat verbond hij zich met den woelzieken volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus en den praetor C. Servilius Glaucia en werkte mede om zijn tegenstander Metellus Numidicus te doen verbannen, die de akkerwet van Saturninus weigerde te bezweren. Vervolgens verloochende hij in het oogenblik van gevaar ook Saturninus en Glaucia. Daar hij begreep, slechts in oorlogstijd de man van beteekenis te zijn, vertrok hij vervolgens naar Azië om met Mithradātes van Pontus onderhandelingen aan te knoopen. In den bondgenootenoorlog verwierf hij zich nieuwe lauweren (90–89). In 88 barstte de mithradatische oorlog uit, doch tot groote teleurstelling van Marius ontging hem zoowel het opperbevel als het consulaat; beiden werden aan Sulla opgedragen. Dit was Marius te veel; door eene wet van den volkstribuun P. Sulpicius Rufus liet hij zich door het volk met het veldheerschap bekleeden, doch Sulla, die Italië nog niet verlaten had, keerde met zijn leger naar Rome terug, Sulpicius werd gedood, Marius en een aantal anderen werden vogelvrij verklaard. Met zijn zoon zwierf hij als gejaagd wild rond; bij Minturnae werd hij gevangen genomen en ontsnapte ter nauwernood aan den dood. Hij stak naar Africa over, waar hij op de puinhoopen van Carthago rondzwierf. Inmiddels keerden de zaken te Rome; Cinna, hoewel eerst verdreven en als consul afgezet, keerde met Marius terug en beiden werden voor het jaar 86 tot consul verkozen. Doch reeds op den 13dendag van zijn consulaat bezweek Marius, evenwel niet zonder eerst nog zijne wraakzucht op de optimaten te hebben botgevierd. Zijne asch werd later op Sulla’s last opgegraven en in het water van den Anio geworpen.—2)C. Marius, aangenomen zoon van no. 1, woest en wreed als zijn vader in diens laatste levensjaren, deelde diens vlucht en kwam met hem terug. In 82 was hij consul. Sulla versloeg hem bij Sacriportus, en Ofella (Lucretiino. 4) belegerde hem in Praeneste. Toen hij de stad niet houden kon en zijne vlucht mislukte, bracht hij zich zelf om.—3)M. Marius Gratidiānus, zieGratidii.—4)M. Marius, een groot vriend van Cicero; hunne villa’s te Pompeii lagen dicht bij elkander.—5)C. Amatius, Pseudo-Marius geheeten, een bedrieger, die zich voor een zoon of neef of kleinzoon van no. 1 uitgaf, door Caesar alsbedrieger weggejaagd en later door M. Antonius ter dood gebracht werd.—6)Marius Celsus, veldheer onder Galba en Otho.—7)L. Marius Maximus, bekleedde in het begin der derde eeuw na C. vele hooge ambten, hij was o. a. proconsul van Africa en later van Asia, en in 223 voor de tweede maal consul. Hij schreef onder Alexander Sevērus biografiën van de keizers, van Nerva tot Elagabalus, in den trant van Suetonius. Excerpten hiervan zijn over in het werk derScriptores historiae Augustae.