Ontzuiveren, ontzuiverde, heeft ontzuiverd.Ontzuivering, V.Ontzwachtelen, ontzwachtelde, heeft ontzwachteld.Ontzwavelen, ontzwavelde, heeft ontzwaveld.Ontzwaveling, V.Ontzwemmen, ontzwom, ontzwommen, is ontzwommen.Ontzweven, ontzweefde, is ontzweefd.Onuitbaar, onuitbare.Onuitbluschbaar, onuitbluschbare.Onuitdelgbaar, onuitdelgbare.Onuitdoofbaar, onuitdoofbare.Onuitdrukbaar, onuitdrukbare.Onuitgedrukt.Onuitgegeven.Onuitgelezen.Onuitgeloot, onuitgelote.Onuitgemaakt.Onuitgesproken.Onuitgevoerd.Onuitgevorscht.Onuitgewerkt.Onuitgezocht.Onuitputtelijk, onuitputtelijker, onuitputtelijkst.Onuitputtelijkheid, V.Onuitroeibaar, onuitroeibare.Onuitspreekbaar, onuitspreekbare.Onuitsprekelijk, onuitsprekelijker, onuitsprekelijkst.Onuitsprekelijkheid, V.Onuitstaanbaar, onuitstaanbare.Onuitstaanbaarheid, V.Onuitvoerbaar, onuitvoerbare.Onuitvoerbaarheid, V.Onuitwischbaar, V.Onvaderlandsch.Onvaderlijk.Onvast, onvaster.Onvastheid, V.Onvatbaar, onvatbaarder, onvatbaarst.Onvatbaarheid, V.Onveilig, onveiliger, onveiligst.Onveiligheid, V.Onver.Onveranderbaar, onveranderbare.Onveranderd.Onveranderlijk, onveranderlijker, onveranderlijkst.Onveranderlijkheid, V.Onverantwoord.Onverantwoordelijk, onverantwoordelijker, onverantwoordelijkst.Onverantwoordelijkheid, V.Onverbasterd.Onverbergbaar, onverbergbare.Onverbeterbaar, onverbeterbaarder, onverbeterbaarst.Onverbeterbaarheid, V.Onverbeterd.Onverbeterlijk, onverbeterlijker, onverbeterlijkst.Onverbeterlijkheid, V.Onverbiddelijk, onverbiddelijker, onverbiddelijkst.Onverbiddelijkheid, V.Onverbleekt.Onverblind.Onverbloemd.Onverbogen.Onverbolgen.Onverbonden.Onverborgen.Onverbrand.Onverbrandbaar, onverbrandbare.Onverbreekbaar, onverbreekbare.Onverbreekbaarheid, V.Onverbrekelijk, onverbrekelijker, onverbrekelijkst.Onverbrekelijkheid, V.Onverbroken.Onverbuigbaar, onverbuigbare.Onverbuigbaarheid, V.Onverdacht.Onverdedigbaar, onverdedigbare.Onverdedigbaarheid, V.Onverdedigd.Onverdeeld.Onverdelgbaar, onverdelgbare.Onverderfelijk, onverderfelijker, onverderfelijkst.Onverderfelijkheid, V.Onverdicht.Onverdichtbaar, onverdichtbare.Onverdiend.Onverdienstelijk.Onverdoofbaar, onverdoofbare.Onverdord.Onverdorven.Onverdorvenheid, V.Onverdraaglijk, onverdraaglijker, onverdraaglijkst.Onverdraaglijkheid, V.Onverdraagzaam, onverdraagzamer, onverdraagzaamst.Onverdraagzaamheid, V.Onverdroten.Onvereenigbaar, onvereenigbare.Onvereenigbaarheid, V.Onverflauwd.Onvergankelijk, onvergankelijker, onvergankelijkst.Onvergankelijkheid, V.Onvergeeflijk en Onvergefelijk, onvergeeflijker en onvergefelijker, onvergeeflijkst en onvergefelijkst.Onvergeeflijkheid, V.Onvergeetbaar, onvergeetbare.Onvergelijkbaar, onvergelijkbare.Onvergelijkelijk, onvergelijkelijker, onvergelijkelijkst.Onvergenoegd, onvergenoegder, onvergenoegdst.Onvergenoegdheid, V.Onvergetelijk, onvergetelijker, onvergetelijkst.Onvergezeld.Onverglaasd.Onverhaalbaar, onverhaalbare.Onverhelpelijk, onverhelpelijker, onverhelpelijkst.Onverhinderd.Onverhoeds (bijw.).Onverhoedsch (bnw.).Onverholen.Onverhoopt.Onverhoord.Onverhuurbaar, onverhuurbare.Onverhuurd.Onverjaard.Onverkiesbaar, onverkiesbare.Onverkiesbaarheid, V.Onverkieslijk en Onverkieselijk, onverkieslijker en onverkieselijker, onverkieslijkst en onverkieselijkst.Onverklaarbaar, onverklaarbaarder, onverklaarbaarst.Onverklaarbaarheid, V.Onverkleinbaar, onverkleinbare.Onverkocht.Onverkoopbaar, onverkoopbare.Onverkort.Onverkrijgbaar, onverkrijgbare.Onverkwikkelijk, onverkwikkelijker, onverkwikkelijkst.Onverlaat, M., onverlaten.Onverlept.Onverlet.Onverlicht.Onverlost.Onvermaard, onvermaarder, onvermaardst.Onvermakelijk, onvermakelijker, onvermakelijkst.Onvermakelijkheid, V.Onvermeld.Onvermengbaar, onvermengbare.Onvermengd.Onvermijdbaar, onvermijdbare.Onvermijdbaarheid, V.Onvermijdelijk, onvermijdelijker, onvermijdelijkst.Onvermijdelijkheid, V.Onverminderd.Onverminkt.Onvermoeibaar, onvermoeibaarder, onvermoeibaarst.Onvermoeibaarheid, V.Onvermoeid.Onvermogen, O.Onvermogend, onvermogender, onvermogendst.Onvermurwbaar, onvermurwbare.Onvermurwbaarheid, V.Onvermurwd.Onvernielbaar, onvernielbare.Onvernietigbaar, onvernietigbare.Onvernieuwd.Onvernuftig, onvernuftiger, onvernuftigst.Onveroordeeld.Onverouderd.Onveroverbaar, onveroverbare.Onveroverd.Onverpacht.Onverplicht.Onverpoosd.Onverricht.Onversaagd, onversaagder, onversaagdst.Onversaagdheid, V.Onverschillig, onverschilliger, onverschilligst.Onverschilligheid, V., onverschilligheden.Onverschoonbaar, onverschoonbare.Onverschoonbaarheid, V.Onverschoonlijk, onverschoonlijker, onverschoonlijkst.Onverschoonlijkheid, V.Onverschoten.Onverschrokken, onverschrokkener, onverschrokkenst.Onverschrokkenheid, V.Onversierd.Onverslapt.Onverslijtbaar, onverslijtbare.Onverslijtelijk, onverslijtelijker, onverslijtelijkst.Onversneden.Onverstaanbaar, onverstaanbare.Onverstaanbaarheid, V.Onverstand, O.Onverstandig, onverstandiger, onverstandigst.Onverstandigheid, V.Onversterfelijk.Onverstoorbaar, onverstoorbare.Onverstoorbaarheid, V.Onverstoord.Onverstorven.Onvertaalbaar, onvertaalbare.Onvertaald.Onverteerbaar, onverteerbare.Onverteerbaarheid, V.Onverteerd.Onvertind.Onvertogen.Onvertraagd.Onvertrokken.Onvertroostbaar, onvertroostbare.Onvervaard.Onvervaardheid, V.Onvervalscht.Onvervoerbaar, onvervoerbare.Onvervreemd.Onvervreemdbaar, onvervreemdbare.Onvervreemdbaarheid, O.Onvervuld.Onverwacht.Onverwachtheid, V.Onverwachts (bijw.).Onverwarmd.Onverweerd.Onverwelkbaar, onverwelkbare.Onverwelkelijk.Onverwelkt.Onverwijld.Onverwinbaar, onverwinbare.Onverwinbaarheid, V.Onverwinlijk en Onverwinnelijk, onverwinlijker en onverwinnelijker, onverwinlijkst en onverwinnelijkst.Onverwonnen.Onverwrikbaar, onverwrikbaarder, onverwrikbaarst.Onverwrikbaarheid, V.Onverwulfd.Onverzaadbaar, onverzaadbare.Onverzadelijk, onverzadelijker, onverzadelijkst.Onverzadelijkheid, V.Onverzadigbaar, onverzadigbare.Onverzadigd.Onverzegeld.Onverzekerd.Onverzeld.Onverzetbaar, onverzetbare.Onverzetbaarheid, V.Onverzettelijk, onverzettelijker, onverzettelijkst.Onverzettelijkheid, V.Onverzocht.Onverzoenbaar, onverzoenbare.Onverzoend.Onverzoenlijk, onverzoenlijker, onverzoenlijkst.Onverzoenlijkheid, V.Onverzorgd.Onverzwakt.Onverzwelgbaar, onverzwelgbare.Onvindbaar, onvindbare.Onvlaamsch.Onvoegzaam, onvoegzamer, onvoegzaamst.Onvoegzaamheid, V.Onvoelbaar, onvoelbare.Onvolbouwd.Onvolbracht.Onvoldaan, onvoldaner, onvoldaanst.Onvoldaanheid, V.Onvoldoenbaar, onvoldoenbare.Onvoldoend.Onvoldoendheid, V.Onvoldragen.Onvoleind.Onvoleindigd.Onvolkomen, onvolkomener, onvolkomenst.Onvolkomenheid, V., onvolkomenheden.Onvolledig, onvollediger, onvolledigst.Onvolledigheid, V.Onvolmaakt, onvolmaakter, onvolmaaktst.Onvolmaaktheid, V., onvolmaaktheden.Onvolprezen.Onvoltallig.Onvoltalligheid, V.Onvoltooid.Onvoltrokken.Onvolvoerbaar, onvolvoerbare.Onvolvoerd.Onvolwassen.Onvoorbedacht.Onvoorbereid.Onvoordeelig, onvoordeeliger, onvoordeeligst.Onvoordeeligheid, V.Onvoorwaardelijk.Onvoorzichtig, onvoorzichtiger, onvoorzichtigst.Onvoorzichtigheid, V., onvoorzichtigheden.Onvoorzichtiglijk.Onvoorzien.Onvoorzienbaar, onvoorzienbare.Onvoorziens (bijw.).Onvorstelijk, onvorstelijker, onvorstelijkst.Onvrede, M.Onvriend, M., onvrienden.Onvriendelijk, onvriendelijker, onvriendelijkst.Onvriendelijkheid, V., onvriendelijkheden.Onvriendschappelijk, onvriendschappelijker, onvriendschappelijkst.Onvrij, onvrijer.Onvrijheid, V.Onvrijwillig, onvrijwilliger, onvrijwilligst.Onvrijzinnig, onvrijzinniger, onvrijzinnigst.Onvrijzinnigheid, V.Onvroom, onvromer, onvroomst.Onvrouwelijk, onvrouwelijker, onvrouwelijkst.Onvruchtbaar, onvruchtbaarder, onvruchtbaarst.Onvruchtbaarheid, V.Onwaar, onware.Onwaarachtig, onwaarachtiger, onwaarachtigst.Onwaarachtigheid, V., onwaarachtigheden.Onwaard.Onwaarde, V.Onwaardeerbaar, onwaardeerbare.Onwaardeerbaarheid, V.Onwaardig, onwaardiger, onwaardigst.Onwaardigheid, V., onwaardigheden.Onwaardiglijk.Onwaarheid, V., onwaarheden.Onwaarneembaar, onwaarneembare.Onwaarschijnlijk, onwaarschijnlijker, onwaarschijnlijkst.Onwaarschijnlijkheid, V., onwaarschijnlijkheden.Onwankelbaar, onwankelbaarder, onwankelbaarst.Onwankelbaarheid, V.Onweder en Onweer, O., onweders en onweeren. Onweertje, O., onweertjes.Onwederlegbaar, onwederlegbaarder, onwederlegbaarst.Onwederlegbaarheid, V.Onwederstaanbaar, onwederstaanbaarder, onwederstaanbaarst.Onwederstaanbaarheid, V.Onwederstreefbaar, onwederstreefbare.Onweer. Zie Onweder.Onweerbaar, onweerbare.Onweerbaarheid, V.Onweeren, onweerde, heeft geonweerd.Onweersbui, V., onweersbuien.Onweersvlaag, V., onweersvlagen.Onweersvogel, M., onweersvogels.Onweerswolk, V., onweerswolken.Onwel.Onwelgevallig, onwelgevalliger, onwelgevalligst.Onwelkom.Onwellevend, onwellevender, onwellevendst.Onwellevendheid, V.Onwelluidend, onwelluidender, onwelluidendst.Onwelluidendheid, V.Onwelmeenend.Onwelvoeglijk, onwelvoeglijker, onwelvoeglijkst.Onwelvoeglijkheid, V.Onwetend, onwetender, onwetendst.Onwetendheid, V.Onwetens.Onwetenschappelijk, onwetenschappelijker, onwetenschappelijkst.Onwettelijk, onwettelijker, onwettelijkst.Onwettelijkheid, V.Onwettig, onwettiger, onwettigst.Onwettigheid, V., onwettigheden.Onwezenlijk.Onwijs, onwijzer.Onwijsgeerig, onwijsgeeriger, onwijsgeerigst.Onwijsheid, V.Onwijslijk en Onwijselijk.Onwil.Onwillekeurig, onwillekeuriger, onwillekeurigst.Onwillens.Onwillig, onwilliger, onwilligst.Onwilligheid, V.Onwinbaar, onwinbare.Onwinbaarheid, V.Onwis.Onwisheid, V.Onwraakbaar, onwraakbaarder, onwraakbaarst.Onwraakbaarheid, V.Onwraakgierig, onwraakgieriger, onwraakgierigst.Onwraakzuchtig, onwraakzuchtiger, onwraakzuchtigst.Onwraakzuchtigheid, V.Onwrikbaar, onwrikbaarder, onwrikbaarst.Onwrikbaarheid, V.Onyx, M., onyxen.Onzacht, onzachter, onzachtst.Onzachtheid, V.Onzalig, onzaliger, onzaligst.Onzaligheid, V.Onzedelijk, onzedelijker, onzedelijkst.Onzedelijkheid, V.Onzedig, onzediger, onzedigst.Onzedigheid, V.Onzeewaardig.Onzeglijk, onzeglijker, onzeglijkst.Onzeilbaar, onzeilbare.Onzeker, onzekerder, onzekerst.Onzekerheid, V., onzekerheden.Onzelfstandig, onzelfstandiger, onzelfstandigst.Onzelfstandigheid, V.Onze-lieve-heersbeestje, O., onze-lieve-heersbeestjes. Onze-lieve-vrouwenbedstroo, O.Onzent (Te onzent).Onzenthalve.Onzentwege.Onzentwil (Om onzentwil).Onzerzijds.Onze-vader, O.Onzichtbaar, onzichtbare.Onzichtbaarheid, V.Onzienlijk, onzienlijker, onzienlijkst.Onzienlijkheid, V.Onzijdig, onzijdiger, onzijdigst.Onzijdigheid, V.Onzijdigverklaring, V., onzijdigverklaringen.Onzin, M.Onzindelijk, onzindelijker, onzindelijkst.Onzindelijkheid, V., onzindelijkheden.Onzinnelijk.Onzinnig, onzinniger, onzinnigst.Onzinnigheid, V., onzinnigheden.Onzoet, onzoeter, onzoetst.Onzondig.Onzondigheid, V.Onzuiver, onzuiverder, onzuiverst.Onzuiverheid, V., onzuiverheden.Ooft, O.Ooftboom, M., ooftboomen.Ooftkelder, M., ooftkelders.Oog, O., oogen. Oogje, O., oogjes.Oogappel, M., oogappels.Oogarts, M., oogartsen.Oogbad, O., oogbaden; oogbadje, O., oogbadjes.Oogelijn, O., oogelijns.Oogen, oogde, heeft geoogd.Oogenblik, O. en M., oogenblikken; oogenblikje, O., oogenblikjes.Oogenblikkelijk.Oogendienaar, M., oogendienaars en oogendienaren.Oogendienst, M.Oogendokter, M., oogendokters.Oogenklaar, O.Oogenpaar, O.Oogenschijnlijk, oogenschijnlijker, oogenschijnlijkst.Oogenschijnlijkheid, V.Oogenschouw, V.Oogentaal, V.Oogentroost, V.Ooggetuige, M. en V., ooggetuigen.Ooghaar, O., oogharen; ooghaartje, O., ooghaartjes.Oogheelkunde, V.Oogholte, V., oogholten.Oogjesgoed, O.Oogkas, V., oogkassen.Ooglid, O., oogleden.Ooglijder, M., ooglijders.Ooglijk, ooglijker, ooglijkst.Oogluikend.Oogluiking, V.Oogmerk, O., oogmerken.Oogontsteking, V., oogontstekingen.Oogopslag, M.Oogpunt, O., oogpunten.Oogspiegel, M., oogspiegels.Oogst, M., oogsten. Oogstje, O., oogstjesOogsten, oogstte, heeft geoogst.Oogster, M., oogsters.Oogsting, V., oogstingen.Oogstmaand, V.Oogsttijd, M.Oogtand, M., oogtanden.Oogverblindend.Oogwater, O.; oogwatertje, O., oogwatertjes.Oogwenk, M., oogwenken.Oogwit, O.Oogziekte, V., oogziekten.Ooi, V., ooien. Ooitje, O., ooitjes.Ooievaar, M., ooievaars en ooievaren. Ooievaartje, O., ooievaartjes.Ooievaarsbeen, O., ooievaarsbeenen.Ooievaarsbeen (persoon), M. en V., ooievaarsbeenen.Ooievaarsbek, M., ooievaarsbekken.Ooievaarshals, M., ooievaarshalzen.Ooievaarsnest, O., ooievaarsnesten.Ooievaarsvlucht, V.Ooievaren, ooievaarde, heeft geooievaard.Ooit.Ook.Oolijk, oolijker, oolijkst.Oolijkerd, M., oolijkerds.Oolijkheid, V.Oom, M., ooms en oomen. Oompje, O., oompjes.Oomzegger, M., oomzeggers.Oomzegster, V., oomzegsters.Oonen, oonde, heeft geoond.Oor, O., ooren. Oortje, O., oortjes.Oorbaar, oorbaarder, oorbaarst.Oorbaar, O.Oorbaarheid, V.Oorband, M., oorbanden.Oorbel, V., oorbellen; oorbelletje, O., oorbelletjes.Oorbiecht, V.Oorblazer, M., oorblazers.Oord (plaats), O., oorden.Oordeel, O., oordeelen.Oordeelaar, M., oordeelaars en oordeelaren.Oordeelen, oordeelde, heeft geoordeeld.Oordeelkunde, V.Oordeelkundig, oordeelkundiger, oordeelkundigst.Oordeelsdag, M.Oordeelskracht, V.Oordeelvelling, V., oordeelvellingen.Oorhanger, M., oorhangers.Oorheelkunde, V.Oorheelkundig.Oorijzer, O., oorijzers.Oorklep, V., oorkleppen.Oorkonde, V., oorkonden.Oorkondenboek, O., oorkondenboeken.Oorkruiper, M., oorkruipers.Oorkussen, O., oorkussens.Oorlam, O., oorlammen.Oorlel, V., oorlellen; oorlelletje, O., oorlelletjes.Oorlepeltje, O., oorlepeltjes.Oorliëtblok, O., oorliëtblokken en oorliëtbloks.Oorlof, O.Oorlog, M., oorlogen.Oorlogen, oorloogde, heeft geoorloogd.Oorlogsbehoeften (mv.), V.Oorlogsbende, V., oorlogsbenden.Oorlogsbodem, M., oorlogsbodems.Oorlogscontrabande, V.Oorlogscorrespondent, M., oorlogscorrespondenten.Oorlogsdaad, V., oorlogsdaden.Oorlogsgevaar, O., oorlogsgevaren.Oorlogsgeweld, O.Oorlogsgezind, oorlogsgezinder, oorlogsgezindst.Oorlogshaven, V., oorlogshavens.Oorlogsheld, M., oorlogshelden.Oorlogskaart, V., oorlogskaarten.Oorlogskans, V., oorlogskansen.Oorlogskas, V., oorlogskassen.Oorlogskosten (mv.), M.Oorlogskreet, M., oorlogskreten.Oorlogskunst, V.Oorlogslasten (mv.), M.Oorlogsmateriaal, O.Oorlogsplan, O., oorlogsplannen.Oorlogsramp, V., oorlogsrampen.Oorlogsrecht, O.Oorlogsroem, M.Oorlogsschip, O., oorlogsschepen.Oorlogsterrein, O.Oorlogstoestand, M.Oorlogstooneel, O., oorlogstooneelen.Oorlogstuig, O.Oorlogsvaan, V., oorlogsvanen.Oorlogsvaartuig, O., oorlogsvaartuigen.Oorlogsveld, O.Oorlogsverklaring, V., oorlogsverklaringen.Oorlogsvloot, V., oorlogsvloten.Oorlogsvuur, O.Oorlogswapen, O., oorlogswapenen.Oorlogswet, V.Oorlogszwaard, O., oorlogszwaarden.Oorlogvoerend.Oorlogvoering, V.Oorlogzuchtig, oorlogzuchtiger, oorlogzuchtigst.Oorpijn, V., oorpijnen.Oorring, M., oorringen; oorringetje, O., oorringetjes.Oorschelp, V., oorschelpen.Oorsprong, M., oorsprongen.Oorspronkelijk, oorspronkelijker, oorspronkelijkst.Oorspronkelijkheid, V.Oorspuitje, O., oorspuitjes.Oort (geldswaarde), O., oorten. Oortje, O., oortjes.Oortrompet, V., oortrompetten.Oorveeg, M., oorvegen. Oorveegje, O., oorveegjes.Oorvijg, V., oorvijgen. Oorvijgje, O., oorvijgjes.Oorworm, M., oorwormen.Oorzaak, V., oorzaken.Oorzakelijk.Oost (het Oosten), O.; (Nederlands Oostindische bezittingen), V.Oost (bijw.).Oostelijk, oostelijker, oostelijkst.Oosten, O.Oostenwind, M., oostenwinden.Oosteren, oosterde, is geoosterd.Oostergoo, O.Oostergrens, V., oostergrenzen.Oosterhoek, M.Oosterkim, V.Oosterling, M. en V., Oosterlingen. V. ook Oosterlinge.Oosterlucie, V.Oostersch.Oosterzon, V.Oostfriesch.Oost-Friesland, O.Oost-Indië en Oostinje, O.Oostindiëvaarderen Oostinjevaarder, M., Oostindiëvaarders en Oostinjevaarders.Oostindisch.Oostinje. Zie Oost-Indië.Oostnoordoost (bijw.). Als znw., O.Oostvlaamsch.Oost-Vlaanderen, O.Oostwaarts.Oostzee, V.Oostzuidoost (bijw.). Als znw., O.Ootje, O. (In het ootje nemen).Ootmoed, M.Ootmoedig, ootmoediger, ootmoedigst.Ootmoedigheid, V.Ootmoediglijk.Op.Opaal (stof), O.; (steen), M., opalen.Opbaggeren, baggerde op, heeft opgebaggerd.Opbakken, bakte op, heeft opgebakken.Opbaliën, baliede op, heeft opgebalied.Opbarsten, barstte op, is opgebarsten; ook borst op, is opgeborsten.Opbedelen, bedelde op, heeft opgebedeld.Opbellen, belde op, heeft opgebeld.Opbergen, borg op, heeft opgeborgen.Opbersten. Zie Opbarsten.Opbeuren, beurde op, heeft opgebeurd.Opbeuring, V.Opbiechten, biechtte op, heeft opgebiecht.Opbieden, bood op, boden op, heeft opgeboden.Opbieding, V., opbiedingen.Opbijten (bijt hakken), bijtte op, heeft opgebijt.Opbikken, bikte op, heeft opgebikt.Opbinden, bond op, heeft opgebonden.Opblazen, blies op, bliezen op, heeft opgeblazen.Opbleeken, bleekte op, heeft en is opgebleekt.Opblijven, bleef op, bleven op, is opgebleven.Opbobbelen, bobbelde op, is opgebobbeld.Opbod, O.Opboeien, boeide op, heeft opgeboeid.Opboeisel, O., opboeisels.Opboenen, boende op, heeft opgeboend.Opboomen, boomde op, heeft opgeboomd.Opboren, boorde op, heeft opgeboord.Opboring, V.Opborrelen, borrelde op, is opgeborreld.Opborreling, V.Opborstelen, borstelde op, heeft opgeborsteld.Opbossen, boste op, heeft opgebost.Opbouw, M.Opbouwen, bouwde op, heeft opgebouwd.Opbouwer, M., opbouwers.Opbouwing, V.Opbraden, braadde op, heeft opgebraden.Opbranden, brandde op, heeft en is opgebrand.Opbrassen (scheepsw.), braste op, heeft opgebrast.Opbreeuwen, breeuwde op, heeft opgebreeuwd.Opbreien, breide op, heeft opgebreid.Opbreken, brak op, braken op, heeft en is opgebroken.Opbreker, M., opbrekers.Opbreking, V.Opbrengen, bracht op, heeft opgebracht.Opbrenger, M., opbrengers.Opbrengst, V., opbrengsten.Opbrouwen, brouwde op, heeft opgebrouwen.Opbruinen, bruinde op, heeft opgebruind.Opbruisen, bruiste op, heeft en is opgebruist.Opbuigen, boog op, bogen op, heeft en is opgebogen.Opbulderen, bulderde op, heeft opgebulderd.Opcent, M., opcenten.Opdagen (oproepen), daagde op, heeft opgedaagd.Opdagen (verschijnen), daagde op, is opgedaagd.Opdammen, damde op, heeft opgedamd.Opdampen, dampte op, heeft en is opgedampt.Opdansen, danste op, is opgedanst.Opdat.Opdelven, dolf op, dolven op, heeft opgedolven.Opdelver, M., opdelvers.Opdelving, V., opdelvingen.Opdienen, diende op, heeft opgediend.Opdiepen, diepte op, heeft opgediept.Opdirken, dirkte op, heeft opgedirkt.Opdisschen, dischte op, heeft opgedischt.Opdoeken, doekte op, heeft en is opgedoekt.Opdoemen, doemde op, is opgedoemd.Opdoen, doet op, deed op, deden op, heeft opgedaan.Opdoening, V.Opdoffelen, doffelde op, heeft opgedoffeld.Opdokken, dokte op, heeft opgedokt.Opdonderen, donderde op, is opgedonderd.Opdonkeren, donkerde op, heeft en is opgedonkerd.Opdraaien, draaide op, heeft en is opgedraaid.Opdracht, V., opdrachten.Opdrachtig, opdrachtiger, opdrachtigst.Opdrachtigheid, V.Opdragen, droeg op, heeft opgedragen.Opdraven, draafde op, is opgedraafd.Opdreunen, dreunde op, heeft opgedreund.Opdrijven, dreef op, dreven op, heeft en is opgedreven.Opdrijver, M., opdrijvers.Opdrijving, V.Opdril, M., opdrillen.Opdrillen, drilde op, heeft opgedrild.Opdringen, drong op, heeft en is opgedrongen.Opdrinken, dronk op, heeft opgedronken.Opdrogen, droogde op, heeft en is opgedroogd.Opdroging, V.Opdrossen, droste op, is opgedrost.Opdrukken, drukte op, heeft opgedrukt.Opduiken, dook op, doken op, is en heeft opgedoken,Opdunnen, dunde op, is opgedund.Opduwen, duwde op, heeft opgeduwd.Opdweilen, dweilde op, heeft opgedweild.Opdwingen, dwong op, heeft opgedwongen.Opeen.Opeendrijven, dreef opeen, dreven opeen, heeft opeengedreven.Opeengooien, gooide opeen, heeft opeengegooid.Opeenhoopen, hoopte opeen, heeft opeengehoopt.Opeenjagen, jaagde opeen, heeft opeengejaagd; ook joeg opeen.Opeenladen, laadde opeen, heeft opeengeladen.Opeenleggen, legde opeen en leide opeen, heeft opeengelegd en opeengeleid.Opeenliggen, lag opeen, lagen opeen, heeft opeengelegen.Opeenpakken, pakte opeen, heeft opeengepakt.Opeenplaatsen, plaatste opeen, heeft opeengeplaatst.Opeenplakken, plakte opeen, heeft opeengeplakt.Opeensmijten, smeet opeen, smeten opeen, heeft opeengesmeten.Opeenstapelen, stapelde opeen, heeft opeengestapeld.Opeenvolgen, volgde opeen, is opeengevolgd.Opeenvolging, V., opeenvolgingen.Opeenwerpen, wierp opeen, heeft opeengeworpen.Opeenzetten, zette opeen, heeft opeengezet.Opeenzitten, zat opeen, zaten opeen, heeft opeengezeten.Opeisch, M.Opeischen, eischte op, heeft opgeeischt.Opeisching, V., opeischingen.Open, opener, openst.Openbaar, openbaarder, openbaarst.Openbaar, O.Openbaarheid, V.Openbaarmaken, maakte openbaar, heeft openbaargemaakt.Openbaarmaking, V.Openbaren, openbaarde, heeft geopenbaard.Openbaring, V., openbaringen.Openbaringsleer, V.Openbreken, brak open, braken open, heeft en is opengebroken.Opendoen, doet open, deed open, deden open, heeft opengedaan.Openen, opende, heeft geopend.Opengaan, ging open, is opengegaan.Openhartig, openhartiger, openhartigst.Openhartigheid, V.Openheid, V.Openhouden, hield open, heeft opengehouden.Opening, V., openingen. Openingetje, O., openingetjes.Openingsrede, V., openingsredenen.Openkrabbelen, krabbelde open, heeft opengekrabbeld.Openkrabben, krabde open, heeft opengekrabd.Openkrijgen, kreeg open, kregen open, heeft opengekregen.Openlaten, liet open, heeft opengelaten.Openleggen, legde open en leide open, heeft opengelegd en opengeleid.Openliggen, lag open, lagen open, heeft opengelegen.Openlijk.Openmaken, maakte open, heeft opengemaakt.Openprikken, prikte open, heeft opengeprikt.Openrijten, reet open, reten open, heeft opengereten.Openrukken, rukte open, heeft opengerukt.Openscheuren, scheurde open, heeft opengescheurd.Openschuiven, schoof open, schoven open, heeft opengeschoven.Openslaan, slaat open, sloeg open, heeft en is opengeslagen.Opensluiten, sloot open, sloten open, heeft opengesloten.Opensnijden, sneed open, sneden open, heeft opengesneden.Openspalken, spalkte open, heeft opengespalkt.Openspringen, sprong open, is opengesprongen.Openstaan, staat open, stond open, heeft opengestaan.Openstaand.Openstellen, stelde open, heeft opengesteld.Openstooten, stiet open, heeft opengestooten; ook stootte open.Openteren, enterde op, is opgeënterd.Op-en-top.Opentrappen, trapte open, heeft opengetrapt.Opentrekken, trok open, trokken open, heeft opengetrokken.Openvallen, viel open, is opengevallen.Openvliegen, vloog open, vlogen open, is opengevlogen.Openzeilen, zeilde open, heeft opengezeild.Opera, V., opera’s. Operaatje, O., operaatjes.Operateur, M., operateuren en operateurs.Operatie, V., operatiën en operaties.Operatiekamer, V., operatiekamers.Operatielijn, V., operatielijnen.Operazanger, M., operazangers.Opereeren, opereerde, heeft geopereerd.Operette, V., operettes.Operment, O.Opeten, at op, aten op, heeft opgegeten.Opfladderen, fladderde op, is opgefladderd.Opflakkeren, flakkerde op, is opgeflakkerd.Opfleuren, fleurde op, is en heeft opgefleurd.Opfleuring, V.Opflikken, flikte op, heeft opgeflikt.Opflikkeren, flikkerde op, is opgeflikkerd.Opflikkering, V., opflikkeringen.Opfluiten, floot op, floten op, heeft opgefloten.Opfoeliën, foeliede op, heeft opgefoelied.Opfokken, fokte op, heeft opgefokt.Opfokker, M., opfokkers.Opfokking, V.Opfrisschen, frischte op, heeft en is opgefrischt.Opfrissching, V.Opgaaf en Opgave V., opgaven. Opgaafje, O., opgaafjes.Opgaan, gaat op, ging op, is opgegaan.Opgaand.Opgalmen, galmde op, heeft opgegalmd.Opgang, M., opgangen.Opgaren, gaarde op, heeft opgegaard.Opgave. Zie Opgaaf.Opgeblazen, opgeblazener, opgeblazenst.Opgeblazenheid, V.Opgebruiken, gebruikte op, heeft opgebruikt.Opgeien, geide op, heeft opgegeid.Opgeld, O., opgelden.Opgeruimd, opgeruimder, opgeruimdst.Opgeruimdheid, V.Opgeschikt, opgeschikter, opgeschiktst.Opgeschiktheid, V.Opgeschoten.Opgesmukt, opgesmukter, opgesmuktst.Opgesmuktheid, V.Opgetogen, opgetogener, opgetogenst.Opgetogenheid, V.Opgeven, gaf op, gaven op, heeft opgegeven.Opgever, M., opgevers.Opgeving, V.Opgewekt, opgewekter, opgewektst.Opgewektheid, V.Opgewonden, opgewondener, opgewondenst.Opgewondenheid, V.Opgezet.Opgezetene, M. en V., opgezetenen.Opgezwollen, opgezwollener, opgezwollenst.Opgezwollenheid, V.Opgieten, goot op, goten op, heeft opgegoten.Opgisten, gistte op, is opgegist.Opglanzen, glansde op, heeft opgeglansd.Opglimmen, glom op, glommen op, is opgeglommen.Opglinsteren, glinsterde op, is opgeglinsterd.Opglippen, glipte op, heeft opgeglipt.Opgloeien, gloeide op, heeft en is opgegloeid.Opgloeiing, V.Opgloren, gloorde op, is opgegloord.Opgooien, gooide op, heeft opgegooid.Opgorden, gordde op, heeft opgegord.Opgording, V.Opgrabbelen, grabbelde op, heeft opgegrabbeld.Opgraven, groef op, groeven op, heeft opgegraven.Opgraver, M., opgravers.Opgraving, V., opgravingen.Opgrijpen, greep op, grepen op, heeft opgegrepen.Opgroeien, groeide op, is opgegroeid.Ophaal, M., ophalen. Ophaaltje, O., ophaaltjes.Ophaalbrug, V., ophaalbruggen.Ophaalnet, O., ophaalnetten.Ophaken, haakte op, heeft opgehaakt.Ophakken, hakte op, heeft opgehakt.Ophakker, M., ophakkers. Ophakkertje, O., ophakkertjes.Ophakkerig, ophakkeriger, ophakkerigst.Ophakkerigheid, V.Ophakkerij, V., ophakkerijen.Ophalen, haalde op, heeft opgehaald.Ophaler, M., ophalers.Ophaling, V., ophalingen.Ophanden.Ophangen, hing op, heeft opgehangen.Ophanging, V., ophangingen.Ophappen, hapte op, heeft opgehapt.Opharken, harkte op, heeft opgeharkt.Ophaspelen, haspelde op, heeft opgehaspeld.Ophebben, heeft op, had op, hadden op, heeft opgehad.Ophef, M.Opheffen, hief op, hieven op, heeft opgeheven.Opheffing, V., opheffingen.Ophekelen, hekelde op, heeft opgehekeld.Ophelderen, helderde op, heeft en is opgehelderd.Opheldering, V., ophelderingen.Ophelpen, hielp op, heeft opgeholpen.Ophemelen, hemelde op, heeft opgehemeld.Ophemeling, V., ophemelingen.Ophicleïde, V., ophicleïdes.Ophielen, hielde op, heeft opgehield.Ophijschen, heesch op, heschen op, heeft opgeheschen.Ophitsen, hitste op, heeft opgehitst.Ophitser, M., ophitsers.Ophitsing, V., ophitsingen.Ophoepelen, hoepelde op, is opgehoepeld.Ophoogen, hoogde op, heeft opgehoogd.Ophooging, V., ophoogingen.Ophoopen, hoopte op, heeft opgehoopt.Ophooping, V., ophoopingen.Ophooren, hoorde op, heeft opgehoord.Ophouden, hield op, heeft opgehouden.Ophouder, M., ophouders.Ophtalmoloog, M., ophtalmologen.Ophuppelen, huppelde op, heeft en is opgehuppeld.Opijken, ijkte op, heeft opgeijkt.Opium, O.Opiumkit, V., opiumkitten.Opiumpacht, V.Opiumregie, V.Opiumschuiver, M., opiumschuivers.Opjagen, jaagde op, heeft opgejaagd; ook joeg op.Opkamer, V., opkamers. Opkamertje, O., opkamertjes.Opkammen, kamde op, heeft opgekamd.Opkappen, kapte op, heeft opgekapt.Opkatten, katte op, heeft opgekat.Opkeeren, keerde op, heeft opgekeerd.Opkeggen, kegde op, heeft opgekegd.Opkijken, keek op, keken op, heeft opgekeken.Opkikkeren, kikkerde op, heeft opgekikkerd.Opkisten, kistte op, heeft opgekist.Opkisting, V., opkistingen.Opkladden, kladde op, heeft opgeklad.Opklampen, klampte op, heeft opgeklampt.Opklappen, klapte op, heeft opgeklapt.Opklaren, klaarde op, heeft en is opgeklaard.Opklaring, V.Opklauteren, klauterde op, heeft en is opgeklauterd.Opkleppen, klepte op, heeft opgeklept.Opkleuren, kleurde op, heeft en is opgekleurd.Opklimmen, klom op, klommen op, heeft en is opgeklommen.Opklimming, V., opklimmingen.Opklinken, klonk op, heeft opgeklonken.Opklooven, kloofde op, heeft opgekloofd.Opkloppen, klopte op, heeft opgeklopt.Opklossen, kloste op, heeft opgeklost.Opkluiven, kloof op, kloven op, heeft opgekloven.Opknappen, knapte op, heeft en is opgeknapt.Opknapping, V., opknappingen.Opknijpen, kneep op, knepen op, is opgeknepen.Opknoopen, knoopte op, heeft opgeknoopt.Opknooping, V., opknoopingen.Opkoelen, koelde op, heeft en is opgekoeld.Opkoeling, V.Opkoken, kookte op, heeft opgekookt.Opkoking, V.Opkomen, komt op, kwam op, kwamen op, is opgekomen.Opkomer, M., opkomers.Opkomst, V.Opkooien, kooide op, heeft opgekooid.Opkooksel, O., opkooksels.Opkoop, M.Opkoopen, kocht op, heeft opgekocht.Opkooper, M., opkoopers.Opkooping, V., opkoopingen.Opkoopster, V., opkoopsters.Opkorten, kortte op, heeft en is opgekort.Opkrabbelen (openkrabbelen), krabbelde op, heeft opgekrabbeld.Opkrabbelen (uit eene ziekte opkomen), krabbelde op, is opgekrabbeld.Opkrabben, krabde op, heeft opgekrabd.Opkramen, kraamde op, is opgekraamd.Opkrassen, kraste op, heeft en is opgekrast.Opkrauwen, krauwde op, heeft opgekrauwd.Opkrijgen, kreeg op, kregen op, heeft opgekregen.Opkrimpen, kromp op, is opgekrompen.Opkrimping, V.Opkroezen, kroesde op, heeft opgekroesd.Opkroppen, kropte op, heeft opgekropt.Opkropping, V.Opkruien, krooi op, krooien op, heeft en is opgekrooien; ook kruide op, heeft en is opgekruid.Opkruipen, kroop op, kropen op, is opgekropen.Opkrullen, krulde op, heeft en is opgekruld.Opkuipen, kuipte op, heeft opgekuipt.Opkunnen, kan op, kunnen op, konde en kon op, konden op, heeft opgekund.Opkweeken, kweekte op, heeft opgekweekt.Opkweeking, V.Opkwikken, kwikte op, heeft opgekwikt.Oplaag en Oplage, V., oplagen.Opladen, laadde op, heeft opgeladen.Oplader, M., opladers.Oplading, V., opladingen.Oplage. Zie Oplaag.Oplangen, langde op, heeft opgelangd.Oplanger, M., oplangers.Oplappen, lapte op, heeft opgelapt.Oplapping, V., oplappingen.Oplaten, liet op, heeft opgelaten.Oplaveeren, laveerde op, is opgelaveerd.Opleggen, legde op en leide op, heeft opgelegd en opgeleid.Oplegging, V.Oplegsel, O., oplegsels. Oplegseltje, O., oplegseltjes.Opleiden, leidde op, heeft opgeleid.Opleider, M., opleiders.Opleiding, V., opleidingen.Opleidingsschip, O., opleidingsschepen.Oplepelen, lepelde op, heeft opgelepeld.Opletten, lette op, heeft opgelet.Oplettend, oplettender, oplettendst.Oplettendheid, V., oplettendheden.Opleven, leefde op, is opgeleefd.Oplezen, las op, lazen op, heeft opgelezen.Oplichten (helderder worden), lichtte op, is opgelicht.Oplichten (opheffen, bedriegen, enz.), lichtte op, heeft opgelicht.Oplichter, M., oplichters.Oplichterij, V., oplichterijen.Oplichting, V., oplichtingen.Oplichtster, V., oplichtsters.Oploeven, loefde op, is opgeloefd.Oploop (opschudding), M. Oploopje, O., oploopjes.Oploop (scheepsw.), M., oploopen.Oploopen, liep op, is en heeft opgeloopen.Oploopend, oploopender, oploopendst.Oploopendheid, V.Oplooping, V.Oplosbaar, oplosbare.Oplosbaarheid, V.Oplossen, loste op, heeft opgelost.Oplossing, V., oplossingen.Opluchten, luchtte op, heeft opgelucht.Opluiken, look op, loken op, is opgeloken.Opluiking, V.Opluisteren, luisterde op, heeft opgeluisterd.Opluistering, V.Opmaakster, V., opmaaksters.Opmaken, maakte op, heeft opgemaakt.Opmaker, M., opmakers.Opmaking, V.Opmalen, maalde op, heeft opgemalen.Opmaling, V., opmalingen.Opmarcheeren, marcheerde op, is opgemarcheerd.Opmerkelijk, opmerkelijker, opmerkelijkst.Opmerken, merkte op, heeft opgemerkt.Opmerkenswaardig, opmerkenswaardiger, opmerkenswaardigst, of meer en meest opmerkenswaardig.Opmerker, M., opmerkers.Opmerking, V., opmerkingen.Opmerkingsgave, V.Opmerkzaam, opmerkzamer, opmerkzaamst.Opmerkzaamheid, V.Opmeten, mat op, maten op, heeft opgemeten.Opmeting, V., opmetingen.Opmetselen, metselde op, heeft opgemetseld.Opmetseling, V.Opmonteren, monterde op, heeft opgemonterd.Opmontering, V.Opnaaien, naaide op, heeft opgenaaid.Opnaaisel, O., opnaaisels. Opnaaiseltje, O., opnaaiseltjes.Opname, V.Opnemen, nam op, namen op, heeft opgenomen.Opnemer, M., opnemers.Opneming, V., opnemingen.Opnemingsvaartuig, O., opnemingsvaartuigen.Opnieuw.Opnoemen, noemde op, heeft opgenoemd.Opnoeming, V., opnoemingen.Opodeldoc, V.
Ontzuiveren, ontzuiverde, heeft ontzuiverd.Ontzuivering, V.Ontzwachtelen, ontzwachtelde, heeft ontzwachteld.Ontzwavelen, ontzwavelde, heeft ontzwaveld.Ontzwaveling, V.Ontzwemmen, ontzwom, ontzwommen, is ontzwommen.Ontzweven, ontzweefde, is ontzweefd.Onuitbaar, onuitbare.Onuitbluschbaar, onuitbluschbare.Onuitdelgbaar, onuitdelgbare.Onuitdoofbaar, onuitdoofbare.Onuitdrukbaar, onuitdrukbare.Onuitgedrukt.Onuitgegeven.Onuitgelezen.Onuitgeloot, onuitgelote.Onuitgemaakt.Onuitgesproken.Onuitgevoerd.Onuitgevorscht.Onuitgewerkt.Onuitgezocht.Onuitputtelijk, onuitputtelijker, onuitputtelijkst.Onuitputtelijkheid, V.Onuitroeibaar, onuitroeibare.Onuitspreekbaar, onuitspreekbare.Onuitsprekelijk, onuitsprekelijker, onuitsprekelijkst.Onuitsprekelijkheid, V.Onuitstaanbaar, onuitstaanbare.Onuitstaanbaarheid, V.Onuitvoerbaar, onuitvoerbare.Onuitvoerbaarheid, V.Onuitwischbaar, V.Onvaderlandsch.Onvaderlijk.Onvast, onvaster.Onvastheid, V.Onvatbaar, onvatbaarder, onvatbaarst.Onvatbaarheid, V.Onveilig, onveiliger, onveiligst.Onveiligheid, V.Onver.Onveranderbaar, onveranderbare.Onveranderd.Onveranderlijk, onveranderlijker, onveranderlijkst.Onveranderlijkheid, V.Onverantwoord.Onverantwoordelijk, onverantwoordelijker, onverantwoordelijkst.Onverantwoordelijkheid, V.Onverbasterd.Onverbergbaar, onverbergbare.Onverbeterbaar, onverbeterbaarder, onverbeterbaarst.Onverbeterbaarheid, V.Onverbeterd.Onverbeterlijk, onverbeterlijker, onverbeterlijkst.Onverbeterlijkheid, V.Onverbiddelijk, onverbiddelijker, onverbiddelijkst.Onverbiddelijkheid, V.Onverbleekt.Onverblind.Onverbloemd.Onverbogen.Onverbolgen.Onverbonden.Onverborgen.Onverbrand.Onverbrandbaar, onverbrandbare.Onverbreekbaar, onverbreekbare.Onverbreekbaarheid, V.Onverbrekelijk, onverbrekelijker, onverbrekelijkst.Onverbrekelijkheid, V.Onverbroken.Onverbuigbaar, onverbuigbare.Onverbuigbaarheid, V.Onverdacht.Onverdedigbaar, onverdedigbare.Onverdedigbaarheid, V.Onverdedigd.Onverdeeld.Onverdelgbaar, onverdelgbare.Onverderfelijk, onverderfelijker, onverderfelijkst.Onverderfelijkheid, V.Onverdicht.Onverdichtbaar, onverdichtbare.Onverdiend.Onverdienstelijk.Onverdoofbaar, onverdoofbare.Onverdord.Onverdorven.Onverdorvenheid, V.Onverdraaglijk, onverdraaglijker, onverdraaglijkst.Onverdraaglijkheid, V.Onverdraagzaam, onverdraagzamer, onverdraagzaamst.Onverdraagzaamheid, V.Onverdroten.Onvereenigbaar, onvereenigbare.Onvereenigbaarheid, V.Onverflauwd.Onvergankelijk, onvergankelijker, onvergankelijkst.Onvergankelijkheid, V.Onvergeeflijk en Onvergefelijk, onvergeeflijker en onvergefelijker, onvergeeflijkst en onvergefelijkst.Onvergeeflijkheid, V.Onvergeetbaar, onvergeetbare.Onvergelijkbaar, onvergelijkbare.Onvergelijkelijk, onvergelijkelijker, onvergelijkelijkst.Onvergenoegd, onvergenoegder, onvergenoegdst.Onvergenoegdheid, V.Onvergetelijk, onvergetelijker, onvergetelijkst.Onvergezeld.Onverglaasd.Onverhaalbaar, onverhaalbare.Onverhelpelijk, onverhelpelijker, onverhelpelijkst.Onverhinderd.Onverhoeds (bijw.).Onverhoedsch (bnw.).Onverholen.Onverhoopt.Onverhoord.Onverhuurbaar, onverhuurbare.Onverhuurd.Onverjaard.Onverkiesbaar, onverkiesbare.Onverkiesbaarheid, V.Onverkieslijk en Onverkieselijk, onverkieslijker en onverkieselijker, onverkieslijkst en onverkieselijkst.Onverklaarbaar, onverklaarbaarder, onverklaarbaarst.Onverklaarbaarheid, V.Onverkleinbaar, onverkleinbare.Onverkocht.Onverkoopbaar, onverkoopbare.Onverkort.Onverkrijgbaar, onverkrijgbare.Onverkwikkelijk, onverkwikkelijker, onverkwikkelijkst.Onverlaat, M., onverlaten.Onverlept.Onverlet.Onverlicht.Onverlost.Onvermaard, onvermaarder, onvermaardst.Onvermakelijk, onvermakelijker, onvermakelijkst.Onvermakelijkheid, V.Onvermeld.Onvermengbaar, onvermengbare.Onvermengd.Onvermijdbaar, onvermijdbare.Onvermijdbaarheid, V.Onvermijdelijk, onvermijdelijker, onvermijdelijkst.Onvermijdelijkheid, V.Onverminderd.Onverminkt.Onvermoeibaar, onvermoeibaarder, onvermoeibaarst.Onvermoeibaarheid, V.Onvermoeid.Onvermogen, O.Onvermogend, onvermogender, onvermogendst.Onvermurwbaar, onvermurwbare.Onvermurwbaarheid, V.Onvermurwd.Onvernielbaar, onvernielbare.Onvernietigbaar, onvernietigbare.Onvernieuwd.Onvernuftig, onvernuftiger, onvernuftigst.Onveroordeeld.Onverouderd.Onveroverbaar, onveroverbare.Onveroverd.Onverpacht.Onverplicht.Onverpoosd.Onverricht.Onversaagd, onversaagder, onversaagdst.Onversaagdheid, V.Onverschillig, onverschilliger, onverschilligst.Onverschilligheid, V., onverschilligheden.Onverschoonbaar, onverschoonbare.Onverschoonbaarheid, V.Onverschoonlijk, onverschoonlijker, onverschoonlijkst.Onverschoonlijkheid, V.Onverschoten.Onverschrokken, onverschrokkener, onverschrokkenst.Onverschrokkenheid, V.Onversierd.Onverslapt.Onverslijtbaar, onverslijtbare.Onverslijtelijk, onverslijtelijker, onverslijtelijkst.Onversneden.Onverstaanbaar, onverstaanbare.Onverstaanbaarheid, V.Onverstand, O.Onverstandig, onverstandiger, onverstandigst.Onverstandigheid, V.Onversterfelijk.Onverstoorbaar, onverstoorbare.Onverstoorbaarheid, V.Onverstoord.Onverstorven.Onvertaalbaar, onvertaalbare.Onvertaald.Onverteerbaar, onverteerbare.Onverteerbaarheid, V.Onverteerd.Onvertind.Onvertogen.Onvertraagd.Onvertrokken.Onvertroostbaar, onvertroostbare.Onvervaard.Onvervaardheid, V.Onvervalscht.Onvervoerbaar, onvervoerbare.Onvervreemd.Onvervreemdbaar, onvervreemdbare.Onvervreemdbaarheid, O.Onvervuld.Onverwacht.Onverwachtheid, V.Onverwachts (bijw.).Onverwarmd.Onverweerd.Onverwelkbaar, onverwelkbare.Onverwelkelijk.Onverwelkt.Onverwijld.Onverwinbaar, onverwinbare.Onverwinbaarheid, V.Onverwinlijk en Onverwinnelijk, onverwinlijker en onverwinnelijker, onverwinlijkst en onverwinnelijkst.Onverwonnen.Onverwrikbaar, onverwrikbaarder, onverwrikbaarst.Onverwrikbaarheid, V.Onverwulfd.Onverzaadbaar, onverzaadbare.Onverzadelijk, onverzadelijker, onverzadelijkst.Onverzadelijkheid, V.Onverzadigbaar, onverzadigbare.Onverzadigd.Onverzegeld.Onverzekerd.Onverzeld.Onverzetbaar, onverzetbare.Onverzetbaarheid, V.Onverzettelijk, onverzettelijker, onverzettelijkst.Onverzettelijkheid, V.Onverzocht.Onverzoenbaar, onverzoenbare.Onverzoend.Onverzoenlijk, onverzoenlijker, onverzoenlijkst.Onverzoenlijkheid, V.Onverzorgd.Onverzwakt.Onverzwelgbaar, onverzwelgbare.Onvindbaar, onvindbare.Onvlaamsch.Onvoegzaam, onvoegzamer, onvoegzaamst.Onvoegzaamheid, V.Onvoelbaar, onvoelbare.Onvolbouwd.Onvolbracht.Onvoldaan, onvoldaner, onvoldaanst.Onvoldaanheid, V.Onvoldoenbaar, onvoldoenbare.Onvoldoend.Onvoldoendheid, V.Onvoldragen.Onvoleind.Onvoleindigd.Onvolkomen, onvolkomener, onvolkomenst.Onvolkomenheid, V., onvolkomenheden.Onvolledig, onvollediger, onvolledigst.Onvolledigheid, V.Onvolmaakt, onvolmaakter, onvolmaaktst.Onvolmaaktheid, V., onvolmaaktheden.Onvolprezen.Onvoltallig.Onvoltalligheid, V.Onvoltooid.Onvoltrokken.Onvolvoerbaar, onvolvoerbare.Onvolvoerd.Onvolwassen.Onvoorbedacht.Onvoorbereid.Onvoordeelig, onvoordeeliger, onvoordeeligst.Onvoordeeligheid, V.Onvoorwaardelijk.Onvoorzichtig, onvoorzichtiger, onvoorzichtigst.Onvoorzichtigheid, V., onvoorzichtigheden.Onvoorzichtiglijk.Onvoorzien.Onvoorzienbaar, onvoorzienbare.Onvoorziens (bijw.).Onvorstelijk, onvorstelijker, onvorstelijkst.Onvrede, M.Onvriend, M., onvrienden.Onvriendelijk, onvriendelijker, onvriendelijkst.Onvriendelijkheid, V., onvriendelijkheden.Onvriendschappelijk, onvriendschappelijker, onvriendschappelijkst.Onvrij, onvrijer.Onvrijheid, V.Onvrijwillig, onvrijwilliger, onvrijwilligst.Onvrijzinnig, onvrijzinniger, onvrijzinnigst.Onvrijzinnigheid, V.Onvroom, onvromer, onvroomst.Onvrouwelijk, onvrouwelijker, onvrouwelijkst.Onvruchtbaar, onvruchtbaarder, onvruchtbaarst.Onvruchtbaarheid, V.Onwaar, onware.Onwaarachtig, onwaarachtiger, onwaarachtigst.Onwaarachtigheid, V., onwaarachtigheden.Onwaard.Onwaarde, V.Onwaardeerbaar, onwaardeerbare.Onwaardeerbaarheid, V.Onwaardig, onwaardiger, onwaardigst.Onwaardigheid, V., onwaardigheden.Onwaardiglijk.Onwaarheid, V., onwaarheden.Onwaarneembaar, onwaarneembare.Onwaarschijnlijk, onwaarschijnlijker, onwaarschijnlijkst.Onwaarschijnlijkheid, V., onwaarschijnlijkheden.Onwankelbaar, onwankelbaarder, onwankelbaarst.Onwankelbaarheid, V.Onweder en Onweer, O., onweders en onweeren. Onweertje, O., onweertjes.Onwederlegbaar, onwederlegbaarder, onwederlegbaarst.Onwederlegbaarheid, V.Onwederstaanbaar, onwederstaanbaarder, onwederstaanbaarst.Onwederstaanbaarheid, V.Onwederstreefbaar, onwederstreefbare.Onweer. Zie Onweder.Onweerbaar, onweerbare.Onweerbaarheid, V.Onweeren, onweerde, heeft geonweerd.Onweersbui, V., onweersbuien.Onweersvlaag, V., onweersvlagen.Onweersvogel, M., onweersvogels.Onweerswolk, V., onweerswolken.Onwel.Onwelgevallig, onwelgevalliger, onwelgevalligst.Onwelkom.Onwellevend, onwellevender, onwellevendst.Onwellevendheid, V.Onwelluidend, onwelluidender, onwelluidendst.Onwelluidendheid, V.Onwelmeenend.Onwelvoeglijk, onwelvoeglijker, onwelvoeglijkst.Onwelvoeglijkheid, V.Onwetend, onwetender, onwetendst.Onwetendheid, V.Onwetens.Onwetenschappelijk, onwetenschappelijker, onwetenschappelijkst.Onwettelijk, onwettelijker, onwettelijkst.Onwettelijkheid, V.Onwettig, onwettiger, onwettigst.Onwettigheid, V., onwettigheden.Onwezenlijk.Onwijs, onwijzer.Onwijsgeerig, onwijsgeeriger, onwijsgeerigst.Onwijsheid, V.Onwijslijk en Onwijselijk.Onwil.Onwillekeurig, onwillekeuriger, onwillekeurigst.Onwillens.Onwillig, onwilliger, onwilligst.Onwilligheid, V.Onwinbaar, onwinbare.Onwinbaarheid, V.Onwis.Onwisheid, V.Onwraakbaar, onwraakbaarder, onwraakbaarst.Onwraakbaarheid, V.Onwraakgierig, onwraakgieriger, onwraakgierigst.Onwraakzuchtig, onwraakzuchtiger, onwraakzuchtigst.Onwraakzuchtigheid, V.Onwrikbaar, onwrikbaarder, onwrikbaarst.Onwrikbaarheid, V.Onyx, M., onyxen.Onzacht, onzachter, onzachtst.Onzachtheid, V.Onzalig, onzaliger, onzaligst.Onzaligheid, V.Onzedelijk, onzedelijker, onzedelijkst.Onzedelijkheid, V.Onzedig, onzediger, onzedigst.Onzedigheid, V.Onzeewaardig.Onzeglijk, onzeglijker, onzeglijkst.Onzeilbaar, onzeilbare.Onzeker, onzekerder, onzekerst.Onzekerheid, V., onzekerheden.Onzelfstandig, onzelfstandiger, onzelfstandigst.Onzelfstandigheid, V.Onze-lieve-heersbeestje, O., onze-lieve-heersbeestjes. Onze-lieve-vrouwenbedstroo, O.Onzent (Te onzent).Onzenthalve.Onzentwege.Onzentwil (Om onzentwil).Onzerzijds.Onze-vader, O.Onzichtbaar, onzichtbare.Onzichtbaarheid, V.Onzienlijk, onzienlijker, onzienlijkst.Onzienlijkheid, V.Onzijdig, onzijdiger, onzijdigst.Onzijdigheid, V.Onzijdigverklaring, V., onzijdigverklaringen.Onzin, M.Onzindelijk, onzindelijker, onzindelijkst.Onzindelijkheid, V., onzindelijkheden.Onzinnelijk.Onzinnig, onzinniger, onzinnigst.Onzinnigheid, V., onzinnigheden.Onzoet, onzoeter, onzoetst.Onzondig.Onzondigheid, V.Onzuiver, onzuiverder, onzuiverst.Onzuiverheid, V., onzuiverheden.Ooft, O.Ooftboom, M., ooftboomen.Ooftkelder, M., ooftkelders.Oog, O., oogen. Oogje, O., oogjes.Oogappel, M., oogappels.Oogarts, M., oogartsen.Oogbad, O., oogbaden; oogbadje, O., oogbadjes.Oogelijn, O., oogelijns.Oogen, oogde, heeft geoogd.Oogenblik, O. en M., oogenblikken; oogenblikje, O., oogenblikjes.Oogenblikkelijk.Oogendienaar, M., oogendienaars en oogendienaren.Oogendienst, M.Oogendokter, M., oogendokters.Oogenklaar, O.Oogenpaar, O.Oogenschijnlijk, oogenschijnlijker, oogenschijnlijkst.Oogenschijnlijkheid, V.Oogenschouw, V.Oogentaal, V.Oogentroost, V.Ooggetuige, M. en V., ooggetuigen.Ooghaar, O., oogharen; ooghaartje, O., ooghaartjes.Oogheelkunde, V.Oogholte, V., oogholten.Oogjesgoed, O.Oogkas, V., oogkassen.Ooglid, O., oogleden.Ooglijder, M., ooglijders.Ooglijk, ooglijker, ooglijkst.Oogluikend.Oogluiking, V.Oogmerk, O., oogmerken.Oogontsteking, V., oogontstekingen.Oogopslag, M.Oogpunt, O., oogpunten.Oogspiegel, M., oogspiegels.Oogst, M., oogsten. Oogstje, O., oogstjesOogsten, oogstte, heeft geoogst.Oogster, M., oogsters.Oogsting, V., oogstingen.Oogstmaand, V.Oogsttijd, M.Oogtand, M., oogtanden.Oogverblindend.Oogwater, O.; oogwatertje, O., oogwatertjes.Oogwenk, M., oogwenken.Oogwit, O.Oogziekte, V., oogziekten.Ooi, V., ooien. Ooitje, O., ooitjes.Ooievaar, M., ooievaars en ooievaren. Ooievaartje, O., ooievaartjes.Ooievaarsbeen, O., ooievaarsbeenen.Ooievaarsbeen (persoon), M. en V., ooievaarsbeenen.Ooievaarsbek, M., ooievaarsbekken.Ooievaarshals, M., ooievaarshalzen.Ooievaarsnest, O., ooievaarsnesten.Ooievaarsvlucht, V.Ooievaren, ooievaarde, heeft geooievaard.Ooit.Ook.Oolijk, oolijker, oolijkst.Oolijkerd, M., oolijkerds.Oolijkheid, V.Oom, M., ooms en oomen. Oompje, O., oompjes.Oomzegger, M., oomzeggers.Oomzegster, V., oomzegsters.Oonen, oonde, heeft geoond.Oor, O., ooren. Oortje, O., oortjes.Oorbaar, oorbaarder, oorbaarst.Oorbaar, O.Oorbaarheid, V.Oorband, M., oorbanden.Oorbel, V., oorbellen; oorbelletje, O., oorbelletjes.Oorbiecht, V.Oorblazer, M., oorblazers.Oord (plaats), O., oorden.Oordeel, O., oordeelen.Oordeelaar, M., oordeelaars en oordeelaren.Oordeelen, oordeelde, heeft geoordeeld.Oordeelkunde, V.Oordeelkundig, oordeelkundiger, oordeelkundigst.Oordeelsdag, M.Oordeelskracht, V.Oordeelvelling, V., oordeelvellingen.Oorhanger, M., oorhangers.Oorheelkunde, V.Oorheelkundig.Oorijzer, O., oorijzers.Oorklep, V., oorkleppen.Oorkonde, V., oorkonden.Oorkondenboek, O., oorkondenboeken.Oorkruiper, M., oorkruipers.Oorkussen, O., oorkussens.Oorlam, O., oorlammen.Oorlel, V., oorlellen; oorlelletje, O., oorlelletjes.Oorlepeltje, O., oorlepeltjes.Oorliëtblok, O., oorliëtblokken en oorliëtbloks.Oorlof, O.Oorlog, M., oorlogen.Oorlogen, oorloogde, heeft geoorloogd.Oorlogsbehoeften (mv.), V.Oorlogsbende, V., oorlogsbenden.Oorlogsbodem, M., oorlogsbodems.Oorlogscontrabande, V.Oorlogscorrespondent, M., oorlogscorrespondenten.Oorlogsdaad, V., oorlogsdaden.Oorlogsgevaar, O., oorlogsgevaren.Oorlogsgeweld, O.Oorlogsgezind, oorlogsgezinder, oorlogsgezindst.Oorlogshaven, V., oorlogshavens.Oorlogsheld, M., oorlogshelden.Oorlogskaart, V., oorlogskaarten.Oorlogskans, V., oorlogskansen.Oorlogskas, V., oorlogskassen.Oorlogskosten (mv.), M.Oorlogskreet, M., oorlogskreten.Oorlogskunst, V.Oorlogslasten (mv.), M.Oorlogsmateriaal, O.Oorlogsplan, O., oorlogsplannen.Oorlogsramp, V., oorlogsrampen.Oorlogsrecht, O.Oorlogsroem, M.Oorlogsschip, O., oorlogsschepen.Oorlogsterrein, O.Oorlogstoestand, M.Oorlogstooneel, O., oorlogstooneelen.Oorlogstuig, O.Oorlogsvaan, V., oorlogsvanen.Oorlogsvaartuig, O., oorlogsvaartuigen.Oorlogsveld, O.Oorlogsverklaring, V., oorlogsverklaringen.Oorlogsvloot, V., oorlogsvloten.Oorlogsvuur, O.Oorlogswapen, O., oorlogswapenen.Oorlogswet, V.Oorlogszwaard, O., oorlogszwaarden.Oorlogvoerend.Oorlogvoering, V.Oorlogzuchtig, oorlogzuchtiger, oorlogzuchtigst.Oorpijn, V., oorpijnen.Oorring, M., oorringen; oorringetje, O., oorringetjes.Oorschelp, V., oorschelpen.Oorsprong, M., oorsprongen.Oorspronkelijk, oorspronkelijker, oorspronkelijkst.Oorspronkelijkheid, V.Oorspuitje, O., oorspuitjes.Oort (geldswaarde), O., oorten. Oortje, O., oortjes.Oortrompet, V., oortrompetten.Oorveeg, M., oorvegen. Oorveegje, O., oorveegjes.Oorvijg, V., oorvijgen. Oorvijgje, O., oorvijgjes.Oorworm, M., oorwormen.Oorzaak, V., oorzaken.Oorzakelijk.Oost (het Oosten), O.; (Nederlands Oostindische bezittingen), V.Oost (bijw.).Oostelijk, oostelijker, oostelijkst.Oosten, O.Oostenwind, M., oostenwinden.Oosteren, oosterde, is geoosterd.Oostergoo, O.Oostergrens, V., oostergrenzen.Oosterhoek, M.Oosterkim, V.Oosterling, M. en V., Oosterlingen. V. ook Oosterlinge.Oosterlucie, V.Oostersch.Oosterzon, V.Oostfriesch.Oost-Friesland, O.Oost-Indië en Oostinje, O.Oostindiëvaarderen Oostinjevaarder, M., Oostindiëvaarders en Oostinjevaarders.Oostindisch.Oostinje. Zie Oost-Indië.Oostnoordoost (bijw.). Als znw., O.Oostvlaamsch.Oost-Vlaanderen, O.Oostwaarts.Oostzee, V.Oostzuidoost (bijw.). Als znw., O.Ootje, O. (In het ootje nemen).Ootmoed, M.Ootmoedig, ootmoediger, ootmoedigst.Ootmoedigheid, V.Ootmoediglijk.Op.Opaal (stof), O.; (steen), M., opalen.Opbaggeren, baggerde op, heeft opgebaggerd.Opbakken, bakte op, heeft opgebakken.Opbaliën, baliede op, heeft opgebalied.Opbarsten, barstte op, is opgebarsten; ook borst op, is opgeborsten.Opbedelen, bedelde op, heeft opgebedeld.Opbellen, belde op, heeft opgebeld.Opbergen, borg op, heeft opgeborgen.Opbersten. Zie Opbarsten.Opbeuren, beurde op, heeft opgebeurd.Opbeuring, V.Opbiechten, biechtte op, heeft opgebiecht.Opbieden, bood op, boden op, heeft opgeboden.Opbieding, V., opbiedingen.Opbijten (bijt hakken), bijtte op, heeft opgebijt.Opbikken, bikte op, heeft opgebikt.Opbinden, bond op, heeft opgebonden.Opblazen, blies op, bliezen op, heeft opgeblazen.Opbleeken, bleekte op, heeft en is opgebleekt.Opblijven, bleef op, bleven op, is opgebleven.Opbobbelen, bobbelde op, is opgebobbeld.Opbod, O.Opboeien, boeide op, heeft opgeboeid.Opboeisel, O., opboeisels.Opboenen, boende op, heeft opgeboend.Opboomen, boomde op, heeft opgeboomd.Opboren, boorde op, heeft opgeboord.Opboring, V.Opborrelen, borrelde op, is opgeborreld.Opborreling, V.Opborstelen, borstelde op, heeft opgeborsteld.Opbossen, boste op, heeft opgebost.Opbouw, M.Opbouwen, bouwde op, heeft opgebouwd.Opbouwer, M., opbouwers.Opbouwing, V.Opbraden, braadde op, heeft opgebraden.Opbranden, brandde op, heeft en is opgebrand.Opbrassen (scheepsw.), braste op, heeft opgebrast.Opbreeuwen, breeuwde op, heeft opgebreeuwd.Opbreien, breide op, heeft opgebreid.Opbreken, brak op, braken op, heeft en is opgebroken.Opbreker, M., opbrekers.Opbreking, V.Opbrengen, bracht op, heeft opgebracht.Opbrenger, M., opbrengers.Opbrengst, V., opbrengsten.Opbrouwen, brouwde op, heeft opgebrouwen.Opbruinen, bruinde op, heeft opgebruind.Opbruisen, bruiste op, heeft en is opgebruist.Opbuigen, boog op, bogen op, heeft en is opgebogen.Opbulderen, bulderde op, heeft opgebulderd.Opcent, M., opcenten.Opdagen (oproepen), daagde op, heeft opgedaagd.Opdagen (verschijnen), daagde op, is opgedaagd.Opdammen, damde op, heeft opgedamd.Opdampen, dampte op, heeft en is opgedampt.Opdansen, danste op, is opgedanst.Opdat.Opdelven, dolf op, dolven op, heeft opgedolven.Opdelver, M., opdelvers.Opdelving, V., opdelvingen.Opdienen, diende op, heeft opgediend.Opdiepen, diepte op, heeft opgediept.Opdirken, dirkte op, heeft opgedirkt.Opdisschen, dischte op, heeft opgedischt.Opdoeken, doekte op, heeft en is opgedoekt.Opdoemen, doemde op, is opgedoemd.Opdoen, doet op, deed op, deden op, heeft opgedaan.Opdoening, V.Opdoffelen, doffelde op, heeft opgedoffeld.Opdokken, dokte op, heeft opgedokt.Opdonderen, donderde op, is opgedonderd.Opdonkeren, donkerde op, heeft en is opgedonkerd.Opdraaien, draaide op, heeft en is opgedraaid.Opdracht, V., opdrachten.Opdrachtig, opdrachtiger, opdrachtigst.Opdrachtigheid, V.Opdragen, droeg op, heeft opgedragen.Opdraven, draafde op, is opgedraafd.Opdreunen, dreunde op, heeft opgedreund.Opdrijven, dreef op, dreven op, heeft en is opgedreven.Opdrijver, M., opdrijvers.Opdrijving, V.Opdril, M., opdrillen.Opdrillen, drilde op, heeft opgedrild.Opdringen, drong op, heeft en is opgedrongen.Opdrinken, dronk op, heeft opgedronken.Opdrogen, droogde op, heeft en is opgedroogd.Opdroging, V.Opdrossen, droste op, is opgedrost.Opdrukken, drukte op, heeft opgedrukt.Opduiken, dook op, doken op, is en heeft opgedoken,Opdunnen, dunde op, is opgedund.Opduwen, duwde op, heeft opgeduwd.Opdweilen, dweilde op, heeft opgedweild.Opdwingen, dwong op, heeft opgedwongen.Opeen.Opeendrijven, dreef opeen, dreven opeen, heeft opeengedreven.Opeengooien, gooide opeen, heeft opeengegooid.Opeenhoopen, hoopte opeen, heeft opeengehoopt.Opeenjagen, jaagde opeen, heeft opeengejaagd; ook joeg opeen.Opeenladen, laadde opeen, heeft opeengeladen.Opeenleggen, legde opeen en leide opeen, heeft opeengelegd en opeengeleid.Opeenliggen, lag opeen, lagen opeen, heeft opeengelegen.Opeenpakken, pakte opeen, heeft opeengepakt.Opeenplaatsen, plaatste opeen, heeft opeengeplaatst.Opeenplakken, plakte opeen, heeft opeengeplakt.Opeensmijten, smeet opeen, smeten opeen, heeft opeengesmeten.Opeenstapelen, stapelde opeen, heeft opeengestapeld.Opeenvolgen, volgde opeen, is opeengevolgd.Opeenvolging, V., opeenvolgingen.Opeenwerpen, wierp opeen, heeft opeengeworpen.Opeenzetten, zette opeen, heeft opeengezet.Opeenzitten, zat opeen, zaten opeen, heeft opeengezeten.Opeisch, M.Opeischen, eischte op, heeft opgeeischt.Opeisching, V., opeischingen.Open, opener, openst.Openbaar, openbaarder, openbaarst.Openbaar, O.Openbaarheid, V.Openbaarmaken, maakte openbaar, heeft openbaargemaakt.Openbaarmaking, V.Openbaren, openbaarde, heeft geopenbaard.Openbaring, V., openbaringen.Openbaringsleer, V.Openbreken, brak open, braken open, heeft en is opengebroken.Opendoen, doet open, deed open, deden open, heeft opengedaan.Openen, opende, heeft geopend.Opengaan, ging open, is opengegaan.Openhartig, openhartiger, openhartigst.Openhartigheid, V.Openheid, V.Openhouden, hield open, heeft opengehouden.Opening, V., openingen. Openingetje, O., openingetjes.Openingsrede, V., openingsredenen.Openkrabbelen, krabbelde open, heeft opengekrabbeld.Openkrabben, krabde open, heeft opengekrabd.Openkrijgen, kreeg open, kregen open, heeft opengekregen.Openlaten, liet open, heeft opengelaten.Openleggen, legde open en leide open, heeft opengelegd en opengeleid.Openliggen, lag open, lagen open, heeft opengelegen.Openlijk.Openmaken, maakte open, heeft opengemaakt.Openprikken, prikte open, heeft opengeprikt.Openrijten, reet open, reten open, heeft opengereten.Openrukken, rukte open, heeft opengerukt.Openscheuren, scheurde open, heeft opengescheurd.Openschuiven, schoof open, schoven open, heeft opengeschoven.Openslaan, slaat open, sloeg open, heeft en is opengeslagen.Opensluiten, sloot open, sloten open, heeft opengesloten.Opensnijden, sneed open, sneden open, heeft opengesneden.Openspalken, spalkte open, heeft opengespalkt.Openspringen, sprong open, is opengesprongen.Openstaan, staat open, stond open, heeft opengestaan.Openstaand.Openstellen, stelde open, heeft opengesteld.Openstooten, stiet open, heeft opengestooten; ook stootte open.Openteren, enterde op, is opgeënterd.Op-en-top.Opentrappen, trapte open, heeft opengetrapt.Opentrekken, trok open, trokken open, heeft opengetrokken.Openvallen, viel open, is opengevallen.Openvliegen, vloog open, vlogen open, is opengevlogen.Openzeilen, zeilde open, heeft opengezeild.Opera, V., opera’s. Operaatje, O., operaatjes.Operateur, M., operateuren en operateurs.Operatie, V., operatiën en operaties.Operatiekamer, V., operatiekamers.Operatielijn, V., operatielijnen.Operazanger, M., operazangers.Opereeren, opereerde, heeft geopereerd.Operette, V., operettes.Operment, O.Opeten, at op, aten op, heeft opgegeten.Opfladderen, fladderde op, is opgefladderd.Opflakkeren, flakkerde op, is opgeflakkerd.Opfleuren, fleurde op, is en heeft opgefleurd.Opfleuring, V.Opflikken, flikte op, heeft opgeflikt.Opflikkeren, flikkerde op, is opgeflikkerd.Opflikkering, V., opflikkeringen.Opfluiten, floot op, floten op, heeft opgefloten.Opfoeliën, foeliede op, heeft opgefoelied.Opfokken, fokte op, heeft opgefokt.Opfokker, M., opfokkers.Opfokking, V.Opfrisschen, frischte op, heeft en is opgefrischt.Opfrissching, V.Opgaaf en Opgave V., opgaven. Opgaafje, O., opgaafjes.Opgaan, gaat op, ging op, is opgegaan.Opgaand.Opgalmen, galmde op, heeft opgegalmd.Opgang, M., opgangen.Opgaren, gaarde op, heeft opgegaard.Opgave. Zie Opgaaf.Opgeblazen, opgeblazener, opgeblazenst.Opgeblazenheid, V.Opgebruiken, gebruikte op, heeft opgebruikt.Opgeien, geide op, heeft opgegeid.Opgeld, O., opgelden.Opgeruimd, opgeruimder, opgeruimdst.Opgeruimdheid, V.Opgeschikt, opgeschikter, opgeschiktst.Opgeschiktheid, V.Opgeschoten.Opgesmukt, opgesmukter, opgesmuktst.Opgesmuktheid, V.Opgetogen, opgetogener, opgetogenst.Opgetogenheid, V.Opgeven, gaf op, gaven op, heeft opgegeven.Opgever, M., opgevers.Opgeving, V.Opgewekt, opgewekter, opgewektst.Opgewektheid, V.Opgewonden, opgewondener, opgewondenst.Opgewondenheid, V.Opgezet.Opgezetene, M. en V., opgezetenen.Opgezwollen, opgezwollener, opgezwollenst.Opgezwollenheid, V.Opgieten, goot op, goten op, heeft opgegoten.Opgisten, gistte op, is opgegist.Opglanzen, glansde op, heeft opgeglansd.Opglimmen, glom op, glommen op, is opgeglommen.Opglinsteren, glinsterde op, is opgeglinsterd.Opglippen, glipte op, heeft opgeglipt.Opgloeien, gloeide op, heeft en is opgegloeid.Opgloeiing, V.Opgloren, gloorde op, is opgegloord.Opgooien, gooide op, heeft opgegooid.Opgorden, gordde op, heeft opgegord.Opgording, V.Opgrabbelen, grabbelde op, heeft opgegrabbeld.Opgraven, groef op, groeven op, heeft opgegraven.Opgraver, M., opgravers.Opgraving, V., opgravingen.Opgrijpen, greep op, grepen op, heeft opgegrepen.Opgroeien, groeide op, is opgegroeid.Ophaal, M., ophalen. Ophaaltje, O., ophaaltjes.Ophaalbrug, V., ophaalbruggen.Ophaalnet, O., ophaalnetten.Ophaken, haakte op, heeft opgehaakt.Ophakken, hakte op, heeft opgehakt.Ophakker, M., ophakkers. Ophakkertje, O., ophakkertjes.Ophakkerig, ophakkeriger, ophakkerigst.Ophakkerigheid, V.Ophakkerij, V., ophakkerijen.Ophalen, haalde op, heeft opgehaald.Ophaler, M., ophalers.Ophaling, V., ophalingen.Ophanden.Ophangen, hing op, heeft opgehangen.Ophanging, V., ophangingen.Ophappen, hapte op, heeft opgehapt.Opharken, harkte op, heeft opgeharkt.Ophaspelen, haspelde op, heeft opgehaspeld.Ophebben, heeft op, had op, hadden op, heeft opgehad.Ophef, M.Opheffen, hief op, hieven op, heeft opgeheven.Opheffing, V., opheffingen.Ophekelen, hekelde op, heeft opgehekeld.Ophelderen, helderde op, heeft en is opgehelderd.Opheldering, V., ophelderingen.Ophelpen, hielp op, heeft opgeholpen.Ophemelen, hemelde op, heeft opgehemeld.Ophemeling, V., ophemelingen.Ophicleïde, V., ophicleïdes.Ophielen, hielde op, heeft opgehield.Ophijschen, heesch op, heschen op, heeft opgeheschen.Ophitsen, hitste op, heeft opgehitst.Ophitser, M., ophitsers.Ophitsing, V., ophitsingen.Ophoepelen, hoepelde op, is opgehoepeld.Ophoogen, hoogde op, heeft opgehoogd.Ophooging, V., ophoogingen.Ophoopen, hoopte op, heeft opgehoopt.Ophooping, V., ophoopingen.Ophooren, hoorde op, heeft opgehoord.Ophouden, hield op, heeft opgehouden.Ophouder, M., ophouders.Ophtalmoloog, M., ophtalmologen.Ophuppelen, huppelde op, heeft en is opgehuppeld.Opijken, ijkte op, heeft opgeijkt.Opium, O.Opiumkit, V., opiumkitten.Opiumpacht, V.Opiumregie, V.Opiumschuiver, M., opiumschuivers.Opjagen, jaagde op, heeft opgejaagd; ook joeg op.Opkamer, V., opkamers. Opkamertje, O., opkamertjes.Opkammen, kamde op, heeft opgekamd.Opkappen, kapte op, heeft opgekapt.Opkatten, katte op, heeft opgekat.Opkeeren, keerde op, heeft opgekeerd.Opkeggen, kegde op, heeft opgekegd.Opkijken, keek op, keken op, heeft opgekeken.Opkikkeren, kikkerde op, heeft opgekikkerd.Opkisten, kistte op, heeft opgekist.Opkisting, V., opkistingen.Opkladden, kladde op, heeft opgeklad.Opklampen, klampte op, heeft opgeklampt.Opklappen, klapte op, heeft opgeklapt.Opklaren, klaarde op, heeft en is opgeklaard.Opklaring, V.Opklauteren, klauterde op, heeft en is opgeklauterd.Opkleppen, klepte op, heeft opgeklept.Opkleuren, kleurde op, heeft en is opgekleurd.Opklimmen, klom op, klommen op, heeft en is opgeklommen.Opklimming, V., opklimmingen.Opklinken, klonk op, heeft opgeklonken.Opklooven, kloofde op, heeft opgekloofd.Opkloppen, klopte op, heeft opgeklopt.Opklossen, kloste op, heeft opgeklost.Opkluiven, kloof op, kloven op, heeft opgekloven.Opknappen, knapte op, heeft en is opgeknapt.Opknapping, V., opknappingen.Opknijpen, kneep op, knepen op, is opgeknepen.Opknoopen, knoopte op, heeft opgeknoopt.Opknooping, V., opknoopingen.Opkoelen, koelde op, heeft en is opgekoeld.Opkoeling, V.Opkoken, kookte op, heeft opgekookt.Opkoking, V.Opkomen, komt op, kwam op, kwamen op, is opgekomen.Opkomer, M., opkomers.Opkomst, V.Opkooien, kooide op, heeft opgekooid.Opkooksel, O., opkooksels.Opkoop, M.Opkoopen, kocht op, heeft opgekocht.Opkooper, M., opkoopers.Opkooping, V., opkoopingen.Opkoopster, V., opkoopsters.Opkorten, kortte op, heeft en is opgekort.Opkrabbelen (openkrabbelen), krabbelde op, heeft opgekrabbeld.Opkrabbelen (uit eene ziekte opkomen), krabbelde op, is opgekrabbeld.Opkrabben, krabde op, heeft opgekrabd.Opkramen, kraamde op, is opgekraamd.Opkrassen, kraste op, heeft en is opgekrast.Opkrauwen, krauwde op, heeft opgekrauwd.Opkrijgen, kreeg op, kregen op, heeft opgekregen.Opkrimpen, kromp op, is opgekrompen.Opkrimping, V.Opkroezen, kroesde op, heeft opgekroesd.Opkroppen, kropte op, heeft opgekropt.Opkropping, V.Opkruien, krooi op, krooien op, heeft en is opgekrooien; ook kruide op, heeft en is opgekruid.Opkruipen, kroop op, kropen op, is opgekropen.Opkrullen, krulde op, heeft en is opgekruld.Opkuipen, kuipte op, heeft opgekuipt.Opkunnen, kan op, kunnen op, konde en kon op, konden op, heeft opgekund.Opkweeken, kweekte op, heeft opgekweekt.Opkweeking, V.Opkwikken, kwikte op, heeft opgekwikt.Oplaag en Oplage, V., oplagen.Opladen, laadde op, heeft opgeladen.Oplader, M., opladers.Oplading, V., opladingen.Oplage. Zie Oplaag.Oplangen, langde op, heeft opgelangd.Oplanger, M., oplangers.Oplappen, lapte op, heeft opgelapt.Oplapping, V., oplappingen.Oplaten, liet op, heeft opgelaten.Oplaveeren, laveerde op, is opgelaveerd.Opleggen, legde op en leide op, heeft opgelegd en opgeleid.Oplegging, V.Oplegsel, O., oplegsels. Oplegseltje, O., oplegseltjes.Opleiden, leidde op, heeft opgeleid.Opleider, M., opleiders.Opleiding, V., opleidingen.Opleidingsschip, O., opleidingsschepen.Oplepelen, lepelde op, heeft opgelepeld.Opletten, lette op, heeft opgelet.Oplettend, oplettender, oplettendst.Oplettendheid, V., oplettendheden.Opleven, leefde op, is opgeleefd.Oplezen, las op, lazen op, heeft opgelezen.Oplichten (helderder worden), lichtte op, is opgelicht.Oplichten (opheffen, bedriegen, enz.), lichtte op, heeft opgelicht.Oplichter, M., oplichters.Oplichterij, V., oplichterijen.Oplichting, V., oplichtingen.Oplichtster, V., oplichtsters.Oploeven, loefde op, is opgeloefd.Oploop (opschudding), M. Oploopje, O., oploopjes.Oploop (scheepsw.), M., oploopen.Oploopen, liep op, is en heeft opgeloopen.Oploopend, oploopender, oploopendst.Oploopendheid, V.Oplooping, V.Oplosbaar, oplosbare.Oplosbaarheid, V.Oplossen, loste op, heeft opgelost.Oplossing, V., oplossingen.Opluchten, luchtte op, heeft opgelucht.Opluiken, look op, loken op, is opgeloken.Opluiking, V.Opluisteren, luisterde op, heeft opgeluisterd.Opluistering, V.Opmaakster, V., opmaaksters.Opmaken, maakte op, heeft opgemaakt.Opmaker, M., opmakers.Opmaking, V.Opmalen, maalde op, heeft opgemalen.Opmaling, V., opmalingen.Opmarcheeren, marcheerde op, is opgemarcheerd.Opmerkelijk, opmerkelijker, opmerkelijkst.Opmerken, merkte op, heeft opgemerkt.Opmerkenswaardig, opmerkenswaardiger, opmerkenswaardigst, of meer en meest opmerkenswaardig.Opmerker, M., opmerkers.Opmerking, V., opmerkingen.Opmerkingsgave, V.Opmerkzaam, opmerkzamer, opmerkzaamst.Opmerkzaamheid, V.Opmeten, mat op, maten op, heeft opgemeten.Opmeting, V., opmetingen.Opmetselen, metselde op, heeft opgemetseld.Opmetseling, V.Opmonteren, monterde op, heeft opgemonterd.Opmontering, V.Opnaaien, naaide op, heeft opgenaaid.Opnaaisel, O., opnaaisels. Opnaaiseltje, O., opnaaiseltjes.Opname, V.Opnemen, nam op, namen op, heeft opgenomen.Opnemer, M., opnemers.Opneming, V., opnemingen.Opnemingsvaartuig, O., opnemingsvaartuigen.Opnieuw.Opnoemen, noemde op, heeft opgenoemd.Opnoeming, V., opnoemingen.Opodeldoc, V.
Ontzuiveren, ontzuiverde, heeft ontzuiverd.
Ontzuivering, V.
Ontzwachtelen, ontzwachtelde, heeft ontzwachteld.
Ontzwavelen, ontzwavelde, heeft ontzwaveld.
Ontzwaveling, V.
Ontzwemmen, ontzwom, ontzwommen, is ontzwommen.
Ontzweven, ontzweefde, is ontzweefd.
Onuitbaar, onuitbare.
Onuitbluschbaar, onuitbluschbare.
Onuitdelgbaar, onuitdelgbare.
Onuitdoofbaar, onuitdoofbare.
Onuitdrukbaar, onuitdrukbare.
Onuitgedrukt.
Onuitgegeven.
Onuitgelezen.
Onuitgeloot, onuitgelote.
Onuitgemaakt.
Onuitgesproken.
Onuitgevoerd.
Onuitgevorscht.
Onuitgewerkt.
Onuitgezocht.
Onuitputtelijk, onuitputtelijker, onuitputtelijkst.
Onuitputtelijkheid, V.
Onuitroeibaar, onuitroeibare.
Onuitspreekbaar, onuitspreekbare.
Onuitsprekelijk, onuitsprekelijker, onuitsprekelijkst.
Onuitsprekelijkheid, V.
Onuitstaanbaar, onuitstaanbare.
Onuitstaanbaarheid, V.
Onuitvoerbaar, onuitvoerbare.
Onuitvoerbaarheid, V.
Onuitwischbaar, V.
Onvaderlandsch.
Onvaderlijk.
Onvast, onvaster.
Onvastheid, V.
Onvatbaar, onvatbaarder, onvatbaarst.
Onvatbaarheid, V.
Onveilig, onveiliger, onveiligst.
Onveiligheid, V.
Onver.
Onveranderbaar, onveranderbare.
Onveranderd.
Onveranderlijk, onveranderlijker, onveranderlijkst.
Onveranderlijkheid, V.
Onverantwoord.
Onverantwoordelijk, onverantwoordelijker, onverantwoordelijkst.
Onverantwoordelijkheid, V.
Onverbasterd.
Onverbergbaar, onverbergbare.
Onverbeterbaar, onverbeterbaarder, onverbeterbaarst.
Onverbeterbaarheid, V.
Onverbeterd.
Onverbeterlijk, onverbeterlijker, onverbeterlijkst.
Onverbeterlijkheid, V.
Onverbiddelijk, onverbiddelijker, onverbiddelijkst.
Onverbiddelijkheid, V.
Onverbleekt.
Onverblind.
Onverbloemd.
Onverbogen.
Onverbolgen.
Onverbonden.
Onverborgen.
Onverbrand.
Onverbrandbaar, onverbrandbare.
Onverbreekbaar, onverbreekbare.
Onverbreekbaarheid, V.
Onverbrekelijk, onverbrekelijker, onverbrekelijkst.
Onverbrekelijkheid, V.
Onverbroken.
Onverbuigbaar, onverbuigbare.
Onverbuigbaarheid, V.
Onverdacht.
Onverdedigbaar, onverdedigbare.
Onverdedigbaarheid, V.
Onverdedigd.
Onverdeeld.
Onverdelgbaar, onverdelgbare.
Onverderfelijk, onverderfelijker, onverderfelijkst.
Onverderfelijkheid, V.
Onverdicht.
Onverdichtbaar, onverdichtbare.
Onverdiend.
Onverdienstelijk.
Onverdoofbaar, onverdoofbare.
Onverdord.
Onverdorven.
Onverdorvenheid, V.
Onverdraaglijk, onverdraaglijker, onverdraaglijkst.
Onverdraaglijkheid, V.
Onverdraagzaam, onverdraagzamer, onverdraagzaamst.
Onverdraagzaamheid, V.
Onverdroten.
Onvereenigbaar, onvereenigbare.
Onvereenigbaarheid, V.
Onverflauwd.
Onvergankelijk, onvergankelijker, onvergankelijkst.
Onvergankelijkheid, V.
Onvergeeflijk en Onvergefelijk, onvergeeflijker en onvergefelijker, onvergeeflijkst en onvergefelijkst.
Onvergeeflijkheid, V.
Onvergeetbaar, onvergeetbare.
Onvergelijkbaar, onvergelijkbare.
Onvergelijkelijk, onvergelijkelijker, onvergelijkelijkst.
Onvergenoegd, onvergenoegder, onvergenoegdst.
Onvergenoegdheid, V.
Onvergetelijk, onvergetelijker, onvergetelijkst.
Onvergezeld.
Onverglaasd.
Onverhaalbaar, onverhaalbare.
Onverhelpelijk, onverhelpelijker, onverhelpelijkst.
Onverhinderd.
Onverhoeds (bijw.).
Onverhoedsch (bnw.).
Onverholen.
Onverhoopt.
Onverhoord.
Onverhuurbaar, onverhuurbare.
Onverhuurd.
Onverjaard.
Onverkiesbaar, onverkiesbare.
Onverkiesbaarheid, V.
Onverkieslijk en Onverkieselijk, onverkieslijker en onverkieselijker, onverkieslijkst en onverkieselijkst.
Onverklaarbaar, onverklaarbaarder, onverklaarbaarst.
Onverklaarbaarheid, V.
Onverkleinbaar, onverkleinbare.
Onverkocht.
Onverkoopbaar, onverkoopbare.
Onverkort.
Onverkrijgbaar, onverkrijgbare.
Onverkwikkelijk, onverkwikkelijker, onverkwikkelijkst.
Onverlaat, M., onverlaten.
Onverlept.
Onverlet.
Onverlicht.
Onverlost.
Onvermaard, onvermaarder, onvermaardst.
Onvermakelijk, onvermakelijker, onvermakelijkst.
Onvermakelijkheid, V.
Onvermeld.
Onvermengbaar, onvermengbare.
Onvermengd.
Onvermijdbaar, onvermijdbare.
Onvermijdbaarheid, V.
Onvermijdelijk, onvermijdelijker, onvermijdelijkst.
Onvermijdelijkheid, V.
Onverminderd.
Onverminkt.
Onvermoeibaar, onvermoeibaarder, onvermoeibaarst.
Onvermoeibaarheid, V.
Onvermoeid.
Onvermogen, O.
Onvermogend, onvermogender, onvermogendst.
Onvermurwbaar, onvermurwbare.
Onvermurwbaarheid, V.
Onvermurwd.
Onvernielbaar, onvernielbare.
Onvernietigbaar, onvernietigbare.
Onvernieuwd.
Onvernuftig, onvernuftiger, onvernuftigst.
Onveroordeeld.
Onverouderd.
Onveroverbaar, onveroverbare.
Onveroverd.
Onverpacht.
Onverplicht.
Onverpoosd.
Onverricht.
Onversaagd, onversaagder, onversaagdst.
Onversaagdheid, V.
Onverschillig, onverschilliger, onverschilligst.
Onverschilligheid, V., onverschilligheden.
Onverschoonbaar, onverschoonbare.
Onverschoonbaarheid, V.
Onverschoonlijk, onverschoonlijker, onverschoonlijkst.
Onverschoonlijkheid, V.
Onverschoten.
Onverschrokken, onverschrokkener, onverschrokkenst.
Onverschrokkenheid, V.
Onversierd.
Onverslapt.
Onverslijtbaar, onverslijtbare.
Onverslijtelijk, onverslijtelijker, onverslijtelijkst.
Onversneden.
Onverstaanbaar, onverstaanbare.
Onverstaanbaarheid, V.
Onverstand, O.
Onverstandig, onverstandiger, onverstandigst.
Onverstandigheid, V.
Onversterfelijk.
Onverstoorbaar, onverstoorbare.
Onverstoorbaarheid, V.
Onverstoord.
Onverstorven.
Onvertaalbaar, onvertaalbare.
Onvertaald.
Onverteerbaar, onverteerbare.
Onverteerbaarheid, V.
Onverteerd.
Onvertind.
Onvertogen.
Onvertraagd.
Onvertrokken.
Onvertroostbaar, onvertroostbare.
Onvervaard.
Onvervaardheid, V.
Onvervalscht.
Onvervoerbaar, onvervoerbare.
Onvervreemd.
Onvervreemdbaar, onvervreemdbare.
Onvervreemdbaarheid, O.
Onvervuld.
Onverwacht.
Onverwachtheid, V.
Onverwachts (bijw.).
Onverwarmd.
Onverweerd.
Onverwelkbaar, onverwelkbare.
Onverwelkelijk.
Onverwelkt.
Onverwijld.
Onverwinbaar, onverwinbare.
Onverwinbaarheid, V.
Onverwinlijk en Onverwinnelijk, onverwinlijker en onverwinnelijker, onverwinlijkst en onverwinnelijkst.
Onverwonnen.
Onverwrikbaar, onverwrikbaarder, onverwrikbaarst.
Onverwrikbaarheid, V.
Onverwulfd.
Onverzaadbaar, onverzaadbare.
Onverzadelijk, onverzadelijker, onverzadelijkst.
Onverzadelijkheid, V.
Onverzadigbaar, onverzadigbare.
Onverzadigd.
Onverzegeld.
Onverzekerd.
Onverzeld.
Onverzetbaar, onverzetbare.
Onverzetbaarheid, V.
Onverzettelijk, onverzettelijker, onverzettelijkst.
Onverzettelijkheid, V.
Onverzocht.
Onverzoenbaar, onverzoenbare.
Onverzoend.
Onverzoenlijk, onverzoenlijker, onverzoenlijkst.
Onverzoenlijkheid, V.
Onverzorgd.
Onverzwakt.
Onverzwelgbaar, onverzwelgbare.
Onvindbaar, onvindbare.
Onvlaamsch.
Onvoegzaam, onvoegzamer, onvoegzaamst.
Onvoegzaamheid, V.
Onvoelbaar, onvoelbare.
Onvolbouwd.
Onvolbracht.
Onvoldaan, onvoldaner, onvoldaanst.
Onvoldaanheid, V.
Onvoldoenbaar, onvoldoenbare.
Onvoldoend.
Onvoldoendheid, V.
Onvoldragen.
Onvoleind.
Onvoleindigd.
Onvolkomen, onvolkomener, onvolkomenst.
Onvolkomenheid, V., onvolkomenheden.
Onvolledig, onvollediger, onvolledigst.
Onvolledigheid, V.
Onvolmaakt, onvolmaakter, onvolmaaktst.
Onvolmaaktheid, V., onvolmaaktheden.
Onvolprezen.
Onvoltallig.
Onvoltalligheid, V.
Onvoltooid.
Onvoltrokken.
Onvolvoerbaar, onvolvoerbare.
Onvolvoerd.
Onvolwassen.
Onvoorbedacht.
Onvoorbereid.
Onvoordeelig, onvoordeeliger, onvoordeeligst.
Onvoordeeligheid, V.
Onvoorwaardelijk.
Onvoorzichtig, onvoorzichtiger, onvoorzichtigst.
Onvoorzichtigheid, V., onvoorzichtigheden.
Onvoorzichtiglijk.
Onvoorzien.
Onvoorzienbaar, onvoorzienbare.
Onvoorziens (bijw.).
Onvorstelijk, onvorstelijker, onvorstelijkst.
Onvrede, M.
Onvriend, M., onvrienden.
Onvriendelijk, onvriendelijker, onvriendelijkst.
Onvriendelijkheid, V., onvriendelijkheden.
Onvriendschappelijk, onvriendschappelijker, onvriendschappelijkst.
Onvrij, onvrijer.
Onvrijheid, V.
Onvrijwillig, onvrijwilliger, onvrijwilligst.
Onvrijzinnig, onvrijzinniger, onvrijzinnigst.
Onvrijzinnigheid, V.
Onvroom, onvromer, onvroomst.
Onvrouwelijk, onvrouwelijker, onvrouwelijkst.
Onvruchtbaar, onvruchtbaarder, onvruchtbaarst.
Onvruchtbaarheid, V.
Onwaar, onware.
Onwaarachtig, onwaarachtiger, onwaarachtigst.
Onwaarachtigheid, V., onwaarachtigheden.
Onwaard.
Onwaarde, V.
Onwaardeerbaar, onwaardeerbare.
Onwaardeerbaarheid, V.
Onwaardig, onwaardiger, onwaardigst.
Onwaardigheid, V., onwaardigheden.
Onwaardiglijk.
Onwaarheid, V., onwaarheden.
Onwaarneembaar, onwaarneembare.
Onwaarschijnlijk, onwaarschijnlijker, onwaarschijnlijkst.
Onwaarschijnlijkheid, V., onwaarschijnlijkheden.
Onwankelbaar, onwankelbaarder, onwankelbaarst.
Onwankelbaarheid, V.
Onweder en Onweer, O., onweders en onweeren. Onweertje, O., onweertjes.
Onwederlegbaar, onwederlegbaarder, onwederlegbaarst.
Onwederlegbaarheid, V.
Onwederstaanbaar, onwederstaanbaarder, onwederstaanbaarst.
Onwederstaanbaarheid, V.
Onwederstreefbaar, onwederstreefbare.
Onweer. Zie Onweder.
Onweerbaar, onweerbare.
Onweerbaarheid, V.
Onweeren, onweerde, heeft geonweerd.
Onweersbui, V., onweersbuien.
Onweersvlaag, V., onweersvlagen.
Onweersvogel, M., onweersvogels.
Onweerswolk, V., onweerswolken.
Onwel.
Onwelgevallig, onwelgevalliger, onwelgevalligst.
Onwelkom.
Onwellevend, onwellevender, onwellevendst.
Onwellevendheid, V.
Onwelluidend, onwelluidender, onwelluidendst.
Onwelluidendheid, V.
Onwelmeenend.
Onwelvoeglijk, onwelvoeglijker, onwelvoeglijkst.
Onwelvoeglijkheid, V.
Onwetend, onwetender, onwetendst.
Onwetendheid, V.
Onwetens.
Onwetenschappelijk, onwetenschappelijker, onwetenschappelijkst.
Onwettelijk, onwettelijker, onwettelijkst.
Onwettelijkheid, V.
Onwettig, onwettiger, onwettigst.
Onwettigheid, V., onwettigheden.
Onwezenlijk.
Onwijs, onwijzer.
Onwijsgeerig, onwijsgeeriger, onwijsgeerigst.
Onwijsheid, V.
Onwijslijk en Onwijselijk.
Onwil.
Onwillekeurig, onwillekeuriger, onwillekeurigst.
Onwillens.
Onwillig, onwilliger, onwilligst.
Onwilligheid, V.
Onwinbaar, onwinbare.
Onwinbaarheid, V.
Onwis.
Onwisheid, V.
Onwraakbaar, onwraakbaarder, onwraakbaarst.
Onwraakbaarheid, V.
Onwraakgierig, onwraakgieriger, onwraakgierigst.
Onwraakzuchtig, onwraakzuchtiger, onwraakzuchtigst.
Onwraakzuchtigheid, V.
Onwrikbaar, onwrikbaarder, onwrikbaarst.
Onwrikbaarheid, V.
Onyx, M., onyxen.
Onzacht, onzachter, onzachtst.
Onzachtheid, V.
Onzalig, onzaliger, onzaligst.
Onzaligheid, V.
Onzedelijk, onzedelijker, onzedelijkst.
Onzedelijkheid, V.
Onzedig, onzediger, onzedigst.
Onzedigheid, V.
Onzeewaardig.
Onzeglijk, onzeglijker, onzeglijkst.
Onzeilbaar, onzeilbare.
Onzeker, onzekerder, onzekerst.
Onzekerheid, V., onzekerheden.
Onzelfstandig, onzelfstandiger, onzelfstandigst.
Onzelfstandigheid, V.
Onze-lieve-heersbeestje, O., onze-lieve-heersbeestjes. Onze-lieve-vrouwenbedstroo, O.
Onzent (Te onzent).
Onzenthalve.
Onzentwege.
Onzentwil (Om onzentwil).
Onzerzijds.
Onze-vader, O.
Onzichtbaar, onzichtbare.
Onzichtbaarheid, V.
Onzienlijk, onzienlijker, onzienlijkst.
Onzienlijkheid, V.
Onzijdig, onzijdiger, onzijdigst.
Onzijdigheid, V.
Onzijdigverklaring, V., onzijdigverklaringen.
Onzin, M.
Onzindelijk, onzindelijker, onzindelijkst.
Onzindelijkheid, V., onzindelijkheden.
Onzinnelijk.
Onzinnig, onzinniger, onzinnigst.
Onzinnigheid, V., onzinnigheden.
Onzoet, onzoeter, onzoetst.
Onzondig.
Onzondigheid, V.
Onzuiver, onzuiverder, onzuiverst.
Onzuiverheid, V., onzuiverheden.
Ooft, O.
Ooftboom, M., ooftboomen.
Ooftkelder, M., ooftkelders.
Oog, O., oogen. Oogje, O., oogjes.
Oogappel, M., oogappels.
Oogarts, M., oogartsen.
Oogbad, O., oogbaden; oogbadje, O., oogbadjes.
Oogelijn, O., oogelijns.
Oogen, oogde, heeft geoogd.
Oogenblik, O. en M., oogenblikken; oogenblikje, O., oogenblikjes.
Oogenblikkelijk.
Oogendienaar, M., oogendienaars en oogendienaren.
Oogendienst, M.
Oogendokter, M., oogendokters.
Oogenklaar, O.
Oogenpaar, O.
Oogenschijnlijk, oogenschijnlijker, oogenschijnlijkst.
Oogenschijnlijkheid, V.
Oogenschouw, V.
Oogentaal, V.
Oogentroost, V.
Ooggetuige, M. en V., ooggetuigen.
Ooghaar, O., oogharen; ooghaartje, O., ooghaartjes.
Oogheelkunde, V.
Oogholte, V., oogholten.
Oogjesgoed, O.
Oogkas, V., oogkassen.
Ooglid, O., oogleden.
Ooglijder, M., ooglijders.
Ooglijk, ooglijker, ooglijkst.
Oogluikend.
Oogluiking, V.
Oogmerk, O., oogmerken.
Oogontsteking, V., oogontstekingen.
Oogopslag, M.
Oogpunt, O., oogpunten.
Oogspiegel, M., oogspiegels.
Oogst, M., oogsten. Oogstje, O., oogstjes
Oogsten, oogstte, heeft geoogst.
Oogster, M., oogsters.
Oogsting, V., oogstingen.
Oogstmaand, V.
Oogsttijd, M.
Oogtand, M., oogtanden.
Oogverblindend.
Oogwater, O.; oogwatertje, O., oogwatertjes.
Oogwenk, M., oogwenken.
Oogwit, O.
Oogziekte, V., oogziekten.
Ooi, V., ooien. Ooitje, O., ooitjes.
Ooievaar, M., ooievaars en ooievaren. Ooievaartje, O., ooievaartjes.
Ooievaarsbeen, O., ooievaarsbeenen.
Ooievaarsbeen (persoon), M. en V., ooievaarsbeenen.
Ooievaarsbek, M., ooievaarsbekken.
Ooievaarshals, M., ooievaarshalzen.
Ooievaarsnest, O., ooievaarsnesten.
Ooievaarsvlucht, V.
Ooievaren, ooievaarde, heeft geooievaard.
Ooit.
Ook.
Oolijk, oolijker, oolijkst.
Oolijkerd, M., oolijkerds.
Oolijkheid, V.
Oom, M., ooms en oomen. Oompje, O., oompjes.
Oomzegger, M., oomzeggers.
Oomzegster, V., oomzegsters.
Oonen, oonde, heeft geoond.
Oor, O., ooren. Oortje, O., oortjes.
Oorbaar, oorbaarder, oorbaarst.
Oorbaar, O.
Oorbaarheid, V.
Oorband, M., oorbanden.
Oorbel, V., oorbellen; oorbelletje, O., oorbelletjes.
Oorbiecht, V.
Oorblazer, M., oorblazers.
Oord (plaats), O., oorden.
Oordeel, O., oordeelen.
Oordeelaar, M., oordeelaars en oordeelaren.
Oordeelen, oordeelde, heeft geoordeeld.
Oordeelkunde, V.
Oordeelkundig, oordeelkundiger, oordeelkundigst.
Oordeelsdag, M.
Oordeelskracht, V.
Oordeelvelling, V., oordeelvellingen.
Oorhanger, M., oorhangers.
Oorheelkunde, V.
Oorheelkundig.
Oorijzer, O., oorijzers.
Oorklep, V., oorkleppen.
Oorkonde, V., oorkonden.
Oorkondenboek, O., oorkondenboeken.
Oorkruiper, M., oorkruipers.
Oorkussen, O., oorkussens.
Oorlam, O., oorlammen.
Oorlel, V., oorlellen; oorlelletje, O., oorlelletjes.
Oorlepeltje, O., oorlepeltjes.
Oorliëtblok, O., oorliëtblokken en oorliëtbloks.
Oorlof, O.
Oorlog, M., oorlogen.
Oorlogen, oorloogde, heeft geoorloogd.
Oorlogsbehoeften (mv.), V.
Oorlogsbende, V., oorlogsbenden.
Oorlogsbodem, M., oorlogsbodems.
Oorlogscontrabande, V.
Oorlogscorrespondent, M., oorlogscorrespondenten.
Oorlogsdaad, V., oorlogsdaden.
Oorlogsgevaar, O., oorlogsgevaren.
Oorlogsgeweld, O.
Oorlogsgezind, oorlogsgezinder, oorlogsgezindst.
Oorlogshaven, V., oorlogshavens.
Oorlogsheld, M., oorlogshelden.
Oorlogskaart, V., oorlogskaarten.
Oorlogskans, V., oorlogskansen.
Oorlogskas, V., oorlogskassen.
Oorlogskosten (mv.), M.
Oorlogskreet, M., oorlogskreten.
Oorlogskunst, V.
Oorlogslasten (mv.), M.
Oorlogsmateriaal, O.
Oorlogsplan, O., oorlogsplannen.
Oorlogsramp, V., oorlogsrampen.
Oorlogsrecht, O.
Oorlogsroem, M.
Oorlogsschip, O., oorlogsschepen.
Oorlogsterrein, O.
Oorlogstoestand, M.
Oorlogstooneel, O., oorlogstooneelen.
Oorlogstuig, O.
Oorlogsvaan, V., oorlogsvanen.
Oorlogsvaartuig, O., oorlogsvaartuigen.
Oorlogsveld, O.
Oorlogsverklaring, V., oorlogsverklaringen.
Oorlogsvloot, V., oorlogsvloten.
Oorlogsvuur, O.
Oorlogswapen, O., oorlogswapenen.
Oorlogswet, V.
Oorlogszwaard, O., oorlogszwaarden.
Oorlogvoerend.
Oorlogvoering, V.
Oorlogzuchtig, oorlogzuchtiger, oorlogzuchtigst.
Oorpijn, V., oorpijnen.
Oorring, M., oorringen; oorringetje, O., oorringetjes.
Oorschelp, V., oorschelpen.
Oorsprong, M., oorsprongen.
Oorspronkelijk, oorspronkelijker, oorspronkelijkst.
Oorspronkelijkheid, V.
Oorspuitje, O., oorspuitjes.
Oort (geldswaarde), O., oorten. Oortje, O., oortjes.
Oortrompet, V., oortrompetten.
Oorveeg, M., oorvegen. Oorveegje, O., oorveegjes.
Oorvijg, V., oorvijgen. Oorvijgje, O., oorvijgjes.
Oorworm, M., oorwormen.
Oorzaak, V., oorzaken.
Oorzakelijk.
Oost (het Oosten), O.; (Nederlands Oostindische bezittingen), V.
Oost (bijw.).
Oostelijk, oostelijker, oostelijkst.
Oosten, O.
Oostenwind, M., oostenwinden.
Oosteren, oosterde, is geoosterd.
Oostergoo, O.
Oostergrens, V., oostergrenzen.
Oosterhoek, M.
Oosterkim, V.
Oosterling, M. en V., Oosterlingen. V. ook Oosterlinge.
Oosterlucie, V.
Oostersch.
Oosterzon, V.
Oostfriesch.
Oost-Friesland, O.
Oost-Indië en Oostinje, O.
Oostindiëvaarderen Oostinjevaarder, M., Oostindiëvaarders en Oostinjevaarders.
Oostindisch.
Oostinje. Zie Oost-Indië.
Oostnoordoost (bijw.). Als znw., O.
Oostvlaamsch.
Oost-Vlaanderen, O.
Oostwaarts.
Oostzee, V.
Oostzuidoost (bijw.). Als znw., O.
Ootje, O. (In het ootje nemen).
Ootmoed, M.
Ootmoedig, ootmoediger, ootmoedigst.
Ootmoedigheid, V.
Ootmoediglijk.
Op.
Opaal (stof), O.; (steen), M., opalen.
Opbaggeren, baggerde op, heeft opgebaggerd.
Opbakken, bakte op, heeft opgebakken.
Opbaliën, baliede op, heeft opgebalied.
Opbarsten, barstte op, is opgebarsten; ook borst op, is opgeborsten.
Opbedelen, bedelde op, heeft opgebedeld.
Opbellen, belde op, heeft opgebeld.
Opbergen, borg op, heeft opgeborgen.
Opbersten. Zie Opbarsten.
Opbeuren, beurde op, heeft opgebeurd.
Opbeuring, V.
Opbiechten, biechtte op, heeft opgebiecht.
Opbieden, bood op, boden op, heeft opgeboden.
Opbieding, V., opbiedingen.
Opbijten (bijt hakken), bijtte op, heeft opgebijt.
Opbikken, bikte op, heeft opgebikt.
Opbinden, bond op, heeft opgebonden.
Opblazen, blies op, bliezen op, heeft opgeblazen.
Opbleeken, bleekte op, heeft en is opgebleekt.
Opblijven, bleef op, bleven op, is opgebleven.
Opbobbelen, bobbelde op, is opgebobbeld.
Opbod, O.
Opboeien, boeide op, heeft opgeboeid.
Opboeisel, O., opboeisels.
Opboenen, boende op, heeft opgeboend.
Opboomen, boomde op, heeft opgeboomd.
Opboren, boorde op, heeft opgeboord.
Opboring, V.
Opborrelen, borrelde op, is opgeborreld.
Opborreling, V.
Opborstelen, borstelde op, heeft opgeborsteld.
Opbossen, boste op, heeft opgebost.
Opbouw, M.
Opbouwen, bouwde op, heeft opgebouwd.
Opbouwer, M., opbouwers.
Opbouwing, V.
Opbraden, braadde op, heeft opgebraden.
Opbranden, brandde op, heeft en is opgebrand.
Opbrassen (scheepsw.), braste op, heeft opgebrast.
Opbreeuwen, breeuwde op, heeft opgebreeuwd.
Opbreien, breide op, heeft opgebreid.
Opbreken, brak op, braken op, heeft en is opgebroken.
Opbreker, M., opbrekers.
Opbreking, V.
Opbrengen, bracht op, heeft opgebracht.
Opbrenger, M., opbrengers.
Opbrengst, V., opbrengsten.
Opbrouwen, brouwde op, heeft opgebrouwen.
Opbruinen, bruinde op, heeft opgebruind.
Opbruisen, bruiste op, heeft en is opgebruist.
Opbuigen, boog op, bogen op, heeft en is opgebogen.
Opbulderen, bulderde op, heeft opgebulderd.
Opcent, M., opcenten.
Opdagen (oproepen), daagde op, heeft opgedaagd.
Opdagen (verschijnen), daagde op, is opgedaagd.
Opdammen, damde op, heeft opgedamd.
Opdampen, dampte op, heeft en is opgedampt.
Opdansen, danste op, is opgedanst.
Opdat.
Opdelven, dolf op, dolven op, heeft opgedolven.
Opdelver, M., opdelvers.
Opdelving, V., opdelvingen.
Opdienen, diende op, heeft opgediend.
Opdiepen, diepte op, heeft opgediept.
Opdirken, dirkte op, heeft opgedirkt.
Opdisschen, dischte op, heeft opgedischt.
Opdoeken, doekte op, heeft en is opgedoekt.
Opdoemen, doemde op, is opgedoemd.
Opdoen, doet op, deed op, deden op, heeft opgedaan.
Opdoening, V.
Opdoffelen, doffelde op, heeft opgedoffeld.
Opdokken, dokte op, heeft opgedokt.
Opdonderen, donderde op, is opgedonderd.
Opdonkeren, donkerde op, heeft en is opgedonkerd.
Opdraaien, draaide op, heeft en is opgedraaid.
Opdracht, V., opdrachten.
Opdrachtig, opdrachtiger, opdrachtigst.
Opdrachtigheid, V.
Opdragen, droeg op, heeft opgedragen.
Opdraven, draafde op, is opgedraafd.
Opdreunen, dreunde op, heeft opgedreund.
Opdrijven, dreef op, dreven op, heeft en is opgedreven.
Opdrijver, M., opdrijvers.
Opdrijving, V.
Opdril, M., opdrillen.
Opdrillen, drilde op, heeft opgedrild.
Opdringen, drong op, heeft en is opgedrongen.
Opdrinken, dronk op, heeft opgedronken.
Opdrogen, droogde op, heeft en is opgedroogd.
Opdroging, V.
Opdrossen, droste op, is opgedrost.
Opdrukken, drukte op, heeft opgedrukt.
Opduiken, dook op, doken op, is en heeft opgedoken,
Opdunnen, dunde op, is opgedund.
Opduwen, duwde op, heeft opgeduwd.
Opdweilen, dweilde op, heeft opgedweild.
Opdwingen, dwong op, heeft opgedwongen.
Opeen.
Opeendrijven, dreef opeen, dreven opeen, heeft opeengedreven.
Opeengooien, gooide opeen, heeft opeengegooid.
Opeenhoopen, hoopte opeen, heeft opeengehoopt.
Opeenjagen, jaagde opeen, heeft opeengejaagd; ook joeg opeen.
Opeenladen, laadde opeen, heeft opeengeladen.
Opeenleggen, legde opeen en leide opeen, heeft opeengelegd en opeengeleid.
Opeenliggen, lag opeen, lagen opeen, heeft opeengelegen.
Opeenpakken, pakte opeen, heeft opeengepakt.
Opeenplaatsen, plaatste opeen, heeft opeengeplaatst.
Opeenplakken, plakte opeen, heeft opeengeplakt.
Opeensmijten, smeet opeen, smeten opeen, heeft opeengesmeten.
Opeenstapelen, stapelde opeen, heeft opeengestapeld.
Opeenvolgen, volgde opeen, is opeengevolgd.
Opeenvolging, V., opeenvolgingen.
Opeenwerpen, wierp opeen, heeft opeengeworpen.
Opeenzetten, zette opeen, heeft opeengezet.
Opeenzitten, zat opeen, zaten opeen, heeft opeengezeten.
Opeisch, M.
Opeischen, eischte op, heeft opgeeischt.
Opeisching, V., opeischingen.
Open, opener, openst.
Openbaar, openbaarder, openbaarst.
Openbaar, O.
Openbaarheid, V.
Openbaarmaken, maakte openbaar, heeft openbaargemaakt.
Openbaarmaking, V.
Openbaren, openbaarde, heeft geopenbaard.
Openbaring, V., openbaringen.
Openbaringsleer, V.
Openbreken, brak open, braken open, heeft en is opengebroken.
Opendoen, doet open, deed open, deden open, heeft opengedaan.
Openen, opende, heeft geopend.
Opengaan, ging open, is opengegaan.
Openhartig, openhartiger, openhartigst.
Openhartigheid, V.
Openheid, V.
Openhouden, hield open, heeft opengehouden.
Opening, V., openingen. Openingetje, O., openingetjes.
Openingsrede, V., openingsredenen.
Openkrabbelen, krabbelde open, heeft opengekrabbeld.
Openkrabben, krabde open, heeft opengekrabd.
Openkrijgen, kreeg open, kregen open, heeft opengekregen.
Openlaten, liet open, heeft opengelaten.
Openleggen, legde open en leide open, heeft opengelegd en opengeleid.
Openliggen, lag open, lagen open, heeft opengelegen.
Openlijk.
Openmaken, maakte open, heeft opengemaakt.
Openprikken, prikte open, heeft opengeprikt.
Openrijten, reet open, reten open, heeft opengereten.
Openrukken, rukte open, heeft opengerukt.
Openscheuren, scheurde open, heeft opengescheurd.
Openschuiven, schoof open, schoven open, heeft opengeschoven.
Openslaan, slaat open, sloeg open, heeft en is opengeslagen.
Opensluiten, sloot open, sloten open, heeft opengesloten.
Opensnijden, sneed open, sneden open, heeft opengesneden.
Openspalken, spalkte open, heeft opengespalkt.
Openspringen, sprong open, is opengesprongen.
Openstaan, staat open, stond open, heeft opengestaan.
Openstaand.
Openstellen, stelde open, heeft opengesteld.
Openstooten, stiet open, heeft opengestooten; ook stootte open.
Openteren, enterde op, is opgeënterd.
Op-en-top.
Opentrappen, trapte open, heeft opengetrapt.
Opentrekken, trok open, trokken open, heeft opengetrokken.
Openvallen, viel open, is opengevallen.
Openvliegen, vloog open, vlogen open, is opengevlogen.
Openzeilen, zeilde open, heeft opengezeild.
Opera, V., opera’s. Operaatje, O., operaatjes.
Operateur, M., operateuren en operateurs.
Operatie, V., operatiën en operaties.
Operatiekamer, V., operatiekamers.
Operatielijn, V., operatielijnen.
Operazanger, M., operazangers.
Opereeren, opereerde, heeft geopereerd.
Operette, V., operettes.
Operment, O.
Opeten, at op, aten op, heeft opgegeten.
Opfladderen, fladderde op, is opgefladderd.
Opflakkeren, flakkerde op, is opgeflakkerd.
Opfleuren, fleurde op, is en heeft opgefleurd.
Opfleuring, V.
Opflikken, flikte op, heeft opgeflikt.
Opflikkeren, flikkerde op, is opgeflikkerd.
Opflikkering, V., opflikkeringen.
Opfluiten, floot op, floten op, heeft opgefloten.
Opfoeliën, foeliede op, heeft opgefoelied.
Opfokken, fokte op, heeft opgefokt.
Opfokker, M., opfokkers.
Opfokking, V.
Opfrisschen, frischte op, heeft en is opgefrischt.
Opfrissching, V.
Opgaaf en Opgave V., opgaven. Opgaafje, O., opgaafjes.
Opgaan, gaat op, ging op, is opgegaan.
Opgaand.
Opgalmen, galmde op, heeft opgegalmd.
Opgang, M., opgangen.
Opgaren, gaarde op, heeft opgegaard.
Opgave. Zie Opgaaf.
Opgeblazen, opgeblazener, opgeblazenst.
Opgeblazenheid, V.
Opgebruiken, gebruikte op, heeft opgebruikt.
Opgeien, geide op, heeft opgegeid.
Opgeld, O., opgelden.
Opgeruimd, opgeruimder, opgeruimdst.
Opgeruimdheid, V.
Opgeschikt, opgeschikter, opgeschiktst.
Opgeschiktheid, V.
Opgeschoten.
Opgesmukt, opgesmukter, opgesmuktst.
Opgesmuktheid, V.
Opgetogen, opgetogener, opgetogenst.
Opgetogenheid, V.
Opgeven, gaf op, gaven op, heeft opgegeven.
Opgever, M., opgevers.
Opgeving, V.
Opgewekt, opgewekter, opgewektst.
Opgewektheid, V.
Opgewonden, opgewondener, opgewondenst.
Opgewondenheid, V.
Opgezet.
Opgezetene, M. en V., opgezetenen.
Opgezwollen, opgezwollener, opgezwollenst.
Opgezwollenheid, V.
Opgieten, goot op, goten op, heeft opgegoten.
Opgisten, gistte op, is opgegist.
Opglanzen, glansde op, heeft opgeglansd.
Opglimmen, glom op, glommen op, is opgeglommen.
Opglinsteren, glinsterde op, is opgeglinsterd.
Opglippen, glipte op, heeft opgeglipt.
Opgloeien, gloeide op, heeft en is opgegloeid.
Opgloeiing, V.
Opgloren, gloorde op, is opgegloord.
Opgooien, gooide op, heeft opgegooid.
Opgorden, gordde op, heeft opgegord.
Opgording, V.
Opgrabbelen, grabbelde op, heeft opgegrabbeld.
Opgraven, groef op, groeven op, heeft opgegraven.
Opgraver, M., opgravers.
Opgraving, V., opgravingen.
Opgrijpen, greep op, grepen op, heeft opgegrepen.
Opgroeien, groeide op, is opgegroeid.
Ophaal, M., ophalen. Ophaaltje, O., ophaaltjes.
Ophaalbrug, V., ophaalbruggen.
Ophaalnet, O., ophaalnetten.
Ophaken, haakte op, heeft opgehaakt.
Ophakken, hakte op, heeft opgehakt.
Ophakker, M., ophakkers. Ophakkertje, O., ophakkertjes.
Ophakkerig, ophakkeriger, ophakkerigst.
Ophakkerigheid, V.
Ophakkerij, V., ophakkerijen.
Ophalen, haalde op, heeft opgehaald.
Ophaler, M., ophalers.
Ophaling, V., ophalingen.
Ophanden.
Ophangen, hing op, heeft opgehangen.
Ophanging, V., ophangingen.
Ophappen, hapte op, heeft opgehapt.
Opharken, harkte op, heeft opgeharkt.
Ophaspelen, haspelde op, heeft opgehaspeld.
Ophebben, heeft op, had op, hadden op, heeft opgehad.
Ophef, M.
Opheffen, hief op, hieven op, heeft opgeheven.
Opheffing, V., opheffingen.
Ophekelen, hekelde op, heeft opgehekeld.
Ophelderen, helderde op, heeft en is opgehelderd.
Opheldering, V., ophelderingen.
Ophelpen, hielp op, heeft opgeholpen.
Ophemelen, hemelde op, heeft opgehemeld.
Ophemeling, V., ophemelingen.
Ophicleïde, V., ophicleïdes.
Ophielen, hielde op, heeft opgehield.
Ophijschen, heesch op, heschen op, heeft opgeheschen.
Ophitsen, hitste op, heeft opgehitst.
Ophitser, M., ophitsers.
Ophitsing, V., ophitsingen.
Ophoepelen, hoepelde op, is opgehoepeld.
Ophoogen, hoogde op, heeft opgehoogd.
Ophooging, V., ophoogingen.
Ophoopen, hoopte op, heeft opgehoopt.
Ophooping, V., ophoopingen.
Ophooren, hoorde op, heeft opgehoord.
Ophouden, hield op, heeft opgehouden.
Ophouder, M., ophouders.
Ophtalmoloog, M., ophtalmologen.
Ophuppelen, huppelde op, heeft en is opgehuppeld.
Opijken, ijkte op, heeft opgeijkt.
Opium, O.
Opiumkit, V., opiumkitten.
Opiumpacht, V.
Opiumregie, V.
Opiumschuiver, M., opiumschuivers.
Opjagen, jaagde op, heeft opgejaagd; ook joeg op.
Opkamer, V., opkamers. Opkamertje, O., opkamertjes.
Opkammen, kamde op, heeft opgekamd.
Opkappen, kapte op, heeft opgekapt.
Opkatten, katte op, heeft opgekat.
Opkeeren, keerde op, heeft opgekeerd.
Opkeggen, kegde op, heeft opgekegd.
Opkijken, keek op, keken op, heeft opgekeken.
Opkikkeren, kikkerde op, heeft opgekikkerd.
Opkisten, kistte op, heeft opgekist.
Opkisting, V., opkistingen.
Opkladden, kladde op, heeft opgeklad.
Opklampen, klampte op, heeft opgeklampt.
Opklappen, klapte op, heeft opgeklapt.
Opklaren, klaarde op, heeft en is opgeklaard.
Opklaring, V.
Opklauteren, klauterde op, heeft en is opgeklauterd.
Opkleppen, klepte op, heeft opgeklept.
Opkleuren, kleurde op, heeft en is opgekleurd.
Opklimmen, klom op, klommen op, heeft en is opgeklommen.
Opklimming, V., opklimmingen.
Opklinken, klonk op, heeft opgeklonken.
Opklooven, kloofde op, heeft opgekloofd.
Opkloppen, klopte op, heeft opgeklopt.
Opklossen, kloste op, heeft opgeklost.
Opkluiven, kloof op, kloven op, heeft opgekloven.
Opknappen, knapte op, heeft en is opgeknapt.
Opknapping, V., opknappingen.
Opknijpen, kneep op, knepen op, is opgeknepen.
Opknoopen, knoopte op, heeft opgeknoopt.
Opknooping, V., opknoopingen.
Opkoelen, koelde op, heeft en is opgekoeld.
Opkoeling, V.
Opkoken, kookte op, heeft opgekookt.
Opkoking, V.
Opkomen, komt op, kwam op, kwamen op, is opgekomen.
Opkomer, M., opkomers.
Opkomst, V.
Opkooien, kooide op, heeft opgekooid.
Opkooksel, O., opkooksels.
Opkoop, M.
Opkoopen, kocht op, heeft opgekocht.
Opkooper, M., opkoopers.
Opkooping, V., opkoopingen.
Opkoopster, V., opkoopsters.
Opkorten, kortte op, heeft en is opgekort.
Opkrabbelen (openkrabbelen), krabbelde op, heeft opgekrabbeld.
Opkrabbelen (uit eene ziekte opkomen), krabbelde op, is opgekrabbeld.
Opkrabben, krabde op, heeft opgekrabd.
Opkramen, kraamde op, is opgekraamd.
Opkrassen, kraste op, heeft en is opgekrast.
Opkrauwen, krauwde op, heeft opgekrauwd.
Opkrijgen, kreeg op, kregen op, heeft opgekregen.
Opkrimpen, kromp op, is opgekrompen.
Opkrimping, V.
Opkroezen, kroesde op, heeft opgekroesd.
Opkroppen, kropte op, heeft opgekropt.
Opkropping, V.
Opkruien, krooi op, krooien op, heeft en is opgekrooien; ook kruide op, heeft en is opgekruid.
Opkruipen, kroop op, kropen op, is opgekropen.
Opkrullen, krulde op, heeft en is opgekruld.
Opkuipen, kuipte op, heeft opgekuipt.
Opkunnen, kan op, kunnen op, konde en kon op, konden op, heeft opgekund.
Opkweeken, kweekte op, heeft opgekweekt.
Opkweeking, V.
Opkwikken, kwikte op, heeft opgekwikt.
Oplaag en Oplage, V., oplagen.
Opladen, laadde op, heeft opgeladen.
Oplader, M., opladers.
Oplading, V., opladingen.
Oplage. Zie Oplaag.
Oplangen, langde op, heeft opgelangd.
Oplanger, M., oplangers.
Oplappen, lapte op, heeft opgelapt.
Oplapping, V., oplappingen.
Oplaten, liet op, heeft opgelaten.
Oplaveeren, laveerde op, is opgelaveerd.
Opleggen, legde op en leide op, heeft opgelegd en opgeleid.
Oplegging, V.
Oplegsel, O., oplegsels. Oplegseltje, O., oplegseltjes.
Opleiden, leidde op, heeft opgeleid.
Opleider, M., opleiders.
Opleiding, V., opleidingen.
Opleidingsschip, O., opleidingsschepen.
Oplepelen, lepelde op, heeft opgelepeld.
Opletten, lette op, heeft opgelet.
Oplettend, oplettender, oplettendst.
Oplettendheid, V., oplettendheden.
Opleven, leefde op, is opgeleefd.
Oplezen, las op, lazen op, heeft opgelezen.
Oplichten (helderder worden), lichtte op, is opgelicht.
Oplichten (opheffen, bedriegen, enz.), lichtte op, heeft opgelicht.
Oplichter, M., oplichters.
Oplichterij, V., oplichterijen.
Oplichting, V., oplichtingen.
Oplichtster, V., oplichtsters.
Oploeven, loefde op, is opgeloefd.
Oploop (opschudding), M. Oploopje, O., oploopjes.
Oploop (scheepsw.), M., oploopen.
Oploopen, liep op, is en heeft opgeloopen.
Oploopend, oploopender, oploopendst.
Oploopendheid, V.
Oplooping, V.
Oplosbaar, oplosbare.
Oplosbaarheid, V.
Oplossen, loste op, heeft opgelost.
Oplossing, V., oplossingen.
Opluchten, luchtte op, heeft opgelucht.
Opluiken, look op, loken op, is opgeloken.
Opluiking, V.
Opluisteren, luisterde op, heeft opgeluisterd.
Opluistering, V.
Opmaakster, V., opmaaksters.
Opmaken, maakte op, heeft opgemaakt.
Opmaker, M., opmakers.
Opmaking, V.
Opmalen, maalde op, heeft opgemalen.
Opmaling, V., opmalingen.
Opmarcheeren, marcheerde op, is opgemarcheerd.
Opmerkelijk, opmerkelijker, opmerkelijkst.
Opmerken, merkte op, heeft opgemerkt.
Opmerkenswaardig, opmerkenswaardiger, opmerkenswaardigst, of meer en meest opmerkenswaardig.
Opmerker, M., opmerkers.
Opmerking, V., opmerkingen.
Opmerkingsgave, V.
Opmerkzaam, opmerkzamer, opmerkzaamst.
Opmerkzaamheid, V.
Opmeten, mat op, maten op, heeft opgemeten.
Opmeting, V., opmetingen.
Opmetselen, metselde op, heeft opgemetseld.
Opmetseling, V.
Opmonteren, monterde op, heeft opgemonterd.
Opmontering, V.
Opnaaien, naaide op, heeft opgenaaid.
Opnaaisel, O., opnaaisels. Opnaaiseltje, O., opnaaiseltjes.
Opname, V.
Opnemen, nam op, namen op, heeft opgenomen.
Opnemer, M., opnemers.
Opneming, V., opnemingen.
Opnemingsvaartuig, O., opnemingsvaartuigen.
Opnieuw.
Opnoemen, noemde op, heeft opgenoemd.
Opnoeming, V., opnoemingen.
Opodeldoc, V.