Orde:Geraniales.130.Oxalidaceae.Bloemen 5-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, zelden vrouwelijk, zonder discus; meeldraden 10, van onderen vergroeid; vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een bes; meest overblijvende kruiden, zelden houtige planten met meest samengestelde bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Kruiden met 3-tallige bladeren, het eindblaadje langer gesteeld. Meeldraden 10, afwisselend langer en korter; vrucht een doosvruchtOxalis.1b.Boomen met oneven gevinde bladeren.Bloemen in trosjes uit de stam of uit de houtige takken te voorschijn komend. Vrucht een besAverrhoa.Birambi.132.Linaceae.Bloemen 5- tot 4-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; discus ontbrekend; meeldraden 5–20, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, met 5tot minder hokjes; 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een steenvrucht; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren, met of zonder steunbladeren.Boomen of heesters met kleine bloemen in pluimen. Bladeren met een dikke hoofdnerf en vele evenwijdige zijnerven, aan de basis langs de bladsteel afloopend. Kelk- en bloembladeren 5, meeldraden 10, vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlenRoucheria.133.Humiriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; om het bovenstandige vruchtbeginsel een bekervormige schijf, meeldraden 10 tot vele; vruchtbeginsel 5-hokkig, met één stijl; 1–2 zaadknoppen in elk hokje; vrucht een steenvrucht; boomen met verspreide enkelvoudige bladeren metsteunbladeren.1a.Bladeren aan den voet geleidelijk in de gevleugelde bladsteel versmald, aan den top afgerond, ingesneden of met een korte punt. Hoofdnerf met vele dichte evenwijdige zijnerven.Meeldraden20 met behaarde helmknoppen, alle gelijk van vorm. Vruchtbeginsel met 1 stijl en een 5-lobbige stempel, 5- of soms 4-hokkig met 2 zaadknoppen per hokjeHumiria.Basra-bolletrie.1b.Bladeren aan den voet afgerond of versmald maar niet geleidelijk langs de bladsteel afloopend, naar den top toegespitst en versmald; soms aan den rand grof getand. Zijnerven niet opvallend dicht bij elkaar. Meeldraden 10 of 20, soms met eenige staminodiën ertusschen of soms zijn er 5 langere meeldraden aan den top 3-tandig met 3 helmknoppen. Helmknoppen kaal. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 zaadknop in elk hokjeSaccoglottis.134.Erythroxylaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; geen schijf; bloembladeren aan de binnenzijde met een aanhangsel of een lijst; meeldraden 10, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1–2 zaadknoppen; vrucht een steenvrucht; heesters met verspreide, enkelvoudige bladeren, met steunbladeren.Boomen of meestal heesters met takken, die vaak met een groot aantal schubben bedekt zijn. Kelkbladeren 5, bloembladeren 5, aan de binnenzijde met een 2-spletig schubje. Meeldraden 10, aan de basis tot een buis vergroeid. Vruchtbeginsel met 3 stijlen, die vaak aan de basis wat vergroeid zijn. Vrucht een eenzadige besErythroxylon.135.Zygophyllaceae.Bloemen 5–4-tallig met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; schijf ringvormig of als gynophoor ontwikkeld; meeldraden 10–8, zelden 15, aan de basis vaak met schubjes; vruchtbeginsel 5–2-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl hoekig of gegroefd; meest een doosvrucht of een splitvrucht, zelden een bes; meest heesters of boomen, zelden kruiden met tegenoverstaande of soms verspreide, gevinde bladeren, met steunbladeren.Boomen met tegenoverstaande even-gevinde, 2-jukkige bladeren. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 blauwe bloembladeren, 10 evenlange meeldraden, een tweehokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen en 1 stijl, en een platte, eenigszins hartvormige door den stijlrest gekroonde vrucht, met één zaad in elk hokjeGuajacum.137.Rutaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig of zygomorf; schijf ring- of kussenvormig, soms bekervormig; meeldraden evenveel of tweemaal zooveel als bloembladeren, soms wat minder, zelden talrijk; vruchtbeginsel bovenstandig, meerhokkig soms 5–3, die een weinig met elkaar vergroeid zijn, met 2 tot vele zaadknoppen; meest boomen en heesters met verspreide of tegenoverstaande enkelvoudige of samengestelde bladeren.1a.Kelkbladeren 5, zeer ongelijk van grootte, de beide buitenste het grootst en daarvan één veel grooter dan de bloemkroon en deze en de rest van de kelk omhullend. Bloemkroon zijdelings-symmetrisch-sympetaal. Vruchtbare meeldraden 2. Vrucht in 5–1 tweezadige nootjes uiteenvallendMonniera.1b.Kelk niet grooter dan de bloemkroon22a.Bloembladeren in een lange buis vergroeid32b.Bloembladeren vrij of bijna vrij43a.Bloemen volkomen regelmatig. Kelk klein 5-tandig; bloembladeren 5,vergroeid. Meeldraden 5, alle met helmknoppen, in een buis vergroeid, die bijna geheel met de bloemkroon samenhangt. Helmknoppen met een 2-lobbig aanhangsel aan de basis. Bladeren 3-talligTicorea.3b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch; bloemkroonbuis recht of gekromd. Meeldraden 5–8, ten deele onvruchtbaar, overigens als de vorigeGalipea.4a.Bloemen 3–4-tallig met 6 meeldraden. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Heester met 3-tallige bladeren, in de bladoksel een doorn. Vrucht een besTriphasia.4b.Bloemen 4–5-tallig, meeldraden meest meer dan 5, vaak de helmdraden min of meer met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel 5- tot meer-hokkig met meerdere zaadknoppen in elk hokje. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig, vaak met doornen in den okselCitrus.4c.Bloemen geheel 5-tallig, groot, sterk riekend, meeldraden 10, geheel vrij; bladeren gevind meest met meer dan 3 blaadjes; vruchtbeginsel meest 2-hokkig, zelden 3–5-hokkigMurraya.Limonia.138.Simarubaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; meeldraden 10 of 5, zelden vele; vruchtbeginsels 5, min of meer met elkaar vergroeid tot een bovenstandig, 5-hokkig vruchtbeginsel; boomen of heesters met verspreide of tegenoverstaande, zelden enkelvoudige, meest gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen of heesters met kleine witte of geelachtige bloemen in pluimen. Bladen gevind. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10, aan de basis met schubben, die min of meer vergroeid zijn. Vruchtbeginsel 4- of 5-hokkig op een schijf gezeten, met één stijl. Vrucht uit 4–5 deelvruchten bestaandeSimaba.1b.Heesters of kleine boomen met groote roode bloemen, 5-tallig met een lange bloemkroon. Meeldraden aan de basis met dicht behaarde schubben.Bladeren gevind, bladsteel gevleugeld. Vrucht als de vorigeQuassia.Kwassi-bita.139.Burseraceae.Bloemen 5- of 4-tallig, met 5 of 10 meeldraden, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; vruchtbeginsel 5–3-hokkig met 2 of 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; steenvrucht met 2–5 pitten of een doosvrucht; houtige planten met verspreide drietallige of onevengevinde, zelden enkelvoudige bladeren en kleine bloemen.1a.Bloemen 3-tallig. Kelk vergroeidbladig met 3 slippen. Bloemkroon klokvormig met 3 spitse slippen. Meeldraden 6, aan de basis van een dikke 6-tandige schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig met korte stijl. Bloemen meest polygaam, d. w. z. in de ♂ bloemen is het vruchtbeginsel minder goed ontwikkeld, in de ♀ hebben de helmknoppen geen stuifmeelTrattinickia.1b.Bloemen 4- of 5-tallig22a.Bloembladeren niet of nauwelijks vergroeid. Bloemen tweeslachtig of schijnbaar tweeslachtig. Meeldraden tweemaal zooveel als bloembladeren. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig; vrucht meest scheef en eenzadig. Bladeren gevind, soms alleen het eindblaadje aanwezig.Protium.Tiengie-monnie.2b.Bloembladeren tot een klokvormige bloemkroon vergroeid. Meeldraden 8–10, aan de basis van een dikke schijf met 8–10 groeven ingehecht. Helmdraden zeer kort. Vrucht meest rond, van buiten met 4–5 groeven, 4–5-hokkig met 1 zaad in elk hokje. Bladeren gevindTetragastris.140.Meliaceae.Bloemen 5-, zelden 4–7-tallig, meest met tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren, soms evenveel meeldraden; meest tweeslachtig en regelmatig; bloeias plat of tot een verschillend gevormde schijf uitgegroeid; kelk vaak vergroeidbladig, soms ook de bloembladeren;meeldraden meest tot een buis vergroeid; vruchtbeginsel meest met evenveel hokjes als er bloembladeren zijn, soms minder, met 1 stijl, en 1–2, zelden 4 tot vele zaadknoppen; vrucht zeer verschillend van vorm; boomen of heesters met gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bladeren dubbelgevind. Bloemen in pluimen; kelk 5–6-deelig, bloembladeren 5–6, veel langer dan de kelk. Meeldraden alle in een lange buis vergroeid, die aan den mond 10–12 spitse tanden draagt, waartusschen de helmknoppen ingehecht zijnMelia.1b.Bladeren enkelgevind22a.Meeldraden niet in een buis vergroeid; kelk 4–5-spletig; bloembladeren 4–5, aan de binnenzijde in het midden met een kiel of plaat, die aan de lange schijf, waarop het vruchtbeginsel zit, is vastgegroeid. Meeldraden 4–6, op den top van den schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een 5-hokkige doosvrucht. Zaden gevleugeld. Blaadjes vaak scheef aan den voetCedrela.Ceder.2b.Meeldraden in een buis vergroeid33a.Blaadjes eenigszins gekromd en opvallend scheef aan den voet. Kelkslippen afgerond aan den top. Buis der meeldraden met 10 tanden aan den rand; helmknoppen of zeer korte helmdraden tusschen de tanden ingevoegd. Vrucht een houtige, 5-kleppige doosvrucht met vele gevleugelde zadenSwietenia.3b.Blaadjes niet opvallend scheef aan den voet. Zaden niet gevleugeld44a.Helmknoppen op den rand van de buis ingehecht, niet door de buis ingesloten. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10. Schijf ontbrekend of klein. Boomen of heesters. Vrucht 2–3-hokkig met 1 of 2 zaden per hokjeTrichilia.4b.Helmknoppen meest aan de binnenzijde van de buis, ingehecht, door de buis ingesloten55a.Kelk- en bloemkroon 3–6-tallig, de bloemkroon vaak lang en van buiten soms geelachtig of wit-behaard; de kelk bekervormig. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met 1–2 zaadknoppen per hokje. Vrucht met 4–5 kleppen openspringend, met 1–2 zaden in elk hokjeGuarea.5b.Bloemen 4–5-tallig. Kelk bijna losbladig; bloemkroon kaal, kort, evenals de buis der meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met meerdere zaadknopjes per hokje, die in twee rijen boven elkaar zitten. Vrucht een groote houtige doosvrucht met 6–8 zaden in elk hokjeCarapa.Krapa.141.Malpighiaceae.Bloemen 5-tallig, met 10 meeldraden, meest tweeslachtig; bloemas bolvormig of vlak; soms tot een gynophoor verlengd; kelk vaak met klieren; bloembladeren meest genageld; van de meeldraden vaak eenige zonder stuifmeel of geheel afwezig; vruchtbeginsel meest 3-hokkig,zelden 2-, 4- of 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje, vrucht een splitvrucht, met aan de rug openspringende deelvruchten, zelden een noot of een steenvrucht; bladeren meest tegenoverstaand met klieren; steunbladeren aanwezig.1a.Bloemen rose of paars21b.Bloemen wit, geel of oranje52a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen, vrucht in 2 ongevleugelde drooge vruchten uiteenvallend. Kelk met 8–10 klieren. Van de 10 meeldraden zijn er enkele onvruchtbaar; helmdraden van onderen in een behaarde ring vergroeid. Bloemen in enkelvoudige trossen, eindelings aan de bebladerde takkenSpachea.2b.Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen. Bloemen nooit in enkelvoudige trossen33a.Bloemen in dichte pluimen, met groote schutbladeren en bloemsteelbladeren. Kelkbladeren lang en smalmet 4 klieren. Helmdraden aan de basis vergroeid. Vruchtbeginsel dicht behaard. Deelvrucht met 5 vrijwel gelijke evenwijdige vleugels. Bladeren fluweelig grijs behaard met 2 klieren aan de basisJubelina.3b.Schutbladeren en bloemsteelblaadjes klein44a.Bloemen in wijde pluimen. Kelk met 8 klieren. Meeldraden ongelijk van lengte. Vruchtbeginsel behaard. Deelvrucht met een groote vliezige vleugel, bijna cirkelrond. LianenMascagnia.4b.Bloemen in kleine okselstandige groepen of trosjes; kelk met 6–10 klieren. Meeldraden kaal, van onderen in een buis vergroeid. Vrucht een steenvrucht (als een kers) met 3 geribde pitten. Heesters of boompjesMalpighia.5a.Stijlen lang en dun, naar den top spits toeloopend. Een van de concave bloembladeren merkbaar kleiner dan de andere. Helmdraden aan de basis behaard. Vrucht een steenvrucht met sappig vruchtvleesch en 1 pitByrsonima.5b.Stijlen naar den top verdikt of haakvormig gekromd66a.Bloemen in vertakte bloeiwijzen in de oksels der bladeren staande, de bloeiwijzen korter dan de bladeren. Bladeren met krachtige zijnerven. Steunblaadjes met de bladsteel vergroeid. Deelvrucht met 2 vliezige, ronde vleugelsHiraea.6b.Bloemen in eindelingsche trossen of pluimen of okselstandig, maar dan bloeiwijzen grooter dan de bladeren77a.De bloemsteel draagt halverwege 2 bloemsteelblaadjes, die geheel of bijna geheel in klieren veranderd zijn. Meeldraden kaal, tot aan het midden vergroeid. Steenvrucht met 2–3 pittenBunchosia.7b.De bloemsteel draagt geen bloemsteelblaadjes of niet-geklierde bloemsteelblaadjes88a.Stempels knopvormig, eindelingsch98b.Stempels zijdelings zittend doordat de top van den stijl rechthoekig omgebogen is of een dwarse verbreeding heeft109a.Meeldraden van onderen in een buis of ring vergroeid, ongelijk. Elke afdeeling van het vruchtbeginsel met 1 rugkam en 2 zijkammen. Deelvrucht met 4, ongeveer gelijke in in een kruis staande vleugels, daartusschen nog eenige kleine vleugeltjesTetrapteris.9b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch. Vruchtbeginsel met een rugkam. Deelvrucht met één sterk ontwikkelde rugkam, daarvóór dikwijls nog een kleiner vleugeltje dat in hetzelfde vlak ligtBanisteria.10a.Bloemen klein, regelmatig; alle 10 meeldraden met vruchtbare helmknoppen. Stijl van boven zijdelings samengedrukt, vaak naar de rugzijde in een korte haak verlengd. Vrucht als de vorige.Heteropteris.10b.Bloemen vrij groot, zijdelings-symmetrisch met 6 vruchtbare en daartusschen 4 onvruchtbare meeldraden. Stijlen van boven bladachtig verbreed. Vrucht als de vorigeStigmatophyllon.142.Trigoniaceae.Bloemen typisch 5-tallig, 2-slachtig, scheef-zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; bloembladeren 5–3, vaak zeer ongelijk; meeldraden 5, 6 of 10 (11–12); aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht; houtige planten, vaak klimmend met verspreide of tegenoverstaande bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.Kelkbladeren 5, aan den voet wat vergroeid, de 2 binnenste wat grooter. Bloembladeren 5, het achterste grooter en met eenspoor of knobbel aan den voet. Meeldraden 10, aan de basis tot een gespleten buis vergroeid, 6 met helmknoppen, de overige zonder helmknoppen. Tegenover het groote bloemblad staan 2 klieren. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht een 3-kleppige doosvrucht. Klimmende heesters met tegenoverstaande bladerenTrigonia.143.Vochysiaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, scheef zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; één ervan vaak gespoord, afvallend; bloembladeren zelden 5, meest 3–1; slechts één vruchtbare meeldraad en eenige staminodiën; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, driehokkig, met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht niet openspringend of een doosvrucht; meest boomen met tegenoverstaande of kransstandige enkelvoudige bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 2 zaadknoppen. Kelk 5-deelig, met 4 kleine blijvende kelkbladeren en 1 grooter gespoord en spoedig afvallend kelkblad. Bloemblad 1, meeldraad 1. Vrucht met de kelkbladeren op den topErisma.Singrie-kwarrie.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig22a.Bloembladeren 3, het middelste grooter dan de zijdelingsche. Kelk 5-tallig, 4 slippen klein, het 5degrooter gespoord. Meeldraad 1. Bloemen geelVochysia.Kwarrie.2b.Bloemblad 1 (soms 2). Een van de 5 kelkbladeren met een spoor of knobbel. Meeldraad 1. Bloemen meest blauw of witQualea.Kwarrie.145.Polygalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; van de 5 kelkbladeren zijn er 2 bloembladachtig en vergroot; bloembladeren 3; meeldraden 8, in twee groepen van 4; vruchtbeginsel tweehokkig met 1, zelden 2–4 zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren.1a.Kelk met de bloembladeren en de meeldraden tot een buis vergroeid. Vrije kelkslippen 5. Bloemkroon 5-spletig, een van de bloembladeren gevouwen. Meeldraden in 2 bundels ieder met 4 helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Heesters of boomen, met dikke leerachtige bladerenMoutabea.1b.Kelk met de bloembladeren niet vergroeid22a.Vrucht een doosvrucht, ongevleugeld42b.Vrucht een gevleugelde noot33a.Lianen met violette of paarsche bloemen in okselstandige trossen. Bloembladeren 3, waarvan het helmvormige met een aanhangsel op de achterzijde.Vrucht met een vleugel op de rugzijdeSecuridaca.3b.Heesters, niet windend. Bloemblad zonder aanhangsel op de rugzijde. Vrucht rondom gevleugeldMonnina.4a.Meest kruidachtige planten, soms kleine heesters. Bloemen in lange of dichte trossen. Doosvrucht rondachtig, zaden kort behaardPolygala.4b.Heesters. Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Doosvrucht lang-wigvormig. Zaden met lange harenBredemeyera.146.Dichapetalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig oféénslachtigregelmatig of soms zygomorf; bloemas uitgroeiend tot schubben of een komvormige schijf; kelk vergroeid- oflosbladig; bloembladeren raak tweespletig, gelijk of ongelijk van vorm, vrij of tot een buis vergroeid; meeldraden 5, vrij of met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht met een 1–2-hokkige pit; lianen of boomen met gaafrandige bladeren met steunbladeren.Bloemen met 4–5 ongelijke kelkbladeren, 4–5 bloemkroonslippen, waarvan er 2 of 1 grooter zijn dan de andere en 2-spletig met concave lobben. Meeldraden meest 5, waarvan maar 2 met helmknoppen; een enkele maal alle 5 vruchtbaar. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig. Heesters of boomenTapura.147.Euphorbiaceae.Bloemen steeds éénslachtig, met kelk en bloemkroon, of met een kelk alleenofnaakt; meeldraden evenveel als kelkbladeren of evenveel of dubbel zooveel, of talrijke of weinige tot 1; vruchtbeginsel 3-hokkig, zelden 2-, 4- of meerhokkig; vrucht meest zich splitsend in 3 deelvruchten, met 1 of 2 zaden; zelden een bes of een steenvrucht; kruiden of houtige planten, meest met verspreide bladeren, vaak met steunbladeren, en melksap.1a.Bloemen tweehuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op verschillende planten21b.Bloemen éénhuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op denzelfden plant, vaak zelfs in dezelfde bloeiwijze152a.Alleen ♂ bloemen aanwezig32b.Alleen ♀ bloemen aanwezig93a.Kelk en bloembladeren beiden aanwezig43b.Alleen een kelk aanwezig54a.Meeldraden 5, vergroeid om het steriele vruchtbeginsel, in den knop rechtopstaand. Bloembladeren 5 of minder. Boomen met okselstandige bloemgroepen en enkelvoudige leerachtige bladerenDiscocarpus.4b.Meeldraden meest 10–20, soms 5, maar in ieder geval niet vergroeid en geen steriel vruchtbeginsel in de ♂ bloem. Helmdraden in den knop naar binnen gebogen. Heesters of kruiden, meest behaarde of beschubde bladeren. Bladeren gedeeld of ongedeeldCroton.5a.Meeldraden minder dan 1065b.Meeldraden meer dan 10, meest vele, de buitenste zonder helmknoppen. Kelk 3–4-deelig. Geen rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Bloemen in vertakte eindelingsche pluimen. Boomen met enkelvoudige bladerenConceveiba.6a.Bloemen 4-tallig, meeldraden 4–876b.Bloemen 3 of 5-tallig, meeldraden soms 2 of 4, meest 3–5, of 687a.Meeldraden 6, om een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloemen in trossen of samengestelde trossen of aren. Bladeren met schubben. BoomenHieronymia.7b.Geen rudimentair vruchtbeginsel aanwezig. Meeldraden 6–2, vaak 3, soms met elkaar tot een zuiltje vergroeid. Kruiden of heesters. Bloemen gesteeld alleenstaand of in groepen in de bladokselsPhyllanthus.Bita-wiwirie.Finie bita.8a.Meeldraden 4. Helmknoppen geen bijzondere vorm vertoonend. Boomen of heesters, met bloemen in trossenAlchornea.8b.Meeldraden 8. Helmknoppen uit elkaar wijkend, aan den top samenhangend. Boomen of heesters met de bloemen in arenAcalypha.9a.Kelk 3-spletig. Bloemen in dichte aren, met groote roode zeer sterk vertakte stijlen en stempelsAcalypha.9b.Kelk 4–5-6-spletig of -deelig1010a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen; bloemen in trossenHieronymia.10b.Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 3 vaak vertakte stijlen of stempels1111a.Bloemen in trossen of aren1211b.Bloemen in kleine groepen of alleenstaand in de bladoksels1412a.Kelk met klieren aan de buitenzijde. Stijlen dik, 2-spletig tot tweedeelig. Vruchtbeginsel veel grooter dan de 5–10-spletige kelk, meest 3-kantig. Bloemen in een eindelingsche tros. Bladeren kaal. BoomenConceveiba.12b.Kelk zonder klieren aan de buitenzijde1313a.Discus meest ontbrekend. Kelk 4-deelig. Stijlen 2-lobbig, kort; boomen of heestersAlchornea.13b.Onder het vruchtbeginsel een ringvormige schijf of schubben. Bloembladeren soms aanwezig. Stijl enkelvoudig, of 2-spletig of de zijtakken nog enkele malen vertakt. Bladeren met schubben of harenCroton.14a.Boomen met enkelvoudige leerachtige bladeren. Bloemen zeer kort gesteeld in groepjes in de bladoksels. Bloembladeren vaak aanwezig, evenals staminodiën, soms ook beide ontbrekend. Stijlen plat, niet vergroeidDiscocarpus.14b.Kruiden of heesters, met de bladeren aan de jongste takken vaak in 2 rijen, zoodat de bebladerde tak gelijkt op een gevind blad. Bloemen duidelijk of langgesteeld. Stempels meest 2-spletigPhyllanthus.Finie-bita.Bita-wiwirie.15a.Bloemen in z.g. cyathien, d. z. bloeiwijzen, waarin één ♀ bloem in het midden staat, deze is omringd door een groot aantal ♂ bloemen, die slechts uit 1 meeldraad bestaan; het geheel is omringd door vergroeide schutbladeren, en doet dus denken aan een tweeslachtige bloem1615b.Bloemen niet in cyathien, indien een groep van bloemen omgeven is door schutbladeren, dan zijn deze niet vergroeid, en in ieder geval hebben de ♂ bloemen een kelk1716a.Cyathium regelmatig. Meest kruidenEuphorbia.16b.Cyathium zijdelings-symmetrisch met een aanhangsel. HeestersPedilanthus.17a.Een groep van mannelijke en vrouwelijke bloemen is omgeven door twee groenachtige of witte of rose, zittende, tegenoverstaande schutbladeren. Vruchtbeginsel met een lange stijl, ♂ bloemen met ongeveer 20 meeldraden. KlimplantenDalechampia.17b.Niet een groep van ♂ en ♀ bloemen door 2 schutbladeren ingehuld1818a.Boomen met 3-tallige bladeren. Helmknoppen op den top van een zuil zittend. Kelk 5-spletig. Bloemen in pluimenHevea.18b.Bladeren niet 3-tallig, soms 3–7-voudig handvormig ingesneden tot 3–7-tallig, maar dan is de plant kruidachtig1919a.Vruchtbeginsel veelhokkig, vrucht ten slotte in vele deelen uiteenvallend. Stijl lang met vele stempels. Kelk klokvormig. Meeldraden vele in rijen aan den top van een zuil. ♂ bloemen in trossen, ♀ bloemen alleenstaand. BoomenHura.Postentrie.19b.Vruchtbeginsel 2–4-, meest 3-hokkig2020a.In de ♂ en de ♀ bloemen zijn alleen meeldraden of vruchtbeginsels aanwezig; kelk en bloemkroon geheel ontbrekend. Meeldraden 12–2, stijl met 3 stempels. Heesters met enkelvoudige harde bladerenActinostemon.20b.Een kelk, of kelk en bloemkroon aanwezig2121a.Bloembladeren in de ♂ bloem aanwezig, in de ♀ bloem soms ontbrekend2221b.Bloembladeren steeds ontbrekend in ♀ en ♂ bloemen2722a.Meeldraden in den knop naar binnen gebogen, zoodat de top van de helmknop naar beneden gericht is. Meeldraden soms 5, meest 10–20, vaak nog meer dan 20. Bladeren met schubben of behaard, soms gelobd tot gedeeld. Heesters of kruidenCroton.22b.Meeldraden in den knop rechtopstaand2323a.Meeldraden 5, rondom een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloembladeren zoowel in de ♂ als de ♀ bloem aanwezig. Vruchtbeginsel met zittende schijfvormige stempel. Boomen met gaafrandige leerachtige bladeren. Bloemen in kleine groepenAmanoa.23b.Meeldraden 10 of meer2424a.Meeldraden in een zuil vergroeid, 10–302524b.Meeldraden vrij2625a.Bladeren gelobd tot gedeeld. Zuil van de meeldraden zonder rudimentair vruchtbeginsel op den top, schijf duidelijk ontwikkeld. In de ♀ bloemen soms staminodiënJatropha.25b.Bladeren lancetvormig, scherp gezaagd. Zuil van de meeldraden met een rudimentair vruchtbeginsel op den topCaperonia.26a.Meeldraden talrijk, dicht op elkaar zittend met korte helmdraden. Stijlen 3, diep 2-spletig. ♂ bloemen in enkelvoudige eindstandige trossen; ♀ bloemen slechts weinige bij elkaar. Boomen met eironde bladerenSagotia.26b.Stijlen niet ingesneden. Meeldraden 15–30. Bladeren smal, met roode of geele vlekken, kaal en glanzend. HeestersCodiaeum.27a.Mannelijke bloemen zeer groot met een zeer groot aantal (tot 1000) helmknoppen; helmdraden vertakt.Vruchtbeginsel met 3 vertakte roode stijlen.Bladeren handdeelig, schildvormigRicinus.Krapata.27b.Meeldraden niet zoo talrijk, helmdraden niet vertakt2828a.Vruchtbeginsel 4-hokkig met een dikke, eironde tot half-bolvormige stijl. Vrucht 4-lobbig met 4 ribben. Bloemen in trossen, de ♀ bloemen in het onderste deel alleenstaand of weinig bij elkaar, de ♂ bloemen in groepen, ♂ bloemen met 8–30 meeldraden, die op een kegelvormige of half-bolvormige bloembodem zitten. Heesters of kruiden met handvormige, getande bladerenPlukenetia.28b.Vruchtbeginsel 3-hokkig; stijlen 3 of 1, niet verdikt2929a.Meeldraden 10 of meer3029b.Meeldraden minder dan 10 (Zie ook Phyllanthus)3130a.Meeldraden 10–30, in verschillende kransen tot een zuil vergroeid. Vruchtbeginsel kleiner dan de kelk, met 3 stempels. Bladeren gelobd tot gedeeld. Bloemen in pluimenJatropha.30b.Meeldraden dicht gedrongen op een half-bolvormige bloembodem. Vruchtbeginsel veel langer dan de kelk, met een lange stijl en 3-spletige stempel. Bloemen in dichte en dikke trossen. Bladeren niet gelobdMabea.30c.Meeldraden 10, alle vrij, in 2 rijen, op een schijf staande, en niet tot een zuil vergroeid. Kelk groot, min of meer klokvormig 5-spletig. In de ♂ bloem soms een rudimentair vruchtbeginsel; in de ♀ bloem soms staminodiën. Stijlen 3, een weinig aan de basis vergroeid. Bladeren meest handvormig ingesneden of bijna samengesteldManihot.Cassave.31a.Heesters of boomen met de bloemen in dichte aren. ♀ bloemen met 3 groote roode, sterk vertakte stempels, met een 3-spletige kelk; ♂ bloemen met een 4-spletige kelk, met 8 meeldraden, waarvan de helmknoppen naar beneden uiteenwijken en ± gewonden zijnAcalypha.31b.Stempels niet opvallend gekleurd. Meeldraden minder dan 8 zonder bijzonder gevormde helmknoppen3232a.Bloemen in trossen of aren3332b.Bloemen alleenstaand of in groepen in de bladoksels, gesteeld. Kelkbladeren 6–4, meest in 2 kransen, ♂ bloemen met 2–6 meeldraden, meest 3 of 5 meeldraden met losse of vergroeide helmdraden (zeer zelden meer dan 6 meeldraden). Stijlen 3, vrij of vergroeid, gedeeld of ongedeeld. Bladeren vaak in 2 rijen gezeten, zoodat de bebladerde tak op een gevind blad gelijkt. Kruiden of heestersPhyllanthus.Bita-wiwirie,Finie-bita.33a.Helmdraden geheel vergroeid, alleen de helmknoppen vrij3433b.Helmdraden alleen aan de basis vergroeid3534a.Zuil van de helmdraden kort, aan den top met een dwarse verlenging aan welks einde de 2 helmknoppen zitten. Kelk 4–5-spletig. Stijl dik, aan den top 3-lobbig. Bloemen in lange met vrij groote schutbladeren bezette ijle trossen, in welker oksel een ♀ bloem en eenige ♂ bloemen zittenOmphalea.34b.Zuil van de helmdraden niet eigenaardig gevormd. Kelk 3-lobbig. Meeldraden 2, soms 1 of 3. Stijlen vergroeid. Bloeiwijze van boven dicht, met 3 ♂ bloemen bij elk schutblad, van onderen ijler met de ♀ bloemen alleenstaandMaprounea.35a.Kelk 4-deelig. Meeldraden 4. ♂ bloemen in groepen in vertakte bloeiwijzen, ♀ bloemen alleenstaand in enkelvoudige aren of trossenAlchornea.35b.Kelk in de ♂ bloemen 2- of 3-deelig of -spletig of gelobd3636a.Klimmende kruiden met behaarde, getande bladeren. Kelk 3–5-deelig. Meeldraden 3, vrij. Stijlen tot aan het midden vergroeid, van boven vrij, onvertakt. Bloemen in trossen, die van boven de ♂ van onderen de ♀ bloemen dragen of tros vertakt met een lange ♂ en een korte ♀ takTragia.36b.Boomen of heesters, niet klimmend3737a.Kelk van de ♂ bloem diep 3-deelig. Meeldraden 2 of 3 met korte helmdraden. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Bloemen in dunne trossen van onderen met alleenstaande of weinige ♀ bloemen, van boven met groepen van 2–4 ♂ bloemen. Bladeren kleinSebastiania.37b.Kelk van de ♂ bloem 2-lobbig. Meeldraden 2–3 met vrije helmknoppen. Kelk van de ♀ bloem 3-spletig of 3-deelig. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Vrucht een weinig vleezig. Bladsteel met 2 klieren aan den top. Bloemen in aren; ♂ bloemen 3 of meer per schutblad, ♀ bloemen alleenstaand bij het schutblad onder aan de aarSapium.(Excoecaria).
Orde:Geraniales.130.Oxalidaceae.Bloemen 5-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, zelden vrouwelijk, zonder discus; meeldraden 10, van onderen vergroeid; vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een bes; meest overblijvende kruiden, zelden houtige planten met meest samengestelde bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Kruiden met 3-tallige bladeren, het eindblaadje langer gesteeld. Meeldraden 10, afwisselend langer en korter; vrucht een doosvruchtOxalis.1b.Boomen met oneven gevinde bladeren.Bloemen in trosjes uit de stam of uit de houtige takken te voorschijn komend. Vrucht een besAverrhoa.Birambi.132.Linaceae.Bloemen 5- tot 4-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; discus ontbrekend; meeldraden 5–20, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, met 5tot minder hokjes; 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een steenvrucht; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren, met of zonder steunbladeren.Boomen of heesters met kleine bloemen in pluimen. Bladeren met een dikke hoofdnerf en vele evenwijdige zijnerven, aan de basis langs de bladsteel afloopend. Kelk- en bloembladeren 5, meeldraden 10, vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlenRoucheria.133.Humiriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; om het bovenstandige vruchtbeginsel een bekervormige schijf, meeldraden 10 tot vele; vruchtbeginsel 5-hokkig, met één stijl; 1–2 zaadknoppen in elk hokje; vrucht een steenvrucht; boomen met verspreide enkelvoudige bladeren metsteunbladeren.1a.Bladeren aan den voet geleidelijk in de gevleugelde bladsteel versmald, aan den top afgerond, ingesneden of met een korte punt. Hoofdnerf met vele dichte evenwijdige zijnerven.Meeldraden20 met behaarde helmknoppen, alle gelijk van vorm. Vruchtbeginsel met 1 stijl en een 5-lobbige stempel, 5- of soms 4-hokkig met 2 zaadknoppen per hokjeHumiria.Basra-bolletrie.1b.Bladeren aan den voet afgerond of versmald maar niet geleidelijk langs de bladsteel afloopend, naar den top toegespitst en versmald; soms aan den rand grof getand. Zijnerven niet opvallend dicht bij elkaar. Meeldraden 10 of 20, soms met eenige staminodiën ertusschen of soms zijn er 5 langere meeldraden aan den top 3-tandig met 3 helmknoppen. Helmknoppen kaal. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 zaadknop in elk hokjeSaccoglottis.134.Erythroxylaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; geen schijf; bloembladeren aan de binnenzijde met een aanhangsel of een lijst; meeldraden 10, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1–2 zaadknoppen; vrucht een steenvrucht; heesters met verspreide, enkelvoudige bladeren, met steunbladeren.Boomen of meestal heesters met takken, die vaak met een groot aantal schubben bedekt zijn. Kelkbladeren 5, bloembladeren 5, aan de binnenzijde met een 2-spletig schubje. Meeldraden 10, aan de basis tot een buis vergroeid. Vruchtbeginsel met 3 stijlen, die vaak aan de basis wat vergroeid zijn. Vrucht een eenzadige besErythroxylon.135.Zygophyllaceae.Bloemen 5–4-tallig met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; schijf ringvormig of als gynophoor ontwikkeld; meeldraden 10–8, zelden 15, aan de basis vaak met schubjes; vruchtbeginsel 5–2-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl hoekig of gegroefd; meest een doosvrucht of een splitvrucht, zelden een bes; meest heesters of boomen, zelden kruiden met tegenoverstaande of soms verspreide, gevinde bladeren, met steunbladeren.Boomen met tegenoverstaande even-gevinde, 2-jukkige bladeren. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 blauwe bloembladeren, 10 evenlange meeldraden, een tweehokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen en 1 stijl, en een platte, eenigszins hartvormige door den stijlrest gekroonde vrucht, met één zaad in elk hokjeGuajacum.137.Rutaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig of zygomorf; schijf ring- of kussenvormig, soms bekervormig; meeldraden evenveel of tweemaal zooveel als bloembladeren, soms wat minder, zelden talrijk; vruchtbeginsel bovenstandig, meerhokkig soms 5–3, die een weinig met elkaar vergroeid zijn, met 2 tot vele zaadknoppen; meest boomen en heesters met verspreide of tegenoverstaande enkelvoudige of samengestelde bladeren.1a.Kelkbladeren 5, zeer ongelijk van grootte, de beide buitenste het grootst en daarvan één veel grooter dan de bloemkroon en deze en de rest van de kelk omhullend. Bloemkroon zijdelings-symmetrisch-sympetaal. Vruchtbare meeldraden 2. Vrucht in 5–1 tweezadige nootjes uiteenvallendMonniera.1b.Kelk niet grooter dan de bloemkroon22a.Bloembladeren in een lange buis vergroeid32b.Bloembladeren vrij of bijna vrij43a.Bloemen volkomen regelmatig. Kelk klein 5-tandig; bloembladeren 5,vergroeid. Meeldraden 5, alle met helmknoppen, in een buis vergroeid, die bijna geheel met de bloemkroon samenhangt. Helmknoppen met een 2-lobbig aanhangsel aan de basis. Bladeren 3-talligTicorea.3b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch; bloemkroonbuis recht of gekromd. Meeldraden 5–8, ten deele onvruchtbaar, overigens als de vorigeGalipea.4a.Bloemen 3–4-tallig met 6 meeldraden. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Heester met 3-tallige bladeren, in de bladoksel een doorn. Vrucht een besTriphasia.4b.Bloemen 4–5-tallig, meeldraden meest meer dan 5, vaak de helmdraden min of meer met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel 5- tot meer-hokkig met meerdere zaadknoppen in elk hokje. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig, vaak met doornen in den okselCitrus.4c.Bloemen geheel 5-tallig, groot, sterk riekend, meeldraden 10, geheel vrij; bladeren gevind meest met meer dan 3 blaadjes; vruchtbeginsel meest 2-hokkig, zelden 3–5-hokkigMurraya.Limonia.138.Simarubaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; meeldraden 10 of 5, zelden vele; vruchtbeginsels 5, min of meer met elkaar vergroeid tot een bovenstandig, 5-hokkig vruchtbeginsel; boomen of heesters met verspreide of tegenoverstaande, zelden enkelvoudige, meest gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen of heesters met kleine witte of geelachtige bloemen in pluimen. Bladen gevind. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10, aan de basis met schubben, die min of meer vergroeid zijn. Vruchtbeginsel 4- of 5-hokkig op een schijf gezeten, met één stijl. Vrucht uit 4–5 deelvruchten bestaandeSimaba.1b.Heesters of kleine boomen met groote roode bloemen, 5-tallig met een lange bloemkroon. Meeldraden aan de basis met dicht behaarde schubben.Bladeren gevind, bladsteel gevleugeld. Vrucht als de vorigeQuassia.Kwassi-bita.139.Burseraceae.Bloemen 5- of 4-tallig, met 5 of 10 meeldraden, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; vruchtbeginsel 5–3-hokkig met 2 of 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; steenvrucht met 2–5 pitten of een doosvrucht; houtige planten met verspreide drietallige of onevengevinde, zelden enkelvoudige bladeren en kleine bloemen.1a.Bloemen 3-tallig. Kelk vergroeidbladig met 3 slippen. Bloemkroon klokvormig met 3 spitse slippen. Meeldraden 6, aan de basis van een dikke 6-tandige schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig met korte stijl. Bloemen meest polygaam, d. w. z. in de ♂ bloemen is het vruchtbeginsel minder goed ontwikkeld, in de ♀ hebben de helmknoppen geen stuifmeelTrattinickia.1b.Bloemen 4- of 5-tallig22a.Bloembladeren niet of nauwelijks vergroeid. Bloemen tweeslachtig of schijnbaar tweeslachtig. Meeldraden tweemaal zooveel als bloembladeren. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig; vrucht meest scheef en eenzadig. Bladeren gevind, soms alleen het eindblaadje aanwezig.Protium.Tiengie-monnie.2b.Bloembladeren tot een klokvormige bloemkroon vergroeid. Meeldraden 8–10, aan de basis van een dikke schijf met 8–10 groeven ingehecht. Helmdraden zeer kort. Vrucht meest rond, van buiten met 4–5 groeven, 4–5-hokkig met 1 zaad in elk hokje. Bladeren gevindTetragastris.140.Meliaceae.Bloemen 5-, zelden 4–7-tallig, meest met tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren, soms evenveel meeldraden; meest tweeslachtig en regelmatig; bloeias plat of tot een verschillend gevormde schijf uitgegroeid; kelk vaak vergroeidbladig, soms ook de bloembladeren;meeldraden meest tot een buis vergroeid; vruchtbeginsel meest met evenveel hokjes als er bloembladeren zijn, soms minder, met 1 stijl, en 1–2, zelden 4 tot vele zaadknoppen; vrucht zeer verschillend van vorm; boomen of heesters met gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bladeren dubbelgevind. Bloemen in pluimen; kelk 5–6-deelig, bloembladeren 5–6, veel langer dan de kelk. Meeldraden alle in een lange buis vergroeid, die aan den mond 10–12 spitse tanden draagt, waartusschen de helmknoppen ingehecht zijnMelia.1b.Bladeren enkelgevind22a.Meeldraden niet in een buis vergroeid; kelk 4–5-spletig; bloembladeren 4–5, aan de binnenzijde in het midden met een kiel of plaat, die aan de lange schijf, waarop het vruchtbeginsel zit, is vastgegroeid. Meeldraden 4–6, op den top van den schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een 5-hokkige doosvrucht. Zaden gevleugeld. Blaadjes vaak scheef aan den voetCedrela.Ceder.2b.Meeldraden in een buis vergroeid33a.Blaadjes eenigszins gekromd en opvallend scheef aan den voet. Kelkslippen afgerond aan den top. Buis der meeldraden met 10 tanden aan den rand; helmknoppen of zeer korte helmdraden tusschen de tanden ingevoegd. Vrucht een houtige, 5-kleppige doosvrucht met vele gevleugelde zadenSwietenia.3b.Blaadjes niet opvallend scheef aan den voet. Zaden niet gevleugeld44a.Helmknoppen op den rand van de buis ingehecht, niet door de buis ingesloten. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10. Schijf ontbrekend of klein. Boomen of heesters. Vrucht 2–3-hokkig met 1 of 2 zaden per hokjeTrichilia.4b.Helmknoppen meest aan de binnenzijde van de buis, ingehecht, door de buis ingesloten55a.Kelk- en bloemkroon 3–6-tallig, de bloemkroon vaak lang en van buiten soms geelachtig of wit-behaard; de kelk bekervormig. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met 1–2 zaadknoppen per hokje. Vrucht met 4–5 kleppen openspringend, met 1–2 zaden in elk hokjeGuarea.5b.Bloemen 4–5-tallig. Kelk bijna losbladig; bloemkroon kaal, kort, evenals de buis der meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met meerdere zaadknopjes per hokje, die in twee rijen boven elkaar zitten. Vrucht een groote houtige doosvrucht met 6–8 zaden in elk hokjeCarapa.Krapa.141.Malpighiaceae.Bloemen 5-tallig, met 10 meeldraden, meest tweeslachtig; bloemas bolvormig of vlak; soms tot een gynophoor verlengd; kelk vaak met klieren; bloembladeren meest genageld; van de meeldraden vaak eenige zonder stuifmeel of geheel afwezig; vruchtbeginsel meest 3-hokkig,zelden 2-, 4- of 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje, vrucht een splitvrucht, met aan de rug openspringende deelvruchten, zelden een noot of een steenvrucht; bladeren meest tegenoverstaand met klieren; steunbladeren aanwezig.1a.Bloemen rose of paars21b.Bloemen wit, geel of oranje52a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen, vrucht in 2 ongevleugelde drooge vruchten uiteenvallend. Kelk met 8–10 klieren. Van de 10 meeldraden zijn er enkele onvruchtbaar; helmdraden van onderen in een behaarde ring vergroeid. Bloemen in enkelvoudige trossen, eindelings aan de bebladerde takkenSpachea.2b.Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen. Bloemen nooit in enkelvoudige trossen33a.Bloemen in dichte pluimen, met groote schutbladeren en bloemsteelbladeren. Kelkbladeren lang en smalmet 4 klieren. Helmdraden aan de basis vergroeid. Vruchtbeginsel dicht behaard. Deelvrucht met 5 vrijwel gelijke evenwijdige vleugels. Bladeren fluweelig grijs behaard met 2 klieren aan de basisJubelina.3b.Schutbladeren en bloemsteelblaadjes klein44a.Bloemen in wijde pluimen. Kelk met 8 klieren. Meeldraden ongelijk van lengte. Vruchtbeginsel behaard. Deelvrucht met een groote vliezige vleugel, bijna cirkelrond. LianenMascagnia.4b.Bloemen in kleine okselstandige groepen of trosjes; kelk met 6–10 klieren. Meeldraden kaal, van onderen in een buis vergroeid. Vrucht een steenvrucht (als een kers) met 3 geribde pitten. Heesters of boompjesMalpighia.5a.Stijlen lang en dun, naar den top spits toeloopend. Een van de concave bloembladeren merkbaar kleiner dan de andere. Helmdraden aan de basis behaard. Vrucht een steenvrucht met sappig vruchtvleesch en 1 pitByrsonima.5b.Stijlen naar den top verdikt of haakvormig gekromd66a.Bloemen in vertakte bloeiwijzen in de oksels der bladeren staande, de bloeiwijzen korter dan de bladeren. Bladeren met krachtige zijnerven. Steunblaadjes met de bladsteel vergroeid. Deelvrucht met 2 vliezige, ronde vleugelsHiraea.6b.Bloemen in eindelingsche trossen of pluimen of okselstandig, maar dan bloeiwijzen grooter dan de bladeren77a.De bloemsteel draagt halverwege 2 bloemsteelblaadjes, die geheel of bijna geheel in klieren veranderd zijn. Meeldraden kaal, tot aan het midden vergroeid. Steenvrucht met 2–3 pittenBunchosia.7b.De bloemsteel draagt geen bloemsteelblaadjes of niet-geklierde bloemsteelblaadjes88a.Stempels knopvormig, eindelingsch98b.Stempels zijdelings zittend doordat de top van den stijl rechthoekig omgebogen is of een dwarse verbreeding heeft109a.Meeldraden van onderen in een buis of ring vergroeid, ongelijk. Elke afdeeling van het vruchtbeginsel met 1 rugkam en 2 zijkammen. Deelvrucht met 4, ongeveer gelijke in in een kruis staande vleugels, daartusschen nog eenige kleine vleugeltjesTetrapteris.9b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch. Vruchtbeginsel met een rugkam. Deelvrucht met één sterk ontwikkelde rugkam, daarvóór dikwijls nog een kleiner vleugeltje dat in hetzelfde vlak ligtBanisteria.10a.Bloemen klein, regelmatig; alle 10 meeldraden met vruchtbare helmknoppen. Stijl van boven zijdelings samengedrukt, vaak naar de rugzijde in een korte haak verlengd. Vrucht als de vorige.Heteropteris.10b.Bloemen vrij groot, zijdelings-symmetrisch met 6 vruchtbare en daartusschen 4 onvruchtbare meeldraden. Stijlen van boven bladachtig verbreed. Vrucht als de vorigeStigmatophyllon.142.Trigoniaceae.Bloemen typisch 5-tallig, 2-slachtig, scheef-zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; bloembladeren 5–3, vaak zeer ongelijk; meeldraden 5, 6 of 10 (11–12); aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht; houtige planten, vaak klimmend met verspreide of tegenoverstaande bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.Kelkbladeren 5, aan den voet wat vergroeid, de 2 binnenste wat grooter. Bloembladeren 5, het achterste grooter en met eenspoor of knobbel aan den voet. Meeldraden 10, aan de basis tot een gespleten buis vergroeid, 6 met helmknoppen, de overige zonder helmknoppen. Tegenover het groote bloemblad staan 2 klieren. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht een 3-kleppige doosvrucht. Klimmende heesters met tegenoverstaande bladerenTrigonia.143.Vochysiaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, scheef zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; één ervan vaak gespoord, afvallend; bloembladeren zelden 5, meest 3–1; slechts één vruchtbare meeldraad en eenige staminodiën; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, driehokkig, met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht niet openspringend of een doosvrucht; meest boomen met tegenoverstaande of kransstandige enkelvoudige bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 2 zaadknoppen. Kelk 5-deelig, met 4 kleine blijvende kelkbladeren en 1 grooter gespoord en spoedig afvallend kelkblad. Bloemblad 1, meeldraad 1. Vrucht met de kelkbladeren op den topErisma.Singrie-kwarrie.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig22a.Bloembladeren 3, het middelste grooter dan de zijdelingsche. Kelk 5-tallig, 4 slippen klein, het 5degrooter gespoord. Meeldraad 1. Bloemen geelVochysia.Kwarrie.2b.Bloemblad 1 (soms 2). Een van de 5 kelkbladeren met een spoor of knobbel. Meeldraad 1. Bloemen meest blauw of witQualea.Kwarrie.145.Polygalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; van de 5 kelkbladeren zijn er 2 bloembladachtig en vergroot; bloembladeren 3; meeldraden 8, in twee groepen van 4; vruchtbeginsel tweehokkig met 1, zelden 2–4 zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren.1a.Kelk met de bloembladeren en de meeldraden tot een buis vergroeid. Vrije kelkslippen 5. Bloemkroon 5-spletig, een van de bloembladeren gevouwen. Meeldraden in 2 bundels ieder met 4 helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Heesters of boomen, met dikke leerachtige bladerenMoutabea.1b.Kelk met de bloembladeren niet vergroeid22a.Vrucht een doosvrucht, ongevleugeld42b.Vrucht een gevleugelde noot33a.Lianen met violette of paarsche bloemen in okselstandige trossen. Bloembladeren 3, waarvan het helmvormige met een aanhangsel op de achterzijde.Vrucht met een vleugel op de rugzijdeSecuridaca.3b.Heesters, niet windend. Bloemblad zonder aanhangsel op de rugzijde. Vrucht rondom gevleugeldMonnina.4a.Meest kruidachtige planten, soms kleine heesters. Bloemen in lange of dichte trossen. Doosvrucht rondachtig, zaden kort behaardPolygala.4b.Heesters. Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Doosvrucht lang-wigvormig. Zaden met lange harenBredemeyera.146.Dichapetalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig oféénslachtigregelmatig of soms zygomorf; bloemas uitgroeiend tot schubben of een komvormige schijf; kelk vergroeid- oflosbladig; bloembladeren raak tweespletig, gelijk of ongelijk van vorm, vrij of tot een buis vergroeid; meeldraden 5, vrij of met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht met een 1–2-hokkige pit; lianen of boomen met gaafrandige bladeren met steunbladeren.Bloemen met 4–5 ongelijke kelkbladeren, 4–5 bloemkroonslippen, waarvan er 2 of 1 grooter zijn dan de andere en 2-spletig met concave lobben. Meeldraden meest 5, waarvan maar 2 met helmknoppen; een enkele maal alle 5 vruchtbaar. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig. Heesters of boomenTapura.147.Euphorbiaceae.Bloemen steeds éénslachtig, met kelk en bloemkroon, of met een kelk alleenofnaakt; meeldraden evenveel als kelkbladeren of evenveel of dubbel zooveel, of talrijke of weinige tot 1; vruchtbeginsel 3-hokkig, zelden 2-, 4- of meerhokkig; vrucht meest zich splitsend in 3 deelvruchten, met 1 of 2 zaden; zelden een bes of een steenvrucht; kruiden of houtige planten, meest met verspreide bladeren, vaak met steunbladeren, en melksap.1a.Bloemen tweehuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op verschillende planten21b.Bloemen éénhuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op denzelfden plant, vaak zelfs in dezelfde bloeiwijze152a.Alleen ♂ bloemen aanwezig32b.Alleen ♀ bloemen aanwezig93a.Kelk en bloembladeren beiden aanwezig43b.Alleen een kelk aanwezig54a.Meeldraden 5, vergroeid om het steriele vruchtbeginsel, in den knop rechtopstaand. Bloembladeren 5 of minder. Boomen met okselstandige bloemgroepen en enkelvoudige leerachtige bladerenDiscocarpus.4b.Meeldraden meest 10–20, soms 5, maar in ieder geval niet vergroeid en geen steriel vruchtbeginsel in de ♂ bloem. Helmdraden in den knop naar binnen gebogen. Heesters of kruiden, meest behaarde of beschubde bladeren. Bladeren gedeeld of ongedeeldCroton.5a.Meeldraden minder dan 1065b.Meeldraden meer dan 10, meest vele, de buitenste zonder helmknoppen. Kelk 3–4-deelig. Geen rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Bloemen in vertakte eindelingsche pluimen. Boomen met enkelvoudige bladerenConceveiba.6a.Bloemen 4-tallig, meeldraden 4–876b.Bloemen 3 of 5-tallig, meeldraden soms 2 of 4, meest 3–5, of 687a.Meeldraden 6, om een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloemen in trossen of samengestelde trossen of aren. Bladeren met schubben. BoomenHieronymia.7b.Geen rudimentair vruchtbeginsel aanwezig. Meeldraden 6–2, vaak 3, soms met elkaar tot een zuiltje vergroeid. Kruiden of heesters. Bloemen gesteeld alleenstaand of in groepen in de bladokselsPhyllanthus.Bita-wiwirie.Finie bita.8a.Meeldraden 4. Helmknoppen geen bijzondere vorm vertoonend. Boomen of heesters, met bloemen in trossenAlchornea.8b.Meeldraden 8. Helmknoppen uit elkaar wijkend, aan den top samenhangend. Boomen of heesters met de bloemen in arenAcalypha.9a.Kelk 3-spletig. Bloemen in dichte aren, met groote roode zeer sterk vertakte stijlen en stempelsAcalypha.9b.Kelk 4–5-6-spletig of -deelig1010a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen; bloemen in trossenHieronymia.10b.Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 3 vaak vertakte stijlen of stempels1111a.Bloemen in trossen of aren1211b.Bloemen in kleine groepen of alleenstaand in de bladoksels1412a.Kelk met klieren aan de buitenzijde. Stijlen dik, 2-spletig tot tweedeelig. Vruchtbeginsel veel grooter dan de 5–10-spletige kelk, meest 3-kantig. Bloemen in een eindelingsche tros. Bladeren kaal. BoomenConceveiba.12b.Kelk zonder klieren aan de buitenzijde1313a.Discus meest ontbrekend. Kelk 4-deelig. Stijlen 2-lobbig, kort; boomen of heestersAlchornea.13b.Onder het vruchtbeginsel een ringvormige schijf of schubben. Bloembladeren soms aanwezig. Stijl enkelvoudig, of 2-spletig of de zijtakken nog enkele malen vertakt. Bladeren met schubben of harenCroton.14a.Boomen met enkelvoudige leerachtige bladeren. Bloemen zeer kort gesteeld in groepjes in de bladoksels. Bloembladeren vaak aanwezig, evenals staminodiën, soms ook beide ontbrekend. Stijlen plat, niet vergroeidDiscocarpus.14b.Kruiden of heesters, met de bladeren aan de jongste takken vaak in 2 rijen, zoodat de bebladerde tak gelijkt op een gevind blad. Bloemen duidelijk of langgesteeld. Stempels meest 2-spletigPhyllanthus.Finie-bita.Bita-wiwirie.15a.Bloemen in z.g. cyathien, d. z. bloeiwijzen, waarin één ♀ bloem in het midden staat, deze is omringd door een groot aantal ♂ bloemen, die slechts uit 1 meeldraad bestaan; het geheel is omringd door vergroeide schutbladeren, en doet dus denken aan een tweeslachtige bloem1615b.Bloemen niet in cyathien, indien een groep van bloemen omgeven is door schutbladeren, dan zijn deze niet vergroeid, en in ieder geval hebben de ♂ bloemen een kelk1716a.Cyathium regelmatig. Meest kruidenEuphorbia.16b.Cyathium zijdelings-symmetrisch met een aanhangsel. HeestersPedilanthus.17a.Een groep van mannelijke en vrouwelijke bloemen is omgeven door twee groenachtige of witte of rose, zittende, tegenoverstaande schutbladeren. Vruchtbeginsel met een lange stijl, ♂ bloemen met ongeveer 20 meeldraden. KlimplantenDalechampia.17b.Niet een groep van ♂ en ♀ bloemen door 2 schutbladeren ingehuld1818a.Boomen met 3-tallige bladeren. Helmknoppen op den top van een zuil zittend. Kelk 5-spletig. Bloemen in pluimenHevea.18b.Bladeren niet 3-tallig, soms 3–7-voudig handvormig ingesneden tot 3–7-tallig, maar dan is de plant kruidachtig1919a.Vruchtbeginsel veelhokkig, vrucht ten slotte in vele deelen uiteenvallend. Stijl lang met vele stempels. Kelk klokvormig. Meeldraden vele in rijen aan den top van een zuil. ♂ bloemen in trossen, ♀ bloemen alleenstaand. BoomenHura.Postentrie.19b.Vruchtbeginsel 2–4-, meest 3-hokkig2020a.In de ♂ en de ♀ bloemen zijn alleen meeldraden of vruchtbeginsels aanwezig; kelk en bloemkroon geheel ontbrekend. Meeldraden 12–2, stijl met 3 stempels. Heesters met enkelvoudige harde bladerenActinostemon.20b.Een kelk, of kelk en bloemkroon aanwezig2121a.Bloembladeren in de ♂ bloem aanwezig, in de ♀ bloem soms ontbrekend2221b.Bloembladeren steeds ontbrekend in ♀ en ♂ bloemen2722a.Meeldraden in den knop naar binnen gebogen, zoodat de top van de helmknop naar beneden gericht is. Meeldraden soms 5, meest 10–20, vaak nog meer dan 20. Bladeren met schubben of behaard, soms gelobd tot gedeeld. Heesters of kruidenCroton.22b.Meeldraden in den knop rechtopstaand2323a.Meeldraden 5, rondom een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloembladeren zoowel in de ♂ als de ♀ bloem aanwezig. Vruchtbeginsel met zittende schijfvormige stempel. Boomen met gaafrandige leerachtige bladeren. Bloemen in kleine groepenAmanoa.23b.Meeldraden 10 of meer2424a.Meeldraden in een zuil vergroeid, 10–302524b.Meeldraden vrij2625a.Bladeren gelobd tot gedeeld. Zuil van de meeldraden zonder rudimentair vruchtbeginsel op den top, schijf duidelijk ontwikkeld. In de ♀ bloemen soms staminodiënJatropha.25b.Bladeren lancetvormig, scherp gezaagd. Zuil van de meeldraden met een rudimentair vruchtbeginsel op den topCaperonia.26a.Meeldraden talrijk, dicht op elkaar zittend met korte helmdraden. Stijlen 3, diep 2-spletig. ♂ bloemen in enkelvoudige eindstandige trossen; ♀ bloemen slechts weinige bij elkaar. Boomen met eironde bladerenSagotia.26b.Stijlen niet ingesneden. Meeldraden 15–30. Bladeren smal, met roode of geele vlekken, kaal en glanzend. HeestersCodiaeum.27a.Mannelijke bloemen zeer groot met een zeer groot aantal (tot 1000) helmknoppen; helmdraden vertakt.Vruchtbeginsel met 3 vertakte roode stijlen.Bladeren handdeelig, schildvormigRicinus.Krapata.27b.Meeldraden niet zoo talrijk, helmdraden niet vertakt2828a.Vruchtbeginsel 4-hokkig met een dikke, eironde tot half-bolvormige stijl. Vrucht 4-lobbig met 4 ribben. Bloemen in trossen, de ♀ bloemen in het onderste deel alleenstaand of weinig bij elkaar, de ♂ bloemen in groepen, ♂ bloemen met 8–30 meeldraden, die op een kegelvormige of half-bolvormige bloembodem zitten. Heesters of kruiden met handvormige, getande bladerenPlukenetia.28b.Vruchtbeginsel 3-hokkig; stijlen 3 of 1, niet verdikt2929a.Meeldraden 10 of meer3029b.Meeldraden minder dan 10 (Zie ook Phyllanthus)3130a.Meeldraden 10–30, in verschillende kransen tot een zuil vergroeid. Vruchtbeginsel kleiner dan de kelk, met 3 stempels. Bladeren gelobd tot gedeeld. Bloemen in pluimenJatropha.30b.Meeldraden dicht gedrongen op een half-bolvormige bloembodem. Vruchtbeginsel veel langer dan de kelk, met een lange stijl en 3-spletige stempel. Bloemen in dichte en dikke trossen. Bladeren niet gelobdMabea.30c.Meeldraden 10, alle vrij, in 2 rijen, op een schijf staande, en niet tot een zuil vergroeid. Kelk groot, min of meer klokvormig 5-spletig. In de ♂ bloem soms een rudimentair vruchtbeginsel; in de ♀ bloem soms staminodiën. Stijlen 3, een weinig aan de basis vergroeid. Bladeren meest handvormig ingesneden of bijna samengesteldManihot.Cassave.31a.Heesters of boomen met de bloemen in dichte aren. ♀ bloemen met 3 groote roode, sterk vertakte stempels, met een 3-spletige kelk; ♂ bloemen met een 4-spletige kelk, met 8 meeldraden, waarvan de helmknoppen naar beneden uiteenwijken en ± gewonden zijnAcalypha.31b.Stempels niet opvallend gekleurd. Meeldraden minder dan 8 zonder bijzonder gevormde helmknoppen3232a.Bloemen in trossen of aren3332b.Bloemen alleenstaand of in groepen in de bladoksels, gesteeld. Kelkbladeren 6–4, meest in 2 kransen, ♂ bloemen met 2–6 meeldraden, meest 3 of 5 meeldraden met losse of vergroeide helmdraden (zeer zelden meer dan 6 meeldraden). Stijlen 3, vrij of vergroeid, gedeeld of ongedeeld. Bladeren vaak in 2 rijen gezeten, zoodat de bebladerde tak op een gevind blad gelijkt. Kruiden of heestersPhyllanthus.Bita-wiwirie,Finie-bita.33a.Helmdraden geheel vergroeid, alleen de helmknoppen vrij3433b.Helmdraden alleen aan de basis vergroeid3534a.Zuil van de helmdraden kort, aan den top met een dwarse verlenging aan welks einde de 2 helmknoppen zitten. Kelk 4–5-spletig. Stijl dik, aan den top 3-lobbig. Bloemen in lange met vrij groote schutbladeren bezette ijle trossen, in welker oksel een ♀ bloem en eenige ♂ bloemen zittenOmphalea.34b.Zuil van de helmdraden niet eigenaardig gevormd. Kelk 3-lobbig. Meeldraden 2, soms 1 of 3. Stijlen vergroeid. Bloeiwijze van boven dicht, met 3 ♂ bloemen bij elk schutblad, van onderen ijler met de ♀ bloemen alleenstaandMaprounea.35a.Kelk 4-deelig. Meeldraden 4. ♂ bloemen in groepen in vertakte bloeiwijzen, ♀ bloemen alleenstaand in enkelvoudige aren of trossenAlchornea.35b.Kelk in de ♂ bloemen 2- of 3-deelig of -spletig of gelobd3636a.Klimmende kruiden met behaarde, getande bladeren. Kelk 3–5-deelig. Meeldraden 3, vrij. Stijlen tot aan het midden vergroeid, van boven vrij, onvertakt. Bloemen in trossen, die van boven de ♂ van onderen de ♀ bloemen dragen of tros vertakt met een lange ♂ en een korte ♀ takTragia.36b.Boomen of heesters, niet klimmend3737a.Kelk van de ♂ bloem diep 3-deelig. Meeldraden 2 of 3 met korte helmdraden. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Bloemen in dunne trossen van onderen met alleenstaande of weinige ♀ bloemen, van boven met groepen van 2–4 ♂ bloemen. Bladeren kleinSebastiania.37b.Kelk van de ♂ bloem 2-lobbig. Meeldraden 2–3 met vrije helmknoppen. Kelk van de ♀ bloem 3-spletig of 3-deelig. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Vrucht een weinig vleezig. Bladsteel met 2 klieren aan den top. Bloemen in aren; ♂ bloemen 3 of meer per schutblad, ♀ bloemen alleenstaand bij het schutblad onder aan de aarSapium.(Excoecaria).
Orde:Geraniales.130.Oxalidaceae.Bloemen 5-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, zelden vrouwelijk, zonder discus; meeldraden 10, van onderen vergroeid; vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een bes; meest overblijvende kruiden, zelden houtige planten met meest samengestelde bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Kruiden met 3-tallige bladeren, het eindblaadje langer gesteeld. Meeldraden 10, afwisselend langer en korter; vrucht een doosvruchtOxalis.1b.Boomen met oneven gevinde bladeren.Bloemen in trosjes uit de stam of uit de houtige takken te voorschijn komend. Vrucht een besAverrhoa.Birambi.132.Linaceae.Bloemen 5- tot 4-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; discus ontbrekend; meeldraden 5–20, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, met 5tot minder hokjes; 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een steenvrucht; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren, met of zonder steunbladeren.Boomen of heesters met kleine bloemen in pluimen. Bladeren met een dikke hoofdnerf en vele evenwijdige zijnerven, aan de basis langs de bladsteel afloopend. Kelk- en bloembladeren 5, meeldraden 10, vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlenRoucheria.133.Humiriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; om het bovenstandige vruchtbeginsel een bekervormige schijf, meeldraden 10 tot vele; vruchtbeginsel 5-hokkig, met één stijl; 1–2 zaadknoppen in elk hokje; vrucht een steenvrucht; boomen met verspreide enkelvoudige bladeren metsteunbladeren.1a.Bladeren aan den voet geleidelijk in de gevleugelde bladsteel versmald, aan den top afgerond, ingesneden of met een korte punt. Hoofdnerf met vele dichte evenwijdige zijnerven.Meeldraden20 met behaarde helmknoppen, alle gelijk van vorm. Vruchtbeginsel met 1 stijl en een 5-lobbige stempel, 5- of soms 4-hokkig met 2 zaadknoppen per hokjeHumiria.Basra-bolletrie.1b.Bladeren aan den voet afgerond of versmald maar niet geleidelijk langs de bladsteel afloopend, naar den top toegespitst en versmald; soms aan den rand grof getand. Zijnerven niet opvallend dicht bij elkaar. Meeldraden 10 of 20, soms met eenige staminodiën ertusschen of soms zijn er 5 langere meeldraden aan den top 3-tandig met 3 helmknoppen. Helmknoppen kaal. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 zaadknop in elk hokjeSaccoglottis.134.Erythroxylaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; geen schijf; bloembladeren aan de binnenzijde met een aanhangsel of een lijst; meeldraden 10, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1–2 zaadknoppen; vrucht een steenvrucht; heesters met verspreide, enkelvoudige bladeren, met steunbladeren.Boomen of meestal heesters met takken, die vaak met een groot aantal schubben bedekt zijn. Kelkbladeren 5, bloembladeren 5, aan de binnenzijde met een 2-spletig schubje. Meeldraden 10, aan de basis tot een buis vergroeid. Vruchtbeginsel met 3 stijlen, die vaak aan de basis wat vergroeid zijn. Vrucht een eenzadige besErythroxylon.135.Zygophyllaceae.Bloemen 5–4-tallig met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; schijf ringvormig of als gynophoor ontwikkeld; meeldraden 10–8, zelden 15, aan de basis vaak met schubjes; vruchtbeginsel 5–2-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl hoekig of gegroefd; meest een doosvrucht of een splitvrucht, zelden een bes; meest heesters of boomen, zelden kruiden met tegenoverstaande of soms verspreide, gevinde bladeren, met steunbladeren.Boomen met tegenoverstaande even-gevinde, 2-jukkige bladeren. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 blauwe bloembladeren, 10 evenlange meeldraden, een tweehokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen en 1 stijl, en een platte, eenigszins hartvormige door den stijlrest gekroonde vrucht, met één zaad in elk hokjeGuajacum.137.Rutaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig of zygomorf; schijf ring- of kussenvormig, soms bekervormig; meeldraden evenveel of tweemaal zooveel als bloembladeren, soms wat minder, zelden talrijk; vruchtbeginsel bovenstandig, meerhokkig soms 5–3, die een weinig met elkaar vergroeid zijn, met 2 tot vele zaadknoppen; meest boomen en heesters met verspreide of tegenoverstaande enkelvoudige of samengestelde bladeren.1a.Kelkbladeren 5, zeer ongelijk van grootte, de beide buitenste het grootst en daarvan één veel grooter dan de bloemkroon en deze en de rest van de kelk omhullend. Bloemkroon zijdelings-symmetrisch-sympetaal. Vruchtbare meeldraden 2. Vrucht in 5–1 tweezadige nootjes uiteenvallendMonniera.1b.Kelk niet grooter dan de bloemkroon22a.Bloembladeren in een lange buis vergroeid32b.Bloembladeren vrij of bijna vrij43a.Bloemen volkomen regelmatig. Kelk klein 5-tandig; bloembladeren 5,vergroeid. Meeldraden 5, alle met helmknoppen, in een buis vergroeid, die bijna geheel met de bloemkroon samenhangt. Helmknoppen met een 2-lobbig aanhangsel aan de basis. Bladeren 3-talligTicorea.3b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch; bloemkroonbuis recht of gekromd. Meeldraden 5–8, ten deele onvruchtbaar, overigens als de vorigeGalipea.4a.Bloemen 3–4-tallig met 6 meeldraden. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Heester met 3-tallige bladeren, in de bladoksel een doorn. Vrucht een besTriphasia.4b.Bloemen 4–5-tallig, meeldraden meest meer dan 5, vaak de helmdraden min of meer met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel 5- tot meer-hokkig met meerdere zaadknoppen in elk hokje. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig, vaak met doornen in den okselCitrus.4c.Bloemen geheel 5-tallig, groot, sterk riekend, meeldraden 10, geheel vrij; bladeren gevind meest met meer dan 3 blaadjes; vruchtbeginsel meest 2-hokkig, zelden 3–5-hokkigMurraya.Limonia.138.Simarubaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; meeldraden 10 of 5, zelden vele; vruchtbeginsels 5, min of meer met elkaar vergroeid tot een bovenstandig, 5-hokkig vruchtbeginsel; boomen of heesters met verspreide of tegenoverstaande, zelden enkelvoudige, meest gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen of heesters met kleine witte of geelachtige bloemen in pluimen. Bladen gevind. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10, aan de basis met schubben, die min of meer vergroeid zijn. Vruchtbeginsel 4- of 5-hokkig op een schijf gezeten, met één stijl. Vrucht uit 4–5 deelvruchten bestaandeSimaba.1b.Heesters of kleine boomen met groote roode bloemen, 5-tallig met een lange bloemkroon. Meeldraden aan de basis met dicht behaarde schubben.Bladeren gevind, bladsteel gevleugeld. Vrucht als de vorigeQuassia.Kwassi-bita.139.Burseraceae.Bloemen 5- of 4-tallig, met 5 of 10 meeldraden, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; vruchtbeginsel 5–3-hokkig met 2 of 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; steenvrucht met 2–5 pitten of een doosvrucht; houtige planten met verspreide drietallige of onevengevinde, zelden enkelvoudige bladeren en kleine bloemen.1a.Bloemen 3-tallig. Kelk vergroeidbladig met 3 slippen. Bloemkroon klokvormig met 3 spitse slippen. Meeldraden 6, aan de basis van een dikke 6-tandige schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig met korte stijl. Bloemen meest polygaam, d. w. z. in de ♂ bloemen is het vruchtbeginsel minder goed ontwikkeld, in de ♀ hebben de helmknoppen geen stuifmeelTrattinickia.1b.Bloemen 4- of 5-tallig22a.Bloembladeren niet of nauwelijks vergroeid. Bloemen tweeslachtig of schijnbaar tweeslachtig. Meeldraden tweemaal zooveel als bloembladeren. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig; vrucht meest scheef en eenzadig. Bladeren gevind, soms alleen het eindblaadje aanwezig.Protium.Tiengie-monnie.2b.Bloembladeren tot een klokvormige bloemkroon vergroeid. Meeldraden 8–10, aan de basis van een dikke schijf met 8–10 groeven ingehecht. Helmdraden zeer kort. Vrucht meest rond, van buiten met 4–5 groeven, 4–5-hokkig met 1 zaad in elk hokje. Bladeren gevindTetragastris.140.Meliaceae.Bloemen 5-, zelden 4–7-tallig, meest met tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren, soms evenveel meeldraden; meest tweeslachtig en regelmatig; bloeias plat of tot een verschillend gevormde schijf uitgegroeid; kelk vaak vergroeidbladig, soms ook de bloembladeren;meeldraden meest tot een buis vergroeid; vruchtbeginsel meest met evenveel hokjes als er bloembladeren zijn, soms minder, met 1 stijl, en 1–2, zelden 4 tot vele zaadknoppen; vrucht zeer verschillend van vorm; boomen of heesters met gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bladeren dubbelgevind. Bloemen in pluimen; kelk 5–6-deelig, bloembladeren 5–6, veel langer dan de kelk. Meeldraden alle in een lange buis vergroeid, die aan den mond 10–12 spitse tanden draagt, waartusschen de helmknoppen ingehecht zijnMelia.1b.Bladeren enkelgevind22a.Meeldraden niet in een buis vergroeid; kelk 4–5-spletig; bloembladeren 4–5, aan de binnenzijde in het midden met een kiel of plaat, die aan de lange schijf, waarop het vruchtbeginsel zit, is vastgegroeid. Meeldraden 4–6, op den top van den schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een 5-hokkige doosvrucht. Zaden gevleugeld. Blaadjes vaak scheef aan den voetCedrela.Ceder.2b.Meeldraden in een buis vergroeid33a.Blaadjes eenigszins gekromd en opvallend scheef aan den voet. Kelkslippen afgerond aan den top. Buis der meeldraden met 10 tanden aan den rand; helmknoppen of zeer korte helmdraden tusschen de tanden ingevoegd. Vrucht een houtige, 5-kleppige doosvrucht met vele gevleugelde zadenSwietenia.3b.Blaadjes niet opvallend scheef aan den voet. Zaden niet gevleugeld44a.Helmknoppen op den rand van de buis ingehecht, niet door de buis ingesloten. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10. Schijf ontbrekend of klein. Boomen of heesters. Vrucht 2–3-hokkig met 1 of 2 zaden per hokjeTrichilia.4b.Helmknoppen meest aan de binnenzijde van de buis, ingehecht, door de buis ingesloten55a.Kelk- en bloemkroon 3–6-tallig, de bloemkroon vaak lang en van buiten soms geelachtig of wit-behaard; de kelk bekervormig. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met 1–2 zaadknoppen per hokje. Vrucht met 4–5 kleppen openspringend, met 1–2 zaden in elk hokjeGuarea.5b.Bloemen 4–5-tallig. Kelk bijna losbladig; bloemkroon kaal, kort, evenals de buis der meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met meerdere zaadknopjes per hokje, die in twee rijen boven elkaar zitten. Vrucht een groote houtige doosvrucht met 6–8 zaden in elk hokjeCarapa.Krapa.141.Malpighiaceae.Bloemen 5-tallig, met 10 meeldraden, meest tweeslachtig; bloemas bolvormig of vlak; soms tot een gynophoor verlengd; kelk vaak met klieren; bloembladeren meest genageld; van de meeldraden vaak eenige zonder stuifmeel of geheel afwezig; vruchtbeginsel meest 3-hokkig,zelden 2-, 4- of 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje, vrucht een splitvrucht, met aan de rug openspringende deelvruchten, zelden een noot of een steenvrucht; bladeren meest tegenoverstaand met klieren; steunbladeren aanwezig.1a.Bloemen rose of paars21b.Bloemen wit, geel of oranje52a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen, vrucht in 2 ongevleugelde drooge vruchten uiteenvallend. Kelk met 8–10 klieren. Van de 10 meeldraden zijn er enkele onvruchtbaar; helmdraden van onderen in een behaarde ring vergroeid. Bloemen in enkelvoudige trossen, eindelings aan de bebladerde takkenSpachea.2b.Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen. Bloemen nooit in enkelvoudige trossen33a.Bloemen in dichte pluimen, met groote schutbladeren en bloemsteelbladeren. Kelkbladeren lang en smalmet 4 klieren. Helmdraden aan de basis vergroeid. Vruchtbeginsel dicht behaard. Deelvrucht met 5 vrijwel gelijke evenwijdige vleugels. Bladeren fluweelig grijs behaard met 2 klieren aan de basisJubelina.3b.Schutbladeren en bloemsteelblaadjes klein44a.Bloemen in wijde pluimen. Kelk met 8 klieren. Meeldraden ongelijk van lengte. Vruchtbeginsel behaard. Deelvrucht met een groote vliezige vleugel, bijna cirkelrond. LianenMascagnia.4b.Bloemen in kleine okselstandige groepen of trosjes; kelk met 6–10 klieren. Meeldraden kaal, van onderen in een buis vergroeid. Vrucht een steenvrucht (als een kers) met 3 geribde pitten. Heesters of boompjesMalpighia.5a.Stijlen lang en dun, naar den top spits toeloopend. Een van de concave bloembladeren merkbaar kleiner dan de andere. Helmdraden aan de basis behaard. Vrucht een steenvrucht met sappig vruchtvleesch en 1 pitByrsonima.5b.Stijlen naar den top verdikt of haakvormig gekromd66a.Bloemen in vertakte bloeiwijzen in de oksels der bladeren staande, de bloeiwijzen korter dan de bladeren. Bladeren met krachtige zijnerven. Steunblaadjes met de bladsteel vergroeid. Deelvrucht met 2 vliezige, ronde vleugelsHiraea.6b.Bloemen in eindelingsche trossen of pluimen of okselstandig, maar dan bloeiwijzen grooter dan de bladeren77a.De bloemsteel draagt halverwege 2 bloemsteelblaadjes, die geheel of bijna geheel in klieren veranderd zijn. Meeldraden kaal, tot aan het midden vergroeid. Steenvrucht met 2–3 pittenBunchosia.7b.De bloemsteel draagt geen bloemsteelblaadjes of niet-geklierde bloemsteelblaadjes88a.Stempels knopvormig, eindelingsch98b.Stempels zijdelings zittend doordat de top van den stijl rechthoekig omgebogen is of een dwarse verbreeding heeft109a.Meeldraden van onderen in een buis of ring vergroeid, ongelijk. Elke afdeeling van het vruchtbeginsel met 1 rugkam en 2 zijkammen. Deelvrucht met 4, ongeveer gelijke in in een kruis staande vleugels, daartusschen nog eenige kleine vleugeltjesTetrapteris.9b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch. Vruchtbeginsel met een rugkam. Deelvrucht met één sterk ontwikkelde rugkam, daarvóór dikwijls nog een kleiner vleugeltje dat in hetzelfde vlak ligtBanisteria.10a.Bloemen klein, regelmatig; alle 10 meeldraden met vruchtbare helmknoppen. Stijl van boven zijdelings samengedrukt, vaak naar de rugzijde in een korte haak verlengd. Vrucht als de vorige.Heteropteris.10b.Bloemen vrij groot, zijdelings-symmetrisch met 6 vruchtbare en daartusschen 4 onvruchtbare meeldraden. Stijlen van boven bladachtig verbreed. Vrucht als de vorigeStigmatophyllon.142.Trigoniaceae.Bloemen typisch 5-tallig, 2-slachtig, scheef-zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; bloembladeren 5–3, vaak zeer ongelijk; meeldraden 5, 6 of 10 (11–12); aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht; houtige planten, vaak klimmend met verspreide of tegenoverstaande bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.Kelkbladeren 5, aan den voet wat vergroeid, de 2 binnenste wat grooter. Bloembladeren 5, het achterste grooter en met eenspoor of knobbel aan den voet. Meeldraden 10, aan de basis tot een gespleten buis vergroeid, 6 met helmknoppen, de overige zonder helmknoppen. Tegenover het groote bloemblad staan 2 klieren. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht een 3-kleppige doosvrucht. Klimmende heesters met tegenoverstaande bladerenTrigonia.143.Vochysiaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, scheef zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; één ervan vaak gespoord, afvallend; bloembladeren zelden 5, meest 3–1; slechts één vruchtbare meeldraad en eenige staminodiën; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, driehokkig, met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht niet openspringend of een doosvrucht; meest boomen met tegenoverstaande of kransstandige enkelvoudige bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 2 zaadknoppen. Kelk 5-deelig, met 4 kleine blijvende kelkbladeren en 1 grooter gespoord en spoedig afvallend kelkblad. Bloemblad 1, meeldraad 1. Vrucht met de kelkbladeren op den topErisma.Singrie-kwarrie.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig22a.Bloembladeren 3, het middelste grooter dan de zijdelingsche. Kelk 5-tallig, 4 slippen klein, het 5degrooter gespoord. Meeldraad 1. Bloemen geelVochysia.Kwarrie.2b.Bloemblad 1 (soms 2). Een van de 5 kelkbladeren met een spoor of knobbel. Meeldraad 1. Bloemen meest blauw of witQualea.Kwarrie.145.Polygalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; van de 5 kelkbladeren zijn er 2 bloembladachtig en vergroot; bloembladeren 3; meeldraden 8, in twee groepen van 4; vruchtbeginsel tweehokkig met 1, zelden 2–4 zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren.1a.Kelk met de bloembladeren en de meeldraden tot een buis vergroeid. Vrije kelkslippen 5. Bloemkroon 5-spletig, een van de bloembladeren gevouwen. Meeldraden in 2 bundels ieder met 4 helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Heesters of boomen, met dikke leerachtige bladerenMoutabea.1b.Kelk met de bloembladeren niet vergroeid22a.Vrucht een doosvrucht, ongevleugeld42b.Vrucht een gevleugelde noot33a.Lianen met violette of paarsche bloemen in okselstandige trossen. Bloembladeren 3, waarvan het helmvormige met een aanhangsel op de achterzijde.Vrucht met een vleugel op de rugzijdeSecuridaca.3b.Heesters, niet windend. Bloemblad zonder aanhangsel op de rugzijde. Vrucht rondom gevleugeldMonnina.4a.Meest kruidachtige planten, soms kleine heesters. Bloemen in lange of dichte trossen. Doosvrucht rondachtig, zaden kort behaardPolygala.4b.Heesters. Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Doosvrucht lang-wigvormig. Zaden met lange harenBredemeyera.146.Dichapetalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig oféénslachtigregelmatig of soms zygomorf; bloemas uitgroeiend tot schubben of een komvormige schijf; kelk vergroeid- oflosbladig; bloembladeren raak tweespletig, gelijk of ongelijk van vorm, vrij of tot een buis vergroeid; meeldraden 5, vrij of met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht met een 1–2-hokkige pit; lianen of boomen met gaafrandige bladeren met steunbladeren.Bloemen met 4–5 ongelijke kelkbladeren, 4–5 bloemkroonslippen, waarvan er 2 of 1 grooter zijn dan de andere en 2-spletig met concave lobben. Meeldraden meest 5, waarvan maar 2 met helmknoppen; een enkele maal alle 5 vruchtbaar. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig. Heesters of boomenTapura.147.Euphorbiaceae.Bloemen steeds éénslachtig, met kelk en bloemkroon, of met een kelk alleenofnaakt; meeldraden evenveel als kelkbladeren of evenveel of dubbel zooveel, of talrijke of weinige tot 1; vruchtbeginsel 3-hokkig, zelden 2-, 4- of meerhokkig; vrucht meest zich splitsend in 3 deelvruchten, met 1 of 2 zaden; zelden een bes of een steenvrucht; kruiden of houtige planten, meest met verspreide bladeren, vaak met steunbladeren, en melksap.1a.Bloemen tweehuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op verschillende planten21b.Bloemen éénhuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op denzelfden plant, vaak zelfs in dezelfde bloeiwijze152a.Alleen ♂ bloemen aanwezig32b.Alleen ♀ bloemen aanwezig93a.Kelk en bloembladeren beiden aanwezig43b.Alleen een kelk aanwezig54a.Meeldraden 5, vergroeid om het steriele vruchtbeginsel, in den knop rechtopstaand. Bloembladeren 5 of minder. Boomen met okselstandige bloemgroepen en enkelvoudige leerachtige bladerenDiscocarpus.4b.Meeldraden meest 10–20, soms 5, maar in ieder geval niet vergroeid en geen steriel vruchtbeginsel in de ♂ bloem. Helmdraden in den knop naar binnen gebogen. Heesters of kruiden, meest behaarde of beschubde bladeren. Bladeren gedeeld of ongedeeldCroton.5a.Meeldraden minder dan 1065b.Meeldraden meer dan 10, meest vele, de buitenste zonder helmknoppen. Kelk 3–4-deelig. Geen rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Bloemen in vertakte eindelingsche pluimen. Boomen met enkelvoudige bladerenConceveiba.6a.Bloemen 4-tallig, meeldraden 4–876b.Bloemen 3 of 5-tallig, meeldraden soms 2 of 4, meest 3–5, of 687a.Meeldraden 6, om een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloemen in trossen of samengestelde trossen of aren. Bladeren met schubben. BoomenHieronymia.7b.Geen rudimentair vruchtbeginsel aanwezig. Meeldraden 6–2, vaak 3, soms met elkaar tot een zuiltje vergroeid. Kruiden of heesters. Bloemen gesteeld alleenstaand of in groepen in de bladokselsPhyllanthus.Bita-wiwirie.Finie bita.8a.Meeldraden 4. Helmknoppen geen bijzondere vorm vertoonend. Boomen of heesters, met bloemen in trossenAlchornea.8b.Meeldraden 8. Helmknoppen uit elkaar wijkend, aan den top samenhangend. Boomen of heesters met de bloemen in arenAcalypha.9a.Kelk 3-spletig. Bloemen in dichte aren, met groote roode zeer sterk vertakte stijlen en stempelsAcalypha.9b.Kelk 4–5-6-spletig of -deelig1010a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen; bloemen in trossenHieronymia.10b.Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 3 vaak vertakte stijlen of stempels1111a.Bloemen in trossen of aren1211b.Bloemen in kleine groepen of alleenstaand in de bladoksels1412a.Kelk met klieren aan de buitenzijde. Stijlen dik, 2-spletig tot tweedeelig. Vruchtbeginsel veel grooter dan de 5–10-spletige kelk, meest 3-kantig. Bloemen in een eindelingsche tros. Bladeren kaal. BoomenConceveiba.12b.Kelk zonder klieren aan de buitenzijde1313a.Discus meest ontbrekend. Kelk 4-deelig. Stijlen 2-lobbig, kort; boomen of heestersAlchornea.13b.Onder het vruchtbeginsel een ringvormige schijf of schubben. Bloembladeren soms aanwezig. Stijl enkelvoudig, of 2-spletig of de zijtakken nog enkele malen vertakt. Bladeren met schubben of harenCroton.14a.Boomen met enkelvoudige leerachtige bladeren. Bloemen zeer kort gesteeld in groepjes in de bladoksels. Bloembladeren vaak aanwezig, evenals staminodiën, soms ook beide ontbrekend. Stijlen plat, niet vergroeidDiscocarpus.14b.Kruiden of heesters, met de bladeren aan de jongste takken vaak in 2 rijen, zoodat de bebladerde tak gelijkt op een gevind blad. Bloemen duidelijk of langgesteeld. Stempels meest 2-spletigPhyllanthus.Finie-bita.Bita-wiwirie.15a.Bloemen in z.g. cyathien, d. z. bloeiwijzen, waarin één ♀ bloem in het midden staat, deze is omringd door een groot aantal ♂ bloemen, die slechts uit 1 meeldraad bestaan; het geheel is omringd door vergroeide schutbladeren, en doet dus denken aan een tweeslachtige bloem1615b.Bloemen niet in cyathien, indien een groep van bloemen omgeven is door schutbladeren, dan zijn deze niet vergroeid, en in ieder geval hebben de ♂ bloemen een kelk1716a.Cyathium regelmatig. Meest kruidenEuphorbia.16b.Cyathium zijdelings-symmetrisch met een aanhangsel. HeestersPedilanthus.17a.Een groep van mannelijke en vrouwelijke bloemen is omgeven door twee groenachtige of witte of rose, zittende, tegenoverstaande schutbladeren. Vruchtbeginsel met een lange stijl, ♂ bloemen met ongeveer 20 meeldraden. KlimplantenDalechampia.17b.Niet een groep van ♂ en ♀ bloemen door 2 schutbladeren ingehuld1818a.Boomen met 3-tallige bladeren. Helmknoppen op den top van een zuil zittend. Kelk 5-spletig. Bloemen in pluimenHevea.18b.Bladeren niet 3-tallig, soms 3–7-voudig handvormig ingesneden tot 3–7-tallig, maar dan is de plant kruidachtig1919a.Vruchtbeginsel veelhokkig, vrucht ten slotte in vele deelen uiteenvallend. Stijl lang met vele stempels. Kelk klokvormig. Meeldraden vele in rijen aan den top van een zuil. ♂ bloemen in trossen, ♀ bloemen alleenstaand. BoomenHura.Postentrie.19b.Vruchtbeginsel 2–4-, meest 3-hokkig2020a.In de ♂ en de ♀ bloemen zijn alleen meeldraden of vruchtbeginsels aanwezig; kelk en bloemkroon geheel ontbrekend. Meeldraden 12–2, stijl met 3 stempels. Heesters met enkelvoudige harde bladerenActinostemon.20b.Een kelk, of kelk en bloemkroon aanwezig2121a.Bloembladeren in de ♂ bloem aanwezig, in de ♀ bloem soms ontbrekend2221b.Bloembladeren steeds ontbrekend in ♀ en ♂ bloemen2722a.Meeldraden in den knop naar binnen gebogen, zoodat de top van de helmknop naar beneden gericht is. Meeldraden soms 5, meest 10–20, vaak nog meer dan 20. Bladeren met schubben of behaard, soms gelobd tot gedeeld. Heesters of kruidenCroton.22b.Meeldraden in den knop rechtopstaand2323a.Meeldraden 5, rondom een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloembladeren zoowel in de ♂ als de ♀ bloem aanwezig. Vruchtbeginsel met zittende schijfvormige stempel. Boomen met gaafrandige leerachtige bladeren. Bloemen in kleine groepenAmanoa.23b.Meeldraden 10 of meer2424a.Meeldraden in een zuil vergroeid, 10–302524b.Meeldraden vrij2625a.Bladeren gelobd tot gedeeld. Zuil van de meeldraden zonder rudimentair vruchtbeginsel op den top, schijf duidelijk ontwikkeld. In de ♀ bloemen soms staminodiënJatropha.25b.Bladeren lancetvormig, scherp gezaagd. Zuil van de meeldraden met een rudimentair vruchtbeginsel op den topCaperonia.26a.Meeldraden talrijk, dicht op elkaar zittend met korte helmdraden. Stijlen 3, diep 2-spletig. ♂ bloemen in enkelvoudige eindstandige trossen; ♀ bloemen slechts weinige bij elkaar. Boomen met eironde bladerenSagotia.26b.Stijlen niet ingesneden. Meeldraden 15–30. Bladeren smal, met roode of geele vlekken, kaal en glanzend. HeestersCodiaeum.27a.Mannelijke bloemen zeer groot met een zeer groot aantal (tot 1000) helmknoppen; helmdraden vertakt.Vruchtbeginsel met 3 vertakte roode stijlen.Bladeren handdeelig, schildvormigRicinus.Krapata.27b.Meeldraden niet zoo talrijk, helmdraden niet vertakt2828a.Vruchtbeginsel 4-hokkig met een dikke, eironde tot half-bolvormige stijl. Vrucht 4-lobbig met 4 ribben. Bloemen in trossen, de ♀ bloemen in het onderste deel alleenstaand of weinig bij elkaar, de ♂ bloemen in groepen, ♂ bloemen met 8–30 meeldraden, die op een kegelvormige of half-bolvormige bloembodem zitten. Heesters of kruiden met handvormige, getande bladerenPlukenetia.28b.Vruchtbeginsel 3-hokkig; stijlen 3 of 1, niet verdikt2929a.Meeldraden 10 of meer3029b.Meeldraden minder dan 10 (Zie ook Phyllanthus)3130a.Meeldraden 10–30, in verschillende kransen tot een zuil vergroeid. Vruchtbeginsel kleiner dan de kelk, met 3 stempels. Bladeren gelobd tot gedeeld. Bloemen in pluimenJatropha.30b.Meeldraden dicht gedrongen op een half-bolvormige bloembodem. Vruchtbeginsel veel langer dan de kelk, met een lange stijl en 3-spletige stempel. Bloemen in dichte en dikke trossen. Bladeren niet gelobdMabea.30c.Meeldraden 10, alle vrij, in 2 rijen, op een schijf staande, en niet tot een zuil vergroeid. Kelk groot, min of meer klokvormig 5-spletig. In de ♂ bloem soms een rudimentair vruchtbeginsel; in de ♀ bloem soms staminodiën. Stijlen 3, een weinig aan de basis vergroeid. Bladeren meest handvormig ingesneden of bijna samengesteldManihot.Cassave.31a.Heesters of boomen met de bloemen in dichte aren. ♀ bloemen met 3 groote roode, sterk vertakte stempels, met een 3-spletige kelk; ♂ bloemen met een 4-spletige kelk, met 8 meeldraden, waarvan de helmknoppen naar beneden uiteenwijken en ± gewonden zijnAcalypha.31b.Stempels niet opvallend gekleurd. Meeldraden minder dan 8 zonder bijzonder gevormde helmknoppen3232a.Bloemen in trossen of aren3332b.Bloemen alleenstaand of in groepen in de bladoksels, gesteeld. Kelkbladeren 6–4, meest in 2 kransen, ♂ bloemen met 2–6 meeldraden, meest 3 of 5 meeldraden met losse of vergroeide helmdraden (zeer zelden meer dan 6 meeldraden). Stijlen 3, vrij of vergroeid, gedeeld of ongedeeld. Bladeren vaak in 2 rijen gezeten, zoodat de bebladerde tak op een gevind blad gelijkt. Kruiden of heestersPhyllanthus.Bita-wiwirie,Finie-bita.33a.Helmdraden geheel vergroeid, alleen de helmknoppen vrij3433b.Helmdraden alleen aan de basis vergroeid3534a.Zuil van de helmdraden kort, aan den top met een dwarse verlenging aan welks einde de 2 helmknoppen zitten. Kelk 4–5-spletig. Stijl dik, aan den top 3-lobbig. Bloemen in lange met vrij groote schutbladeren bezette ijle trossen, in welker oksel een ♀ bloem en eenige ♂ bloemen zittenOmphalea.34b.Zuil van de helmdraden niet eigenaardig gevormd. Kelk 3-lobbig. Meeldraden 2, soms 1 of 3. Stijlen vergroeid. Bloeiwijze van boven dicht, met 3 ♂ bloemen bij elk schutblad, van onderen ijler met de ♀ bloemen alleenstaandMaprounea.35a.Kelk 4-deelig. Meeldraden 4. ♂ bloemen in groepen in vertakte bloeiwijzen, ♀ bloemen alleenstaand in enkelvoudige aren of trossenAlchornea.35b.Kelk in de ♂ bloemen 2- of 3-deelig of -spletig of gelobd3636a.Klimmende kruiden met behaarde, getande bladeren. Kelk 3–5-deelig. Meeldraden 3, vrij. Stijlen tot aan het midden vergroeid, van boven vrij, onvertakt. Bloemen in trossen, die van boven de ♂ van onderen de ♀ bloemen dragen of tros vertakt met een lange ♂ en een korte ♀ takTragia.36b.Boomen of heesters, niet klimmend3737a.Kelk van de ♂ bloem diep 3-deelig. Meeldraden 2 of 3 met korte helmdraden. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Bloemen in dunne trossen van onderen met alleenstaande of weinige ♀ bloemen, van boven met groepen van 2–4 ♂ bloemen. Bladeren kleinSebastiania.37b.Kelk van de ♂ bloem 2-lobbig. Meeldraden 2–3 met vrije helmknoppen. Kelk van de ♀ bloem 3-spletig of 3-deelig. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Vrucht een weinig vleezig. Bladsteel met 2 klieren aan den top. Bloemen in aren; ♂ bloemen 3 of meer per schutblad, ♀ bloemen alleenstaand bij het schutblad onder aan de aarSapium.(Excoecaria).
Orde:Geraniales.130.Oxalidaceae.Bloemen 5-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, zelden vrouwelijk, zonder discus; meeldraden 10, van onderen vergroeid; vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een bes; meest overblijvende kruiden, zelden houtige planten met meest samengestelde bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Kruiden met 3-tallige bladeren, het eindblaadje langer gesteeld. Meeldraden 10, afwisselend langer en korter; vrucht een doosvruchtOxalis.1b.Boomen met oneven gevinde bladeren.Bloemen in trosjes uit de stam of uit de houtige takken te voorschijn komend. Vrucht een besAverrhoa.Birambi.132.Linaceae.Bloemen 5- tot 4-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; discus ontbrekend; meeldraden 5–20, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, met 5tot minder hokjes; 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een steenvrucht; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren, met of zonder steunbladeren.Boomen of heesters met kleine bloemen in pluimen. Bladeren met een dikke hoofdnerf en vele evenwijdige zijnerven, aan de basis langs de bladsteel afloopend. Kelk- en bloembladeren 5, meeldraden 10, vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlenRoucheria.133.Humiriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; om het bovenstandige vruchtbeginsel een bekervormige schijf, meeldraden 10 tot vele; vruchtbeginsel 5-hokkig, met één stijl; 1–2 zaadknoppen in elk hokje; vrucht een steenvrucht; boomen met verspreide enkelvoudige bladeren metsteunbladeren.1a.Bladeren aan den voet geleidelijk in de gevleugelde bladsteel versmald, aan den top afgerond, ingesneden of met een korte punt. Hoofdnerf met vele dichte evenwijdige zijnerven.Meeldraden20 met behaarde helmknoppen, alle gelijk van vorm. Vruchtbeginsel met 1 stijl en een 5-lobbige stempel, 5- of soms 4-hokkig met 2 zaadknoppen per hokjeHumiria.Basra-bolletrie.1b.Bladeren aan den voet afgerond of versmald maar niet geleidelijk langs de bladsteel afloopend, naar den top toegespitst en versmald; soms aan den rand grof getand. Zijnerven niet opvallend dicht bij elkaar. Meeldraden 10 of 20, soms met eenige staminodiën ertusschen of soms zijn er 5 langere meeldraden aan den top 3-tandig met 3 helmknoppen. Helmknoppen kaal. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 zaadknop in elk hokjeSaccoglottis.134.Erythroxylaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; geen schijf; bloembladeren aan de binnenzijde met een aanhangsel of een lijst; meeldraden 10, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1–2 zaadknoppen; vrucht een steenvrucht; heesters met verspreide, enkelvoudige bladeren, met steunbladeren.Boomen of meestal heesters met takken, die vaak met een groot aantal schubben bedekt zijn. Kelkbladeren 5, bloembladeren 5, aan de binnenzijde met een 2-spletig schubje. Meeldraden 10, aan de basis tot een buis vergroeid. Vruchtbeginsel met 3 stijlen, die vaak aan de basis wat vergroeid zijn. Vrucht een eenzadige besErythroxylon.135.Zygophyllaceae.Bloemen 5–4-tallig met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; schijf ringvormig of als gynophoor ontwikkeld; meeldraden 10–8, zelden 15, aan de basis vaak met schubjes; vruchtbeginsel 5–2-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl hoekig of gegroefd; meest een doosvrucht of een splitvrucht, zelden een bes; meest heesters of boomen, zelden kruiden met tegenoverstaande of soms verspreide, gevinde bladeren, met steunbladeren.Boomen met tegenoverstaande even-gevinde, 2-jukkige bladeren. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 blauwe bloembladeren, 10 evenlange meeldraden, een tweehokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen en 1 stijl, en een platte, eenigszins hartvormige door den stijlrest gekroonde vrucht, met één zaad in elk hokjeGuajacum.137.Rutaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig of zygomorf; schijf ring- of kussenvormig, soms bekervormig; meeldraden evenveel of tweemaal zooveel als bloembladeren, soms wat minder, zelden talrijk; vruchtbeginsel bovenstandig, meerhokkig soms 5–3, die een weinig met elkaar vergroeid zijn, met 2 tot vele zaadknoppen; meest boomen en heesters met verspreide of tegenoverstaande enkelvoudige of samengestelde bladeren.1a.Kelkbladeren 5, zeer ongelijk van grootte, de beide buitenste het grootst en daarvan één veel grooter dan de bloemkroon en deze en de rest van de kelk omhullend. Bloemkroon zijdelings-symmetrisch-sympetaal. Vruchtbare meeldraden 2. Vrucht in 5–1 tweezadige nootjes uiteenvallendMonniera.1b.Kelk niet grooter dan de bloemkroon22a.Bloembladeren in een lange buis vergroeid32b.Bloembladeren vrij of bijna vrij43a.Bloemen volkomen regelmatig. Kelk klein 5-tandig; bloembladeren 5,vergroeid. Meeldraden 5, alle met helmknoppen, in een buis vergroeid, die bijna geheel met de bloemkroon samenhangt. Helmknoppen met een 2-lobbig aanhangsel aan de basis. Bladeren 3-talligTicorea.3b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch; bloemkroonbuis recht of gekromd. Meeldraden 5–8, ten deele onvruchtbaar, overigens als de vorigeGalipea.4a.Bloemen 3–4-tallig met 6 meeldraden. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Heester met 3-tallige bladeren, in de bladoksel een doorn. Vrucht een besTriphasia.4b.Bloemen 4–5-tallig, meeldraden meest meer dan 5, vaak de helmdraden min of meer met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel 5- tot meer-hokkig met meerdere zaadknoppen in elk hokje. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig, vaak met doornen in den okselCitrus.4c.Bloemen geheel 5-tallig, groot, sterk riekend, meeldraden 10, geheel vrij; bladeren gevind meest met meer dan 3 blaadjes; vruchtbeginsel meest 2-hokkig, zelden 3–5-hokkigMurraya.Limonia.138.Simarubaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; meeldraden 10 of 5, zelden vele; vruchtbeginsels 5, min of meer met elkaar vergroeid tot een bovenstandig, 5-hokkig vruchtbeginsel; boomen of heesters met verspreide of tegenoverstaande, zelden enkelvoudige, meest gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen of heesters met kleine witte of geelachtige bloemen in pluimen. Bladen gevind. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10, aan de basis met schubben, die min of meer vergroeid zijn. Vruchtbeginsel 4- of 5-hokkig op een schijf gezeten, met één stijl. Vrucht uit 4–5 deelvruchten bestaandeSimaba.1b.Heesters of kleine boomen met groote roode bloemen, 5-tallig met een lange bloemkroon. Meeldraden aan de basis met dicht behaarde schubben.Bladeren gevind, bladsteel gevleugeld. Vrucht als de vorigeQuassia.Kwassi-bita.139.Burseraceae.Bloemen 5- of 4-tallig, met 5 of 10 meeldraden, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; vruchtbeginsel 5–3-hokkig met 2 of 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; steenvrucht met 2–5 pitten of een doosvrucht; houtige planten met verspreide drietallige of onevengevinde, zelden enkelvoudige bladeren en kleine bloemen.1a.Bloemen 3-tallig. Kelk vergroeidbladig met 3 slippen. Bloemkroon klokvormig met 3 spitse slippen. Meeldraden 6, aan de basis van een dikke 6-tandige schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig met korte stijl. Bloemen meest polygaam, d. w. z. in de ♂ bloemen is het vruchtbeginsel minder goed ontwikkeld, in de ♀ hebben de helmknoppen geen stuifmeelTrattinickia.1b.Bloemen 4- of 5-tallig22a.Bloembladeren niet of nauwelijks vergroeid. Bloemen tweeslachtig of schijnbaar tweeslachtig. Meeldraden tweemaal zooveel als bloembladeren. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig; vrucht meest scheef en eenzadig. Bladeren gevind, soms alleen het eindblaadje aanwezig.Protium.Tiengie-monnie.2b.Bloembladeren tot een klokvormige bloemkroon vergroeid. Meeldraden 8–10, aan de basis van een dikke schijf met 8–10 groeven ingehecht. Helmdraden zeer kort. Vrucht meest rond, van buiten met 4–5 groeven, 4–5-hokkig met 1 zaad in elk hokje. Bladeren gevindTetragastris.140.Meliaceae.Bloemen 5-, zelden 4–7-tallig, meest met tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren, soms evenveel meeldraden; meest tweeslachtig en regelmatig; bloeias plat of tot een verschillend gevormde schijf uitgegroeid; kelk vaak vergroeidbladig, soms ook de bloembladeren;meeldraden meest tot een buis vergroeid; vruchtbeginsel meest met evenveel hokjes als er bloembladeren zijn, soms minder, met 1 stijl, en 1–2, zelden 4 tot vele zaadknoppen; vrucht zeer verschillend van vorm; boomen of heesters met gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bladeren dubbelgevind. Bloemen in pluimen; kelk 5–6-deelig, bloembladeren 5–6, veel langer dan de kelk. Meeldraden alle in een lange buis vergroeid, die aan den mond 10–12 spitse tanden draagt, waartusschen de helmknoppen ingehecht zijnMelia.1b.Bladeren enkelgevind22a.Meeldraden niet in een buis vergroeid; kelk 4–5-spletig; bloembladeren 4–5, aan de binnenzijde in het midden met een kiel of plaat, die aan de lange schijf, waarop het vruchtbeginsel zit, is vastgegroeid. Meeldraden 4–6, op den top van den schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een 5-hokkige doosvrucht. Zaden gevleugeld. Blaadjes vaak scheef aan den voetCedrela.Ceder.2b.Meeldraden in een buis vergroeid33a.Blaadjes eenigszins gekromd en opvallend scheef aan den voet. Kelkslippen afgerond aan den top. Buis der meeldraden met 10 tanden aan den rand; helmknoppen of zeer korte helmdraden tusschen de tanden ingevoegd. Vrucht een houtige, 5-kleppige doosvrucht met vele gevleugelde zadenSwietenia.3b.Blaadjes niet opvallend scheef aan den voet. Zaden niet gevleugeld44a.Helmknoppen op den rand van de buis ingehecht, niet door de buis ingesloten. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10. Schijf ontbrekend of klein. Boomen of heesters. Vrucht 2–3-hokkig met 1 of 2 zaden per hokjeTrichilia.4b.Helmknoppen meest aan de binnenzijde van de buis, ingehecht, door de buis ingesloten55a.Kelk- en bloemkroon 3–6-tallig, de bloemkroon vaak lang en van buiten soms geelachtig of wit-behaard; de kelk bekervormig. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met 1–2 zaadknoppen per hokje. Vrucht met 4–5 kleppen openspringend, met 1–2 zaden in elk hokjeGuarea.5b.Bloemen 4–5-tallig. Kelk bijna losbladig; bloemkroon kaal, kort, evenals de buis der meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met meerdere zaadknopjes per hokje, die in twee rijen boven elkaar zitten. Vrucht een groote houtige doosvrucht met 6–8 zaden in elk hokjeCarapa.Krapa.141.Malpighiaceae.Bloemen 5-tallig, met 10 meeldraden, meest tweeslachtig; bloemas bolvormig of vlak; soms tot een gynophoor verlengd; kelk vaak met klieren; bloembladeren meest genageld; van de meeldraden vaak eenige zonder stuifmeel of geheel afwezig; vruchtbeginsel meest 3-hokkig,zelden 2-, 4- of 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje, vrucht een splitvrucht, met aan de rug openspringende deelvruchten, zelden een noot of een steenvrucht; bladeren meest tegenoverstaand met klieren; steunbladeren aanwezig.1a.Bloemen rose of paars21b.Bloemen wit, geel of oranje52a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen, vrucht in 2 ongevleugelde drooge vruchten uiteenvallend. Kelk met 8–10 klieren. Van de 10 meeldraden zijn er enkele onvruchtbaar; helmdraden van onderen in een behaarde ring vergroeid. Bloemen in enkelvoudige trossen, eindelings aan de bebladerde takkenSpachea.2b.Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen. Bloemen nooit in enkelvoudige trossen33a.Bloemen in dichte pluimen, met groote schutbladeren en bloemsteelbladeren. Kelkbladeren lang en smalmet 4 klieren. Helmdraden aan de basis vergroeid. Vruchtbeginsel dicht behaard. Deelvrucht met 5 vrijwel gelijke evenwijdige vleugels. Bladeren fluweelig grijs behaard met 2 klieren aan de basisJubelina.3b.Schutbladeren en bloemsteelblaadjes klein44a.Bloemen in wijde pluimen. Kelk met 8 klieren. Meeldraden ongelijk van lengte. Vruchtbeginsel behaard. Deelvrucht met een groote vliezige vleugel, bijna cirkelrond. LianenMascagnia.4b.Bloemen in kleine okselstandige groepen of trosjes; kelk met 6–10 klieren. Meeldraden kaal, van onderen in een buis vergroeid. Vrucht een steenvrucht (als een kers) met 3 geribde pitten. Heesters of boompjesMalpighia.5a.Stijlen lang en dun, naar den top spits toeloopend. Een van de concave bloembladeren merkbaar kleiner dan de andere. Helmdraden aan de basis behaard. Vrucht een steenvrucht met sappig vruchtvleesch en 1 pitByrsonima.5b.Stijlen naar den top verdikt of haakvormig gekromd66a.Bloemen in vertakte bloeiwijzen in de oksels der bladeren staande, de bloeiwijzen korter dan de bladeren. Bladeren met krachtige zijnerven. Steunblaadjes met de bladsteel vergroeid. Deelvrucht met 2 vliezige, ronde vleugelsHiraea.6b.Bloemen in eindelingsche trossen of pluimen of okselstandig, maar dan bloeiwijzen grooter dan de bladeren77a.De bloemsteel draagt halverwege 2 bloemsteelblaadjes, die geheel of bijna geheel in klieren veranderd zijn. Meeldraden kaal, tot aan het midden vergroeid. Steenvrucht met 2–3 pittenBunchosia.7b.De bloemsteel draagt geen bloemsteelblaadjes of niet-geklierde bloemsteelblaadjes88a.Stempels knopvormig, eindelingsch98b.Stempels zijdelings zittend doordat de top van den stijl rechthoekig omgebogen is of een dwarse verbreeding heeft109a.Meeldraden van onderen in een buis of ring vergroeid, ongelijk. Elke afdeeling van het vruchtbeginsel met 1 rugkam en 2 zijkammen. Deelvrucht met 4, ongeveer gelijke in in een kruis staande vleugels, daartusschen nog eenige kleine vleugeltjesTetrapteris.9b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch. Vruchtbeginsel met een rugkam. Deelvrucht met één sterk ontwikkelde rugkam, daarvóór dikwijls nog een kleiner vleugeltje dat in hetzelfde vlak ligtBanisteria.10a.Bloemen klein, regelmatig; alle 10 meeldraden met vruchtbare helmknoppen. Stijl van boven zijdelings samengedrukt, vaak naar de rugzijde in een korte haak verlengd. Vrucht als de vorige.Heteropteris.10b.Bloemen vrij groot, zijdelings-symmetrisch met 6 vruchtbare en daartusschen 4 onvruchtbare meeldraden. Stijlen van boven bladachtig verbreed. Vrucht als de vorigeStigmatophyllon.142.Trigoniaceae.Bloemen typisch 5-tallig, 2-slachtig, scheef-zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; bloembladeren 5–3, vaak zeer ongelijk; meeldraden 5, 6 of 10 (11–12); aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht; houtige planten, vaak klimmend met verspreide of tegenoverstaande bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.Kelkbladeren 5, aan den voet wat vergroeid, de 2 binnenste wat grooter. Bloembladeren 5, het achterste grooter en met eenspoor of knobbel aan den voet. Meeldraden 10, aan de basis tot een gespleten buis vergroeid, 6 met helmknoppen, de overige zonder helmknoppen. Tegenover het groote bloemblad staan 2 klieren. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht een 3-kleppige doosvrucht. Klimmende heesters met tegenoverstaande bladerenTrigonia.143.Vochysiaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, scheef zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; één ervan vaak gespoord, afvallend; bloembladeren zelden 5, meest 3–1; slechts één vruchtbare meeldraad en eenige staminodiën; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, driehokkig, met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht niet openspringend of een doosvrucht; meest boomen met tegenoverstaande of kransstandige enkelvoudige bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 2 zaadknoppen. Kelk 5-deelig, met 4 kleine blijvende kelkbladeren en 1 grooter gespoord en spoedig afvallend kelkblad. Bloemblad 1, meeldraad 1. Vrucht met de kelkbladeren op den topErisma.Singrie-kwarrie.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig22a.Bloembladeren 3, het middelste grooter dan de zijdelingsche. Kelk 5-tallig, 4 slippen klein, het 5degrooter gespoord. Meeldraad 1. Bloemen geelVochysia.Kwarrie.2b.Bloemblad 1 (soms 2). Een van de 5 kelkbladeren met een spoor of knobbel. Meeldraad 1. Bloemen meest blauw of witQualea.Kwarrie.145.Polygalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; van de 5 kelkbladeren zijn er 2 bloembladachtig en vergroot; bloembladeren 3; meeldraden 8, in twee groepen van 4; vruchtbeginsel tweehokkig met 1, zelden 2–4 zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren.1a.Kelk met de bloembladeren en de meeldraden tot een buis vergroeid. Vrije kelkslippen 5. Bloemkroon 5-spletig, een van de bloembladeren gevouwen. Meeldraden in 2 bundels ieder met 4 helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Heesters of boomen, met dikke leerachtige bladerenMoutabea.1b.Kelk met de bloembladeren niet vergroeid22a.Vrucht een doosvrucht, ongevleugeld42b.Vrucht een gevleugelde noot33a.Lianen met violette of paarsche bloemen in okselstandige trossen. Bloembladeren 3, waarvan het helmvormige met een aanhangsel op de achterzijde.Vrucht met een vleugel op de rugzijdeSecuridaca.3b.Heesters, niet windend. Bloemblad zonder aanhangsel op de rugzijde. Vrucht rondom gevleugeldMonnina.4a.Meest kruidachtige planten, soms kleine heesters. Bloemen in lange of dichte trossen. Doosvrucht rondachtig, zaden kort behaardPolygala.4b.Heesters. Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Doosvrucht lang-wigvormig. Zaden met lange harenBredemeyera.146.Dichapetalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig oféénslachtigregelmatig of soms zygomorf; bloemas uitgroeiend tot schubben of een komvormige schijf; kelk vergroeid- oflosbladig; bloembladeren raak tweespletig, gelijk of ongelijk van vorm, vrij of tot een buis vergroeid; meeldraden 5, vrij of met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht met een 1–2-hokkige pit; lianen of boomen met gaafrandige bladeren met steunbladeren.Bloemen met 4–5 ongelijke kelkbladeren, 4–5 bloemkroonslippen, waarvan er 2 of 1 grooter zijn dan de andere en 2-spletig met concave lobben. Meeldraden meest 5, waarvan maar 2 met helmknoppen; een enkele maal alle 5 vruchtbaar. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig. Heesters of boomenTapura.147.Euphorbiaceae.Bloemen steeds éénslachtig, met kelk en bloemkroon, of met een kelk alleenofnaakt; meeldraden evenveel als kelkbladeren of evenveel of dubbel zooveel, of talrijke of weinige tot 1; vruchtbeginsel 3-hokkig, zelden 2-, 4- of meerhokkig; vrucht meest zich splitsend in 3 deelvruchten, met 1 of 2 zaden; zelden een bes of een steenvrucht; kruiden of houtige planten, meest met verspreide bladeren, vaak met steunbladeren, en melksap.1a.Bloemen tweehuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op verschillende planten21b.Bloemen éénhuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op denzelfden plant, vaak zelfs in dezelfde bloeiwijze152a.Alleen ♂ bloemen aanwezig32b.Alleen ♀ bloemen aanwezig93a.Kelk en bloembladeren beiden aanwezig43b.Alleen een kelk aanwezig54a.Meeldraden 5, vergroeid om het steriele vruchtbeginsel, in den knop rechtopstaand. Bloembladeren 5 of minder. Boomen met okselstandige bloemgroepen en enkelvoudige leerachtige bladerenDiscocarpus.4b.Meeldraden meest 10–20, soms 5, maar in ieder geval niet vergroeid en geen steriel vruchtbeginsel in de ♂ bloem. Helmdraden in den knop naar binnen gebogen. Heesters of kruiden, meest behaarde of beschubde bladeren. Bladeren gedeeld of ongedeeldCroton.5a.Meeldraden minder dan 1065b.Meeldraden meer dan 10, meest vele, de buitenste zonder helmknoppen. Kelk 3–4-deelig. Geen rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Bloemen in vertakte eindelingsche pluimen. Boomen met enkelvoudige bladerenConceveiba.6a.Bloemen 4-tallig, meeldraden 4–876b.Bloemen 3 of 5-tallig, meeldraden soms 2 of 4, meest 3–5, of 687a.Meeldraden 6, om een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloemen in trossen of samengestelde trossen of aren. Bladeren met schubben. BoomenHieronymia.7b.Geen rudimentair vruchtbeginsel aanwezig. Meeldraden 6–2, vaak 3, soms met elkaar tot een zuiltje vergroeid. Kruiden of heesters. Bloemen gesteeld alleenstaand of in groepen in de bladokselsPhyllanthus.Bita-wiwirie.Finie bita.8a.Meeldraden 4. Helmknoppen geen bijzondere vorm vertoonend. Boomen of heesters, met bloemen in trossenAlchornea.8b.Meeldraden 8. Helmknoppen uit elkaar wijkend, aan den top samenhangend. Boomen of heesters met de bloemen in arenAcalypha.9a.Kelk 3-spletig. Bloemen in dichte aren, met groote roode zeer sterk vertakte stijlen en stempelsAcalypha.9b.Kelk 4–5-6-spletig of -deelig1010a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen; bloemen in trossenHieronymia.10b.Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 3 vaak vertakte stijlen of stempels1111a.Bloemen in trossen of aren1211b.Bloemen in kleine groepen of alleenstaand in de bladoksels1412a.Kelk met klieren aan de buitenzijde. Stijlen dik, 2-spletig tot tweedeelig. Vruchtbeginsel veel grooter dan de 5–10-spletige kelk, meest 3-kantig. Bloemen in een eindelingsche tros. Bladeren kaal. BoomenConceveiba.12b.Kelk zonder klieren aan de buitenzijde1313a.Discus meest ontbrekend. Kelk 4-deelig. Stijlen 2-lobbig, kort; boomen of heestersAlchornea.13b.Onder het vruchtbeginsel een ringvormige schijf of schubben. Bloembladeren soms aanwezig. Stijl enkelvoudig, of 2-spletig of de zijtakken nog enkele malen vertakt. Bladeren met schubben of harenCroton.14a.Boomen met enkelvoudige leerachtige bladeren. Bloemen zeer kort gesteeld in groepjes in de bladoksels. Bloembladeren vaak aanwezig, evenals staminodiën, soms ook beide ontbrekend. Stijlen plat, niet vergroeidDiscocarpus.14b.Kruiden of heesters, met de bladeren aan de jongste takken vaak in 2 rijen, zoodat de bebladerde tak gelijkt op een gevind blad. Bloemen duidelijk of langgesteeld. Stempels meest 2-spletigPhyllanthus.Finie-bita.Bita-wiwirie.15a.Bloemen in z.g. cyathien, d. z. bloeiwijzen, waarin één ♀ bloem in het midden staat, deze is omringd door een groot aantal ♂ bloemen, die slechts uit 1 meeldraad bestaan; het geheel is omringd door vergroeide schutbladeren, en doet dus denken aan een tweeslachtige bloem1615b.Bloemen niet in cyathien, indien een groep van bloemen omgeven is door schutbladeren, dan zijn deze niet vergroeid, en in ieder geval hebben de ♂ bloemen een kelk1716a.Cyathium regelmatig. Meest kruidenEuphorbia.16b.Cyathium zijdelings-symmetrisch met een aanhangsel. HeestersPedilanthus.17a.Een groep van mannelijke en vrouwelijke bloemen is omgeven door twee groenachtige of witte of rose, zittende, tegenoverstaande schutbladeren. Vruchtbeginsel met een lange stijl, ♂ bloemen met ongeveer 20 meeldraden. KlimplantenDalechampia.17b.Niet een groep van ♂ en ♀ bloemen door 2 schutbladeren ingehuld1818a.Boomen met 3-tallige bladeren. Helmknoppen op den top van een zuil zittend. Kelk 5-spletig. Bloemen in pluimenHevea.18b.Bladeren niet 3-tallig, soms 3–7-voudig handvormig ingesneden tot 3–7-tallig, maar dan is de plant kruidachtig1919a.Vruchtbeginsel veelhokkig, vrucht ten slotte in vele deelen uiteenvallend. Stijl lang met vele stempels. Kelk klokvormig. Meeldraden vele in rijen aan den top van een zuil. ♂ bloemen in trossen, ♀ bloemen alleenstaand. BoomenHura.Postentrie.19b.Vruchtbeginsel 2–4-, meest 3-hokkig2020a.In de ♂ en de ♀ bloemen zijn alleen meeldraden of vruchtbeginsels aanwezig; kelk en bloemkroon geheel ontbrekend. Meeldraden 12–2, stijl met 3 stempels. Heesters met enkelvoudige harde bladerenActinostemon.20b.Een kelk, of kelk en bloemkroon aanwezig2121a.Bloembladeren in de ♂ bloem aanwezig, in de ♀ bloem soms ontbrekend2221b.Bloembladeren steeds ontbrekend in ♀ en ♂ bloemen2722a.Meeldraden in den knop naar binnen gebogen, zoodat de top van de helmknop naar beneden gericht is. Meeldraden soms 5, meest 10–20, vaak nog meer dan 20. Bladeren met schubben of behaard, soms gelobd tot gedeeld. Heesters of kruidenCroton.22b.Meeldraden in den knop rechtopstaand2323a.Meeldraden 5, rondom een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloembladeren zoowel in de ♂ als de ♀ bloem aanwezig. Vruchtbeginsel met zittende schijfvormige stempel. Boomen met gaafrandige leerachtige bladeren. Bloemen in kleine groepenAmanoa.23b.Meeldraden 10 of meer2424a.Meeldraden in een zuil vergroeid, 10–302524b.Meeldraden vrij2625a.Bladeren gelobd tot gedeeld. Zuil van de meeldraden zonder rudimentair vruchtbeginsel op den top, schijf duidelijk ontwikkeld. In de ♀ bloemen soms staminodiënJatropha.25b.Bladeren lancetvormig, scherp gezaagd. Zuil van de meeldraden met een rudimentair vruchtbeginsel op den topCaperonia.26a.Meeldraden talrijk, dicht op elkaar zittend met korte helmdraden. Stijlen 3, diep 2-spletig. ♂ bloemen in enkelvoudige eindstandige trossen; ♀ bloemen slechts weinige bij elkaar. Boomen met eironde bladerenSagotia.26b.Stijlen niet ingesneden. Meeldraden 15–30. Bladeren smal, met roode of geele vlekken, kaal en glanzend. HeestersCodiaeum.27a.Mannelijke bloemen zeer groot met een zeer groot aantal (tot 1000) helmknoppen; helmdraden vertakt.Vruchtbeginsel met 3 vertakte roode stijlen.Bladeren handdeelig, schildvormigRicinus.Krapata.27b.Meeldraden niet zoo talrijk, helmdraden niet vertakt2828a.Vruchtbeginsel 4-hokkig met een dikke, eironde tot half-bolvormige stijl. Vrucht 4-lobbig met 4 ribben. Bloemen in trossen, de ♀ bloemen in het onderste deel alleenstaand of weinig bij elkaar, de ♂ bloemen in groepen, ♂ bloemen met 8–30 meeldraden, die op een kegelvormige of half-bolvormige bloembodem zitten. Heesters of kruiden met handvormige, getande bladerenPlukenetia.28b.Vruchtbeginsel 3-hokkig; stijlen 3 of 1, niet verdikt2929a.Meeldraden 10 of meer3029b.Meeldraden minder dan 10 (Zie ook Phyllanthus)3130a.Meeldraden 10–30, in verschillende kransen tot een zuil vergroeid. Vruchtbeginsel kleiner dan de kelk, met 3 stempels. Bladeren gelobd tot gedeeld. Bloemen in pluimenJatropha.30b.Meeldraden dicht gedrongen op een half-bolvormige bloembodem. Vruchtbeginsel veel langer dan de kelk, met een lange stijl en 3-spletige stempel. Bloemen in dichte en dikke trossen. Bladeren niet gelobdMabea.30c.Meeldraden 10, alle vrij, in 2 rijen, op een schijf staande, en niet tot een zuil vergroeid. Kelk groot, min of meer klokvormig 5-spletig. In de ♂ bloem soms een rudimentair vruchtbeginsel; in de ♀ bloem soms staminodiën. Stijlen 3, een weinig aan de basis vergroeid. Bladeren meest handvormig ingesneden of bijna samengesteldManihot.Cassave.31a.Heesters of boomen met de bloemen in dichte aren. ♀ bloemen met 3 groote roode, sterk vertakte stempels, met een 3-spletige kelk; ♂ bloemen met een 4-spletige kelk, met 8 meeldraden, waarvan de helmknoppen naar beneden uiteenwijken en ± gewonden zijnAcalypha.31b.Stempels niet opvallend gekleurd. Meeldraden minder dan 8 zonder bijzonder gevormde helmknoppen3232a.Bloemen in trossen of aren3332b.Bloemen alleenstaand of in groepen in de bladoksels, gesteeld. Kelkbladeren 6–4, meest in 2 kransen, ♂ bloemen met 2–6 meeldraden, meest 3 of 5 meeldraden met losse of vergroeide helmdraden (zeer zelden meer dan 6 meeldraden). Stijlen 3, vrij of vergroeid, gedeeld of ongedeeld. Bladeren vaak in 2 rijen gezeten, zoodat de bebladerde tak op een gevind blad gelijkt. Kruiden of heestersPhyllanthus.Bita-wiwirie,Finie-bita.33a.Helmdraden geheel vergroeid, alleen de helmknoppen vrij3433b.Helmdraden alleen aan de basis vergroeid3534a.Zuil van de helmdraden kort, aan den top met een dwarse verlenging aan welks einde de 2 helmknoppen zitten. Kelk 4–5-spletig. Stijl dik, aan den top 3-lobbig. Bloemen in lange met vrij groote schutbladeren bezette ijle trossen, in welker oksel een ♀ bloem en eenige ♂ bloemen zittenOmphalea.34b.Zuil van de helmdraden niet eigenaardig gevormd. Kelk 3-lobbig. Meeldraden 2, soms 1 of 3. Stijlen vergroeid. Bloeiwijze van boven dicht, met 3 ♂ bloemen bij elk schutblad, van onderen ijler met de ♀ bloemen alleenstaandMaprounea.35a.Kelk 4-deelig. Meeldraden 4. ♂ bloemen in groepen in vertakte bloeiwijzen, ♀ bloemen alleenstaand in enkelvoudige aren of trossenAlchornea.35b.Kelk in de ♂ bloemen 2- of 3-deelig of -spletig of gelobd3636a.Klimmende kruiden met behaarde, getande bladeren. Kelk 3–5-deelig. Meeldraden 3, vrij. Stijlen tot aan het midden vergroeid, van boven vrij, onvertakt. Bloemen in trossen, die van boven de ♂ van onderen de ♀ bloemen dragen of tros vertakt met een lange ♂ en een korte ♀ takTragia.36b.Boomen of heesters, niet klimmend3737a.Kelk van de ♂ bloem diep 3-deelig. Meeldraden 2 of 3 met korte helmdraden. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Bloemen in dunne trossen van onderen met alleenstaande of weinige ♀ bloemen, van boven met groepen van 2–4 ♂ bloemen. Bladeren kleinSebastiania.37b.Kelk van de ♂ bloem 2-lobbig. Meeldraden 2–3 met vrije helmknoppen. Kelk van de ♀ bloem 3-spletig of 3-deelig. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Vrucht een weinig vleezig. Bladsteel met 2 klieren aan den top. Bloemen in aren; ♂ bloemen 3 of meer per schutblad, ♀ bloemen alleenstaand bij het schutblad onder aan de aarSapium.(Excoecaria).
Orde:Geraniales.130.Oxalidaceae.Bloemen 5-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, zelden vrouwelijk, zonder discus; meeldraden 10, van onderen vergroeid; vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een bes; meest overblijvende kruiden, zelden houtige planten met meest samengestelde bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Kruiden met 3-tallige bladeren, het eindblaadje langer gesteeld. Meeldraden 10, afwisselend langer en korter; vrucht een doosvruchtOxalis.1b.Boomen met oneven gevinde bladeren.Bloemen in trosjes uit de stam of uit de houtige takken te voorschijn komend. Vrucht een besAverrhoa.Birambi.132.Linaceae.Bloemen 5- tot 4-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; discus ontbrekend; meeldraden 5–20, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, met 5tot minder hokjes; 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een steenvrucht; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren, met of zonder steunbladeren.Boomen of heesters met kleine bloemen in pluimen. Bladeren met een dikke hoofdnerf en vele evenwijdige zijnerven, aan de basis langs de bladsteel afloopend. Kelk- en bloembladeren 5, meeldraden 10, vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlenRoucheria.133.Humiriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; om het bovenstandige vruchtbeginsel een bekervormige schijf, meeldraden 10 tot vele; vruchtbeginsel 5-hokkig, met één stijl; 1–2 zaadknoppen in elk hokje; vrucht een steenvrucht; boomen met verspreide enkelvoudige bladeren metsteunbladeren.1a.Bladeren aan den voet geleidelijk in de gevleugelde bladsteel versmald, aan den top afgerond, ingesneden of met een korte punt. Hoofdnerf met vele dichte evenwijdige zijnerven.Meeldraden20 met behaarde helmknoppen, alle gelijk van vorm. Vruchtbeginsel met 1 stijl en een 5-lobbige stempel, 5- of soms 4-hokkig met 2 zaadknoppen per hokjeHumiria.Basra-bolletrie.1b.Bladeren aan den voet afgerond of versmald maar niet geleidelijk langs de bladsteel afloopend, naar den top toegespitst en versmald; soms aan den rand grof getand. Zijnerven niet opvallend dicht bij elkaar. Meeldraden 10 of 20, soms met eenige staminodiën ertusschen of soms zijn er 5 langere meeldraden aan den top 3-tandig met 3 helmknoppen. Helmknoppen kaal. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 zaadknop in elk hokjeSaccoglottis.134.Erythroxylaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; geen schijf; bloembladeren aan de binnenzijde met een aanhangsel of een lijst; meeldraden 10, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1–2 zaadknoppen; vrucht een steenvrucht; heesters met verspreide, enkelvoudige bladeren, met steunbladeren.Boomen of meestal heesters met takken, die vaak met een groot aantal schubben bedekt zijn. Kelkbladeren 5, bloembladeren 5, aan de binnenzijde met een 2-spletig schubje. Meeldraden 10, aan de basis tot een buis vergroeid. Vruchtbeginsel met 3 stijlen, die vaak aan de basis wat vergroeid zijn. Vrucht een eenzadige besErythroxylon.135.Zygophyllaceae.Bloemen 5–4-tallig met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; schijf ringvormig of als gynophoor ontwikkeld; meeldraden 10–8, zelden 15, aan de basis vaak met schubjes; vruchtbeginsel 5–2-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl hoekig of gegroefd; meest een doosvrucht of een splitvrucht, zelden een bes; meest heesters of boomen, zelden kruiden met tegenoverstaande of soms verspreide, gevinde bladeren, met steunbladeren.Boomen met tegenoverstaande even-gevinde, 2-jukkige bladeren. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 blauwe bloembladeren, 10 evenlange meeldraden, een tweehokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen en 1 stijl, en een platte, eenigszins hartvormige door den stijlrest gekroonde vrucht, met één zaad in elk hokjeGuajacum.137.Rutaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig of zygomorf; schijf ring- of kussenvormig, soms bekervormig; meeldraden evenveel of tweemaal zooveel als bloembladeren, soms wat minder, zelden talrijk; vruchtbeginsel bovenstandig, meerhokkig soms 5–3, die een weinig met elkaar vergroeid zijn, met 2 tot vele zaadknoppen; meest boomen en heesters met verspreide of tegenoverstaande enkelvoudige of samengestelde bladeren.1a.Kelkbladeren 5, zeer ongelijk van grootte, de beide buitenste het grootst en daarvan één veel grooter dan de bloemkroon en deze en de rest van de kelk omhullend. Bloemkroon zijdelings-symmetrisch-sympetaal. Vruchtbare meeldraden 2. Vrucht in 5–1 tweezadige nootjes uiteenvallendMonniera.1b.Kelk niet grooter dan de bloemkroon22a.Bloembladeren in een lange buis vergroeid32b.Bloembladeren vrij of bijna vrij43a.Bloemen volkomen regelmatig. Kelk klein 5-tandig; bloembladeren 5,vergroeid. Meeldraden 5, alle met helmknoppen, in een buis vergroeid, die bijna geheel met de bloemkroon samenhangt. Helmknoppen met een 2-lobbig aanhangsel aan de basis. Bladeren 3-talligTicorea.3b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch; bloemkroonbuis recht of gekromd. Meeldraden 5–8, ten deele onvruchtbaar, overigens als de vorigeGalipea.4a.Bloemen 3–4-tallig met 6 meeldraden. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Heester met 3-tallige bladeren, in de bladoksel een doorn. Vrucht een besTriphasia.4b.Bloemen 4–5-tallig, meeldraden meest meer dan 5, vaak de helmdraden min of meer met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel 5- tot meer-hokkig met meerdere zaadknoppen in elk hokje. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig, vaak met doornen in den okselCitrus.4c.Bloemen geheel 5-tallig, groot, sterk riekend, meeldraden 10, geheel vrij; bladeren gevind meest met meer dan 3 blaadjes; vruchtbeginsel meest 2-hokkig, zelden 3–5-hokkigMurraya.Limonia.138.Simarubaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; meeldraden 10 of 5, zelden vele; vruchtbeginsels 5, min of meer met elkaar vergroeid tot een bovenstandig, 5-hokkig vruchtbeginsel; boomen of heesters met verspreide of tegenoverstaande, zelden enkelvoudige, meest gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen of heesters met kleine witte of geelachtige bloemen in pluimen. Bladen gevind. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10, aan de basis met schubben, die min of meer vergroeid zijn. Vruchtbeginsel 4- of 5-hokkig op een schijf gezeten, met één stijl. Vrucht uit 4–5 deelvruchten bestaandeSimaba.1b.Heesters of kleine boomen met groote roode bloemen, 5-tallig met een lange bloemkroon. Meeldraden aan de basis met dicht behaarde schubben.Bladeren gevind, bladsteel gevleugeld. Vrucht als de vorigeQuassia.Kwassi-bita.139.Burseraceae.Bloemen 5- of 4-tallig, met 5 of 10 meeldraden, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; vruchtbeginsel 5–3-hokkig met 2 of 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; steenvrucht met 2–5 pitten of een doosvrucht; houtige planten met verspreide drietallige of onevengevinde, zelden enkelvoudige bladeren en kleine bloemen.1a.Bloemen 3-tallig. Kelk vergroeidbladig met 3 slippen. Bloemkroon klokvormig met 3 spitse slippen. Meeldraden 6, aan de basis van een dikke 6-tandige schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig met korte stijl. Bloemen meest polygaam, d. w. z. in de ♂ bloemen is het vruchtbeginsel minder goed ontwikkeld, in de ♀ hebben de helmknoppen geen stuifmeelTrattinickia.1b.Bloemen 4- of 5-tallig22a.Bloembladeren niet of nauwelijks vergroeid. Bloemen tweeslachtig of schijnbaar tweeslachtig. Meeldraden tweemaal zooveel als bloembladeren. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig; vrucht meest scheef en eenzadig. Bladeren gevind, soms alleen het eindblaadje aanwezig.Protium.Tiengie-monnie.2b.Bloembladeren tot een klokvormige bloemkroon vergroeid. Meeldraden 8–10, aan de basis van een dikke schijf met 8–10 groeven ingehecht. Helmdraden zeer kort. Vrucht meest rond, van buiten met 4–5 groeven, 4–5-hokkig met 1 zaad in elk hokje. Bladeren gevindTetragastris.140.Meliaceae.Bloemen 5-, zelden 4–7-tallig, meest met tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren, soms evenveel meeldraden; meest tweeslachtig en regelmatig; bloeias plat of tot een verschillend gevormde schijf uitgegroeid; kelk vaak vergroeidbladig, soms ook de bloembladeren;meeldraden meest tot een buis vergroeid; vruchtbeginsel meest met evenveel hokjes als er bloembladeren zijn, soms minder, met 1 stijl, en 1–2, zelden 4 tot vele zaadknoppen; vrucht zeer verschillend van vorm; boomen of heesters met gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bladeren dubbelgevind. Bloemen in pluimen; kelk 5–6-deelig, bloembladeren 5–6, veel langer dan de kelk. Meeldraden alle in een lange buis vergroeid, die aan den mond 10–12 spitse tanden draagt, waartusschen de helmknoppen ingehecht zijnMelia.1b.Bladeren enkelgevind22a.Meeldraden niet in een buis vergroeid; kelk 4–5-spletig; bloembladeren 4–5, aan de binnenzijde in het midden met een kiel of plaat, die aan de lange schijf, waarop het vruchtbeginsel zit, is vastgegroeid. Meeldraden 4–6, op den top van den schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een 5-hokkige doosvrucht. Zaden gevleugeld. Blaadjes vaak scheef aan den voetCedrela.Ceder.2b.Meeldraden in een buis vergroeid33a.Blaadjes eenigszins gekromd en opvallend scheef aan den voet. Kelkslippen afgerond aan den top. Buis der meeldraden met 10 tanden aan den rand; helmknoppen of zeer korte helmdraden tusschen de tanden ingevoegd. Vrucht een houtige, 5-kleppige doosvrucht met vele gevleugelde zadenSwietenia.3b.Blaadjes niet opvallend scheef aan den voet. Zaden niet gevleugeld44a.Helmknoppen op den rand van de buis ingehecht, niet door de buis ingesloten. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10. Schijf ontbrekend of klein. Boomen of heesters. Vrucht 2–3-hokkig met 1 of 2 zaden per hokjeTrichilia.4b.Helmknoppen meest aan de binnenzijde van de buis, ingehecht, door de buis ingesloten55a.Kelk- en bloemkroon 3–6-tallig, de bloemkroon vaak lang en van buiten soms geelachtig of wit-behaard; de kelk bekervormig. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met 1–2 zaadknoppen per hokje. Vrucht met 4–5 kleppen openspringend, met 1–2 zaden in elk hokjeGuarea.5b.Bloemen 4–5-tallig. Kelk bijna losbladig; bloemkroon kaal, kort, evenals de buis der meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met meerdere zaadknopjes per hokje, die in twee rijen boven elkaar zitten. Vrucht een groote houtige doosvrucht met 6–8 zaden in elk hokjeCarapa.Krapa.141.Malpighiaceae.Bloemen 5-tallig, met 10 meeldraden, meest tweeslachtig; bloemas bolvormig of vlak; soms tot een gynophoor verlengd; kelk vaak met klieren; bloembladeren meest genageld; van de meeldraden vaak eenige zonder stuifmeel of geheel afwezig; vruchtbeginsel meest 3-hokkig,zelden 2-, 4- of 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje, vrucht een splitvrucht, met aan de rug openspringende deelvruchten, zelden een noot of een steenvrucht; bladeren meest tegenoverstaand met klieren; steunbladeren aanwezig.1a.Bloemen rose of paars21b.Bloemen wit, geel of oranje52a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen, vrucht in 2 ongevleugelde drooge vruchten uiteenvallend. Kelk met 8–10 klieren. Van de 10 meeldraden zijn er enkele onvruchtbaar; helmdraden van onderen in een behaarde ring vergroeid. Bloemen in enkelvoudige trossen, eindelings aan de bebladerde takkenSpachea.2b.Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen. Bloemen nooit in enkelvoudige trossen33a.Bloemen in dichte pluimen, met groote schutbladeren en bloemsteelbladeren. Kelkbladeren lang en smalmet 4 klieren. Helmdraden aan de basis vergroeid. Vruchtbeginsel dicht behaard. Deelvrucht met 5 vrijwel gelijke evenwijdige vleugels. Bladeren fluweelig grijs behaard met 2 klieren aan de basisJubelina.3b.Schutbladeren en bloemsteelblaadjes klein44a.Bloemen in wijde pluimen. Kelk met 8 klieren. Meeldraden ongelijk van lengte. Vruchtbeginsel behaard. Deelvrucht met een groote vliezige vleugel, bijna cirkelrond. LianenMascagnia.4b.Bloemen in kleine okselstandige groepen of trosjes; kelk met 6–10 klieren. Meeldraden kaal, van onderen in een buis vergroeid. Vrucht een steenvrucht (als een kers) met 3 geribde pitten. Heesters of boompjesMalpighia.5a.Stijlen lang en dun, naar den top spits toeloopend. Een van de concave bloembladeren merkbaar kleiner dan de andere. Helmdraden aan de basis behaard. Vrucht een steenvrucht met sappig vruchtvleesch en 1 pitByrsonima.5b.Stijlen naar den top verdikt of haakvormig gekromd66a.Bloemen in vertakte bloeiwijzen in de oksels der bladeren staande, de bloeiwijzen korter dan de bladeren. Bladeren met krachtige zijnerven. Steunblaadjes met de bladsteel vergroeid. Deelvrucht met 2 vliezige, ronde vleugelsHiraea.6b.Bloemen in eindelingsche trossen of pluimen of okselstandig, maar dan bloeiwijzen grooter dan de bladeren77a.De bloemsteel draagt halverwege 2 bloemsteelblaadjes, die geheel of bijna geheel in klieren veranderd zijn. Meeldraden kaal, tot aan het midden vergroeid. Steenvrucht met 2–3 pittenBunchosia.7b.De bloemsteel draagt geen bloemsteelblaadjes of niet-geklierde bloemsteelblaadjes88a.Stempels knopvormig, eindelingsch98b.Stempels zijdelings zittend doordat de top van den stijl rechthoekig omgebogen is of een dwarse verbreeding heeft109a.Meeldraden van onderen in een buis of ring vergroeid, ongelijk. Elke afdeeling van het vruchtbeginsel met 1 rugkam en 2 zijkammen. Deelvrucht met 4, ongeveer gelijke in in een kruis staande vleugels, daartusschen nog eenige kleine vleugeltjesTetrapteris.9b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch. Vruchtbeginsel met een rugkam. Deelvrucht met één sterk ontwikkelde rugkam, daarvóór dikwijls nog een kleiner vleugeltje dat in hetzelfde vlak ligtBanisteria.10a.Bloemen klein, regelmatig; alle 10 meeldraden met vruchtbare helmknoppen. Stijl van boven zijdelings samengedrukt, vaak naar de rugzijde in een korte haak verlengd. Vrucht als de vorige.Heteropteris.10b.Bloemen vrij groot, zijdelings-symmetrisch met 6 vruchtbare en daartusschen 4 onvruchtbare meeldraden. Stijlen van boven bladachtig verbreed. Vrucht als de vorigeStigmatophyllon.142.Trigoniaceae.Bloemen typisch 5-tallig, 2-slachtig, scheef-zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; bloembladeren 5–3, vaak zeer ongelijk; meeldraden 5, 6 of 10 (11–12); aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht; houtige planten, vaak klimmend met verspreide of tegenoverstaande bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.Kelkbladeren 5, aan den voet wat vergroeid, de 2 binnenste wat grooter. Bloembladeren 5, het achterste grooter en met eenspoor of knobbel aan den voet. Meeldraden 10, aan de basis tot een gespleten buis vergroeid, 6 met helmknoppen, de overige zonder helmknoppen. Tegenover het groote bloemblad staan 2 klieren. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht een 3-kleppige doosvrucht. Klimmende heesters met tegenoverstaande bladerenTrigonia.143.Vochysiaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, scheef zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; één ervan vaak gespoord, afvallend; bloembladeren zelden 5, meest 3–1; slechts één vruchtbare meeldraad en eenige staminodiën; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, driehokkig, met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht niet openspringend of een doosvrucht; meest boomen met tegenoverstaande of kransstandige enkelvoudige bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 2 zaadknoppen. Kelk 5-deelig, met 4 kleine blijvende kelkbladeren en 1 grooter gespoord en spoedig afvallend kelkblad. Bloemblad 1, meeldraad 1. Vrucht met de kelkbladeren op den topErisma.Singrie-kwarrie.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig22a.Bloembladeren 3, het middelste grooter dan de zijdelingsche. Kelk 5-tallig, 4 slippen klein, het 5degrooter gespoord. Meeldraad 1. Bloemen geelVochysia.Kwarrie.2b.Bloemblad 1 (soms 2). Een van de 5 kelkbladeren met een spoor of knobbel. Meeldraad 1. Bloemen meest blauw of witQualea.Kwarrie.145.Polygalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; van de 5 kelkbladeren zijn er 2 bloembladachtig en vergroot; bloembladeren 3; meeldraden 8, in twee groepen van 4; vruchtbeginsel tweehokkig met 1, zelden 2–4 zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren.1a.Kelk met de bloembladeren en de meeldraden tot een buis vergroeid. Vrije kelkslippen 5. Bloemkroon 5-spletig, een van de bloembladeren gevouwen. Meeldraden in 2 bundels ieder met 4 helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Heesters of boomen, met dikke leerachtige bladerenMoutabea.1b.Kelk met de bloembladeren niet vergroeid22a.Vrucht een doosvrucht, ongevleugeld42b.Vrucht een gevleugelde noot33a.Lianen met violette of paarsche bloemen in okselstandige trossen. Bloembladeren 3, waarvan het helmvormige met een aanhangsel op de achterzijde.Vrucht met een vleugel op de rugzijdeSecuridaca.3b.Heesters, niet windend. Bloemblad zonder aanhangsel op de rugzijde. Vrucht rondom gevleugeldMonnina.4a.Meest kruidachtige planten, soms kleine heesters. Bloemen in lange of dichte trossen. Doosvrucht rondachtig, zaden kort behaardPolygala.4b.Heesters. Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Doosvrucht lang-wigvormig. Zaden met lange harenBredemeyera.146.Dichapetalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig oféénslachtigregelmatig of soms zygomorf; bloemas uitgroeiend tot schubben of een komvormige schijf; kelk vergroeid- oflosbladig; bloembladeren raak tweespletig, gelijk of ongelijk van vorm, vrij of tot een buis vergroeid; meeldraden 5, vrij of met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht met een 1–2-hokkige pit; lianen of boomen met gaafrandige bladeren met steunbladeren.Bloemen met 4–5 ongelijke kelkbladeren, 4–5 bloemkroonslippen, waarvan er 2 of 1 grooter zijn dan de andere en 2-spletig met concave lobben. Meeldraden meest 5, waarvan maar 2 met helmknoppen; een enkele maal alle 5 vruchtbaar. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig. Heesters of boomenTapura.147.Euphorbiaceae.Bloemen steeds éénslachtig, met kelk en bloemkroon, of met een kelk alleenofnaakt; meeldraden evenveel als kelkbladeren of evenveel of dubbel zooveel, of talrijke of weinige tot 1; vruchtbeginsel 3-hokkig, zelden 2-, 4- of meerhokkig; vrucht meest zich splitsend in 3 deelvruchten, met 1 of 2 zaden; zelden een bes of een steenvrucht; kruiden of houtige planten, meest met verspreide bladeren, vaak met steunbladeren, en melksap.1a.Bloemen tweehuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op verschillende planten21b.Bloemen éénhuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op denzelfden plant, vaak zelfs in dezelfde bloeiwijze152a.Alleen ♂ bloemen aanwezig32b.Alleen ♀ bloemen aanwezig93a.Kelk en bloembladeren beiden aanwezig43b.Alleen een kelk aanwezig54a.Meeldraden 5, vergroeid om het steriele vruchtbeginsel, in den knop rechtopstaand. Bloembladeren 5 of minder. Boomen met okselstandige bloemgroepen en enkelvoudige leerachtige bladerenDiscocarpus.4b.Meeldraden meest 10–20, soms 5, maar in ieder geval niet vergroeid en geen steriel vruchtbeginsel in de ♂ bloem. Helmdraden in den knop naar binnen gebogen. Heesters of kruiden, meest behaarde of beschubde bladeren. Bladeren gedeeld of ongedeeldCroton.5a.Meeldraden minder dan 1065b.Meeldraden meer dan 10, meest vele, de buitenste zonder helmknoppen. Kelk 3–4-deelig. Geen rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Bloemen in vertakte eindelingsche pluimen. Boomen met enkelvoudige bladerenConceveiba.6a.Bloemen 4-tallig, meeldraden 4–876b.Bloemen 3 of 5-tallig, meeldraden soms 2 of 4, meest 3–5, of 687a.Meeldraden 6, om een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloemen in trossen of samengestelde trossen of aren. Bladeren met schubben. BoomenHieronymia.7b.Geen rudimentair vruchtbeginsel aanwezig. Meeldraden 6–2, vaak 3, soms met elkaar tot een zuiltje vergroeid. Kruiden of heesters. Bloemen gesteeld alleenstaand of in groepen in de bladokselsPhyllanthus.Bita-wiwirie.Finie bita.8a.Meeldraden 4. Helmknoppen geen bijzondere vorm vertoonend. Boomen of heesters, met bloemen in trossenAlchornea.8b.Meeldraden 8. Helmknoppen uit elkaar wijkend, aan den top samenhangend. Boomen of heesters met de bloemen in arenAcalypha.9a.Kelk 3-spletig. Bloemen in dichte aren, met groote roode zeer sterk vertakte stijlen en stempelsAcalypha.9b.Kelk 4–5-6-spletig of -deelig1010a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen; bloemen in trossenHieronymia.10b.Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 3 vaak vertakte stijlen of stempels1111a.Bloemen in trossen of aren1211b.Bloemen in kleine groepen of alleenstaand in de bladoksels1412a.Kelk met klieren aan de buitenzijde. Stijlen dik, 2-spletig tot tweedeelig. Vruchtbeginsel veel grooter dan de 5–10-spletige kelk, meest 3-kantig. Bloemen in een eindelingsche tros. Bladeren kaal. BoomenConceveiba.12b.Kelk zonder klieren aan de buitenzijde1313a.Discus meest ontbrekend. Kelk 4-deelig. Stijlen 2-lobbig, kort; boomen of heestersAlchornea.13b.Onder het vruchtbeginsel een ringvormige schijf of schubben. Bloembladeren soms aanwezig. Stijl enkelvoudig, of 2-spletig of de zijtakken nog enkele malen vertakt. Bladeren met schubben of harenCroton.14a.Boomen met enkelvoudige leerachtige bladeren. Bloemen zeer kort gesteeld in groepjes in de bladoksels. Bloembladeren vaak aanwezig, evenals staminodiën, soms ook beide ontbrekend. Stijlen plat, niet vergroeidDiscocarpus.14b.Kruiden of heesters, met de bladeren aan de jongste takken vaak in 2 rijen, zoodat de bebladerde tak gelijkt op een gevind blad. Bloemen duidelijk of langgesteeld. Stempels meest 2-spletigPhyllanthus.Finie-bita.Bita-wiwirie.15a.Bloemen in z.g. cyathien, d. z. bloeiwijzen, waarin één ♀ bloem in het midden staat, deze is omringd door een groot aantal ♂ bloemen, die slechts uit 1 meeldraad bestaan; het geheel is omringd door vergroeide schutbladeren, en doet dus denken aan een tweeslachtige bloem1615b.Bloemen niet in cyathien, indien een groep van bloemen omgeven is door schutbladeren, dan zijn deze niet vergroeid, en in ieder geval hebben de ♂ bloemen een kelk1716a.Cyathium regelmatig. Meest kruidenEuphorbia.16b.Cyathium zijdelings-symmetrisch met een aanhangsel. HeestersPedilanthus.17a.Een groep van mannelijke en vrouwelijke bloemen is omgeven door twee groenachtige of witte of rose, zittende, tegenoverstaande schutbladeren. Vruchtbeginsel met een lange stijl, ♂ bloemen met ongeveer 20 meeldraden. KlimplantenDalechampia.17b.Niet een groep van ♂ en ♀ bloemen door 2 schutbladeren ingehuld1818a.Boomen met 3-tallige bladeren. Helmknoppen op den top van een zuil zittend. Kelk 5-spletig. Bloemen in pluimenHevea.18b.Bladeren niet 3-tallig, soms 3–7-voudig handvormig ingesneden tot 3–7-tallig, maar dan is de plant kruidachtig1919a.Vruchtbeginsel veelhokkig, vrucht ten slotte in vele deelen uiteenvallend. Stijl lang met vele stempels. Kelk klokvormig. Meeldraden vele in rijen aan den top van een zuil. ♂ bloemen in trossen, ♀ bloemen alleenstaand. BoomenHura.Postentrie.19b.Vruchtbeginsel 2–4-, meest 3-hokkig2020a.In de ♂ en de ♀ bloemen zijn alleen meeldraden of vruchtbeginsels aanwezig; kelk en bloemkroon geheel ontbrekend. Meeldraden 12–2, stijl met 3 stempels. Heesters met enkelvoudige harde bladerenActinostemon.20b.Een kelk, of kelk en bloemkroon aanwezig2121a.Bloembladeren in de ♂ bloem aanwezig, in de ♀ bloem soms ontbrekend2221b.Bloembladeren steeds ontbrekend in ♀ en ♂ bloemen2722a.Meeldraden in den knop naar binnen gebogen, zoodat de top van de helmknop naar beneden gericht is. Meeldraden soms 5, meest 10–20, vaak nog meer dan 20. Bladeren met schubben of behaard, soms gelobd tot gedeeld. Heesters of kruidenCroton.22b.Meeldraden in den knop rechtopstaand2323a.Meeldraden 5, rondom een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloembladeren zoowel in de ♂ als de ♀ bloem aanwezig. Vruchtbeginsel met zittende schijfvormige stempel. Boomen met gaafrandige leerachtige bladeren. Bloemen in kleine groepenAmanoa.23b.Meeldraden 10 of meer2424a.Meeldraden in een zuil vergroeid, 10–302524b.Meeldraden vrij2625a.Bladeren gelobd tot gedeeld. Zuil van de meeldraden zonder rudimentair vruchtbeginsel op den top, schijf duidelijk ontwikkeld. In de ♀ bloemen soms staminodiënJatropha.25b.Bladeren lancetvormig, scherp gezaagd. Zuil van de meeldraden met een rudimentair vruchtbeginsel op den topCaperonia.26a.Meeldraden talrijk, dicht op elkaar zittend met korte helmdraden. Stijlen 3, diep 2-spletig. ♂ bloemen in enkelvoudige eindstandige trossen; ♀ bloemen slechts weinige bij elkaar. Boomen met eironde bladerenSagotia.26b.Stijlen niet ingesneden. Meeldraden 15–30. Bladeren smal, met roode of geele vlekken, kaal en glanzend. HeestersCodiaeum.27a.Mannelijke bloemen zeer groot met een zeer groot aantal (tot 1000) helmknoppen; helmdraden vertakt.Vruchtbeginsel met 3 vertakte roode stijlen.Bladeren handdeelig, schildvormigRicinus.Krapata.27b.Meeldraden niet zoo talrijk, helmdraden niet vertakt2828a.Vruchtbeginsel 4-hokkig met een dikke, eironde tot half-bolvormige stijl. Vrucht 4-lobbig met 4 ribben. Bloemen in trossen, de ♀ bloemen in het onderste deel alleenstaand of weinig bij elkaar, de ♂ bloemen in groepen, ♂ bloemen met 8–30 meeldraden, die op een kegelvormige of half-bolvormige bloembodem zitten. Heesters of kruiden met handvormige, getande bladerenPlukenetia.28b.Vruchtbeginsel 3-hokkig; stijlen 3 of 1, niet verdikt2929a.Meeldraden 10 of meer3029b.Meeldraden minder dan 10 (Zie ook Phyllanthus)3130a.Meeldraden 10–30, in verschillende kransen tot een zuil vergroeid. Vruchtbeginsel kleiner dan de kelk, met 3 stempels. Bladeren gelobd tot gedeeld. Bloemen in pluimenJatropha.30b.Meeldraden dicht gedrongen op een half-bolvormige bloembodem. Vruchtbeginsel veel langer dan de kelk, met een lange stijl en 3-spletige stempel. Bloemen in dichte en dikke trossen. Bladeren niet gelobdMabea.30c.Meeldraden 10, alle vrij, in 2 rijen, op een schijf staande, en niet tot een zuil vergroeid. Kelk groot, min of meer klokvormig 5-spletig. In de ♂ bloem soms een rudimentair vruchtbeginsel; in de ♀ bloem soms staminodiën. Stijlen 3, een weinig aan de basis vergroeid. Bladeren meest handvormig ingesneden of bijna samengesteldManihot.Cassave.31a.Heesters of boomen met de bloemen in dichte aren. ♀ bloemen met 3 groote roode, sterk vertakte stempels, met een 3-spletige kelk; ♂ bloemen met een 4-spletige kelk, met 8 meeldraden, waarvan de helmknoppen naar beneden uiteenwijken en ± gewonden zijnAcalypha.31b.Stempels niet opvallend gekleurd. Meeldraden minder dan 8 zonder bijzonder gevormde helmknoppen3232a.Bloemen in trossen of aren3332b.Bloemen alleenstaand of in groepen in de bladoksels, gesteeld. Kelkbladeren 6–4, meest in 2 kransen, ♂ bloemen met 2–6 meeldraden, meest 3 of 5 meeldraden met losse of vergroeide helmdraden (zeer zelden meer dan 6 meeldraden). Stijlen 3, vrij of vergroeid, gedeeld of ongedeeld. Bladeren vaak in 2 rijen gezeten, zoodat de bebladerde tak op een gevind blad gelijkt. Kruiden of heestersPhyllanthus.Bita-wiwirie,Finie-bita.33a.Helmdraden geheel vergroeid, alleen de helmknoppen vrij3433b.Helmdraden alleen aan de basis vergroeid3534a.Zuil van de helmdraden kort, aan den top met een dwarse verlenging aan welks einde de 2 helmknoppen zitten. Kelk 4–5-spletig. Stijl dik, aan den top 3-lobbig. Bloemen in lange met vrij groote schutbladeren bezette ijle trossen, in welker oksel een ♀ bloem en eenige ♂ bloemen zittenOmphalea.34b.Zuil van de helmdraden niet eigenaardig gevormd. Kelk 3-lobbig. Meeldraden 2, soms 1 of 3. Stijlen vergroeid. Bloeiwijze van boven dicht, met 3 ♂ bloemen bij elk schutblad, van onderen ijler met de ♀ bloemen alleenstaandMaprounea.35a.Kelk 4-deelig. Meeldraden 4. ♂ bloemen in groepen in vertakte bloeiwijzen, ♀ bloemen alleenstaand in enkelvoudige aren of trossenAlchornea.35b.Kelk in de ♂ bloemen 2- of 3-deelig of -spletig of gelobd3636a.Klimmende kruiden met behaarde, getande bladeren. Kelk 3–5-deelig. Meeldraden 3, vrij. Stijlen tot aan het midden vergroeid, van boven vrij, onvertakt. Bloemen in trossen, die van boven de ♂ van onderen de ♀ bloemen dragen of tros vertakt met een lange ♂ en een korte ♀ takTragia.36b.Boomen of heesters, niet klimmend3737a.Kelk van de ♂ bloem diep 3-deelig. Meeldraden 2 of 3 met korte helmdraden. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Bloemen in dunne trossen van onderen met alleenstaande of weinige ♀ bloemen, van boven met groepen van 2–4 ♂ bloemen. Bladeren kleinSebastiania.37b.Kelk van de ♂ bloem 2-lobbig. Meeldraden 2–3 met vrije helmknoppen. Kelk van de ♀ bloem 3-spletig of 3-deelig. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Vrucht een weinig vleezig. Bladsteel met 2 klieren aan den top. Bloemen in aren; ♂ bloemen 3 of meer per schutblad, ♀ bloemen alleenstaand bij het schutblad onder aan de aarSapium.(Excoecaria).
Orde:Geraniales.130.Oxalidaceae.Bloemen 5-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, zelden vrouwelijk, zonder discus; meeldraden 10, van onderen vergroeid; vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een bes; meest overblijvende kruiden, zelden houtige planten met meest samengestelde bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Kruiden met 3-tallige bladeren, het eindblaadje langer gesteeld. Meeldraden 10, afwisselend langer en korter; vrucht een doosvruchtOxalis.1b.Boomen met oneven gevinde bladeren.Bloemen in trosjes uit de stam of uit de houtige takken te voorschijn komend. Vrucht een besAverrhoa.Birambi.132.Linaceae.Bloemen 5- tot 4-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; discus ontbrekend; meeldraden 5–20, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, met 5tot minder hokjes; 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een steenvrucht; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren, met of zonder steunbladeren.Boomen of heesters met kleine bloemen in pluimen. Bladeren met een dikke hoofdnerf en vele evenwijdige zijnerven, aan de basis langs de bladsteel afloopend. Kelk- en bloembladeren 5, meeldraden 10, vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlenRoucheria.133.Humiriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; om het bovenstandige vruchtbeginsel een bekervormige schijf, meeldraden 10 tot vele; vruchtbeginsel 5-hokkig, met één stijl; 1–2 zaadknoppen in elk hokje; vrucht een steenvrucht; boomen met verspreide enkelvoudige bladeren metsteunbladeren.1a.Bladeren aan den voet geleidelijk in de gevleugelde bladsteel versmald, aan den top afgerond, ingesneden of met een korte punt. Hoofdnerf met vele dichte evenwijdige zijnerven.Meeldraden20 met behaarde helmknoppen, alle gelijk van vorm. Vruchtbeginsel met 1 stijl en een 5-lobbige stempel, 5- of soms 4-hokkig met 2 zaadknoppen per hokjeHumiria.Basra-bolletrie.1b.Bladeren aan den voet afgerond of versmald maar niet geleidelijk langs de bladsteel afloopend, naar den top toegespitst en versmald; soms aan den rand grof getand. Zijnerven niet opvallend dicht bij elkaar. Meeldraden 10 of 20, soms met eenige staminodiën ertusschen of soms zijn er 5 langere meeldraden aan den top 3-tandig met 3 helmknoppen. Helmknoppen kaal. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 zaadknop in elk hokjeSaccoglottis.134.Erythroxylaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; geen schijf; bloembladeren aan de binnenzijde met een aanhangsel of een lijst; meeldraden 10, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1–2 zaadknoppen; vrucht een steenvrucht; heesters met verspreide, enkelvoudige bladeren, met steunbladeren.Boomen of meestal heesters met takken, die vaak met een groot aantal schubben bedekt zijn. Kelkbladeren 5, bloembladeren 5, aan de binnenzijde met een 2-spletig schubje. Meeldraden 10, aan de basis tot een buis vergroeid. Vruchtbeginsel met 3 stijlen, die vaak aan de basis wat vergroeid zijn. Vrucht een eenzadige besErythroxylon.135.Zygophyllaceae.Bloemen 5–4-tallig met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; schijf ringvormig of als gynophoor ontwikkeld; meeldraden 10–8, zelden 15, aan de basis vaak met schubjes; vruchtbeginsel 5–2-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl hoekig of gegroefd; meest een doosvrucht of een splitvrucht, zelden een bes; meest heesters of boomen, zelden kruiden met tegenoverstaande of soms verspreide, gevinde bladeren, met steunbladeren.Boomen met tegenoverstaande even-gevinde, 2-jukkige bladeren. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 blauwe bloembladeren, 10 evenlange meeldraden, een tweehokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen en 1 stijl, en een platte, eenigszins hartvormige door den stijlrest gekroonde vrucht, met één zaad in elk hokjeGuajacum.137.Rutaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig of zygomorf; schijf ring- of kussenvormig, soms bekervormig; meeldraden evenveel of tweemaal zooveel als bloembladeren, soms wat minder, zelden talrijk; vruchtbeginsel bovenstandig, meerhokkig soms 5–3, die een weinig met elkaar vergroeid zijn, met 2 tot vele zaadknoppen; meest boomen en heesters met verspreide of tegenoverstaande enkelvoudige of samengestelde bladeren.1a.Kelkbladeren 5, zeer ongelijk van grootte, de beide buitenste het grootst en daarvan één veel grooter dan de bloemkroon en deze en de rest van de kelk omhullend. Bloemkroon zijdelings-symmetrisch-sympetaal. Vruchtbare meeldraden 2. Vrucht in 5–1 tweezadige nootjes uiteenvallendMonniera.1b.Kelk niet grooter dan de bloemkroon22a.Bloembladeren in een lange buis vergroeid32b.Bloembladeren vrij of bijna vrij43a.Bloemen volkomen regelmatig. Kelk klein 5-tandig; bloembladeren 5,vergroeid. Meeldraden 5, alle met helmknoppen, in een buis vergroeid, die bijna geheel met de bloemkroon samenhangt. Helmknoppen met een 2-lobbig aanhangsel aan de basis. Bladeren 3-talligTicorea.3b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch; bloemkroonbuis recht of gekromd. Meeldraden 5–8, ten deele onvruchtbaar, overigens als de vorigeGalipea.4a.Bloemen 3–4-tallig met 6 meeldraden. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Heester met 3-tallige bladeren, in de bladoksel een doorn. Vrucht een besTriphasia.4b.Bloemen 4–5-tallig, meeldraden meest meer dan 5, vaak de helmdraden min of meer met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel 5- tot meer-hokkig met meerdere zaadknoppen in elk hokje. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig, vaak met doornen in den okselCitrus.4c.Bloemen geheel 5-tallig, groot, sterk riekend, meeldraden 10, geheel vrij; bladeren gevind meest met meer dan 3 blaadjes; vruchtbeginsel meest 2-hokkig, zelden 3–5-hokkigMurraya.Limonia.138.Simarubaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; meeldraden 10 of 5, zelden vele; vruchtbeginsels 5, min of meer met elkaar vergroeid tot een bovenstandig, 5-hokkig vruchtbeginsel; boomen of heesters met verspreide of tegenoverstaande, zelden enkelvoudige, meest gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen of heesters met kleine witte of geelachtige bloemen in pluimen. Bladen gevind. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10, aan de basis met schubben, die min of meer vergroeid zijn. Vruchtbeginsel 4- of 5-hokkig op een schijf gezeten, met één stijl. Vrucht uit 4–5 deelvruchten bestaandeSimaba.1b.Heesters of kleine boomen met groote roode bloemen, 5-tallig met een lange bloemkroon. Meeldraden aan de basis met dicht behaarde schubben.Bladeren gevind, bladsteel gevleugeld. Vrucht als de vorigeQuassia.Kwassi-bita.139.Burseraceae.Bloemen 5- of 4-tallig, met 5 of 10 meeldraden, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; vruchtbeginsel 5–3-hokkig met 2 of 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; steenvrucht met 2–5 pitten of een doosvrucht; houtige planten met verspreide drietallige of onevengevinde, zelden enkelvoudige bladeren en kleine bloemen.1a.Bloemen 3-tallig. Kelk vergroeidbladig met 3 slippen. Bloemkroon klokvormig met 3 spitse slippen. Meeldraden 6, aan de basis van een dikke 6-tandige schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig met korte stijl. Bloemen meest polygaam, d. w. z. in de ♂ bloemen is het vruchtbeginsel minder goed ontwikkeld, in de ♀ hebben de helmknoppen geen stuifmeelTrattinickia.1b.Bloemen 4- of 5-tallig22a.Bloembladeren niet of nauwelijks vergroeid. Bloemen tweeslachtig of schijnbaar tweeslachtig. Meeldraden tweemaal zooveel als bloembladeren. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig; vrucht meest scheef en eenzadig. Bladeren gevind, soms alleen het eindblaadje aanwezig.Protium.Tiengie-monnie.2b.Bloembladeren tot een klokvormige bloemkroon vergroeid. Meeldraden 8–10, aan de basis van een dikke schijf met 8–10 groeven ingehecht. Helmdraden zeer kort. Vrucht meest rond, van buiten met 4–5 groeven, 4–5-hokkig met 1 zaad in elk hokje. Bladeren gevindTetragastris.140.Meliaceae.Bloemen 5-, zelden 4–7-tallig, meest met tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren, soms evenveel meeldraden; meest tweeslachtig en regelmatig; bloeias plat of tot een verschillend gevormde schijf uitgegroeid; kelk vaak vergroeidbladig, soms ook de bloembladeren;meeldraden meest tot een buis vergroeid; vruchtbeginsel meest met evenveel hokjes als er bloembladeren zijn, soms minder, met 1 stijl, en 1–2, zelden 4 tot vele zaadknoppen; vrucht zeer verschillend van vorm; boomen of heesters met gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bladeren dubbelgevind. Bloemen in pluimen; kelk 5–6-deelig, bloembladeren 5–6, veel langer dan de kelk. Meeldraden alle in een lange buis vergroeid, die aan den mond 10–12 spitse tanden draagt, waartusschen de helmknoppen ingehecht zijnMelia.1b.Bladeren enkelgevind22a.Meeldraden niet in een buis vergroeid; kelk 4–5-spletig; bloembladeren 4–5, aan de binnenzijde in het midden met een kiel of plaat, die aan de lange schijf, waarop het vruchtbeginsel zit, is vastgegroeid. Meeldraden 4–6, op den top van den schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een 5-hokkige doosvrucht. Zaden gevleugeld. Blaadjes vaak scheef aan den voetCedrela.Ceder.2b.Meeldraden in een buis vergroeid33a.Blaadjes eenigszins gekromd en opvallend scheef aan den voet. Kelkslippen afgerond aan den top. Buis der meeldraden met 10 tanden aan den rand; helmknoppen of zeer korte helmdraden tusschen de tanden ingevoegd. Vrucht een houtige, 5-kleppige doosvrucht met vele gevleugelde zadenSwietenia.3b.Blaadjes niet opvallend scheef aan den voet. Zaden niet gevleugeld44a.Helmknoppen op den rand van de buis ingehecht, niet door de buis ingesloten. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10. Schijf ontbrekend of klein. Boomen of heesters. Vrucht 2–3-hokkig met 1 of 2 zaden per hokjeTrichilia.4b.Helmknoppen meest aan de binnenzijde van de buis, ingehecht, door de buis ingesloten55a.Kelk- en bloemkroon 3–6-tallig, de bloemkroon vaak lang en van buiten soms geelachtig of wit-behaard; de kelk bekervormig. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met 1–2 zaadknoppen per hokje. Vrucht met 4–5 kleppen openspringend, met 1–2 zaden in elk hokjeGuarea.5b.Bloemen 4–5-tallig. Kelk bijna losbladig; bloemkroon kaal, kort, evenals de buis der meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met meerdere zaadknopjes per hokje, die in twee rijen boven elkaar zitten. Vrucht een groote houtige doosvrucht met 6–8 zaden in elk hokjeCarapa.Krapa.141.Malpighiaceae.Bloemen 5-tallig, met 10 meeldraden, meest tweeslachtig; bloemas bolvormig of vlak; soms tot een gynophoor verlengd; kelk vaak met klieren; bloembladeren meest genageld; van de meeldraden vaak eenige zonder stuifmeel of geheel afwezig; vruchtbeginsel meest 3-hokkig,zelden 2-, 4- of 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje, vrucht een splitvrucht, met aan de rug openspringende deelvruchten, zelden een noot of een steenvrucht; bladeren meest tegenoverstaand met klieren; steunbladeren aanwezig.1a.Bloemen rose of paars21b.Bloemen wit, geel of oranje52a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen, vrucht in 2 ongevleugelde drooge vruchten uiteenvallend. Kelk met 8–10 klieren. Van de 10 meeldraden zijn er enkele onvruchtbaar; helmdraden van onderen in een behaarde ring vergroeid. Bloemen in enkelvoudige trossen, eindelings aan de bebladerde takkenSpachea.2b.Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen. Bloemen nooit in enkelvoudige trossen33a.Bloemen in dichte pluimen, met groote schutbladeren en bloemsteelbladeren. Kelkbladeren lang en smalmet 4 klieren. Helmdraden aan de basis vergroeid. Vruchtbeginsel dicht behaard. Deelvrucht met 5 vrijwel gelijke evenwijdige vleugels. Bladeren fluweelig grijs behaard met 2 klieren aan de basisJubelina.3b.Schutbladeren en bloemsteelblaadjes klein44a.Bloemen in wijde pluimen. Kelk met 8 klieren. Meeldraden ongelijk van lengte. Vruchtbeginsel behaard. Deelvrucht met een groote vliezige vleugel, bijna cirkelrond. LianenMascagnia.4b.Bloemen in kleine okselstandige groepen of trosjes; kelk met 6–10 klieren. Meeldraden kaal, van onderen in een buis vergroeid. Vrucht een steenvrucht (als een kers) met 3 geribde pitten. Heesters of boompjesMalpighia.5a.Stijlen lang en dun, naar den top spits toeloopend. Een van de concave bloembladeren merkbaar kleiner dan de andere. Helmdraden aan de basis behaard. Vrucht een steenvrucht met sappig vruchtvleesch en 1 pitByrsonima.5b.Stijlen naar den top verdikt of haakvormig gekromd66a.Bloemen in vertakte bloeiwijzen in de oksels der bladeren staande, de bloeiwijzen korter dan de bladeren. Bladeren met krachtige zijnerven. Steunblaadjes met de bladsteel vergroeid. Deelvrucht met 2 vliezige, ronde vleugelsHiraea.6b.Bloemen in eindelingsche trossen of pluimen of okselstandig, maar dan bloeiwijzen grooter dan de bladeren77a.De bloemsteel draagt halverwege 2 bloemsteelblaadjes, die geheel of bijna geheel in klieren veranderd zijn. Meeldraden kaal, tot aan het midden vergroeid. Steenvrucht met 2–3 pittenBunchosia.7b.De bloemsteel draagt geen bloemsteelblaadjes of niet-geklierde bloemsteelblaadjes88a.Stempels knopvormig, eindelingsch98b.Stempels zijdelings zittend doordat de top van den stijl rechthoekig omgebogen is of een dwarse verbreeding heeft109a.Meeldraden van onderen in een buis of ring vergroeid, ongelijk. Elke afdeeling van het vruchtbeginsel met 1 rugkam en 2 zijkammen. Deelvrucht met 4, ongeveer gelijke in in een kruis staande vleugels, daartusschen nog eenige kleine vleugeltjesTetrapteris.9b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch. Vruchtbeginsel met een rugkam. Deelvrucht met één sterk ontwikkelde rugkam, daarvóór dikwijls nog een kleiner vleugeltje dat in hetzelfde vlak ligtBanisteria.10a.Bloemen klein, regelmatig; alle 10 meeldraden met vruchtbare helmknoppen. Stijl van boven zijdelings samengedrukt, vaak naar de rugzijde in een korte haak verlengd. Vrucht als de vorige.Heteropteris.10b.Bloemen vrij groot, zijdelings-symmetrisch met 6 vruchtbare en daartusschen 4 onvruchtbare meeldraden. Stijlen van boven bladachtig verbreed. Vrucht als de vorigeStigmatophyllon.142.Trigoniaceae.Bloemen typisch 5-tallig, 2-slachtig, scheef-zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; bloembladeren 5–3, vaak zeer ongelijk; meeldraden 5, 6 of 10 (11–12); aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht; houtige planten, vaak klimmend met verspreide of tegenoverstaande bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.Kelkbladeren 5, aan den voet wat vergroeid, de 2 binnenste wat grooter. Bloembladeren 5, het achterste grooter en met eenspoor of knobbel aan den voet. Meeldraden 10, aan de basis tot een gespleten buis vergroeid, 6 met helmknoppen, de overige zonder helmknoppen. Tegenover het groote bloemblad staan 2 klieren. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht een 3-kleppige doosvrucht. Klimmende heesters met tegenoverstaande bladerenTrigonia.143.Vochysiaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, scheef zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; één ervan vaak gespoord, afvallend; bloembladeren zelden 5, meest 3–1; slechts één vruchtbare meeldraad en eenige staminodiën; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, driehokkig, met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht niet openspringend of een doosvrucht; meest boomen met tegenoverstaande of kransstandige enkelvoudige bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 2 zaadknoppen. Kelk 5-deelig, met 4 kleine blijvende kelkbladeren en 1 grooter gespoord en spoedig afvallend kelkblad. Bloemblad 1, meeldraad 1. Vrucht met de kelkbladeren op den topErisma.Singrie-kwarrie.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig22a.Bloembladeren 3, het middelste grooter dan de zijdelingsche. Kelk 5-tallig, 4 slippen klein, het 5degrooter gespoord. Meeldraad 1. Bloemen geelVochysia.Kwarrie.2b.Bloemblad 1 (soms 2). Een van de 5 kelkbladeren met een spoor of knobbel. Meeldraad 1. Bloemen meest blauw of witQualea.Kwarrie.145.Polygalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; van de 5 kelkbladeren zijn er 2 bloembladachtig en vergroot; bloembladeren 3; meeldraden 8, in twee groepen van 4; vruchtbeginsel tweehokkig met 1, zelden 2–4 zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren.1a.Kelk met de bloembladeren en de meeldraden tot een buis vergroeid. Vrije kelkslippen 5. Bloemkroon 5-spletig, een van de bloembladeren gevouwen. Meeldraden in 2 bundels ieder met 4 helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Heesters of boomen, met dikke leerachtige bladerenMoutabea.1b.Kelk met de bloembladeren niet vergroeid22a.Vrucht een doosvrucht, ongevleugeld42b.Vrucht een gevleugelde noot33a.Lianen met violette of paarsche bloemen in okselstandige trossen. Bloembladeren 3, waarvan het helmvormige met een aanhangsel op de achterzijde.Vrucht met een vleugel op de rugzijdeSecuridaca.3b.Heesters, niet windend. Bloemblad zonder aanhangsel op de rugzijde. Vrucht rondom gevleugeldMonnina.4a.Meest kruidachtige planten, soms kleine heesters. Bloemen in lange of dichte trossen. Doosvrucht rondachtig, zaden kort behaardPolygala.4b.Heesters. Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Doosvrucht lang-wigvormig. Zaden met lange harenBredemeyera.146.Dichapetalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig oféénslachtigregelmatig of soms zygomorf; bloemas uitgroeiend tot schubben of een komvormige schijf; kelk vergroeid- oflosbladig; bloembladeren raak tweespletig, gelijk of ongelijk van vorm, vrij of tot een buis vergroeid; meeldraden 5, vrij of met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht met een 1–2-hokkige pit; lianen of boomen met gaafrandige bladeren met steunbladeren.Bloemen met 4–5 ongelijke kelkbladeren, 4–5 bloemkroonslippen, waarvan er 2 of 1 grooter zijn dan de andere en 2-spletig met concave lobben. Meeldraden meest 5, waarvan maar 2 met helmknoppen; een enkele maal alle 5 vruchtbaar. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig. Heesters of boomenTapura.147.Euphorbiaceae.Bloemen steeds éénslachtig, met kelk en bloemkroon, of met een kelk alleenofnaakt; meeldraden evenveel als kelkbladeren of evenveel of dubbel zooveel, of talrijke of weinige tot 1; vruchtbeginsel 3-hokkig, zelden 2-, 4- of meerhokkig; vrucht meest zich splitsend in 3 deelvruchten, met 1 of 2 zaden; zelden een bes of een steenvrucht; kruiden of houtige planten, meest met verspreide bladeren, vaak met steunbladeren, en melksap.1a.Bloemen tweehuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op verschillende planten21b.Bloemen éénhuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op denzelfden plant, vaak zelfs in dezelfde bloeiwijze152a.Alleen ♂ bloemen aanwezig32b.Alleen ♀ bloemen aanwezig93a.Kelk en bloembladeren beiden aanwezig43b.Alleen een kelk aanwezig54a.Meeldraden 5, vergroeid om het steriele vruchtbeginsel, in den knop rechtopstaand. Bloembladeren 5 of minder. Boomen met okselstandige bloemgroepen en enkelvoudige leerachtige bladerenDiscocarpus.4b.Meeldraden meest 10–20, soms 5, maar in ieder geval niet vergroeid en geen steriel vruchtbeginsel in de ♂ bloem. Helmdraden in den knop naar binnen gebogen. Heesters of kruiden, meest behaarde of beschubde bladeren. Bladeren gedeeld of ongedeeldCroton.5a.Meeldraden minder dan 1065b.Meeldraden meer dan 10, meest vele, de buitenste zonder helmknoppen. Kelk 3–4-deelig. Geen rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Bloemen in vertakte eindelingsche pluimen. Boomen met enkelvoudige bladerenConceveiba.6a.Bloemen 4-tallig, meeldraden 4–876b.Bloemen 3 of 5-tallig, meeldraden soms 2 of 4, meest 3–5, of 687a.Meeldraden 6, om een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloemen in trossen of samengestelde trossen of aren. Bladeren met schubben. BoomenHieronymia.7b.Geen rudimentair vruchtbeginsel aanwezig. Meeldraden 6–2, vaak 3, soms met elkaar tot een zuiltje vergroeid. Kruiden of heesters. Bloemen gesteeld alleenstaand of in groepen in de bladokselsPhyllanthus.Bita-wiwirie.Finie bita.8a.Meeldraden 4. Helmknoppen geen bijzondere vorm vertoonend. Boomen of heesters, met bloemen in trossenAlchornea.8b.Meeldraden 8. Helmknoppen uit elkaar wijkend, aan den top samenhangend. Boomen of heesters met de bloemen in arenAcalypha.9a.Kelk 3-spletig. Bloemen in dichte aren, met groote roode zeer sterk vertakte stijlen en stempelsAcalypha.9b.Kelk 4–5-6-spletig of -deelig1010a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen; bloemen in trossenHieronymia.10b.Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 3 vaak vertakte stijlen of stempels1111a.Bloemen in trossen of aren1211b.Bloemen in kleine groepen of alleenstaand in de bladoksels1412a.Kelk met klieren aan de buitenzijde. Stijlen dik, 2-spletig tot tweedeelig. Vruchtbeginsel veel grooter dan de 5–10-spletige kelk, meest 3-kantig. Bloemen in een eindelingsche tros. Bladeren kaal. BoomenConceveiba.12b.Kelk zonder klieren aan de buitenzijde1313a.Discus meest ontbrekend. Kelk 4-deelig. Stijlen 2-lobbig, kort; boomen of heestersAlchornea.13b.Onder het vruchtbeginsel een ringvormige schijf of schubben. Bloembladeren soms aanwezig. Stijl enkelvoudig, of 2-spletig of de zijtakken nog enkele malen vertakt. Bladeren met schubben of harenCroton.14a.Boomen met enkelvoudige leerachtige bladeren. Bloemen zeer kort gesteeld in groepjes in de bladoksels. Bloembladeren vaak aanwezig, evenals staminodiën, soms ook beide ontbrekend. Stijlen plat, niet vergroeidDiscocarpus.14b.Kruiden of heesters, met de bladeren aan de jongste takken vaak in 2 rijen, zoodat de bebladerde tak gelijkt op een gevind blad. Bloemen duidelijk of langgesteeld. Stempels meest 2-spletigPhyllanthus.Finie-bita.Bita-wiwirie.15a.Bloemen in z.g. cyathien, d. z. bloeiwijzen, waarin één ♀ bloem in het midden staat, deze is omringd door een groot aantal ♂ bloemen, die slechts uit 1 meeldraad bestaan; het geheel is omringd door vergroeide schutbladeren, en doet dus denken aan een tweeslachtige bloem1615b.Bloemen niet in cyathien, indien een groep van bloemen omgeven is door schutbladeren, dan zijn deze niet vergroeid, en in ieder geval hebben de ♂ bloemen een kelk1716a.Cyathium regelmatig. Meest kruidenEuphorbia.16b.Cyathium zijdelings-symmetrisch met een aanhangsel. HeestersPedilanthus.17a.Een groep van mannelijke en vrouwelijke bloemen is omgeven door twee groenachtige of witte of rose, zittende, tegenoverstaande schutbladeren. Vruchtbeginsel met een lange stijl, ♂ bloemen met ongeveer 20 meeldraden. KlimplantenDalechampia.17b.Niet een groep van ♂ en ♀ bloemen door 2 schutbladeren ingehuld1818a.Boomen met 3-tallige bladeren. Helmknoppen op den top van een zuil zittend. Kelk 5-spletig. Bloemen in pluimenHevea.18b.Bladeren niet 3-tallig, soms 3–7-voudig handvormig ingesneden tot 3–7-tallig, maar dan is de plant kruidachtig1919a.Vruchtbeginsel veelhokkig, vrucht ten slotte in vele deelen uiteenvallend. Stijl lang met vele stempels. Kelk klokvormig. Meeldraden vele in rijen aan den top van een zuil. ♂ bloemen in trossen, ♀ bloemen alleenstaand. BoomenHura.Postentrie.19b.Vruchtbeginsel 2–4-, meest 3-hokkig2020a.In de ♂ en de ♀ bloemen zijn alleen meeldraden of vruchtbeginsels aanwezig; kelk en bloemkroon geheel ontbrekend. Meeldraden 12–2, stijl met 3 stempels. Heesters met enkelvoudige harde bladerenActinostemon.20b.Een kelk, of kelk en bloemkroon aanwezig2121a.Bloembladeren in de ♂ bloem aanwezig, in de ♀ bloem soms ontbrekend2221b.Bloembladeren steeds ontbrekend in ♀ en ♂ bloemen2722a.Meeldraden in den knop naar binnen gebogen, zoodat de top van de helmknop naar beneden gericht is. Meeldraden soms 5, meest 10–20, vaak nog meer dan 20. Bladeren met schubben of behaard, soms gelobd tot gedeeld. Heesters of kruidenCroton.22b.Meeldraden in den knop rechtopstaand2323a.Meeldraden 5, rondom een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloembladeren zoowel in de ♂ als de ♀ bloem aanwezig. Vruchtbeginsel met zittende schijfvormige stempel. Boomen met gaafrandige leerachtige bladeren. Bloemen in kleine groepenAmanoa.23b.Meeldraden 10 of meer2424a.Meeldraden in een zuil vergroeid, 10–302524b.Meeldraden vrij2625a.Bladeren gelobd tot gedeeld. Zuil van de meeldraden zonder rudimentair vruchtbeginsel op den top, schijf duidelijk ontwikkeld. In de ♀ bloemen soms staminodiënJatropha.25b.Bladeren lancetvormig, scherp gezaagd. Zuil van de meeldraden met een rudimentair vruchtbeginsel op den topCaperonia.26a.Meeldraden talrijk, dicht op elkaar zittend met korte helmdraden. Stijlen 3, diep 2-spletig. ♂ bloemen in enkelvoudige eindstandige trossen; ♀ bloemen slechts weinige bij elkaar. Boomen met eironde bladerenSagotia.26b.Stijlen niet ingesneden. Meeldraden 15–30. Bladeren smal, met roode of geele vlekken, kaal en glanzend. HeestersCodiaeum.27a.Mannelijke bloemen zeer groot met een zeer groot aantal (tot 1000) helmknoppen; helmdraden vertakt.Vruchtbeginsel met 3 vertakte roode stijlen.Bladeren handdeelig, schildvormigRicinus.Krapata.27b.Meeldraden niet zoo talrijk, helmdraden niet vertakt2828a.Vruchtbeginsel 4-hokkig met een dikke, eironde tot half-bolvormige stijl. Vrucht 4-lobbig met 4 ribben. Bloemen in trossen, de ♀ bloemen in het onderste deel alleenstaand of weinig bij elkaar, de ♂ bloemen in groepen, ♂ bloemen met 8–30 meeldraden, die op een kegelvormige of half-bolvormige bloembodem zitten. Heesters of kruiden met handvormige, getande bladerenPlukenetia.28b.Vruchtbeginsel 3-hokkig; stijlen 3 of 1, niet verdikt2929a.Meeldraden 10 of meer3029b.Meeldraden minder dan 10 (Zie ook Phyllanthus)3130a.Meeldraden 10–30, in verschillende kransen tot een zuil vergroeid. Vruchtbeginsel kleiner dan de kelk, met 3 stempels. Bladeren gelobd tot gedeeld. Bloemen in pluimenJatropha.30b.Meeldraden dicht gedrongen op een half-bolvormige bloembodem. Vruchtbeginsel veel langer dan de kelk, met een lange stijl en 3-spletige stempel. Bloemen in dichte en dikke trossen. Bladeren niet gelobdMabea.30c.Meeldraden 10, alle vrij, in 2 rijen, op een schijf staande, en niet tot een zuil vergroeid. Kelk groot, min of meer klokvormig 5-spletig. In de ♂ bloem soms een rudimentair vruchtbeginsel; in de ♀ bloem soms staminodiën. Stijlen 3, een weinig aan de basis vergroeid. Bladeren meest handvormig ingesneden of bijna samengesteldManihot.Cassave.31a.Heesters of boomen met de bloemen in dichte aren. ♀ bloemen met 3 groote roode, sterk vertakte stempels, met een 3-spletige kelk; ♂ bloemen met een 4-spletige kelk, met 8 meeldraden, waarvan de helmknoppen naar beneden uiteenwijken en ± gewonden zijnAcalypha.31b.Stempels niet opvallend gekleurd. Meeldraden minder dan 8 zonder bijzonder gevormde helmknoppen3232a.Bloemen in trossen of aren3332b.Bloemen alleenstaand of in groepen in de bladoksels, gesteeld. Kelkbladeren 6–4, meest in 2 kransen, ♂ bloemen met 2–6 meeldraden, meest 3 of 5 meeldraden met losse of vergroeide helmdraden (zeer zelden meer dan 6 meeldraden). Stijlen 3, vrij of vergroeid, gedeeld of ongedeeld. Bladeren vaak in 2 rijen gezeten, zoodat de bebladerde tak op een gevind blad gelijkt. Kruiden of heestersPhyllanthus.Bita-wiwirie,Finie-bita.33a.Helmdraden geheel vergroeid, alleen de helmknoppen vrij3433b.Helmdraden alleen aan de basis vergroeid3534a.Zuil van de helmdraden kort, aan den top met een dwarse verlenging aan welks einde de 2 helmknoppen zitten. Kelk 4–5-spletig. Stijl dik, aan den top 3-lobbig. Bloemen in lange met vrij groote schutbladeren bezette ijle trossen, in welker oksel een ♀ bloem en eenige ♂ bloemen zittenOmphalea.34b.Zuil van de helmdraden niet eigenaardig gevormd. Kelk 3-lobbig. Meeldraden 2, soms 1 of 3. Stijlen vergroeid. Bloeiwijze van boven dicht, met 3 ♂ bloemen bij elk schutblad, van onderen ijler met de ♀ bloemen alleenstaandMaprounea.35a.Kelk 4-deelig. Meeldraden 4. ♂ bloemen in groepen in vertakte bloeiwijzen, ♀ bloemen alleenstaand in enkelvoudige aren of trossenAlchornea.35b.Kelk in de ♂ bloemen 2- of 3-deelig of -spletig of gelobd3636a.Klimmende kruiden met behaarde, getande bladeren. Kelk 3–5-deelig. Meeldraden 3, vrij. Stijlen tot aan het midden vergroeid, van boven vrij, onvertakt. Bloemen in trossen, die van boven de ♂ van onderen de ♀ bloemen dragen of tros vertakt met een lange ♂ en een korte ♀ takTragia.36b.Boomen of heesters, niet klimmend3737a.Kelk van de ♂ bloem diep 3-deelig. Meeldraden 2 of 3 met korte helmdraden. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Bloemen in dunne trossen van onderen met alleenstaande of weinige ♀ bloemen, van boven met groepen van 2–4 ♂ bloemen. Bladeren kleinSebastiania.37b.Kelk van de ♂ bloem 2-lobbig. Meeldraden 2–3 met vrije helmknoppen. Kelk van de ♀ bloem 3-spletig of 3-deelig. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Vrucht een weinig vleezig. Bladsteel met 2 klieren aan den top. Bloemen in aren; ♂ bloemen 3 of meer per schutblad, ♀ bloemen alleenstaand bij het schutblad onder aan de aarSapium.(Excoecaria).
Orde:Geraniales.130.Oxalidaceae.Bloemen 5-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, zelden vrouwelijk, zonder discus; meeldraden 10, van onderen vergroeid; vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een bes; meest overblijvende kruiden, zelden houtige planten met meest samengestelde bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Kruiden met 3-tallige bladeren, het eindblaadje langer gesteeld. Meeldraden 10, afwisselend langer en korter; vrucht een doosvruchtOxalis.1b.Boomen met oneven gevinde bladeren.Bloemen in trosjes uit de stam of uit de houtige takken te voorschijn komend. Vrucht een besAverrhoa.Birambi.132.Linaceae.Bloemen 5- tot 4-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; discus ontbrekend; meeldraden 5–20, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, met 5tot minder hokjes; 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een steenvrucht; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren, met of zonder steunbladeren.Boomen of heesters met kleine bloemen in pluimen. Bladeren met een dikke hoofdnerf en vele evenwijdige zijnerven, aan de basis langs de bladsteel afloopend. Kelk- en bloembladeren 5, meeldraden 10, vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlenRoucheria.133.Humiriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; om het bovenstandige vruchtbeginsel een bekervormige schijf, meeldraden 10 tot vele; vruchtbeginsel 5-hokkig, met één stijl; 1–2 zaadknoppen in elk hokje; vrucht een steenvrucht; boomen met verspreide enkelvoudige bladeren metsteunbladeren.1a.Bladeren aan den voet geleidelijk in de gevleugelde bladsteel versmald, aan den top afgerond, ingesneden of met een korte punt. Hoofdnerf met vele dichte evenwijdige zijnerven.Meeldraden20 met behaarde helmknoppen, alle gelijk van vorm. Vruchtbeginsel met 1 stijl en een 5-lobbige stempel, 5- of soms 4-hokkig met 2 zaadknoppen per hokjeHumiria.Basra-bolletrie.1b.Bladeren aan den voet afgerond of versmald maar niet geleidelijk langs de bladsteel afloopend, naar den top toegespitst en versmald; soms aan den rand grof getand. Zijnerven niet opvallend dicht bij elkaar. Meeldraden 10 of 20, soms met eenige staminodiën ertusschen of soms zijn er 5 langere meeldraden aan den top 3-tandig met 3 helmknoppen. Helmknoppen kaal. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 zaadknop in elk hokjeSaccoglottis.134.Erythroxylaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; geen schijf; bloembladeren aan de binnenzijde met een aanhangsel of een lijst; meeldraden 10, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1–2 zaadknoppen; vrucht een steenvrucht; heesters met verspreide, enkelvoudige bladeren, met steunbladeren.Boomen of meestal heesters met takken, die vaak met een groot aantal schubben bedekt zijn. Kelkbladeren 5, bloembladeren 5, aan de binnenzijde met een 2-spletig schubje. Meeldraden 10, aan de basis tot een buis vergroeid. Vruchtbeginsel met 3 stijlen, die vaak aan de basis wat vergroeid zijn. Vrucht een eenzadige besErythroxylon.135.Zygophyllaceae.Bloemen 5–4-tallig met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; schijf ringvormig of als gynophoor ontwikkeld; meeldraden 10–8, zelden 15, aan de basis vaak met schubjes; vruchtbeginsel 5–2-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl hoekig of gegroefd; meest een doosvrucht of een splitvrucht, zelden een bes; meest heesters of boomen, zelden kruiden met tegenoverstaande of soms verspreide, gevinde bladeren, met steunbladeren.Boomen met tegenoverstaande even-gevinde, 2-jukkige bladeren. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 blauwe bloembladeren, 10 evenlange meeldraden, een tweehokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen en 1 stijl, en een platte, eenigszins hartvormige door den stijlrest gekroonde vrucht, met één zaad in elk hokjeGuajacum.137.Rutaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig of zygomorf; schijf ring- of kussenvormig, soms bekervormig; meeldraden evenveel of tweemaal zooveel als bloembladeren, soms wat minder, zelden talrijk; vruchtbeginsel bovenstandig, meerhokkig soms 5–3, die een weinig met elkaar vergroeid zijn, met 2 tot vele zaadknoppen; meest boomen en heesters met verspreide of tegenoverstaande enkelvoudige of samengestelde bladeren.1a.Kelkbladeren 5, zeer ongelijk van grootte, de beide buitenste het grootst en daarvan één veel grooter dan de bloemkroon en deze en de rest van de kelk omhullend. Bloemkroon zijdelings-symmetrisch-sympetaal. Vruchtbare meeldraden 2. Vrucht in 5–1 tweezadige nootjes uiteenvallendMonniera.1b.Kelk niet grooter dan de bloemkroon22a.Bloembladeren in een lange buis vergroeid32b.Bloembladeren vrij of bijna vrij43a.Bloemen volkomen regelmatig. Kelk klein 5-tandig; bloembladeren 5,vergroeid. Meeldraden 5, alle met helmknoppen, in een buis vergroeid, die bijna geheel met de bloemkroon samenhangt. Helmknoppen met een 2-lobbig aanhangsel aan de basis. Bladeren 3-talligTicorea.3b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch; bloemkroonbuis recht of gekromd. Meeldraden 5–8, ten deele onvruchtbaar, overigens als de vorigeGalipea.4a.Bloemen 3–4-tallig met 6 meeldraden. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Heester met 3-tallige bladeren, in de bladoksel een doorn. Vrucht een besTriphasia.4b.Bloemen 4–5-tallig, meeldraden meest meer dan 5, vaak de helmdraden min of meer met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel 5- tot meer-hokkig met meerdere zaadknoppen in elk hokje. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig, vaak met doornen in den okselCitrus.4c.Bloemen geheel 5-tallig, groot, sterk riekend, meeldraden 10, geheel vrij; bladeren gevind meest met meer dan 3 blaadjes; vruchtbeginsel meest 2-hokkig, zelden 3–5-hokkigMurraya.Limonia.138.Simarubaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; meeldraden 10 of 5, zelden vele; vruchtbeginsels 5, min of meer met elkaar vergroeid tot een bovenstandig, 5-hokkig vruchtbeginsel; boomen of heesters met verspreide of tegenoverstaande, zelden enkelvoudige, meest gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen of heesters met kleine witte of geelachtige bloemen in pluimen. Bladen gevind. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10, aan de basis met schubben, die min of meer vergroeid zijn. Vruchtbeginsel 4- of 5-hokkig op een schijf gezeten, met één stijl. Vrucht uit 4–5 deelvruchten bestaandeSimaba.1b.Heesters of kleine boomen met groote roode bloemen, 5-tallig met een lange bloemkroon. Meeldraden aan de basis met dicht behaarde schubben.Bladeren gevind, bladsteel gevleugeld. Vrucht als de vorigeQuassia.Kwassi-bita.139.Burseraceae.Bloemen 5- of 4-tallig, met 5 of 10 meeldraden, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; vruchtbeginsel 5–3-hokkig met 2 of 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; steenvrucht met 2–5 pitten of een doosvrucht; houtige planten met verspreide drietallige of onevengevinde, zelden enkelvoudige bladeren en kleine bloemen.1a.Bloemen 3-tallig. Kelk vergroeidbladig met 3 slippen. Bloemkroon klokvormig met 3 spitse slippen. Meeldraden 6, aan de basis van een dikke 6-tandige schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig met korte stijl. Bloemen meest polygaam, d. w. z. in de ♂ bloemen is het vruchtbeginsel minder goed ontwikkeld, in de ♀ hebben de helmknoppen geen stuifmeelTrattinickia.1b.Bloemen 4- of 5-tallig22a.Bloembladeren niet of nauwelijks vergroeid. Bloemen tweeslachtig of schijnbaar tweeslachtig. Meeldraden tweemaal zooveel als bloembladeren. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig; vrucht meest scheef en eenzadig. Bladeren gevind, soms alleen het eindblaadje aanwezig.Protium.Tiengie-monnie.2b.Bloembladeren tot een klokvormige bloemkroon vergroeid. Meeldraden 8–10, aan de basis van een dikke schijf met 8–10 groeven ingehecht. Helmdraden zeer kort. Vrucht meest rond, van buiten met 4–5 groeven, 4–5-hokkig met 1 zaad in elk hokje. Bladeren gevindTetragastris.140.Meliaceae.Bloemen 5-, zelden 4–7-tallig, meest met tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren, soms evenveel meeldraden; meest tweeslachtig en regelmatig; bloeias plat of tot een verschillend gevormde schijf uitgegroeid; kelk vaak vergroeidbladig, soms ook de bloembladeren;meeldraden meest tot een buis vergroeid; vruchtbeginsel meest met evenveel hokjes als er bloembladeren zijn, soms minder, met 1 stijl, en 1–2, zelden 4 tot vele zaadknoppen; vrucht zeer verschillend van vorm; boomen of heesters met gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bladeren dubbelgevind. Bloemen in pluimen; kelk 5–6-deelig, bloembladeren 5–6, veel langer dan de kelk. Meeldraden alle in een lange buis vergroeid, die aan den mond 10–12 spitse tanden draagt, waartusschen de helmknoppen ingehecht zijnMelia.1b.Bladeren enkelgevind22a.Meeldraden niet in een buis vergroeid; kelk 4–5-spletig; bloembladeren 4–5, aan de binnenzijde in het midden met een kiel of plaat, die aan de lange schijf, waarop het vruchtbeginsel zit, is vastgegroeid. Meeldraden 4–6, op den top van den schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een 5-hokkige doosvrucht. Zaden gevleugeld. Blaadjes vaak scheef aan den voetCedrela.Ceder.2b.Meeldraden in een buis vergroeid33a.Blaadjes eenigszins gekromd en opvallend scheef aan den voet. Kelkslippen afgerond aan den top. Buis der meeldraden met 10 tanden aan den rand; helmknoppen of zeer korte helmdraden tusschen de tanden ingevoegd. Vrucht een houtige, 5-kleppige doosvrucht met vele gevleugelde zadenSwietenia.3b.Blaadjes niet opvallend scheef aan den voet. Zaden niet gevleugeld44a.Helmknoppen op den rand van de buis ingehecht, niet door de buis ingesloten. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10. Schijf ontbrekend of klein. Boomen of heesters. Vrucht 2–3-hokkig met 1 of 2 zaden per hokjeTrichilia.4b.Helmknoppen meest aan de binnenzijde van de buis, ingehecht, door de buis ingesloten55a.Kelk- en bloemkroon 3–6-tallig, de bloemkroon vaak lang en van buiten soms geelachtig of wit-behaard; de kelk bekervormig. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met 1–2 zaadknoppen per hokje. Vrucht met 4–5 kleppen openspringend, met 1–2 zaden in elk hokjeGuarea.5b.Bloemen 4–5-tallig. Kelk bijna losbladig; bloemkroon kaal, kort, evenals de buis der meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met meerdere zaadknopjes per hokje, die in twee rijen boven elkaar zitten. Vrucht een groote houtige doosvrucht met 6–8 zaden in elk hokjeCarapa.Krapa.141.Malpighiaceae.Bloemen 5-tallig, met 10 meeldraden, meest tweeslachtig; bloemas bolvormig of vlak; soms tot een gynophoor verlengd; kelk vaak met klieren; bloembladeren meest genageld; van de meeldraden vaak eenige zonder stuifmeel of geheel afwezig; vruchtbeginsel meest 3-hokkig,zelden 2-, 4- of 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje, vrucht een splitvrucht, met aan de rug openspringende deelvruchten, zelden een noot of een steenvrucht; bladeren meest tegenoverstaand met klieren; steunbladeren aanwezig.1a.Bloemen rose of paars21b.Bloemen wit, geel of oranje52a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen, vrucht in 2 ongevleugelde drooge vruchten uiteenvallend. Kelk met 8–10 klieren. Van de 10 meeldraden zijn er enkele onvruchtbaar; helmdraden van onderen in een behaarde ring vergroeid. Bloemen in enkelvoudige trossen, eindelings aan de bebladerde takkenSpachea.2b.Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen. Bloemen nooit in enkelvoudige trossen33a.Bloemen in dichte pluimen, met groote schutbladeren en bloemsteelbladeren. Kelkbladeren lang en smalmet 4 klieren. Helmdraden aan de basis vergroeid. Vruchtbeginsel dicht behaard. Deelvrucht met 5 vrijwel gelijke evenwijdige vleugels. Bladeren fluweelig grijs behaard met 2 klieren aan de basisJubelina.3b.Schutbladeren en bloemsteelblaadjes klein44a.Bloemen in wijde pluimen. Kelk met 8 klieren. Meeldraden ongelijk van lengte. Vruchtbeginsel behaard. Deelvrucht met een groote vliezige vleugel, bijna cirkelrond. LianenMascagnia.4b.Bloemen in kleine okselstandige groepen of trosjes; kelk met 6–10 klieren. Meeldraden kaal, van onderen in een buis vergroeid. Vrucht een steenvrucht (als een kers) met 3 geribde pitten. Heesters of boompjesMalpighia.5a.Stijlen lang en dun, naar den top spits toeloopend. Een van de concave bloembladeren merkbaar kleiner dan de andere. Helmdraden aan de basis behaard. Vrucht een steenvrucht met sappig vruchtvleesch en 1 pitByrsonima.5b.Stijlen naar den top verdikt of haakvormig gekromd66a.Bloemen in vertakte bloeiwijzen in de oksels der bladeren staande, de bloeiwijzen korter dan de bladeren. Bladeren met krachtige zijnerven. Steunblaadjes met de bladsteel vergroeid. Deelvrucht met 2 vliezige, ronde vleugelsHiraea.6b.Bloemen in eindelingsche trossen of pluimen of okselstandig, maar dan bloeiwijzen grooter dan de bladeren77a.De bloemsteel draagt halverwege 2 bloemsteelblaadjes, die geheel of bijna geheel in klieren veranderd zijn. Meeldraden kaal, tot aan het midden vergroeid. Steenvrucht met 2–3 pittenBunchosia.7b.De bloemsteel draagt geen bloemsteelblaadjes of niet-geklierde bloemsteelblaadjes88a.Stempels knopvormig, eindelingsch98b.Stempels zijdelings zittend doordat de top van den stijl rechthoekig omgebogen is of een dwarse verbreeding heeft109a.Meeldraden van onderen in een buis of ring vergroeid, ongelijk. Elke afdeeling van het vruchtbeginsel met 1 rugkam en 2 zijkammen. Deelvrucht met 4, ongeveer gelijke in in een kruis staande vleugels, daartusschen nog eenige kleine vleugeltjesTetrapteris.9b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch. Vruchtbeginsel met een rugkam. Deelvrucht met één sterk ontwikkelde rugkam, daarvóór dikwijls nog een kleiner vleugeltje dat in hetzelfde vlak ligtBanisteria.10a.Bloemen klein, regelmatig; alle 10 meeldraden met vruchtbare helmknoppen. Stijl van boven zijdelings samengedrukt, vaak naar de rugzijde in een korte haak verlengd. Vrucht als de vorige.Heteropteris.10b.Bloemen vrij groot, zijdelings-symmetrisch met 6 vruchtbare en daartusschen 4 onvruchtbare meeldraden. Stijlen van boven bladachtig verbreed. Vrucht als de vorigeStigmatophyllon.142.Trigoniaceae.Bloemen typisch 5-tallig, 2-slachtig, scheef-zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; bloembladeren 5–3, vaak zeer ongelijk; meeldraden 5, 6 of 10 (11–12); aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht; houtige planten, vaak klimmend met verspreide of tegenoverstaande bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.Kelkbladeren 5, aan den voet wat vergroeid, de 2 binnenste wat grooter. Bloembladeren 5, het achterste grooter en met eenspoor of knobbel aan den voet. Meeldraden 10, aan de basis tot een gespleten buis vergroeid, 6 met helmknoppen, de overige zonder helmknoppen. Tegenover het groote bloemblad staan 2 klieren. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht een 3-kleppige doosvrucht. Klimmende heesters met tegenoverstaande bladerenTrigonia.143.Vochysiaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, scheef zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; één ervan vaak gespoord, afvallend; bloembladeren zelden 5, meest 3–1; slechts één vruchtbare meeldraad en eenige staminodiën; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, driehokkig, met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht niet openspringend of een doosvrucht; meest boomen met tegenoverstaande of kransstandige enkelvoudige bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 2 zaadknoppen. Kelk 5-deelig, met 4 kleine blijvende kelkbladeren en 1 grooter gespoord en spoedig afvallend kelkblad. Bloemblad 1, meeldraad 1. Vrucht met de kelkbladeren op den topErisma.Singrie-kwarrie.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig22a.Bloembladeren 3, het middelste grooter dan de zijdelingsche. Kelk 5-tallig, 4 slippen klein, het 5degrooter gespoord. Meeldraad 1. Bloemen geelVochysia.Kwarrie.2b.Bloemblad 1 (soms 2). Een van de 5 kelkbladeren met een spoor of knobbel. Meeldraad 1. Bloemen meest blauw of witQualea.Kwarrie.145.Polygalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; van de 5 kelkbladeren zijn er 2 bloembladachtig en vergroot; bloembladeren 3; meeldraden 8, in twee groepen van 4; vruchtbeginsel tweehokkig met 1, zelden 2–4 zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren.1a.Kelk met de bloembladeren en de meeldraden tot een buis vergroeid. Vrije kelkslippen 5. Bloemkroon 5-spletig, een van de bloembladeren gevouwen. Meeldraden in 2 bundels ieder met 4 helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Heesters of boomen, met dikke leerachtige bladerenMoutabea.1b.Kelk met de bloembladeren niet vergroeid22a.Vrucht een doosvrucht, ongevleugeld42b.Vrucht een gevleugelde noot33a.Lianen met violette of paarsche bloemen in okselstandige trossen. Bloembladeren 3, waarvan het helmvormige met een aanhangsel op de achterzijde.Vrucht met een vleugel op de rugzijdeSecuridaca.3b.Heesters, niet windend. Bloemblad zonder aanhangsel op de rugzijde. Vrucht rondom gevleugeldMonnina.4a.Meest kruidachtige planten, soms kleine heesters. Bloemen in lange of dichte trossen. Doosvrucht rondachtig, zaden kort behaardPolygala.4b.Heesters. Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Doosvrucht lang-wigvormig. Zaden met lange harenBredemeyera.146.Dichapetalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig oféénslachtigregelmatig of soms zygomorf; bloemas uitgroeiend tot schubben of een komvormige schijf; kelk vergroeid- oflosbladig; bloembladeren raak tweespletig, gelijk of ongelijk van vorm, vrij of tot een buis vergroeid; meeldraden 5, vrij of met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht met een 1–2-hokkige pit; lianen of boomen met gaafrandige bladeren met steunbladeren.Bloemen met 4–5 ongelijke kelkbladeren, 4–5 bloemkroonslippen, waarvan er 2 of 1 grooter zijn dan de andere en 2-spletig met concave lobben. Meeldraden meest 5, waarvan maar 2 met helmknoppen; een enkele maal alle 5 vruchtbaar. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig. Heesters of boomenTapura.147.Euphorbiaceae.Bloemen steeds éénslachtig, met kelk en bloemkroon, of met een kelk alleenofnaakt; meeldraden evenveel als kelkbladeren of evenveel of dubbel zooveel, of talrijke of weinige tot 1; vruchtbeginsel 3-hokkig, zelden 2-, 4- of meerhokkig; vrucht meest zich splitsend in 3 deelvruchten, met 1 of 2 zaden; zelden een bes of een steenvrucht; kruiden of houtige planten, meest met verspreide bladeren, vaak met steunbladeren, en melksap.1a.Bloemen tweehuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op verschillende planten21b.Bloemen éénhuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op denzelfden plant, vaak zelfs in dezelfde bloeiwijze152a.Alleen ♂ bloemen aanwezig32b.Alleen ♀ bloemen aanwezig93a.Kelk en bloembladeren beiden aanwezig43b.Alleen een kelk aanwezig54a.Meeldraden 5, vergroeid om het steriele vruchtbeginsel, in den knop rechtopstaand. Bloembladeren 5 of minder. Boomen met okselstandige bloemgroepen en enkelvoudige leerachtige bladerenDiscocarpus.4b.Meeldraden meest 10–20, soms 5, maar in ieder geval niet vergroeid en geen steriel vruchtbeginsel in de ♂ bloem. Helmdraden in den knop naar binnen gebogen. Heesters of kruiden, meest behaarde of beschubde bladeren. Bladeren gedeeld of ongedeeldCroton.5a.Meeldraden minder dan 1065b.Meeldraden meer dan 10, meest vele, de buitenste zonder helmknoppen. Kelk 3–4-deelig. Geen rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Bloemen in vertakte eindelingsche pluimen. Boomen met enkelvoudige bladerenConceveiba.6a.Bloemen 4-tallig, meeldraden 4–876b.Bloemen 3 of 5-tallig, meeldraden soms 2 of 4, meest 3–5, of 687a.Meeldraden 6, om een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloemen in trossen of samengestelde trossen of aren. Bladeren met schubben. BoomenHieronymia.7b.Geen rudimentair vruchtbeginsel aanwezig. Meeldraden 6–2, vaak 3, soms met elkaar tot een zuiltje vergroeid. Kruiden of heesters. Bloemen gesteeld alleenstaand of in groepen in de bladokselsPhyllanthus.Bita-wiwirie.Finie bita.8a.Meeldraden 4. Helmknoppen geen bijzondere vorm vertoonend. Boomen of heesters, met bloemen in trossenAlchornea.8b.Meeldraden 8. Helmknoppen uit elkaar wijkend, aan den top samenhangend. Boomen of heesters met de bloemen in arenAcalypha.9a.Kelk 3-spletig. Bloemen in dichte aren, met groote roode zeer sterk vertakte stijlen en stempelsAcalypha.9b.Kelk 4–5-6-spletig of -deelig1010a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen; bloemen in trossenHieronymia.10b.Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 3 vaak vertakte stijlen of stempels1111a.Bloemen in trossen of aren1211b.Bloemen in kleine groepen of alleenstaand in de bladoksels1412a.Kelk met klieren aan de buitenzijde. Stijlen dik, 2-spletig tot tweedeelig. Vruchtbeginsel veel grooter dan de 5–10-spletige kelk, meest 3-kantig. Bloemen in een eindelingsche tros. Bladeren kaal. BoomenConceveiba.12b.Kelk zonder klieren aan de buitenzijde1313a.Discus meest ontbrekend. Kelk 4-deelig. Stijlen 2-lobbig, kort; boomen of heestersAlchornea.13b.Onder het vruchtbeginsel een ringvormige schijf of schubben. Bloembladeren soms aanwezig. Stijl enkelvoudig, of 2-spletig of de zijtakken nog enkele malen vertakt. Bladeren met schubben of harenCroton.14a.Boomen met enkelvoudige leerachtige bladeren. Bloemen zeer kort gesteeld in groepjes in de bladoksels. Bloembladeren vaak aanwezig, evenals staminodiën, soms ook beide ontbrekend. Stijlen plat, niet vergroeidDiscocarpus.14b.Kruiden of heesters, met de bladeren aan de jongste takken vaak in 2 rijen, zoodat de bebladerde tak gelijkt op een gevind blad. Bloemen duidelijk of langgesteeld. Stempels meest 2-spletigPhyllanthus.Finie-bita.Bita-wiwirie.15a.Bloemen in z.g. cyathien, d. z. bloeiwijzen, waarin één ♀ bloem in het midden staat, deze is omringd door een groot aantal ♂ bloemen, die slechts uit 1 meeldraad bestaan; het geheel is omringd door vergroeide schutbladeren, en doet dus denken aan een tweeslachtige bloem1615b.Bloemen niet in cyathien, indien een groep van bloemen omgeven is door schutbladeren, dan zijn deze niet vergroeid, en in ieder geval hebben de ♂ bloemen een kelk1716a.Cyathium regelmatig. Meest kruidenEuphorbia.16b.Cyathium zijdelings-symmetrisch met een aanhangsel. HeestersPedilanthus.17a.Een groep van mannelijke en vrouwelijke bloemen is omgeven door twee groenachtige of witte of rose, zittende, tegenoverstaande schutbladeren. Vruchtbeginsel met een lange stijl, ♂ bloemen met ongeveer 20 meeldraden. KlimplantenDalechampia.17b.Niet een groep van ♂ en ♀ bloemen door 2 schutbladeren ingehuld1818a.Boomen met 3-tallige bladeren. Helmknoppen op den top van een zuil zittend. Kelk 5-spletig. Bloemen in pluimenHevea.18b.Bladeren niet 3-tallig, soms 3–7-voudig handvormig ingesneden tot 3–7-tallig, maar dan is de plant kruidachtig1919a.Vruchtbeginsel veelhokkig, vrucht ten slotte in vele deelen uiteenvallend. Stijl lang met vele stempels. Kelk klokvormig. Meeldraden vele in rijen aan den top van een zuil. ♂ bloemen in trossen, ♀ bloemen alleenstaand. BoomenHura.Postentrie.19b.Vruchtbeginsel 2–4-, meest 3-hokkig2020a.In de ♂ en de ♀ bloemen zijn alleen meeldraden of vruchtbeginsels aanwezig; kelk en bloemkroon geheel ontbrekend. Meeldraden 12–2, stijl met 3 stempels. Heesters met enkelvoudige harde bladerenActinostemon.20b.Een kelk, of kelk en bloemkroon aanwezig2121a.Bloembladeren in de ♂ bloem aanwezig, in de ♀ bloem soms ontbrekend2221b.Bloembladeren steeds ontbrekend in ♀ en ♂ bloemen2722a.Meeldraden in den knop naar binnen gebogen, zoodat de top van de helmknop naar beneden gericht is. Meeldraden soms 5, meest 10–20, vaak nog meer dan 20. Bladeren met schubben of behaard, soms gelobd tot gedeeld. Heesters of kruidenCroton.22b.Meeldraden in den knop rechtopstaand2323a.Meeldraden 5, rondom een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloembladeren zoowel in de ♂ als de ♀ bloem aanwezig. Vruchtbeginsel met zittende schijfvormige stempel. Boomen met gaafrandige leerachtige bladeren. Bloemen in kleine groepenAmanoa.23b.Meeldraden 10 of meer2424a.Meeldraden in een zuil vergroeid, 10–302524b.Meeldraden vrij2625a.Bladeren gelobd tot gedeeld. Zuil van de meeldraden zonder rudimentair vruchtbeginsel op den top, schijf duidelijk ontwikkeld. In de ♀ bloemen soms staminodiënJatropha.25b.Bladeren lancetvormig, scherp gezaagd. Zuil van de meeldraden met een rudimentair vruchtbeginsel op den topCaperonia.26a.Meeldraden talrijk, dicht op elkaar zittend met korte helmdraden. Stijlen 3, diep 2-spletig. ♂ bloemen in enkelvoudige eindstandige trossen; ♀ bloemen slechts weinige bij elkaar. Boomen met eironde bladerenSagotia.26b.Stijlen niet ingesneden. Meeldraden 15–30. Bladeren smal, met roode of geele vlekken, kaal en glanzend. HeestersCodiaeum.27a.Mannelijke bloemen zeer groot met een zeer groot aantal (tot 1000) helmknoppen; helmdraden vertakt.Vruchtbeginsel met 3 vertakte roode stijlen.Bladeren handdeelig, schildvormigRicinus.Krapata.27b.Meeldraden niet zoo talrijk, helmdraden niet vertakt2828a.Vruchtbeginsel 4-hokkig met een dikke, eironde tot half-bolvormige stijl. Vrucht 4-lobbig met 4 ribben. Bloemen in trossen, de ♀ bloemen in het onderste deel alleenstaand of weinig bij elkaar, de ♂ bloemen in groepen, ♂ bloemen met 8–30 meeldraden, die op een kegelvormige of half-bolvormige bloembodem zitten. Heesters of kruiden met handvormige, getande bladerenPlukenetia.28b.Vruchtbeginsel 3-hokkig; stijlen 3 of 1, niet verdikt2929a.Meeldraden 10 of meer3029b.Meeldraden minder dan 10 (Zie ook Phyllanthus)3130a.Meeldraden 10–30, in verschillende kransen tot een zuil vergroeid. Vruchtbeginsel kleiner dan de kelk, met 3 stempels. Bladeren gelobd tot gedeeld. Bloemen in pluimenJatropha.30b.Meeldraden dicht gedrongen op een half-bolvormige bloembodem. Vruchtbeginsel veel langer dan de kelk, met een lange stijl en 3-spletige stempel. Bloemen in dichte en dikke trossen. Bladeren niet gelobdMabea.30c.Meeldraden 10, alle vrij, in 2 rijen, op een schijf staande, en niet tot een zuil vergroeid. Kelk groot, min of meer klokvormig 5-spletig. In de ♂ bloem soms een rudimentair vruchtbeginsel; in de ♀ bloem soms staminodiën. Stijlen 3, een weinig aan de basis vergroeid. Bladeren meest handvormig ingesneden of bijna samengesteldManihot.Cassave.31a.Heesters of boomen met de bloemen in dichte aren. ♀ bloemen met 3 groote roode, sterk vertakte stempels, met een 3-spletige kelk; ♂ bloemen met een 4-spletige kelk, met 8 meeldraden, waarvan de helmknoppen naar beneden uiteenwijken en ± gewonden zijnAcalypha.31b.Stempels niet opvallend gekleurd. Meeldraden minder dan 8 zonder bijzonder gevormde helmknoppen3232a.Bloemen in trossen of aren3332b.Bloemen alleenstaand of in groepen in de bladoksels, gesteeld. Kelkbladeren 6–4, meest in 2 kransen, ♂ bloemen met 2–6 meeldraden, meest 3 of 5 meeldraden met losse of vergroeide helmdraden (zeer zelden meer dan 6 meeldraden). Stijlen 3, vrij of vergroeid, gedeeld of ongedeeld. Bladeren vaak in 2 rijen gezeten, zoodat de bebladerde tak op een gevind blad gelijkt. Kruiden of heestersPhyllanthus.Bita-wiwirie,Finie-bita.33a.Helmdraden geheel vergroeid, alleen de helmknoppen vrij3433b.Helmdraden alleen aan de basis vergroeid3534a.Zuil van de helmdraden kort, aan den top met een dwarse verlenging aan welks einde de 2 helmknoppen zitten. Kelk 4–5-spletig. Stijl dik, aan den top 3-lobbig. Bloemen in lange met vrij groote schutbladeren bezette ijle trossen, in welker oksel een ♀ bloem en eenige ♂ bloemen zittenOmphalea.34b.Zuil van de helmdraden niet eigenaardig gevormd. Kelk 3-lobbig. Meeldraden 2, soms 1 of 3. Stijlen vergroeid. Bloeiwijze van boven dicht, met 3 ♂ bloemen bij elk schutblad, van onderen ijler met de ♀ bloemen alleenstaandMaprounea.35a.Kelk 4-deelig. Meeldraden 4. ♂ bloemen in groepen in vertakte bloeiwijzen, ♀ bloemen alleenstaand in enkelvoudige aren of trossenAlchornea.35b.Kelk in de ♂ bloemen 2- of 3-deelig of -spletig of gelobd3636a.Klimmende kruiden met behaarde, getande bladeren. Kelk 3–5-deelig. Meeldraden 3, vrij. Stijlen tot aan het midden vergroeid, van boven vrij, onvertakt. Bloemen in trossen, die van boven de ♂ van onderen de ♀ bloemen dragen of tros vertakt met een lange ♂ en een korte ♀ takTragia.36b.Boomen of heesters, niet klimmend3737a.Kelk van de ♂ bloem diep 3-deelig. Meeldraden 2 of 3 met korte helmdraden. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Bloemen in dunne trossen van onderen met alleenstaande of weinige ♀ bloemen, van boven met groepen van 2–4 ♂ bloemen. Bladeren kleinSebastiania.37b.Kelk van de ♂ bloem 2-lobbig. Meeldraden 2–3 met vrije helmknoppen. Kelk van de ♀ bloem 3-spletig of 3-deelig. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Vrucht een weinig vleezig. Bladsteel met 2 klieren aan den top. Bloemen in aren; ♂ bloemen 3 of meer per schutblad, ♀ bloemen alleenstaand bij het schutblad onder aan de aarSapium.(Excoecaria).
130.Oxalidaceae.Bloemen 5-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, zelden vrouwelijk, zonder discus; meeldraden 10, van onderen vergroeid; vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een bes; meest overblijvende kruiden, zelden houtige planten met meest samengestelde bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Kruiden met 3-tallige bladeren, het eindblaadje langer gesteeld. Meeldraden 10, afwisselend langer en korter; vrucht een doosvruchtOxalis.1b.Boomen met oneven gevinde bladeren.Bloemen in trosjes uit de stam of uit de houtige takken te voorschijn komend. Vrucht een besAverrhoa.Birambi.
130.Oxalidaceae.
Bloemen 5-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, zelden vrouwelijk, zonder discus; meeldraden 10, van onderen vergroeid; vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een bes; meest overblijvende kruiden, zelden houtige planten met meest samengestelde bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Kruiden met 3-tallige bladeren, het eindblaadje langer gesteeld. Meeldraden 10, afwisselend langer en korter; vrucht een doosvruchtOxalis.1b.Boomen met oneven gevinde bladeren.Bloemen in trosjes uit de stam of uit de houtige takken te voorschijn komend. Vrucht een besAverrhoa.Birambi.
Bloemen 5-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, zelden vrouwelijk, zonder discus; meeldraden 10, van onderen vergroeid; vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een bes; meest overblijvende kruiden, zelden houtige planten met meest samengestelde bladeren met of zonder steunbladeren.
1a.Kruiden met 3-tallige bladeren, het eindblaadje langer gesteeld. Meeldraden 10, afwisselend langer en korter; vrucht een doosvruchtOxalis.
1b.Boomen met oneven gevinde bladeren.Bloemen in trosjes uit de stam of uit de houtige takken te voorschijn komend. Vrucht een besAverrhoa.Birambi.
132.Linaceae.Bloemen 5- tot 4-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; discus ontbrekend; meeldraden 5–20, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, met 5tot minder hokjes; 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een steenvrucht; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren, met of zonder steunbladeren.Boomen of heesters met kleine bloemen in pluimen. Bladeren met een dikke hoofdnerf en vele evenwijdige zijnerven, aan de basis langs de bladsteel afloopend. Kelk- en bloembladeren 5, meeldraden 10, vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlenRoucheria.
132.Linaceae.
Bloemen 5- tot 4-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; discus ontbrekend; meeldraden 5–20, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, met 5tot minder hokjes; 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een steenvrucht; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren, met of zonder steunbladeren.Boomen of heesters met kleine bloemen in pluimen. Bladeren met een dikke hoofdnerf en vele evenwijdige zijnerven, aan de basis langs de bladsteel afloopend. Kelk- en bloembladeren 5, meeldraden 10, vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlenRoucheria.
Bloemen 5- tot 4-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; discus ontbrekend; meeldraden 5–20, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, met 5tot minder hokjes; 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een steenvrucht; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren, met of zonder steunbladeren.
Boomen of heesters met kleine bloemen in pluimen. Bladeren met een dikke hoofdnerf en vele evenwijdige zijnerven, aan de basis langs de bladsteel afloopend. Kelk- en bloembladeren 5, meeldraden 10, vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlenRoucheria.
133.Humiriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; om het bovenstandige vruchtbeginsel een bekervormige schijf, meeldraden 10 tot vele; vruchtbeginsel 5-hokkig, met één stijl; 1–2 zaadknoppen in elk hokje; vrucht een steenvrucht; boomen met verspreide enkelvoudige bladeren metsteunbladeren.1a.Bladeren aan den voet geleidelijk in de gevleugelde bladsteel versmald, aan den top afgerond, ingesneden of met een korte punt. Hoofdnerf met vele dichte evenwijdige zijnerven.Meeldraden20 met behaarde helmknoppen, alle gelijk van vorm. Vruchtbeginsel met 1 stijl en een 5-lobbige stempel, 5- of soms 4-hokkig met 2 zaadknoppen per hokjeHumiria.Basra-bolletrie.1b.Bladeren aan den voet afgerond of versmald maar niet geleidelijk langs de bladsteel afloopend, naar den top toegespitst en versmald; soms aan den rand grof getand. Zijnerven niet opvallend dicht bij elkaar. Meeldraden 10 of 20, soms met eenige staminodiën ertusschen of soms zijn er 5 langere meeldraden aan den top 3-tandig met 3 helmknoppen. Helmknoppen kaal. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 zaadknop in elk hokjeSaccoglottis.
133.Humiriaceae.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; om het bovenstandige vruchtbeginsel een bekervormige schijf, meeldraden 10 tot vele; vruchtbeginsel 5-hokkig, met één stijl; 1–2 zaadknoppen in elk hokje; vrucht een steenvrucht; boomen met verspreide enkelvoudige bladeren metsteunbladeren.1a.Bladeren aan den voet geleidelijk in de gevleugelde bladsteel versmald, aan den top afgerond, ingesneden of met een korte punt. Hoofdnerf met vele dichte evenwijdige zijnerven.Meeldraden20 met behaarde helmknoppen, alle gelijk van vorm. Vruchtbeginsel met 1 stijl en een 5-lobbige stempel, 5- of soms 4-hokkig met 2 zaadknoppen per hokjeHumiria.Basra-bolletrie.1b.Bladeren aan den voet afgerond of versmald maar niet geleidelijk langs de bladsteel afloopend, naar den top toegespitst en versmald; soms aan den rand grof getand. Zijnerven niet opvallend dicht bij elkaar. Meeldraden 10 of 20, soms met eenige staminodiën ertusschen of soms zijn er 5 langere meeldraden aan den top 3-tandig met 3 helmknoppen. Helmknoppen kaal. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 zaadknop in elk hokjeSaccoglottis.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; om het bovenstandige vruchtbeginsel een bekervormige schijf, meeldraden 10 tot vele; vruchtbeginsel 5-hokkig, met één stijl; 1–2 zaadknoppen in elk hokje; vrucht een steenvrucht; boomen met verspreide enkelvoudige bladeren metsteunbladeren.
1a.Bladeren aan den voet geleidelijk in de gevleugelde bladsteel versmald, aan den top afgerond, ingesneden of met een korte punt. Hoofdnerf met vele dichte evenwijdige zijnerven.Meeldraden20 met behaarde helmknoppen, alle gelijk van vorm. Vruchtbeginsel met 1 stijl en een 5-lobbige stempel, 5- of soms 4-hokkig met 2 zaadknoppen per hokjeHumiria.Basra-bolletrie.
1b.Bladeren aan den voet afgerond of versmald maar niet geleidelijk langs de bladsteel afloopend, naar den top toegespitst en versmald; soms aan den rand grof getand. Zijnerven niet opvallend dicht bij elkaar. Meeldraden 10 of 20, soms met eenige staminodiën ertusschen of soms zijn er 5 langere meeldraden aan den top 3-tandig met 3 helmknoppen. Helmknoppen kaal. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 zaadknop in elk hokjeSaccoglottis.
134.Erythroxylaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; geen schijf; bloembladeren aan de binnenzijde met een aanhangsel of een lijst; meeldraden 10, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1–2 zaadknoppen; vrucht een steenvrucht; heesters met verspreide, enkelvoudige bladeren, met steunbladeren.Boomen of meestal heesters met takken, die vaak met een groot aantal schubben bedekt zijn. Kelkbladeren 5, bloembladeren 5, aan de binnenzijde met een 2-spletig schubje. Meeldraden 10, aan de basis tot een buis vergroeid. Vruchtbeginsel met 3 stijlen, die vaak aan de basis wat vergroeid zijn. Vrucht een eenzadige besErythroxylon.
134.Erythroxylaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; geen schijf; bloembladeren aan de binnenzijde met een aanhangsel of een lijst; meeldraden 10, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1–2 zaadknoppen; vrucht een steenvrucht; heesters met verspreide, enkelvoudige bladeren, met steunbladeren.Boomen of meestal heesters met takken, die vaak met een groot aantal schubben bedekt zijn. Kelkbladeren 5, bloembladeren 5, aan de binnenzijde met een 2-spletig schubje. Meeldraden 10, aan de basis tot een buis vergroeid. Vruchtbeginsel met 3 stijlen, die vaak aan de basis wat vergroeid zijn. Vrucht een eenzadige besErythroxylon.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; geen schijf; bloembladeren aan de binnenzijde met een aanhangsel of een lijst; meeldraden 10, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1–2 zaadknoppen; vrucht een steenvrucht; heesters met verspreide, enkelvoudige bladeren, met steunbladeren.
Boomen of meestal heesters met takken, die vaak met een groot aantal schubben bedekt zijn. Kelkbladeren 5, bloembladeren 5, aan de binnenzijde met een 2-spletig schubje. Meeldraden 10, aan de basis tot een buis vergroeid. Vruchtbeginsel met 3 stijlen, die vaak aan de basis wat vergroeid zijn. Vrucht een eenzadige besErythroxylon.
135.Zygophyllaceae.Bloemen 5–4-tallig met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; schijf ringvormig of als gynophoor ontwikkeld; meeldraden 10–8, zelden 15, aan de basis vaak met schubjes; vruchtbeginsel 5–2-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl hoekig of gegroefd; meest een doosvrucht of een splitvrucht, zelden een bes; meest heesters of boomen, zelden kruiden met tegenoverstaande of soms verspreide, gevinde bladeren, met steunbladeren.Boomen met tegenoverstaande even-gevinde, 2-jukkige bladeren. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 blauwe bloembladeren, 10 evenlange meeldraden, een tweehokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen en 1 stijl, en een platte, eenigszins hartvormige door den stijlrest gekroonde vrucht, met één zaad in elk hokjeGuajacum.
135.Zygophyllaceae.
Bloemen 5–4-tallig met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; schijf ringvormig of als gynophoor ontwikkeld; meeldraden 10–8, zelden 15, aan de basis vaak met schubjes; vruchtbeginsel 5–2-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl hoekig of gegroefd; meest een doosvrucht of een splitvrucht, zelden een bes; meest heesters of boomen, zelden kruiden met tegenoverstaande of soms verspreide, gevinde bladeren, met steunbladeren.Boomen met tegenoverstaande even-gevinde, 2-jukkige bladeren. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 blauwe bloembladeren, 10 evenlange meeldraden, een tweehokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen en 1 stijl, en een platte, eenigszins hartvormige door den stijlrest gekroonde vrucht, met één zaad in elk hokjeGuajacum.
Bloemen 5–4-tallig met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; schijf ringvormig of als gynophoor ontwikkeld; meeldraden 10–8, zelden 15, aan de basis vaak met schubjes; vruchtbeginsel 5–2-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl hoekig of gegroefd; meest een doosvrucht of een splitvrucht, zelden een bes; meest heesters of boomen, zelden kruiden met tegenoverstaande of soms verspreide, gevinde bladeren, met steunbladeren.
Boomen met tegenoverstaande even-gevinde, 2-jukkige bladeren. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 blauwe bloembladeren, 10 evenlange meeldraden, een tweehokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen en 1 stijl, en een platte, eenigszins hartvormige door den stijlrest gekroonde vrucht, met één zaad in elk hokjeGuajacum.
137.Rutaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig of zygomorf; schijf ring- of kussenvormig, soms bekervormig; meeldraden evenveel of tweemaal zooveel als bloembladeren, soms wat minder, zelden talrijk; vruchtbeginsel bovenstandig, meerhokkig soms 5–3, die een weinig met elkaar vergroeid zijn, met 2 tot vele zaadknoppen; meest boomen en heesters met verspreide of tegenoverstaande enkelvoudige of samengestelde bladeren.1a.Kelkbladeren 5, zeer ongelijk van grootte, de beide buitenste het grootst en daarvan één veel grooter dan de bloemkroon en deze en de rest van de kelk omhullend. Bloemkroon zijdelings-symmetrisch-sympetaal. Vruchtbare meeldraden 2. Vrucht in 5–1 tweezadige nootjes uiteenvallendMonniera.1b.Kelk niet grooter dan de bloemkroon22a.Bloembladeren in een lange buis vergroeid32b.Bloembladeren vrij of bijna vrij43a.Bloemen volkomen regelmatig. Kelk klein 5-tandig; bloembladeren 5,vergroeid. Meeldraden 5, alle met helmknoppen, in een buis vergroeid, die bijna geheel met de bloemkroon samenhangt. Helmknoppen met een 2-lobbig aanhangsel aan de basis. Bladeren 3-talligTicorea.3b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch; bloemkroonbuis recht of gekromd. Meeldraden 5–8, ten deele onvruchtbaar, overigens als de vorigeGalipea.4a.Bloemen 3–4-tallig met 6 meeldraden. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Heester met 3-tallige bladeren, in de bladoksel een doorn. Vrucht een besTriphasia.4b.Bloemen 4–5-tallig, meeldraden meest meer dan 5, vaak de helmdraden min of meer met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel 5- tot meer-hokkig met meerdere zaadknoppen in elk hokje. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig, vaak met doornen in den okselCitrus.4c.Bloemen geheel 5-tallig, groot, sterk riekend, meeldraden 10, geheel vrij; bladeren gevind meest met meer dan 3 blaadjes; vruchtbeginsel meest 2-hokkig, zelden 3–5-hokkigMurraya.Limonia.
137.Rutaceae.
Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig of zygomorf; schijf ring- of kussenvormig, soms bekervormig; meeldraden evenveel of tweemaal zooveel als bloembladeren, soms wat minder, zelden talrijk; vruchtbeginsel bovenstandig, meerhokkig soms 5–3, die een weinig met elkaar vergroeid zijn, met 2 tot vele zaadknoppen; meest boomen en heesters met verspreide of tegenoverstaande enkelvoudige of samengestelde bladeren.1a.Kelkbladeren 5, zeer ongelijk van grootte, de beide buitenste het grootst en daarvan één veel grooter dan de bloemkroon en deze en de rest van de kelk omhullend. Bloemkroon zijdelings-symmetrisch-sympetaal. Vruchtbare meeldraden 2. Vrucht in 5–1 tweezadige nootjes uiteenvallendMonniera.1b.Kelk niet grooter dan de bloemkroon22a.Bloembladeren in een lange buis vergroeid32b.Bloembladeren vrij of bijna vrij43a.Bloemen volkomen regelmatig. Kelk klein 5-tandig; bloembladeren 5,vergroeid. Meeldraden 5, alle met helmknoppen, in een buis vergroeid, die bijna geheel met de bloemkroon samenhangt. Helmknoppen met een 2-lobbig aanhangsel aan de basis. Bladeren 3-talligTicorea.3b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch; bloemkroonbuis recht of gekromd. Meeldraden 5–8, ten deele onvruchtbaar, overigens als de vorigeGalipea.4a.Bloemen 3–4-tallig met 6 meeldraden. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Heester met 3-tallige bladeren, in de bladoksel een doorn. Vrucht een besTriphasia.4b.Bloemen 4–5-tallig, meeldraden meest meer dan 5, vaak de helmdraden min of meer met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel 5- tot meer-hokkig met meerdere zaadknoppen in elk hokje. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig, vaak met doornen in den okselCitrus.4c.Bloemen geheel 5-tallig, groot, sterk riekend, meeldraden 10, geheel vrij; bladeren gevind meest met meer dan 3 blaadjes; vruchtbeginsel meest 2-hokkig, zelden 3–5-hokkigMurraya.Limonia.
Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig of zygomorf; schijf ring- of kussenvormig, soms bekervormig; meeldraden evenveel of tweemaal zooveel als bloembladeren, soms wat minder, zelden talrijk; vruchtbeginsel bovenstandig, meerhokkig soms 5–3, die een weinig met elkaar vergroeid zijn, met 2 tot vele zaadknoppen; meest boomen en heesters met verspreide of tegenoverstaande enkelvoudige of samengestelde bladeren.
1a.Kelkbladeren 5, zeer ongelijk van grootte, de beide buitenste het grootst en daarvan één veel grooter dan de bloemkroon en deze en de rest van de kelk omhullend. Bloemkroon zijdelings-symmetrisch-sympetaal. Vruchtbare meeldraden 2. Vrucht in 5–1 tweezadige nootjes uiteenvallendMonniera.
1b.Kelk niet grooter dan de bloemkroon2
2a.Bloembladeren in een lange buis vergroeid3
2b.Bloembladeren vrij of bijna vrij4
3a.Bloemen volkomen regelmatig. Kelk klein 5-tandig; bloembladeren 5,vergroeid. Meeldraden 5, alle met helmknoppen, in een buis vergroeid, die bijna geheel met de bloemkroon samenhangt. Helmknoppen met een 2-lobbig aanhangsel aan de basis. Bladeren 3-talligTicorea.
3b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch; bloemkroonbuis recht of gekromd. Meeldraden 5–8, ten deele onvruchtbaar, overigens als de vorigeGalipea.
4a.Bloemen 3–4-tallig met 6 meeldraden. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Heester met 3-tallige bladeren, in de bladoksel een doorn. Vrucht een besTriphasia.
4b.Bloemen 4–5-tallig, meeldraden meest meer dan 5, vaak de helmdraden min of meer met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel 5- tot meer-hokkig met meerdere zaadknoppen in elk hokje. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig, vaak met doornen in den okselCitrus.
4c.Bloemen geheel 5-tallig, groot, sterk riekend, meeldraden 10, geheel vrij; bladeren gevind meest met meer dan 3 blaadjes; vruchtbeginsel meest 2-hokkig, zelden 3–5-hokkigMurraya.Limonia.
138.Simarubaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; meeldraden 10 of 5, zelden vele; vruchtbeginsels 5, min of meer met elkaar vergroeid tot een bovenstandig, 5-hokkig vruchtbeginsel; boomen of heesters met verspreide of tegenoverstaande, zelden enkelvoudige, meest gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen of heesters met kleine witte of geelachtige bloemen in pluimen. Bladen gevind. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10, aan de basis met schubben, die min of meer vergroeid zijn. Vruchtbeginsel 4- of 5-hokkig op een schijf gezeten, met één stijl. Vrucht uit 4–5 deelvruchten bestaandeSimaba.1b.Heesters of kleine boomen met groote roode bloemen, 5-tallig met een lange bloemkroon. Meeldraden aan de basis met dicht behaarde schubben.Bladeren gevind, bladsteel gevleugeld. Vrucht als de vorigeQuassia.Kwassi-bita.
138.Simarubaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; meeldraden 10 of 5, zelden vele; vruchtbeginsels 5, min of meer met elkaar vergroeid tot een bovenstandig, 5-hokkig vruchtbeginsel; boomen of heesters met verspreide of tegenoverstaande, zelden enkelvoudige, meest gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen of heesters met kleine witte of geelachtige bloemen in pluimen. Bladen gevind. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10, aan de basis met schubben, die min of meer vergroeid zijn. Vruchtbeginsel 4- of 5-hokkig op een schijf gezeten, met één stijl. Vrucht uit 4–5 deelvruchten bestaandeSimaba.1b.Heesters of kleine boomen met groote roode bloemen, 5-tallig met een lange bloemkroon. Meeldraden aan de basis met dicht behaarde schubben.Bladeren gevind, bladsteel gevleugeld. Vrucht als de vorigeQuassia.Kwassi-bita.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; meeldraden 10 of 5, zelden vele; vruchtbeginsels 5, min of meer met elkaar vergroeid tot een bovenstandig, 5-hokkig vruchtbeginsel; boomen of heesters met verspreide of tegenoverstaande, zelden enkelvoudige, meest gevinde bladeren zonder steunbladeren.
1a.Boomen of heesters met kleine witte of geelachtige bloemen in pluimen. Bladen gevind. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10, aan de basis met schubben, die min of meer vergroeid zijn. Vruchtbeginsel 4- of 5-hokkig op een schijf gezeten, met één stijl. Vrucht uit 4–5 deelvruchten bestaandeSimaba.
1b.Heesters of kleine boomen met groote roode bloemen, 5-tallig met een lange bloemkroon. Meeldraden aan de basis met dicht behaarde schubben.Bladeren gevind, bladsteel gevleugeld. Vrucht als de vorigeQuassia.Kwassi-bita.
139.Burseraceae.Bloemen 5- of 4-tallig, met 5 of 10 meeldraden, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; vruchtbeginsel 5–3-hokkig met 2 of 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; steenvrucht met 2–5 pitten of een doosvrucht; houtige planten met verspreide drietallige of onevengevinde, zelden enkelvoudige bladeren en kleine bloemen.1a.Bloemen 3-tallig. Kelk vergroeidbladig met 3 slippen. Bloemkroon klokvormig met 3 spitse slippen. Meeldraden 6, aan de basis van een dikke 6-tandige schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig met korte stijl. Bloemen meest polygaam, d. w. z. in de ♂ bloemen is het vruchtbeginsel minder goed ontwikkeld, in de ♀ hebben de helmknoppen geen stuifmeelTrattinickia.1b.Bloemen 4- of 5-tallig22a.Bloembladeren niet of nauwelijks vergroeid. Bloemen tweeslachtig of schijnbaar tweeslachtig. Meeldraden tweemaal zooveel als bloembladeren. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig; vrucht meest scheef en eenzadig. Bladeren gevind, soms alleen het eindblaadje aanwezig.Protium.Tiengie-monnie.2b.Bloembladeren tot een klokvormige bloemkroon vergroeid. Meeldraden 8–10, aan de basis van een dikke schijf met 8–10 groeven ingehecht. Helmdraden zeer kort. Vrucht meest rond, van buiten met 4–5 groeven, 4–5-hokkig met 1 zaad in elk hokje. Bladeren gevindTetragastris.
139.Burseraceae.
Bloemen 5- of 4-tallig, met 5 of 10 meeldraden, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; vruchtbeginsel 5–3-hokkig met 2 of 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; steenvrucht met 2–5 pitten of een doosvrucht; houtige planten met verspreide drietallige of onevengevinde, zelden enkelvoudige bladeren en kleine bloemen.1a.Bloemen 3-tallig. Kelk vergroeidbladig met 3 slippen. Bloemkroon klokvormig met 3 spitse slippen. Meeldraden 6, aan de basis van een dikke 6-tandige schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig met korte stijl. Bloemen meest polygaam, d. w. z. in de ♂ bloemen is het vruchtbeginsel minder goed ontwikkeld, in de ♀ hebben de helmknoppen geen stuifmeelTrattinickia.1b.Bloemen 4- of 5-tallig22a.Bloembladeren niet of nauwelijks vergroeid. Bloemen tweeslachtig of schijnbaar tweeslachtig. Meeldraden tweemaal zooveel als bloembladeren. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig; vrucht meest scheef en eenzadig. Bladeren gevind, soms alleen het eindblaadje aanwezig.Protium.Tiengie-monnie.2b.Bloembladeren tot een klokvormige bloemkroon vergroeid. Meeldraden 8–10, aan de basis van een dikke schijf met 8–10 groeven ingehecht. Helmdraden zeer kort. Vrucht meest rond, van buiten met 4–5 groeven, 4–5-hokkig met 1 zaad in elk hokje. Bladeren gevindTetragastris.
Bloemen 5- of 4-tallig, met 5 of 10 meeldraden, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; schijf aanwezig; vruchtbeginsel 5–3-hokkig met 2 of 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; steenvrucht met 2–5 pitten of een doosvrucht; houtige planten met verspreide drietallige of onevengevinde, zelden enkelvoudige bladeren en kleine bloemen.
1a.Bloemen 3-tallig. Kelk vergroeidbladig met 3 slippen. Bloemkroon klokvormig met 3 spitse slippen. Meeldraden 6, aan de basis van een dikke 6-tandige schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig met korte stijl. Bloemen meest polygaam, d. w. z. in de ♂ bloemen is het vruchtbeginsel minder goed ontwikkeld, in de ♀ hebben de helmknoppen geen stuifmeelTrattinickia.
1b.Bloemen 4- of 5-tallig2
2a.Bloembladeren niet of nauwelijks vergroeid. Bloemen tweeslachtig of schijnbaar tweeslachtig. Meeldraden tweemaal zooveel als bloembladeren. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig; vrucht meest scheef en eenzadig. Bladeren gevind, soms alleen het eindblaadje aanwezig.Protium.Tiengie-monnie.
2b.Bloembladeren tot een klokvormige bloemkroon vergroeid. Meeldraden 8–10, aan de basis van een dikke schijf met 8–10 groeven ingehecht. Helmdraden zeer kort. Vrucht meest rond, van buiten met 4–5 groeven, 4–5-hokkig met 1 zaad in elk hokje. Bladeren gevindTetragastris.
140.Meliaceae.Bloemen 5-, zelden 4–7-tallig, meest met tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren, soms evenveel meeldraden; meest tweeslachtig en regelmatig; bloeias plat of tot een verschillend gevormde schijf uitgegroeid; kelk vaak vergroeidbladig, soms ook de bloembladeren;meeldraden meest tot een buis vergroeid; vruchtbeginsel meest met evenveel hokjes als er bloembladeren zijn, soms minder, met 1 stijl, en 1–2, zelden 4 tot vele zaadknoppen; vrucht zeer verschillend van vorm; boomen of heesters met gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bladeren dubbelgevind. Bloemen in pluimen; kelk 5–6-deelig, bloembladeren 5–6, veel langer dan de kelk. Meeldraden alle in een lange buis vergroeid, die aan den mond 10–12 spitse tanden draagt, waartusschen de helmknoppen ingehecht zijnMelia.1b.Bladeren enkelgevind22a.Meeldraden niet in een buis vergroeid; kelk 4–5-spletig; bloembladeren 4–5, aan de binnenzijde in het midden met een kiel of plaat, die aan de lange schijf, waarop het vruchtbeginsel zit, is vastgegroeid. Meeldraden 4–6, op den top van den schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een 5-hokkige doosvrucht. Zaden gevleugeld. Blaadjes vaak scheef aan den voetCedrela.Ceder.2b.Meeldraden in een buis vergroeid33a.Blaadjes eenigszins gekromd en opvallend scheef aan den voet. Kelkslippen afgerond aan den top. Buis der meeldraden met 10 tanden aan den rand; helmknoppen of zeer korte helmdraden tusschen de tanden ingevoegd. Vrucht een houtige, 5-kleppige doosvrucht met vele gevleugelde zadenSwietenia.3b.Blaadjes niet opvallend scheef aan den voet. Zaden niet gevleugeld44a.Helmknoppen op den rand van de buis ingehecht, niet door de buis ingesloten. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10. Schijf ontbrekend of klein. Boomen of heesters. Vrucht 2–3-hokkig met 1 of 2 zaden per hokjeTrichilia.4b.Helmknoppen meest aan de binnenzijde van de buis, ingehecht, door de buis ingesloten55a.Kelk- en bloemkroon 3–6-tallig, de bloemkroon vaak lang en van buiten soms geelachtig of wit-behaard; de kelk bekervormig. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met 1–2 zaadknoppen per hokje. Vrucht met 4–5 kleppen openspringend, met 1–2 zaden in elk hokjeGuarea.5b.Bloemen 4–5-tallig. Kelk bijna losbladig; bloemkroon kaal, kort, evenals de buis der meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met meerdere zaadknopjes per hokje, die in twee rijen boven elkaar zitten. Vrucht een groote houtige doosvrucht met 6–8 zaden in elk hokjeCarapa.Krapa.
140.Meliaceae.
Bloemen 5-, zelden 4–7-tallig, meest met tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren, soms evenveel meeldraden; meest tweeslachtig en regelmatig; bloeias plat of tot een verschillend gevormde schijf uitgegroeid; kelk vaak vergroeidbladig, soms ook de bloembladeren;meeldraden meest tot een buis vergroeid; vruchtbeginsel meest met evenveel hokjes als er bloembladeren zijn, soms minder, met 1 stijl, en 1–2, zelden 4 tot vele zaadknoppen; vrucht zeer verschillend van vorm; boomen of heesters met gevinde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bladeren dubbelgevind. Bloemen in pluimen; kelk 5–6-deelig, bloembladeren 5–6, veel langer dan de kelk. Meeldraden alle in een lange buis vergroeid, die aan den mond 10–12 spitse tanden draagt, waartusschen de helmknoppen ingehecht zijnMelia.1b.Bladeren enkelgevind22a.Meeldraden niet in een buis vergroeid; kelk 4–5-spletig; bloembladeren 4–5, aan de binnenzijde in het midden met een kiel of plaat, die aan de lange schijf, waarop het vruchtbeginsel zit, is vastgegroeid. Meeldraden 4–6, op den top van den schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een 5-hokkige doosvrucht. Zaden gevleugeld. Blaadjes vaak scheef aan den voetCedrela.Ceder.2b.Meeldraden in een buis vergroeid33a.Blaadjes eenigszins gekromd en opvallend scheef aan den voet. Kelkslippen afgerond aan den top. Buis der meeldraden met 10 tanden aan den rand; helmknoppen of zeer korte helmdraden tusschen de tanden ingevoegd. Vrucht een houtige, 5-kleppige doosvrucht met vele gevleugelde zadenSwietenia.3b.Blaadjes niet opvallend scheef aan den voet. Zaden niet gevleugeld44a.Helmknoppen op den rand van de buis ingehecht, niet door de buis ingesloten. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10. Schijf ontbrekend of klein. Boomen of heesters. Vrucht 2–3-hokkig met 1 of 2 zaden per hokjeTrichilia.4b.Helmknoppen meest aan de binnenzijde van de buis, ingehecht, door de buis ingesloten55a.Kelk- en bloemkroon 3–6-tallig, de bloemkroon vaak lang en van buiten soms geelachtig of wit-behaard; de kelk bekervormig. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met 1–2 zaadknoppen per hokje. Vrucht met 4–5 kleppen openspringend, met 1–2 zaden in elk hokjeGuarea.5b.Bloemen 4–5-tallig. Kelk bijna losbladig; bloemkroon kaal, kort, evenals de buis der meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met meerdere zaadknopjes per hokje, die in twee rijen boven elkaar zitten. Vrucht een groote houtige doosvrucht met 6–8 zaden in elk hokjeCarapa.Krapa.
Bloemen 5-, zelden 4–7-tallig, meest met tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren, soms evenveel meeldraden; meest tweeslachtig en regelmatig; bloeias plat of tot een verschillend gevormde schijf uitgegroeid; kelk vaak vergroeidbladig, soms ook de bloembladeren;meeldraden meest tot een buis vergroeid; vruchtbeginsel meest met evenveel hokjes als er bloembladeren zijn, soms minder, met 1 stijl, en 1–2, zelden 4 tot vele zaadknoppen; vrucht zeer verschillend van vorm; boomen of heesters met gevinde bladeren zonder steunbladeren.
1a.Bladeren dubbelgevind. Bloemen in pluimen; kelk 5–6-deelig, bloembladeren 5–6, veel langer dan de kelk. Meeldraden alle in een lange buis vergroeid, die aan den mond 10–12 spitse tanden draagt, waartusschen de helmknoppen ingehecht zijnMelia.
1b.Bladeren enkelgevind2
2a.Meeldraden niet in een buis vergroeid; kelk 4–5-spletig; bloembladeren 4–5, aan de binnenzijde in het midden met een kiel of plaat, die aan de lange schijf, waarop het vruchtbeginsel zit, is vastgegroeid. Meeldraden 4–6, op den top van den schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een 5-hokkige doosvrucht. Zaden gevleugeld. Blaadjes vaak scheef aan den voetCedrela.Ceder.
2b.Meeldraden in een buis vergroeid3
3a.Blaadjes eenigszins gekromd en opvallend scheef aan den voet. Kelkslippen afgerond aan den top. Buis der meeldraden met 10 tanden aan den rand; helmknoppen of zeer korte helmdraden tusschen de tanden ingevoegd. Vrucht een houtige, 5-kleppige doosvrucht met vele gevleugelde zadenSwietenia.
3b.Blaadjes niet opvallend scheef aan den voet. Zaden niet gevleugeld4
4a.Helmknoppen op den rand van de buis ingehecht, niet door de buis ingesloten. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10. Schijf ontbrekend of klein. Boomen of heesters. Vrucht 2–3-hokkig met 1 of 2 zaden per hokjeTrichilia.
4b.Helmknoppen meest aan de binnenzijde van de buis, ingehecht, door de buis ingesloten5
5a.Kelk- en bloemkroon 3–6-tallig, de bloemkroon vaak lang en van buiten soms geelachtig of wit-behaard; de kelk bekervormig. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met 1–2 zaadknoppen per hokje. Vrucht met 4–5 kleppen openspringend, met 1–2 zaden in elk hokjeGuarea.
5b.Bloemen 4–5-tallig. Kelk bijna losbladig; bloemkroon kaal, kort, evenals de buis der meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met meerdere zaadknopjes per hokje, die in twee rijen boven elkaar zitten. Vrucht een groote houtige doosvrucht met 6–8 zaden in elk hokjeCarapa.Krapa.
141.Malpighiaceae.Bloemen 5-tallig, met 10 meeldraden, meest tweeslachtig; bloemas bolvormig of vlak; soms tot een gynophoor verlengd; kelk vaak met klieren; bloembladeren meest genageld; van de meeldraden vaak eenige zonder stuifmeel of geheel afwezig; vruchtbeginsel meest 3-hokkig,zelden 2-, 4- of 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje, vrucht een splitvrucht, met aan de rug openspringende deelvruchten, zelden een noot of een steenvrucht; bladeren meest tegenoverstaand met klieren; steunbladeren aanwezig.1a.Bloemen rose of paars21b.Bloemen wit, geel of oranje52a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen, vrucht in 2 ongevleugelde drooge vruchten uiteenvallend. Kelk met 8–10 klieren. Van de 10 meeldraden zijn er enkele onvruchtbaar; helmdraden van onderen in een behaarde ring vergroeid. Bloemen in enkelvoudige trossen, eindelings aan de bebladerde takkenSpachea.2b.Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen. Bloemen nooit in enkelvoudige trossen33a.Bloemen in dichte pluimen, met groote schutbladeren en bloemsteelbladeren. Kelkbladeren lang en smalmet 4 klieren. Helmdraden aan de basis vergroeid. Vruchtbeginsel dicht behaard. Deelvrucht met 5 vrijwel gelijke evenwijdige vleugels. Bladeren fluweelig grijs behaard met 2 klieren aan de basisJubelina.3b.Schutbladeren en bloemsteelblaadjes klein44a.Bloemen in wijde pluimen. Kelk met 8 klieren. Meeldraden ongelijk van lengte. Vruchtbeginsel behaard. Deelvrucht met een groote vliezige vleugel, bijna cirkelrond. LianenMascagnia.4b.Bloemen in kleine okselstandige groepen of trosjes; kelk met 6–10 klieren. Meeldraden kaal, van onderen in een buis vergroeid. Vrucht een steenvrucht (als een kers) met 3 geribde pitten. Heesters of boompjesMalpighia.5a.Stijlen lang en dun, naar den top spits toeloopend. Een van de concave bloembladeren merkbaar kleiner dan de andere. Helmdraden aan de basis behaard. Vrucht een steenvrucht met sappig vruchtvleesch en 1 pitByrsonima.5b.Stijlen naar den top verdikt of haakvormig gekromd66a.Bloemen in vertakte bloeiwijzen in de oksels der bladeren staande, de bloeiwijzen korter dan de bladeren. Bladeren met krachtige zijnerven. Steunblaadjes met de bladsteel vergroeid. Deelvrucht met 2 vliezige, ronde vleugelsHiraea.6b.Bloemen in eindelingsche trossen of pluimen of okselstandig, maar dan bloeiwijzen grooter dan de bladeren77a.De bloemsteel draagt halverwege 2 bloemsteelblaadjes, die geheel of bijna geheel in klieren veranderd zijn. Meeldraden kaal, tot aan het midden vergroeid. Steenvrucht met 2–3 pittenBunchosia.7b.De bloemsteel draagt geen bloemsteelblaadjes of niet-geklierde bloemsteelblaadjes88a.Stempels knopvormig, eindelingsch98b.Stempels zijdelings zittend doordat de top van den stijl rechthoekig omgebogen is of een dwarse verbreeding heeft109a.Meeldraden van onderen in een buis of ring vergroeid, ongelijk. Elke afdeeling van het vruchtbeginsel met 1 rugkam en 2 zijkammen. Deelvrucht met 4, ongeveer gelijke in in een kruis staande vleugels, daartusschen nog eenige kleine vleugeltjesTetrapteris.9b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch. Vruchtbeginsel met een rugkam. Deelvrucht met één sterk ontwikkelde rugkam, daarvóór dikwijls nog een kleiner vleugeltje dat in hetzelfde vlak ligtBanisteria.10a.Bloemen klein, regelmatig; alle 10 meeldraden met vruchtbare helmknoppen. Stijl van boven zijdelings samengedrukt, vaak naar de rugzijde in een korte haak verlengd. Vrucht als de vorige.Heteropteris.10b.Bloemen vrij groot, zijdelings-symmetrisch met 6 vruchtbare en daartusschen 4 onvruchtbare meeldraden. Stijlen van boven bladachtig verbreed. Vrucht als de vorigeStigmatophyllon.
141.Malpighiaceae.
Bloemen 5-tallig, met 10 meeldraden, meest tweeslachtig; bloemas bolvormig of vlak; soms tot een gynophoor verlengd; kelk vaak met klieren; bloembladeren meest genageld; van de meeldraden vaak eenige zonder stuifmeel of geheel afwezig; vruchtbeginsel meest 3-hokkig,zelden 2-, 4- of 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje, vrucht een splitvrucht, met aan de rug openspringende deelvruchten, zelden een noot of een steenvrucht; bladeren meest tegenoverstaand met klieren; steunbladeren aanwezig.1a.Bloemen rose of paars21b.Bloemen wit, geel of oranje52a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen, vrucht in 2 ongevleugelde drooge vruchten uiteenvallend. Kelk met 8–10 klieren. Van de 10 meeldraden zijn er enkele onvruchtbaar; helmdraden van onderen in een behaarde ring vergroeid. Bloemen in enkelvoudige trossen, eindelings aan de bebladerde takkenSpachea.2b.Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen. Bloemen nooit in enkelvoudige trossen33a.Bloemen in dichte pluimen, met groote schutbladeren en bloemsteelbladeren. Kelkbladeren lang en smalmet 4 klieren. Helmdraden aan de basis vergroeid. Vruchtbeginsel dicht behaard. Deelvrucht met 5 vrijwel gelijke evenwijdige vleugels. Bladeren fluweelig grijs behaard met 2 klieren aan de basisJubelina.3b.Schutbladeren en bloemsteelblaadjes klein44a.Bloemen in wijde pluimen. Kelk met 8 klieren. Meeldraden ongelijk van lengte. Vruchtbeginsel behaard. Deelvrucht met een groote vliezige vleugel, bijna cirkelrond. LianenMascagnia.4b.Bloemen in kleine okselstandige groepen of trosjes; kelk met 6–10 klieren. Meeldraden kaal, van onderen in een buis vergroeid. Vrucht een steenvrucht (als een kers) met 3 geribde pitten. Heesters of boompjesMalpighia.5a.Stijlen lang en dun, naar den top spits toeloopend. Een van de concave bloembladeren merkbaar kleiner dan de andere. Helmdraden aan de basis behaard. Vrucht een steenvrucht met sappig vruchtvleesch en 1 pitByrsonima.5b.Stijlen naar den top verdikt of haakvormig gekromd66a.Bloemen in vertakte bloeiwijzen in de oksels der bladeren staande, de bloeiwijzen korter dan de bladeren. Bladeren met krachtige zijnerven. Steunblaadjes met de bladsteel vergroeid. Deelvrucht met 2 vliezige, ronde vleugelsHiraea.6b.Bloemen in eindelingsche trossen of pluimen of okselstandig, maar dan bloeiwijzen grooter dan de bladeren77a.De bloemsteel draagt halverwege 2 bloemsteelblaadjes, die geheel of bijna geheel in klieren veranderd zijn. Meeldraden kaal, tot aan het midden vergroeid. Steenvrucht met 2–3 pittenBunchosia.7b.De bloemsteel draagt geen bloemsteelblaadjes of niet-geklierde bloemsteelblaadjes88a.Stempels knopvormig, eindelingsch98b.Stempels zijdelings zittend doordat de top van den stijl rechthoekig omgebogen is of een dwarse verbreeding heeft109a.Meeldraden van onderen in een buis of ring vergroeid, ongelijk. Elke afdeeling van het vruchtbeginsel met 1 rugkam en 2 zijkammen. Deelvrucht met 4, ongeveer gelijke in in een kruis staande vleugels, daartusschen nog eenige kleine vleugeltjesTetrapteris.9b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch. Vruchtbeginsel met een rugkam. Deelvrucht met één sterk ontwikkelde rugkam, daarvóór dikwijls nog een kleiner vleugeltje dat in hetzelfde vlak ligtBanisteria.10a.Bloemen klein, regelmatig; alle 10 meeldraden met vruchtbare helmknoppen. Stijl van boven zijdelings samengedrukt, vaak naar de rugzijde in een korte haak verlengd. Vrucht als de vorige.Heteropteris.10b.Bloemen vrij groot, zijdelings-symmetrisch met 6 vruchtbare en daartusschen 4 onvruchtbare meeldraden. Stijlen van boven bladachtig verbreed. Vrucht als de vorigeStigmatophyllon.
Bloemen 5-tallig, met 10 meeldraden, meest tweeslachtig; bloemas bolvormig of vlak; soms tot een gynophoor verlengd; kelk vaak met klieren; bloembladeren meest genageld; van de meeldraden vaak eenige zonder stuifmeel of geheel afwezig; vruchtbeginsel meest 3-hokkig,zelden 2-, 4- of 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje, vrucht een splitvrucht, met aan de rug openspringende deelvruchten, zelden een noot of een steenvrucht; bladeren meest tegenoverstaand met klieren; steunbladeren aanwezig.
1a.Bloemen rose of paars2
1b.Bloemen wit, geel of oranje5
2a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen, vrucht in 2 ongevleugelde drooge vruchten uiteenvallend. Kelk met 8–10 klieren. Van de 10 meeldraden zijn er enkele onvruchtbaar; helmdraden van onderen in een behaarde ring vergroeid. Bloemen in enkelvoudige trossen, eindelings aan de bebladerde takkenSpachea.
2b.Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen. Bloemen nooit in enkelvoudige trossen3
3a.Bloemen in dichte pluimen, met groote schutbladeren en bloemsteelbladeren. Kelkbladeren lang en smalmet 4 klieren. Helmdraden aan de basis vergroeid. Vruchtbeginsel dicht behaard. Deelvrucht met 5 vrijwel gelijke evenwijdige vleugels. Bladeren fluweelig grijs behaard met 2 klieren aan de basisJubelina.
3b.Schutbladeren en bloemsteelblaadjes klein4
4a.Bloemen in wijde pluimen. Kelk met 8 klieren. Meeldraden ongelijk van lengte. Vruchtbeginsel behaard. Deelvrucht met een groote vliezige vleugel, bijna cirkelrond. LianenMascagnia.
4b.Bloemen in kleine okselstandige groepen of trosjes; kelk met 6–10 klieren. Meeldraden kaal, van onderen in een buis vergroeid. Vrucht een steenvrucht (als een kers) met 3 geribde pitten. Heesters of boompjesMalpighia.
5a.Stijlen lang en dun, naar den top spits toeloopend. Een van de concave bloembladeren merkbaar kleiner dan de andere. Helmdraden aan de basis behaard. Vrucht een steenvrucht met sappig vruchtvleesch en 1 pitByrsonima.
5b.Stijlen naar den top verdikt of haakvormig gekromd6
6a.Bloemen in vertakte bloeiwijzen in de oksels der bladeren staande, de bloeiwijzen korter dan de bladeren. Bladeren met krachtige zijnerven. Steunblaadjes met de bladsteel vergroeid. Deelvrucht met 2 vliezige, ronde vleugelsHiraea.
6b.Bloemen in eindelingsche trossen of pluimen of okselstandig, maar dan bloeiwijzen grooter dan de bladeren7
7a.De bloemsteel draagt halverwege 2 bloemsteelblaadjes, die geheel of bijna geheel in klieren veranderd zijn. Meeldraden kaal, tot aan het midden vergroeid. Steenvrucht met 2–3 pittenBunchosia.
7b.De bloemsteel draagt geen bloemsteelblaadjes of niet-geklierde bloemsteelblaadjes8
8a.Stempels knopvormig, eindelingsch9
8b.Stempels zijdelings zittend doordat de top van den stijl rechthoekig omgebogen is of een dwarse verbreeding heeft10
9a.Meeldraden van onderen in een buis of ring vergroeid, ongelijk. Elke afdeeling van het vruchtbeginsel met 1 rugkam en 2 zijkammen. Deelvrucht met 4, ongeveer gelijke in in een kruis staande vleugels, daartusschen nog eenige kleine vleugeltjesTetrapteris.
9b.Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch. Vruchtbeginsel met een rugkam. Deelvrucht met één sterk ontwikkelde rugkam, daarvóór dikwijls nog een kleiner vleugeltje dat in hetzelfde vlak ligtBanisteria.
10a.Bloemen klein, regelmatig; alle 10 meeldraden met vruchtbare helmknoppen. Stijl van boven zijdelings samengedrukt, vaak naar de rugzijde in een korte haak verlengd. Vrucht als de vorige.Heteropteris.
10b.Bloemen vrij groot, zijdelings-symmetrisch met 6 vruchtbare en daartusschen 4 onvruchtbare meeldraden. Stijlen van boven bladachtig verbreed. Vrucht als de vorigeStigmatophyllon.
142.Trigoniaceae.Bloemen typisch 5-tallig, 2-slachtig, scheef-zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; bloembladeren 5–3, vaak zeer ongelijk; meeldraden 5, 6 of 10 (11–12); aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht; houtige planten, vaak klimmend met verspreide of tegenoverstaande bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.Kelkbladeren 5, aan den voet wat vergroeid, de 2 binnenste wat grooter. Bloembladeren 5, het achterste grooter en met eenspoor of knobbel aan den voet. Meeldraden 10, aan de basis tot een gespleten buis vergroeid, 6 met helmknoppen, de overige zonder helmknoppen. Tegenover het groote bloemblad staan 2 klieren. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht een 3-kleppige doosvrucht. Klimmende heesters met tegenoverstaande bladerenTrigonia.
142.Trigoniaceae.
Bloemen typisch 5-tallig, 2-slachtig, scheef-zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; bloembladeren 5–3, vaak zeer ongelijk; meeldraden 5, 6 of 10 (11–12); aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht; houtige planten, vaak klimmend met verspreide of tegenoverstaande bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.Kelkbladeren 5, aan den voet wat vergroeid, de 2 binnenste wat grooter. Bloembladeren 5, het achterste grooter en met eenspoor of knobbel aan den voet. Meeldraden 10, aan de basis tot een gespleten buis vergroeid, 6 met helmknoppen, de overige zonder helmknoppen. Tegenover het groote bloemblad staan 2 klieren. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht een 3-kleppige doosvrucht. Klimmende heesters met tegenoverstaande bladerenTrigonia.
Bloemen typisch 5-tallig, 2-slachtig, scheef-zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; bloembladeren 5–3, vaak zeer ongelijk; meeldraden 5, 6 of 10 (11–12); aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht; houtige planten, vaak klimmend met verspreide of tegenoverstaande bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.
Kelkbladeren 5, aan den voet wat vergroeid, de 2 binnenste wat grooter. Bloembladeren 5, het achterste grooter en met eenspoor of knobbel aan den voet. Meeldraden 10, aan de basis tot een gespleten buis vergroeid, 6 met helmknoppen, de overige zonder helmknoppen. Tegenover het groote bloemblad staan 2 klieren. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht een 3-kleppige doosvrucht. Klimmende heesters met tegenoverstaande bladerenTrigonia.
143.Vochysiaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, scheef zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; één ervan vaak gespoord, afvallend; bloembladeren zelden 5, meest 3–1; slechts één vruchtbare meeldraad en eenige staminodiën; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, driehokkig, met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht niet openspringend of een doosvrucht; meest boomen met tegenoverstaande of kransstandige enkelvoudige bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 2 zaadknoppen. Kelk 5-deelig, met 4 kleine blijvende kelkbladeren en 1 grooter gespoord en spoedig afvallend kelkblad. Bloemblad 1, meeldraad 1. Vrucht met de kelkbladeren op den topErisma.Singrie-kwarrie.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig22a.Bloembladeren 3, het middelste grooter dan de zijdelingsche. Kelk 5-tallig, 4 slippen klein, het 5degrooter gespoord. Meeldraad 1. Bloemen geelVochysia.Kwarrie.2b.Bloemblad 1 (soms 2). Een van de 5 kelkbladeren met een spoor of knobbel. Meeldraad 1. Bloemen meest blauw of witQualea.Kwarrie.
143.Vochysiaceae.
Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, scheef zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; één ervan vaak gespoord, afvallend; bloembladeren zelden 5, meest 3–1; slechts één vruchtbare meeldraad en eenige staminodiën; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, driehokkig, met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht niet openspringend of een doosvrucht; meest boomen met tegenoverstaande of kransstandige enkelvoudige bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 2 zaadknoppen. Kelk 5-deelig, met 4 kleine blijvende kelkbladeren en 1 grooter gespoord en spoedig afvallend kelkblad. Bloemblad 1, meeldraad 1. Vrucht met de kelkbladeren op den topErisma.Singrie-kwarrie.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig22a.Bloembladeren 3, het middelste grooter dan de zijdelingsche. Kelk 5-tallig, 4 slippen klein, het 5degrooter gespoord. Meeldraad 1. Bloemen geelVochysia.Kwarrie.2b.Bloemblad 1 (soms 2). Een van de 5 kelkbladeren met een spoor of knobbel. Meeldraad 1. Bloemen meest blauw of witQualea.Kwarrie.
Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, scheef zygomorf; kelkbladeren aan de basis vergroeid; één ervan vaak gespoord, afvallend; bloembladeren zelden 5, meest 3–1; slechts één vruchtbare meeldraad en eenige staminodiën; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, driehokkig, met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht niet openspringend of een doosvrucht; meest boomen met tegenoverstaande of kransstandige enkelvoudige bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.
1a.Vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 2 zaadknoppen. Kelk 5-deelig, met 4 kleine blijvende kelkbladeren en 1 grooter gespoord en spoedig afvallend kelkblad. Bloemblad 1, meeldraad 1. Vrucht met de kelkbladeren op den topErisma.Singrie-kwarrie.
1b.Vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig2
2a.Bloembladeren 3, het middelste grooter dan de zijdelingsche. Kelk 5-tallig, 4 slippen klein, het 5degrooter gespoord. Meeldraad 1. Bloemen geelVochysia.Kwarrie.
2b.Bloemblad 1 (soms 2). Een van de 5 kelkbladeren met een spoor of knobbel. Meeldraad 1. Bloemen meest blauw of witQualea.Kwarrie.
145.Polygalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; van de 5 kelkbladeren zijn er 2 bloembladachtig en vergroot; bloembladeren 3; meeldraden 8, in twee groepen van 4; vruchtbeginsel tweehokkig met 1, zelden 2–4 zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren.1a.Kelk met de bloembladeren en de meeldraden tot een buis vergroeid. Vrije kelkslippen 5. Bloemkroon 5-spletig, een van de bloembladeren gevouwen. Meeldraden in 2 bundels ieder met 4 helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Heesters of boomen, met dikke leerachtige bladerenMoutabea.1b.Kelk met de bloembladeren niet vergroeid22a.Vrucht een doosvrucht, ongevleugeld42b.Vrucht een gevleugelde noot33a.Lianen met violette of paarsche bloemen in okselstandige trossen. Bloembladeren 3, waarvan het helmvormige met een aanhangsel op de achterzijde.Vrucht met een vleugel op de rugzijdeSecuridaca.3b.Heesters, niet windend. Bloemblad zonder aanhangsel op de rugzijde. Vrucht rondom gevleugeldMonnina.4a.Meest kruidachtige planten, soms kleine heesters. Bloemen in lange of dichte trossen. Doosvrucht rondachtig, zaden kort behaardPolygala.4b.Heesters. Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Doosvrucht lang-wigvormig. Zaden met lange harenBredemeyera.
145.Polygalaceae.
Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; van de 5 kelkbladeren zijn er 2 bloembladachtig en vergroot; bloembladeren 3; meeldraden 8, in twee groepen van 4; vruchtbeginsel tweehokkig met 1, zelden 2–4 zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren.1a.Kelk met de bloembladeren en de meeldraden tot een buis vergroeid. Vrije kelkslippen 5. Bloemkroon 5-spletig, een van de bloembladeren gevouwen. Meeldraden in 2 bundels ieder met 4 helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Heesters of boomen, met dikke leerachtige bladerenMoutabea.1b.Kelk met de bloembladeren niet vergroeid22a.Vrucht een doosvrucht, ongevleugeld42b.Vrucht een gevleugelde noot33a.Lianen met violette of paarsche bloemen in okselstandige trossen. Bloembladeren 3, waarvan het helmvormige met een aanhangsel op de achterzijde.Vrucht met een vleugel op de rugzijdeSecuridaca.3b.Heesters, niet windend. Bloemblad zonder aanhangsel op de rugzijde. Vrucht rondom gevleugeldMonnina.4a.Meest kruidachtige planten, soms kleine heesters. Bloemen in lange of dichte trossen. Doosvrucht rondachtig, zaden kort behaardPolygala.4b.Heesters. Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Doosvrucht lang-wigvormig. Zaden met lange harenBredemeyera.
Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; van de 5 kelkbladeren zijn er 2 bloembladachtig en vergroot; bloembladeren 3; meeldraden 8, in twee groepen van 4; vruchtbeginsel tweehokkig met 1, zelden 2–4 zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren.
1a.Kelk met de bloembladeren en de meeldraden tot een buis vergroeid. Vrije kelkslippen 5. Bloemkroon 5-spletig, een van de bloembladeren gevouwen. Meeldraden in 2 bundels ieder met 4 helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Heesters of boomen, met dikke leerachtige bladerenMoutabea.
1b.Kelk met de bloembladeren niet vergroeid2
2a.Vrucht een doosvrucht, ongevleugeld4
2b.Vrucht een gevleugelde noot3
3a.Lianen met violette of paarsche bloemen in okselstandige trossen. Bloembladeren 3, waarvan het helmvormige met een aanhangsel op de achterzijde.Vrucht met een vleugel op de rugzijdeSecuridaca.
3b.Heesters, niet windend. Bloemblad zonder aanhangsel op de rugzijde. Vrucht rondom gevleugeldMonnina.
4a.Meest kruidachtige planten, soms kleine heesters. Bloemen in lange of dichte trossen. Doosvrucht rondachtig, zaden kort behaardPolygala.
4b.Heesters. Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Doosvrucht lang-wigvormig. Zaden met lange harenBredemeyera.
146.Dichapetalaceae.Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig oféénslachtigregelmatig of soms zygomorf; bloemas uitgroeiend tot schubben of een komvormige schijf; kelk vergroeid- oflosbladig; bloembladeren raak tweespletig, gelijk of ongelijk van vorm, vrij of tot een buis vergroeid; meeldraden 5, vrij of met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht met een 1–2-hokkige pit; lianen of boomen met gaafrandige bladeren met steunbladeren.Bloemen met 4–5 ongelijke kelkbladeren, 4–5 bloemkroonslippen, waarvan er 2 of 1 grooter zijn dan de andere en 2-spletig met concave lobben. Meeldraden meest 5, waarvan maar 2 met helmknoppen; een enkele maal alle 5 vruchtbaar. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig. Heesters of boomenTapura.
146.Dichapetalaceae.
Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig oféénslachtigregelmatig of soms zygomorf; bloemas uitgroeiend tot schubben of een komvormige schijf; kelk vergroeid- oflosbladig; bloembladeren raak tweespletig, gelijk of ongelijk van vorm, vrij of tot een buis vergroeid; meeldraden 5, vrij of met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht met een 1–2-hokkige pit; lianen of boomen met gaafrandige bladeren met steunbladeren.Bloemen met 4–5 ongelijke kelkbladeren, 4–5 bloemkroonslippen, waarvan er 2 of 1 grooter zijn dan de andere en 2-spletig met concave lobben. Meeldraden meest 5, waarvan maar 2 met helmknoppen; een enkele maal alle 5 vruchtbaar. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig. Heesters of boomenTapura.
Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig oféénslachtigregelmatig of soms zygomorf; bloemas uitgroeiend tot schubben of een komvormige schijf; kelk vergroeid- oflosbladig; bloembladeren raak tweespletig, gelijk of ongelijk van vorm, vrij of tot een buis vergroeid; meeldraden 5, vrij of met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht met een 1–2-hokkige pit; lianen of boomen met gaafrandige bladeren met steunbladeren.
Bloemen met 4–5 ongelijke kelkbladeren, 4–5 bloemkroonslippen, waarvan er 2 of 1 grooter zijn dan de andere en 2-spletig met concave lobben. Meeldraden meest 5, waarvan maar 2 met helmknoppen; een enkele maal alle 5 vruchtbaar. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig. Heesters of boomenTapura.
147.Euphorbiaceae.Bloemen steeds éénslachtig, met kelk en bloemkroon, of met een kelk alleenofnaakt; meeldraden evenveel als kelkbladeren of evenveel of dubbel zooveel, of talrijke of weinige tot 1; vruchtbeginsel 3-hokkig, zelden 2-, 4- of meerhokkig; vrucht meest zich splitsend in 3 deelvruchten, met 1 of 2 zaden; zelden een bes of een steenvrucht; kruiden of houtige planten, meest met verspreide bladeren, vaak met steunbladeren, en melksap.1a.Bloemen tweehuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op verschillende planten21b.Bloemen éénhuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op denzelfden plant, vaak zelfs in dezelfde bloeiwijze152a.Alleen ♂ bloemen aanwezig32b.Alleen ♀ bloemen aanwezig93a.Kelk en bloembladeren beiden aanwezig43b.Alleen een kelk aanwezig54a.Meeldraden 5, vergroeid om het steriele vruchtbeginsel, in den knop rechtopstaand. Bloembladeren 5 of minder. Boomen met okselstandige bloemgroepen en enkelvoudige leerachtige bladerenDiscocarpus.4b.Meeldraden meest 10–20, soms 5, maar in ieder geval niet vergroeid en geen steriel vruchtbeginsel in de ♂ bloem. Helmdraden in den knop naar binnen gebogen. Heesters of kruiden, meest behaarde of beschubde bladeren. Bladeren gedeeld of ongedeeldCroton.5a.Meeldraden minder dan 1065b.Meeldraden meer dan 10, meest vele, de buitenste zonder helmknoppen. Kelk 3–4-deelig. Geen rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Bloemen in vertakte eindelingsche pluimen. Boomen met enkelvoudige bladerenConceveiba.6a.Bloemen 4-tallig, meeldraden 4–876b.Bloemen 3 of 5-tallig, meeldraden soms 2 of 4, meest 3–5, of 687a.Meeldraden 6, om een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloemen in trossen of samengestelde trossen of aren. Bladeren met schubben. BoomenHieronymia.7b.Geen rudimentair vruchtbeginsel aanwezig. Meeldraden 6–2, vaak 3, soms met elkaar tot een zuiltje vergroeid. Kruiden of heesters. Bloemen gesteeld alleenstaand of in groepen in de bladokselsPhyllanthus.Bita-wiwirie.Finie bita.8a.Meeldraden 4. Helmknoppen geen bijzondere vorm vertoonend. Boomen of heesters, met bloemen in trossenAlchornea.8b.Meeldraden 8. Helmknoppen uit elkaar wijkend, aan den top samenhangend. Boomen of heesters met de bloemen in arenAcalypha.9a.Kelk 3-spletig. Bloemen in dichte aren, met groote roode zeer sterk vertakte stijlen en stempelsAcalypha.9b.Kelk 4–5-6-spletig of -deelig1010a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen; bloemen in trossenHieronymia.10b.Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 3 vaak vertakte stijlen of stempels1111a.Bloemen in trossen of aren1211b.Bloemen in kleine groepen of alleenstaand in de bladoksels1412a.Kelk met klieren aan de buitenzijde. Stijlen dik, 2-spletig tot tweedeelig. Vruchtbeginsel veel grooter dan de 5–10-spletige kelk, meest 3-kantig. Bloemen in een eindelingsche tros. Bladeren kaal. BoomenConceveiba.12b.Kelk zonder klieren aan de buitenzijde1313a.Discus meest ontbrekend. Kelk 4-deelig. Stijlen 2-lobbig, kort; boomen of heestersAlchornea.13b.Onder het vruchtbeginsel een ringvormige schijf of schubben. Bloembladeren soms aanwezig. Stijl enkelvoudig, of 2-spletig of de zijtakken nog enkele malen vertakt. Bladeren met schubben of harenCroton.14a.Boomen met enkelvoudige leerachtige bladeren. Bloemen zeer kort gesteeld in groepjes in de bladoksels. Bloembladeren vaak aanwezig, evenals staminodiën, soms ook beide ontbrekend. Stijlen plat, niet vergroeidDiscocarpus.14b.Kruiden of heesters, met de bladeren aan de jongste takken vaak in 2 rijen, zoodat de bebladerde tak gelijkt op een gevind blad. Bloemen duidelijk of langgesteeld. Stempels meest 2-spletigPhyllanthus.Finie-bita.Bita-wiwirie.15a.Bloemen in z.g. cyathien, d. z. bloeiwijzen, waarin één ♀ bloem in het midden staat, deze is omringd door een groot aantal ♂ bloemen, die slechts uit 1 meeldraad bestaan; het geheel is omringd door vergroeide schutbladeren, en doet dus denken aan een tweeslachtige bloem1615b.Bloemen niet in cyathien, indien een groep van bloemen omgeven is door schutbladeren, dan zijn deze niet vergroeid, en in ieder geval hebben de ♂ bloemen een kelk1716a.Cyathium regelmatig. Meest kruidenEuphorbia.16b.Cyathium zijdelings-symmetrisch met een aanhangsel. HeestersPedilanthus.17a.Een groep van mannelijke en vrouwelijke bloemen is omgeven door twee groenachtige of witte of rose, zittende, tegenoverstaande schutbladeren. Vruchtbeginsel met een lange stijl, ♂ bloemen met ongeveer 20 meeldraden. KlimplantenDalechampia.17b.Niet een groep van ♂ en ♀ bloemen door 2 schutbladeren ingehuld1818a.Boomen met 3-tallige bladeren. Helmknoppen op den top van een zuil zittend. Kelk 5-spletig. Bloemen in pluimenHevea.18b.Bladeren niet 3-tallig, soms 3–7-voudig handvormig ingesneden tot 3–7-tallig, maar dan is de plant kruidachtig1919a.Vruchtbeginsel veelhokkig, vrucht ten slotte in vele deelen uiteenvallend. Stijl lang met vele stempels. Kelk klokvormig. Meeldraden vele in rijen aan den top van een zuil. ♂ bloemen in trossen, ♀ bloemen alleenstaand. BoomenHura.Postentrie.19b.Vruchtbeginsel 2–4-, meest 3-hokkig2020a.In de ♂ en de ♀ bloemen zijn alleen meeldraden of vruchtbeginsels aanwezig; kelk en bloemkroon geheel ontbrekend. Meeldraden 12–2, stijl met 3 stempels. Heesters met enkelvoudige harde bladerenActinostemon.20b.Een kelk, of kelk en bloemkroon aanwezig2121a.Bloembladeren in de ♂ bloem aanwezig, in de ♀ bloem soms ontbrekend2221b.Bloembladeren steeds ontbrekend in ♀ en ♂ bloemen2722a.Meeldraden in den knop naar binnen gebogen, zoodat de top van de helmknop naar beneden gericht is. Meeldraden soms 5, meest 10–20, vaak nog meer dan 20. Bladeren met schubben of behaard, soms gelobd tot gedeeld. Heesters of kruidenCroton.22b.Meeldraden in den knop rechtopstaand2323a.Meeldraden 5, rondom een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloembladeren zoowel in de ♂ als de ♀ bloem aanwezig. Vruchtbeginsel met zittende schijfvormige stempel. Boomen met gaafrandige leerachtige bladeren. Bloemen in kleine groepenAmanoa.23b.Meeldraden 10 of meer2424a.Meeldraden in een zuil vergroeid, 10–302524b.Meeldraden vrij2625a.Bladeren gelobd tot gedeeld. Zuil van de meeldraden zonder rudimentair vruchtbeginsel op den top, schijf duidelijk ontwikkeld. In de ♀ bloemen soms staminodiënJatropha.25b.Bladeren lancetvormig, scherp gezaagd. Zuil van de meeldraden met een rudimentair vruchtbeginsel op den topCaperonia.26a.Meeldraden talrijk, dicht op elkaar zittend met korte helmdraden. Stijlen 3, diep 2-spletig. ♂ bloemen in enkelvoudige eindstandige trossen; ♀ bloemen slechts weinige bij elkaar. Boomen met eironde bladerenSagotia.26b.Stijlen niet ingesneden. Meeldraden 15–30. Bladeren smal, met roode of geele vlekken, kaal en glanzend. HeestersCodiaeum.27a.Mannelijke bloemen zeer groot met een zeer groot aantal (tot 1000) helmknoppen; helmdraden vertakt.Vruchtbeginsel met 3 vertakte roode stijlen.Bladeren handdeelig, schildvormigRicinus.Krapata.27b.Meeldraden niet zoo talrijk, helmdraden niet vertakt2828a.Vruchtbeginsel 4-hokkig met een dikke, eironde tot half-bolvormige stijl. Vrucht 4-lobbig met 4 ribben. Bloemen in trossen, de ♀ bloemen in het onderste deel alleenstaand of weinig bij elkaar, de ♂ bloemen in groepen, ♂ bloemen met 8–30 meeldraden, die op een kegelvormige of half-bolvormige bloembodem zitten. Heesters of kruiden met handvormige, getande bladerenPlukenetia.28b.Vruchtbeginsel 3-hokkig; stijlen 3 of 1, niet verdikt2929a.Meeldraden 10 of meer3029b.Meeldraden minder dan 10 (Zie ook Phyllanthus)3130a.Meeldraden 10–30, in verschillende kransen tot een zuil vergroeid. Vruchtbeginsel kleiner dan de kelk, met 3 stempels. Bladeren gelobd tot gedeeld. Bloemen in pluimenJatropha.30b.Meeldraden dicht gedrongen op een half-bolvormige bloembodem. Vruchtbeginsel veel langer dan de kelk, met een lange stijl en 3-spletige stempel. Bloemen in dichte en dikke trossen. Bladeren niet gelobdMabea.30c.Meeldraden 10, alle vrij, in 2 rijen, op een schijf staande, en niet tot een zuil vergroeid. Kelk groot, min of meer klokvormig 5-spletig. In de ♂ bloem soms een rudimentair vruchtbeginsel; in de ♀ bloem soms staminodiën. Stijlen 3, een weinig aan de basis vergroeid. Bladeren meest handvormig ingesneden of bijna samengesteldManihot.Cassave.31a.Heesters of boomen met de bloemen in dichte aren. ♀ bloemen met 3 groote roode, sterk vertakte stempels, met een 3-spletige kelk; ♂ bloemen met een 4-spletige kelk, met 8 meeldraden, waarvan de helmknoppen naar beneden uiteenwijken en ± gewonden zijnAcalypha.31b.Stempels niet opvallend gekleurd. Meeldraden minder dan 8 zonder bijzonder gevormde helmknoppen3232a.Bloemen in trossen of aren3332b.Bloemen alleenstaand of in groepen in de bladoksels, gesteeld. Kelkbladeren 6–4, meest in 2 kransen, ♂ bloemen met 2–6 meeldraden, meest 3 of 5 meeldraden met losse of vergroeide helmdraden (zeer zelden meer dan 6 meeldraden). Stijlen 3, vrij of vergroeid, gedeeld of ongedeeld. Bladeren vaak in 2 rijen gezeten, zoodat de bebladerde tak op een gevind blad gelijkt. Kruiden of heestersPhyllanthus.Bita-wiwirie,Finie-bita.33a.Helmdraden geheel vergroeid, alleen de helmknoppen vrij3433b.Helmdraden alleen aan de basis vergroeid3534a.Zuil van de helmdraden kort, aan den top met een dwarse verlenging aan welks einde de 2 helmknoppen zitten. Kelk 4–5-spletig. Stijl dik, aan den top 3-lobbig. Bloemen in lange met vrij groote schutbladeren bezette ijle trossen, in welker oksel een ♀ bloem en eenige ♂ bloemen zittenOmphalea.34b.Zuil van de helmdraden niet eigenaardig gevormd. Kelk 3-lobbig. Meeldraden 2, soms 1 of 3. Stijlen vergroeid. Bloeiwijze van boven dicht, met 3 ♂ bloemen bij elk schutblad, van onderen ijler met de ♀ bloemen alleenstaandMaprounea.35a.Kelk 4-deelig. Meeldraden 4. ♂ bloemen in groepen in vertakte bloeiwijzen, ♀ bloemen alleenstaand in enkelvoudige aren of trossenAlchornea.35b.Kelk in de ♂ bloemen 2- of 3-deelig of -spletig of gelobd3636a.Klimmende kruiden met behaarde, getande bladeren. Kelk 3–5-deelig. Meeldraden 3, vrij. Stijlen tot aan het midden vergroeid, van boven vrij, onvertakt. Bloemen in trossen, die van boven de ♂ van onderen de ♀ bloemen dragen of tros vertakt met een lange ♂ en een korte ♀ takTragia.36b.Boomen of heesters, niet klimmend3737a.Kelk van de ♂ bloem diep 3-deelig. Meeldraden 2 of 3 met korte helmdraden. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Bloemen in dunne trossen van onderen met alleenstaande of weinige ♀ bloemen, van boven met groepen van 2–4 ♂ bloemen. Bladeren kleinSebastiania.37b.Kelk van de ♂ bloem 2-lobbig. Meeldraden 2–3 met vrije helmknoppen. Kelk van de ♀ bloem 3-spletig of 3-deelig. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Vrucht een weinig vleezig. Bladsteel met 2 klieren aan den top. Bloemen in aren; ♂ bloemen 3 of meer per schutblad, ♀ bloemen alleenstaand bij het schutblad onder aan de aarSapium.(Excoecaria).
147.Euphorbiaceae.
Bloemen steeds éénslachtig, met kelk en bloemkroon, of met een kelk alleenofnaakt; meeldraden evenveel als kelkbladeren of evenveel of dubbel zooveel, of talrijke of weinige tot 1; vruchtbeginsel 3-hokkig, zelden 2-, 4- of meerhokkig; vrucht meest zich splitsend in 3 deelvruchten, met 1 of 2 zaden; zelden een bes of een steenvrucht; kruiden of houtige planten, meest met verspreide bladeren, vaak met steunbladeren, en melksap.1a.Bloemen tweehuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op verschillende planten21b.Bloemen éénhuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op denzelfden plant, vaak zelfs in dezelfde bloeiwijze152a.Alleen ♂ bloemen aanwezig32b.Alleen ♀ bloemen aanwezig93a.Kelk en bloembladeren beiden aanwezig43b.Alleen een kelk aanwezig54a.Meeldraden 5, vergroeid om het steriele vruchtbeginsel, in den knop rechtopstaand. Bloembladeren 5 of minder. Boomen met okselstandige bloemgroepen en enkelvoudige leerachtige bladerenDiscocarpus.4b.Meeldraden meest 10–20, soms 5, maar in ieder geval niet vergroeid en geen steriel vruchtbeginsel in de ♂ bloem. Helmdraden in den knop naar binnen gebogen. Heesters of kruiden, meest behaarde of beschubde bladeren. Bladeren gedeeld of ongedeeldCroton.5a.Meeldraden minder dan 1065b.Meeldraden meer dan 10, meest vele, de buitenste zonder helmknoppen. Kelk 3–4-deelig. Geen rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Bloemen in vertakte eindelingsche pluimen. Boomen met enkelvoudige bladerenConceveiba.6a.Bloemen 4-tallig, meeldraden 4–876b.Bloemen 3 of 5-tallig, meeldraden soms 2 of 4, meest 3–5, of 687a.Meeldraden 6, om een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloemen in trossen of samengestelde trossen of aren. Bladeren met schubben. BoomenHieronymia.7b.Geen rudimentair vruchtbeginsel aanwezig. Meeldraden 6–2, vaak 3, soms met elkaar tot een zuiltje vergroeid. Kruiden of heesters. Bloemen gesteeld alleenstaand of in groepen in de bladokselsPhyllanthus.Bita-wiwirie.Finie bita.8a.Meeldraden 4. Helmknoppen geen bijzondere vorm vertoonend. Boomen of heesters, met bloemen in trossenAlchornea.8b.Meeldraden 8. Helmknoppen uit elkaar wijkend, aan den top samenhangend. Boomen of heesters met de bloemen in arenAcalypha.9a.Kelk 3-spletig. Bloemen in dichte aren, met groote roode zeer sterk vertakte stijlen en stempelsAcalypha.9b.Kelk 4–5-6-spletig of -deelig1010a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen; bloemen in trossenHieronymia.10b.Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 3 vaak vertakte stijlen of stempels1111a.Bloemen in trossen of aren1211b.Bloemen in kleine groepen of alleenstaand in de bladoksels1412a.Kelk met klieren aan de buitenzijde. Stijlen dik, 2-spletig tot tweedeelig. Vruchtbeginsel veel grooter dan de 5–10-spletige kelk, meest 3-kantig. Bloemen in een eindelingsche tros. Bladeren kaal. BoomenConceveiba.12b.Kelk zonder klieren aan de buitenzijde1313a.Discus meest ontbrekend. Kelk 4-deelig. Stijlen 2-lobbig, kort; boomen of heestersAlchornea.13b.Onder het vruchtbeginsel een ringvormige schijf of schubben. Bloembladeren soms aanwezig. Stijl enkelvoudig, of 2-spletig of de zijtakken nog enkele malen vertakt. Bladeren met schubben of harenCroton.14a.Boomen met enkelvoudige leerachtige bladeren. Bloemen zeer kort gesteeld in groepjes in de bladoksels. Bloembladeren vaak aanwezig, evenals staminodiën, soms ook beide ontbrekend. Stijlen plat, niet vergroeidDiscocarpus.14b.Kruiden of heesters, met de bladeren aan de jongste takken vaak in 2 rijen, zoodat de bebladerde tak gelijkt op een gevind blad. Bloemen duidelijk of langgesteeld. Stempels meest 2-spletigPhyllanthus.Finie-bita.Bita-wiwirie.15a.Bloemen in z.g. cyathien, d. z. bloeiwijzen, waarin één ♀ bloem in het midden staat, deze is omringd door een groot aantal ♂ bloemen, die slechts uit 1 meeldraad bestaan; het geheel is omringd door vergroeide schutbladeren, en doet dus denken aan een tweeslachtige bloem1615b.Bloemen niet in cyathien, indien een groep van bloemen omgeven is door schutbladeren, dan zijn deze niet vergroeid, en in ieder geval hebben de ♂ bloemen een kelk1716a.Cyathium regelmatig. Meest kruidenEuphorbia.16b.Cyathium zijdelings-symmetrisch met een aanhangsel. HeestersPedilanthus.17a.Een groep van mannelijke en vrouwelijke bloemen is omgeven door twee groenachtige of witte of rose, zittende, tegenoverstaande schutbladeren. Vruchtbeginsel met een lange stijl, ♂ bloemen met ongeveer 20 meeldraden. KlimplantenDalechampia.17b.Niet een groep van ♂ en ♀ bloemen door 2 schutbladeren ingehuld1818a.Boomen met 3-tallige bladeren. Helmknoppen op den top van een zuil zittend. Kelk 5-spletig. Bloemen in pluimenHevea.18b.Bladeren niet 3-tallig, soms 3–7-voudig handvormig ingesneden tot 3–7-tallig, maar dan is de plant kruidachtig1919a.Vruchtbeginsel veelhokkig, vrucht ten slotte in vele deelen uiteenvallend. Stijl lang met vele stempels. Kelk klokvormig. Meeldraden vele in rijen aan den top van een zuil. ♂ bloemen in trossen, ♀ bloemen alleenstaand. BoomenHura.Postentrie.19b.Vruchtbeginsel 2–4-, meest 3-hokkig2020a.In de ♂ en de ♀ bloemen zijn alleen meeldraden of vruchtbeginsels aanwezig; kelk en bloemkroon geheel ontbrekend. Meeldraden 12–2, stijl met 3 stempels. Heesters met enkelvoudige harde bladerenActinostemon.20b.Een kelk, of kelk en bloemkroon aanwezig2121a.Bloembladeren in de ♂ bloem aanwezig, in de ♀ bloem soms ontbrekend2221b.Bloembladeren steeds ontbrekend in ♀ en ♂ bloemen2722a.Meeldraden in den knop naar binnen gebogen, zoodat de top van de helmknop naar beneden gericht is. Meeldraden soms 5, meest 10–20, vaak nog meer dan 20. Bladeren met schubben of behaard, soms gelobd tot gedeeld. Heesters of kruidenCroton.22b.Meeldraden in den knop rechtopstaand2323a.Meeldraden 5, rondom een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloembladeren zoowel in de ♂ als de ♀ bloem aanwezig. Vruchtbeginsel met zittende schijfvormige stempel. Boomen met gaafrandige leerachtige bladeren. Bloemen in kleine groepenAmanoa.23b.Meeldraden 10 of meer2424a.Meeldraden in een zuil vergroeid, 10–302524b.Meeldraden vrij2625a.Bladeren gelobd tot gedeeld. Zuil van de meeldraden zonder rudimentair vruchtbeginsel op den top, schijf duidelijk ontwikkeld. In de ♀ bloemen soms staminodiënJatropha.25b.Bladeren lancetvormig, scherp gezaagd. Zuil van de meeldraden met een rudimentair vruchtbeginsel op den topCaperonia.26a.Meeldraden talrijk, dicht op elkaar zittend met korte helmdraden. Stijlen 3, diep 2-spletig. ♂ bloemen in enkelvoudige eindstandige trossen; ♀ bloemen slechts weinige bij elkaar. Boomen met eironde bladerenSagotia.26b.Stijlen niet ingesneden. Meeldraden 15–30. Bladeren smal, met roode of geele vlekken, kaal en glanzend. HeestersCodiaeum.27a.Mannelijke bloemen zeer groot met een zeer groot aantal (tot 1000) helmknoppen; helmdraden vertakt.Vruchtbeginsel met 3 vertakte roode stijlen.Bladeren handdeelig, schildvormigRicinus.Krapata.27b.Meeldraden niet zoo talrijk, helmdraden niet vertakt2828a.Vruchtbeginsel 4-hokkig met een dikke, eironde tot half-bolvormige stijl. Vrucht 4-lobbig met 4 ribben. Bloemen in trossen, de ♀ bloemen in het onderste deel alleenstaand of weinig bij elkaar, de ♂ bloemen in groepen, ♂ bloemen met 8–30 meeldraden, die op een kegelvormige of half-bolvormige bloembodem zitten. Heesters of kruiden met handvormige, getande bladerenPlukenetia.28b.Vruchtbeginsel 3-hokkig; stijlen 3 of 1, niet verdikt2929a.Meeldraden 10 of meer3029b.Meeldraden minder dan 10 (Zie ook Phyllanthus)3130a.Meeldraden 10–30, in verschillende kransen tot een zuil vergroeid. Vruchtbeginsel kleiner dan de kelk, met 3 stempels. Bladeren gelobd tot gedeeld. Bloemen in pluimenJatropha.30b.Meeldraden dicht gedrongen op een half-bolvormige bloembodem. Vruchtbeginsel veel langer dan de kelk, met een lange stijl en 3-spletige stempel. Bloemen in dichte en dikke trossen. Bladeren niet gelobdMabea.30c.Meeldraden 10, alle vrij, in 2 rijen, op een schijf staande, en niet tot een zuil vergroeid. Kelk groot, min of meer klokvormig 5-spletig. In de ♂ bloem soms een rudimentair vruchtbeginsel; in de ♀ bloem soms staminodiën. Stijlen 3, een weinig aan de basis vergroeid. Bladeren meest handvormig ingesneden of bijna samengesteldManihot.Cassave.31a.Heesters of boomen met de bloemen in dichte aren. ♀ bloemen met 3 groote roode, sterk vertakte stempels, met een 3-spletige kelk; ♂ bloemen met een 4-spletige kelk, met 8 meeldraden, waarvan de helmknoppen naar beneden uiteenwijken en ± gewonden zijnAcalypha.31b.Stempels niet opvallend gekleurd. Meeldraden minder dan 8 zonder bijzonder gevormde helmknoppen3232a.Bloemen in trossen of aren3332b.Bloemen alleenstaand of in groepen in de bladoksels, gesteeld. Kelkbladeren 6–4, meest in 2 kransen, ♂ bloemen met 2–6 meeldraden, meest 3 of 5 meeldraden met losse of vergroeide helmdraden (zeer zelden meer dan 6 meeldraden). Stijlen 3, vrij of vergroeid, gedeeld of ongedeeld. Bladeren vaak in 2 rijen gezeten, zoodat de bebladerde tak op een gevind blad gelijkt. Kruiden of heestersPhyllanthus.Bita-wiwirie,Finie-bita.33a.Helmdraden geheel vergroeid, alleen de helmknoppen vrij3433b.Helmdraden alleen aan de basis vergroeid3534a.Zuil van de helmdraden kort, aan den top met een dwarse verlenging aan welks einde de 2 helmknoppen zitten. Kelk 4–5-spletig. Stijl dik, aan den top 3-lobbig. Bloemen in lange met vrij groote schutbladeren bezette ijle trossen, in welker oksel een ♀ bloem en eenige ♂ bloemen zittenOmphalea.34b.Zuil van de helmdraden niet eigenaardig gevormd. Kelk 3-lobbig. Meeldraden 2, soms 1 of 3. Stijlen vergroeid. Bloeiwijze van boven dicht, met 3 ♂ bloemen bij elk schutblad, van onderen ijler met de ♀ bloemen alleenstaandMaprounea.35a.Kelk 4-deelig. Meeldraden 4. ♂ bloemen in groepen in vertakte bloeiwijzen, ♀ bloemen alleenstaand in enkelvoudige aren of trossenAlchornea.35b.Kelk in de ♂ bloemen 2- of 3-deelig of -spletig of gelobd3636a.Klimmende kruiden met behaarde, getande bladeren. Kelk 3–5-deelig. Meeldraden 3, vrij. Stijlen tot aan het midden vergroeid, van boven vrij, onvertakt. Bloemen in trossen, die van boven de ♂ van onderen de ♀ bloemen dragen of tros vertakt met een lange ♂ en een korte ♀ takTragia.36b.Boomen of heesters, niet klimmend3737a.Kelk van de ♂ bloem diep 3-deelig. Meeldraden 2 of 3 met korte helmdraden. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Bloemen in dunne trossen van onderen met alleenstaande of weinige ♀ bloemen, van boven met groepen van 2–4 ♂ bloemen. Bladeren kleinSebastiania.37b.Kelk van de ♂ bloem 2-lobbig. Meeldraden 2–3 met vrije helmknoppen. Kelk van de ♀ bloem 3-spletig of 3-deelig. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Vrucht een weinig vleezig. Bladsteel met 2 klieren aan den top. Bloemen in aren; ♂ bloemen 3 of meer per schutblad, ♀ bloemen alleenstaand bij het schutblad onder aan de aarSapium.(Excoecaria).
Bloemen steeds éénslachtig, met kelk en bloemkroon, of met een kelk alleenofnaakt; meeldraden evenveel als kelkbladeren of evenveel of dubbel zooveel, of talrijke of weinige tot 1; vruchtbeginsel 3-hokkig, zelden 2-, 4- of meerhokkig; vrucht meest zich splitsend in 3 deelvruchten, met 1 of 2 zaden; zelden een bes of een steenvrucht; kruiden of houtige planten, meest met verspreide bladeren, vaak met steunbladeren, en melksap.
1a.Bloemen tweehuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op verschillende planten2
1b.Bloemen éénhuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op denzelfden plant, vaak zelfs in dezelfde bloeiwijze15
2a.Alleen ♂ bloemen aanwezig3
2b.Alleen ♀ bloemen aanwezig9
3a.Kelk en bloembladeren beiden aanwezig4
3b.Alleen een kelk aanwezig5
4a.Meeldraden 5, vergroeid om het steriele vruchtbeginsel, in den knop rechtopstaand. Bloembladeren 5 of minder. Boomen met okselstandige bloemgroepen en enkelvoudige leerachtige bladerenDiscocarpus.
4b.Meeldraden meest 10–20, soms 5, maar in ieder geval niet vergroeid en geen steriel vruchtbeginsel in de ♂ bloem. Helmdraden in den knop naar binnen gebogen. Heesters of kruiden, meest behaarde of beschubde bladeren. Bladeren gedeeld of ongedeeldCroton.
5a.Meeldraden minder dan 106
5b.Meeldraden meer dan 10, meest vele, de buitenste zonder helmknoppen. Kelk 3–4-deelig. Geen rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Bloemen in vertakte eindelingsche pluimen. Boomen met enkelvoudige bladerenConceveiba.
6a.Bloemen 4-tallig, meeldraden 4–87
6b.Bloemen 3 of 5-tallig, meeldraden soms 2 of 4, meest 3–5, of 68
7a.Meeldraden 6, om een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloemen in trossen of samengestelde trossen of aren. Bladeren met schubben. BoomenHieronymia.
7b.Geen rudimentair vruchtbeginsel aanwezig. Meeldraden 6–2, vaak 3, soms met elkaar tot een zuiltje vergroeid. Kruiden of heesters. Bloemen gesteeld alleenstaand of in groepen in de bladokselsPhyllanthus.Bita-wiwirie.Finie bita.
8a.Meeldraden 4. Helmknoppen geen bijzondere vorm vertoonend. Boomen of heesters, met bloemen in trossenAlchornea.
8b.Meeldraden 8. Helmknoppen uit elkaar wijkend, aan den top samenhangend. Boomen of heesters met de bloemen in arenAcalypha.
9a.Kelk 3-spletig. Bloemen in dichte aren, met groote roode zeer sterk vertakte stijlen en stempelsAcalypha.
9b.Kelk 4–5-6-spletig of -deelig10
10a.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen; bloemen in trossenHieronymia.
10b.Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 3 vaak vertakte stijlen of stempels11
11a.Bloemen in trossen of aren12
11b.Bloemen in kleine groepen of alleenstaand in de bladoksels14
12a.Kelk met klieren aan de buitenzijde. Stijlen dik, 2-spletig tot tweedeelig. Vruchtbeginsel veel grooter dan de 5–10-spletige kelk, meest 3-kantig. Bloemen in een eindelingsche tros. Bladeren kaal. BoomenConceveiba.
12b.Kelk zonder klieren aan de buitenzijde13
13a.Discus meest ontbrekend. Kelk 4-deelig. Stijlen 2-lobbig, kort; boomen of heestersAlchornea.
13b.Onder het vruchtbeginsel een ringvormige schijf of schubben. Bloembladeren soms aanwezig. Stijl enkelvoudig, of 2-spletig of de zijtakken nog enkele malen vertakt. Bladeren met schubben of harenCroton.
14a.Boomen met enkelvoudige leerachtige bladeren. Bloemen zeer kort gesteeld in groepjes in de bladoksels. Bloembladeren vaak aanwezig, evenals staminodiën, soms ook beide ontbrekend. Stijlen plat, niet vergroeidDiscocarpus.
14b.Kruiden of heesters, met de bladeren aan de jongste takken vaak in 2 rijen, zoodat de bebladerde tak gelijkt op een gevind blad. Bloemen duidelijk of langgesteeld. Stempels meest 2-spletigPhyllanthus.Finie-bita.Bita-wiwirie.
15a.Bloemen in z.g. cyathien, d. z. bloeiwijzen, waarin één ♀ bloem in het midden staat, deze is omringd door een groot aantal ♂ bloemen, die slechts uit 1 meeldraad bestaan; het geheel is omringd door vergroeide schutbladeren, en doet dus denken aan een tweeslachtige bloem16
15b.Bloemen niet in cyathien, indien een groep van bloemen omgeven is door schutbladeren, dan zijn deze niet vergroeid, en in ieder geval hebben de ♂ bloemen een kelk17
16a.Cyathium regelmatig. Meest kruidenEuphorbia.
16b.Cyathium zijdelings-symmetrisch met een aanhangsel. HeestersPedilanthus.
17a.Een groep van mannelijke en vrouwelijke bloemen is omgeven door twee groenachtige of witte of rose, zittende, tegenoverstaande schutbladeren. Vruchtbeginsel met een lange stijl, ♂ bloemen met ongeveer 20 meeldraden. KlimplantenDalechampia.
17b.Niet een groep van ♂ en ♀ bloemen door 2 schutbladeren ingehuld18
18a.Boomen met 3-tallige bladeren. Helmknoppen op den top van een zuil zittend. Kelk 5-spletig. Bloemen in pluimenHevea.
18b.Bladeren niet 3-tallig, soms 3–7-voudig handvormig ingesneden tot 3–7-tallig, maar dan is de plant kruidachtig19
19a.Vruchtbeginsel veelhokkig, vrucht ten slotte in vele deelen uiteenvallend. Stijl lang met vele stempels. Kelk klokvormig. Meeldraden vele in rijen aan den top van een zuil. ♂ bloemen in trossen, ♀ bloemen alleenstaand. BoomenHura.Postentrie.
19b.Vruchtbeginsel 2–4-, meest 3-hokkig20
20a.In de ♂ en de ♀ bloemen zijn alleen meeldraden of vruchtbeginsels aanwezig; kelk en bloemkroon geheel ontbrekend. Meeldraden 12–2, stijl met 3 stempels. Heesters met enkelvoudige harde bladerenActinostemon.
20b.Een kelk, of kelk en bloemkroon aanwezig21
21a.Bloembladeren in de ♂ bloem aanwezig, in de ♀ bloem soms ontbrekend22
21b.Bloembladeren steeds ontbrekend in ♀ en ♂ bloemen27
22a.Meeldraden in den knop naar binnen gebogen, zoodat de top van de helmknop naar beneden gericht is. Meeldraden soms 5, meest 10–20, vaak nog meer dan 20. Bladeren met schubben of behaard, soms gelobd tot gedeeld. Heesters of kruidenCroton.
22b.Meeldraden in den knop rechtopstaand23
23a.Meeldraden 5, rondom een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloembladeren zoowel in de ♂ als de ♀ bloem aanwezig. Vruchtbeginsel met zittende schijfvormige stempel. Boomen met gaafrandige leerachtige bladeren. Bloemen in kleine groepenAmanoa.
23b.Meeldraden 10 of meer24
24a.Meeldraden in een zuil vergroeid, 10–3025
24b.Meeldraden vrij26
25a.Bladeren gelobd tot gedeeld. Zuil van de meeldraden zonder rudimentair vruchtbeginsel op den top, schijf duidelijk ontwikkeld. In de ♀ bloemen soms staminodiënJatropha.
25b.Bladeren lancetvormig, scherp gezaagd. Zuil van de meeldraden met een rudimentair vruchtbeginsel op den topCaperonia.
26a.Meeldraden talrijk, dicht op elkaar zittend met korte helmdraden. Stijlen 3, diep 2-spletig. ♂ bloemen in enkelvoudige eindstandige trossen; ♀ bloemen slechts weinige bij elkaar. Boomen met eironde bladerenSagotia.
26b.Stijlen niet ingesneden. Meeldraden 15–30. Bladeren smal, met roode of geele vlekken, kaal en glanzend. HeestersCodiaeum.
27a.Mannelijke bloemen zeer groot met een zeer groot aantal (tot 1000) helmknoppen; helmdraden vertakt.Vruchtbeginsel met 3 vertakte roode stijlen.Bladeren handdeelig, schildvormigRicinus.Krapata.
27b.Meeldraden niet zoo talrijk, helmdraden niet vertakt28
28a.Vruchtbeginsel 4-hokkig met een dikke, eironde tot half-bolvormige stijl. Vrucht 4-lobbig met 4 ribben. Bloemen in trossen, de ♀ bloemen in het onderste deel alleenstaand of weinig bij elkaar, de ♂ bloemen in groepen, ♂ bloemen met 8–30 meeldraden, die op een kegelvormige of half-bolvormige bloembodem zitten. Heesters of kruiden met handvormige, getande bladerenPlukenetia.
28b.Vruchtbeginsel 3-hokkig; stijlen 3 of 1, niet verdikt29
29a.Meeldraden 10 of meer30
29b.Meeldraden minder dan 10 (Zie ook Phyllanthus)31
30a.Meeldraden 10–30, in verschillende kransen tot een zuil vergroeid. Vruchtbeginsel kleiner dan de kelk, met 3 stempels. Bladeren gelobd tot gedeeld. Bloemen in pluimenJatropha.
30b.Meeldraden dicht gedrongen op een half-bolvormige bloembodem. Vruchtbeginsel veel langer dan de kelk, met een lange stijl en 3-spletige stempel. Bloemen in dichte en dikke trossen. Bladeren niet gelobdMabea.
30c.Meeldraden 10, alle vrij, in 2 rijen, op een schijf staande, en niet tot een zuil vergroeid. Kelk groot, min of meer klokvormig 5-spletig. In de ♂ bloem soms een rudimentair vruchtbeginsel; in de ♀ bloem soms staminodiën. Stijlen 3, een weinig aan de basis vergroeid. Bladeren meest handvormig ingesneden of bijna samengesteldManihot.Cassave.
31a.Heesters of boomen met de bloemen in dichte aren. ♀ bloemen met 3 groote roode, sterk vertakte stempels, met een 3-spletige kelk; ♂ bloemen met een 4-spletige kelk, met 8 meeldraden, waarvan de helmknoppen naar beneden uiteenwijken en ± gewonden zijnAcalypha.
31b.Stempels niet opvallend gekleurd. Meeldraden minder dan 8 zonder bijzonder gevormde helmknoppen32
32a.Bloemen in trossen of aren33
32b.Bloemen alleenstaand of in groepen in de bladoksels, gesteeld. Kelkbladeren 6–4, meest in 2 kransen, ♂ bloemen met 2–6 meeldraden, meest 3 of 5 meeldraden met losse of vergroeide helmdraden (zeer zelden meer dan 6 meeldraden). Stijlen 3, vrij of vergroeid, gedeeld of ongedeeld. Bladeren vaak in 2 rijen gezeten, zoodat de bebladerde tak op een gevind blad gelijkt. Kruiden of heestersPhyllanthus.Bita-wiwirie,Finie-bita.
33a.Helmdraden geheel vergroeid, alleen de helmknoppen vrij34
33b.Helmdraden alleen aan de basis vergroeid35
34a.Zuil van de helmdraden kort, aan den top met een dwarse verlenging aan welks einde de 2 helmknoppen zitten. Kelk 4–5-spletig. Stijl dik, aan den top 3-lobbig. Bloemen in lange met vrij groote schutbladeren bezette ijle trossen, in welker oksel een ♀ bloem en eenige ♂ bloemen zittenOmphalea.
34b.Zuil van de helmdraden niet eigenaardig gevormd. Kelk 3-lobbig. Meeldraden 2, soms 1 of 3. Stijlen vergroeid. Bloeiwijze van boven dicht, met 3 ♂ bloemen bij elk schutblad, van onderen ijler met de ♀ bloemen alleenstaandMaprounea.
35a.Kelk 4-deelig. Meeldraden 4. ♂ bloemen in groepen in vertakte bloeiwijzen, ♀ bloemen alleenstaand in enkelvoudige aren of trossenAlchornea.
35b.Kelk in de ♂ bloemen 2- of 3-deelig of -spletig of gelobd36
36a.Klimmende kruiden met behaarde, getande bladeren. Kelk 3–5-deelig. Meeldraden 3, vrij. Stijlen tot aan het midden vergroeid, van boven vrij, onvertakt. Bloemen in trossen, die van boven de ♂ van onderen de ♀ bloemen dragen of tros vertakt met een lange ♂ en een korte ♀ takTragia.
36b.Boomen of heesters, niet klimmend37
37a.Kelk van de ♂ bloem diep 3-deelig. Meeldraden 2 of 3 met korte helmdraden. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Bloemen in dunne trossen van onderen met alleenstaande of weinige ♀ bloemen, van boven met groepen van 2–4 ♂ bloemen. Bladeren kleinSebastiania.
37b.Kelk van de ♂ bloem 2-lobbig. Meeldraden 2–3 met vrije helmknoppen. Kelk van de ♀ bloem 3-spletig of 3-deelig. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Vrucht een weinig vleezig. Bladsteel met 2 klieren aan den top. Bloemen in aren; ♂ bloemen 3 of meer per schutblad, ♀ bloemen alleenstaand bij het schutblad onder aan de aarSapium.(Excoecaria).