V.

V.Vacalus=Vahalis.Vacatio munerum, zieBeneficiarius(miles) enCommeatus.Vacca, Vaga,Οὐάγα, 1) aanzienlijke handelsstad in de provincie Africa, op de grenzen van Numidia, ten Z.W. van Utica, waarvan het eene goede dagreis verwijderd was. Tijdens den Jugurthijnschen oorlog behoorde het aan Jugurtha, en werd het door Metellus verwoest, later werd het eene rom. kolonie.—2)stad in Byzacēne, ten Z.W. van Hadrumētum.Vaccaei, volk in Hispania Tarraconensis aan den bovenloop van den Durius (Douro) tusschen de Celtiberiërs en de Asturiërs. Zij bebouwden den grond in gemeenschap. Zij waren een dapper volk, waarmede de Carthagers veel last hadden. Hoofdstad: Pallantia.Vacūna, sabijnsche godin van den landbouw. Men bracht haar offers, wanneer men in het begin van den winter van den arbeid op het veld of uit den oorlog huiswaarts keerde, daardoor kreeg zij de beteekenis van eene godin van rust en verpoozing van den arbeid (litare Vacunae=vacuum esse). Soms wordt zij geïdentificeerd met Ceres, Minerva, Venus, Diāna of Bellōna, soms ook met Victoria. Zij werd vooral te Reāte en Tibur vereerd.Vada, 1) gen.-ae, sterkte der Batavieren, die op zeer verschillende plaatsen wordt gezocht, aan de Waal bij Wamel of Druten, of bij Wadenoijen in den Tielerwaard. Wageningen is het stellig niet (zooals men weleens gemeend heeft), daar geen Rom. plaatsen ten N. van den Rijn gevonden worden.—2)gen.-orum= wadden, naam van enkele kustplaatsjes, als:Vada Volaterrānaop de etruscische kust in het gebied der stad Volaterrae aan de door het riviertje Caecina gevormde moerassen,—Vada Sabatia, op de kust van Liguria, haven of reede der stad Sabata of Savo (Savona).Vadimōnis lacus, een klein rond meer in Etruria nabij den Tiber, een eind boven Horta. Het water was zwavelig en droeg kleine drijvende eilandjes. Het was eene heilige plek, die den Etruscers tot vergaderplaats diende. Bij dit meer werden zij in 309 door den dictator L. Papirius Cursor (Papiriino. 6) en in 283 door den consul P. Cornelius Dolabella Maximus (Corneliino. 35) verslagen.Vadimonium, borgstelling, de belofte om op den bepaalden dag voor den praetor of den rechter te verschijnen, waarbij oorspronkelijk, ten einde preventieve hechtenis te ontgaan, het stellen van een borg werd gevorderd, die bij wegblijven voor een zekere som gelds aansprakelijk bleef. De grootte der borgstelling hing af van den aard van het geding, doch mocht het bedrag van 100000 as niet te boven gaan. Hieraan zijn verschillende uitdrukkingen ontleend:vadimonium sistere, zijn borgtocht gestand doen, verschijnen;vad. deserere, den borgtocht in den steek laten, wegblijven;vad. imponere, borgstelling eischen;vad. concipere, de borgstelling formuleeren;vad. differre, de vervulling der belofte op de lange baan schuiven.Vaga=Vacca.VagienniofBagienni, ligurisch volk ten Z. der Taurīni, met de hoofdstad Augusta Vagiennorum (Bagiennorum).Vahalis, de tegenw. rivier de Waal.Valens(Flavius), rom. keizer in het O., 364–378 na C. Na den dood van Ioviānus in 364 werd Flavius Valentiniānus I, zoon van zekeren Gratiānus, een Pannoniër, tot keizer uitgeroepen. Hij nam zijn jongeren broeder, den bovengenoemden Valens, tot medekeizer aan en vertrouwde hem het O. deel des rijks toe. Valens had met vele moeielijkheden te kampen; aan de eene zijde bedreigden de Perzen zijn gebied, aan den anderen kant de Gothen, terwijl een bloedverwant van den vroegeren keizer Iuliānus, met name Procopius, die waarschijnlijk zelf op den troon had gehoopt, in opstand kwam, en tot overmaat van ramp eene hevige aardbeving in 365 groote streken van zijn rijk teisterde. De opstand werd in 366 onderdrukt, Procopius werd onthoofd en de Gothen in 369 tot vrede gedwongen. Met Perzië bleven de grensgeschillen slepende. Valens zelf was vrij goedhartig, doch zijn schoonvader Petronius maakte zich zeer gehaat en de ontevredenheid hierover uitte zich in samenzweringen tegen den keizer. In 375 verzochten de Westgothen, door de Hunnen opgejaagd, om eene wijkplaats ten Z. van den Donau. Onder Fritigern en Alavīsus trokken 200000 strijdbare mannen met hunne gezinnen de rivier over en kregen woonplaatsen in Thracia. Eene schaar Oostgothen onder Alatheus en Saprax volgde hen. De hebzucht en trouweloosheid van den rom. stadhouder Lupicīnus, die de Gothen aan den bittersten hongersnood prijs gaf en hunne aanvoerders op een maaltijd te Marcianopolis poogde om te brengen, hadden een opstand ten gevolge. Valens snelde van Antiochië naar Constantinopel om zich in persoon aan het hoofd van het leger te stellen; hij werd echter bij Hadrianopolis geheel verslagen en moest gewond de vlucht nemen in eene boerenhut, die door de Gothen in brand werd gestoken,zoodat de gewonde keizer in de vlammen omkwam (378). Zijn eenig zoontje Valentinianus was reeds in 372 overleden. Zijn opvolger was Theodosius de Groote.Valentia, 1) stad der Edetāni in Hispania aan de Middellandsche zee, door D. Brutus in 138 gesticht, door Pompeius in den oorlog tegen Sertorius verwoest, later herbouwd, thans Valentia.—2)stad der Cavari in Gallia Narbonensis, rom. kol., aan den Rhodanus (Rhône), thans Valence.—3)stadje in Calabria ten Z.Z.O. van Brundisium, ookValentium, ValetiumofBalesiumgeheeten.—4)Vibo Valentia, lat. kol. op de kust van het land der Bruttii, het oude Hippo of Hipponium, onder Augustus met uitgebreide werven en tuighuizen voorzien.—5)het zuidelijk gedeelte van Britannia barbara of Caledonia (Schotland), waarschijnlijk de streek tusschen de twee wallen (zieBritannia), door Theodosius den Gr. (379–395 na C.) voor korten tijd tot rom. prov. gemaakt.Valentiniānus, naam van drie rom. keizers. 1)Val. I(L. Flavius), zoon van Gratiānus, een Pannoniër, werd in 364 na den dood van Ioviānus keizer en nam zijn broeder Valens tot mederegent voor het O. aan, terwijl hij zelf het W. bleef besturen. Hij had tot nog toe meest in lagere officiersrangen gediend, o. a. in Gallia, onder Julianus; hij was een man van een indrukwekkend uiterlijk, een rechtschapen mensch, een wakker krijgsman, in weerwil zijner gestrengheid bij het leger zeer gezien. In 367 benoemde hij zijn zoon Gratiānus tot medekeizer voor het W. Hij had veel te doen met de grenzen te beschermen en de invallen der Alemannen, Quaden, Sarmaten, Saksers, Picten en Scoten af te slaan. Hij versterkte inzonderheid door eene linie van verschansingen de open ruimte tusschen Rijn en Donau. In 375 overleed hij aan eene beroerte te Brigetio in Pannonia. Hij was een begunstiger der wetenschappen en stichtte scholen.—2)Val. II, zoon van no. 1, geb. in 371, werd bij zijns vaders dood door de hovelingen tot keizer uitgeroepen onder den invloed zijner moeder Iustina, en door zijn halfbroeder, den edelen Gratiānus, bereidwillig als medekeizer erkend. In 383 werd Gratianus door Maximus (Magnus Clemens) omgebracht, die hem opvolgde onder voorwaarde, dat Italië en Africa aan den twaalfjarigen Val. zouden blijven. Toen Maximus echter ook dezen bedreigde, zond Theodosius de Gr. een leger te hulp onder den Frank Arbogastes, die Maximus versloeg en ter dood liet brengen. In 392 evenwel bracht Arbogastes ook Valentinianus om, te Vienna (Vienne aan den Rhône), toen de jonge keizer aan de willekeurige handelingen van den heerschzuchtigen Frank paal en perk wilde stellen. Arbogastes plaatste daarop Eugenius op den troon, die echter in 394 bij Aquileia door Theodosius werd verslagen, gevangen genomen en ter dood gebracht, terwijl Arbogastes de hand aan zichzelven sloeg.—3)Val. III(Flavius Placidus), rom. keizer 425–455 na C., zoon van Constantius III en van Placidia, de zuster van keizer Honorius. Constantius had zich in 420 door Honorius tot medekeizer laten aannemen, doch was reeds in 421 gestorven, waarna Placidia en haar zoon door Honorius verbannen werden en naar Constantinopel trokken. Toen Honorius in 423 stierf, maakte een der hooge ambtenaren, Johannes, zich van den troon meester. Ardacurius echter en Aspar, generaals van den oost-rom. keizer Theodosius III, brachten den vierjarigen Val. met diens moeder naar Rome en plaatsten hem op den troon. Placidia werd regentes. De voornaamste steunpilaar harer regeering was de veldheer Aëtius, die het wankelende rijk tegen Westgothen en Vandalen verdedigde. Sedert 427 leefde Aëtius in hevigen twist met een ander generaal, Bonifacius, stadhouder van Africa. Het gelukte Aëtius zijn mededinger den voet te lichten, die in 429, door wraakzucht gedreven, de Vandalen onder Geiserik naar Africa riep, waarop aldaar het vandaalsche rijk ontstond. De keizer zelf zag zijn leven lang met onverschilligheid het rijk afbrokkelen en leefde slechts voor zijne uitspattingen. Gallia, Hispania en Britannia waren reeds onder zijn vader verloren gegaan. In 450, na den dood zijner moeder, werd het west-rom. rijk door de Hunnen bedreigd, doch het gelukte Aëtius, met behulp der Westgothen en Franken Attila bij Châlons-sur-Marne in 451 te verslaan. Aëtius werd uit wantrouwen in 454 op last van Val. omgebracht, doch reeds in 455 onderging de keizer hetzelfde lot door de hand van Petronius Maximus (z. a.), wiens vrouw hij onteerd had.Valentīnus(TulliusofIulius), zieTullius Valentinus.Valeria, 1) stad der Celtibēri in Hispania, aan den Sucro.—2)=Varia(z. a.).—3)sedert keizer Galerius de oostelijke strook van Pannonia langs den Donau, welk stuk als eene afzonderlijke provincieValeriavan Pannonië gescheiden werd.Valeria(lex)de provocationevan den consul M. Valerius Corvus (Valeriino. 13) in 300, zieValeriae(leges)de provocatione.Valeria(lex) van den volkstribuun Valerius Tappo, (188), waarbij aan de steden Formiae, Fundi en Arpinum, die decivitus sine suffragiohadden, het volle burgerrecht verleend werd; de inwoners van Formiae en Fundi werden in de tribus Aemilia, die van Arpinum in de tribus Cornelia opgenomen. Langzamerhand werd dit voorrecht ook aan de andere municipia (z. a.) verleend.Valeria(lex)de aere alieno, van den consul L. Valerius Flaccus (Valeriino. 24) in 86, waarbij de schuldenaars hunne schulden konden afdoen door betaling van ¼ der hoofdsom.Valeria(lex)de Sulla dictatore, van den interrex L. Valerius Flaccus (Valeriino. 22) in 82, om Sulla tot dictator voor zijn leven te benoemen. Hierbij werden alle handelingen van Sulla alsconsulenproconsul, en wat hij in het Oosten had vastgesteld, goedgekeurd, tevens deproscriptiones, bonorumsectiones, enagrorum assignationes. Hem werd alle macht over leven en goed zijner medeburgers verleend, en de macht om wetten te maken en het staatsbestuur te regelen, onder den titeldictator legibus scribundis et reipublicae constituendae.Valeria(via), van Rome over Tibur (welk eerste gedeelte via Tiburtīna heette), Carseoli, Alba Fucentia naar het gebied der Paeligni, en verder langs den Aternus tot aan de Adriatische zee.Valeriae(leges) van den consul P. Valerius Poplicola in 509 na de verdrijving der koningen. 1)de provocatione:ne quis magistratus civem Romanum adversus provocationem, necaret neve verberaret.—2)dat aan den slaaf Vindicius, die de samenzwering ten gunste van Tarquinius ontdekt had, vrijheid en burgerrecht zouden geschonken worden.—3)de perduellione, waarbij het streven naar alleenheerschappij met doodstraf werd bedreigd. Deze wetten zijn verzonnen, daar P. Valerius Poplicola, zoo hij al bestaan heeft, toen geen consul geweest is. ZieValeriino. 1.Valeriae(leges)de provocatione. Het verdient opmerking, dat er drie wetten hierover bestaan van drie verschillende Valerii. De eerste (509) stelde wel hetius provocationis ad populumin, doch bevatte geen voldoende strafbepaling tegen schending daarvan. De tweede (lex Horatia Valeria, 449) verbood voor het vervolg ooit weder eenig nieuw ambt zonder provocatio in het leven te roepen. De derde (300) van den consul M. Valerius Corvus onderwierp misschien den dictator aan de provocatio. De eerste wet is apocryph, daar er toen geen Valerius consul geweest is, maar ze heeft bestaan vóór de lexAternia Tarpeiavan 454. V. s. bestond deprovocatioreeds in den koningstijd, en benoemde daarom de koning, om zich niet aan de vernedering bloot te stellen, dat zijn uitspraak door het volk werd vernietigd, voor elke kapitaalzaak afzonderlijk twee mannen,qui de perduellione iudicarent(II viri perduellionis). V. a. is deprovocatioeerst ingesteld door de wet van Valerius Corvus, en zijn beide vorige wetten, evenals de lexAternia Tarpeia, verzonnen.Valeriae Horatiae(leges), zieHoratiae Valeriae(leges).Valeriānus. 1)P. Licinius Valerianus, rom. keizer 253–259 na C., had zich onder Alexander Sevērus en diens opvolgers in den oorlog onderscheiden en was stadhouder van Raetia, toen hij in 253 door zijne soldaten tot keizer werd uitgeroepen. In de laatste 18 jaren, na de vermoording van Alex. Severus door C. Julius Verus Maximīnus, had het rijk niet minder dan 11 keizers en tegenkeizers gekend: Maximīnus, Gordiānus I en II, Pupiēnus Maximus, Caelius Balbīnus, Gordiānus III, Philippus Arabs, Decius, Treboniānus Gallus, Hostiliānus, Aemiliānus. Het was ook Valeriānus niet gegeven, orde te brengen in den toestand van verwarring. In 259 werd hij bij een onderhoud met den perzischen veldheer verraderlijk gevangen genomen en tot zijn dood toe (268) gehouden. Het verhaal luidt, dat hij den perzischen koning tot voetbank moest dienen, wanneer deze te paard steeg.—2)Valeriānus, jongere zoon van no. 1, werd met zijn halfbroeder Galliēnus in 268 voor Milaan vermoord.—3)P. Licinius Cornelius Valeriānus, zoon van Galliēnus, werd door het krijgsvolk te Colonia Agrippīna aan den tegenkeizer Postumus in handen geleverd en op last van dezen omgebracht (259).Valerii, een patricisch geslacht van sabijnschen oorsprong; onder Romulus en Titus Tatius zou een zekere Volusus Valerius naar Rome gekomen zijn. 1)P. Valerius Poplicola, waarschijnlijk eene geheel legendaire figuur, waarvan zeer jonge berichten het volgende vertellen: hij was een der mannen, die het koningshuis hielpen verdrijven. Reeds in het eerste jaar (509) der republiek nam hij als consul de plaats in van L. Tarquinius Collatīnus en bekleedde dezelfde waardigheid nogmaals in 508, 507 en 504. Zijn bijnaam had hij te danken aan zijn eerbied voor de rechten en de souvereiniteit des volks, die hij o. a. betoonde door de instelling derprovocatio ad populumen het weglaten der bijlen uit de fasces binnen het pomerium. Hij streed roemrijk tegen de Etruscers, Vejenten en Sabijnen en stierf in 503. ZieValeriae(leges)de provocatione.—2)M. Valerius Volusus, broeder van no. 1, nam ook deel aan de oorlogen tegen Porsēna, de Sabijnen en de Latijnen, was in 505 consul en in 494 dictator, in welke hoedanigheid hij alles aanwendde om eene schikking tusschen de patriciërs en de uitgeweken plebs tot stand te brengen. Dit geheele verhaal is verzonnen, ziesecessio plebis, tribuni plebis, Meneniino. 1.—3)P.enM. Valerius, zoons van no. 1, onderscheidden zich in den slag bij het meer Regillus in 496.—4)L. Valerius Volusus Potitus, verzette zich tegen de lex Cassia agraria in 486, zieAgrariae legesenCassiino. 1. Hij was consul in 483 en 470.—5)P. Valerius Poplicola, consul in 475, zegepraalde over de Vejenten en Sabijnen. In 460 sneuvelde hij in zijn tweede consulaat bij de herovering van het Capitool, dat door den Sabijn Herdonius des nachts door overrompeling ingenomen was.—6)L. Valerius Poplicola Potitus, zoon van no. 5, legde in 449 met zijn ambtgenoot M. Horatius Barbātus de geschillen bij, die door de willekeur der tienmannen ontstaan waren en zegepraalde over de Aequers.—7)C. Valerius Potitus Volusus, consulairtribuun in 415, 407 en 404, en consul in 410.—8)L. Valerius Potitus, zoon van no. 6, consulairtribuun in 414, 406, 403, 401 en 398, streed bij herhaling overwinnend tegen Vejenten, Volscen en Faliscers.—9)L. Valerius Potitus, nog jong, in 392 tot consul gekozen, overwon de Aequers bij den berg Algidus.—10)L. Valerius Poplicola, consulairtribuun in 394, 389, 387, 383 en 380.—11)P. Valerius Potitus Poplicola, consulairtribuun in 386, 384,380, 377, 370 en 367.—12)M. Valerius Poplicola, consul in 355 en 353, streed tegen de Tiburtijnen en Volscen.—13)M. Valerius Corvusverkreeg zijn bijnaam door een tweegevecht in 349 met een reusachtigen Galliër, dien hij overwon doordat zich op diens helm een raaf nederzette en hem in het gezicht met vleugels en snavel sloeg en pikte. In 348 was hij consul, schoon eerst 23 jaar oud, en later nog in 346, 343, 335, 300, en als suffectus voor de zesde maal in 299, terwijl hij tweemaal dictator was, in 342 en 301. Hij behaalde verscheidene overwinningen op naburige volken, o. a. op de Samnieten in 343 bij den berg Gaurus. Deze overwinning is echter verzonnen, evenals de geheele eerste samnietische oorlog. Zoo groot was het ontzag voor zijn naam, dat zijne benoeming tot consul in 300 de Etruscers van een oorlog afschrikte. Toch was hij meer een voorstander van zachte dan van strenge maatregelen. Hij stierf algemeen geacht en bemind in den ouderdom van 100 jaar.—14)M. Valerius Maximus, consul in 312, streed in dit jaar, en ook later als legaat, met roem tegen de Samnieten.—15)P. Valerius Laevīnus, consul in 280, verloor den slag bij Heraclēa tegen Pyrrhus.—16)M. (M’.)Valerius Maximus MessallaofMessāla, consul in 263, behaalde met zijn ambtgenoot M. Otacilius Crassus op Sicilia eene zegepraal op de Carthagers en hun bondgenoot Hiero van Syracuse. Hij bracht van Catana den eersten zonnewijzer naar Rome. Omtrent zijn censuur zieSemproniino. 17.—17)P. Valerius Falto, consul in 238, werd in Gallia Cisalpīna eerst door de Bojers en Liguriërs verslagen, doch eindigde met hen te overwinnen.—18)M. Valerius Laevīnus, streed in 215 als praetor tegen de Carthagers, en werd in 214 tegen Macedonië uitgezonden, in 210 was hij consul en veroverde hij Agrigentum op de Carthagers, terwijl hij in 208 en 207 met eene vloot op ’s vijands kusten stroopte. In 205 bracht hij het beeld van de Magna Mater van Pessinus naar Rome.—19)L. Valerius Flaccus, in 195 consul met M. Porcius Cato (maior), overwon de Bojers en Insubriërs in Cisalpīna en woonde in 191 onderM’.Acilius Glabrio den slag bij aan de Thermopylae tegen Antiochus III van Syria. In 184 was hij censor met zijn vriend Cato.—20)C. Valerius Flaccus, broeder van no. 19, een losbol, werd tegen zijn zin totflamen Dialisgekozen en gewijd, en wijzigde toen zijne manier van leven geheel en al, zoodat hij een ingetogen mensch werd. Het was in onbruik geraakt, dat de flamen Dialis in den senaat zitting nam; gesteund door de volkstribunen, doch met hevige tegenkanting van de senaatsleden, nam Flaccus weder zitting. In 199 werd hij aedilis curulis; daar de priester van Jupiter geen eed mocht zweren, legde zijn broeder dezen namens hem af.—21)C. Valerius Laevīnuswas in 189 de voorspraak der Aetoliërs, toen het de vaststelling der vredesvoorwaarden gold; in 176 bestreed hij als consul de Liguriërs.—22)L. Valerius Flaccuswas in 100 consul met C. Marius, met wien hij echter volstrekt niet samenwerkte. Hij was in den Sullaanschen tijdprinceps senatus, en werd in 82 na den dood der consuls totinterrexbenoemd, zieValeria lex de Sulla dictatore.—23)C. Valerius Flaccus, consul in 93, bestuurde Gallia en overwon de Galliërs; hij was later een aanhanger van Sulla, en bracht in 81 den Celtiberiërs eene zware nederlaag toe.—24)L. Valerius Flaccuswerd in 99 aangeklaagd door C. Appuleius Deciānus, was consul suffectus in 86 in plaats van C. Marius (z.lex Valeria de aere alieno) en liet zich ook het bevel in den mithradatischen oorlog opdragen tegenover Sulla. Hij werd echter in 85 te Nicomedēa door zijn legaat C. Flavius Fimbria vermoord.—25)L. Valerius Flaccus, zoon van no. 24, vergezelde zijn vader naar Azië, en diende later in Cilicië en op Creta. In 63 maakte hij als praetor zich verdienstelijk jegens den staat tegenover de Catilinarii. Hierop kreeg hij Azië als provincie. In 59 wegens afpersingen aangeklaagd, werd hij schitterend door Cicero verdedigd en vrijgesproken.—25a)L. Valerius Praeconinus,legatusvan L. Mallius (Manlii no. 15), sneuvelde in 78 in een strijd tegen de opgestane Aquitaniërs.—26)M. Valerius Messāla Niger, consul in 61, een uitstekend redenaar.—27)M. Valerius Messāla, neef van no. 26, werd, ofschoon met veel bedekte en openlijke tegenwerking, tot consul voor het jaar 53 gekozen. In 51 werd hij door toedoen van Pompeius van omkooping beschuldigd, doch door den redenaar Q. Hortensius Hortalus vrijgepleit. In den burgeroorlog koos hij Caesars partij.—28)M. Valerius Messāla Corvīnus, uitstekend redenaar en goed letterkundige, streed bij Phillippi aan de zijde van Cassius en Brutus, doch ging later over tot Octaviānus. In 34 onderwierp hij de Salassers in de Alpen, in 31 was hij consul, in 27 overwon hij de Aquitaniërs, waarna hijpraefectus urbite Rome werd. Hij was zeer bevriend met den dichter Tibullus, die hem in 31 zou vergezellen in den oorlog van Octavianus tegen Antonius, doch ziek te Corcȳra moest achterblijven. Ook had hij met Horatius omgang. Hij zelf schreef ook, o. a. in het grieksch over de burgeroorlogen, en latijnsche redevoeringen; ook schijnt hij verzen te hebben gemaakt.—29)M. Valerius Messāla Messallīnus, zoon van no. 28, aan wien Ovidius van Tomi uit eenige gedichten heeft gericht, consul in 3, werd naar Germania gezonden, en later naar Dalmatia om den opstand van Bato te onderdrukken. Omtrent zijn broeder, door adoptie tot de Aurelii overgegaan enM. Aurelius Cotta Maximus Messālinusgenoemd, zieAureliino. 8.—30)C. Valerius Triariuswas admiraal van Pompeius in den oorlog tegen Caesar en sneuvelde in 48 bij Pharsālus. Cicero voert hem in zijn werkde Finibus bonorum et malorumsprekende in.—31)Valerius Asiaticusuit Gallia was een hoofdpersoon bij den moord van Caligula, die hem zwaar had beleedigd. Door zijnrijkdom werd hij onder keizer Claudius het slachtoffer der beruchte Messalīna (Valeriino. 33). Hij liet zich de aderen openen (47 n. C.).—32)Valerius Asiaticus, zoon van no. 31, ondersteunde tijdens Nero den gallischen opstand van Vindex. Later sloot hij zich aan bij Vitellius, wiens schoonzoon hij werd.—33)Valeria Messalīna, echtgenoote van keizer Claudius, eene der meest zedelooze en gewetenlooze vrouwen, die de geschiedenis kent, wilde ook de aanzienlijkste rom. vrouwen dwingen haar ontuchtig voorbeeld te volgen. Zij spaarde niemand, die haar hebzucht of haar haat had opgewekt, ook hare verwanten niet. De zwakke Claudius liet zich geheel door haar leiden, totdat eindelijk haar ontrouw hem de oogen opende en hij haar ter dood liet brengen (48).—34)L. Valerius Catullus Messalīnus, een berucht verklikker onder Domitiānus, die zelfs toen hij blind was dit bedrijf nog voortzette.Onder de schrijvers, die den naam Valerius dragen, komen de volgende in aanmerking.—35)Q. Valerius Sorānus, uit Sora in Latium, redenaar en, naar het schijnt, een dichter van naam, door Cicero echter om zijne uitspraak van het Latijn berispt. Hij werd door Pompeius in 82, toen hij volkstribuun was, terechtgesteld.—36)Valerius Antias, uit Antium in Latium, leefde ten tijde van Sulla en schreef zeer onbetrouwbareannālesvan Rome’s stichting af tot op diens tijd. Livius heeft er veel uit geput.—37)Valerius Cato, uit Gallia Cisalpina, had in den sullaanschen burgeroorlog zijn vermogen verloren en moest, om in zijn onderhoud te voorzien, les geven in taal- en dichtkunde. Hij is met C. Licinius Macer Calvus (Liciniino. 6) de aanvoerder van de nieuwe richting in de poëzie, deneoterici, waartoe ook Catullus behoorde. Of de gedichtenDiraeenLydia, die op zijn naam staan, van hem zijn, is niet uit te maken.—38)Q. Valerius Catullus, rom. dichter, werd ongeveer in 84 te Verōna geboren uit eene vermogende familie. Van zijn leven is weinig bekend. Hij leefde op vriendschappelijken voet met Cicero, Hortensius, Cornelius Nepos e. a. In 57 vergezelde hij den praetor C. Memmius Gemellus naar Bithynia en bezocht op deze reis in Troas het graf van zijn diep door hem betreurden broeder. Hij bezat eene villa bij Tibur en eene te Sirmio bij Verona aan den lacus Benācus (Garda-meer). Onder den naamLesbiabezingt hij Clodia, de zuster van den tribuun P. Clodius Pulcher en echtgenoote van Q. Metellus Celer (zieClaudiino. 18), die hijhartstochtelijkbeminde totdat haar wangedrag hem afstiet. Hij stierf waarschijnlijk in 54. Wij hebben van hem nog 116 grootere en kleinere lyrische gedichten en epigrammen. Het meest munt hij uit in erotische poëzie. Zijn verzen, soms wat ouderwetsch getint, zijn rijk aan gevoel en liefelijke gedachten, eenvoudig doch keurig van taal. Hij was de eerste rom. lierdichter, die grieksche versmaten bezigde.—39)Valerius Maximus, niet tot de patricische gens Valeria behoorende, verkeerde in behoeftige omstandigheden, totdat Sex. Pompeius (consul 14 n. C.) zich zijn lot aantrok. Tusschen 26 en 32 na C. schreef hij zijn eenig werkFactorum et dictorum memorabilium libri IX, een werk zonder letterkundige waarde wat den stijl betreft, waarin daden en gezegden onder verschillende rubrieken gesorteerd zijn. ZieCornelius Nepos(Corneliino. 58). Toch is het werkje in verschillende tijden veel gelezen en hebben anderen er uit geput en er weder uittreksels van gemaakt.—40)M. Valerius Probus, zieProbusno. 2.—41)C. Valerius Flaccus(Setinus Balbus), episch dichter uit den tijd van Vespasianus. Hij heeft 8 boekenArgonauticagedicht, bewerkt naar het gedicht van Apollonius Rhodius (z. a. no. 1). Hij is gestorven, kort voor 92 na C.—42)M. Valerius Mutinesz.Mut(t)ines.Valgii1)A. Valgiusstreed in Hispania onder Caesar, doch liep tot de pompejaansche partij over.—2)C. Valgius Rufus, een vertrouwd vriend van Horatius, een geleerd en veelzijdig ontwikkeld man, ook schrijver en elegieëndichter. Uit zijne werkende tralatione(van rhetorischen aard), derebus per epistulam quaesitis(taalkundige onderzoekingen) hebben Plinius, Gellius e. a. veel geput en aangehaald. Ook schreef hij een onvoltooid leerdichtde herbarum viribus, dat door Plinius met lof vermeld wordt. Horatius ontried hem het dichten van elegieën en, ofschoon Tibullus vleiend van hem zegt:aeterno propior non alter Homeroschijnen de ouden hem toch slechts eene zeer bescheiden plaats onder de dichters te hebben aangewezen.Vallis Poenīna, de Zuidkant van het meer van Genève en het Boven-Rhône-dal (tgw. Wallis, Valais). De streek vormde een onderdeel van de kleine provincieAlpes Graiae et Poeninae, die later tot Raetia behoorde. Hier woonden vier, waarschijnlijk ligurische of raetische stammen: Nantuātes, Veragri, Sedūni en Viberi of Uberi.Vallum Antonini, grenswal in Schotland tegen de invallen der noordelijke volkeren aangelegd door keizer Antoninus Pius in 142 n. C., tusschen de Firth of Clyde en de Firth of Forth, zieBodotriaenBritannia.Vallum Hadriani, grenswal in Noord-Engeland tegen de invallen derCaledoniërsaangelegddoor keizer Hadrianus in 122 n. C., tusschen den Solway Firth en den mond van de Tyne. Z.Britannia.VandaliofVandili,Οὐάνδαλοι, een germaansch volk, dat een tijd lang aan het tegenw. Reuzengebergte woonde, dat dan ook welVandalici monteswordt genoemd. Vervolgens trokken zij naar Dacia en ten tijde der groote volksverhuizing naar Hispania, waar zij nog hun naam in (W)andalusië hebben achtergelaten. In 429 n. C. staken zij (zieValentiniānus III) naar Africa over onder hun koning Geiserik en stichtten er een vandaalsch rijk met Carthago tot hoofdstad. Geiserik schiep eene vandaalsche zeemacht, die de schrik werd der Middellandsche zee, veroverde Sardinia, Corsica en Siciliaen deed in 455 eene landing in Italië, zieMaximus(Petronius). Bij deze gelegenheid werd Rome vreeselijk geplunderd; wat waarde had, werd meegesleept, doch de schepen met Rome’s kunstschatten beladen, vergingen door storm voor zij Carthago hadden bereikt. Na Geiseriks dood in 477 verzwakte de macht der Vandalen voortdurend, totdat hun rijk onder den laatsten koning, Gelimer, in 534 door Iustinianus’ veldheer Belisarius vernietigd werd.Vangiones, germaansch volk op den linker Rijnoever in Belgica. Hoofdstad: Borbetomagus, thans Worms.Vannius.Na de verdrijving van Maroboduus (zieMarcomanni), werden aan een gedeelte van zijn volk in de streek tusschen Marus (March) en Cusus (Waag) woonplaatsen aangewezen, onder een koning uit het volk der Quaden, genaamd Vannius (18 n. C.). Deze breidde zijn rijk voortdurend uit, tot hij in 50 door Vibilius, den koning der Hermunduren en door Vangio en Sido, de zonen zijner zuster, verdreven werd, en een toevlucht vond in het Romeinsche rijk. Het Rijk van Vannius bleef echter bestaan, en kwam nu aan de bovengenoemde neven, die aan het Rom. rijk trouw bleven. De onderdanen worden gewoonlijk Suēvi genoemd, hetgeen de algemeene stamnaam is.Varagri=Veragri.Vardaei, z.Bardiaei.Varguntēii.1)L. Vargunteius, rom. senator, handlanger van Catilīna, belastte zich met de taak, Cicero te vermoorden.—2)Vargunteius, legaat van Crassus, sneuvelde in den parthischen oorlog.Varia, schilderachtig gelegen vlek aan devia Valeriaten N.O. van Tibur, op een heuvel aan den Anio. Tot de buurtschap behoorde het landgoed van Horatius.Varia(lex)de maiestatevan den volkstribuun Q. Varius Hybrida, dat een gerechtelijk onderzoek moest worden ingesteld, wie de italische bondgenooten tot het opvatten der wapenen hadden opgeruid (91). Dit was olie in het vuur, en hierop ontbrandde dan ook de marsische oorlog.Varii.1)Q. Varius Sucronensis, uit Sucro in Hispania, meer bekend onder den bijnaamHybrida, dien het volk hem gaf, omdat zijn burgerrecht door sommigen werd betwijfeld, stelde als volkstribuun in 91 de heilloozelex Varia de maiestatevoor, waardoor de italische bondgenooten, die zich reeds gewapend hadden om Rome het burgerrecht af te dwingen en die op enkele plaatsen reeds tot oproer waren gekomen, zóó verwoed werden, dat zij Rome den ondergang zwoeren. Hij was een goed redenaar. Hij was, naar men zeide, medeplichtig aan den moord van zijn ambtgenoot M. Livius Drusus en werd ook beschuldigd van vergiftiging van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caeciliino. 13). Later werd hij krachtens zijn eigen wet veroordeeld, ging in ballingschap en werd op wreedaardige wijze vermoord; hoe, is niet bekend.—2)Varius Cotyla(= wijnvat) was een deelgenoot der drinkgelagen van Antonius, die hem echter eens aan een maaltijd door zijne slaven liet geeselen. Later komt hij als bevelhebber eener legerafdeeling in den mutinensischen oorlog voor.—3)L. Varius Rufus, rom. dichter uit den kring van Maecēnas, een vriend van Catullus en Vergilius en ook van Augustus. Aan hem en Plotius Tucca droeg Vergilius op zijn sterfbed de uitgaaf zijnerAenēisop. Varius was ook werkzaam voor de toelating van Horatius in den kring van Maecenas. Als treurspeldichter stond hij hoog aangeschreven; zijnThyesteswerd opgevoerd bij de spelen ter viering van de overwinning bij Actium en door Octaviānus met een geschenk van een millioen sestertiën beloond. Hij was vooral beoefenaar der epische poëzie,Maeonii carminis ales, zooals Horatius hem noemt. O. a. schreef hij een gedichtde morteen eenPanegyricus Augusti. Nagenoeg alles van hem is verloren gegaan.—4)Varius Avitus Bassianus=Heliogabalus.Varīni, volk in Germania aan de kust der Oostzee, in het tegenw. Mecklenburg, behoorende tot die volkeren, die de godin Nerthus vereerden.Varinii, een onberoemd geslacht.Varisti, zieNaristi.Varro, familienaam in degens Terentiaen degens Visellia.Varus(=krombeen), familienaam in verschillende gentes. ZieAlfen(i)us, Attii(no. 4),Quinctilii.Varus, thans Var of Varo, tusschen Nicaea (Nizza, Nice) ten O. en Antipolis (Antibes) ten W., grensrivier tusschen Gallia Narbonensis en Italia (Liguria).Vas, hij die borg blijft, dat een gedaagde ter terechtzitting zal verschijnen; zievadimonium. Een borg voor het nakomen eener aangegane verbintenis wordtpraesgenoemd.Vasarium, eigenlijk gereedschapsgeld, de som, die aan den stadhouder eener provincie werd uitgekeerd voor zijne uitrusting.Vascones, volksstam tusschen den Ibērus (Ebro) en de Pyrenaeën, in de tegenw. baskische gewesten (Biscaye, Guipuscoa, Navarre). Hoofdstad: Pompelo (Pampeluna). Als eene bijzonderheid vindt men opgeteekend, dat zij blootshoofds ten strijde togen. Ook in Aquitania woonden stamgenooten, ofschoon onder andere namen. Hun naam leeft nog voort in de namen Basken en Gascogne. Het W. deel der Pyrenaeën heette naar henVasconum saltus.Vaticānus(mons), een berg aan de rechterzijde van den Tiber, doch nooit in den kring van het oude Rome opgenomen. De wijn, die er groeide, was bekend als slecht.Vatiniae(leges) van den volkstribuun P. Vatinius in 59. 1)de imperio C. Caesaris, waarbij aan Caesar bij plebisciet Illyricum en Gallia Cisalpīna als provinciën toegewezen werden. Deze wet werd doorgedreven niettegenstaande heftig verzet van den consul M. Calpurnius Bibulus, wiens ambtgenoot Caesar zelf was. De senaat voegde er nog Transalpīnabij, uit vrees, dat ook deze provincie (die destijds nog alleen uit Narbonensis bestond) anders ook nog door het volk aan Caesar ten deel zou vallen.—2)de alternis consiliis reiciendis, waarbij vermoedelijk aan den aanklager en den beklaagde nog eene tweede wraking van rechters werd toegestaan, wanneer de eerstgewraakte reeds door andere vervangen waren (zieiudex).—3)omtrent de uitzending eener kolonie door Caesar naar Comum, als voorpost tegen de Alpenbewoners.—4)rogatio de L. Vettii iudicio; deze ging niet door, zieVettiino. 3.Vatinii. 1)P. Vatiniusuit Reāte beweerde in 168 van de Dioscuren de gevangenneming van koning Perseus vernomen te hebben.—2)P. Vatinius, afstammeling van no. 1, een der fortuinzoekers uit Caesars tijd, had in 63 de quaestuur op niet zeer eervolle wijze bekleed en was in 59 volkstribuun. Als zoodanig diende hij Caesar (zieVatiniae leges), met wien hij in 58 naar Gallia ging. Later te Rome wegens knevelarij aangeklaagd, die hij als quaestor had bedreven, wist hij met behulp van Clodius de rechters door geweld schrik in te boezemen. In 56 trad hij in de zaak van P. Sestius tegen dezen en diens verdediger Cicero op, doch werd onmiddellijk daarna door Cicero in eene opzettelijke redevoering ontmaskerd. In 55 werd hij praetor; in 54, wel niet ten onrechte, van omkooping hiertoe beschuldigd, werd hij ter wille van Caesar door Cicero verdedigd. Ook in het vervolg bleef Vatinius Caesar trouw. In den burgeroorlog versloeg hij in het begin van 47 de Pompeiani bij het eiland Tauris, en verjoeg ze uit de Adriatische zee. In 45 ging hij als proconsul naar Illyria, maar na Caesar’s dood gaf hij de provincie over aan Brutus.VectaofVectis, eiland op de Zuidkust van Britannia, thans Wight.Vectīgal.Ondervectigaliaverstaat men de indirecte belastingen en wat men betaalt voor het gebruik van staatseigendommen. Hiertoe behoorden o. a. 1)portorium, haven-, brug- en weggelden en in- en uitvoerrechten.—2)scriptura, het weidegeld dat bij het inscharen van vee op de weidegronden van het staatsdomein (pascua publica) werd betaald.—3)verpachtingen van het vischrecht en van houtkap in de bosschen van den staat, van concessies voor ontginning en exploitatie van mijnwerken, krijt-, zout- en steengroeven.—4)vicesima manumissionum, 5% van de getaxeerde waarde, bij vrijlating van slaven te betalen. Deze belasting was ingevoerd door de lex Manlia van 357.—5)sinds den keizerstijd,vicesima hereditatum, een successierecht van 5% bij erfenis, wel te verstaan van erfenissenex iure Quiritium; daarom gaf Caracalla in 212 na C. aan alle vrije inwoners het burgerrecht, om over het geheele rijk dit recht te kunnen heffen.—6)de pacht voor het gebruik vanager publicusen in de provinciën dedecumaevan tiendplichtige landerijen.—7)centesima rerum venalium, een verkooprecht op alles wat binnen Italië werd verkocht, eene instelling van Augustus.—8)accijns op eetwaren, door Caligula ingesteld.—9)quinguagesima mancipiorum venalium, een overgangsrecht bij verkoop van slaven, van 2%, door Augustus ingevoerd, door Claudius verdubbeld.—10)een entreegeld voor de publieke privaten, onder den naamvectigal foricarum et urinae, ingevoerd door Vespasiānus.—11)eene belasting op de nijverheid, patentbelasting, van Alexander Sevērus.—12)vectigal ex aquaeductibusvoor het uit de waterleidingen naar de huizen afgevoerde water;cloacariumvoor het recht van waterloozing in de openbare riolen, enz.—Voorzoover zij er toe geschikt waren, werden de vectigalia door de censoren verpachtsummis pretiis. Ominis causawerd een begin gemaakt met de oesterbanken in denlacus Lucrīnus. Neemt men vectigalia in den meer algemeenen zin van staatsinkomsten, dan kan hiertoe ook de rechtstreeksche belasting,stipendium(z. a.), uit de provinciën worden gebracht. In de provinciën Sicilia en Africa was het stipendium geheel vervangen door tienden. Italia was van grondbelasting geheel vrij (zie ookius italicum). Over hettributumder rom. burgers, dat niet tot de eigenlijke belastingen kan gerekend worden, zietributum.Vectones=Vettones.Vedius Pollio, vrijgelatene, rom. ridder, een nietswaardig mensch, ontzaggelijk rijk, verkwistend en meedoogenloos. Bij zekere gelegenheid, dat Augustus bij hem te gast was, werd diens bescherming ingeroepen door een slaaf van Vedius, die wegens het breken van een voorwerp vanmurrha(z. a.) door zijn meester veroordeeld was om in den vischvijver geworpen te worden en tot spijs voor de alen te dienen. Augustus gelastte toen aan zijne lictoren, alle murrha in het huis stuk te slaan. Vedius Pollio stierf in 15, na Augustus tot erfgenaam van het grootste gedeelte zijner bezittingen benoemd te hebben, o. a. van zijne prachtige villa Pausilȳpum (Zonderzorg, Sans-Souci) tusschen Neapolis en Puteoli.Vegetius Renātus(Flavius) schreef aan het einde van de 4deeeuw na C. eenepitome rei militaris, eigenlijk eene compilatie, zooals de schrijver zelf erkent, van verspreide berichten en mededeelingen, die hij bij verschillende oudere schrijvers heeft aangetroffen, aangevuld met hetgeen hij aan de keizerlijke verordeningen heeft ontleend. Ofschoon dikwijls oud en nieuw zijn dooreengeward, heeft het werk, bij gebrek aan andere en betere krijgskundige geschriften, voor ons eene niet geringe waarde. Waarschijnlijk moet een werk over veeartsenijkunde van een zekeren P. Vegetius Renatus, uit denzelfden tijd, ook aan hem worden toegeschreven.Veiento(A. Fabricius), werd onder Nero in 62 n. C. verbannen, omdat hij in schotschriften senatoren en priesters beschimpt had. Onder Domitiānus was hij alsdelatorberucht. Hij wasconsularis.Vēii,Οὐήιοι, oude en machtige etruscische stad op eene hoogte aan de rivier de Cremera,met flinke muren, waarvan nog sporen aanwezig zijn. Het uitgebreide gebied werdager VeiensofVeientānusgenoemd. Daar Veii en Rome slechts ruim drie uren van elkander lagen, moest Rome’s opkomst spoedig eene botsing uitlokken. Reeds onder de regeering van Romulus wordt een oorlog met Veii vermeld. Ten laatste werd het in 396, volgens de overlevering, na een tienjarig beleg, door M. Furius Camillus ingenomen, geplunderd en verwoest. Het gebied der stad werdager publicus, maar reeds in 387 werden hier 4 nieuwetribusingericht, n.m. de tribus Stellatīna, Tromentīna, Sabatīna en Arniensis. Veii had een beroemden Juno-tempel.Veiovis, Vediovis, Vedīus, een rom. god, wiens naam door de ouden verklaard wordt als jonge Jupiter of verdervende Jupiter. Hij had sedert 192 een heiligdom tusschen het Capitolium en den burcht, op de plaats van het oude asyl van Romulus, en, sedert 194, een op deinsula Tiberina. In eerstgenoemden tempel stond zijn beeld van cypressenhout, jeugdig van gestalte, met een bundel pijlen in de hand en een geit naast zich. Den 7denMaart werd hem een geit geofferd. Wegens de pijlen, die tot zijne attributen behooren, werd hij soms met Apollo geïdentificeerd; in werkelijkheid behoorde hij tot den kring der onderaardsche godheden.Velābrum, straat of buurt in Rome van den mons Palatīnus in de richting naar den Tiber, door denvicus Tuscusmet het forum Romānum verbonden. Op het Velabrum waren winkels van fijne gerechten of lekkernijen, waar men ook koks kon huren.VelauniofVellāni=Vellāvi.Veleda, profetes uit den stam der Bructeren ten tijde van Vespasiānus. Bij hare landslieden en de omringende stammen werd zij vereerd als een hooger wezen. In den opstand van Civīlis oefende zij een grooten invloed uit. Later werd zij door de Rom. gevangen genomen en naar Rome gevoerd.Velia,Οὐέλια, ookHeliaenElea, bij HerodotusὙέληgenoemd, op de kust van Lucania. ZieElea.Velia, buurt van Rome, eigenlijk een rug, die den mons Palatīnus met den mons Esquilīnus verbond. Van de Velia daalde de Sacra via af naar het forum Romānum. De Velia maakte een deel uit vanRoma quadrata(ziePalatinus(mons)).Velīnus(lacus), meertje in het Sabijnsche land, tgw. Lago di Piedilugo, gevormd door den Avens (z. a.).Velīnus(portus), de haven van Velia of Elea.Velites, lichtgewapenden in het rom. leger, ziecenturia. Zij werden uit de arme burgers gelicht, hadden harnas noch helm, maar slechts een mantel en een vilten muts, en waren gewapend met een klein rond ruiterschild (parma), een zwaard en een aantal (soms zeven) lichte werpschichten (hastae velitares, verūta) met dunne, scherpe stalen punt. Zij deden dienst als tirailleurs en namen ook de plaats en de wapenen der gesneuvelden over. In het legerkamp waren zij des nachts onder den blooten hemel langs den binnenkant van den wal en vóór de poorten gelegerd. Sedert Marius ook decapite censiin de gelederen der geregelde troepen opnam, hing het van lichamelijke geschiktheid af, of men bij deze of bij develiteswerd ingedeeld, hoewel uit den aard der zaak deze toch uit de geringeren werden genomen.Velītrae, thans Velletri, latijnsche stad ten Z. van het albaansch gebergte, langen tijd in handen der Volsci, sedert 393 of 338municipium sine suffragio. Het is de stamplaats der Octavii.Vellaunodūnum, stad der Senones in het midden van Gallia, tusschen Genabum (Orléans) en Agedincum (Sens).Vellāvi, volksstam in de bergstreek der Cevennes.Velleda=Veleda.Vellēii.1)C. Velleius, rom. senator, door Cicero in zijn werkde natura deorumals vertegenwoordiger der epicureïsche wijsbegeerte ingevoerd.—2)C. Velleius Paterculus, een vriend van Pompeius, benam zich het leven, in 41, toen Octaviānus tegen zijne woonplaats Neapolis (Napels) optrok.—3)C. Velleius Paterculus, rom. geschiedschrijver, kleinzoon van no. 2, uit een rij van aanzienlijke voorouders gesproten, diende onder C. Caesar en onder Tiberius in verschillende veldtochten, werd in 6 na C. quaestor en in 15 praetor. Hij schreef eene beknopte rom. geschiedenis in 2 boeken (ad M. Vinicium consulem) in 30 na C., van Rome’s stichting tot op dat jaar. Dat dit werk niet anders dan hoogst oppervlakkig zijn kan, spreekt van zelf. De tekst berust op slechts één enkel handschrift, dat na de verschijning der eerste uitgaaf weder is zoek geraakt. Van het tweede boek is ook slechts een gedeelte over.Vell(i)ocasses, gallisch volk aan den mond der Sequana (Seine). Havenstad: Rotomagus (Rouaan).Venāfrum, stad in Samnium ten O. van Casīnum (in Zuid-Latium) gelegen, wordt sedert Augustus tot Campania gerekend. De stad lag op eene hoogte, 5 kilometer van den Vulturnus, te midden van olijfbosschen. De olijfolie van Venafrum was om hare fijnheid beroemd.Venatio.Onder de geliefkoosde schouwspelen der Rom. behoorden de dierengevechten in het amphitheater. Met ontzaggelijke kosten werden hiertoe uit verschillende gewesten wilde dieren aangevoerd, als: leeuwen, tijgers, olifanten, rhinocerossen, enz., die men tegen elkander liet vechten. Zoo bracht Pompeius bij één feest o.a. 600 leeuwen in de arēna. Ook liet men menschen tegen dieren vechten, zulke menschen werdenbestiariigenoemd en waren soms voor loon gehuurd,auctorati, soms veroordeelden,ad bestias damnati. Gehuurde vechters waren natuurlijk gewapend, veroordeelden nu en dan. Gedurende de christenvervolgingen werden gewoonlijk de veroordeelden bij hoopen weerloos in het strijdperk gedreven, soms wel aan palen vastgebonden,en werden vervolgens de wilde dieren op hen losgelaten, om hen voor de oogen der duizenden van toeschouwers te verscheuren.Venedae, -di,Οὐενέδαι, aanzienlijk sarmatisch volk ten O. der Vistula (Weichsel) aan den sinus Venedicus,Οὐενεδικὸς κόλπος(golf van Riga). Nog in de middeleeuwen komt dit volk in Polen en Oostpruisen en ook westelijker voor onder den naam van Wenden.Venelli, volksstam in Gallia aan het Kanaal op het tegenw. schiereiland Cotentin.Veneti,Οὐένετοι, 1) gallisch volk op de kust van het tegenw. Bretagne, met de stad Dariorigum of Venetae (Vannes), en op de kust deinsulae Veneticae(Ré, Oléron enz.). Zij waren een zeevarend en handeldrijvend volk en onderhielden een levendig verkeer met Britannia.—2)een volk in het N.O. van Italië, ookἘνετοίgenoemd, waarvan de afkomst den ouden onbekend was. Men meende in hen het verdwenen paphlagonisch volk derHeneti(z. a.) terug te vinden. Waarschijnlijk waren zij van illyrischen stam. Hun land, o. a. met de steden Patavium (Padua), Altīnum en Aquileia, was buitengewoon welvarend door nijverheid en handel. Zij waren niet krijgszuchtig en onderwierpen zich reeds vroeg (215) aan de Rom., om bij hen steun te vinden tegen hunne gallische naburen. Hun gebied,Venetia, komt in het algemeen, wat de ligging betreft, overeen met dat der latere republiek Venetië. De invallen van Gothen en Hunnen waren voor hen een groote ramp, zie hieromtrentAltinum.Venetus lacus=Brigantīnus lacus.Venilia, moeder van Turnus, zuster van Amāta, gemalin van Neptūnus of Faunus.Vennones, een woest Alpenvolk in Raetia aan de bronnen van den Athesis.Vennonius, geschiedschrijver ten tijde der Gracchen.Venta, naam van enkele steden in Britannia. 1)V. Belgarum, in het Z., thans Winchester, nabij Clausentum (Southampton).—2)V. Icenorum, in het O., nabij het tegenw. Norwich.—3)V. Silurum, in Wales, ongeveer tegenover het tegenw. Bristol.Ventidius Bassus(P.), een man van geringe afkomst, doch van groote bekwaamheid. In den marsischen oorlog waren zijne ouders onder de gevangenen uit Picēnum, die in 89 den triumftocht van den consul Cn. Pompeius Strabo moesten opluisteren. Zijn vader werd vervolgens ter dood gebracht. Toen Bassus een man was geworden, voorzag hij eerst in zijn onderhoud door aan overheden, die naar de provinciën gingen, paarden, muildieren en wagens te leveren. Caesar, die hem had leeren kennen, hief hem uit zijn stand op en bracht hem in den senaat. Hij diende onder Caesar in Gallia en in den burgeroorlog, koos na Caesars dood de zijde van Antonius, drong bij Cicero aan dat deze zich tijdig uit de voeten zou maken, en wierf in Picēnum een leger om Antonius te steunen. Na het sluiten van het driemanschap in 43 werd hij consul (alssuffectusvoor Q. Pedius). In 39 ging hij als legaat van Antonius naar Syria en bracht in dit en het volgende jaar den Parthen drie gevoelige nederlagen toe, waarbij de parthische prins Pacorus, zoon van Orōdes I, sneuvelde. Hij genoot daarvoor de eer van een zegetocht. Z. ookLabienino. 2.Venus, italiaansche lentegodin, vooral beschermster der tuinen en van de groenteteelt, onder griekschen invloed geheel vereenzelvigd met Aphrodīte en dus geworden tot eene godin van schoonheid en liefde. Haar dienst was afkomstig uit Ardea. Oorspronkelijk had zij te Rome twee tempels, één in denlucusvanLibitīna(z. a.), één bij het Circus maximus, en de stichtingsdag van den laatsten is de 19deAugustus, de feestdag derholitores(groenteboeren), die Venus speciaal vereeren. In den tweeden punischen oorlog werd, volgens voorschrift van de Sibyllijnsche boeken, de geheel grieksche eeredienst vanV. Erycīna(Erucīna) uit Sicilië naar Rome overgebracht; men offerde haar den 23stenApril; een eeuw later werd de dienst ingesteld vanV. Verticordia(feestdag 1 April). Sulla vereerde haar onder den naamV. Felix(dit is deV. Pompeiāna, de stadsgodin van Pompeii), Pompeius alsV. Victrix, maar haar dienst kwam vooral in hoog aanzien en het aantal aan haar gewijde tempels nam aanmerkelijk toe, sedert zij als de moeder van Aenēas en dus als de stammoeder van het rom. volk beschouwd werd, en nog meer toen Caesar en Augustus, en naar hun voorbeeld ook latere keizers, haar als de moeder van de gens Iulia vereerden. OmtrentV. CloacīnaenV. Murcia, zieCloacīnaenMurcia. Zie verderAphrodīte.Venusia, schilderachtig gelegen stad van Apulia, dicht aan de lucanische grenzen nabij de rivier Aufidus en den mons Vultur gelegen, geboorteplaats van Horatius. Oorspronkelijk was V. eene stad der Samnieten geweest. Sedert 291 lat. col.Ver sacrum.Bij italiaansche volken, vooral bij de Sabijnen, gebeurde het meermalen, dat in tijden van pest, misgewas en andere rampen al wat in de eerstvolgende lente zou geboren worden, aan de goden werd gewijd. De dieren, die in zulk eene gewijde lente geboren werden, werden geofferd, de menschen echter, als zij volwassen waren, over de grenzen gezonden om zich elders als volksplanters neer te zetten. Als de romeinsche senaat tot eenver sacrumbesloot, moest dit besluit door het volk bekrachtigd worden.Veragri, raetisch of ligurisch volk aan de poeninische Alpen in Helvetia, in het tegenw. kanton Wallis. Hoofdplaats Octodūrus (Martigny).Veranii.1)Veranius, een vriend van Catullus, die zijn geluk vruchteloos in Hispania ging beproeven.—2)Q. Veranius, legaat van Germanicus, klaagde Cn. Piso (Calpurniino. 7) aan.—3)Q. Veranius, consul in 49 na C. en in 58 stadhouder van Britannia, waar hij stierf.Verbānus lacus,Οὐερβανὸς λίμνη, thanslago Maggiore, waardoor de Ticīnus stroomt, in Gallia Transpadāna.Verbēna=herbēna, heilige kruiden, op het Capitool gegroeid, ooksagminageheeten. Ook takken van heilige boomen, als myrten, olijf- en laurierboomen, geplukt tot eenig heilig gebruik, werdenverbenageheeten. Smeekelingen, gezanten en vooral de fetiaal-priesters omkransten zich het hoofd met zulke heilige kruiden of gewassen; ook bezigde men ze tot het versieren van altaren, godenbeelden, offerdieren, enz.Verbigenus pagus, zieHelvetii.Vercellae, thans Vercelli, hoofdstad der Lebecii in Gallia Transpadāna, sedert 89 met hetius Latii, sedert 49 rom. municipium. Op de nabijgelegenCampi Raudiivernietigde C. Marius in 101 de Cimbren.Vercingetorix, een aanzienlijk Galliër uit de Arverni, het hoofd van den grooten gallischen opstand tegen Caesar in 52. Hij versloeg Caesar bij Gergovia, maar daarna sloot Caesar hem met zijn leger op in Alesia. Hij moest zich overgeven en werd te Rome na Caesar’s triumphus in 46 ter dood gebracht.Verētum,Οὐέρητον, stadje in Calabria, nabij het promunturium Salentīnum.VergeliusofVergellus, een beek, die door het slagveld van Cannae stroomde.Vergiliae, z.Pleiades.Vergilii.1)M. Vergilius, volkstribuun in 87.—2)C. Vergilius, 61–58 propraetor van Sicilia, een groot vriend van Cicero. Later (47) verdedigde hij Thapsus tegen Caesar.—3)P. Vergilius Maro, de beroemde dichter derAenēis, was in 70 op een landgoed zijns vaders, te Andes bij Mantua geboren. Eerst ging hij in het naburige Cremōna school, later als jongeling volgde hij lessen te Mediolanium (Milaan), vervolgens ging hij in 53 naar Rome, waar hij met Alfēnus Varus (zieAlfenus) het onderricht genoot van den epicureïschen wijsgeer Siro. Daarna keerde hij naar zijn vaderlijk landgoed terug en dichtte hij enkele zijnerEclogaeof herderszangen. Toen echter Octaviānus na den slag bij Philippi (42) de veteranen door eene toewijzing van landerijen beloonen wilde en daartoe ook de omstreken van Cremōna en Mantua had uitgekozen, zag ook Vergilius zijn goed door een vreemde in bezit nemen (41). Door bemiddeling echter van C. Asinius Pollio, die met 7 legioenen in het gebied der Veneti stond en de landverdeeling bestuurde, had deze inbezitneming geen verder gevolg en beloofde Octavianus aan Vergilius, dat zijn landgoed ongemoeid zou blijven. Doch op Asinius Pollio volgden Alfenus Varus en Antonius Musa, en opnieuw zag V. zich in zijn bezit bedreigd. Hij beloofde Varus te zullen bezingen, als deze zijn grondbezit spaarde. Uit de omstandigheid, dat de 6deEclogaaan Varus is gericht en dat V. toch van zijn landgoed werd beroofd, mag men misschien het besluit trekken, dat Varus zelf het hem wel liet behouden, maar niet verhinderde dat een ander het hem ontnam. Het gedicht van Verg. getuigt dan ook niet van groote geestdrift. Hij ging naar Rome, doch Octavianus was elders. Door tusschenkomst van aanzienlijke vrienden (misschien bij Varus) werd hem de teruggaaf van zijn goed beloofd, doch toen hij er heen was gegaan, zou hij door den nieuwen bezitter, zekeren centurio Arrius, doodgestoken zijn, ware hij niet ijlings in den Mincius gesprongen (40). Eenige maanden bleef hij te Rome en in den omtrek, tot hij eindelijk, vermoedelijk door tusschenkomst van Maecēnas, zijne goederen terug kreeg. Het is ook niet onwaarschijnlijk, dat Varus hem nu ten slotte het rustig bezit waarborgde en daarvoor met een gedicht door den dichter werd beloond. Na door zijneEclogaeofBucolicanaam gemaakt te hebben, begon V. te Rome zijneGeorgicain 4 boeken, een leerdicht over akkerbouw, boomkweekerij, vee- en bijenteelt, dat eigenlijk zijn meesterwerk is, waaraan hij 7 jaar werkte, 37–30. Hij voltooide het te Napels, een geliefkoosd verblijf voor hem, uit hoofde zijner zwakke gezondheid. Intusschen of onmiddellijk daarna begon hij aan zijn eposAenēis, waarvan hij in 23 het 2de, 4deen 6deboek voor Augustus en diens omgeving voordroeg. Voor zijne gezondheid en tot ontspanning ondernam hij in 19 eene reis naar Griekenland, ontmoette daar Augustus en keerde met dezen naar Italië terug. Te Brundisium aangekomen, was hij zóó ziek, dat hij daar moest blijven en er binnen weinige weken overleed. Volgens zijn verlangen werd zijn lijk naar Napels vervoerd en is hij aan den weg naar Puteoli begraven. Hij had eerst gelast, dat zijn onvoltooid epos (zie over den inhoud het art.Aenēas) verbrand moest worden, doch liet zich verbidden om de uitgaaf aan zijne vrienden Plotius Tucca en Varius Rufus toe te vertrouwen, onder voorwaarde dat zij het geheel onveranderd zouden laten, opdat ieder zou kunnen zien, dat de dood hem belet had er de laatste hand aan te leggen. Menige plaats komt er in voor, die de dichter, zoo de tijd hem gegeven ware, aangevuld of gewijzigd zou hebben. V. bleef bij zijn volk steeds in hooge eer; in de middeleeuwen hield men hem voor een toovenaar en, voor zoover dit voor een heiden mogelijk was, voor een heilige. Aan het gewaande graf van V. werden zelfs wonderen vastgeknoopt. De groote verdienste der Aenēis is deze, dat daarin met onmiskenbaar talent van vorm en uitdrukking een nationaal-rom. epos op homerische leest is geschoeid. Bovendien diende het tot verheerlijking van Augustus en zijne familie. Het werd dan ook met vooringenomenheid op de rom. scholen gelezen en verklaard. Op de Bucolica en Georgica schreef Valerius Probus (1eeeuw na C.) een commentaar, terwijl wij ook den rijken commentaar op Vergilius van Servius Maurus Honorātus (4deeeuw na C.) (z.Serviusno. 3) bezitten. Zie ookDonatus(Tiberius Claudius). Enkele kleinere gedichten op naam van Vergilius (Culex, Morētume. a.) worden door sommigen niet aan hem toegeschreven.Verginii, een deels patricisch, deels plebejisch geslacht. 1)Opiter Verginius Tricostus, consul in 502, streed tegen de Latijnen en sneuvelde in 487 tegen de Volscen.—2)T. Verginius Tricostus Caeliomontānus, consul in 496, nam deel aan den slag bij het meer Regillus.—3)Proculus Verginius Tricostus Rutilus, consul in 486, was een tegenstander der akkerwet van zijn ambtgenoot Sp. Cassius Viscellīnus (zieCassiino. 1).—4)verder komen er tot 435 nog een achttalVerginii Tricostionder de consuls voor met de toenamenRutilus, Esquilīnus, Caeliomontānus, waarbij ook de vóórnamen Opiter en Proculus nog eenmaal terugkomen. Ook vindt men er twee onder de consulairtribunen.—5)A. Verginiusbewerkte in 457, dat het getal volkstribunen op 10 werd gebracht. Hij zelf bekleedde dit ambt 5 jaar achtereen.—6)L. Verginiusdoodde volgens de overlevering in 449 zijne dochter Verginia, opdat zij niet in handen van den tienman App. Claudius zou vallen, en gaf hiermede het sein tot de tweedesecessio plebis. Daarop werd hij tot volkstribuun verkozen.—7)A. Verginius, rom. rechtsgeleerde, omstreeks 100.—8)L. Verginius Rufus, legatus pro praetorevan Germania Superior onder Nero en Otho, wees na den dood van Vindex (z. a.) en in 69 na C. na den dood van Otho het aanbod zijner troepen van de hand, hem tot keizer uit te roepen. In zijn sterfjaar, 97, was hij met keizer Nerva consul. Tacitushieldeene lijkrede op hem. Hij was een vaderlijke vriend voor den jongeren Plinius. Hij maakte ook gedichten.Vernaofvernaculusis een slaaf, die in zijns meesters huis geboren is. Uit den aard der zaak waren zij in den regel vrijpostiger dan gekochte slaven.—Vernaculae legioneszijn troepen, bestaande uit personen, die bij de werving nog geen Romeinsche burgers waren, maar dit recht verkregen, zoodra zij ingelijfd waren; dus =milites libertini.Verolamium, hoofdstad der Catuvellauni, ten N.W. van Londinium (Londen), thans Old-Verulam, rom. municipium.Veromandui, zieViromandui, welke schrijfwijze beter is.Verōna, stad in Gallia Transpadāna aan den Athesis, eerst aan de Euganei, later aan de Cenomāni toebehoorende, sedert 89 met hetins Latii, sedert 49 een bloeiend rom. municipium, geboorteplaats van Catullus en Vitruvius. Verona, thans nog aldus geheeten, was de schoonste stad van Cisalpina. Het marmeren amphitheater, onder Diocletiānus gebouwd, dat 22000 toeschouwers bevatten kon, is nog vrij goed bewaard gebleven.Verres(C.) was in 82 quaestor van den consul Cn. Papirius Carbo in Cisalpīna, doch liep tot de partij van Sulla over, de kas medenemende. Toch kreeg Sulla van het geld niet veel te zien, daar Verres beweerde dit te Ariminum (Rimini) te hebben achtergelaten, waar het bij de verwoesting der stad verloren zou zijn gegaan. Zijne verantwoording was merkwaardig. “Ontvangst HS 2235417; uitgaaf aan soldij, koren enz. HS 1635417; saldo te Ar. achtergelaten HS 600000.” In 80 ging Verres als legaat van Cn. Cornelius Dolabella naar Cilicia, waar hij weldra na den dood van den quaestor C. Malleolus proquaestor werd. Zijn reis daarheen was een rooftocht. In Griekenland en Azië liet hij, zelfs bij dag, de tempels openbreken en beelden en kostbaarheden er uit wegvoeren. Toen Dolabella later van afpersingen was aangeklaagd, had V. de onbeschaamdheid als getuige tegen hem op te treden. Met een deel van den geroofden buit wist hij zich tegen 74 tot praetor te doen verkiezen. Zijne praetuur (depraetura urbana) was, zooals men denken kan, eene bespotting van het recht, eene onafgebroken reeks van rechtsverkrachtingen. In 73 werd hij propraetor van Sicilia, waar hij drie jaar bleef. In die drie jaar mergelde hij de provincie uit. Behalve dat hij den landbouwers hun koren afperste en hun dan het graan, dat zij moesten leveren, uit hun eigen voorraad duur verkocht, om ten slotte nog het geld, dat de senaat hem tot aankoop van koren toezond, in zijn eigen zak te steken, waren ook geen kunstwerken of kostbaarheden voor hem veilig. Hij hield er spionnen op na om na te speuren, wie iets in bezit had, wat van zijne gading kon zijn. Op verzoek der Siciliërs trad Cicero in 70 als aanklager op en beschuldigde Verres voor 40 millioen sestertiën op Sicilië gestolen en afgeperst te hebben. Ten spijt van alle kuiperijen van Verres en diens machtige vrienden (zieTulliino. 5), handelde Cicero met zooveel voortvarendheid en doortastendheid en overstelpte hij Verres met zooveel onwederlegbare bewijzen, dat diens verdediger Hortensius het pleit opgaf en Verres zich in ballingschap naar Massilia (Marseille) begaf.Verrius Flaccus(M.), rom. taalgeleerde onder Augustus en Tiberius, leermeester van de kleinzonen van Augustus, schrijver van een groot alphabetisch geordend werkde verborum significatu(zieFestusno. 2), ook geciteerd alslibri rerum memoria dignarum, en van deFasti Praenestini, waarvan nog fragmenten over zijn.Verticordia, bijnaam aan Venus (z. a.) gegeven, wegens haar invloed op het menschelijk hart. In 114 werd haar een tempel gewijd met de bede, dat zij de vrouwen van onkuischheid zou afhouden.VertumnusofVortumnus, god van verandering of afwisseling, in het bijzonder van de afwisseling der jaargetijden, die de vruchten doet rijpen, maar verder ook van de veranderingen in de gezindheid der menschen, van ruilhandel, enz. Hij zelf bezat het vermogen allerlei gedaanten aan te nemen en maakte daarvan gebruik, toen hij de liefde van Pomōna trachtte te winnen, wat hem eerst gelukte, nadat hij, als oude vrouw vermomd, gehoor bij haar had gekregen. Hij had een beeld in denvicus Tuscus, waarom hij voor een oorspronkelijk etrurisch god gehouden werd, en een tempel aan den voet van den Aventīnus; deze tempel was door M. Fulvius Flaccus na zijn veroveringvan Volsinii gesticht. Vortumnus was waarschijnlijk de hoofdgod van Volsinii; zie ookVoltumna. Men bracht hem offers op den 13 Augustus. Men verwarre dezen god niet met Volturnus (z. a.).Verulae, hooggelegen stad der Hernici in Latium.Verulamium=Verolamium.Verus(L. Aurelius), zoon van L. Aelius Verus (zieAnniino. 6), jongere broeder en mederegent van keizer Marcus Aurelius en indertijd met dezen door Antonīnus Pius tot zoon aangenomen. Vóór zijnadoptioheette hij L. Ceionius Commodus, en hij wordt nog vaak door de schrijvers Commodus genoemd. Hij was te veel overgegeven aan een weelderig en gemakkelijk leven om iets te beteekenen. Zijne regeering (als zij dezen naam verdient) duurde van 161 na C. tot 169, toen hij stierf. In 162 trok hij naar het Oosten, om tegen de Parthen te strijden, die in het rijk gevallen waren. Hij bleef echter in Antiochia achter, en liet den oorlog, die van 161–166 duurde, door zijne legaten voeren. Door de verovering van Artaxata (163) werd Armenia tot een rom. vazalstaat. Ten gevolge van de veldtochten van Avidius Cassius (zieCassiino. 18) werd in 166 de vrede met Vologeses gesloten, kwam Osroēne onder rom. invloed en werd Carrhae rom. kolonie. Daarna trok Verus met M. Aurelius tegen de Marcomannen, maar stierf in 169 te Altīnum.Vesbius, Vesēvus=Vesuvius.Vescelia, stad der Oretāni in Hispania Tarraconensis, in het gebied van den Anas (Guadiana).Vescia, verdwenen stad der Aurunci of Ausones in Latium in eene liefelijke streek,ager Vescīnus, die tusschen den Liris en den mons Massicus lag.Veseris, een vlek of een riviertje (dit is onzeker) in Campania aan den Vesuvius.Vesēvus=Vesuvius.Vesontio, thans Besançon, hoofdstad der Sequani in Gallia aan den Dubis (Doubs), die zoo de stad omspoelde, dat hij haar bijna geheel insloot, terwijl het openliggende gedeelte afgesloten werd door een berg, waarop de burcht lag. Er zijn tal van overblijfsels uit den rom. tijd aanwezig.Vespasiānus(T. Flavius), romeinsch keizer 70–79 na C., in 9 na C. te Reāte in het sabijnsche land geboren, was de zoon van Flavius Sabīnus en Vespasia Polla. Hij ging reeds vroeg in krijgsdienst, was krijgstribuun in Thracia, quaestor van Creta en Cyrenaica, daarna te Rome aediel en vervolgens praetor, en werd door Claudius alslegatus legionisnaar Germania en in 43 naar Britannia gezonden. In 51 was hij consul, trok zich toen uit vrees voor Agrippīna een tijd lang uit het openbare leven terug, totdat in 59 Nero hem als proconsul naar Africa zond. In 66 werd hem door Nero opgedragen, den opstand in Judaea te dempen, en deze taak was nog niet volbracht, toen hij in den zomer van 69 door zijn leger tot keizer uitgeroepen en door het geheele Oosten erkend werd. Na de overwinning bij Cremōna en den dood van Vitellius kwam V. in 70 onder groot gejuich van het volk te Rome. Hij regeerde zacht en gematigd, wat het inwendig bestuur betreft, doch krachtig, wat de bescherming der grenzen en de tucht in de legers aangaat. De Parthen ontzagen hem en lieten hem met rust, zijn zoon Titus voltooide de onderwerping der Joden en zijn veldheer Petillius Cereālis dempte den gevaarlijken opstand der Batavieren. Door eene naar den zin der Rom. te groote zuinigheid (ziemimus) stijfde hij de uitgeputte schatkist. Hij heeft veel gebouwd, zie o.a.Amphitheatrumaan het einde. Na den terugkeer van Titus hield V. met dezen een luisterrijken zegetocht over de Joden. Door hem werd in 76 of 77 Agricola naar Britannia gezonden. In 79 stierf V. op de badplaats Aquae Cutiliae. Zijn zoon Titus volgde hem op.—V. had twee broeders. OmtrentFlavius Sabīnus, zieSabinusno. 3. De andere broeder,Flavius Clemens, huwde met zijne nicht Domitilla, eene dochter van Vespasianus en van de vrijgelatene Flavia Domitia. Domitiānus liet hem later ombrengen, evenals den zoon van Sabinus.Vesperna, avondeten in den ouden tijd, z.coena.Vesta, godin van den huiselijken haard en het haardvuur, in beteekenis gelijk aan de grieksche Hestia, maar door de Rom. hooger in eere gehouden dan deze door de Grieken. Zij werd in ieder huis gemeenschappelijk met de Laren en Penaten vereerd, maar had bovendien een zeer heiligen tempel bij deregia, waar op haar altaar een eeuwig vuur brandde, dat als het haardvuur van den geheelen staat beschouwd werd, en waarheen de rom. vrouwen jaarlijks den 9denJuni (Vestalia) in processie trokken. DezeVestaliawerden echter niet alleen door de rom. vrouwen gevierd, maar het was ook de feestdag der bakkers en molenaars. Het heilige vuur werd jaarlijks den 1stenMaart met bijzondere plechtigheid vernieuwd, ging het bij ongeluk eens uit, dan werd dit als een zeer slecht voorteeken beschouwd, en moest het door het wrijven van hout opnieuw ontstoken worden. In het binnenste van den tempel van Vesta, depenus Vestaegeheeten, werden behalve den door de Vestaalsche maagden bereiden offervoorraad (zie hieromtrent onderVestales), ook volgens de overlevering het Palladium en de Penaten van den staat bewaard, die door Aenēas van Troje naar Lavinium gebracht waren; ook in deze stad had zij een zeer oud heiligdom, waar de hoogere rom. magistraten kort na de aanvaarding van hun ambt gingen offeren. Te Rome werd de dienst van Vesta met groote nauwgezetheid waargenomen door zes maagdelijke priesteressen, die aan zeer strenge tucht onderworpen waren, maar daarentegen in hoog aanzien stonden en buitengewone voorrechten genoten (z.Vestales).

V.Vacalus=Vahalis.Vacatio munerum, zieBeneficiarius(miles) enCommeatus.Vacca, Vaga,Οὐάγα, 1) aanzienlijke handelsstad in de provincie Africa, op de grenzen van Numidia, ten Z.W. van Utica, waarvan het eene goede dagreis verwijderd was. Tijdens den Jugurthijnschen oorlog behoorde het aan Jugurtha, en werd het door Metellus verwoest, later werd het eene rom. kolonie.—2)stad in Byzacēne, ten Z.W. van Hadrumētum.Vaccaei, volk in Hispania Tarraconensis aan den bovenloop van den Durius (Douro) tusschen de Celtiberiërs en de Asturiërs. Zij bebouwden den grond in gemeenschap. Zij waren een dapper volk, waarmede de Carthagers veel last hadden. Hoofdstad: Pallantia.Vacūna, sabijnsche godin van den landbouw. Men bracht haar offers, wanneer men in het begin van den winter van den arbeid op het veld of uit den oorlog huiswaarts keerde, daardoor kreeg zij de beteekenis van eene godin van rust en verpoozing van den arbeid (litare Vacunae=vacuum esse). Soms wordt zij geïdentificeerd met Ceres, Minerva, Venus, Diāna of Bellōna, soms ook met Victoria. Zij werd vooral te Reāte en Tibur vereerd.Vada, 1) gen.-ae, sterkte der Batavieren, die op zeer verschillende plaatsen wordt gezocht, aan de Waal bij Wamel of Druten, of bij Wadenoijen in den Tielerwaard. Wageningen is het stellig niet (zooals men weleens gemeend heeft), daar geen Rom. plaatsen ten N. van den Rijn gevonden worden.—2)gen.-orum= wadden, naam van enkele kustplaatsjes, als:Vada Volaterrānaop de etruscische kust in het gebied der stad Volaterrae aan de door het riviertje Caecina gevormde moerassen,—Vada Sabatia, op de kust van Liguria, haven of reede der stad Sabata of Savo (Savona).Vadimōnis lacus, een klein rond meer in Etruria nabij den Tiber, een eind boven Horta. Het water was zwavelig en droeg kleine drijvende eilandjes. Het was eene heilige plek, die den Etruscers tot vergaderplaats diende. Bij dit meer werden zij in 309 door den dictator L. Papirius Cursor (Papiriino. 6) en in 283 door den consul P. Cornelius Dolabella Maximus (Corneliino. 35) verslagen.Vadimonium, borgstelling, de belofte om op den bepaalden dag voor den praetor of den rechter te verschijnen, waarbij oorspronkelijk, ten einde preventieve hechtenis te ontgaan, het stellen van een borg werd gevorderd, die bij wegblijven voor een zekere som gelds aansprakelijk bleef. De grootte der borgstelling hing af van den aard van het geding, doch mocht het bedrag van 100000 as niet te boven gaan. Hieraan zijn verschillende uitdrukkingen ontleend:vadimonium sistere, zijn borgtocht gestand doen, verschijnen;vad. deserere, den borgtocht in den steek laten, wegblijven;vad. imponere, borgstelling eischen;vad. concipere, de borgstelling formuleeren;vad. differre, de vervulling der belofte op de lange baan schuiven.Vaga=Vacca.VagienniofBagienni, ligurisch volk ten Z. der Taurīni, met de hoofdstad Augusta Vagiennorum (Bagiennorum).Vahalis, de tegenw. rivier de Waal.Valens(Flavius), rom. keizer in het O., 364–378 na C. Na den dood van Ioviānus in 364 werd Flavius Valentiniānus I, zoon van zekeren Gratiānus, een Pannoniër, tot keizer uitgeroepen. Hij nam zijn jongeren broeder, den bovengenoemden Valens, tot medekeizer aan en vertrouwde hem het O. deel des rijks toe. Valens had met vele moeielijkheden te kampen; aan de eene zijde bedreigden de Perzen zijn gebied, aan den anderen kant de Gothen, terwijl een bloedverwant van den vroegeren keizer Iuliānus, met name Procopius, die waarschijnlijk zelf op den troon had gehoopt, in opstand kwam, en tot overmaat van ramp eene hevige aardbeving in 365 groote streken van zijn rijk teisterde. De opstand werd in 366 onderdrukt, Procopius werd onthoofd en de Gothen in 369 tot vrede gedwongen. Met Perzië bleven de grensgeschillen slepende. Valens zelf was vrij goedhartig, doch zijn schoonvader Petronius maakte zich zeer gehaat en de ontevredenheid hierover uitte zich in samenzweringen tegen den keizer. In 375 verzochten de Westgothen, door de Hunnen opgejaagd, om eene wijkplaats ten Z. van den Donau. Onder Fritigern en Alavīsus trokken 200000 strijdbare mannen met hunne gezinnen de rivier over en kregen woonplaatsen in Thracia. Eene schaar Oostgothen onder Alatheus en Saprax volgde hen. De hebzucht en trouweloosheid van den rom. stadhouder Lupicīnus, die de Gothen aan den bittersten hongersnood prijs gaf en hunne aanvoerders op een maaltijd te Marcianopolis poogde om te brengen, hadden een opstand ten gevolge. Valens snelde van Antiochië naar Constantinopel om zich in persoon aan het hoofd van het leger te stellen; hij werd echter bij Hadrianopolis geheel verslagen en moest gewond de vlucht nemen in eene boerenhut, die door de Gothen in brand werd gestoken,zoodat de gewonde keizer in de vlammen omkwam (378). Zijn eenig zoontje Valentinianus was reeds in 372 overleden. Zijn opvolger was Theodosius de Groote.Valentia, 1) stad der Edetāni in Hispania aan de Middellandsche zee, door D. Brutus in 138 gesticht, door Pompeius in den oorlog tegen Sertorius verwoest, later herbouwd, thans Valentia.—2)stad der Cavari in Gallia Narbonensis, rom. kol., aan den Rhodanus (Rhône), thans Valence.—3)stadje in Calabria ten Z.Z.O. van Brundisium, ookValentium, ValetiumofBalesiumgeheeten.—4)Vibo Valentia, lat. kol. op de kust van het land der Bruttii, het oude Hippo of Hipponium, onder Augustus met uitgebreide werven en tuighuizen voorzien.—5)het zuidelijk gedeelte van Britannia barbara of Caledonia (Schotland), waarschijnlijk de streek tusschen de twee wallen (zieBritannia), door Theodosius den Gr. (379–395 na C.) voor korten tijd tot rom. prov. gemaakt.Valentiniānus, naam van drie rom. keizers. 1)Val. I(L. Flavius), zoon van Gratiānus, een Pannoniër, werd in 364 na den dood van Ioviānus keizer en nam zijn broeder Valens tot mederegent voor het O. aan, terwijl hij zelf het W. bleef besturen. Hij had tot nog toe meest in lagere officiersrangen gediend, o. a. in Gallia, onder Julianus; hij was een man van een indrukwekkend uiterlijk, een rechtschapen mensch, een wakker krijgsman, in weerwil zijner gestrengheid bij het leger zeer gezien. In 367 benoemde hij zijn zoon Gratiānus tot medekeizer voor het W. Hij had veel te doen met de grenzen te beschermen en de invallen der Alemannen, Quaden, Sarmaten, Saksers, Picten en Scoten af te slaan. Hij versterkte inzonderheid door eene linie van verschansingen de open ruimte tusschen Rijn en Donau. In 375 overleed hij aan eene beroerte te Brigetio in Pannonia. Hij was een begunstiger der wetenschappen en stichtte scholen.—2)Val. II, zoon van no. 1, geb. in 371, werd bij zijns vaders dood door de hovelingen tot keizer uitgeroepen onder den invloed zijner moeder Iustina, en door zijn halfbroeder, den edelen Gratiānus, bereidwillig als medekeizer erkend. In 383 werd Gratianus door Maximus (Magnus Clemens) omgebracht, die hem opvolgde onder voorwaarde, dat Italië en Africa aan den twaalfjarigen Val. zouden blijven. Toen Maximus echter ook dezen bedreigde, zond Theodosius de Gr. een leger te hulp onder den Frank Arbogastes, die Maximus versloeg en ter dood liet brengen. In 392 evenwel bracht Arbogastes ook Valentinianus om, te Vienna (Vienne aan den Rhône), toen de jonge keizer aan de willekeurige handelingen van den heerschzuchtigen Frank paal en perk wilde stellen. Arbogastes plaatste daarop Eugenius op den troon, die echter in 394 bij Aquileia door Theodosius werd verslagen, gevangen genomen en ter dood gebracht, terwijl Arbogastes de hand aan zichzelven sloeg.—3)Val. III(Flavius Placidus), rom. keizer 425–455 na C., zoon van Constantius III en van Placidia, de zuster van keizer Honorius. Constantius had zich in 420 door Honorius tot medekeizer laten aannemen, doch was reeds in 421 gestorven, waarna Placidia en haar zoon door Honorius verbannen werden en naar Constantinopel trokken. Toen Honorius in 423 stierf, maakte een der hooge ambtenaren, Johannes, zich van den troon meester. Ardacurius echter en Aspar, generaals van den oost-rom. keizer Theodosius III, brachten den vierjarigen Val. met diens moeder naar Rome en plaatsten hem op den troon. Placidia werd regentes. De voornaamste steunpilaar harer regeering was de veldheer Aëtius, die het wankelende rijk tegen Westgothen en Vandalen verdedigde. Sedert 427 leefde Aëtius in hevigen twist met een ander generaal, Bonifacius, stadhouder van Africa. Het gelukte Aëtius zijn mededinger den voet te lichten, die in 429, door wraakzucht gedreven, de Vandalen onder Geiserik naar Africa riep, waarop aldaar het vandaalsche rijk ontstond. De keizer zelf zag zijn leven lang met onverschilligheid het rijk afbrokkelen en leefde slechts voor zijne uitspattingen. Gallia, Hispania en Britannia waren reeds onder zijn vader verloren gegaan. In 450, na den dood zijner moeder, werd het west-rom. rijk door de Hunnen bedreigd, doch het gelukte Aëtius, met behulp der Westgothen en Franken Attila bij Châlons-sur-Marne in 451 te verslaan. Aëtius werd uit wantrouwen in 454 op last van Val. omgebracht, doch reeds in 455 onderging de keizer hetzelfde lot door de hand van Petronius Maximus (z. a.), wiens vrouw hij onteerd had.Valentīnus(TulliusofIulius), zieTullius Valentinus.Valeria, 1) stad der Celtibēri in Hispania, aan den Sucro.—2)=Varia(z. a.).—3)sedert keizer Galerius de oostelijke strook van Pannonia langs den Donau, welk stuk als eene afzonderlijke provincieValeriavan Pannonië gescheiden werd.Valeria(lex)de provocationevan den consul M. Valerius Corvus (Valeriino. 13) in 300, zieValeriae(leges)de provocatione.Valeria(lex) van den volkstribuun Valerius Tappo, (188), waarbij aan de steden Formiae, Fundi en Arpinum, die decivitus sine suffragiohadden, het volle burgerrecht verleend werd; de inwoners van Formiae en Fundi werden in de tribus Aemilia, die van Arpinum in de tribus Cornelia opgenomen. Langzamerhand werd dit voorrecht ook aan de andere municipia (z. a.) verleend.Valeria(lex)de aere alieno, van den consul L. Valerius Flaccus (Valeriino. 24) in 86, waarbij de schuldenaars hunne schulden konden afdoen door betaling van ¼ der hoofdsom.Valeria(lex)de Sulla dictatore, van den interrex L. Valerius Flaccus (Valeriino. 22) in 82, om Sulla tot dictator voor zijn leven te benoemen. Hierbij werden alle handelingen van Sulla alsconsulenproconsul, en wat hij in het Oosten had vastgesteld, goedgekeurd, tevens deproscriptiones, bonorumsectiones, enagrorum assignationes. Hem werd alle macht over leven en goed zijner medeburgers verleend, en de macht om wetten te maken en het staatsbestuur te regelen, onder den titeldictator legibus scribundis et reipublicae constituendae.Valeria(via), van Rome over Tibur (welk eerste gedeelte via Tiburtīna heette), Carseoli, Alba Fucentia naar het gebied der Paeligni, en verder langs den Aternus tot aan de Adriatische zee.Valeriae(leges) van den consul P. Valerius Poplicola in 509 na de verdrijving der koningen. 1)de provocatione:ne quis magistratus civem Romanum adversus provocationem, necaret neve verberaret.—2)dat aan den slaaf Vindicius, die de samenzwering ten gunste van Tarquinius ontdekt had, vrijheid en burgerrecht zouden geschonken worden.—3)de perduellione, waarbij het streven naar alleenheerschappij met doodstraf werd bedreigd. Deze wetten zijn verzonnen, daar P. Valerius Poplicola, zoo hij al bestaan heeft, toen geen consul geweest is. ZieValeriino. 1.Valeriae(leges)de provocatione. Het verdient opmerking, dat er drie wetten hierover bestaan van drie verschillende Valerii. De eerste (509) stelde wel hetius provocationis ad populumin, doch bevatte geen voldoende strafbepaling tegen schending daarvan. De tweede (lex Horatia Valeria, 449) verbood voor het vervolg ooit weder eenig nieuw ambt zonder provocatio in het leven te roepen. De derde (300) van den consul M. Valerius Corvus onderwierp misschien den dictator aan de provocatio. De eerste wet is apocryph, daar er toen geen Valerius consul geweest is, maar ze heeft bestaan vóór de lexAternia Tarpeiavan 454. V. s. bestond deprovocatioreeds in den koningstijd, en benoemde daarom de koning, om zich niet aan de vernedering bloot te stellen, dat zijn uitspraak door het volk werd vernietigd, voor elke kapitaalzaak afzonderlijk twee mannen,qui de perduellione iudicarent(II viri perduellionis). V. a. is deprovocatioeerst ingesteld door de wet van Valerius Corvus, en zijn beide vorige wetten, evenals de lexAternia Tarpeia, verzonnen.Valeriae Horatiae(leges), zieHoratiae Valeriae(leges).Valeriānus. 1)P. Licinius Valerianus, rom. keizer 253–259 na C., had zich onder Alexander Sevērus en diens opvolgers in den oorlog onderscheiden en was stadhouder van Raetia, toen hij in 253 door zijne soldaten tot keizer werd uitgeroepen. In de laatste 18 jaren, na de vermoording van Alex. Severus door C. Julius Verus Maximīnus, had het rijk niet minder dan 11 keizers en tegenkeizers gekend: Maximīnus, Gordiānus I en II, Pupiēnus Maximus, Caelius Balbīnus, Gordiānus III, Philippus Arabs, Decius, Treboniānus Gallus, Hostiliānus, Aemiliānus. Het was ook Valeriānus niet gegeven, orde te brengen in den toestand van verwarring. In 259 werd hij bij een onderhoud met den perzischen veldheer verraderlijk gevangen genomen en tot zijn dood toe (268) gehouden. Het verhaal luidt, dat hij den perzischen koning tot voetbank moest dienen, wanneer deze te paard steeg.—2)Valeriānus, jongere zoon van no. 1, werd met zijn halfbroeder Galliēnus in 268 voor Milaan vermoord.—3)P. Licinius Cornelius Valeriānus, zoon van Galliēnus, werd door het krijgsvolk te Colonia Agrippīna aan den tegenkeizer Postumus in handen geleverd en op last van dezen omgebracht (259).Valerii, een patricisch geslacht van sabijnschen oorsprong; onder Romulus en Titus Tatius zou een zekere Volusus Valerius naar Rome gekomen zijn. 1)P. Valerius Poplicola, waarschijnlijk eene geheel legendaire figuur, waarvan zeer jonge berichten het volgende vertellen: hij was een der mannen, die het koningshuis hielpen verdrijven. Reeds in het eerste jaar (509) der republiek nam hij als consul de plaats in van L. Tarquinius Collatīnus en bekleedde dezelfde waardigheid nogmaals in 508, 507 en 504. Zijn bijnaam had hij te danken aan zijn eerbied voor de rechten en de souvereiniteit des volks, die hij o. a. betoonde door de instelling derprovocatio ad populumen het weglaten der bijlen uit de fasces binnen het pomerium. Hij streed roemrijk tegen de Etruscers, Vejenten en Sabijnen en stierf in 503. ZieValeriae(leges)de provocatione.—2)M. Valerius Volusus, broeder van no. 1, nam ook deel aan de oorlogen tegen Porsēna, de Sabijnen en de Latijnen, was in 505 consul en in 494 dictator, in welke hoedanigheid hij alles aanwendde om eene schikking tusschen de patriciërs en de uitgeweken plebs tot stand te brengen. Dit geheele verhaal is verzonnen, ziesecessio plebis, tribuni plebis, Meneniino. 1.—3)P.enM. Valerius, zoons van no. 1, onderscheidden zich in den slag bij het meer Regillus in 496.—4)L. Valerius Volusus Potitus, verzette zich tegen de lex Cassia agraria in 486, zieAgrariae legesenCassiino. 1. Hij was consul in 483 en 470.—5)P. Valerius Poplicola, consul in 475, zegepraalde over de Vejenten en Sabijnen. In 460 sneuvelde hij in zijn tweede consulaat bij de herovering van het Capitool, dat door den Sabijn Herdonius des nachts door overrompeling ingenomen was.—6)L. Valerius Poplicola Potitus, zoon van no. 5, legde in 449 met zijn ambtgenoot M. Horatius Barbātus de geschillen bij, die door de willekeur der tienmannen ontstaan waren en zegepraalde over de Aequers.—7)C. Valerius Potitus Volusus, consulairtribuun in 415, 407 en 404, en consul in 410.—8)L. Valerius Potitus, zoon van no. 6, consulairtribuun in 414, 406, 403, 401 en 398, streed bij herhaling overwinnend tegen Vejenten, Volscen en Faliscers.—9)L. Valerius Potitus, nog jong, in 392 tot consul gekozen, overwon de Aequers bij den berg Algidus.—10)L. Valerius Poplicola, consulairtribuun in 394, 389, 387, 383 en 380.—11)P. Valerius Potitus Poplicola, consulairtribuun in 386, 384,380, 377, 370 en 367.—12)M. Valerius Poplicola, consul in 355 en 353, streed tegen de Tiburtijnen en Volscen.—13)M. Valerius Corvusverkreeg zijn bijnaam door een tweegevecht in 349 met een reusachtigen Galliër, dien hij overwon doordat zich op diens helm een raaf nederzette en hem in het gezicht met vleugels en snavel sloeg en pikte. In 348 was hij consul, schoon eerst 23 jaar oud, en later nog in 346, 343, 335, 300, en als suffectus voor de zesde maal in 299, terwijl hij tweemaal dictator was, in 342 en 301. Hij behaalde verscheidene overwinningen op naburige volken, o. a. op de Samnieten in 343 bij den berg Gaurus. Deze overwinning is echter verzonnen, evenals de geheele eerste samnietische oorlog. Zoo groot was het ontzag voor zijn naam, dat zijne benoeming tot consul in 300 de Etruscers van een oorlog afschrikte. Toch was hij meer een voorstander van zachte dan van strenge maatregelen. Hij stierf algemeen geacht en bemind in den ouderdom van 100 jaar.—14)M. Valerius Maximus, consul in 312, streed in dit jaar, en ook later als legaat, met roem tegen de Samnieten.—15)P. Valerius Laevīnus, consul in 280, verloor den slag bij Heraclēa tegen Pyrrhus.—16)M. (M’.)Valerius Maximus MessallaofMessāla, consul in 263, behaalde met zijn ambtgenoot M. Otacilius Crassus op Sicilia eene zegepraal op de Carthagers en hun bondgenoot Hiero van Syracuse. Hij bracht van Catana den eersten zonnewijzer naar Rome. Omtrent zijn censuur zieSemproniino. 17.—17)P. Valerius Falto, consul in 238, werd in Gallia Cisalpīna eerst door de Bojers en Liguriërs verslagen, doch eindigde met hen te overwinnen.—18)M. Valerius Laevīnus, streed in 215 als praetor tegen de Carthagers, en werd in 214 tegen Macedonië uitgezonden, in 210 was hij consul en veroverde hij Agrigentum op de Carthagers, terwijl hij in 208 en 207 met eene vloot op ’s vijands kusten stroopte. In 205 bracht hij het beeld van de Magna Mater van Pessinus naar Rome.—19)L. Valerius Flaccus, in 195 consul met M. Porcius Cato (maior), overwon de Bojers en Insubriërs in Cisalpīna en woonde in 191 onderM’.Acilius Glabrio den slag bij aan de Thermopylae tegen Antiochus III van Syria. In 184 was hij censor met zijn vriend Cato.—20)C. Valerius Flaccus, broeder van no. 19, een losbol, werd tegen zijn zin totflamen Dialisgekozen en gewijd, en wijzigde toen zijne manier van leven geheel en al, zoodat hij een ingetogen mensch werd. Het was in onbruik geraakt, dat de flamen Dialis in den senaat zitting nam; gesteund door de volkstribunen, doch met hevige tegenkanting van de senaatsleden, nam Flaccus weder zitting. In 199 werd hij aedilis curulis; daar de priester van Jupiter geen eed mocht zweren, legde zijn broeder dezen namens hem af.—21)C. Valerius Laevīnuswas in 189 de voorspraak der Aetoliërs, toen het de vaststelling der vredesvoorwaarden gold; in 176 bestreed hij als consul de Liguriërs.—22)L. Valerius Flaccuswas in 100 consul met C. Marius, met wien hij echter volstrekt niet samenwerkte. Hij was in den Sullaanschen tijdprinceps senatus, en werd in 82 na den dood der consuls totinterrexbenoemd, zieValeria lex de Sulla dictatore.—23)C. Valerius Flaccus, consul in 93, bestuurde Gallia en overwon de Galliërs; hij was later een aanhanger van Sulla, en bracht in 81 den Celtiberiërs eene zware nederlaag toe.—24)L. Valerius Flaccuswerd in 99 aangeklaagd door C. Appuleius Deciānus, was consul suffectus in 86 in plaats van C. Marius (z.lex Valeria de aere alieno) en liet zich ook het bevel in den mithradatischen oorlog opdragen tegenover Sulla. Hij werd echter in 85 te Nicomedēa door zijn legaat C. Flavius Fimbria vermoord.—25)L. Valerius Flaccus, zoon van no. 24, vergezelde zijn vader naar Azië, en diende later in Cilicië en op Creta. In 63 maakte hij als praetor zich verdienstelijk jegens den staat tegenover de Catilinarii. Hierop kreeg hij Azië als provincie. In 59 wegens afpersingen aangeklaagd, werd hij schitterend door Cicero verdedigd en vrijgesproken.—25a)L. Valerius Praeconinus,legatusvan L. Mallius (Manlii no. 15), sneuvelde in 78 in een strijd tegen de opgestane Aquitaniërs.—26)M. Valerius Messāla Niger, consul in 61, een uitstekend redenaar.—27)M. Valerius Messāla, neef van no. 26, werd, ofschoon met veel bedekte en openlijke tegenwerking, tot consul voor het jaar 53 gekozen. In 51 werd hij door toedoen van Pompeius van omkooping beschuldigd, doch door den redenaar Q. Hortensius Hortalus vrijgepleit. In den burgeroorlog koos hij Caesars partij.—28)M. Valerius Messāla Corvīnus, uitstekend redenaar en goed letterkundige, streed bij Phillippi aan de zijde van Cassius en Brutus, doch ging later over tot Octaviānus. In 34 onderwierp hij de Salassers in de Alpen, in 31 was hij consul, in 27 overwon hij de Aquitaniërs, waarna hijpraefectus urbite Rome werd. Hij was zeer bevriend met den dichter Tibullus, die hem in 31 zou vergezellen in den oorlog van Octavianus tegen Antonius, doch ziek te Corcȳra moest achterblijven. Ook had hij met Horatius omgang. Hij zelf schreef ook, o. a. in het grieksch over de burgeroorlogen, en latijnsche redevoeringen; ook schijnt hij verzen te hebben gemaakt.—29)M. Valerius Messāla Messallīnus, zoon van no. 28, aan wien Ovidius van Tomi uit eenige gedichten heeft gericht, consul in 3, werd naar Germania gezonden, en later naar Dalmatia om den opstand van Bato te onderdrukken. Omtrent zijn broeder, door adoptie tot de Aurelii overgegaan enM. Aurelius Cotta Maximus Messālinusgenoemd, zieAureliino. 8.—30)C. Valerius Triariuswas admiraal van Pompeius in den oorlog tegen Caesar en sneuvelde in 48 bij Pharsālus. Cicero voert hem in zijn werkde Finibus bonorum et malorumsprekende in.—31)Valerius Asiaticusuit Gallia was een hoofdpersoon bij den moord van Caligula, die hem zwaar had beleedigd. Door zijnrijkdom werd hij onder keizer Claudius het slachtoffer der beruchte Messalīna (Valeriino. 33). Hij liet zich de aderen openen (47 n. C.).—32)Valerius Asiaticus, zoon van no. 31, ondersteunde tijdens Nero den gallischen opstand van Vindex. Later sloot hij zich aan bij Vitellius, wiens schoonzoon hij werd.—33)Valeria Messalīna, echtgenoote van keizer Claudius, eene der meest zedelooze en gewetenlooze vrouwen, die de geschiedenis kent, wilde ook de aanzienlijkste rom. vrouwen dwingen haar ontuchtig voorbeeld te volgen. Zij spaarde niemand, die haar hebzucht of haar haat had opgewekt, ook hare verwanten niet. De zwakke Claudius liet zich geheel door haar leiden, totdat eindelijk haar ontrouw hem de oogen opende en hij haar ter dood liet brengen (48).—34)L. Valerius Catullus Messalīnus, een berucht verklikker onder Domitiānus, die zelfs toen hij blind was dit bedrijf nog voortzette.Onder de schrijvers, die den naam Valerius dragen, komen de volgende in aanmerking.—35)Q. Valerius Sorānus, uit Sora in Latium, redenaar en, naar het schijnt, een dichter van naam, door Cicero echter om zijne uitspraak van het Latijn berispt. Hij werd door Pompeius in 82, toen hij volkstribuun was, terechtgesteld.—36)Valerius Antias, uit Antium in Latium, leefde ten tijde van Sulla en schreef zeer onbetrouwbareannālesvan Rome’s stichting af tot op diens tijd. Livius heeft er veel uit geput.—37)Valerius Cato, uit Gallia Cisalpina, had in den sullaanschen burgeroorlog zijn vermogen verloren en moest, om in zijn onderhoud te voorzien, les geven in taal- en dichtkunde. Hij is met C. Licinius Macer Calvus (Liciniino. 6) de aanvoerder van de nieuwe richting in de poëzie, deneoterici, waartoe ook Catullus behoorde. Of de gedichtenDiraeenLydia, die op zijn naam staan, van hem zijn, is niet uit te maken.—38)Q. Valerius Catullus, rom. dichter, werd ongeveer in 84 te Verōna geboren uit eene vermogende familie. Van zijn leven is weinig bekend. Hij leefde op vriendschappelijken voet met Cicero, Hortensius, Cornelius Nepos e. a. In 57 vergezelde hij den praetor C. Memmius Gemellus naar Bithynia en bezocht op deze reis in Troas het graf van zijn diep door hem betreurden broeder. Hij bezat eene villa bij Tibur en eene te Sirmio bij Verona aan den lacus Benācus (Garda-meer). Onder den naamLesbiabezingt hij Clodia, de zuster van den tribuun P. Clodius Pulcher en echtgenoote van Q. Metellus Celer (zieClaudiino. 18), die hijhartstochtelijkbeminde totdat haar wangedrag hem afstiet. Hij stierf waarschijnlijk in 54. Wij hebben van hem nog 116 grootere en kleinere lyrische gedichten en epigrammen. Het meest munt hij uit in erotische poëzie. Zijn verzen, soms wat ouderwetsch getint, zijn rijk aan gevoel en liefelijke gedachten, eenvoudig doch keurig van taal. Hij was de eerste rom. lierdichter, die grieksche versmaten bezigde.—39)Valerius Maximus, niet tot de patricische gens Valeria behoorende, verkeerde in behoeftige omstandigheden, totdat Sex. Pompeius (consul 14 n. C.) zich zijn lot aantrok. Tusschen 26 en 32 na C. schreef hij zijn eenig werkFactorum et dictorum memorabilium libri IX, een werk zonder letterkundige waarde wat den stijl betreft, waarin daden en gezegden onder verschillende rubrieken gesorteerd zijn. ZieCornelius Nepos(Corneliino. 58). Toch is het werkje in verschillende tijden veel gelezen en hebben anderen er uit geput en er weder uittreksels van gemaakt.—40)M. Valerius Probus, zieProbusno. 2.—41)C. Valerius Flaccus(Setinus Balbus), episch dichter uit den tijd van Vespasianus. Hij heeft 8 boekenArgonauticagedicht, bewerkt naar het gedicht van Apollonius Rhodius (z. a. no. 1). Hij is gestorven, kort voor 92 na C.—42)M. Valerius Mutinesz.Mut(t)ines.Valgii1)A. Valgiusstreed in Hispania onder Caesar, doch liep tot de pompejaansche partij over.—2)C. Valgius Rufus, een vertrouwd vriend van Horatius, een geleerd en veelzijdig ontwikkeld man, ook schrijver en elegieëndichter. Uit zijne werkende tralatione(van rhetorischen aard), derebus per epistulam quaesitis(taalkundige onderzoekingen) hebben Plinius, Gellius e. a. veel geput en aangehaald. Ook schreef hij een onvoltooid leerdichtde herbarum viribus, dat door Plinius met lof vermeld wordt. Horatius ontried hem het dichten van elegieën en, ofschoon Tibullus vleiend van hem zegt:aeterno propior non alter Homeroschijnen de ouden hem toch slechts eene zeer bescheiden plaats onder de dichters te hebben aangewezen.Vallis Poenīna, de Zuidkant van het meer van Genève en het Boven-Rhône-dal (tgw. Wallis, Valais). De streek vormde een onderdeel van de kleine provincieAlpes Graiae et Poeninae, die later tot Raetia behoorde. Hier woonden vier, waarschijnlijk ligurische of raetische stammen: Nantuātes, Veragri, Sedūni en Viberi of Uberi.Vallum Antonini, grenswal in Schotland tegen de invallen der noordelijke volkeren aangelegd door keizer Antoninus Pius in 142 n. C., tusschen de Firth of Clyde en de Firth of Forth, zieBodotriaenBritannia.Vallum Hadriani, grenswal in Noord-Engeland tegen de invallen derCaledoniërsaangelegddoor keizer Hadrianus in 122 n. C., tusschen den Solway Firth en den mond van de Tyne. Z.Britannia.VandaliofVandili,Οὐάνδαλοι, een germaansch volk, dat een tijd lang aan het tegenw. Reuzengebergte woonde, dat dan ook welVandalici monteswordt genoemd. Vervolgens trokken zij naar Dacia en ten tijde der groote volksverhuizing naar Hispania, waar zij nog hun naam in (W)andalusië hebben achtergelaten. In 429 n. C. staken zij (zieValentiniānus III) naar Africa over onder hun koning Geiserik en stichtten er een vandaalsch rijk met Carthago tot hoofdstad. Geiserik schiep eene vandaalsche zeemacht, die de schrik werd der Middellandsche zee, veroverde Sardinia, Corsica en Siciliaen deed in 455 eene landing in Italië, zieMaximus(Petronius). Bij deze gelegenheid werd Rome vreeselijk geplunderd; wat waarde had, werd meegesleept, doch de schepen met Rome’s kunstschatten beladen, vergingen door storm voor zij Carthago hadden bereikt. Na Geiseriks dood in 477 verzwakte de macht der Vandalen voortdurend, totdat hun rijk onder den laatsten koning, Gelimer, in 534 door Iustinianus’ veldheer Belisarius vernietigd werd.Vangiones, germaansch volk op den linker Rijnoever in Belgica. Hoofdstad: Borbetomagus, thans Worms.Vannius.Na de verdrijving van Maroboduus (zieMarcomanni), werden aan een gedeelte van zijn volk in de streek tusschen Marus (March) en Cusus (Waag) woonplaatsen aangewezen, onder een koning uit het volk der Quaden, genaamd Vannius (18 n. C.). Deze breidde zijn rijk voortdurend uit, tot hij in 50 door Vibilius, den koning der Hermunduren en door Vangio en Sido, de zonen zijner zuster, verdreven werd, en een toevlucht vond in het Romeinsche rijk. Het Rijk van Vannius bleef echter bestaan, en kwam nu aan de bovengenoemde neven, die aan het Rom. rijk trouw bleven. De onderdanen worden gewoonlijk Suēvi genoemd, hetgeen de algemeene stamnaam is.Varagri=Veragri.Vardaei, z.Bardiaei.Varguntēii.1)L. Vargunteius, rom. senator, handlanger van Catilīna, belastte zich met de taak, Cicero te vermoorden.—2)Vargunteius, legaat van Crassus, sneuvelde in den parthischen oorlog.Varia, schilderachtig gelegen vlek aan devia Valeriaten N.O. van Tibur, op een heuvel aan den Anio. Tot de buurtschap behoorde het landgoed van Horatius.Varia(lex)de maiestatevan den volkstribuun Q. Varius Hybrida, dat een gerechtelijk onderzoek moest worden ingesteld, wie de italische bondgenooten tot het opvatten der wapenen hadden opgeruid (91). Dit was olie in het vuur, en hierop ontbrandde dan ook de marsische oorlog.Varii.1)Q. Varius Sucronensis, uit Sucro in Hispania, meer bekend onder den bijnaamHybrida, dien het volk hem gaf, omdat zijn burgerrecht door sommigen werd betwijfeld, stelde als volkstribuun in 91 de heilloozelex Varia de maiestatevoor, waardoor de italische bondgenooten, die zich reeds gewapend hadden om Rome het burgerrecht af te dwingen en die op enkele plaatsen reeds tot oproer waren gekomen, zóó verwoed werden, dat zij Rome den ondergang zwoeren. Hij was een goed redenaar. Hij was, naar men zeide, medeplichtig aan den moord van zijn ambtgenoot M. Livius Drusus en werd ook beschuldigd van vergiftiging van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caeciliino. 13). Later werd hij krachtens zijn eigen wet veroordeeld, ging in ballingschap en werd op wreedaardige wijze vermoord; hoe, is niet bekend.—2)Varius Cotyla(= wijnvat) was een deelgenoot der drinkgelagen van Antonius, die hem echter eens aan een maaltijd door zijne slaven liet geeselen. Later komt hij als bevelhebber eener legerafdeeling in den mutinensischen oorlog voor.—3)L. Varius Rufus, rom. dichter uit den kring van Maecēnas, een vriend van Catullus en Vergilius en ook van Augustus. Aan hem en Plotius Tucca droeg Vergilius op zijn sterfbed de uitgaaf zijnerAenēisop. Varius was ook werkzaam voor de toelating van Horatius in den kring van Maecenas. Als treurspeldichter stond hij hoog aangeschreven; zijnThyesteswerd opgevoerd bij de spelen ter viering van de overwinning bij Actium en door Octaviānus met een geschenk van een millioen sestertiën beloond. Hij was vooral beoefenaar der epische poëzie,Maeonii carminis ales, zooals Horatius hem noemt. O. a. schreef hij een gedichtde morteen eenPanegyricus Augusti. Nagenoeg alles van hem is verloren gegaan.—4)Varius Avitus Bassianus=Heliogabalus.Varīni, volk in Germania aan de kust der Oostzee, in het tegenw. Mecklenburg, behoorende tot die volkeren, die de godin Nerthus vereerden.Varinii, een onberoemd geslacht.Varisti, zieNaristi.Varro, familienaam in degens Terentiaen degens Visellia.Varus(=krombeen), familienaam in verschillende gentes. ZieAlfen(i)us, Attii(no. 4),Quinctilii.Varus, thans Var of Varo, tusschen Nicaea (Nizza, Nice) ten O. en Antipolis (Antibes) ten W., grensrivier tusschen Gallia Narbonensis en Italia (Liguria).Vas, hij die borg blijft, dat een gedaagde ter terechtzitting zal verschijnen; zievadimonium. Een borg voor het nakomen eener aangegane verbintenis wordtpraesgenoemd.Vasarium, eigenlijk gereedschapsgeld, de som, die aan den stadhouder eener provincie werd uitgekeerd voor zijne uitrusting.Vascones, volksstam tusschen den Ibērus (Ebro) en de Pyrenaeën, in de tegenw. baskische gewesten (Biscaye, Guipuscoa, Navarre). Hoofdstad: Pompelo (Pampeluna). Als eene bijzonderheid vindt men opgeteekend, dat zij blootshoofds ten strijde togen. Ook in Aquitania woonden stamgenooten, ofschoon onder andere namen. Hun naam leeft nog voort in de namen Basken en Gascogne. Het W. deel der Pyrenaeën heette naar henVasconum saltus.Vaticānus(mons), een berg aan de rechterzijde van den Tiber, doch nooit in den kring van het oude Rome opgenomen. De wijn, die er groeide, was bekend als slecht.Vatiniae(leges) van den volkstribuun P. Vatinius in 59. 1)de imperio C. Caesaris, waarbij aan Caesar bij plebisciet Illyricum en Gallia Cisalpīna als provinciën toegewezen werden. Deze wet werd doorgedreven niettegenstaande heftig verzet van den consul M. Calpurnius Bibulus, wiens ambtgenoot Caesar zelf was. De senaat voegde er nog Transalpīnabij, uit vrees, dat ook deze provincie (die destijds nog alleen uit Narbonensis bestond) anders ook nog door het volk aan Caesar ten deel zou vallen.—2)de alternis consiliis reiciendis, waarbij vermoedelijk aan den aanklager en den beklaagde nog eene tweede wraking van rechters werd toegestaan, wanneer de eerstgewraakte reeds door andere vervangen waren (zieiudex).—3)omtrent de uitzending eener kolonie door Caesar naar Comum, als voorpost tegen de Alpenbewoners.—4)rogatio de L. Vettii iudicio; deze ging niet door, zieVettiino. 3.Vatinii. 1)P. Vatiniusuit Reāte beweerde in 168 van de Dioscuren de gevangenneming van koning Perseus vernomen te hebben.—2)P. Vatinius, afstammeling van no. 1, een der fortuinzoekers uit Caesars tijd, had in 63 de quaestuur op niet zeer eervolle wijze bekleed en was in 59 volkstribuun. Als zoodanig diende hij Caesar (zieVatiniae leges), met wien hij in 58 naar Gallia ging. Later te Rome wegens knevelarij aangeklaagd, die hij als quaestor had bedreven, wist hij met behulp van Clodius de rechters door geweld schrik in te boezemen. In 56 trad hij in de zaak van P. Sestius tegen dezen en diens verdediger Cicero op, doch werd onmiddellijk daarna door Cicero in eene opzettelijke redevoering ontmaskerd. In 55 werd hij praetor; in 54, wel niet ten onrechte, van omkooping hiertoe beschuldigd, werd hij ter wille van Caesar door Cicero verdedigd. Ook in het vervolg bleef Vatinius Caesar trouw. In den burgeroorlog versloeg hij in het begin van 47 de Pompeiani bij het eiland Tauris, en verjoeg ze uit de Adriatische zee. In 45 ging hij als proconsul naar Illyria, maar na Caesar’s dood gaf hij de provincie over aan Brutus.VectaofVectis, eiland op de Zuidkust van Britannia, thans Wight.Vectīgal.Ondervectigaliaverstaat men de indirecte belastingen en wat men betaalt voor het gebruik van staatseigendommen. Hiertoe behoorden o. a. 1)portorium, haven-, brug- en weggelden en in- en uitvoerrechten.—2)scriptura, het weidegeld dat bij het inscharen van vee op de weidegronden van het staatsdomein (pascua publica) werd betaald.—3)verpachtingen van het vischrecht en van houtkap in de bosschen van den staat, van concessies voor ontginning en exploitatie van mijnwerken, krijt-, zout- en steengroeven.—4)vicesima manumissionum, 5% van de getaxeerde waarde, bij vrijlating van slaven te betalen. Deze belasting was ingevoerd door de lex Manlia van 357.—5)sinds den keizerstijd,vicesima hereditatum, een successierecht van 5% bij erfenis, wel te verstaan van erfenissenex iure Quiritium; daarom gaf Caracalla in 212 na C. aan alle vrije inwoners het burgerrecht, om over het geheele rijk dit recht te kunnen heffen.—6)de pacht voor het gebruik vanager publicusen in de provinciën dedecumaevan tiendplichtige landerijen.—7)centesima rerum venalium, een verkooprecht op alles wat binnen Italië werd verkocht, eene instelling van Augustus.—8)accijns op eetwaren, door Caligula ingesteld.—9)quinguagesima mancipiorum venalium, een overgangsrecht bij verkoop van slaven, van 2%, door Augustus ingevoerd, door Claudius verdubbeld.—10)een entreegeld voor de publieke privaten, onder den naamvectigal foricarum et urinae, ingevoerd door Vespasiānus.—11)eene belasting op de nijverheid, patentbelasting, van Alexander Sevērus.—12)vectigal ex aquaeductibusvoor het uit de waterleidingen naar de huizen afgevoerde water;cloacariumvoor het recht van waterloozing in de openbare riolen, enz.—Voorzoover zij er toe geschikt waren, werden de vectigalia door de censoren verpachtsummis pretiis. Ominis causawerd een begin gemaakt met de oesterbanken in denlacus Lucrīnus. Neemt men vectigalia in den meer algemeenen zin van staatsinkomsten, dan kan hiertoe ook de rechtstreeksche belasting,stipendium(z. a.), uit de provinciën worden gebracht. In de provinciën Sicilia en Africa was het stipendium geheel vervangen door tienden. Italia was van grondbelasting geheel vrij (zie ookius italicum). Over hettributumder rom. burgers, dat niet tot de eigenlijke belastingen kan gerekend worden, zietributum.Vectones=Vettones.Vedius Pollio, vrijgelatene, rom. ridder, een nietswaardig mensch, ontzaggelijk rijk, verkwistend en meedoogenloos. Bij zekere gelegenheid, dat Augustus bij hem te gast was, werd diens bescherming ingeroepen door een slaaf van Vedius, die wegens het breken van een voorwerp vanmurrha(z. a.) door zijn meester veroordeeld was om in den vischvijver geworpen te worden en tot spijs voor de alen te dienen. Augustus gelastte toen aan zijne lictoren, alle murrha in het huis stuk te slaan. Vedius Pollio stierf in 15, na Augustus tot erfgenaam van het grootste gedeelte zijner bezittingen benoemd te hebben, o. a. van zijne prachtige villa Pausilȳpum (Zonderzorg, Sans-Souci) tusschen Neapolis en Puteoli.Vegetius Renātus(Flavius) schreef aan het einde van de 4deeeuw na C. eenepitome rei militaris, eigenlijk eene compilatie, zooals de schrijver zelf erkent, van verspreide berichten en mededeelingen, die hij bij verschillende oudere schrijvers heeft aangetroffen, aangevuld met hetgeen hij aan de keizerlijke verordeningen heeft ontleend. Ofschoon dikwijls oud en nieuw zijn dooreengeward, heeft het werk, bij gebrek aan andere en betere krijgskundige geschriften, voor ons eene niet geringe waarde. Waarschijnlijk moet een werk over veeartsenijkunde van een zekeren P. Vegetius Renatus, uit denzelfden tijd, ook aan hem worden toegeschreven.Veiento(A. Fabricius), werd onder Nero in 62 n. C. verbannen, omdat hij in schotschriften senatoren en priesters beschimpt had. Onder Domitiānus was hij alsdelatorberucht. Hij wasconsularis.Vēii,Οὐήιοι, oude en machtige etruscische stad op eene hoogte aan de rivier de Cremera,met flinke muren, waarvan nog sporen aanwezig zijn. Het uitgebreide gebied werdager VeiensofVeientānusgenoemd. Daar Veii en Rome slechts ruim drie uren van elkander lagen, moest Rome’s opkomst spoedig eene botsing uitlokken. Reeds onder de regeering van Romulus wordt een oorlog met Veii vermeld. Ten laatste werd het in 396, volgens de overlevering, na een tienjarig beleg, door M. Furius Camillus ingenomen, geplunderd en verwoest. Het gebied der stad werdager publicus, maar reeds in 387 werden hier 4 nieuwetribusingericht, n.m. de tribus Stellatīna, Tromentīna, Sabatīna en Arniensis. Veii had een beroemden Juno-tempel.Veiovis, Vediovis, Vedīus, een rom. god, wiens naam door de ouden verklaard wordt als jonge Jupiter of verdervende Jupiter. Hij had sedert 192 een heiligdom tusschen het Capitolium en den burcht, op de plaats van het oude asyl van Romulus, en, sedert 194, een op deinsula Tiberina. In eerstgenoemden tempel stond zijn beeld van cypressenhout, jeugdig van gestalte, met een bundel pijlen in de hand en een geit naast zich. Den 7denMaart werd hem een geit geofferd. Wegens de pijlen, die tot zijne attributen behooren, werd hij soms met Apollo geïdentificeerd; in werkelijkheid behoorde hij tot den kring der onderaardsche godheden.Velābrum, straat of buurt in Rome van den mons Palatīnus in de richting naar den Tiber, door denvicus Tuscusmet het forum Romānum verbonden. Op het Velabrum waren winkels van fijne gerechten of lekkernijen, waar men ook koks kon huren.VelauniofVellāni=Vellāvi.Veleda, profetes uit den stam der Bructeren ten tijde van Vespasiānus. Bij hare landslieden en de omringende stammen werd zij vereerd als een hooger wezen. In den opstand van Civīlis oefende zij een grooten invloed uit. Later werd zij door de Rom. gevangen genomen en naar Rome gevoerd.Velia,Οὐέλια, ookHeliaenElea, bij HerodotusὙέληgenoemd, op de kust van Lucania. ZieElea.Velia, buurt van Rome, eigenlijk een rug, die den mons Palatīnus met den mons Esquilīnus verbond. Van de Velia daalde de Sacra via af naar het forum Romānum. De Velia maakte een deel uit vanRoma quadrata(ziePalatinus(mons)).Velīnus(lacus), meertje in het Sabijnsche land, tgw. Lago di Piedilugo, gevormd door den Avens (z. a.).Velīnus(portus), de haven van Velia of Elea.Velites, lichtgewapenden in het rom. leger, ziecenturia. Zij werden uit de arme burgers gelicht, hadden harnas noch helm, maar slechts een mantel en een vilten muts, en waren gewapend met een klein rond ruiterschild (parma), een zwaard en een aantal (soms zeven) lichte werpschichten (hastae velitares, verūta) met dunne, scherpe stalen punt. Zij deden dienst als tirailleurs en namen ook de plaats en de wapenen der gesneuvelden over. In het legerkamp waren zij des nachts onder den blooten hemel langs den binnenkant van den wal en vóór de poorten gelegerd. Sedert Marius ook decapite censiin de gelederen der geregelde troepen opnam, hing het van lichamelijke geschiktheid af, of men bij deze of bij develiteswerd ingedeeld, hoewel uit den aard der zaak deze toch uit de geringeren werden genomen.Velītrae, thans Velletri, latijnsche stad ten Z. van het albaansch gebergte, langen tijd in handen der Volsci, sedert 393 of 338municipium sine suffragio. Het is de stamplaats der Octavii.Vellaunodūnum, stad der Senones in het midden van Gallia, tusschen Genabum (Orléans) en Agedincum (Sens).Vellāvi, volksstam in de bergstreek der Cevennes.Velleda=Veleda.Vellēii.1)C. Velleius, rom. senator, door Cicero in zijn werkde natura deorumals vertegenwoordiger der epicureïsche wijsbegeerte ingevoerd.—2)C. Velleius Paterculus, een vriend van Pompeius, benam zich het leven, in 41, toen Octaviānus tegen zijne woonplaats Neapolis (Napels) optrok.—3)C. Velleius Paterculus, rom. geschiedschrijver, kleinzoon van no. 2, uit een rij van aanzienlijke voorouders gesproten, diende onder C. Caesar en onder Tiberius in verschillende veldtochten, werd in 6 na C. quaestor en in 15 praetor. Hij schreef eene beknopte rom. geschiedenis in 2 boeken (ad M. Vinicium consulem) in 30 na C., van Rome’s stichting tot op dat jaar. Dat dit werk niet anders dan hoogst oppervlakkig zijn kan, spreekt van zelf. De tekst berust op slechts één enkel handschrift, dat na de verschijning der eerste uitgaaf weder is zoek geraakt. Van het tweede boek is ook slechts een gedeelte over.Vell(i)ocasses, gallisch volk aan den mond der Sequana (Seine). Havenstad: Rotomagus (Rouaan).Venāfrum, stad in Samnium ten O. van Casīnum (in Zuid-Latium) gelegen, wordt sedert Augustus tot Campania gerekend. De stad lag op eene hoogte, 5 kilometer van den Vulturnus, te midden van olijfbosschen. De olijfolie van Venafrum was om hare fijnheid beroemd.Venatio.Onder de geliefkoosde schouwspelen der Rom. behoorden de dierengevechten in het amphitheater. Met ontzaggelijke kosten werden hiertoe uit verschillende gewesten wilde dieren aangevoerd, als: leeuwen, tijgers, olifanten, rhinocerossen, enz., die men tegen elkander liet vechten. Zoo bracht Pompeius bij één feest o.a. 600 leeuwen in de arēna. Ook liet men menschen tegen dieren vechten, zulke menschen werdenbestiariigenoemd en waren soms voor loon gehuurd,auctorati, soms veroordeelden,ad bestias damnati. Gehuurde vechters waren natuurlijk gewapend, veroordeelden nu en dan. Gedurende de christenvervolgingen werden gewoonlijk de veroordeelden bij hoopen weerloos in het strijdperk gedreven, soms wel aan palen vastgebonden,en werden vervolgens de wilde dieren op hen losgelaten, om hen voor de oogen der duizenden van toeschouwers te verscheuren.Venedae, -di,Οὐενέδαι, aanzienlijk sarmatisch volk ten O. der Vistula (Weichsel) aan den sinus Venedicus,Οὐενεδικὸς κόλπος(golf van Riga). Nog in de middeleeuwen komt dit volk in Polen en Oostpruisen en ook westelijker voor onder den naam van Wenden.Venelli, volksstam in Gallia aan het Kanaal op het tegenw. schiereiland Cotentin.Veneti,Οὐένετοι, 1) gallisch volk op de kust van het tegenw. Bretagne, met de stad Dariorigum of Venetae (Vannes), en op de kust deinsulae Veneticae(Ré, Oléron enz.). Zij waren een zeevarend en handeldrijvend volk en onderhielden een levendig verkeer met Britannia.—2)een volk in het N.O. van Italië, ookἘνετοίgenoemd, waarvan de afkomst den ouden onbekend was. Men meende in hen het verdwenen paphlagonisch volk derHeneti(z. a.) terug te vinden. Waarschijnlijk waren zij van illyrischen stam. Hun land, o. a. met de steden Patavium (Padua), Altīnum en Aquileia, was buitengewoon welvarend door nijverheid en handel. Zij waren niet krijgszuchtig en onderwierpen zich reeds vroeg (215) aan de Rom., om bij hen steun te vinden tegen hunne gallische naburen. Hun gebied,Venetia, komt in het algemeen, wat de ligging betreft, overeen met dat der latere republiek Venetië. De invallen van Gothen en Hunnen waren voor hen een groote ramp, zie hieromtrentAltinum.Venetus lacus=Brigantīnus lacus.Venilia, moeder van Turnus, zuster van Amāta, gemalin van Neptūnus of Faunus.Vennones, een woest Alpenvolk in Raetia aan de bronnen van den Athesis.Vennonius, geschiedschrijver ten tijde der Gracchen.Venta, naam van enkele steden in Britannia. 1)V. Belgarum, in het Z., thans Winchester, nabij Clausentum (Southampton).—2)V. Icenorum, in het O., nabij het tegenw. Norwich.—3)V. Silurum, in Wales, ongeveer tegenover het tegenw. Bristol.Ventidius Bassus(P.), een man van geringe afkomst, doch van groote bekwaamheid. In den marsischen oorlog waren zijne ouders onder de gevangenen uit Picēnum, die in 89 den triumftocht van den consul Cn. Pompeius Strabo moesten opluisteren. Zijn vader werd vervolgens ter dood gebracht. Toen Bassus een man was geworden, voorzag hij eerst in zijn onderhoud door aan overheden, die naar de provinciën gingen, paarden, muildieren en wagens te leveren. Caesar, die hem had leeren kennen, hief hem uit zijn stand op en bracht hem in den senaat. Hij diende onder Caesar in Gallia en in den burgeroorlog, koos na Caesars dood de zijde van Antonius, drong bij Cicero aan dat deze zich tijdig uit de voeten zou maken, en wierf in Picēnum een leger om Antonius te steunen. Na het sluiten van het driemanschap in 43 werd hij consul (alssuffectusvoor Q. Pedius). In 39 ging hij als legaat van Antonius naar Syria en bracht in dit en het volgende jaar den Parthen drie gevoelige nederlagen toe, waarbij de parthische prins Pacorus, zoon van Orōdes I, sneuvelde. Hij genoot daarvoor de eer van een zegetocht. Z. ookLabienino. 2.Venus, italiaansche lentegodin, vooral beschermster der tuinen en van de groenteteelt, onder griekschen invloed geheel vereenzelvigd met Aphrodīte en dus geworden tot eene godin van schoonheid en liefde. Haar dienst was afkomstig uit Ardea. Oorspronkelijk had zij te Rome twee tempels, één in denlucusvanLibitīna(z. a.), één bij het Circus maximus, en de stichtingsdag van den laatsten is de 19deAugustus, de feestdag derholitores(groenteboeren), die Venus speciaal vereeren. In den tweeden punischen oorlog werd, volgens voorschrift van de Sibyllijnsche boeken, de geheel grieksche eeredienst vanV. Erycīna(Erucīna) uit Sicilië naar Rome overgebracht; men offerde haar den 23stenApril; een eeuw later werd de dienst ingesteld vanV. Verticordia(feestdag 1 April). Sulla vereerde haar onder den naamV. Felix(dit is deV. Pompeiāna, de stadsgodin van Pompeii), Pompeius alsV. Victrix, maar haar dienst kwam vooral in hoog aanzien en het aantal aan haar gewijde tempels nam aanmerkelijk toe, sedert zij als de moeder van Aenēas en dus als de stammoeder van het rom. volk beschouwd werd, en nog meer toen Caesar en Augustus, en naar hun voorbeeld ook latere keizers, haar als de moeder van de gens Iulia vereerden. OmtrentV. CloacīnaenV. Murcia, zieCloacīnaenMurcia. Zie verderAphrodīte.Venusia, schilderachtig gelegen stad van Apulia, dicht aan de lucanische grenzen nabij de rivier Aufidus en den mons Vultur gelegen, geboorteplaats van Horatius. Oorspronkelijk was V. eene stad der Samnieten geweest. Sedert 291 lat. col.Ver sacrum.Bij italiaansche volken, vooral bij de Sabijnen, gebeurde het meermalen, dat in tijden van pest, misgewas en andere rampen al wat in de eerstvolgende lente zou geboren worden, aan de goden werd gewijd. De dieren, die in zulk eene gewijde lente geboren werden, werden geofferd, de menschen echter, als zij volwassen waren, over de grenzen gezonden om zich elders als volksplanters neer te zetten. Als de romeinsche senaat tot eenver sacrumbesloot, moest dit besluit door het volk bekrachtigd worden.Veragri, raetisch of ligurisch volk aan de poeninische Alpen in Helvetia, in het tegenw. kanton Wallis. Hoofdplaats Octodūrus (Martigny).Veranii.1)Veranius, een vriend van Catullus, die zijn geluk vruchteloos in Hispania ging beproeven.—2)Q. Veranius, legaat van Germanicus, klaagde Cn. Piso (Calpurniino. 7) aan.—3)Q. Veranius, consul in 49 na C. en in 58 stadhouder van Britannia, waar hij stierf.Verbānus lacus,Οὐερβανὸς λίμνη, thanslago Maggiore, waardoor de Ticīnus stroomt, in Gallia Transpadāna.Verbēna=herbēna, heilige kruiden, op het Capitool gegroeid, ooksagminageheeten. Ook takken van heilige boomen, als myrten, olijf- en laurierboomen, geplukt tot eenig heilig gebruik, werdenverbenageheeten. Smeekelingen, gezanten en vooral de fetiaal-priesters omkransten zich het hoofd met zulke heilige kruiden of gewassen; ook bezigde men ze tot het versieren van altaren, godenbeelden, offerdieren, enz.Verbigenus pagus, zieHelvetii.Vercellae, thans Vercelli, hoofdstad der Lebecii in Gallia Transpadāna, sedert 89 met hetius Latii, sedert 49 rom. municipium. Op de nabijgelegenCampi Raudiivernietigde C. Marius in 101 de Cimbren.Vercingetorix, een aanzienlijk Galliër uit de Arverni, het hoofd van den grooten gallischen opstand tegen Caesar in 52. Hij versloeg Caesar bij Gergovia, maar daarna sloot Caesar hem met zijn leger op in Alesia. Hij moest zich overgeven en werd te Rome na Caesar’s triumphus in 46 ter dood gebracht.Verētum,Οὐέρητον, stadje in Calabria, nabij het promunturium Salentīnum.VergeliusofVergellus, een beek, die door het slagveld van Cannae stroomde.Vergiliae, z.Pleiades.Vergilii.1)M. Vergilius, volkstribuun in 87.—2)C. Vergilius, 61–58 propraetor van Sicilia, een groot vriend van Cicero. Later (47) verdedigde hij Thapsus tegen Caesar.—3)P. Vergilius Maro, de beroemde dichter derAenēis, was in 70 op een landgoed zijns vaders, te Andes bij Mantua geboren. Eerst ging hij in het naburige Cremōna school, later als jongeling volgde hij lessen te Mediolanium (Milaan), vervolgens ging hij in 53 naar Rome, waar hij met Alfēnus Varus (zieAlfenus) het onderricht genoot van den epicureïschen wijsgeer Siro. Daarna keerde hij naar zijn vaderlijk landgoed terug en dichtte hij enkele zijnerEclogaeof herderszangen. Toen echter Octaviānus na den slag bij Philippi (42) de veteranen door eene toewijzing van landerijen beloonen wilde en daartoe ook de omstreken van Cremōna en Mantua had uitgekozen, zag ook Vergilius zijn goed door een vreemde in bezit nemen (41). Door bemiddeling echter van C. Asinius Pollio, die met 7 legioenen in het gebied der Veneti stond en de landverdeeling bestuurde, had deze inbezitneming geen verder gevolg en beloofde Octavianus aan Vergilius, dat zijn landgoed ongemoeid zou blijven. Doch op Asinius Pollio volgden Alfenus Varus en Antonius Musa, en opnieuw zag V. zich in zijn bezit bedreigd. Hij beloofde Varus te zullen bezingen, als deze zijn grondbezit spaarde. Uit de omstandigheid, dat de 6deEclogaaan Varus is gericht en dat V. toch van zijn landgoed werd beroofd, mag men misschien het besluit trekken, dat Varus zelf het hem wel liet behouden, maar niet verhinderde dat een ander het hem ontnam. Het gedicht van Verg. getuigt dan ook niet van groote geestdrift. Hij ging naar Rome, doch Octavianus was elders. Door tusschenkomst van aanzienlijke vrienden (misschien bij Varus) werd hem de teruggaaf van zijn goed beloofd, doch toen hij er heen was gegaan, zou hij door den nieuwen bezitter, zekeren centurio Arrius, doodgestoken zijn, ware hij niet ijlings in den Mincius gesprongen (40). Eenige maanden bleef hij te Rome en in den omtrek, tot hij eindelijk, vermoedelijk door tusschenkomst van Maecēnas, zijne goederen terug kreeg. Het is ook niet onwaarschijnlijk, dat Varus hem nu ten slotte het rustig bezit waarborgde en daarvoor met een gedicht door den dichter werd beloond. Na door zijneEclogaeofBucolicanaam gemaakt te hebben, begon V. te Rome zijneGeorgicain 4 boeken, een leerdicht over akkerbouw, boomkweekerij, vee- en bijenteelt, dat eigenlijk zijn meesterwerk is, waaraan hij 7 jaar werkte, 37–30. Hij voltooide het te Napels, een geliefkoosd verblijf voor hem, uit hoofde zijner zwakke gezondheid. Intusschen of onmiddellijk daarna begon hij aan zijn eposAenēis, waarvan hij in 23 het 2de, 4deen 6deboek voor Augustus en diens omgeving voordroeg. Voor zijne gezondheid en tot ontspanning ondernam hij in 19 eene reis naar Griekenland, ontmoette daar Augustus en keerde met dezen naar Italië terug. Te Brundisium aangekomen, was hij zóó ziek, dat hij daar moest blijven en er binnen weinige weken overleed. Volgens zijn verlangen werd zijn lijk naar Napels vervoerd en is hij aan den weg naar Puteoli begraven. Hij had eerst gelast, dat zijn onvoltooid epos (zie over den inhoud het art.Aenēas) verbrand moest worden, doch liet zich verbidden om de uitgaaf aan zijne vrienden Plotius Tucca en Varius Rufus toe te vertrouwen, onder voorwaarde dat zij het geheel onveranderd zouden laten, opdat ieder zou kunnen zien, dat de dood hem belet had er de laatste hand aan te leggen. Menige plaats komt er in voor, die de dichter, zoo de tijd hem gegeven ware, aangevuld of gewijzigd zou hebben. V. bleef bij zijn volk steeds in hooge eer; in de middeleeuwen hield men hem voor een toovenaar en, voor zoover dit voor een heiden mogelijk was, voor een heilige. Aan het gewaande graf van V. werden zelfs wonderen vastgeknoopt. De groote verdienste der Aenēis is deze, dat daarin met onmiskenbaar talent van vorm en uitdrukking een nationaal-rom. epos op homerische leest is geschoeid. Bovendien diende het tot verheerlijking van Augustus en zijne familie. Het werd dan ook met vooringenomenheid op de rom. scholen gelezen en verklaard. Op de Bucolica en Georgica schreef Valerius Probus (1eeeuw na C.) een commentaar, terwijl wij ook den rijken commentaar op Vergilius van Servius Maurus Honorātus (4deeeuw na C.) (z.Serviusno. 3) bezitten. Zie ookDonatus(Tiberius Claudius). Enkele kleinere gedichten op naam van Vergilius (Culex, Morētume. a.) worden door sommigen niet aan hem toegeschreven.Verginii, een deels patricisch, deels plebejisch geslacht. 1)Opiter Verginius Tricostus, consul in 502, streed tegen de Latijnen en sneuvelde in 487 tegen de Volscen.—2)T. Verginius Tricostus Caeliomontānus, consul in 496, nam deel aan den slag bij het meer Regillus.—3)Proculus Verginius Tricostus Rutilus, consul in 486, was een tegenstander der akkerwet van zijn ambtgenoot Sp. Cassius Viscellīnus (zieCassiino. 1).—4)verder komen er tot 435 nog een achttalVerginii Tricostionder de consuls voor met de toenamenRutilus, Esquilīnus, Caeliomontānus, waarbij ook de vóórnamen Opiter en Proculus nog eenmaal terugkomen. Ook vindt men er twee onder de consulairtribunen.—5)A. Verginiusbewerkte in 457, dat het getal volkstribunen op 10 werd gebracht. Hij zelf bekleedde dit ambt 5 jaar achtereen.—6)L. Verginiusdoodde volgens de overlevering in 449 zijne dochter Verginia, opdat zij niet in handen van den tienman App. Claudius zou vallen, en gaf hiermede het sein tot de tweedesecessio plebis. Daarop werd hij tot volkstribuun verkozen.—7)A. Verginius, rom. rechtsgeleerde, omstreeks 100.—8)L. Verginius Rufus, legatus pro praetorevan Germania Superior onder Nero en Otho, wees na den dood van Vindex (z. a.) en in 69 na C. na den dood van Otho het aanbod zijner troepen van de hand, hem tot keizer uit te roepen. In zijn sterfjaar, 97, was hij met keizer Nerva consul. Tacitushieldeene lijkrede op hem. Hij was een vaderlijke vriend voor den jongeren Plinius. Hij maakte ook gedichten.Vernaofvernaculusis een slaaf, die in zijns meesters huis geboren is. Uit den aard der zaak waren zij in den regel vrijpostiger dan gekochte slaven.—Vernaculae legioneszijn troepen, bestaande uit personen, die bij de werving nog geen Romeinsche burgers waren, maar dit recht verkregen, zoodra zij ingelijfd waren; dus =milites libertini.Verolamium, hoofdstad der Catuvellauni, ten N.W. van Londinium (Londen), thans Old-Verulam, rom. municipium.Veromandui, zieViromandui, welke schrijfwijze beter is.Verōna, stad in Gallia Transpadāna aan den Athesis, eerst aan de Euganei, later aan de Cenomāni toebehoorende, sedert 89 met hetins Latii, sedert 49 een bloeiend rom. municipium, geboorteplaats van Catullus en Vitruvius. Verona, thans nog aldus geheeten, was de schoonste stad van Cisalpina. Het marmeren amphitheater, onder Diocletiānus gebouwd, dat 22000 toeschouwers bevatten kon, is nog vrij goed bewaard gebleven.Verres(C.) was in 82 quaestor van den consul Cn. Papirius Carbo in Cisalpīna, doch liep tot de partij van Sulla over, de kas medenemende. Toch kreeg Sulla van het geld niet veel te zien, daar Verres beweerde dit te Ariminum (Rimini) te hebben achtergelaten, waar het bij de verwoesting der stad verloren zou zijn gegaan. Zijne verantwoording was merkwaardig. “Ontvangst HS 2235417; uitgaaf aan soldij, koren enz. HS 1635417; saldo te Ar. achtergelaten HS 600000.” In 80 ging Verres als legaat van Cn. Cornelius Dolabella naar Cilicia, waar hij weldra na den dood van den quaestor C. Malleolus proquaestor werd. Zijn reis daarheen was een rooftocht. In Griekenland en Azië liet hij, zelfs bij dag, de tempels openbreken en beelden en kostbaarheden er uit wegvoeren. Toen Dolabella later van afpersingen was aangeklaagd, had V. de onbeschaamdheid als getuige tegen hem op te treden. Met een deel van den geroofden buit wist hij zich tegen 74 tot praetor te doen verkiezen. Zijne praetuur (depraetura urbana) was, zooals men denken kan, eene bespotting van het recht, eene onafgebroken reeks van rechtsverkrachtingen. In 73 werd hij propraetor van Sicilia, waar hij drie jaar bleef. In die drie jaar mergelde hij de provincie uit. Behalve dat hij den landbouwers hun koren afperste en hun dan het graan, dat zij moesten leveren, uit hun eigen voorraad duur verkocht, om ten slotte nog het geld, dat de senaat hem tot aankoop van koren toezond, in zijn eigen zak te steken, waren ook geen kunstwerken of kostbaarheden voor hem veilig. Hij hield er spionnen op na om na te speuren, wie iets in bezit had, wat van zijne gading kon zijn. Op verzoek der Siciliërs trad Cicero in 70 als aanklager op en beschuldigde Verres voor 40 millioen sestertiën op Sicilië gestolen en afgeperst te hebben. Ten spijt van alle kuiperijen van Verres en diens machtige vrienden (zieTulliino. 5), handelde Cicero met zooveel voortvarendheid en doortastendheid en overstelpte hij Verres met zooveel onwederlegbare bewijzen, dat diens verdediger Hortensius het pleit opgaf en Verres zich in ballingschap naar Massilia (Marseille) begaf.Verrius Flaccus(M.), rom. taalgeleerde onder Augustus en Tiberius, leermeester van de kleinzonen van Augustus, schrijver van een groot alphabetisch geordend werkde verborum significatu(zieFestusno. 2), ook geciteerd alslibri rerum memoria dignarum, en van deFasti Praenestini, waarvan nog fragmenten over zijn.Verticordia, bijnaam aan Venus (z. a.) gegeven, wegens haar invloed op het menschelijk hart. In 114 werd haar een tempel gewijd met de bede, dat zij de vrouwen van onkuischheid zou afhouden.VertumnusofVortumnus, god van verandering of afwisseling, in het bijzonder van de afwisseling der jaargetijden, die de vruchten doet rijpen, maar verder ook van de veranderingen in de gezindheid der menschen, van ruilhandel, enz. Hij zelf bezat het vermogen allerlei gedaanten aan te nemen en maakte daarvan gebruik, toen hij de liefde van Pomōna trachtte te winnen, wat hem eerst gelukte, nadat hij, als oude vrouw vermomd, gehoor bij haar had gekregen. Hij had een beeld in denvicus Tuscus, waarom hij voor een oorspronkelijk etrurisch god gehouden werd, en een tempel aan den voet van den Aventīnus; deze tempel was door M. Fulvius Flaccus na zijn veroveringvan Volsinii gesticht. Vortumnus was waarschijnlijk de hoofdgod van Volsinii; zie ookVoltumna. Men bracht hem offers op den 13 Augustus. Men verwarre dezen god niet met Volturnus (z. a.).Verulae, hooggelegen stad der Hernici in Latium.Verulamium=Verolamium.Verus(L. Aurelius), zoon van L. Aelius Verus (zieAnniino. 6), jongere broeder en mederegent van keizer Marcus Aurelius en indertijd met dezen door Antonīnus Pius tot zoon aangenomen. Vóór zijnadoptioheette hij L. Ceionius Commodus, en hij wordt nog vaak door de schrijvers Commodus genoemd. Hij was te veel overgegeven aan een weelderig en gemakkelijk leven om iets te beteekenen. Zijne regeering (als zij dezen naam verdient) duurde van 161 na C. tot 169, toen hij stierf. In 162 trok hij naar het Oosten, om tegen de Parthen te strijden, die in het rijk gevallen waren. Hij bleef echter in Antiochia achter, en liet den oorlog, die van 161–166 duurde, door zijne legaten voeren. Door de verovering van Artaxata (163) werd Armenia tot een rom. vazalstaat. Ten gevolge van de veldtochten van Avidius Cassius (zieCassiino. 18) werd in 166 de vrede met Vologeses gesloten, kwam Osroēne onder rom. invloed en werd Carrhae rom. kolonie. Daarna trok Verus met M. Aurelius tegen de Marcomannen, maar stierf in 169 te Altīnum.Vesbius, Vesēvus=Vesuvius.Vescelia, stad der Oretāni in Hispania Tarraconensis, in het gebied van den Anas (Guadiana).Vescia, verdwenen stad der Aurunci of Ausones in Latium in eene liefelijke streek,ager Vescīnus, die tusschen den Liris en den mons Massicus lag.Veseris, een vlek of een riviertje (dit is onzeker) in Campania aan den Vesuvius.Vesēvus=Vesuvius.Vesontio, thans Besançon, hoofdstad der Sequani in Gallia aan den Dubis (Doubs), die zoo de stad omspoelde, dat hij haar bijna geheel insloot, terwijl het openliggende gedeelte afgesloten werd door een berg, waarop de burcht lag. Er zijn tal van overblijfsels uit den rom. tijd aanwezig.Vespasiānus(T. Flavius), romeinsch keizer 70–79 na C., in 9 na C. te Reāte in het sabijnsche land geboren, was de zoon van Flavius Sabīnus en Vespasia Polla. Hij ging reeds vroeg in krijgsdienst, was krijgstribuun in Thracia, quaestor van Creta en Cyrenaica, daarna te Rome aediel en vervolgens praetor, en werd door Claudius alslegatus legionisnaar Germania en in 43 naar Britannia gezonden. In 51 was hij consul, trok zich toen uit vrees voor Agrippīna een tijd lang uit het openbare leven terug, totdat in 59 Nero hem als proconsul naar Africa zond. In 66 werd hem door Nero opgedragen, den opstand in Judaea te dempen, en deze taak was nog niet volbracht, toen hij in den zomer van 69 door zijn leger tot keizer uitgeroepen en door het geheele Oosten erkend werd. Na de overwinning bij Cremōna en den dood van Vitellius kwam V. in 70 onder groot gejuich van het volk te Rome. Hij regeerde zacht en gematigd, wat het inwendig bestuur betreft, doch krachtig, wat de bescherming der grenzen en de tucht in de legers aangaat. De Parthen ontzagen hem en lieten hem met rust, zijn zoon Titus voltooide de onderwerping der Joden en zijn veldheer Petillius Cereālis dempte den gevaarlijken opstand der Batavieren. Door eene naar den zin der Rom. te groote zuinigheid (ziemimus) stijfde hij de uitgeputte schatkist. Hij heeft veel gebouwd, zie o.a.Amphitheatrumaan het einde. Na den terugkeer van Titus hield V. met dezen een luisterrijken zegetocht over de Joden. Door hem werd in 76 of 77 Agricola naar Britannia gezonden. In 79 stierf V. op de badplaats Aquae Cutiliae. Zijn zoon Titus volgde hem op.—V. had twee broeders. OmtrentFlavius Sabīnus, zieSabinusno. 3. De andere broeder,Flavius Clemens, huwde met zijne nicht Domitilla, eene dochter van Vespasianus en van de vrijgelatene Flavia Domitia. Domitiānus liet hem later ombrengen, evenals den zoon van Sabinus.Vesperna, avondeten in den ouden tijd, z.coena.Vesta, godin van den huiselijken haard en het haardvuur, in beteekenis gelijk aan de grieksche Hestia, maar door de Rom. hooger in eere gehouden dan deze door de Grieken. Zij werd in ieder huis gemeenschappelijk met de Laren en Penaten vereerd, maar had bovendien een zeer heiligen tempel bij deregia, waar op haar altaar een eeuwig vuur brandde, dat als het haardvuur van den geheelen staat beschouwd werd, en waarheen de rom. vrouwen jaarlijks den 9denJuni (Vestalia) in processie trokken. DezeVestaliawerden echter niet alleen door de rom. vrouwen gevierd, maar het was ook de feestdag der bakkers en molenaars. Het heilige vuur werd jaarlijks den 1stenMaart met bijzondere plechtigheid vernieuwd, ging het bij ongeluk eens uit, dan werd dit als een zeer slecht voorteeken beschouwd, en moest het door het wrijven van hout opnieuw ontstoken worden. In het binnenste van den tempel van Vesta, depenus Vestaegeheeten, werden behalve den door de Vestaalsche maagden bereiden offervoorraad (zie hieromtrent onderVestales), ook volgens de overlevering het Palladium en de Penaten van den staat bewaard, die door Aenēas van Troje naar Lavinium gebracht waren; ook in deze stad had zij een zeer oud heiligdom, waar de hoogere rom. magistraten kort na de aanvaarding van hun ambt gingen offeren. Te Rome werd de dienst van Vesta met groote nauwgezetheid waargenomen door zes maagdelijke priesteressen, die aan zeer strenge tucht onderworpen waren, maar daarentegen in hoog aanzien stonden en buitengewone voorrechten genoten (z.Vestales).

Vacalus=Vahalis.

Vacatio munerum, zieBeneficiarius(miles) enCommeatus.

Vacca, Vaga,Οὐάγα, 1) aanzienlijke handelsstad in de provincie Africa, op de grenzen van Numidia, ten Z.W. van Utica, waarvan het eene goede dagreis verwijderd was. Tijdens den Jugurthijnschen oorlog behoorde het aan Jugurtha, en werd het door Metellus verwoest, later werd het eene rom. kolonie.—2)stad in Byzacēne, ten Z.W. van Hadrumētum.

Vaccaei, volk in Hispania Tarraconensis aan den bovenloop van den Durius (Douro) tusschen de Celtiberiërs en de Asturiërs. Zij bebouwden den grond in gemeenschap. Zij waren een dapper volk, waarmede de Carthagers veel last hadden. Hoofdstad: Pallantia.

Vacūna, sabijnsche godin van den landbouw. Men bracht haar offers, wanneer men in het begin van den winter van den arbeid op het veld of uit den oorlog huiswaarts keerde, daardoor kreeg zij de beteekenis van eene godin van rust en verpoozing van den arbeid (litare Vacunae=vacuum esse). Soms wordt zij geïdentificeerd met Ceres, Minerva, Venus, Diāna of Bellōna, soms ook met Victoria. Zij werd vooral te Reāte en Tibur vereerd.

Vada, 1) gen.-ae, sterkte der Batavieren, die op zeer verschillende plaatsen wordt gezocht, aan de Waal bij Wamel of Druten, of bij Wadenoijen in den Tielerwaard. Wageningen is het stellig niet (zooals men weleens gemeend heeft), daar geen Rom. plaatsen ten N. van den Rijn gevonden worden.—2)gen.-orum= wadden, naam van enkele kustplaatsjes, als:Vada Volaterrānaop de etruscische kust in het gebied der stad Volaterrae aan de door het riviertje Caecina gevormde moerassen,—Vada Sabatia, op de kust van Liguria, haven of reede der stad Sabata of Savo (Savona).

Vadimōnis lacus, een klein rond meer in Etruria nabij den Tiber, een eind boven Horta. Het water was zwavelig en droeg kleine drijvende eilandjes. Het was eene heilige plek, die den Etruscers tot vergaderplaats diende. Bij dit meer werden zij in 309 door den dictator L. Papirius Cursor (Papiriino. 6) en in 283 door den consul P. Cornelius Dolabella Maximus (Corneliino. 35) verslagen.

Vadimonium, borgstelling, de belofte om op den bepaalden dag voor den praetor of den rechter te verschijnen, waarbij oorspronkelijk, ten einde preventieve hechtenis te ontgaan, het stellen van een borg werd gevorderd, die bij wegblijven voor een zekere som gelds aansprakelijk bleef. De grootte der borgstelling hing af van den aard van het geding, doch mocht het bedrag van 100000 as niet te boven gaan. Hieraan zijn verschillende uitdrukkingen ontleend:vadimonium sistere, zijn borgtocht gestand doen, verschijnen;vad. deserere, den borgtocht in den steek laten, wegblijven;vad. imponere, borgstelling eischen;vad. concipere, de borgstelling formuleeren;vad. differre, de vervulling der belofte op de lange baan schuiven.

Vaga=Vacca.

VagienniofBagienni, ligurisch volk ten Z. der Taurīni, met de hoofdstad Augusta Vagiennorum (Bagiennorum).

Vahalis, de tegenw. rivier de Waal.

Valens(Flavius), rom. keizer in het O., 364–378 na C. Na den dood van Ioviānus in 364 werd Flavius Valentiniānus I, zoon van zekeren Gratiānus, een Pannoniër, tot keizer uitgeroepen. Hij nam zijn jongeren broeder, den bovengenoemden Valens, tot medekeizer aan en vertrouwde hem het O. deel des rijks toe. Valens had met vele moeielijkheden te kampen; aan de eene zijde bedreigden de Perzen zijn gebied, aan den anderen kant de Gothen, terwijl een bloedverwant van den vroegeren keizer Iuliānus, met name Procopius, die waarschijnlijk zelf op den troon had gehoopt, in opstand kwam, en tot overmaat van ramp eene hevige aardbeving in 365 groote streken van zijn rijk teisterde. De opstand werd in 366 onderdrukt, Procopius werd onthoofd en de Gothen in 369 tot vrede gedwongen. Met Perzië bleven de grensgeschillen slepende. Valens zelf was vrij goedhartig, doch zijn schoonvader Petronius maakte zich zeer gehaat en de ontevredenheid hierover uitte zich in samenzweringen tegen den keizer. In 375 verzochten de Westgothen, door de Hunnen opgejaagd, om eene wijkplaats ten Z. van den Donau. Onder Fritigern en Alavīsus trokken 200000 strijdbare mannen met hunne gezinnen de rivier over en kregen woonplaatsen in Thracia. Eene schaar Oostgothen onder Alatheus en Saprax volgde hen. De hebzucht en trouweloosheid van den rom. stadhouder Lupicīnus, die de Gothen aan den bittersten hongersnood prijs gaf en hunne aanvoerders op een maaltijd te Marcianopolis poogde om te brengen, hadden een opstand ten gevolge. Valens snelde van Antiochië naar Constantinopel om zich in persoon aan het hoofd van het leger te stellen; hij werd echter bij Hadrianopolis geheel verslagen en moest gewond de vlucht nemen in eene boerenhut, die door de Gothen in brand werd gestoken,zoodat de gewonde keizer in de vlammen omkwam (378). Zijn eenig zoontje Valentinianus was reeds in 372 overleden. Zijn opvolger was Theodosius de Groote.

Valentia, 1) stad der Edetāni in Hispania aan de Middellandsche zee, door D. Brutus in 138 gesticht, door Pompeius in den oorlog tegen Sertorius verwoest, later herbouwd, thans Valentia.—2)stad der Cavari in Gallia Narbonensis, rom. kol., aan den Rhodanus (Rhône), thans Valence.—3)stadje in Calabria ten Z.Z.O. van Brundisium, ookValentium, ValetiumofBalesiumgeheeten.—4)Vibo Valentia, lat. kol. op de kust van het land der Bruttii, het oude Hippo of Hipponium, onder Augustus met uitgebreide werven en tuighuizen voorzien.—5)het zuidelijk gedeelte van Britannia barbara of Caledonia (Schotland), waarschijnlijk de streek tusschen de twee wallen (zieBritannia), door Theodosius den Gr. (379–395 na C.) voor korten tijd tot rom. prov. gemaakt.

Valentiniānus, naam van drie rom. keizers. 1)Val. I(L. Flavius), zoon van Gratiānus, een Pannoniër, werd in 364 na den dood van Ioviānus keizer en nam zijn broeder Valens tot mederegent voor het O. aan, terwijl hij zelf het W. bleef besturen. Hij had tot nog toe meest in lagere officiersrangen gediend, o. a. in Gallia, onder Julianus; hij was een man van een indrukwekkend uiterlijk, een rechtschapen mensch, een wakker krijgsman, in weerwil zijner gestrengheid bij het leger zeer gezien. In 367 benoemde hij zijn zoon Gratiānus tot medekeizer voor het W. Hij had veel te doen met de grenzen te beschermen en de invallen der Alemannen, Quaden, Sarmaten, Saksers, Picten en Scoten af te slaan. Hij versterkte inzonderheid door eene linie van verschansingen de open ruimte tusschen Rijn en Donau. In 375 overleed hij aan eene beroerte te Brigetio in Pannonia. Hij was een begunstiger der wetenschappen en stichtte scholen.—2)Val. II, zoon van no. 1, geb. in 371, werd bij zijns vaders dood door de hovelingen tot keizer uitgeroepen onder den invloed zijner moeder Iustina, en door zijn halfbroeder, den edelen Gratiānus, bereidwillig als medekeizer erkend. In 383 werd Gratianus door Maximus (Magnus Clemens) omgebracht, die hem opvolgde onder voorwaarde, dat Italië en Africa aan den twaalfjarigen Val. zouden blijven. Toen Maximus echter ook dezen bedreigde, zond Theodosius de Gr. een leger te hulp onder den Frank Arbogastes, die Maximus versloeg en ter dood liet brengen. In 392 evenwel bracht Arbogastes ook Valentinianus om, te Vienna (Vienne aan den Rhône), toen de jonge keizer aan de willekeurige handelingen van den heerschzuchtigen Frank paal en perk wilde stellen. Arbogastes plaatste daarop Eugenius op den troon, die echter in 394 bij Aquileia door Theodosius werd verslagen, gevangen genomen en ter dood gebracht, terwijl Arbogastes de hand aan zichzelven sloeg.—3)Val. III(Flavius Placidus), rom. keizer 425–455 na C., zoon van Constantius III en van Placidia, de zuster van keizer Honorius. Constantius had zich in 420 door Honorius tot medekeizer laten aannemen, doch was reeds in 421 gestorven, waarna Placidia en haar zoon door Honorius verbannen werden en naar Constantinopel trokken. Toen Honorius in 423 stierf, maakte een der hooge ambtenaren, Johannes, zich van den troon meester. Ardacurius echter en Aspar, generaals van den oost-rom. keizer Theodosius III, brachten den vierjarigen Val. met diens moeder naar Rome en plaatsten hem op den troon. Placidia werd regentes. De voornaamste steunpilaar harer regeering was de veldheer Aëtius, die het wankelende rijk tegen Westgothen en Vandalen verdedigde. Sedert 427 leefde Aëtius in hevigen twist met een ander generaal, Bonifacius, stadhouder van Africa. Het gelukte Aëtius zijn mededinger den voet te lichten, die in 429, door wraakzucht gedreven, de Vandalen onder Geiserik naar Africa riep, waarop aldaar het vandaalsche rijk ontstond. De keizer zelf zag zijn leven lang met onverschilligheid het rijk afbrokkelen en leefde slechts voor zijne uitspattingen. Gallia, Hispania en Britannia waren reeds onder zijn vader verloren gegaan. In 450, na den dood zijner moeder, werd het west-rom. rijk door de Hunnen bedreigd, doch het gelukte Aëtius, met behulp der Westgothen en Franken Attila bij Châlons-sur-Marne in 451 te verslaan. Aëtius werd uit wantrouwen in 454 op last van Val. omgebracht, doch reeds in 455 onderging de keizer hetzelfde lot door de hand van Petronius Maximus (z. a.), wiens vrouw hij onteerd had.

Valentīnus(TulliusofIulius), zieTullius Valentinus.

Valeria, 1) stad der Celtibēri in Hispania, aan den Sucro.—2)=Varia(z. a.).—3)sedert keizer Galerius de oostelijke strook van Pannonia langs den Donau, welk stuk als eene afzonderlijke provincieValeriavan Pannonië gescheiden werd.

Valeria(lex)de provocationevan den consul M. Valerius Corvus (Valeriino. 13) in 300, zieValeriae(leges)de provocatione.

Valeria(lex) van den volkstribuun Valerius Tappo, (188), waarbij aan de steden Formiae, Fundi en Arpinum, die decivitus sine suffragiohadden, het volle burgerrecht verleend werd; de inwoners van Formiae en Fundi werden in de tribus Aemilia, die van Arpinum in de tribus Cornelia opgenomen. Langzamerhand werd dit voorrecht ook aan de andere municipia (z. a.) verleend.

Valeria(lex)de aere alieno, van den consul L. Valerius Flaccus (Valeriino. 24) in 86, waarbij de schuldenaars hunne schulden konden afdoen door betaling van ¼ der hoofdsom.

Valeria(lex)de Sulla dictatore, van den interrex L. Valerius Flaccus (Valeriino. 22) in 82, om Sulla tot dictator voor zijn leven te benoemen. Hierbij werden alle handelingen van Sulla alsconsulenproconsul, en wat hij in het Oosten had vastgesteld, goedgekeurd, tevens deproscriptiones, bonorumsectiones, enagrorum assignationes. Hem werd alle macht over leven en goed zijner medeburgers verleend, en de macht om wetten te maken en het staatsbestuur te regelen, onder den titeldictator legibus scribundis et reipublicae constituendae.

Valeria(via), van Rome over Tibur (welk eerste gedeelte via Tiburtīna heette), Carseoli, Alba Fucentia naar het gebied der Paeligni, en verder langs den Aternus tot aan de Adriatische zee.

Valeriae(leges) van den consul P. Valerius Poplicola in 509 na de verdrijving der koningen. 1)de provocatione:ne quis magistratus civem Romanum adversus provocationem, necaret neve verberaret.—2)dat aan den slaaf Vindicius, die de samenzwering ten gunste van Tarquinius ontdekt had, vrijheid en burgerrecht zouden geschonken worden.—3)de perduellione, waarbij het streven naar alleenheerschappij met doodstraf werd bedreigd. Deze wetten zijn verzonnen, daar P. Valerius Poplicola, zoo hij al bestaan heeft, toen geen consul geweest is. ZieValeriino. 1.

Valeriae(leges)de provocatione. Het verdient opmerking, dat er drie wetten hierover bestaan van drie verschillende Valerii. De eerste (509) stelde wel hetius provocationis ad populumin, doch bevatte geen voldoende strafbepaling tegen schending daarvan. De tweede (lex Horatia Valeria, 449) verbood voor het vervolg ooit weder eenig nieuw ambt zonder provocatio in het leven te roepen. De derde (300) van den consul M. Valerius Corvus onderwierp misschien den dictator aan de provocatio. De eerste wet is apocryph, daar er toen geen Valerius consul geweest is, maar ze heeft bestaan vóór de lexAternia Tarpeiavan 454. V. s. bestond deprovocatioreeds in den koningstijd, en benoemde daarom de koning, om zich niet aan de vernedering bloot te stellen, dat zijn uitspraak door het volk werd vernietigd, voor elke kapitaalzaak afzonderlijk twee mannen,qui de perduellione iudicarent(II viri perduellionis). V. a. is deprovocatioeerst ingesteld door de wet van Valerius Corvus, en zijn beide vorige wetten, evenals de lexAternia Tarpeia, verzonnen.

Valeriae Horatiae(leges), zieHoratiae Valeriae(leges).

Valeriānus. 1)P. Licinius Valerianus, rom. keizer 253–259 na C., had zich onder Alexander Sevērus en diens opvolgers in den oorlog onderscheiden en was stadhouder van Raetia, toen hij in 253 door zijne soldaten tot keizer werd uitgeroepen. In de laatste 18 jaren, na de vermoording van Alex. Severus door C. Julius Verus Maximīnus, had het rijk niet minder dan 11 keizers en tegenkeizers gekend: Maximīnus, Gordiānus I en II, Pupiēnus Maximus, Caelius Balbīnus, Gordiānus III, Philippus Arabs, Decius, Treboniānus Gallus, Hostiliānus, Aemiliānus. Het was ook Valeriānus niet gegeven, orde te brengen in den toestand van verwarring. In 259 werd hij bij een onderhoud met den perzischen veldheer verraderlijk gevangen genomen en tot zijn dood toe (268) gehouden. Het verhaal luidt, dat hij den perzischen koning tot voetbank moest dienen, wanneer deze te paard steeg.—2)Valeriānus, jongere zoon van no. 1, werd met zijn halfbroeder Galliēnus in 268 voor Milaan vermoord.—3)P. Licinius Cornelius Valeriānus, zoon van Galliēnus, werd door het krijgsvolk te Colonia Agrippīna aan den tegenkeizer Postumus in handen geleverd en op last van dezen omgebracht (259).

Valerii, een patricisch geslacht van sabijnschen oorsprong; onder Romulus en Titus Tatius zou een zekere Volusus Valerius naar Rome gekomen zijn. 1)P. Valerius Poplicola, waarschijnlijk eene geheel legendaire figuur, waarvan zeer jonge berichten het volgende vertellen: hij was een der mannen, die het koningshuis hielpen verdrijven. Reeds in het eerste jaar (509) der republiek nam hij als consul de plaats in van L. Tarquinius Collatīnus en bekleedde dezelfde waardigheid nogmaals in 508, 507 en 504. Zijn bijnaam had hij te danken aan zijn eerbied voor de rechten en de souvereiniteit des volks, die hij o. a. betoonde door de instelling derprovocatio ad populumen het weglaten der bijlen uit de fasces binnen het pomerium. Hij streed roemrijk tegen de Etruscers, Vejenten en Sabijnen en stierf in 503. ZieValeriae(leges)de provocatione.—2)M. Valerius Volusus, broeder van no. 1, nam ook deel aan de oorlogen tegen Porsēna, de Sabijnen en de Latijnen, was in 505 consul en in 494 dictator, in welke hoedanigheid hij alles aanwendde om eene schikking tusschen de patriciërs en de uitgeweken plebs tot stand te brengen. Dit geheele verhaal is verzonnen, ziesecessio plebis, tribuni plebis, Meneniino. 1.—3)P.enM. Valerius, zoons van no. 1, onderscheidden zich in den slag bij het meer Regillus in 496.—4)L. Valerius Volusus Potitus, verzette zich tegen de lex Cassia agraria in 486, zieAgrariae legesenCassiino. 1. Hij was consul in 483 en 470.—5)P. Valerius Poplicola, consul in 475, zegepraalde over de Vejenten en Sabijnen. In 460 sneuvelde hij in zijn tweede consulaat bij de herovering van het Capitool, dat door den Sabijn Herdonius des nachts door overrompeling ingenomen was.—6)L. Valerius Poplicola Potitus, zoon van no. 5, legde in 449 met zijn ambtgenoot M. Horatius Barbātus de geschillen bij, die door de willekeur der tienmannen ontstaan waren en zegepraalde over de Aequers.—7)C. Valerius Potitus Volusus, consulairtribuun in 415, 407 en 404, en consul in 410.—8)L. Valerius Potitus, zoon van no. 6, consulairtribuun in 414, 406, 403, 401 en 398, streed bij herhaling overwinnend tegen Vejenten, Volscen en Faliscers.—9)L. Valerius Potitus, nog jong, in 392 tot consul gekozen, overwon de Aequers bij den berg Algidus.—10)L. Valerius Poplicola, consulairtribuun in 394, 389, 387, 383 en 380.—11)P. Valerius Potitus Poplicola, consulairtribuun in 386, 384,380, 377, 370 en 367.—12)M. Valerius Poplicola, consul in 355 en 353, streed tegen de Tiburtijnen en Volscen.—13)M. Valerius Corvusverkreeg zijn bijnaam door een tweegevecht in 349 met een reusachtigen Galliër, dien hij overwon doordat zich op diens helm een raaf nederzette en hem in het gezicht met vleugels en snavel sloeg en pikte. In 348 was hij consul, schoon eerst 23 jaar oud, en later nog in 346, 343, 335, 300, en als suffectus voor de zesde maal in 299, terwijl hij tweemaal dictator was, in 342 en 301. Hij behaalde verscheidene overwinningen op naburige volken, o. a. op de Samnieten in 343 bij den berg Gaurus. Deze overwinning is echter verzonnen, evenals de geheele eerste samnietische oorlog. Zoo groot was het ontzag voor zijn naam, dat zijne benoeming tot consul in 300 de Etruscers van een oorlog afschrikte. Toch was hij meer een voorstander van zachte dan van strenge maatregelen. Hij stierf algemeen geacht en bemind in den ouderdom van 100 jaar.—14)M. Valerius Maximus, consul in 312, streed in dit jaar, en ook later als legaat, met roem tegen de Samnieten.—15)P. Valerius Laevīnus, consul in 280, verloor den slag bij Heraclēa tegen Pyrrhus.—16)M. (M’.)Valerius Maximus MessallaofMessāla, consul in 263, behaalde met zijn ambtgenoot M. Otacilius Crassus op Sicilia eene zegepraal op de Carthagers en hun bondgenoot Hiero van Syracuse. Hij bracht van Catana den eersten zonnewijzer naar Rome. Omtrent zijn censuur zieSemproniino. 17.—17)P. Valerius Falto, consul in 238, werd in Gallia Cisalpīna eerst door de Bojers en Liguriërs verslagen, doch eindigde met hen te overwinnen.—18)M. Valerius Laevīnus, streed in 215 als praetor tegen de Carthagers, en werd in 214 tegen Macedonië uitgezonden, in 210 was hij consul en veroverde hij Agrigentum op de Carthagers, terwijl hij in 208 en 207 met eene vloot op ’s vijands kusten stroopte. In 205 bracht hij het beeld van de Magna Mater van Pessinus naar Rome.—19)L. Valerius Flaccus, in 195 consul met M. Porcius Cato (maior), overwon de Bojers en Insubriërs in Cisalpīna en woonde in 191 onderM’.Acilius Glabrio den slag bij aan de Thermopylae tegen Antiochus III van Syria. In 184 was hij censor met zijn vriend Cato.—20)C. Valerius Flaccus, broeder van no. 19, een losbol, werd tegen zijn zin totflamen Dialisgekozen en gewijd, en wijzigde toen zijne manier van leven geheel en al, zoodat hij een ingetogen mensch werd. Het was in onbruik geraakt, dat de flamen Dialis in den senaat zitting nam; gesteund door de volkstribunen, doch met hevige tegenkanting van de senaatsleden, nam Flaccus weder zitting. In 199 werd hij aedilis curulis; daar de priester van Jupiter geen eed mocht zweren, legde zijn broeder dezen namens hem af.—21)C. Valerius Laevīnuswas in 189 de voorspraak der Aetoliërs, toen het de vaststelling der vredesvoorwaarden gold; in 176 bestreed hij als consul de Liguriërs.—22)L. Valerius Flaccuswas in 100 consul met C. Marius, met wien hij echter volstrekt niet samenwerkte. Hij was in den Sullaanschen tijdprinceps senatus, en werd in 82 na den dood der consuls totinterrexbenoemd, zieValeria lex de Sulla dictatore.—23)C. Valerius Flaccus, consul in 93, bestuurde Gallia en overwon de Galliërs; hij was later een aanhanger van Sulla, en bracht in 81 den Celtiberiërs eene zware nederlaag toe.—24)L. Valerius Flaccuswerd in 99 aangeklaagd door C. Appuleius Deciānus, was consul suffectus in 86 in plaats van C. Marius (z.lex Valeria de aere alieno) en liet zich ook het bevel in den mithradatischen oorlog opdragen tegenover Sulla. Hij werd echter in 85 te Nicomedēa door zijn legaat C. Flavius Fimbria vermoord.—25)L. Valerius Flaccus, zoon van no. 24, vergezelde zijn vader naar Azië, en diende later in Cilicië en op Creta. In 63 maakte hij als praetor zich verdienstelijk jegens den staat tegenover de Catilinarii. Hierop kreeg hij Azië als provincie. In 59 wegens afpersingen aangeklaagd, werd hij schitterend door Cicero verdedigd en vrijgesproken.—25a)L. Valerius Praeconinus,legatusvan L. Mallius (Manlii no. 15), sneuvelde in 78 in een strijd tegen de opgestane Aquitaniërs.—26)M. Valerius Messāla Niger, consul in 61, een uitstekend redenaar.—27)M. Valerius Messāla, neef van no. 26, werd, ofschoon met veel bedekte en openlijke tegenwerking, tot consul voor het jaar 53 gekozen. In 51 werd hij door toedoen van Pompeius van omkooping beschuldigd, doch door den redenaar Q. Hortensius Hortalus vrijgepleit. In den burgeroorlog koos hij Caesars partij.—28)M. Valerius Messāla Corvīnus, uitstekend redenaar en goed letterkundige, streed bij Phillippi aan de zijde van Cassius en Brutus, doch ging later over tot Octaviānus. In 34 onderwierp hij de Salassers in de Alpen, in 31 was hij consul, in 27 overwon hij de Aquitaniërs, waarna hijpraefectus urbite Rome werd. Hij was zeer bevriend met den dichter Tibullus, die hem in 31 zou vergezellen in den oorlog van Octavianus tegen Antonius, doch ziek te Corcȳra moest achterblijven. Ook had hij met Horatius omgang. Hij zelf schreef ook, o. a. in het grieksch over de burgeroorlogen, en latijnsche redevoeringen; ook schijnt hij verzen te hebben gemaakt.—29)M. Valerius Messāla Messallīnus, zoon van no. 28, aan wien Ovidius van Tomi uit eenige gedichten heeft gericht, consul in 3, werd naar Germania gezonden, en later naar Dalmatia om den opstand van Bato te onderdrukken. Omtrent zijn broeder, door adoptie tot de Aurelii overgegaan enM. Aurelius Cotta Maximus Messālinusgenoemd, zieAureliino. 8.—30)C. Valerius Triariuswas admiraal van Pompeius in den oorlog tegen Caesar en sneuvelde in 48 bij Pharsālus. Cicero voert hem in zijn werkde Finibus bonorum et malorumsprekende in.—31)Valerius Asiaticusuit Gallia was een hoofdpersoon bij den moord van Caligula, die hem zwaar had beleedigd. Door zijnrijkdom werd hij onder keizer Claudius het slachtoffer der beruchte Messalīna (Valeriino. 33). Hij liet zich de aderen openen (47 n. C.).—32)Valerius Asiaticus, zoon van no. 31, ondersteunde tijdens Nero den gallischen opstand van Vindex. Later sloot hij zich aan bij Vitellius, wiens schoonzoon hij werd.—33)Valeria Messalīna, echtgenoote van keizer Claudius, eene der meest zedelooze en gewetenlooze vrouwen, die de geschiedenis kent, wilde ook de aanzienlijkste rom. vrouwen dwingen haar ontuchtig voorbeeld te volgen. Zij spaarde niemand, die haar hebzucht of haar haat had opgewekt, ook hare verwanten niet. De zwakke Claudius liet zich geheel door haar leiden, totdat eindelijk haar ontrouw hem de oogen opende en hij haar ter dood liet brengen (48).—34)L. Valerius Catullus Messalīnus, een berucht verklikker onder Domitiānus, die zelfs toen hij blind was dit bedrijf nog voortzette.

Onder de schrijvers, die den naam Valerius dragen, komen de volgende in aanmerking.—35)Q. Valerius Sorānus, uit Sora in Latium, redenaar en, naar het schijnt, een dichter van naam, door Cicero echter om zijne uitspraak van het Latijn berispt. Hij werd door Pompeius in 82, toen hij volkstribuun was, terechtgesteld.—36)Valerius Antias, uit Antium in Latium, leefde ten tijde van Sulla en schreef zeer onbetrouwbareannālesvan Rome’s stichting af tot op diens tijd. Livius heeft er veel uit geput.—37)Valerius Cato, uit Gallia Cisalpina, had in den sullaanschen burgeroorlog zijn vermogen verloren en moest, om in zijn onderhoud te voorzien, les geven in taal- en dichtkunde. Hij is met C. Licinius Macer Calvus (Liciniino. 6) de aanvoerder van de nieuwe richting in de poëzie, deneoterici, waartoe ook Catullus behoorde. Of de gedichtenDiraeenLydia, die op zijn naam staan, van hem zijn, is niet uit te maken.—38)Q. Valerius Catullus, rom. dichter, werd ongeveer in 84 te Verōna geboren uit eene vermogende familie. Van zijn leven is weinig bekend. Hij leefde op vriendschappelijken voet met Cicero, Hortensius, Cornelius Nepos e. a. In 57 vergezelde hij den praetor C. Memmius Gemellus naar Bithynia en bezocht op deze reis in Troas het graf van zijn diep door hem betreurden broeder. Hij bezat eene villa bij Tibur en eene te Sirmio bij Verona aan den lacus Benācus (Garda-meer). Onder den naamLesbiabezingt hij Clodia, de zuster van den tribuun P. Clodius Pulcher en echtgenoote van Q. Metellus Celer (zieClaudiino. 18), die hijhartstochtelijkbeminde totdat haar wangedrag hem afstiet. Hij stierf waarschijnlijk in 54. Wij hebben van hem nog 116 grootere en kleinere lyrische gedichten en epigrammen. Het meest munt hij uit in erotische poëzie. Zijn verzen, soms wat ouderwetsch getint, zijn rijk aan gevoel en liefelijke gedachten, eenvoudig doch keurig van taal. Hij was de eerste rom. lierdichter, die grieksche versmaten bezigde.—39)Valerius Maximus, niet tot de patricische gens Valeria behoorende, verkeerde in behoeftige omstandigheden, totdat Sex. Pompeius (consul 14 n. C.) zich zijn lot aantrok. Tusschen 26 en 32 na C. schreef hij zijn eenig werkFactorum et dictorum memorabilium libri IX, een werk zonder letterkundige waarde wat den stijl betreft, waarin daden en gezegden onder verschillende rubrieken gesorteerd zijn. ZieCornelius Nepos(Corneliino. 58). Toch is het werkje in verschillende tijden veel gelezen en hebben anderen er uit geput en er weder uittreksels van gemaakt.—40)M. Valerius Probus, zieProbusno. 2.—41)C. Valerius Flaccus(Setinus Balbus), episch dichter uit den tijd van Vespasianus. Hij heeft 8 boekenArgonauticagedicht, bewerkt naar het gedicht van Apollonius Rhodius (z. a. no. 1). Hij is gestorven, kort voor 92 na C.—42)M. Valerius Mutinesz.Mut(t)ines.

Valgii1)A. Valgiusstreed in Hispania onder Caesar, doch liep tot de pompejaansche partij over.—2)C. Valgius Rufus, een vertrouwd vriend van Horatius, een geleerd en veelzijdig ontwikkeld man, ook schrijver en elegieëndichter. Uit zijne werkende tralatione(van rhetorischen aard), derebus per epistulam quaesitis(taalkundige onderzoekingen) hebben Plinius, Gellius e. a. veel geput en aangehaald. Ook schreef hij een onvoltooid leerdichtde herbarum viribus, dat door Plinius met lof vermeld wordt. Horatius ontried hem het dichten van elegieën en, ofschoon Tibullus vleiend van hem zegt:aeterno propior non alter Homeroschijnen de ouden hem toch slechts eene zeer bescheiden plaats onder de dichters te hebben aangewezen.

Vallis Poenīna, de Zuidkant van het meer van Genève en het Boven-Rhône-dal (tgw. Wallis, Valais). De streek vormde een onderdeel van de kleine provincieAlpes Graiae et Poeninae, die later tot Raetia behoorde. Hier woonden vier, waarschijnlijk ligurische of raetische stammen: Nantuātes, Veragri, Sedūni en Viberi of Uberi.

Vallum Antonini, grenswal in Schotland tegen de invallen der noordelijke volkeren aangelegd door keizer Antoninus Pius in 142 n. C., tusschen de Firth of Clyde en de Firth of Forth, zieBodotriaenBritannia.

Vallum Hadriani, grenswal in Noord-Engeland tegen de invallen derCaledoniërsaangelegddoor keizer Hadrianus in 122 n. C., tusschen den Solway Firth en den mond van de Tyne. Z.Britannia.

VandaliofVandili,Οὐάνδαλοι, een germaansch volk, dat een tijd lang aan het tegenw. Reuzengebergte woonde, dat dan ook welVandalici monteswordt genoemd. Vervolgens trokken zij naar Dacia en ten tijde der groote volksverhuizing naar Hispania, waar zij nog hun naam in (W)andalusië hebben achtergelaten. In 429 n. C. staken zij (zieValentiniānus III) naar Africa over onder hun koning Geiserik en stichtten er een vandaalsch rijk met Carthago tot hoofdstad. Geiserik schiep eene vandaalsche zeemacht, die de schrik werd der Middellandsche zee, veroverde Sardinia, Corsica en Siciliaen deed in 455 eene landing in Italië, zieMaximus(Petronius). Bij deze gelegenheid werd Rome vreeselijk geplunderd; wat waarde had, werd meegesleept, doch de schepen met Rome’s kunstschatten beladen, vergingen door storm voor zij Carthago hadden bereikt. Na Geiseriks dood in 477 verzwakte de macht der Vandalen voortdurend, totdat hun rijk onder den laatsten koning, Gelimer, in 534 door Iustinianus’ veldheer Belisarius vernietigd werd.

Vangiones, germaansch volk op den linker Rijnoever in Belgica. Hoofdstad: Borbetomagus, thans Worms.

Vannius.Na de verdrijving van Maroboduus (zieMarcomanni), werden aan een gedeelte van zijn volk in de streek tusschen Marus (March) en Cusus (Waag) woonplaatsen aangewezen, onder een koning uit het volk der Quaden, genaamd Vannius (18 n. C.). Deze breidde zijn rijk voortdurend uit, tot hij in 50 door Vibilius, den koning der Hermunduren en door Vangio en Sido, de zonen zijner zuster, verdreven werd, en een toevlucht vond in het Romeinsche rijk. Het Rijk van Vannius bleef echter bestaan, en kwam nu aan de bovengenoemde neven, die aan het Rom. rijk trouw bleven. De onderdanen worden gewoonlijk Suēvi genoemd, hetgeen de algemeene stamnaam is.

Varagri=Veragri.

Vardaei, z.Bardiaei.

Varguntēii.1)L. Vargunteius, rom. senator, handlanger van Catilīna, belastte zich met de taak, Cicero te vermoorden.—2)Vargunteius, legaat van Crassus, sneuvelde in den parthischen oorlog.

Varia, schilderachtig gelegen vlek aan devia Valeriaten N.O. van Tibur, op een heuvel aan den Anio. Tot de buurtschap behoorde het landgoed van Horatius.

Varia(lex)de maiestatevan den volkstribuun Q. Varius Hybrida, dat een gerechtelijk onderzoek moest worden ingesteld, wie de italische bondgenooten tot het opvatten der wapenen hadden opgeruid (91). Dit was olie in het vuur, en hierop ontbrandde dan ook de marsische oorlog.

Varii.1)Q. Varius Sucronensis, uit Sucro in Hispania, meer bekend onder den bijnaamHybrida, dien het volk hem gaf, omdat zijn burgerrecht door sommigen werd betwijfeld, stelde als volkstribuun in 91 de heilloozelex Varia de maiestatevoor, waardoor de italische bondgenooten, die zich reeds gewapend hadden om Rome het burgerrecht af te dwingen en die op enkele plaatsen reeds tot oproer waren gekomen, zóó verwoed werden, dat zij Rome den ondergang zwoeren. Hij was een goed redenaar. Hij was, naar men zeide, medeplichtig aan den moord van zijn ambtgenoot M. Livius Drusus en werd ook beschuldigd van vergiftiging van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caeciliino. 13). Later werd hij krachtens zijn eigen wet veroordeeld, ging in ballingschap en werd op wreedaardige wijze vermoord; hoe, is niet bekend.—2)Varius Cotyla(= wijnvat) was een deelgenoot der drinkgelagen van Antonius, die hem echter eens aan een maaltijd door zijne slaven liet geeselen. Later komt hij als bevelhebber eener legerafdeeling in den mutinensischen oorlog voor.—3)L. Varius Rufus, rom. dichter uit den kring van Maecēnas, een vriend van Catullus en Vergilius en ook van Augustus. Aan hem en Plotius Tucca droeg Vergilius op zijn sterfbed de uitgaaf zijnerAenēisop. Varius was ook werkzaam voor de toelating van Horatius in den kring van Maecenas. Als treurspeldichter stond hij hoog aangeschreven; zijnThyesteswerd opgevoerd bij de spelen ter viering van de overwinning bij Actium en door Octaviānus met een geschenk van een millioen sestertiën beloond. Hij was vooral beoefenaar der epische poëzie,Maeonii carminis ales, zooals Horatius hem noemt. O. a. schreef hij een gedichtde morteen eenPanegyricus Augusti. Nagenoeg alles van hem is verloren gegaan.—4)Varius Avitus Bassianus=Heliogabalus.

Varīni, volk in Germania aan de kust der Oostzee, in het tegenw. Mecklenburg, behoorende tot die volkeren, die de godin Nerthus vereerden.

Varinii, een onberoemd geslacht.

Varisti, zieNaristi.

Varro, familienaam in degens Terentiaen degens Visellia.

Varus(=krombeen), familienaam in verschillende gentes. ZieAlfen(i)us, Attii(no. 4),Quinctilii.

Varus, thans Var of Varo, tusschen Nicaea (Nizza, Nice) ten O. en Antipolis (Antibes) ten W., grensrivier tusschen Gallia Narbonensis en Italia (Liguria).

Vas, hij die borg blijft, dat een gedaagde ter terechtzitting zal verschijnen; zievadimonium. Een borg voor het nakomen eener aangegane verbintenis wordtpraesgenoemd.

Vasarium, eigenlijk gereedschapsgeld, de som, die aan den stadhouder eener provincie werd uitgekeerd voor zijne uitrusting.

Vascones, volksstam tusschen den Ibērus (Ebro) en de Pyrenaeën, in de tegenw. baskische gewesten (Biscaye, Guipuscoa, Navarre). Hoofdstad: Pompelo (Pampeluna). Als eene bijzonderheid vindt men opgeteekend, dat zij blootshoofds ten strijde togen. Ook in Aquitania woonden stamgenooten, ofschoon onder andere namen. Hun naam leeft nog voort in de namen Basken en Gascogne. Het W. deel der Pyrenaeën heette naar henVasconum saltus.

Vaticānus(mons), een berg aan de rechterzijde van den Tiber, doch nooit in den kring van het oude Rome opgenomen. De wijn, die er groeide, was bekend als slecht.

Vatiniae(leges) van den volkstribuun P. Vatinius in 59. 1)de imperio C. Caesaris, waarbij aan Caesar bij plebisciet Illyricum en Gallia Cisalpīna als provinciën toegewezen werden. Deze wet werd doorgedreven niettegenstaande heftig verzet van den consul M. Calpurnius Bibulus, wiens ambtgenoot Caesar zelf was. De senaat voegde er nog Transalpīnabij, uit vrees, dat ook deze provincie (die destijds nog alleen uit Narbonensis bestond) anders ook nog door het volk aan Caesar ten deel zou vallen.—2)de alternis consiliis reiciendis, waarbij vermoedelijk aan den aanklager en den beklaagde nog eene tweede wraking van rechters werd toegestaan, wanneer de eerstgewraakte reeds door andere vervangen waren (zieiudex).—3)omtrent de uitzending eener kolonie door Caesar naar Comum, als voorpost tegen de Alpenbewoners.—4)rogatio de L. Vettii iudicio; deze ging niet door, zieVettiino. 3.

Vatinii. 1)P. Vatiniusuit Reāte beweerde in 168 van de Dioscuren de gevangenneming van koning Perseus vernomen te hebben.—2)P. Vatinius, afstammeling van no. 1, een der fortuinzoekers uit Caesars tijd, had in 63 de quaestuur op niet zeer eervolle wijze bekleed en was in 59 volkstribuun. Als zoodanig diende hij Caesar (zieVatiniae leges), met wien hij in 58 naar Gallia ging. Later te Rome wegens knevelarij aangeklaagd, die hij als quaestor had bedreven, wist hij met behulp van Clodius de rechters door geweld schrik in te boezemen. In 56 trad hij in de zaak van P. Sestius tegen dezen en diens verdediger Cicero op, doch werd onmiddellijk daarna door Cicero in eene opzettelijke redevoering ontmaskerd. In 55 werd hij praetor; in 54, wel niet ten onrechte, van omkooping hiertoe beschuldigd, werd hij ter wille van Caesar door Cicero verdedigd. Ook in het vervolg bleef Vatinius Caesar trouw. In den burgeroorlog versloeg hij in het begin van 47 de Pompeiani bij het eiland Tauris, en verjoeg ze uit de Adriatische zee. In 45 ging hij als proconsul naar Illyria, maar na Caesar’s dood gaf hij de provincie over aan Brutus.

VectaofVectis, eiland op de Zuidkust van Britannia, thans Wight.

Vectīgal.Ondervectigaliaverstaat men de indirecte belastingen en wat men betaalt voor het gebruik van staatseigendommen. Hiertoe behoorden o. a. 1)portorium, haven-, brug- en weggelden en in- en uitvoerrechten.—2)scriptura, het weidegeld dat bij het inscharen van vee op de weidegronden van het staatsdomein (pascua publica) werd betaald.—3)verpachtingen van het vischrecht en van houtkap in de bosschen van den staat, van concessies voor ontginning en exploitatie van mijnwerken, krijt-, zout- en steengroeven.—4)vicesima manumissionum, 5% van de getaxeerde waarde, bij vrijlating van slaven te betalen. Deze belasting was ingevoerd door de lex Manlia van 357.—5)sinds den keizerstijd,vicesima hereditatum, een successierecht van 5% bij erfenis, wel te verstaan van erfenissenex iure Quiritium; daarom gaf Caracalla in 212 na C. aan alle vrije inwoners het burgerrecht, om over het geheele rijk dit recht te kunnen heffen.—6)de pacht voor het gebruik vanager publicusen in de provinciën dedecumaevan tiendplichtige landerijen.—7)centesima rerum venalium, een verkooprecht op alles wat binnen Italië werd verkocht, eene instelling van Augustus.—8)accijns op eetwaren, door Caligula ingesteld.—9)quinguagesima mancipiorum venalium, een overgangsrecht bij verkoop van slaven, van 2%, door Augustus ingevoerd, door Claudius verdubbeld.—10)een entreegeld voor de publieke privaten, onder den naamvectigal foricarum et urinae, ingevoerd door Vespasiānus.—11)eene belasting op de nijverheid, patentbelasting, van Alexander Sevērus.—12)vectigal ex aquaeductibusvoor het uit de waterleidingen naar de huizen afgevoerde water;cloacariumvoor het recht van waterloozing in de openbare riolen, enz.—Voorzoover zij er toe geschikt waren, werden de vectigalia door de censoren verpachtsummis pretiis. Ominis causawerd een begin gemaakt met de oesterbanken in denlacus Lucrīnus. Neemt men vectigalia in den meer algemeenen zin van staatsinkomsten, dan kan hiertoe ook de rechtstreeksche belasting,stipendium(z. a.), uit de provinciën worden gebracht. In de provinciën Sicilia en Africa was het stipendium geheel vervangen door tienden. Italia was van grondbelasting geheel vrij (zie ookius italicum). Over hettributumder rom. burgers, dat niet tot de eigenlijke belastingen kan gerekend worden, zietributum.

Vectones=Vettones.

Vedius Pollio, vrijgelatene, rom. ridder, een nietswaardig mensch, ontzaggelijk rijk, verkwistend en meedoogenloos. Bij zekere gelegenheid, dat Augustus bij hem te gast was, werd diens bescherming ingeroepen door een slaaf van Vedius, die wegens het breken van een voorwerp vanmurrha(z. a.) door zijn meester veroordeeld was om in den vischvijver geworpen te worden en tot spijs voor de alen te dienen. Augustus gelastte toen aan zijne lictoren, alle murrha in het huis stuk te slaan. Vedius Pollio stierf in 15, na Augustus tot erfgenaam van het grootste gedeelte zijner bezittingen benoemd te hebben, o. a. van zijne prachtige villa Pausilȳpum (Zonderzorg, Sans-Souci) tusschen Neapolis en Puteoli.

Vegetius Renātus(Flavius) schreef aan het einde van de 4deeeuw na C. eenepitome rei militaris, eigenlijk eene compilatie, zooals de schrijver zelf erkent, van verspreide berichten en mededeelingen, die hij bij verschillende oudere schrijvers heeft aangetroffen, aangevuld met hetgeen hij aan de keizerlijke verordeningen heeft ontleend. Ofschoon dikwijls oud en nieuw zijn dooreengeward, heeft het werk, bij gebrek aan andere en betere krijgskundige geschriften, voor ons eene niet geringe waarde. Waarschijnlijk moet een werk over veeartsenijkunde van een zekeren P. Vegetius Renatus, uit denzelfden tijd, ook aan hem worden toegeschreven.

Veiento(A. Fabricius), werd onder Nero in 62 n. C. verbannen, omdat hij in schotschriften senatoren en priesters beschimpt had. Onder Domitiānus was hij alsdelatorberucht. Hij wasconsularis.

Vēii,Οὐήιοι, oude en machtige etruscische stad op eene hoogte aan de rivier de Cremera,met flinke muren, waarvan nog sporen aanwezig zijn. Het uitgebreide gebied werdager VeiensofVeientānusgenoemd. Daar Veii en Rome slechts ruim drie uren van elkander lagen, moest Rome’s opkomst spoedig eene botsing uitlokken. Reeds onder de regeering van Romulus wordt een oorlog met Veii vermeld. Ten laatste werd het in 396, volgens de overlevering, na een tienjarig beleg, door M. Furius Camillus ingenomen, geplunderd en verwoest. Het gebied der stad werdager publicus, maar reeds in 387 werden hier 4 nieuwetribusingericht, n.m. de tribus Stellatīna, Tromentīna, Sabatīna en Arniensis. Veii had een beroemden Juno-tempel.

Veiovis, Vediovis, Vedīus, een rom. god, wiens naam door de ouden verklaard wordt als jonge Jupiter of verdervende Jupiter. Hij had sedert 192 een heiligdom tusschen het Capitolium en den burcht, op de plaats van het oude asyl van Romulus, en, sedert 194, een op deinsula Tiberina. In eerstgenoemden tempel stond zijn beeld van cypressenhout, jeugdig van gestalte, met een bundel pijlen in de hand en een geit naast zich. Den 7denMaart werd hem een geit geofferd. Wegens de pijlen, die tot zijne attributen behooren, werd hij soms met Apollo geïdentificeerd; in werkelijkheid behoorde hij tot den kring der onderaardsche godheden.

Velābrum, straat of buurt in Rome van den mons Palatīnus in de richting naar den Tiber, door denvicus Tuscusmet het forum Romānum verbonden. Op het Velabrum waren winkels van fijne gerechten of lekkernijen, waar men ook koks kon huren.

VelauniofVellāni=Vellāvi.

Veleda, profetes uit den stam der Bructeren ten tijde van Vespasiānus. Bij hare landslieden en de omringende stammen werd zij vereerd als een hooger wezen. In den opstand van Civīlis oefende zij een grooten invloed uit. Later werd zij door de Rom. gevangen genomen en naar Rome gevoerd.

Velia,Οὐέλια, ookHeliaenElea, bij HerodotusὙέληgenoemd, op de kust van Lucania. ZieElea.

Velia, buurt van Rome, eigenlijk een rug, die den mons Palatīnus met den mons Esquilīnus verbond. Van de Velia daalde de Sacra via af naar het forum Romānum. De Velia maakte een deel uit vanRoma quadrata(ziePalatinus(mons)).

Velīnus(lacus), meertje in het Sabijnsche land, tgw. Lago di Piedilugo, gevormd door den Avens (z. a.).

Velīnus(portus), de haven van Velia of Elea.

Velites, lichtgewapenden in het rom. leger, ziecenturia. Zij werden uit de arme burgers gelicht, hadden harnas noch helm, maar slechts een mantel en een vilten muts, en waren gewapend met een klein rond ruiterschild (parma), een zwaard en een aantal (soms zeven) lichte werpschichten (hastae velitares, verūta) met dunne, scherpe stalen punt. Zij deden dienst als tirailleurs en namen ook de plaats en de wapenen der gesneuvelden over. In het legerkamp waren zij des nachts onder den blooten hemel langs den binnenkant van den wal en vóór de poorten gelegerd. Sedert Marius ook decapite censiin de gelederen der geregelde troepen opnam, hing het van lichamelijke geschiktheid af, of men bij deze of bij develiteswerd ingedeeld, hoewel uit den aard der zaak deze toch uit de geringeren werden genomen.

Velītrae, thans Velletri, latijnsche stad ten Z. van het albaansch gebergte, langen tijd in handen der Volsci, sedert 393 of 338municipium sine suffragio. Het is de stamplaats der Octavii.

Vellaunodūnum, stad der Senones in het midden van Gallia, tusschen Genabum (Orléans) en Agedincum (Sens).

Vellāvi, volksstam in de bergstreek der Cevennes.

Velleda=Veleda.

Vellēii.1)C. Velleius, rom. senator, door Cicero in zijn werkde natura deorumals vertegenwoordiger der epicureïsche wijsbegeerte ingevoerd.—2)C. Velleius Paterculus, een vriend van Pompeius, benam zich het leven, in 41, toen Octaviānus tegen zijne woonplaats Neapolis (Napels) optrok.—3)C. Velleius Paterculus, rom. geschiedschrijver, kleinzoon van no. 2, uit een rij van aanzienlijke voorouders gesproten, diende onder C. Caesar en onder Tiberius in verschillende veldtochten, werd in 6 na C. quaestor en in 15 praetor. Hij schreef eene beknopte rom. geschiedenis in 2 boeken (ad M. Vinicium consulem) in 30 na C., van Rome’s stichting tot op dat jaar. Dat dit werk niet anders dan hoogst oppervlakkig zijn kan, spreekt van zelf. De tekst berust op slechts één enkel handschrift, dat na de verschijning der eerste uitgaaf weder is zoek geraakt. Van het tweede boek is ook slechts een gedeelte over.

Vell(i)ocasses, gallisch volk aan den mond der Sequana (Seine). Havenstad: Rotomagus (Rouaan).

Venāfrum, stad in Samnium ten O. van Casīnum (in Zuid-Latium) gelegen, wordt sedert Augustus tot Campania gerekend. De stad lag op eene hoogte, 5 kilometer van den Vulturnus, te midden van olijfbosschen. De olijfolie van Venafrum was om hare fijnheid beroemd.

Venatio.Onder de geliefkoosde schouwspelen der Rom. behoorden de dierengevechten in het amphitheater. Met ontzaggelijke kosten werden hiertoe uit verschillende gewesten wilde dieren aangevoerd, als: leeuwen, tijgers, olifanten, rhinocerossen, enz., die men tegen elkander liet vechten. Zoo bracht Pompeius bij één feest o.a. 600 leeuwen in de arēna. Ook liet men menschen tegen dieren vechten, zulke menschen werdenbestiariigenoemd en waren soms voor loon gehuurd,auctorati, soms veroordeelden,ad bestias damnati. Gehuurde vechters waren natuurlijk gewapend, veroordeelden nu en dan. Gedurende de christenvervolgingen werden gewoonlijk de veroordeelden bij hoopen weerloos in het strijdperk gedreven, soms wel aan palen vastgebonden,en werden vervolgens de wilde dieren op hen losgelaten, om hen voor de oogen der duizenden van toeschouwers te verscheuren.

Venedae, -di,Οὐενέδαι, aanzienlijk sarmatisch volk ten O. der Vistula (Weichsel) aan den sinus Venedicus,Οὐενεδικὸς κόλπος(golf van Riga). Nog in de middeleeuwen komt dit volk in Polen en Oostpruisen en ook westelijker voor onder den naam van Wenden.

Venelli, volksstam in Gallia aan het Kanaal op het tegenw. schiereiland Cotentin.

Veneti,Οὐένετοι, 1) gallisch volk op de kust van het tegenw. Bretagne, met de stad Dariorigum of Venetae (Vannes), en op de kust deinsulae Veneticae(Ré, Oléron enz.). Zij waren een zeevarend en handeldrijvend volk en onderhielden een levendig verkeer met Britannia.—2)een volk in het N.O. van Italië, ookἘνετοίgenoemd, waarvan de afkomst den ouden onbekend was. Men meende in hen het verdwenen paphlagonisch volk derHeneti(z. a.) terug te vinden. Waarschijnlijk waren zij van illyrischen stam. Hun land, o. a. met de steden Patavium (Padua), Altīnum en Aquileia, was buitengewoon welvarend door nijverheid en handel. Zij waren niet krijgszuchtig en onderwierpen zich reeds vroeg (215) aan de Rom., om bij hen steun te vinden tegen hunne gallische naburen. Hun gebied,Venetia, komt in het algemeen, wat de ligging betreft, overeen met dat der latere republiek Venetië. De invallen van Gothen en Hunnen waren voor hen een groote ramp, zie hieromtrentAltinum.

Venetus lacus=Brigantīnus lacus.

Venilia, moeder van Turnus, zuster van Amāta, gemalin van Neptūnus of Faunus.

Vennones, een woest Alpenvolk in Raetia aan de bronnen van den Athesis.

Vennonius, geschiedschrijver ten tijde der Gracchen.

Venta, naam van enkele steden in Britannia. 1)V. Belgarum, in het Z., thans Winchester, nabij Clausentum (Southampton).—2)V. Icenorum, in het O., nabij het tegenw. Norwich.—3)V. Silurum, in Wales, ongeveer tegenover het tegenw. Bristol.

Ventidius Bassus(P.), een man van geringe afkomst, doch van groote bekwaamheid. In den marsischen oorlog waren zijne ouders onder de gevangenen uit Picēnum, die in 89 den triumftocht van den consul Cn. Pompeius Strabo moesten opluisteren. Zijn vader werd vervolgens ter dood gebracht. Toen Bassus een man was geworden, voorzag hij eerst in zijn onderhoud door aan overheden, die naar de provinciën gingen, paarden, muildieren en wagens te leveren. Caesar, die hem had leeren kennen, hief hem uit zijn stand op en bracht hem in den senaat. Hij diende onder Caesar in Gallia en in den burgeroorlog, koos na Caesars dood de zijde van Antonius, drong bij Cicero aan dat deze zich tijdig uit de voeten zou maken, en wierf in Picēnum een leger om Antonius te steunen. Na het sluiten van het driemanschap in 43 werd hij consul (alssuffectusvoor Q. Pedius). In 39 ging hij als legaat van Antonius naar Syria en bracht in dit en het volgende jaar den Parthen drie gevoelige nederlagen toe, waarbij de parthische prins Pacorus, zoon van Orōdes I, sneuvelde. Hij genoot daarvoor de eer van een zegetocht. Z. ookLabienino. 2.

Venus, italiaansche lentegodin, vooral beschermster der tuinen en van de groenteteelt, onder griekschen invloed geheel vereenzelvigd met Aphrodīte en dus geworden tot eene godin van schoonheid en liefde. Haar dienst was afkomstig uit Ardea. Oorspronkelijk had zij te Rome twee tempels, één in denlucusvanLibitīna(z. a.), één bij het Circus maximus, en de stichtingsdag van den laatsten is de 19deAugustus, de feestdag derholitores(groenteboeren), die Venus speciaal vereeren. In den tweeden punischen oorlog werd, volgens voorschrift van de Sibyllijnsche boeken, de geheel grieksche eeredienst vanV. Erycīna(Erucīna) uit Sicilië naar Rome overgebracht; men offerde haar den 23stenApril; een eeuw later werd de dienst ingesteld vanV. Verticordia(feestdag 1 April). Sulla vereerde haar onder den naamV. Felix(dit is deV. Pompeiāna, de stadsgodin van Pompeii), Pompeius alsV. Victrix, maar haar dienst kwam vooral in hoog aanzien en het aantal aan haar gewijde tempels nam aanmerkelijk toe, sedert zij als de moeder van Aenēas en dus als de stammoeder van het rom. volk beschouwd werd, en nog meer toen Caesar en Augustus, en naar hun voorbeeld ook latere keizers, haar als de moeder van de gens Iulia vereerden. OmtrentV. CloacīnaenV. Murcia, zieCloacīnaenMurcia. Zie verderAphrodīte.

Venusia, schilderachtig gelegen stad van Apulia, dicht aan de lucanische grenzen nabij de rivier Aufidus en den mons Vultur gelegen, geboorteplaats van Horatius. Oorspronkelijk was V. eene stad der Samnieten geweest. Sedert 291 lat. col.

Ver sacrum.Bij italiaansche volken, vooral bij de Sabijnen, gebeurde het meermalen, dat in tijden van pest, misgewas en andere rampen al wat in de eerstvolgende lente zou geboren worden, aan de goden werd gewijd. De dieren, die in zulk eene gewijde lente geboren werden, werden geofferd, de menschen echter, als zij volwassen waren, over de grenzen gezonden om zich elders als volksplanters neer te zetten. Als de romeinsche senaat tot eenver sacrumbesloot, moest dit besluit door het volk bekrachtigd worden.

Veragri, raetisch of ligurisch volk aan de poeninische Alpen in Helvetia, in het tegenw. kanton Wallis. Hoofdplaats Octodūrus (Martigny).

Veranii.1)Veranius, een vriend van Catullus, die zijn geluk vruchteloos in Hispania ging beproeven.—2)Q. Veranius, legaat van Germanicus, klaagde Cn. Piso (Calpurniino. 7) aan.—3)Q. Veranius, consul in 49 na C. en in 58 stadhouder van Britannia, waar hij stierf.

Verbānus lacus,Οὐερβανὸς λίμνη, thanslago Maggiore, waardoor de Ticīnus stroomt, in Gallia Transpadāna.

Verbēna=herbēna, heilige kruiden, op het Capitool gegroeid, ooksagminageheeten. Ook takken van heilige boomen, als myrten, olijf- en laurierboomen, geplukt tot eenig heilig gebruik, werdenverbenageheeten. Smeekelingen, gezanten en vooral de fetiaal-priesters omkransten zich het hoofd met zulke heilige kruiden of gewassen; ook bezigde men ze tot het versieren van altaren, godenbeelden, offerdieren, enz.

Verbigenus pagus, zieHelvetii.

Vercellae, thans Vercelli, hoofdstad der Lebecii in Gallia Transpadāna, sedert 89 met hetius Latii, sedert 49 rom. municipium. Op de nabijgelegenCampi Raudiivernietigde C. Marius in 101 de Cimbren.

Vercingetorix, een aanzienlijk Galliër uit de Arverni, het hoofd van den grooten gallischen opstand tegen Caesar in 52. Hij versloeg Caesar bij Gergovia, maar daarna sloot Caesar hem met zijn leger op in Alesia. Hij moest zich overgeven en werd te Rome na Caesar’s triumphus in 46 ter dood gebracht.

Verētum,Οὐέρητον, stadje in Calabria, nabij het promunturium Salentīnum.

VergeliusofVergellus, een beek, die door het slagveld van Cannae stroomde.

Vergiliae, z.Pleiades.

Vergilii.1)M. Vergilius, volkstribuun in 87.—2)C. Vergilius, 61–58 propraetor van Sicilia, een groot vriend van Cicero. Later (47) verdedigde hij Thapsus tegen Caesar.—3)P. Vergilius Maro, de beroemde dichter derAenēis, was in 70 op een landgoed zijns vaders, te Andes bij Mantua geboren. Eerst ging hij in het naburige Cremōna school, later als jongeling volgde hij lessen te Mediolanium (Milaan), vervolgens ging hij in 53 naar Rome, waar hij met Alfēnus Varus (zieAlfenus) het onderricht genoot van den epicureïschen wijsgeer Siro. Daarna keerde hij naar zijn vaderlijk landgoed terug en dichtte hij enkele zijnerEclogaeof herderszangen. Toen echter Octaviānus na den slag bij Philippi (42) de veteranen door eene toewijzing van landerijen beloonen wilde en daartoe ook de omstreken van Cremōna en Mantua had uitgekozen, zag ook Vergilius zijn goed door een vreemde in bezit nemen (41). Door bemiddeling echter van C. Asinius Pollio, die met 7 legioenen in het gebied der Veneti stond en de landverdeeling bestuurde, had deze inbezitneming geen verder gevolg en beloofde Octavianus aan Vergilius, dat zijn landgoed ongemoeid zou blijven. Doch op Asinius Pollio volgden Alfenus Varus en Antonius Musa, en opnieuw zag V. zich in zijn bezit bedreigd. Hij beloofde Varus te zullen bezingen, als deze zijn grondbezit spaarde. Uit de omstandigheid, dat de 6deEclogaaan Varus is gericht en dat V. toch van zijn landgoed werd beroofd, mag men misschien het besluit trekken, dat Varus zelf het hem wel liet behouden, maar niet verhinderde dat een ander het hem ontnam. Het gedicht van Verg. getuigt dan ook niet van groote geestdrift. Hij ging naar Rome, doch Octavianus was elders. Door tusschenkomst van aanzienlijke vrienden (misschien bij Varus) werd hem de teruggaaf van zijn goed beloofd, doch toen hij er heen was gegaan, zou hij door den nieuwen bezitter, zekeren centurio Arrius, doodgestoken zijn, ware hij niet ijlings in den Mincius gesprongen (40). Eenige maanden bleef hij te Rome en in den omtrek, tot hij eindelijk, vermoedelijk door tusschenkomst van Maecēnas, zijne goederen terug kreeg. Het is ook niet onwaarschijnlijk, dat Varus hem nu ten slotte het rustig bezit waarborgde en daarvoor met een gedicht door den dichter werd beloond. Na door zijneEclogaeofBucolicanaam gemaakt te hebben, begon V. te Rome zijneGeorgicain 4 boeken, een leerdicht over akkerbouw, boomkweekerij, vee- en bijenteelt, dat eigenlijk zijn meesterwerk is, waaraan hij 7 jaar werkte, 37–30. Hij voltooide het te Napels, een geliefkoosd verblijf voor hem, uit hoofde zijner zwakke gezondheid. Intusschen of onmiddellijk daarna begon hij aan zijn eposAenēis, waarvan hij in 23 het 2de, 4deen 6deboek voor Augustus en diens omgeving voordroeg. Voor zijne gezondheid en tot ontspanning ondernam hij in 19 eene reis naar Griekenland, ontmoette daar Augustus en keerde met dezen naar Italië terug. Te Brundisium aangekomen, was hij zóó ziek, dat hij daar moest blijven en er binnen weinige weken overleed. Volgens zijn verlangen werd zijn lijk naar Napels vervoerd en is hij aan den weg naar Puteoli begraven. Hij had eerst gelast, dat zijn onvoltooid epos (zie over den inhoud het art.Aenēas) verbrand moest worden, doch liet zich verbidden om de uitgaaf aan zijne vrienden Plotius Tucca en Varius Rufus toe te vertrouwen, onder voorwaarde dat zij het geheel onveranderd zouden laten, opdat ieder zou kunnen zien, dat de dood hem belet had er de laatste hand aan te leggen. Menige plaats komt er in voor, die de dichter, zoo de tijd hem gegeven ware, aangevuld of gewijzigd zou hebben. V. bleef bij zijn volk steeds in hooge eer; in de middeleeuwen hield men hem voor een toovenaar en, voor zoover dit voor een heiden mogelijk was, voor een heilige. Aan het gewaande graf van V. werden zelfs wonderen vastgeknoopt. De groote verdienste der Aenēis is deze, dat daarin met onmiskenbaar talent van vorm en uitdrukking een nationaal-rom. epos op homerische leest is geschoeid. Bovendien diende het tot verheerlijking van Augustus en zijne familie. Het werd dan ook met vooringenomenheid op de rom. scholen gelezen en verklaard. Op de Bucolica en Georgica schreef Valerius Probus (1eeeuw na C.) een commentaar, terwijl wij ook den rijken commentaar op Vergilius van Servius Maurus Honorātus (4deeeuw na C.) (z.Serviusno. 3) bezitten. Zie ookDonatus(Tiberius Claudius). Enkele kleinere gedichten op naam van Vergilius (Culex, Morētume. a.) worden door sommigen niet aan hem toegeschreven.

Verginii, een deels patricisch, deels plebejisch geslacht. 1)Opiter Verginius Tricostus, consul in 502, streed tegen de Latijnen en sneuvelde in 487 tegen de Volscen.—2)T. Verginius Tricostus Caeliomontānus, consul in 496, nam deel aan den slag bij het meer Regillus.—3)Proculus Verginius Tricostus Rutilus, consul in 486, was een tegenstander der akkerwet van zijn ambtgenoot Sp. Cassius Viscellīnus (zieCassiino. 1).—4)verder komen er tot 435 nog een achttalVerginii Tricostionder de consuls voor met de toenamenRutilus, Esquilīnus, Caeliomontānus, waarbij ook de vóórnamen Opiter en Proculus nog eenmaal terugkomen. Ook vindt men er twee onder de consulairtribunen.—5)A. Verginiusbewerkte in 457, dat het getal volkstribunen op 10 werd gebracht. Hij zelf bekleedde dit ambt 5 jaar achtereen.—6)L. Verginiusdoodde volgens de overlevering in 449 zijne dochter Verginia, opdat zij niet in handen van den tienman App. Claudius zou vallen, en gaf hiermede het sein tot de tweedesecessio plebis. Daarop werd hij tot volkstribuun verkozen.—7)A. Verginius, rom. rechtsgeleerde, omstreeks 100.—8)L. Verginius Rufus, legatus pro praetorevan Germania Superior onder Nero en Otho, wees na den dood van Vindex (z. a.) en in 69 na C. na den dood van Otho het aanbod zijner troepen van de hand, hem tot keizer uit te roepen. In zijn sterfjaar, 97, was hij met keizer Nerva consul. Tacitushieldeene lijkrede op hem. Hij was een vaderlijke vriend voor den jongeren Plinius. Hij maakte ook gedichten.

Vernaofvernaculusis een slaaf, die in zijns meesters huis geboren is. Uit den aard der zaak waren zij in den regel vrijpostiger dan gekochte slaven.—Vernaculae legioneszijn troepen, bestaande uit personen, die bij de werving nog geen Romeinsche burgers waren, maar dit recht verkregen, zoodra zij ingelijfd waren; dus =milites libertini.

Verolamium, hoofdstad der Catuvellauni, ten N.W. van Londinium (Londen), thans Old-Verulam, rom. municipium.

Veromandui, zieViromandui, welke schrijfwijze beter is.

Verōna, stad in Gallia Transpadāna aan den Athesis, eerst aan de Euganei, later aan de Cenomāni toebehoorende, sedert 89 met hetins Latii, sedert 49 een bloeiend rom. municipium, geboorteplaats van Catullus en Vitruvius. Verona, thans nog aldus geheeten, was de schoonste stad van Cisalpina. Het marmeren amphitheater, onder Diocletiānus gebouwd, dat 22000 toeschouwers bevatten kon, is nog vrij goed bewaard gebleven.

Verres(C.) was in 82 quaestor van den consul Cn. Papirius Carbo in Cisalpīna, doch liep tot de partij van Sulla over, de kas medenemende. Toch kreeg Sulla van het geld niet veel te zien, daar Verres beweerde dit te Ariminum (Rimini) te hebben achtergelaten, waar het bij de verwoesting der stad verloren zou zijn gegaan. Zijne verantwoording was merkwaardig. “Ontvangst HS 2235417; uitgaaf aan soldij, koren enz. HS 1635417; saldo te Ar. achtergelaten HS 600000.” In 80 ging Verres als legaat van Cn. Cornelius Dolabella naar Cilicia, waar hij weldra na den dood van den quaestor C. Malleolus proquaestor werd. Zijn reis daarheen was een rooftocht. In Griekenland en Azië liet hij, zelfs bij dag, de tempels openbreken en beelden en kostbaarheden er uit wegvoeren. Toen Dolabella later van afpersingen was aangeklaagd, had V. de onbeschaamdheid als getuige tegen hem op te treden. Met een deel van den geroofden buit wist hij zich tegen 74 tot praetor te doen verkiezen. Zijne praetuur (depraetura urbana) was, zooals men denken kan, eene bespotting van het recht, eene onafgebroken reeks van rechtsverkrachtingen. In 73 werd hij propraetor van Sicilia, waar hij drie jaar bleef. In die drie jaar mergelde hij de provincie uit. Behalve dat hij den landbouwers hun koren afperste en hun dan het graan, dat zij moesten leveren, uit hun eigen voorraad duur verkocht, om ten slotte nog het geld, dat de senaat hem tot aankoop van koren toezond, in zijn eigen zak te steken, waren ook geen kunstwerken of kostbaarheden voor hem veilig. Hij hield er spionnen op na om na te speuren, wie iets in bezit had, wat van zijne gading kon zijn. Op verzoek der Siciliërs trad Cicero in 70 als aanklager op en beschuldigde Verres voor 40 millioen sestertiën op Sicilië gestolen en afgeperst te hebben. Ten spijt van alle kuiperijen van Verres en diens machtige vrienden (zieTulliino. 5), handelde Cicero met zooveel voortvarendheid en doortastendheid en overstelpte hij Verres met zooveel onwederlegbare bewijzen, dat diens verdediger Hortensius het pleit opgaf en Verres zich in ballingschap naar Massilia (Marseille) begaf.

Verrius Flaccus(M.), rom. taalgeleerde onder Augustus en Tiberius, leermeester van de kleinzonen van Augustus, schrijver van een groot alphabetisch geordend werkde verborum significatu(zieFestusno. 2), ook geciteerd alslibri rerum memoria dignarum, en van deFasti Praenestini, waarvan nog fragmenten over zijn.

Verticordia, bijnaam aan Venus (z. a.) gegeven, wegens haar invloed op het menschelijk hart. In 114 werd haar een tempel gewijd met de bede, dat zij de vrouwen van onkuischheid zou afhouden.

VertumnusofVortumnus, god van verandering of afwisseling, in het bijzonder van de afwisseling der jaargetijden, die de vruchten doet rijpen, maar verder ook van de veranderingen in de gezindheid der menschen, van ruilhandel, enz. Hij zelf bezat het vermogen allerlei gedaanten aan te nemen en maakte daarvan gebruik, toen hij de liefde van Pomōna trachtte te winnen, wat hem eerst gelukte, nadat hij, als oude vrouw vermomd, gehoor bij haar had gekregen. Hij had een beeld in denvicus Tuscus, waarom hij voor een oorspronkelijk etrurisch god gehouden werd, en een tempel aan den voet van den Aventīnus; deze tempel was door M. Fulvius Flaccus na zijn veroveringvan Volsinii gesticht. Vortumnus was waarschijnlijk de hoofdgod van Volsinii; zie ookVoltumna. Men bracht hem offers op den 13 Augustus. Men verwarre dezen god niet met Volturnus (z. a.).

Verulae, hooggelegen stad der Hernici in Latium.

Verulamium=Verolamium.

Verus(L. Aurelius), zoon van L. Aelius Verus (zieAnniino. 6), jongere broeder en mederegent van keizer Marcus Aurelius en indertijd met dezen door Antonīnus Pius tot zoon aangenomen. Vóór zijnadoptioheette hij L. Ceionius Commodus, en hij wordt nog vaak door de schrijvers Commodus genoemd. Hij was te veel overgegeven aan een weelderig en gemakkelijk leven om iets te beteekenen. Zijne regeering (als zij dezen naam verdient) duurde van 161 na C. tot 169, toen hij stierf. In 162 trok hij naar het Oosten, om tegen de Parthen te strijden, die in het rijk gevallen waren. Hij bleef echter in Antiochia achter, en liet den oorlog, die van 161–166 duurde, door zijne legaten voeren. Door de verovering van Artaxata (163) werd Armenia tot een rom. vazalstaat. Ten gevolge van de veldtochten van Avidius Cassius (zieCassiino. 18) werd in 166 de vrede met Vologeses gesloten, kwam Osroēne onder rom. invloed en werd Carrhae rom. kolonie. Daarna trok Verus met M. Aurelius tegen de Marcomannen, maar stierf in 169 te Altīnum.

Vesbius, Vesēvus=Vesuvius.

Vescelia, stad der Oretāni in Hispania Tarraconensis, in het gebied van den Anas (Guadiana).

Vescia, verdwenen stad der Aurunci of Ausones in Latium in eene liefelijke streek,ager Vescīnus, die tusschen den Liris en den mons Massicus lag.

Veseris, een vlek of een riviertje (dit is onzeker) in Campania aan den Vesuvius.

Vesēvus=Vesuvius.

Vesontio, thans Besançon, hoofdstad der Sequani in Gallia aan den Dubis (Doubs), die zoo de stad omspoelde, dat hij haar bijna geheel insloot, terwijl het openliggende gedeelte afgesloten werd door een berg, waarop de burcht lag. Er zijn tal van overblijfsels uit den rom. tijd aanwezig.

Vespasiānus(T. Flavius), romeinsch keizer 70–79 na C., in 9 na C. te Reāte in het sabijnsche land geboren, was de zoon van Flavius Sabīnus en Vespasia Polla. Hij ging reeds vroeg in krijgsdienst, was krijgstribuun in Thracia, quaestor van Creta en Cyrenaica, daarna te Rome aediel en vervolgens praetor, en werd door Claudius alslegatus legionisnaar Germania en in 43 naar Britannia gezonden. In 51 was hij consul, trok zich toen uit vrees voor Agrippīna een tijd lang uit het openbare leven terug, totdat in 59 Nero hem als proconsul naar Africa zond. In 66 werd hem door Nero opgedragen, den opstand in Judaea te dempen, en deze taak was nog niet volbracht, toen hij in den zomer van 69 door zijn leger tot keizer uitgeroepen en door het geheele Oosten erkend werd. Na de overwinning bij Cremōna en den dood van Vitellius kwam V. in 70 onder groot gejuich van het volk te Rome. Hij regeerde zacht en gematigd, wat het inwendig bestuur betreft, doch krachtig, wat de bescherming der grenzen en de tucht in de legers aangaat. De Parthen ontzagen hem en lieten hem met rust, zijn zoon Titus voltooide de onderwerping der Joden en zijn veldheer Petillius Cereālis dempte den gevaarlijken opstand der Batavieren. Door eene naar den zin der Rom. te groote zuinigheid (ziemimus) stijfde hij de uitgeputte schatkist. Hij heeft veel gebouwd, zie o.a.Amphitheatrumaan het einde. Na den terugkeer van Titus hield V. met dezen een luisterrijken zegetocht over de Joden. Door hem werd in 76 of 77 Agricola naar Britannia gezonden. In 79 stierf V. op de badplaats Aquae Cutiliae. Zijn zoon Titus volgde hem op.—V. had twee broeders. OmtrentFlavius Sabīnus, zieSabinusno. 3. De andere broeder,Flavius Clemens, huwde met zijne nicht Domitilla, eene dochter van Vespasianus en van de vrijgelatene Flavia Domitia. Domitiānus liet hem later ombrengen, evenals den zoon van Sabinus.

Vesperna, avondeten in den ouden tijd, z.coena.

Vesta, godin van den huiselijken haard en het haardvuur, in beteekenis gelijk aan de grieksche Hestia, maar door de Rom. hooger in eere gehouden dan deze door de Grieken. Zij werd in ieder huis gemeenschappelijk met de Laren en Penaten vereerd, maar had bovendien een zeer heiligen tempel bij deregia, waar op haar altaar een eeuwig vuur brandde, dat als het haardvuur van den geheelen staat beschouwd werd, en waarheen de rom. vrouwen jaarlijks den 9denJuni (Vestalia) in processie trokken. DezeVestaliawerden echter niet alleen door de rom. vrouwen gevierd, maar het was ook de feestdag der bakkers en molenaars. Het heilige vuur werd jaarlijks den 1stenMaart met bijzondere plechtigheid vernieuwd, ging het bij ongeluk eens uit, dan werd dit als een zeer slecht voorteeken beschouwd, en moest het door het wrijven van hout opnieuw ontstoken worden. In het binnenste van den tempel van Vesta, depenus Vestaegeheeten, werden behalve den door de Vestaalsche maagden bereiden offervoorraad (zie hieromtrent onderVestales), ook volgens de overlevering het Palladium en de Penaten van den staat bewaard, die door Aenēas van Troje naar Lavinium gebracht waren; ook in deze stad had zij een zeer oud heiligdom, waar de hoogere rom. magistraten kort na de aanvaarding van hun ambt gingen offeren. Te Rome werd de dienst van Vesta met groote nauwgezetheid waargenomen door zes maagdelijke priesteressen, die aan zeer strenge tucht onderworpen waren, maar daarentegen in hoog aanzien stonden en buitengewone voorrechten genoten (z.Vestales).


Back to IndexNext