W.Windstreken.Oorspronkelijk had men slechts voor de vier hoofdwinden bepaalde namen. 1)Boreas,Βορέας, was de Noordenwind, koud maar gezond voor de landen ten N. der Middellandsche zee, voor Afrika dikwijls regen aanbrengend. De Boreas was vooral geducht in het Noorden van de Adriatische zee, tgw. de bekende Bora.—2)Tegenover Boreas staat Notus,Νότος, ookAustergeheeten, de Zuidenwind, die aan Griekenland dikwijls nevel en regen aanbracht en stormen verwekte.—3)Eurus,Εὖρος, ookVolturnus, was de Oostenwind, dikwijls stormachtig.—4)tegenover Eurus stondZephyrus,Ζέφυρος, de Westenwind die uit de streek der duisternis (ζόφος) waait, waar de zon ondergaat, en die vooral in het voorjaar heerschte en na de winterkoude zachter weder, maar ook vochtigheid aanbracht. Bij Hesiodus heet hijἈργεστής. De Rom. noemden hem ookFavonius.—Homerus kent slechts deze vier winden. Later echter had er eene verschuiving der vier windstreken plaats, en kreeg men acht hoofdwinden, n.l. 1)Septentrio,Ἀπαρκτίας, die rechtstreeks uit de hemelstreek der Triōnes of derἄρκτοςwoei, dus als Noordenwind gold.—2)BoreasofAquilo, die een Noordoostenwind was geworden.—3)Apeliōtes,Ἀπηλιώτης(van de zon, d. i. van het Oosten, komende), de oostenwind, ookSolānusofSubsolānusgeheeten.—4)EurusofVolturnus, die een Zuidoostenwind geworden was.—5)NotusofAuster, die Zuidenwind bleef. In Apulia wordt de Zuidenwind Atabulus genoemd.—6)Africus, de Zuidwestenwind.—7)Zephyrus, Westenwind.—8)Argestes,Iāpyx, Noordwestenwind, waarop de naamFavoniusoverging.—Dichtersevenwel bezigden nog zeer dikwijls de namen in de oorspronkelijke beteekenis. Van acht winden klom men tot twaalf op, door tusschen 2 en 3, 4 en 5, 5 en 6, 8 en 1 nog vier winden in te schuiven, waardoor, met verdeeling van den horizon in twaalf gelijke deelen, de hiervóór geplaatste windroos ontstond.Overzicht van de windstreken.Septentrio,Ἀπαρκτίας.Circius, Corus of Caurus,Θρασκίας.Boreas, Aquilo,Βορρᾶς.Favonius, Iapyx,Ἀργεστής, Ἰάπυξ.Caecias,Καικίας.Zephyrus,Ζέφυρος.Apeliotes,Ἀπηλιώτης.Africus,Λίψ.Eurus, Volturnus,Εὖρος.Λιβόνοτος, Λιβοφοίνιξ.Albus Notus,Λευκόνοτος, Φοινικίας.Notus, Auster,Νότος. Atabulus.De Libonotus wordt ook welΛιβοφοίνιξgenoemd, deAlbus NotusΦοινικίας, terwijlAquiloook wel voor den Noordenwind wordt gebruikt.X.Xanthippe,Ξανθίππη, vrouw van Socrates, wien zij, naar men zegt, door knorren en kijven dikwijls het leven verbitterde.Xanthippus,Ξάνθιππος, 1) Athener, die met en na Clisthenes als staatsman optrad, was een van de aanklagers van Miltiades, volgde Themistocles op als bevelhebber van de vloot, en behaalde met Leotychides de roemrijke overwinning bij Mycale. Hij was de vader van Pericles.—2)Lacedaemoniër, die in den eersten punischen oorlog aan het hoofd van een troep huurlingen naar Carthago kwam en wegens zijne bekwaamheden het opperbevel over het leger kreeg. Hij bracht aan de Rom. eene groote nederlaag toe, maar keerde spoedig naar zijn vaderland terug, toen hij zag dat zijn geluk de afgunst der Carthagers opwekte. Men zeide, dat hij op de terugreis door de carthaagsche schippers gedood was.Xanthus,Ξάνθος, 1) z.Balius.—2)koning van Thebe, door Melanthus (z. a.) in een tweegevecht gedood.—3)van Sardes, tijdgenoot van Artaxerxes I, schrijver eener lydische geschiedenis (Λυδιακά).Xanthus,Ξάνθος, 1) riv. bij Troje, dezelfde als de Scamander.—2)riv. in Epīrus, door Helenus aldus genoemd.—3)hoofdrivier van Lycia. Acht uren gaans boven den mond lag de stad Xanthus, met beroemde tempels van Apollo, Leto en Sarpēdon. Cyrus liet haar door zijn veldheer Harpagus belegeren; de inwoners, geene kans op redding ziende, brachten hunne tilbare have, vrouwen en kinderen op den burg, staken dezen in brand en sneuvelden zelven tot den laatsten man tegen de Perzen. Later is de stad steeds zetel van de bondsregeering, zieLycia. In 42 veroverden Brutus en Cassius de stad; doch de inwoners staken ze in brand en brachten zichzelven om het leven.Xenarchus,Ξέναρχος, 1) atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van Demosthenes, van wiens werken nog eenige smaakvolle fragmenten bestaan.—2)zoon van Sophron, en evenals zijn vader mimendichter. Hij leefde onder den ouden Dionysius.—3)van Seleucīa, peripatetisch wijsgeer, die omstreeks het einde der 1eeeuw te Alexandrië, Athene en Rome onderwijs gaf. Tot zijne leerlingen behoorde de geograaf Strabo.Ξενηλασία, eene wet, waarbij een staat aan vreemdelingen verbiedt, zich binnen zijn grondgebied te vestigen. Zulk eene wet bestond o. a. te Sparta.Xeniades,Ξενιάδης, 1) van Corinthe, een sophist, die dikwijls onder de sceptici genoemd wordt, daar hij het bedriegelijke der zinnelijke waarneming en de onmogelijkheid om tot de kennis der waarheid te geraken betoogd had.—2)z.Diogenesno. 2.Ξενίας γραφή, aanklacht tegen iemand, die wederrechtelijk zijn naam in de lijsten der burgers had doen opnemen. De zaak kwam voor deναυτοδίκαι, later voor de thesmotheten.Ξένιος, bijnaam van Zeus, als beschermer van het gastrecht.Xeno,Ξένων, 1) thebaansch legeraanvoerder in den peloponnesischen oorlog (413).—2)tyran van Hermione, die zich door Arātus liet overreden de heerschappij neer te leggen en tot het achaeïsch verbond toe te treden.—3)een van de Achaeërs, die in 166 als gijzelaars naar Rome gezonden werden.—Een andere X. deed te Rome moeite om de vrijlating van die gijzelaars te bewerken.—4)Athener, epicureïsch wijsgeer uit Cicero’s tijd, door hem met lof vermeld.Xenoclēa,Ξενόκλεια, priesteres van Apollo te Delphi, die weigerde aan Heracles een orakel te geven, omdat hij niet gereinigd was van den moord van Iphitus. Heracles roofde echter haar drievoet en dwong haar daardoor hem te antwoorden.Xenocles,Ξενοκλῆς, 1) zoon van Carcinus, door de blijspeldichters van zijn tijd bespot om zijne slechte treurspelen, ofschoon hij eens tegen Euripides den prijs won.—2)aanvoerder der ruiterij bij het leger van Agesilāus in Azië.—3)van Adramyttium, een redenaar, met wien Cicero tijdens zijn verblijf in Azië veel omging.Xenocrates,Ξενοκράτης, 1) broeder van Theron van Agrigentum, overwinnaar in de pythische en isthmische spelen, vriend van Pindarus.—2)van Chalcēdon, geb. 396, leerling en vriend van Plato, dien hij op de reis naar Sicilië vergezelde. Na Plato’s dood verliet hij Athene, hij keerde echter spoedig terug, volgde Speusippus als hoofd der academie op (339), en bleef dit tot zijn dood (314). Hij ontwikkelde de leer van Plato op eigenaardige wijze, zoodat sommigen hem een vervalscher van die leer noemden, daar hij stellingen van Pythagoras er in opnam en in onderwijsmethode zeer van Plato afweek; hij was de eerste die een streng onderscheid maakte tusschen waarnemen, meenen en weten en tusschen logica, physica en ethica. Bij voorkeur houdt hij zich bezig met de studie der daemonen, die volgens hem zielen van afgestorvenen zijn: zijne meer mystieke dan wijsgeerige leerstellingen op dit gebied schijnen van grooten invloedop lateren geweest te zijn. Hoewel hij in uiterlijk en manieren iets terugstootends had, werd hij algemeen geacht als een streng rechtschapen man, ook werd hij meermalen, hoewel hij een vreemdeling was, als gezant naar Philippus en Antipater gezonden. Van zijne talrijke werken is bijna niets over.—3)van Aphrodisias, grieksch geneesheer en schrijver over geneeskunde in de 1steeeuw na Chr.Xenoetas,Ξενοίτας, Achaeër, veldheer van Antiochus d. G., werd door dezen met een leger tegen den afgevallen stadhouder van Medië uitgezonden, maar werd door de vijanden overvallen en met het grootste gedeelte van zijn leger gedood (221).Xenophanes,Ξενοφάνης, van Colophon, geb. omstreeks 579, verliet vroeg zijne geboortestad en zwierf door Griekenland, Sicilië en Italië, het meest schijnt hij zich echter te Elea opgehouden te hebben. Zijn lang leven—hij werd meer dan 92 jaar oud—wijdde hij geheel aan het bestrijden van het volksgeloof en de algemeen aangenomen mythologie; in zijne met innige overtuiging geschreven en door hemzelf op de wijze der rhapsoden voorgedragen gedichten ontkende hij ten sterkste het bestaan van goden, zooals die in de gedichten van Homerus en Hesiodus voorkomen, die in hun handelen en streven, en ook in hun ondeugden, geheel op menschen gelijken; ook paarden en koeien, zeide hij, zouden, indien het hun mogelijk was godenbeelden te vervaardigen, deze maken naar hun evenbeeld. Tegenover deze voorstellingen plaatst X. zijn eigen leer, deeleatische, waarvan niet veel meer bekend is, dan dat zij de eenheid, ondeelbaarheid en onvergankelijkheid van heelal en godheid verkondigde, en die door Parmenides (z. a.) verder ontwikkeld is. Van zijne gedichten is het een en ander bewaard gebleven.Xenophantus,Ξενόφαντος, 1) Athener, vader van den dithyrambendichter Hieronymus.—2)van Thasus, beeldgieter, die voor de Atheners een beeld van Hadriānus maakte.Xenophilus,Ξενόφιλος, bevelhebber van den burcht van Susa, die zich na eene langdurige verdediging aan Seleucus overgaf en zich bij hem aansloot (316).Xenophon,Ξενοφῶν, 1) Athener, zoon van Gryllus, geb. omstreeks 430, was in zijne jeugd de leerling en een van de trouwste aanhangers van Socrates, ook kreeg hij van Prodicus onderwijs in de welsprekendheid. Na den peloponnesischen oorlog noodigde zijn vriend Proxenus hem uit, om met hem deel te nemen aan den tocht van den jongen Cyrus. X. gaf gaarne, hoewel niet geheel met goedvinden van Socrates, aan die uitnoodiging gehoor, maakte den tocht van Cyrus tegen Artaxerxes mede en streed mede in den slag bij Cunaxa. Toen op de terugreis de veldheeren der Grieken verraderlijk door Tissaphernes gevangen genomen waren, was X. de eerste die het leger moed insprak en tot volharding aanspoorde. Hij werd dan ook met vier anderen verkozen om de Grieken op hun terugtocht te leiden en verwierf zich den grootsten roem door den moed, het beleid, de zelfverloochening en volharding, waarmede hij deze taak vervulde. In weerwil van de groote moeielijkheden, hem door Perzen e. a. barbaarsche volken in den weg gelegd, zonder hulpmiddelen tegen de natuurlijke hindernissen, die zich op dien langen tocht voordeden, bracht hij het leger in vier maanden van het binnenste van Azië naar Trapezus, van daar naar Byzantium, waar zij bij Seuthes in dienst traden en eindelijk vereenigden zij zich met het spartaansche leger, dat toen onder Thibron tegen Tissaphernes en Pharnabāzus oorlog voerde. Bij dit leger bleef X., ook onder Dercylidas en Agesilāus, met wien hij zeer bevriend werd en in wien hij het ideaal van een vorst en veldheer zag. Toen Agesilāus naar Europa teruggeroepen werd, ging X. met hem mede en in den slag bij Coronēa streed hij onder zijn bevel tegen de Atheners en Thebanen (394). Uit Athene verbannen—misschien wel juist om zijn deelnemen aan dien slag—ging hij naar Sparta, en kreeg hij van de Spartanen een landgoed bij Scillus, waar hij nu vele jaren rustig leefde, zich bezighoudende met jacht en landbouw, en waar hij ook bijna al zijne werken schreef. Na de nederlaag van Sparta bij Leuctra, werd hij als vriend der Spartanen door de Eleërs uit zijne woning verdreven. Toen later Athene en Sparta zich tegen Thebe vereenigden, werd X. uit zijne ballingschap teruggeroepen (369), of hij toen naar Athene teruggekeerd is, is niet zeker, hij stierf te Corinthe (354, v. a. reeds vijf of zes jaren vroeger). Als schrijver munt X. uit door duidelijkheid en eenvoud, ofschoon deze laatste eigenschap in zijne geschiedkundige werken soms wel wat overdreven wordt; de ouden prezen hem zeer hoog, men gaf hem den naam vanἈττικὴ μέλισσαen zeide dat de godin der overreding op zijne lippen zetelde. Ten gevolge van zijn lang verblijf buiten Athene is zijn taal niet vrij van onattische uitdrukkingen en vormen. Zijne voornaamste werken zijn:Κύρου Ἀνάβασις, eene uitvoerige geschiedenis van den tocht van Cyrus en den terugtocht der 10000 Grieken, een werk, dat wegens de groote bescheidenheid, waarmede de schrijver van zichzelf spreekt, door sommigen ten onrechte aan een ander toegeschreven is (z.Themistogenes);Ἑλληνικά, een geschiedenis van Griekenland, begonnen als vervolg op Thucydides en voortgezet tot den dood van Epaminondas, een werk van groot belang voor de geschiedenis van dien tijd, hoewel geschreven met duidelijk merkbare voorliefde voor spartaansche politiek en instellingen en vooral voor zijn held, Agesilāus;Κύρου παιδεία, een meer wijsgeerig dan geschiedkundig werk, waarin de oude Cyrus als het ideaal van een volmaakt vorst naar socratische zienswijze voorgesteld wordt;Ἀπομνημονεύματα Σωκράτους, herinneringen aan Socrates, eene verzameling gesprekken van den meester, bijeengebracht methet doel om zijne nagedachtenis te verdedigen tegen den sophist Polycrates (z. a. no. 2);Συμπόσιον, een tafelgesprek, waarbij vooral Socrates het woord voert. Verscheiden kleinere werken, die den naam van X. dragen, zijn deels van minder belang, deels waarschijnlijk onecht.—2)zoon van Euripides, een van de aanvoerders der Atheners bij het beleg van Potidaea (429).—3)van Cos, geneesheer van keizer Claudius, dien hij ter wille van Agrippīna vergiftigde.—4)van Ephesus, schrijver van een griekschen roman onder den titelἘφεσιακά, τὰ κατὰ Ἀνθίαν καὶ Ἀβροκόμην; hij leefde waarschijnlijk in de 3deeeuw na C.Ξένος, vreemdeling, gast, gastvriend, huurling. Het gastrecht werd door de Grieken hoog in eere gehouden; niet alleen dat men zijne gasten zoo goed mogelijk ontving, hun geschenken gaf, enz., maar tusschen een gastheer en zijn gast bleef eene betrekking van vriendschap bestaan, die soms gedurende verscheiden geslachten aangehouden werd. Tegenover aanzienlijke vreemdelingen, gezanten e. dgl. trad soms de staat als gastheer op.—Zij, die zich in een vreemden staat vestigden, wat te Sparta e. e. niet geoorloofd was (z.ξενηλασία), werdenμέτοικοι, (z. a.) genoemd.Xerxes,Ξέρξης, 1) zoon van Darīus Hystaspis en Atossa, werd door zijn vader als troonopvolger aangewezen, hoewel hij een ouderen broeder had, daar deze geboren was, voordat Darius aan de regeering gekomen was. Na den dood van zijn vader (485) bedwong hij een opstand van Aegypte, daarna rustte hij zich toe tot een veldtocht tegen Griekenland, van verschillende kanten, vooral door Mardonius, daartoe aangedreven. Nadat hij den Hellespont had laten overbruggen en den berg Athos had laten doorgraven, ondernam hij in het voorjaar van 480 met eene ontelbare legermacht en vloot den tocht. Hij ging door Macedonië en Thessalië, drong in weerwil van den tegenstand van Leonidas door de Thermopylae en trok al plunderend tot Athene voort, dat in brand gestoken werd, terwijl zijn vloot de haven van Phalērum binnenliep. Doch na de verpletterende nederlaag bij Salamis, die hij van een op het strand opgerichten troonzetel aanzag, vluchtte hij haastig naar Azië terug, en toen in het volgende jaar Mardonius bij Plataeae en zijn vloot bij Mycale verslagen waren, zag hij van de verovering van Griekenland voor goed af. Naar Susa teruggekeerd, gaf hij zich aan allerlei wreedheden en uitspattingen over, totdat hij door Artabānus vermoord werd (465).—2)X. II, zoon van Artaxerxes I, volgde zijn vader in de regeering op (425), doch werd na weinige weken door zijn halfbroeder Sogdiānus vermoord.Xois,Ξόις, oude aegyptische stad in de Delta tusschen den Bolbitischen en den Sebennytischen Nijlarm, zetel der 14dedynastie.Xuthus,Ξοῦθος, zoon van Hellen en de nimf Orsēis, werd door zijne broeders uit Thessalië verdreven en vluchtte naar Attica, waar hij met Creūsa, de dochter van Erechtheus, huwde, bij wie hij twee zonen kreeg, Achaeus en Ion, de stamvaders der Achaeërs en Ioniërs. Toen hij na den dood van Erechtheus als scheidsrechter over de troonopvolging moest beslissen en de regeering aan Cecrops toewees, werd hij ook uit Attica door zijne zwagers verjaagd, waarop hij zich in Aegialēa vestigde.Xynia,Ξυνία, stad in het Z.W. van het thessalische landschap Phthiōtis, aan het meer van gelijken naam.Xystus, -tum,ξυστός, -τόν, in de grieksche gymnasia een overdekte zuilengang, waar de athleten zich des winters oefenden, ook een beplante wandelplaats voor de zuilengalerij der rom. landhuizen.Z.Zabatus,Ζαβάτος, ook Lycus geheeten, rivier in Assyria, zijtak van den Tigris, ontspringt in de bergen van Armenia.Zacynthus,Ζάκυνθος, thans Zante, een der Ionische eilanden, in de Ionische zee tegenover Elis gelegen, vruchtbaar en boschrijk (thans niet meer). Het behoorde tot het gebied van Ulysses. Het eiland leverde aardpek. De hoofdstad, ook Zacynthus geheeten, was eene belangrijke plaats.Zadracarta(plur.),τὰ Ζαδράκαρτα, hoofdstad van het perzische gewest Hyrcania.Zagreus,Ζαγρεύς, bijnaam van Dionȳsus, waaronder hij in de orphische mysteriën vereerd werd. Hij wordt de zoon van Zeus en Demēter of Persephone genoemd en was door Zeus tot beheerscher van het heelal bestemd, doch Hera zette de Titanen tegen hem op, die hem verscheurden en verslonden. Alleen zijn hart werd door Athēna gered en aan Zeus gebracht, die het verslond en daarna Dionȳsus voortbracht, vlg.Sabazius. De schuldige Titanen werden door den bliksem tot asch verteerd, en uit deze asch, vermengd met het bloed van Zagreus, waren de menschen ontstaan.Zagrus,Ζαγρός, gebergte tusschen Media ten O. en Susiāna en Assyria ten W. Het noordelijk gedeelte wordt ookChoāthrasgenoemd.Ζάκορος=νεωκόρος.Zaleucus,Ζάλευκος, wetgever der epizephyrische Locriërs, leefde waarschijnlijk in het midden der 7deeeuw. Zijne wetten waren, naar men verhaalde, de eerste die op schrift gebracht werden en hadden evenzeer betrekking op het bizonder leven der burgers als op de staatsregeling.Zama, bijgenaamdRegia, vesting in de provincie Africa, in het N. van Byzacēne,op de grenzen van Zeugitāna, 4 of 5 dagreizen ten Z.W. van Carthago. In den omtrek werd in den herfst van 202 de beslissende slag tusschen Scipio en Hannibal geleverd.Zamolxis,Ζάμολξις, Ζάλμοξις, een Gete of Thraciër, wiens geschiedenis met vele verdichtsels doorweven is. Hij was slaaf geweest bij Pythagoras, doch werd door dezen vrijgelaten, reisde door Griekenland, en keerde als een wijs en rijk man naar zijn vaderland terug, waar hij den grondslag legde van godsdienst en hoogere beschaving. Na zijn dood werd hij als daemon vereerd.Zancle,Ζάγκλη, oude naam van de stad Messāna op Sicilia. ZieMessana.Zarangae,Ζαράγγαι, bewoners van Drangiāne (z. a.).Zariaspa(gen.-ae),τὰ Ζαρίασπα, zieBactra.Zea,Ζέα, een van deoorlogshavensvan den Piraeus, aan de Oostzijde gelegen.Zeilas,Ζηίλας, Ζήλας, oudste zoon van Nicomēdes I. Daar zijn vader een jongeren broeder als troonopvolger had aangewezen, ging hij naar Armenië, van waar hij na zijn vaders dood terugkwam en zich met geweld van de regeering meester maakte. Hij werd omstreeks 236 bij een feestmaal door gallische soldaten vermoord.Zela,τὰ Ζῆλα, sterkte in het binnenland van Pontus, ten Z. van Amasēa, met verschillende tempels. Hier behaalde Mithradātes in 67 de overwinning op Lucullus’ legaat Triarius en Caesar in 47 op Pharnaces.Zelīaof-ēa,Ζέλεια, oude stad in Noord-Phrygia, aan den Aesēpus. Hier trok Darīus III zijn eerste leger tegen Alexander d. Gr. bijeen.Zeno,Ζήνων, 1) zoon van Polemo no. 4, door de Armeniërs tot koning verkozen en door Germanicus als zoodanig bevestigd.—2)van Elea, geb. omstreeks 490, leerling en vriend van Parmenides, met wien hij naar Athene reisde. V. s. had hij een aanslag tegen een tyran, Nearchus of Diomedon, met den marteldood moeten boeten. Hij verdedigde in verscheiden geschriften, die alle verloren zijn, de eleatische leer door de indirecte bewijsvoering uit het ongerijmde.—3)van Citium, zoon van Mnaseas, geb. 336, v. a. 362. Zijn vader, die koopman was, had ook hem voor den handel bestemd, ofschoon hij reeds vroeg de wijsgeerige geschriften van Xenophon en Plato ijverig bestudeerd had. Toen hij nu op den leeftijd van 22 jaar ten gevolge van een schipbreuk te Athene gekomen was, besloot hij daar te blijven en zich geheel aan de studie der wijsbegeerte te wijden. Hij sloot zich eerst bij Crates, den cynicus, aan, van wiens invloed de oudere werken van Z. talrijke blijken moeten gegeven hebben, wendde zich later tot Stilpo, Xenocrates en Polemo, en trad omstreeks 310 met een eigen leer op, die naar deποικίλη στοά, de plaats waar hij zijne voordrachten hield, destoischegenoemd wordt. Hij stond te Athene in hoog aanzien, vormde vele leerlingen, en werd van staatswege met een gouden krans, en toen hij in 264 (v. s. door zelfmoord) gestorven was, met een metalen grafteeken en een standbeeld vereerd. Van zijn werken zijn slechts weinige fragmenten tot ons gekomen.—De bron van alle kennis is volgens Z. zinnelijke waarneming; alleen wat zóó waar te nemen is bestaat, terwijl eerst herhaalde waarnemingen ons in staat stellen van het bizondere tot het algemeene te besluiten. Alles bestaat uit twee elementen, die onafscheidelijk met elkander verbonden zijn: stof en kracht. De kracht, die zich in het heelal werkzaam toont, is de godheid. De stof bestaat oorspronkelijk als een zeer fijn vuur, waaruit door verdichting lucht, water en aarde ontstaan, en waarin eens de geheele wereld weder moet opgaan (ἐκπύρωσις), om later opnieuw er uit voort te komen. De ziel is aan het vuur verwant en niet onsterfelijk, hoewel zij langer leeft dan het lichaam. Het hoogste goed is de deugd, die men niet bereikt door bespiegeling, maar door te leven in overeenstemming met de natuur of den goddelijken wil. Deugd alleen is goed in den volsten zin van het woord, evenals de ondeugd slecht is, alle andere dingen zijn onverschillig, hoewel niet alle in gelijke mate. Genot is niet het doel van het leven, maar is van nature met deugdzaam handelen verbonden. De ware wijze is het volmaakste van alle wezens, hij kan zich door deugd zelfs tot de hoogte van Zeus verheffen, hij alleen is vrij, is heer en koning, en kan naar verkiezing ook over zijn leven beschikken.—Vooral onder de Rom., die in 155 door Diogenes den Babyloniër met de stoische leer kennis maakten, vond zij in de laatste tijden der republiek en onder de keizers vele aanhangers.—4)van Tarsus, leerling van Chrysippus en na diens dood hoofd der stoicijnsche school.—5)van Sidon, geb. ± 150, hoofd der epicureïsche school, wiens voordrachten Cicero en Atticus gaarne hoorden.—6)van Rhodus, schrijver eener rhodische geschiedenis, omstreeks 200.Zenobia,Ζηνοβία, 1) echtgenoote van Odenāthus (z. a.), nam na diens dood in 267 na C. zelve het bewind over Palmȳra in handen als regentes voor hunne twee onmondige zoons. Te midden der verwarring in het rom. rijk, breidde zij haar gebied uit over Syrië, Aegypte, Vóór-Azië, totdat zij in 272 door keizer Aureliānus werd gestuit. Bij Emesa werd de beslissende slag geleverd. Zenobia moest naar Palmyra vluchten, dat belegerd en ingenomen werd (272), zij moest den zegetocht van Aurelianus te Rome opluisteren, doch kreeg vervolgens een landgoed bij Tibur, waar zij met hare kinderen hare verdere dagen sleet. Zij was eene vrouw van zeldzame schoonheid en buitengewone gaven, zij sprak verscheiden talen, o. a. Latijn, Grieksch, Syrisch, Aegyptisch. Zij was een stoute paardrijdster, maar trok ook meermalen mijlen ver te voet aan het hoofd harer troepen op. Vermoedelijk behoorde zij tot het israëlietische geloof.—2)armenische koningsdochter, gehuwd met haar neef Rhadamistus, die den troon van Armenië overweldigd had. Toen in 54 na C. deParthen onder Vologeses I en Tiridātes Armenia veroverden en Rhadamistus moest vluchten, smeekte zij haar echtgenoot haar te dooden, opdat zij niet in handen der Parthen zou vallen. Rhadamistus bracht haar met zijn zwaard eene wond toe en wierp haar in den Araxes. Zij werd echter door herders gered en viel nu toch in handen van Tiridates, die haar echter met grooten eerbied behandelde.Zenobius,Ζηνόβιος, grieksch sophist omstreeks 200 na C.; hij schreef eene verzameling spreekwoorden en vertaalde de geschiedenis van Sallustius in het grieksch.Zenodotus,Ζηνόδοτος, van Ephesus, leermeester der zonen van Ptolemaeus Lagi en onder Ptolemaeus Philadelphus hoofd der bibliotheek van Alexandrië, was een geleerd taalkundige en criticus, die vooral aan Homerus veel studie wijdde.—Nog twee personen van denzelfden naam komen voor als schrijvers van werken over Homerus en zijne gedichten.Zephyrium,Ζεφύριον, Westkaap, naam van onderscheidene voorgebergten, o. a. 1) een der kapen aan de Z.O. punt van Italië, waarnaar de stad Locri Epizephyrii, die ten N. daarvan ligt, haar naam draagt.—2)aan de Z.W. kust van Cyprus, bij Paphus.—3)in Cilicia bij Soli.—4)in Cyrenaica.—5)in Aegypte.Zephyrus,Ζέφυρος, de Westenwind, zieWindstreken.Zerynthus,Ζήρυνθος, stad op de Zuidkust van Thracia, bij Aenus, met een Apollo-tempel en een grot van Hecate in de nabijheid. De stad behoorde tot het vastelandsgebied van Samothrace.Zetes,Ζήτης, z.Calais.Ζητηταί, te Athene buitengewone commissarissen, die benoemd werden, wanneer er vermoeden bestond dat een misdaad gepleegd was, zonder dat iemand als aanklager optrad; zij moesten de zaak onderzoeken en haar, wanneer zij daartoe grond vonden, voor den bevoegden rechter brengen. Vooral geschiedde dit, wanneer men vermoedde dat gelden van den staat verduisterd waren.Zethus,Ζῆθος, tweelingbroeder van Amphīon (z. a.). Geheel verschillend van dezen, was hij ruw van aard en hield hij zich bij voorkeur als jager in de bergen op. Hij was gehuwd met Aēdon (z. a.).Ζευγῖται, atheensche burgers der derde klasse volgens de indeeling van Solon, zij die jaarlijks van hunne goederen 200–300 medimnen of metreten oogstten. Tot 458 konden zij alleen lagere ambten bekleeden, eerst toen werd ook het archontaat voor hen toegankelijk.Zeugitāna,Ζευγιτανή, het noordelijk gedeelte der rom. provincie Africa propria.Zeugma,Ζεῦγμα, stad in het Syrische distrikt Cyrrhestica, aan den Euphraat tegenover Apamēa. Alexander de Gr. had op dit punt eene schipbrug over den stroom geslagen, waardoor Thapsacus (z. a.) als punt van overgang minder gebruikt werd. Aan de syrische zijde dezer brug stichtte Seleucus Nicātor de stad Zeugma.Zeus van het Vaticaan.Zeus van het Vaticaan.Zeus,Ζεύς,Jupiter, zoon van Cronus en Rhea (Κρονίδης, Κρονίων,Saturnius), de hoogste god der Grieken, beheerscher van het heelal. Van zijne oorspronkelijke beteekenis als natuurgod getuigden in lateren tijd nog de wijze, waarop hij te Dodōna, op Creta, in Arcadië e. e. vereerd werd. Te Dodōna bestond sedert zeer oude tijden een heiligdomvan Zeus (Δωδωναῖος, Πελασγικός), met een orakel, dat later wel door het delphische overvleugeld werd, maar toch steeds in hoog aanzien bleef; de god verkondigde daar zijn wil door het ruischen der bladeren van den heiligen eik, dat door zijne priesters, de Selli (z. a.), verklaard werd; zijn dienst was nauw verbonden met dien van Gaea, terwijl Diōne (z. a.) zijne gemalin genoemd werd. Op Creta was de jonge Zeus volgens het verhaal geboren, voor zijn vader verborgen gehouden en door nimfen opgevoed, ook toonde men er zijn graf; ieder jaar werd daar zijn dood en opstanding, zinnebeelden van het jaarlijksche sterven en herleven der natuur, op orgiastische wijze gevierd, waarbij de Cureten wapendansen uitvoerden (z.Rhea Cybele). Hier, evenals in Arcadië, Boeotië en Thessalië werden hem in de oudste tijden menschenoffers gebracht. Maar sedert hij de regeering aan Cronus (z. a.) ontnomen en de Titanen (z. a.) overwonnen heeft, is hij de god, die de orde in natuur en maatschappij in stand houdt, hij troont op den top van den Olympus, die zich tot in de wolken verheft en beheerscht van daar de natuurverschijnselen; als hij de aegis zwaait (αἰγιόχος), verwekt hij storm en onweder (νεφεληγερέτα, κελαινεφής, ὑψιβρεμέτης, ἐρίγδουπος), de bliksem is zijn vreeselijk wapen (τερπικέραυνος, ἀστεροπητής), maar aan den anderen kant jaagt hij ook de wolken uiteen en geeft hij helder weder en gunstigen wind (αἴθριος, οὔριος), de Horen zijn zijne dochters en dienaressen. Onder de menschen staat alles wat voor de heerschappij van orde, wet en recht bevorderlijk kan zijn, onder zijne hoede; hij beschermt het huisgezin (ἑρκεῖος, ἐφέστιος), het huwelijk (γαμήλιος, τέλειος, ζύγιος), den gast (ξένιος) en den hulpbehoevenden vreemdeling (ἱκέσιος), evenals de geheele burgerij (πολιεύς, φράτριος), en de vergaderingen, waarin zij over hare belangen beraadslaagt (ἀγοραῖος, βουλαῖος), hij straft ongerechtigheid (ἀλάστωρ), waakt tegen het schenden van den eed (ὅρκιος), kortom, hij is het die alle kwaad van den mensch afweert (σωτήρ, ἀλεξίκακος); zelfs vergunt hij hem een blik in de toekomst te slaan en verkondigt hij hem zijn wil door orakels, natuurverschijnsels en wonderteekens (πανομφαῖος). Zijne macht is grooter dan die van alle andere goden, en wanneer sommige van hen, zooals vooral zijne zuster en gemalin Hera, zich tegen hem trachten te verzetten, boeten zij dit met zware straffen. Alleen aan de beschikking der Moera is ook hij onderworpen, waar deze hem niet in den weg staat, is hij almachtig. Meer dan van eenig ander god is zijn dienst door geheel Griekenland verbreid (Ἑλλήνιος, Πανελλήνιος), en het groote nationale feest te Olympia wordt ter eere van hem gevierd (Ὀλύμπιος, ἐναγώνιος), bijna ieder deel van Griekenland had als heros een zoon van Zeus, vandaar de verhalen van zijne talrijke minnerijen met sterfelijke vrouwen (Semele, Io, Danaë, Leda, e. a.), en van de vele kinderen bij haar verwekt (Dionȳsus, Heracles, Perseus, Castor en Pollux, enz.). Bij Hera is hij vader van Ares, Hephaestus en Hebe, bij andere godinnen van Apollo, Artemis, Hermes, Persephone, Aphrodīte, de Muzen, de Charites, de Horen en de Moeren; Pallas Athēna is door hem alleen voortgebracht. De arend, de eik en de toppen der bergen zijn hem gewijd. Hij werd afgebeeld als eene krachtige, majestueuze gestalte, met vriendelijke trekken, vollen baard, dicht hoofdhaar, gewelfd voorhoofd en groote oogen. Bovenal beroemd was het door Phidias (z. a.) vervaardigde, tallooze malen nagevolgde, maar nooit geëvenaarde beeld van Zeus te Olympia.Zeuxidāmus,Ζευξίδαμος, 1) kleinzoon en opvolger van den spartaanschen koning Theopompus (720).—2)vader van Archidāmus II.Zeuxippus,Ζεύξιππος, Boeotiër, streed onder de Rom. tegen Philippus III van Macedonië. Hij werd uit zijn vaderland verbannen en in weerwil van de bemoeiingen der Rom. niet teruggeroepen.Zeuxis,Ζεῦξις, 1) veldheer van Antiochus d. G., na den oorlog tegen de Rom. als gezant naar Rome gezonden.—2)van Heraclēa in Italië, een van de beroemdste grieksche schilders, leerling van Apollodōrus (± 400). Hij muntte vooral uit in het schilderen van vrouwenbeelden, bovenal beroemd waren onder zijne werken eene Penelope en eene Helena, die in den tempel van Hera Lacinia opgehangen werd. Z.Parrhasius.Zipoetes,Ζιποίτης, 1) bithynisch vorst (326–281), die ten tijde van Alexander den Gr. zijn gebied door de onderwerping van verscheiden grieksche koloniën uitbreidde, zich ook tegen Lysimachus en Seleucus staande hield en eindelijk (297) den titel van koning van Bithynië aannam.—2)zoon van den vorigen, trachtte de regeering aan zijn broeder, Nicomēdes I, te ontrukken, maar werd overwonnen en gedood (277).Zoilus,Ζωίλος, grieksch rhetor van Amphipolis, in de vierde eeuw. Wegens zijne kleingeestige vitterijen op Homerus kreeg hij den bijnaamὉμηρομάστιξ.Zone,Ζώνη, kaap en stad op de Zuidkust van Thracia in het gebied der Cicones.Zopyrus,Ζώπυρος, 1) zoon van Megabȳzus, een voornaam Pers, diende in het leger van Darīus Hystaspis, toen deze Babylon belegerde. Daar de stad niet genomen konde worden, verminkte Z. zich op gruwelijke wijze, liep toen, onder voorwendsel dat hij door Darius zoo mishandeld was, tot de Babyloniërs over, en nadat hij hierdoor het vertrouwen der inwoners gewonnen had en aan het hoofd van de troepen gesteld was, gaf hij de stad verraderlijk over. Darius beloonde hem door hem levenslang satraap van Babylon te maken, hij werd echter later bij een opstand gedood.—2)kleinzoon van den vorigen, nam deel aan de samenzwering van zijn vader Megabȳzus (no. 2) en vluchtte naar Athene.—3)gelaatkundige, die beweerde dat volgens zijne wetenschap Socrates met verscheiden ondeugden behept moest zijn, wat deze volstrekt niet tegensprak.Zoroaster,Ζωροάστρης, stichtte in zeer oude tijden den perzischen Ormuzdienst. Sedert de Grieken met zijne leer bekend werden, gold hij dikwijls als de eerste sterrenkundige, sterrenwichelaar en toovenaar.Zosimus,Ζώσιμος, grieksch geschiedschrijver in de 2dehelft der 5deeeuw n. C., schreef eene geschiedenis van den rom. keizertijd, die niet zonder verdiensten is, maar ontsierd wordt door zijne partijdigheid tegen het Christendom en christelijk gezinde keizers.Zoster,Ζωστήρ=gordelkaap, op de Westkust van Attica, een uitlooper van den Hymettus, met altaren van Athēna, Leto, Apollo, en Artemis.Ζυγία, bijnaam van Hera als godin van het huwelijk.
W.Windstreken.Oorspronkelijk had men slechts voor de vier hoofdwinden bepaalde namen. 1)Boreas,Βορέας, was de Noordenwind, koud maar gezond voor de landen ten N. der Middellandsche zee, voor Afrika dikwijls regen aanbrengend. De Boreas was vooral geducht in het Noorden van de Adriatische zee, tgw. de bekende Bora.—2)Tegenover Boreas staat Notus,Νότος, ookAustergeheeten, de Zuidenwind, die aan Griekenland dikwijls nevel en regen aanbracht en stormen verwekte.—3)Eurus,Εὖρος, ookVolturnus, was de Oostenwind, dikwijls stormachtig.—4)tegenover Eurus stondZephyrus,Ζέφυρος, de Westenwind die uit de streek der duisternis (ζόφος) waait, waar de zon ondergaat, en die vooral in het voorjaar heerschte en na de winterkoude zachter weder, maar ook vochtigheid aanbracht. Bij Hesiodus heet hijἈργεστής. De Rom. noemden hem ookFavonius.—Homerus kent slechts deze vier winden. Later echter had er eene verschuiving der vier windstreken plaats, en kreeg men acht hoofdwinden, n.l. 1)Septentrio,Ἀπαρκτίας, die rechtstreeks uit de hemelstreek der Triōnes of derἄρκτοςwoei, dus als Noordenwind gold.—2)BoreasofAquilo, die een Noordoostenwind was geworden.—3)Apeliōtes,Ἀπηλιώτης(van de zon, d. i. van het Oosten, komende), de oostenwind, ookSolānusofSubsolānusgeheeten.—4)EurusofVolturnus, die een Zuidoostenwind geworden was.—5)NotusofAuster, die Zuidenwind bleef. In Apulia wordt de Zuidenwind Atabulus genoemd.—6)Africus, de Zuidwestenwind.—7)Zephyrus, Westenwind.—8)Argestes,Iāpyx, Noordwestenwind, waarop de naamFavoniusoverging.—Dichtersevenwel bezigden nog zeer dikwijls de namen in de oorspronkelijke beteekenis. Van acht winden klom men tot twaalf op, door tusschen 2 en 3, 4 en 5, 5 en 6, 8 en 1 nog vier winden in te schuiven, waardoor, met verdeeling van den horizon in twaalf gelijke deelen, de hiervóór geplaatste windroos ontstond.Overzicht van de windstreken.Septentrio,Ἀπαρκτίας.Circius, Corus of Caurus,Θρασκίας.Boreas, Aquilo,Βορρᾶς.Favonius, Iapyx,Ἀργεστής, Ἰάπυξ.Caecias,Καικίας.Zephyrus,Ζέφυρος.Apeliotes,Ἀπηλιώτης.Africus,Λίψ.Eurus, Volturnus,Εὖρος.Λιβόνοτος, Λιβοφοίνιξ.Albus Notus,Λευκόνοτος, Φοινικίας.Notus, Auster,Νότος. Atabulus.De Libonotus wordt ook welΛιβοφοίνιξgenoemd, deAlbus NotusΦοινικίας, terwijlAquiloook wel voor den Noordenwind wordt gebruikt.
Windstreken.Oorspronkelijk had men slechts voor de vier hoofdwinden bepaalde namen. 1)Boreas,Βορέας, was de Noordenwind, koud maar gezond voor de landen ten N. der Middellandsche zee, voor Afrika dikwijls regen aanbrengend. De Boreas was vooral geducht in het Noorden van de Adriatische zee, tgw. de bekende Bora.—2)Tegenover Boreas staat Notus,Νότος, ookAustergeheeten, de Zuidenwind, die aan Griekenland dikwijls nevel en regen aanbracht en stormen verwekte.—3)Eurus,Εὖρος, ookVolturnus, was de Oostenwind, dikwijls stormachtig.—4)tegenover Eurus stondZephyrus,Ζέφυρος, de Westenwind die uit de streek der duisternis (ζόφος) waait, waar de zon ondergaat, en die vooral in het voorjaar heerschte en na de winterkoude zachter weder, maar ook vochtigheid aanbracht. Bij Hesiodus heet hijἈργεστής. De Rom. noemden hem ookFavonius.—Homerus kent slechts deze vier winden. Later echter had er eene verschuiving der vier windstreken plaats, en kreeg men acht hoofdwinden, n.l. 1)Septentrio,Ἀπαρκτίας, die rechtstreeks uit de hemelstreek der Triōnes of derἄρκτοςwoei, dus als Noordenwind gold.—2)BoreasofAquilo, die een Noordoostenwind was geworden.—3)Apeliōtes,Ἀπηλιώτης(van de zon, d. i. van het Oosten, komende), de oostenwind, ookSolānusofSubsolānusgeheeten.—4)EurusofVolturnus, die een Zuidoostenwind geworden was.—5)NotusofAuster, die Zuidenwind bleef. In Apulia wordt de Zuidenwind Atabulus genoemd.—6)Africus, de Zuidwestenwind.—7)Zephyrus, Westenwind.—8)Argestes,Iāpyx, Noordwestenwind, waarop de naamFavoniusoverging.—Dichtersevenwel bezigden nog zeer dikwijls de namen in de oorspronkelijke beteekenis. Van acht winden klom men tot twaalf op, door tusschen 2 en 3, 4 en 5, 5 en 6, 8 en 1 nog vier winden in te schuiven, waardoor, met verdeeling van den horizon in twaalf gelijke deelen, de hiervóór geplaatste windroos ontstond.
Overzicht van de windstreken.Septentrio,Ἀπαρκτίας.Circius, Corus of Caurus,Θρασκίας.Boreas, Aquilo,Βορρᾶς.Favonius, Iapyx,Ἀργεστής, Ἰάπυξ.Caecias,Καικίας.Zephyrus,Ζέφυρος.Apeliotes,Ἀπηλιώτης.Africus,Λίψ.Eurus, Volturnus,Εὖρος.Λιβόνοτος, Λιβοφοίνιξ.Albus Notus,Λευκόνοτος, Φοινικίας.Notus, Auster,Νότος. Atabulus.
Septentrio,Ἀπαρκτίας.Circius, Corus of Caurus,Θρασκίας.Boreas, Aquilo,Βορρᾶς.Favonius, Iapyx,Ἀργεστής, Ἰάπυξ.Caecias,Καικίας.Zephyrus,Ζέφυρος.Apeliotes,Ἀπηλιώτης.Africus,Λίψ.Eurus, Volturnus,Εὖρος.Λιβόνοτος, Λιβοφοίνιξ.Albus Notus,Λευκόνοτος, Φοινικίας.Notus, Auster,Νότος. Atabulus.
De Libonotus wordt ook welΛιβοφοίνιξgenoemd, deAlbus NotusΦοινικίας, terwijlAquiloook wel voor den Noordenwind wordt gebruikt.
X.Xanthippe,Ξανθίππη, vrouw van Socrates, wien zij, naar men zegt, door knorren en kijven dikwijls het leven verbitterde.Xanthippus,Ξάνθιππος, 1) Athener, die met en na Clisthenes als staatsman optrad, was een van de aanklagers van Miltiades, volgde Themistocles op als bevelhebber van de vloot, en behaalde met Leotychides de roemrijke overwinning bij Mycale. Hij was de vader van Pericles.—2)Lacedaemoniër, die in den eersten punischen oorlog aan het hoofd van een troep huurlingen naar Carthago kwam en wegens zijne bekwaamheden het opperbevel over het leger kreeg. Hij bracht aan de Rom. eene groote nederlaag toe, maar keerde spoedig naar zijn vaderland terug, toen hij zag dat zijn geluk de afgunst der Carthagers opwekte. Men zeide, dat hij op de terugreis door de carthaagsche schippers gedood was.Xanthus,Ξάνθος, 1) z.Balius.—2)koning van Thebe, door Melanthus (z. a.) in een tweegevecht gedood.—3)van Sardes, tijdgenoot van Artaxerxes I, schrijver eener lydische geschiedenis (Λυδιακά).Xanthus,Ξάνθος, 1) riv. bij Troje, dezelfde als de Scamander.—2)riv. in Epīrus, door Helenus aldus genoemd.—3)hoofdrivier van Lycia. Acht uren gaans boven den mond lag de stad Xanthus, met beroemde tempels van Apollo, Leto en Sarpēdon. Cyrus liet haar door zijn veldheer Harpagus belegeren; de inwoners, geene kans op redding ziende, brachten hunne tilbare have, vrouwen en kinderen op den burg, staken dezen in brand en sneuvelden zelven tot den laatsten man tegen de Perzen. Later is de stad steeds zetel van de bondsregeering, zieLycia. In 42 veroverden Brutus en Cassius de stad; doch de inwoners staken ze in brand en brachten zichzelven om het leven.Xenarchus,Ξέναρχος, 1) atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van Demosthenes, van wiens werken nog eenige smaakvolle fragmenten bestaan.—2)zoon van Sophron, en evenals zijn vader mimendichter. Hij leefde onder den ouden Dionysius.—3)van Seleucīa, peripatetisch wijsgeer, die omstreeks het einde der 1eeeuw te Alexandrië, Athene en Rome onderwijs gaf. Tot zijne leerlingen behoorde de geograaf Strabo.Ξενηλασία, eene wet, waarbij een staat aan vreemdelingen verbiedt, zich binnen zijn grondgebied te vestigen. Zulk eene wet bestond o. a. te Sparta.Xeniades,Ξενιάδης, 1) van Corinthe, een sophist, die dikwijls onder de sceptici genoemd wordt, daar hij het bedriegelijke der zinnelijke waarneming en de onmogelijkheid om tot de kennis der waarheid te geraken betoogd had.—2)z.Diogenesno. 2.Ξενίας γραφή, aanklacht tegen iemand, die wederrechtelijk zijn naam in de lijsten der burgers had doen opnemen. De zaak kwam voor deναυτοδίκαι, later voor de thesmotheten.Ξένιος, bijnaam van Zeus, als beschermer van het gastrecht.Xeno,Ξένων, 1) thebaansch legeraanvoerder in den peloponnesischen oorlog (413).—2)tyran van Hermione, die zich door Arātus liet overreden de heerschappij neer te leggen en tot het achaeïsch verbond toe te treden.—3)een van de Achaeërs, die in 166 als gijzelaars naar Rome gezonden werden.—Een andere X. deed te Rome moeite om de vrijlating van die gijzelaars te bewerken.—4)Athener, epicureïsch wijsgeer uit Cicero’s tijd, door hem met lof vermeld.Xenoclēa,Ξενόκλεια, priesteres van Apollo te Delphi, die weigerde aan Heracles een orakel te geven, omdat hij niet gereinigd was van den moord van Iphitus. Heracles roofde echter haar drievoet en dwong haar daardoor hem te antwoorden.Xenocles,Ξενοκλῆς, 1) zoon van Carcinus, door de blijspeldichters van zijn tijd bespot om zijne slechte treurspelen, ofschoon hij eens tegen Euripides den prijs won.—2)aanvoerder der ruiterij bij het leger van Agesilāus in Azië.—3)van Adramyttium, een redenaar, met wien Cicero tijdens zijn verblijf in Azië veel omging.Xenocrates,Ξενοκράτης, 1) broeder van Theron van Agrigentum, overwinnaar in de pythische en isthmische spelen, vriend van Pindarus.—2)van Chalcēdon, geb. 396, leerling en vriend van Plato, dien hij op de reis naar Sicilië vergezelde. Na Plato’s dood verliet hij Athene, hij keerde echter spoedig terug, volgde Speusippus als hoofd der academie op (339), en bleef dit tot zijn dood (314). Hij ontwikkelde de leer van Plato op eigenaardige wijze, zoodat sommigen hem een vervalscher van die leer noemden, daar hij stellingen van Pythagoras er in opnam en in onderwijsmethode zeer van Plato afweek; hij was de eerste die een streng onderscheid maakte tusschen waarnemen, meenen en weten en tusschen logica, physica en ethica. Bij voorkeur houdt hij zich bezig met de studie der daemonen, die volgens hem zielen van afgestorvenen zijn: zijne meer mystieke dan wijsgeerige leerstellingen op dit gebied schijnen van grooten invloedop lateren geweest te zijn. Hoewel hij in uiterlijk en manieren iets terugstootends had, werd hij algemeen geacht als een streng rechtschapen man, ook werd hij meermalen, hoewel hij een vreemdeling was, als gezant naar Philippus en Antipater gezonden. Van zijne talrijke werken is bijna niets over.—3)van Aphrodisias, grieksch geneesheer en schrijver over geneeskunde in de 1steeeuw na Chr.Xenoetas,Ξενοίτας, Achaeër, veldheer van Antiochus d. G., werd door dezen met een leger tegen den afgevallen stadhouder van Medië uitgezonden, maar werd door de vijanden overvallen en met het grootste gedeelte van zijn leger gedood (221).Xenophanes,Ξενοφάνης, van Colophon, geb. omstreeks 579, verliet vroeg zijne geboortestad en zwierf door Griekenland, Sicilië en Italië, het meest schijnt hij zich echter te Elea opgehouden te hebben. Zijn lang leven—hij werd meer dan 92 jaar oud—wijdde hij geheel aan het bestrijden van het volksgeloof en de algemeen aangenomen mythologie; in zijne met innige overtuiging geschreven en door hemzelf op de wijze der rhapsoden voorgedragen gedichten ontkende hij ten sterkste het bestaan van goden, zooals die in de gedichten van Homerus en Hesiodus voorkomen, die in hun handelen en streven, en ook in hun ondeugden, geheel op menschen gelijken; ook paarden en koeien, zeide hij, zouden, indien het hun mogelijk was godenbeelden te vervaardigen, deze maken naar hun evenbeeld. Tegenover deze voorstellingen plaatst X. zijn eigen leer, deeleatische, waarvan niet veel meer bekend is, dan dat zij de eenheid, ondeelbaarheid en onvergankelijkheid van heelal en godheid verkondigde, en die door Parmenides (z. a.) verder ontwikkeld is. Van zijne gedichten is het een en ander bewaard gebleven.Xenophantus,Ξενόφαντος, 1) Athener, vader van den dithyrambendichter Hieronymus.—2)van Thasus, beeldgieter, die voor de Atheners een beeld van Hadriānus maakte.Xenophilus,Ξενόφιλος, bevelhebber van den burcht van Susa, die zich na eene langdurige verdediging aan Seleucus overgaf en zich bij hem aansloot (316).Xenophon,Ξενοφῶν, 1) Athener, zoon van Gryllus, geb. omstreeks 430, was in zijne jeugd de leerling en een van de trouwste aanhangers van Socrates, ook kreeg hij van Prodicus onderwijs in de welsprekendheid. Na den peloponnesischen oorlog noodigde zijn vriend Proxenus hem uit, om met hem deel te nemen aan den tocht van den jongen Cyrus. X. gaf gaarne, hoewel niet geheel met goedvinden van Socrates, aan die uitnoodiging gehoor, maakte den tocht van Cyrus tegen Artaxerxes mede en streed mede in den slag bij Cunaxa. Toen op de terugreis de veldheeren der Grieken verraderlijk door Tissaphernes gevangen genomen waren, was X. de eerste die het leger moed insprak en tot volharding aanspoorde. Hij werd dan ook met vier anderen verkozen om de Grieken op hun terugtocht te leiden en verwierf zich den grootsten roem door den moed, het beleid, de zelfverloochening en volharding, waarmede hij deze taak vervulde. In weerwil van de groote moeielijkheden, hem door Perzen e. a. barbaarsche volken in den weg gelegd, zonder hulpmiddelen tegen de natuurlijke hindernissen, die zich op dien langen tocht voordeden, bracht hij het leger in vier maanden van het binnenste van Azië naar Trapezus, van daar naar Byzantium, waar zij bij Seuthes in dienst traden en eindelijk vereenigden zij zich met het spartaansche leger, dat toen onder Thibron tegen Tissaphernes en Pharnabāzus oorlog voerde. Bij dit leger bleef X., ook onder Dercylidas en Agesilāus, met wien hij zeer bevriend werd en in wien hij het ideaal van een vorst en veldheer zag. Toen Agesilāus naar Europa teruggeroepen werd, ging X. met hem mede en in den slag bij Coronēa streed hij onder zijn bevel tegen de Atheners en Thebanen (394). Uit Athene verbannen—misschien wel juist om zijn deelnemen aan dien slag—ging hij naar Sparta, en kreeg hij van de Spartanen een landgoed bij Scillus, waar hij nu vele jaren rustig leefde, zich bezighoudende met jacht en landbouw, en waar hij ook bijna al zijne werken schreef. Na de nederlaag van Sparta bij Leuctra, werd hij als vriend der Spartanen door de Eleërs uit zijne woning verdreven. Toen later Athene en Sparta zich tegen Thebe vereenigden, werd X. uit zijne ballingschap teruggeroepen (369), of hij toen naar Athene teruggekeerd is, is niet zeker, hij stierf te Corinthe (354, v. a. reeds vijf of zes jaren vroeger). Als schrijver munt X. uit door duidelijkheid en eenvoud, ofschoon deze laatste eigenschap in zijne geschiedkundige werken soms wel wat overdreven wordt; de ouden prezen hem zeer hoog, men gaf hem den naam vanἈττικὴ μέλισσαen zeide dat de godin der overreding op zijne lippen zetelde. Ten gevolge van zijn lang verblijf buiten Athene is zijn taal niet vrij van onattische uitdrukkingen en vormen. Zijne voornaamste werken zijn:Κύρου Ἀνάβασις, eene uitvoerige geschiedenis van den tocht van Cyrus en den terugtocht der 10000 Grieken, een werk, dat wegens de groote bescheidenheid, waarmede de schrijver van zichzelf spreekt, door sommigen ten onrechte aan een ander toegeschreven is (z.Themistogenes);Ἑλληνικά, een geschiedenis van Griekenland, begonnen als vervolg op Thucydides en voortgezet tot den dood van Epaminondas, een werk van groot belang voor de geschiedenis van dien tijd, hoewel geschreven met duidelijk merkbare voorliefde voor spartaansche politiek en instellingen en vooral voor zijn held, Agesilāus;Κύρου παιδεία, een meer wijsgeerig dan geschiedkundig werk, waarin de oude Cyrus als het ideaal van een volmaakt vorst naar socratische zienswijze voorgesteld wordt;Ἀπομνημονεύματα Σωκράτους, herinneringen aan Socrates, eene verzameling gesprekken van den meester, bijeengebracht methet doel om zijne nagedachtenis te verdedigen tegen den sophist Polycrates (z. a. no. 2);Συμπόσιον, een tafelgesprek, waarbij vooral Socrates het woord voert. Verscheiden kleinere werken, die den naam van X. dragen, zijn deels van minder belang, deels waarschijnlijk onecht.—2)zoon van Euripides, een van de aanvoerders der Atheners bij het beleg van Potidaea (429).—3)van Cos, geneesheer van keizer Claudius, dien hij ter wille van Agrippīna vergiftigde.—4)van Ephesus, schrijver van een griekschen roman onder den titelἘφεσιακά, τὰ κατὰ Ἀνθίαν καὶ Ἀβροκόμην; hij leefde waarschijnlijk in de 3deeeuw na C.Ξένος, vreemdeling, gast, gastvriend, huurling. Het gastrecht werd door de Grieken hoog in eere gehouden; niet alleen dat men zijne gasten zoo goed mogelijk ontving, hun geschenken gaf, enz., maar tusschen een gastheer en zijn gast bleef eene betrekking van vriendschap bestaan, die soms gedurende verscheiden geslachten aangehouden werd. Tegenover aanzienlijke vreemdelingen, gezanten e. dgl. trad soms de staat als gastheer op.—Zij, die zich in een vreemden staat vestigden, wat te Sparta e. e. niet geoorloofd was (z.ξενηλασία), werdenμέτοικοι, (z. a.) genoemd.Xerxes,Ξέρξης, 1) zoon van Darīus Hystaspis en Atossa, werd door zijn vader als troonopvolger aangewezen, hoewel hij een ouderen broeder had, daar deze geboren was, voordat Darius aan de regeering gekomen was. Na den dood van zijn vader (485) bedwong hij een opstand van Aegypte, daarna rustte hij zich toe tot een veldtocht tegen Griekenland, van verschillende kanten, vooral door Mardonius, daartoe aangedreven. Nadat hij den Hellespont had laten overbruggen en den berg Athos had laten doorgraven, ondernam hij in het voorjaar van 480 met eene ontelbare legermacht en vloot den tocht. Hij ging door Macedonië en Thessalië, drong in weerwil van den tegenstand van Leonidas door de Thermopylae en trok al plunderend tot Athene voort, dat in brand gestoken werd, terwijl zijn vloot de haven van Phalērum binnenliep. Doch na de verpletterende nederlaag bij Salamis, die hij van een op het strand opgerichten troonzetel aanzag, vluchtte hij haastig naar Azië terug, en toen in het volgende jaar Mardonius bij Plataeae en zijn vloot bij Mycale verslagen waren, zag hij van de verovering van Griekenland voor goed af. Naar Susa teruggekeerd, gaf hij zich aan allerlei wreedheden en uitspattingen over, totdat hij door Artabānus vermoord werd (465).—2)X. II, zoon van Artaxerxes I, volgde zijn vader in de regeering op (425), doch werd na weinige weken door zijn halfbroeder Sogdiānus vermoord.Xois,Ξόις, oude aegyptische stad in de Delta tusschen den Bolbitischen en den Sebennytischen Nijlarm, zetel der 14dedynastie.Xuthus,Ξοῦθος, zoon van Hellen en de nimf Orsēis, werd door zijne broeders uit Thessalië verdreven en vluchtte naar Attica, waar hij met Creūsa, de dochter van Erechtheus, huwde, bij wie hij twee zonen kreeg, Achaeus en Ion, de stamvaders der Achaeërs en Ioniërs. Toen hij na den dood van Erechtheus als scheidsrechter over de troonopvolging moest beslissen en de regeering aan Cecrops toewees, werd hij ook uit Attica door zijne zwagers verjaagd, waarop hij zich in Aegialēa vestigde.Xynia,Ξυνία, stad in het Z.W. van het thessalische landschap Phthiōtis, aan het meer van gelijken naam.Xystus, -tum,ξυστός, -τόν, in de grieksche gymnasia een overdekte zuilengang, waar de athleten zich des winters oefenden, ook een beplante wandelplaats voor de zuilengalerij der rom. landhuizen.
Xanthippe,Ξανθίππη, vrouw van Socrates, wien zij, naar men zegt, door knorren en kijven dikwijls het leven verbitterde.
Xanthippus,Ξάνθιππος, 1) Athener, die met en na Clisthenes als staatsman optrad, was een van de aanklagers van Miltiades, volgde Themistocles op als bevelhebber van de vloot, en behaalde met Leotychides de roemrijke overwinning bij Mycale. Hij was de vader van Pericles.—2)Lacedaemoniër, die in den eersten punischen oorlog aan het hoofd van een troep huurlingen naar Carthago kwam en wegens zijne bekwaamheden het opperbevel over het leger kreeg. Hij bracht aan de Rom. eene groote nederlaag toe, maar keerde spoedig naar zijn vaderland terug, toen hij zag dat zijn geluk de afgunst der Carthagers opwekte. Men zeide, dat hij op de terugreis door de carthaagsche schippers gedood was.
Xanthus,Ξάνθος, 1) z.Balius.—2)koning van Thebe, door Melanthus (z. a.) in een tweegevecht gedood.—3)van Sardes, tijdgenoot van Artaxerxes I, schrijver eener lydische geschiedenis (Λυδιακά).
Xanthus,Ξάνθος, 1) riv. bij Troje, dezelfde als de Scamander.—2)riv. in Epīrus, door Helenus aldus genoemd.—3)hoofdrivier van Lycia. Acht uren gaans boven den mond lag de stad Xanthus, met beroemde tempels van Apollo, Leto en Sarpēdon. Cyrus liet haar door zijn veldheer Harpagus belegeren; de inwoners, geene kans op redding ziende, brachten hunne tilbare have, vrouwen en kinderen op den burg, staken dezen in brand en sneuvelden zelven tot den laatsten man tegen de Perzen. Later is de stad steeds zetel van de bondsregeering, zieLycia. In 42 veroverden Brutus en Cassius de stad; doch de inwoners staken ze in brand en brachten zichzelven om het leven.
Xenarchus,Ξέναρχος, 1) atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van Demosthenes, van wiens werken nog eenige smaakvolle fragmenten bestaan.—2)zoon van Sophron, en evenals zijn vader mimendichter. Hij leefde onder den ouden Dionysius.—3)van Seleucīa, peripatetisch wijsgeer, die omstreeks het einde der 1eeeuw te Alexandrië, Athene en Rome onderwijs gaf. Tot zijne leerlingen behoorde de geograaf Strabo.
Ξενηλασία, eene wet, waarbij een staat aan vreemdelingen verbiedt, zich binnen zijn grondgebied te vestigen. Zulk eene wet bestond o. a. te Sparta.
Xeniades,Ξενιάδης, 1) van Corinthe, een sophist, die dikwijls onder de sceptici genoemd wordt, daar hij het bedriegelijke der zinnelijke waarneming en de onmogelijkheid om tot de kennis der waarheid te geraken betoogd had.—2)z.Diogenesno. 2.
Ξενίας γραφή, aanklacht tegen iemand, die wederrechtelijk zijn naam in de lijsten der burgers had doen opnemen. De zaak kwam voor deναυτοδίκαι, later voor de thesmotheten.
Ξένιος, bijnaam van Zeus, als beschermer van het gastrecht.
Xeno,Ξένων, 1) thebaansch legeraanvoerder in den peloponnesischen oorlog (413).—2)tyran van Hermione, die zich door Arātus liet overreden de heerschappij neer te leggen en tot het achaeïsch verbond toe te treden.—3)een van de Achaeërs, die in 166 als gijzelaars naar Rome gezonden werden.—Een andere X. deed te Rome moeite om de vrijlating van die gijzelaars te bewerken.—4)Athener, epicureïsch wijsgeer uit Cicero’s tijd, door hem met lof vermeld.
Xenoclēa,Ξενόκλεια, priesteres van Apollo te Delphi, die weigerde aan Heracles een orakel te geven, omdat hij niet gereinigd was van den moord van Iphitus. Heracles roofde echter haar drievoet en dwong haar daardoor hem te antwoorden.
Xenocles,Ξενοκλῆς, 1) zoon van Carcinus, door de blijspeldichters van zijn tijd bespot om zijne slechte treurspelen, ofschoon hij eens tegen Euripides den prijs won.—2)aanvoerder der ruiterij bij het leger van Agesilāus in Azië.—3)van Adramyttium, een redenaar, met wien Cicero tijdens zijn verblijf in Azië veel omging.
Xenocrates,Ξενοκράτης, 1) broeder van Theron van Agrigentum, overwinnaar in de pythische en isthmische spelen, vriend van Pindarus.—2)van Chalcēdon, geb. 396, leerling en vriend van Plato, dien hij op de reis naar Sicilië vergezelde. Na Plato’s dood verliet hij Athene, hij keerde echter spoedig terug, volgde Speusippus als hoofd der academie op (339), en bleef dit tot zijn dood (314). Hij ontwikkelde de leer van Plato op eigenaardige wijze, zoodat sommigen hem een vervalscher van die leer noemden, daar hij stellingen van Pythagoras er in opnam en in onderwijsmethode zeer van Plato afweek; hij was de eerste die een streng onderscheid maakte tusschen waarnemen, meenen en weten en tusschen logica, physica en ethica. Bij voorkeur houdt hij zich bezig met de studie der daemonen, die volgens hem zielen van afgestorvenen zijn: zijne meer mystieke dan wijsgeerige leerstellingen op dit gebied schijnen van grooten invloedop lateren geweest te zijn. Hoewel hij in uiterlijk en manieren iets terugstootends had, werd hij algemeen geacht als een streng rechtschapen man, ook werd hij meermalen, hoewel hij een vreemdeling was, als gezant naar Philippus en Antipater gezonden. Van zijne talrijke werken is bijna niets over.—3)van Aphrodisias, grieksch geneesheer en schrijver over geneeskunde in de 1steeeuw na Chr.
Xenoetas,Ξενοίτας, Achaeër, veldheer van Antiochus d. G., werd door dezen met een leger tegen den afgevallen stadhouder van Medië uitgezonden, maar werd door de vijanden overvallen en met het grootste gedeelte van zijn leger gedood (221).
Xenophanes,Ξενοφάνης, van Colophon, geb. omstreeks 579, verliet vroeg zijne geboortestad en zwierf door Griekenland, Sicilië en Italië, het meest schijnt hij zich echter te Elea opgehouden te hebben. Zijn lang leven—hij werd meer dan 92 jaar oud—wijdde hij geheel aan het bestrijden van het volksgeloof en de algemeen aangenomen mythologie; in zijne met innige overtuiging geschreven en door hemzelf op de wijze der rhapsoden voorgedragen gedichten ontkende hij ten sterkste het bestaan van goden, zooals die in de gedichten van Homerus en Hesiodus voorkomen, die in hun handelen en streven, en ook in hun ondeugden, geheel op menschen gelijken; ook paarden en koeien, zeide hij, zouden, indien het hun mogelijk was godenbeelden te vervaardigen, deze maken naar hun evenbeeld. Tegenover deze voorstellingen plaatst X. zijn eigen leer, deeleatische, waarvan niet veel meer bekend is, dan dat zij de eenheid, ondeelbaarheid en onvergankelijkheid van heelal en godheid verkondigde, en die door Parmenides (z. a.) verder ontwikkeld is. Van zijne gedichten is het een en ander bewaard gebleven.
Xenophantus,Ξενόφαντος, 1) Athener, vader van den dithyrambendichter Hieronymus.—2)van Thasus, beeldgieter, die voor de Atheners een beeld van Hadriānus maakte.
Xenophilus,Ξενόφιλος, bevelhebber van den burcht van Susa, die zich na eene langdurige verdediging aan Seleucus overgaf en zich bij hem aansloot (316).
Xenophon,Ξενοφῶν, 1) Athener, zoon van Gryllus, geb. omstreeks 430, was in zijne jeugd de leerling en een van de trouwste aanhangers van Socrates, ook kreeg hij van Prodicus onderwijs in de welsprekendheid. Na den peloponnesischen oorlog noodigde zijn vriend Proxenus hem uit, om met hem deel te nemen aan den tocht van den jongen Cyrus. X. gaf gaarne, hoewel niet geheel met goedvinden van Socrates, aan die uitnoodiging gehoor, maakte den tocht van Cyrus tegen Artaxerxes mede en streed mede in den slag bij Cunaxa. Toen op de terugreis de veldheeren der Grieken verraderlijk door Tissaphernes gevangen genomen waren, was X. de eerste die het leger moed insprak en tot volharding aanspoorde. Hij werd dan ook met vier anderen verkozen om de Grieken op hun terugtocht te leiden en verwierf zich den grootsten roem door den moed, het beleid, de zelfverloochening en volharding, waarmede hij deze taak vervulde. In weerwil van de groote moeielijkheden, hem door Perzen e. a. barbaarsche volken in den weg gelegd, zonder hulpmiddelen tegen de natuurlijke hindernissen, die zich op dien langen tocht voordeden, bracht hij het leger in vier maanden van het binnenste van Azië naar Trapezus, van daar naar Byzantium, waar zij bij Seuthes in dienst traden en eindelijk vereenigden zij zich met het spartaansche leger, dat toen onder Thibron tegen Tissaphernes en Pharnabāzus oorlog voerde. Bij dit leger bleef X., ook onder Dercylidas en Agesilāus, met wien hij zeer bevriend werd en in wien hij het ideaal van een vorst en veldheer zag. Toen Agesilāus naar Europa teruggeroepen werd, ging X. met hem mede en in den slag bij Coronēa streed hij onder zijn bevel tegen de Atheners en Thebanen (394). Uit Athene verbannen—misschien wel juist om zijn deelnemen aan dien slag—ging hij naar Sparta, en kreeg hij van de Spartanen een landgoed bij Scillus, waar hij nu vele jaren rustig leefde, zich bezighoudende met jacht en landbouw, en waar hij ook bijna al zijne werken schreef. Na de nederlaag van Sparta bij Leuctra, werd hij als vriend der Spartanen door de Eleërs uit zijne woning verdreven. Toen later Athene en Sparta zich tegen Thebe vereenigden, werd X. uit zijne ballingschap teruggeroepen (369), of hij toen naar Athene teruggekeerd is, is niet zeker, hij stierf te Corinthe (354, v. a. reeds vijf of zes jaren vroeger). Als schrijver munt X. uit door duidelijkheid en eenvoud, ofschoon deze laatste eigenschap in zijne geschiedkundige werken soms wel wat overdreven wordt; de ouden prezen hem zeer hoog, men gaf hem den naam vanἈττικὴ μέλισσαen zeide dat de godin der overreding op zijne lippen zetelde. Ten gevolge van zijn lang verblijf buiten Athene is zijn taal niet vrij van onattische uitdrukkingen en vormen. Zijne voornaamste werken zijn:Κύρου Ἀνάβασις, eene uitvoerige geschiedenis van den tocht van Cyrus en den terugtocht der 10000 Grieken, een werk, dat wegens de groote bescheidenheid, waarmede de schrijver van zichzelf spreekt, door sommigen ten onrechte aan een ander toegeschreven is (z.Themistogenes);Ἑλληνικά, een geschiedenis van Griekenland, begonnen als vervolg op Thucydides en voortgezet tot den dood van Epaminondas, een werk van groot belang voor de geschiedenis van dien tijd, hoewel geschreven met duidelijk merkbare voorliefde voor spartaansche politiek en instellingen en vooral voor zijn held, Agesilāus;Κύρου παιδεία, een meer wijsgeerig dan geschiedkundig werk, waarin de oude Cyrus als het ideaal van een volmaakt vorst naar socratische zienswijze voorgesteld wordt;Ἀπομνημονεύματα Σωκράτους, herinneringen aan Socrates, eene verzameling gesprekken van den meester, bijeengebracht methet doel om zijne nagedachtenis te verdedigen tegen den sophist Polycrates (z. a. no. 2);Συμπόσιον, een tafelgesprek, waarbij vooral Socrates het woord voert. Verscheiden kleinere werken, die den naam van X. dragen, zijn deels van minder belang, deels waarschijnlijk onecht.—2)zoon van Euripides, een van de aanvoerders der Atheners bij het beleg van Potidaea (429).—3)van Cos, geneesheer van keizer Claudius, dien hij ter wille van Agrippīna vergiftigde.—4)van Ephesus, schrijver van een griekschen roman onder den titelἘφεσιακά, τὰ κατὰ Ἀνθίαν καὶ Ἀβροκόμην; hij leefde waarschijnlijk in de 3deeeuw na C.
Ξένος, vreemdeling, gast, gastvriend, huurling. Het gastrecht werd door de Grieken hoog in eere gehouden; niet alleen dat men zijne gasten zoo goed mogelijk ontving, hun geschenken gaf, enz., maar tusschen een gastheer en zijn gast bleef eene betrekking van vriendschap bestaan, die soms gedurende verscheiden geslachten aangehouden werd. Tegenover aanzienlijke vreemdelingen, gezanten e. dgl. trad soms de staat als gastheer op.—Zij, die zich in een vreemden staat vestigden, wat te Sparta e. e. niet geoorloofd was (z.ξενηλασία), werdenμέτοικοι, (z. a.) genoemd.
Xerxes,Ξέρξης, 1) zoon van Darīus Hystaspis en Atossa, werd door zijn vader als troonopvolger aangewezen, hoewel hij een ouderen broeder had, daar deze geboren was, voordat Darius aan de regeering gekomen was. Na den dood van zijn vader (485) bedwong hij een opstand van Aegypte, daarna rustte hij zich toe tot een veldtocht tegen Griekenland, van verschillende kanten, vooral door Mardonius, daartoe aangedreven. Nadat hij den Hellespont had laten overbruggen en den berg Athos had laten doorgraven, ondernam hij in het voorjaar van 480 met eene ontelbare legermacht en vloot den tocht. Hij ging door Macedonië en Thessalië, drong in weerwil van den tegenstand van Leonidas door de Thermopylae en trok al plunderend tot Athene voort, dat in brand gestoken werd, terwijl zijn vloot de haven van Phalērum binnenliep. Doch na de verpletterende nederlaag bij Salamis, die hij van een op het strand opgerichten troonzetel aanzag, vluchtte hij haastig naar Azië terug, en toen in het volgende jaar Mardonius bij Plataeae en zijn vloot bij Mycale verslagen waren, zag hij van de verovering van Griekenland voor goed af. Naar Susa teruggekeerd, gaf hij zich aan allerlei wreedheden en uitspattingen over, totdat hij door Artabānus vermoord werd (465).—2)X. II, zoon van Artaxerxes I, volgde zijn vader in de regeering op (425), doch werd na weinige weken door zijn halfbroeder Sogdiānus vermoord.
Xois,Ξόις, oude aegyptische stad in de Delta tusschen den Bolbitischen en den Sebennytischen Nijlarm, zetel der 14dedynastie.
Xuthus,Ξοῦθος, zoon van Hellen en de nimf Orsēis, werd door zijne broeders uit Thessalië verdreven en vluchtte naar Attica, waar hij met Creūsa, de dochter van Erechtheus, huwde, bij wie hij twee zonen kreeg, Achaeus en Ion, de stamvaders der Achaeërs en Ioniërs. Toen hij na den dood van Erechtheus als scheidsrechter over de troonopvolging moest beslissen en de regeering aan Cecrops toewees, werd hij ook uit Attica door zijne zwagers verjaagd, waarop hij zich in Aegialēa vestigde.
Xynia,Ξυνία, stad in het Z.W. van het thessalische landschap Phthiōtis, aan het meer van gelijken naam.
Xystus, -tum,ξυστός, -τόν, in de grieksche gymnasia een overdekte zuilengang, waar de athleten zich des winters oefenden, ook een beplante wandelplaats voor de zuilengalerij der rom. landhuizen.
Z.Zabatus,Ζαβάτος, ook Lycus geheeten, rivier in Assyria, zijtak van den Tigris, ontspringt in de bergen van Armenia.Zacynthus,Ζάκυνθος, thans Zante, een der Ionische eilanden, in de Ionische zee tegenover Elis gelegen, vruchtbaar en boschrijk (thans niet meer). Het behoorde tot het gebied van Ulysses. Het eiland leverde aardpek. De hoofdstad, ook Zacynthus geheeten, was eene belangrijke plaats.Zadracarta(plur.),τὰ Ζαδράκαρτα, hoofdstad van het perzische gewest Hyrcania.Zagreus,Ζαγρεύς, bijnaam van Dionȳsus, waaronder hij in de orphische mysteriën vereerd werd. Hij wordt de zoon van Zeus en Demēter of Persephone genoemd en was door Zeus tot beheerscher van het heelal bestemd, doch Hera zette de Titanen tegen hem op, die hem verscheurden en verslonden. Alleen zijn hart werd door Athēna gered en aan Zeus gebracht, die het verslond en daarna Dionȳsus voortbracht, vlg.Sabazius. De schuldige Titanen werden door den bliksem tot asch verteerd, en uit deze asch, vermengd met het bloed van Zagreus, waren de menschen ontstaan.Zagrus,Ζαγρός, gebergte tusschen Media ten O. en Susiāna en Assyria ten W. Het noordelijk gedeelte wordt ookChoāthrasgenoemd.Ζάκορος=νεωκόρος.Zaleucus,Ζάλευκος, wetgever der epizephyrische Locriërs, leefde waarschijnlijk in het midden der 7deeeuw. Zijne wetten waren, naar men verhaalde, de eerste die op schrift gebracht werden en hadden evenzeer betrekking op het bizonder leven der burgers als op de staatsregeling.Zama, bijgenaamdRegia, vesting in de provincie Africa, in het N. van Byzacēne,op de grenzen van Zeugitāna, 4 of 5 dagreizen ten Z.W. van Carthago. In den omtrek werd in den herfst van 202 de beslissende slag tusschen Scipio en Hannibal geleverd.Zamolxis,Ζάμολξις, Ζάλμοξις, een Gete of Thraciër, wiens geschiedenis met vele verdichtsels doorweven is. Hij was slaaf geweest bij Pythagoras, doch werd door dezen vrijgelaten, reisde door Griekenland, en keerde als een wijs en rijk man naar zijn vaderland terug, waar hij den grondslag legde van godsdienst en hoogere beschaving. Na zijn dood werd hij als daemon vereerd.Zancle,Ζάγκλη, oude naam van de stad Messāna op Sicilia. ZieMessana.Zarangae,Ζαράγγαι, bewoners van Drangiāne (z. a.).Zariaspa(gen.-ae),τὰ Ζαρίασπα, zieBactra.Zea,Ζέα, een van deoorlogshavensvan den Piraeus, aan de Oostzijde gelegen.Zeilas,Ζηίλας, Ζήλας, oudste zoon van Nicomēdes I. Daar zijn vader een jongeren broeder als troonopvolger had aangewezen, ging hij naar Armenië, van waar hij na zijn vaders dood terugkwam en zich met geweld van de regeering meester maakte. Hij werd omstreeks 236 bij een feestmaal door gallische soldaten vermoord.Zela,τὰ Ζῆλα, sterkte in het binnenland van Pontus, ten Z. van Amasēa, met verschillende tempels. Hier behaalde Mithradātes in 67 de overwinning op Lucullus’ legaat Triarius en Caesar in 47 op Pharnaces.Zelīaof-ēa,Ζέλεια, oude stad in Noord-Phrygia, aan den Aesēpus. Hier trok Darīus III zijn eerste leger tegen Alexander d. Gr. bijeen.Zeno,Ζήνων, 1) zoon van Polemo no. 4, door de Armeniërs tot koning verkozen en door Germanicus als zoodanig bevestigd.—2)van Elea, geb. omstreeks 490, leerling en vriend van Parmenides, met wien hij naar Athene reisde. V. s. had hij een aanslag tegen een tyran, Nearchus of Diomedon, met den marteldood moeten boeten. Hij verdedigde in verscheiden geschriften, die alle verloren zijn, de eleatische leer door de indirecte bewijsvoering uit het ongerijmde.—3)van Citium, zoon van Mnaseas, geb. 336, v. a. 362. Zijn vader, die koopman was, had ook hem voor den handel bestemd, ofschoon hij reeds vroeg de wijsgeerige geschriften van Xenophon en Plato ijverig bestudeerd had. Toen hij nu op den leeftijd van 22 jaar ten gevolge van een schipbreuk te Athene gekomen was, besloot hij daar te blijven en zich geheel aan de studie der wijsbegeerte te wijden. Hij sloot zich eerst bij Crates, den cynicus, aan, van wiens invloed de oudere werken van Z. talrijke blijken moeten gegeven hebben, wendde zich later tot Stilpo, Xenocrates en Polemo, en trad omstreeks 310 met een eigen leer op, die naar deποικίλη στοά, de plaats waar hij zijne voordrachten hield, destoischegenoemd wordt. Hij stond te Athene in hoog aanzien, vormde vele leerlingen, en werd van staatswege met een gouden krans, en toen hij in 264 (v. s. door zelfmoord) gestorven was, met een metalen grafteeken en een standbeeld vereerd. Van zijn werken zijn slechts weinige fragmenten tot ons gekomen.—De bron van alle kennis is volgens Z. zinnelijke waarneming; alleen wat zóó waar te nemen is bestaat, terwijl eerst herhaalde waarnemingen ons in staat stellen van het bizondere tot het algemeene te besluiten. Alles bestaat uit twee elementen, die onafscheidelijk met elkander verbonden zijn: stof en kracht. De kracht, die zich in het heelal werkzaam toont, is de godheid. De stof bestaat oorspronkelijk als een zeer fijn vuur, waaruit door verdichting lucht, water en aarde ontstaan, en waarin eens de geheele wereld weder moet opgaan (ἐκπύρωσις), om later opnieuw er uit voort te komen. De ziel is aan het vuur verwant en niet onsterfelijk, hoewel zij langer leeft dan het lichaam. Het hoogste goed is de deugd, die men niet bereikt door bespiegeling, maar door te leven in overeenstemming met de natuur of den goddelijken wil. Deugd alleen is goed in den volsten zin van het woord, evenals de ondeugd slecht is, alle andere dingen zijn onverschillig, hoewel niet alle in gelijke mate. Genot is niet het doel van het leven, maar is van nature met deugdzaam handelen verbonden. De ware wijze is het volmaakste van alle wezens, hij kan zich door deugd zelfs tot de hoogte van Zeus verheffen, hij alleen is vrij, is heer en koning, en kan naar verkiezing ook over zijn leven beschikken.—Vooral onder de Rom., die in 155 door Diogenes den Babyloniër met de stoische leer kennis maakten, vond zij in de laatste tijden der republiek en onder de keizers vele aanhangers.—4)van Tarsus, leerling van Chrysippus en na diens dood hoofd der stoicijnsche school.—5)van Sidon, geb. ± 150, hoofd der epicureïsche school, wiens voordrachten Cicero en Atticus gaarne hoorden.—6)van Rhodus, schrijver eener rhodische geschiedenis, omstreeks 200.Zenobia,Ζηνοβία, 1) echtgenoote van Odenāthus (z. a.), nam na diens dood in 267 na C. zelve het bewind over Palmȳra in handen als regentes voor hunne twee onmondige zoons. Te midden der verwarring in het rom. rijk, breidde zij haar gebied uit over Syrië, Aegypte, Vóór-Azië, totdat zij in 272 door keizer Aureliānus werd gestuit. Bij Emesa werd de beslissende slag geleverd. Zenobia moest naar Palmyra vluchten, dat belegerd en ingenomen werd (272), zij moest den zegetocht van Aurelianus te Rome opluisteren, doch kreeg vervolgens een landgoed bij Tibur, waar zij met hare kinderen hare verdere dagen sleet. Zij was eene vrouw van zeldzame schoonheid en buitengewone gaven, zij sprak verscheiden talen, o. a. Latijn, Grieksch, Syrisch, Aegyptisch. Zij was een stoute paardrijdster, maar trok ook meermalen mijlen ver te voet aan het hoofd harer troepen op. Vermoedelijk behoorde zij tot het israëlietische geloof.—2)armenische koningsdochter, gehuwd met haar neef Rhadamistus, die den troon van Armenië overweldigd had. Toen in 54 na C. deParthen onder Vologeses I en Tiridātes Armenia veroverden en Rhadamistus moest vluchten, smeekte zij haar echtgenoot haar te dooden, opdat zij niet in handen der Parthen zou vallen. Rhadamistus bracht haar met zijn zwaard eene wond toe en wierp haar in den Araxes. Zij werd echter door herders gered en viel nu toch in handen van Tiridates, die haar echter met grooten eerbied behandelde.Zenobius,Ζηνόβιος, grieksch sophist omstreeks 200 na C.; hij schreef eene verzameling spreekwoorden en vertaalde de geschiedenis van Sallustius in het grieksch.Zenodotus,Ζηνόδοτος, van Ephesus, leermeester der zonen van Ptolemaeus Lagi en onder Ptolemaeus Philadelphus hoofd der bibliotheek van Alexandrië, was een geleerd taalkundige en criticus, die vooral aan Homerus veel studie wijdde.—Nog twee personen van denzelfden naam komen voor als schrijvers van werken over Homerus en zijne gedichten.Zephyrium,Ζεφύριον, Westkaap, naam van onderscheidene voorgebergten, o. a. 1) een der kapen aan de Z.O. punt van Italië, waarnaar de stad Locri Epizephyrii, die ten N. daarvan ligt, haar naam draagt.—2)aan de Z.W. kust van Cyprus, bij Paphus.—3)in Cilicia bij Soli.—4)in Cyrenaica.—5)in Aegypte.Zephyrus,Ζέφυρος, de Westenwind, zieWindstreken.Zerynthus,Ζήρυνθος, stad op de Zuidkust van Thracia, bij Aenus, met een Apollo-tempel en een grot van Hecate in de nabijheid. De stad behoorde tot het vastelandsgebied van Samothrace.Zetes,Ζήτης, z.Calais.Ζητηταί, te Athene buitengewone commissarissen, die benoemd werden, wanneer er vermoeden bestond dat een misdaad gepleegd was, zonder dat iemand als aanklager optrad; zij moesten de zaak onderzoeken en haar, wanneer zij daartoe grond vonden, voor den bevoegden rechter brengen. Vooral geschiedde dit, wanneer men vermoedde dat gelden van den staat verduisterd waren.Zethus,Ζῆθος, tweelingbroeder van Amphīon (z. a.). Geheel verschillend van dezen, was hij ruw van aard en hield hij zich bij voorkeur als jager in de bergen op. Hij was gehuwd met Aēdon (z. a.).Ζευγῖται, atheensche burgers der derde klasse volgens de indeeling van Solon, zij die jaarlijks van hunne goederen 200–300 medimnen of metreten oogstten. Tot 458 konden zij alleen lagere ambten bekleeden, eerst toen werd ook het archontaat voor hen toegankelijk.Zeugitāna,Ζευγιτανή, het noordelijk gedeelte der rom. provincie Africa propria.Zeugma,Ζεῦγμα, stad in het Syrische distrikt Cyrrhestica, aan den Euphraat tegenover Apamēa. Alexander de Gr. had op dit punt eene schipbrug over den stroom geslagen, waardoor Thapsacus (z. a.) als punt van overgang minder gebruikt werd. Aan de syrische zijde dezer brug stichtte Seleucus Nicātor de stad Zeugma.Zeus van het Vaticaan.Zeus van het Vaticaan.Zeus,Ζεύς,Jupiter, zoon van Cronus en Rhea (Κρονίδης, Κρονίων,Saturnius), de hoogste god der Grieken, beheerscher van het heelal. Van zijne oorspronkelijke beteekenis als natuurgod getuigden in lateren tijd nog de wijze, waarop hij te Dodōna, op Creta, in Arcadië e. e. vereerd werd. Te Dodōna bestond sedert zeer oude tijden een heiligdomvan Zeus (Δωδωναῖος, Πελασγικός), met een orakel, dat later wel door het delphische overvleugeld werd, maar toch steeds in hoog aanzien bleef; de god verkondigde daar zijn wil door het ruischen der bladeren van den heiligen eik, dat door zijne priesters, de Selli (z. a.), verklaard werd; zijn dienst was nauw verbonden met dien van Gaea, terwijl Diōne (z. a.) zijne gemalin genoemd werd. Op Creta was de jonge Zeus volgens het verhaal geboren, voor zijn vader verborgen gehouden en door nimfen opgevoed, ook toonde men er zijn graf; ieder jaar werd daar zijn dood en opstanding, zinnebeelden van het jaarlijksche sterven en herleven der natuur, op orgiastische wijze gevierd, waarbij de Cureten wapendansen uitvoerden (z.Rhea Cybele). Hier, evenals in Arcadië, Boeotië en Thessalië werden hem in de oudste tijden menschenoffers gebracht. Maar sedert hij de regeering aan Cronus (z. a.) ontnomen en de Titanen (z. a.) overwonnen heeft, is hij de god, die de orde in natuur en maatschappij in stand houdt, hij troont op den top van den Olympus, die zich tot in de wolken verheft en beheerscht van daar de natuurverschijnselen; als hij de aegis zwaait (αἰγιόχος), verwekt hij storm en onweder (νεφεληγερέτα, κελαινεφής, ὑψιβρεμέτης, ἐρίγδουπος), de bliksem is zijn vreeselijk wapen (τερπικέραυνος, ἀστεροπητής), maar aan den anderen kant jaagt hij ook de wolken uiteen en geeft hij helder weder en gunstigen wind (αἴθριος, οὔριος), de Horen zijn zijne dochters en dienaressen. Onder de menschen staat alles wat voor de heerschappij van orde, wet en recht bevorderlijk kan zijn, onder zijne hoede; hij beschermt het huisgezin (ἑρκεῖος, ἐφέστιος), het huwelijk (γαμήλιος, τέλειος, ζύγιος), den gast (ξένιος) en den hulpbehoevenden vreemdeling (ἱκέσιος), evenals de geheele burgerij (πολιεύς, φράτριος), en de vergaderingen, waarin zij over hare belangen beraadslaagt (ἀγοραῖος, βουλαῖος), hij straft ongerechtigheid (ἀλάστωρ), waakt tegen het schenden van den eed (ὅρκιος), kortom, hij is het die alle kwaad van den mensch afweert (σωτήρ, ἀλεξίκακος); zelfs vergunt hij hem een blik in de toekomst te slaan en verkondigt hij hem zijn wil door orakels, natuurverschijnsels en wonderteekens (πανομφαῖος). Zijne macht is grooter dan die van alle andere goden, en wanneer sommige van hen, zooals vooral zijne zuster en gemalin Hera, zich tegen hem trachten te verzetten, boeten zij dit met zware straffen. Alleen aan de beschikking der Moera is ook hij onderworpen, waar deze hem niet in den weg staat, is hij almachtig. Meer dan van eenig ander god is zijn dienst door geheel Griekenland verbreid (Ἑλλήνιος, Πανελλήνιος), en het groote nationale feest te Olympia wordt ter eere van hem gevierd (Ὀλύμπιος, ἐναγώνιος), bijna ieder deel van Griekenland had als heros een zoon van Zeus, vandaar de verhalen van zijne talrijke minnerijen met sterfelijke vrouwen (Semele, Io, Danaë, Leda, e. a.), en van de vele kinderen bij haar verwekt (Dionȳsus, Heracles, Perseus, Castor en Pollux, enz.). Bij Hera is hij vader van Ares, Hephaestus en Hebe, bij andere godinnen van Apollo, Artemis, Hermes, Persephone, Aphrodīte, de Muzen, de Charites, de Horen en de Moeren; Pallas Athēna is door hem alleen voortgebracht. De arend, de eik en de toppen der bergen zijn hem gewijd. Hij werd afgebeeld als eene krachtige, majestueuze gestalte, met vriendelijke trekken, vollen baard, dicht hoofdhaar, gewelfd voorhoofd en groote oogen. Bovenal beroemd was het door Phidias (z. a.) vervaardigde, tallooze malen nagevolgde, maar nooit geëvenaarde beeld van Zeus te Olympia.Zeuxidāmus,Ζευξίδαμος, 1) kleinzoon en opvolger van den spartaanschen koning Theopompus (720).—2)vader van Archidāmus II.Zeuxippus,Ζεύξιππος, Boeotiër, streed onder de Rom. tegen Philippus III van Macedonië. Hij werd uit zijn vaderland verbannen en in weerwil van de bemoeiingen der Rom. niet teruggeroepen.Zeuxis,Ζεῦξις, 1) veldheer van Antiochus d. G., na den oorlog tegen de Rom. als gezant naar Rome gezonden.—2)van Heraclēa in Italië, een van de beroemdste grieksche schilders, leerling van Apollodōrus (± 400). Hij muntte vooral uit in het schilderen van vrouwenbeelden, bovenal beroemd waren onder zijne werken eene Penelope en eene Helena, die in den tempel van Hera Lacinia opgehangen werd. Z.Parrhasius.Zipoetes,Ζιποίτης, 1) bithynisch vorst (326–281), die ten tijde van Alexander den Gr. zijn gebied door de onderwerping van verscheiden grieksche koloniën uitbreidde, zich ook tegen Lysimachus en Seleucus staande hield en eindelijk (297) den titel van koning van Bithynië aannam.—2)zoon van den vorigen, trachtte de regeering aan zijn broeder, Nicomēdes I, te ontrukken, maar werd overwonnen en gedood (277).Zoilus,Ζωίλος, grieksch rhetor van Amphipolis, in de vierde eeuw. Wegens zijne kleingeestige vitterijen op Homerus kreeg hij den bijnaamὉμηρομάστιξ.Zone,Ζώνη, kaap en stad op de Zuidkust van Thracia in het gebied der Cicones.Zopyrus,Ζώπυρος, 1) zoon van Megabȳzus, een voornaam Pers, diende in het leger van Darīus Hystaspis, toen deze Babylon belegerde. Daar de stad niet genomen konde worden, verminkte Z. zich op gruwelijke wijze, liep toen, onder voorwendsel dat hij door Darius zoo mishandeld was, tot de Babyloniërs over, en nadat hij hierdoor het vertrouwen der inwoners gewonnen had en aan het hoofd van de troepen gesteld was, gaf hij de stad verraderlijk over. Darius beloonde hem door hem levenslang satraap van Babylon te maken, hij werd echter later bij een opstand gedood.—2)kleinzoon van den vorigen, nam deel aan de samenzwering van zijn vader Megabȳzus (no. 2) en vluchtte naar Athene.—3)gelaatkundige, die beweerde dat volgens zijne wetenschap Socrates met verscheiden ondeugden behept moest zijn, wat deze volstrekt niet tegensprak.Zoroaster,Ζωροάστρης, stichtte in zeer oude tijden den perzischen Ormuzdienst. Sedert de Grieken met zijne leer bekend werden, gold hij dikwijls als de eerste sterrenkundige, sterrenwichelaar en toovenaar.Zosimus,Ζώσιμος, grieksch geschiedschrijver in de 2dehelft der 5deeeuw n. C., schreef eene geschiedenis van den rom. keizertijd, die niet zonder verdiensten is, maar ontsierd wordt door zijne partijdigheid tegen het Christendom en christelijk gezinde keizers.Zoster,Ζωστήρ=gordelkaap, op de Westkust van Attica, een uitlooper van den Hymettus, met altaren van Athēna, Leto, Apollo, en Artemis.Ζυγία, bijnaam van Hera als godin van het huwelijk.
Zabatus,Ζαβάτος, ook Lycus geheeten, rivier in Assyria, zijtak van den Tigris, ontspringt in de bergen van Armenia.
Zacynthus,Ζάκυνθος, thans Zante, een der Ionische eilanden, in de Ionische zee tegenover Elis gelegen, vruchtbaar en boschrijk (thans niet meer). Het behoorde tot het gebied van Ulysses. Het eiland leverde aardpek. De hoofdstad, ook Zacynthus geheeten, was eene belangrijke plaats.
Zadracarta(plur.),τὰ Ζαδράκαρτα, hoofdstad van het perzische gewest Hyrcania.
Zagreus,Ζαγρεύς, bijnaam van Dionȳsus, waaronder hij in de orphische mysteriën vereerd werd. Hij wordt de zoon van Zeus en Demēter of Persephone genoemd en was door Zeus tot beheerscher van het heelal bestemd, doch Hera zette de Titanen tegen hem op, die hem verscheurden en verslonden. Alleen zijn hart werd door Athēna gered en aan Zeus gebracht, die het verslond en daarna Dionȳsus voortbracht, vlg.Sabazius. De schuldige Titanen werden door den bliksem tot asch verteerd, en uit deze asch, vermengd met het bloed van Zagreus, waren de menschen ontstaan.
Zagrus,Ζαγρός, gebergte tusschen Media ten O. en Susiāna en Assyria ten W. Het noordelijk gedeelte wordt ookChoāthrasgenoemd.
Ζάκορος=νεωκόρος.
Zaleucus,Ζάλευκος, wetgever der epizephyrische Locriërs, leefde waarschijnlijk in het midden der 7deeeuw. Zijne wetten waren, naar men verhaalde, de eerste die op schrift gebracht werden en hadden evenzeer betrekking op het bizonder leven der burgers als op de staatsregeling.
Zama, bijgenaamdRegia, vesting in de provincie Africa, in het N. van Byzacēne,op de grenzen van Zeugitāna, 4 of 5 dagreizen ten Z.W. van Carthago. In den omtrek werd in den herfst van 202 de beslissende slag tusschen Scipio en Hannibal geleverd.
Zamolxis,Ζάμολξις, Ζάλμοξις, een Gete of Thraciër, wiens geschiedenis met vele verdichtsels doorweven is. Hij was slaaf geweest bij Pythagoras, doch werd door dezen vrijgelaten, reisde door Griekenland, en keerde als een wijs en rijk man naar zijn vaderland terug, waar hij den grondslag legde van godsdienst en hoogere beschaving. Na zijn dood werd hij als daemon vereerd.
Zancle,Ζάγκλη, oude naam van de stad Messāna op Sicilia. ZieMessana.
Zarangae,Ζαράγγαι, bewoners van Drangiāne (z. a.).
Zariaspa(gen.-ae),τὰ Ζαρίασπα, zieBactra.
Zea,Ζέα, een van deoorlogshavensvan den Piraeus, aan de Oostzijde gelegen.
Zeilas,Ζηίλας, Ζήλας, oudste zoon van Nicomēdes I. Daar zijn vader een jongeren broeder als troonopvolger had aangewezen, ging hij naar Armenië, van waar hij na zijn vaders dood terugkwam en zich met geweld van de regeering meester maakte. Hij werd omstreeks 236 bij een feestmaal door gallische soldaten vermoord.
Zela,τὰ Ζῆλα, sterkte in het binnenland van Pontus, ten Z. van Amasēa, met verschillende tempels. Hier behaalde Mithradātes in 67 de overwinning op Lucullus’ legaat Triarius en Caesar in 47 op Pharnaces.
Zelīaof-ēa,Ζέλεια, oude stad in Noord-Phrygia, aan den Aesēpus. Hier trok Darīus III zijn eerste leger tegen Alexander d. Gr. bijeen.
Zeno,Ζήνων, 1) zoon van Polemo no. 4, door de Armeniërs tot koning verkozen en door Germanicus als zoodanig bevestigd.—2)van Elea, geb. omstreeks 490, leerling en vriend van Parmenides, met wien hij naar Athene reisde. V. s. had hij een aanslag tegen een tyran, Nearchus of Diomedon, met den marteldood moeten boeten. Hij verdedigde in verscheiden geschriften, die alle verloren zijn, de eleatische leer door de indirecte bewijsvoering uit het ongerijmde.—3)van Citium, zoon van Mnaseas, geb. 336, v. a. 362. Zijn vader, die koopman was, had ook hem voor den handel bestemd, ofschoon hij reeds vroeg de wijsgeerige geschriften van Xenophon en Plato ijverig bestudeerd had. Toen hij nu op den leeftijd van 22 jaar ten gevolge van een schipbreuk te Athene gekomen was, besloot hij daar te blijven en zich geheel aan de studie der wijsbegeerte te wijden. Hij sloot zich eerst bij Crates, den cynicus, aan, van wiens invloed de oudere werken van Z. talrijke blijken moeten gegeven hebben, wendde zich later tot Stilpo, Xenocrates en Polemo, en trad omstreeks 310 met een eigen leer op, die naar deποικίλη στοά, de plaats waar hij zijne voordrachten hield, destoischegenoemd wordt. Hij stond te Athene in hoog aanzien, vormde vele leerlingen, en werd van staatswege met een gouden krans, en toen hij in 264 (v. s. door zelfmoord) gestorven was, met een metalen grafteeken en een standbeeld vereerd. Van zijn werken zijn slechts weinige fragmenten tot ons gekomen.—De bron van alle kennis is volgens Z. zinnelijke waarneming; alleen wat zóó waar te nemen is bestaat, terwijl eerst herhaalde waarnemingen ons in staat stellen van het bizondere tot het algemeene te besluiten. Alles bestaat uit twee elementen, die onafscheidelijk met elkander verbonden zijn: stof en kracht. De kracht, die zich in het heelal werkzaam toont, is de godheid. De stof bestaat oorspronkelijk als een zeer fijn vuur, waaruit door verdichting lucht, water en aarde ontstaan, en waarin eens de geheele wereld weder moet opgaan (ἐκπύρωσις), om later opnieuw er uit voort te komen. De ziel is aan het vuur verwant en niet onsterfelijk, hoewel zij langer leeft dan het lichaam. Het hoogste goed is de deugd, die men niet bereikt door bespiegeling, maar door te leven in overeenstemming met de natuur of den goddelijken wil. Deugd alleen is goed in den volsten zin van het woord, evenals de ondeugd slecht is, alle andere dingen zijn onverschillig, hoewel niet alle in gelijke mate. Genot is niet het doel van het leven, maar is van nature met deugdzaam handelen verbonden. De ware wijze is het volmaakste van alle wezens, hij kan zich door deugd zelfs tot de hoogte van Zeus verheffen, hij alleen is vrij, is heer en koning, en kan naar verkiezing ook over zijn leven beschikken.—Vooral onder de Rom., die in 155 door Diogenes den Babyloniër met de stoische leer kennis maakten, vond zij in de laatste tijden der republiek en onder de keizers vele aanhangers.—4)van Tarsus, leerling van Chrysippus en na diens dood hoofd der stoicijnsche school.—5)van Sidon, geb. ± 150, hoofd der epicureïsche school, wiens voordrachten Cicero en Atticus gaarne hoorden.—6)van Rhodus, schrijver eener rhodische geschiedenis, omstreeks 200.
Zenobia,Ζηνοβία, 1) echtgenoote van Odenāthus (z. a.), nam na diens dood in 267 na C. zelve het bewind over Palmȳra in handen als regentes voor hunne twee onmondige zoons. Te midden der verwarring in het rom. rijk, breidde zij haar gebied uit over Syrië, Aegypte, Vóór-Azië, totdat zij in 272 door keizer Aureliānus werd gestuit. Bij Emesa werd de beslissende slag geleverd. Zenobia moest naar Palmyra vluchten, dat belegerd en ingenomen werd (272), zij moest den zegetocht van Aurelianus te Rome opluisteren, doch kreeg vervolgens een landgoed bij Tibur, waar zij met hare kinderen hare verdere dagen sleet. Zij was eene vrouw van zeldzame schoonheid en buitengewone gaven, zij sprak verscheiden talen, o. a. Latijn, Grieksch, Syrisch, Aegyptisch. Zij was een stoute paardrijdster, maar trok ook meermalen mijlen ver te voet aan het hoofd harer troepen op. Vermoedelijk behoorde zij tot het israëlietische geloof.—2)armenische koningsdochter, gehuwd met haar neef Rhadamistus, die den troon van Armenië overweldigd had. Toen in 54 na C. deParthen onder Vologeses I en Tiridātes Armenia veroverden en Rhadamistus moest vluchten, smeekte zij haar echtgenoot haar te dooden, opdat zij niet in handen der Parthen zou vallen. Rhadamistus bracht haar met zijn zwaard eene wond toe en wierp haar in den Araxes. Zij werd echter door herders gered en viel nu toch in handen van Tiridates, die haar echter met grooten eerbied behandelde.
Zenobius,Ζηνόβιος, grieksch sophist omstreeks 200 na C.; hij schreef eene verzameling spreekwoorden en vertaalde de geschiedenis van Sallustius in het grieksch.
Zenodotus,Ζηνόδοτος, van Ephesus, leermeester der zonen van Ptolemaeus Lagi en onder Ptolemaeus Philadelphus hoofd der bibliotheek van Alexandrië, was een geleerd taalkundige en criticus, die vooral aan Homerus veel studie wijdde.—Nog twee personen van denzelfden naam komen voor als schrijvers van werken over Homerus en zijne gedichten.
Zephyrium,Ζεφύριον, Westkaap, naam van onderscheidene voorgebergten, o. a. 1) een der kapen aan de Z.O. punt van Italië, waarnaar de stad Locri Epizephyrii, die ten N. daarvan ligt, haar naam draagt.—2)aan de Z.W. kust van Cyprus, bij Paphus.—3)in Cilicia bij Soli.—4)in Cyrenaica.—5)in Aegypte.
Zephyrus,Ζέφυρος, de Westenwind, zieWindstreken.
Zerynthus,Ζήρυνθος, stad op de Zuidkust van Thracia, bij Aenus, met een Apollo-tempel en een grot van Hecate in de nabijheid. De stad behoorde tot het vastelandsgebied van Samothrace.
Zetes,Ζήτης, z.Calais.
Ζητηταί, te Athene buitengewone commissarissen, die benoemd werden, wanneer er vermoeden bestond dat een misdaad gepleegd was, zonder dat iemand als aanklager optrad; zij moesten de zaak onderzoeken en haar, wanneer zij daartoe grond vonden, voor den bevoegden rechter brengen. Vooral geschiedde dit, wanneer men vermoedde dat gelden van den staat verduisterd waren.
Zethus,Ζῆθος, tweelingbroeder van Amphīon (z. a.). Geheel verschillend van dezen, was hij ruw van aard en hield hij zich bij voorkeur als jager in de bergen op. Hij was gehuwd met Aēdon (z. a.).
Ζευγῖται, atheensche burgers der derde klasse volgens de indeeling van Solon, zij die jaarlijks van hunne goederen 200–300 medimnen of metreten oogstten. Tot 458 konden zij alleen lagere ambten bekleeden, eerst toen werd ook het archontaat voor hen toegankelijk.
Zeugitāna,Ζευγιτανή, het noordelijk gedeelte der rom. provincie Africa propria.
Zeugma,Ζεῦγμα, stad in het Syrische distrikt Cyrrhestica, aan den Euphraat tegenover Apamēa. Alexander de Gr. had op dit punt eene schipbrug over den stroom geslagen, waardoor Thapsacus (z. a.) als punt van overgang minder gebruikt werd. Aan de syrische zijde dezer brug stichtte Seleucus Nicātor de stad Zeugma.
Zeus van het Vaticaan.Zeus van het Vaticaan.
Zeus van het Vaticaan.
Zeus,Ζεύς,Jupiter, zoon van Cronus en Rhea (Κρονίδης, Κρονίων,Saturnius), de hoogste god der Grieken, beheerscher van het heelal. Van zijne oorspronkelijke beteekenis als natuurgod getuigden in lateren tijd nog de wijze, waarop hij te Dodōna, op Creta, in Arcadië e. e. vereerd werd. Te Dodōna bestond sedert zeer oude tijden een heiligdomvan Zeus (Δωδωναῖος, Πελασγικός), met een orakel, dat later wel door het delphische overvleugeld werd, maar toch steeds in hoog aanzien bleef; de god verkondigde daar zijn wil door het ruischen der bladeren van den heiligen eik, dat door zijne priesters, de Selli (z. a.), verklaard werd; zijn dienst was nauw verbonden met dien van Gaea, terwijl Diōne (z. a.) zijne gemalin genoemd werd. Op Creta was de jonge Zeus volgens het verhaal geboren, voor zijn vader verborgen gehouden en door nimfen opgevoed, ook toonde men er zijn graf; ieder jaar werd daar zijn dood en opstanding, zinnebeelden van het jaarlijksche sterven en herleven der natuur, op orgiastische wijze gevierd, waarbij de Cureten wapendansen uitvoerden (z.Rhea Cybele). Hier, evenals in Arcadië, Boeotië en Thessalië werden hem in de oudste tijden menschenoffers gebracht. Maar sedert hij de regeering aan Cronus (z. a.) ontnomen en de Titanen (z. a.) overwonnen heeft, is hij de god, die de orde in natuur en maatschappij in stand houdt, hij troont op den top van den Olympus, die zich tot in de wolken verheft en beheerscht van daar de natuurverschijnselen; als hij de aegis zwaait (αἰγιόχος), verwekt hij storm en onweder (νεφεληγερέτα, κελαινεφής, ὑψιβρεμέτης, ἐρίγδουπος), de bliksem is zijn vreeselijk wapen (τερπικέραυνος, ἀστεροπητής), maar aan den anderen kant jaagt hij ook de wolken uiteen en geeft hij helder weder en gunstigen wind (αἴθριος, οὔριος), de Horen zijn zijne dochters en dienaressen. Onder de menschen staat alles wat voor de heerschappij van orde, wet en recht bevorderlijk kan zijn, onder zijne hoede; hij beschermt het huisgezin (ἑρκεῖος, ἐφέστιος), het huwelijk (γαμήλιος, τέλειος, ζύγιος), den gast (ξένιος) en den hulpbehoevenden vreemdeling (ἱκέσιος), evenals de geheele burgerij (πολιεύς, φράτριος), en de vergaderingen, waarin zij over hare belangen beraadslaagt (ἀγοραῖος, βουλαῖος), hij straft ongerechtigheid (ἀλάστωρ), waakt tegen het schenden van den eed (ὅρκιος), kortom, hij is het die alle kwaad van den mensch afweert (σωτήρ, ἀλεξίκακος); zelfs vergunt hij hem een blik in de toekomst te slaan en verkondigt hij hem zijn wil door orakels, natuurverschijnsels en wonderteekens (πανομφαῖος). Zijne macht is grooter dan die van alle andere goden, en wanneer sommige van hen, zooals vooral zijne zuster en gemalin Hera, zich tegen hem trachten te verzetten, boeten zij dit met zware straffen. Alleen aan de beschikking der Moera is ook hij onderworpen, waar deze hem niet in den weg staat, is hij almachtig. Meer dan van eenig ander god is zijn dienst door geheel Griekenland verbreid (Ἑλλήνιος, Πανελλήνιος), en het groote nationale feest te Olympia wordt ter eere van hem gevierd (Ὀλύμπιος, ἐναγώνιος), bijna ieder deel van Griekenland had als heros een zoon van Zeus, vandaar de verhalen van zijne talrijke minnerijen met sterfelijke vrouwen (Semele, Io, Danaë, Leda, e. a.), en van de vele kinderen bij haar verwekt (Dionȳsus, Heracles, Perseus, Castor en Pollux, enz.). Bij Hera is hij vader van Ares, Hephaestus en Hebe, bij andere godinnen van Apollo, Artemis, Hermes, Persephone, Aphrodīte, de Muzen, de Charites, de Horen en de Moeren; Pallas Athēna is door hem alleen voortgebracht. De arend, de eik en de toppen der bergen zijn hem gewijd. Hij werd afgebeeld als eene krachtige, majestueuze gestalte, met vriendelijke trekken, vollen baard, dicht hoofdhaar, gewelfd voorhoofd en groote oogen. Bovenal beroemd was het door Phidias (z. a.) vervaardigde, tallooze malen nagevolgde, maar nooit geëvenaarde beeld van Zeus te Olympia.
Zeuxidāmus,Ζευξίδαμος, 1) kleinzoon en opvolger van den spartaanschen koning Theopompus (720).—2)vader van Archidāmus II.
Zeuxippus,Ζεύξιππος, Boeotiër, streed onder de Rom. tegen Philippus III van Macedonië. Hij werd uit zijn vaderland verbannen en in weerwil van de bemoeiingen der Rom. niet teruggeroepen.
Zeuxis,Ζεῦξις, 1) veldheer van Antiochus d. G., na den oorlog tegen de Rom. als gezant naar Rome gezonden.—2)van Heraclēa in Italië, een van de beroemdste grieksche schilders, leerling van Apollodōrus (± 400). Hij muntte vooral uit in het schilderen van vrouwenbeelden, bovenal beroemd waren onder zijne werken eene Penelope en eene Helena, die in den tempel van Hera Lacinia opgehangen werd. Z.Parrhasius.
Zipoetes,Ζιποίτης, 1) bithynisch vorst (326–281), die ten tijde van Alexander den Gr. zijn gebied door de onderwerping van verscheiden grieksche koloniën uitbreidde, zich ook tegen Lysimachus en Seleucus staande hield en eindelijk (297) den titel van koning van Bithynië aannam.—2)zoon van den vorigen, trachtte de regeering aan zijn broeder, Nicomēdes I, te ontrukken, maar werd overwonnen en gedood (277).
Zoilus,Ζωίλος, grieksch rhetor van Amphipolis, in de vierde eeuw. Wegens zijne kleingeestige vitterijen op Homerus kreeg hij den bijnaamὉμηρομάστιξ.
Zone,Ζώνη, kaap en stad op de Zuidkust van Thracia in het gebied der Cicones.
Zopyrus,Ζώπυρος, 1) zoon van Megabȳzus, een voornaam Pers, diende in het leger van Darīus Hystaspis, toen deze Babylon belegerde. Daar de stad niet genomen konde worden, verminkte Z. zich op gruwelijke wijze, liep toen, onder voorwendsel dat hij door Darius zoo mishandeld was, tot de Babyloniërs over, en nadat hij hierdoor het vertrouwen der inwoners gewonnen had en aan het hoofd van de troepen gesteld was, gaf hij de stad verraderlijk over. Darius beloonde hem door hem levenslang satraap van Babylon te maken, hij werd echter later bij een opstand gedood.—2)kleinzoon van den vorigen, nam deel aan de samenzwering van zijn vader Megabȳzus (no. 2) en vluchtte naar Athene.—3)gelaatkundige, die beweerde dat volgens zijne wetenschap Socrates met verscheiden ondeugden behept moest zijn, wat deze volstrekt niet tegensprak.
Zoroaster,Ζωροάστρης, stichtte in zeer oude tijden den perzischen Ormuzdienst. Sedert de Grieken met zijne leer bekend werden, gold hij dikwijls als de eerste sterrenkundige, sterrenwichelaar en toovenaar.
Zosimus,Ζώσιμος, grieksch geschiedschrijver in de 2dehelft der 5deeeuw n. C., schreef eene geschiedenis van den rom. keizertijd, die niet zonder verdiensten is, maar ontsierd wordt door zijne partijdigheid tegen het Christendom en christelijk gezinde keizers.
Zoster,Ζωστήρ=gordelkaap, op de Westkust van Attica, een uitlooper van den Hymettus, met altaren van Athēna, Leto, Apollo, en Artemis.
Ζυγία, bijnaam van Hera als godin van het huwelijk.