Chapter 25

Orde:Synanthae.22.Cyclanthaceae.Mannelijke en vrouwelijke bloemen regelmatig verdeeld over de oppervlakte van een sappige onvertakte kolf, die door 2–6 later afvallende scheeden omhuld is; mannelijke bloemen naakt of met een dik, kort-getand bloemdek en 6 tot vele meeldraden; vrouwelijke bloemen naakt of met 4 schubvormige blaadjes; voor elk ervan staat een draadvormig staminodium; vruchtbeginsel 1, met 2 of 4 zaadlijsten en vele zaadknoppen, in de kolf verborgen; vrucht een bes met vele zaden; planten met korte stammen of geheel kruidachtig, soms epiphyten; bladeren op palmbladeren gelijkend.1a.Bladeren aan den top ingesneden, tweespletig tot twee-deelig. Bloemdek van de ♂ bloemen met 4 korte bladachtige slippen; bloemdek van de ♀ bloemen weinig buiten de oppervlakte van de kolf uitstekendCarludovica.1b.Bladeren niet ingesneden, lancetvormig. Bloemdek der ♂ bloemen rudimentair, uit een korte ring bestaande; dat der ♀ bloemen met lange bloemdekslippen, die buiten de oppervlakte van de kolf uitstekenLudovia.Orde:Spathiflorae.23.Araceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2–3-tallig of soms gereduceerd tot één meeldraad of één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes, zelden niet sappig; kruiden, vaak met knolvormigen wortelstok, ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2–3 in een aar of een kolf, deze omhuld door één scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.1a.Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset, omgekeerd-eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein, met geelgroene spatha; één ♀ bloem en 2–8 ♂ bloemenPistia.1b.Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem vastzitten22a.De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop òf slechts 1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide tegelijk ontwikkeld.) Blad zeer groot op een lange rechtopstaande steel, bladschijf meerdere malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze veel kleiner dan het blad, met een donker gekleurde bloeischeede en tweeslachtige bloemenDracontium.Sneki-tajer.2b.Plant meerdere bladeren en bloemen tegelijk dragend33a.Forsche, vaak gestekelde, rechtopstaande stengels met meerderebladeren. Plant steeds in het water groeiend, in den bodem wortelend; bloeischeede groenachtig wit, groot; bloeikolf van boven ♂, in het onderste ¼ deel ♀ bloemen dragend; bladeren pijlvormig.Montrichardia.Mokko-mokko.3b.Planten niet in het water groeiend, of als zij in het water voorkomen, dan geen rechtopstaande stengel aanwezig44a.Bladeren schildvormig en pijlvormig, dus bladsteel niet aan den bladrand ingehecht54b.Bladeren met een aan de bladrand ingehechte bladsteel65a.Stengel alleen beneden den grond ontwikkeld, zeer kort, min of meer knolvormig; bladeren vaak roodgevlekt, in een roset staande uit welks midden slechts de gesteelde bloeikolf te voorschijn komt, die boven de ♂, onder de ♀ bloemen draagt; kolf aan den top zonder aanhangselCaladium.Jabba-foetoe.5b.Stengel onder den grond knolvormig, boven den grond soms als een stam ontwikkeld; bladeren groot; kolf met een lang-kegelvormig of spits aanhangsel aan den topColocasia.Tajer.6a.Bloeiwijze op een lange steel; bloeischeede ongeveer 5 × langer dan de bloeikolf, aan den top als een kurketrekker gewonden; bloeikolf binnen de scheede kort gesteeld, dicht bezet met 2-slachtige bloemen, die een 4-bladig bloemdek, 4 meeldraden en een eenhokkig vruchtbeginsel hebben met 1–2 zaadknoppen. Bladeren pijlvormig, diep vinspletigCyrtosperma.6b.Bloeischeede niet zooveel langer dan de kolf en in ieder geval niet kurketrekkervormig gedraaid77a.Planten op den bodem groeiend. Stengel onderaardsch of bijna ontbrekend87b.Planten klimmend of epiphytisch of als ze op den grond groeien met goed ontwikkelde bovenaardsche stengel98a.Onderaardsche wortelstok. Bladeren langgesteeld, pijlvormig, 3-lobbig, met smalle 3-hoekige eindlob en evenlange doch smallere zijlobben. Bloeischeede veel langer dan de spadix, smal, lancetvormig. Spadix binnen de scheede gesteeld, deze steel voor het grootste deel met de spatha vergroeid, boven tweeslachtige bloemen dragende met 4–6 bloemdekbladen, 4–6 meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginselUrospatha.8b.Bebladerde stengel zeer kort, daardoor bladeren in een wortelrozet, pijlvormig tot 3-lobbig, soms de lobben nog meer (doch steeds handvormig) ingesneden. Spatha van onderen buisvormig opgerold; blijvend. Spadix van onderen ♀ bloemen dragend met een schijfvormige stijl, welke stijlen alle met de randen aan elkaar gegroeid zijn; boven het ♀ stuk een verdund deel met steriele ♂ bloemen, tenslotte van boven een knotsvormig deel met ♂ bloemen, die 4–6 met elkaar tot één geheel vergroeide meeldraden dragenXanthosoma.9a.Bloeikolf met tweeslachtige, hoogstens aan den voet met steriele bloemen bezet109b.Bloeikolf boven ♂, onder ♀ bloemen dragend1310a.Bloemen met een bloemdek1110b.Bloemen alleen met meeldraden en vruchtbeginsel1211a.Internodiën meest zeer kort, en dan epiphytische planten, zeldenverlengd; bladeren enkelvoudig, lancetvormig, aan de basis versmald of zelden met hartvormige voet; in een enkel geval handvormig samengesteld, 5-tallig; zijnerven van de 1steorde parallel, van de 2deen 3deorde netvormig verbonden; spatha tijdens de bloei den kolf niet omhullend, vrij klein. Bloemen met 4 bloemdekbladeren, 4 afgeplatte meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginsel zonder stijl en een 2-lobbige stempelAnthurium.11b.Stengel met vrij korte internodiën, niet klimmend. Bladeren enkelvoudig, langwerpig, toegespitst, bladsteel rijdend, met lange bladscheede, aan de basis van de bladschijf een weinig verdikt. Zijnerven van de 1steen 2deorde evenwijdig loopend. Bloeischeede een weinig langs de bloeistengel afloopend, blijvend. Bloemen met 3 + 3 perigoonbladeren, 3 + 3 meeldraden en een 3-hokkig vruchtbeginselSpathiphyllum.12a.Klimmende stengels met korte internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig-eirond, zonder gaten, zijnerven van de 2deen 3deorde onderling evenwijdig loopend. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel vierhoekig, tweehokkig, vele zaadknoppen in elk hokje. Vrucht een veelzadige besRhodospatha.12b.Klimmende stengels met lange internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig tot eirond, vaak (niet altijd) met gaten; zijnerven van de 2deen 3deorde niet parallel maar netvormig verbonden. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel omgekeerd kegelvormig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een 1- tot 3-zadige besMonstera.13a.Stengel rechtopstaand, zonder luchtwortels en niet klimmend. Bladeren vrij groot, eirond, toegespitst aan den top met afgeronde of eenigszins hartvormige voet. Spatha groengeel, zeer lang, even lang als de spadix en deze van onderen blijvend omsluitend; ♂ bloemen met 4–5 meeldraden, die geheel met elkaar vergroeid zijn, ♀ bloemen aan de basis van de spadix vrij ver van elkaar verwijderd met 4–5 afstaande staminodiën en een eirond 2–3-lobbig en 2–3-hokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop in elk hokje.Dieffenbachia.Donkè.13b.Planten met liggende of klimmende stengel meest met luchtwortels1414a.Planten epiphytisch levend, vaker in den grond wortelend met klimmende of liggende stengel en korte of lange internodiën. Bladeren enkelvoudig of op verschillende wijze ingesneden. Spadix van boven ♂ bloemen dragend met 2, 3, 5 of 6 meeldraden, die los tegen een afgeknotte meerzijdige zuil zitten; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met vele zaadknoppen in elk hokjePhilodendron.14b.Stammen klimmend met luchtwortels en lange internodiën. Bladeren handvormig samengesteld. ♂ bloemen aan het bovenstuk van de spadix, uit 4 geheel met elkaar vergroeide meeldraden bestaande; ♀ bloemen aan het onderste deel, alle met elkaar vergroeid, en daardoor ook de vruchten geheel met elkaar verbonden. Vruchtbeginsel 2- of 1-hokkig met 1 zaadknopSyngonium.24.Lemnaceae.Bloemen éénslachtig, naakt, éénhuizig; mannelijke bloemen met één meeldraad, vrouwelijke bloemen met één vruchtbeginsel en 1–6 zaadknoppen; losdrijvende waterplanten.1a.Aan elke spruit slechts één wortel; onderzijde van de plant groenLemna.1b.Aan elke spruit meerdere wortels, onderzijde van de plant bijna steeds roodSpirodela.Orde:Farinosae.28.Mayacaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden voor de kelkbladeren staand; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl en 3 korte stempels; zaadlijsten 3, wandstandig; doosvrucht met 3 kleppen openspringend; kruiden.Kleine moerasplanten met dicht bebladerde lage stengels, bladeren zeer smal lancetvormig. Kelk, en kroon 3-bladig, 3 meeldraden, één 1-hokkig vruchtbeginsel. Niet bloeiende planten zeer veel op sommige mossen gelijkendMayaca.29.Xyridaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig; kelk zygomorf met 2 kleinere blaadjes; bloemkroon regelmatig met een buis; de 3 buitenste meeldraden staminodiaal of ontbrekend; de 3 binnenste fertiel, van onderen met de kroon vergroeid. Vruchtbeginsel bovenstandig, eenhokkig met 3 zaadlijsten. Vrucht een doosvrucht; meest overblijvende kruiden.1a.Bladeren grasachtig, wortelstandig. Bloemen in en hoofdje aan het einde van de hoogstens aan den voet beschubde bloeistengel, elke bloem in den oksel van een schutblad zittend. Voorste (naar het schutblad toegekeerde) kelkblad veel grooter dan de beide andere kelkbladeren. 3 penseelvormige staminodiën in elke bloemXyris.1b.Voorste kelkblad ontbrekend. Staminodiën draadvormig of ontbrekend. Bloeistengel ook boven de basis met schubben bezetAbolboda.30.Eriocaulaceae.Bloemen zeer klein, met kelk en bloemkroon, 2–3-tallig, één- of tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemdek droogvliezig, soms de bloemkroon ontbrekend; meest de buitenste van de meeldraden ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–3-hokkig, met 2–3 stijlen; in elk hokje één zaadknop; meest overblijvende kruiden; de bloemen in hoofdjes met gemeenschappelijk omwindsel.1a.Waterplanten met lange drijvende vertakte en bebladerde stengels. Bloemhoofdjes gesteeld langs den stengel verspreid. Kroonbladeren van de ♀ bloemen zeer klein; helmknoppen met slechts één helmhokjeTonina.1b.Land- of moerasplanten met rechtopstaande stengels; ♀ bloemen met kelk en kroon; meeldraden met 2 helmhokjes22a.Kroonbladeren van de ♀ bloemen vrij van elkaar, bladachtig.Paepalanthus.2b.Kroonbladeren van de ♀ bloemen aan top en basis vrij, in het midden met de randen vergroeidSyngonanthus.31.Rapateaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk met een vliezige buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden 6, meest met debloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk hokje; vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met de smalle bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2 scheeden, die een hoofdje insluiten.1a.Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de aar. Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Vrucht éénzadigSpathanthus.1b.Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren ingesloten22a.De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per hokje. Vrucht een 3-zadige, openspringende doosvruchtRapatea.2b.De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den bloei opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen per hokje; vrucht een3-kleppige, 1-zadige doosvruchtSaxo-fridericia.32.Bromeliaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig, zelden iets zygomorf; kelk kruid- of leerachtig, blijvend; kroonbladeren vrij of vergroeid; meeldraden 6, in 2 kransen; vruchtbeginsel boven- tot onderstandig, met één stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen per hokje; bes of doosvrucht met kleine zaden, die vaak een haarkroon dragen; epiphytische kruiden of rotsplanten, zelden grondstandig met smalle, vaak doorniggezaagde bladeren in een roset, bladeren vaak met schubben.1a.Planten klein, geheel zonder wortels, in dooreengevlochten massa’s in boomen hangend. Stengels en bladeren draadvormig, met grijze schubben bezetTillandsia.1b.Stengels en bladeren niet draadvormig22a.Bloeiwijze een ijle, rechtopstaande tros vormend, uit de bladroset te voorschijn komend. Bloemen vrij lang gesteeld; schutbladeren klein, korter dan de bloemsteel. Bladeren aan den rand gestekeld of ongestekeld. Kelkbladen niet vergroeid, kroonbladeren rechtopstaand, de 6 meeldraden insluitend. Vruchtbeginsel tot aan het midden ongeveer met de kelk vergroeid, verder naar boven vrij, bovenstandig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht, met talrijke gevleugelde zadenPitcairnia.2b.Bloeiwijze vertakt, of onvertakt, in het laatste geval de bloemen dicht op elkaar gedrongen zittend en ± een hoofdje vormend, of indien ze in een ijle tros zitten, dan zijn de bloemen ongesteeld33a.Vruchtbeginsel geheel onderstandig; bladeren meest met stekels aan den rand, vrucht een min of meer sappige bes; zaden steeds zonder haarkuif43b.Vruchtbeginsel geheel bovenstandig; bladerennooitmet stekels aan den rand, vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht; zaden met haarkuif104a.Bloembladeren van binnen aan de basis zonder schubben54b.Bloembladeren van binnen met 2 verlengde schubben aan den voet75a.Bloeiwijze langgesteeld, met korte dicht op elkaar zittende takken en groote schutbladeren, zeer lange bladeren. Bloemen groot (tot 5 cM.), kelkbladeren vrij; bloembladeren aan de basis vergroeid en met de meeldraden vergroeidBromelia.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, een wijde pluim vormend66a.Bladeren smal, met de scheeden dicht tegen de bloeistengel aanliggend, gestekeld (of soms ongestekeld) aan den rand. Bloeiwijze langgesteeld, een sterk en onregelmatig vertakte pluim vormend. Bloemen klein, geelachtig groen in den oksel van kleine schutbladerenAraeococcus.6b.Bladeren met afstaande scheeden, een breede rozet vormend; bladrand met vrij kleine stekels bezet. Bloeiwijze groot, 1 maal vertakt; takken van de pluim aarvormig,in den oksel van groote bracteeën staande, bloemen grooter dan de vorige, tot 1 cM. langWittmackia.7a.Bloeiwijze onvertakt, een losse soms ± hangende aar vormend van verspreide zittende bloemen; bloeistengel met groote gekleurde ongestekelde bladeren bezet; bloembladeren lang en zeer smal, vooral aan de basis; vruchtbeginsel evenals de bloeistengel met een fijn meel bedektBillbergia.7b.Bloeiwijze onvertakt, bloemen dicht gedrongen, aan het eind van den bloeistengel een ± kegelvormig hoofdje vormend87c.Bloeiwijze vertakt98a.Bloeistengel met gestekelde bladeren bezet; bloemen in een dichte kegel aan het eind van den stengel met de bloeistengel vergroeid; aan den top voorzien van een pluim van niet bloemdragende bladeren. Bloemen rood of violet. Besvruchten met de sappig geworden bloeistengel tot één geheel vergroeidAnanas.8b.Bloeistengel met ongetande schubben bezet; geen bladpluim boven de bloeiwijze; bessen niet samen vergroeidAechmea.9a.Bloeistengel van onderen met gekleurde schubben, meermalen vertakt, een dichte ± kegelvormige pluim vormend; schutbladeren tusschen de bloemtakken in kransen of spiralen. Kelkbladeren en bloembladeren aan den top met een klein stekeltjeAechmea.9b.Bloeistengel met gekleurde schubben bezet; zijtakken tamelijk verspreid, kort, krachtig, in den oksel van lange, lancetvormige schutbladeren; aan het eind van die zijtakken de bloemen dicht op elkaar zittendGravisia.10a.Kroonbladeren vergroeid tot een lange buis. Bloeiwijze een kort gesteelde aar, nauwelijks boven de bladeren uitstekend. Stijl lang. Zaden met een haarkuif, overigens kaalGuzmania.10b.Kroonbladeren niet tot een lange buis vergroeid1111a.Bloembladeren van binnen met schubben aan den voet. Bloeistengel vertakt, de takken bezet met 2 rijen van bloemen, die door groote dekbladeren ingesloten zijnVriesea.11b.Bloembladeren van binnen zonder schubben aan de voet1212a.Bladeren in rosetten, de scheeden tamelijk wijd van elkaar, met verspreide schubben bezet; bloeistengel met weinige lange takken, aan welker top de bloemen spiraalsgewijs zitten. Kelk korter of (soms) langer dan de bloembladeren; deze laatste aan den top met een klein stekelpuntje. Stijl zeer kort. Zaden aangedrukt behaard, met een haarkuifCatopsis.12b.Bladeren in een dichte bundel of in een roset, en dan vaak een bovenaardsche bol vormend; soms ook een lange stengel dicht bedekkend; meest met grijze schubben dicht bezet. Bloeistengelonvertakt met de bloemen in twee rijen, of vertakt, en dan de bloemen tweerijig van de takken zittend. Vruchtbeginsel kaal; stijl lang; zaden kaal met een haarkuifTillandsia.33.Commelinaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3–2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; meeldraden 6, een deel ervan vaak staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht; kruiden met knoopen aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe of violette kroon.1a.Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig, zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf21b.Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van den stengel of in den oksel van gewone bladeren32a.Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar loopend, spiesvormig. Vrucht eennietopenspringendedoosvrucht met een dunne witte wand en 5 zadenPhaeospherion.Gado-dèdè.2b.Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht een doosvrucht, die met 3 kleppen openspringtCommelina.Gado-dèdè.3a.Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3 onvruchtbare meeldraden; vrucht een openspringende doosvruchtAneilema.3b.5 of 6 vruchtbare meeldraden44a.Bloemen vrij groot in trossen aan het einde van den stengel. Bloembladen blauw met witte nagelDichorisandra.4b.Bloemen in vertakte pluimen of meerdere bloeistengels samen in de oksels van de bovenste bladeren staand, aan het einde de bloemen in een dicht gedrongen hoofdje dragendTradescantia.34.Pontederiaceae.Bloemen met een 6-tallig, vergroeidbladig bloemdek, tweeslachtig, bijna regelmatig of zygomorf; meeldraden 6, 3 of 1, in de buis van het bloemdek ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen of éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht een doosvrucht of niet-openspringend; waterplanten met een aarvormige bloeiwijze.1a.Bladsteelen aan de basis sterk opgezwollen, met lucht gevuld; bladeren in rosetten; bloemen in een staande tros zygomorf, groot, violet, het bovenste kroonblad met een gele vlekEichhornia crassipes.1b.Bladsteelen niet of nauwelijks opgezwollen22a.Lange, dunne stengel, in het water drijvend, met ronde bladeren bezet, die ongeveer 2 cM. in doorsnee zijn; bloemen alleenstaand, bijna actinomorfEichhornia natans.2b.Bladeren veel grooter dan 2 cM.; bloemen in trossen33a.Bladeren spatelvormig, naar den basis toegespitst. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met vele zaadknoppen, vrucht veelzadigEichhornia.3b.Bladeren aan de basis afgerond of eenigszins hartvormig; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop, vrucht eenzadigPontederia.Orde:Liliiflorae.38.Liliaceae.Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en kroon; meest tweeslachtig en regelmatig, zelden éénslachtig of zygomorf; bloemdek gekleurd of groen of vliezig, vergroeid- of losbladig; meest 6 meeldraden voorhanden; stijlen gescheiden of vereenigd; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 3-hokkig; vrucht zeer verschillend van vorm.1a.Klimplanten met ranken en handnervige bladeren. Bloemen tweehuizig; bloemdek 6-bladig; ♀ bloemen met 6–3 steriele meeldraden, ♂ bloemen met6 fertielemeeldraden alleen; vrucht een besSmilax.1b.Planten met een rechtopstaande stam22a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij van elkaar, klokvormig tegen elkaar staand; bloemen hangend, met korte meeldradenYucca.2b.Bloemdekbladeren van onderen tot een buis vergroeid; slippen van het bloemdek gekromd; meeldraden bijna geheel met het bloemdek vergroeidCordyline.39.Haemodoraceae.Bloemen met een min of meer vergroeidbladig bloemdek, met 3 meeldraden vóór de binnenste kroonslippen; bloemen regelmatig of een weinig zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig of bovenstandig, 3-hokkig met weinige zaadknoppen in elk hokje; stempel verdikt; kruiden.Planten met onderaardsch rhizoom, met talrijke lijnvormige bladeren en een groote, pluimvormig en regelmatig vertakte bloeiwijze met kleine kortgesteelde bloemenXiphidium.40.Amaryllidaceae.Kenmerken als de Liliaceae, doch vruchtbeginsel steeds onderstandig en aan de basis der meeldraden vaak verbreedingen, die een bijkroon vormen; vrucht een doosvrucht of een bes.1a.Planten met groote vleezige bladeren in een roset, bloeistengel zeer lang en veelbloemig21b.Bladeren niet vleezig, doch kruidachtig32a.Bloemdek bijna trechtervormig, met vrij lange buis; slippen van het bloemdek smal. Meeldraden langer dan het bloemdek, niet verdiktAgave.2b.Bloemdek met zeer korte buis. Meeldraden korter dan het bloemdek, aan de basis sterk verdikt. In de bloeiwijze komen vaak bebladerde knoppen voorFourcroya.Injie-sopo.3a.Bloemen groot, meerdere schermvormig bijeenstaand aan den top van den stengel; scherm vaak aan de basis met eenige bladeren. Planten met een bol43b.Bloemen klein, niet in een scherm staand. Bladeren smal, grasachtig. Planten met een wortelstokHypoxis.4a.Bloemen met een lange dunne buis, wit. Binnen het bloemdek een trechtervormige bijkroon, waarop de meeldraden ingehecht zijnHymenocallis.4b.Bijkroon afwezig of slechts in den vorm van schubben aanwezig55a.Bloemen rood, door een kromming van het vruchtbeginsel naarbeneden gebogen; een weinig zijdelings symmetrisch; buis naar beneden trechtervormig toeloopendHippeastrum.5b.Bloemen wit, rechtopstaand. Bloemdekbladeren smal, plotseling in de dunne buis vereenigdCrinum.43.Dioscoreaceae.Bloemen met een bloemdek, 3-tallig, tweeslachtig, vaak éénslachtig, regelmatig; bloemdek meest niet gekleurd, tot een korte buis vergroeid; soms 3 van de 6 meeldraden staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig; 3- of 1-hokkig, meest met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 3, soms tweedeelig; vrucht een bes; planten klimmend of windend, met meest knolvormige wortelstok en tegenoverstaande of verspreide bladeren.Planten met windende stengel; hart-pijlvormige of handvormig gelobde handnervige bladeren; knolvormig rhizoom, éénslachtige, één of tweehuizige bloemen; ♂ bloemen met 3 of 6 meeldraden; ♀ bloemen met een 3-hoekig vruchtbeginsel en rudimentaire meeldraden; vrucht een 3-hoekige doosvruchtDioscorea.Napi.Orde:Scitamineae.45.Musaceae.Bloemen met bloemdek of met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of mannelijk, regelmatig of zygomorf; bloemkroon gekleurd, meest vergroeidbladig; van 6 meeldraden meest maar 5 met stuifmeel, vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl 3–6-lobbig; vrucht een bes of een doosvrucht; groote kruiden met groote ovale of langwerpige, vinnervige bladeren.1a.Bladeren spiraalsgewijs staande met vele bladscheeden, een schijnstam vormend. Bloemen meest éénslachtig, de drie kelkbladeren en 2 kroonbladeren zijn met elkaar tot een aan één zijde gespleten buis vergroeid; het 3dekroonblad vrij. Meeldraden 5; vrucht een lange besMusa.Bakove.Bana.1b.Bladeren in twee rijen (1 vlak) staande, bloemen 2-slachtig22a.Het kelkblad, dat in één vlak met de as staat naar voren, dus van de as afgekeerd. 5 fertiele meeldraden, het zesde een staminodium, tegen het achterste kroonblad staande. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje. Vrucht een doosvrucht, die in 3 stukken uiteenvalt, waarvan er soms 1 of 2 geen zaden dragen; zaden zonder arillusHeliconia.Popokai-Tongo.2b.Het kelkblad, dat in één vlak staat met de as staat naar achteren, dus naar de as gekeerd. Bloemen wit, een van de kroonbladeren kleiner dan de beide anderen. Meeldraden 5, met lange smalle helmknoppen. Vruchtbeginsels 3-hokkig met meerdere zaadknoppen in ieder hokje. Vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht met vele zaden met een arillusRavenala.Palaloe.46.Zingiberaceae.Bloemen meest met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, zelden éénslachtig, zygomorf; kelk en kroon 3-tallig, vergroeidbladig, van onderen met een buis; slechts 1 meeldraad van de binnenste krans fertiel, daartegenover een lip die gevormd wordt door 2 vergroeide staminodiën, soms ook nog 2 andere staminodiën aanwezig; stijl zeer dun, in een gleuf van de helmknop gelegen; vruchtbeginsel 3-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht meest een doosvrucht met 3 kleppen; overblijvende kruiden vaak met een knolvormige wortelstok.1a.Bloeiwijze bestaande uit elkaar dakpansgewijs bedekkende schubben uit welker oksel de bloemen te voorschijn komen21b.Bloemen in enkelvoudige of samengestelde verlengde trossen62a.De bloeiwijzen staan aan den gewonen bebladerden stengel32b.De bloeiwijzen staan aan het eind van aparte uit den wortelstok te voorschijn komende stengels, die in uiterlijk verschillen van den bladdragenden stengel53a.Bladeren zittend, langwerpig-eirond, bladscheede kokervormig, bladeren beneden de opening van dien koker ingehecht, in een spiraal rondom de stengel staand. Bracteeën der bloeiwijze meest zeer talrijk; bloemen kortgesteeld, met een korte buis, wit, geel of oranje, niet ver buiten de bracteeën uitstekend. Behalve de buisvormige kelk en de 3 kroonslippen is er alleen nog een lip in de bloem aanwezigCostus.Sangrafoe,Ficofico.3b.Bladeren in twee rijen langs den stengel staand. Behalve kelk, kroonslippen en lip zijn er ook nog 2 bladachtige staminodiën in den bloem te vinden44a.Bladeren kortgesteeld, smal. Kroonbuis der bloemen ver buiten de bracteeën uitstekend. Staminodiën wit, lip geel. Meeldraad aan den basis zonder aanhangselsHedychium.4b.Bladeren langgesteeld, breed. Meeldraad aan de basis met 2 aanhangsels. Wortelstok intens geelCurcuma longa.5a.Bloem met een duidelijke 3-lobbige lip, waarvan de middenlob het grootst is, en purper van kleur met gele vlekken. Helmknop aan den top met een buisvormig aanhangsel dat den stijl omsluit, aan de basis zonder spoorvormige aanhangselsZingiber.5b.Lip geel, onduidelijk 3-lobbig, middenlob ingesneden. Helmknop aan den top zonder, aan de basis met 2 spoorvormige aanhangselsCurcuma Zedoaria.6a.Bloeiwijze aan het eind van een met gewone groene bladeren bezette stengel staand, een groote tros vormend. Bloemkroon wit en rood gekleurd, lip geelAlpinia.6b.Bloeistengels en bebladerde stengels naast elkaar uit de wortelstok te voorschijn komend, duidelijk van elkaar verschillend77a.Bloemen alleenstaand aan het eind van den korten bloeistengel. Lip groot; aanhangsel aan den top van de helmknop breed, ingesnedenAframomum.Ningre-Kondre-pepre.7b.Bloemen in lange trossen of pluimen. Geen aanhangsel aan den top van den helmknopRenealmia.Massoesa.47.Cannaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; kelkbladeren 3, bloembladeren 3, van onderen vergroeid; meeldraden 1–5, van onderen met de kroonbuis vergroeid; maar slechts één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft staminodiaal en bloembladachtig, de overige meeldraden alle bloembladachtig; stijl dik bladachtig, met een scheeve stempel; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig; met 2 rijen van zaadknoppen in ieder hokje; vruchten gestekeld; overblijvende kruiden met groote vinnervige bladeren; bloeiwijze aarvormig met groote bloemen.Eenige geslachtCanna.Sakka-sirie,Krekrere.48.Marantaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; meeldraden 4–5, maar alleen één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft bloembladachtig verbreed; de beide andere binnenste en 1 of 2 van de buitenste meeldraden staminodiaal en bloembladachtig; een er van kapvormig; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig, of doordat 2 van de hokjes niet ontwikkeld zijn, éénhokkig; ieder hokje met 1 zaadknop; stijl sterk gekromd met scheeve, vaak gelobde top; overblijvende kruiden met 2-rijige, vinnervige, meest ongelijkzijdige bladeren, met een aanzwelling aan den top van de bladsteel.1a.Bloemen in meest dichtgedrongen hoofdjes, soms een weinig verder van elkaar, aan het eind van den steeds geheel onvertakten bloeistengel staande; zeer zelden is de bloeistengel zoo kort dat de bloemen tusschen de bladscheeden staan. Vruchtbeginsel 3-hokkig, vrucht met 3 kleppen openspringend met 3 zadenCalathea.1b.Vruchtbeginsel 1-hokkig, met maar 1 zaadknop; vrucht 1-zadig; bloeiwijzen bijna steeds meermalen vertakt22a.Bracteeën in 2 rijen langs den wijdvertakten, doch slechts weinig bloemen dragende bloeistengel, meest spoedig afvallend. Twee groote bladachtige staminodiën in den bloem. Bladeren homotroop.Maranta.Arrow-root.2b.Bracteeën niet in twee rijen, doch dorsiventraal geplaatst33a.Bracteeën spoedig na den bloei afvallend, daardoor aan den as een lidteeken achterlatend; op deze plaats is de as knievormig gebogen. Slechts 1 buitenstaminodium met 2 aanhangsels. Bladeren homotroop; vrucht niet openspringendThalia.3b.Bracteeën blijvend na den bloei44a.Bracteeën breed, meest elkaar dakpansgewijs bedekkend, bloeiwijze kort, hoofdas onvertakt, 2 of meer paar bloemen in den oksel van een bractee. Buitenstaminodiën 2. Bladeren homotroop.Myrosma.4b.Bracteeën zeer lang en smal, buisvormig in elkaar gerold, een lange, dunne cylindrische vertakte of onvertakte bloeiwijze vormend. Steeds slechts 1 buitenstaminodium in de bloem55a.Bloeiwijze onvertakt, slechts één dunne cylindrische aar vormend. In den oksel van elke bractee zitten de bloemen in parenIschnosiphon.Warimbo.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, min of meer pluimvormig. Bloemen alleenstaand in den oksel der bracteeënMonotagma.

Orde:Synanthae.22.Cyclanthaceae.Mannelijke en vrouwelijke bloemen regelmatig verdeeld over de oppervlakte van een sappige onvertakte kolf, die door 2–6 later afvallende scheeden omhuld is; mannelijke bloemen naakt of met een dik, kort-getand bloemdek en 6 tot vele meeldraden; vrouwelijke bloemen naakt of met 4 schubvormige blaadjes; voor elk ervan staat een draadvormig staminodium; vruchtbeginsel 1, met 2 of 4 zaadlijsten en vele zaadknoppen, in de kolf verborgen; vrucht een bes met vele zaden; planten met korte stammen of geheel kruidachtig, soms epiphyten; bladeren op palmbladeren gelijkend.1a.Bladeren aan den top ingesneden, tweespletig tot twee-deelig. Bloemdek van de ♂ bloemen met 4 korte bladachtige slippen; bloemdek van de ♀ bloemen weinig buiten de oppervlakte van de kolf uitstekendCarludovica.1b.Bladeren niet ingesneden, lancetvormig. Bloemdek der ♂ bloemen rudimentair, uit een korte ring bestaande; dat der ♀ bloemen met lange bloemdekslippen, die buiten de oppervlakte van de kolf uitstekenLudovia.Orde:Spathiflorae.23.Araceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2–3-tallig of soms gereduceerd tot één meeldraad of één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes, zelden niet sappig; kruiden, vaak met knolvormigen wortelstok, ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2–3 in een aar of een kolf, deze omhuld door één scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.1a.Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset, omgekeerd-eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein, met geelgroene spatha; één ♀ bloem en 2–8 ♂ bloemenPistia.1b.Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem vastzitten22a.De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop òf slechts 1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide tegelijk ontwikkeld.) Blad zeer groot op een lange rechtopstaande steel, bladschijf meerdere malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze veel kleiner dan het blad, met een donker gekleurde bloeischeede en tweeslachtige bloemenDracontium.Sneki-tajer.2b.Plant meerdere bladeren en bloemen tegelijk dragend33a.Forsche, vaak gestekelde, rechtopstaande stengels met meerderebladeren. Plant steeds in het water groeiend, in den bodem wortelend; bloeischeede groenachtig wit, groot; bloeikolf van boven ♂, in het onderste ¼ deel ♀ bloemen dragend; bladeren pijlvormig.Montrichardia.Mokko-mokko.3b.Planten niet in het water groeiend, of als zij in het water voorkomen, dan geen rechtopstaande stengel aanwezig44a.Bladeren schildvormig en pijlvormig, dus bladsteel niet aan den bladrand ingehecht54b.Bladeren met een aan de bladrand ingehechte bladsteel65a.Stengel alleen beneden den grond ontwikkeld, zeer kort, min of meer knolvormig; bladeren vaak roodgevlekt, in een roset staande uit welks midden slechts de gesteelde bloeikolf te voorschijn komt, die boven de ♂, onder de ♀ bloemen draagt; kolf aan den top zonder aanhangselCaladium.Jabba-foetoe.5b.Stengel onder den grond knolvormig, boven den grond soms als een stam ontwikkeld; bladeren groot; kolf met een lang-kegelvormig of spits aanhangsel aan den topColocasia.Tajer.6a.Bloeiwijze op een lange steel; bloeischeede ongeveer 5 × langer dan de bloeikolf, aan den top als een kurketrekker gewonden; bloeikolf binnen de scheede kort gesteeld, dicht bezet met 2-slachtige bloemen, die een 4-bladig bloemdek, 4 meeldraden en een eenhokkig vruchtbeginsel hebben met 1–2 zaadknoppen. Bladeren pijlvormig, diep vinspletigCyrtosperma.6b.Bloeischeede niet zooveel langer dan de kolf en in ieder geval niet kurketrekkervormig gedraaid77a.Planten op den bodem groeiend. Stengel onderaardsch of bijna ontbrekend87b.Planten klimmend of epiphytisch of als ze op den grond groeien met goed ontwikkelde bovenaardsche stengel98a.Onderaardsche wortelstok. Bladeren langgesteeld, pijlvormig, 3-lobbig, met smalle 3-hoekige eindlob en evenlange doch smallere zijlobben. Bloeischeede veel langer dan de spadix, smal, lancetvormig. Spadix binnen de scheede gesteeld, deze steel voor het grootste deel met de spatha vergroeid, boven tweeslachtige bloemen dragende met 4–6 bloemdekbladen, 4–6 meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginselUrospatha.8b.Bebladerde stengel zeer kort, daardoor bladeren in een wortelrozet, pijlvormig tot 3-lobbig, soms de lobben nog meer (doch steeds handvormig) ingesneden. Spatha van onderen buisvormig opgerold; blijvend. Spadix van onderen ♀ bloemen dragend met een schijfvormige stijl, welke stijlen alle met de randen aan elkaar gegroeid zijn; boven het ♀ stuk een verdund deel met steriele ♂ bloemen, tenslotte van boven een knotsvormig deel met ♂ bloemen, die 4–6 met elkaar tot één geheel vergroeide meeldraden dragenXanthosoma.9a.Bloeikolf met tweeslachtige, hoogstens aan den voet met steriele bloemen bezet109b.Bloeikolf boven ♂, onder ♀ bloemen dragend1310a.Bloemen met een bloemdek1110b.Bloemen alleen met meeldraden en vruchtbeginsel1211a.Internodiën meest zeer kort, en dan epiphytische planten, zeldenverlengd; bladeren enkelvoudig, lancetvormig, aan de basis versmald of zelden met hartvormige voet; in een enkel geval handvormig samengesteld, 5-tallig; zijnerven van de 1steorde parallel, van de 2deen 3deorde netvormig verbonden; spatha tijdens de bloei den kolf niet omhullend, vrij klein. Bloemen met 4 bloemdekbladeren, 4 afgeplatte meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginsel zonder stijl en een 2-lobbige stempelAnthurium.11b.Stengel met vrij korte internodiën, niet klimmend. Bladeren enkelvoudig, langwerpig, toegespitst, bladsteel rijdend, met lange bladscheede, aan de basis van de bladschijf een weinig verdikt. Zijnerven van de 1steen 2deorde evenwijdig loopend. Bloeischeede een weinig langs de bloeistengel afloopend, blijvend. Bloemen met 3 + 3 perigoonbladeren, 3 + 3 meeldraden en een 3-hokkig vruchtbeginselSpathiphyllum.12a.Klimmende stengels met korte internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig-eirond, zonder gaten, zijnerven van de 2deen 3deorde onderling evenwijdig loopend. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel vierhoekig, tweehokkig, vele zaadknoppen in elk hokje. Vrucht een veelzadige besRhodospatha.12b.Klimmende stengels met lange internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig tot eirond, vaak (niet altijd) met gaten; zijnerven van de 2deen 3deorde niet parallel maar netvormig verbonden. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel omgekeerd kegelvormig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een 1- tot 3-zadige besMonstera.13a.Stengel rechtopstaand, zonder luchtwortels en niet klimmend. Bladeren vrij groot, eirond, toegespitst aan den top met afgeronde of eenigszins hartvormige voet. Spatha groengeel, zeer lang, even lang als de spadix en deze van onderen blijvend omsluitend; ♂ bloemen met 4–5 meeldraden, die geheel met elkaar vergroeid zijn, ♀ bloemen aan de basis van de spadix vrij ver van elkaar verwijderd met 4–5 afstaande staminodiën en een eirond 2–3-lobbig en 2–3-hokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop in elk hokje.Dieffenbachia.Donkè.13b.Planten met liggende of klimmende stengel meest met luchtwortels1414a.Planten epiphytisch levend, vaker in den grond wortelend met klimmende of liggende stengel en korte of lange internodiën. Bladeren enkelvoudig of op verschillende wijze ingesneden. Spadix van boven ♂ bloemen dragend met 2, 3, 5 of 6 meeldraden, die los tegen een afgeknotte meerzijdige zuil zitten; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met vele zaadknoppen in elk hokjePhilodendron.14b.Stammen klimmend met luchtwortels en lange internodiën. Bladeren handvormig samengesteld. ♂ bloemen aan het bovenstuk van de spadix, uit 4 geheel met elkaar vergroeide meeldraden bestaande; ♀ bloemen aan het onderste deel, alle met elkaar vergroeid, en daardoor ook de vruchten geheel met elkaar verbonden. Vruchtbeginsel 2- of 1-hokkig met 1 zaadknopSyngonium.24.Lemnaceae.Bloemen éénslachtig, naakt, éénhuizig; mannelijke bloemen met één meeldraad, vrouwelijke bloemen met één vruchtbeginsel en 1–6 zaadknoppen; losdrijvende waterplanten.1a.Aan elke spruit slechts één wortel; onderzijde van de plant groenLemna.1b.Aan elke spruit meerdere wortels, onderzijde van de plant bijna steeds roodSpirodela.Orde:Farinosae.28.Mayacaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden voor de kelkbladeren staand; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl en 3 korte stempels; zaadlijsten 3, wandstandig; doosvrucht met 3 kleppen openspringend; kruiden.Kleine moerasplanten met dicht bebladerde lage stengels, bladeren zeer smal lancetvormig. Kelk, en kroon 3-bladig, 3 meeldraden, één 1-hokkig vruchtbeginsel. Niet bloeiende planten zeer veel op sommige mossen gelijkendMayaca.29.Xyridaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig; kelk zygomorf met 2 kleinere blaadjes; bloemkroon regelmatig met een buis; de 3 buitenste meeldraden staminodiaal of ontbrekend; de 3 binnenste fertiel, van onderen met de kroon vergroeid. Vruchtbeginsel bovenstandig, eenhokkig met 3 zaadlijsten. Vrucht een doosvrucht; meest overblijvende kruiden.1a.Bladeren grasachtig, wortelstandig. Bloemen in en hoofdje aan het einde van de hoogstens aan den voet beschubde bloeistengel, elke bloem in den oksel van een schutblad zittend. Voorste (naar het schutblad toegekeerde) kelkblad veel grooter dan de beide andere kelkbladeren. 3 penseelvormige staminodiën in elke bloemXyris.1b.Voorste kelkblad ontbrekend. Staminodiën draadvormig of ontbrekend. Bloeistengel ook boven de basis met schubben bezetAbolboda.30.Eriocaulaceae.Bloemen zeer klein, met kelk en bloemkroon, 2–3-tallig, één- of tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemdek droogvliezig, soms de bloemkroon ontbrekend; meest de buitenste van de meeldraden ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–3-hokkig, met 2–3 stijlen; in elk hokje één zaadknop; meest overblijvende kruiden; de bloemen in hoofdjes met gemeenschappelijk omwindsel.1a.Waterplanten met lange drijvende vertakte en bebladerde stengels. Bloemhoofdjes gesteeld langs den stengel verspreid. Kroonbladeren van de ♀ bloemen zeer klein; helmknoppen met slechts één helmhokjeTonina.1b.Land- of moerasplanten met rechtopstaande stengels; ♀ bloemen met kelk en kroon; meeldraden met 2 helmhokjes22a.Kroonbladeren van de ♀ bloemen vrij van elkaar, bladachtig.Paepalanthus.2b.Kroonbladeren van de ♀ bloemen aan top en basis vrij, in het midden met de randen vergroeidSyngonanthus.31.Rapateaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk met een vliezige buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden 6, meest met debloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk hokje; vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met de smalle bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2 scheeden, die een hoofdje insluiten.1a.Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de aar. Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Vrucht éénzadigSpathanthus.1b.Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren ingesloten22a.De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per hokje. Vrucht een 3-zadige, openspringende doosvruchtRapatea.2b.De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den bloei opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen per hokje; vrucht een3-kleppige, 1-zadige doosvruchtSaxo-fridericia.32.Bromeliaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig, zelden iets zygomorf; kelk kruid- of leerachtig, blijvend; kroonbladeren vrij of vergroeid; meeldraden 6, in 2 kransen; vruchtbeginsel boven- tot onderstandig, met één stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen per hokje; bes of doosvrucht met kleine zaden, die vaak een haarkroon dragen; epiphytische kruiden of rotsplanten, zelden grondstandig met smalle, vaak doorniggezaagde bladeren in een roset, bladeren vaak met schubben.1a.Planten klein, geheel zonder wortels, in dooreengevlochten massa’s in boomen hangend. Stengels en bladeren draadvormig, met grijze schubben bezetTillandsia.1b.Stengels en bladeren niet draadvormig22a.Bloeiwijze een ijle, rechtopstaande tros vormend, uit de bladroset te voorschijn komend. Bloemen vrij lang gesteeld; schutbladeren klein, korter dan de bloemsteel. Bladeren aan den rand gestekeld of ongestekeld. Kelkbladen niet vergroeid, kroonbladeren rechtopstaand, de 6 meeldraden insluitend. Vruchtbeginsel tot aan het midden ongeveer met de kelk vergroeid, verder naar boven vrij, bovenstandig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht, met talrijke gevleugelde zadenPitcairnia.2b.Bloeiwijze vertakt, of onvertakt, in het laatste geval de bloemen dicht op elkaar gedrongen zittend en ± een hoofdje vormend, of indien ze in een ijle tros zitten, dan zijn de bloemen ongesteeld33a.Vruchtbeginsel geheel onderstandig; bladeren meest met stekels aan den rand, vrucht een min of meer sappige bes; zaden steeds zonder haarkuif43b.Vruchtbeginsel geheel bovenstandig; bladerennooitmet stekels aan den rand, vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht; zaden met haarkuif104a.Bloembladeren van binnen aan de basis zonder schubben54b.Bloembladeren van binnen met 2 verlengde schubben aan den voet75a.Bloeiwijze langgesteeld, met korte dicht op elkaar zittende takken en groote schutbladeren, zeer lange bladeren. Bloemen groot (tot 5 cM.), kelkbladeren vrij; bloembladeren aan de basis vergroeid en met de meeldraden vergroeidBromelia.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, een wijde pluim vormend66a.Bladeren smal, met de scheeden dicht tegen de bloeistengel aanliggend, gestekeld (of soms ongestekeld) aan den rand. Bloeiwijze langgesteeld, een sterk en onregelmatig vertakte pluim vormend. Bloemen klein, geelachtig groen in den oksel van kleine schutbladerenAraeococcus.6b.Bladeren met afstaande scheeden, een breede rozet vormend; bladrand met vrij kleine stekels bezet. Bloeiwijze groot, 1 maal vertakt; takken van de pluim aarvormig,in den oksel van groote bracteeën staande, bloemen grooter dan de vorige, tot 1 cM. langWittmackia.7a.Bloeiwijze onvertakt, een losse soms ± hangende aar vormend van verspreide zittende bloemen; bloeistengel met groote gekleurde ongestekelde bladeren bezet; bloembladeren lang en zeer smal, vooral aan de basis; vruchtbeginsel evenals de bloeistengel met een fijn meel bedektBillbergia.7b.Bloeiwijze onvertakt, bloemen dicht gedrongen, aan het eind van den bloeistengel een ± kegelvormig hoofdje vormend87c.Bloeiwijze vertakt98a.Bloeistengel met gestekelde bladeren bezet; bloemen in een dichte kegel aan het eind van den stengel met de bloeistengel vergroeid; aan den top voorzien van een pluim van niet bloemdragende bladeren. Bloemen rood of violet. Besvruchten met de sappig geworden bloeistengel tot één geheel vergroeidAnanas.8b.Bloeistengel met ongetande schubben bezet; geen bladpluim boven de bloeiwijze; bessen niet samen vergroeidAechmea.9a.Bloeistengel van onderen met gekleurde schubben, meermalen vertakt, een dichte ± kegelvormige pluim vormend; schutbladeren tusschen de bloemtakken in kransen of spiralen. Kelkbladeren en bloembladeren aan den top met een klein stekeltjeAechmea.9b.Bloeistengel met gekleurde schubben bezet; zijtakken tamelijk verspreid, kort, krachtig, in den oksel van lange, lancetvormige schutbladeren; aan het eind van die zijtakken de bloemen dicht op elkaar zittendGravisia.10a.Kroonbladeren vergroeid tot een lange buis. Bloeiwijze een kort gesteelde aar, nauwelijks boven de bladeren uitstekend. Stijl lang. Zaden met een haarkuif, overigens kaalGuzmania.10b.Kroonbladeren niet tot een lange buis vergroeid1111a.Bloembladeren van binnen met schubben aan den voet. Bloeistengel vertakt, de takken bezet met 2 rijen van bloemen, die door groote dekbladeren ingesloten zijnVriesea.11b.Bloembladeren van binnen zonder schubben aan de voet1212a.Bladeren in rosetten, de scheeden tamelijk wijd van elkaar, met verspreide schubben bezet; bloeistengel met weinige lange takken, aan welker top de bloemen spiraalsgewijs zitten. Kelk korter of (soms) langer dan de bloembladeren; deze laatste aan den top met een klein stekelpuntje. Stijl zeer kort. Zaden aangedrukt behaard, met een haarkuifCatopsis.12b.Bladeren in een dichte bundel of in een roset, en dan vaak een bovenaardsche bol vormend; soms ook een lange stengel dicht bedekkend; meest met grijze schubben dicht bezet. Bloeistengelonvertakt met de bloemen in twee rijen, of vertakt, en dan de bloemen tweerijig van de takken zittend. Vruchtbeginsel kaal; stijl lang; zaden kaal met een haarkuifTillandsia.33.Commelinaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3–2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; meeldraden 6, een deel ervan vaak staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht; kruiden met knoopen aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe of violette kroon.1a.Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig, zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf21b.Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van den stengel of in den oksel van gewone bladeren32a.Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar loopend, spiesvormig. Vrucht eennietopenspringendedoosvrucht met een dunne witte wand en 5 zadenPhaeospherion.Gado-dèdè.2b.Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht een doosvrucht, die met 3 kleppen openspringtCommelina.Gado-dèdè.3a.Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3 onvruchtbare meeldraden; vrucht een openspringende doosvruchtAneilema.3b.5 of 6 vruchtbare meeldraden44a.Bloemen vrij groot in trossen aan het einde van den stengel. Bloembladen blauw met witte nagelDichorisandra.4b.Bloemen in vertakte pluimen of meerdere bloeistengels samen in de oksels van de bovenste bladeren staand, aan het einde de bloemen in een dicht gedrongen hoofdje dragendTradescantia.34.Pontederiaceae.Bloemen met een 6-tallig, vergroeidbladig bloemdek, tweeslachtig, bijna regelmatig of zygomorf; meeldraden 6, 3 of 1, in de buis van het bloemdek ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen of éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht een doosvrucht of niet-openspringend; waterplanten met een aarvormige bloeiwijze.1a.Bladsteelen aan de basis sterk opgezwollen, met lucht gevuld; bladeren in rosetten; bloemen in een staande tros zygomorf, groot, violet, het bovenste kroonblad met een gele vlekEichhornia crassipes.1b.Bladsteelen niet of nauwelijks opgezwollen22a.Lange, dunne stengel, in het water drijvend, met ronde bladeren bezet, die ongeveer 2 cM. in doorsnee zijn; bloemen alleenstaand, bijna actinomorfEichhornia natans.2b.Bladeren veel grooter dan 2 cM.; bloemen in trossen33a.Bladeren spatelvormig, naar den basis toegespitst. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met vele zaadknoppen, vrucht veelzadigEichhornia.3b.Bladeren aan de basis afgerond of eenigszins hartvormig; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop, vrucht eenzadigPontederia.Orde:Liliiflorae.38.Liliaceae.Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en kroon; meest tweeslachtig en regelmatig, zelden éénslachtig of zygomorf; bloemdek gekleurd of groen of vliezig, vergroeid- of losbladig; meest 6 meeldraden voorhanden; stijlen gescheiden of vereenigd; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 3-hokkig; vrucht zeer verschillend van vorm.1a.Klimplanten met ranken en handnervige bladeren. Bloemen tweehuizig; bloemdek 6-bladig; ♀ bloemen met 6–3 steriele meeldraden, ♂ bloemen met6 fertielemeeldraden alleen; vrucht een besSmilax.1b.Planten met een rechtopstaande stam22a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij van elkaar, klokvormig tegen elkaar staand; bloemen hangend, met korte meeldradenYucca.2b.Bloemdekbladeren van onderen tot een buis vergroeid; slippen van het bloemdek gekromd; meeldraden bijna geheel met het bloemdek vergroeidCordyline.39.Haemodoraceae.Bloemen met een min of meer vergroeidbladig bloemdek, met 3 meeldraden vóór de binnenste kroonslippen; bloemen regelmatig of een weinig zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig of bovenstandig, 3-hokkig met weinige zaadknoppen in elk hokje; stempel verdikt; kruiden.Planten met onderaardsch rhizoom, met talrijke lijnvormige bladeren en een groote, pluimvormig en regelmatig vertakte bloeiwijze met kleine kortgesteelde bloemenXiphidium.40.Amaryllidaceae.Kenmerken als de Liliaceae, doch vruchtbeginsel steeds onderstandig en aan de basis der meeldraden vaak verbreedingen, die een bijkroon vormen; vrucht een doosvrucht of een bes.1a.Planten met groote vleezige bladeren in een roset, bloeistengel zeer lang en veelbloemig21b.Bladeren niet vleezig, doch kruidachtig32a.Bloemdek bijna trechtervormig, met vrij lange buis; slippen van het bloemdek smal. Meeldraden langer dan het bloemdek, niet verdiktAgave.2b.Bloemdek met zeer korte buis. Meeldraden korter dan het bloemdek, aan de basis sterk verdikt. In de bloeiwijze komen vaak bebladerde knoppen voorFourcroya.Injie-sopo.3a.Bloemen groot, meerdere schermvormig bijeenstaand aan den top van den stengel; scherm vaak aan de basis met eenige bladeren. Planten met een bol43b.Bloemen klein, niet in een scherm staand. Bladeren smal, grasachtig. Planten met een wortelstokHypoxis.4a.Bloemen met een lange dunne buis, wit. Binnen het bloemdek een trechtervormige bijkroon, waarop de meeldraden ingehecht zijnHymenocallis.4b.Bijkroon afwezig of slechts in den vorm van schubben aanwezig55a.Bloemen rood, door een kromming van het vruchtbeginsel naarbeneden gebogen; een weinig zijdelings symmetrisch; buis naar beneden trechtervormig toeloopendHippeastrum.5b.Bloemen wit, rechtopstaand. Bloemdekbladeren smal, plotseling in de dunne buis vereenigdCrinum.43.Dioscoreaceae.Bloemen met een bloemdek, 3-tallig, tweeslachtig, vaak éénslachtig, regelmatig; bloemdek meest niet gekleurd, tot een korte buis vergroeid; soms 3 van de 6 meeldraden staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig; 3- of 1-hokkig, meest met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 3, soms tweedeelig; vrucht een bes; planten klimmend of windend, met meest knolvormige wortelstok en tegenoverstaande of verspreide bladeren.Planten met windende stengel; hart-pijlvormige of handvormig gelobde handnervige bladeren; knolvormig rhizoom, éénslachtige, één of tweehuizige bloemen; ♂ bloemen met 3 of 6 meeldraden; ♀ bloemen met een 3-hoekig vruchtbeginsel en rudimentaire meeldraden; vrucht een 3-hoekige doosvruchtDioscorea.Napi.Orde:Scitamineae.45.Musaceae.Bloemen met bloemdek of met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of mannelijk, regelmatig of zygomorf; bloemkroon gekleurd, meest vergroeidbladig; van 6 meeldraden meest maar 5 met stuifmeel, vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl 3–6-lobbig; vrucht een bes of een doosvrucht; groote kruiden met groote ovale of langwerpige, vinnervige bladeren.1a.Bladeren spiraalsgewijs staande met vele bladscheeden, een schijnstam vormend. Bloemen meest éénslachtig, de drie kelkbladeren en 2 kroonbladeren zijn met elkaar tot een aan één zijde gespleten buis vergroeid; het 3dekroonblad vrij. Meeldraden 5; vrucht een lange besMusa.Bakove.Bana.1b.Bladeren in twee rijen (1 vlak) staande, bloemen 2-slachtig22a.Het kelkblad, dat in één vlak met de as staat naar voren, dus van de as afgekeerd. 5 fertiele meeldraden, het zesde een staminodium, tegen het achterste kroonblad staande. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje. Vrucht een doosvrucht, die in 3 stukken uiteenvalt, waarvan er soms 1 of 2 geen zaden dragen; zaden zonder arillusHeliconia.Popokai-Tongo.2b.Het kelkblad, dat in één vlak staat met de as staat naar achteren, dus naar de as gekeerd. Bloemen wit, een van de kroonbladeren kleiner dan de beide anderen. Meeldraden 5, met lange smalle helmknoppen. Vruchtbeginsels 3-hokkig met meerdere zaadknoppen in ieder hokje. Vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht met vele zaden met een arillusRavenala.Palaloe.46.Zingiberaceae.Bloemen meest met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, zelden éénslachtig, zygomorf; kelk en kroon 3-tallig, vergroeidbladig, van onderen met een buis; slechts 1 meeldraad van de binnenste krans fertiel, daartegenover een lip die gevormd wordt door 2 vergroeide staminodiën, soms ook nog 2 andere staminodiën aanwezig; stijl zeer dun, in een gleuf van de helmknop gelegen; vruchtbeginsel 3-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht meest een doosvrucht met 3 kleppen; overblijvende kruiden vaak met een knolvormige wortelstok.1a.Bloeiwijze bestaande uit elkaar dakpansgewijs bedekkende schubben uit welker oksel de bloemen te voorschijn komen21b.Bloemen in enkelvoudige of samengestelde verlengde trossen62a.De bloeiwijzen staan aan den gewonen bebladerden stengel32b.De bloeiwijzen staan aan het eind van aparte uit den wortelstok te voorschijn komende stengels, die in uiterlijk verschillen van den bladdragenden stengel53a.Bladeren zittend, langwerpig-eirond, bladscheede kokervormig, bladeren beneden de opening van dien koker ingehecht, in een spiraal rondom de stengel staand. Bracteeën der bloeiwijze meest zeer talrijk; bloemen kortgesteeld, met een korte buis, wit, geel of oranje, niet ver buiten de bracteeën uitstekend. Behalve de buisvormige kelk en de 3 kroonslippen is er alleen nog een lip in de bloem aanwezigCostus.Sangrafoe,Ficofico.3b.Bladeren in twee rijen langs den stengel staand. Behalve kelk, kroonslippen en lip zijn er ook nog 2 bladachtige staminodiën in den bloem te vinden44a.Bladeren kortgesteeld, smal. Kroonbuis der bloemen ver buiten de bracteeën uitstekend. Staminodiën wit, lip geel. Meeldraad aan den basis zonder aanhangselsHedychium.4b.Bladeren langgesteeld, breed. Meeldraad aan de basis met 2 aanhangsels. Wortelstok intens geelCurcuma longa.5a.Bloem met een duidelijke 3-lobbige lip, waarvan de middenlob het grootst is, en purper van kleur met gele vlekken. Helmknop aan den top met een buisvormig aanhangsel dat den stijl omsluit, aan de basis zonder spoorvormige aanhangselsZingiber.5b.Lip geel, onduidelijk 3-lobbig, middenlob ingesneden. Helmknop aan den top zonder, aan de basis met 2 spoorvormige aanhangselsCurcuma Zedoaria.6a.Bloeiwijze aan het eind van een met gewone groene bladeren bezette stengel staand, een groote tros vormend. Bloemkroon wit en rood gekleurd, lip geelAlpinia.6b.Bloeistengels en bebladerde stengels naast elkaar uit de wortelstok te voorschijn komend, duidelijk van elkaar verschillend77a.Bloemen alleenstaand aan het eind van den korten bloeistengel. Lip groot; aanhangsel aan den top van de helmknop breed, ingesnedenAframomum.Ningre-Kondre-pepre.7b.Bloemen in lange trossen of pluimen. Geen aanhangsel aan den top van den helmknopRenealmia.Massoesa.47.Cannaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; kelkbladeren 3, bloembladeren 3, van onderen vergroeid; meeldraden 1–5, van onderen met de kroonbuis vergroeid; maar slechts één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft staminodiaal en bloembladachtig, de overige meeldraden alle bloembladachtig; stijl dik bladachtig, met een scheeve stempel; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig; met 2 rijen van zaadknoppen in ieder hokje; vruchten gestekeld; overblijvende kruiden met groote vinnervige bladeren; bloeiwijze aarvormig met groote bloemen.Eenige geslachtCanna.Sakka-sirie,Krekrere.48.Marantaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; meeldraden 4–5, maar alleen één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft bloembladachtig verbreed; de beide andere binnenste en 1 of 2 van de buitenste meeldraden staminodiaal en bloembladachtig; een er van kapvormig; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig, of doordat 2 van de hokjes niet ontwikkeld zijn, éénhokkig; ieder hokje met 1 zaadknop; stijl sterk gekromd met scheeve, vaak gelobde top; overblijvende kruiden met 2-rijige, vinnervige, meest ongelijkzijdige bladeren, met een aanzwelling aan den top van de bladsteel.1a.Bloemen in meest dichtgedrongen hoofdjes, soms een weinig verder van elkaar, aan het eind van den steeds geheel onvertakten bloeistengel staande; zeer zelden is de bloeistengel zoo kort dat de bloemen tusschen de bladscheeden staan. Vruchtbeginsel 3-hokkig, vrucht met 3 kleppen openspringend met 3 zadenCalathea.1b.Vruchtbeginsel 1-hokkig, met maar 1 zaadknop; vrucht 1-zadig; bloeiwijzen bijna steeds meermalen vertakt22a.Bracteeën in 2 rijen langs den wijdvertakten, doch slechts weinig bloemen dragende bloeistengel, meest spoedig afvallend. Twee groote bladachtige staminodiën in den bloem. Bladeren homotroop.Maranta.Arrow-root.2b.Bracteeën niet in twee rijen, doch dorsiventraal geplaatst33a.Bracteeën spoedig na den bloei afvallend, daardoor aan den as een lidteeken achterlatend; op deze plaats is de as knievormig gebogen. Slechts 1 buitenstaminodium met 2 aanhangsels. Bladeren homotroop; vrucht niet openspringendThalia.3b.Bracteeën blijvend na den bloei44a.Bracteeën breed, meest elkaar dakpansgewijs bedekkend, bloeiwijze kort, hoofdas onvertakt, 2 of meer paar bloemen in den oksel van een bractee. Buitenstaminodiën 2. Bladeren homotroop.Myrosma.4b.Bracteeën zeer lang en smal, buisvormig in elkaar gerold, een lange, dunne cylindrische vertakte of onvertakte bloeiwijze vormend. Steeds slechts 1 buitenstaminodium in de bloem55a.Bloeiwijze onvertakt, slechts één dunne cylindrische aar vormend. In den oksel van elke bractee zitten de bloemen in parenIschnosiphon.Warimbo.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, min of meer pluimvormig. Bloemen alleenstaand in den oksel der bracteeënMonotagma.

Orde:Synanthae.22.Cyclanthaceae.Mannelijke en vrouwelijke bloemen regelmatig verdeeld over de oppervlakte van een sappige onvertakte kolf, die door 2–6 later afvallende scheeden omhuld is; mannelijke bloemen naakt of met een dik, kort-getand bloemdek en 6 tot vele meeldraden; vrouwelijke bloemen naakt of met 4 schubvormige blaadjes; voor elk ervan staat een draadvormig staminodium; vruchtbeginsel 1, met 2 of 4 zaadlijsten en vele zaadknoppen, in de kolf verborgen; vrucht een bes met vele zaden; planten met korte stammen of geheel kruidachtig, soms epiphyten; bladeren op palmbladeren gelijkend.1a.Bladeren aan den top ingesneden, tweespletig tot twee-deelig. Bloemdek van de ♂ bloemen met 4 korte bladachtige slippen; bloemdek van de ♀ bloemen weinig buiten de oppervlakte van de kolf uitstekendCarludovica.1b.Bladeren niet ingesneden, lancetvormig. Bloemdek der ♂ bloemen rudimentair, uit een korte ring bestaande; dat der ♀ bloemen met lange bloemdekslippen, die buiten de oppervlakte van de kolf uitstekenLudovia.Orde:Spathiflorae.23.Araceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2–3-tallig of soms gereduceerd tot één meeldraad of één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes, zelden niet sappig; kruiden, vaak met knolvormigen wortelstok, ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2–3 in een aar of een kolf, deze omhuld door één scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.1a.Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset, omgekeerd-eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein, met geelgroene spatha; één ♀ bloem en 2–8 ♂ bloemenPistia.1b.Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem vastzitten22a.De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop òf slechts 1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide tegelijk ontwikkeld.) Blad zeer groot op een lange rechtopstaande steel, bladschijf meerdere malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze veel kleiner dan het blad, met een donker gekleurde bloeischeede en tweeslachtige bloemenDracontium.Sneki-tajer.2b.Plant meerdere bladeren en bloemen tegelijk dragend33a.Forsche, vaak gestekelde, rechtopstaande stengels met meerderebladeren. Plant steeds in het water groeiend, in den bodem wortelend; bloeischeede groenachtig wit, groot; bloeikolf van boven ♂, in het onderste ¼ deel ♀ bloemen dragend; bladeren pijlvormig.Montrichardia.Mokko-mokko.3b.Planten niet in het water groeiend, of als zij in het water voorkomen, dan geen rechtopstaande stengel aanwezig44a.Bladeren schildvormig en pijlvormig, dus bladsteel niet aan den bladrand ingehecht54b.Bladeren met een aan de bladrand ingehechte bladsteel65a.Stengel alleen beneden den grond ontwikkeld, zeer kort, min of meer knolvormig; bladeren vaak roodgevlekt, in een roset staande uit welks midden slechts de gesteelde bloeikolf te voorschijn komt, die boven de ♂, onder de ♀ bloemen draagt; kolf aan den top zonder aanhangselCaladium.Jabba-foetoe.5b.Stengel onder den grond knolvormig, boven den grond soms als een stam ontwikkeld; bladeren groot; kolf met een lang-kegelvormig of spits aanhangsel aan den topColocasia.Tajer.6a.Bloeiwijze op een lange steel; bloeischeede ongeveer 5 × langer dan de bloeikolf, aan den top als een kurketrekker gewonden; bloeikolf binnen de scheede kort gesteeld, dicht bezet met 2-slachtige bloemen, die een 4-bladig bloemdek, 4 meeldraden en een eenhokkig vruchtbeginsel hebben met 1–2 zaadknoppen. Bladeren pijlvormig, diep vinspletigCyrtosperma.6b.Bloeischeede niet zooveel langer dan de kolf en in ieder geval niet kurketrekkervormig gedraaid77a.Planten op den bodem groeiend. Stengel onderaardsch of bijna ontbrekend87b.Planten klimmend of epiphytisch of als ze op den grond groeien met goed ontwikkelde bovenaardsche stengel98a.Onderaardsche wortelstok. Bladeren langgesteeld, pijlvormig, 3-lobbig, met smalle 3-hoekige eindlob en evenlange doch smallere zijlobben. Bloeischeede veel langer dan de spadix, smal, lancetvormig. Spadix binnen de scheede gesteeld, deze steel voor het grootste deel met de spatha vergroeid, boven tweeslachtige bloemen dragende met 4–6 bloemdekbladen, 4–6 meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginselUrospatha.8b.Bebladerde stengel zeer kort, daardoor bladeren in een wortelrozet, pijlvormig tot 3-lobbig, soms de lobben nog meer (doch steeds handvormig) ingesneden. Spatha van onderen buisvormig opgerold; blijvend. Spadix van onderen ♀ bloemen dragend met een schijfvormige stijl, welke stijlen alle met de randen aan elkaar gegroeid zijn; boven het ♀ stuk een verdund deel met steriele ♂ bloemen, tenslotte van boven een knotsvormig deel met ♂ bloemen, die 4–6 met elkaar tot één geheel vergroeide meeldraden dragenXanthosoma.9a.Bloeikolf met tweeslachtige, hoogstens aan den voet met steriele bloemen bezet109b.Bloeikolf boven ♂, onder ♀ bloemen dragend1310a.Bloemen met een bloemdek1110b.Bloemen alleen met meeldraden en vruchtbeginsel1211a.Internodiën meest zeer kort, en dan epiphytische planten, zeldenverlengd; bladeren enkelvoudig, lancetvormig, aan de basis versmald of zelden met hartvormige voet; in een enkel geval handvormig samengesteld, 5-tallig; zijnerven van de 1steorde parallel, van de 2deen 3deorde netvormig verbonden; spatha tijdens de bloei den kolf niet omhullend, vrij klein. Bloemen met 4 bloemdekbladeren, 4 afgeplatte meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginsel zonder stijl en een 2-lobbige stempelAnthurium.11b.Stengel met vrij korte internodiën, niet klimmend. Bladeren enkelvoudig, langwerpig, toegespitst, bladsteel rijdend, met lange bladscheede, aan de basis van de bladschijf een weinig verdikt. Zijnerven van de 1steen 2deorde evenwijdig loopend. Bloeischeede een weinig langs de bloeistengel afloopend, blijvend. Bloemen met 3 + 3 perigoonbladeren, 3 + 3 meeldraden en een 3-hokkig vruchtbeginselSpathiphyllum.12a.Klimmende stengels met korte internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig-eirond, zonder gaten, zijnerven van de 2deen 3deorde onderling evenwijdig loopend. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel vierhoekig, tweehokkig, vele zaadknoppen in elk hokje. Vrucht een veelzadige besRhodospatha.12b.Klimmende stengels met lange internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig tot eirond, vaak (niet altijd) met gaten; zijnerven van de 2deen 3deorde niet parallel maar netvormig verbonden. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel omgekeerd kegelvormig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een 1- tot 3-zadige besMonstera.13a.Stengel rechtopstaand, zonder luchtwortels en niet klimmend. Bladeren vrij groot, eirond, toegespitst aan den top met afgeronde of eenigszins hartvormige voet. Spatha groengeel, zeer lang, even lang als de spadix en deze van onderen blijvend omsluitend; ♂ bloemen met 4–5 meeldraden, die geheel met elkaar vergroeid zijn, ♀ bloemen aan de basis van de spadix vrij ver van elkaar verwijderd met 4–5 afstaande staminodiën en een eirond 2–3-lobbig en 2–3-hokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop in elk hokje.Dieffenbachia.Donkè.13b.Planten met liggende of klimmende stengel meest met luchtwortels1414a.Planten epiphytisch levend, vaker in den grond wortelend met klimmende of liggende stengel en korte of lange internodiën. Bladeren enkelvoudig of op verschillende wijze ingesneden. Spadix van boven ♂ bloemen dragend met 2, 3, 5 of 6 meeldraden, die los tegen een afgeknotte meerzijdige zuil zitten; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met vele zaadknoppen in elk hokjePhilodendron.14b.Stammen klimmend met luchtwortels en lange internodiën. Bladeren handvormig samengesteld. ♂ bloemen aan het bovenstuk van de spadix, uit 4 geheel met elkaar vergroeide meeldraden bestaande; ♀ bloemen aan het onderste deel, alle met elkaar vergroeid, en daardoor ook de vruchten geheel met elkaar verbonden. Vruchtbeginsel 2- of 1-hokkig met 1 zaadknopSyngonium.24.Lemnaceae.Bloemen éénslachtig, naakt, éénhuizig; mannelijke bloemen met één meeldraad, vrouwelijke bloemen met één vruchtbeginsel en 1–6 zaadknoppen; losdrijvende waterplanten.1a.Aan elke spruit slechts één wortel; onderzijde van de plant groenLemna.1b.Aan elke spruit meerdere wortels, onderzijde van de plant bijna steeds roodSpirodela.Orde:Farinosae.28.Mayacaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden voor de kelkbladeren staand; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl en 3 korte stempels; zaadlijsten 3, wandstandig; doosvrucht met 3 kleppen openspringend; kruiden.Kleine moerasplanten met dicht bebladerde lage stengels, bladeren zeer smal lancetvormig. Kelk, en kroon 3-bladig, 3 meeldraden, één 1-hokkig vruchtbeginsel. Niet bloeiende planten zeer veel op sommige mossen gelijkendMayaca.29.Xyridaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig; kelk zygomorf met 2 kleinere blaadjes; bloemkroon regelmatig met een buis; de 3 buitenste meeldraden staminodiaal of ontbrekend; de 3 binnenste fertiel, van onderen met de kroon vergroeid. Vruchtbeginsel bovenstandig, eenhokkig met 3 zaadlijsten. Vrucht een doosvrucht; meest overblijvende kruiden.1a.Bladeren grasachtig, wortelstandig. Bloemen in en hoofdje aan het einde van de hoogstens aan den voet beschubde bloeistengel, elke bloem in den oksel van een schutblad zittend. Voorste (naar het schutblad toegekeerde) kelkblad veel grooter dan de beide andere kelkbladeren. 3 penseelvormige staminodiën in elke bloemXyris.1b.Voorste kelkblad ontbrekend. Staminodiën draadvormig of ontbrekend. Bloeistengel ook boven de basis met schubben bezetAbolboda.30.Eriocaulaceae.Bloemen zeer klein, met kelk en bloemkroon, 2–3-tallig, één- of tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemdek droogvliezig, soms de bloemkroon ontbrekend; meest de buitenste van de meeldraden ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–3-hokkig, met 2–3 stijlen; in elk hokje één zaadknop; meest overblijvende kruiden; de bloemen in hoofdjes met gemeenschappelijk omwindsel.1a.Waterplanten met lange drijvende vertakte en bebladerde stengels. Bloemhoofdjes gesteeld langs den stengel verspreid. Kroonbladeren van de ♀ bloemen zeer klein; helmknoppen met slechts één helmhokjeTonina.1b.Land- of moerasplanten met rechtopstaande stengels; ♀ bloemen met kelk en kroon; meeldraden met 2 helmhokjes22a.Kroonbladeren van de ♀ bloemen vrij van elkaar, bladachtig.Paepalanthus.2b.Kroonbladeren van de ♀ bloemen aan top en basis vrij, in het midden met de randen vergroeidSyngonanthus.31.Rapateaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk met een vliezige buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden 6, meest met debloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk hokje; vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met de smalle bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2 scheeden, die een hoofdje insluiten.1a.Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de aar. Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Vrucht éénzadigSpathanthus.1b.Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren ingesloten22a.De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per hokje. Vrucht een 3-zadige, openspringende doosvruchtRapatea.2b.De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den bloei opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen per hokje; vrucht een3-kleppige, 1-zadige doosvruchtSaxo-fridericia.32.Bromeliaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig, zelden iets zygomorf; kelk kruid- of leerachtig, blijvend; kroonbladeren vrij of vergroeid; meeldraden 6, in 2 kransen; vruchtbeginsel boven- tot onderstandig, met één stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen per hokje; bes of doosvrucht met kleine zaden, die vaak een haarkroon dragen; epiphytische kruiden of rotsplanten, zelden grondstandig met smalle, vaak doorniggezaagde bladeren in een roset, bladeren vaak met schubben.1a.Planten klein, geheel zonder wortels, in dooreengevlochten massa’s in boomen hangend. Stengels en bladeren draadvormig, met grijze schubben bezetTillandsia.1b.Stengels en bladeren niet draadvormig22a.Bloeiwijze een ijle, rechtopstaande tros vormend, uit de bladroset te voorschijn komend. Bloemen vrij lang gesteeld; schutbladeren klein, korter dan de bloemsteel. Bladeren aan den rand gestekeld of ongestekeld. Kelkbladen niet vergroeid, kroonbladeren rechtopstaand, de 6 meeldraden insluitend. Vruchtbeginsel tot aan het midden ongeveer met de kelk vergroeid, verder naar boven vrij, bovenstandig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht, met talrijke gevleugelde zadenPitcairnia.2b.Bloeiwijze vertakt, of onvertakt, in het laatste geval de bloemen dicht op elkaar gedrongen zittend en ± een hoofdje vormend, of indien ze in een ijle tros zitten, dan zijn de bloemen ongesteeld33a.Vruchtbeginsel geheel onderstandig; bladeren meest met stekels aan den rand, vrucht een min of meer sappige bes; zaden steeds zonder haarkuif43b.Vruchtbeginsel geheel bovenstandig; bladerennooitmet stekels aan den rand, vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht; zaden met haarkuif104a.Bloembladeren van binnen aan de basis zonder schubben54b.Bloembladeren van binnen met 2 verlengde schubben aan den voet75a.Bloeiwijze langgesteeld, met korte dicht op elkaar zittende takken en groote schutbladeren, zeer lange bladeren. Bloemen groot (tot 5 cM.), kelkbladeren vrij; bloembladeren aan de basis vergroeid en met de meeldraden vergroeidBromelia.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, een wijde pluim vormend66a.Bladeren smal, met de scheeden dicht tegen de bloeistengel aanliggend, gestekeld (of soms ongestekeld) aan den rand. Bloeiwijze langgesteeld, een sterk en onregelmatig vertakte pluim vormend. Bloemen klein, geelachtig groen in den oksel van kleine schutbladerenAraeococcus.6b.Bladeren met afstaande scheeden, een breede rozet vormend; bladrand met vrij kleine stekels bezet. Bloeiwijze groot, 1 maal vertakt; takken van de pluim aarvormig,in den oksel van groote bracteeën staande, bloemen grooter dan de vorige, tot 1 cM. langWittmackia.7a.Bloeiwijze onvertakt, een losse soms ± hangende aar vormend van verspreide zittende bloemen; bloeistengel met groote gekleurde ongestekelde bladeren bezet; bloembladeren lang en zeer smal, vooral aan de basis; vruchtbeginsel evenals de bloeistengel met een fijn meel bedektBillbergia.7b.Bloeiwijze onvertakt, bloemen dicht gedrongen, aan het eind van den bloeistengel een ± kegelvormig hoofdje vormend87c.Bloeiwijze vertakt98a.Bloeistengel met gestekelde bladeren bezet; bloemen in een dichte kegel aan het eind van den stengel met de bloeistengel vergroeid; aan den top voorzien van een pluim van niet bloemdragende bladeren. Bloemen rood of violet. Besvruchten met de sappig geworden bloeistengel tot één geheel vergroeidAnanas.8b.Bloeistengel met ongetande schubben bezet; geen bladpluim boven de bloeiwijze; bessen niet samen vergroeidAechmea.9a.Bloeistengel van onderen met gekleurde schubben, meermalen vertakt, een dichte ± kegelvormige pluim vormend; schutbladeren tusschen de bloemtakken in kransen of spiralen. Kelkbladeren en bloembladeren aan den top met een klein stekeltjeAechmea.9b.Bloeistengel met gekleurde schubben bezet; zijtakken tamelijk verspreid, kort, krachtig, in den oksel van lange, lancetvormige schutbladeren; aan het eind van die zijtakken de bloemen dicht op elkaar zittendGravisia.10a.Kroonbladeren vergroeid tot een lange buis. Bloeiwijze een kort gesteelde aar, nauwelijks boven de bladeren uitstekend. Stijl lang. Zaden met een haarkuif, overigens kaalGuzmania.10b.Kroonbladeren niet tot een lange buis vergroeid1111a.Bloembladeren van binnen met schubben aan den voet. Bloeistengel vertakt, de takken bezet met 2 rijen van bloemen, die door groote dekbladeren ingesloten zijnVriesea.11b.Bloembladeren van binnen zonder schubben aan de voet1212a.Bladeren in rosetten, de scheeden tamelijk wijd van elkaar, met verspreide schubben bezet; bloeistengel met weinige lange takken, aan welker top de bloemen spiraalsgewijs zitten. Kelk korter of (soms) langer dan de bloembladeren; deze laatste aan den top met een klein stekelpuntje. Stijl zeer kort. Zaden aangedrukt behaard, met een haarkuifCatopsis.12b.Bladeren in een dichte bundel of in een roset, en dan vaak een bovenaardsche bol vormend; soms ook een lange stengel dicht bedekkend; meest met grijze schubben dicht bezet. Bloeistengelonvertakt met de bloemen in twee rijen, of vertakt, en dan de bloemen tweerijig van de takken zittend. Vruchtbeginsel kaal; stijl lang; zaden kaal met een haarkuifTillandsia.33.Commelinaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3–2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; meeldraden 6, een deel ervan vaak staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht; kruiden met knoopen aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe of violette kroon.1a.Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig, zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf21b.Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van den stengel of in den oksel van gewone bladeren32a.Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar loopend, spiesvormig. Vrucht eennietopenspringendedoosvrucht met een dunne witte wand en 5 zadenPhaeospherion.Gado-dèdè.2b.Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht een doosvrucht, die met 3 kleppen openspringtCommelina.Gado-dèdè.3a.Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3 onvruchtbare meeldraden; vrucht een openspringende doosvruchtAneilema.3b.5 of 6 vruchtbare meeldraden44a.Bloemen vrij groot in trossen aan het einde van den stengel. Bloembladen blauw met witte nagelDichorisandra.4b.Bloemen in vertakte pluimen of meerdere bloeistengels samen in de oksels van de bovenste bladeren staand, aan het einde de bloemen in een dicht gedrongen hoofdje dragendTradescantia.34.Pontederiaceae.Bloemen met een 6-tallig, vergroeidbladig bloemdek, tweeslachtig, bijna regelmatig of zygomorf; meeldraden 6, 3 of 1, in de buis van het bloemdek ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen of éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht een doosvrucht of niet-openspringend; waterplanten met een aarvormige bloeiwijze.1a.Bladsteelen aan de basis sterk opgezwollen, met lucht gevuld; bladeren in rosetten; bloemen in een staande tros zygomorf, groot, violet, het bovenste kroonblad met een gele vlekEichhornia crassipes.1b.Bladsteelen niet of nauwelijks opgezwollen22a.Lange, dunne stengel, in het water drijvend, met ronde bladeren bezet, die ongeveer 2 cM. in doorsnee zijn; bloemen alleenstaand, bijna actinomorfEichhornia natans.2b.Bladeren veel grooter dan 2 cM.; bloemen in trossen33a.Bladeren spatelvormig, naar den basis toegespitst. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met vele zaadknoppen, vrucht veelzadigEichhornia.3b.Bladeren aan de basis afgerond of eenigszins hartvormig; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop, vrucht eenzadigPontederia.Orde:Liliiflorae.38.Liliaceae.Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en kroon; meest tweeslachtig en regelmatig, zelden éénslachtig of zygomorf; bloemdek gekleurd of groen of vliezig, vergroeid- of losbladig; meest 6 meeldraden voorhanden; stijlen gescheiden of vereenigd; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 3-hokkig; vrucht zeer verschillend van vorm.1a.Klimplanten met ranken en handnervige bladeren. Bloemen tweehuizig; bloemdek 6-bladig; ♀ bloemen met 6–3 steriele meeldraden, ♂ bloemen met6 fertielemeeldraden alleen; vrucht een besSmilax.1b.Planten met een rechtopstaande stam22a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij van elkaar, klokvormig tegen elkaar staand; bloemen hangend, met korte meeldradenYucca.2b.Bloemdekbladeren van onderen tot een buis vergroeid; slippen van het bloemdek gekromd; meeldraden bijna geheel met het bloemdek vergroeidCordyline.39.Haemodoraceae.Bloemen met een min of meer vergroeidbladig bloemdek, met 3 meeldraden vóór de binnenste kroonslippen; bloemen regelmatig of een weinig zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig of bovenstandig, 3-hokkig met weinige zaadknoppen in elk hokje; stempel verdikt; kruiden.Planten met onderaardsch rhizoom, met talrijke lijnvormige bladeren en een groote, pluimvormig en regelmatig vertakte bloeiwijze met kleine kortgesteelde bloemenXiphidium.40.Amaryllidaceae.Kenmerken als de Liliaceae, doch vruchtbeginsel steeds onderstandig en aan de basis der meeldraden vaak verbreedingen, die een bijkroon vormen; vrucht een doosvrucht of een bes.1a.Planten met groote vleezige bladeren in een roset, bloeistengel zeer lang en veelbloemig21b.Bladeren niet vleezig, doch kruidachtig32a.Bloemdek bijna trechtervormig, met vrij lange buis; slippen van het bloemdek smal. Meeldraden langer dan het bloemdek, niet verdiktAgave.2b.Bloemdek met zeer korte buis. Meeldraden korter dan het bloemdek, aan de basis sterk verdikt. In de bloeiwijze komen vaak bebladerde knoppen voorFourcroya.Injie-sopo.3a.Bloemen groot, meerdere schermvormig bijeenstaand aan den top van den stengel; scherm vaak aan de basis met eenige bladeren. Planten met een bol43b.Bloemen klein, niet in een scherm staand. Bladeren smal, grasachtig. Planten met een wortelstokHypoxis.4a.Bloemen met een lange dunne buis, wit. Binnen het bloemdek een trechtervormige bijkroon, waarop de meeldraden ingehecht zijnHymenocallis.4b.Bijkroon afwezig of slechts in den vorm van schubben aanwezig55a.Bloemen rood, door een kromming van het vruchtbeginsel naarbeneden gebogen; een weinig zijdelings symmetrisch; buis naar beneden trechtervormig toeloopendHippeastrum.5b.Bloemen wit, rechtopstaand. Bloemdekbladeren smal, plotseling in de dunne buis vereenigdCrinum.43.Dioscoreaceae.Bloemen met een bloemdek, 3-tallig, tweeslachtig, vaak éénslachtig, regelmatig; bloemdek meest niet gekleurd, tot een korte buis vergroeid; soms 3 van de 6 meeldraden staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig; 3- of 1-hokkig, meest met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 3, soms tweedeelig; vrucht een bes; planten klimmend of windend, met meest knolvormige wortelstok en tegenoverstaande of verspreide bladeren.Planten met windende stengel; hart-pijlvormige of handvormig gelobde handnervige bladeren; knolvormig rhizoom, éénslachtige, één of tweehuizige bloemen; ♂ bloemen met 3 of 6 meeldraden; ♀ bloemen met een 3-hoekig vruchtbeginsel en rudimentaire meeldraden; vrucht een 3-hoekige doosvruchtDioscorea.Napi.Orde:Scitamineae.45.Musaceae.Bloemen met bloemdek of met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of mannelijk, regelmatig of zygomorf; bloemkroon gekleurd, meest vergroeidbladig; van 6 meeldraden meest maar 5 met stuifmeel, vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl 3–6-lobbig; vrucht een bes of een doosvrucht; groote kruiden met groote ovale of langwerpige, vinnervige bladeren.1a.Bladeren spiraalsgewijs staande met vele bladscheeden, een schijnstam vormend. Bloemen meest éénslachtig, de drie kelkbladeren en 2 kroonbladeren zijn met elkaar tot een aan één zijde gespleten buis vergroeid; het 3dekroonblad vrij. Meeldraden 5; vrucht een lange besMusa.Bakove.Bana.1b.Bladeren in twee rijen (1 vlak) staande, bloemen 2-slachtig22a.Het kelkblad, dat in één vlak met de as staat naar voren, dus van de as afgekeerd. 5 fertiele meeldraden, het zesde een staminodium, tegen het achterste kroonblad staande. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje. Vrucht een doosvrucht, die in 3 stukken uiteenvalt, waarvan er soms 1 of 2 geen zaden dragen; zaden zonder arillusHeliconia.Popokai-Tongo.2b.Het kelkblad, dat in één vlak staat met de as staat naar achteren, dus naar de as gekeerd. Bloemen wit, een van de kroonbladeren kleiner dan de beide anderen. Meeldraden 5, met lange smalle helmknoppen. Vruchtbeginsels 3-hokkig met meerdere zaadknoppen in ieder hokje. Vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht met vele zaden met een arillusRavenala.Palaloe.46.Zingiberaceae.Bloemen meest met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, zelden éénslachtig, zygomorf; kelk en kroon 3-tallig, vergroeidbladig, van onderen met een buis; slechts 1 meeldraad van de binnenste krans fertiel, daartegenover een lip die gevormd wordt door 2 vergroeide staminodiën, soms ook nog 2 andere staminodiën aanwezig; stijl zeer dun, in een gleuf van de helmknop gelegen; vruchtbeginsel 3-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht meest een doosvrucht met 3 kleppen; overblijvende kruiden vaak met een knolvormige wortelstok.1a.Bloeiwijze bestaande uit elkaar dakpansgewijs bedekkende schubben uit welker oksel de bloemen te voorschijn komen21b.Bloemen in enkelvoudige of samengestelde verlengde trossen62a.De bloeiwijzen staan aan den gewonen bebladerden stengel32b.De bloeiwijzen staan aan het eind van aparte uit den wortelstok te voorschijn komende stengels, die in uiterlijk verschillen van den bladdragenden stengel53a.Bladeren zittend, langwerpig-eirond, bladscheede kokervormig, bladeren beneden de opening van dien koker ingehecht, in een spiraal rondom de stengel staand. Bracteeën der bloeiwijze meest zeer talrijk; bloemen kortgesteeld, met een korte buis, wit, geel of oranje, niet ver buiten de bracteeën uitstekend. Behalve de buisvormige kelk en de 3 kroonslippen is er alleen nog een lip in de bloem aanwezigCostus.Sangrafoe,Ficofico.3b.Bladeren in twee rijen langs den stengel staand. Behalve kelk, kroonslippen en lip zijn er ook nog 2 bladachtige staminodiën in den bloem te vinden44a.Bladeren kortgesteeld, smal. Kroonbuis der bloemen ver buiten de bracteeën uitstekend. Staminodiën wit, lip geel. Meeldraad aan den basis zonder aanhangselsHedychium.4b.Bladeren langgesteeld, breed. Meeldraad aan de basis met 2 aanhangsels. Wortelstok intens geelCurcuma longa.5a.Bloem met een duidelijke 3-lobbige lip, waarvan de middenlob het grootst is, en purper van kleur met gele vlekken. Helmknop aan den top met een buisvormig aanhangsel dat den stijl omsluit, aan de basis zonder spoorvormige aanhangselsZingiber.5b.Lip geel, onduidelijk 3-lobbig, middenlob ingesneden. Helmknop aan den top zonder, aan de basis met 2 spoorvormige aanhangselsCurcuma Zedoaria.6a.Bloeiwijze aan het eind van een met gewone groene bladeren bezette stengel staand, een groote tros vormend. Bloemkroon wit en rood gekleurd, lip geelAlpinia.6b.Bloeistengels en bebladerde stengels naast elkaar uit de wortelstok te voorschijn komend, duidelijk van elkaar verschillend77a.Bloemen alleenstaand aan het eind van den korten bloeistengel. Lip groot; aanhangsel aan den top van de helmknop breed, ingesnedenAframomum.Ningre-Kondre-pepre.7b.Bloemen in lange trossen of pluimen. Geen aanhangsel aan den top van den helmknopRenealmia.Massoesa.47.Cannaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; kelkbladeren 3, bloembladeren 3, van onderen vergroeid; meeldraden 1–5, van onderen met de kroonbuis vergroeid; maar slechts één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft staminodiaal en bloembladachtig, de overige meeldraden alle bloembladachtig; stijl dik bladachtig, met een scheeve stempel; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig; met 2 rijen van zaadknoppen in ieder hokje; vruchten gestekeld; overblijvende kruiden met groote vinnervige bladeren; bloeiwijze aarvormig met groote bloemen.Eenige geslachtCanna.Sakka-sirie,Krekrere.48.Marantaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; meeldraden 4–5, maar alleen één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft bloembladachtig verbreed; de beide andere binnenste en 1 of 2 van de buitenste meeldraden staminodiaal en bloembladachtig; een er van kapvormig; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig, of doordat 2 van de hokjes niet ontwikkeld zijn, éénhokkig; ieder hokje met 1 zaadknop; stijl sterk gekromd met scheeve, vaak gelobde top; overblijvende kruiden met 2-rijige, vinnervige, meest ongelijkzijdige bladeren, met een aanzwelling aan den top van de bladsteel.1a.Bloemen in meest dichtgedrongen hoofdjes, soms een weinig verder van elkaar, aan het eind van den steeds geheel onvertakten bloeistengel staande; zeer zelden is de bloeistengel zoo kort dat de bloemen tusschen de bladscheeden staan. Vruchtbeginsel 3-hokkig, vrucht met 3 kleppen openspringend met 3 zadenCalathea.1b.Vruchtbeginsel 1-hokkig, met maar 1 zaadknop; vrucht 1-zadig; bloeiwijzen bijna steeds meermalen vertakt22a.Bracteeën in 2 rijen langs den wijdvertakten, doch slechts weinig bloemen dragende bloeistengel, meest spoedig afvallend. Twee groote bladachtige staminodiën in den bloem. Bladeren homotroop.Maranta.Arrow-root.2b.Bracteeën niet in twee rijen, doch dorsiventraal geplaatst33a.Bracteeën spoedig na den bloei afvallend, daardoor aan den as een lidteeken achterlatend; op deze plaats is de as knievormig gebogen. Slechts 1 buitenstaminodium met 2 aanhangsels. Bladeren homotroop; vrucht niet openspringendThalia.3b.Bracteeën blijvend na den bloei44a.Bracteeën breed, meest elkaar dakpansgewijs bedekkend, bloeiwijze kort, hoofdas onvertakt, 2 of meer paar bloemen in den oksel van een bractee. Buitenstaminodiën 2. Bladeren homotroop.Myrosma.4b.Bracteeën zeer lang en smal, buisvormig in elkaar gerold, een lange, dunne cylindrische vertakte of onvertakte bloeiwijze vormend. Steeds slechts 1 buitenstaminodium in de bloem55a.Bloeiwijze onvertakt, slechts één dunne cylindrische aar vormend. In den oksel van elke bractee zitten de bloemen in parenIschnosiphon.Warimbo.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, min of meer pluimvormig. Bloemen alleenstaand in den oksel der bracteeënMonotagma.

Orde:Synanthae.22.Cyclanthaceae.Mannelijke en vrouwelijke bloemen regelmatig verdeeld over de oppervlakte van een sappige onvertakte kolf, die door 2–6 later afvallende scheeden omhuld is; mannelijke bloemen naakt of met een dik, kort-getand bloemdek en 6 tot vele meeldraden; vrouwelijke bloemen naakt of met 4 schubvormige blaadjes; voor elk ervan staat een draadvormig staminodium; vruchtbeginsel 1, met 2 of 4 zaadlijsten en vele zaadknoppen, in de kolf verborgen; vrucht een bes met vele zaden; planten met korte stammen of geheel kruidachtig, soms epiphyten; bladeren op palmbladeren gelijkend.1a.Bladeren aan den top ingesneden, tweespletig tot twee-deelig. Bloemdek van de ♂ bloemen met 4 korte bladachtige slippen; bloemdek van de ♀ bloemen weinig buiten de oppervlakte van de kolf uitstekendCarludovica.1b.Bladeren niet ingesneden, lancetvormig. Bloemdek der ♂ bloemen rudimentair, uit een korte ring bestaande; dat der ♀ bloemen met lange bloemdekslippen, die buiten de oppervlakte van de kolf uitstekenLudovia.Orde:Spathiflorae.23.Araceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2–3-tallig of soms gereduceerd tot één meeldraad of één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes, zelden niet sappig; kruiden, vaak met knolvormigen wortelstok, ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2–3 in een aar of een kolf, deze omhuld door één scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.1a.Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset, omgekeerd-eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein, met geelgroene spatha; één ♀ bloem en 2–8 ♂ bloemenPistia.1b.Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem vastzitten22a.De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop òf slechts 1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide tegelijk ontwikkeld.) Blad zeer groot op een lange rechtopstaande steel, bladschijf meerdere malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze veel kleiner dan het blad, met een donker gekleurde bloeischeede en tweeslachtige bloemenDracontium.Sneki-tajer.2b.Plant meerdere bladeren en bloemen tegelijk dragend33a.Forsche, vaak gestekelde, rechtopstaande stengels met meerderebladeren. Plant steeds in het water groeiend, in den bodem wortelend; bloeischeede groenachtig wit, groot; bloeikolf van boven ♂, in het onderste ¼ deel ♀ bloemen dragend; bladeren pijlvormig.Montrichardia.Mokko-mokko.3b.Planten niet in het water groeiend, of als zij in het water voorkomen, dan geen rechtopstaande stengel aanwezig44a.Bladeren schildvormig en pijlvormig, dus bladsteel niet aan den bladrand ingehecht54b.Bladeren met een aan de bladrand ingehechte bladsteel65a.Stengel alleen beneden den grond ontwikkeld, zeer kort, min of meer knolvormig; bladeren vaak roodgevlekt, in een roset staande uit welks midden slechts de gesteelde bloeikolf te voorschijn komt, die boven de ♂, onder de ♀ bloemen draagt; kolf aan den top zonder aanhangselCaladium.Jabba-foetoe.5b.Stengel onder den grond knolvormig, boven den grond soms als een stam ontwikkeld; bladeren groot; kolf met een lang-kegelvormig of spits aanhangsel aan den topColocasia.Tajer.6a.Bloeiwijze op een lange steel; bloeischeede ongeveer 5 × langer dan de bloeikolf, aan den top als een kurketrekker gewonden; bloeikolf binnen de scheede kort gesteeld, dicht bezet met 2-slachtige bloemen, die een 4-bladig bloemdek, 4 meeldraden en een eenhokkig vruchtbeginsel hebben met 1–2 zaadknoppen. Bladeren pijlvormig, diep vinspletigCyrtosperma.6b.Bloeischeede niet zooveel langer dan de kolf en in ieder geval niet kurketrekkervormig gedraaid77a.Planten op den bodem groeiend. Stengel onderaardsch of bijna ontbrekend87b.Planten klimmend of epiphytisch of als ze op den grond groeien met goed ontwikkelde bovenaardsche stengel98a.Onderaardsche wortelstok. Bladeren langgesteeld, pijlvormig, 3-lobbig, met smalle 3-hoekige eindlob en evenlange doch smallere zijlobben. Bloeischeede veel langer dan de spadix, smal, lancetvormig. Spadix binnen de scheede gesteeld, deze steel voor het grootste deel met de spatha vergroeid, boven tweeslachtige bloemen dragende met 4–6 bloemdekbladen, 4–6 meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginselUrospatha.8b.Bebladerde stengel zeer kort, daardoor bladeren in een wortelrozet, pijlvormig tot 3-lobbig, soms de lobben nog meer (doch steeds handvormig) ingesneden. Spatha van onderen buisvormig opgerold; blijvend. Spadix van onderen ♀ bloemen dragend met een schijfvormige stijl, welke stijlen alle met de randen aan elkaar gegroeid zijn; boven het ♀ stuk een verdund deel met steriele ♂ bloemen, tenslotte van boven een knotsvormig deel met ♂ bloemen, die 4–6 met elkaar tot één geheel vergroeide meeldraden dragenXanthosoma.9a.Bloeikolf met tweeslachtige, hoogstens aan den voet met steriele bloemen bezet109b.Bloeikolf boven ♂, onder ♀ bloemen dragend1310a.Bloemen met een bloemdek1110b.Bloemen alleen met meeldraden en vruchtbeginsel1211a.Internodiën meest zeer kort, en dan epiphytische planten, zeldenverlengd; bladeren enkelvoudig, lancetvormig, aan de basis versmald of zelden met hartvormige voet; in een enkel geval handvormig samengesteld, 5-tallig; zijnerven van de 1steorde parallel, van de 2deen 3deorde netvormig verbonden; spatha tijdens de bloei den kolf niet omhullend, vrij klein. Bloemen met 4 bloemdekbladeren, 4 afgeplatte meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginsel zonder stijl en een 2-lobbige stempelAnthurium.11b.Stengel met vrij korte internodiën, niet klimmend. Bladeren enkelvoudig, langwerpig, toegespitst, bladsteel rijdend, met lange bladscheede, aan de basis van de bladschijf een weinig verdikt. Zijnerven van de 1steen 2deorde evenwijdig loopend. Bloeischeede een weinig langs de bloeistengel afloopend, blijvend. Bloemen met 3 + 3 perigoonbladeren, 3 + 3 meeldraden en een 3-hokkig vruchtbeginselSpathiphyllum.12a.Klimmende stengels met korte internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig-eirond, zonder gaten, zijnerven van de 2deen 3deorde onderling evenwijdig loopend. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel vierhoekig, tweehokkig, vele zaadknoppen in elk hokje. Vrucht een veelzadige besRhodospatha.12b.Klimmende stengels met lange internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig tot eirond, vaak (niet altijd) met gaten; zijnerven van de 2deen 3deorde niet parallel maar netvormig verbonden. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel omgekeerd kegelvormig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een 1- tot 3-zadige besMonstera.13a.Stengel rechtopstaand, zonder luchtwortels en niet klimmend. Bladeren vrij groot, eirond, toegespitst aan den top met afgeronde of eenigszins hartvormige voet. Spatha groengeel, zeer lang, even lang als de spadix en deze van onderen blijvend omsluitend; ♂ bloemen met 4–5 meeldraden, die geheel met elkaar vergroeid zijn, ♀ bloemen aan de basis van de spadix vrij ver van elkaar verwijderd met 4–5 afstaande staminodiën en een eirond 2–3-lobbig en 2–3-hokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop in elk hokje.Dieffenbachia.Donkè.13b.Planten met liggende of klimmende stengel meest met luchtwortels1414a.Planten epiphytisch levend, vaker in den grond wortelend met klimmende of liggende stengel en korte of lange internodiën. Bladeren enkelvoudig of op verschillende wijze ingesneden. Spadix van boven ♂ bloemen dragend met 2, 3, 5 of 6 meeldraden, die los tegen een afgeknotte meerzijdige zuil zitten; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met vele zaadknoppen in elk hokjePhilodendron.14b.Stammen klimmend met luchtwortels en lange internodiën. Bladeren handvormig samengesteld. ♂ bloemen aan het bovenstuk van de spadix, uit 4 geheel met elkaar vergroeide meeldraden bestaande; ♀ bloemen aan het onderste deel, alle met elkaar vergroeid, en daardoor ook de vruchten geheel met elkaar verbonden. Vruchtbeginsel 2- of 1-hokkig met 1 zaadknopSyngonium.24.Lemnaceae.Bloemen éénslachtig, naakt, éénhuizig; mannelijke bloemen met één meeldraad, vrouwelijke bloemen met één vruchtbeginsel en 1–6 zaadknoppen; losdrijvende waterplanten.1a.Aan elke spruit slechts één wortel; onderzijde van de plant groenLemna.1b.Aan elke spruit meerdere wortels, onderzijde van de plant bijna steeds roodSpirodela.Orde:Farinosae.28.Mayacaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden voor de kelkbladeren staand; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl en 3 korte stempels; zaadlijsten 3, wandstandig; doosvrucht met 3 kleppen openspringend; kruiden.Kleine moerasplanten met dicht bebladerde lage stengels, bladeren zeer smal lancetvormig. Kelk, en kroon 3-bladig, 3 meeldraden, één 1-hokkig vruchtbeginsel. Niet bloeiende planten zeer veel op sommige mossen gelijkendMayaca.29.Xyridaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig; kelk zygomorf met 2 kleinere blaadjes; bloemkroon regelmatig met een buis; de 3 buitenste meeldraden staminodiaal of ontbrekend; de 3 binnenste fertiel, van onderen met de kroon vergroeid. Vruchtbeginsel bovenstandig, eenhokkig met 3 zaadlijsten. Vrucht een doosvrucht; meest overblijvende kruiden.1a.Bladeren grasachtig, wortelstandig. Bloemen in en hoofdje aan het einde van de hoogstens aan den voet beschubde bloeistengel, elke bloem in den oksel van een schutblad zittend. Voorste (naar het schutblad toegekeerde) kelkblad veel grooter dan de beide andere kelkbladeren. 3 penseelvormige staminodiën in elke bloemXyris.1b.Voorste kelkblad ontbrekend. Staminodiën draadvormig of ontbrekend. Bloeistengel ook boven de basis met schubben bezetAbolboda.30.Eriocaulaceae.Bloemen zeer klein, met kelk en bloemkroon, 2–3-tallig, één- of tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemdek droogvliezig, soms de bloemkroon ontbrekend; meest de buitenste van de meeldraden ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–3-hokkig, met 2–3 stijlen; in elk hokje één zaadknop; meest overblijvende kruiden; de bloemen in hoofdjes met gemeenschappelijk omwindsel.1a.Waterplanten met lange drijvende vertakte en bebladerde stengels. Bloemhoofdjes gesteeld langs den stengel verspreid. Kroonbladeren van de ♀ bloemen zeer klein; helmknoppen met slechts één helmhokjeTonina.1b.Land- of moerasplanten met rechtopstaande stengels; ♀ bloemen met kelk en kroon; meeldraden met 2 helmhokjes22a.Kroonbladeren van de ♀ bloemen vrij van elkaar, bladachtig.Paepalanthus.2b.Kroonbladeren van de ♀ bloemen aan top en basis vrij, in het midden met de randen vergroeidSyngonanthus.31.Rapateaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk met een vliezige buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden 6, meest met debloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk hokje; vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met de smalle bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2 scheeden, die een hoofdje insluiten.1a.Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de aar. Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Vrucht éénzadigSpathanthus.1b.Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren ingesloten22a.De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per hokje. Vrucht een 3-zadige, openspringende doosvruchtRapatea.2b.De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den bloei opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen per hokje; vrucht een3-kleppige, 1-zadige doosvruchtSaxo-fridericia.32.Bromeliaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig, zelden iets zygomorf; kelk kruid- of leerachtig, blijvend; kroonbladeren vrij of vergroeid; meeldraden 6, in 2 kransen; vruchtbeginsel boven- tot onderstandig, met één stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen per hokje; bes of doosvrucht met kleine zaden, die vaak een haarkroon dragen; epiphytische kruiden of rotsplanten, zelden grondstandig met smalle, vaak doorniggezaagde bladeren in een roset, bladeren vaak met schubben.1a.Planten klein, geheel zonder wortels, in dooreengevlochten massa’s in boomen hangend. Stengels en bladeren draadvormig, met grijze schubben bezetTillandsia.1b.Stengels en bladeren niet draadvormig22a.Bloeiwijze een ijle, rechtopstaande tros vormend, uit de bladroset te voorschijn komend. Bloemen vrij lang gesteeld; schutbladeren klein, korter dan de bloemsteel. Bladeren aan den rand gestekeld of ongestekeld. Kelkbladen niet vergroeid, kroonbladeren rechtopstaand, de 6 meeldraden insluitend. Vruchtbeginsel tot aan het midden ongeveer met de kelk vergroeid, verder naar boven vrij, bovenstandig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht, met talrijke gevleugelde zadenPitcairnia.2b.Bloeiwijze vertakt, of onvertakt, in het laatste geval de bloemen dicht op elkaar gedrongen zittend en ± een hoofdje vormend, of indien ze in een ijle tros zitten, dan zijn de bloemen ongesteeld33a.Vruchtbeginsel geheel onderstandig; bladeren meest met stekels aan den rand, vrucht een min of meer sappige bes; zaden steeds zonder haarkuif43b.Vruchtbeginsel geheel bovenstandig; bladerennooitmet stekels aan den rand, vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht; zaden met haarkuif104a.Bloembladeren van binnen aan de basis zonder schubben54b.Bloembladeren van binnen met 2 verlengde schubben aan den voet75a.Bloeiwijze langgesteeld, met korte dicht op elkaar zittende takken en groote schutbladeren, zeer lange bladeren. Bloemen groot (tot 5 cM.), kelkbladeren vrij; bloembladeren aan de basis vergroeid en met de meeldraden vergroeidBromelia.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, een wijde pluim vormend66a.Bladeren smal, met de scheeden dicht tegen de bloeistengel aanliggend, gestekeld (of soms ongestekeld) aan den rand. Bloeiwijze langgesteeld, een sterk en onregelmatig vertakte pluim vormend. Bloemen klein, geelachtig groen in den oksel van kleine schutbladerenAraeococcus.6b.Bladeren met afstaande scheeden, een breede rozet vormend; bladrand met vrij kleine stekels bezet. Bloeiwijze groot, 1 maal vertakt; takken van de pluim aarvormig,in den oksel van groote bracteeën staande, bloemen grooter dan de vorige, tot 1 cM. langWittmackia.7a.Bloeiwijze onvertakt, een losse soms ± hangende aar vormend van verspreide zittende bloemen; bloeistengel met groote gekleurde ongestekelde bladeren bezet; bloembladeren lang en zeer smal, vooral aan de basis; vruchtbeginsel evenals de bloeistengel met een fijn meel bedektBillbergia.7b.Bloeiwijze onvertakt, bloemen dicht gedrongen, aan het eind van den bloeistengel een ± kegelvormig hoofdje vormend87c.Bloeiwijze vertakt98a.Bloeistengel met gestekelde bladeren bezet; bloemen in een dichte kegel aan het eind van den stengel met de bloeistengel vergroeid; aan den top voorzien van een pluim van niet bloemdragende bladeren. Bloemen rood of violet. Besvruchten met de sappig geworden bloeistengel tot één geheel vergroeidAnanas.8b.Bloeistengel met ongetande schubben bezet; geen bladpluim boven de bloeiwijze; bessen niet samen vergroeidAechmea.9a.Bloeistengel van onderen met gekleurde schubben, meermalen vertakt, een dichte ± kegelvormige pluim vormend; schutbladeren tusschen de bloemtakken in kransen of spiralen. Kelkbladeren en bloembladeren aan den top met een klein stekeltjeAechmea.9b.Bloeistengel met gekleurde schubben bezet; zijtakken tamelijk verspreid, kort, krachtig, in den oksel van lange, lancetvormige schutbladeren; aan het eind van die zijtakken de bloemen dicht op elkaar zittendGravisia.10a.Kroonbladeren vergroeid tot een lange buis. Bloeiwijze een kort gesteelde aar, nauwelijks boven de bladeren uitstekend. Stijl lang. Zaden met een haarkuif, overigens kaalGuzmania.10b.Kroonbladeren niet tot een lange buis vergroeid1111a.Bloembladeren van binnen met schubben aan den voet. Bloeistengel vertakt, de takken bezet met 2 rijen van bloemen, die door groote dekbladeren ingesloten zijnVriesea.11b.Bloembladeren van binnen zonder schubben aan de voet1212a.Bladeren in rosetten, de scheeden tamelijk wijd van elkaar, met verspreide schubben bezet; bloeistengel met weinige lange takken, aan welker top de bloemen spiraalsgewijs zitten. Kelk korter of (soms) langer dan de bloembladeren; deze laatste aan den top met een klein stekelpuntje. Stijl zeer kort. Zaden aangedrukt behaard, met een haarkuifCatopsis.12b.Bladeren in een dichte bundel of in een roset, en dan vaak een bovenaardsche bol vormend; soms ook een lange stengel dicht bedekkend; meest met grijze schubben dicht bezet. Bloeistengelonvertakt met de bloemen in twee rijen, of vertakt, en dan de bloemen tweerijig van de takken zittend. Vruchtbeginsel kaal; stijl lang; zaden kaal met een haarkuifTillandsia.33.Commelinaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3–2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; meeldraden 6, een deel ervan vaak staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht; kruiden met knoopen aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe of violette kroon.1a.Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig, zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf21b.Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van den stengel of in den oksel van gewone bladeren32a.Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar loopend, spiesvormig. Vrucht eennietopenspringendedoosvrucht met een dunne witte wand en 5 zadenPhaeospherion.Gado-dèdè.2b.Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht een doosvrucht, die met 3 kleppen openspringtCommelina.Gado-dèdè.3a.Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3 onvruchtbare meeldraden; vrucht een openspringende doosvruchtAneilema.3b.5 of 6 vruchtbare meeldraden44a.Bloemen vrij groot in trossen aan het einde van den stengel. Bloembladen blauw met witte nagelDichorisandra.4b.Bloemen in vertakte pluimen of meerdere bloeistengels samen in de oksels van de bovenste bladeren staand, aan het einde de bloemen in een dicht gedrongen hoofdje dragendTradescantia.34.Pontederiaceae.Bloemen met een 6-tallig, vergroeidbladig bloemdek, tweeslachtig, bijna regelmatig of zygomorf; meeldraden 6, 3 of 1, in de buis van het bloemdek ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen of éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht een doosvrucht of niet-openspringend; waterplanten met een aarvormige bloeiwijze.1a.Bladsteelen aan de basis sterk opgezwollen, met lucht gevuld; bladeren in rosetten; bloemen in een staande tros zygomorf, groot, violet, het bovenste kroonblad met een gele vlekEichhornia crassipes.1b.Bladsteelen niet of nauwelijks opgezwollen22a.Lange, dunne stengel, in het water drijvend, met ronde bladeren bezet, die ongeveer 2 cM. in doorsnee zijn; bloemen alleenstaand, bijna actinomorfEichhornia natans.2b.Bladeren veel grooter dan 2 cM.; bloemen in trossen33a.Bladeren spatelvormig, naar den basis toegespitst. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met vele zaadknoppen, vrucht veelzadigEichhornia.3b.Bladeren aan de basis afgerond of eenigszins hartvormig; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop, vrucht eenzadigPontederia.Orde:Liliiflorae.38.Liliaceae.Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en kroon; meest tweeslachtig en regelmatig, zelden éénslachtig of zygomorf; bloemdek gekleurd of groen of vliezig, vergroeid- of losbladig; meest 6 meeldraden voorhanden; stijlen gescheiden of vereenigd; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 3-hokkig; vrucht zeer verschillend van vorm.1a.Klimplanten met ranken en handnervige bladeren. Bloemen tweehuizig; bloemdek 6-bladig; ♀ bloemen met 6–3 steriele meeldraden, ♂ bloemen met6 fertielemeeldraden alleen; vrucht een besSmilax.1b.Planten met een rechtopstaande stam22a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij van elkaar, klokvormig tegen elkaar staand; bloemen hangend, met korte meeldradenYucca.2b.Bloemdekbladeren van onderen tot een buis vergroeid; slippen van het bloemdek gekromd; meeldraden bijna geheel met het bloemdek vergroeidCordyline.39.Haemodoraceae.Bloemen met een min of meer vergroeidbladig bloemdek, met 3 meeldraden vóór de binnenste kroonslippen; bloemen regelmatig of een weinig zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig of bovenstandig, 3-hokkig met weinige zaadknoppen in elk hokje; stempel verdikt; kruiden.Planten met onderaardsch rhizoom, met talrijke lijnvormige bladeren en een groote, pluimvormig en regelmatig vertakte bloeiwijze met kleine kortgesteelde bloemenXiphidium.40.Amaryllidaceae.Kenmerken als de Liliaceae, doch vruchtbeginsel steeds onderstandig en aan de basis der meeldraden vaak verbreedingen, die een bijkroon vormen; vrucht een doosvrucht of een bes.1a.Planten met groote vleezige bladeren in een roset, bloeistengel zeer lang en veelbloemig21b.Bladeren niet vleezig, doch kruidachtig32a.Bloemdek bijna trechtervormig, met vrij lange buis; slippen van het bloemdek smal. Meeldraden langer dan het bloemdek, niet verdiktAgave.2b.Bloemdek met zeer korte buis. Meeldraden korter dan het bloemdek, aan de basis sterk verdikt. In de bloeiwijze komen vaak bebladerde knoppen voorFourcroya.Injie-sopo.3a.Bloemen groot, meerdere schermvormig bijeenstaand aan den top van den stengel; scherm vaak aan de basis met eenige bladeren. Planten met een bol43b.Bloemen klein, niet in een scherm staand. Bladeren smal, grasachtig. Planten met een wortelstokHypoxis.4a.Bloemen met een lange dunne buis, wit. Binnen het bloemdek een trechtervormige bijkroon, waarop de meeldraden ingehecht zijnHymenocallis.4b.Bijkroon afwezig of slechts in den vorm van schubben aanwezig55a.Bloemen rood, door een kromming van het vruchtbeginsel naarbeneden gebogen; een weinig zijdelings symmetrisch; buis naar beneden trechtervormig toeloopendHippeastrum.5b.Bloemen wit, rechtopstaand. Bloemdekbladeren smal, plotseling in de dunne buis vereenigdCrinum.43.Dioscoreaceae.Bloemen met een bloemdek, 3-tallig, tweeslachtig, vaak éénslachtig, regelmatig; bloemdek meest niet gekleurd, tot een korte buis vergroeid; soms 3 van de 6 meeldraden staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig; 3- of 1-hokkig, meest met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 3, soms tweedeelig; vrucht een bes; planten klimmend of windend, met meest knolvormige wortelstok en tegenoverstaande of verspreide bladeren.Planten met windende stengel; hart-pijlvormige of handvormig gelobde handnervige bladeren; knolvormig rhizoom, éénslachtige, één of tweehuizige bloemen; ♂ bloemen met 3 of 6 meeldraden; ♀ bloemen met een 3-hoekig vruchtbeginsel en rudimentaire meeldraden; vrucht een 3-hoekige doosvruchtDioscorea.Napi.Orde:Scitamineae.45.Musaceae.Bloemen met bloemdek of met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of mannelijk, regelmatig of zygomorf; bloemkroon gekleurd, meest vergroeidbladig; van 6 meeldraden meest maar 5 met stuifmeel, vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl 3–6-lobbig; vrucht een bes of een doosvrucht; groote kruiden met groote ovale of langwerpige, vinnervige bladeren.1a.Bladeren spiraalsgewijs staande met vele bladscheeden, een schijnstam vormend. Bloemen meest éénslachtig, de drie kelkbladeren en 2 kroonbladeren zijn met elkaar tot een aan één zijde gespleten buis vergroeid; het 3dekroonblad vrij. Meeldraden 5; vrucht een lange besMusa.Bakove.Bana.1b.Bladeren in twee rijen (1 vlak) staande, bloemen 2-slachtig22a.Het kelkblad, dat in één vlak met de as staat naar voren, dus van de as afgekeerd. 5 fertiele meeldraden, het zesde een staminodium, tegen het achterste kroonblad staande. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje. Vrucht een doosvrucht, die in 3 stukken uiteenvalt, waarvan er soms 1 of 2 geen zaden dragen; zaden zonder arillusHeliconia.Popokai-Tongo.2b.Het kelkblad, dat in één vlak staat met de as staat naar achteren, dus naar de as gekeerd. Bloemen wit, een van de kroonbladeren kleiner dan de beide anderen. Meeldraden 5, met lange smalle helmknoppen. Vruchtbeginsels 3-hokkig met meerdere zaadknoppen in ieder hokje. Vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht met vele zaden met een arillusRavenala.Palaloe.46.Zingiberaceae.Bloemen meest met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, zelden éénslachtig, zygomorf; kelk en kroon 3-tallig, vergroeidbladig, van onderen met een buis; slechts 1 meeldraad van de binnenste krans fertiel, daartegenover een lip die gevormd wordt door 2 vergroeide staminodiën, soms ook nog 2 andere staminodiën aanwezig; stijl zeer dun, in een gleuf van de helmknop gelegen; vruchtbeginsel 3-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht meest een doosvrucht met 3 kleppen; overblijvende kruiden vaak met een knolvormige wortelstok.1a.Bloeiwijze bestaande uit elkaar dakpansgewijs bedekkende schubben uit welker oksel de bloemen te voorschijn komen21b.Bloemen in enkelvoudige of samengestelde verlengde trossen62a.De bloeiwijzen staan aan den gewonen bebladerden stengel32b.De bloeiwijzen staan aan het eind van aparte uit den wortelstok te voorschijn komende stengels, die in uiterlijk verschillen van den bladdragenden stengel53a.Bladeren zittend, langwerpig-eirond, bladscheede kokervormig, bladeren beneden de opening van dien koker ingehecht, in een spiraal rondom de stengel staand. Bracteeën der bloeiwijze meest zeer talrijk; bloemen kortgesteeld, met een korte buis, wit, geel of oranje, niet ver buiten de bracteeën uitstekend. Behalve de buisvormige kelk en de 3 kroonslippen is er alleen nog een lip in de bloem aanwezigCostus.Sangrafoe,Ficofico.3b.Bladeren in twee rijen langs den stengel staand. Behalve kelk, kroonslippen en lip zijn er ook nog 2 bladachtige staminodiën in den bloem te vinden44a.Bladeren kortgesteeld, smal. Kroonbuis der bloemen ver buiten de bracteeën uitstekend. Staminodiën wit, lip geel. Meeldraad aan den basis zonder aanhangselsHedychium.4b.Bladeren langgesteeld, breed. Meeldraad aan de basis met 2 aanhangsels. Wortelstok intens geelCurcuma longa.5a.Bloem met een duidelijke 3-lobbige lip, waarvan de middenlob het grootst is, en purper van kleur met gele vlekken. Helmknop aan den top met een buisvormig aanhangsel dat den stijl omsluit, aan de basis zonder spoorvormige aanhangselsZingiber.5b.Lip geel, onduidelijk 3-lobbig, middenlob ingesneden. Helmknop aan den top zonder, aan de basis met 2 spoorvormige aanhangselsCurcuma Zedoaria.6a.Bloeiwijze aan het eind van een met gewone groene bladeren bezette stengel staand, een groote tros vormend. Bloemkroon wit en rood gekleurd, lip geelAlpinia.6b.Bloeistengels en bebladerde stengels naast elkaar uit de wortelstok te voorschijn komend, duidelijk van elkaar verschillend77a.Bloemen alleenstaand aan het eind van den korten bloeistengel. Lip groot; aanhangsel aan den top van de helmknop breed, ingesnedenAframomum.Ningre-Kondre-pepre.7b.Bloemen in lange trossen of pluimen. Geen aanhangsel aan den top van den helmknopRenealmia.Massoesa.47.Cannaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; kelkbladeren 3, bloembladeren 3, van onderen vergroeid; meeldraden 1–5, van onderen met de kroonbuis vergroeid; maar slechts één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft staminodiaal en bloembladachtig, de overige meeldraden alle bloembladachtig; stijl dik bladachtig, met een scheeve stempel; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig; met 2 rijen van zaadknoppen in ieder hokje; vruchten gestekeld; overblijvende kruiden met groote vinnervige bladeren; bloeiwijze aarvormig met groote bloemen.Eenige geslachtCanna.Sakka-sirie,Krekrere.48.Marantaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; meeldraden 4–5, maar alleen één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft bloembladachtig verbreed; de beide andere binnenste en 1 of 2 van de buitenste meeldraden staminodiaal en bloembladachtig; een er van kapvormig; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig, of doordat 2 van de hokjes niet ontwikkeld zijn, éénhokkig; ieder hokje met 1 zaadknop; stijl sterk gekromd met scheeve, vaak gelobde top; overblijvende kruiden met 2-rijige, vinnervige, meest ongelijkzijdige bladeren, met een aanzwelling aan den top van de bladsteel.1a.Bloemen in meest dichtgedrongen hoofdjes, soms een weinig verder van elkaar, aan het eind van den steeds geheel onvertakten bloeistengel staande; zeer zelden is de bloeistengel zoo kort dat de bloemen tusschen de bladscheeden staan. Vruchtbeginsel 3-hokkig, vrucht met 3 kleppen openspringend met 3 zadenCalathea.1b.Vruchtbeginsel 1-hokkig, met maar 1 zaadknop; vrucht 1-zadig; bloeiwijzen bijna steeds meermalen vertakt22a.Bracteeën in 2 rijen langs den wijdvertakten, doch slechts weinig bloemen dragende bloeistengel, meest spoedig afvallend. Twee groote bladachtige staminodiën in den bloem. Bladeren homotroop.Maranta.Arrow-root.2b.Bracteeën niet in twee rijen, doch dorsiventraal geplaatst33a.Bracteeën spoedig na den bloei afvallend, daardoor aan den as een lidteeken achterlatend; op deze plaats is de as knievormig gebogen. Slechts 1 buitenstaminodium met 2 aanhangsels. Bladeren homotroop; vrucht niet openspringendThalia.3b.Bracteeën blijvend na den bloei44a.Bracteeën breed, meest elkaar dakpansgewijs bedekkend, bloeiwijze kort, hoofdas onvertakt, 2 of meer paar bloemen in den oksel van een bractee. Buitenstaminodiën 2. Bladeren homotroop.Myrosma.4b.Bracteeën zeer lang en smal, buisvormig in elkaar gerold, een lange, dunne cylindrische vertakte of onvertakte bloeiwijze vormend. Steeds slechts 1 buitenstaminodium in de bloem55a.Bloeiwijze onvertakt, slechts één dunne cylindrische aar vormend. In den oksel van elke bractee zitten de bloemen in parenIschnosiphon.Warimbo.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, min of meer pluimvormig. Bloemen alleenstaand in den oksel der bracteeënMonotagma.

Orde:Synanthae.22.Cyclanthaceae.Mannelijke en vrouwelijke bloemen regelmatig verdeeld over de oppervlakte van een sappige onvertakte kolf, die door 2–6 later afvallende scheeden omhuld is; mannelijke bloemen naakt of met een dik, kort-getand bloemdek en 6 tot vele meeldraden; vrouwelijke bloemen naakt of met 4 schubvormige blaadjes; voor elk ervan staat een draadvormig staminodium; vruchtbeginsel 1, met 2 of 4 zaadlijsten en vele zaadknoppen, in de kolf verborgen; vrucht een bes met vele zaden; planten met korte stammen of geheel kruidachtig, soms epiphyten; bladeren op palmbladeren gelijkend.1a.Bladeren aan den top ingesneden, tweespletig tot twee-deelig. Bloemdek van de ♂ bloemen met 4 korte bladachtige slippen; bloemdek van de ♀ bloemen weinig buiten de oppervlakte van de kolf uitstekendCarludovica.1b.Bladeren niet ingesneden, lancetvormig. Bloemdek der ♂ bloemen rudimentair, uit een korte ring bestaande; dat der ♀ bloemen met lange bloemdekslippen, die buiten de oppervlakte van de kolf uitstekenLudovia.Orde:Spathiflorae.23.Araceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2–3-tallig of soms gereduceerd tot één meeldraad of één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes, zelden niet sappig; kruiden, vaak met knolvormigen wortelstok, ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2–3 in een aar of een kolf, deze omhuld door één scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.1a.Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset, omgekeerd-eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein, met geelgroene spatha; één ♀ bloem en 2–8 ♂ bloemenPistia.1b.Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem vastzitten22a.De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop òf slechts 1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide tegelijk ontwikkeld.) Blad zeer groot op een lange rechtopstaande steel, bladschijf meerdere malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze veel kleiner dan het blad, met een donker gekleurde bloeischeede en tweeslachtige bloemenDracontium.Sneki-tajer.2b.Plant meerdere bladeren en bloemen tegelijk dragend33a.Forsche, vaak gestekelde, rechtopstaande stengels met meerderebladeren. Plant steeds in het water groeiend, in den bodem wortelend; bloeischeede groenachtig wit, groot; bloeikolf van boven ♂, in het onderste ¼ deel ♀ bloemen dragend; bladeren pijlvormig.Montrichardia.Mokko-mokko.3b.Planten niet in het water groeiend, of als zij in het water voorkomen, dan geen rechtopstaande stengel aanwezig44a.Bladeren schildvormig en pijlvormig, dus bladsteel niet aan den bladrand ingehecht54b.Bladeren met een aan de bladrand ingehechte bladsteel65a.Stengel alleen beneden den grond ontwikkeld, zeer kort, min of meer knolvormig; bladeren vaak roodgevlekt, in een roset staande uit welks midden slechts de gesteelde bloeikolf te voorschijn komt, die boven de ♂, onder de ♀ bloemen draagt; kolf aan den top zonder aanhangselCaladium.Jabba-foetoe.5b.Stengel onder den grond knolvormig, boven den grond soms als een stam ontwikkeld; bladeren groot; kolf met een lang-kegelvormig of spits aanhangsel aan den topColocasia.Tajer.6a.Bloeiwijze op een lange steel; bloeischeede ongeveer 5 × langer dan de bloeikolf, aan den top als een kurketrekker gewonden; bloeikolf binnen de scheede kort gesteeld, dicht bezet met 2-slachtige bloemen, die een 4-bladig bloemdek, 4 meeldraden en een eenhokkig vruchtbeginsel hebben met 1–2 zaadknoppen. Bladeren pijlvormig, diep vinspletigCyrtosperma.6b.Bloeischeede niet zooveel langer dan de kolf en in ieder geval niet kurketrekkervormig gedraaid77a.Planten op den bodem groeiend. Stengel onderaardsch of bijna ontbrekend87b.Planten klimmend of epiphytisch of als ze op den grond groeien met goed ontwikkelde bovenaardsche stengel98a.Onderaardsche wortelstok. Bladeren langgesteeld, pijlvormig, 3-lobbig, met smalle 3-hoekige eindlob en evenlange doch smallere zijlobben. Bloeischeede veel langer dan de spadix, smal, lancetvormig. Spadix binnen de scheede gesteeld, deze steel voor het grootste deel met de spatha vergroeid, boven tweeslachtige bloemen dragende met 4–6 bloemdekbladen, 4–6 meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginselUrospatha.8b.Bebladerde stengel zeer kort, daardoor bladeren in een wortelrozet, pijlvormig tot 3-lobbig, soms de lobben nog meer (doch steeds handvormig) ingesneden. Spatha van onderen buisvormig opgerold; blijvend. Spadix van onderen ♀ bloemen dragend met een schijfvormige stijl, welke stijlen alle met de randen aan elkaar gegroeid zijn; boven het ♀ stuk een verdund deel met steriele ♂ bloemen, tenslotte van boven een knotsvormig deel met ♂ bloemen, die 4–6 met elkaar tot één geheel vergroeide meeldraden dragenXanthosoma.9a.Bloeikolf met tweeslachtige, hoogstens aan den voet met steriele bloemen bezet109b.Bloeikolf boven ♂, onder ♀ bloemen dragend1310a.Bloemen met een bloemdek1110b.Bloemen alleen met meeldraden en vruchtbeginsel1211a.Internodiën meest zeer kort, en dan epiphytische planten, zeldenverlengd; bladeren enkelvoudig, lancetvormig, aan de basis versmald of zelden met hartvormige voet; in een enkel geval handvormig samengesteld, 5-tallig; zijnerven van de 1steorde parallel, van de 2deen 3deorde netvormig verbonden; spatha tijdens de bloei den kolf niet omhullend, vrij klein. Bloemen met 4 bloemdekbladeren, 4 afgeplatte meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginsel zonder stijl en een 2-lobbige stempelAnthurium.11b.Stengel met vrij korte internodiën, niet klimmend. Bladeren enkelvoudig, langwerpig, toegespitst, bladsteel rijdend, met lange bladscheede, aan de basis van de bladschijf een weinig verdikt. Zijnerven van de 1steen 2deorde evenwijdig loopend. Bloeischeede een weinig langs de bloeistengel afloopend, blijvend. Bloemen met 3 + 3 perigoonbladeren, 3 + 3 meeldraden en een 3-hokkig vruchtbeginselSpathiphyllum.12a.Klimmende stengels met korte internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig-eirond, zonder gaten, zijnerven van de 2deen 3deorde onderling evenwijdig loopend. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel vierhoekig, tweehokkig, vele zaadknoppen in elk hokje. Vrucht een veelzadige besRhodospatha.12b.Klimmende stengels met lange internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig tot eirond, vaak (niet altijd) met gaten; zijnerven van de 2deen 3deorde niet parallel maar netvormig verbonden. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel omgekeerd kegelvormig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een 1- tot 3-zadige besMonstera.13a.Stengel rechtopstaand, zonder luchtwortels en niet klimmend. Bladeren vrij groot, eirond, toegespitst aan den top met afgeronde of eenigszins hartvormige voet. Spatha groengeel, zeer lang, even lang als de spadix en deze van onderen blijvend omsluitend; ♂ bloemen met 4–5 meeldraden, die geheel met elkaar vergroeid zijn, ♀ bloemen aan de basis van de spadix vrij ver van elkaar verwijderd met 4–5 afstaande staminodiën en een eirond 2–3-lobbig en 2–3-hokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop in elk hokje.Dieffenbachia.Donkè.13b.Planten met liggende of klimmende stengel meest met luchtwortels1414a.Planten epiphytisch levend, vaker in den grond wortelend met klimmende of liggende stengel en korte of lange internodiën. Bladeren enkelvoudig of op verschillende wijze ingesneden. Spadix van boven ♂ bloemen dragend met 2, 3, 5 of 6 meeldraden, die los tegen een afgeknotte meerzijdige zuil zitten; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met vele zaadknoppen in elk hokjePhilodendron.14b.Stammen klimmend met luchtwortels en lange internodiën. Bladeren handvormig samengesteld. ♂ bloemen aan het bovenstuk van de spadix, uit 4 geheel met elkaar vergroeide meeldraden bestaande; ♀ bloemen aan het onderste deel, alle met elkaar vergroeid, en daardoor ook de vruchten geheel met elkaar verbonden. Vruchtbeginsel 2- of 1-hokkig met 1 zaadknopSyngonium.24.Lemnaceae.Bloemen éénslachtig, naakt, éénhuizig; mannelijke bloemen met één meeldraad, vrouwelijke bloemen met één vruchtbeginsel en 1–6 zaadknoppen; losdrijvende waterplanten.1a.Aan elke spruit slechts één wortel; onderzijde van de plant groenLemna.1b.Aan elke spruit meerdere wortels, onderzijde van de plant bijna steeds roodSpirodela.Orde:Farinosae.28.Mayacaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden voor de kelkbladeren staand; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl en 3 korte stempels; zaadlijsten 3, wandstandig; doosvrucht met 3 kleppen openspringend; kruiden.Kleine moerasplanten met dicht bebladerde lage stengels, bladeren zeer smal lancetvormig. Kelk, en kroon 3-bladig, 3 meeldraden, één 1-hokkig vruchtbeginsel. Niet bloeiende planten zeer veel op sommige mossen gelijkendMayaca.29.Xyridaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig; kelk zygomorf met 2 kleinere blaadjes; bloemkroon regelmatig met een buis; de 3 buitenste meeldraden staminodiaal of ontbrekend; de 3 binnenste fertiel, van onderen met de kroon vergroeid. Vruchtbeginsel bovenstandig, eenhokkig met 3 zaadlijsten. Vrucht een doosvrucht; meest overblijvende kruiden.1a.Bladeren grasachtig, wortelstandig. Bloemen in en hoofdje aan het einde van de hoogstens aan den voet beschubde bloeistengel, elke bloem in den oksel van een schutblad zittend. Voorste (naar het schutblad toegekeerde) kelkblad veel grooter dan de beide andere kelkbladeren. 3 penseelvormige staminodiën in elke bloemXyris.1b.Voorste kelkblad ontbrekend. Staminodiën draadvormig of ontbrekend. Bloeistengel ook boven de basis met schubben bezetAbolboda.30.Eriocaulaceae.Bloemen zeer klein, met kelk en bloemkroon, 2–3-tallig, één- of tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemdek droogvliezig, soms de bloemkroon ontbrekend; meest de buitenste van de meeldraden ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–3-hokkig, met 2–3 stijlen; in elk hokje één zaadknop; meest overblijvende kruiden; de bloemen in hoofdjes met gemeenschappelijk omwindsel.1a.Waterplanten met lange drijvende vertakte en bebladerde stengels. Bloemhoofdjes gesteeld langs den stengel verspreid. Kroonbladeren van de ♀ bloemen zeer klein; helmknoppen met slechts één helmhokjeTonina.1b.Land- of moerasplanten met rechtopstaande stengels; ♀ bloemen met kelk en kroon; meeldraden met 2 helmhokjes22a.Kroonbladeren van de ♀ bloemen vrij van elkaar, bladachtig.Paepalanthus.2b.Kroonbladeren van de ♀ bloemen aan top en basis vrij, in het midden met de randen vergroeidSyngonanthus.31.Rapateaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk met een vliezige buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden 6, meest met debloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk hokje; vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met de smalle bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2 scheeden, die een hoofdje insluiten.1a.Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de aar. Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Vrucht éénzadigSpathanthus.1b.Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren ingesloten22a.De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per hokje. Vrucht een 3-zadige, openspringende doosvruchtRapatea.2b.De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den bloei opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen per hokje; vrucht een3-kleppige, 1-zadige doosvruchtSaxo-fridericia.32.Bromeliaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig, zelden iets zygomorf; kelk kruid- of leerachtig, blijvend; kroonbladeren vrij of vergroeid; meeldraden 6, in 2 kransen; vruchtbeginsel boven- tot onderstandig, met één stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen per hokje; bes of doosvrucht met kleine zaden, die vaak een haarkroon dragen; epiphytische kruiden of rotsplanten, zelden grondstandig met smalle, vaak doorniggezaagde bladeren in een roset, bladeren vaak met schubben.1a.Planten klein, geheel zonder wortels, in dooreengevlochten massa’s in boomen hangend. Stengels en bladeren draadvormig, met grijze schubben bezetTillandsia.1b.Stengels en bladeren niet draadvormig22a.Bloeiwijze een ijle, rechtopstaande tros vormend, uit de bladroset te voorschijn komend. Bloemen vrij lang gesteeld; schutbladeren klein, korter dan de bloemsteel. Bladeren aan den rand gestekeld of ongestekeld. Kelkbladen niet vergroeid, kroonbladeren rechtopstaand, de 6 meeldraden insluitend. Vruchtbeginsel tot aan het midden ongeveer met de kelk vergroeid, verder naar boven vrij, bovenstandig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht, met talrijke gevleugelde zadenPitcairnia.2b.Bloeiwijze vertakt, of onvertakt, in het laatste geval de bloemen dicht op elkaar gedrongen zittend en ± een hoofdje vormend, of indien ze in een ijle tros zitten, dan zijn de bloemen ongesteeld33a.Vruchtbeginsel geheel onderstandig; bladeren meest met stekels aan den rand, vrucht een min of meer sappige bes; zaden steeds zonder haarkuif43b.Vruchtbeginsel geheel bovenstandig; bladerennooitmet stekels aan den rand, vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht; zaden met haarkuif104a.Bloembladeren van binnen aan de basis zonder schubben54b.Bloembladeren van binnen met 2 verlengde schubben aan den voet75a.Bloeiwijze langgesteeld, met korte dicht op elkaar zittende takken en groote schutbladeren, zeer lange bladeren. Bloemen groot (tot 5 cM.), kelkbladeren vrij; bloembladeren aan de basis vergroeid en met de meeldraden vergroeidBromelia.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, een wijde pluim vormend66a.Bladeren smal, met de scheeden dicht tegen de bloeistengel aanliggend, gestekeld (of soms ongestekeld) aan den rand. Bloeiwijze langgesteeld, een sterk en onregelmatig vertakte pluim vormend. Bloemen klein, geelachtig groen in den oksel van kleine schutbladerenAraeococcus.6b.Bladeren met afstaande scheeden, een breede rozet vormend; bladrand met vrij kleine stekels bezet. Bloeiwijze groot, 1 maal vertakt; takken van de pluim aarvormig,in den oksel van groote bracteeën staande, bloemen grooter dan de vorige, tot 1 cM. langWittmackia.7a.Bloeiwijze onvertakt, een losse soms ± hangende aar vormend van verspreide zittende bloemen; bloeistengel met groote gekleurde ongestekelde bladeren bezet; bloembladeren lang en zeer smal, vooral aan de basis; vruchtbeginsel evenals de bloeistengel met een fijn meel bedektBillbergia.7b.Bloeiwijze onvertakt, bloemen dicht gedrongen, aan het eind van den bloeistengel een ± kegelvormig hoofdje vormend87c.Bloeiwijze vertakt98a.Bloeistengel met gestekelde bladeren bezet; bloemen in een dichte kegel aan het eind van den stengel met de bloeistengel vergroeid; aan den top voorzien van een pluim van niet bloemdragende bladeren. Bloemen rood of violet. Besvruchten met de sappig geworden bloeistengel tot één geheel vergroeidAnanas.8b.Bloeistengel met ongetande schubben bezet; geen bladpluim boven de bloeiwijze; bessen niet samen vergroeidAechmea.9a.Bloeistengel van onderen met gekleurde schubben, meermalen vertakt, een dichte ± kegelvormige pluim vormend; schutbladeren tusschen de bloemtakken in kransen of spiralen. Kelkbladeren en bloembladeren aan den top met een klein stekeltjeAechmea.9b.Bloeistengel met gekleurde schubben bezet; zijtakken tamelijk verspreid, kort, krachtig, in den oksel van lange, lancetvormige schutbladeren; aan het eind van die zijtakken de bloemen dicht op elkaar zittendGravisia.10a.Kroonbladeren vergroeid tot een lange buis. Bloeiwijze een kort gesteelde aar, nauwelijks boven de bladeren uitstekend. Stijl lang. Zaden met een haarkuif, overigens kaalGuzmania.10b.Kroonbladeren niet tot een lange buis vergroeid1111a.Bloembladeren van binnen met schubben aan den voet. Bloeistengel vertakt, de takken bezet met 2 rijen van bloemen, die door groote dekbladeren ingesloten zijnVriesea.11b.Bloembladeren van binnen zonder schubben aan de voet1212a.Bladeren in rosetten, de scheeden tamelijk wijd van elkaar, met verspreide schubben bezet; bloeistengel met weinige lange takken, aan welker top de bloemen spiraalsgewijs zitten. Kelk korter of (soms) langer dan de bloembladeren; deze laatste aan den top met een klein stekelpuntje. Stijl zeer kort. Zaden aangedrukt behaard, met een haarkuifCatopsis.12b.Bladeren in een dichte bundel of in een roset, en dan vaak een bovenaardsche bol vormend; soms ook een lange stengel dicht bedekkend; meest met grijze schubben dicht bezet. Bloeistengelonvertakt met de bloemen in twee rijen, of vertakt, en dan de bloemen tweerijig van de takken zittend. Vruchtbeginsel kaal; stijl lang; zaden kaal met een haarkuifTillandsia.33.Commelinaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3–2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; meeldraden 6, een deel ervan vaak staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht; kruiden met knoopen aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe of violette kroon.1a.Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig, zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf21b.Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van den stengel of in den oksel van gewone bladeren32a.Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar loopend, spiesvormig. Vrucht eennietopenspringendedoosvrucht met een dunne witte wand en 5 zadenPhaeospherion.Gado-dèdè.2b.Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht een doosvrucht, die met 3 kleppen openspringtCommelina.Gado-dèdè.3a.Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3 onvruchtbare meeldraden; vrucht een openspringende doosvruchtAneilema.3b.5 of 6 vruchtbare meeldraden44a.Bloemen vrij groot in trossen aan het einde van den stengel. Bloembladen blauw met witte nagelDichorisandra.4b.Bloemen in vertakte pluimen of meerdere bloeistengels samen in de oksels van de bovenste bladeren staand, aan het einde de bloemen in een dicht gedrongen hoofdje dragendTradescantia.34.Pontederiaceae.Bloemen met een 6-tallig, vergroeidbladig bloemdek, tweeslachtig, bijna regelmatig of zygomorf; meeldraden 6, 3 of 1, in de buis van het bloemdek ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen of éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht een doosvrucht of niet-openspringend; waterplanten met een aarvormige bloeiwijze.1a.Bladsteelen aan de basis sterk opgezwollen, met lucht gevuld; bladeren in rosetten; bloemen in een staande tros zygomorf, groot, violet, het bovenste kroonblad met een gele vlekEichhornia crassipes.1b.Bladsteelen niet of nauwelijks opgezwollen22a.Lange, dunne stengel, in het water drijvend, met ronde bladeren bezet, die ongeveer 2 cM. in doorsnee zijn; bloemen alleenstaand, bijna actinomorfEichhornia natans.2b.Bladeren veel grooter dan 2 cM.; bloemen in trossen33a.Bladeren spatelvormig, naar den basis toegespitst. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met vele zaadknoppen, vrucht veelzadigEichhornia.3b.Bladeren aan de basis afgerond of eenigszins hartvormig; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop, vrucht eenzadigPontederia.Orde:Liliiflorae.38.Liliaceae.Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en kroon; meest tweeslachtig en regelmatig, zelden éénslachtig of zygomorf; bloemdek gekleurd of groen of vliezig, vergroeid- of losbladig; meest 6 meeldraden voorhanden; stijlen gescheiden of vereenigd; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 3-hokkig; vrucht zeer verschillend van vorm.1a.Klimplanten met ranken en handnervige bladeren. Bloemen tweehuizig; bloemdek 6-bladig; ♀ bloemen met 6–3 steriele meeldraden, ♂ bloemen met6 fertielemeeldraden alleen; vrucht een besSmilax.1b.Planten met een rechtopstaande stam22a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij van elkaar, klokvormig tegen elkaar staand; bloemen hangend, met korte meeldradenYucca.2b.Bloemdekbladeren van onderen tot een buis vergroeid; slippen van het bloemdek gekromd; meeldraden bijna geheel met het bloemdek vergroeidCordyline.39.Haemodoraceae.Bloemen met een min of meer vergroeidbladig bloemdek, met 3 meeldraden vóór de binnenste kroonslippen; bloemen regelmatig of een weinig zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig of bovenstandig, 3-hokkig met weinige zaadknoppen in elk hokje; stempel verdikt; kruiden.Planten met onderaardsch rhizoom, met talrijke lijnvormige bladeren en een groote, pluimvormig en regelmatig vertakte bloeiwijze met kleine kortgesteelde bloemenXiphidium.40.Amaryllidaceae.Kenmerken als de Liliaceae, doch vruchtbeginsel steeds onderstandig en aan de basis der meeldraden vaak verbreedingen, die een bijkroon vormen; vrucht een doosvrucht of een bes.1a.Planten met groote vleezige bladeren in een roset, bloeistengel zeer lang en veelbloemig21b.Bladeren niet vleezig, doch kruidachtig32a.Bloemdek bijna trechtervormig, met vrij lange buis; slippen van het bloemdek smal. Meeldraden langer dan het bloemdek, niet verdiktAgave.2b.Bloemdek met zeer korte buis. Meeldraden korter dan het bloemdek, aan de basis sterk verdikt. In de bloeiwijze komen vaak bebladerde knoppen voorFourcroya.Injie-sopo.3a.Bloemen groot, meerdere schermvormig bijeenstaand aan den top van den stengel; scherm vaak aan de basis met eenige bladeren. Planten met een bol43b.Bloemen klein, niet in een scherm staand. Bladeren smal, grasachtig. Planten met een wortelstokHypoxis.4a.Bloemen met een lange dunne buis, wit. Binnen het bloemdek een trechtervormige bijkroon, waarop de meeldraden ingehecht zijnHymenocallis.4b.Bijkroon afwezig of slechts in den vorm van schubben aanwezig55a.Bloemen rood, door een kromming van het vruchtbeginsel naarbeneden gebogen; een weinig zijdelings symmetrisch; buis naar beneden trechtervormig toeloopendHippeastrum.5b.Bloemen wit, rechtopstaand. Bloemdekbladeren smal, plotseling in de dunne buis vereenigdCrinum.43.Dioscoreaceae.Bloemen met een bloemdek, 3-tallig, tweeslachtig, vaak éénslachtig, regelmatig; bloemdek meest niet gekleurd, tot een korte buis vergroeid; soms 3 van de 6 meeldraden staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig; 3- of 1-hokkig, meest met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 3, soms tweedeelig; vrucht een bes; planten klimmend of windend, met meest knolvormige wortelstok en tegenoverstaande of verspreide bladeren.Planten met windende stengel; hart-pijlvormige of handvormig gelobde handnervige bladeren; knolvormig rhizoom, éénslachtige, één of tweehuizige bloemen; ♂ bloemen met 3 of 6 meeldraden; ♀ bloemen met een 3-hoekig vruchtbeginsel en rudimentaire meeldraden; vrucht een 3-hoekige doosvruchtDioscorea.Napi.Orde:Scitamineae.45.Musaceae.Bloemen met bloemdek of met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of mannelijk, regelmatig of zygomorf; bloemkroon gekleurd, meest vergroeidbladig; van 6 meeldraden meest maar 5 met stuifmeel, vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl 3–6-lobbig; vrucht een bes of een doosvrucht; groote kruiden met groote ovale of langwerpige, vinnervige bladeren.1a.Bladeren spiraalsgewijs staande met vele bladscheeden, een schijnstam vormend. Bloemen meest éénslachtig, de drie kelkbladeren en 2 kroonbladeren zijn met elkaar tot een aan één zijde gespleten buis vergroeid; het 3dekroonblad vrij. Meeldraden 5; vrucht een lange besMusa.Bakove.Bana.1b.Bladeren in twee rijen (1 vlak) staande, bloemen 2-slachtig22a.Het kelkblad, dat in één vlak met de as staat naar voren, dus van de as afgekeerd. 5 fertiele meeldraden, het zesde een staminodium, tegen het achterste kroonblad staande. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje. Vrucht een doosvrucht, die in 3 stukken uiteenvalt, waarvan er soms 1 of 2 geen zaden dragen; zaden zonder arillusHeliconia.Popokai-Tongo.2b.Het kelkblad, dat in één vlak staat met de as staat naar achteren, dus naar de as gekeerd. Bloemen wit, een van de kroonbladeren kleiner dan de beide anderen. Meeldraden 5, met lange smalle helmknoppen. Vruchtbeginsels 3-hokkig met meerdere zaadknoppen in ieder hokje. Vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht met vele zaden met een arillusRavenala.Palaloe.46.Zingiberaceae.Bloemen meest met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, zelden éénslachtig, zygomorf; kelk en kroon 3-tallig, vergroeidbladig, van onderen met een buis; slechts 1 meeldraad van de binnenste krans fertiel, daartegenover een lip die gevormd wordt door 2 vergroeide staminodiën, soms ook nog 2 andere staminodiën aanwezig; stijl zeer dun, in een gleuf van de helmknop gelegen; vruchtbeginsel 3-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht meest een doosvrucht met 3 kleppen; overblijvende kruiden vaak met een knolvormige wortelstok.1a.Bloeiwijze bestaande uit elkaar dakpansgewijs bedekkende schubben uit welker oksel de bloemen te voorschijn komen21b.Bloemen in enkelvoudige of samengestelde verlengde trossen62a.De bloeiwijzen staan aan den gewonen bebladerden stengel32b.De bloeiwijzen staan aan het eind van aparte uit den wortelstok te voorschijn komende stengels, die in uiterlijk verschillen van den bladdragenden stengel53a.Bladeren zittend, langwerpig-eirond, bladscheede kokervormig, bladeren beneden de opening van dien koker ingehecht, in een spiraal rondom de stengel staand. Bracteeën der bloeiwijze meest zeer talrijk; bloemen kortgesteeld, met een korte buis, wit, geel of oranje, niet ver buiten de bracteeën uitstekend. Behalve de buisvormige kelk en de 3 kroonslippen is er alleen nog een lip in de bloem aanwezigCostus.Sangrafoe,Ficofico.3b.Bladeren in twee rijen langs den stengel staand. Behalve kelk, kroonslippen en lip zijn er ook nog 2 bladachtige staminodiën in den bloem te vinden44a.Bladeren kortgesteeld, smal. Kroonbuis der bloemen ver buiten de bracteeën uitstekend. Staminodiën wit, lip geel. Meeldraad aan den basis zonder aanhangselsHedychium.4b.Bladeren langgesteeld, breed. Meeldraad aan de basis met 2 aanhangsels. Wortelstok intens geelCurcuma longa.5a.Bloem met een duidelijke 3-lobbige lip, waarvan de middenlob het grootst is, en purper van kleur met gele vlekken. Helmknop aan den top met een buisvormig aanhangsel dat den stijl omsluit, aan de basis zonder spoorvormige aanhangselsZingiber.5b.Lip geel, onduidelijk 3-lobbig, middenlob ingesneden. Helmknop aan den top zonder, aan de basis met 2 spoorvormige aanhangselsCurcuma Zedoaria.6a.Bloeiwijze aan het eind van een met gewone groene bladeren bezette stengel staand, een groote tros vormend. Bloemkroon wit en rood gekleurd, lip geelAlpinia.6b.Bloeistengels en bebladerde stengels naast elkaar uit de wortelstok te voorschijn komend, duidelijk van elkaar verschillend77a.Bloemen alleenstaand aan het eind van den korten bloeistengel. Lip groot; aanhangsel aan den top van de helmknop breed, ingesnedenAframomum.Ningre-Kondre-pepre.7b.Bloemen in lange trossen of pluimen. Geen aanhangsel aan den top van den helmknopRenealmia.Massoesa.47.Cannaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; kelkbladeren 3, bloembladeren 3, van onderen vergroeid; meeldraden 1–5, van onderen met de kroonbuis vergroeid; maar slechts één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft staminodiaal en bloembladachtig, de overige meeldraden alle bloembladachtig; stijl dik bladachtig, met een scheeve stempel; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig; met 2 rijen van zaadknoppen in ieder hokje; vruchten gestekeld; overblijvende kruiden met groote vinnervige bladeren; bloeiwijze aarvormig met groote bloemen.Eenige geslachtCanna.Sakka-sirie,Krekrere.48.Marantaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; meeldraden 4–5, maar alleen één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft bloembladachtig verbreed; de beide andere binnenste en 1 of 2 van de buitenste meeldraden staminodiaal en bloembladachtig; een er van kapvormig; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig, of doordat 2 van de hokjes niet ontwikkeld zijn, éénhokkig; ieder hokje met 1 zaadknop; stijl sterk gekromd met scheeve, vaak gelobde top; overblijvende kruiden met 2-rijige, vinnervige, meest ongelijkzijdige bladeren, met een aanzwelling aan den top van de bladsteel.1a.Bloemen in meest dichtgedrongen hoofdjes, soms een weinig verder van elkaar, aan het eind van den steeds geheel onvertakten bloeistengel staande; zeer zelden is de bloeistengel zoo kort dat de bloemen tusschen de bladscheeden staan. Vruchtbeginsel 3-hokkig, vrucht met 3 kleppen openspringend met 3 zadenCalathea.1b.Vruchtbeginsel 1-hokkig, met maar 1 zaadknop; vrucht 1-zadig; bloeiwijzen bijna steeds meermalen vertakt22a.Bracteeën in 2 rijen langs den wijdvertakten, doch slechts weinig bloemen dragende bloeistengel, meest spoedig afvallend. Twee groote bladachtige staminodiën in den bloem. Bladeren homotroop.Maranta.Arrow-root.2b.Bracteeën niet in twee rijen, doch dorsiventraal geplaatst33a.Bracteeën spoedig na den bloei afvallend, daardoor aan den as een lidteeken achterlatend; op deze plaats is de as knievormig gebogen. Slechts 1 buitenstaminodium met 2 aanhangsels. Bladeren homotroop; vrucht niet openspringendThalia.3b.Bracteeën blijvend na den bloei44a.Bracteeën breed, meest elkaar dakpansgewijs bedekkend, bloeiwijze kort, hoofdas onvertakt, 2 of meer paar bloemen in den oksel van een bractee. Buitenstaminodiën 2. Bladeren homotroop.Myrosma.4b.Bracteeën zeer lang en smal, buisvormig in elkaar gerold, een lange, dunne cylindrische vertakte of onvertakte bloeiwijze vormend. Steeds slechts 1 buitenstaminodium in de bloem55a.Bloeiwijze onvertakt, slechts één dunne cylindrische aar vormend. In den oksel van elke bractee zitten de bloemen in parenIschnosiphon.Warimbo.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, min of meer pluimvormig. Bloemen alleenstaand in den oksel der bracteeënMonotagma.

Orde:Synanthae.22.Cyclanthaceae.Mannelijke en vrouwelijke bloemen regelmatig verdeeld over de oppervlakte van een sappige onvertakte kolf, die door 2–6 later afvallende scheeden omhuld is; mannelijke bloemen naakt of met een dik, kort-getand bloemdek en 6 tot vele meeldraden; vrouwelijke bloemen naakt of met 4 schubvormige blaadjes; voor elk ervan staat een draadvormig staminodium; vruchtbeginsel 1, met 2 of 4 zaadlijsten en vele zaadknoppen, in de kolf verborgen; vrucht een bes met vele zaden; planten met korte stammen of geheel kruidachtig, soms epiphyten; bladeren op palmbladeren gelijkend.1a.Bladeren aan den top ingesneden, tweespletig tot twee-deelig. Bloemdek van de ♂ bloemen met 4 korte bladachtige slippen; bloemdek van de ♀ bloemen weinig buiten de oppervlakte van de kolf uitstekendCarludovica.1b.Bladeren niet ingesneden, lancetvormig. Bloemdek der ♂ bloemen rudimentair, uit een korte ring bestaande; dat der ♀ bloemen met lange bloemdekslippen, die buiten de oppervlakte van de kolf uitstekenLudovia.

Orde:Synanthae.22.Cyclanthaceae.Mannelijke en vrouwelijke bloemen regelmatig verdeeld over de oppervlakte van een sappige onvertakte kolf, die door 2–6 later afvallende scheeden omhuld is; mannelijke bloemen naakt of met een dik, kort-getand bloemdek en 6 tot vele meeldraden; vrouwelijke bloemen naakt of met 4 schubvormige blaadjes; voor elk ervan staat een draadvormig staminodium; vruchtbeginsel 1, met 2 of 4 zaadlijsten en vele zaadknoppen, in de kolf verborgen; vrucht een bes met vele zaden; planten met korte stammen of geheel kruidachtig, soms epiphyten; bladeren op palmbladeren gelijkend.1a.Bladeren aan den top ingesneden, tweespletig tot twee-deelig. Bloemdek van de ♂ bloemen met 4 korte bladachtige slippen; bloemdek van de ♀ bloemen weinig buiten de oppervlakte van de kolf uitstekendCarludovica.1b.Bladeren niet ingesneden, lancetvormig. Bloemdek der ♂ bloemen rudimentair, uit een korte ring bestaande; dat der ♀ bloemen met lange bloemdekslippen, die buiten de oppervlakte van de kolf uitstekenLudovia.

22.Cyclanthaceae.Mannelijke en vrouwelijke bloemen regelmatig verdeeld over de oppervlakte van een sappige onvertakte kolf, die door 2–6 later afvallende scheeden omhuld is; mannelijke bloemen naakt of met een dik, kort-getand bloemdek en 6 tot vele meeldraden; vrouwelijke bloemen naakt of met 4 schubvormige blaadjes; voor elk ervan staat een draadvormig staminodium; vruchtbeginsel 1, met 2 of 4 zaadlijsten en vele zaadknoppen, in de kolf verborgen; vrucht een bes met vele zaden; planten met korte stammen of geheel kruidachtig, soms epiphyten; bladeren op palmbladeren gelijkend.1a.Bladeren aan den top ingesneden, tweespletig tot twee-deelig. Bloemdek van de ♂ bloemen met 4 korte bladachtige slippen; bloemdek van de ♀ bloemen weinig buiten de oppervlakte van de kolf uitstekendCarludovica.1b.Bladeren niet ingesneden, lancetvormig. Bloemdek der ♂ bloemen rudimentair, uit een korte ring bestaande; dat der ♀ bloemen met lange bloemdekslippen, die buiten de oppervlakte van de kolf uitstekenLudovia.

22.Cyclanthaceae.

Mannelijke en vrouwelijke bloemen regelmatig verdeeld over de oppervlakte van een sappige onvertakte kolf, die door 2–6 later afvallende scheeden omhuld is; mannelijke bloemen naakt of met een dik, kort-getand bloemdek en 6 tot vele meeldraden; vrouwelijke bloemen naakt of met 4 schubvormige blaadjes; voor elk ervan staat een draadvormig staminodium; vruchtbeginsel 1, met 2 of 4 zaadlijsten en vele zaadknoppen, in de kolf verborgen; vrucht een bes met vele zaden; planten met korte stammen of geheel kruidachtig, soms epiphyten; bladeren op palmbladeren gelijkend.1a.Bladeren aan den top ingesneden, tweespletig tot twee-deelig. Bloemdek van de ♂ bloemen met 4 korte bladachtige slippen; bloemdek van de ♀ bloemen weinig buiten de oppervlakte van de kolf uitstekendCarludovica.1b.Bladeren niet ingesneden, lancetvormig. Bloemdek der ♂ bloemen rudimentair, uit een korte ring bestaande; dat der ♀ bloemen met lange bloemdekslippen, die buiten de oppervlakte van de kolf uitstekenLudovia.

Mannelijke en vrouwelijke bloemen regelmatig verdeeld over de oppervlakte van een sappige onvertakte kolf, die door 2–6 later afvallende scheeden omhuld is; mannelijke bloemen naakt of met een dik, kort-getand bloemdek en 6 tot vele meeldraden; vrouwelijke bloemen naakt of met 4 schubvormige blaadjes; voor elk ervan staat een draadvormig staminodium; vruchtbeginsel 1, met 2 of 4 zaadlijsten en vele zaadknoppen, in de kolf verborgen; vrucht een bes met vele zaden; planten met korte stammen of geheel kruidachtig, soms epiphyten; bladeren op palmbladeren gelijkend.

1a.Bladeren aan den top ingesneden, tweespletig tot twee-deelig. Bloemdek van de ♂ bloemen met 4 korte bladachtige slippen; bloemdek van de ♀ bloemen weinig buiten de oppervlakte van de kolf uitstekendCarludovica.

1b.Bladeren niet ingesneden, lancetvormig. Bloemdek der ♂ bloemen rudimentair, uit een korte ring bestaande; dat der ♀ bloemen met lange bloemdekslippen, die buiten de oppervlakte van de kolf uitstekenLudovia.

Orde:Spathiflorae.23.Araceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2–3-tallig of soms gereduceerd tot één meeldraad of één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes, zelden niet sappig; kruiden, vaak met knolvormigen wortelstok, ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2–3 in een aar of een kolf, deze omhuld door één scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.1a.Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset, omgekeerd-eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein, met geelgroene spatha; één ♀ bloem en 2–8 ♂ bloemenPistia.1b.Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem vastzitten22a.De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop òf slechts 1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide tegelijk ontwikkeld.) Blad zeer groot op een lange rechtopstaande steel, bladschijf meerdere malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze veel kleiner dan het blad, met een donker gekleurde bloeischeede en tweeslachtige bloemenDracontium.Sneki-tajer.2b.Plant meerdere bladeren en bloemen tegelijk dragend33a.Forsche, vaak gestekelde, rechtopstaande stengels met meerderebladeren. Plant steeds in het water groeiend, in den bodem wortelend; bloeischeede groenachtig wit, groot; bloeikolf van boven ♂, in het onderste ¼ deel ♀ bloemen dragend; bladeren pijlvormig.Montrichardia.Mokko-mokko.3b.Planten niet in het water groeiend, of als zij in het water voorkomen, dan geen rechtopstaande stengel aanwezig44a.Bladeren schildvormig en pijlvormig, dus bladsteel niet aan den bladrand ingehecht54b.Bladeren met een aan de bladrand ingehechte bladsteel65a.Stengel alleen beneden den grond ontwikkeld, zeer kort, min of meer knolvormig; bladeren vaak roodgevlekt, in een roset staande uit welks midden slechts de gesteelde bloeikolf te voorschijn komt, die boven de ♂, onder de ♀ bloemen draagt; kolf aan den top zonder aanhangselCaladium.Jabba-foetoe.5b.Stengel onder den grond knolvormig, boven den grond soms als een stam ontwikkeld; bladeren groot; kolf met een lang-kegelvormig of spits aanhangsel aan den topColocasia.Tajer.6a.Bloeiwijze op een lange steel; bloeischeede ongeveer 5 × langer dan de bloeikolf, aan den top als een kurketrekker gewonden; bloeikolf binnen de scheede kort gesteeld, dicht bezet met 2-slachtige bloemen, die een 4-bladig bloemdek, 4 meeldraden en een eenhokkig vruchtbeginsel hebben met 1–2 zaadknoppen. Bladeren pijlvormig, diep vinspletigCyrtosperma.6b.Bloeischeede niet zooveel langer dan de kolf en in ieder geval niet kurketrekkervormig gedraaid77a.Planten op den bodem groeiend. Stengel onderaardsch of bijna ontbrekend87b.Planten klimmend of epiphytisch of als ze op den grond groeien met goed ontwikkelde bovenaardsche stengel98a.Onderaardsche wortelstok. Bladeren langgesteeld, pijlvormig, 3-lobbig, met smalle 3-hoekige eindlob en evenlange doch smallere zijlobben. Bloeischeede veel langer dan de spadix, smal, lancetvormig. Spadix binnen de scheede gesteeld, deze steel voor het grootste deel met de spatha vergroeid, boven tweeslachtige bloemen dragende met 4–6 bloemdekbladen, 4–6 meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginselUrospatha.8b.Bebladerde stengel zeer kort, daardoor bladeren in een wortelrozet, pijlvormig tot 3-lobbig, soms de lobben nog meer (doch steeds handvormig) ingesneden. Spatha van onderen buisvormig opgerold; blijvend. Spadix van onderen ♀ bloemen dragend met een schijfvormige stijl, welke stijlen alle met de randen aan elkaar gegroeid zijn; boven het ♀ stuk een verdund deel met steriele ♂ bloemen, tenslotte van boven een knotsvormig deel met ♂ bloemen, die 4–6 met elkaar tot één geheel vergroeide meeldraden dragenXanthosoma.9a.Bloeikolf met tweeslachtige, hoogstens aan den voet met steriele bloemen bezet109b.Bloeikolf boven ♂, onder ♀ bloemen dragend1310a.Bloemen met een bloemdek1110b.Bloemen alleen met meeldraden en vruchtbeginsel1211a.Internodiën meest zeer kort, en dan epiphytische planten, zeldenverlengd; bladeren enkelvoudig, lancetvormig, aan de basis versmald of zelden met hartvormige voet; in een enkel geval handvormig samengesteld, 5-tallig; zijnerven van de 1steorde parallel, van de 2deen 3deorde netvormig verbonden; spatha tijdens de bloei den kolf niet omhullend, vrij klein. Bloemen met 4 bloemdekbladeren, 4 afgeplatte meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginsel zonder stijl en een 2-lobbige stempelAnthurium.11b.Stengel met vrij korte internodiën, niet klimmend. Bladeren enkelvoudig, langwerpig, toegespitst, bladsteel rijdend, met lange bladscheede, aan de basis van de bladschijf een weinig verdikt. Zijnerven van de 1steen 2deorde evenwijdig loopend. Bloeischeede een weinig langs de bloeistengel afloopend, blijvend. Bloemen met 3 + 3 perigoonbladeren, 3 + 3 meeldraden en een 3-hokkig vruchtbeginselSpathiphyllum.12a.Klimmende stengels met korte internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig-eirond, zonder gaten, zijnerven van de 2deen 3deorde onderling evenwijdig loopend. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel vierhoekig, tweehokkig, vele zaadknoppen in elk hokje. Vrucht een veelzadige besRhodospatha.12b.Klimmende stengels met lange internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig tot eirond, vaak (niet altijd) met gaten; zijnerven van de 2deen 3deorde niet parallel maar netvormig verbonden. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel omgekeerd kegelvormig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een 1- tot 3-zadige besMonstera.13a.Stengel rechtopstaand, zonder luchtwortels en niet klimmend. Bladeren vrij groot, eirond, toegespitst aan den top met afgeronde of eenigszins hartvormige voet. Spatha groengeel, zeer lang, even lang als de spadix en deze van onderen blijvend omsluitend; ♂ bloemen met 4–5 meeldraden, die geheel met elkaar vergroeid zijn, ♀ bloemen aan de basis van de spadix vrij ver van elkaar verwijderd met 4–5 afstaande staminodiën en een eirond 2–3-lobbig en 2–3-hokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop in elk hokje.Dieffenbachia.Donkè.13b.Planten met liggende of klimmende stengel meest met luchtwortels1414a.Planten epiphytisch levend, vaker in den grond wortelend met klimmende of liggende stengel en korte of lange internodiën. Bladeren enkelvoudig of op verschillende wijze ingesneden. Spadix van boven ♂ bloemen dragend met 2, 3, 5 of 6 meeldraden, die los tegen een afgeknotte meerzijdige zuil zitten; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met vele zaadknoppen in elk hokjePhilodendron.14b.Stammen klimmend met luchtwortels en lange internodiën. Bladeren handvormig samengesteld. ♂ bloemen aan het bovenstuk van de spadix, uit 4 geheel met elkaar vergroeide meeldraden bestaande; ♀ bloemen aan het onderste deel, alle met elkaar vergroeid, en daardoor ook de vruchten geheel met elkaar verbonden. Vruchtbeginsel 2- of 1-hokkig met 1 zaadknopSyngonium.24.Lemnaceae.Bloemen éénslachtig, naakt, éénhuizig; mannelijke bloemen met één meeldraad, vrouwelijke bloemen met één vruchtbeginsel en 1–6 zaadknoppen; losdrijvende waterplanten.1a.Aan elke spruit slechts één wortel; onderzijde van de plant groenLemna.1b.Aan elke spruit meerdere wortels, onderzijde van de plant bijna steeds roodSpirodela.

Orde:Spathiflorae.23.Araceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2–3-tallig of soms gereduceerd tot één meeldraad of één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes, zelden niet sappig; kruiden, vaak met knolvormigen wortelstok, ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2–3 in een aar of een kolf, deze omhuld door één scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.1a.Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset, omgekeerd-eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein, met geelgroene spatha; één ♀ bloem en 2–8 ♂ bloemenPistia.1b.Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem vastzitten22a.De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop òf slechts 1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide tegelijk ontwikkeld.) Blad zeer groot op een lange rechtopstaande steel, bladschijf meerdere malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze veel kleiner dan het blad, met een donker gekleurde bloeischeede en tweeslachtige bloemenDracontium.Sneki-tajer.2b.Plant meerdere bladeren en bloemen tegelijk dragend33a.Forsche, vaak gestekelde, rechtopstaande stengels met meerderebladeren. Plant steeds in het water groeiend, in den bodem wortelend; bloeischeede groenachtig wit, groot; bloeikolf van boven ♂, in het onderste ¼ deel ♀ bloemen dragend; bladeren pijlvormig.Montrichardia.Mokko-mokko.3b.Planten niet in het water groeiend, of als zij in het water voorkomen, dan geen rechtopstaande stengel aanwezig44a.Bladeren schildvormig en pijlvormig, dus bladsteel niet aan den bladrand ingehecht54b.Bladeren met een aan de bladrand ingehechte bladsteel65a.Stengel alleen beneden den grond ontwikkeld, zeer kort, min of meer knolvormig; bladeren vaak roodgevlekt, in een roset staande uit welks midden slechts de gesteelde bloeikolf te voorschijn komt, die boven de ♂, onder de ♀ bloemen draagt; kolf aan den top zonder aanhangselCaladium.Jabba-foetoe.5b.Stengel onder den grond knolvormig, boven den grond soms als een stam ontwikkeld; bladeren groot; kolf met een lang-kegelvormig of spits aanhangsel aan den topColocasia.Tajer.6a.Bloeiwijze op een lange steel; bloeischeede ongeveer 5 × langer dan de bloeikolf, aan den top als een kurketrekker gewonden; bloeikolf binnen de scheede kort gesteeld, dicht bezet met 2-slachtige bloemen, die een 4-bladig bloemdek, 4 meeldraden en een eenhokkig vruchtbeginsel hebben met 1–2 zaadknoppen. Bladeren pijlvormig, diep vinspletigCyrtosperma.6b.Bloeischeede niet zooveel langer dan de kolf en in ieder geval niet kurketrekkervormig gedraaid77a.Planten op den bodem groeiend. Stengel onderaardsch of bijna ontbrekend87b.Planten klimmend of epiphytisch of als ze op den grond groeien met goed ontwikkelde bovenaardsche stengel98a.Onderaardsche wortelstok. Bladeren langgesteeld, pijlvormig, 3-lobbig, met smalle 3-hoekige eindlob en evenlange doch smallere zijlobben. Bloeischeede veel langer dan de spadix, smal, lancetvormig. Spadix binnen de scheede gesteeld, deze steel voor het grootste deel met de spatha vergroeid, boven tweeslachtige bloemen dragende met 4–6 bloemdekbladen, 4–6 meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginselUrospatha.8b.Bebladerde stengel zeer kort, daardoor bladeren in een wortelrozet, pijlvormig tot 3-lobbig, soms de lobben nog meer (doch steeds handvormig) ingesneden. Spatha van onderen buisvormig opgerold; blijvend. Spadix van onderen ♀ bloemen dragend met een schijfvormige stijl, welke stijlen alle met de randen aan elkaar gegroeid zijn; boven het ♀ stuk een verdund deel met steriele ♂ bloemen, tenslotte van boven een knotsvormig deel met ♂ bloemen, die 4–6 met elkaar tot één geheel vergroeide meeldraden dragenXanthosoma.9a.Bloeikolf met tweeslachtige, hoogstens aan den voet met steriele bloemen bezet109b.Bloeikolf boven ♂, onder ♀ bloemen dragend1310a.Bloemen met een bloemdek1110b.Bloemen alleen met meeldraden en vruchtbeginsel1211a.Internodiën meest zeer kort, en dan epiphytische planten, zeldenverlengd; bladeren enkelvoudig, lancetvormig, aan de basis versmald of zelden met hartvormige voet; in een enkel geval handvormig samengesteld, 5-tallig; zijnerven van de 1steorde parallel, van de 2deen 3deorde netvormig verbonden; spatha tijdens de bloei den kolf niet omhullend, vrij klein. Bloemen met 4 bloemdekbladeren, 4 afgeplatte meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginsel zonder stijl en een 2-lobbige stempelAnthurium.11b.Stengel met vrij korte internodiën, niet klimmend. Bladeren enkelvoudig, langwerpig, toegespitst, bladsteel rijdend, met lange bladscheede, aan de basis van de bladschijf een weinig verdikt. Zijnerven van de 1steen 2deorde evenwijdig loopend. Bloeischeede een weinig langs de bloeistengel afloopend, blijvend. Bloemen met 3 + 3 perigoonbladeren, 3 + 3 meeldraden en een 3-hokkig vruchtbeginselSpathiphyllum.12a.Klimmende stengels met korte internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig-eirond, zonder gaten, zijnerven van de 2deen 3deorde onderling evenwijdig loopend. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel vierhoekig, tweehokkig, vele zaadknoppen in elk hokje. Vrucht een veelzadige besRhodospatha.12b.Klimmende stengels met lange internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig tot eirond, vaak (niet altijd) met gaten; zijnerven van de 2deen 3deorde niet parallel maar netvormig verbonden. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel omgekeerd kegelvormig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een 1- tot 3-zadige besMonstera.13a.Stengel rechtopstaand, zonder luchtwortels en niet klimmend. Bladeren vrij groot, eirond, toegespitst aan den top met afgeronde of eenigszins hartvormige voet. Spatha groengeel, zeer lang, even lang als de spadix en deze van onderen blijvend omsluitend; ♂ bloemen met 4–5 meeldraden, die geheel met elkaar vergroeid zijn, ♀ bloemen aan de basis van de spadix vrij ver van elkaar verwijderd met 4–5 afstaande staminodiën en een eirond 2–3-lobbig en 2–3-hokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop in elk hokje.Dieffenbachia.Donkè.13b.Planten met liggende of klimmende stengel meest met luchtwortels1414a.Planten epiphytisch levend, vaker in den grond wortelend met klimmende of liggende stengel en korte of lange internodiën. Bladeren enkelvoudig of op verschillende wijze ingesneden. Spadix van boven ♂ bloemen dragend met 2, 3, 5 of 6 meeldraden, die los tegen een afgeknotte meerzijdige zuil zitten; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met vele zaadknoppen in elk hokjePhilodendron.14b.Stammen klimmend met luchtwortels en lange internodiën. Bladeren handvormig samengesteld. ♂ bloemen aan het bovenstuk van de spadix, uit 4 geheel met elkaar vergroeide meeldraden bestaande; ♀ bloemen aan het onderste deel, alle met elkaar vergroeid, en daardoor ook de vruchten geheel met elkaar verbonden. Vruchtbeginsel 2- of 1-hokkig met 1 zaadknopSyngonium.24.Lemnaceae.Bloemen éénslachtig, naakt, éénhuizig; mannelijke bloemen met één meeldraad, vrouwelijke bloemen met één vruchtbeginsel en 1–6 zaadknoppen; losdrijvende waterplanten.1a.Aan elke spruit slechts één wortel; onderzijde van de plant groenLemna.1b.Aan elke spruit meerdere wortels, onderzijde van de plant bijna steeds roodSpirodela.

23.Araceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2–3-tallig of soms gereduceerd tot één meeldraad of één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes, zelden niet sappig; kruiden, vaak met knolvormigen wortelstok, ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2–3 in een aar of een kolf, deze omhuld door één scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.1a.Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset, omgekeerd-eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein, met geelgroene spatha; één ♀ bloem en 2–8 ♂ bloemenPistia.1b.Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem vastzitten22a.De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop òf slechts 1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide tegelijk ontwikkeld.) Blad zeer groot op een lange rechtopstaande steel, bladschijf meerdere malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze veel kleiner dan het blad, met een donker gekleurde bloeischeede en tweeslachtige bloemenDracontium.Sneki-tajer.2b.Plant meerdere bladeren en bloemen tegelijk dragend33a.Forsche, vaak gestekelde, rechtopstaande stengels met meerderebladeren. Plant steeds in het water groeiend, in den bodem wortelend; bloeischeede groenachtig wit, groot; bloeikolf van boven ♂, in het onderste ¼ deel ♀ bloemen dragend; bladeren pijlvormig.Montrichardia.Mokko-mokko.3b.Planten niet in het water groeiend, of als zij in het water voorkomen, dan geen rechtopstaande stengel aanwezig44a.Bladeren schildvormig en pijlvormig, dus bladsteel niet aan den bladrand ingehecht54b.Bladeren met een aan de bladrand ingehechte bladsteel65a.Stengel alleen beneden den grond ontwikkeld, zeer kort, min of meer knolvormig; bladeren vaak roodgevlekt, in een roset staande uit welks midden slechts de gesteelde bloeikolf te voorschijn komt, die boven de ♂, onder de ♀ bloemen draagt; kolf aan den top zonder aanhangselCaladium.Jabba-foetoe.5b.Stengel onder den grond knolvormig, boven den grond soms als een stam ontwikkeld; bladeren groot; kolf met een lang-kegelvormig of spits aanhangsel aan den topColocasia.Tajer.6a.Bloeiwijze op een lange steel; bloeischeede ongeveer 5 × langer dan de bloeikolf, aan den top als een kurketrekker gewonden; bloeikolf binnen de scheede kort gesteeld, dicht bezet met 2-slachtige bloemen, die een 4-bladig bloemdek, 4 meeldraden en een eenhokkig vruchtbeginsel hebben met 1–2 zaadknoppen. Bladeren pijlvormig, diep vinspletigCyrtosperma.6b.Bloeischeede niet zooveel langer dan de kolf en in ieder geval niet kurketrekkervormig gedraaid77a.Planten op den bodem groeiend. Stengel onderaardsch of bijna ontbrekend87b.Planten klimmend of epiphytisch of als ze op den grond groeien met goed ontwikkelde bovenaardsche stengel98a.Onderaardsche wortelstok. Bladeren langgesteeld, pijlvormig, 3-lobbig, met smalle 3-hoekige eindlob en evenlange doch smallere zijlobben. Bloeischeede veel langer dan de spadix, smal, lancetvormig. Spadix binnen de scheede gesteeld, deze steel voor het grootste deel met de spatha vergroeid, boven tweeslachtige bloemen dragende met 4–6 bloemdekbladen, 4–6 meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginselUrospatha.8b.Bebladerde stengel zeer kort, daardoor bladeren in een wortelrozet, pijlvormig tot 3-lobbig, soms de lobben nog meer (doch steeds handvormig) ingesneden. Spatha van onderen buisvormig opgerold; blijvend. Spadix van onderen ♀ bloemen dragend met een schijfvormige stijl, welke stijlen alle met de randen aan elkaar gegroeid zijn; boven het ♀ stuk een verdund deel met steriele ♂ bloemen, tenslotte van boven een knotsvormig deel met ♂ bloemen, die 4–6 met elkaar tot één geheel vergroeide meeldraden dragenXanthosoma.9a.Bloeikolf met tweeslachtige, hoogstens aan den voet met steriele bloemen bezet109b.Bloeikolf boven ♂, onder ♀ bloemen dragend1310a.Bloemen met een bloemdek1110b.Bloemen alleen met meeldraden en vruchtbeginsel1211a.Internodiën meest zeer kort, en dan epiphytische planten, zeldenverlengd; bladeren enkelvoudig, lancetvormig, aan de basis versmald of zelden met hartvormige voet; in een enkel geval handvormig samengesteld, 5-tallig; zijnerven van de 1steorde parallel, van de 2deen 3deorde netvormig verbonden; spatha tijdens de bloei den kolf niet omhullend, vrij klein. Bloemen met 4 bloemdekbladeren, 4 afgeplatte meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginsel zonder stijl en een 2-lobbige stempelAnthurium.11b.Stengel met vrij korte internodiën, niet klimmend. Bladeren enkelvoudig, langwerpig, toegespitst, bladsteel rijdend, met lange bladscheede, aan de basis van de bladschijf een weinig verdikt. Zijnerven van de 1steen 2deorde evenwijdig loopend. Bloeischeede een weinig langs de bloeistengel afloopend, blijvend. Bloemen met 3 + 3 perigoonbladeren, 3 + 3 meeldraden en een 3-hokkig vruchtbeginselSpathiphyllum.12a.Klimmende stengels met korte internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig-eirond, zonder gaten, zijnerven van de 2deen 3deorde onderling evenwijdig loopend. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel vierhoekig, tweehokkig, vele zaadknoppen in elk hokje. Vrucht een veelzadige besRhodospatha.12b.Klimmende stengels met lange internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig tot eirond, vaak (niet altijd) met gaten; zijnerven van de 2deen 3deorde niet parallel maar netvormig verbonden. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel omgekeerd kegelvormig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een 1- tot 3-zadige besMonstera.13a.Stengel rechtopstaand, zonder luchtwortels en niet klimmend. Bladeren vrij groot, eirond, toegespitst aan den top met afgeronde of eenigszins hartvormige voet. Spatha groengeel, zeer lang, even lang als de spadix en deze van onderen blijvend omsluitend; ♂ bloemen met 4–5 meeldraden, die geheel met elkaar vergroeid zijn, ♀ bloemen aan de basis van de spadix vrij ver van elkaar verwijderd met 4–5 afstaande staminodiën en een eirond 2–3-lobbig en 2–3-hokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop in elk hokje.Dieffenbachia.Donkè.13b.Planten met liggende of klimmende stengel meest met luchtwortels1414a.Planten epiphytisch levend, vaker in den grond wortelend met klimmende of liggende stengel en korte of lange internodiën. Bladeren enkelvoudig of op verschillende wijze ingesneden. Spadix van boven ♂ bloemen dragend met 2, 3, 5 of 6 meeldraden, die los tegen een afgeknotte meerzijdige zuil zitten; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met vele zaadknoppen in elk hokjePhilodendron.14b.Stammen klimmend met luchtwortels en lange internodiën. Bladeren handvormig samengesteld. ♂ bloemen aan het bovenstuk van de spadix, uit 4 geheel met elkaar vergroeide meeldraden bestaande; ♀ bloemen aan het onderste deel, alle met elkaar vergroeid, en daardoor ook de vruchten geheel met elkaar verbonden. Vruchtbeginsel 2- of 1-hokkig met 1 zaadknopSyngonium.

23.Araceae.

Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2–3-tallig of soms gereduceerd tot één meeldraad of één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes, zelden niet sappig; kruiden, vaak met knolvormigen wortelstok, ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2–3 in een aar of een kolf, deze omhuld door één scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.1a.Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset, omgekeerd-eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein, met geelgroene spatha; één ♀ bloem en 2–8 ♂ bloemenPistia.1b.Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem vastzitten22a.De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop òf slechts 1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide tegelijk ontwikkeld.) Blad zeer groot op een lange rechtopstaande steel, bladschijf meerdere malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze veel kleiner dan het blad, met een donker gekleurde bloeischeede en tweeslachtige bloemenDracontium.Sneki-tajer.2b.Plant meerdere bladeren en bloemen tegelijk dragend33a.Forsche, vaak gestekelde, rechtopstaande stengels met meerderebladeren. Plant steeds in het water groeiend, in den bodem wortelend; bloeischeede groenachtig wit, groot; bloeikolf van boven ♂, in het onderste ¼ deel ♀ bloemen dragend; bladeren pijlvormig.Montrichardia.Mokko-mokko.3b.Planten niet in het water groeiend, of als zij in het water voorkomen, dan geen rechtopstaande stengel aanwezig44a.Bladeren schildvormig en pijlvormig, dus bladsteel niet aan den bladrand ingehecht54b.Bladeren met een aan de bladrand ingehechte bladsteel65a.Stengel alleen beneden den grond ontwikkeld, zeer kort, min of meer knolvormig; bladeren vaak roodgevlekt, in een roset staande uit welks midden slechts de gesteelde bloeikolf te voorschijn komt, die boven de ♂, onder de ♀ bloemen draagt; kolf aan den top zonder aanhangselCaladium.Jabba-foetoe.5b.Stengel onder den grond knolvormig, boven den grond soms als een stam ontwikkeld; bladeren groot; kolf met een lang-kegelvormig of spits aanhangsel aan den topColocasia.Tajer.6a.Bloeiwijze op een lange steel; bloeischeede ongeveer 5 × langer dan de bloeikolf, aan den top als een kurketrekker gewonden; bloeikolf binnen de scheede kort gesteeld, dicht bezet met 2-slachtige bloemen, die een 4-bladig bloemdek, 4 meeldraden en een eenhokkig vruchtbeginsel hebben met 1–2 zaadknoppen. Bladeren pijlvormig, diep vinspletigCyrtosperma.6b.Bloeischeede niet zooveel langer dan de kolf en in ieder geval niet kurketrekkervormig gedraaid77a.Planten op den bodem groeiend. Stengel onderaardsch of bijna ontbrekend87b.Planten klimmend of epiphytisch of als ze op den grond groeien met goed ontwikkelde bovenaardsche stengel98a.Onderaardsche wortelstok. Bladeren langgesteeld, pijlvormig, 3-lobbig, met smalle 3-hoekige eindlob en evenlange doch smallere zijlobben. Bloeischeede veel langer dan de spadix, smal, lancetvormig. Spadix binnen de scheede gesteeld, deze steel voor het grootste deel met de spatha vergroeid, boven tweeslachtige bloemen dragende met 4–6 bloemdekbladen, 4–6 meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginselUrospatha.8b.Bebladerde stengel zeer kort, daardoor bladeren in een wortelrozet, pijlvormig tot 3-lobbig, soms de lobben nog meer (doch steeds handvormig) ingesneden. Spatha van onderen buisvormig opgerold; blijvend. Spadix van onderen ♀ bloemen dragend met een schijfvormige stijl, welke stijlen alle met de randen aan elkaar gegroeid zijn; boven het ♀ stuk een verdund deel met steriele ♂ bloemen, tenslotte van boven een knotsvormig deel met ♂ bloemen, die 4–6 met elkaar tot één geheel vergroeide meeldraden dragenXanthosoma.9a.Bloeikolf met tweeslachtige, hoogstens aan den voet met steriele bloemen bezet109b.Bloeikolf boven ♂, onder ♀ bloemen dragend1310a.Bloemen met een bloemdek1110b.Bloemen alleen met meeldraden en vruchtbeginsel1211a.Internodiën meest zeer kort, en dan epiphytische planten, zeldenverlengd; bladeren enkelvoudig, lancetvormig, aan de basis versmald of zelden met hartvormige voet; in een enkel geval handvormig samengesteld, 5-tallig; zijnerven van de 1steorde parallel, van de 2deen 3deorde netvormig verbonden; spatha tijdens de bloei den kolf niet omhullend, vrij klein. Bloemen met 4 bloemdekbladeren, 4 afgeplatte meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginsel zonder stijl en een 2-lobbige stempelAnthurium.11b.Stengel met vrij korte internodiën, niet klimmend. Bladeren enkelvoudig, langwerpig, toegespitst, bladsteel rijdend, met lange bladscheede, aan de basis van de bladschijf een weinig verdikt. Zijnerven van de 1steen 2deorde evenwijdig loopend. Bloeischeede een weinig langs de bloeistengel afloopend, blijvend. Bloemen met 3 + 3 perigoonbladeren, 3 + 3 meeldraden en een 3-hokkig vruchtbeginselSpathiphyllum.12a.Klimmende stengels met korte internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig-eirond, zonder gaten, zijnerven van de 2deen 3deorde onderling evenwijdig loopend. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel vierhoekig, tweehokkig, vele zaadknoppen in elk hokje. Vrucht een veelzadige besRhodospatha.12b.Klimmende stengels met lange internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig tot eirond, vaak (niet altijd) met gaten; zijnerven van de 2deen 3deorde niet parallel maar netvormig verbonden. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel omgekeerd kegelvormig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een 1- tot 3-zadige besMonstera.13a.Stengel rechtopstaand, zonder luchtwortels en niet klimmend. Bladeren vrij groot, eirond, toegespitst aan den top met afgeronde of eenigszins hartvormige voet. Spatha groengeel, zeer lang, even lang als de spadix en deze van onderen blijvend omsluitend; ♂ bloemen met 4–5 meeldraden, die geheel met elkaar vergroeid zijn, ♀ bloemen aan de basis van de spadix vrij ver van elkaar verwijderd met 4–5 afstaande staminodiën en een eirond 2–3-lobbig en 2–3-hokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop in elk hokje.Dieffenbachia.Donkè.13b.Planten met liggende of klimmende stengel meest met luchtwortels1414a.Planten epiphytisch levend, vaker in den grond wortelend met klimmende of liggende stengel en korte of lange internodiën. Bladeren enkelvoudig of op verschillende wijze ingesneden. Spadix van boven ♂ bloemen dragend met 2, 3, 5 of 6 meeldraden, die los tegen een afgeknotte meerzijdige zuil zitten; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met vele zaadknoppen in elk hokjePhilodendron.14b.Stammen klimmend met luchtwortels en lange internodiën. Bladeren handvormig samengesteld. ♂ bloemen aan het bovenstuk van de spadix, uit 4 geheel met elkaar vergroeide meeldraden bestaande; ♀ bloemen aan het onderste deel, alle met elkaar vergroeid, en daardoor ook de vruchten geheel met elkaar verbonden. Vruchtbeginsel 2- of 1-hokkig met 1 zaadknopSyngonium.

Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2–3-tallig of soms gereduceerd tot één meeldraad of één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes, zelden niet sappig; kruiden, vaak met knolvormigen wortelstok, ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2–3 in een aar of een kolf, deze omhuld door één scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.

1a.Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset, omgekeerd-eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein, met geelgroene spatha; één ♀ bloem en 2–8 ♂ bloemenPistia.

1b.Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem vastzitten2

2a.De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop òf slechts 1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide tegelijk ontwikkeld.) Blad zeer groot op een lange rechtopstaande steel, bladschijf meerdere malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze veel kleiner dan het blad, met een donker gekleurde bloeischeede en tweeslachtige bloemenDracontium.Sneki-tajer.

2b.Plant meerdere bladeren en bloemen tegelijk dragend3

3a.Forsche, vaak gestekelde, rechtopstaande stengels met meerderebladeren. Plant steeds in het water groeiend, in den bodem wortelend; bloeischeede groenachtig wit, groot; bloeikolf van boven ♂, in het onderste ¼ deel ♀ bloemen dragend; bladeren pijlvormig.Montrichardia.Mokko-mokko.

3b.Planten niet in het water groeiend, of als zij in het water voorkomen, dan geen rechtopstaande stengel aanwezig4

4a.Bladeren schildvormig en pijlvormig, dus bladsteel niet aan den bladrand ingehecht5

4b.Bladeren met een aan de bladrand ingehechte bladsteel6

5a.Stengel alleen beneden den grond ontwikkeld, zeer kort, min of meer knolvormig; bladeren vaak roodgevlekt, in een roset staande uit welks midden slechts de gesteelde bloeikolf te voorschijn komt, die boven de ♂, onder de ♀ bloemen draagt; kolf aan den top zonder aanhangselCaladium.Jabba-foetoe.

5b.Stengel onder den grond knolvormig, boven den grond soms als een stam ontwikkeld; bladeren groot; kolf met een lang-kegelvormig of spits aanhangsel aan den topColocasia.Tajer.

6a.Bloeiwijze op een lange steel; bloeischeede ongeveer 5 × langer dan de bloeikolf, aan den top als een kurketrekker gewonden; bloeikolf binnen de scheede kort gesteeld, dicht bezet met 2-slachtige bloemen, die een 4-bladig bloemdek, 4 meeldraden en een eenhokkig vruchtbeginsel hebben met 1–2 zaadknoppen. Bladeren pijlvormig, diep vinspletigCyrtosperma.

6b.Bloeischeede niet zooveel langer dan de kolf en in ieder geval niet kurketrekkervormig gedraaid7

7a.Planten op den bodem groeiend. Stengel onderaardsch of bijna ontbrekend8

7b.Planten klimmend of epiphytisch of als ze op den grond groeien met goed ontwikkelde bovenaardsche stengel9

8a.Onderaardsche wortelstok. Bladeren langgesteeld, pijlvormig, 3-lobbig, met smalle 3-hoekige eindlob en evenlange doch smallere zijlobben. Bloeischeede veel langer dan de spadix, smal, lancetvormig. Spadix binnen de scheede gesteeld, deze steel voor het grootste deel met de spatha vergroeid, boven tweeslachtige bloemen dragende met 4–6 bloemdekbladen, 4–6 meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginselUrospatha.

8b.Bebladerde stengel zeer kort, daardoor bladeren in een wortelrozet, pijlvormig tot 3-lobbig, soms de lobben nog meer (doch steeds handvormig) ingesneden. Spatha van onderen buisvormig opgerold; blijvend. Spadix van onderen ♀ bloemen dragend met een schijfvormige stijl, welke stijlen alle met de randen aan elkaar gegroeid zijn; boven het ♀ stuk een verdund deel met steriele ♂ bloemen, tenslotte van boven een knotsvormig deel met ♂ bloemen, die 4–6 met elkaar tot één geheel vergroeide meeldraden dragenXanthosoma.

9a.Bloeikolf met tweeslachtige, hoogstens aan den voet met steriele bloemen bezet10

9b.Bloeikolf boven ♂, onder ♀ bloemen dragend13

10a.Bloemen met een bloemdek11

10b.Bloemen alleen met meeldraden en vruchtbeginsel12

11a.Internodiën meest zeer kort, en dan epiphytische planten, zeldenverlengd; bladeren enkelvoudig, lancetvormig, aan de basis versmald of zelden met hartvormige voet; in een enkel geval handvormig samengesteld, 5-tallig; zijnerven van de 1steorde parallel, van de 2deen 3deorde netvormig verbonden; spatha tijdens de bloei den kolf niet omhullend, vrij klein. Bloemen met 4 bloemdekbladeren, 4 afgeplatte meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginsel zonder stijl en een 2-lobbige stempelAnthurium.

11b.Stengel met vrij korte internodiën, niet klimmend. Bladeren enkelvoudig, langwerpig, toegespitst, bladsteel rijdend, met lange bladscheede, aan de basis van de bladschijf een weinig verdikt. Zijnerven van de 1steen 2deorde evenwijdig loopend. Bloeischeede een weinig langs de bloeistengel afloopend, blijvend. Bloemen met 3 + 3 perigoonbladeren, 3 + 3 meeldraden en een 3-hokkig vruchtbeginselSpathiphyllum.

12a.Klimmende stengels met korte internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig-eirond, zonder gaten, zijnerven van de 2deen 3deorde onderling evenwijdig loopend. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel vierhoekig, tweehokkig, vele zaadknoppen in elk hokje. Vrucht een veelzadige besRhodospatha.

12b.Klimmende stengels met lange internodiën. Bladeren enkelvoudig, langwerpig tot eirond, vaak (niet altijd) met gaten; zijnerven van de 2deen 3deorde niet parallel maar netvormig verbonden. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel omgekeerd kegelvormig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een 1- tot 3-zadige besMonstera.

13a.Stengel rechtopstaand, zonder luchtwortels en niet klimmend. Bladeren vrij groot, eirond, toegespitst aan den top met afgeronde of eenigszins hartvormige voet. Spatha groengeel, zeer lang, even lang als de spadix en deze van onderen blijvend omsluitend; ♂ bloemen met 4–5 meeldraden, die geheel met elkaar vergroeid zijn, ♀ bloemen aan de basis van de spadix vrij ver van elkaar verwijderd met 4–5 afstaande staminodiën en een eirond 2–3-lobbig en 2–3-hokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop in elk hokje.Dieffenbachia.Donkè.

13b.Planten met liggende of klimmende stengel meest met luchtwortels14

14a.Planten epiphytisch levend, vaker in den grond wortelend met klimmende of liggende stengel en korte of lange internodiën. Bladeren enkelvoudig of op verschillende wijze ingesneden. Spadix van boven ♂ bloemen dragend met 2, 3, 5 of 6 meeldraden, die los tegen een afgeknotte meerzijdige zuil zitten; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met vele zaadknoppen in elk hokjePhilodendron.

14b.Stammen klimmend met luchtwortels en lange internodiën. Bladeren handvormig samengesteld. ♂ bloemen aan het bovenstuk van de spadix, uit 4 geheel met elkaar vergroeide meeldraden bestaande; ♀ bloemen aan het onderste deel, alle met elkaar vergroeid, en daardoor ook de vruchten geheel met elkaar verbonden. Vruchtbeginsel 2- of 1-hokkig met 1 zaadknopSyngonium.

24.Lemnaceae.Bloemen éénslachtig, naakt, éénhuizig; mannelijke bloemen met één meeldraad, vrouwelijke bloemen met één vruchtbeginsel en 1–6 zaadknoppen; losdrijvende waterplanten.1a.Aan elke spruit slechts één wortel; onderzijde van de plant groenLemna.1b.Aan elke spruit meerdere wortels, onderzijde van de plant bijna steeds roodSpirodela.

24.Lemnaceae.

Bloemen éénslachtig, naakt, éénhuizig; mannelijke bloemen met één meeldraad, vrouwelijke bloemen met één vruchtbeginsel en 1–6 zaadknoppen; losdrijvende waterplanten.1a.Aan elke spruit slechts één wortel; onderzijde van de plant groenLemna.1b.Aan elke spruit meerdere wortels, onderzijde van de plant bijna steeds roodSpirodela.

Bloemen éénslachtig, naakt, éénhuizig; mannelijke bloemen met één meeldraad, vrouwelijke bloemen met één vruchtbeginsel en 1–6 zaadknoppen; losdrijvende waterplanten.

1a.Aan elke spruit slechts één wortel; onderzijde van de plant groenLemna.

1b.Aan elke spruit meerdere wortels, onderzijde van de plant bijna steeds roodSpirodela.

Orde:Farinosae.28.Mayacaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden voor de kelkbladeren staand; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl en 3 korte stempels; zaadlijsten 3, wandstandig; doosvrucht met 3 kleppen openspringend; kruiden.Kleine moerasplanten met dicht bebladerde lage stengels, bladeren zeer smal lancetvormig. Kelk, en kroon 3-bladig, 3 meeldraden, één 1-hokkig vruchtbeginsel. Niet bloeiende planten zeer veel op sommige mossen gelijkendMayaca.29.Xyridaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig; kelk zygomorf met 2 kleinere blaadjes; bloemkroon regelmatig met een buis; de 3 buitenste meeldraden staminodiaal of ontbrekend; de 3 binnenste fertiel, van onderen met de kroon vergroeid. Vruchtbeginsel bovenstandig, eenhokkig met 3 zaadlijsten. Vrucht een doosvrucht; meest overblijvende kruiden.1a.Bladeren grasachtig, wortelstandig. Bloemen in en hoofdje aan het einde van de hoogstens aan den voet beschubde bloeistengel, elke bloem in den oksel van een schutblad zittend. Voorste (naar het schutblad toegekeerde) kelkblad veel grooter dan de beide andere kelkbladeren. 3 penseelvormige staminodiën in elke bloemXyris.1b.Voorste kelkblad ontbrekend. Staminodiën draadvormig of ontbrekend. Bloeistengel ook boven de basis met schubben bezetAbolboda.30.Eriocaulaceae.Bloemen zeer klein, met kelk en bloemkroon, 2–3-tallig, één- of tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemdek droogvliezig, soms de bloemkroon ontbrekend; meest de buitenste van de meeldraden ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–3-hokkig, met 2–3 stijlen; in elk hokje één zaadknop; meest overblijvende kruiden; de bloemen in hoofdjes met gemeenschappelijk omwindsel.1a.Waterplanten met lange drijvende vertakte en bebladerde stengels. Bloemhoofdjes gesteeld langs den stengel verspreid. Kroonbladeren van de ♀ bloemen zeer klein; helmknoppen met slechts één helmhokjeTonina.1b.Land- of moerasplanten met rechtopstaande stengels; ♀ bloemen met kelk en kroon; meeldraden met 2 helmhokjes22a.Kroonbladeren van de ♀ bloemen vrij van elkaar, bladachtig.Paepalanthus.2b.Kroonbladeren van de ♀ bloemen aan top en basis vrij, in het midden met de randen vergroeidSyngonanthus.31.Rapateaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk met een vliezige buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden 6, meest met debloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk hokje; vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met de smalle bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2 scheeden, die een hoofdje insluiten.1a.Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de aar. Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Vrucht éénzadigSpathanthus.1b.Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren ingesloten22a.De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per hokje. Vrucht een 3-zadige, openspringende doosvruchtRapatea.2b.De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den bloei opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen per hokje; vrucht een3-kleppige, 1-zadige doosvruchtSaxo-fridericia.32.Bromeliaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig, zelden iets zygomorf; kelk kruid- of leerachtig, blijvend; kroonbladeren vrij of vergroeid; meeldraden 6, in 2 kransen; vruchtbeginsel boven- tot onderstandig, met één stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen per hokje; bes of doosvrucht met kleine zaden, die vaak een haarkroon dragen; epiphytische kruiden of rotsplanten, zelden grondstandig met smalle, vaak doorniggezaagde bladeren in een roset, bladeren vaak met schubben.1a.Planten klein, geheel zonder wortels, in dooreengevlochten massa’s in boomen hangend. Stengels en bladeren draadvormig, met grijze schubben bezetTillandsia.1b.Stengels en bladeren niet draadvormig22a.Bloeiwijze een ijle, rechtopstaande tros vormend, uit de bladroset te voorschijn komend. Bloemen vrij lang gesteeld; schutbladeren klein, korter dan de bloemsteel. Bladeren aan den rand gestekeld of ongestekeld. Kelkbladen niet vergroeid, kroonbladeren rechtopstaand, de 6 meeldraden insluitend. Vruchtbeginsel tot aan het midden ongeveer met de kelk vergroeid, verder naar boven vrij, bovenstandig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht, met talrijke gevleugelde zadenPitcairnia.2b.Bloeiwijze vertakt, of onvertakt, in het laatste geval de bloemen dicht op elkaar gedrongen zittend en ± een hoofdje vormend, of indien ze in een ijle tros zitten, dan zijn de bloemen ongesteeld33a.Vruchtbeginsel geheel onderstandig; bladeren meest met stekels aan den rand, vrucht een min of meer sappige bes; zaden steeds zonder haarkuif43b.Vruchtbeginsel geheel bovenstandig; bladerennooitmet stekels aan den rand, vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht; zaden met haarkuif104a.Bloembladeren van binnen aan de basis zonder schubben54b.Bloembladeren van binnen met 2 verlengde schubben aan den voet75a.Bloeiwijze langgesteeld, met korte dicht op elkaar zittende takken en groote schutbladeren, zeer lange bladeren. Bloemen groot (tot 5 cM.), kelkbladeren vrij; bloembladeren aan de basis vergroeid en met de meeldraden vergroeidBromelia.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, een wijde pluim vormend66a.Bladeren smal, met de scheeden dicht tegen de bloeistengel aanliggend, gestekeld (of soms ongestekeld) aan den rand. Bloeiwijze langgesteeld, een sterk en onregelmatig vertakte pluim vormend. Bloemen klein, geelachtig groen in den oksel van kleine schutbladerenAraeococcus.6b.Bladeren met afstaande scheeden, een breede rozet vormend; bladrand met vrij kleine stekels bezet. Bloeiwijze groot, 1 maal vertakt; takken van de pluim aarvormig,in den oksel van groote bracteeën staande, bloemen grooter dan de vorige, tot 1 cM. langWittmackia.7a.Bloeiwijze onvertakt, een losse soms ± hangende aar vormend van verspreide zittende bloemen; bloeistengel met groote gekleurde ongestekelde bladeren bezet; bloembladeren lang en zeer smal, vooral aan de basis; vruchtbeginsel evenals de bloeistengel met een fijn meel bedektBillbergia.7b.Bloeiwijze onvertakt, bloemen dicht gedrongen, aan het eind van den bloeistengel een ± kegelvormig hoofdje vormend87c.Bloeiwijze vertakt98a.Bloeistengel met gestekelde bladeren bezet; bloemen in een dichte kegel aan het eind van den stengel met de bloeistengel vergroeid; aan den top voorzien van een pluim van niet bloemdragende bladeren. Bloemen rood of violet. Besvruchten met de sappig geworden bloeistengel tot één geheel vergroeidAnanas.8b.Bloeistengel met ongetande schubben bezet; geen bladpluim boven de bloeiwijze; bessen niet samen vergroeidAechmea.9a.Bloeistengel van onderen met gekleurde schubben, meermalen vertakt, een dichte ± kegelvormige pluim vormend; schutbladeren tusschen de bloemtakken in kransen of spiralen. Kelkbladeren en bloembladeren aan den top met een klein stekeltjeAechmea.9b.Bloeistengel met gekleurde schubben bezet; zijtakken tamelijk verspreid, kort, krachtig, in den oksel van lange, lancetvormige schutbladeren; aan het eind van die zijtakken de bloemen dicht op elkaar zittendGravisia.10a.Kroonbladeren vergroeid tot een lange buis. Bloeiwijze een kort gesteelde aar, nauwelijks boven de bladeren uitstekend. Stijl lang. Zaden met een haarkuif, overigens kaalGuzmania.10b.Kroonbladeren niet tot een lange buis vergroeid1111a.Bloembladeren van binnen met schubben aan den voet. Bloeistengel vertakt, de takken bezet met 2 rijen van bloemen, die door groote dekbladeren ingesloten zijnVriesea.11b.Bloembladeren van binnen zonder schubben aan de voet1212a.Bladeren in rosetten, de scheeden tamelijk wijd van elkaar, met verspreide schubben bezet; bloeistengel met weinige lange takken, aan welker top de bloemen spiraalsgewijs zitten. Kelk korter of (soms) langer dan de bloembladeren; deze laatste aan den top met een klein stekelpuntje. Stijl zeer kort. Zaden aangedrukt behaard, met een haarkuifCatopsis.12b.Bladeren in een dichte bundel of in een roset, en dan vaak een bovenaardsche bol vormend; soms ook een lange stengel dicht bedekkend; meest met grijze schubben dicht bezet. Bloeistengelonvertakt met de bloemen in twee rijen, of vertakt, en dan de bloemen tweerijig van de takken zittend. Vruchtbeginsel kaal; stijl lang; zaden kaal met een haarkuifTillandsia.33.Commelinaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3–2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; meeldraden 6, een deel ervan vaak staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht; kruiden met knoopen aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe of violette kroon.1a.Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig, zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf21b.Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van den stengel of in den oksel van gewone bladeren32a.Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar loopend, spiesvormig. Vrucht eennietopenspringendedoosvrucht met een dunne witte wand en 5 zadenPhaeospherion.Gado-dèdè.2b.Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht een doosvrucht, die met 3 kleppen openspringtCommelina.Gado-dèdè.3a.Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3 onvruchtbare meeldraden; vrucht een openspringende doosvruchtAneilema.3b.5 of 6 vruchtbare meeldraden44a.Bloemen vrij groot in trossen aan het einde van den stengel. Bloembladen blauw met witte nagelDichorisandra.4b.Bloemen in vertakte pluimen of meerdere bloeistengels samen in de oksels van de bovenste bladeren staand, aan het einde de bloemen in een dicht gedrongen hoofdje dragendTradescantia.34.Pontederiaceae.Bloemen met een 6-tallig, vergroeidbladig bloemdek, tweeslachtig, bijna regelmatig of zygomorf; meeldraden 6, 3 of 1, in de buis van het bloemdek ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen of éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht een doosvrucht of niet-openspringend; waterplanten met een aarvormige bloeiwijze.1a.Bladsteelen aan de basis sterk opgezwollen, met lucht gevuld; bladeren in rosetten; bloemen in een staande tros zygomorf, groot, violet, het bovenste kroonblad met een gele vlekEichhornia crassipes.1b.Bladsteelen niet of nauwelijks opgezwollen22a.Lange, dunne stengel, in het water drijvend, met ronde bladeren bezet, die ongeveer 2 cM. in doorsnee zijn; bloemen alleenstaand, bijna actinomorfEichhornia natans.2b.Bladeren veel grooter dan 2 cM.; bloemen in trossen33a.Bladeren spatelvormig, naar den basis toegespitst. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met vele zaadknoppen, vrucht veelzadigEichhornia.3b.Bladeren aan de basis afgerond of eenigszins hartvormig; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop, vrucht eenzadigPontederia.

Orde:Farinosae.28.Mayacaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden voor de kelkbladeren staand; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl en 3 korte stempels; zaadlijsten 3, wandstandig; doosvrucht met 3 kleppen openspringend; kruiden.Kleine moerasplanten met dicht bebladerde lage stengels, bladeren zeer smal lancetvormig. Kelk, en kroon 3-bladig, 3 meeldraden, één 1-hokkig vruchtbeginsel. Niet bloeiende planten zeer veel op sommige mossen gelijkendMayaca.29.Xyridaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig; kelk zygomorf met 2 kleinere blaadjes; bloemkroon regelmatig met een buis; de 3 buitenste meeldraden staminodiaal of ontbrekend; de 3 binnenste fertiel, van onderen met de kroon vergroeid. Vruchtbeginsel bovenstandig, eenhokkig met 3 zaadlijsten. Vrucht een doosvrucht; meest overblijvende kruiden.1a.Bladeren grasachtig, wortelstandig. Bloemen in en hoofdje aan het einde van de hoogstens aan den voet beschubde bloeistengel, elke bloem in den oksel van een schutblad zittend. Voorste (naar het schutblad toegekeerde) kelkblad veel grooter dan de beide andere kelkbladeren. 3 penseelvormige staminodiën in elke bloemXyris.1b.Voorste kelkblad ontbrekend. Staminodiën draadvormig of ontbrekend. Bloeistengel ook boven de basis met schubben bezetAbolboda.30.Eriocaulaceae.Bloemen zeer klein, met kelk en bloemkroon, 2–3-tallig, één- of tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemdek droogvliezig, soms de bloemkroon ontbrekend; meest de buitenste van de meeldraden ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–3-hokkig, met 2–3 stijlen; in elk hokje één zaadknop; meest overblijvende kruiden; de bloemen in hoofdjes met gemeenschappelijk omwindsel.1a.Waterplanten met lange drijvende vertakte en bebladerde stengels. Bloemhoofdjes gesteeld langs den stengel verspreid. Kroonbladeren van de ♀ bloemen zeer klein; helmknoppen met slechts één helmhokjeTonina.1b.Land- of moerasplanten met rechtopstaande stengels; ♀ bloemen met kelk en kroon; meeldraden met 2 helmhokjes22a.Kroonbladeren van de ♀ bloemen vrij van elkaar, bladachtig.Paepalanthus.2b.Kroonbladeren van de ♀ bloemen aan top en basis vrij, in het midden met de randen vergroeidSyngonanthus.31.Rapateaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk met een vliezige buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden 6, meest met debloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk hokje; vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met de smalle bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2 scheeden, die een hoofdje insluiten.1a.Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de aar. Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Vrucht éénzadigSpathanthus.1b.Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren ingesloten22a.De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per hokje. Vrucht een 3-zadige, openspringende doosvruchtRapatea.2b.De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den bloei opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen per hokje; vrucht een3-kleppige, 1-zadige doosvruchtSaxo-fridericia.32.Bromeliaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig, zelden iets zygomorf; kelk kruid- of leerachtig, blijvend; kroonbladeren vrij of vergroeid; meeldraden 6, in 2 kransen; vruchtbeginsel boven- tot onderstandig, met één stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen per hokje; bes of doosvrucht met kleine zaden, die vaak een haarkroon dragen; epiphytische kruiden of rotsplanten, zelden grondstandig met smalle, vaak doorniggezaagde bladeren in een roset, bladeren vaak met schubben.1a.Planten klein, geheel zonder wortels, in dooreengevlochten massa’s in boomen hangend. Stengels en bladeren draadvormig, met grijze schubben bezetTillandsia.1b.Stengels en bladeren niet draadvormig22a.Bloeiwijze een ijle, rechtopstaande tros vormend, uit de bladroset te voorschijn komend. Bloemen vrij lang gesteeld; schutbladeren klein, korter dan de bloemsteel. Bladeren aan den rand gestekeld of ongestekeld. Kelkbladen niet vergroeid, kroonbladeren rechtopstaand, de 6 meeldraden insluitend. Vruchtbeginsel tot aan het midden ongeveer met de kelk vergroeid, verder naar boven vrij, bovenstandig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht, met talrijke gevleugelde zadenPitcairnia.2b.Bloeiwijze vertakt, of onvertakt, in het laatste geval de bloemen dicht op elkaar gedrongen zittend en ± een hoofdje vormend, of indien ze in een ijle tros zitten, dan zijn de bloemen ongesteeld33a.Vruchtbeginsel geheel onderstandig; bladeren meest met stekels aan den rand, vrucht een min of meer sappige bes; zaden steeds zonder haarkuif43b.Vruchtbeginsel geheel bovenstandig; bladerennooitmet stekels aan den rand, vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht; zaden met haarkuif104a.Bloembladeren van binnen aan de basis zonder schubben54b.Bloembladeren van binnen met 2 verlengde schubben aan den voet75a.Bloeiwijze langgesteeld, met korte dicht op elkaar zittende takken en groote schutbladeren, zeer lange bladeren. Bloemen groot (tot 5 cM.), kelkbladeren vrij; bloembladeren aan de basis vergroeid en met de meeldraden vergroeidBromelia.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, een wijde pluim vormend66a.Bladeren smal, met de scheeden dicht tegen de bloeistengel aanliggend, gestekeld (of soms ongestekeld) aan den rand. Bloeiwijze langgesteeld, een sterk en onregelmatig vertakte pluim vormend. Bloemen klein, geelachtig groen in den oksel van kleine schutbladerenAraeococcus.6b.Bladeren met afstaande scheeden, een breede rozet vormend; bladrand met vrij kleine stekels bezet. Bloeiwijze groot, 1 maal vertakt; takken van de pluim aarvormig,in den oksel van groote bracteeën staande, bloemen grooter dan de vorige, tot 1 cM. langWittmackia.7a.Bloeiwijze onvertakt, een losse soms ± hangende aar vormend van verspreide zittende bloemen; bloeistengel met groote gekleurde ongestekelde bladeren bezet; bloembladeren lang en zeer smal, vooral aan de basis; vruchtbeginsel evenals de bloeistengel met een fijn meel bedektBillbergia.7b.Bloeiwijze onvertakt, bloemen dicht gedrongen, aan het eind van den bloeistengel een ± kegelvormig hoofdje vormend87c.Bloeiwijze vertakt98a.Bloeistengel met gestekelde bladeren bezet; bloemen in een dichte kegel aan het eind van den stengel met de bloeistengel vergroeid; aan den top voorzien van een pluim van niet bloemdragende bladeren. Bloemen rood of violet. Besvruchten met de sappig geworden bloeistengel tot één geheel vergroeidAnanas.8b.Bloeistengel met ongetande schubben bezet; geen bladpluim boven de bloeiwijze; bessen niet samen vergroeidAechmea.9a.Bloeistengel van onderen met gekleurde schubben, meermalen vertakt, een dichte ± kegelvormige pluim vormend; schutbladeren tusschen de bloemtakken in kransen of spiralen. Kelkbladeren en bloembladeren aan den top met een klein stekeltjeAechmea.9b.Bloeistengel met gekleurde schubben bezet; zijtakken tamelijk verspreid, kort, krachtig, in den oksel van lange, lancetvormige schutbladeren; aan het eind van die zijtakken de bloemen dicht op elkaar zittendGravisia.10a.Kroonbladeren vergroeid tot een lange buis. Bloeiwijze een kort gesteelde aar, nauwelijks boven de bladeren uitstekend. Stijl lang. Zaden met een haarkuif, overigens kaalGuzmania.10b.Kroonbladeren niet tot een lange buis vergroeid1111a.Bloembladeren van binnen met schubben aan den voet. Bloeistengel vertakt, de takken bezet met 2 rijen van bloemen, die door groote dekbladeren ingesloten zijnVriesea.11b.Bloembladeren van binnen zonder schubben aan de voet1212a.Bladeren in rosetten, de scheeden tamelijk wijd van elkaar, met verspreide schubben bezet; bloeistengel met weinige lange takken, aan welker top de bloemen spiraalsgewijs zitten. Kelk korter of (soms) langer dan de bloembladeren; deze laatste aan den top met een klein stekelpuntje. Stijl zeer kort. Zaden aangedrukt behaard, met een haarkuifCatopsis.12b.Bladeren in een dichte bundel of in een roset, en dan vaak een bovenaardsche bol vormend; soms ook een lange stengel dicht bedekkend; meest met grijze schubben dicht bezet. Bloeistengelonvertakt met de bloemen in twee rijen, of vertakt, en dan de bloemen tweerijig van de takken zittend. Vruchtbeginsel kaal; stijl lang; zaden kaal met een haarkuifTillandsia.33.Commelinaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3–2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; meeldraden 6, een deel ervan vaak staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht; kruiden met knoopen aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe of violette kroon.1a.Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig, zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf21b.Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van den stengel of in den oksel van gewone bladeren32a.Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar loopend, spiesvormig. Vrucht eennietopenspringendedoosvrucht met een dunne witte wand en 5 zadenPhaeospherion.Gado-dèdè.2b.Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht een doosvrucht, die met 3 kleppen openspringtCommelina.Gado-dèdè.3a.Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3 onvruchtbare meeldraden; vrucht een openspringende doosvruchtAneilema.3b.5 of 6 vruchtbare meeldraden44a.Bloemen vrij groot in trossen aan het einde van den stengel. Bloembladen blauw met witte nagelDichorisandra.4b.Bloemen in vertakte pluimen of meerdere bloeistengels samen in de oksels van de bovenste bladeren staand, aan het einde de bloemen in een dicht gedrongen hoofdje dragendTradescantia.34.Pontederiaceae.Bloemen met een 6-tallig, vergroeidbladig bloemdek, tweeslachtig, bijna regelmatig of zygomorf; meeldraden 6, 3 of 1, in de buis van het bloemdek ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen of éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht een doosvrucht of niet-openspringend; waterplanten met een aarvormige bloeiwijze.1a.Bladsteelen aan de basis sterk opgezwollen, met lucht gevuld; bladeren in rosetten; bloemen in een staande tros zygomorf, groot, violet, het bovenste kroonblad met een gele vlekEichhornia crassipes.1b.Bladsteelen niet of nauwelijks opgezwollen22a.Lange, dunne stengel, in het water drijvend, met ronde bladeren bezet, die ongeveer 2 cM. in doorsnee zijn; bloemen alleenstaand, bijna actinomorfEichhornia natans.2b.Bladeren veel grooter dan 2 cM.; bloemen in trossen33a.Bladeren spatelvormig, naar den basis toegespitst. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met vele zaadknoppen, vrucht veelzadigEichhornia.3b.Bladeren aan de basis afgerond of eenigszins hartvormig; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop, vrucht eenzadigPontederia.

28.Mayacaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden voor de kelkbladeren staand; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl en 3 korte stempels; zaadlijsten 3, wandstandig; doosvrucht met 3 kleppen openspringend; kruiden.Kleine moerasplanten met dicht bebladerde lage stengels, bladeren zeer smal lancetvormig. Kelk, en kroon 3-bladig, 3 meeldraden, één 1-hokkig vruchtbeginsel. Niet bloeiende planten zeer veel op sommige mossen gelijkendMayaca.

28.Mayacaceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden voor de kelkbladeren staand; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl en 3 korte stempels; zaadlijsten 3, wandstandig; doosvrucht met 3 kleppen openspringend; kruiden.Kleine moerasplanten met dicht bebladerde lage stengels, bladeren zeer smal lancetvormig. Kelk, en kroon 3-bladig, 3 meeldraden, één 1-hokkig vruchtbeginsel. Niet bloeiende planten zeer veel op sommige mossen gelijkendMayaca.

Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden voor de kelkbladeren staand; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl en 3 korte stempels; zaadlijsten 3, wandstandig; doosvrucht met 3 kleppen openspringend; kruiden.

Kleine moerasplanten met dicht bebladerde lage stengels, bladeren zeer smal lancetvormig. Kelk, en kroon 3-bladig, 3 meeldraden, één 1-hokkig vruchtbeginsel. Niet bloeiende planten zeer veel op sommige mossen gelijkendMayaca.

29.Xyridaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig; kelk zygomorf met 2 kleinere blaadjes; bloemkroon regelmatig met een buis; de 3 buitenste meeldraden staminodiaal of ontbrekend; de 3 binnenste fertiel, van onderen met de kroon vergroeid. Vruchtbeginsel bovenstandig, eenhokkig met 3 zaadlijsten. Vrucht een doosvrucht; meest overblijvende kruiden.1a.Bladeren grasachtig, wortelstandig. Bloemen in en hoofdje aan het einde van de hoogstens aan den voet beschubde bloeistengel, elke bloem in den oksel van een schutblad zittend. Voorste (naar het schutblad toegekeerde) kelkblad veel grooter dan de beide andere kelkbladeren. 3 penseelvormige staminodiën in elke bloemXyris.1b.Voorste kelkblad ontbrekend. Staminodiën draadvormig of ontbrekend. Bloeistengel ook boven de basis met schubben bezetAbolboda.

29.Xyridaceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig; kelk zygomorf met 2 kleinere blaadjes; bloemkroon regelmatig met een buis; de 3 buitenste meeldraden staminodiaal of ontbrekend; de 3 binnenste fertiel, van onderen met de kroon vergroeid. Vruchtbeginsel bovenstandig, eenhokkig met 3 zaadlijsten. Vrucht een doosvrucht; meest overblijvende kruiden.1a.Bladeren grasachtig, wortelstandig. Bloemen in en hoofdje aan het einde van de hoogstens aan den voet beschubde bloeistengel, elke bloem in den oksel van een schutblad zittend. Voorste (naar het schutblad toegekeerde) kelkblad veel grooter dan de beide andere kelkbladeren. 3 penseelvormige staminodiën in elke bloemXyris.1b.Voorste kelkblad ontbrekend. Staminodiën draadvormig of ontbrekend. Bloeistengel ook boven de basis met schubben bezetAbolboda.

Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig; kelk zygomorf met 2 kleinere blaadjes; bloemkroon regelmatig met een buis; de 3 buitenste meeldraden staminodiaal of ontbrekend; de 3 binnenste fertiel, van onderen met de kroon vergroeid. Vruchtbeginsel bovenstandig, eenhokkig met 3 zaadlijsten. Vrucht een doosvrucht; meest overblijvende kruiden.

1a.Bladeren grasachtig, wortelstandig. Bloemen in en hoofdje aan het einde van de hoogstens aan den voet beschubde bloeistengel, elke bloem in den oksel van een schutblad zittend. Voorste (naar het schutblad toegekeerde) kelkblad veel grooter dan de beide andere kelkbladeren. 3 penseelvormige staminodiën in elke bloemXyris.

1b.Voorste kelkblad ontbrekend. Staminodiën draadvormig of ontbrekend. Bloeistengel ook boven de basis met schubben bezetAbolboda.

30.Eriocaulaceae.Bloemen zeer klein, met kelk en bloemkroon, 2–3-tallig, één- of tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemdek droogvliezig, soms de bloemkroon ontbrekend; meest de buitenste van de meeldraden ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–3-hokkig, met 2–3 stijlen; in elk hokje één zaadknop; meest overblijvende kruiden; de bloemen in hoofdjes met gemeenschappelijk omwindsel.1a.Waterplanten met lange drijvende vertakte en bebladerde stengels. Bloemhoofdjes gesteeld langs den stengel verspreid. Kroonbladeren van de ♀ bloemen zeer klein; helmknoppen met slechts één helmhokjeTonina.1b.Land- of moerasplanten met rechtopstaande stengels; ♀ bloemen met kelk en kroon; meeldraden met 2 helmhokjes22a.Kroonbladeren van de ♀ bloemen vrij van elkaar, bladachtig.Paepalanthus.2b.Kroonbladeren van de ♀ bloemen aan top en basis vrij, in het midden met de randen vergroeidSyngonanthus.

30.Eriocaulaceae.

Bloemen zeer klein, met kelk en bloemkroon, 2–3-tallig, één- of tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemdek droogvliezig, soms de bloemkroon ontbrekend; meest de buitenste van de meeldraden ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–3-hokkig, met 2–3 stijlen; in elk hokje één zaadknop; meest overblijvende kruiden; de bloemen in hoofdjes met gemeenschappelijk omwindsel.1a.Waterplanten met lange drijvende vertakte en bebladerde stengels. Bloemhoofdjes gesteeld langs den stengel verspreid. Kroonbladeren van de ♀ bloemen zeer klein; helmknoppen met slechts één helmhokjeTonina.1b.Land- of moerasplanten met rechtopstaande stengels; ♀ bloemen met kelk en kroon; meeldraden met 2 helmhokjes22a.Kroonbladeren van de ♀ bloemen vrij van elkaar, bladachtig.Paepalanthus.2b.Kroonbladeren van de ♀ bloemen aan top en basis vrij, in het midden met de randen vergroeidSyngonanthus.

Bloemen zeer klein, met kelk en bloemkroon, 2–3-tallig, één- of tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemdek droogvliezig, soms de bloemkroon ontbrekend; meest de buitenste van de meeldraden ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–3-hokkig, met 2–3 stijlen; in elk hokje één zaadknop; meest overblijvende kruiden; de bloemen in hoofdjes met gemeenschappelijk omwindsel.

1a.Waterplanten met lange drijvende vertakte en bebladerde stengels. Bloemhoofdjes gesteeld langs den stengel verspreid. Kroonbladeren van de ♀ bloemen zeer klein; helmknoppen met slechts één helmhokjeTonina.

1b.Land- of moerasplanten met rechtopstaande stengels; ♀ bloemen met kelk en kroon; meeldraden met 2 helmhokjes2

2a.Kroonbladeren van de ♀ bloemen vrij van elkaar, bladachtig.Paepalanthus.

2b.Kroonbladeren van de ♀ bloemen aan top en basis vrij, in het midden met de randen vergroeidSyngonanthus.

31.Rapateaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk met een vliezige buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden 6, meest met debloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk hokje; vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met de smalle bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2 scheeden, die een hoofdje insluiten.1a.Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de aar. Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Vrucht éénzadigSpathanthus.1b.Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren ingesloten22a.De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per hokje. Vrucht een 3-zadige, openspringende doosvruchtRapatea.2b.De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den bloei opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen per hokje; vrucht een3-kleppige, 1-zadige doosvruchtSaxo-fridericia.

31.Rapateaceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk met een vliezige buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden 6, meest met debloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk hokje; vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met de smalle bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2 scheeden, die een hoofdje insluiten.1a.Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de aar. Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Vrucht éénzadigSpathanthus.1b.Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren ingesloten22a.De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per hokje. Vrucht een 3-zadige, openspringende doosvruchtRapatea.2b.De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den bloei opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen per hokje; vrucht een3-kleppige, 1-zadige doosvruchtSaxo-fridericia.

Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk met een vliezige buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden 6, meest met debloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk hokje; vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met de smalle bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2 scheeden, die een hoofdje insluiten.

1a.Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de aar. Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Vrucht éénzadigSpathanthus.

1b.Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren ingesloten2

2a.De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per hokje. Vrucht een 3-zadige, openspringende doosvruchtRapatea.

2b.De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den bloei opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen per hokje; vrucht een3-kleppige, 1-zadige doosvruchtSaxo-fridericia.

32.Bromeliaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig, zelden iets zygomorf; kelk kruid- of leerachtig, blijvend; kroonbladeren vrij of vergroeid; meeldraden 6, in 2 kransen; vruchtbeginsel boven- tot onderstandig, met één stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen per hokje; bes of doosvrucht met kleine zaden, die vaak een haarkroon dragen; epiphytische kruiden of rotsplanten, zelden grondstandig met smalle, vaak doorniggezaagde bladeren in een roset, bladeren vaak met schubben.1a.Planten klein, geheel zonder wortels, in dooreengevlochten massa’s in boomen hangend. Stengels en bladeren draadvormig, met grijze schubben bezetTillandsia.1b.Stengels en bladeren niet draadvormig22a.Bloeiwijze een ijle, rechtopstaande tros vormend, uit de bladroset te voorschijn komend. Bloemen vrij lang gesteeld; schutbladeren klein, korter dan de bloemsteel. Bladeren aan den rand gestekeld of ongestekeld. Kelkbladen niet vergroeid, kroonbladeren rechtopstaand, de 6 meeldraden insluitend. Vruchtbeginsel tot aan het midden ongeveer met de kelk vergroeid, verder naar boven vrij, bovenstandig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht, met talrijke gevleugelde zadenPitcairnia.2b.Bloeiwijze vertakt, of onvertakt, in het laatste geval de bloemen dicht op elkaar gedrongen zittend en ± een hoofdje vormend, of indien ze in een ijle tros zitten, dan zijn de bloemen ongesteeld33a.Vruchtbeginsel geheel onderstandig; bladeren meest met stekels aan den rand, vrucht een min of meer sappige bes; zaden steeds zonder haarkuif43b.Vruchtbeginsel geheel bovenstandig; bladerennooitmet stekels aan den rand, vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht; zaden met haarkuif104a.Bloembladeren van binnen aan de basis zonder schubben54b.Bloembladeren van binnen met 2 verlengde schubben aan den voet75a.Bloeiwijze langgesteeld, met korte dicht op elkaar zittende takken en groote schutbladeren, zeer lange bladeren. Bloemen groot (tot 5 cM.), kelkbladeren vrij; bloembladeren aan de basis vergroeid en met de meeldraden vergroeidBromelia.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, een wijde pluim vormend66a.Bladeren smal, met de scheeden dicht tegen de bloeistengel aanliggend, gestekeld (of soms ongestekeld) aan den rand. Bloeiwijze langgesteeld, een sterk en onregelmatig vertakte pluim vormend. Bloemen klein, geelachtig groen in den oksel van kleine schutbladerenAraeococcus.6b.Bladeren met afstaande scheeden, een breede rozet vormend; bladrand met vrij kleine stekels bezet. Bloeiwijze groot, 1 maal vertakt; takken van de pluim aarvormig,in den oksel van groote bracteeën staande, bloemen grooter dan de vorige, tot 1 cM. langWittmackia.7a.Bloeiwijze onvertakt, een losse soms ± hangende aar vormend van verspreide zittende bloemen; bloeistengel met groote gekleurde ongestekelde bladeren bezet; bloembladeren lang en zeer smal, vooral aan de basis; vruchtbeginsel evenals de bloeistengel met een fijn meel bedektBillbergia.7b.Bloeiwijze onvertakt, bloemen dicht gedrongen, aan het eind van den bloeistengel een ± kegelvormig hoofdje vormend87c.Bloeiwijze vertakt98a.Bloeistengel met gestekelde bladeren bezet; bloemen in een dichte kegel aan het eind van den stengel met de bloeistengel vergroeid; aan den top voorzien van een pluim van niet bloemdragende bladeren. Bloemen rood of violet. Besvruchten met de sappig geworden bloeistengel tot één geheel vergroeidAnanas.8b.Bloeistengel met ongetande schubben bezet; geen bladpluim boven de bloeiwijze; bessen niet samen vergroeidAechmea.9a.Bloeistengel van onderen met gekleurde schubben, meermalen vertakt, een dichte ± kegelvormige pluim vormend; schutbladeren tusschen de bloemtakken in kransen of spiralen. Kelkbladeren en bloembladeren aan den top met een klein stekeltjeAechmea.9b.Bloeistengel met gekleurde schubben bezet; zijtakken tamelijk verspreid, kort, krachtig, in den oksel van lange, lancetvormige schutbladeren; aan het eind van die zijtakken de bloemen dicht op elkaar zittendGravisia.10a.Kroonbladeren vergroeid tot een lange buis. Bloeiwijze een kort gesteelde aar, nauwelijks boven de bladeren uitstekend. Stijl lang. Zaden met een haarkuif, overigens kaalGuzmania.10b.Kroonbladeren niet tot een lange buis vergroeid1111a.Bloembladeren van binnen met schubben aan den voet. Bloeistengel vertakt, de takken bezet met 2 rijen van bloemen, die door groote dekbladeren ingesloten zijnVriesea.11b.Bloembladeren van binnen zonder schubben aan de voet1212a.Bladeren in rosetten, de scheeden tamelijk wijd van elkaar, met verspreide schubben bezet; bloeistengel met weinige lange takken, aan welker top de bloemen spiraalsgewijs zitten. Kelk korter of (soms) langer dan de bloembladeren; deze laatste aan den top met een klein stekelpuntje. Stijl zeer kort. Zaden aangedrukt behaard, met een haarkuifCatopsis.12b.Bladeren in een dichte bundel of in een roset, en dan vaak een bovenaardsche bol vormend; soms ook een lange stengel dicht bedekkend; meest met grijze schubben dicht bezet. Bloeistengelonvertakt met de bloemen in twee rijen, of vertakt, en dan de bloemen tweerijig van de takken zittend. Vruchtbeginsel kaal; stijl lang; zaden kaal met een haarkuifTillandsia.

32.Bromeliaceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig, zelden iets zygomorf; kelk kruid- of leerachtig, blijvend; kroonbladeren vrij of vergroeid; meeldraden 6, in 2 kransen; vruchtbeginsel boven- tot onderstandig, met één stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen per hokje; bes of doosvrucht met kleine zaden, die vaak een haarkroon dragen; epiphytische kruiden of rotsplanten, zelden grondstandig met smalle, vaak doorniggezaagde bladeren in een roset, bladeren vaak met schubben.1a.Planten klein, geheel zonder wortels, in dooreengevlochten massa’s in boomen hangend. Stengels en bladeren draadvormig, met grijze schubben bezetTillandsia.1b.Stengels en bladeren niet draadvormig22a.Bloeiwijze een ijle, rechtopstaande tros vormend, uit de bladroset te voorschijn komend. Bloemen vrij lang gesteeld; schutbladeren klein, korter dan de bloemsteel. Bladeren aan den rand gestekeld of ongestekeld. Kelkbladen niet vergroeid, kroonbladeren rechtopstaand, de 6 meeldraden insluitend. Vruchtbeginsel tot aan het midden ongeveer met de kelk vergroeid, verder naar boven vrij, bovenstandig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht, met talrijke gevleugelde zadenPitcairnia.2b.Bloeiwijze vertakt, of onvertakt, in het laatste geval de bloemen dicht op elkaar gedrongen zittend en ± een hoofdje vormend, of indien ze in een ijle tros zitten, dan zijn de bloemen ongesteeld33a.Vruchtbeginsel geheel onderstandig; bladeren meest met stekels aan den rand, vrucht een min of meer sappige bes; zaden steeds zonder haarkuif43b.Vruchtbeginsel geheel bovenstandig; bladerennooitmet stekels aan den rand, vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht; zaden met haarkuif104a.Bloembladeren van binnen aan de basis zonder schubben54b.Bloembladeren van binnen met 2 verlengde schubben aan den voet75a.Bloeiwijze langgesteeld, met korte dicht op elkaar zittende takken en groote schutbladeren, zeer lange bladeren. Bloemen groot (tot 5 cM.), kelkbladeren vrij; bloembladeren aan de basis vergroeid en met de meeldraden vergroeidBromelia.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, een wijde pluim vormend66a.Bladeren smal, met de scheeden dicht tegen de bloeistengel aanliggend, gestekeld (of soms ongestekeld) aan den rand. Bloeiwijze langgesteeld, een sterk en onregelmatig vertakte pluim vormend. Bloemen klein, geelachtig groen in den oksel van kleine schutbladerenAraeococcus.6b.Bladeren met afstaande scheeden, een breede rozet vormend; bladrand met vrij kleine stekels bezet. Bloeiwijze groot, 1 maal vertakt; takken van de pluim aarvormig,in den oksel van groote bracteeën staande, bloemen grooter dan de vorige, tot 1 cM. langWittmackia.7a.Bloeiwijze onvertakt, een losse soms ± hangende aar vormend van verspreide zittende bloemen; bloeistengel met groote gekleurde ongestekelde bladeren bezet; bloembladeren lang en zeer smal, vooral aan de basis; vruchtbeginsel evenals de bloeistengel met een fijn meel bedektBillbergia.7b.Bloeiwijze onvertakt, bloemen dicht gedrongen, aan het eind van den bloeistengel een ± kegelvormig hoofdje vormend87c.Bloeiwijze vertakt98a.Bloeistengel met gestekelde bladeren bezet; bloemen in een dichte kegel aan het eind van den stengel met de bloeistengel vergroeid; aan den top voorzien van een pluim van niet bloemdragende bladeren. Bloemen rood of violet. Besvruchten met de sappig geworden bloeistengel tot één geheel vergroeidAnanas.8b.Bloeistengel met ongetande schubben bezet; geen bladpluim boven de bloeiwijze; bessen niet samen vergroeidAechmea.9a.Bloeistengel van onderen met gekleurde schubben, meermalen vertakt, een dichte ± kegelvormige pluim vormend; schutbladeren tusschen de bloemtakken in kransen of spiralen. Kelkbladeren en bloembladeren aan den top met een klein stekeltjeAechmea.9b.Bloeistengel met gekleurde schubben bezet; zijtakken tamelijk verspreid, kort, krachtig, in den oksel van lange, lancetvormige schutbladeren; aan het eind van die zijtakken de bloemen dicht op elkaar zittendGravisia.10a.Kroonbladeren vergroeid tot een lange buis. Bloeiwijze een kort gesteelde aar, nauwelijks boven de bladeren uitstekend. Stijl lang. Zaden met een haarkuif, overigens kaalGuzmania.10b.Kroonbladeren niet tot een lange buis vergroeid1111a.Bloembladeren van binnen met schubben aan den voet. Bloeistengel vertakt, de takken bezet met 2 rijen van bloemen, die door groote dekbladeren ingesloten zijnVriesea.11b.Bloembladeren van binnen zonder schubben aan de voet1212a.Bladeren in rosetten, de scheeden tamelijk wijd van elkaar, met verspreide schubben bezet; bloeistengel met weinige lange takken, aan welker top de bloemen spiraalsgewijs zitten. Kelk korter of (soms) langer dan de bloembladeren; deze laatste aan den top met een klein stekelpuntje. Stijl zeer kort. Zaden aangedrukt behaard, met een haarkuifCatopsis.12b.Bladeren in een dichte bundel of in een roset, en dan vaak een bovenaardsche bol vormend; soms ook een lange stengel dicht bedekkend; meest met grijze schubben dicht bezet. Bloeistengelonvertakt met de bloemen in twee rijen, of vertakt, en dan de bloemen tweerijig van de takken zittend. Vruchtbeginsel kaal; stijl lang; zaden kaal met een haarkuifTillandsia.

Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig, zelden iets zygomorf; kelk kruid- of leerachtig, blijvend; kroonbladeren vrij of vergroeid; meeldraden 6, in 2 kransen; vruchtbeginsel boven- tot onderstandig, met één stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen per hokje; bes of doosvrucht met kleine zaden, die vaak een haarkroon dragen; epiphytische kruiden of rotsplanten, zelden grondstandig met smalle, vaak doorniggezaagde bladeren in een roset, bladeren vaak met schubben.

1a.Planten klein, geheel zonder wortels, in dooreengevlochten massa’s in boomen hangend. Stengels en bladeren draadvormig, met grijze schubben bezetTillandsia.

1b.Stengels en bladeren niet draadvormig2

2a.Bloeiwijze een ijle, rechtopstaande tros vormend, uit de bladroset te voorschijn komend. Bloemen vrij lang gesteeld; schutbladeren klein, korter dan de bloemsteel. Bladeren aan den rand gestekeld of ongestekeld. Kelkbladen niet vergroeid, kroonbladeren rechtopstaand, de 6 meeldraden insluitend. Vruchtbeginsel tot aan het midden ongeveer met de kelk vergroeid, verder naar boven vrij, bovenstandig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht, met talrijke gevleugelde zadenPitcairnia.

2b.Bloeiwijze vertakt, of onvertakt, in het laatste geval de bloemen dicht op elkaar gedrongen zittend en ± een hoofdje vormend, of indien ze in een ijle tros zitten, dan zijn de bloemen ongesteeld3

3a.Vruchtbeginsel geheel onderstandig; bladeren meest met stekels aan den rand, vrucht een min of meer sappige bes; zaden steeds zonder haarkuif4

3b.Vruchtbeginsel geheel bovenstandig; bladerennooitmet stekels aan den rand, vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht; zaden met haarkuif10

4a.Bloembladeren van binnen aan de basis zonder schubben5

4b.Bloembladeren van binnen met 2 verlengde schubben aan den voet7

5a.Bloeiwijze langgesteeld, met korte dicht op elkaar zittende takken en groote schutbladeren, zeer lange bladeren. Bloemen groot (tot 5 cM.), kelkbladeren vrij; bloembladeren aan de basis vergroeid en met de meeldraden vergroeidBromelia.

5b.Bloeiwijze sterk vertakt, een wijde pluim vormend6

6a.Bladeren smal, met de scheeden dicht tegen de bloeistengel aanliggend, gestekeld (of soms ongestekeld) aan den rand. Bloeiwijze langgesteeld, een sterk en onregelmatig vertakte pluim vormend. Bloemen klein, geelachtig groen in den oksel van kleine schutbladerenAraeococcus.

6b.Bladeren met afstaande scheeden, een breede rozet vormend; bladrand met vrij kleine stekels bezet. Bloeiwijze groot, 1 maal vertakt; takken van de pluim aarvormig,in den oksel van groote bracteeën staande, bloemen grooter dan de vorige, tot 1 cM. langWittmackia.

7a.Bloeiwijze onvertakt, een losse soms ± hangende aar vormend van verspreide zittende bloemen; bloeistengel met groote gekleurde ongestekelde bladeren bezet; bloembladeren lang en zeer smal, vooral aan de basis; vruchtbeginsel evenals de bloeistengel met een fijn meel bedektBillbergia.

7b.Bloeiwijze onvertakt, bloemen dicht gedrongen, aan het eind van den bloeistengel een ± kegelvormig hoofdje vormend8

7c.Bloeiwijze vertakt9

8a.Bloeistengel met gestekelde bladeren bezet; bloemen in een dichte kegel aan het eind van den stengel met de bloeistengel vergroeid; aan den top voorzien van een pluim van niet bloemdragende bladeren. Bloemen rood of violet. Besvruchten met de sappig geworden bloeistengel tot één geheel vergroeidAnanas.

8b.Bloeistengel met ongetande schubben bezet; geen bladpluim boven de bloeiwijze; bessen niet samen vergroeidAechmea.

9a.Bloeistengel van onderen met gekleurde schubben, meermalen vertakt, een dichte ± kegelvormige pluim vormend; schutbladeren tusschen de bloemtakken in kransen of spiralen. Kelkbladeren en bloembladeren aan den top met een klein stekeltjeAechmea.

9b.Bloeistengel met gekleurde schubben bezet; zijtakken tamelijk verspreid, kort, krachtig, in den oksel van lange, lancetvormige schutbladeren; aan het eind van die zijtakken de bloemen dicht op elkaar zittendGravisia.

10a.Kroonbladeren vergroeid tot een lange buis. Bloeiwijze een kort gesteelde aar, nauwelijks boven de bladeren uitstekend. Stijl lang. Zaden met een haarkuif, overigens kaalGuzmania.

10b.Kroonbladeren niet tot een lange buis vergroeid11

11a.Bloembladeren van binnen met schubben aan den voet. Bloeistengel vertakt, de takken bezet met 2 rijen van bloemen, die door groote dekbladeren ingesloten zijnVriesea.

11b.Bloembladeren van binnen zonder schubben aan de voet12

12a.Bladeren in rosetten, de scheeden tamelijk wijd van elkaar, met verspreide schubben bezet; bloeistengel met weinige lange takken, aan welker top de bloemen spiraalsgewijs zitten. Kelk korter of (soms) langer dan de bloembladeren; deze laatste aan den top met een klein stekelpuntje. Stijl zeer kort. Zaden aangedrukt behaard, met een haarkuifCatopsis.

12b.Bladeren in een dichte bundel of in een roset, en dan vaak een bovenaardsche bol vormend; soms ook een lange stengel dicht bedekkend; meest met grijze schubben dicht bezet. Bloeistengelonvertakt met de bloemen in twee rijen, of vertakt, en dan de bloemen tweerijig van de takken zittend. Vruchtbeginsel kaal; stijl lang; zaden kaal met een haarkuifTillandsia.

33.Commelinaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3–2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; meeldraden 6, een deel ervan vaak staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht; kruiden met knoopen aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe of violette kroon.1a.Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig, zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf21b.Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van den stengel of in den oksel van gewone bladeren32a.Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar loopend, spiesvormig. Vrucht eennietopenspringendedoosvrucht met een dunne witte wand en 5 zadenPhaeospherion.Gado-dèdè.2b.Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht een doosvrucht, die met 3 kleppen openspringtCommelina.Gado-dèdè.3a.Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3 onvruchtbare meeldraden; vrucht een openspringende doosvruchtAneilema.3b.5 of 6 vruchtbare meeldraden44a.Bloemen vrij groot in trossen aan het einde van den stengel. Bloembladen blauw met witte nagelDichorisandra.4b.Bloemen in vertakte pluimen of meerdere bloeistengels samen in de oksels van de bovenste bladeren staand, aan het einde de bloemen in een dicht gedrongen hoofdje dragendTradescantia.

33.Commelinaceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3–2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; meeldraden 6, een deel ervan vaak staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht; kruiden met knoopen aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe of violette kroon.1a.Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig, zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf21b.Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van den stengel of in den oksel van gewone bladeren32a.Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar loopend, spiesvormig. Vrucht eennietopenspringendedoosvrucht met een dunne witte wand en 5 zadenPhaeospherion.Gado-dèdè.2b.Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht een doosvrucht, die met 3 kleppen openspringtCommelina.Gado-dèdè.3a.Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3 onvruchtbare meeldraden; vrucht een openspringende doosvruchtAneilema.3b.5 of 6 vruchtbare meeldraden44a.Bloemen vrij groot in trossen aan het einde van den stengel. Bloembladen blauw met witte nagelDichorisandra.4b.Bloemen in vertakte pluimen of meerdere bloeistengels samen in de oksels van de bovenste bladeren staand, aan het einde de bloemen in een dicht gedrongen hoofdje dragendTradescantia.

Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3–2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; meeldraden 6, een deel ervan vaak staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht; kruiden met knoopen aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe of violette kroon.

1a.Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig, zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf2

1b.Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van den stengel of in den oksel van gewone bladeren3

2a.Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar loopend, spiesvormig. Vrucht eennietopenspringendedoosvrucht met een dunne witte wand en 5 zadenPhaeospherion.Gado-dèdè.

2b.Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht een doosvrucht, die met 3 kleppen openspringtCommelina.Gado-dèdè.

3a.Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3 onvruchtbare meeldraden; vrucht een openspringende doosvruchtAneilema.

3b.5 of 6 vruchtbare meeldraden4

4a.Bloemen vrij groot in trossen aan het einde van den stengel. Bloembladen blauw met witte nagelDichorisandra.

4b.Bloemen in vertakte pluimen of meerdere bloeistengels samen in de oksels van de bovenste bladeren staand, aan het einde de bloemen in een dicht gedrongen hoofdje dragendTradescantia.

34.Pontederiaceae.Bloemen met een 6-tallig, vergroeidbladig bloemdek, tweeslachtig, bijna regelmatig of zygomorf; meeldraden 6, 3 of 1, in de buis van het bloemdek ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen of éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht een doosvrucht of niet-openspringend; waterplanten met een aarvormige bloeiwijze.1a.Bladsteelen aan de basis sterk opgezwollen, met lucht gevuld; bladeren in rosetten; bloemen in een staande tros zygomorf, groot, violet, het bovenste kroonblad met een gele vlekEichhornia crassipes.1b.Bladsteelen niet of nauwelijks opgezwollen22a.Lange, dunne stengel, in het water drijvend, met ronde bladeren bezet, die ongeveer 2 cM. in doorsnee zijn; bloemen alleenstaand, bijna actinomorfEichhornia natans.2b.Bladeren veel grooter dan 2 cM.; bloemen in trossen33a.Bladeren spatelvormig, naar den basis toegespitst. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met vele zaadknoppen, vrucht veelzadigEichhornia.3b.Bladeren aan de basis afgerond of eenigszins hartvormig; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop, vrucht eenzadigPontederia.

34.Pontederiaceae.

Bloemen met een 6-tallig, vergroeidbladig bloemdek, tweeslachtig, bijna regelmatig of zygomorf; meeldraden 6, 3 of 1, in de buis van het bloemdek ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen of éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht een doosvrucht of niet-openspringend; waterplanten met een aarvormige bloeiwijze.1a.Bladsteelen aan de basis sterk opgezwollen, met lucht gevuld; bladeren in rosetten; bloemen in een staande tros zygomorf, groot, violet, het bovenste kroonblad met een gele vlekEichhornia crassipes.1b.Bladsteelen niet of nauwelijks opgezwollen22a.Lange, dunne stengel, in het water drijvend, met ronde bladeren bezet, die ongeveer 2 cM. in doorsnee zijn; bloemen alleenstaand, bijna actinomorfEichhornia natans.2b.Bladeren veel grooter dan 2 cM.; bloemen in trossen33a.Bladeren spatelvormig, naar den basis toegespitst. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met vele zaadknoppen, vrucht veelzadigEichhornia.3b.Bladeren aan de basis afgerond of eenigszins hartvormig; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop, vrucht eenzadigPontederia.

Bloemen met een 6-tallig, vergroeidbladig bloemdek, tweeslachtig, bijna regelmatig of zygomorf; meeldraden 6, 3 of 1, in de buis van het bloemdek ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen of éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht een doosvrucht of niet-openspringend; waterplanten met een aarvormige bloeiwijze.

1a.Bladsteelen aan de basis sterk opgezwollen, met lucht gevuld; bladeren in rosetten; bloemen in een staande tros zygomorf, groot, violet, het bovenste kroonblad met een gele vlekEichhornia crassipes.

1b.Bladsteelen niet of nauwelijks opgezwollen2

2a.Lange, dunne stengel, in het water drijvend, met ronde bladeren bezet, die ongeveer 2 cM. in doorsnee zijn; bloemen alleenstaand, bijna actinomorfEichhornia natans.

2b.Bladeren veel grooter dan 2 cM.; bloemen in trossen3

3a.Bladeren spatelvormig, naar den basis toegespitst. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met vele zaadknoppen, vrucht veelzadigEichhornia.

3b.Bladeren aan de basis afgerond of eenigszins hartvormig; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop, vrucht eenzadigPontederia.

Orde:Liliiflorae.38.Liliaceae.Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en kroon; meest tweeslachtig en regelmatig, zelden éénslachtig of zygomorf; bloemdek gekleurd of groen of vliezig, vergroeid- of losbladig; meest 6 meeldraden voorhanden; stijlen gescheiden of vereenigd; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 3-hokkig; vrucht zeer verschillend van vorm.1a.Klimplanten met ranken en handnervige bladeren. Bloemen tweehuizig; bloemdek 6-bladig; ♀ bloemen met 6–3 steriele meeldraden, ♂ bloemen met6 fertielemeeldraden alleen; vrucht een besSmilax.1b.Planten met een rechtopstaande stam22a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij van elkaar, klokvormig tegen elkaar staand; bloemen hangend, met korte meeldradenYucca.2b.Bloemdekbladeren van onderen tot een buis vergroeid; slippen van het bloemdek gekromd; meeldraden bijna geheel met het bloemdek vergroeidCordyline.39.Haemodoraceae.Bloemen met een min of meer vergroeidbladig bloemdek, met 3 meeldraden vóór de binnenste kroonslippen; bloemen regelmatig of een weinig zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig of bovenstandig, 3-hokkig met weinige zaadknoppen in elk hokje; stempel verdikt; kruiden.Planten met onderaardsch rhizoom, met talrijke lijnvormige bladeren en een groote, pluimvormig en regelmatig vertakte bloeiwijze met kleine kortgesteelde bloemenXiphidium.40.Amaryllidaceae.Kenmerken als de Liliaceae, doch vruchtbeginsel steeds onderstandig en aan de basis der meeldraden vaak verbreedingen, die een bijkroon vormen; vrucht een doosvrucht of een bes.1a.Planten met groote vleezige bladeren in een roset, bloeistengel zeer lang en veelbloemig21b.Bladeren niet vleezig, doch kruidachtig32a.Bloemdek bijna trechtervormig, met vrij lange buis; slippen van het bloemdek smal. Meeldraden langer dan het bloemdek, niet verdiktAgave.2b.Bloemdek met zeer korte buis. Meeldraden korter dan het bloemdek, aan de basis sterk verdikt. In de bloeiwijze komen vaak bebladerde knoppen voorFourcroya.Injie-sopo.3a.Bloemen groot, meerdere schermvormig bijeenstaand aan den top van den stengel; scherm vaak aan de basis met eenige bladeren. Planten met een bol43b.Bloemen klein, niet in een scherm staand. Bladeren smal, grasachtig. Planten met een wortelstokHypoxis.4a.Bloemen met een lange dunne buis, wit. Binnen het bloemdek een trechtervormige bijkroon, waarop de meeldraden ingehecht zijnHymenocallis.4b.Bijkroon afwezig of slechts in den vorm van schubben aanwezig55a.Bloemen rood, door een kromming van het vruchtbeginsel naarbeneden gebogen; een weinig zijdelings symmetrisch; buis naar beneden trechtervormig toeloopendHippeastrum.5b.Bloemen wit, rechtopstaand. Bloemdekbladeren smal, plotseling in de dunne buis vereenigdCrinum.43.Dioscoreaceae.Bloemen met een bloemdek, 3-tallig, tweeslachtig, vaak éénslachtig, regelmatig; bloemdek meest niet gekleurd, tot een korte buis vergroeid; soms 3 van de 6 meeldraden staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig; 3- of 1-hokkig, meest met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 3, soms tweedeelig; vrucht een bes; planten klimmend of windend, met meest knolvormige wortelstok en tegenoverstaande of verspreide bladeren.Planten met windende stengel; hart-pijlvormige of handvormig gelobde handnervige bladeren; knolvormig rhizoom, éénslachtige, één of tweehuizige bloemen; ♂ bloemen met 3 of 6 meeldraden; ♀ bloemen met een 3-hoekig vruchtbeginsel en rudimentaire meeldraden; vrucht een 3-hoekige doosvruchtDioscorea.Napi.

Orde:Liliiflorae.38.Liliaceae.Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en kroon; meest tweeslachtig en regelmatig, zelden éénslachtig of zygomorf; bloemdek gekleurd of groen of vliezig, vergroeid- of losbladig; meest 6 meeldraden voorhanden; stijlen gescheiden of vereenigd; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 3-hokkig; vrucht zeer verschillend van vorm.1a.Klimplanten met ranken en handnervige bladeren. Bloemen tweehuizig; bloemdek 6-bladig; ♀ bloemen met 6–3 steriele meeldraden, ♂ bloemen met6 fertielemeeldraden alleen; vrucht een besSmilax.1b.Planten met een rechtopstaande stam22a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij van elkaar, klokvormig tegen elkaar staand; bloemen hangend, met korte meeldradenYucca.2b.Bloemdekbladeren van onderen tot een buis vergroeid; slippen van het bloemdek gekromd; meeldraden bijna geheel met het bloemdek vergroeidCordyline.39.Haemodoraceae.Bloemen met een min of meer vergroeidbladig bloemdek, met 3 meeldraden vóór de binnenste kroonslippen; bloemen regelmatig of een weinig zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig of bovenstandig, 3-hokkig met weinige zaadknoppen in elk hokje; stempel verdikt; kruiden.Planten met onderaardsch rhizoom, met talrijke lijnvormige bladeren en een groote, pluimvormig en regelmatig vertakte bloeiwijze met kleine kortgesteelde bloemenXiphidium.40.Amaryllidaceae.Kenmerken als de Liliaceae, doch vruchtbeginsel steeds onderstandig en aan de basis der meeldraden vaak verbreedingen, die een bijkroon vormen; vrucht een doosvrucht of een bes.1a.Planten met groote vleezige bladeren in een roset, bloeistengel zeer lang en veelbloemig21b.Bladeren niet vleezig, doch kruidachtig32a.Bloemdek bijna trechtervormig, met vrij lange buis; slippen van het bloemdek smal. Meeldraden langer dan het bloemdek, niet verdiktAgave.2b.Bloemdek met zeer korte buis. Meeldraden korter dan het bloemdek, aan de basis sterk verdikt. In de bloeiwijze komen vaak bebladerde knoppen voorFourcroya.Injie-sopo.3a.Bloemen groot, meerdere schermvormig bijeenstaand aan den top van den stengel; scherm vaak aan de basis met eenige bladeren. Planten met een bol43b.Bloemen klein, niet in een scherm staand. Bladeren smal, grasachtig. Planten met een wortelstokHypoxis.4a.Bloemen met een lange dunne buis, wit. Binnen het bloemdek een trechtervormige bijkroon, waarop de meeldraden ingehecht zijnHymenocallis.4b.Bijkroon afwezig of slechts in den vorm van schubben aanwezig55a.Bloemen rood, door een kromming van het vruchtbeginsel naarbeneden gebogen; een weinig zijdelings symmetrisch; buis naar beneden trechtervormig toeloopendHippeastrum.5b.Bloemen wit, rechtopstaand. Bloemdekbladeren smal, plotseling in de dunne buis vereenigdCrinum.43.Dioscoreaceae.Bloemen met een bloemdek, 3-tallig, tweeslachtig, vaak éénslachtig, regelmatig; bloemdek meest niet gekleurd, tot een korte buis vergroeid; soms 3 van de 6 meeldraden staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig; 3- of 1-hokkig, meest met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 3, soms tweedeelig; vrucht een bes; planten klimmend of windend, met meest knolvormige wortelstok en tegenoverstaande of verspreide bladeren.Planten met windende stengel; hart-pijlvormige of handvormig gelobde handnervige bladeren; knolvormig rhizoom, éénslachtige, één of tweehuizige bloemen; ♂ bloemen met 3 of 6 meeldraden; ♀ bloemen met een 3-hoekig vruchtbeginsel en rudimentaire meeldraden; vrucht een 3-hoekige doosvruchtDioscorea.Napi.

38.Liliaceae.Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en kroon; meest tweeslachtig en regelmatig, zelden éénslachtig of zygomorf; bloemdek gekleurd of groen of vliezig, vergroeid- of losbladig; meest 6 meeldraden voorhanden; stijlen gescheiden of vereenigd; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 3-hokkig; vrucht zeer verschillend van vorm.1a.Klimplanten met ranken en handnervige bladeren. Bloemen tweehuizig; bloemdek 6-bladig; ♀ bloemen met 6–3 steriele meeldraden, ♂ bloemen met6 fertielemeeldraden alleen; vrucht een besSmilax.1b.Planten met een rechtopstaande stam22a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij van elkaar, klokvormig tegen elkaar staand; bloemen hangend, met korte meeldradenYucca.2b.Bloemdekbladeren van onderen tot een buis vergroeid; slippen van het bloemdek gekromd; meeldraden bijna geheel met het bloemdek vergroeidCordyline.

38.Liliaceae.

Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en kroon; meest tweeslachtig en regelmatig, zelden éénslachtig of zygomorf; bloemdek gekleurd of groen of vliezig, vergroeid- of losbladig; meest 6 meeldraden voorhanden; stijlen gescheiden of vereenigd; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 3-hokkig; vrucht zeer verschillend van vorm.1a.Klimplanten met ranken en handnervige bladeren. Bloemen tweehuizig; bloemdek 6-bladig; ♀ bloemen met 6–3 steriele meeldraden, ♂ bloemen met6 fertielemeeldraden alleen; vrucht een besSmilax.1b.Planten met een rechtopstaande stam22a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij van elkaar, klokvormig tegen elkaar staand; bloemen hangend, met korte meeldradenYucca.2b.Bloemdekbladeren van onderen tot een buis vergroeid; slippen van het bloemdek gekromd; meeldraden bijna geheel met het bloemdek vergroeidCordyline.

Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en kroon; meest tweeslachtig en regelmatig, zelden éénslachtig of zygomorf; bloemdek gekleurd of groen of vliezig, vergroeid- of losbladig; meest 6 meeldraden voorhanden; stijlen gescheiden of vereenigd; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 3-hokkig; vrucht zeer verschillend van vorm.

1a.Klimplanten met ranken en handnervige bladeren. Bloemen tweehuizig; bloemdek 6-bladig; ♀ bloemen met 6–3 steriele meeldraden, ♂ bloemen met6 fertielemeeldraden alleen; vrucht een besSmilax.

1b.Planten met een rechtopstaande stam2

2a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij van elkaar, klokvormig tegen elkaar staand; bloemen hangend, met korte meeldradenYucca.

2b.Bloemdekbladeren van onderen tot een buis vergroeid; slippen van het bloemdek gekromd; meeldraden bijna geheel met het bloemdek vergroeidCordyline.

39.Haemodoraceae.Bloemen met een min of meer vergroeidbladig bloemdek, met 3 meeldraden vóór de binnenste kroonslippen; bloemen regelmatig of een weinig zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig of bovenstandig, 3-hokkig met weinige zaadknoppen in elk hokje; stempel verdikt; kruiden.Planten met onderaardsch rhizoom, met talrijke lijnvormige bladeren en een groote, pluimvormig en regelmatig vertakte bloeiwijze met kleine kortgesteelde bloemenXiphidium.

39.Haemodoraceae.

Bloemen met een min of meer vergroeidbladig bloemdek, met 3 meeldraden vóór de binnenste kroonslippen; bloemen regelmatig of een weinig zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig of bovenstandig, 3-hokkig met weinige zaadknoppen in elk hokje; stempel verdikt; kruiden.Planten met onderaardsch rhizoom, met talrijke lijnvormige bladeren en een groote, pluimvormig en regelmatig vertakte bloeiwijze met kleine kortgesteelde bloemenXiphidium.

Bloemen met een min of meer vergroeidbladig bloemdek, met 3 meeldraden vóór de binnenste kroonslippen; bloemen regelmatig of een weinig zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig of bovenstandig, 3-hokkig met weinige zaadknoppen in elk hokje; stempel verdikt; kruiden.

Planten met onderaardsch rhizoom, met talrijke lijnvormige bladeren en een groote, pluimvormig en regelmatig vertakte bloeiwijze met kleine kortgesteelde bloemenXiphidium.

40.Amaryllidaceae.Kenmerken als de Liliaceae, doch vruchtbeginsel steeds onderstandig en aan de basis der meeldraden vaak verbreedingen, die een bijkroon vormen; vrucht een doosvrucht of een bes.1a.Planten met groote vleezige bladeren in een roset, bloeistengel zeer lang en veelbloemig21b.Bladeren niet vleezig, doch kruidachtig32a.Bloemdek bijna trechtervormig, met vrij lange buis; slippen van het bloemdek smal. Meeldraden langer dan het bloemdek, niet verdiktAgave.2b.Bloemdek met zeer korte buis. Meeldraden korter dan het bloemdek, aan de basis sterk verdikt. In de bloeiwijze komen vaak bebladerde knoppen voorFourcroya.Injie-sopo.3a.Bloemen groot, meerdere schermvormig bijeenstaand aan den top van den stengel; scherm vaak aan de basis met eenige bladeren. Planten met een bol43b.Bloemen klein, niet in een scherm staand. Bladeren smal, grasachtig. Planten met een wortelstokHypoxis.4a.Bloemen met een lange dunne buis, wit. Binnen het bloemdek een trechtervormige bijkroon, waarop de meeldraden ingehecht zijnHymenocallis.4b.Bijkroon afwezig of slechts in den vorm van schubben aanwezig55a.Bloemen rood, door een kromming van het vruchtbeginsel naarbeneden gebogen; een weinig zijdelings symmetrisch; buis naar beneden trechtervormig toeloopendHippeastrum.5b.Bloemen wit, rechtopstaand. Bloemdekbladeren smal, plotseling in de dunne buis vereenigdCrinum.

40.Amaryllidaceae.

Kenmerken als de Liliaceae, doch vruchtbeginsel steeds onderstandig en aan de basis der meeldraden vaak verbreedingen, die een bijkroon vormen; vrucht een doosvrucht of een bes.1a.Planten met groote vleezige bladeren in een roset, bloeistengel zeer lang en veelbloemig21b.Bladeren niet vleezig, doch kruidachtig32a.Bloemdek bijna trechtervormig, met vrij lange buis; slippen van het bloemdek smal. Meeldraden langer dan het bloemdek, niet verdiktAgave.2b.Bloemdek met zeer korte buis. Meeldraden korter dan het bloemdek, aan de basis sterk verdikt. In de bloeiwijze komen vaak bebladerde knoppen voorFourcroya.Injie-sopo.3a.Bloemen groot, meerdere schermvormig bijeenstaand aan den top van den stengel; scherm vaak aan de basis met eenige bladeren. Planten met een bol43b.Bloemen klein, niet in een scherm staand. Bladeren smal, grasachtig. Planten met een wortelstokHypoxis.4a.Bloemen met een lange dunne buis, wit. Binnen het bloemdek een trechtervormige bijkroon, waarop de meeldraden ingehecht zijnHymenocallis.4b.Bijkroon afwezig of slechts in den vorm van schubben aanwezig55a.Bloemen rood, door een kromming van het vruchtbeginsel naarbeneden gebogen; een weinig zijdelings symmetrisch; buis naar beneden trechtervormig toeloopendHippeastrum.5b.Bloemen wit, rechtopstaand. Bloemdekbladeren smal, plotseling in de dunne buis vereenigdCrinum.

Kenmerken als de Liliaceae, doch vruchtbeginsel steeds onderstandig en aan de basis der meeldraden vaak verbreedingen, die een bijkroon vormen; vrucht een doosvrucht of een bes.

1a.Planten met groote vleezige bladeren in een roset, bloeistengel zeer lang en veelbloemig2

1b.Bladeren niet vleezig, doch kruidachtig3

2a.Bloemdek bijna trechtervormig, met vrij lange buis; slippen van het bloemdek smal. Meeldraden langer dan het bloemdek, niet verdiktAgave.

2b.Bloemdek met zeer korte buis. Meeldraden korter dan het bloemdek, aan de basis sterk verdikt. In de bloeiwijze komen vaak bebladerde knoppen voorFourcroya.Injie-sopo.

3a.Bloemen groot, meerdere schermvormig bijeenstaand aan den top van den stengel; scherm vaak aan de basis met eenige bladeren. Planten met een bol4

3b.Bloemen klein, niet in een scherm staand. Bladeren smal, grasachtig. Planten met een wortelstokHypoxis.

4a.Bloemen met een lange dunne buis, wit. Binnen het bloemdek een trechtervormige bijkroon, waarop de meeldraden ingehecht zijnHymenocallis.

4b.Bijkroon afwezig of slechts in den vorm van schubben aanwezig5

5a.Bloemen rood, door een kromming van het vruchtbeginsel naarbeneden gebogen; een weinig zijdelings symmetrisch; buis naar beneden trechtervormig toeloopendHippeastrum.

5b.Bloemen wit, rechtopstaand. Bloemdekbladeren smal, plotseling in de dunne buis vereenigdCrinum.

43.Dioscoreaceae.Bloemen met een bloemdek, 3-tallig, tweeslachtig, vaak éénslachtig, regelmatig; bloemdek meest niet gekleurd, tot een korte buis vergroeid; soms 3 van de 6 meeldraden staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig; 3- of 1-hokkig, meest met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 3, soms tweedeelig; vrucht een bes; planten klimmend of windend, met meest knolvormige wortelstok en tegenoverstaande of verspreide bladeren.Planten met windende stengel; hart-pijlvormige of handvormig gelobde handnervige bladeren; knolvormig rhizoom, éénslachtige, één of tweehuizige bloemen; ♂ bloemen met 3 of 6 meeldraden; ♀ bloemen met een 3-hoekig vruchtbeginsel en rudimentaire meeldraden; vrucht een 3-hoekige doosvruchtDioscorea.Napi.

43.Dioscoreaceae.

Bloemen met een bloemdek, 3-tallig, tweeslachtig, vaak éénslachtig, regelmatig; bloemdek meest niet gekleurd, tot een korte buis vergroeid; soms 3 van de 6 meeldraden staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig; 3- of 1-hokkig, meest met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 3, soms tweedeelig; vrucht een bes; planten klimmend of windend, met meest knolvormige wortelstok en tegenoverstaande of verspreide bladeren.Planten met windende stengel; hart-pijlvormige of handvormig gelobde handnervige bladeren; knolvormig rhizoom, éénslachtige, één of tweehuizige bloemen; ♂ bloemen met 3 of 6 meeldraden; ♀ bloemen met een 3-hoekig vruchtbeginsel en rudimentaire meeldraden; vrucht een 3-hoekige doosvruchtDioscorea.Napi.

Bloemen met een bloemdek, 3-tallig, tweeslachtig, vaak éénslachtig, regelmatig; bloemdek meest niet gekleurd, tot een korte buis vergroeid; soms 3 van de 6 meeldraden staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig; 3- of 1-hokkig, meest met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 3, soms tweedeelig; vrucht een bes; planten klimmend of windend, met meest knolvormige wortelstok en tegenoverstaande of verspreide bladeren.

Planten met windende stengel; hart-pijlvormige of handvormig gelobde handnervige bladeren; knolvormig rhizoom, éénslachtige, één of tweehuizige bloemen; ♂ bloemen met 3 of 6 meeldraden; ♀ bloemen met een 3-hoekig vruchtbeginsel en rudimentaire meeldraden; vrucht een 3-hoekige doosvruchtDioscorea.Napi.

Orde:Scitamineae.45.Musaceae.Bloemen met bloemdek of met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of mannelijk, regelmatig of zygomorf; bloemkroon gekleurd, meest vergroeidbladig; van 6 meeldraden meest maar 5 met stuifmeel, vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl 3–6-lobbig; vrucht een bes of een doosvrucht; groote kruiden met groote ovale of langwerpige, vinnervige bladeren.1a.Bladeren spiraalsgewijs staande met vele bladscheeden, een schijnstam vormend. Bloemen meest éénslachtig, de drie kelkbladeren en 2 kroonbladeren zijn met elkaar tot een aan één zijde gespleten buis vergroeid; het 3dekroonblad vrij. Meeldraden 5; vrucht een lange besMusa.Bakove.Bana.1b.Bladeren in twee rijen (1 vlak) staande, bloemen 2-slachtig22a.Het kelkblad, dat in één vlak met de as staat naar voren, dus van de as afgekeerd. 5 fertiele meeldraden, het zesde een staminodium, tegen het achterste kroonblad staande. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje. Vrucht een doosvrucht, die in 3 stukken uiteenvalt, waarvan er soms 1 of 2 geen zaden dragen; zaden zonder arillusHeliconia.Popokai-Tongo.2b.Het kelkblad, dat in één vlak staat met de as staat naar achteren, dus naar de as gekeerd. Bloemen wit, een van de kroonbladeren kleiner dan de beide anderen. Meeldraden 5, met lange smalle helmknoppen. Vruchtbeginsels 3-hokkig met meerdere zaadknoppen in ieder hokje. Vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht met vele zaden met een arillusRavenala.Palaloe.46.Zingiberaceae.Bloemen meest met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, zelden éénslachtig, zygomorf; kelk en kroon 3-tallig, vergroeidbladig, van onderen met een buis; slechts 1 meeldraad van de binnenste krans fertiel, daartegenover een lip die gevormd wordt door 2 vergroeide staminodiën, soms ook nog 2 andere staminodiën aanwezig; stijl zeer dun, in een gleuf van de helmknop gelegen; vruchtbeginsel 3-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht meest een doosvrucht met 3 kleppen; overblijvende kruiden vaak met een knolvormige wortelstok.1a.Bloeiwijze bestaande uit elkaar dakpansgewijs bedekkende schubben uit welker oksel de bloemen te voorschijn komen21b.Bloemen in enkelvoudige of samengestelde verlengde trossen62a.De bloeiwijzen staan aan den gewonen bebladerden stengel32b.De bloeiwijzen staan aan het eind van aparte uit den wortelstok te voorschijn komende stengels, die in uiterlijk verschillen van den bladdragenden stengel53a.Bladeren zittend, langwerpig-eirond, bladscheede kokervormig, bladeren beneden de opening van dien koker ingehecht, in een spiraal rondom de stengel staand. Bracteeën der bloeiwijze meest zeer talrijk; bloemen kortgesteeld, met een korte buis, wit, geel of oranje, niet ver buiten de bracteeën uitstekend. Behalve de buisvormige kelk en de 3 kroonslippen is er alleen nog een lip in de bloem aanwezigCostus.Sangrafoe,Ficofico.3b.Bladeren in twee rijen langs den stengel staand. Behalve kelk, kroonslippen en lip zijn er ook nog 2 bladachtige staminodiën in den bloem te vinden44a.Bladeren kortgesteeld, smal. Kroonbuis der bloemen ver buiten de bracteeën uitstekend. Staminodiën wit, lip geel. Meeldraad aan den basis zonder aanhangselsHedychium.4b.Bladeren langgesteeld, breed. Meeldraad aan de basis met 2 aanhangsels. Wortelstok intens geelCurcuma longa.5a.Bloem met een duidelijke 3-lobbige lip, waarvan de middenlob het grootst is, en purper van kleur met gele vlekken. Helmknop aan den top met een buisvormig aanhangsel dat den stijl omsluit, aan de basis zonder spoorvormige aanhangselsZingiber.5b.Lip geel, onduidelijk 3-lobbig, middenlob ingesneden. Helmknop aan den top zonder, aan de basis met 2 spoorvormige aanhangselsCurcuma Zedoaria.6a.Bloeiwijze aan het eind van een met gewone groene bladeren bezette stengel staand, een groote tros vormend. Bloemkroon wit en rood gekleurd, lip geelAlpinia.6b.Bloeistengels en bebladerde stengels naast elkaar uit de wortelstok te voorschijn komend, duidelijk van elkaar verschillend77a.Bloemen alleenstaand aan het eind van den korten bloeistengel. Lip groot; aanhangsel aan den top van de helmknop breed, ingesnedenAframomum.Ningre-Kondre-pepre.7b.Bloemen in lange trossen of pluimen. Geen aanhangsel aan den top van den helmknopRenealmia.Massoesa.47.Cannaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; kelkbladeren 3, bloembladeren 3, van onderen vergroeid; meeldraden 1–5, van onderen met de kroonbuis vergroeid; maar slechts één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft staminodiaal en bloembladachtig, de overige meeldraden alle bloembladachtig; stijl dik bladachtig, met een scheeve stempel; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig; met 2 rijen van zaadknoppen in ieder hokje; vruchten gestekeld; overblijvende kruiden met groote vinnervige bladeren; bloeiwijze aarvormig met groote bloemen.Eenige geslachtCanna.Sakka-sirie,Krekrere.48.Marantaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; meeldraden 4–5, maar alleen één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft bloembladachtig verbreed; de beide andere binnenste en 1 of 2 van de buitenste meeldraden staminodiaal en bloembladachtig; een er van kapvormig; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig, of doordat 2 van de hokjes niet ontwikkeld zijn, éénhokkig; ieder hokje met 1 zaadknop; stijl sterk gekromd met scheeve, vaak gelobde top; overblijvende kruiden met 2-rijige, vinnervige, meest ongelijkzijdige bladeren, met een aanzwelling aan den top van de bladsteel.1a.Bloemen in meest dichtgedrongen hoofdjes, soms een weinig verder van elkaar, aan het eind van den steeds geheel onvertakten bloeistengel staande; zeer zelden is de bloeistengel zoo kort dat de bloemen tusschen de bladscheeden staan. Vruchtbeginsel 3-hokkig, vrucht met 3 kleppen openspringend met 3 zadenCalathea.1b.Vruchtbeginsel 1-hokkig, met maar 1 zaadknop; vrucht 1-zadig; bloeiwijzen bijna steeds meermalen vertakt22a.Bracteeën in 2 rijen langs den wijdvertakten, doch slechts weinig bloemen dragende bloeistengel, meest spoedig afvallend. Twee groote bladachtige staminodiën in den bloem. Bladeren homotroop.Maranta.Arrow-root.2b.Bracteeën niet in twee rijen, doch dorsiventraal geplaatst33a.Bracteeën spoedig na den bloei afvallend, daardoor aan den as een lidteeken achterlatend; op deze plaats is de as knievormig gebogen. Slechts 1 buitenstaminodium met 2 aanhangsels. Bladeren homotroop; vrucht niet openspringendThalia.3b.Bracteeën blijvend na den bloei44a.Bracteeën breed, meest elkaar dakpansgewijs bedekkend, bloeiwijze kort, hoofdas onvertakt, 2 of meer paar bloemen in den oksel van een bractee. Buitenstaminodiën 2. Bladeren homotroop.Myrosma.4b.Bracteeën zeer lang en smal, buisvormig in elkaar gerold, een lange, dunne cylindrische vertakte of onvertakte bloeiwijze vormend. Steeds slechts 1 buitenstaminodium in de bloem55a.Bloeiwijze onvertakt, slechts één dunne cylindrische aar vormend. In den oksel van elke bractee zitten de bloemen in parenIschnosiphon.Warimbo.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, min of meer pluimvormig. Bloemen alleenstaand in den oksel der bracteeënMonotagma.

Orde:Scitamineae.45.Musaceae.Bloemen met bloemdek of met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of mannelijk, regelmatig of zygomorf; bloemkroon gekleurd, meest vergroeidbladig; van 6 meeldraden meest maar 5 met stuifmeel, vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl 3–6-lobbig; vrucht een bes of een doosvrucht; groote kruiden met groote ovale of langwerpige, vinnervige bladeren.1a.Bladeren spiraalsgewijs staande met vele bladscheeden, een schijnstam vormend. Bloemen meest éénslachtig, de drie kelkbladeren en 2 kroonbladeren zijn met elkaar tot een aan één zijde gespleten buis vergroeid; het 3dekroonblad vrij. Meeldraden 5; vrucht een lange besMusa.Bakove.Bana.1b.Bladeren in twee rijen (1 vlak) staande, bloemen 2-slachtig22a.Het kelkblad, dat in één vlak met de as staat naar voren, dus van de as afgekeerd. 5 fertiele meeldraden, het zesde een staminodium, tegen het achterste kroonblad staande. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje. Vrucht een doosvrucht, die in 3 stukken uiteenvalt, waarvan er soms 1 of 2 geen zaden dragen; zaden zonder arillusHeliconia.Popokai-Tongo.2b.Het kelkblad, dat in één vlak staat met de as staat naar achteren, dus naar de as gekeerd. Bloemen wit, een van de kroonbladeren kleiner dan de beide anderen. Meeldraden 5, met lange smalle helmknoppen. Vruchtbeginsels 3-hokkig met meerdere zaadknoppen in ieder hokje. Vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht met vele zaden met een arillusRavenala.Palaloe.46.Zingiberaceae.Bloemen meest met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, zelden éénslachtig, zygomorf; kelk en kroon 3-tallig, vergroeidbladig, van onderen met een buis; slechts 1 meeldraad van de binnenste krans fertiel, daartegenover een lip die gevormd wordt door 2 vergroeide staminodiën, soms ook nog 2 andere staminodiën aanwezig; stijl zeer dun, in een gleuf van de helmknop gelegen; vruchtbeginsel 3-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht meest een doosvrucht met 3 kleppen; overblijvende kruiden vaak met een knolvormige wortelstok.1a.Bloeiwijze bestaande uit elkaar dakpansgewijs bedekkende schubben uit welker oksel de bloemen te voorschijn komen21b.Bloemen in enkelvoudige of samengestelde verlengde trossen62a.De bloeiwijzen staan aan den gewonen bebladerden stengel32b.De bloeiwijzen staan aan het eind van aparte uit den wortelstok te voorschijn komende stengels, die in uiterlijk verschillen van den bladdragenden stengel53a.Bladeren zittend, langwerpig-eirond, bladscheede kokervormig, bladeren beneden de opening van dien koker ingehecht, in een spiraal rondom de stengel staand. Bracteeën der bloeiwijze meest zeer talrijk; bloemen kortgesteeld, met een korte buis, wit, geel of oranje, niet ver buiten de bracteeën uitstekend. Behalve de buisvormige kelk en de 3 kroonslippen is er alleen nog een lip in de bloem aanwezigCostus.Sangrafoe,Ficofico.3b.Bladeren in twee rijen langs den stengel staand. Behalve kelk, kroonslippen en lip zijn er ook nog 2 bladachtige staminodiën in den bloem te vinden44a.Bladeren kortgesteeld, smal. Kroonbuis der bloemen ver buiten de bracteeën uitstekend. Staminodiën wit, lip geel. Meeldraad aan den basis zonder aanhangselsHedychium.4b.Bladeren langgesteeld, breed. Meeldraad aan de basis met 2 aanhangsels. Wortelstok intens geelCurcuma longa.5a.Bloem met een duidelijke 3-lobbige lip, waarvan de middenlob het grootst is, en purper van kleur met gele vlekken. Helmknop aan den top met een buisvormig aanhangsel dat den stijl omsluit, aan de basis zonder spoorvormige aanhangselsZingiber.5b.Lip geel, onduidelijk 3-lobbig, middenlob ingesneden. Helmknop aan den top zonder, aan de basis met 2 spoorvormige aanhangselsCurcuma Zedoaria.6a.Bloeiwijze aan het eind van een met gewone groene bladeren bezette stengel staand, een groote tros vormend. Bloemkroon wit en rood gekleurd, lip geelAlpinia.6b.Bloeistengels en bebladerde stengels naast elkaar uit de wortelstok te voorschijn komend, duidelijk van elkaar verschillend77a.Bloemen alleenstaand aan het eind van den korten bloeistengel. Lip groot; aanhangsel aan den top van de helmknop breed, ingesnedenAframomum.Ningre-Kondre-pepre.7b.Bloemen in lange trossen of pluimen. Geen aanhangsel aan den top van den helmknopRenealmia.Massoesa.47.Cannaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; kelkbladeren 3, bloembladeren 3, van onderen vergroeid; meeldraden 1–5, van onderen met de kroonbuis vergroeid; maar slechts één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft staminodiaal en bloembladachtig, de overige meeldraden alle bloembladachtig; stijl dik bladachtig, met een scheeve stempel; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig; met 2 rijen van zaadknoppen in ieder hokje; vruchten gestekeld; overblijvende kruiden met groote vinnervige bladeren; bloeiwijze aarvormig met groote bloemen.Eenige geslachtCanna.Sakka-sirie,Krekrere.48.Marantaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; meeldraden 4–5, maar alleen één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft bloembladachtig verbreed; de beide andere binnenste en 1 of 2 van de buitenste meeldraden staminodiaal en bloembladachtig; een er van kapvormig; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig, of doordat 2 van de hokjes niet ontwikkeld zijn, éénhokkig; ieder hokje met 1 zaadknop; stijl sterk gekromd met scheeve, vaak gelobde top; overblijvende kruiden met 2-rijige, vinnervige, meest ongelijkzijdige bladeren, met een aanzwelling aan den top van de bladsteel.1a.Bloemen in meest dichtgedrongen hoofdjes, soms een weinig verder van elkaar, aan het eind van den steeds geheel onvertakten bloeistengel staande; zeer zelden is de bloeistengel zoo kort dat de bloemen tusschen de bladscheeden staan. Vruchtbeginsel 3-hokkig, vrucht met 3 kleppen openspringend met 3 zadenCalathea.1b.Vruchtbeginsel 1-hokkig, met maar 1 zaadknop; vrucht 1-zadig; bloeiwijzen bijna steeds meermalen vertakt22a.Bracteeën in 2 rijen langs den wijdvertakten, doch slechts weinig bloemen dragende bloeistengel, meest spoedig afvallend. Twee groote bladachtige staminodiën in den bloem. Bladeren homotroop.Maranta.Arrow-root.2b.Bracteeën niet in twee rijen, doch dorsiventraal geplaatst33a.Bracteeën spoedig na den bloei afvallend, daardoor aan den as een lidteeken achterlatend; op deze plaats is de as knievormig gebogen. Slechts 1 buitenstaminodium met 2 aanhangsels. Bladeren homotroop; vrucht niet openspringendThalia.3b.Bracteeën blijvend na den bloei44a.Bracteeën breed, meest elkaar dakpansgewijs bedekkend, bloeiwijze kort, hoofdas onvertakt, 2 of meer paar bloemen in den oksel van een bractee. Buitenstaminodiën 2. Bladeren homotroop.Myrosma.4b.Bracteeën zeer lang en smal, buisvormig in elkaar gerold, een lange, dunne cylindrische vertakte of onvertakte bloeiwijze vormend. Steeds slechts 1 buitenstaminodium in de bloem55a.Bloeiwijze onvertakt, slechts één dunne cylindrische aar vormend. In den oksel van elke bractee zitten de bloemen in parenIschnosiphon.Warimbo.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, min of meer pluimvormig. Bloemen alleenstaand in den oksel der bracteeënMonotagma.

45.Musaceae.Bloemen met bloemdek of met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of mannelijk, regelmatig of zygomorf; bloemkroon gekleurd, meest vergroeidbladig; van 6 meeldraden meest maar 5 met stuifmeel, vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl 3–6-lobbig; vrucht een bes of een doosvrucht; groote kruiden met groote ovale of langwerpige, vinnervige bladeren.1a.Bladeren spiraalsgewijs staande met vele bladscheeden, een schijnstam vormend. Bloemen meest éénslachtig, de drie kelkbladeren en 2 kroonbladeren zijn met elkaar tot een aan één zijde gespleten buis vergroeid; het 3dekroonblad vrij. Meeldraden 5; vrucht een lange besMusa.Bakove.Bana.1b.Bladeren in twee rijen (1 vlak) staande, bloemen 2-slachtig22a.Het kelkblad, dat in één vlak met de as staat naar voren, dus van de as afgekeerd. 5 fertiele meeldraden, het zesde een staminodium, tegen het achterste kroonblad staande. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje. Vrucht een doosvrucht, die in 3 stukken uiteenvalt, waarvan er soms 1 of 2 geen zaden dragen; zaden zonder arillusHeliconia.Popokai-Tongo.2b.Het kelkblad, dat in één vlak staat met de as staat naar achteren, dus naar de as gekeerd. Bloemen wit, een van de kroonbladeren kleiner dan de beide anderen. Meeldraden 5, met lange smalle helmknoppen. Vruchtbeginsels 3-hokkig met meerdere zaadknoppen in ieder hokje. Vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht met vele zaden met een arillusRavenala.Palaloe.

45.Musaceae.

Bloemen met bloemdek of met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of mannelijk, regelmatig of zygomorf; bloemkroon gekleurd, meest vergroeidbladig; van 6 meeldraden meest maar 5 met stuifmeel, vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl 3–6-lobbig; vrucht een bes of een doosvrucht; groote kruiden met groote ovale of langwerpige, vinnervige bladeren.1a.Bladeren spiraalsgewijs staande met vele bladscheeden, een schijnstam vormend. Bloemen meest éénslachtig, de drie kelkbladeren en 2 kroonbladeren zijn met elkaar tot een aan één zijde gespleten buis vergroeid; het 3dekroonblad vrij. Meeldraden 5; vrucht een lange besMusa.Bakove.Bana.1b.Bladeren in twee rijen (1 vlak) staande, bloemen 2-slachtig22a.Het kelkblad, dat in één vlak met de as staat naar voren, dus van de as afgekeerd. 5 fertiele meeldraden, het zesde een staminodium, tegen het achterste kroonblad staande. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje. Vrucht een doosvrucht, die in 3 stukken uiteenvalt, waarvan er soms 1 of 2 geen zaden dragen; zaden zonder arillusHeliconia.Popokai-Tongo.2b.Het kelkblad, dat in één vlak staat met de as staat naar achteren, dus naar de as gekeerd. Bloemen wit, een van de kroonbladeren kleiner dan de beide anderen. Meeldraden 5, met lange smalle helmknoppen. Vruchtbeginsels 3-hokkig met meerdere zaadknoppen in ieder hokje. Vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht met vele zaden met een arillusRavenala.Palaloe.

Bloemen met bloemdek of met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of mannelijk, regelmatig of zygomorf; bloemkroon gekleurd, meest vergroeidbladig; van 6 meeldraden meest maar 5 met stuifmeel, vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl 3–6-lobbig; vrucht een bes of een doosvrucht; groote kruiden met groote ovale of langwerpige, vinnervige bladeren.

1a.Bladeren spiraalsgewijs staande met vele bladscheeden, een schijnstam vormend. Bloemen meest éénslachtig, de drie kelkbladeren en 2 kroonbladeren zijn met elkaar tot een aan één zijde gespleten buis vergroeid; het 3dekroonblad vrij. Meeldraden 5; vrucht een lange besMusa.Bakove.Bana.

1b.Bladeren in twee rijen (1 vlak) staande, bloemen 2-slachtig2

2a.Het kelkblad, dat in één vlak met de as staat naar voren, dus van de as afgekeerd. 5 fertiele meeldraden, het zesde een staminodium, tegen het achterste kroonblad staande. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje. Vrucht een doosvrucht, die in 3 stukken uiteenvalt, waarvan er soms 1 of 2 geen zaden dragen; zaden zonder arillusHeliconia.Popokai-Tongo.

2b.Het kelkblad, dat in één vlak staat met de as staat naar achteren, dus naar de as gekeerd. Bloemen wit, een van de kroonbladeren kleiner dan de beide anderen. Meeldraden 5, met lange smalle helmknoppen. Vruchtbeginsels 3-hokkig met meerdere zaadknoppen in ieder hokje. Vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht met vele zaden met een arillusRavenala.Palaloe.

46.Zingiberaceae.Bloemen meest met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, zelden éénslachtig, zygomorf; kelk en kroon 3-tallig, vergroeidbladig, van onderen met een buis; slechts 1 meeldraad van de binnenste krans fertiel, daartegenover een lip die gevormd wordt door 2 vergroeide staminodiën, soms ook nog 2 andere staminodiën aanwezig; stijl zeer dun, in een gleuf van de helmknop gelegen; vruchtbeginsel 3-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht meest een doosvrucht met 3 kleppen; overblijvende kruiden vaak met een knolvormige wortelstok.1a.Bloeiwijze bestaande uit elkaar dakpansgewijs bedekkende schubben uit welker oksel de bloemen te voorschijn komen21b.Bloemen in enkelvoudige of samengestelde verlengde trossen62a.De bloeiwijzen staan aan den gewonen bebladerden stengel32b.De bloeiwijzen staan aan het eind van aparte uit den wortelstok te voorschijn komende stengels, die in uiterlijk verschillen van den bladdragenden stengel53a.Bladeren zittend, langwerpig-eirond, bladscheede kokervormig, bladeren beneden de opening van dien koker ingehecht, in een spiraal rondom de stengel staand. Bracteeën der bloeiwijze meest zeer talrijk; bloemen kortgesteeld, met een korte buis, wit, geel of oranje, niet ver buiten de bracteeën uitstekend. Behalve de buisvormige kelk en de 3 kroonslippen is er alleen nog een lip in de bloem aanwezigCostus.Sangrafoe,Ficofico.3b.Bladeren in twee rijen langs den stengel staand. Behalve kelk, kroonslippen en lip zijn er ook nog 2 bladachtige staminodiën in den bloem te vinden44a.Bladeren kortgesteeld, smal. Kroonbuis der bloemen ver buiten de bracteeën uitstekend. Staminodiën wit, lip geel. Meeldraad aan den basis zonder aanhangselsHedychium.4b.Bladeren langgesteeld, breed. Meeldraad aan de basis met 2 aanhangsels. Wortelstok intens geelCurcuma longa.5a.Bloem met een duidelijke 3-lobbige lip, waarvan de middenlob het grootst is, en purper van kleur met gele vlekken. Helmknop aan den top met een buisvormig aanhangsel dat den stijl omsluit, aan de basis zonder spoorvormige aanhangselsZingiber.5b.Lip geel, onduidelijk 3-lobbig, middenlob ingesneden. Helmknop aan den top zonder, aan de basis met 2 spoorvormige aanhangselsCurcuma Zedoaria.6a.Bloeiwijze aan het eind van een met gewone groene bladeren bezette stengel staand, een groote tros vormend. Bloemkroon wit en rood gekleurd, lip geelAlpinia.6b.Bloeistengels en bebladerde stengels naast elkaar uit de wortelstok te voorschijn komend, duidelijk van elkaar verschillend77a.Bloemen alleenstaand aan het eind van den korten bloeistengel. Lip groot; aanhangsel aan den top van de helmknop breed, ingesnedenAframomum.Ningre-Kondre-pepre.7b.Bloemen in lange trossen of pluimen. Geen aanhangsel aan den top van den helmknopRenealmia.Massoesa.

46.Zingiberaceae.

Bloemen meest met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, zelden éénslachtig, zygomorf; kelk en kroon 3-tallig, vergroeidbladig, van onderen met een buis; slechts 1 meeldraad van de binnenste krans fertiel, daartegenover een lip die gevormd wordt door 2 vergroeide staminodiën, soms ook nog 2 andere staminodiën aanwezig; stijl zeer dun, in een gleuf van de helmknop gelegen; vruchtbeginsel 3-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht meest een doosvrucht met 3 kleppen; overblijvende kruiden vaak met een knolvormige wortelstok.1a.Bloeiwijze bestaande uit elkaar dakpansgewijs bedekkende schubben uit welker oksel de bloemen te voorschijn komen21b.Bloemen in enkelvoudige of samengestelde verlengde trossen62a.De bloeiwijzen staan aan den gewonen bebladerden stengel32b.De bloeiwijzen staan aan het eind van aparte uit den wortelstok te voorschijn komende stengels, die in uiterlijk verschillen van den bladdragenden stengel53a.Bladeren zittend, langwerpig-eirond, bladscheede kokervormig, bladeren beneden de opening van dien koker ingehecht, in een spiraal rondom de stengel staand. Bracteeën der bloeiwijze meest zeer talrijk; bloemen kortgesteeld, met een korte buis, wit, geel of oranje, niet ver buiten de bracteeën uitstekend. Behalve de buisvormige kelk en de 3 kroonslippen is er alleen nog een lip in de bloem aanwezigCostus.Sangrafoe,Ficofico.3b.Bladeren in twee rijen langs den stengel staand. Behalve kelk, kroonslippen en lip zijn er ook nog 2 bladachtige staminodiën in den bloem te vinden44a.Bladeren kortgesteeld, smal. Kroonbuis der bloemen ver buiten de bracteeën uitstekend. Staminodiën wit, lip geel. Meeldraad aan den basis zonder aanhangselsHedychium.4b.Bladeren langgesteeld, breed. Meeldraad aan de basis met 2 aanhangsels. Wortelstok intens geelCurcuma longa.5a.Bloem met een duidelijke 3-lobbige lip, waarvan de middenlob het grootst is, en purper van kleur met gele vlekken. Helmknop aan den top met een buisvormig aanhangsel dat den stijl omsluit, aan de basis zonder spoorvormige aanhangselsZingiber.5b.Lip geel, onduidelijk 3-lobbig, middenlob ingesneden. Helmknop aan den top zonder, aan de basis met 2 spoorvormige aanhangselsCurcuma Zedoaria.6a.Bloeiwijze aan het eind van een met gewone groene bladeren bezette stengel staand, een groote tros vormend. Bloemkroon wit en rood gekleurd, lip geelAlpinia.6b.Bloeistengels en bebladerde stengels naast elkaar uit de wortelstok te voorschijn komend, duidelijk van elkaar verschillend77a.Bloemen alleenstaand aan het eind van den korten bloeistengel. Lip groot; aanhangsel aan den top van de helmknop breed, ingesnedenAframomum.Ningre-Kondre-pepre.7b.Bloemen in lange trossen of pluimen. Geen aanhangsel aan den top van den helmknopRenealmia.Massoesa.

Bloemen meest met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, zelden éénslachtig, zygomorf; kelk en kroon 3-tallig, vergroeidbladig, van onderen met een buis; slechts 1 meeldraad van de binnenste krans fertiel, daartegenover een lip die gevormd wordt door 2 vergroeide staminodiën, soms ook nog 2 andere staminodiën aanwezig; stijl zeer dun, in een gleuf van de helmknop gelegen; vruchtbeginsel 3-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht meest een doosvrucht met 3 kleppen; overblijvende kruiden vaak met een knolvormige wortelstok.

1a.Bloeiwijze bestaande uit elkaar dakpansgewijs bedekkende schubben uit welker oksel de bloemen te voorschijn komen2

1b.Bloemen in enkelvoudige of samengestelde verlengde trossen6

2a.De bloeiwijzen staan aan den gewonen bebladerden stengel3

2b.De bloeiwijzen staan aan het eind van aparte uit den wortelstok te voorschijn komende stengels, die in uiterlijk verschillen van den bladdragenden stengel5

3a.Bladeren zittend, langwerpig-eirond, bladscheede kokervormig, bladeren beneden de opening van dien koker ingehecht, in een spiraal rondom de stengel staand. Bracteeën der bloeiwijze meest zeer talrijk; bloemen kortgesteeld, met een korte buis, wit, geel of oranje, niet ver buiten de bracteeën uitstekend. Behalve de buisvormige kelk en de 3 kroonslippen is er alleen nog een lip in de bloem aanwezigCostus.Sangrafoe,Ficofico.

3b.Bladeren in twee rijen langs den stengel staand. Behalve kelk, kroonslippen en lip zijn er ook nog 2 bladachtige staminodiën in den bloem te vinden4

4a.Bladeren kortgesteeld, smal. Kroonbuis der bloemen ver buiten de bracteeën uitstekend. Staminodiën wit, lip geel. Meeldraad aan den basis zonder aanhangselsHedychium.

4b.Bladeren langgesteeld, breed. Meeldraad aan de basis met 2 aanhangsels. Wortelstok intens geelCurcuma longa.

5a.Bloem met een duidelijke 3-lobbige lip, waarvan de middenlob het grootst is, en purper van kleur met gele vlekken. Helmknop aan den top met een buisvormig aanhangsel dat den stijl omsluit, aan de basis zonder spoorvormige aanhangselsZingiber.

5b.Lip geel, onduidelijk 3-lobbig, middenlob ingesneden. Helmknop aan den top zonder, aan de basis met 2 spoorvormige aanhangselsCurcuma Zedoaria.

6a.Bloeiwijze aan het eind van een met gewone groene bladeren bezette stengel staand, een groote tros vormend. Bloemkroon wit en rood gekleurd, lip geelAlpinia.

6b.Bloeistengels en bebladerde stengels naast elkaar uit de wortelstok te voorschijn komend, duidelijk van elkaar verschillend7

7a.Bloemen alleenstaand aan het eind van den korten bloeistengel. Lip groot; aanhangsel aan den top van de helmknop breed, ingesnedenAframomum.Ningre-Kondre-pepre.

7b.Bloemen in lange trossen of pluimen. Geen aanhangsel aan den top van den helmknopRenealmia.Massoesa.

47.Cannaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; kelkbladeren 3, bloembladeren 3, van onderen vergroeid; meeldraden 1–5, van onderen met de kroonbuis vergroeid; maar slechts één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft staminodiaal en bloembladachtig, de overige meeldraden alle bloembladachtig; stijl dik bladachtig, met een scheeve stempel; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig; met 2 rijen van zaadknoppen in ieder hokje; vruchten gestekeld; overblijvende kruiden met groote vinnervige bladeren; bloeiwijze aarvormig met groote bloemen.Eenige geslachtCanna.Sakka-sirie,Krekrere.

47.Cannaceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; kelkbladeren 3, bloembladeren 3, van onderen vergroeid; meeldraden 1–5, van onderen met de kroonbuis vergroeid; maar slechts één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft staminodiaal en bloembladachtig, de overige meeldraden alle bloembladachtig; stijl dik bladachtig, met een scheeve stempel; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig; met 2 rijen van zaadknoppen in ieder hokje; vruchten gestekeld; overblijvende kruiden met groote vinnervige bladeren; bloeiwijze aarvormig met groote bloemen.Eenige geslachtCanna.Sakka-sirie,Krekrere.

Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; kelkbladeren 3, bloembladeren 3, van onderen vergroeid; meeldraden 1–5, van onderen met de kroonbuis vergroeid; maar slechts één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft staminodiaal en bloembladachtig, de overige meeldraden alle bloembladachtig; stijl dik bladachtig, met een scheeve stempel; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig; met 2 rijen van zaadknoppen in ieder hokje; vruchten gestekeld; overblijvende kruiden met groote vinnervige bladeren; bloeiwijze aarvormig met groote bloemen.

Eenige geslachtCanna.Sakka-sirie,Krekrere.

48.Marantaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; meeldraden 4–5, maar alleen één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft bloembladachtig verbreed; de beide andere binnenste en 1 of 2 van de buitenste meeldraden staminodiaal en bloembladachtig; een er van kapvormig; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig, of doordat 2 van de hokjes niet ontwikkeld zijn, éénhokkig; ieder hokje met 1 zaadknop; stijl sterk gekromd met scheeve, vaak gelobde top; overblijvende kruiden met 2-rijige, vinnervige, meest ongelijkzijdige bladeren, met een aanzwelling aan den top van de bladsteel.1a.Bloemen in meest dichtgedrongen hoofdjes, soms een weinig verder van elkaar, aan het eind van den steeds geheel onvertakten bloeistengel staande; zeer zelden is de bloeistengel zoo kort dat de bloemen tusschen de bladscheeden staan. Vruchtbeginsel 3-hokkig, vrucht met 3 kleppen openspringend met 3 zadenCalathea.1b.Vruchtbeginsel 1-hokkig, met maar 1 zaadknop; vrucht 1-zadig; bloeiwijzen bijna steeds meermalen vertakt22a.Bracteeën in 2 rijen langs den wijdvertakten, doch slechts weinig bloemen dragende bloeistengel, meest spoedig afvallend. Twee groote bladachtige staminodiën in den bloem. Bladeren homotroop.Maranta.Arrow-root.2b.Bracteeën niet in twee rijen, doch dorsiventraal geplaatst33a.Bracteeën spoedig na den bloei afvallend, daardoor aan den as een lidteeken achterlatend; op deze plaats is de as knievormig gebogen. Slechts 1 buitenstaminodium met 2 aanhangsels. Bladeren homotroop; vrucht niet openspringendThalia.3b.Bracteeën blijvend na den bloei44a.Bracteeën breed, meest elkaar dakpansgewijs bedekkend, bloeiwijze kort, hoofdas onvertakt, 2 of meer paar bloemen in den oksel van een bractee. Buitenstaminodiën 2. Bladeren homotroop.Myrosma.4b.Bracteeën zeer lang en smal, buisvormig in elkaar gerold, een lange, dunne cylindrische vertakte of onvertakte bloeiwijze vormend. Steeds slechts 1 buitenstaminodium in de bloem55a.Bloeiwijze onvertakt, slechts één dunne cylindrische aar vormend. In den oksel van elke bractee zitten de bloemen in parenIschnosiphon.Warimbo.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, min of meer pluimvormig. Bloemen alleenstaand in den oksel der bracteeënMonotagma.

48.Marantaceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; meeldraden 4–5, maar alleen één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft bloembladachtig verbreed; de beide andere binnenste en 1 of 2 van de buitenste meeldraden staminodiaal en bloembladachtig; een er van kapvormig; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig, of doordat 2 van de hokjes niet ontwikkeld zijn, éénhokkig; ieder hokje met 1 zaadknop; stijl sterk gekromd met scheeve, vaak gelobde top; overblijvende kruiden met 2-rijige, vinnervige, meest ongelijkzijdige bladeren, met een aanzwelling aan den top van de bladsteel.1a.Bloemen in meest dichtgedrongen hoofdjes, soms een weinig verder van elkaar, aan het eind van den steeds geheel onvertakten bloeistengel staande; zeer zelden is de bloeistengel zoo kort dat de bloemen tusschen de bladscheeden staan. Vruchtbeginsel 3-hokkig, vrucht met 3 kleppen openspringend met 3 zadenCalathea.1b.Vruchtbeginsel 1-hokkig, met maar 1 zaadknop; vrucht 1-zadig; bloeiwijzen bijna steeds meermalen vertakt22a.Bracteeën in 2 rijen langs den wijdvertakten, doch slechts weinig bloemen dragende bloeistengel, meest spoedig afvallend. Twee groote bladachtige staminodiën in den bloem. Bladeren homotroop.Maranta.Arrow-root.2b.Bracteeën niet in twee rijen, doch dorsiventraal geplaatst33a.Bracteeën spoedig na den bloei afvallend, daardoor aan den as een lidteeken achterlatend; op deze plaats is de as knievormig gebogen. Slechts 1 buitenstaminodium met 2 aanhangsels. Bladeren homotroop; vrucht niet openspringendThalia.3b.Bracteeën blijvend na den bloei44a.Bracteeën breed, meest elkaar dakpansgewijs bedekkend, bloeiwijze kort, hoofdas onvertakt, 2 of meer paar bloemen in den oksel van een bractee. Buitenstaminodiën 2. Bladeren homotroop.Myrosma.4b.Bracteeën zeer lang en smal, buisvormig in elkaar gerold, een lange, dunne cylindrische vertakte of onvertakte bloeiwijze vormend. Steeds slechts 1 buitenstaminodium in de bloem55a.Bloeiwijze onvertakt, slechts één dunne cylindrische aar vormend. In den oksel van elke bractee zitten de bloemen in parenIschnosiphon.Warimbo.5b.Bloeiwijze sterk vertakt, min of meer pluimvormig. Bloemen alleenstaand in den oksel der bracteeënMonotagma.

Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; meeldraden 4–5, maar alleen één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft bloembladachtig verbreed; de beide andere binnenste en 1 of 2 van de buitenste meeldraden staminodiaal en bloembladachtig; een er van kapvormig; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig, of doordat 2 van de hokjes niet ontwikkeld zijn, éénhokkig; ieder hokje met 1 zaadknop; stijl sterk gekromd met scheeve, vaak gelobde top; overblijvende kruiden met 2-rijige, vinnervige, meest ongelijkzijdige bladeren, met een aanzwelling aan den top van de bladsteel.

1a.Bloemen in meest dichtgedrongen hoofdjes, soms een weinig verder van elkaar, aan het eind van den steeds geheel onvertakten bloeistengel staande; zeer zelden is de bloeistengel zoo kort dat de bloemen tusschen de bladscheeden staan. Vruchtbeginsel 3-hokkig, vrucht met 3 kleppen openspringend met 3 zadenCalathea.

1b.Vruchtbeginsel 1-hokkig, met maar 1 zaadknop; vrucht 1-zadig; bloeiwijzen bijna steeds meermalen vertakt2

2a.Bracteeën in 2 rijen langs den wijdvertakten, doch slechts weinig bloemen dragende bloeistengel, meest spoedig afvallend. Twee groote bladachtige staminodiën in den bloem. Bladeren homotroop.Maranta.Arrow-root.

2b.Bracteeën niet in twee rijen, doch dorsiventraal geplaatst3

3a.Bracteeën spoedig na den bloei afvallend, daardoor aan den as een lidteeken achterlatend; op deze plaats is de as knievormig gebogen. Slechts 1 buitenstaminodium met 2 aanhangsels. Bladeren homotroop; vrucht niet openspringendThalia.

3b.Bracteeën blijvend na den bloei4

4a.Bracteeën breed, meest elkaar dakpansgewijs bedekkend, bloeiwijze kort, hoofdas onvertakt, 2 of meer paar bloemen in den oksel van een bractee. Buitenstaminodiën 2. Bladeren homotroop.Myrosma.

4b.Bracteeën zeer lang en smal, buisvormig in elkaar gerold, een lange, dunne cylindrische vertakte of onvertakte bloeiwijze vormend. Steeds slechts 1 buitenstaminodium in de bloem5

5a.Bloeiwijze onvertakt, slechts één dunne cylindrische aar vormend. In den oksel van elke bractee zitten de bloemen in parenIschnosiphon.Warimbo.

5b.Bloeiwijze sterk vertakt, min of meer pluimvormig. Bloemen alleenstaand in den oksel der bracteeënMonotagma.


Back to IndexNext