Chapter 32

Opofferen, offerde op, heeft opgeofferd.Opoffering, V., opofferingen.Opontbieden, ontbood op, ontboden op, heeft opontboden.Opontbieding, V., opontbiedingen.Opontbod, O.Oponthoud, O.Oppakken, pakte op, heeft opgepakt.Oppalmen, palmde op, heeft opgepalmd.Oppas, M.Oppassen, paste op, heeft opgepast.Oppassend, oppassender, oppassendst.Oppassendheid, V.Oppasser, M., oppassers.Oppasseres, V., oppasseressen.Oppassing, V.Opper (hooistapel), M., oppers. Oppertje, O., oppertjes.Opper en Opperd (schuilplaats, luwte), M., oppers en opperds. Oppertje en opperdje, O., oppertjes en opperdjes.Opperbest.Opperbestuur, O.Opperbestuurder, M., opperbestuurders.Opperbevel, O.Opperbevelhebber, M., opperbevelhebbers.Opperbewind, O.Opperbrandmeester, M., opperbrandmeesters.Opperceremoniemeester, M., opperceremoniemeesters.Opperen, opperde, heeft geopperd.Oppergebied, O.Oppergebieder, M., oppergebieders.Oppergezag, O.Opperheer, M., opperheeren.Opperheerschappij, V.Opperhoofd, O., opperhoofden.Opperhuid, V.Oppering, V., opperingen.Opperjager, M., opperjagers.Opperjagermeester, M., opperjagermeesters.Opperkamerheer, M., opperkamerheeren.Opperkleed, O., opperkleederen.Opperkoopman, M., opperkooplieden.Opperleenheer, M., opperleenheeren.Oppermacht, V.Oppermachtig.Oppermajesteit, V.Opperman, M., opperlieden en opperlui.Opperpriester, M., opperpriesters.Opperpriesterschap, O.Opperrabbijn, M., opperrabbijnen.Opperschenker, M., opperschenkers.Oppersen, perste op, heeft opgeperst.Oppersing, V. oppersingen.Opperstalmeester, M., opperstalmeesters.Opperste.Opperstuurman, M., opperstuurlieden.Oppertoezicht, O.Oppervlak, O., oppervlakken.Oppervlakkig, oppervlakkiger, oppervlakkigst.Oppervlakkigheid, V., oppervlakkigheden.Oppervlakte, V., oppervlakten.Opperwal, M.Opperwater, O.Oppeuzelen, peuzelde op, heeft opgepeuzeld.Oppikken, pikte op, heeft opgepikt.Opplakken, plakte op, heeft opgeplakt.Opploegen, ploegde op, heeft opgeploegd.Opploeging, V.Oppoetsen, poetste op, heeft opgepoetst.Oppoffen, pofte op, heeft opgepoft.Oppoken, pookte op, heeft opgepookt.Oppompen, pompte op, heeft opgepompt.Opponeeren, opponeerde, heeft geopponeerd.Opponent, M., opponenten.Opporren, porde op, heeft opgepord.Opportuniteit, V.Opposant, M., opposanten.Oppositie, V., oppositiën en opposities.Oppositieblad, O., oppositiebladen.Oppotten, potte op, heeft opgepot.Opprikken, prikte op, heeft opgeprikt.Oppronken, pronkte op, heeft opgepronkt.Opproppen, propte op, heeft opgepropt.Oppropping, V.Oppuilen, puilde op, is opgepuild.Oppuiling, V., oppuilingen.Opraapsel, O., opraapsels.Oprakelen, rakelde op, heeft opgerakeld.Oprakeling, V.Opraken, raakte op, is opgeraakt.Oprammeien, rammeide op, heeft opgerammeid.Oprapen, raapte op, heeft opgeraapt.Oprecht, oprechter, oprechtst.Oprechtelijk.Oprechtheid, V.Opredderen, redderde op, heeft opgeredderd.Opreddering, V.Oprekenen, rekende op, heeft opgerekend.Oprekening, V., oprekeningen.Oprekken, rekte op, heeft opgerekt.Oprichten, richtte op, heeft opgericht.Oprichter, M., oprichters.Oprichtersaandeel, O., oprichtersaandeelen.Oprichtersbewijs, O., oprichtersbewijzen.Oprichting, V.Oprichtingskosten (mv.), M.Oprijden, reed op, reden op, heeft en is opgereden.Oprijgen, reeg op, heeft opgeregen.Oprijlaan, V., oprijlanen.Oprijten, reet op, reten op, heeft en is opgereten.Oprijzen, rees op, rezen op, is opgerezen.Oprijzing, V.Opril, V., oprillen.Oprispen, rispte op, heeft opgerispt.Oprisping, V., oprispingen.Oprit, M., opritten.Opritsen, ritste op, heeft opgeritst.Opritsing, V., opritsingen.Oprochelen, rochelde op, heeft opgerocheld.Oproeien, roeide op, heeft en is opgeroeid.Oproep, M.Oproepen, riep op, heeft opgeroepen.Oproeper, M., oproepers.Oproeping, V., oproepingen.Oproepingsbrief, M., oproepingsbrieven.Oproer, O., oproeren. Oproertje, O., oproertjes.Oproeren, roerde op, heeft opgeroerd.Oproerig, oproeriger, oproerigst.Oproerigheid, V.Oproerkraaier, M., oproerkraaiers.Oproerkreet, M., oproerkreten.Oproerling, M. en V., oproerlingen.Oproermaker, M., oproermakers.Oprokkenen, rokkende op, heeft opgerokkend.Oprollen, rolde op, heeft opgerold.Oprolling, V.Opruien, ruide op, heeft opgeruid.Opruier, M., opruiers.Opruiing, V., opruiingen.Opruimen, ruimde op, heeft opgeruimd.Opruimer, M., opruimers.Opruiming, V., opruimingen.Oprukken, rukte op, heeft en is opgerukt.Opscharrelen, scharrelde op, heeft opgescharreld.Opschaven, schaafde op, heeft opgeschaafd.Opschellen, schelde op, heeft opgescheld.Opschenken, schonk op, heeft opgeschonken.Opschepen, scheepte op, heeft opgescheept.Opscheppen, schepte op, heeft opgeschept.Opschepper, M., opscheppers.Opscheren, schoor op, schoren op, heeft opgeschoren.Opscherpen, scherpte op, heeft opgescherpt.Opscherping, V., opscherpingen.Opscheuren, scheurde op, heeft en is opgescheurd.Opscheuring, V., opscheuringen.Opschieten, schoot op, schoten op, heeft en is opgeschoten.Opschik, M.Opschikken, schikte op, heeft opgeschikt.Opschikking, V.Opschilderen, schilderde op, heeft opgeschilderd.Opschildering, V., opschilderingen.Opschoeien, schoeide op, heeft opgeschoeid.Opschoeiing, V., opschoeiingen.Opschommelen, schommelde op, heeft opgeschommeld.Opschooien, schooide op, heeft opgeschooid.Opschoppen, schopte op, heeft opgeschopt.Opschorten, schortte op, heeft opgeschort.Opschorting, V., opschortingen.Opschotelen, schotelde op, heeft opgeschoteld.Opschransen, schranste op, heeft opgeschranst.Opschrift, O., opschriften. Opschriftje, O., opschriftjes.Opschrijfboek, O., opschrijfboeken; opschrijfboekje, O., opschrijfboekjes.Opschrijven, schreef op, schreven op, heeft opgeschreven.Opschrijver, M., opschrijvers.Opschrijving, V.Opschrikken, schrikte op, heeft en is opgeschrikt.Opschroeven, schroefde op, heeft opgeschroefd.Opschroeving, V., opschroevingen.Opschrokken, schrokte op, heeft opgeschrokt.Opschudden, schudde op, heeft opgeschud.Opschudding, V., opschuddingen.Opschuieren, schuierde op, heeft opgeschuierd.Opschuimen, schuimde op, heeft opgeschuimd.Opschuiven, schoof op, schoven op, heeft en is opgeschoven.Opschuiving, V., opschuivingen.Opschuren, schuurde op, heeft opgeschuurd.Opschutten, schutte op, heeft opgeschut.Opschutting, V.Opseizen, seisde op, heeft opgeseisd.Opsieren, sierde op, heeft opgesierd.Opsiering, V., opsieringen.Opsiersel, O., opsiersels en opsierselen.Opsjorren, sjorde op, heeft opgesjord.Opsjorring, V.Opslaan, slaat op, sloeg op, heeft en is opgeslagen.Opslag, M., opslagen.Opslechten, slechtte op, heeft opgeslecht.Opsleepen, sleepte op, heeft opgesleept.Opslenteren, slenterde op, is opgeslenterd.Opsleuren, sleurde op, heeft opgesleurd.Opslijpen, sleep op, slepen op, heeft opgeslepen.Opslijping, V.Opslikken, slikte op, heeft opgeslikt.Opslobberen, slobberde op, heeft opgeslobberd.Opslokken, slokte op, heeft opgeslokt.Opslooten, slootte op, heeft opgesloot.Opslorpen en Opslurpen, slorpte (slurpte) op, heeft opgeslorpt (opgeslurpt).Opslorping en Opslurping, V., opslorpingen (opslurpingen).Opsluiten, sloot op, sloten op, heeft opgesloten.Opsluiting, V., opsluitingen.Opsluitschijf, V., opsluitschijven.Opsluitwig, V., opsluitwiggen.Opslurpen. Zie Opslorpen.Opsmeden, smeedde op, heeft opgesmeed.Opsmukken, smukte op, heeft opgesmukt.Opsmukking, V.Opsmullen, smulde op, heeft opgesmuld.Opsnappen, snapte op, heeft opgesnapt.Opsnapper, M., opsnappers.Opsnijden, sneed op, sneden op, heeft opgesneden.Opsnijder, M., opsnijders.Opsnijderij, V., opsnijderijen.Opsnijding, V., opsnijdingen.Opsnoepen, snoepte op, heeft opgesnoept.Opsnorren, snorde op, heeft opgesnord.Opsnuiven, snoof op, snoven op, heeft opgesnoven.Opsnuiving, V.Opsommen, somde op, heeft opgesomd.Opsomming, V., opsommingen.Opspalken, spalkte op, heeft opgespalkt.Opspalking, V.Opspannen, spande op, heeft en is opgespannen.Opspanning, V., opspanningen.Opsparen, spaarde op, heeft opgespaard.Opspelden, speldde op, heeft opgespeld.Opspelen, speelde op, heeft opgespeeld.Opsperren, sperde op, heeft opgesperd.Opsperring, V.Opspitten, spitte op, heeft opgespit.Opsplijten, spleet op, spleten op, heeft en is opgespleten.Opsplijting, V.Opspoelen, spoelde op, heeft opgespoeld.Opsporen, spoorde op, heeft opgespoord.Opsporing, V., opsporingen.Opspouwen, spouwde op, heeft opgespouwen.Opspraak, V.Opspringen, sprong op, is opgesprongen.Opspruiten, sproot op, sproten op, is opgesproten.Opspugen, spoog op, spogen op, heeft opgespogen.Opspuiten, spoot op, spoten op, heeft en is opgespoten.Opstaan, staat op, stond op, is opgestaan.Opstal, M., opstallen.Opstallen, stalde op, heeft opgestald.Opstalling, V.Opstand, M., opstanden.Opstandeling, M. en V., opstandelingen. V. ook opstandelinge.Opstanding, V.Opstandingsverhaal, O.Opstapelen, stapelde op, heeft opgestapeld.Opstapeling, V., opstapelingen.Opstappen, stapte op, is opgestapt.Opsteken, stak op, staken op, heeft en is opgestoken.Opsteker, M., opstekers.Opsteking, V.Opstel, O., opstellen. Opstelletje, O., opstelletjes.Opstellen, stelde op, heeft opgesteld.Opsteller, M., opstellers.Opstelling, V., opstellingen.Opstijgen, steeg op, stegen op, is opgestegen.Opstijging, V., opstijgingen.Opstijven, steef op, steven op, heeft en is opgesteven.Opstoken, stookte op, heeft opgestookt.Opstoker, M., opstokers.Opstokerij, V., opstokerijen.Opstoking, V., opstokingen.Opstookster, V., opstooksters.Opstooten, stiet op, heeft opgestooten; ook stootte op.Opstooter, M., opstooters.Opstooting, V.Opstootje, O., opstootjes.Opstoppen, stopte op, heeft opgestopt.Opstopper, M., opstoppers.Opstopping, V., opstoppingen.Opstoven, stoofde op, heeft opgestoofd.Opstrijden, streed op, streden op, heeft opgestreden.Opstrijken, streek op, streken op, heeft opgestreken.Opstrompelen, strompelde op, is opgestrompeld.Opstroopen, stroopte op, heeft opgestroopt.Opstuiten, stuitte op, heeft opgestuit.Opstuiter, M., opstuiters.Opstuiven, stoof op, stoven op, is opgestoven.Opsturen, stuurde op, heeft opgestuurd.Opstutten, stutte op, heeft opgestut.Opstuwen, stuwde op, heeft opgestuwd.Opstuwer, M., opstuwers.Opstuwing, V.Optakelen, takelde op, heeft opgetakeld.Optakeling, V., optakelingen.Optarnen, tarnde op, heeft en is opgetarnd.Optassen, taste op, heeft opgetast.Optatief, M., optatieven.Opteekenaar, M., opteekenaars.Opteekenen, teekende op, heeft opgeteekend.Opteekening, V., opteekeningen.Opteeren, opteerde, heeft geopteerd.Optellen, telde op, heeft opgeteld.Opteller, M., optellers.Optelling, V., optellingen.Optelsom, V., optelsommen.Opteren (opmaken), teerde op, heeft opgeteerd.Opteren (met teer besmeren), teerde op, heeft opgeteerd.Optica, V.Opticien, M., opticiens.Optie, V.Optiejaar, O., optiejaren.Optillen, tilde op, heeft opgetild.Optimisme, O.Optimist, M., optimisten.Optimmeren, timmerde op, heeft opgetimmerd.Optimmering, V., optimmeringen.Optisch.Optocht, M., optochten.Optoetsen, toetste op, heeft opgetoetst.Optooien, tooide op, heeft opgetooid.Optooiing, V., optooiingen.Optooisel, O., optooisels en optooiselen.Optoomen, toomde op, heeft opgetoomd.Optooming, V., optoomingen.Optoppen, topte op, heeft opgetopt.Optornen, tornde op, heeft en is opgetornd.Optreden, trad op, traden op, is opgetreden.Optreding, V., optredingen.Optrek, M., optrekken. Optrekje, O., optrekjes.Optrekken, trok op, trokken op, heeft en is opgetrokken.Optrekker, M., optrekkers.Optrekking, V., optrekkingen.Optroeven, troefde op, heeft opgetroefd.Optuigen, tuigde op, heeft opgetuigd.Optuiger, M., optuigers.Optuiging, V., optuigingen.Opulent, opulenter, opulentst.Opulentie, V.Opvangen, ving op, heeft opgevangen.Opvaren, voer op, is opgevaren.Opvarende, M. en V., opvarenden.Opvatten, vatte op, heeft opgevat.Opvatting, V., opvattingen.Opvegen, veegde op, heeft opgeveegd.Opveilen, veilde op, heeft opgeveild.Opveiling, V.Opverven, verfde op, heeft opgeverfd.Opverving, V., opvervingen.Opvijlen, vijlde op, heeft opgevijld.Opvijling, V.Opvijzelaar, M., opvijzelaars.Opvijzelen, vijzelde op, heeft opgevijzeld.Opvijzeling, V., opvijzelingen.Opvisschen, vischte op, heeft opgevischt.Opvlechten, vlocht op, heeft opgevlochten.Opvliegen, vloog op, vlogen op, is opgevlogen.Opvliegend, opvliegender, opvliegendst.Opvliegendheid, V.Opvlieging, V.Opvoeden, voedde op, heeft opgevoed.Opvoeder, M., opvoeders.Opvoeding, V., opvoedingen.Opvoedingsgesticht, O., opvoedingsgestichten.Opvoedingskunst, V.Opvoedkunde, V.Opvoedkundig.Opvoedkundige, M. en V., opvoedkundigen.Opvoedster, V., opvoedsters.Opvoeren, voerde op, heeft opgevoerd.Opvoering, V., opvoeringen.Opvolgen, volgde op, heeft en is opgevolgd.Opvolger, M., opvolgers.Opvolging, V., opvolgingen.Opvolgster, V., opvolgsters.Opvouwen, vouwde op, heeft opgevouwen.Opvreten, vrat op, vraten op, heeft opgevreten.Opvroolijken, vroolijkte op, heeft opgevroolijkt.Opvroolijking, V.Opvullen, vulde op, heeft opgevuld.Opvulling, V., opvullingen.Opvulsel, O., opvulsels.Opwaaien, waaide op, heeft en is opgewaaid; ook woei op, woeien op.Opwaarts (bijw.).Opwaartsch (bnw.).Opwachten, wachtte op, heeft opgewacht.Opwachting, V.Opwakkeren, wakkerde op, heeft en is opgewakkerd.Opwakkering, V.Opwarmen, warmde op, heeft opgewarmd.Opwarming, V.Opwassen, wies op, wiesen op, is opgewassen.Opwegen, woog op, wogen op, heeft opgewogen.Opwekkelijk, opwekkelijker, opwekkelijkst.Opwekken, wekte op, heeft opgewekt.Opwekkend, opwekkender, opwekkendst.Opwekking, V., opwekkingen.Opwellen, welde op, heeft en is opgeweld.Opwelling, V., opwellingen.Opwentelen, wentelde op, heeft opgewenteld.Opwerken, werkte op, heeft opgewerkt.Opwerpen, wierp op, heeft opgeworpen.Opwerping, V., opwerpingen.Opwinden, wond op, heeft opgewonden.Opwinding, V., opwindingen.Opwippen, wipte op, heeft en is opgewipt.Opwitten, witte op, heeft opgewit.Opwrijven, wreef op, wreven op, heeft opgewreven.Opzadelen, zadelde op, heeft opgezadeld.Opzakken, zakte op, heeft opgezakt.Opzamelaar, M., opzamelaars.Opzamelen, zamelde op, heeft opgezameld.Opzameling, V., opzamelingen.Opzegbaar, opzegbare.Opzegbaarheid, V.Opzeggen, zeide op, heeft opgezegd en opgezeid.Opzegging, V.Opzeilen, zeilde op, heeft en is opgezeild.Opzenden, zond op, heeft opgezonden.Opzending, V.Opzet (het opgezette), M., opzetten.Opzet (bij geschut), M., opzetten.Opzet (beraamd plan), O.Opzetdoos, V., opzetdoozen; opzetdoosje, O., opzetdoosjes.Opzetsel, O.Opzettelijk, opzettelijker, opzettelijkst.Opzetten, zette op, heeft opgezet.Opzetter, M., opzetters.Opzetting, V.Opzicht, O., opzichten.Opzichter, M., opzichters.Opzichtig, opzichtiger, opzichtigst.Opzichtigheid, V.Opzien, zag op, zagen op, heeft opgezien.Opzien, O.Opziener, M., opzieners.Opzienersambt, O.Opzingen, zong op, heeft opgezongen.Opzitten, zat op, zaten op, heeft opgezeten.Opzoeken, zocht op, heeft opgezocht.Opzoeking, V., opzoekingen.Opzolderen, zolderde op, heeft opgezolderd.Opzoldering, V.Opzouten, zoutte op, heeft opgezouten.Opzuigen, zoog op, zogen op, heeft opgezogen.Opzuipen, zoop op, zopen op, heeft opgezopen.Opzwaaien, zwaaide op, is opgezwaaid.Opzwalpen, zwalpte op, heeft opgezwalpt.Opzweepen, zweepte op, heeft opgezweept.Opzwelgen, zwolg op, heeft opgezwolgen.Opzwellen, zwol op, zwollen op, is opgezwollen.Opzwelling, V., opzwellingen.Opzwemmen, zwom op, zwommen op, is opgezwommen.Orakel, O., orakels en orakelen.Orakelen, orakelde, heeft georakeld.Orakelspreuk, V., orakelspreuken.Orakeltaal, V.Orang-oetang, M., orang-oetangs.Oranje (boom), M., (vrucht), V., oranjes.Oranje (kleur), O.Oranje (bnw.).Oranjeappel, M., oranjeappels en oranjeappelen.Oranjebloesem, M.Oranjeboom, M., oranjeboomen.Oranjehuis, O.Oranjeklant, M. en V., oranjeklanten.Oranjekleur, V.Oranjelint, O.Oranjemarmelade, V.Oranjerie, V., oranjerieën.Oranjeschil, V., oranjeschillen.Oranjestrik, M., oranjestrikken; oranjestrikje, O., oranjestrikjes.Oratie, V., oratiën en oraties.Oratorium, O., oratoriums en oratoria.Orberen, orberde, heeft georberd.Orchidee, V., orchideeën.Orde, V., orden.Ordelijk, ordelijker, ordelijkst.Ordelijkheid, V.Ordeloos, ordeloozer.Ordeloosheid, V.Ordenen, ordende, heeft geordend.Ordening, V., ordeningen.Ordentelijk, ordentelijker, ordentelijkst.Ordentelijkheid, V.Order, V., orders.Orderbriefje, O., orderbriefjes.Ordeteeken, O., ordeteekenen.Ordinaat, V., ordinaten.Ordinaris, V., ordinarissen.Ordineeren, ordineerde, heeft geordineerd.Ordonnans, M., ordonnansen.Ordonnans-officier, M., ordonnans-officieren.Ordonnantie, V., ordonnantiën en ordonnanties.Ordonnateur, M., ordonnateuren en ordonnateurs.Ordonneeren, ordonneerde, heeft geordonneerd.Oreeren, oreerde, heeft georeerd.Orego, V.Oreillonspassertje, O., oreillonspassertjes.Orgaan, O., organen.Organiek, organieke.Organisatie, V., organisatiën en organisaties.Organisch.Organiseeren, organiseerde, heeft georganiseerd.Organisme, O., organismen.Organist en Orgelist, M., organisten en orgelisten.Orgeade, V.Orgel, O., orgels en orgelen. Orgeltje, O., orgeltjes.Orgelconcert, O., orgelconcerten.Orgeldraaier, M., orgeldraaiers.Orgelen, orgelde, heeft georgeld.Orgelist. Zie Organist.Orgelmuziek, V.Orgelpunt, V., orgelpunten.Orgeltoon, M., orgeltonen.Orgeltrapper, M., orgeltrappers.Orientalist, M., orientalisten.Originaliteit, V.Origineel, origineeler, origineelst.Origineel, O., origineelen.Orkaan, M., orkanen.Orkest, O., orkesten.Orkestdirecteur, M., orkestdirecteurs.Orkestmeester, M., orkestmeesters.Orkesttoon, M.Orleaan, O.Ornament en Ornement, O., ornamenten en ornementen. Ornamentje en ornementje, O., ornamentjes en ornementjes.Orneeren, orneerde, heeft georneerd.Orthodox (bnw.).Orthodoxe, M. en V., orthodoxen.Orthodoxie, V.Orthographie, V., orthographieën.Orthographisch.Ortolaan, M., ortolanen.Os, M., ossen. Osje, O., osjes.Oscillatie, V., oscillatiën en oscillaties.Oscilleeren, oscilleerde, heeft geoscilleerd.Osculatievlak, O., osculatievlakken.Ossegal, V.Ossekop, M., ossekoppen.Osselapjes (mv.), O.Osseleder en Osseleer, en Ossenleder en Ossenleer, O.Osseleeren en Ossenleeren (bnw.).Ossemerg en Ossenmerg, O.Ossenbloed, O.Ossendrift, V., ossendriften.Ossenhaas, M., ossenhazen; ossenhaasje, O., ossenhaasjes.Ossenhuid, V., ossenhuiden.Ossenkooper, M., ossenkoopers.Ossenmarkt, V., ossenmarkten.Ossenoog, O., ossenoogen.Ossenstal, M., ossenstallen.Osserib, V., osseribben.Ossetand, M., ossetanden.Ossetong, V., ossetongen; ossetongetje, O., ossetongetjes.Ossevleesch en Ossenvleesch, O.Ostentatie, V.Osteologie, V.Ostracisme, O.Otter, M., otters. Ottertje, O., ottertjes.Otterbont, O.Oud, ouder, oudst.Oudachtig, oudachtiger, oudachtigst.Oudbakken, oudbakkener, oudbakkenst.Oudburgemeester, M., oudburgemeesters.Oude, M. en V., ouden. Oudje, O., oudjes.Oudejaar, O.Oudejaarsavond, M., oudejaarsavonden.Oude-kleerenmarkt, V., oude-kleerenmarkten.Oude-kleerkoop, M., oude-kleerkoopen.Oude-mannenhuis, O., oude-mannenhuizen.Ouderdom, M.Ouderdomskwaal, V., ouderdomskwalen.Ouderhart, O.Ouderhuis, O.Ouderliefde, V.Ouderlijk.Ouderling, M., ouderlingen.Ouderlingenbank, V., ouderlingenbanken.Ouderlingschap, O.Ouderloos, ouderlooze.Oudermin, V.Ouderpaar, O.Ouders en Ouderen (mv.), M.Oudervreugde en oudervreugd, V.Ouderwets (bijw.).Ouderwetsch (bnw.), ouderwetscher, meest ouderwetsch.Ouderwetschheid, V.Oude-vrouwenhuis, O., oude-vrouwenhuizen.Oudgast, M., oudgasten.Oudgediende, M., oudgedienden.Oudheid, V., oudheden.Oudheidkenner, M., oudheidkenners.Oudheidkunde, V.Oudheidkundig.Oudhollandsch.Oudje, O., oudjes.Oudoom, M., oudooms.Oudovergrootmoeder, V., oudovergrootmoeders.Oudovergrootvader, M., oudovergrootvaders.Oudroest, M.Oudtante, V., oudtantes.Oudtestamentisch.Oudtijds.Oudvader, M., oudvaders.Oudvaderlandsch.Oudvaderlijk.Oudwijfsch.Oulings.Outaar en Outer, O., outaren en outers.Ouverture, V., ouverturen en ouvertures.Ouwel, M., ouwels. Ouweltje, O., ouweltjes.Ouwelijk, ouwelijker, ouwelijkst.Ovaal, ovale.Ovaal, O., ovalen.Ovatie, V., ovatiën en ovaties.Oven, M., ovens. Oventje, O., oventjes.Ovendweil, V., ovendweilen.Ovenist, M., ovenisten.Ovenpaal, M., ovenpalen.Over.Over (scheepsw.), M., overs.Overaardig.Overademen, overademde, heeft overademd.Overal.Overaltegenwoordig.Overaltegenwoordigheid, V.Overasemen, overasemde, heeft overasemd.Overbabbelen, babbelde over, heeft overgebabbeld.Overbekend.Overbekendheid, V.Overbeleefd.Overbeschaafd.Overbeschaafdheid, V.Overbescheiden.Overbevolking, V.Overbevolkt.Overbidden, bad over, baden over, heeft overgebeden.Overbinden, bond over, heeft overgebonden.Overbleeken, bleekte over, heeft overgebleekt.Overblijfsel, O., overblijfsels en overblijfselen; overblijfseltje, O., overblijfseltjes.Overblijven, bleef over, bleven over, is overgebleven.Overbluffen, overblufte, heeft overbluft.Overbodig, overbodiger, overbodigst.Overbodigheid, V., overbodigheden.Overboeken, boekte over, heeft overgeboekt.Overboeking, V., overboekingen.Overboenen, boende over, heeft overgeboend.Overboord.Overborduren, borduurde over, heeft overgeborduurd.Overborrelen, borrelde over, is overgeborreld.Overborreling, V.Overborstelen, borstelde over, heeft overgeborsteld.Overbouwen, bouwde over, heeft overgebouwd; ook overbouwde, heeft overbouwd.Overbraden, braadde over, heeft overgebraden.Overbreien, breide over, heeft overgebreid.Overbrengen, bracht over, heeft overgebracht.Overbrenger, M., overbrengers.Overbrenging, V., overbrengingen.Overbrengster, V., overbrengsters.Overbriefster, V., overbriefsters.Overbrieven, briefde over, heeft overgebriefd.Overbriever, M., overbrievers.Overbrieving, V., overbrievingen.Overbruggen, overbrugde, heeft overbrugd.Overbrugging, V., overbruggingen.Overbruisen, bruiste over, heeft en is overgebruist.Overbuigen, boog over, bogen over, heeft en is overgebogen.Overbuitelen, buitelde over, heeft en is overgebuiteld.Overbukken, bukte over, heeft overgebukt.Overbuur, M., overburen; overbuurtje, O., overbuurtjes.Overcijferen, cijferde over, heeft overgecijferd.Overcompleet, overcomplete.Overdaad, V.Overdadig, overdadiger, overdadigst.Overdadigheid, V.Overdeelen, deelde over, heeft overgedeeld.Overdek, O., overdekken; overdekje, O., overdekjes.Overdeken, M., overdekens.Overdekken, overdekte, heeft overdekt.Overdekking, V., overdekkingen.Overdeksel, O., overdeksels.Overdenken, overdacht, heeft overdacht.Overdenking, V., overdenkingen.Overdik, overdikke.Overdijken, overdijkte, heeft overdijkt.Overdijking, V.Overdoen, doet over, deed over, deden over, heeft overgedaan; ook overdoet, overdeed, overdeden, heeft overdaan.Overdoezelen, doezelde over, heeft overgedoezeld.Overdonderen, overdonderde, heeft overdonderd.Overdracht, V., overdrachten.Overdrachtelijk.Overdrachtsbrief, M., overdrachtsbrieven.Overdragen, droeg over, heeft overgedragen.Overdrager, M., overdragers.Overdraven, draafde over, heeft en is overgedraafd.Overdrentelen, drentelde over, heeft en is overgedrenteld.Overdreven, overdrevener, overdrevenst.Overdrevenheid, V., overdrevenheden.Overdrijven, dreef over, dreven over, heeft en is overgedreven; ook overdreef, overdreven, heeft overdreven.Overdrijving, V., overdrijvingen.Overdruk, M., overdrukken; overdrukje, O., overdrukjes.Overdruk (bnw.), overdrukke.Overdrukken, drukte over, heeft en is overgedrukt; ook overdrukte, heeft overdrukt.Overduivelen, overduivelde, heeft overduiveld; ook Overduvelen.Overdwars.Overeen.Overeenbrengen, bracht overeen, heeft overeengebracht.Overeenkomen, komt overeen, kwam overeen, kwamen overeen, is overeengekomen.Overeenkomst, V., overeenkomsten.Overeenkomstig.Overeenkomstigheid, V.Overeenstemmen, stemde overeen, heeft overeengestemd.Overeenstemming, V.Overeind.Overerfelijk.Overernstig.Overerven, erfde over, heeft en is overgeërfd.Overerving, V.Overeten (zich overeten), overat zich, overaten zich, heeft zich overeten.Overfijn.Overflonkeren, overflonkerde, heeft overflonkerd.Overfluisteren, fluisterde over, heeft overgefluisterd.Overfoeliën, overfoeliede, heeft overfoelied.Overforsch.Overgaaf en Overgave, V.Overgaan, gaat over, ging over, is overgegaan.Overgaar, overgare.Overgalmen, overgalmde, heeft overgalmd.Overgang, M., overgangen.Overgangsbepaling, V., overgangsbepalingen.Overgangsexamen, O., overgangsexamens.Overgangstijdperk, O., overgangstijdperken.Overgangsvorm, M., overgangsvormen.Overgankelijk.Overgapen, overgaapte, heeft overgaapt.Overgaren, gaarde over, heeft overgegaard.Overgauw.Overgave. Zie Overgaaf.Overgedienstig.Overgegeven, overgegevener, overgegevenst.Overgelukkig.Overgeven, gaf over, gaven over, heeft overgegeven.Overgeving, V., overgevingen.Overgevoelig.Overgevoeligheid, V.Overgewicht, O.Overgieten, goot over, goten over, heeft overgegoten; ook overgoot, overgoten, heeft overgoten.Overgieting, V.Overglijden, gleed over, gleden over, is overgegleden.Overgloeien, gloeide over, heeft overgegloeid.Overgoed.Overgolven, overgolfde, heeft overgolfd.Overgooien, gooide over, heeft overgegooid.Overgrijpen, overgreep, overgrepen, heeft overgrepen.Overgroeien, overgroeide, heeft overgroeid.Overgroot, overgroote.Overgrootmoeder, V., overgrootmoeders.Overgrootvader, M., overgrootvaders.Overgutsen, gutste over, heeft en is overgegutst.Overhaal, M., overhalen.Overhaalschuit, V., overhaalschuiten.Overhaalster, V., overhaalsters.Overhaasten, overhaastte, heeft overhaast.Overhaasting, V.Overhalen, haalde over, heeft overgehaald.Overhaler, M., overhalers.Overhaling, V., overhalingen.Overhand, V.Overhandigen, overhandigde, heeft overhandigd.Overhandiging, V.Overhands.Overhangen, hing over, heeft overgehangen.Overhebben, heeft over, had over, hadden over, heeft overgehad.Overheen.Overheeren, overheerde, heeft overheerd.Overheering, V.Overheerlijk, overheerlijker, overheerlijkst.Overheerschen, overheerschte, heeft overheerscht.Overheerscher, M., overheerschers.Overheersching, V., overheerschingen.Overheet, overheete.Overheid, V., overheden.Overheidsambt, O., overheidsambten.Overheidspersoon, M., overheidspersonen.Overhellen, helde over, heeft overgeheld.Overhelling, V.Overhemd, O., overhemden; overhemdje, O., overhemdjes.Overhemdsknoop, M., overhemdsknoopen.Overhemdsmouw, V., overhemdsmouwen.Overhoef, M., overhoeven.Overhoeks (bijw.).Overhoeksch (bnw.).Overhoop.Overhoopliggen, lag overhoop, lagen overhoop, heeft overhoopgelegen.Overhoopraken, raakte overhoop, is overhoopgeraakt.Overhooren, overhoorde, heeft overhoord.Overhooring, V., overhooringen.Overhouden, hield over, heeft overgehouden.Overhouwen (van een nieuwen houw voorzien), houwde over, heeft overgehouwd.Overig.Overigens.Overijken, ijkte over, heeft overgeijkt.Overijlen (zich overijlen), overijlde zich, heeft zich overijld.Overijling, V.Overjagen, jaagde over, heeft overgejaagd, en joeg over; ook overjaagde, heeft overjaagd, en overjoeg.Overjarig.Overjarigheid, V.Overjas, V., overjassen; overjasje, O., overjasjes.Overkalken (met kalk), overkalkte, heeft overkalkt.Overkalken (afschrijven), kalkte over, heeft overgekalkt.Overkammen, kamde over, heeft overgekamd.Overkant, M.Overkappen (met eene kap bedekken), overkapte, heeft overkapt.Overkapping, V., overkappingen.Overkeurig.Overkijken, keek over, keken over, heeft overgekeken; ook overkeek, overkeken, heeft overkeken.Overkist, V., overkisten.Overkladden, kladde over, heeft overgeklad.Overklappen, klapte over, heeft overgeklapt.Overklauteren, klauterde over, heeft en is overgeklauterd.Overkleed (kleedingstuk), O., overkleederen en overkleeren; overkleedje, O., overkleedjes en overkleertjes.Overkleed (dekkleed), O., overkleeden; overkleedje, O., overkleedjes.Overkleeden, kleedde over, heeft overgekleed; ook overkleedde, heeft overkleed.Overkleeding, V., overkleedingen.Overkleedsel, O., overkleedsels.Overklein.Overkleuren, kleurde over, heeft overgekleurd.Overklikken, klikte over, heeft overgeklikt.Overklimmen, klom over, klommen over, heeft en is overgeklommen.Overklimming, V.Overklinken, klonk over, heeft overgeklonken; ook overklonk, heeft overklonken.Overkoken, kookte over, heeft en is overgekookt.Overkomelijk.Overkomen, komt over, kwam over, kwamen over, is overgekomen; ook overkomt, overkwam, overkwamen, is overgekomen.Overkomst, V.Overkop (bijw.).Overkorsten, overkorstte, heeft overkorst.Overkort.Overkraaien, overkraaide, heeft overkraaid.Overkrijgen, kreeg over, kregen over, heeft overgekregen.Overkroppen, overkropte, heeft overkropt.Overkropping, V.Overkruipen, kroop over, kropen over, heeft en is overgekropen.Overkuieren, kuierde over, heeft en is overgekuierd.Overlaars, V., overlaarzen.Overlaat, M., overlaten.Overladen, laadde over, heeft overgeladen; ook overlaadde, heeft overladen.Overlading, V., overladingen.Overland (bijw.).Overlandmail, V.Overlandreis, V., overlandreizen.Overlang (bijw.).Overlangs (bijw.).Overlangsch (bnw.).Overlangzaam, overlangzame.Overlast, M.Overlasten, overlastte, heeft overlast.Overlasting, V.Overlaten, liet over, heeft overgelaten.Overlating, V.Overledene, M. en V., overledenen.Overleder, en overleer, O.Overleeren, leerde over, heeft overgeleerd.Overleg, O.Overleggen, legde over en leide over, heeft overgelegd en overgeleid; ook overlegde en overleide, heeft overlegd en overleid.Overlegging, V., overleggingen.Overleunen, leunde over, heeft overgeleund.Overleven, overleefde, heeft overleefd.Overlevende, M. en V., overlevenden.Overleveren, leverde over, heeft overgeleverd.Overlevering, V., overleveringen.Overleving, V.Overlevingscontract, O., overlevingscontracten.Overlezen, las over, lazen over, heeft overgelezen.Overlezing, V.Overlieden. Zie Overman.Overliegen, overloog, overlogen, heeft overlogen.Overliggen, lag over, lagen over, heeft overgelegen.Overlijden, overleed, overleden, is overleden.Overlijden, O.Overlokken, lokte over, heeft overgelokt.Overlommeren, overlommerde, heeft overlommerd.Overloop, M., overloopen; overloopje, O., overloopjes.Overloopen, liep over, heeft en is overgeloopen; ook overliep, heeft overloopen.Overlooper, M., overloopers.Overlooping, V., overloopingen.Overluid.Overluiden, ook Overluien, luidde en luide over, heeft overgeluid; ook overluidde en overluide, heeft overluid.Overmaasch.Overmaat, V.Overmacht, V.Overmachtig.Overmaken, maakte over, heeft overgemaakt.Overmalen, maalde over, heeft overgemalen.Overmaling, V.Overman, M., overlieden en overlui.Overmangelen, mangelde over, heeft overgemangeld.Overmannen, overmande, heeft overmand.Overmarcheeren, marcheerde over, is overgemarcheerd.Overmast (bnw.).Overmatig (de maat te boven gaande), overmatiger, overmatigst.Overmeesteren, overmeesterde, heeft overmeesterd.Overmeestering, V.Overmerken, merkte over, heeft overgemerkt.Overmeten, mat over, maten over, heeft overgemeten.Overmeting, V., overmetingen.Overmetselen, metselde over, heeft overgemetseld.Overmidden.Overmits.Overmoed, M.Overmoedig, overmoediger, overmoedigst.Overmonsteren, monsterde over, heeft overgemonsterd.Overmorgen.Overmouw, V., overmouwen; overmouwtje, O., overmouwtjes.Overnaaien, naaide over, heeft overgenaaid.Overnachten, overnachtte, heeft overnacht.Overnauwkeurig.Overnemen, nam over, namen over, heeft overgenomen.Overneming, V.Overnommeren, nommerde over, heeft overgenommerd.Overoud.Overpad, O., overpaden; overpaadje, O., overpaadjes.Overpakken, pakte over, heeft overgepakt.Overpakking, V., overpakkingen.Overpassen, paste over, heeft overgepast.Overpeilen, peilde over, heeft overgepeild.Overpeinzen, overpeinsde, heeft overpeinsd.Overpeinzing, V., overpeinzingen.Overpersen, perste over, heeft overgeperst.Overplaatsen, plaatste over, heeft overgeplaatst.Overplaatsing, V., overplaatsingen.Overplakken, plakte over, heeft overgeplakt; ook overplakte, heeft overplakt.Overplakking, V., overplakkingen.Overplamuren, plamuurde over, heeft overgeplamuurd.Overplanken, overplankte, heeft overplankt.Overplanten, plantte over, heeft overgeplant.Overplanting, V., overplantingen.Overpleisteren, pleisterde over, heeft overgepleisterd; ook overpleisterde, heeft overpleisterd.Overpleistering, V., overpleisteringen.Overpletten, plette over, heeft overgeplet.Overploegen, ploegde over, heeft overgeploegd.Overpoetsen, poetste over, heeft overgepoetst.Overpolijsten, polijstte over, heeft overgepolijst.Overpond, O., overponden.Overpoten, pootte over, heeft overgepoot.Overprachtig.Overpraten, praatte over, heeft overgepraat; ook overpraatte, heeft overpraat.Overprikkelen, overprikkelde, heeft overprikkeld.Overprikkeling, V., overprikkelingen.Overraken, raakte over, is overgeraakt.Overreden, overreedde, heeft overreed.Overreding, V.Overredingskracht, V.Overreiken, reikte over, heeft overgereikt.Overreiking, V.Overrekenen, rekende over, heeft overgerekend.Overrennen, rende over, is overgerend; ook overrende, heeft overrend.Overrijden, reed over, reden over, heeft en is overgereden; ook overreed, overreden, heeft overreden.Overrijp.Overroeien, roeide over, heeft en is overgeroeid; ook overroeide (zich), heeft (zich) overroeid.Overroepen, riep over, heeft overgeroepen.Overrompelen, overrompelde, heeft overrompeld.Overrompeling, V., overrompelingen.Overruim.Oversausen, oversauste, heeft oversaust.Overschaduwen, overschaduwde, heeft overschaduwd.Overschaduwing, V.Overschatten, overschatte, heeft overschat.Overschatting, V.Overschaven, schaafde over, heeft overgeschaafd.Overschenken, schonk over, heeft overgeschonken.Overschepen, scheepte over, heeft overgescheept.Overscheping, V., overschepingen.Overscheren, schoor over, schoren over, heeft overgeschoren.Overscherp.Overschetsen, schetste over, heeft overgeschetst.Overschieten, schoot over, schoten over, heeft en is overgeschoten.Overschijnen, overscheen, overschenen, heeft overschenen.Overschilderen, schilderde over, heeft overgeschilderd; ook overschilderde, heeft overschilderd.Overschildering, V.Overschitteren, overschitterde, heeft overschitterd.Overschoen, M., overschoenen.Overschoon, overschoone.

Opofferen, offerde op, heeft opgeofferd.Opoffering, V., opofferingen.Opontbieden, ontbood op, ontboden op, heeft opontboden.Opontbieding, V., opontbiedingen.Opontbod, O.Oponthoud, O.Oppakken, pakte op, heeft opgepakt.Oppalmen, palmde op, heeft opgepalmd.Oppas, M.Oppassen, paste op, heeft opgepast.Oppassend, oppassender, oppassendst.Oppassendheid, V.Oppasser, M., oppassers.Oppasseres, V., oppasseressen.Oppassing, V.Opper (hooistapel), M., oppers. Oppertje, O., oppertjes.Opper en Opperd (schuilplaats, luwte), M., oppers en opperds. Oppertje en opperdje, O., oppertjes en opperdjes.Opperbest.Opperbestuur, O.Opperbestuurder, M., opperbestuurders.Opperbevel, O.Opperbevelhebber, M., opperbevelhebbers.Opperbewind, O.Opperbrandmeester, M., opperbrandmeesters.Opperceremoniemeester, M., opperceremoniemeesters.Opperen, opperde, heeft geopperd.Oppergebied, O.Oppergebieder, M., oppergebieders.Oppergezag, O.Opperheer, M., opperheeren.Opperheerschappij, V.Opperhoofd, O., opperhoofden.Opperhuid, V.Oppering, V., opperingen.Opperjager, M., opperjagers.Opperjagermeester, M., opperjagermeesters.Opperkamerheer, M., opperkamerheeren.Opperkleed, O., opperkleederen.Opperkoopman, M., opperkooplieden.Opperleenheer, M., opperleenheeren.Oppermacht, V.Oppermachtig.Oppermajesteit, V.Opperman, M., opperlieden en opperlui.Opperpriester, M., opperpriesters.Opperpriesterschap, O.Opperrabbijn, M., opperrabbijnen.Opperschenker, M., opperschenkers.Oppersen, perste op, heeft opgeperst.Oppersing, V. oppersingen.Opperstalmeester, M., opperstalmeesters.Opperste.Opperstuurman, M., opperstuurlieden.Oppertoezicht, O.Oppervlak, O., oppervlakken.Oppervlakkig, oppervlakkiger, oppervlakkigst.Oppervlakkigheid, V., oppervlakkigheden.Oppervlakte, V., oppervlakten.Opperwal, M.Opperwater, O.Oppeuzelen, peuzelde op, heeft opgepeuzeld.Oppikken, pikte op, heeft opgepikt.Opplakken, plakte op, heeft opgeplakt.Opploegen, ploegde op, heeft opgeploegd.Opploeging, V.Oppoetsen, poetste op, heeft opgepoetst.Oppoffen, pofte op, heeft opgepoft.Oppoken, pookte op, heeft opgepookt.Oppompen, pompte op, heeft opgepompt.Opponeeren, opponeerde, heeft geopponeerd.Opponent, M., opponenten.Opporren, porde op, heeft opgepord.Opportuniteit, V.Opposant, M., opposanten.Oppositie, V., oppositiën en opposities.Oppositieblad, O., oppositiebladen.Oppotten, potte op, heeft opgepot.Opprikken, prikte op, heeft opgeprikt.Oppronken, pronkte op, heeft opgepronkt.Opproppen, propte op, heeft opgepropt.Oppropping, V.Oppuilen, puilde op, is opgepuild.Oppuiling, V., oppuilingen.Opraapsel, O., opraapsels.Oprakelen, rakelde op, heeft opgerakeld.Oprakeling, V.Opraken, raakte op, is opgeraakt.Oprammeien, rammeide op, heeft opgerammeid.Oprapen, raapte op, heeft opgeraapt.Oprecht, oprechter, oprechtst.Oprechtelijk.Oprechtheid, V.Opredderen, redderde op, heeft opgeredderd.Opreddering, V.Oprekenen, rekende op, heeft opgerekend.Oprekening, V., oprekeningen.Oprekken, rekte op, heeft opgerekt.Oprichten, richtte op, heeft opgericht.Oprichter, M., oprichters.Oprichtersaandeel, O., oprichtersaandeelen.Oprichtersbewijs, O., oprichtersbewijzen.Oprichting, V.Oprichtingskosten (mv.), M.Oprijden, reed op, reden op, heeft en is opgereden.Oprijgen, reeg op, heeft opgeregen.Oprijlaan, V., oprijlanen.Oprijten, reet op, reten op, heeft en is opgereten.Oprijzen, rees op, rezen op, is opgerezen.Oprijzing, V.Opril, V., oprillen.Oprispen, rispte op, heeft opgerispt.Oprisping, V., oprispingen.Oprit, M., opritten.Opritsen, ritste op, heeft opgeritst.Opritsing, V., opritsingen.Oprochelen, rochelde op, heeft opgerocheld.Oproeien, roeide op, heeft en is opgeroeid.Oproep, M.Oproepen, riep op, heeft opgeroepen.Oproeper, M., oproepers.Oproeping, V., oproepingen.Oproepingsbrief, M., oproepingsbrieven.Oproer, O., oproeren. Oproertje, O., oproertjes.Oproeren, roerde op, heeft opgeroerd.Oproerig, oproeriger, oproerigst.Oproerigheid, V.Oproerkraaier, M., oproerkraaiers.Oproerkreet, M., oproerkreten.Oproerling, M. en V., oproerlingen.Oproermaker, M., oproermakers.Oprokkenen, rokkende op, heeft opgerokkend.Oprollen, rolde op, heeft opgerold.Oprolling, V.Opruien, ruide op, heeft opgeruid.Opruier, M., opruiers.Opruiing, V., opruiingen.Opruimen, ruimde op, heeft opgeruimd.Opruimer, M., opruimers.Opruiming, V., opruimingen.Oprukken, rukte op, heeft en is opgerukt.Opscharrelen, scharrelde op, heeft opgescharreld.Opschaven, schaafde op, heeft opgeschaafd.Opschellen, schelde op, heeft opgescheld.Opschenken, schonk op, heeft opgeschonken.Opschepen, scheepte op, heeft opgescheept.Opscheppen, schepte op, heeft opgeschept.Opschepper, M., opscheppers.Opscheren, schoor op, schoren op, heeft opgeschoren.Opscherpen, scherpte op, heeft opgescherpt.Opscherping, V., opscherpingen.Opscheuren, scheurde op, heeft en is opgescheurd.Opscheuring, V., opscheuringen.Opschieten, schoot op, schoten op, heeft en is opgeschoten.Opschik, M.Opschikken, schikte op, heeft opgeschikt.Opschikking, V.Opschilderen, schilderde op, heeft opgeschilderd.Opschildering, V., opschilderingen.Opschoeien, schoeide op, heeft opgeschoeid.Opschoeiing, V., opschoeiingen.Opschommelen, schommelde op, heeft opgeschommeld.Opschooien, schooide op, heeft opgeschooid.Opschoppen, schopte op, heeft opgeschopt.Opschorten, schortte op, heeft opgeschort.Opschorting, V., opschortingen.Opschotelen, schotelde op, heeft opgeschoteld.Opschransen, schranste op, heeft opgeschranst.Opschrift, O., opschriften. Opschriftje, O., opschriftjes.Opschrijfboek, O., opschrijfboeken; opschrijfboekje, O., opschrijfboekjes.Opschrijven, schreef op, schreven op, heeft opgeschreven.Opschrijver, M., opschrijvers.Opschrijving, V.Opschrikken, schrikte op, heeft en is opgeschrikt.Opschroeven, schroefde op, heeft opgeschroefd.Opschroeving, V., opschroevingen.Opschrokken, schrokte op, heeft opgeschrokt.Opschudden, schudde op, heeft opgeschud.Opschudding, V., opschuddingen.Opschuieren, schuierde op, heeft opgeschuierd.Opschuimen, schuimde op, heeft opgeschuimd.Opschuiven, schoof op, schoven op, heeft en is opgeschoven.Opschuiving, V., opschuivingen.Opschuren, schuurde op, heeft opgeschuurd.Opschutten, schutte op, heeft opgeschut.Opschutting, V.Opseizen, seisde op, heeft opgeseisd.Opsieren, sierde op, heeft opgesierd.Opsiering, V., opsieringen.Opsiersel, O., opsiersels en opsierselen.Opsjorren, sjorde op, heeft opgesjord.Opsjorring, V.Opslaan, slaat op, sloeg op, heeft en is opgeslagen.Opslag, M., opslagen.Opslechten, slechtte op, heeft opgeslecht.Opsleepen, sleepte op, heeft opgesleept.Opslenteren, slenterde op, is opgeslenterd.Opsleuren, sleurde op, heeft opgesleurd.Opslijpen, sleep op, slepen op, heeft opgeslepen.Opslijping, V.Opslikken, slikte op, heeft opgeslikt.Opslobberen, slobberde op, heeft opgeslobberd.Opslokken, slokte op, heeft opgeslokt.Opslooten, slootte op, heeft opgesloot.Opslorpen en Opslurpen, slorpte (slurpte) op, heeft opgeslorpt (opgeslurpt).Opslorping en Opslurping, V., opslorpingen (opslurpingen).Opsluiten, sloot op, sloten op, heeft opgesloten.Opsluiting, V., opsluitingen.Opsluitschijf, V., opsluitschijven.Opsluitwig, V., opsluitwiggen.Opslurpen. Zie Opslorpen.Opsmeden, smeedde op, heeft opgesmeed.Opsmukken, smukte op, heeft opgesmukt.Opsmukking, V.Opsmullen, smulde op, heeft opgesmuld.Opsnappen, snapte op, heeft opgesnapt.Opsnapper, M., opsnappers.Opsnijden, sneed op, sneden op, heeft opgesneden.Opsnijder, M., opsnijders.Opsnijderij, V., opsnijderijen.Opsnijding, V., opsnijdingen.Opsnoepen, snoepte op, heeft opgesnoept.Opsnorren, snorde op, heeft opgesnord.Opsnuiven, snoof op, snoven op, heeft opgesnoven.Opsnuiving, V.Opsommen, somde op, heeft opgesomd.Opsomming, V., opsommingen.Opspalken, spalkte op, heeft opgespalkt.Opspalking, V.Opspannen, spande op, heeft en is opgespannen.Opspanning, V., opspanningen.Opsparen, spaarde op, heeft opgespaard.Opspelden, speldde op, heeft opgespeld.Opspelen, speelde op, heeft opgespeeld.Opsperren, sperde op, heeft opgesperd.Opsperring, V.Opspitten, spitte op, heeft opgespit.Opsplijten, spleet op, spleten op, heeft en is opgespleten.Opsplijting, V.Opspoelen, spoelde op, heeft opgespoeld.Opsporen, spoorde op, heeft opgespoord.Opsporing, V., opsporingen.Opspouwen, spouwde op, heeft opgespouwen.Opspraak, V.Opspringen, sprong op, is opgesprongen.Opspruiten, sproot op, sproten op, is opgesproten.Opspugen, spoog op, spogen op, heeft opgespogen.Opspuiten, spoot op, spoten op, heeft en is opgespoten.Opstaan, staat op, stond op, is opgestaan.Opstal, M., opstallen.Opstallen, stalde op, heeft opgestald.Opstalling, V.Opstand, M., opstanden.Opstandeling, M. en V., opstandelingen. V. ook opstandelinge.Opstanding, V.Opstandingsverhaal, O.Opstapelen, stapelde op, heeft opgestapeld.Opstapeling, V., opstapelingen.Opstappen, stapte op, is opgestapt.Opsteken, stak op, staken op, heeft en is opgestoken.Opsteker, M., opstekers.Opsteking, V.Opstel, O., opstellen. Opstelletje, O., opstelletjes.Opstellen, stelde op, heeft opgesteld.Opsteller, M., opstellers.Opstelling, V., opstellingen.Opstijgen, steeg op, stegen op, is opgestegen.Opstijging, V., opstijgingen.Opstijven, steef op, steven op, heeft en is opgesteven.Opstoken, stookte op, heeft opgestookt.Opstoker, M., opstokers.Opstokerij, V., opstokerijen.Opstoking, V., opstokingen.Opstookster, V., opstooksters.Opstooten, stiet op, heeft opgestooten; ook stootte op.Opstooter, M., opstooters.Opstooting, V.Opstootje, O., opstootjes.Opstoppen, stopte op, heeft opgestopt.Opstopper, M., opstoppers.Opstopping, V., opstoppingen.Opstoven, stoofde op, heeft opgestoofd.Opstrijden, streed op, streden op, heeft opgestreden.Opstrijken, streek op, streken op, heeft opgestreken.Opstrompelen, strompelde op, is opgestrompeld.Opstroopen, stroopte op, heeft opgestroopt.Opstuiten, stuitte op, heeft opgestuit.Opstuiter, M., opstuiters.Opstuiven, stoof op, stoven op, is opgestoven.Opsturen, stuurde op, heeft opgestuurd.Opstutten, stutte op, heeft opgestut.Opstuwen, stuwde op, heeft opgestuwd.Opstuwer, M., opstuwers.Opstuwing, V.Optakelen, takelde op, heeft opgetakeld.Optakeling, V., optakelingen.Optarnen, tarnde op, heeft en is opgetarnd.Optassen, taste op, heeft opgetast.Optatief, M., optatieven.Opteekenaar, M., opteekenaars.Opteekenen, teekende op, heeft opgeteekend.Opteekening, V., opteekeningen.Opteeren, opteerde, heeft geopteerd.Optellen, telde op, heeft opgeteld.Opteller, M., optellers.Optelling, V., optellingen.Optelsom, V., optelsommen.Opteren (opmaken), teerde op, heeft opgeteerd.Opteren (met teer besmeren), teerde op, heeft opgeteerd.Optica, V.Opticien, M., opticiens.Optie, V.Optiejaar, O., optiejaren.Optillen, tilde op, heeft opgetild.Optimisme, O.Optimist, M., optimisten.Optimmeren, timmerde op, heeft opgetimmerd.Optimmering, V., optimmeringen.Optisch.Optocht, M., optochten.Optoetsen, toetste op, heeft opgetoetst.Optooien, tooide op, heeft opgetooid.Optooiing, V., optooiingen.Optooisel, O., optooisels en optooiselen.Optoomen, toomde op, heeft opgetoomd.Optooming, V., optoomingen.Optoppen, topte op, heeft opgetopt.Optornen, tornde op, heeft en is opgetornd.Optreden, trad op, traden op, is opgetreden.Optreding, V., optredingen.Optrek, M., optrekken. Optrekje, O., optrekjes.Optrekken, trok op, trokken op, heeft en is opgetrokken.Optrekker, M., optrekkers.Optrekking, V., optrekkingen.Optroeven, troefde op, heeft opgetroefd.Optuigen, tuigde op, heeft opgetuigd.Optuiger, M., optuigers.Optuiging, V., optuigingen.Opulent, opulenter, opulentst.Opulentie, V.Opvangen, ving op, heeft opgevangen.Opvaren, voer op, is opgevaren.Opvarende, M. en V., opvarenden.Opvatten, vatte op, heeft opgevat.Opvatting, V., opvattingen.Opvegen, veegde op, heeft opgeveegd.Opveilen, veilde op, heeft opgeveild.Opveiling, V.Opverven, verfde op, heeft opgeverfd.Opverving, V., opvervingen.Opvijlen, vijlde op, heeft opgevijld.Opvijling, V.Opvijzelaar, M., opvijzelaars.Opvijzelen, vijzelde op, heeft opgevijzeld.Opvijzeling, V., opvijzelingen.Opvisschen, vischte op, heeft opgevischt.Opvlechten, vlocht op, heeft opgevlochten.Opvliegen, vloog op, vlogen op, is opgevlogen.Opvliegend, opvliegender, opvliegendst.Opvliegendheid, V.Opvlieging, V.Opvoeden, voedde op, heeft opgevoed.Opvoeder, M., opvoeders.Opvoeding, V., opvoedingen.Opvoedingsgesticht, O., opvoedingsgestichten.Opvoedingskunst, V.Opvoedkunde, V.Opvoedkundig.Opvoedkundige, M. en V., opvoedkundigen.Opvoedster, V., opvoedsters.Opvoeren, voerde op, heeft opgevoerd.Opvoering, V., opvoeringen.Opvolgen, volgde op, heeft en is opgevolgd.Opvolger, M., opvolgers.Opvolging, V., opvolgingen.Opvolgster, V., opvolgsters.Opvouwen, vouwde op, heeft opgevouwen.Opvreten, vrat op, vraten op, heeft opgevreten.Opvroolijken, vroolijkte op, heeft opgevroolijkt.Opvroolijking, V.Opvullen, vulde op, heeft opgevuld.Opvulling, V., opvullingen.Opvulsel, O., opvulsels.Opwaaien, waaide op, heeft en is opgewaaid; ook woei op, woeien op.Opwaarts (bijw.).Opwaartsch (bnw.).Opwachten, wachtte op, heeft opgewacht.Opwachting, V.Opwakkeren, wakkerde op, heeft en is opgewakkerd.Opwakkering, V.Opwarmen, warmde op, heeft opgewarmd.Opwarming, V.Opwassen, wies op, wiesen op, is opgewassen.Opwegen, woog op, wogen op, heeft opgewogen.Opwekkelijk, opwekkelijker, opwekkelijkst.Opwekken, wekte op, heeft opgewekt.Opwekkend, opwekkender, opwekkendst.Opwekking, V., opwekkingen.Opwellen, welde op, heeft en is opgeweld.Opwelling, V., opwellingen.Opwentelen, wentelde op, heeft opgewenteld.Opwerken, werkte op, heeft opgewerkt.Opwerpen, wierp op, heeft opgeworpen.Opwerping, V., opwerpingen.Opwinden, wond op, heeft opgewonden.Opwinding, V., opwindingen.Opwippen, wipte op, heeft en is opgewipt.Opwitten, witte op, heeft opgewit.Opwrijven, wreef op, wreven op, heeft opgewreven.Opzadelen, zadelde op, heeft opgezadeld.Opzakken, zakte op, heeft opgezakt.Opzamelaar, M., opzamelaars.Opzamelen, zamelde op, heeft opgezameld.Opzameling, V., opzamelingen.Opzegbaar, opzegbare.Opzegbaarheid, V.Opzeggen, zeide op, heeft opgezegd en opgezeid.Opzegging, V.Opzeilen, zeilde op, heeft en is opgezeild.Opzenden, zond op, heeft opgezonden.Opzending, V.Opzet (het opgezette), M., opzetten.Opzet (bij geschut), M., opzetten.Opzet (beraamd plan), O.Opzetdoos, V., opzetdoozen; opzetdoosje, O., opzetdoosjes.Opzetsel, O.Opzettelijk, opzettelijker, opzettelijkst.Opzetten, zette op, heeft opgezet.Opzetter, M., opzetters.Opzetting, V.Opzicht, O., opzichten.Opzichter, M., opzichters.Opzichtig, opzichtiger, opzichtigst.Opzichtigheid, V.Opzien, zag op, zagen op, heeft opgezien.Opzien, O.Opziener, M., opzieners.Opzienersambt, O.Opzingen, zong op, heeft opgezongen.Opzitten, zat op, zaten op, heeft opgezeten.Opzoeken, zocht op, heeft opgezocht.Opzoeking, V., opzoekingen.Opzolderen, zolderde op, heeft opgezolderd.Opzoldering, V.Opzouten, zoutte op, heeft opgezouten.Opzuigen, zoog op, zogen op, heeft opgezogen.Opzuipen, zoop op, zopen op, heeft opgezopen.Opzwaaien, zwaaide op, is opgezwaaid.Opzwalpen, zwalpte op, heeft opgezwalpt.Opzweepen, zweepte op, heeft opgezweept.Opzwelgen, zwolg op, heeft opgezwolgen.Opzwellen, zwol op, zwollen op, is opgezwollen.Opzwelling, V., opzwellingen.Opzwemmen, zwom op, zwommen op, is opgezwommen.Orakel, O., orakels en orakelen.Orakelen, orakelde, heeft georakeld.Orakelspreuk, V., orakelspreuken.Orakeltaal, V.Orang-oetang, M., orang-oetangs.Oranje (boom), M., (vrucht), V., oranjes.Oranje (kleur), O.Oranje (bnw.).Oranjeappel, M., oranjeappels en oranjeappelen.Oranjebloesem, M.Oranjeboom, M., oranjeboomen.Oranjehuis, O.Oranjeklant, M. en V., oranjeklanten.Oranjekleur, V.Oranjelint, O.Oranjemarmelade, V.Oranjerie, V., oranjerieën.Oranjeschil, V., oranjeschillen.Oranjestrik, M., oranjestrikken; oranjestrikje, O., oranjestrikjes.Oratie, V., oratiën en oraties.Oratorium, O., oratoriums en oratoria.Orberen, orberde, heeft georberd.Orchidee, V., orchideeën.Orde, V., orden.Ordelijk, ordelijker, ordelijkst.Ordelijkheid, V.Ordeloos, ordeloozer.Ordeloosheid, V.Ordenen, ordende, heeft geordend.Ordening, V., ordeningen.Ordentelijk, ordentelijker, ordentelijkst.Ordentelijkheid, V.Order, V., orders.Orderbriefje, O., orderbriefjes.Ordeteeken, O., ordeteekenen.Ordinaat, V., ordinaten.Ordinaris, V., ordinarissen.Ordineeren, ordineerde, heeft geordineerd.Ordonnans, M., ordonnansen.Ordonnans-officier, M., ordonnans-officieren.Ordonnantie, V., ordonnantiën en ordonnanties.Ordonnateur, M., ordonnateuren en ordonnateurs.Ordonneeren, ordonneerde, heeft geordonneerd.Oreeren, oreerde, heeft georeerd.Orego, V.Oreillonspassertje, O., oreillonspassertjes.Orgaan, O., organen.Organiek, organieke.Organisatie, V., organisatiën en organisaties.Organisch.Organiseeren, organiseerde, heeft georganiseerd.Organisme, O., organismen.Organist en Orgelist, M., organisten en orgelisten.Orgeade, V.Orgel, O., orgels en orgelen. Orgeltje, O., orgeltjes.Orgelconcert, O., orgelconcerten.Orgeldraaier, M., orgeldraaiers.Orgelen, orgelde, heeft georgeld.Orgelist. Zie Organist.Orgelmuziek, V.Orgelpunt, V., orgelpunten.Orgeltoon, M., orgeltonen.Orgeltrapper, M., orgeltrappers.Orientalist, M., orientalisten.Originaliteit, V.Origineel, origineeler, origineelst.Origineel, O., origineelen.Orkaan, M., orkanen.Orkest, O., orkesten.Orkestdirecteur, M., orkestdirecteurs.Orkestmeester, M., orkestmeesters.Orkesttoon, M.Orleaan, O.Ornament en Ornement, O., ornamenten en ornementen. Ornamentje en ornementje, O., ornamentjes en ornementjes.Orneeren, orneerde, heeft georneerd.Orthodox (bnw.).Orthodoxe, M. en V., orthodoxen.Orthodoxie, V.Orthographie, V., orthographieën.Orthographisch.Ortolaan, M., ortolanen.Os, M., ossen. Osje, O., osjes.Oscillatie, V., oscillatiën en oscillaties.Oscilleeren, oscilleerde, heeft geoscilleerd.Osculatievlak, O., osculatievlakken.Ossegal, V.Ossekop, M., ossekoppen.Osselapjes (mv.), O.Osseleder en Osseleer, en Ossenleder en Ossenleer, O.Osseleeren en Ossenleeren (bnw.).Ossemerg en Ossenmerg, O.Ossenbloed, O.Ossendrift, V., ossendriften.Ossenhaas, M., ossenhazen; ossenhaasje, O., ossenhaasjes.Ossenhuid, V., ossenhuiden.Ossenkooper, M., ossenkoopers.Ossenmarkt, V., ossenmarkten.Ossenoog, O., ossenoogen.Ossenstal, M., ossenstallen.Osserib, V., osseribben.Ossetand, M., ossetanden.Ossetong, V., ossetongen; ossetongetje, O., ossetongetjes.Ossevleesch en Ossenvleesch, O.Ostentatie, V.Osteologie, V.Ostracisme, O.Otter, M., otters. Ottertje, O., ottertjes.Otterbont, O.Oud, ouder, oudst.Oudachtig, oudachtiger, oudachtigst.Oudbakken, oudbakkener, oudbakkenst.Oudburgemeester, M., oudburgemeesters.Oude, M. en V., ouden. Oudje, O., oudjes.Oudejaar, O.Oudejaarsavond, M., oudejaarsavonden.Oude-kleerenmarkt, V., oude-kleerenmarkten.Oude-kleerkoop, M., oude-kleerkoopen.Oude-mannenhuis, O., oude-mannenhuizen.Ouderdom, M.Ouderdomskwaal, V., ouderdomskwalen.Ouderhart, O.Ouderhuis, O.Ouderliefde, V.Ouderlijk.Ouderling, M., ouderlingen.Ouderlingenbank, V., ouderlingenbanken.Ouderlingschap, O.Ouderloos, ouderlooze.Oudermin, V.Ouderpaar, O.Ouders en Ouderen (mv.), M.Oudervreugde en oudervreugd, V.Ouderwets (bijw.).Ouderwetsch (bnw.), ouderwetscher, meest ouderwetsch.Ouderwetschheid, V.Oude-vrouwenhuis, O., oude-vrouwenhuizen.Oudgast, M., oudgasten.Oudgediende, M., oudgedienden.Oudheid, V., oudheden.Oudheidkenner, M., oudheidkenners.Oudheidkunde, V.Oudheidkundig.Oudhollandsch.Oudje, O., oudjes.Oudoom, M., oudooms.Oudovergrootmoeder, V., oudovergrootmoeders.Oudovergrootvader, M., oudovergrootvaders.Oudroest, M.Oudtante, V., oudtantes.Oudtestamentisch.Oudtijds.Oudvader, M., oudvaders.Oudvaderlandsch.Oudvaderlijk.Oudwijfsch.Oulings.Outaar en Outer, O., outaren en outers.Ouverture, V., ouverturen en ouvertures.Ouwel, M., ouwels. Ouweltje, O., ouweltjes.Ouwelijk, ouwelijker, ouwelijkst.Ovaal, ovale.Ovaal, O., ovalen.Ovatie, V., ovatiën en ovaties.Oven, M., ovens. Oventje, O., oventjes.Ovendweil, V., ovendweilen.Ovenist, M., ovenisten.Ovenpaal, M., ovenpalen.Over.Over (scheepsw.), M., overs.Overaardig.Overademen, overademde, heeft overademd.Overal.Overaltegenwoordig.Overaltegenwoordigheid, V.Overasemen, overasemde, heeft overasemd.Overbabbelen, babbelde over, heeft overgebabbeld.Overbekend.Overbekendheid, V.Overbeleefd.Overbeschaafd.Overbeschaafdheid, V.Overbescheiden.Overbevolking, V.Overbevolkt.Overbidden, bad over, baden over, heeft overgebeden.Overbinden, bond over, heeft overgebonden.Overbleeken, bleekte over, heeft overgebleekt.Overblijfsel, O., overblijfsels en overblijfselen; overblijfseltje, O., overblijfseltjes.Overblijven, bleef over, bleven over, is overgebleven.Overbluffen, overblufte, heeft overbluft.Overbodig, overbodiger, overbodigst.Overbodigheid, V., overbodigheden.Overboeken, boekte over, heeft overgeboekt.Overboeking, V., overboekingen.Overboenen, boende over, heeft overgeboend.Overboord.Overborduren, borduurde over, heeft overgeborduurd.Overborrelen, borrelde over, is overgeborreld.Overborreling, V.Overborstelen, borstelde over, heeft overgeborsteld.Overbouwen, bouwde over, heeft overgebouwd; ook overbouwde, heeft overbouwd.Overbraden, braadde over, heeft overgebraden.Overbreien, breide over, heeft overgebreid.Overbrengen, bracht over, heeft overgebracht.Overbrenger, M., overbrengers.Overbrenging, V., overbrengingen.Overbrengster, V., overbrengsters.Overbriefster, V., overbriefsters.Overbrieven, briefde over, heeft overgebriefd.Overbriever, M., overbrievers.Overbrieving, V., overbrievingen.Overbruggen, overbrugde, heeft overbrugd.Overbrugging, V., overbruggingen.Overbruisen, bruiste over, heeft en is overgebruist.Overbuigen, boog over, bogen over, heeft en is overgebogen.Overbuitelen, buitelde over, heeft en is overgebuiteld.Overbukken, bukte over, heeft overgebukt.Overbuur, M., overburen; overbuurtje, O., overbuurtjes.Overcijferen, cijferde over, heeft overgecijferd.Overcompleet, overcomplete.Overdaad, V.Overdadig, overdadiger, overdadigst.Overdadigheid, V.Overdeelen, deelde over, heeft overgedeeld.Overdek, O., overdekken; overdekje, O., overdekjes.Overdeken, M., overdekens.Overdekken, overdekte, heeft overdekt.Overdekking, V., overdekkingen.Overdeksel, O., overdeksels.Overdenken, overdacht, heeft overdacht.Overdenking, V., overdenkingen.Overdik, overdikke.Overdijken, overdijkte, heeft overdijkt.Overdijking, V.Overdoen, doet over, deed over, deden over, heeft overgedaan; ook overdoet, overdeed, overdeden, heeft overdaan.Overdoezelen, doezelde over, heeft overgedoezeld.Overdonderen, overdonderde, heeft overdonderd.Overdracht, V., overdrachten.Overdrachtelijk.Overdrachtsbrief, M., overdrachtsbrieven.Overdragen, droeg over, heeft overgedragen.Overdrager, M., overdragers.Overdraven, draafde over, heeft en is overgedraafd.Overdrentelen, drentelde over, heeft en is overgedrenteld.Overdreven, overdrevener, overdrevenst.Overdrevenheid, V., overdrevenheden.Overdrijven, dreef over, dreven over, heeft en is overgedreven; ook overdreef, overdreven, heeft overdreven.Overdrijving, V., overdrijvingen.Overdruk, M., overdrukken; overdrukje, O., overdrukjes.Overdruk (bnw.), overdrukke.Overdrukken, drukte over, heeft en is overgedrukt; ook overdrukte, heeft overdrukt.Overduivelen, overduivelde, heeft overduiveld; ook Overduvelen.Overdwars.Overeen.Overeenbrengen, bracht overeen, heeft overeengebracht.Overeenkomen, komt overeen, kwam overeen, kwamen overeen, is overeengekomen.Overeenkomst, V., overeenkomsten.Overeenkomstig.Overeenkomstigheid, V.Overeenstemmen, stemde overeen, heeft overeengestemd.Overeenstemming, V.Overeind.Overerfelijk.Overernstig.Overerven, erfde over, heeft en is overgeërfd.Overerving, V.Overeten (zich overeten), overat zich, overaten zich, heeft zich overeten.Overfijn.Overflonkeren, overflonkerde, heeft overflonkerd.Overfluisteren, fluisterde over, heeft overgefluisterd.Overfoeliën, overfoeliede, heeft overfoelied.Overforsch.Overgaaf en Overgave, V.Overgaan, gaat over, ging over, is overgegaan.Overgaar, overgare.Overgalmen, overgalmde, heeft overgalmd.Overgang, M., overgangen.Overgangsbepaling, V., overgangsbepalingen.Overgangsexamen, O., overgangsexamens.Overgangstijdperk, O., overgangstijdperken.Overgangsvorm, M., overgangsvormen.Overgankelijk.Overgapen, overgaapte, heeft overgaapt.Overgaren, gaarde over, heeft overgegaard.Overgauw.Overgave. Zie Overgaaf.Overgedienstig.Overgegeven, overgegevener, overgegevenst.Overgelukkig.Overgeven, gaf over, gaven over, heeft overgegeven.Overgeving, V., overgevingen.Overgevoelig.Overgevoeligheid, V.Overgewicht, O.Overgieten, goot over, goten over, heeft overgegoten; ook overgoot, overgoten, heeft overgoten.Overgieting, V.Overglijden, gleed over, gleden over, is overgegleden.Overgloeien, gloeide over, heeft overgegloeid.Overgoed.Overgolven, overgolfde, heeft overgolfd.Overgooien, gooide over, heeft overgegooid.Overgrijpen, overgreep, overgrepen, heeft overgrepen.Overgroeien, overgroeide, heeft overgroeid.Overgroot, overgroote.Overgrootmoeder, V., overgrootmoeders.Overgrootvader, M., overgrootvaders.Overgutsen, gutste over, heeft en is overgegutst.Overhaal, M., overhalen.Overhaalschuit, V., overhaalschuiten.Overhaalster, V., overhaalsters.Overhaasten, overhaastte, heeft overhaast.Overhaasting, V.Overhalen, haalde over, heeft overgehaald.Overhaler, M., overhalers.Overhaling, V., overhalingen.Overhand, V.Overhandigen, overhandigde, heeft overhandigd.Overhandiging, V.Overhands.Overhangen, hing over, heeft overgehangen.Overhebben, heeft over, had over, hadden over, heeft overgehad.Overheen.Overheeren, overheerde, heeft overheerd.Overheering, V.Overheerlijk, overheerlijker, overheerlijkst.Overheerschen, overheerschte, heeft overheerscht.Overheerscher, M., overheerschers.Overheersching, V., overheerschingen.Overheet, overheete.Overheid, V., overheden.Overheidsambt, O., overheidsambten.Overheidspersoon, M., overheidspersonen.Overhellen, helde over, heeft overgeheld.Overhelling, V.Overhemd, O., overhemden; overhemdje, O., overhemdjes.Overhemdsknoop, M., overhemdsknoopen.Overhemdsmouw, V., overhemdsmouwen.Overhoef, M., overhoeven.Overhoeks (bijw.).Overhoeksch (bnw.).Overhoop.Overhoopliggen, lag overhoop, lagen overhoop, heeft overhoopgelegen.Overhoopraken, raakte overhoop, is overhoopgeraakt.Overhooren, overhoorde, heeft overhoord.Overhooring, V., overhooringen.Overhouden, hield over, heeft overgehouden.Overhouwen (van een nieuwen houw voorzien), houwde over, heeft overgehouwd.Overig.Overigens.Overijken, ijkte over, heeft overgeijkt.Overijlen (zich overijlen), overijlde zich, heeft zich overijld.Overijling, V.Overjagen, jaagde over, heeft overgejaagd, en joeg over; ook overjaagde, heeft overjaagd, en overjoeg.Overjarig.Overjarigheid, V.Overjas, V., overjassen; overjasje, O., overjasjes.Overkalken (met kalk), overkalkte, heeft overkalkt.Overkalken (afschrijven), kalkte over, heeft overgekalkt.Overkammen, kamde over, heeft overgekamd.Overkant, M.Overkappen (met eene kap bedekken), overkapte, heeft overkapt.Overkapping, V., overkappingen.Overkeurig.Overkijken, keek over, keken over, heeft overgekeken; ook overkeek, overkeken, heeft overkeken.Overkist, V., overkisten.Overkladden, kladde over, heeft overgeklad.Overklappen, klapte over, heeft overgeklapt.Overklauteren, klauterde over, heeft en is overgeklauterd.Overkleed (kleedingstuk), O., overkleederen en overkleeren; overkleedje, O., overkleedjes en overkleertjes.Overkleed (dekkleed), O., overkleeden; overkleedje, O., overkleedjes.Overkleeden, kleedde over, heeft overgekleed; ook overkleedde, heeft overkleed.Overkleeding, V., overkleedingen.Overkleedsel, O., overkleedsels.Overklein.Overkleuren, kleurde over, heeft overgekleurd.Overklikken, klikte over, heeft overgeklikt.Overklimmen, klom over, klommen over, heeft en is overgeklommen.Overklimming, V.Overklinken, klonk over, heeft overgeklonken; ook overklonk, heeft overklonken.Overkoken, kookte over, heeft en is overgekookt.Overkomelijk.Overkomen, komt over, kwam over, kwamen over, is overgekomen; ook overkomt, overkwam, overkwamen, is overgekomen.Overkomst, V.Overkop (bijw.).Overkorsten, overkorstte, heeft overkorst.Overkort.Overkraaien, overkraaide, heeft overkraaid.Overkrijgen, kreeg over, kregen over, heeft overgekregen.Overkroppen, overkropte, heeft overkropt.Overkropping, V.Overkruipen, kroop over, kropen over, heeft en is overgekropen.Overkuieren, kuierde over, heeft en is overgekuierd.Overlaars, V., overlaarzen.Overlaat, M., overlaten.Overladen, laadde over, heeft overgeladen; ook overlaadde, heeft overladen.Overlading, V., overladingen.Overland (bijw.).Overlandmail, V.Overlandreis, V., overlandreizen.Overlang (bijw.).Overlangs (bijw.).Overlangsch (bnw.).Overlangzaam, overlangzame.Overlast, M.Overlasten, overlastte, heeft overlast.Overlasting, V.Overlaten, liet over, heeft overgelaten.Overlating, V.Overledene, M. en V., overledenen.Overleder, en overleer, O.Overleeren, leerde over, heeft overgeleerd.Overleg, O.Overleggen, legde over en leide over, heeft overgelegd en overgeleid; ook overlegde en overleide, heeft overlegd en overleid.Overlegging, V., overleggingen.Overleunen, leunde over, heeft overgeleund.Overleven, overleefde, heeft overleefd.Overlevende, M. en V., overlevenden.Overleveren, leverde over, heeft overgeleverd.Overlevering, V., overleveringen.Overleving, V.Overlevingscontract, O., overlevingscontracten.Overlezen, las over, lazen over, heeft overgelezen.Overlezing, V.Overlieden. Zie Overman.Overliegen, overloog, overlogen, heeft overlogen.Overliggen, lag over, lagen over, heeft overgelegen.Overlijden, overleed, overleden, is overleden.Overlijden, O.Overlokken, lokte over, heeft overgelokt.Overlommeren, overlommerde, heeft overlommerd.Overloop, M., overloopen; overloopje, O., overloopjes.Overloopen, liep over, heeft en is overgeloopen; ook overliep, heeft overloopen.Overlooper, M., overloopers.Overlooping, V., overloopingen.Overluid.Overluiden, ook Overluien, luidde en luide over, heeft overgeluid; ook overluidde en overluide, heeft overluid.Overmaasch.Overmaat, V.Overmacht, V.Overmachtig.Overmaken, maakte over, heeft overgemaakt.Overmalen, maalde over, heeft overgemalen.Overmaling, V.Overman, M., overlieden en overlui.Overmangelen, mangelde over, heeft overgemangeld.Overmannen, overmande, heeft overmand.Overmarcheeren, marcheerde over, is overgemarcheerd.Overmast (bnw.).Overmatig (de maat te boven gaande), overmatiger, overmatigst.Overmeesteren, overmeesterde, heeft overmeesterd.Overmeestering, V.Overmerken, merkte over, heeft overgemerkt.Overmeten, mat over, maten over, heeft overgemeten.Overmeting, V., overmetingen.Overmetselen, metselde over, heeft overgemetseld.Overmidden.Overmits.Overmoed, M.Overmoedig, overmoediger, overmoedigst.Overmonsteren, monsterde over, heeft overgemonsterd.Overmorgen.Overmouw, V., overmouwen; overmouwtje, O., overmouwtjes.Overnaaien, naaide over, heeft overgenaaid.Overnachten, overnachtte, heeft overnacht.Overnauwkeurig.Overnemen, nam over, namen over, heeft overgenomen.Overneming, V.Overnommeren, nommerde over, heeft overgenommerd.Overoud.Overpad, O., overpaden; overpaadje, O., overpaadjes.Overpakken, pakte over, heeft overgepakt.Overpakking, V., overpakkingen.Overpassen, paste over, heeft overgepast.Overpeilen, peilde over, heeft overgepeild.Overpeinzen, overpeinsde, heeft overpeinsd.Overpeinzing, V., overpeinzingen.Overpersen, perste over, heeft overgeperst.Overplaatsen, plaatste over, heeft overgeplaatst.Overplaatsing, V., overplaatsingen.Overplakken, plakte over, heeft overgeplakt; ook overplakte, heeft overplakt.Overplakking, V., overplakkingen.Overplamuren, plamuurde over, heeft overgeplamuurd.Overplanken, overplankte, heeft overplankt.Overplanten, plantte over, heeft overgeplant.Overplanting, V., overplantingen.Overpleisteren, pleisterde over, heeft overgepleisterd; ook overpleisterde, heeft overpleisterd.Overpleistering, V., overpleisteringen.Overpletten, plette over, heeft overgeplet.Overploegen, ploegde over, heeft overgeploegd.Overpoetsen, poetste over, heeft overgepoetst.Overpolijsten, polijstte over, heeft overgepolijst.Overpond, O., overponden.Overpoten, pootte over, heeft overgepoot.Overprachtig.Overpraten, praatte over, heeft overgepraat; ook overpraatte, heeft overpraat.Overprikkelen, overprikkelde, heeft overprikkeld.Overprikkeling, V., overprikkelingen.Overraken, raakte over, is overgeraakt.Overreden, overreedde, heeft overreed.Overreding, V.Overredingskracht, V.Overreiken, reikte over, heeft overgereikt.Overreiking, V.Overrekenen, rekende over, heeft overgerekend.Overrennen, rende over, is overgerend; ook overrende, heeft overrend.Overrijden, reed over, reden over, heeft en is overgereden; ook overreed, overreden, heeft overreden.Overrijp.Overroeien, roeide over, heeft en is overgeroeid; ook overroeide (zich), heeft (zich) overroeid.Overroepen, riep over, heeft overgeroepen.Overrompelen, overrompelde, heeft overrompeld.Overrompeling, V., overrompelingen.Overruim.Oversausen, oversauste, heeft oversaust.Overschaduwen, overschaduwde, heeft overschaduwd.Overschaduwing, V.Overschatten, overschatte, heeft overschat.Overschatting, V.Overschaven, schaafde over, heeft overgeschaafd.Overschenken, schonk over, heeft overgeschonken.Overschepen, scheepte over, heeft overgescheept.Overscheping, V., overschepingen.Overscheren, schoor over, schoren over, heeft overgeschoren.Overscherp.Overschetsen, schetste over, heeft overgeschetst.Overschieten, schoot over, schoten over, heeft en is overgeschoten.Overschijnen, overscheen, overschenen, heeft overschenen.Overschilderen, schilderde over, heeft overgeschilderd; ook overschilderde, heeft overschilderd.Overschildering, V.Overschitteren, overschitterde, heeft overschitterd.Overschoen, M., overschoenen.Overschoon, overschoone.

Opofferen, offerde op, heeft opgeofferd.

Opoffering, V., opofferingen.

Opontbieden, ontbood op, ontboden op, heeft opontboden.

Opontbieding, V., opontbiedingen.

Opontbod, O.

Oponthoud, O.

Oppakken, pakte op, heeft opgepakt.

Oppalmen, palmde op, heeft opgepalmd.

Oppas, M.

Oppassen, paste op, heeft opgepast.

Oppassend, oppassender, oppassendst.

Oppassendheid, V.

Oppasser, M., oppassers.

Oppasseres, V., oppasseressen.

Oppassing, V.

Opper (hooistapel), M., oppers. Oppertje, O., oppertjes.

Opper en Opperd (schuilplaats, luwte), M., oppers en opperds. Oppertje en opperdje, O., oppertjes en opperdjes.

Opperbest.

Opperbestuur, O.

Opperbestuurder, M., opperbestuurders.

Opperbevel, O.

Opperbevelhebber, M., opperbevelhebbers.

Opperbewind, O.

Opperbrandmeester, M., opperbrandmeesters.

Opperceremoniemeester, M., opperceremoniemeesters.

Opperen, opperde, heeft geopperd.

Oppergebied, O.

Oppergebieder, M., oppergebieders.

Oppergezag, O.

Opperheer, M., opperheeren.

Opperheerschappij, V.

Opperhoofd, O., opperhoofden.

Opperhuid, V.

Oppering, V., opperingen.

Opperjager, M., opperjagers.

Opperjagermeester, M., opperjagermeesters.

Opperkamerheer, M., opperkamerheeren.

Opperkleed, O., opperkleederen.

Opperkoopman, M., opperkooplieden.

Opperleenheer, M., opperleenheeren.

Oppermacht, V.

Oppermachtig.

Oppermajesteit, V.

Opperman, M., opperlieden en opperlui.

Opperpriester, M., opperpriesters.

Opperpriesterschap, O.

Opperrabbijn, M., opperrabbijnen.

Opperschenker, M., opperschenkers.

Oppersen, perste op, heeft opgeperst.

Oppersing, V. oppersingen.

Opperstalmeester, M., opperstalmeesters.

Opperste.

Opperstuurman, M., opperstuurlieden.

Oppertoezicht, O.

Oppervlak, O., oppervlakken.

Oppervlakkig, oppervlakkiger, oppervlakkigst.

Oppervlakkigheid, V., oppervlakkigheden.

Oppervlakte, V., oppervlakten.

Opperwal, M.

Opperwater, O.

Oppeuzelen, peuzelde op, heeft opgepeuzeld.

Oppikken, pikte op, heeft opgepikt.

Opplakken, plakte op, heeft opgeplakt.

Opploegen, ploegde op, heeft opgeploegd.

Opploeging, V.

Oppoetsen, poetste op, heeft opgepoetst.

Oppoffen, pofte op, heeft opgepoft.

Oppoken, pookte op, heeft opgepookt.

Oppompen, pompte op, heeft opgepompt.

Opponeeren, opponeerde, heeft geopponeerd.

Opponent, M., opponenten.

Opporren, porde op, heeft opgepord.

Opportuniteit, V.

Opposant, M., opposanten.

Oppositie, V., oppositiën en opposities.

Oppositieblad, O., oppositiebladen.

Oppotten, potte op, heeft opgepot.

Opprikken, prikte op, heeft opgeprikt.

Oppronken, pronkte op, heeft opgepronkt.

Opproppen, propte op, heeft opgepropt.

Oppropping, V.

Oppuilen, puilde op, is opgepuild.

Oppuiling, V., oppuilingen.

Opraapsel, O., opraapsels.

Oprakelen, rakelde op, heeft opgerakeld.

Oprakeling, V.

Opraken, raakte op, is opgeraakt.

Oprammeien, rammeide op, heeft opgerammeid.

Oprapen, raapte op, heeft opgeraapt.

Oprecht, oprechter, oprechtst.

Oprechtelijk.

Oprechtheid, V.

Opredderen, redderde op, heeft opgeredderd.

Opreddering, V.

Oprekenen, rekende op, heeft opgerekend.

Oprekening, V., oprekeningen.

Oprekken, rekte op, heeft opgerekt.

Oprichten, richtte op, heeft opgericht.

Oprichter, M., oprichters.

Oprichtersaandeel, O., oprichtersaandeelen.

Oprichtersbewijs, O., oprichtersbewijzen.

Oprichting, V.

Oprichtingskosten (mv.), M.

Oprijden, reed op, reden op, heeft en is opgereden.

Oprijgen, reeg op, heeft opgeregen.

Oprijlaan, V., oprijlanen.

Oprijten, reet op, reten op, heeft en is opgereten.

Oprijzen, rees op, rezen op, is opgerezen.

Oprijzing, V.

Opril, V., oprillen.

Oprispen, rispte op, heeft opgerispt.

Oprisping, V., oprispingen.

Oprit, M., opritten.

Opritsen, ritste op, heeft opgeritst.

Opritsing, V., opritsingen.

Oprochelen, rochelde op, heeft opgerocheld.

Oproeien, roeide op, heeft en is opgeroeid.

Oproep, M.

Oproepen, riep op, heeft opgeroepen.

Oproeper, M., oproepers.

Oproeping, V., oproepingen.

Oproepingsbrief, M., oproepingsbrieven.

Oproer, O., oproeren. Oproertje, O., oproertjes.

Oproeren, roerde op, heeft opgeroerd.

Oproerig, oproeriger, oproerigst.

Oproerigheid, V.

Oproerkraaier, M., oproerkraaiers.

Oproerkreet, M., oproerkreten.

Oproerling, M. en V., oproerlingen.

Oproermaker, M., oproermakers.

Oprokkenen, rokkende op, heeft opgerokkend.

Oprollen, rolde op, heeft opgerold.

Oprolling, V.

Opruien, ruide op, heeft opgeruid.

Opruier, M., opruiers.

Opruiing, V., opruiingen.

Opruimen, ruimde op, heeft opgeruimd.

Opruimer, M., opruimers.

Opruiming, V., opruimingen.

Oprukken, rukte op, heeft en is opgerukt.

Opscharrelen, scharrelde op, heeft opgescharreld.

Opschaven, schaafde op, heeft opgeschaafd.

Opschellen, schelde op, heeft opgescheld.

Opschenken, schonk op, heeft opgeschonken.

Opschepen, scheepte op, heeft opgescheept.

Opscheppen, schepte op, heeft opgeschept.

Opschepper, M., opscheppers.

Opscheren, schoor op, schoren op, heeft opgeschoren.

Opscherpen, scherpte op, heeft opgescherpt.

Opscherping, V., opscherpingen.

Opscheuren, scheurde op, heeft en is opgescheurd.

Opscheuring, V., opscheuringen.

Opschieten, schoot op, schoten op, heeft en is opgeschoten.

Opschik, M.

Opschikken, schikte op, heeft opgeschikt.

Opschikking, V.

Opschilderen, schilderde op, heeft opgeschilderd.

Opschildering, V., opschilderingen.

Opschoeien, schoeide op, heeft opgeschoeid.

Opschoeiing, V., opschoeiingen.

Opschommelen, schommelde op, heeft opgeschommeld.

Opschooien, schooide op, heeft opgeschooid.

Opschoppen, schopte op, heeft opgeschopt.

Opschorten, schortte op, heeft opgeschort.

Opschorting, V., opschortingen.

Opschotelen, schotelde op, heeft opgeschoteld.

Opschransen, schranste op, heeft opgeschranst.

Opschrift, O., opschriften. Opschriftje, O., opschriftjes.

Opschrijfboek, O., opschrijfboeken; opschrijfboekje, O., opschrijfboekjes.

Opschrijven, schreef op, schreven op, heeft opgeschreven.

Opschrijver, M., opschrijvers.

Opschrijving, V.

Opschrikken, schrikte op, heeft en is opgeschrikt.

Opschroeven, schroefde op, heeft opgeschroefd.

Opschroeving, V., opschroevingen.

Opschrokken, schrokte op, heeft opgeschrokt.

Opschudden, schudde op, heeft opgeschud.

Opschudding, V., opschuddingen.

Opschuieren, schuierde op, heeft opgeschuierd.

Opschuimen, schuimde op, heeft opgeschuimd.

Opschuiven, schoof op, schoven op, heeft en is opgeschoven.

Opschuiving, V., opschuivingen.

Opschuren, schuurde op, heeft opgeschuurd.

Opschutten, schutte op, heeft opgeschut.

Opschutting, V.

Opseizen, seisde op, heeft opgeseisd.

Opsieren, sierde op, heeft opgesierd.

Opsiering, V., opsieringen.

Opsiersel, O., opsiersels en opsierselen.

Opsjorren, sjorde op, heeft opgesjord.

Opsjorring, V.

Opslaan, slaat op, sloeg op, heeft en is opgeslagen.

Opslag, M., opslagen.

Opslechten, slechtte op, heeft opgeslecht.

Opsleepen, sleepte op, heeft opgesleept.

Opslenteren, slenterde op, is opgeslenterd.

Opsleuren, sleurde op, heeft opgesleurd.

Opslijpen, sleep op, slepen op, heeft opgeslepen.

Opslijping, V.

Opslikken, slikte op, heeft opgeslikt.

Opslobberen, slobberde op, heeft opgeslobberd.

Opslokken, slokte op, heeft opgeslokt.

Opslooten, slootte op, heeft opgesloot.

Opslorpen en Opslurpen, slorpte (slurpte) op, heeft opgeslorpt (opgeslurpt).

Opslorping en Opslurping, V., opslorpingen (opslurpingen).

Opsluiten, sloot op, sloten op, heeft opgesloten.

Opsluiting, V., opsluitingen.

Opsluitschijf, V., opsluitschijven.

Opsluitwig, V., opsluitwiggen.

Opslurpen. Zie Opslorpen.

Opsmeden, smeedde op, heeft opgesmeed.

Opsmukken, smukte op, heeft opgesmukt.

Opsmukking, V.

Opsmullen, smulde op, heeft opgesmuld.

Opsnappen, snapte op, heeft opgesnapt.

Opsnapper, M., opsnappers.

Opsnijden, sneed op, sneden op, heeft opgesneden.

Opsnijder, M., opsnijders.

Opsnijderij, V., opsnijderijen.

Opsnijding, V., opsnijdingen.

Opsnoepen, snoepte op, heeft opgesnoept.

Opsnorren, snorde op, heeft opgesnord.

Opsnuiven, snoof op, snoven op, heeft opgesnoven.

Opsnuiving, V.

Opsommen, somde op, heeft opgesomd.

Opsomming, V., opsommingen.

Opspalken, spalkte op, heeft opgespalkt.

Opspalking, V.

Opspannen, spande op, heeft en is opgespannen.

Opspanning, V., opspanningen.

Opsparen, spaarde op, heeft opgespaard.

Opspelden, speldde op, heeft opgespeld.

Opspelen, speelde op, heeft opgespeeld.

Opsperren, sperde op, heeft opgesperd.

Opsperring, V.

Opspitten, spitte op, heeft opgespit.

Opsplijten, spleet op, spleten op, heeft en is opgespleten.

Opsplijting, V.

Opspoelen, spoelde op, heeft opgespoeld.

Opsporen, spoorde op, heeft opgespoord.

Opsporing, V., opsporingen.

Opspouwen, spouwde op, heeft opgespouwen.

Opspraak, V.

Opspringen, sprong op, is opgesprongen.

Opspruiten, sproot op, sproten op, is opgesproten.

Opspugen, spoog op, spogen op, heeft opgespogen.

Opspuiten, spoot op, spoten op, heeft en is opgespoten.

Opstaan, staat op, stond op, is opgestaan.

Opstal, M., opstallen.

Opstallen, stalde op, heeft opgestald.

Opstalling, V.

Opstand, M., opstanden.

Opstandeling, M. en V., opstandelingen. V. ook opstandelinge.

Opstanding, V.

Opstandingsverhaal, O.

Opstapelen, stapelde op, heeft opgestapeld.

Opstapeling, V., opstapelingen.

Opstappen, stapte op, is opgestapt.

Opsteken, stak op, staken op, heeft en is opgestoken.

Opsteker, M., opstekers.

Opsteking, V.

Opstel, O., opstellen. Opstelletje, O., opstelletjes.

Opstellen, stelde op, heeft opgesteld.

Opsteller, M., opstellers.

Opstelling, V., opstellingen.

Opstijgen, steeg op, stegen op, is opgestegen.

Opstijging, V., opstijgingen.

Opstijven, steef op, steven op, heeft en is opgesteven.

Opstoken, stookte op, heeft opgestookt.

Opstoker, M., opstokers.

Opstokerij, V., opstokerijen.

Opstoking, V., opstokingen.

Opstookster, V., opstooksters.

Opstooten, stiet op, heeft opgestooten; ook stootte op.

Opstooter, M., opstooters.

Opstooting, V.

Opstootje, O., opstootjes.

Opstoppen, stopte op, heeft opgestopt.

Opstopper, M., opstoppers.

Opstopping, V., opstoppingen.

Opstoven, stoofde op, heeft opgestoofd.

Opstrijden, streed op, streden op, heeft opgestreden.

Opstrijken, streek op, streken op, heeft opgestreken.

Opstrompelen, strompelde op, is opgestrompeld.

Opstroopen, stroopte op, heeft opgestroopt.

Opstuiten, stuitte op, heeft opgestuit.

Opstuiter, M., opstuiters.

Opstuiven, stoof op, stoven op, is opgestoven.

Opsturen, stuurde op, heeft opgestuurd.

Opstutten, stutte op, heeft opgestut.

Opstuwen, stuwde op, heeft opgestuwd.

Opstuwer, M., opstuwers.

Opstuwing, V.

Optakelen, takelde op, heeft opgetakeld.

Optakeling, V., optakelingen.

Optarnen, tarnde op, heeft en is opgetarnd.

Optassen, taste op, heeft opgetast.

Optatief, M., optatieven.

Opteekenaar, M., opteekenaars.

Opteekenen, teekende op, heeft opgeteekend.

Opteekening, V., opteekeningen.

Opteeren, opteerde, heeft geopteerd.

Optellen, telde op, heeft opgeteld.

Opteller, M., optellers.

Optelling, V., optellingen.

Optelsom, V., optelsommen.

Opteren (opmaken), teerde op, heeft opgeteerd.

Opteren (met teer besmeren), teerde op, heeft opgeteerd.

Optica, V.

Opticien, M., opticiens.

Optie, V.

Optiejaar, O., optiejaren.

Optillen, tilde op, heeft opgetild.

Optimisme, O.

Optimist, M., optimisten.

Optimmeren, timmerde op, heeft opgetimmerd.

Optimmering, V., optimmeringen.

Optisch.

Optocht, M., optochten.

Optoetsen, toetste op, heeft opgetoetst.

Optooien, tooide op, heeft opgetooid.

Optooiing, V., optooiingen.

Optooisel, O., optooisels en optooiselen.

Optoomen, toomde op, heeft opgetoomd.

Optooming, V., optoomingen.

Optoppen, topte op, heeft opgetopt.

Optornen, tornde op, heeft en is opgetornd.

Optreden, trad op, traden op, is opgetreden.

Optreding, V., optredingen.

Optrek, M., optrekken. Optrekje, O., optrekjes.

Optrekken, trok op, trokken op, heeft en is opgetrokken.

Optrekker, M., optrekkers.

Optrekking, V., optrekkingen.

Optroeven, troefde op, heeft opgetroefd.

Optuigen, tuigde op, heeft opgetuigd.

Optuiger, M., optuigers.

Optuiging, V., optuigingen.

Opulent, opulenter, opulentst.

Opulentie, V.

Opvangen, ving op, heeft opgevangen.

Opvaren, voer op, is opgevaren.

Opvarende, M. en V., opvarenden.

Opvatten, vatte op, heeft opgevat.

Opvatting, V., opvattingen.

Opvegen, veegde op, heeft opgeveegd.

Opveilen, veilde op, heeft opgeveild.

Opveiling, V.

Opverven, verfde op, heeft opgeverfd.

Opverving, V., opvervingen.

Opvijlen, vijlde op, heeft opgevijld.

Opvijling, V.

Opvijzelaar, M., opvijzelaars.

Opvijzelen, vijzelde op, heeft opgevijzeld.

Opvijzeling, V., opvijzelingen.

Opvisschen, vischte op, heeft opgevischt.

Opvlechten, vlocht op, heeft opgevlochten.

Opvliegen, vloog op, vlogen op, is opgevlogen.

Opvliegend, opvliegender, opvliegendst.

Opvliegendheid, V.

Opvlieging, V.

Opvoeden, voedde op, heeft opgevoed.

Opvoeder, M., opvoeders.

Opvoeding, V., opvoedingen.

Opvoedingsgesticht, O., opvoedingsgestichten.

Opvoedingskunst, V.

Opvoedkunde, V.

Opvoedkundig.

Opvoedkundige, M. en V., opvoedkundigen.

Opvoedster, V., opvoedsters.

Opvoeren, voerde op, heeft opgevoerd.

Opvoering, V., opvoeringen.

Opvolgen, volgde op, heeft en is opgevolgd.

Opvolger, M., opvolgers.

Opvolging, V., opvolgingen.

Opvolgster, V., opvolgsters.

Opvouwen, vouwde op, heeft opgevouwen.

Opvreten, vrat op, vraten op, heeft opgevreten.

Opvroolijken, vroolijkte op, heeft opgevroolijkt.

Opvroolijking, V.

Opvullen, vulde op, heeft opgevuld.

Opvulling, V., opvullingen.

Opvulsel, O., opvulsels.

Opwaaien, waaide op, heeft en is opgewaaid; ook woei op, woeien op.

Opwaarts (bijw.).

Opwaartsch (bnw.).

Opwachten, wachtte op, heeft opgewacht.

Opwachting, V.

Opwakkeren, wakkerde op, heeft en is opgewakkerd.

Opwakkering, V.

Opwarmen, warmde op, heeft opgewarmd.

Opwarming, V.

Opwassen, wies op, wiesen op, is opgewassen.

Opwegen, woog op, wogen op, heeft opgewogen.

Opwekkelijk, opwekkelijker, opwekkelijkst.

Opwekken, wekte op, heeft opgewekt.

Opwekkend, opwekkender, opwekkendst.

Opwekking, V., opwekkingen.

Opwellen, welde op, heeft en is opgeweld.

Opwelling, V., opwellingen.

Opwentelen, wentelde op, heeft opgewenteld.

Opwerken, werkte op, heeft opgewerkt.

Opwerpen, wierp op, heeft opgeworpen.

Opwerping, V., opwerpingen.

Opwinden, wond op, heeft opgewonden.

Opwinding, V., opwindingen.

Opwippen, wipte op, heeft en is opgewipt.

Opwitten, witte op, heeft opgewit.

Opwrijven, wreef op, wreven op, heeft opgewreven.

Opzadelen, zadelde op, heeft opgezadeld.

Opzakken, zakte op, heeft opgezakt.

Opzamelaar, M., opzamelaars.

Opzamelen, zamelde op, heeft opgezameld.

Opzameling, V., opzamelingen.

Opzegbaar, opzegbare.

Opzegbaarheid, V.

Opzeggen, zeide op, heeft opgezegd en opgezeid.

Opzegging, V.

Opzeilen, zeilde op, heeft en is opgezeild.

Opzenden, zond op, heeft opgezonden.

Opzending, V.

Opzet (het opgezette), M., opzetten.

Opzet (bij geschut), M., opzetten.

Opzet (beraamd plan), O.

Opzetdoos, V., opzetdoozen; opzetdoosje, O., opzetdoosjes.

Opzetsel, O.

Opzettelijk, opzettelijker, opzettelijkst.

Opzetten, zette op, heeft opgezet.

Opzetter, M., opzetters.

Opzetting, V.

Opzicht, O., opzichten.

Opzichter, M., opzichters.

Opzichtig, opzichtiger, opzichtigst.

Opzichtigheid, V.

Opzien, zag op, zagen op, heeft opgezien.

Opzien, O.

Opziener, M., opzieners.

Opzienersambt, O.

Opzingen, zong op, heeft opgezongen.

Opzitten, zat op, zaten op, heeft opgezeten.

Opzoeken, zocht op, heeft opgezocht.

Opzoeking, V., opzoekingen.

Opzolderen, zolderde op, heeft opgezolderd.

Opzoldering, V.

Opzouten, zoutte op, heeft opgezouten.

Opzuigen, zoog op, zogen op, heeft opgezogen.

Opzuipen, zoop op, zopen op, heeft opgezopen.

Opzwaaien, zwaaide op, is opgezwaaid.

Opzwalpen, zwalpte op, heeft opgezwalpt.

Opzweepen, zweepte op, heeft opgezweept.

Opzwelgen, zwolg op, heeft opgezwolgen.

Opzwellen, zwol op, zwollen op, is opgezwollen.

Opzwelling, V., opzwellingen.

Opzwemmen, zwom op, zwommen op, is opgezwommen.

Orakel, O., orakels en orakelen.

Orakelen, orakelde, heeft georakeld.

Orakelspreuk, V., orakelspreuken.

Orakeltaal, V.

Orang-oetang, M., orang-oetangs.

Oranje (boom), M., (vrucht), V., oranjes.

Oranje (kleur), O.

Oranje (bnw.).

Oranjeappel, M., oranjeappels en oranjeappelen.

Oranjebloesem, M.

Oranjeboom, M., oranjeboomen.

Oranjehuis, O.

Oranjeklant, M. en V., oranjeklanten.

Oranjekleur, V.

Oranjelint, O.

Oranjemarmelade, V.

Oranjerie, V., oranjerieën.

Oranjeschil, V., oranjeschillen.

Oranjestrik, M., oranjestrikken; oranjestrikje, O., oranjestrikjes.

Oratie, V., oratiën en oraties.

Oratorium, O., oratoriums en oratoria.

Orberen, orberde, heeft georberd.

Orchidee, V., orchideeën.

Orde, V., orden.

Ordelijk, ordelijker, ordelijkst.

Ordelijkheid, V.

Ordeloos, ordeloozer.

Ordeloosheid, V.

Ordenen, ordende, heeft geordend.

Ordening, V., ordeningen.

Ordentelijk, ordentelijker, ordentelijkst.

Ordentelijkheid, V.

Order, V., orders.

Orderbriefje, O., orderbriefjes.

Ordeteeken, O., ordeteekenen.

Ordinaat, V., ordinaten.

Ordinaris, V., ordinarissen.

Ordineeren, ordineerde, heeft geordineerd.

Ordonnans, M., ordonnansen.

Ordonnans-officier, M., ordonnans-officieren.

Ordonnantie, V., ordonnantiën en ordonnanties.

Ordonnateur, M., ordonnateuren en ordonnateurs.

Ordonneeren, ordonneerde, heeft geordonneerd.

Oreeren, oreerde, heeft georeerd.

Orego, V.

Oreillonspassertje, O., oreillonspassertjes.

Orgaan, O., organen.

Organiek, organieke.

Organisatie, V., organisatiën en organisaties.

Organisch.

Organiseeren, organiseerde, heeft georganiseerd.

Organisme, O., organismen.

Organist en Orgelist, M., organisten en orgelisten.

Orgeade, V.

Orgel, O., orgels en orgelen. Orgeltje, O., orgeltjes.

Orgelconcert, O., orgelconcerten.

Orgeldraaier, M., orgeldraaiers.

Orgelen, orgelde, heeft georgeld.

Orgelist. Zie Organist.

Orgelmuziek, V.

Orgelpunt, V., orgelpunten.

Orgeltoon, M., orgeltonen.

Orgeltrapper, M., orgeltrappers.

Orientalist, M., orientalisten.

Originaliteit, V.

Origineel, origineeler, origineelst.

Origineel, O., origineelen.

Orkaan, M., orkanen.

Orkest, O., orkesten.

Orkestdirecteur, M., orkestdirecteurs.

Orkestmeester, M., orkestmeesters.

Orkesttoon, M.

Orleaan, O.

Ornament en Ornement, O., ornamenten en ornementen. Ornamentje en ornementje, O., ornamentjes en ornementjes.

Orneeren, orneerde, heeft georneerd.

Orthodox (bnw.).

Orthodoxe, M. en V., orthodoxen.

Orthodoxie, V.

Orthographie, V., orthographieën.

Orthographisch.

Ortolaan, M., ortolanen.

Os, M., ossen. Osje, O., osjes.

Oscillatie, V., oscillatiën en oscillaties.

Oscilleeren, oscilleerde, heeft geoscilleerd.

Osculatievlak, O., osculatievlakken.

Ossegal, V.

Ossekop, M., ossekoppen.

Osselapjes (mv.), O.

Osseleder en Osseleer, en Ossenleder en Ossenleer, O.

Osseleeren en Ossenleeren (bnw.).

Ossemerg en Ossenmerg, O.

Ossenbloed, O.

Ossendrift, V., ossendriften.

Ossenhaas, M., ossenhazen; ossenhaasje, O., ossenhaasjes.

Ossenhuid, V., ossenhuiden.

Ossenkooper, M., ossenkoopers.

Ossenmarkt, V., ossenmarkten.

Ossenoog, O., ossenoogen.

Ossenstal, M., ossenstallen.

Osserib, V., osseribben.

Ossetand, M., ossetanden.

Ossetong, V., ossetongen; ossetongetje, O., ossetongetjes.

Ossevleesch en Ossenvleesch, O.

Ostentatie, V.

Osteologie, V.

Ostracisme, O.

Otter, M., otters. Ottertje, O., ottertjes.

Otterbont, O.

Oud, ouder, oudst.

Oudachtig, oudachtiger, oudachtigst.

Oudbakken, oudbakkener, oudbakkenst.

Oudburgemeester, M., oudburgemeesters.

Oude, M. en V., ouden. Oudje, O., oudjes.

Oudejaar, O.

Oudejaarsavond, M., oudejaarsavonden.

Oude-kleerenmarkt, V., oude-kleerenmarkten.

Oude-kleerkoop, M., oude-kleerkoopen.

Oude-mannenhuis, O., oude-mannenhuizen.

Ouderdom, M.

Ouderdomskwaal, V., ouderdomskwalen.

Ouderhart, O.

Ouderhuis, O.

Ouderliefde, V.

Ouderlijk.

Ouderling, M., ouderlingen.

Ouderlingenbank, V., ouderlingenbanken.

Ouderlingschap, O.

Ouderloos, ouderlooze.

Oudermin, V.

Ouderpaar, O.

Ouders en Ouderen (mv.), M.

Oudervreugde en oudervreugd, V.

Ouderwets (bijw.).

Ouderwetsch (bnw.), ouderwetscher, meest ouderwetsch.

Ouderwetschheid, V.

Oude-vrouwenhuis, O., oude-vrouwenhuizen.

Oudgast, M., oudgasten.

Oudgediende, M., oudgedienden.

Oudheid, V., oudheden.

Oudheidkenner, M., oudheidkenners.

Oudheidkunde, V.

Oudheidkundig.

Oudhollandsch.

Oudje, O., oudjes.

Oudoom, M., oudooms.

Oudovergrootmoeder, V., oudovergrootmoeders.

Oudovergrootvader, M., oudovergrootvaders.

Oudroest, M.

Oudtante, V., oudtantes.

Oudtestamentisch.

Oudtijds.

Oudvader, M., oudvaders.

Oudvaderlandsch.

Oudvaderlijk.

Oudwijfsch.

Oulings.

Outaar en Outer, O., outaren en outers.

Ouverture, V., ouverturen en ouvertures.

Ouwel, M., ouwels. Ouweltje, O., ouweltjes.

Ouwelijk, ouwelijker, ouwelijkst.

Ovaal, ovale.

Ovaal, O., ovalen.

Ovatie, V., ovatiën en ovaties.

Oven, M., ovens. Oventje, O., oventjes.

Ovendweil, V., ovendweilen.

Ovenist, M., ovenisten.

Ovenpaal, M., ovenpalen.

Over.

Over (scheepsw.), M., overs.

Overaardig.

Overademen, overademde, heeft overademd.

Overal.

Overaltegenwoordig.

Overaltegenwoordigheid, V.

Overasemen, overasemde, heeft overasemd.

Overbabbelen, babbelde over, heeft overgebabbeld.

Overbekend.

Overbekendheid, V.

Overbeleefd.

Overbeschaafd.

Overbeschaafdheid, V.

Overbescheiden.

Overbevolking, V.

Overbevolkt.

Overbidden, bad over, baden over, heeft overgebeden.

Overbinden, bond over, heeft overgebonden.

Overbleeken, bleekte over, heeft overgebleekt.

Overblijfsel, O., overblijfsels en overblijfselen; overblijfseltje, O., overblijfseltjes.

Overblijven, bleef over, bleven over, is overgebleven.

Overbluffen, overblufte, heeft overbluft.

Overbodig, overbodiger, overbodigst.

Overbodigheid, V., overbodigheden.

Overboeken, boekte over, heeft overgeboekt.

Overboeking, V., overboekingen.

Overboenen, boende over, heeft overgeboend.

Overboord.

Overborduren, borduurde over, heeft overgeborduurd.

Overborrelen, borrelde over, is overgeborreld.

Overborreling, V.

Overborstelen, borstelde over, heeft overgeborsteld.

Overbouwen, bouwde over, heeft overgebouwd; ook overbouwde, heeft overbouwd.

Overbraden, braadde over, heeft overgebraden.

Overbreien, breide over, heeft overgebreid.

Overbrengen, bracht over, heeft overgebracht.

Overbrenger, M., overbrengers.

Overbrenging, V., overbrengingen.

Overbrengster, V., overbrengsters.

Overbriefster, V., overbriefsters.

Overbrieven, briefde over, heeft overgebriefd.

Overbriever, M., overbrievers.

Overbrieving, V., overbrievingen.

Overbruggen, overbrugde, heeft overbrugd.

Overbrugging, V., overbruggingen.

Overbruisen, bruiste over, heeft en is overgebruist.

Overbuigen, boog over, bogen over, heeft en is overgebogen.

Overbuitelen, buitelde over, heeft en is overgebuiteld.

Overbukken, bukte over, heeft overgebukt.

Overbuur, M., overburen; overbuurtje, O., overbuurtjes.

Overcijferen, cijferde over, heeft overgecijferd.

Overcompleet, overcomplete.

Overdaad, V.

Overdadig, overdadiger, overdadigst.

Overdadigheid, V.

Overdeelen, deelde over, heeft overgedeeld.

Overdek, O., overdekken; overdekje, O., overdekjes.

Overdeken, M., overdekens.

Overdekken, overdekte, heeft overdekt.

Overdekking, V., overdekkingen.

Overdeksel, O., overdeksels.

Overdenken, overdacht, heeft overdacht.

Overdenking, V., overdenkingen.

Overdik, overdikke.

Overdijken, overdijkte, heeft overdijkt.

Overdijking, V.

Overdoen, doet over, deed over, deden over, heeft overgedaan; ook overdoet, overdeed, overdeden, heeft overdaan.

Overdoezelen, doezelde over, heeft overgedoezeld.

Overdonderen, overdonderde, heeft overdonderd.

Overdracht, V., overdrachten.

Overdrachtelijk.

Overdrachtsbrief, M., overdrachtsbrieven.

Overdragen, droeg over, heeft overgedragen.

Overdrager, M., overdragers.

Overdraven, draafde over, heeft en is overgedraafd.

Overdrentelen, drentelde over, heeft en is overgedrenteld.

Overdreven, overdrevener, overdrevenst.

Overdrevenheid, V., overdrevenheden.

Overdrijven, dreef over, dreven over, heeft en is overgedreven; ook overdreef, overdreven, heeft overdreven.

Overdrijving, V., overdrijvingen.

Overdruk, M., overdrukken; overdrukje, O., overdrukjes.

Overdruk (bnw.), overdrukke.

Overdrukken, drukte over, heeft en is overgedrukt; ook overdrukte, heeft overdrukt.

Overduivelen, overduivelde, heeft overduiveld; ook Overduvelen.

Overdwars.

Overeen.

Overeenbrengen, bracht overeen, heeft overeengebracht.

Overeenkomen, komt overeen, kwam overeen, kwamen overeen, is overeengekomen.

Overeenkomst, V., overeenkomsten.

Overeenkomstig.

Overeenkomstigheid, V.

Overeenstemmen, stemde overeen, heeft overeengestemd.

Overeenstemming, V.

Overeind.

Overerfelijk.

Overernstig.

Overerven, erfde over, heeft en is overgeërfd.

Overerving, V.

Overeten (zich overeten), overat zich, overaten zich, heeft zich overeten.

Overfijn.

Overflonkeren, overflonkerde, heeft overflonkerd.

Overfluisteren, fluisterde over, heeft overgefluisterd.

Overfoeliën, overfoeliede, heeft overfoelied.

Overforsch.

Overgaaf en Overgave, V.

Overgaan, gaat over, ging over, is overgegaan.

Overgaar, overgare.

Overgalmen, overgalmde, heeft overgalmd.

Overgang, M., overgangen.

Overgangsbepaling, V., overgangsbepalingen.

Overgangsexamen, O., overgangsexamens.

Overgangstijdperk, O., overgangstijdperken.

Overgangsvorm, M., overgangsvormen.

Overgankelijk.

Overgapen, overgaapte, heeft overgaapt.

Overgaren, gaarde over, heeft overgegaard.

Overgauw.

Overgave. Zie Overgaaf.

Overgedienstig.

Overgegeven, overgegevener, overgegevenst.

Overgelukkig.

Overgeven, gaf over, gaven over, heeft overgegeven.

Overgeving, V., overgevingen.

Overgevoelig.

Overgevoeligheid, V.

Overgewicht, O.

Overgieten, goot over, goten over, heeft overgegoten; ook overgoot, overgoten, heeft overgoten.

Overgieting, V.

Overglijden, gleed over, gleden over, is overgegleden.

Overgloeien, gloeide over, heeft overgegloeid.

Overgoed.

Overgolven, overgolfde, heeft overgolfd.

Overgooien, gooide over, heeft overgegooid.

Overgrijpen, overgreep, overgrepen, heeft overgrepen.

Overgroeien, overgroeide, heeft overgroeid.

Overgroot, overgroote.

Overgrootmoeder, V., overgrootmoeders.

Overgrootvader, M., overgrootvaders.

Overgutsen, gutste over, heeft en is overgegutst.

Overhaal, M., overhalen.

Overhaalschuit, V., overhaalschuiten.

Overhaalster, V., overhaalsters.

Overhaasten, overhaastte, heeft overhaast.

Overhaasting, V.

Overhalen, haalde over, heeft overgehaald.

Overhaler, M., overhalers.

Overhaling, V., overhalingen.

Overhand, V.

Overhandigen, overhandigde, heeft overhandigd.

Overhandiging, V.

Overhands.

Overhangen, hing over, heeft overgehangen.

Overhebben, heeft over, had over, hadden over, heeft overgehad.

Overheen.

Overheeren, overheerde, heeft overheerd.

Overheering, V.

Overheerlijk, overheerlijker, overheerlijkst.

Overheerschen, overheerschte, heeft overheerscht.

Overheerscher, M., overheerschers.

Overheersching, V., overheerschingen.

Overheet, overheete.

Overheid, V., overheden.

Overheidsambt, O., overheidsambten.

Overheidspersoon, M., overheidspersonen.

Overhellen, helde over, heeft overgeheld.

Overhelling, V.

Overhemd, O., overhemden; overhemdje, O., overhemdjes.

Overhemdsknoop, M., overhemdsknoopen.

Overhemdsmouw, V., overhemdsmouwen.

Overhoef, M., overhoeven.

Overhoeks (bijw.).

Overhoeksch (bnw.).

Overhoop.

Overhoopliggen, lag overhoop, lagen overhoop, heeft overhoopgelegen.

Overhoopraken, raakte overhoop, is overhoopgeraakt.

Overhooren, overhoorde, heeft overhoord.

Overhooring, V., overhooringen.

Overhouden, hield over, heeft overgehouden.

Overhouwen (van een nieuwen houw voorzien), houwde over, heeft overgehouwd.

Overig.

Overigens.

Overijken, ijkte over, heeft overgeijkt.

Overijlen (zich overijlen), overijlde zich, heeft zich overijld.

Overijling, V.

Overjagen, jaagde over, heeft overgejaagd, en joeg over; ook overjaagde, heeft overjaagd, en overjoeg.

Overjarig.

Overjarigheid, V.

Overjas, V., overjassen; overjasje, O., overjasjes.

Overkalken (met kalk), overkalkte, heeft overkalkt.

Overkalken (afschrijven), kalkte over, heeft overgekalkt.

Overkammen, kamde over, heeft overgekamd.

Overkant, M.

Overkappen (met eene kap bedekken), overkapte, heeft overkapt.

Overkapping, V., overkappingen.

Overkeurig.

Overkijken, keek over, keken over, heeft overgekeken; ook overkeek, overkeken, heeft overkeken.

Overkist, V., overkisten.

Overkladden, kladde over, heeft overgeklad.

Overklappen, klapte over, heeft overgeklapt.

Overklauteren, klauterde over, heeft en is overgeklauterd.

Overkleed (kleedingstuk), O., overkleederen en overkleeren; overkleedje, O., overkleedjes en overkleertjes.

Overkleed (dekkleed), O., overkleeden; overkleedje, O., overkleedjes.

Overkleeden, kleedde over, heeft overgekleed; ook overkleedde, heeft overkleed.

Overkleeding, V., overkleedingen.

Overkleedsel, O., overkleedsels.

Overklein.

Overkleuren, kleurde over, heeft overgekleurd.

Overklikken, klikte over, heeft overgeklikt.

Overklimmen, klom over, klommen over, heeft en is overgeklommen.

Overklimming, V.

Overklinken, klonk over, heeft overgeklonken; ook overklonk, heeft overklonken.

Overkoken, kookte over, heeft en is overgekookt.

Overkomelijk.

Overkomen, komt over, kwam over, kwamen over, is overgekomen; ook overkomt, overkwam, overkwamen, is overgekomen.

Overkomst, V.

Overkop (bijw.).

Overkorsten, overkorstte, heeft overkorst.

Overkort.

Overkraaien, overkraaide, heeft overkraaid.

Overkrijgen, kreeg over, kregen over, heeft overgekregen.

Overkroppen, overkropte, heeft overkropt.

Overkropping, V.

Overkruipen, kroop over, kropen over, heeft en is overgekropen.

Overkuieren, kuierde over, heeft en is overgekuierd.

Overlaars, V., overlaarzen.

Overlaat, M., overlaten.

Overladen, laadde over, heeft overgeladen; ook overlaadde, heeft overladen.

Overlading, V., overladingen.

Overland (bijw.).

Overlandmail, V.

Overlandreis, V., overlandreizen.

Overlang (bijw.).

Overlangs (bijw.).

Overlangsch (bnw.).

Overlangzaam, overlangzame.

Overlast, M.

Overlasten, overlastte, heeft overlast.

Overlasting, V.

Overlaten, liet over, heeft overgelaten.

Overlating, V.

Overledene, M. en V., overledenen.

Overleder, en overleer, O.

Overleeren, leerde over, heeft overgeleerd.

Overleg, O.

Overleggen, legde over en leide over, heeft overgelegd en overgeleid; ook overlegde en overleide, heeft overlegd en overleid.

Overlegging, V., overleggingen.

Overleunen, leunde over, heeft overgeleund.

Overleven, overleefde, heeft overleefd.

Overlevende, M. en V., overlevenden.

Overleveren, leverde over, heeft overgeleverd.

Overlevering, V., overleveringen.

Overleving, V.

Overlevingscontract, O., overlevingscontracten.

Overlezen, las over, lazen over, heeft overgelezen.

Overlezing, V.

Overlieden. Zie Overman.

Overliegen, overloog, overlogen, heeft overlogen.

Overliggen, lag over, lagen over, heeft overgelegen.

Overlijden, overleed, overleden, is overleden.

Overlijden, O.

Overlokken, lokte over, heeft overgelokt.

Overlommeren, overlommerde, heeft overlommerd.

Overloop, M., overloopen; overloopje, O., overloopjes.

Overloopen, liep over, heeft en is overgeloopen; ook overliep, heeft overloopen.

Overlooper, M., overloopers.

Overlooping, V., overloopingen.

Overluid.

Overluiden, ook Overluien, luidde en luide over, heeft overgeluid; ook overluidde en overluide, heeft overluid.

Overmaasch.

Overmaat, V.

Overmacht, V.

Overmachtig.

Overmaken, maakte over, heeft overgemaakt.

Overmalen, maalde over, heeft overgemalen.

Overmaling, V.

Overman, M., overlieden en overlui.

Overmangelen, mangelde over, heeft overgemangeld.

Overmannen, overmande, heeft overmand.

Overmarcheeren, marcheerde over, is overgemarcheerd.

Overmast (bnw.).

Overmatig (de maat te boven gaande), overmatiger, overmatigst.

Overmeesteren, overmeesterde, heeft overmeesterd.

Overmeestering, V.

Overmerken, merkte over, heeft overgemerkt.

Overmeten, mat over, maten over, heeft overgemeten.

Overmeting, V., overmetingen.

Overmetselen, metselde over, heeft overgemetseld.

Overmidden.

Overmits.

Overmoed, M.

Overmoedig, overmoediger, overmoedigst.

Overmonsteren, monsterde over, heeft overgemonsterd.

Overmorgen.

Overmouw, V., overmouwen; overmouwtje, O., overmouwtjes.

Overnaaien, naaide over, heeft overgenaaid.

Overnachten, overnachtte, heeft overnacht.

Overnauwkeurig.

Overnemen, nam over, namen over, heeft overgenomen.

Overneming, V.

Overnommeren, nommerde over, heeft overgenommerd.

Overoud.

Overpad, O., overpaden; overpaadje, O., overpaadjes.

Overpakken, pakte over, heeft overgepakt.

Overpakking, V., overpakkingen.

Overpassen, paste over, heeft overgepast.

Overpeilen, peilde over, heeft overgepeild.

Overpeinzen, overpeinsde, heeft overpeinsd.

Overpeinzing, V., overpeinzingen.

Overpersen, perste over, heeft overgeperst.

Overplaatsen, plaatste over, heeft overgeplaatst.

Overplaatsing, V., overplaatsingen.

Overplakken, plakte over, heeft overgeplakt; ook overplakte, heeft overplakt.

Overplakking, V., overplakkingen.

Overplamuren, plamuurde over, heeft overgeplamuurd.

Overplanken, overplankte, heeft overplankt.

Overplanten, plantte over, heeft overgeplant.

Overplanting, V., overplantingen.

Overpleisteren, pleisterde over, heeft overgepleisterd; ook overpleisterde, heeft overpleisterd.

Overpleistering, V., overpleisteringen.

Overpletten, plette over, heeft overgeplet.

Overploegen, ploegde over, heeft overgeploegd.

Overpoetsen, poetste over, heeft overgepoetst.

Overpolijsten, polijstte over, heeft overgepolijst.

Overpond, O., overponden.

Overpoten, pootte over, heeft overgepoot.

Overprachtig.

Overpraten, praatte over, heeft overgepraat; ook overpraatte, heeft overpraat.

Overprikkelen, overprikkelde, heeft overprikkeld.

Overprikkeling, V., overprikkelingen.

Overraken, raakte over, is overgeraakt.

Overreden, overreedde, heeft overreed.

Overreding, V.

Overredingskracht, V.

Overreiken, reikte over, heeft overgereikt.

Overreiking, V.

Overrekenen, rekende over, heeft overgerekend.

Overrennen, rende over, is overgerend; ook overrende, heeft overrend.

Overrijden, reed over, reden over, heeft en is overgereden; ook overreed, overreden, heeft overreden.

Overrijp.

Overroeien, roeide over, heeft en is overgeroeid; ook overroeide (zich), heeft (zich) overroeid.

Overroepen, riep over, heeft overgeroepen.

Overrompelen, overrompelde, heeft overrompeld.

Overrompeling, V., overrompelingen.

Overruim.

Oversausen, oversauste, heeft oversaust.

Overschaduwen, overschaduwde, heeft overschaduwd.

Overschaduwing, V.

Overschatten, overschatte, heeft overschat.

Overschatting, V.

Overschaven, schaafde over, heeft overgeschaafd.

Overschenken, schonk over, heeft overgeschonken.

Overschepen, scheepte over, heeft overgescheept.

Overscheping, V., overschepingen.

Overscheren, schoor over, schoren over, heeft overgeschoren.

Overscherp.

Overschetsen, schetste over, heeft overgeschetst.

Overschieten, schoot over, schoten over, heeft en is overgeschoten.

Overschijnen, overscheen, overschenen, heeft overschenen.

Overschilderen, schilderde over, heeft overgeschilderd; ook overschilderde, heeft overschilderd.

Overschildering, V.

Overschitteren, overschitterde, heeft overschitterd.

Overschoen, M., overschoenen.

Overschoon, overschoone.


Back to IndexNext