Chapter 37

Orde:Tubiflorae.249.Convolvulaceae.Bloemen 5–4-tallig, meest regelmatig en tweeslachtig; bloemkroon vergroeidbladig, meest in de knop geplooid; meeldraden aan de basis van de kroon ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 2-, zelden 3–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht een doosvrucht, zelden 4 deelvruchten; meest kruiden, vaak links windend, zelden houtige planten, meest met groote bloemen; melksap vaak aanwezig.1a.Parasieten zonder groene bladeren, met zeer dunne windende stengels. Bloemen klein, meest 5-tallig in dichte groepen aan den stengel gezeten, met een bekervormige bloemkroonCuscuta.1b.Planten met groene bladeren22a.Kleine, niet windende kruiden met kleine (± 1 c.M. groote of kleinere) eivormige of lancetvormige blaadjes, en zeer kleine (± ½ c.M.) bloemen, die òf alleen staan in de oksel van de bladeren òf in weinigbloemige bijschermen. Stijl met 2 draadvormige stempels; vruchtbeginsel kaal; doosvrucht met 4 kleppen openspringendEvolvulus.2b.Krachtige, meest klimmende kruiden of heesters met groote bladeren en bloemen33a.Lianen of heesters met eironde, leerachtige, kale bladeren en vrij groote of groote bloemen in eindelingsche pluimen. Kroon van buiten behaard, aan den rand weinig ingesneden, rose tot lila; de meeldraden niet buiten de kroon uitstekend. Stijl lang met een bolvormige, onduidelijk 2-lobbige stempel. Vrucht leerachtig of houtig, niet openspringendMaripa.Patawana.3b.Kruiden of kleine heesters, meest windend met kruidachtige meest wat hartvormige of ingesneden of samengestelde bladeren en openspringende dunwandige vruchten44a.Stijlen 2 of een 2-spletige stijl met aan iedere tak een bolvormige stempel. Kelkbladeren vliezig, kaal, de 2 buitenste veel grooter dan de 3 binnenste; bloemkroon van buiten behaard op 5 kale plekken na. Windende heesters met groote elliptische bladeren en okselstandige bloeiwijzenPrevostia.4b.Slechts 1 stijl aanwezig met 2 stempels of met één bolvormige of gelobde stempel55a.De buitenste 3 kelkbladeren veel grooter dan de 2 binnenste, eirond, langs den bloemsteel een weinig afloopend; bloemkroon wijd-buisvormig; meest wit. Windende kruiden met aan den voet versmalde bladeren, aan den bladtop een puntjeAniseia.5b.Alle kelkbladeren ongeveer even groot66a.Bloeiwijzen in de bladoksels op lange steelen staande, aan welks einde de bloemen in dichte hoofdjes zitten, omgeven door talrijke schutbladeren. Bloemen wit, blauw of rose, klein of vrij groot. Stijl aan den top met 2 duidelijk gescheiden eironde of langwerpige stempels. Vrucht met 8 of met 4 kleppen openspringend. Windende kruiden of heesters, meest fluweelachtig behaard met niet-ingesneden bladerenJacquemontia.6b.Bloemen òf alleenstaand òf slechts weinige bijeen in de bladoksels of indien meerdere bloemen in een schermvormige bloeiwijze zitten, dan zijn er geen duidelijke bracteeën aanwezig. Stempel gaaf of 2-lobbig77a.Vrucht met een deksel openspringend. Bloemen zeer groot, één of zeer weinige in de bladoksels; kelkbladeren groot, eirond, min of meer papierachtig; na de bloei vergroot; bloemkroon wijd-klokvormig, wit of geelachtig; stempel 2-lobbig. Stengels, blad- en bloemsteelen meest gevleugeld. Bladeren hartvormig, niet ingesnedenOperculina.7b.Vrucht met kleppen openspringend. Bladeren vaak (niet altijd) gelobd, gedeeld of samengesteld. Stengels niet gevleugeld88a.Stuifmeelkorrels glad. Bloemkroon met 5 donkere aderen, die met de kelkbladeren afwisselen, zelden zonder aderen, (maar dan zijn de bladeren niet gelobd of gedeeld of samengesteld). Bloemen okselstandig, met een lange steel, alleenstaand of in weinig- of veelbloemige bijschermen. Bloemen wit of geel. Meest windende plantenMerremia.(Ipomoea,Pharbitis).8b.Stuifmeelkorrels met stekels bezet. Bloemkroon zonder donkere aderen. Bloemen zelden wit, meest paars of rose of rood. Overigens als de vorigeIpomoea.(Calonyction,Quamoclit,Pharbitis).251.Hydrophyllaceae.Bloemen meest 5-tallig tweeslachtig regelmatig, sympetaal, slippen in de knop meest met de randen tegen elkaar liggend, zelden gedraaid; meeldraden 5, zelden 4 of meer dan 5; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot talrijke zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren.Kelk diep ingesneden met 5 spitse slippen. Bloemkroon met korte buis, blauw. Meeldraden onder in de buis ingehecht. Helmknoppen pijlvormig. Vruchtbeginsel met 2, zelden met 3 stijlen. Doosvrucht dunwandig. Bloeiwijze een losse pluim. Bladeren verspreid; plant klierachtig behaard, meestal met dorensHydrolea.Swietie-watra-kraroen.252.Borraginaceae.Bloemen 5-, zelden 6-veeltallig, meest 2-slachtig, regelmatig, soms zygomorf, sympetaal, slippen in de knop met de randen over elkaar liggend, al of nietgedraaid; vaak met schubben van binnen; vruchtbeginsel 2-hokkig, met 2 zaadknoppen in ieder hokje, soms 4-hokkig, ongedeeld of 4-deelig; stijl 1, enkelvoudig of 2-deelig, of elke tak nog eens gedeeld; vrucht een steenvrucht of in 4 nootjes uiteenvallend; kruiden of houtige planten, vaak ruwhaarig of borstelig, zelden met tegenoverstaande, meest met verspreide, enkelvoudige bladeren, bloeiwijzen sikkelvormig.1a.Stijl van boven gespleten, elke tak nog eenmaal gespleten, zoodat er in het geheel 4 stempels zijn, kelk buis- of klokvormig, 3–5-tandig. Bloemkroon trechter-, klok- of schotelvormig, meest 5-tallig. Meeldraden 5, in de buis ingehecht. Vrucht een steenvrucht, die door de kelk ten deel wordt omhuld, en 1 pit heeft, die 4–1 zaden bevat. Boomen of heestersCordia.1b.Stijl van boven niet gedeeld, doch een tweelobbige stempel met een behaarde verdikte ring eronder22a.Vrucht een steenvrucht, besachtig of tamelijk droog met 2 of 4 pitten. Kelk 5-deelig met smalle slippen. Bloemkroonslippen aan den top niet naar binnen gebogen. Meeldraden niet uit de buis uitstekend. Heesters, zelden boomenTournefortia.2b.Vrucht in 4 nootjes uiteenvallend of eerst in tweeën gedeeld, en daarna ieder stuk in twee nootjes uiteenvallend. Kelk en bloemen als de vorige, doch bloemkroonslippen meest met naar binnen gebogen top. Meest kruiden, zelden een weinig heesterachtigHeliotropium.253.Verbenaceae.Bloemen 5–4-, zelden 6–8-tallig, meest tweeslachtig, zelden regelmatig, bijna steeds zygomorf; kelkbladeren vergroeid; kroon vergroeidbladig met vaak lange soms gekromde buis en vaak 2-lippige zoom; meeldraden meest 4, tweemachtig, of 2 en 2–3 staminodiën, vruchtbeginsel 2-, zelden 4–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje, meest door vorming van een valsch tusschenschot 4-hokkig; 1 stijl; vrucht meest een 2–4-hokkige steenvrucht, soms een splitvrucht; kruiden of houtige planten met meest tegenoverstaande of kransstandige, zelden verspreide bladeren, die enkelvoudig of samengesteld zijn.1a.Heesters of boomen met handvormig samengestelde tegenoverstaande bladeren. Kelk 5-tandig tot 5-spletig. Bloemkroon vrij klein met rechte of gekromde buis en uitgebreide scheeve, 5-lobbige zoom. Meeldraden 2-machtig. Stijl met 2-spletige stempelVitex.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen in bijschermen, d. w. z. de hoofdas van de bloeiwijze vertakt zich herhaaldelijk en ten slotte eindigt elk takje in een bloem; soms ook is het bijscherm tot een enkele okselstandige bloem verkort32b.Bloemen in aren of trossen, dus de hoofdas van de bloeiwijze is onvertakt43a.Boomen, die in de mangrove voorkomen. Bloemkroon bijna regelmatig 4-spletig met ronde slippen. Eindtakken der bloeiwijze in hoofdjes van zittende bloemen eindigendAvicennia.Parwa.3b.Bloemkroon met een vaak zeer lange buis en 5-lobbige zoom; lobben bijna gelijk of ongelijk. Meeldraden meest buiten de buis uitstekend. Bloemen soms alleenstaand in de bladoksels. Heesters of boomen, met of zonder dorensClerodendron.3c.Bloemen in eindelingsche of okselstandige veelbloemige pluimen, meest4-talligmet regelmatige en korte bloemkroon. Meeldradenboven in de bloemkroonbuis ingehecht. Vrucht een bes, in de vergroote kelk zittend. Heesters of boomenAegiphila.4a.Rechtopstaande, onvertakte kleine (± ½ meter) heesters met een eindelingsche bloemtros; bloemen geel in den oksel staande van groote roode schutbladeren. Kelk breed klokvormig; bloemkroon met een lange buis, onduidelijk 2-lippig. Vrucht een bes. Bladeren lang en smalAmasonia.4b.Geen opvallend gekleurde schutbladeren aanwezig55a.Bloemen dichtgedrongen in okselstandige bolvormige of een weinig verlengde hoofdjes65b.Bloemen in losse of lange aren of trossen76a.Kelk ongetand of met zeer kleine tanden. Zoom van de bloemkroon onduidelijk 2-lippig, 4–5-spletig. Heesters of kruiden. Bladeren tegenoverstaand of in 3-tallige kransen, meest ruw, doch niet viltigLantana.Koorsoe-wiwirie.6b.Kelk met een 2-ribbige of 2-vleugelige buis, 2–4-spletig of 4-tandig. Bloemkroon 4-lobbig met kleine zoom. Bladeren viltig behaard, meest ook ruwLippia.7a.Bloemen zittend in eindelingsche dunne en lange aren in de oksel van kleine schubvormige schutbladeren; as van de aar vaak met holten, waarin de vrucht ten deele opgesloten is, en welke holte van buiten door het schutblad is afgesloten. Kelkbuis lang en dun, 5-tandig. Bloemkroon met lange dunne buis, met 2 meeldraden en 2 kleine staminodiën. Planten niet klimmend. Bladeren grof getandStachytarpheta.7b.Bloemen in ijle trossen88a.Lianen met zeer ruwe bladeren. Bloemen blauw of paars in okselstandige trossen; kelk opvallend groot met korte buis en 5 breede slippen, die meest langer zijn dan de bloemkroon en evenzoo gekleurd; kelk na het bloeien vergroot, vliezig wordend en netvormig geaderdPetraea.8b.Kelkslippen niet opvallend groot en gekleurd99a.Boomen; kelk buis-klokvormig met korte tanden; bloemkroon met uitgebreide 5-spletige zoom. Bloemen in eindelingsche trossen, wit. Vrucht een bes, van onderen door de kelk omslotenCitharexylum.9b.Heesters of kruiden1010a.Kelk klokvormig met 5 ribben, die ieder in een tand eindigen. Bloemkroon met cylindervormige, naar boven verwijde buis en scheeve 5-lobbige zoom. Meeldraden ter halver hoogte in de buis ingehecht. Vertakte heesters met okselstandige weinig-bloemige trossen. Bladeren kleinTamonea.10b.Kelk buisvormig, na de bloei verwijd, de vrucht geheel insluitend en aan den mond vernauwd. Zoom van de bloemkroon scheef, 5-lobbig. Vrucht uiteenvallend in 2 borstelige steenen. Bloemen in losse eind- of okselstandige aren. Bladeren vrij groot, gezaagdPriva.254.Labiatae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, sympetaal, zygomorf; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buisvormig met een 2-lippige zoom; meeldraden 4, tweemachtig of 2 en 2 staminodiën, zelden nog een vijfde staminodiale meeldraad aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht in 41-zadige deelvruchten gedeeld en als zoodanig uiteenvallend; stijl 1; kruiden of heesters met tegenoverstaande of kransstandige bladeren; bloemen meest in korte bloeiwijzen in de bladoksels, schijnkransen vormend.1a.Bladeren sterk handvormig gespleten tot gedeeld; de slippen ook wat ingesneden. Bloemen rose tot purper in schijnkransen in de bladokselsLeonurus.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen dicht met oranje-roode haren bezet, in groot bolvormige schijnkransen rondom den stengel, bladeren onder de bloeiwijzen klein, stengelbladeren groot en breed, gekarteldLeonotis.2b.Bloemenen bloeiwijzen anders gevormd33a.Bloemen in gesteelde hoofdjes, die aan de basis eenige kleine blaadjes dragen43b.Bloemen in schijnkransen van 6–10 bloemen rondom den stengel; schijnkransen dicht bij elkaar zittend, zoodat de geheele bloeiwijze den indruk maakt van een eindelingsche tros. Kelk 2-lippig, de bovenlip groot en eirond. Bloemen roseOcimum.Smerie-wiwirie.4a.Kelk, vooral nà den bloei, klokvormig met 3-kantige slippen. Nootjes aan de rugzijde kielvormig, op de buikzijde voorzien van vliezige getande, naar binnen gebogen randen. Hoofdjes gesteeld in de bladoksels. Planten behaardMarsypianthes.4b.Kelk buisvormig met draadvormige slippen. Nootjes bolrond of eirond. Bloemen in gesteelde hoofdjes in de bladoksels, soms ook zijn de bladeren, die de hoofdjes in de oksels hebben, zeer klein, en dan zijn de hoofdjes tot een groote pluim- of aarvormige bloeiwijze samengesteldHyptis.256.Solanaceae.Bloemen meest 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zelden zygomorf; sympetaal; kroon in de knop meest geplooid; meeldraden 5, in de zygomorfe bloemen meest 4, soms met 1 staminodium; vruchtbeginsel 2-hokkig, bovenstandig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje, zelden 3–5-hokkig; stijl 1 met een 2-lobbige of 2-deelige stempel; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of heesters met verspreide bladeren.1a.Bloemen regelmatig, met goed ontwikkelde meeldraden, evenveel als bloemkroonslippen21b.Bloemen met slechts 4 meeldraden, waarvan er soms 2 niet geheel ontwikkeld zijn72a.Bloemkroon niet buisvormig, uitgespreid, of indien er een duidelijke buis is, dan is de zoom breed en zijn de vruchten bessen32b.Bloemkroon met een lange buis en een in verhouding korte zoom53a.Helmknoppen tot een buis samenkomend of vrij, in het laatste geval steeds met poriën aan den top openspringend. Helmdraden zeer kort, aan de basis van de zeer korte bloemkroonbuis verbonden. Kelk 5–10-tandig of -deelig, bij het rijp worden der vruchten niet of weinig vergroot. Vrucht een besSolanum.3b.Helmknoppen altijd vrij van elkaar en met overlangsche spleten openspringend44a.Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelk klokvormig, 5-lobbig, bij het rijpworden der bes zeer sterk vergroot, opgeblazen en de bolvormige bes omhullendPhysalis.4b.Kelk wijd-klokvormig, ongetand of met 5 kleine tanden, bij het rijpworden van de vrucht weinig vergroot. Helmdraden langer dan de helmknoppen. Bes rood, meest verlengdCapsicum.5a.Boomen of heesters, soms klimmend. Vrucht een bes65b.Kruidachtige planten. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht. Kelk buis-klokvormig 5-lobbig. Bloemkroon met een lange buis en een iets scheeve zoom. Bloemen in trossen of pluimenNicotiana.6a.Kelk buisvormig met lange spitse slippen; bloemkroon vuurrood, trechtervormig met vrij breede zoom. Bes droog.Klimmende heesters, bloemen in trossen of pluimenMarkea.6b.Kelk klok- of buisvormig, 5-tandig of 5-spletig. Bloemkroon buisvormig met smalle zoom, die meest teruggeslagen is. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht, aan de basis verdikt of behaard. Bessen groot, met 1 of weinig zaden. Bloemen wit, geel of groenachtig, in schermenCestrum.7a.Kruidachtige planten; bloemkroon met een lange en dunne buis en 5 korte slippen, waartusschen meest nog 5 andere slippen zijn ingevoegd. Meeldraden 4, 2 lange en 2 korte. DoosvruchtSchwenkia.7b.Heesters of boomen; bloemkroon met een breede, 5-lobbige zoom. Meeldraden tweemachtig. Helmdraden van boven verdikt en gekromdBrunfelsia.257.Scrophulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, min of meer zygomorf; meeldraden zelden 5; meest 4 of 2; vruchtbeginsel bovenstandig 2-hokkig met weinige tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande of verspreide of kransstandige bladeren.1a.Bloemen met slechts 2 meeldraden. Zeer kleine kruiden, meest kruipend met ronde of eironde tegenoverstaande blaadjes en okselstandige bloemen. Kelk klokvormig,4-deelig; bloemkroon ± bolvormig met korte bovenlip en 3-lobbige onderlipMicranthemum.1b.Bloemen met 4 vruchtbare meeldraden of met 2 vruchtbare meeldraden en 2 staminodiën22a.Kelk en bloemkroon 4-deelig, vrijwel regelmatig; bloemkroon wit, met korte buis, stervormig. Meeldraden buiten de buis uitstekend. Helmknoppen aan de basis een weinig pijlvormig. Sterk vertakte kruiden met smalle bladeren en gesteelde bloemen, alleen of eenige bijeen in de bladokselsScoparia.Sisibi-wiwirie.2b.Kelk en kroon, of tenminste steeds de kelk 5-tandig tot5-deelig, of 5-bladig33a.Kelk en bloemkroon beide zeer lang en buisvormig; kelk 5- (zelden 4-)tandig. Bloemen aan het eind van den stengel staande en daar een zeer ijle, ± 5-bloemige, aar vormend. Bladeren zeer smal, bijna lijnvormig. Bloemen paarsBüchnera.3b.Bloemen okselstandig of indien ze een eindstandige aar vormen, dan zijn de schutbladeren groot, en de bloemen talrijk44a.Bloemen in eindstandige trossen of aren, in de oksel van schutbladeren alleenstaand54b.Bloemen in de bladoksels, alléén of 2 of meer bij elkaar in iedere bladoksel65a.Bloemen geel of wit, in aren; kelk klokvormig, kantig, na de bloeiopgeblazen, 5-tandig. Bloemkroon met wijde buis en vlakke, 5-lobbige zoom. Ruwharige kruidenMelasma.(Alectra).5b.Bloemen violet of rood, langgesteeld in eindstandige trossen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden. Bloemkroon met nauwe mond, buis-trechtervormig. Kruidachtige plantenGerardia.6a.Kelk 5-tandig of 5-deelig met gelijke of bijna gelijke slippen of tanden76b.Kelkslippen zeer ongelijk van vorm en grootte107a.Bloemkroon met zeer korte buis, klokvormig, 5-lobbig, bijna regelmatig. Meeldraden 4–5. Bloemen wit, gesteeld, meestal in paren in de bladoksels. Rechtopstaande kruidenCapraria.7b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig88a.Helmhokjes door het breede helmbindsel van elkaar gescheiden. Behaarde landplanten met okselstandige blauwe bloemen; bloemkroon gapendStemodia.8b.Helmhokjes niet door een breed helmbindsel gescheiden99a.De helmdraden van alle 4 de meeldraden zijn in de bloemkroonbuis ingehecht. Waterplanten met okselstandige bloemen; bladeren klein, met breede voet zittendConobea.9b.Twee van de 4 helmdraden in den mond van de bloemkroon ingehecht, de beide andere in de buis. Meeldraden vaak met aanhangselen aan de basis. Helmknoppen van elk paar meeldraden wat samenhangend. Kleine kruidachtige plantenLindernia.10a.Kelk buisvormig, min of meer gevleugeld; bloemkroon naar boven geleidelijk wijder wordend. Helmknoppen van elk paar meeldraden samenhangend; een paar van de helmdraden in de mond van de bloemkroon ingehecht; de 2 lange helmdraden aan de inhechtingsplaats met een aanhangsel. Kruiden met langgesteelde okselstandige bloemenTorenia.10b.Kelk niet gevleugeld en niet buisvormig. Helmdraden zonder aanhangselen aan den voet1111a.Kelk 5-deelig, de achterste slip grooter. Twee meeldraden met stuifmeel; de beide andere tot staminodiën vervormd. Rechtopstaande soms een weinig heesterachtige planten met behaarde kleine bladeren en bloemen in de bladokselsBeyrichia.(Achetaria).11b.Kelk bijna 5-bladig; de achterste slip veel grooter dan de andere, de 2 zijdelingsche meest veel smaller dan de rest. Bloemkroon met vlakke 2-lippige zoom. Bovenlip ingesneden of 2-lobbig; onderlip 3-lobbig. Meeldraden 4 of 5. Land- of waterplanten, in het laatste geval met lange smalle bladerenBacopa.258.Bignoniaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; meeldraden 4 of 2, soms bovendien 1 of 3 staminodiën aanwezig; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buis-, trechter- of trompetvormig; vruchtbeginsel bovenstandig meest 2-, zelden 1-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1 met een 2-lobbige stempel; vrucht een 2-kleppige doosvrucht, soms vleezig en niet openspringend; zaden meest min of meer gevleugeld en plat; meest houtige planten met tegenoverstaande of soms verspreide, vaak samengestelde bladeren met of zonder ranken; bloemen groot.1a.Boomen of heesters, niet klimmend of indien ze klimmen, dan zijn het wortelklimmers met enkelvoudige bladeren zonder ranken21b.Lianen, met of (zelden) zonder ranken klimmend72a.Bladeren enkelvoudig32b.Bladeren samengesteld43a.Bladeren tegenoverstaand; wortelklimmers met leerachtige eironde bladeren; kelk voor de bloei gesloten, later onregelmatig openspringend of onduidelijk 5-tandig. Vruchten kort eirond. Bloemen in eindelingsche pluimen of trossenSchlegelia.3b.Kleine boomen of heesters met smalle groepsgewijs staande bladeren en zijdelings-symmetrische bloemen die uit de takken te voorschijn komen. Bloemkroon van voren met een plooi. Vrucht groot, met harde wandCrescentia.Kalebas.4a.Bladeren enkel-gevind, of dubbel-gevind54b.Bladeren handvormig samengesteld65a.Boomen of heesters met enkelgevinde bladeren; blaadjes grof gezaagd. Bloemen geel met een klein, draadvormig staminodium aan de achterzijdeStenolobium.5b.Boomen met enkel- of dubbelgevinde bladeren; in het laatste geval blaadjes meest klein. Bloemen blauw, met een zeer groot staminodium; van de 4 meeldraden zijn er slechts 2 goed ontwikkeldJacaranda.6a.Bladeren 5-tallig, langgesteeld; blaadjes vrij lang gesteeld. Bloeiwijze eindelingsch; tegelijk met de bladeren aanwezig, kort, trosvormig, de witte bloemen kruiswijs tegenoverstaand; kelk scheef klokvormig, meest kort-3-lobbig, de lobben met een puntje aan den top, van buiten schubvormig behaard. Zaden met een dikke vleugelCouralia.Courali.6b.Bladeren 3- of 5-tallig. Bloeiwijze pluim- of schermvormig, meest nièt tegelijk met de bladeren aan den boom zittend. Bloemen meest geel; kelk van binnen meest zonder klieren. Zaden met een vliezige vleugelTecoma.Groenhart.7a.Ranken kort, aan den top gespleten in 3 korte eenigszins verdikte en haakvormig omgebogen takken. Bloemen geel. Bladeren steeds2-tallig87b.Ranken draadvormig of ontbrekend, nooit in 3 haakvormige takken eindigend98a.Kelk vliezig, tijdens den bloei aan één zijde opengescheurd. Kroon groot, van onderen dun, buisvormig, naar boven verwijd; van binnen bij de inhechtingsplaats van de meeldraden behaard. Vrucht lang en smalMacfadyena.8b.Kelk onregelmatig 5-lobbig, meest met min of meer gegolfde rand. Overigensvrijwelgelijk aan de vorigeBignonia.9a.Bladeren 1-jukkig gevind, dus 2 blaadjes met eindblaadje (dus 3-tallige bladeren) of in plaats van het eindblaadje een rank129b.Bladeren meerjukkig gevind of dubbel-3-tallig of op andere wijze samengesteld1010a.De bladeren zelf of de jukken der bladeren gevind, in het laatste geval dus dubbelgevinde bladeren.Ranken ontbrekend; stengel rond. Kelk leerachtig met 5 kleine tanden of éénzijdig gespleten, meest met vele klieren. Bloemkroon wit of geel met zeer ongelijke lobbenMemora.10b.Bladeren dubbel 3-tallig (een enkele maal is er nog een paarblaadjes meer, zoodat een deel van het blad dan gevind is). Bladeren met ranken1111a.Bloemen rose tot violet in een eindelingsche pluim. Takken niet scherp vierkant. Kelk met 5 kleine tandjes en zeer weinig klierenArrabidaea(inaequalis).11b.Bloemen wit of geel, in okselstandige bloeiwijzen. Takken scherp-vierkant, de hoeken bij de oudere takken meest als lange draden loslatend. Kelk meest met vele klierenPleonotoma.12a.Schijf onder het vruchtbeginsel ontbrekend1312b.Schijf onder het vruchtbeginsel aanwezig, meest de basis van het vruchtbeginsel als een ring of een beker omgevend1413a.Helmknoppen en meest ook de bladeren geheel kaal. Kelk klokvormig met 5 zeer kleine tanden. Bloemkroon wit met rose of paars, met breede slippenCydista.13b.Helmknoppen, en meest ook de helmdraden en de bladeren behaard. Kelk als de vorige. Bloemkroon wit met geelLundia.14a.Bloemen met een zeer wijde en groote (tot 4 c.M. lange) kelk met een ongelijkeeenigszinstweelobbige zoom. Bloemkroon zeer groot, geel met roode streepen. Blaadjes groot en breedCallichlamys.14b.Kelk niet opvallend groot en wijd1515a.Bloemkroon gekromd1615b.Bloemkroon recht1716a.Kelk klokvormig, leerachtig, bijna ongetand, van buiten kort behaard. Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd. Vruchtbeginsel knobbelig. Takken kantig met lichtere verdikte overlangsche streepen. Vrucht breed, met stekels op de gewelfde kleppen. Bladeren dun, met eenigszins hartvormige voet. Bloemen wit of geelPithecoctenium.Keesi-keesi-kam.16b.Kelk klokvormig, met rechte rand, later een weinig ingescheurd, leerachtig. Bloemkroon leerachtig. Takken niet kantig en niet gestreept. Doosvrucht gladDistictis.17a.Het onderste deel van de bloemkroonbuis is eenigszins zakvormig verwijd met een stompe knobbel aan de voorkant. Kelk leerachtig, scheef, onregelmatig ingesneden. Bloemen in eindelingsche pluimen, rose tot paars, van buiten behaard. Vrucht zeer langParagonia.17b.Bloemkroon van onderen niet zakvormig verwijd, zonder knobbel aan één kant1818a.Ranken aan den top met 3 takken. Bloemen in zeer wijde en ijle bloeiwijzen. Kelk 2-lippig en onregelmatig4–5-spletig. Benedendeel van de bloemkroonbuis lang en dun; bloemen wit met lila. Vrucht zeer lang en smalMartinella.18b.Ranken niet vertakt; bloeiwijze niet zeer ijl1919a.Kelk leerachtig, meest met klieren, in den knop gesloten, later tweelippig zich openend. Lobben der kroon ongelijk; bloemen geel of wit, trechtervormig met lange buis. Blaadjes smalMemora.19b.Kelk regelmatig, of indien de kelk tweelippig is, dan is hij niet leerachtig2020a.Kelk met groote schotelvormige klieren aan de buitenkant. Zaadknoppen in elk hokje 2-rijig. Vrucht breed met gladde kleppenAdenocalymma.20b.Kelk zonder groote schotelvormige klieren2121a.Bloemkroon in den knop alleen aan den top met een behaarde plek, verder kaal. Kelk dun, wijd schotelvormig. Bloeiwijzen veelbloemig. Bladeren zeer dun-vliezig met krachtige nerven. Vrucht smal met platte kleppenPetastoma.21b.Bloemkroon niet met een behaarde plek aan den top. Bladeren niet vliezig2222a.Bloemen in een armbloemig, okselstandig bijscherm; schijf duidelijk gelobd, de onderste stengelbladeren soms enkelvoudig. Doosvrucht breed, met gestekelde kleppenClytostoma.22b.Schijf niet of onduidelijk gelobd; bloeiwijzen meest meerbloemig; doosvrucht glad2323a.Vrucht smal en lang. Zaadknoppen in elk hokje in 2 rijen. Kelk meest dunArrabidaea.23b.Vrucht breed, elliptisch. Zaadknoppen in elk hokje in 4 rijen. Kelk leerachtig. Bladeren met groote steunbladerenAnemopaegma.259.Pedaliaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf, sympetaal; meeldraden 4 of 2 met paarsgewijs samenhangende helmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–4-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen; hokjes van het vruchtbeginsel vaak met dwarstusschenschotten; vrucht een doosvrucht of een noot; kruiden met tegenoverstaande of naar boven verspreide bladeren; bloemen okselstandig of in trossen.Kruiden met afwisselende, smalle bladeren en okselstandige bloemen. Bloemkroon klokvormig met 5-lobbige zoom, waarvan de onderste lob het grootst is. Meeldraden 4, de 5demeeldraad is tot een klein staminodium gereduceerd. Vruchtbeginsel met één stijl met twee bladachtige stempels. Vrucht een doosvruchtSesamum.262.Gesneriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; bloemkroon sympetaal, min of meer 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms met 1 of 3 staminodiën, de helmknoppen paarsgewijs verbonden of alle samenhangend; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met twee wandstandige zaadlijsten met talrijke zaadknoppen; één stijl met een breede of 2-lobbige stempel; vrucht een doosvrucht of een bes met talrijke kleine zaden; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande, gaafrandige of getande bladeren en meest groote bloemen.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, kelk met 5, min of meer bladachtige slippen. Bloemkroon klokvormig en 5 breede slippen. Meeldraden 4 onder in de bloemkroon ingehecht met kruisgewijs verbonden helmknoppen. Schijf ringvormig. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Kruiden met tegenoverstaande bladeren; bloemen in de oksels van schutbladerenGloxinia.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig22a.Schijf bestaande uit een dikke soms wat scheeve ring. Meeldraden 4, de helmdraden aan de basis wat verbreed. Stempel 2-lobbig. Vrucht een bes, door de kelk omslotenBesleria.2b.Schijf niet ringvormig doch bestaande uit 1 of 2 schubben aan één zijde van het vruchtbeginsel gezeten33a.Helmhokjes door een breed en dik helmbindsel van elkaar gescheiden, niet evenwijdig loopend, kelkslippen 5, smal; bloemkroon min of meer klokvormig met wijde mond. Planten met dikke ± vleezige bladeren en kleine bloemen in de bladokselsCodonanthe.3b.Helmhokjes niet door een dik en breed helmbindsel van elkaar verwijderd; helmhokjes evenwijdig loopend44a.Helmdraden aan de basis tot een van achteren gespleten buis vergroeid. Kelkslippen meest niet groen gekleurd, ongelijk, breed, vaak getand. Bloemkroonbuis wijd met 5 afgeronde slippen. Helmknoppen vrij van elkaar. Schijf uit één groote schub bestaand. Heesterachtige plantenCrantzia.4b.Helmdraden van onderen niet of nauwelijks met elkaar vergroeid55a.Kelk klokvormig, 5-kantig of 5-vleugelig, met korte tanden; niet groen gekleurd. Bloemkroon wijd, cylindervormig. Helmdraden aan de basis verbreed, helmknoppen niet samenhangend. Schijf uit een schub bestaande. Kruiden, met meerdere bloemen in een bloeiwijze vereenigdTussacia.5b.Kelk diep 5-deelig66a.Kelkslippen smal. Bloemkroon met een lange buis, die meest wat gebogen is. Helmdraden van onderen een weinig vergroeid, de 5demeeldraad als klein staminodium zichtbaar. Schijf uit één groote schub bestaande. Stijl van boven verdikt. Kruiden, meest met tweekleurige bloemenEpiscia.6b.Kelkslippen groot en breed, bladachtig, ongelijk. Bloemkroonbuis van onderen opgeblazen en verwijd. Helmknoppen van onderen verbreed. Schijf uit een groote schub bestaande. Heesterachtige planten met dikke bladerenDrymonia.264.Lentibulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig zelden regelmatig, meest zygomorf, bloemkroon meest duidelijk 2-lippig; meeldraden zelden 5, meest 2, onder in de bloemkroon ingehecht;vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met een meest grondstandige zaadlijst; vrucht een 2–4-kleppige doosvrucht en dan veelzadig of een gesloten vrucht en dan 1-zadig; meest kruiden op vochtige plaatsen of in het water groeiend.1a.Kelk 4-deelig met ronde slippen aan den rand met lange tanden bezet. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd, met een spoor. Bovenlip 2-spletig; onderlip groot, 3-lobbig. Meeldraden 2, sterk gebogen. Doosvrucht meerzadig met 2 kleppen openspringend. Kleine kruiden met langwerpige, gaafrandige wortelstandige bladerenPolypompholyx.1b.Kelk 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd; bovenlip rechtopstaand, ingesneden of gaafrandig, onderlip groot, 3-deelig of gaafrandig. Meeldraden 2, dik en kort, sterk gebogen. Doosvrucht met 2 kleppen of onregelmatig of met een deksel openspringend. Land-, moeras-, of waterplantenUtricularia.266.Acanthaceae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms nog 1 of 3 staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht, 2-kleppig hokverbrekend openspringend, zelden een steenvrucht; zaden meest zittend op haakvormige uitgroeiïngen van de zaadsteel; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren; bloemen meest in aren of samengestelde aren.1a.Kelk aan den voet met 2 groote bladeren die aan de randen min of meer vergroeid zijn en den kelk inhullen. Meest klimplanten; bloemen in de bladoksels21b.Geen 2 groote bladeren onder de kelk; indien de kelk door bladeren omhuld wordt dan staan de bloemen in aren32a.Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven geleidelijk verwijd; zoom van de bloemkroon niet zeer breed. Planten meestal langharig. Vrucht min of meer besachtig, niet openspringend, rondMendoncia.2b.Bloemkroonbuis tamelijk wijd met een groote en breede, wijduitstaande zoom met bijna gelijke slippen. Bladeren meest wat pijlvormig. Vrucht een toegespitste doosvruchtThunbergia.3a.Bloemen met 4 meeldraden of met 2 meeldraden en 2 groote staminodiën43b.Bloemen met slechts 2 meeldraden104a.Bloemen in dichte zittende groepen in de bladoksels, schijnbaar in kransen rondom den stengel staand. Bloemkroon 2-lippig met een dunne naar boven geleidelijk wijder wordende buis. Stempel haakvormig. Bladeren smal en langHygrophila.4b.Bloemen in pluimen of aren of gesteeld en okselstandig55a.Bloemen zoo dicht op elkaar zittend dat ze aan het eind van den stengel een duidelijke aar vormen met of zonder dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren65b.Bloeiwijze los, niet dicht-aarvormig. Kelk gelijkmatig 5-spletig of de achterste kelkslip grooter of soms kelk 2-lippig. Bloemkroon verschillend van vorm, doch steeds met 5 ongeveer gelijke lobben, dus niet duidelijk 2-lippigRuellia.6a.Twee vruchtbare meeldraden en twee staminodiën aanwezig. Plant naar boven vertakt; elke tak in een aar eindigend met dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren, die min of meer droogvliezig, sterk geaderd en toegespitst zijn. Schutbladeren veel grooter dan de kelk. Bloemen met lange dunne buis, ver buiten de aar uitstekendEranthemum.6b.Alle meeldraden met stuifmeel77a.Bloemkroon onduidelijk 2-lippig of bijna regelmatig. Bloemen wit87b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig. Bloemkroon wit en lila en dan klein, of rood en dan groot98a.Aar tamelijk los met bladachtige breede schutbladeren, die veel grooter zijn dan de kelk. Bloemen 2 of 3 in de oksels der schutbladeren. Kelk 5-deelig, regelmatig, vrucht van binnen met duidelijke haken, met 6 of meer zaden in elke afdeelingBlechum.8b.Aar dicht, soms zeer klein; kelk 5-deelig, de bovenste slip breeder dan de andere. Schutbladeren niet opvallend breed en bladachtig; bloemen meest alleenstaand in de oksels der schutbladeren. Doosvrucht met vele zaden, van binnen zonder haken. Planten meest zeer kleinStaurogyne.9a.Bloemen vuurrood, meeste meerdere centimeters lang, duidelijk 2-lippig, in een smalle, eindstandige aar, waarvan de schutbladeren dicht over elkaar liggen. Schutbladeren vaak met tanden aan den top of aan den rand. Meeldraden buiten de bloemkroon uitstekend; planten rechtopstaand, onvertaktAphelandra.9b.Schutbladeren weinig grooter dan de kelk, droogvliezig, evenals de kelkslippen met een spitse punt. Bloemkroon wit, meest met lila teekening, nog niet 1 c.M. lang of meest nog kleiner. Meeldraden boven in de bloemkroonbuis ingehechtLepidagathis.10a.Bloemen in aren in den oksel van groote schutbladeren1110b.Bloemen niet in aren of als ze in aren staan, dan zijn er geen groote schutbladeren1211a.Meeldraden meest aan de basis met een kleine tand. Kelk kort. Bloemkroonbuis smal, naar boven weinig verwijd. Bovenlip lang en smal; onderlip breeder. Meeldraden buiten de buis uitstekendPachystachys.11b.Helmdraden zonder tand aan de basis. Kelk 4–5-deelig met gelijke smalle en spitse slippen. Bloemkroonbuis kort; bovenlip hol, onderlip meest breeder, vlak en 3-deelig. Helmbindsel min of meer verbreed; helmhokjes niet op gelijke hoogte ingehechtJusticia.12a.Kelk 5-tandig, klein, met gelijke tanden. Bloemkroonbuis boven de basis wat vernauwd, dan scheef in een buisvormige lange keel verwijd. Helmhokjes bijna op gelijke hoogte ingehecht; helmbindsel niet verbreed. Bloemen in éénzijdige arenDrejera.12b.Kelk 4–5-deelig1313a.Bloemkroonbuis kort, weinig verwijd. Bovenlip hol; onderlip breeder, vlak, 3-deelig. Meeldraden boven in de bloemkroon bevestigd. Helmhokjes aan het min of meer verbreede helmbindsel op verschillende hoogte ingehecht, doch meest evenwijdig aan elkaarJusticia.13b.Bloemkroonbuis lang, dun, meest recht. Bovenlip vaak gebogen, 2-tandig. Onderlip diep 3-deelig, de middenlob het grootst. Helmbindsel breed, de helmhokjes niet evenwijdig met elkaar loopendBeloperone.13c.Planten van het uiterlijk van de beide vorige, maar ervan verschillend alleen door den vorm van het stuifmeel, dat bij Justicia en Beloperone met rijen van kleine knobbeltjes bezet is, terwijl bij Rhacodiscus het stuifmeel geheel gestekeld isRhacodiscus.

Orde:Tubiflorae.249.Convolvulaceae.Bloemen 5–4-tallig, meest regelmatig en tweeslachtig; bloemkroon vergroeidbladig, meest in de knop geplooid; meeldraden aan de basis van de kroon ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 2-, zelden 3–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht een doosvrucht, zelden 4 deelvruchten; meest kruiden, vaak links windend, zelden houtige planten, meest met groote bloemen; melksap vaak aanwezig.1a.Parasieten zonder groene bladeren, met zeer dunne windende stengels. Bloemen klein, meest 5-tallig in dichte groepen aan den stengel gezeten, met een bekervormige bloemkroonCuscuta.1b.Planten met groene bladeren22a.Kleine, niet windende kruiden met kleine (± 1 c.M. groote of kleinere) eivormige of lancetvormige blaadjes, en zeer kleine (± ½ c.M.) bloemen, die òf alleen staan in de oksel van de bladeren òf in weinigbloemige bijschermen. Stijl met 2 draadvormige stempels; vruchtbeginsel kaal; doosvrucht met 4 kleppen openspringendEvolvulus.2b.Krachtige, meest klimmende kruiden of heesters met groote bladeren en bloemen33a.Lianen of heesters met eironde, leerachtige, kale bladeren en vrij groote of groote bloemen in eindelingsche pluimen. Kroon van buiten behaard, aan den rand weinig ingesneden, rose tot lila; de meeldraden niet buiten de kroon uitstekend. Stijl lang met een bolvormige, onduidelijk 2-lobbige stempel. Vrucht leerachtig of houtig, niet openspringendMaripa.Patawana.3b.Kruiden of kleine heesters, meest windend met kruidachtige meest wat hartvormige of ingesneden of samengestelde bladeren en openspringende dunwandige vruchten44a.Stijlen 2 of een 2-spletige stijl met aan iedere tak een bolvormige stempel. Kelkbladeren vliezig, kaal, de 2 buitenste veel grooter dan de 3 binnenste; bloemkroon van buiten behaard op 5 kale plekken na. Windende heesters met groote elliptische bladeren en okselstandige bloeiwijzenPrevostia.4b.Slechts 1 stijl aanwezig met 2 stempels of met één bolvormige of gelobde stempel55a.De buitenste 3 kelkbladeren veel grooter dan de 2 binnenste, eirond, langs den bloemsteel een weinig afloopend; bloemkroon wijd-buisvormig; meest wit. Windende kruiden met aan den voet versmalde bladeren, aan den bladtop een puntjeAniseia.5b.Alle kelkbladeren ongeveer even groot66a.Bloeiwijzen in de bladoksels op lange steelen staande, aan welks einde de bloemen in dichte hoofdjes zitten, omgeven door talrijke schutbladeren. Bloemen wit, blauw of rose, klein of vrij groot. Stijl aan den top met 2 duidelijk gescheiden eironde of langwerpige stempels. Vrucht met 8 of met 4 kleppen openspringend. Windende kruiden of heesters, meest fluweelachtig behaard met niet-ingesneden bladerenJacquemontia.6b.Bloemen òf alleenstaand òf slechts weinige bijeen in de bladoksels of indien meerdere bloemen in een schermvormige bloeiwijze zitten, dan zijn er geen duidelijke bracteeën aanwezig. Stempel gaaf of 2-lobbig77a.Vrucht met een deksel openspringend. Bloemen zeer groot, één of zeer weinige in de bladoksels; kelkbladeren groot, eirond, min of meer papierachtig; na de bloei vergroot; bloemkroon wijd-klokvormig, wit of geelachtig; stempel 2-lobbig. Stengels, blad- en bloemsteelen meest gevleugeld. Bladeren hartvormig, niet ingesnedenOperculina.7b.Vrucht met kleppen openspringend. Bladeren vaak (niet altijd) gelobd, gedeeld of samengesteld. Stengels niet gevleugeld88a.Stuifmeelkorrels glad. Bloemkroon met 5 donkere aderen, die met de kelkbladeren afwisselen, zelden zonder aderen, (maar dan zijn de bladeren niet gelobd of gedeeld of samengesteld). Bloemen okselstandig, met een lange steel, alleenstaand of in weinig- of veelbloemige bijschermen. Bloemen wit of geel. Meest windende plantenMerremia.(Ipomoea,Pharbitis).8b.Stuifmeelkorrels met stekels bezet. Bloemkroon zonder donkere aderen. Bloemen zelden wit, meest paars of rose of rood. Overigens als de vorigeIpomoea.(Calonyction,Quamoclit,Pharbitis).251.Hydrophyllaceae.Bloemen meest 5-tallig tweeslachtig regelmatig, sympetaal, slippen in de knop meest met de randen tegen elkaar liggend, zelden gedraaid; meeldraden 5, zelden 4 of meer dan 5; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot talrijke zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren.Kelk diep ingesneden met 5 spitse slippen. Bloemkroon met korte buis, blauw. Meeldraden onder in de buis ingehecht. Helmknoppen pijlvormig. Vruchtbeginsel met 2, zelden met 3 stijlen. Doosvrucht dunwandig. Bloeiwijze een losse pluim. Bladeren verspreid; plant klierachtig behaard, meestal met dorensHydrolea.Swietie-watra-kraroen.252.Borraginaceae.Bloemen 5-, zelden 6-veeltallig, meest 2-slachtig, regelmatig, soms zygomorf, sympetaal, slippen in de knop met de randen over elkaar liggend, al of nietgedraaid; vaak met schubben van binnen; vruchtbeginsel 2-hokkig, met 2 zaadknoppen in ieder hokje, soms 4-hokkig, ongedeeld of 4-deelig; stijl 1, enkelvoudig of 2-deelig, of elke tak nog eens gedeeld; vrucht een steenvrucht of in 4 nootjes uiteenvallend; kruiden of houtige planten, vaak ruwhaarig of borstelig, zelden met tegenoverstaande, meest met verspreide, enkelvoudige bladeren, bloeiwijzen sikkelvormig.1a.Stijl van boven gespleten, elke tak nog eenmaal gespleten, zoodat er in het geheel 4 stempels zijn, kelk buis- of klokvormig, 3–5-tandig. Bloemkroon trechter-, klok- of schotelvormig, meest 5-tallig. Meeldraden 5, in de buis ingehecht. Vrucht een steenvrucht, die door de kelk ten deel wordt omhuld, en 1 pit heeft, die 4–1 zaden bevat. Boomen of heestersCordia.1b.Stijl van boven niet gedeeld, doch een tweelobbige stempel met een behaarde verdikte ring eronder22a.Vrucht een steenvrucht, besachtig of tamelijk droog met 2 of 4 pitten. Kelk 5-deelig met smalle slippen. Bloemkroonslippen aan den top niet naar binnen gebogen. Meeldraden niet uit de buis uitstekend. Heesters, zelden boomenTournefortia.2b.Vrucht in 4 nootjes uiteenvallend of eerst in tweeën gedeeld, en daarna ieder stuk in twee nootjes uiteenvallend. Kelk en bloemen als de vorige, doch bloemkroonslippen meest met naar binnen gebogen top. Meest kruiden, zelden een weinig heesterachtigHeliotropium.253.Verbenaceae.Bloemen 5–4-, zelden 6–8-tallig, meest tweeslachtig, zelden regelmatig, bijna steeds zygomorf; kelkbladeren vergroeid; kroon vergroeidbladig met vaak lange soms gekromde buis en vaak 2-lippige zoom; meeldraden meest 4, tweemachtig, of 2 en 2–3 staminodiën, vruchtbeginsel 2-, zelden 4–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje, meest door vorming van een valsch tusschenschot 4-hokkig; 1 stijl; vrucht meest een 2–4-hokkige steenvrucht, soms een splitvrucht; kruiden of houtige planten met meest tegenoverstaande of kransstandige, zelden verspreide bladeren, die enkelvoudig of samengesteld zijn.1a.Heesters of boomen met handvormig samengestelde tegenoverstaande bladeren. Kelk 5-tandig tot 5-spletig. Bloemkroon vrij klein met rechte of gekromde buis en uitgebreide scheeve, 5-lobbige zoom. Meeldraden 2-machtig. Stijl met 2-spletige stempelVitex.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen in bijschermen, d. w. z. de hoofdas van de bloeiwijze vertakt zich herhaaldelijk en ten slotte eindigt elk takje in een bloem; soms ook is het bijscherm tot een enkele okselstandige bloem verkort32b.Bloemen in aren of trossen, dus de hoofdas van de bloeiwijze is onvertakt43a.Boomen, die in de mangrove voorkomen. Bloemkroon bijna regelmatig 4-spletig met ronde slippen. Eindtakken der bloeiwijze in hoofdjes van zittende bloemen eindigendAvicennia.Parwa.3b.Bloemkroon met een vaak zeer lange buis en 5-lobbige zoom; lobben bijna gelijk of ongelijk. Meeldraden meest buiten de buis uitstekend. Bloemen soms alleenstaand in de bladoksels. Heesters of boomen, met of zonder dorensClerodendron.3c.Bloemen in eindelingsche of okselstandige veelbloemige pluimen, meest4-talligmet regelmatige en korte bloemkroon. Meeldradenboven in de bloemkroonbuis ingehecht. Vrucht een bes, in de vergroote kelk zittend. Heesters of boomenAegiphila.4a.Rechtopstaande, onvertakte kleine (± ½ meter) heesters met een eindelingsche bloemtros; bloemen geel in den oksel staande van groote roode schutbladeren. Kelk breed klokvormig; bloemkroon met een lange buis, onduidelijk 2-lippig. Vrucht een bes. Bladeren lang en smalAmasonia.4b.Geen opvallend gekleurde schutbladeren aanwezig55a.Bloemen dichtgedrongen in okselstandige bolvormige of een weinig verlengde hoofdjes65b.Bloemen in losse of lange aren of trossen76a.Kelk ongetand of met zeer kleine tanden. Zoom van de bloemkroon onduidelijk 2-lippig, 4–5-spletig. Heesters of kruiden. Bladeren tegenoverstaand of in 3-tallige kransen, meest ruw, doch niet viltigLantana.Koorsoe-wiwirie.6b.Kelk met een 2-ribbige of 2-vleugelige buis, 2–4-spletig of 4-tandig. Bloemkroon 4-lobbig met kleine zoom. Bladeren viltig behaard, meest ook ruwLippia.7a.Bloemen zittend in eindelingsche dunne en lange aren in de oksel van kleine schubvormige schutbladeren; as van de aar vaak met holten, waarin de vrucht ten deele opgesloten is, en welke holte van buiten door het schutblad is afgesloten. Kelkbuis lang en dun, 5-tandig. Bloemkroon met lange dunne buis, met 2 meeldraden en 2 kleine staminodiën. Planten niet klimmend. Bladeren grof getandStachytarpheta.7b.Bloemen in ijle trossen88a.Lianen met zeer ruwe bladeren. Bloemen blauw of paars in okselstandige trossen; kelk opvallend groot met korte buis en 5 breede slippen, die meest langer zijn dan de bloemkroon en evenzoo gekleurd; kelk na het bloeien vergroot, vliezig wordend en netvormig geaderdPetraea.8b.Kelkslippen niet opvallend groot en gekleurd99a.Boomen; kelk buis-klokvormig met korte tanden; bloemkroon met uitgebreide 5-spletige zoom. Bloemen in eindelingsche trossen, wit. Vrucht een bes, van onderen door de kelk omslotenCitharexylum.9b.Heesters of kruiden1010a.Kelk klokvormig met 5 ribben, die ieder in een tand eindigen. Bloemkroon met cylindervormige, naar boven verwijde buis en scheeve 5-lobbige zoom. Meeldraden ter halver hoogte in de buis ingehecht. Vertakte heesters met okselstandige weinig-bloemige trossen. Bladeren kleinTamonea.10b.Kelk buisvormig, na de bloei verwijd, de vrucht geheel insluitend en aan den mond vernauwd. Zoom van de bloemkroon scheef, 5-lobbig. Vrucht uiteenvallend in 2 borstelige steenen. Bloemen in losse eind- of okselstandige aren. Bladeren vrij groot, gezaagdPriva.254.Labiatae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, sympetaal, zygomorf; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buisvormig met een 2-lippige zoom; meeldraden 4, tweemachtig of 2 en 2 staminodiën, zelden nog een vijfde staminodiale meeldraad aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht in 41-zadige deelvruchten gedeeld en als zoodanig uiteenvallend; stijl 1; kruiden of heesters met tegenoverstaande of kransstandige bladeren; bloemen meest in korte bloeiwijzen in de bladoksels, schijnkransen vormend.1a.Bladeren sterk handvormig gespleten tot gedeeld; de slippen ook wat ingesneden. Bloemen rose tot purper in schijnkransen in de bladokselsLeonurus.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen dicht met oranje-roode haren bezet, in groot bolvormige schijnkransen rondom den stengel, bladeren onder de bloeiwijzen klein, stengelbladeren groot en breed, gekarteldLeonotis.2b.Bloemenen bloeiwijzen anders gevormd33a.Bloemen in gesteelde hoofdjes, die aan de basis eenige kleine blaadjes dragen43b.Bloemen in schijnkransen van 6–10 bloemen rondom den stengel; schijnkransen dicht bij elkaar zittend, zoodat de geheele bloeiwijze den indruk maakt van een eindelingsche tros. Kelk 2-lippig, de bovenlip groot en eirond. Bloemen roseOcimum.Smerie-wiwirie.4a.Kelk, vooral nà den bloei, klokvormig met 3-kantige slippen. Nootjes aan de rugzijde kielvormig, op de buikzijde voorzien van vliezige getande, naar binnen gebogen randen. Hoofdjes gesteeld in de bladoksels. Planten behaardMarsypianthes.4b.Kelk buisvormig met draadvormige slippen. Nootjes bolrond of eirond. Bloemen in gesteelde hoofdjes in de bladoksels, soms ook zijn de bladeren, die de hoofdjes in de oksels hebben, zeer klein, en dan zijn de hoofdjes tot een groote pluim- of aarvormige bloeiwijze samengesteldHyptis.256.Solanaceae.Bloemen meest 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zelden zygomorf; sympetaal; kroon in de knop meest geplooid; meeldraden 5, in de zygomorfe bloemen meest 4, soms met 1 staminodium; vruchtbeginsel 2-hokkig, bovenstandig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje, zelden 3–5-hokkig; stijl 1 met een 2-lobbige of 2-deelige stempel; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of heesters met verspreide bladeren.1a.Bloemen regelmatig, met goed ontwikkelde meeldraden, evenveel als bloemkroonslippen21b.Bloemen met slechts 4 meeldraden, waarvan er soms 2 niet geheel ontwikkeld zijn72a.Bloemkroon niet buisvormig, uitgespreid, of indien er een duidelijke buis is, dan is de zoom breed en zijn de vruchten bessen32b.Bloemkroon met een lange buis en een in verhouding korte zoom53a.Helmknoppen tot een buis samenkomend of vrij, in het laatste geval steeds met poriën aan den top openspringend. Helmdraden zeer kort, aan de basis van de zeer korte bloemkroonbuis verbonden. Kelk 5–10-tandig of -deelig, bij het rijp worden der vruchten niet of weinig vergroot. Vrucht een besSolanum.3b.Helmknoppen altijd vrij van elkaar en met overlangsche spleten openspringend44a.Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelk klokvormig, 5-lobbig, bij het rijpworden der bes zeer sterk vergroot, opgeblazen en de bolvormige bes omhullendPhysalis.4b.Kelk wijd-klokvormig, ongetand of met 5 kleine tanden, bij het rijpworden van de vrucht weinig vergroot. Helmdraden langer dan de helmknoppen. Bes rood, meest verlengdCapsicum.5a.Boomen of heesters, soms klimmend. Vrucht een bes65b.Kruidachtige planten. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht. Kelk buis-klokvormig 5-lobbig. Bloemkroon met een lange buis en een iets scheeve zoom. Bloemen in trossen of pluimenNicotiana.6a.Kelk buisvormig met lange spitse slippen; bloemkroon vuurrood, trechtervormig met vrij breede zoom. Bes droog.Klimmende heesters, bloemen in trossen of pluimenMarkea.6b.Kelk klok- of buisvormig, 5-tandig of 5-spletig. Bloemkroon buisvormig met smalle zoom, die meest teruggeslagen is. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht, aan de basis verdikt of behaard. Bessen groot, met 1 of weinig zaden. Bloemen wit, geel of groenachtig, in schermenCestrum.7a.Kruidachtige planten; bloemkroon met een lange en dunne buis en 5 korte slippen, waartusschen meest nog 5 andere slippen zijn ingevoegd. Meeldraden 4, 2 lange en 2 korte. DoosvruchtSchwenkia.7b.Heesters of boomen; bloemkroon met een breede, 5-lobbige zoom. Meeldraden tweemachtig. Helmdraden van boven verdikt en gekromdBrunfelsia.257.Scrophulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, min of meer zygomorf; meeldraden zelden 5; meest 4 of 2; vruchtbeginsel bovenstandig 2-hokkig met weinige tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande of verspreide of kransstandige bladeren.1a.Bloemen met slechts 2 meeldraden. Zeer kleine kruiden, meest kruipend met ronde of eironde tegenoverstaande blaadjes en okselstandige bloemen. Kelk klokvormig,4-deelig; bloemkroon ± bolvormig met korte bovenlip en 3-lobbige onderlipMicranthemum.1b.Bloemen met 4 vruchtbare meeldraden of met 2 vruchtbare meeldraden en 2 staminodiën22a.Kelk en bloemkroon 4-deelig, vrijwel regelmatig; bloemkroon wit, met korte buis, stervormig. Meeldraden buiten de buis uitstekend. Helmknoppen aan de basis een weinig pijlvormig. Sterk vertakte kruiden met smalle bladeren en gesteelde bloemen, alleen of eenige bijeen in de bladokselsScoparia.Sisibi-wiwirie.2b.Kelk en kroon, of tenminste steeds de kelk 5-tandig tot5-deelig, of 5-bladig33a.Kelk en bloemkroon beide zeer lang en buisvormig; kelk 5- (zelden 4-)tandig. Bloemen aan het eind van den stengel staande en daar een zeer ijle, ± 5-bloemige, aar vormend. Bladeren zeer smal, bijna lijnvormig. Bloemen paarsBüchnera.3b.Bloemen okselstandig of indien ze een eindstandige aar vormen, dan zijn de schutbladeren groot, en de bloemen talrijk44a.Bloemen in eindstandige trossen of aren, in de oksel van schutbladeren alleenstaand54b.Bloemen in de bladoksels, alléén of 2 of meer bij elkaar in iedere bladoksel65a.Bloemen geel of wit, in aren; kelk klokvormig, kantig, na de bloeiopgeblazen, 5-tandig. Bloemkroon met wijde buis en vlakke, 5-lobbige zoom. Ruwharige kruidenMelasma.(Alectra).5b.Bloemen violet of rood, langgesteeld in eindstandige trossen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden. Bloemkroon met nauwe mond, buis-trechtervormig. Kruidachtige plantenGerardia.6a.Kelk 5-tandig of 5-deelig met gelijke of bijna gelijke slippen of tanden76b.Kelkslippen zeer ongelijk van vorm en grootte107a.Bloemkroon met zeer korte buis, klokvormig, 5-lobbig, bijna regelmatig. Meeldraden 4–5. Bloemen wit, gesteeld, meestal in paren in de bladoksels. Rechtopstaande kruidenCapraria.7b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig88a.Helmhokjes door het breede helmbindsel van elkaar gescheiden. Behaarde landplanten met okselstandige blauwe bloemen; bloemkroon gapendStemodia.8b.Helmhokjes niet door een breed helmbindsel gescheiden99a.De helmdraden van alle 4 de meeldraden zijn in de bloemkroonbuis ingehecht. Waterplanten met okselstandige bloemen; bladeren klein, met breede voet zittendConobea.9b.Twee van de 4 helmdraden in den mond van de bloemkroon ingehecht, de beide andere in de buis. Meeldraden vaak met aanhangselen aan de basis. Helmknoppen van elk paar meeldraden wat samenhangend. Kleine kruidachtige plantenLindernia.10a.Kelk buisvormig, min of meer gevleugeld; bloemkroon naar boven geleidelijk wijder wordend. Helmknoppen van elk paar meeldraden samenhangend; een paar van de helmdraden in de mond van de bloemkroon ingehecht; de 2 lange helmdraden aan de inhechtingsplaats met een aanhangsel. Kruiden met langgesteelde okselstandige bloemenTorenia.10b.Kelk niet gevleugeld en niet buisvormig. Helmdraden zonder aanhangselen aan den voet1111a.Kelk 5-deelig, de achterste slip grooter. Twee meeldraden met stuifmeel; de beide andere tot staminodiën vervormd. Rechtopstaande soms een weinig heesterachtige planten met behaarde kleine bladeren en bloemen in de bladokselsBeyrichia.(Achetaria).11b.Kelk bijna 5-bladig; de achterste slip veel grooter dan de andere, de 2 zijdelingsche meest veel smaller dan de rest. Bloemkroon met vlakke 2-lippige zoom. Bovenlip ingesneden of 2-lobbig; onderlip 3-lobbig. Meeldraden 4 of 5. Land- of waterplanten, in het laatste geval met lange smalle bladerenBacopa.258.Bignoniaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; meeldraden 4 of 2, soms bovendien 1 of 3 staminodiën aanwezig; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buis-, trechter- of trompetvormig; vruchtbeginsel bovenstandig meest 2-, zelden 1-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1 met een 2-lobbige stempel; vrucht een 2-kleppige doosvrucht, soms vleezig en niet openspringend; zaden meest min of meer gevleugeld en plat; meest houtige planten met tegenoverstaande of soms verspreide, vaak samengestelde bladeren met of zonder ranken; bloemen groot.1a.Boomen of heesters, niet klimmend of indien ze klimmen, dan zijn het wortelklimmers met enkelvoudige bladeren zonder ranken21b.Lianen, met of (zelden) zonder ranken klimmend72a.Bladeren enkelvoudig32b.Bladeren samengesteld43a.Bladeren tegenoverstaand; wortelklimmers met leerachtige eironde bladeren; kelk voor de bloei gesloten, later onregelmatig openspringend of onduidelijk 5-tandig. Vruchten kort eirond. Bloemen in eindelingsche pluimen of trossenSchlegelia.3b.Kleine boomen of heesters met smalle groepsgewijs staande bladeren en zijdelings-symmetrische bloemen die uit de takken te voorschijn komen. Bloemkroon van voren met een plooi. Vrucht groot, met harde wandCrescentia.Kalebas.4a.Bladeren enkel-gevind, of dubbel-gevind54b.Bladeren handvormig samengesteld65a.Boomen of heesters met enkelgevinde bladeren; blaadjes grof gezaagd. Bloemen geel met een klein, draadvormig staminodium aan de achterzijdeStenolobium.5b.Boomen met enkel- of dubbelgevinde bladeren; in het laatste geval blaadjes meest klein. Bloemen blauw, met een zeer groot staminodium; van de 4 meeldraden zijn er slechts 2 goed ontwikkeldJacaranda.6a.Bladeren 5-tallig, langgesteeld; blaadjes vrij lang gesteeld. Bloeiwijze eindelingsch; tegelijk met de bladeren aanwezig, kort, trosvormig, de witte bloemen kruiswijs tegenoverstaand; kelk scheef klokvormig, meest kort-3-lobbig, de lobben met een puntje aan den top, van buiten schubvormig behaard. Zaden met een dikke vleugelCouralia.Courali.6b.Bladeren 3- of 5-tallig. Bloeiwijze pluim- of schermvormig, meest nièt tegelijk met de bladeren aan den boom zittend. Bloemen meest geel; kelk van binnen meest zonder klieren. Zaden met een vliezige vleugelTecoma.Groenhart.7a.Ranken kort, aan den top gespleten in 3 korte eenigszins verdikte en haakvormig omgebogen takken. Bloemen geel. Bladeren steeds2-tallig87b.Ranken draadvormig of ontbrekend, nooit in 3 haakvormige takken eindigend98a.Kelk vliezig, tijdens den bloei aan één zijde opengescheurd. Kroon groot, van onderen dun, buisvormig, naar boven verwijd; van binnen bij de inhechtingsplaats van de meeldraden behaard. Vrucht lang en smalMacfadyena.8b.Kelk onregelmatig 5-lobbig, meest met min of meer gegolfde rand. Overigensvrijwelgelijk aan de vorigeBignonia.9a.Bladeren 1-jukkig gevind, dus 2 blaadjes met eindblaadje (dus 3-tallige bladeren) of in plaats van het eindblaadje een rank129b.Bladeren meerjukkig gevind of dubbel-3-tallig of op andere wijze samengesteld1010a.De bladeren zelf of de jukken der bladeren gevind, in het laatste geval dus dubbelgevinde bladeren.Ranken ontbrekend; stengel rond. Kelk leerachtig met 5 kleine tanden of éénzijdig gespleten, meest met vele klieren. Bloemkroon wit of geel met zeer ongelijke lobbenMemora.10b.Bladeren dubbel 3-tallig (een enkele maal is er nog een paarblaadjes meer, zoodat een deel van het blad dan gevind is). Bladeren met ranken1111a.Bloemen rose tot violet in een eindelingsche pluim. Takken niet scherp vierkant. Kelk met 5 kleine tandjes en zeer weinig klierenArrabidaea(inaequalis).11b.Bloemen wit of geel, in okselstandige bloeiwijzen. Takken scherp-vierkant, de hoeken bij de oudere takken meest als lange draden loslatend. Kelk meest met vele klierenPleonotoma.12a.Schijf onder het vruchtbeginsel ontbrekend1312b.Schijf onder het vruchtbeginsel aanwezig, meest de basis van het vruchtbeginsel als een ring of een beker omgevend1413a.Helmknoppen en meest ook de bladeren geheel kaal. Kelk klokvormig met 5 zeer kleine tanden. Bloemkroon wit met rose of paars, met breede slippenCydista.13b.Helmknoppen, en meest ook de helmdraden en de bladeren behaard. Kelk als de vorige. Bloemkroon wit met geelLundia.14a.Bloemen met een zeer wijde en groote (tot 4 c.M. lange) kelk met een ongelijkeeenigszinstweelobbige zoom. Bloemkroon zeer groot, geel met roode streepen. Blaadjes groot en breedCallichlamys.14b.Kelk niet opvallend groot en wijd1515a.Bloemkroon gekromd1615b.Bloemkroon recht1716a.Kelk klokvormig, leerachtig, bijna ongetand, van buiten kort behaard. Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd. Vruchtbeginsel knobbelig. Takken kantig met lichtere verdikte overlangsche streepen. Vrucht breed, met stekels op de gewelfde kleppen. Bladeren dun, met eenigszins hartvormige voet. Bloemen wit of geelPithecoctenium.Keesi-keesi-kam.16b.Kelk klokvormig, met rechte rand, later een weinig ingescheurd, leerachtig. Bloemkroon leerachtig. Takken niet kantig en niet gestreept. Doosvrucht gladDistictis.17a.Het onderste deel van de bloemkroonbuis is eenigszins zakvormig verwijd met een stompe knobbel aan de voorkant. Kelk leerachtig, scheef, onregelmatig ingesneden. Bloemen in eindelingsche pluimen, rose tot paars, van buiten behaard. Vrucht zeer langParagonia.17b.Bloemkroon van onderen niet zakvormig verwijd, zonder knobbel aan één kant1818a.Ranken aan den top met 3 takken. Bloemen in zeer wijde en ijle bloeiwijzen. Kelk 2-lippig en onregelmatig4–5-spletig. Benedendeel van de bloemkroonbuis lang en dun; bloemen wit met lila. Vrucht zeer lang en smalMartinella.18b.Ranken niet vertakt; bloeiwijze niet zeer ijl1919a.Kelk leerachtig, meest met klieren, in den knop gesloten, later tweelippig zich openend. Lobben der kroon ongelijk; bloemen geel of wit, trechtervormig met lange buis. Blaadjes smalMemora.19b.Kelk regelmatig, of indien de kelk tweelippig is, dan is hij niet leerachtig2020a.Kelk met groote schotelvormige klieren aan de buitenkant. Zaadknoppen in elk hokje 2-rijig. Vrucht breed met gladde kleppenAdenocalymma.20b.Kelk zonder groote schotelvormige klieren2121a.Bloemkroon in den knop alleen aan den top met een behaarde plek, verder kaal. Kelk dun, wijd schotelvormig. Bloeiwijzen veelbloemig. Bladeren zeer dun-vliezig met krachtige nerven. Vrucht smal met platte kleppenPetastoma.21b.Bloemkroon niet met een behaarde plek aan den top. Bladeren niet vliezig2222a.Bloemen in een armbloemig, okselstandig bijscherm; schijf duidelijk gelobd, de onderste stengelbladeren soms enkelvoudig. Doosvrucht breed, met gestekelde kleppenClytostoma.22b.Schijf niet of onduidelijk gelobd; bloeiwijzen meest meerbloemig; doosvrucht glad2323a.Vrucht smal en lang. Zaadknoppen in elk hokje in 2 rijen. Kelk meest dunArrabidaea.23b.Vrucht breed, elliptisch. Zaadknoppen in elk hokje in 4 rijen. Kelk leerachtig. Bladeren met groote steunbladerenAnemopaegma.259.Pedaliaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf, sympetaal; meeldraden 4 of 2 met paarsgewijs samenhangende helmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–4-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen; hokjes van het vruchtbeginsel vaak met dwarstusschenschotten; vrucht een doosvrucht of een noot; kruiden met tegenoverstaande of naar boven verspreide bladeren; bloemen okselstandig of in trossen.Kruiden met afwisselende, smalle bladeren en okselstandige bloemen. Bloemkroon klokvormig met 5-lobbige zoom, waarvan de onderste lob het grootst is. Meeldraden 4, de 5demeeldraad is tot een klein staminodium gereduceerd. Vruchtbeginsel met één stijl met twee bladachtige stempels. Vrucht een doosvruchtSesamum.262.Gesneriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; bloemkroon sympetaal, min of meer 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms met 1 of 3 staminodiën, de helmknoppen paarsgewijs verbonden of alle samenhangend; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met twee wandstandige zaadlijsten met talrijke zaadknoppen; één stijl met een breede of 2-lobbige stempel; vrucht een doosvrucht of een bes met talrijke kleine zaden; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande, gaafrandige of getande bladeren en meest groote bloemen.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, kelk met 5, min of meer bladachtige slippen. Bloemkroon klokvormig en 5 breede slippen. Meeldraden 4 onder in de bloemkroon ingehecht met kruisgewijs verbonden helmknoppen. Schijf ringvormig. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Kruiden met tegenoverstaande bladeren; bloemen in de oksels van schutbladerenGloxinia.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig22a.Schijf bestaande uit een dikke soms wat scheeve ring. Meeldraden 4, de helmdraden aan de basis wat verbreed. Stempel 2-lobbig. Vrucht een bes, door de kelk omslotenBesleria.2b.Schijf niet ringvormig doch bestaande uit 1 of 2 schubben aan één zijde van het vruchtbeginsel gezeten33a.Helmhokjes door een breed en dik helmbindsel van elkaar gescheiden, niet evenwijdig loopend, kelkslippen 5, smal; bloemkroon min of meer klokvormig met wijde mond. Planten met dikke ± vleezige bladeren en kleine bloemen in de bladokselsCodonanthe.3b.Helmhokjes niet door een dik en breed helmbindsel van elkaar verwijderd; helmhokjes evenwijdig loopend44a.Helmdraden aan de basis tot een van achteren gespleten buis vergroeid. Kelkslippen meest niet groen gekleurd, ongelijk, breed, vaak getand. Bloemkroonbuis wijd met 5 afgeronde slippen. Helmknoppen vrij van elkaar. Schijf uit één groote schub bestaand. Heesterachtige plantenCrantzia.4b.Helmdraden van onderen niet of nauwelijks met elkaar vergroeid55a.Kelk klokvormig, 5-kantig of 5-vleugelig, met korte tanden; niet groen gekleurd. Bloemkroon wijd, cylindervormig. Helmdraden aan de basis verbreed, helmknoppen niet samenhangend. Schijf uit een schub bestaande. Kruiden, met meerdere bloemen in een bloeiwijze vereenigdTussacia.5b.Kelk diep 5-deelig66a.Kelkslippen smal. Bloemkroon met een lange buis, die meest wat gebogen is. Helmdraden van onderen een weinig vergroeid, de 5demeeldraad als klein staminodium zichtbaar. Schijf uit één groote schub bestaande. Stijl van boven verdikt. Kruiden, meest met tweekleurige bloemenEpiscia.6b.Kelkslippen groot en breed, bladachtig, ongelijk. Bloemkroonbuis van onderen opgeblazen en verwijd. Helmknoppen van onderen verbreed. Schijf uit een groote schub bestaande. Heesterachtige planten met dikke bladerenDrymonia.264.Lentibulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig zelden regelmatig, meest zygomorf, bloemkroon meest duidelijk 2-lippig; meeldraden zelden 5, meest 2, onder in de bloemkroon ingehecht;vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met een meest grondstandige zaadlijst; vrucht een 2–4-kleppige doosvrucht en dan veelzadig of een gesloten vrucht en dan 1-zadig; meest kruiden op vochtige plaatsen of in het water groeiend.1a.Kelk 4-deelig met ronde slippen aan den rand met lange tanden bezet. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd, met een spoor. Bovenlip 2-spletig; onderlip groot, 3-lobbig. Meeldraden 2, sterk gebogen. Doosvrucht meerzadig met 2 kleppen openspringend. Kleine kruiden met langwerpige, gaafrandige wortelstandige bladerenPolypompholyx.1b.Kelk 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd; bovenlip rechtopstaand, ingesneden of gaafrandig, onderlip groot, 3-deelig of gaafrandig. Meeldraden 2, dik en kort, sterk gebogen. Doosvrucht met 2 kleppen of onregelmatig of met een deksel openspringend. Land-, moeras-, of waterplantenUtricularia.266.Acanthaceae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms nog 1 of 3 staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht, 2-kleppig hokverbrekend openspringend, zelden een steenvrucht; zaden meest zittend op haakvormige uitgroeiïngen van de zaadsteel; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren; bloemen meest in aren of samengestelde aren.1a.Kelk aan den voet met 2 groote bladeren die aan de randen min of meer vergroeid zijn en den kelk inhullen. Meest klimplanten; bloemen in de bladoksels21b.Geen 2 groote bladeren onder de kelk; indien de kelk door bladeren omhuld wordt dan staan de bloemen in aren32a.Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven geleidelijk verwijd; zoom van de bloemkroon niet zeer breed. Planten meestal langharig. Vrucht min of meer besachtig, niet openspringend, rondMendoncia.2b.Bloemkroonbuis tamelijk wijd met een groote en breede, wijduitstaande zoom met bijna gelijke slippen. Bladeren meest wat pijlvormig. Vrucht een toegespitste doosvruchtThunbergia.3a.Bloemen met 4 meeldraden of met 2 meeldraden en 2 groote staminodiën43b.Bloemen met slechts 2 meeldraden104a.Bloemen in dichte zittende groepen in de bladoksels, schijnbaar in kransen rondom den stengel staand. Bloemkroon 2-lippig met een dunne naar boven geleidelijk wijder wordende buis. Stempel haakvormig. Bladeren smal en langHygrophila.4b.Bloemen in pluimen of aren of gesteeld en okselstandig55a.Bloemen zoo dicht op elkaar zittend dat ze aan het eind van den stengel een duidelijke aar vormen met of zonder dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren65b.Bloeiwijze los, niet dicht-aarvormig. Kelk gelijkmatig 5-spletig of de achterste kelkslip grooter of soms kelk 2-lippig. Bloemkroon verschillend van vorm, doch steeds met 5 ongeveer gelijke lobben, dus niet duidelijk 2-lippigRuellia.6a.Twee vruchtbare meeldraden en twee staminodiën aanwezig. Plant naar boven vertakt; elke tak in een aar eindigend met dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren, die min of meer droogvliezig, sterk geaderd en toegespitst zijn. Schutbladeren veel grooter dan de kelk. Bloemen met lange dunne buis, ver buiten de aar uitstekendEranthemum.6b.Alle meeldraden met stuifmeel77a.Bloemkroon onduidelijk 2-lippig of bijna regelmatig. Bloemen wit87b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig. Bloemkroon wit en lila en dan klein, of rood en dan groot98a.Aar tamelijk los met bladachtige breede schutbladeren, die veel grooter zijn dan de kelk. Bloemen 2 of 3 in de oksels der schutbladeren. Kelk 5-deelig, regelmatig, vrucht van binnen met duidelijke haken, met 6 of meer zaden in elke afdeelingBlechum.8b.Aar dicht, soms zeer klein; kelk 5-deelig, de bovenste slip breeder dan de andere. Schutbladeren niet opvallend breed en bladachtig; bloemen meest alleenstaand in de oksels der schutbladeren. Doosvrucht met vele zaden, van binnen zonder haken. Planten meest zeer kleinStaurogyne.9a.Bloemen vuurrood, meeste meerdere centimeters lang, duidelijk 2-lippig, in een smalle, eindstandige aar, waarvan de schutbladeren dicht over elkaar liggen. Schutbladeren vaak met tanden aan den top of aan den rand. Meeldraden buiten de bloemkroon uitstekend; planten rechtopstaand, onvertaktAphelandra.9b.Schutbladeren weinig grooter dan de kelk, droogvliezig, evenals de kelkslippen met een spitse punt. Bloemkroon wit, meest met lila teekening, nog niet 1 c.M. lang of meest nog kleiner. Meeldraden boven in de bloemkroonbuis ingehechtLepidagathis.10a.Bloemen in aren in den oksel van groote schutbladeren1110b.Bloemen niet in aren of als ze in aren staan, dan zijn er geen groote schutbladeren1211a.Meeldraden meest aan de basis met een kleine tand. Kelk kort. Bloemkroonbuis smal, naar boven weinig verwijd. Bovenlip lang en smal; onderlip breeder. Meeldraden buiten de buis uitstekendPachystachys.11b.Helmdraden zonder tand aan de basis. Kelk 4–5-deelig met gelijke smalle en spitse slippen. Bloemkroonbuis kort; bovenlip hol, onderlip meest breeder, vlak en 3-deelig. Helmbindsel min of meer verbreed; helmhokjes niet op gelijke hoogte ingehechtJusticia.12a.Kelk 5-tandig, klein, met gelijke tanden. Bloemkroonbuis boven de basis wat vernauwd, dan scheef in een buisvormige lange keel verwijd. Helmhokjes bijna op gelijke hoogte ingehecht; helmbindsel niet verbreed. Bloemen in éénzijdige arenDrejera.12b.Kelk 4–5-deelig1313a.Bloemkroonbuis kort, weinig verwijd. Bovenlip hol; onderlip breeder, vlak, 3-deelig. Meeldraden boven in de bloemkroon bevestigd. Helmhokjes aan het min of meer verbreede helmbindsel op verschillende hoogte ingehecht, doch meest evenwijdig aan elkaarJusticia.13b.Bloemkroonbuis lang, dun, meest recht. Bovenlip vaak gebogen, 2-tandig. Onderlip diep 3-deelig, de middenlob het grootst. Helmbindsel breed, de helmhokjes niet evenwijdig met elkaar loopendBeloperone.13c.Planten van het uiterlijk van de beide vorige, maar ervan verschillend alleen door den vorm van het stuifmeel, dat bij Justicia en Beloperone met rijen van kleine knobbeltjes bezet is, terwijl bij Rhacodiscus het stuifmeel geheel gestekeld isRhacodiscus.

Orde:Tubiflorae.249.Convolvulaceae.Bloemen 5–4-tallig, meest regelmatig en tweeslachtig; bloemkroon vergroeidbladig, meest in de knop geplooid; meeldraden aan de basis van de kroon ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 2-, zelden 3–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht een doosvrucht, zelden 4 deelvruchten; meest kruiden, vaak links windend, zelden houtige planten, meest met groote bloemen; melksap vaak aanwezig.1a.Parasieten zonder groene bladeren, met zeer dunne windende stengels. Bloemen klein, meest 5-tallig in dichte groepen aan den stengel gezeten, met een bekervormige bloemkroonCuscuta.1b.Planten met groene bladeren22a.Kleine, niet windende kruiden met kleine (± 1 c.M. groote of kleinere) eivormige of lancetvormige blaadjes, en zeer kleine (± ½ c.M.) bloemen, die òf alleen staan in de oksel van de bladeren òf in weinigbloemige bijschermen. Stijl met 2 draadvormige stempels; vruchtbeginsel kaal; doosvrucht met 4 kleppen openspringendEvolvulus.2b.Krachtige, meest klimmende kruiden of heesters met groote bladeren en bloemen33a.Lianen of heesters met eironde, leerachtige, kale bladeren en vrij groote of groote bloemen in eindelingsche pluimen. Kroon van buiten behaard, aan den rand weinig ingesneden, rose tot lila; de meeldraden niet buiten de kroon uitstekend. Stijl lang met een bolvormige, onduidelijk 2-lobbige stempel. Vrucht leerachtig of houtig, niet openspringendMaripa.Patawana.3b.Kruiden of kleine heesters, meest windend met kruidachtige meest wat hartvormige of ingesneden of samengestelde bladeren en openspringende dunwandige vruchten44a.Stijlen 2 of een 2-spletige stijl met aan iedere tak een bolvormige stempel. Kelkbladeren vliezig, kaal, de 2 buitenste veel grooter dan de 3 binnenste; bloemkroon van buiten behaard op 5 kale plekken na. Windende heesters met groote elliptische bladeren en okselstandige bloeiwijzenPrevostia.4b.Slechts 1 stijl aanwezig met 2 stempels of met één bolvormige of gelobde stempel55a.De buitenste 3 kelkbladeren veel grooter dan de 2 binnenste, eirond, langs den bloemsteel een weinig afloopend; bloemkroon wijd-buisvormig; meest wit. Windende kruiden met aan den voet versmalde bladeren, aan den bladtop een puntjeAniseia.5b.Alle kelkbladeren ongeveer even groot66a.Bloeiwijzen in de bladoksels op lange steelen staande, aan welks einde de bloemen in dichte hoofdjes zitten, omgeven door talrijke schutbladeren. Bloemen wit, blauw of rose, klein of vrij groot. Stijl aan den top met 2 duidelijk gescheiden eironde of langwerpige stempels. Vrucht met 8 of met 4 kleppen openspringend. Windende kruiden of heesters, meest fluweelachtig behaard met niet-ingesneden bladerenJacquemontia.6b.Bloemen òf alleenstaand òf slechts weinige bijeen in de bladoksels of indien meerdere bloemen in een schermvormige bloeiwijze zitten, dan zijn er geen duidelijke bracteeën aanwezig. Stempel gaaf of 2-lobbig77a.Vrucht met een deksel openspringend. Bloemen zeer groot, één of zeer weinige in de bladoksels; kelkbladeren groot, eirond, min of meer papierachtig; na de bloei vergroot; bloemkroon wijd-klokvormig, wit of geelachtig; stempel 2-lobbig. Stengels, blad- en bloemsteelen meest gevleugeld. Bladeren hartvormig, niet ingesnedenOperculina.7b.Vrucht met kleppen openspringend. Bladeren vaak (niet altijd) gelobd, gedeeld of samengesteld. Stengels niet gevleugeld88a.Stuifmeelkorrels glad. Bloemkroon met 5 donkere aderen, die met de kelkbladeren afwisselen, zelden zonder aderen, (maar dan zijn de bladeren niet gelobd of gedeeld of samengesteld). Bloemen okselstandig, met een lange steel, alleenstaand of in weinig- of veelbloemige bijschermen. Bloemen wit of geel. Meest windende plantenMerremia.(Ipomoea,Pharbitis).8b.Stuifmeelkorrels met stekels bezet. Bloemkroon zonder donkere aderen. Bloemen zelden wit, meest paars of rose of rood. Overigens als de vorigeIpomoea.(Calonyction,Quamoclit,Pharbitis).251.Hydrophyllaceae.Bloemen meest 5-tallig tweeslachtig regelmatig, sympetaal, slippen in de knop meest met de randen tegen elkaar liggend, zelden gedraaid; meeldraden 5, zelden 4 of meer dan 5; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot talrijke zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren.Kelk diep ingesneden met 5 spitse slippen. Bloemkroon met korte buis, blauw. Meeldraden onder in de buis ingehecht. Helmknoppen pijlvormig. Vruchtbeginsel met 2, zelden met 3 stijlen. Doosvrucht dunwandig. Bloeiwijze een losse pluim. Bladeren verspreid; plant klierachtig behaard, meestal met dorensHydrolea.Swietie-watra-kraroen.252.Borraginaceae.Bloemen 5-, zelden 6-veeltallig, meest 2-slachtig, regelmatig, soms zygomorf, sympetaal, slippen in de knop met de randen over elkaar liggend, al of nietgedraaid; vaak met schubben van binnen; vruchtbeginsel 2-hokkig, met 2 zaadknoppen in ieder hokje, soms 4-hokkig, ongedeeld of 4-deelig; stijl 1, enkelvoudig of 2-deelig, of elke tak nog eens gedeeld; vrucht een steenvrucht of in 4 nootjes uiteenvallend; kruiden of houtige planten, vaak ruwhaarig of borstelig, zelden met tegenoverstaande, meest met verspreide, enkelvoudige bladeren, bloeiwijzen sikkelvormig.1a.Stijl van boven gespleten, elke tak nog eenmaal gespleten, zoodat er in het geheel 4 stempels zijn, kelk buis- of klokvormig, 3–5-tandig. Bloemkroon trechter-, klok- of schotelvormig, meest 5-tallig. Meeldraden 5, in de buis ingehecht. Vrucht een steenvrucht, die door de kelk ten deel wordt omhuld, en 1 pit heeft, die 4–1 zaden bevat. Boomen of heestersCordia.1b.Stijl van boven niet gedeeld, doch een tweelobbige stempel met een behaarde verdikte ring eronder22a.Vrucht een steenvrucht, besachtig of tamelijk droog met 2 of 4 pitten. Kelk 5-deelig met smalle slippen. Bloemkroonslippen aan den top niet naar binnen gebogen. Meeldraden niet uit de buis uitstekend. Heesters, zelden boomenTournefortia.2b.Vrucht in 4 nootjes uiteenvallend of eerst in tweeën gedeeld, en daarna ieder stuk in twee nootjes uiteenvallend. Kelk en bloemen als de vorige, doch bloemkroonslippen meest met naar binnen gebogen top. Meest kruiden, zelden een weinig heesterachtigHeliotropium.253.Verbenaceae.Bloemen 5–4-, zelden 6–8-tallig, meest tweeslachtig, zelden regelmatig, bijna steeds zygomorf; kelkbladeren vergroeid; kroon vergroeidbladig met vaak lange soms gekromde buis en vaak 2-lippige zoom; meeldraden meest 4, tweemachtig, of 2 en 2–3 staminodiën, vruchtbeginsel 2-, zelden 4–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje, meest door vorming van een valsch tusschenschot 4-hokkig; 1 stijl; vrucht meest een 2–4-hokkige steenvrucht, soms een splitvrucht; kruiden of houtige planten met meest tegenoverstaande of kransstandige, zelden verspreide bladeren, die enkelvoudig of samengesteld zijn.1a.Heesters of boomen met handvormig samengestelde tegenoverstaande bladeren. Kelk 5-tandig tot 5-spletig. Bloemkroon vrij klein met rechte of gekromde buis en uitgebreide scheeve, 5-lobbige zoom. Meeldraden 2-machtig. Stijl met 2-spletige stempelVitex.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen in bijschermen, d. w. z. de hoofdas van de bloeiwijze vertakt zich herhaaldelijk en ten slotte eindigt elk takje in een bloem; soms ook is het bijscherm tot een enkele okselstandige bloem verkort32b.Bloemen in aren of trossen, dus de hoofdas van de bloeiwijze is onvertakt43a.Boomen, die in de mangrove voorkomen. Bloemkroon bijna regelmatig 4-spletig met ronde slippen. Eindtakken der bloeiwijze in hoofdjes van zittende bloemen eindigendAvicennia.Parwa.3b.Bloemkroon met een vaak zeer lange buis en 5-lobbige zoom; lobben bijna gelijk of ongelijk. Meeldraden meest buiten de buis uitstekend. Bloemen soms alleenstaand in de bladoksels. Heesters of boomen, met of zonder dorensClerodendron.3c.Bloemen in eindelingsche of okselstandige veelbloemige pluimen, meest4-talligmet regelmatige en korte bloemkroon. Meeldradenboven in de bloemkroonbuis ingehecht. Vrucht een bes, in de vergroote kelk zittend. Heesters of boomenAegiphila.4a.Rechtopstaande, onvertakte kleine (± ½ meter) heesters met een eindelingsche bloemtros; bloemen geel in den oksel staande van groote roode schutbladeren. Kelk breed klokvormig; bloemkroon met een lange buis, onduidelijk 2-lippig. Vrucht een bes. Bladeren lang en smalAmasonia.4b.Geen opvallend gekleurde schutbladeren aanwezig55a.Bloemen dichtgedrongen in okselstandige bolvormige of een weinig verlengde hoofdjes65b.Bloemen in losse of lange aren of trossen76a.Kelk ongetand of met zeer kleine tanden. Zoom van de bloemkroon onduidelijk 2-lippig, 4–5-spletig. Heesters of kruiden. Bladeren tegenoverstaand of in 3-tallige kransen, meest ruw, doch niet viltigLantana.Koorsoe-wiwirie.6b.Kelk met een 2-ribbige of 2-vleugelige buis, 2–4-spletig of 4-tandig. Bloemkroon 4-lobbig met kleine zoom. Bladeren viltig behaard, meest ook ruwLippia.7a.Bloemen zittend in eindelingsche dunne en lange aren in de oksel van kleine schubvormige schutbladeren; as van de aar vaak met holten, waarin de vrucht ten deele opgesloten is, en welke holte van buiten door het schutblad is afgesloten. Kelkbuis lang en dun, 5-tandig. Bloemkroon met lange dunne buis, met 2 meeldraden en 2 kleine staminodiën. Planten niet klimmend. Bladeren grof getandStachytarpheta.7b.Bloemen in ijle trossen88a.Lianen met zeer ruwe bladeren. Bloemen blauw of paars in okselstandige trossen; kelk opvallend groot met korte buis en 5 breede slippen, die meest langer zijn dan de bloemkroon en evenzoo gekleurd; kelk na het bloeien vergroot, vliezig wordend en netvormig geaderdPetraea.8b.Kelkslippen niet opvallend groot en gekleurd99a.Boomen; kelk buis-klokvormig met korte tanden; bloemkroon met uitgebreide 5-spletige zoom. Bloemen in eindelingsche trossen, wit. Vrucht een bes, van onderen door de kelk omslotenCitharexylum.9b.Heesters of kruiden1010a.Kelk klokvormig met 5 ribben, die ieder in een tand eindigen. Bloemkroon met cylindervormige, naar boven verwijde buis en scheeve 5-lobbige zoom. Meeldraden ter halver hoogte in de buis ingehecht. Vertakte heesters met okselstandige weinig-bloemige trossen. Bladeren kleinTamonea.10b.Kelk buisvormig, na de bloei verwijd, de vrucht geheel insluitend en aan den mond vernauwd. Zoom van de bloemkroon scheef, 5-lobbig. Vrucht uiteenvallend in 2 borstelige steenen. Bloemen in losse eind- of okselstandige aren. Bladeren vrij groot, gezaagdPriva.254.Labiatae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, sympetaal, zygomorf; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buisvormig met een 2-lippige zoom; meeldraden 4, tweemachtig of 2 en 2 staminodiën, zelden nog een vijfde staminodiale meeldraad aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht in 41-zadige deelvruchten gedeeld en als zoodanig uiteenvallend; stijl 1; kruiden of heesters met tegenoverstaande of kransstandige bladeren; bloemen meest in korte bloeiwijzen in de bladoksels, schijnkransen vormend.1a.Bladeren sterk handvormig gespleten tot gedeeld; de slippen ook wat ingesneden. Bloemen rose tot purper in schijnkransen in de bladokselsLeonurus.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen dicht met oranje-roode haren bezet, in groot bolvormige schijnkransen rondom den stengel, bladeren onder de bloeiwijzen klein, stengelbladeren groot en breed, gekarteldLeonotis.2b.Bloemenen bloeiwijzen anders gevormd33a.Bloemen in gesteelde hoofdjes, die aan de basis eenige kleine blaadjes dragen43b.Bloemen in schijnkransen van 6–10 bloemen rondom den stengel; schijnkransen dicht bij elkaar zittend, zoodat de geheele bloeiwijze den indruk maakt van een eindelingsche tros. Kelk 2-lippig, de bovenlip groot en eirond. Bloemen roseOcimum.Smerie-wiwirie.4a.Kelk, vooral nà den bloei, klokvormig met 3-kantige slippen. Nootjes aan de rugzijde kielvormig, op de buikzijde voorzien van vliezige getande, naar binnen gebogen randen. Hoofdjes gesteeld in de bladoksels. Planten behaardMarsypianthes.4b.Kelk buisvormig met draadvormige slippen. Nootjes bolrond of eirond. Bloemen in gesteelde hoofdjes in de bladoksels, soms ook zijn de bladeren, die de hoofdjes in de oksels hebben, zeer klein, en dan zijn de hoofdjes tot een groote pluim- of aarvormige bloeiwijze samengesteldHyptis.256.Solanaceae.Bloemen meest 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zelden zygomorf; sympetaal; kroon in de knop meest geplooid; meeldraden 5, in de zygomorfe bloemen meest 4, soms met 1 staminodium; vruchtbeginsel 2-hokkig, bovenstandig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje, zelden 3–5-hokkig; stijl 1 met een 2-lobbige of 2-deelige stempel; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of heesters met verspreide bladeren.1a.Bloemen regelmatig, met goed ontwikkelde meeldraden, evenveel als bloemkroonslippen21b.Bloemen met slechts 4 meeldraden, waarvan er soms 2 niet geheel ontwikkeld zijn72a.Bloemkroon niet buisvormig, uitgespreid, of indien er een duidelijke buis is, dan is de zoom breed en zijn de vruchten bessen32b.Bloemkroon met een lange buis en een in verhouding korte zoom53a.Helmknoppen tot een buis samenkomend of vrij, in het laatste geval steeds met poriën aan den top openspringend. Helmdraden zeer kort, aan de basis van de zeer korte bloemkroonbuis verbonden. Kelk 5–10-tandig of -deelig, bij het rijp worden der vruchten niet of weinig vergroot. Vrucht een besSolanum.3b.Helmknoppen altijd vrij van elkaar en met overlangsche spleten openspringend44a.Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelk klokvormig, 5-lobbig, bij het rijpworden der bes zeer sterk vergroot, opgeblazen en de bolvormige bes omhullendPhysalis.4b.Kelk wijd-klokvormig, ongetand of met 5 kleine tanden, bij het rijpworden van de vrucht weinig vergroot. Helmdraden langer dan de helmknoppen. Bes rood, meest verlengdCapsicum.5a.Boomen of heesters, soms klimmend. Vrucht een bes65b.Kruidachtige planten. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht. Kelk buis-klokvormig 5-lobbig. Bloemkroon met een lange buis en een iets scheeve zoom. Bloemen in trossen of pluimenNicotiana.6a.Kelk buisvormig met lange spitse slippen; bloemkroon vuurrood, trechtervormig met vrij breede zoom. Bes droog.Klimmende heesters, bloemen in trossen of pluimenMarkea.6b.Kelk klok- of buisvormig, 5-tandig of 5-spletig. Bloemkroon buisvormig met smalle zoom, die meest teruggeslagen is. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht, aan de basis verdikt of behaard. Bessen groot, met 1 of weinig zaden. Bloemen wit, geel of groenachtig, in schermenCestrum.7a.Kruidachtige planten; bloemkroon met een lange en dunne buis en 5 korte slippen, waartusschen meest nog 5 andere slippen zijn ingevoegd. Meeldraden 4, 2 lange en 2 korte. DoosvruchtSchwenkia.7b.Heesters of boomen; bloemkroon met een breede, 5-lobbige zoom. Meeldraden tweemachtig. Helmdraden van boven verdikt en gekromdBrunfelsia.257.Scrophulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, min of meer zygomorf; meeldraden zelden 5; meest 4 of 2; vruchtbeginsel bovenstandig 2-hokkig met weinige tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande of verspreide of kransstandige bladeren.1a.Bloemen met slechts 2 meeldraden. Zeer kleine kruiden, meest kruipend met ronde of eironde tegenoverstaande blaadjes en okselstandige bloemen. Kelk klokvormig,4-deelig; bloemkroon ± bolvormig met korte bovenlip en 3-lobbige onderlipMicranthemum.1b.Bloemen met 4 vruchtbare meeldraden of met 2 vruchtbare meeldraden en 2 staminodiën22a.Kelk en bloemkroon 4-deelig, vrijwel regelmatig; bloemkroon wit, met korte buis, stervormig. Meeldraden buiten de buis uitstekend. Helmknoppen aan de basis een weinig pijlvormig. Sterk vertakte kruiden met smalle bladeren en gesteelde bloemen, alleen of eenige bijeen in de bladokselsScoparia.Sisibi-wiwirie.2b.Kelk en kroon, of tenminste steeds de kelk 5-tandig tot5-deelig, of 5-bladig33a.Kelk en bloemkroon beide zeer lang en buisvormig; kelk 5- (zelden 4-)tandig. Bloemen aan het eind van den stengel staande en daar een zeer ijle, ± 5-bloemige, aar vormend. Bladeren zeer smal, bijna lijnvormig. Bloemen paarsBüchnera.3b.Bloemen okselstandig of indien ze een eindstandige aar vormen, dan zijn de schutbladeren groot, en de bloemen talrijk44a.Bloemen in eindstandige trossen of aren, in de oksel van schutbladeren alleenstaand54b.Bloemen in de bladoksels, alléén of 2 of meer bij elkaar in iedere bladoksel65a.Bloemen geel of wit, in aren; kelk klokvormig, kantig, na de bloeiopgeblazen, 5-tandig. Bloemkroon met wijde buis en vlakke, 5-lobbige zoom. Ruwharige kruidenMelasma.(Alectra).5b.Bloemen violet of rood, langgesteeld in eindstandige trossen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden. Bloemkroon met nauwe mond, buis-trechtervormig. Kruidachtige plantenGerardia.6a.Kelk 5-tandig of 5-deelig met gelijke of bijna gelijke slippen of tanden76b.Kelkslippen zeer ongelijk van vorm en grootte107a.Bloemkroon met zeer korte buis, klokvormig, 5-lobbig, bijna regelmatig. Meeldraden 4–5. Bloemen wit, gesteeld, meestal in paren in de bladoksels. Rechtopstaande kruidenCapraria.7b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig88a.Helmhokjes door het breede helmbindsel van elkaar gescheiden. Behaarde landplanten met okselstandige blauwe bloemen; bloemkroon gapendStemodia.8b.Helmhokjes niet door een breed helmbindsel gescheiden99a.De helmdraden van alle 4 de meeldraden zijn in de bloemkroonbuis ingehecht. Waterplanten met okselstandige bloemen; bladeren klein, met breede voet zittendConobea.9b.Twee van de 4 helmdraden in den mond van de bloemkroon ingehecht, de beide andere in de buis. Meeldraden vaak met aanhangselen aan de basis. Helmknoppen van elk paar meeldraden wat samenhangend. Kleine kruidachtige plantenLindernia.10a.Kelk buisvormig, min of meer gevleugeld; bloemkroon naar boven geleidelijk wijder wordend. Helmknoppen van elk paar meeldraden samenhangend; een paar van de helmdraden in de mond van de bloemkroon ingehecht; de 2 lange helmdraden aan de inhechtingsplaats met een aanhangsel. Kruiden met langgesteelde okselstandige bloemenTorenia.10b.Kelk niet gevleugeld en niet buisvormig. Helmdraden zonder aanhangselen aan den voet1111a.Kelk 5-deelig, de achterste slip grooter. Twee meeldraden met stuifmeel; de beide andere tot staminodiën vervormd. Rechtopstaande soms een weinig heesterachtige planten met behaarde kleine bladeren en bloemen in de bladokselsBeyrichia.(Achetaria).11b.Kelk bijna 5-bladig; de achterste slip veel grooter dan de andere, de 2 zijdelingsche meest veel smaller dan de rest. Bloemkroon met vlakke 2-lippige zoom. Bovenlip ingesneden of 2-lobbig; onderlip 3-lobbig. Meeldraden 4 of 5. Land- of waterplanten, in het laatste geval met lange smalle bladerenBacopa.258.Bignoniaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; meeldraden 4 of 2, soms bovendien 1 of 3 staminodiën aanwezig; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buis-, trechter- of trompetvormig; vruchtbeginsel bovenstandig meest 2-, zelden 1-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1 met een 2-lobbige stempel; vrucht een 2-kleppige doosvrucht, soms vleezig en niet openspringend; zaden meest min of meer gevleugeld en plat; meest houtige planten met tegenoverstaande of soms verspreide, vaak samengestelde bladeren met of zonder ranken; bloemen groot.1a.Boomen of heesters, niet klimmend of indien ze klimmen, dan zijn het wortelklimmers met enkelvoudige bladeren zonder ranken21b.Lianen, met of (zelden) zonder ranken klimmend72a.Bladeren enkelvoudig32b.Bladeren samengesteld43a.Bladeren tegenoverstaand; wortelklimmers met leerachtige eironde bladeren; kelk voor de bloei gesloten, later onregelmatig openspringend of onduidelijk 5-tandig. Vruchten kort eirond. Bloemen in eindelingsche pluimen of trossenSchlegelia.3b.Kleine boomen of heesters met smalle groepsgewijs staande bladeren en zijdelings-symmetrische bloemen die uit de takken te voorschijn komen. Bloemkroon van voren met een plooi. Vrucht groot, met harde wandCrescentia.Kalebas.4a.Bladeren enkel-gevind, of dubbel-gevind54b.Bladeren handvormig samengesteld65a.Boomen of heesters met enkelgevinde bladeren; blaadjes grof gezaagd. Bloemen geel met een klein, draadvormig staminodium aan de achterzijdeStenolobium.5b.Boomen met enkel- of dubbelgevinde bladeren; in het laatste geval blaadjes meest klein. Bloemen blauw, met een zeer groot staminodium; van de 4 meeldraden zijn er slechts 2 goed ontwikkeldJacaranda.6a.Bladeren 5-tallig, langgesteeld; blaadjes vrij lang gesteeld. Bloeiwijze eindelingsch; tegelijk met de bladeren aanwezig, kort, trosvormig, de witte bloemen kruiswijs tegenoverstaand; kelk scheef klokvormig, meest kort-3-lobbig, de lobben met een puntje aan den top, van buiten schubvormig behaard. Zaden met een dikke vleugelCouralia.Courali.6b.Bladeren 3- of 5-tallig. Bloeiwijze pluim- of schermvormig, meest nièt tegelijk met de bladeren aan den boom zittend. Bloemen meest geel; kelk van binnen meest zonder klieren. Zaden met een vliezige vleugelTecoma.Groenhart.7a.Ranken kort, aan den top gespleten in 3 korte eenigszins verdikte en haakvormig omgebogen takken. Bloemen geel. Bladeren steeds2-tallig87b.Ranken draadvormig of ontbrekend, nooit in 3 haakvormige takken eindigend98a.Kelk vliezig, tijdens den bloei aan één zijde opengescheurd. Kroon groot, van onderen dun, buisvormig, naar boven verwijd; van binnen bij de inhechtingsplaats van de meeldraden behaard. Vrucht lang en smalMacfadyena.8b.Kelk onregelmatig 5-lobbig, meest met min of meer gegolfde rand. Overigensvrijwelgelijk aan de vorigeBignonia.9a.Bladeren 1-jukkig gevind, dus 2 blaadjes met eindblaadje (dus 3-tallige bladeren) of in plaats van het eindblaadje een rank129b.Bladeren meerjukkig gevind of dubbel-3-tallig of op andere wijze samengesteld1010a.De bladeren zelf of de jukken der bladeren gevind, in het laatste geval dus dubbelgevinde bladeren.Ranken ontbrekend; stengel rond. Kelk leerachtig met 5 kleine tanden of éénzijdig gespleten, meest met vele klieren. Bloemkroon wit of geel met zeer ongelijke lobbenMemora.10b.Bladeren dubbel 3-tallig (een enkele maal is er nog een paarblaadjes meer, zoodat een deel van het blad dan gevind is). Bladeren met ranken1111a.Bloemen rose tot violet in een eindelingsche pluim. Takken niet scherp vierkant. Kelk met 5 kleine tandjes en zeer weinig klierenArrabidaea(inaequalis).11b.Bloemen wit of geel, in okselstandige bloeiwijzen. Takken scherp-vierkant, de hoeken bij de oudere takken meest als lange draden loslatend. Kelk meest met vele klierenPleonotoma.12a.Schijf onder het vruchtbeginsel ontbrekend1312b.Schijf onder het vruchtbeginsel aanwezig, meest de basis van het vruchtbeginsel als een ring of een beker omgevend1413a.Helmknoppen en meest ook de bladeren geheel kaal. Kelk klokvormig met 5 zeer kleine tanden. Bloemkroon wit met rose of paars, met breede slippenCydista.13b.Helmknoppen, en meest ook de helmdraden en de bladeren behaard. Kelk als de vorige. Bloemkroon wit met geelLundia.14a.Bloemen met een zeer wijde en groote (tot 4 c.M. lange) kelk met een ongelijkeeenigszinstweelobbige zoom. Bloemkroon zeer groot, geel met roode streepen. Blaadjes groot en breedCallichlamys.14b.Kelk niet opvallend groot en wijd1515a.Bloemkroon gekromd1615b.Bloemkroon recht1716a.Kelk klokvormig, leerachtig, bijna ongetand, van buiten kort behaard. Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd. Vruchtbeginsel knobbelig. Takken kantig met lichtere verdikte overlangsche streepen. Vrucht breed, met stekels op de gewelfde kleppen. Bladeren dun, met eenigszins hartvormige voet. Bloemen wit of geelPithecoctenium.Keesi-keesi-kam.16b.Kelk klokvormig, met rechte rand, later een weinig ingescheurd, leerachtig. Bloemkroon leerachtig. Takken niet kantig en niet gestreept. Doosvrucht gladDistictis.17a.Het onderste deel van de bloemkroonbuis is eenigszins zakvormig verwijd met een stompe knobbel aan de voorkant. Kelk leerachtig, scheef, onregelmatig ingesneden. Bloemen in eindelingsche pluimen, rose tot paars, van buiten behaard. Vrucht zeer langParagonia.17b.Bloemkroon van onderen niet zakvormig verwijd, zonder knobbel aan één kant1818a.Ranken aan den top met 3 takken. Bloemen in zeer wijde en ijle bloeiwijzen. Kelk 2-lippig en onregelmatig4–5-spletig. Benedendeel van de bloemkroonbuis lang en dun; bloemen wit met lila. Vrucht zeer lang en smalMartinella.18b.Ranken niet vertakt; bloeiwijze niet zeer ijl1919a.Kelk leerachtig, meest met klieren, in den knop gesloten, later tweelippig zich openend. Lobben der kroon ongelijk; bloemen geel of wit, trechtervormig met lange buis. Blaadjes smalMemora.19b.Kelk regelmatig, of indien de kelk tweelippig is, dan is hij niet leerachtig2020a.Kelk met groote schotelvormige klieren aan de buitenkant. Zaadknoppen in elk hokje 2-rijig. Vrucht breed met gladde kleppenAdenocalymma.20b.Kelk zonder groote schotelvormige klieren2121a.Bloemkroon in den knop alleen aan den top met een behaarde plek, verder kaal. Kelk dun, wijd schotelvormig. Bloeiwijzen veelbloemig. Bladeren zeer dun-vliezig met krachtige nerven. Vrucht smal met platte kleppenPetastoma.21b.Bloemkroon niet met een behaarde plek aan den top. Bladeren niet vliezig2222a.Bloemen in een armbloemig, okselstandig bijscherm; schijf duidelijk gelobd, de onderste stengelbladeren soms enkelvoudig. Doosvrucht breed, met gestekelde kleppenClytostoma.22b.Schijf niet of onduidelijk gelobd; bloeiwijzen meest meerbloemig; doosvrucht glad2323a.Vrucht smal en lang. Zaadknoppen in elk hokje in 2 rijen. Kelk meest dunArrabidaea.23b.Vrucht breed, elliptisch. Zaadknoppen in elk hokje in 4 rijen. Kelk leerachtig. Bladeren met groote steunbladerenAnemopaegma.259.Pedaliaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf, sympetaal; meeldraden 4 of 2 met paarsgewijs samenhangende helmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–4-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen; hokjes van het vruchtbeginsel vaak met dwarstusschenschotten; vrucht een doosvrucht of een noot; kruiden met tegenoverstaande of naar boven verspreide bladeren; bloemen okselstandig of in trossen.Kruiden met afwisselende, smalle bladeren en okselstandige bloemen. Bloemkroon klokvormig met 5-lobbige zoom, waarvan de onderste lob het grootst is. Meeldraden 4, de 5demeeldraad is tot een klein staminodium gereduceerd. Vruchtbeginsel met één stijl met twee bladachtige stempels. Vrucht een doosvruchtSesamum.262.Gesneriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; bloemkroon sympetaal, min of meer 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms met 1 of 3 staminodiën, de helmknoppen paarsgewijs verbonden of alle samenhangend; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met twee wandstandige zaadlijsten met talrijke zaadknoppen; één stijl met een breede of 2-lobbige stempel; vrucht een doosvrucht of een bes met talrijke kleine zaden; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande, gaafrandige of getande bladeren en meest groote bloemen.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, kelk met 5, min of meer bladachtige slippen. Bloemkroon klokvormig en 5 breede slippen. Meeldraden 4 onder in de bloemkroon ingehecht met kruisgewijs verbonden helmknoppen. Schijf ringvormig. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Kruiden met tegenoverstaande bladeren; bloemen in de oksels van schutbladerenGloxinia.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig22a.Schijf bestaande uit een dikke soms wat scheeve ring. Meeldraden 4, de helmdraden aan de basis wat verbreed. Stempel 2-lobbig. Vrucht een bes, door de kelk omslotenBesleria.2b.Schijf niet ringvormig doch bestaande uit 1 of 2 schubben aan één zijde van het vruchtbeginsel gezeten33a.Helmhokjes door een breed en dik helmbindsel van elkaar gescheiden, niet evenwijdig loopend, kelkslippen 5, smal; bloemkroon min of meer klokvormig met wijde mond. Planten met dikke ± vleezige bladeren en kleine bloemen in de bladokselsCodonanthe.3b.Helmhokjes niet door een dik en breed helmbindsel van elkaar verwijderd; helmhokjes evenwijdig loopend44a.Helmdraden aan de basis tot een van achteren gespleten buis vergroeid. Kelkslippen meest niet groen gekleurd, ongelijk, breed, vaak getand. Bloemkroonbuis wijd met 5 afgeronde slippen. Helmknoppen vrij van elkaar. Schijf uit één groote schub bestaand. Heesterachtige plantenCrantzia.4b.Helmdraden van onderen niet of nauwelijks met elkaar vergroeid55a.Kelk klokvormig, 5-kantig of 5-vleugelig, met korte tanden; niet groen gekleurd. Bloemkroon wijd, cylindervormig. Helmdraden aan de basis verbreed, helmknoppen niet samenhangend. Schijf uit een schub bestaande. Kruiden, met meerdere bloemen in een bloeiwijze vereenigdTussacia.5b.Kelk diep 5-deelig66a.Kelkslippen smal. Bloemkroon met een lange buis, die meest wat gebogen is. Helmdraden van onderen een weinig vergroeid, de 5demeeldraad als klein staminodium zichtbaar. Schijf uit één groote schub bestaande. Stijl van boven verdikt. Kruiden, meest met tweekleurige bloemenEpiscia.6b.Kelkslippen groot en breed, bladachtig, ongelijk. Bloemkroonbuis van onderen opgeblazen en verwijd. Helmknoppen van onderen verbreed. Schijf uit een groote schub bestaande. Heesterachtige planten met dikke bladerenDrymonia.264.Lentibulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig zelden regelmatig, meest zygomorf, bloemkroon meest duidelijk 2-lippig; meeldraden zelden 5, meest 2, onder in de bloemkroon ingehecht;vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met een meest grondstandige zaadlijst; vrucht een 2–4-kleppige doosvrucht en dan veelzadig of een gesloten vrucht en dan 1-zadig; meest kruiden op vochtige plaatsen of in het water groeiend.1a.Kelk 4-deelig met ronde slippen aan den rand met lange tanden bezet. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd, met een spoor. Bovenlip 2-spletig; onderlip groot, 3-lobbig. Meeldraden 2, sterk gebogen. Doosvrucht meerzadig met 2 kleppen openspringend. Kleine kruiden met langwerpige, gaafrandige wortelstandige bladerenPolypompholyx.1b.Kelk 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd; bovenlip rechtopstaand, ingesneden of gaafrandig, onderlip groot, 3-deelig of gaafrandig. Meeldraden 2, dik en kort, sterk gebogen. Doosvrucht met 2 kleppen of onregelmatig of met een deksel openspringend. Land-, moeras-, of waterplantenUtricularia.266.Acanthaceae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms nog 1 of 3 staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht, 2-kleppig hokverbrekend openspringend, zelden een steenvrucht; zaden meest zittend op haakvormige uitgroeiïngen van de zaadsteel; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren; bloemen meest in aren of samengestelde aren.1a.Kelk aan den voet met 2 groote bladeren die aan de randen min of meer vergroeid zijn en den kelk inhullen. Meest klimplanten; bloemen in de bladoksels21b.Geen 2 groote bladeren onder de kelk; indien de kelk door bladeren omhuld wordt dan staan de bloemen in aren32a.Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven geleidelijk verwijd; zoom van de bloemkroon niet zeer breed. Planten meestal langharig. Vrucht min of meer besachtig, niet openspringend, rondMendoncia.2b.Bloemkroonbuis tamelijk wijd met een groote en breede, wijduitstaande zoom met bijna gelijke slippen. Bladeren meest wat pijlvormig. Vrucht een toegespitste doosvruchtThunbergia.3a.Bloemen met 4 meeldraden of met 2 meeldraden en 2 groote staminodiën43b.Bloemen met slechts 2 meeldraden104a.Bloemen in dichte zittende groepen in de bladoksels, schijnbaar in kransen rondom den stengel staand. Bloemkroon 2-lippig met een dunne naar boven geleidelijk wijder wordende buis. Stempel haakvormig. Bladeren smal en langHygrophila.4b.Bloemen in pluimen of aren of gesteeld en okselstandig55a.Bloemen zoo dicht op elkaar zittend dat ze aan het eind van den stengel een duidelijke aar vormen met of zonder dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren65b.Bloeiwijze los, niet dicht-aarvormig. Kelk gelijkmatig 5-spletig of de achterste kelkslip grooter of soms kelk 2-lippig. Bloemkroon verschillend van vorm, doch steeds met 5 ongeveer gelijke lobben, dus niet duidelijk 2-lippigRuellia.6a.Twee vruchtbare meeldraden en twee staminodiën aanwezig. Plant naar boven vertakt; elke tak in een aar eindigend met dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren, die min of meer droogvliezig, sterk geaderd en toegespitst zijn. Schutbladeren veel grooter dan de kelk. Bloemen met lange dunne buis, ver buiten de aar uitstekendEranthemum.6b.Alle meeldraden met stuifmeel77a.Bloemkroon onduidelijk 2-lippig of bijna regelmatig. Bloemen wit87b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig. Bloemkroon wit en lila en dan klein, of rood en dan groot98a.Aar tamelijk los met bladachtige breede schutbladeren, die veel grooter zijn dan de kelk. Bloemen 2 of 3 in de oksels der schutbladeren. Kelk 5-deelig, regelmatig, vrucht van binnen met duidelijke haken, met 6 of meer zaden in elke afdeelingBlechum.8b.Aar dicht, soms zeer klein; kelk 5-deelig, de bovenste slip breeder dan de andere. Schutbladeren niet opvallend breed en bladachtig; bloemen meest alleenstaand in de oksels der schutbladeren. Doosvrucht met vele zaden, van binnen zonder haken. Planten meest zeer kleinStaurogyne.9a.Bloemen vuurrood, meeste meerdere centimeters lang, duidelijk 2-lippig, in een smalle, eindstandige aar, waarvan de schutbladeren dicht over elkaar liggen. Schutbladeren vaak met tanden aan den top of aan den rand. Meeldraden buiten de bloemkroon uitstekend; planten rechtopstaand, onvertaktAphelandra.9b.Schutbladeren weinig grooter dan de kelk, droogvliezig, evenals de kelkslippen met een spitse punt. Bloemkroon wit, meest met lila teekening, nog niet 1 c.M. lang of meest nog kleiner. Meeldraden boven in de bloemkroonbuis ingehechtLepidagathis.10a.Bloemen in aren in den oksel van groote schutbladeren1110b.Bloemen niet in aren of als ze in aren staan, dan zijn er geen groote schutbladeren1211a.Meeldraden meest aan de basis met een kleine tand. Kelk kort. Bloemkroonbuis smal, naar boven weinig verwijd. Bovenlip lang en smal; onderlip breeder. Meeldraden buiten de buis uitstekendPachystachys.11b.Helmdraden zonder tand aan de basis. Kelk 4–5-deelig met gelijke smalle en spitse slippen. Bloemkroonbuis kort; bovenlip hol, onderlip meest breeder, vlak en 3-deelig. Helmbindsel min of meer verbreed; helmhokjes niet op gelijke hoogte ingehechtJusticia.12a.Kelk 5-tandig, klein, met gelijke tanden. Bloemkroonbuis boven de basis wat vernauwd, dan scheef in een buisvormige lange keel verwijd. Helmhokjes bijna op gelijke hoogte ingehecht; helmbindsel niet verbreed. Bloemen in éénzijdige arenDrejera.12b.Kelk 4–5-deelig1313a.Bloemkroonbuis kort, weinig verwijd. Bovenlip hol; onderlip breeder, vlak, 3-deelig. Meeldraden boven in de bloemkroon bevestigd. Helmhokjes aan het min of meer verbreede helmbindsel op verschillende hoogte ingehecht, doch meest evenwijdig aan elkaarJusticia.13b.Bloemkroonbuis lang, dun, meest recht. Bovenlip vaak gebogen, 2-tandig. Onderlip diep 3-deelig, de middenlob het grootst. Helmbindsel breed, de helmhokjes niet evenwijdig met elkaar loopendBeloperone.13c.Planten van het uiterlijk van de beide vorige, maar ervan verschillend alleen door den vorm van het stuifmeel, dat bij Justicia en Beloperone met rijen van kleine knobbeltjes bezet is, terwijl bij Rhacodiscus het stuifmeel geheel gestekeld isRhacodiscus.

Orde:Tubiflorae.249.Convolvulaceae.Bloemen 5–4-tallig, meest regelmatig en tweeslachtig; bloemkroon vergroeidbladig, meest in de knop geplooid; meeldraden aan de basis van de kroon ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 2-, zelden 3–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht een doosvrucht, zelden 4 deelvruchten; meest kruiden, vaak links windend, zelden houtige planten, meest met groote bloemen; melksap vaak aanwezig.1a.Parasieten zonder groene bladeren, met zeer dunne windende stengels. Bloemen klein, meest 5-tallig in dichte groepen aan den stengel gezeten, met een bekervormige bloemkroonCuscuta.1b.Planten met groene bladeren22a.Kleine, niet windende kruiden met kleine (± 1 c.M. groote of kleinere) eivormige of lancetvormige blaadjes, en zeer kleine (± ½ c.M.) bloemen, die òf alleen staan in de oksel van de bladeren òf in weinigbloemige bijschermen. Stijl met 2 draadvormige stempels; vruchtbeginsel kaal; doosvrucht met 4 kleppen openspringendEvolvulus.2b.Krachtige, meest klimmende kruiden of heesters met groote bladeren en bloemen33a.Lianen of heesters met eironde, leerachtige, kale bladeren en vrij groote of groote bloemen in eindelingsche pluimen. Kroon van buiten behaard, aan den rand weinig ingesneden, rose tot lila; de meeldraden niet buiten de kroon uitstekend. Stijl lang met een bolvormige, onduidelijk 2-lobbige stempel. Vrucht leerachtig of houtig, niet openspringendMaripa.Patawana.3b.Kruiden of kleine heesters, meest windend met kruidachtige meest wat hartvormige of ingesneden of samengestelde bladeren en openspringende dunwandige vruchten44a.Stijlen 2 of een 2-spletige stijl met aan iedere tak een bolvormige stempel. Kelkbladeren vliezig, kaal, de 2 buitenste veel grooter dan de 3 binnenste; bloemkroon van buiten behaard op 5 kale plekken na. Windende heesters met groote elliptische bladeren en okselstandige bloeiwijzenPrevostia.4b.Slechts 1 stijl aanwezig met 2 stempels of met één bolvormige of gelobde stempel55a.De buitenste 3 kelkbladeren veel grooter dan de 2 binnenste, eirond, langs den bloemsteel een weinig afloopend; bloemkroon wijd-buisvormig; meest wit. Windende kruiden met aan den voet versmalde bladeren, aan den bladtop een puntjeAniseia.5b.Alle kelkbladeren ongeveer even groot66a.Bloeiwijzen in de bladoksels op lange steelen staande, aan welks einde de bloemen in dichte hoofdjes zitten, omgeven door talrijke schutbladeren. Bloemen wit, blauw of rose, klein of vrij groot. Stijl aan den top met 2 duidelijk gescheiden eironde of langwerpige stempels. Vrucht met 8 of met 4 kleppen openspringend. Windende kruiden of heesters, meest fluweelachtig behaard met niet-ingesneden bladerenJacquemontia.6b.Bloemen òf alleenstaand òf slechts weinige bijeen in de bladoksels of indien meerdere bloemen in een schermvormige bloeiwijze zitten, dan zijn er geen duidelijke bracteeën aanwezig. Stempel gaaf of 2-lobbig77a.Vrucht met een deksel openspringend. Bloemen zeer groot, één of zeer weinige in de bladoksels; kelkbladeren groot, eirond, min of meer papierachtig; na de bloei vergroot; bloemkroon wijd-klokvormig, wit of geelachtig; stempel 2-lobbig. Stengels, blad- en bloemsteelen meest gevleugeld. Bladeren hartvormig, niet ingesnedenOperculina.7b.Vrucht met kleppen openspringend. Bladeren vaak (niet altijd) gelobd, gedeeld of samengesteld. Stengels niet gevleugeld88a.Stuifmeelkorrels glad. Bloemkroon met 5 donkere aderen, die met de kelkbladeren afwisselen, zelden zonder aderen, (maar dan zijn de bladeren niet gelobd of gedeeld of samengesteld). Bloemen okselstandig, met een lange steel, alleenstaand of in weinig- of veelbloemige bijschermen. Bloemen wit of geel. Meest windende plantenMerremia.(Ipomoea,Pharbitis).8b.Stuifmeelkorrels met stekels bezet. Bloemkroon zonder donkere aderen. Bloemen zelden wit, meest paars of rose of rood. Overigens als de vorigeIpomoea.(Calonyction,Quamoclit,Pharbitis).251.Hydrophyllaceae.Bloemen meest 5-tallig tweeslachtig regelmatig, sympetaal, slippen in de knop meest met de randen tegen elkaar liggend, zelden gedraaid; meeldraden 5, zelden 4 of meer dan 5; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot talrijke zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren.Kelk diep ingesneden met 5 spitse slippen. Bloemkroon met korte buis, blauw. Meeldraden onder in de buis ingehecht. Helmknoppen pijlvormig. Vruchtbeginsel met 2, zelden met 3 stijlen. Doosvrucht dunwandig. Bloeiwijze een losse pluim. Bladeren verspreid; plant klierachtig behaard, meestal met dorensHydrolea.Swietie-watra-kraroen.252.Borraginaceae.Bloemen 5-, zelden 6-veeltallig, meest 2-slachtig, regelmatig, soms zygomorf, sympetaal, slippen in de knop met de randen over elkaar liggend, al of nietgedraaid; vaak met schubben van binnen; vruchtbeginsel 2-hokkig, met 2 zaadknoppen in ieder hokje, soms 4-hokkig, ongedeeld of 4-deelig; stijl 1, enkelvoudig of 2-deelig, of elke tak nog eens gedeeld; vrucht een steenvrucht of in 4 nootjes uiteenvallend; kruiden of houtige planten, vaak ruwhaarig of borstelig, zelden met tegenoverstaande, meest met verspreide, enkelvoudige bladeren, bloeiwijzen sikkelvormig.1a.Stijl van boven gespleten, elke tak nog eenmaal gespleten, zoodat er in het geheel 4 stempels zijn, kelk buis- of klokvormig, 3–5-tandig. Bloemkroon trechter-, klok- of schotelvormig, meest 5-tallig. Meeldraden 5, in de buis ingehecht. Vrucht een steenvrucht, die door de kelk ten deel wordt omhuld, en 1 pit heeft, die 4–1 zaden bevat. Boomen of heestersCordia.1b.Stijl van boven niet gedeeld, doch een tweelobbige stempel met een behaarde verdikte ring eronder22a.Vrucht een steenvrucht, besachtig of tamelijk droog met 2 of 4 pitten. Kelk 5-deelig met smalle slippen. Bloemkroonslippen aan den top niet naar binnen gebogen. Meeldraden niet uit de buis uitstekend. Heesters, zelden boomenTournefortia.2b.Vrucht in 4 nootjes uiteenvallend of eerst in tweeën gedeeld, en daarna ieder stuk in twee nootjes uiteenvallend. Kelk en bloemen als de vorige, doch bloemkroonslippen meest met naar binnen gebogen top. Meest kruiden, zelden een weinig heesterachtigHeliotropium.253.Verbenaceae.Bloemen 5–4-, zelden 6–8-tallig, meest tweeslachtig, zelden regelmatig, bijna steeds zygomorf; kelkbladeren vergroeid; kroon vergroeidbladig met vaak lange soms gekromde buis en vaak 2-lippige zoom; meeldraden meest 4, tweemachtig, of 2 en 2–3 staminodiën, vruchtbeginsel 2-, zelden 4–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje, meest door vorming van een valsch tusschenschot 4-hokkig; 1 stijl; vrucht meest een 2–4-hokkige steenvrucht, soms een splitvrucht; kruiden of houtige planten met meest tegenoverstaande of kransstandige, zelden verspreide bladeren, die enkelvoudig of samengesteld zijn.1a.Heesters of boomen met handvormig samengestelde tegenoverstaande bladeren. Kelk 5-tandig tot 5-spletig. Bloemkroon vrij klein met rechte of gekromde buis en uitgebreide scheeve, 5-lobbige zoom. Meeldraden 2-machtig. Stijl met 2-spletige stempelVitex.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen in bijschermen, d. w. z. de hoofdas van de bloeiwijze vertakt zich herhaaldelijk en ten slotte eindigt elk takje in een bloem; soms ook is het bijscherm tot een enkele okselstandige bloem verkort32b.Bloemen in aren of trossen, dus de hoofdas van de bloeiwijze is onvertakt43a.Boomen, die in de mangrove voorkomen. Bloemkroon bijna regelmatig 4-spletig met ronde slippen. Eindtakken der bloeiwijze in hoofdjes van zittende bloemen eindigendAvicennia.Parwa.3b.Bloemkroon met een vaak zeer lange buis en 5-lobbige zoom; lobben bijna gelijk of ongelijk. Meeldraden meest buiten de buis uitstekend. Bloemen soms alleenstaand in de bladoksels. Heesters of boomen, met of zonder dorensClerodendron.3c.Bloemen in eindelingsche of okselstandige veelbloemige pluimen, meest4-talligmet regelmatige en korte bloemkroon. Meeldradenboven in de bloemkroonbuis ingehecht. Vrucht een bes, in de vergroote kelk zittend. Heesters of boomenAegiphila.4a.Rechtopstaande, onvertakte kleine (± ½ meter) heesters met een eindelingsche bloemtros; bloemen geel in den oksel staande van groote roode schutbladeren. Kelk breed klokvormig; bloemkroon met een lange buis, onduidelijk 2-lippig. Vrucht een bes. Bladeren lang en smalAmasonia.4b.Geen opvallend gekleurde schutbladeren aanwezig55a.Bloemen dichtgedrongen in okselstandige bolvormige of een weinig verlengde hoofdjes65b.Bloemen in losse of lange aren of trossen76a.Kelk ongetand of met zeer kleine tanden. Zoom van de bloemkroon onduidelijk 2-lippig, 4–5-spletig. Heesters of kruiden. Bladeren tegenoverstaand of in 3-tallige kransen, meest ruw, doch niet viltigLantana.Koorsoe-wiwirie.6b.Kelk met een 2-ribbige of 2-vleugelige buis, 2–4-spletig of 4-tandig. Bloemkroon 4-lobbig met kleine zoom. Bladeren viltig behaard, meest ook ruwLippia.7a.Bloemen zittend in eindelingsche dunne en lange aren in de oksel van kleine schubvormige schutbladeren; as van de aar vaak met holten, waarin de vrucht ten deele opgesloten is, en welke holte van buiten door het schutblad is afgesloten. Kelkbuis lang en dun, 5-tandig. Bloemkroon met lange dunne buis, met 2 meeldraden en 2 kleine staminodiën. Planten niet klimmend. Bladeren grof getandStachytarpheta.7b.Bloemen in ijle trossen88a.Lianen met zeer ruwe bladeren. Bloemen blauw of paars in okselstandige trossen; kelk opvallend groot met korte buis en 5 breede slippen, die meest langer zijn dan de bloemkroon en evenzoo gekleurd; kelk na het bloeien vergroot, vliezig wordend en netvormig geaderdPetraea.8b.Kelkslippen niet opvallend groot en gekleurd99a.Boomen; kelk buis-klokvormig met korte tanden; bloemkroon met uitgebreide 5-spletige zoom. Bloemen in eindelingsche trossen, wit. Vrucht een bes, van onderen door de kelk omslotenCitharexylum.9b.Heesters of kruiden1010a.Kelk klokvormig met 5 ribben, die ieder in een tand eindigen. Bloemkroon met cylindervormige, naar boven verwijde buis en scheeve 5-lobbige zoom. Meeldraden ter halver hoogte in de buis ingehecht. Vertakte heesters met okselstandige weinig-bloemige trossen. Bladeren kleinTamonea.10b.Kelk buisvormig, na de bloei verwijd, de vrucht geheel insluitend en aan den mond vernauwd. Zoom van de bloemkroon scheef, 5-lobbig. Vrucht uiteenvallend in 2 borstelige steenen. Bloemen in losse eind- of okselstandige aren. Bladeren vrij groot, gezaagdPriva.254.Labiatae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, sympetaal, zygomorf; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buisvormig met een 2-lippige zoom; meeldraden 4, tweemachtig of 2 en 2 staminodiën, zelden nog een vijfde staminodiale meeldraad aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht in 41-zadige deelvruchten gedeeld en als zoodanig uiteenvallend; stijl 1; kruiden of heesters met tegenoverstaande of kransstandige bladeren; bloemen meest in korte bloeiwijzen in de bladoksels, schijnkransen vormend.1a.Bladeren sterk handvormig gespleten tot gedeeld; de slippen ook wat ingesneden. Bloemen rose tot purper in schijnkransen in de bladokselsLeonurus.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen dicht met oranje-roode haren bezet, in groot bolvormige schijnkransen rondom den stengel, bladeren onder de bloeiwijzen klein, stengelbladeren groot en breed, gekarteldLeonotis.2b.Bloemenen bloeiwijzen anders gevormd33a.Bloemen in gesteelde hoofdjes, die aan de basis eenige kleine blaadjes dragen43b.Bloemen in schijnkransen van 6–10 bloemen rondom den stengel; schijnkransen dicht bij elkaar zittend, zoodat de geheele bloeiwijze den indruk maakt van een eindelingsche tros. Kelk 2-lippig, de bovenlip groot en eirond. Bloemen roseOcimum.Smerie-wiwirie.4a.Kelk, vooral nà den bloei, klokvormig met 3-kantige slippen. Nootjes aan de rugzijde kielvormig, op de buikzijde voorzien van vliezige getande, naar binnen gebogen randen. Hoofdjes gesteeld in de bladoksels. Planten behaardMarsypianthes.4b.Kelk buisvormig met draadvormige slippen. Nootjes bolrond of eirond. Bloemen in gesteelde hoofdjes in de bladoksels, soms ook zijn de bladeren, die de hoofdjes in de oksels hebben, zeer klein, en dan zijn de hoofdjes tot een groote pluim- of aarvormige bloeiwijze samengesteldHyptis.256.Solanaceae.Bloemen meest 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zelden zygomorf; sympetaal; kroon in de knop meest geplooid; meeldraden 5, in de zygomorfe bloemen meest 4, soms met 1 staminodium; vruchtbeginsel 2-hokkig, bovenstandig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje, zelden 3–5-hokkig; stijl 1 met een 2-lobbige of 2-deelige stempel; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of heesters met verspreide bladeren.1a.Bloemen regelmatig, met goed ontwikkelde meeldraden, evenveel als bloemkroonslippen21b.Bloemen met slechts 4 meeldraden, waarvan er soms 2 niet geheel ontwikkeld zijn72a.Bloemkroon niet buisvormig, uitgespreid, of indien er een duidelijke buis is, dan is de zoom breed en zijn de vruchten bessen32b.Bloemkroon met een lange buis en een in verhouding korte zoom53a.Helmknoppen tot een buis samenkomend of vrij, in het laatste geval steeds met poriën aan den top openspringend. Helmdraden zeer kort, aan de basis van de zeer korte bloemkroonbuis verbonden. Kelk 5–10-tandig of -deelig, bij het rijp worden der vruchten niet of weinig vergroot. Vrucht een besSolanum.3b.Helmknoppen altijd vrij van elkaar en met overlangsche spleten openspringend44a.Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelk klokvormig, 5-lobbig, bij het rijpworden der bes zeer sterk vergroot, opgeblazen en de bolvormige bes omhullendPhysalis.4b.Kelk wijd-klokvormig, ongetand of met 5 kleine tanden, bij het rijpworden van de vrucht weinig vergroot. Helmdraden langer dan de helmknoppen. Bes rood, meest verlengdCapsicum.5a.Boomen of heesters, soms klimmend. Vrucht een bes65b.Kruidachtige planten. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht. Kelk buis-klokvormig 5-lobbig. Bloemkroon met een lange buis en een iets scheeve zoom. Bloemen in trossen of pluimenNicotiana.6a.Kelk buisvormig met lange spitse slippen; bloemkroon vuurrood, trechtervormig met vrij breede zoom. Bes droog.Klimmende heesters, bloemen in trossen of pluimenMarkea.6b.Kelk klok- of buisvormig, 5-tandig of 5-spletig. Bloemkroon buisvormig met smalle zoom, die meest teruggeslagen is. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht, aan de basis verdikt of behaard. Bessen groot, met 1 of weinig zaden. Bloemen wit, geel of groenachtig, in schermenCestrum.7a.Kruidachtige planten; bloemkroon met een lange en dunne buis en 5 korte slippen, waartusschen meest nog 5 andere slippen zijn ingevoegd. Meeldraden 4, 2 lange en 2 korte. DoosvruchtSchwenkia.7b.Heesters of boomen; bloemkroon met een breede, 5-lobbige zoom. Meeldraden tweemachtig. Helmdraden van boven verdikt en gekromdBrunfelsia.257.Scrophulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, min of meer zygomorf; meeldraden zelden 5; meest 4 of 2; vruchtbeginsel bovenstandig 2-hokkig met weinige tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande of verspreide of kransstandige bladeren.1a.Bloemen met slechts 2 meeldraden. Zeer kleine kruiden, meest kruipend met ronde of eironde tegenoverstaande blaadjes en okselstandige bloemen. Kelk klokvormig,4-deelig; bloemkroon ± bolvormig met korte bovenlip en 3-lobbige onderlipMicranthemum.1b.Bloemen met 4 vruchtbare meeldraden of met 2 vruchtbare meeldraden en 2 staminodiën22a.Kelk en bloemkroon 4-deelig, vrijwel regelmatig; bloemkroon wit, met korte buis, stervormig. Meeldraden buiten de buis uitstekend. Helmknoppen aan de basis een weinig pijlvormig. Sterk vertakte kruiden met smalle bladeren en gesteelde bloemen, alleen of eenige bijeen in de bladokselsScoparia.Sisibi-wiwirie.2b.Kelk en kroon, of tenminste steeds de kelk 5-tandig tot5-deelig, of 5-bladig33a.Kelk en bloemkroon beide zeer lang en buisvormig; kelk 5- (zelden 4-)tandig. Bloemen aan het eind van den stengel staande en daar een zeer ijle, ± 5-bloemige, aar vormend. Bladeren zeer smal, bijna lijnvormig. Bloemen paarsBüchnera.3b.Bloemen okselstandig of indien ze een eindstandige aar vormen, dan zijn de schutbladeren groot, en de bloemen talrijk44a.Bloemen in eindstandige trossen of aren, in de oksel van schutbladeren alleenstaand54b.Bloemen in de bladoksels, alléén of 2 of meer bij elkaar in iedere bladoksel65a.Bloemen geel of wit, in aren; kelk klokvormig, kantig, na de bloeiopgeblazen, 5-tandig. Bloemkroon met wijde buis en vlakke, 5-lobbige zoom. Ruwharige kruidenMelasma.(Alectra).5b.Bloemen violet of rood, langgesteeld in eindstandige trossen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden. Bloemkroon met nauwe mond, buis-trechtervormig. Kruidachtige plantenGerardia.6a.Kelk 5-tandig of 5-deelig met gelijke of bijna gelijke slippen of tanden76b.Kelkslippen zeer ongelijk van vorm en grootte107a.Bloemkroon met zeer korte buis, klokvormig, 5-lobbig, bijna regelmatig. Meeldraden 4–5. Bloemen wit, gesteeld, meestal in paren in de bladoksels. Rechtopstaande kruidenCapraria.7b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig88a.Helmhokjes door het breede helmbindsel van elkaar gescheiden. Behaarde landplanten met okselstandige blauwe bloemen; bloemkroon gapendStemodia.8b.Helmhokjes niet door een breed helmbindsel gescheiden99a.De helmdraden van alle 4 de meeldraden zijn in de bloemkroonbuis ingehecht. Waterplanten met okselstandige bloemen; bladeren klein, met breede voet zittendConobea.9b.Twee van de 4 helmdraden in den mond van de bloemkroon ingehecht, de beide andere in de buis. Meeldraden vaak met aanhangselen aan de basis. Helmknoppen van elk paar meeldraden wat samenhangend. Kleine kruidachtige plantenLindernia.10a.Kelk buisvormig, min of meer gevleugeld; bloemkroon naar boven geleidelijk wijder wordend. Helmknoppen van elk paar meeldraden samenhangend; een paar van de helmdraden in de mond van de bloemkroon ingehecht; de 2 lange helmdraden aan de inhechtingsplaats met een aanhangsel. Kruiden met langgesteelde okselstandige bloemenTorenia.10b.Kelk niet gevleugeld en niet buisvormig. Helmdraden zonder aanhangselen aan den voet1111a.Kelk 5-deelig, de achterste slip grooter. Twee meeldraden met stuifmeel; de beide andere tot staminodiën vervormd. Rechtopstaande soms een weinig heesterachtige planten met behaarde kleine bladeren en bloemen in de bladokselsBeyrichia.(Achetaria).11b.Kelk bijna 5-bladig; de achterste slip veel grooter dan de andere, de 2 zijdelingsche meest veel smaller dan de rest. Bloemkroon met vlakke 2-lippige zoom. Bovenlip ingesneden of 2-lobbig; onderlip 3-lobbig. Meeldraden 4 of 5. Land- of waterplanten, in het laatste geval met lange smalle bladerenBacopa.258.Bignoniaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; meeldraden 4 of 2, soms bovendien 1 of 3 staminodiën aanwezig; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buis-, trechter- of trompetvormig; vruchtbeginsel bovenstandig meest 2-, zelden 1-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1 met een 2-lobbige stempel; vrucht een 2-kleppige doosvrucht, soms vleezig en niet openspringend; zaden meest min of meer gevleugeld en plat; meest houtige planten met tegenoverstaande of soms verspreide, vaak samengestelde bladeren met of zonder ranken; bloemen groot.1a.Boomen of heesters, niet klimmend of indien ze klimmen, dan zijn het wortelklimmers met enkelvoudige bladeren zonder ranken21b.Lianen, met of (zelden) zonder ranken klimmend72a.Bladeren enkelvoudig32b.Bladeren samengesteld43a.Bladeren tegenoverstaand; wortelklimmers met leerachtige eironde bladeren; kelk voor de bloei gesloten, later onregelmatig openspringend of onduidelijk 5-tandig. Vruchten kort eirond. Bloemen in eindelingsche pluimen of trossenSchlegelia.3b.Kleine boomen of heesters met smalle groepsgewijs staande bladeren en zijdelings-symmetrische bloemen die uit de takken te voorschijn komen. Bloemkroon van voren met een plooi. Vrucht groot, met harde wandCrescentia.Kalebas.4a.Bladeren enkel-gevind, of dubbel-gevind54b.Bladeren handvormig samengesteld65a.Boomen of heesters met enkelgevinde bladeren; blaadjes grof gezaagd. Bloemen geel met een klein, draadvormig staminodium aan de achterzijdeStenolobium.5b.Boomen met enkel- of dubbelgevinde bladeren; in het laatste geval blaadjes meest klein. Bloemen blauw, met een zeer groot staminodium; van de 4 meeldraden zijn er slechts 2 goed ontwikkeldJacaranda.6a.Bladeren 5-tallig, langgesteeld; blaadjes vrij lang gesteeld. Bloeiwijze eindelingsch; tegelijk met de bladeren aanwezig, kort, trosvormig, de witte bloemen kruiswijs tegenoverstaand; kelk scheef klokvormig, meest kort-3-lobbig, de lobben met een puntje aan den top, van buiten schubvormig behaard. Zaden met een dikke vleugelCouralia.Courali.6b.Bladeren 3- of 5-tallig. Bloeiwijze pluim- of schermvormig, meest nièt tegelijk met de bladeren aan den boom zittend. Bloemen meest geel; kelk van binnen meest zonder klieren. Zaden met een vliezige vleugelTecoma.Groenhart.7a.Ranken kort, aan den top gespleten in 3 korte eenigszins verdikte en haakvormig omgebogen takken. Bloemen geel. Bladeren steeds2-tallig87b.Ranken draadvormig of ontbrekend, nooit in 3 haakvormige takken eindigend98a.Kelk vliezig, tijdens den bloei aan één zijde opengescheurd. Kroon groot, van onderen dun, buisvormig, naar boven verwijd; van binnen bij de inhechtingsplaats van de meeldraden behaard. Vrucht lang en smalMacfadyena.8b.Kelk onregelmatig 5-lobbig, meest met min of meer gegolfde rand. Overigensvrijwelgelijk aan de vorigeBignonia.9a.Bladeren 1-jukkig gevind, dus 2 blaadjes met eindblaadje (dus 3-tallige bladeren) of in plaats van het eindblaadje een rank129b.Bladeren meerjukkig gevind of dubbel-3-tallig of op andere wijze samengesteld1010a.De bladeren zelf of de jukken der bladeren gevind, in het laatste geval dus dubbelgevinde bladeren.Ranken ontbrekend; stengel rond. Kelk leerachtig met 5 kleine tanden of éénzijdig gespleten, meest met vele klieren. Bloemkroon wit of geel met zeer ongelijke lobbenMemora.10b.Bladeren dubbel 3-tallig (een enkele maal is er nog een paarblaadjes meer, zoodat een deel van het blad dan gevind is). Bladeren met ranken1111a.Bloemen rose tot violet in een eindelingsche pluim. Takken niet scherp vierkant. Kelk met 5 kleine tandjes en zeer weinig klierenArrabidaea(inaequalis).11b.Bloemen wit of geel, in okselstandige bloeiwijzen. Takken scherp-vierkant, de hoeken bij de oudere takken meest als lange draden loslatend. Kelk meest met vele klierenPleonotoma.12a.Schijf onder het vruchtbeginsel ontbrekend1312b.Schijf onder het vruchtbeginsel aanwezig, meest de basis van het vruchtbeginsel als een ring of een beker omgevend1413a.Helmknoppen en meest ook de bladeren geheel kaal. Kelk klokvormig met 5 zeer kleine tanden. Bloemkroon wit met rose of paars, met breede slippenCydista.13b.Helmknoppen, en meest ook de helmdraden en de bladeren behaard. Kelk als de vorige. Bloemkroon wit met geelLundia.14a.Bloemen met een zeer wijde en groote (tot 4 c.M. lange) kelk met een ongelijkeeenigszinstweelobbige zoom. Bloemkroon zeer groot, geel met roode streepen. Blaadjes groot en breedCallichlamys.14b.Kelk niet opvallend groot en wijd1515a.Bloemkroon gekromd1615b.Bloemkroon recht1716a.Kelk klokvormig, leerachtig, bijna ongetand, van buiten kort behaard. Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd. Vruchtbeginsel knobbelig. Takken kantig met lichtere verdikte overlangsche streepen. Vrucht breed, met stekels op de gewelfde kleppen. Bladeren dun, met eenigszins hartvormige voet. Bloemen wit of geelPithecoctenium.Keesi-keesi-kam.16b.Kelk klokvormig, met rechte rand, later een weinig ingescheurd, leerachtig. Bloemkroon leerachtig. Takken niet kantig en niet gestreept. Doosvrucht gladDistictis.17a.Het onderste deel van de bloemkroonbuis is eenigszins zakvormig verwijd met een stompe knobbel aan de voorkant. Kelk leerachtig, scheef, onregelmatig ingesneden. Bloemen in eindelingsche pluimen, rose tot paars, van buiten behaard. Vrucht zeer langParagonia.17b.Bloemkroon van onderen niet zakvormig verwijd, zonder knobbel aan één kant1818a.Ranken aan den top met 3 takken. Bloemen in zeer wijde en ijle bloeiwijzen. Kelk 2-lippig en onregelmatig4–5-spletig. Benedendeel van de bloemkroonbuis lang en dun; bloemen wit met lila. Vrucht zeer lang en smalMartinella.18b.Ranken niet vertakt; bloeiwijze niet zeer ijl1919a.Kelk leerachtig, meest met klieren, in den knop gesloten, later tweelippig zich openend. Lobben der kroon ongelijk; bloemen geel of wit, trechtervormig met lange buis. Blaadjes smalMemora.19b.Kelk regelmatig, of indien de kelk tweelippig is, dan is hij niet leerachtig2020a.Kelk met groote schotelvormige klieren aan de buitenkant. Zaadknoppen in elk hokje 2-rijig. Vrucht breed met gladde kleppenAdenocalymma.20b.Kelk zonder groote schotelvormige klieren2121a.Bloemkroon in den knop alleen aan den top met een behaarde plek, verder kaal. Kelk dun, wijd schotelvormig. Bloeiwijzen veelbloemig. Bladeren zeer dun-vliezig met krachtige nerven. Vrucht smal met platte kleppenPetastoma.21b.Bloemkroon niet met een behaarde plek aan den top. Bladeren niet vliezig2222a.Bloemen in een armbloemig, okselstandig bijscherm; schijf duidelijk gelobd, de onderste stengelbladeren soms enkelvoudig. Doosvrucht breed, met gestekelde kleppenClytostoma.22b.Schijf niet of onduidelijk gelobd; bloeiwijzen meest meerbloemig; doosvrucht glad2323a.Vrucht smal en lang. Zaadknoppen in elk hokje in 2 rijen. Kelk meest dunArrabidaea.23b.Vrucht breed, elliptisch. Zaadknoppen in elk hokje in 4 rijen. Kelk leerachtig. Bladeren met groote steunbladerenAnemopaegma.259.Pedaliaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf, sympetaal; meeldraden 4 of 2 met paarsgewijs samenhangende helmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–4-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen; hokjes van het vruchtbeginsel vaak met dwarstusschenschotten; vrucht een doosvrucht of een noot; kruiden met tegenoverstaande of naar boven verspreide bladeren; bloemen okselstandig of in trossen.Kruiden met afwisselende, smalle bladeren en okselstandige bloemen. Bloemkroon klokvormig met 5-lobbige zoom, waarvan de onderste lob het grootst is. Meeldraden 4, de 5demeeldraad is tot een klein staminodium gereduceerd. Vruchtbeginsel met één stijl met twee bladachtige stempels. Vrucht een doosvruchtSesamum.262.Gesneriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; bloemkroon sympetaal, min of meer 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms met 1 of 3 staminodiën, de helmknoppen paarsgewijs verbonden of alle samenhangend; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met twee wandstandige zaadlijsten met talrijke zaadknoppen; één stijl met een breede of 2-lobbige stempel; vrucht een doosvrucht of een bes met talrijke kleine zaden; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande, gaafrandige of getande bladeren en meest groote bloemen.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, kelk met 5, min of meer bladachtige slippen. Bloemkroon klokvormig en 5 breede slippen. Meeldraden 4 onder in de bloemkroon ingehecht met kruisgewijs verbonden helmknoppen. Schijf ringvormig. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Kruiden met tegenoverstaande bladeren; bloemen in de oksels van schutbladerenGloxinia.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig22a.Schijf bestaande uit een dikke soms wat scheeve ring. Meeldraden 4, de helmdraden aan de basis wat verbreed. Stempel 2-lobbig. Vrucht een bes, door de kelk omslotenBesleria.2b.Schijf niet ringvormig doch bestaande uit 1 of 2 schubben aan één zijde van het vruchtbeginsel gezeten33a.Helmhokjes door een breed en dik helmbindsel van elkaar gescheiden, niet evenwijdig loopend, kelkslippen 5, smal; bloemkroon min of meer klokvormig met wijde mond. Planten met dikke ± vleezige bladeren en kleine bloemen in de bladokselsCodonanthe.3b.Helmhokjes niet door een dik en breed helmbindsel van elkaar verwijderd; helmhokjes evenwijdig loopend44a.Helmdraden aan de basis tot een van achteren gespleten buis vergroeid. Kelkslippen meest niet groen gekleurd, ongelijk, breed, vaak getand. Bloemkroonbuis wijd met 5 afgeronde slippen. Helmknoppen vrij van elkaar. Schijf uit één groote schub bestaand. Heesterachtige plantenCrantzia.4b.Helmdraden van onderen niet of nauwelijks met elkaar vergroeid55a.Kelk klokvormig, 5-kantig of 5-vleugelig, met korte tanden; niet groen gekleurd. Bloemkroon wijd, cylindervormig. Helmdraden aan de basis verbreed, helmknoppen niet samenhangend. Schijf uit een schub bestaande. Kruiden, met meerdere bloemen in een bloeiwijze vereenigdTussacia.5b.Kelk diep 5-deelig66a.Kelkslippen smal. Bloemkroon met een lange buis, die meest wat gebogen is. Helmdraden van onderen een weinig vergroeid, de 5demeeldraad als klein staminodium zichtbaar. Schijf uit één groote schub bestaande. Stijl van boven verdikt. Kruiden, meest met tweekleurige bloemenEpiscia.6b.Kelkslippen groot en breed, bladachtig, ongelijk. Bloemkroonbuis van onderen opgeblazen en verwijd. Helmknoppen van onderen verbreed. Schijf uit een groote schub bestaande. Heesterachtige planten met dikke bladerenDrymonia.264.Lentibulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig zelden regelmatig, meest zygomorf, bloemkroon meest duidelijk 2-lippig; meeldraden zelden 5, meest 2, onder in de bloemkroon ingehecht;vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met een meest grondstandige zaadlijst; vrucht een 2–4-kleppige doosvrucht en dan veelzadig of een gesloten vrucht en dan 1-zadig; meest kruiden op vochtige plaatsen of in het water groeiend.1a.Kelk 4-deelig met ronde slippen aan den rand met lange tanden bezet. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd, met een spoor. Bovenlip 2-spletig; onderlip groot, 3-lobbig. Meeldraden 2, sterk gebogen. Doosvrucht meerzadig met 2 kleppen openspringend. Kleine kruiden met langwerpige, gaafrandige wortelstandige bladerenPolypompholyx.1b.Kelk 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd; bovenlip rechtopstaand, ingesneden of gaafrandig, onderlip groot, 3-deelig of gaafrandig. Meeldraden 2, dik en kort, sterk gebogen. Doosvrucht met 2 kleppen of onregelmatig of met een deksel openspringend. Land-, moeras-, of waterplantenUtricularia.266.Acanthaceae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms nog 1 of 3 staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht, 2-kleppig hokverbrekend openspringend, zelden een steenvrucht; zaden meest zittend op haakvormige uitgroeiïngen van de zaadsteel; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren; bloemen meest in aren of samengestelde aren.1a.Kelk aan den voet met 2 groote bladeren die aan de randen min of meer vergroeid zijn en den kelk inhullen. Meest klimplanten; bloemen in de bladoksels21b.Geen 2 groote bladeren onder de kelk; indien de kelk door bladeren omhuld wordt dan staan de bloemen in aren32a.Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven geleidelijk verwijd; zoom van de bloemkroon niet zeer breed. Planten meestal langharig. Vrucht min of meer besachtig, niet openspringend, rondMendoncia.2b.Bloemkroonbuis tamelijk wijd met een groote en breede, wijduitstaande zoom met bijna gelijke slippen. Bladeren meest wat pijlvormig. Vrucht een toegespitste doosvruchtThunbergia.3a.Bloemen met 4 meeldraden of met 2 meeldraden en 2 groote staminodiën43b.Bloemen met slechts 2 meeldraden104a.Bloemen in dichte zittende groepen in de bladoksels, schijnbaar in kransen rondom den stengel staand. Bloemkroon 2-lippig met een dunne naar boven geleidelijk wijder wordende buis. Stempel haakvormig. Bladeren smal en langHygrophila.4b.Bloemen in pluimen of aren of gesteeld en okselstandig55a.Bloemen zoo dicht op elkaar zittend dat ze aan het eind van den stengel een duidelijke aar vormen met of zonder dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren65b.Bloeiwijze los, niet dicht-aarvormig. Kelk gelijkmatig 5-spletig of de achterste kelkslip grooter of soms kelk 2-lippig. Bloemkroon verschillend van vorm, doch steeds met 5 ongeveer gelijke lobben, dus niet duidelijk 2-lippigRuellia.6a.Twee vruchtbare meeldraden en twee staminodiën aanwezig. Plant naar boven vertakt; elke tak in een aar eindigend met dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren, die min of meer droogvliezig, sterk geaderd en toegespitst zijn. Schutbladeren veel grooter dan de kelk. Bloemen met lange dunne buis, ver buiten de aar uitstekendEranthemum.6b.Alle meeldraden met stuifmeel77a.Bloemkroon onduidelijk 2-lippig of bijna regelmatig. Bloemen wit87b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig. Bloemkroon wit en lila en dan klein, of rood en dan groot98a.Aar tamelijk los met bladachtige breede schutbladeren, die veel grooter zijn dan de kelk. Bloemen 2 of 3 in de oksels der schutbladeren. Kelk 5-deelig, regelmatig, vrucht van binnen met duidelijke haken, met 6 of meer zaden in elke afdeelingBlechum.8b.Aar dicht, soms zeer klein; kelk 5-deelig, de bovenste slip breeder dan de andere. Schutbladeren niet opvallend breed en bladachtig; bloemen meest alleenstaand in de oksels der schutbladeren. Doosvrucht met vele zaden, van binnen zonder haken. Planten meest zeer kleinStaurogyne.9a.Bloemen vuurrood, meeste meerdere centimeters lang, duidelijk 2-lippig, in een smalle, eindstandige aar, waarvan de schutbladeren dicht over elkaar liggen. Schutbladeren vaak met tanden aan den top of aan den rand. Meeldraden buiten de bloemkroon uitstekend; planten rechtopstaand, onvertaktAphelandra.9b.Schutbladeren weinig grooter dan de kelk, droogvliezig, evenals de kelkslippen met een spitse punt. Bloemkroon wit, meest met lila teekening, nog niet 1 c.M. lang of meest nog kleiner. Meeldraden boven in de bloemkroonbuis ingehechtLepidagathis.10a.Bloemen in aren in den oksel van groote schutbladeren1110b.Bloemen niet in aren of als ze in aren staan, dan zijn er geen groote schutbladeren1211a.Meeldraden meest aan de basis met een kleine tand. Kelk kort. Bloemkroonbuis smal, naar boven weinig verwijd. Bovenlip lang en smal; onderlip breeder. Meeldraden buiten de buis uitstekendPachystachys.11b.Helmdraden zonder tand aan de basis. Kelk 4–5-deelig met gelijke smalle en spitse slippen. Bloemkroonbuis kort; bovenlip hol, onderlip meest breeder, vlak en 3-deelig. Helmbindsel min of meer verbreed; helmhokjes niet op gelijke hoogte ingehechtJusticia.12a.Kelk 5-tandig, klein, met gelijke tanden. Bloemkroonbuis boven de basis wat vernauwd, dan scheef in een buisvormige lange keel verwijd. Helmhokjes bijna op gelijke hoogte ingehecht; helmbindsel niet verbreed. Bloemen in éénzijdige arenDrejera.12b.Kelk 4–5-deelig1313a.Bloemkroonbuis kort, weinig verwijd. Bovenlip hol; onderlip breeder, vlak, 3-deelig. Meeldraden boven in de bloemkroon bevestigd. Helmhokjes aan het min of meer verbreede helmbindsel op verschillende hoogte ingehecht, doch meest evenwijdig aan elkaarJusticia.13b.Bloemkroonbuis lang, dun, meest recht. Bovenlip vaak gebogen, 2-tandig. Onderlip diep 3-deelig, de middenlob het grootst. Helmbindsel breed, de helmhokjes niet evenwijdig met elkaar loopendBeloperone.13c.Planten van het uiterlijk van de beide vorige, maar ervan verschillend alleen door den vorm van het stuifmeel, dat bij Justicia en Beloperone met rijen van kleine knobbeltjes bezet is, terwijl bij Rhacodiscus het stuifmeel geheel gestekeld isRhacodiscus.

Orde:Tubiflorae.249.Convolvulaceae.Bloemen 5–4-tallig, meest regelmatig en tweeslachtig; bloemkroon vergroeidbladig, meest in de knop geplooid; meeldraden aan de basis van de kroon ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 2-, zelden 3–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht een doosvrucht, zelden 4 deelvruchten; meest kruiden, vaak links windend, zelden houtige planten, meest met groote bloemen; melksap vaak aanwezig.1a.Parasieten zonder groene bladeren, met zeer dunne windende stengels. Bloemen klein, meest 5-tallig in dichte groepen aan den stengel gezeten, met een bekervormige bloemkroonCuscuta.1b.Planten met groene bladeren22a.Kleine, niet windende kruiden met kleine (± 1 c.M. groote of kleinere) eivormige of lancetvormige blaadjes, en zeer kleine (± ½ c.M.) bloemen, die òf alleen staan in de oksel van de bladeren òf in weinigbloemige bijschermen. Stijl met 2 draadvormige stempels; vruchtbeginsel kaal; doosvrucht met 4 kleppen openspringendEvolvulus.2b.Krachtige, meest klimmende kruiden of heesters met groote bladeren en bloemen33a.Lianen of heesters met eironde, leerachtige, kale bladeren en vrij groote of groote bloemen in eindelingsche pluimen. Kroon van buiten behaard, aan den rand weinig ingesneden, rose tot lila; de meeldraden niet buiten de kroon uitstekend. Stijl lang met een bolvormige, onduidelijk 2-lobbige stempel. Vrucht leerachtig of houtig, niet openspringendMaripa.Patawana.3b.Kruiden of kleine heesters, meest windend met kruidachtige meest wat hartvormige of ingesneden of samengestelde bladeren en openspringende dunwandige vruchten44a.Stijlen 2 of een 2-spletige stijl met aan iedere tak een bolvormige stempel. Kelkbladeren vliezig, kaal, de 2 buitenste veel grooter dan de 3 binnenste; bloemkroon van buiten behaard op 5 kale plekken na. Windende heesters met groote elliptische bladeren en okselstandige bloeiwijzenPrevostia.4b.Slechts 1 stijl aanwezig met 2 stempels of met één bolvormige of gelobde stempel55a.De buitenste 3 kelkbladeren veel grooter dan de 2 binnenste, eirond, langs den bloemsteel een weinig afloopend; bloemkroon wijd-buisvormig; meest wit. Windende kruiden met aan den voet versmalde bladeren, aan den bladtop een puntjeAniseia.5b.Alle kelkbladeren ongeveer even groot66a.Bloeiwijzen in de bladoksels op lange steelen staande, aan welks einde de bloemen in dichte hoofdjes zitten, omgeven door talrijke schutbladeren. Bloemen wit, blauw of rose, klein of vrij groot. Stijl aan den top met 2 duidelijk gescheiden eironde of langwerpige stempels. Vrucht met 8 of met 4 kleppen openspringend. Windende kruiden of heesters, meest fluweelachtig behaard met niet-ingesneden bladerenJacquemontia.6b.Bloemen òf alleenstaand òf slechts weinige bijeen in de bladoksels of indien meerdere bloemen in een schermvormige bloeiwijze zitten, dan zijn er geen duidelijke bracteeën aanwezig. Stempel gaaf of 2-lobbig77a.Vrucht met een deksel openspringend. Bloemen zeer groot, één of zeer weinige in de bladoksels; kelkbladeren groot, eirond, min of meer papierachtig; na de bloei vergroot; bloemkroon wijd-klokvormig, wit of geelachtig; stempel 2-lobbig. Stengels, blad- en bloemsteelen meest gevleugeld. Bladeren hartvormig, niet ingesnedenOperculina.7b.Vrucht met kleppen openspringend. Bladeren vaak (niet altijd) gelobd, gedeeld of samengesteld. Stengels niet gevleugeld88a.Stuifmeelkorrels glad. Bloemkroon met 5 donkere aderen, die met de kelkbladeren afwisselen, zelden zonder aderen, (maar dan zijn de bladeren niet gelobd of gedeeld of samengesteld). Bloemen okselstandig, met een lange steel, alleenstaand of in weinig- of veelbloemige bijschermen. Bloemen wit of geel. Meest windende plantenMerremia.(Ipomoea,Pharbitis).8b.Stuifmeelkorrels met stekels bezet. Bloemkroon zonder donkere aderen. Bloemen zelden wit, meest paars of rose of rood. Overigens als de vorigeIpomoea.(Calonyction,Quamoclit,Pharbitis).251.Hydrophyllaceae.Bloemen meest 5-tallig tweeslachtig regelmatig, sympetaal, slippen in de knop meest met de randen tegen elkaar liggend, zelden gedraaid; meeldraden 5, zelden 4 of meer dan 5; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot talrijke zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren.Kelk diep ingesneden met 5 spitse slippen. Bloemkroon met korte buis, blauw. Meeldraden onder in de buis ingehecht. Helmknoppen pijlvormig. Vruchtbeginsel met 2, zelden met 3 stijlen. Doosvrucht dunwandig. Bloeiwijze een losse pluim. Bladeren verspreid; plant klierachtig behaard, meestal met dorensHydrolea.Swietie-watra-kraroen.252.Borraginaceae.Bloemen 5-, zelden 6-veeltallig, meest 2-slachtig, regelmatig, soms zygomorf, sympetaal, slippen in de knop met de randen over elkaar liggend, al of nietgedraaid; vaak met schubben van binnen; vruchtbeginsel 2-hokkig, met 2 zaadknoppen in ieder hokje, soms 4-hokkig, ongedeeld of 4-deelig; stijl 1, enkelvoudig of 2-deelig, of elke tak nog eens gedeeld; vrucht een steenvrucht of in 4 nootjes uiteenvallend; kruiden of houtige planten, vaak ruwhaarig of borstelig, zelden met tegenoverstaande, meest met verspreide, enkelvoudige bladeren, bloeiwijzen sikkelvormig.1a.Stijl van boven gespleten, elke tak nog eenmaal gespleten, zoodat er in het geheel 4 stempels zijn, kelk buis- of klokvormig, 3–5-tandig. Bloemkroon trechter-, klok- of schotelvormig, meest 5-tallig. Meeldraden 5, in de buis ingehecht. Vrucht een steenvrucht, die door de kelk ten deel wordt omhuld, en 1 pit heeft, die 4–1 zaden bevat. Boomen of heestersCordia.1b.Stijl van boven niet gedeeld, doch een tweelobbige stempel met een behaarde verdikte ring eronder22a.Vrucht een steenvrucht, besachtig of tamelijk droog met 2 of 4 pitten. Kelk 5-deelig met smalle slippen. Bloemkroonslippen aan den top niet naar binnen gebogen. Meeldraden niet uit de buis uitstekend. Heesters, zelden boomenTournefortia.2b.Vrucht in 4 nootjes uiteenvallend of eerst in tweeën gedeeld, en daarna ieder stuk in twee nootjes uiteenvallend. Kelk en bloemen als de vorige, doch bloemkroonslippen meest met naar binnen gebogen top. Meest kruiden, zelden een weinig heesterachtigHeliotropium.253.Verbenaceae.Bloemen 5–4-, zelden 6–8-tallig, meest tweeslachtig, zelden regelmatig, bijna steeds zygomorf; kelkbladeren vergroeid; kroon vergroeidbladig met vaak lange soms gekromde buis en vaak 2-lippige zoom; meeldraden meest 4, tweemachtig, of 2 en 2–3 staminodiën, vruchtbeginsel 2-, zelden 4–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje, meest door vorming van een valsch tusschenschot 4-hokkig; 1 stijl; vrucht meest een 2–4-hokkige steenvrucht, soms een splitvrucht; kruiden of houtige planten met meest tegenoverstaande of kransstandige, zelden verspreide bladeren, die enkelvoudig of samengesteld zijn.1a.Heesters of boomen met handvormig samengestelde tegenoverstaande bladeren. Kelk 5-tandig tot 5-spletig. Bloemkroon vrij klein met rechte of gekromde buis en uitgebreide scheeve, 5-lobbige zoom. Meeldraden 2-machtig. Stijl met 2-spletige stempelVitex.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen in bijschermen, d. w. z. de hoofdas van de bloeiwijze vertakt zich herhaaldelijk en ten slotte eindigt elk takje in een bloem; soms ook is het bijscherm tot een enkele okselstandige bloem verkort32b.Bloemen in aren of trossen, dus de hoofdas van de bloeiwijze is onvertakt43a.Boomen, die in de mangrove voorkomen. Bloemkroon bijna regelmatig 4-spletig met ronde slippen. Eindtakken der bloeiwijze in hoofdjes van zittende bloemen eindigendAvicennia.Parwa.3b.Bloemkroon met een vaak zeer lange buis en 5-lobbige zoom; lobben bijna gelijk of ongelijk. Meeldraden meest buiten de buis uitstekend. Bloemen soms alleenstaand in de bladoksels. Heesters of boomen, met of zonder dorensClerodendron.3c.Bloemen in eindelingsche of okselstandige veelbloemige pluimen, meest4-talligmet regelmatige en korte bloemkroon. Meeldradenboven in de bloemkroonbuis ingehecht. Vrucht een bes, in de vergroote kelk zittend. Heesters of boomenAegiphila.4a.Rechtopstaande, onvertakte kleine (± ½ meter) heesters met een eindelingsche bloemtros; bloemen geel in den oksel staande van groote roode schutbladeren. Kelk breed klokvormig; bloemkroon met een lange buis, onduidelijk 2-lippig. Vrucht een bes. Bladeren lang en smalAmasonia.4b.Geen opvallend gekleurde schutbladeren aanwezig55a.Bloemen dichtgedrongen in okselstandige bolvormige of een weinig verlengde hoofdjes65b.Bloemen in losse of lange aren of trossen76a.Kelk ongetand of met zeer kleine tanden. Zoom van de bloemkroon onduidelijk 2-lippig, 4–5-spletig. Heesters of kruiden. Bladeren tegenoverstaand of in 3-tallige kransen, meest ruw, doch niet viltigLantana.Koorsoe-wiwirie.6b.Kelk met een 2-ribbige of 2-vleugelige buis, 2–4-spletig of 4-tandig. Bloemkroon 4-lobbig met kleine zoom. Bladeren viltig behaard, meest ook ruwLippia.7a.Bloemen zittend in eindelingsche dunne en lange aren in de oksel van kleine schubvormige schutbladeren; as van de aar vaak met holten, waarin de vrucht ten deele opgesloten is, en welke holte van buiten door het schutblad is afgesloten. Kelkbuis lang en dun, 5-tandig. Bloemkroon met lange dunne buis, met 2 meeldraden en 2 kleine staminodiën. Planten niet klimmend. Bladeren grof getandStachytarpheta.7b.Bloemen in ijle trossen88a.Lianen met zeer ruwe bladeren. Bloemen blauw of paars in okselstandige trossen; kelk opvallend groot met korte buis en 5 breede slippen, die meest langer zijn dan de bloemkroon en evenzoo gekleurd; kelk na het bloeien vergroot, vliezig wordend en netvormig geaderdPetraea.8b.Kelkslippen niet opvallend groot en gekleurd99a.Boomen; kelk buis-klokvormig met korte tanden; bloemkroon met uitgebreide 5-spletige zoom. Bloemen in eindelingsche trossen, wit. Vrucht een bes, van onderen door de kelk omslotenCitharexylum.9b.Heesters of kruiden1010a.Kelk klokvormig met 5 ribben, die ieder in een tand eindigen. Bloemkroon met cylindervormige, naar boven verwijde buis en scheeve 5-lobbige zoom. Meeldraden ter halver hoogte in de buis ingehecht. Vertakte heesters met okselstandige weinig-bloemige trossen. Bladeren kleinTamonea.10b.Kelk buisvormig, na de bloei verwijd, de vrucht geheel insluitend en aan den mond vernauwd. Zoom van de bloemkroon scheef, 5-lobbig. Vrucht uiteenvallend in 2 borstelige steenen. Bloemen in losse eind- of okselstandige aren. Bladeren vrij groot, gezaagdPriva.254.Labiatae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, sympetaal, zygomorf; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buisvormig met een 2-lippige zoom; meeldraden 4, tweemachtig of 2 en 2 staminodiën, zelden nog een vijfde staminodiale meeldraad aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht in 41-zadige deelvruchten gedeeld en als zoodanig uiteenvallend; stijl 1; kruiden of heesters met tegenoverstaande of kransstandige bladeren; bloemen meest in korte bloeiwijzen in de bladoksels, schijnkransen vormend.1a.Bladeren sterk handvormig gespleten tot gedeeld; de slippen ook wat ingesneden. Bloemen rose tot purper in schijnkransen in de bladokselsLeonurus.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen dicht met oranje-roode haren bezet, in groot bolvormige schijnkransen rondom den stengel, bladeren onder de bloeiwijzen klein, stengelbladeren groot en breed, gekarteldLeonotis.2b.Bloemenen bloeiwijzen anders gevormd33a.Bloemen in gesteelde hoofdjes, die aan de basis eenige kleine blaadjes dragen43b.Bloemen in schijnkransen van 6–10 bloemen rondom den stengel; schijnkransen dicht bij elkaar zittend, zoodat de geheele bloeiwijze den indruk maakt van een eindelingsche tros. Kelk 2-lippig, de bovenlip groot en eirond. Bloemen roseOcimum.Smerie-wiwirie.4a.Kelk, vooral nà den bloei, klokvormig met 3-kantige slippen. Nootjes aan de rugzijde kielvormig, op de buikzijde voorzien van vliezige getande, naar binnen gebogen randen. Hoofdjes gesteeld in de bladoksels. Planten behaardMarsypianthes.4b.Kelk buisvormig met draadvormige slippen. Nootjes bolrond of eirond. Bloemen in gesteelde hoofdjes in de bladoksels, soms ook zijn de bladeren, die de hoofdjes in de oksels hebben, zeer klein, en dan zijn de hoofdjes tot een groote pluim- of aarvormige bloeiwijze samengesteldHyptis.256.Solanaceae.Bloemen meest 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zelden zygomorf; sympetaal; kroon in de knop meest geplooid; meeldraden 5, in de zygomorfe bloemen meest 4, soms met 1 staminodium; vruchtbeginsel 2-hokkig, bovenstandig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje, zelden 3–5-hokkig; stijl 1 met een 2-lobbige of 2-deelige stempel; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of heesters met verspreide bladeren.1a.Bloemen regelmatig, met goed ontwikkelde meeldraden, evenveel als bloemkroonslippen21b.Bloemen met slechts 4 meeldraden, waarvan er soms 2 niet geheel ontwikkeld zijn72a.Bloemkroon niet buisvormig, uitgespreid, of indien er een duidelijke buis is, dan is de zoom breed en zijn de vruchten bessen32b.Bloemkroon met een lange buis en een in verhouding korte zoom53a.Helmknoppen tot een buis samenkomend of vrij, in het laatste geval steeds met poriën aan den top openspringend. Helmdraden zeer kort, aan de basis van de zeer korte bloemkroonbuis verbonden. Kelk 5–10-tandig of -deelig, bij het rijp worden der vruchten niet of weinig vergroot. Vrucht een besSolanum.3b.Helmknoppen altijd vrij van elkaar en met overlangsche spleten openspringend44a.Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelk klokvormig, 5-lobbig, bij het rijpworden der bes zeer sterk vergroot, opgeblazen en de bolvormige bes omhullendPhysalis.4b.Kelk wijd-klokvormig, ongetand of met 5 kleine tanden, bij het rijpworden van de vrucht weinig vergroot. Helmdraden langer dan de helmknoppen. Bes rood, meest verlengdCapsicum.5a.Boomen of heesters, soms klimmend. Vrucht een bes65b.Kruidachtige planten. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht. Kelk buis-klokvormig 5-lobbig. Bloemkroon met een lange buis en een iets scheeve zoom. Bloemen in trossen of pluimenNicotiana.6a.Kelk buisvormig met lange spitse slippen; bloemkroon vuurrood, trechtervormig met vrij breede zoom. Bes droog.Klimmende heesters, bloemen in trossen of pluimenMarkea.6b.Kelk klok- of buisvormig, 5-tandig of 5-spletig. Bloemkroon buisvormig met smalle zoom, die meest teruggeslagen is. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht, aan de basis verdikt of behaard. Bessen groot, met 1 of weinig zaden. Bloemen wit, geel of groenachtig, in schermenCestrum.7a.Kruidachtige planten; bloemkroon met een lange en dunne buis en 5 korte slippen, waartusschen meest nog 5 andere slippen zijn ingevoegd. Meeldraden 4, 2 lange en 2 korte. DoosvruchtSchwenkia.7b.Heesters of boomen; bloemkroon met een breede, 5-lobbige zoom. Meeldraden tweemachtig. Helmdraden van boven verdikt en gekromdBrunfelsia.257.Scrophulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, min of meer zygomorf; meeldraden zelden 5; meest 4 of 2; vruchtbeginsel bovenstandig 2-hokkig met weinige tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande of verspreide of kransstandige bladeren.1a.Bloemen met slechts 2 meeldraden. Zeer kleine kruiden, meest kruipend met ronde of eironde tegenoverstaande blaadjes en okselstandige bloemen. Kelk klokvormig,4-deelig; bloemkroon ± bolvormig met korte bovenlip en 3-lobbige onderlipMicranthemum.1b.Bloemen met 4 vruchtbare meeldraden of met 2 vruchtbare meeldraden en 2 staminodiën22a.Kelk en bloemkroon 4-deelig, vrijwel regelmatig; bloemkroon wit, met korte buis, stervormig. Meeldraden buiten de buis uitstekend. Helmknoppen aan de basis een weinig pijlvormig. Sterk vertakte kruiden met smalle bladeren en gesteelde bloemen, alleen of eenige bijeen in de bladokselsScoparia.Sisibi-wiwirie.2b.Kelk en kroon, of tenminste steeds de kelk 5-tandig tot5-deelig, of 5-bladig33a.Kelk en bloemkroon beide zeer lang en buisvormig; kelk 5- (zelden 4-)tandig. Bloemen aan het eind van den stengel staande en daar een zeer ijle, ± 5-bloemige, aar vormend. Bladeren zeer smal, bijna lijnvormig. Bloemen paarsBüchnera.3b.Bloemen okselstandig of indien ze een eindstandige aar vormen, dan zijn de schutbladeren groot, en de bloemen talrijk44a.Bloemen in eindstandige trossen of aren, in de oksel van schutbladeren alleenstaand54b.Bloemen in de bladoksels, alléén of 2 of meer bij elkaar in iedere bladoksel65a.Bloemen geel of wit, in aren; kelk klokvormig, kantig, na de bloeiopgeblazen, 5-tandig. Bloemkroon met wijde buis en vlakke, 5-lobbige zoom. Ruwharige kruidenMelasma.(Alectra).5b.Bloemen violet of rood, langgesteeld in eindstandige trossen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden. Bloemkroon met nauwe mond, buis-trechtervormig. Kruidachtige plantenGerardia.6a.Kelk 5-tandig of 5-deelig met gelijke of bijna gelijke slippen of tanden76b.Kelkslippen zeer ongelijk van vorm en grootte107a.Bloemkroon met zeer korte buis, klokvormig, 5-lobbig, bijna regelmatig. Meeldraden 4–5. Bloemen wit, gesteeld, meestal in paren in de bladoksels. Rechtopstaande kruidenCapraria.7b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig88a.Helmhokjes door het breede helmbindsel van elkaar gescheiden. Behaarde landplanten met okselstandige blauwe bloemen; bloemkroon gapendStemodia.8b.Helmhokjes niet door een breed helmbindsel gescheiden99a.De helmdraden van alle 4 de meeldraden zijn in de bloemkroonbuis ingehecht. Waterplanten met okselstandige bloemen; bladeren klein, met breede voet zittendConobea.9b.Twee van de 4 helmdraden in den mond van de bloemkroon ingehecht, de beide andere in de buis. Meeldraden vaak met aanhangselen aan de basis. Helmknoppen van elk paar meeldraden wat samenhangend. Kleine kruidachtige plantenLindernia.10a.Kelk buisvormig, min of meer gevleugeld; bloemkroon naar boven geleidelijk wijder wordend. Helmknoppen van elk paar meeldraden samenhangend; een paar van de helmdraden in de mond van de bloemkroon ingehecht; de 2 lange helmdraden aan de inhechtingsplaats met een aanhangsel. Kruiden met langgesteelde okselstandige bloemenTorenia.10b.Kelk niet gevleugeld en niet buisvormig. Helmdraden zonder aanhangselen aan den voet1111a.Kelk 5-deelig, de achterste slip grooter. Twee meeldraden met stuifmeel; de beide andere tot staminodiën vervormd. Rechtopstaande soms een weinig heesterachtige planten met behaarde kleine bladeren en bloemen in de bladokselsBeyrichia.(Achetaria).11b.Kelk bijna 5-bladig; de achterste slip veel grooter dan de andere, de 2 zijdelingsche meest veel smaller dan de rest. Bloemkroon met vlakke 2-lippige zoom. Bovenlip ingesneden of 2-lobbig; onderlip 3-lobbig. Meeldraden 4 of 5. Land- of waterplanten, in het laatste geval met lange smalle bladerenBacopa.258.Bignoniaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; meeldraden 4 of 2, soms bovendien 1 of 3 staminodiën aanwezig; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buis-, trechter- of trompetvormig; vruchtbeginsel bovenstandig meest 2-, zelden 1-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1 met een 2-lobbige stempel; vrucht een 2-kleppige doosvrucht, soms vleezig en niet openspringend; zaden meest min of meer gevleugeld en plat; meest houtige planten met tegenoverstaande of soms verspreide, vaak samengestelde bladeren met of zonder ranken; bloemen groot.1a.Boomen of heesters, niet klimmend of indien ze klimmen, dan zijn het wortelklimmers met enkelvoudige bladeren zonder ranken21b.Lianen, met of (zelden) zonder ranken klimmend72a.Bladeren enkelvoudig32b.Bladeren samengesteld43a.Bladeren tegenoverstaand; wortelklimmers met leerachtige eironde bladeren; kelk voor de bloei gesloten, later onregelmatig openspringend of onduidelijk 5-tandig. Vruchten kort eirond. Bloemen in eindelingsche pluimen of trossenSchlegelia.3b.Kleine boomen of heesters met smalle groepsgewijs staande bladeren en zijdelings-symmetrische bloemen die uit de takken te voorschijn komen. Bloemkroon van voren met een plooi. Vrucht groot, met harde wandCrescentia.Kalebas.4a.Bladeren enkel-gevind, of dubbel-gevind54b.Bladeren handvormig samengesteld65a.Boomen of heesters met enkelgevinde bladeren; blaadjes grof gezaagd. Bloemen geel met een klein, draadvormig staminodium aan de achterzijdeStenolobium.5b.Boomen met enkel- of dubbelgevinde bladeren; in het laatste geval blaadjes meest klein. Bloemen blauw, met een zeer groot staminodium; van de 4 meeldraden zijn er slechts 2 goed ontwikkeldJacaranda.6a.Bladeren 5-tallig, langgesteeld; blaadjes vrij lang gesteeld. Bloeiwijze eindelingsch; tegelijk met de bladeren aanwezig, kort, trosvormig, de witte bloemen kruiswijs tegenoverstaand; kelk scheef klokvormig, meest kort-3-lobbig, de lobben met een puntje aan den top, van buiten schubvormig behaard. Zaden met een dikke vleugelCouralia.Courali.6b.Bladeren 3- of 5-tallig. Bloeiwijze pluim- of schermvormig, meest nièt tegelijk met de bladeren aan den boom zittend. Bloemen meest geel; kelk van binnen meest zonder klieren. Zaden met een vliezige vleugelTecoma.Groenhart.7a.Ranken kort, aan den top gespleten in 3 korte eenigszins verdikte en haakvormig omgebogen takken. Bloemen geel. Bladeren steeds2-tallig87b.Ranken draadvormig of ontbrekend, nooit in 3 haakvormige takken eindigend98a.Kelk vliezig, tijdens den bloei aan één zijde opengescheurd. Kroon groot, van onderen dun, buisvormig, naar boven verwijd; van binnen bij de inhechtingsplaats van de meeldraden behaard. Vrucht lang en smalMacfadyena.8b.Kelk onregelmatig 5-lobbig, meest met min of meer gegolfde rand. Overigensvrijwelgelijk aan de vorigeBignonia.9a.Bladeren 1-jukkig gevind, dus 2 blaadjes met eindblaadje (dus 3-tallige bladeren) of in plaats van het eindblaadje een rank129b.Bladeren meerjukkig gevind of dubbel-3-tallig of op andere wijze samengesteld1010a.De bladeren zelf of de jukken der bladeren gevind, in het laatste geval dus dubbelgevinde bladeren.Ranken ontbrekend; stengel rond. Kelk leerachtig met 5 kleine tanden of éénzijdig gespleten, meest met vele klieren. Bloemkroon wit of geel met zeer ongelijke lobbenMemora.10b.Bladeren dubbel 3-tallig (een enkele maal is er nog een paarblaadjes meer, zoodat een deel van het blad dan gevind is). Bladeren met ranken1111a.Bloemen rose tot violet in een eindelingsche pluim. Takken niet scherp vierkant. Kelk met 5 kleine tandjes en zeer weinig klierenArrabidaea(inaequalis).11b.Bloemen wit of geel, in okselstandige bloeiwijzen. Takken scherp-vierkant, de hoeken bij de oudere takken meest als lange draden loslatend. Kelk meest met vele klierenPleonotoma.12a.Schijf onder het vruchtbeginsel ontbrekend1312b.Schijf onder het vruchtbeginsel aanwezig, meest de basis van het vruchtbeginsel als een ring of een beker omgevend1413a.Helmknoppen en meest ook de bladeren geheel kaal. Kelk klokvormig met 5 zeer kleine tanden. Bloemkroon wit met rose of paars, met breede slippenCydista.13b.Helmknoppen, en meest ook de helmdraden en de bladeren behaard. Kelk als de vorige. Bloemkroon wit met geelLundia.14a.Bloemen met een zeer wijde en groote (tot 4 c.M. lange) kelk met een ongelijkeeenigszinstweelobbige zoom. Bloemkroon zeer groot, geel met roode streepen. Blaadjes groot en breedCallichlamys.14b.Kelk niet opvallend groot en wijd1515a.Bloemkroon gekromd1615b.Bloemkroon recht1716a.Kelk klokvormig, leerachtig, bijna ongetand, van buiten kort behaard. Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd. Vruchtbeginsel knobbelig. Takken kantig met lichtere verdikte overlangsche streepen. Vrucht breed, met stekels op de gewelfde kleppen. Bladeren dun, met eenigszins hartvormige voet. Bloemen wit of geelPithecoctenium.Keesi-keesi-kam.16b.Kelk klokvormig, met rechte rand, later een weinig ingescheurd, leerachtig. Bloemkroon leerachtig. Takken niet kantig en niet gestreept. Doosvrucht gladDistictis.17a.Het onderste deel van de bloemkroonbuis is eenigszins zakvormig verwijd met een stompe knobbel aan de voorkant. Kelk leerachtig, scheef, onregelmatig ingesneden. Bloemen in eindelingsche pluimen, rose tot paars, van buiten behaard. Vrucht zeer langParagonia.17b.Bloemkroon van onderen niet zakvormig verwijd, zonder knobbel aan één kant1818a.Ranken aan den top met 3 takken. Bloemen in zeer wijde en ijle bloeiwijzen. Kelk 2-lippig en onregelmatig4–5-spletig. Benedendeel van de bloemkroonbuis lang en dun; bloemen wit met lila. Vrucht zeer lang en smalMartinella.18b.Ranken niet vertakt; bloeiwijze niet zeer ijl1919a.Kelk leerachtig, meest met klieren, in den knop gesloten, later tweelippig zich openend. Lobben der kroon ongelijk; bloemen geel of wit, trechtervormig met lange buis. Blaadjes smalMemora.19b.Kelk regelmatig, of indien de kelk tweelippig is, dan is hij niet leerachtig2020a.Kelk met groote schotelvormige klieren aan de buitenkant. Zaadknoppen in elk hokje 2-rijig. Vrucht breed met gladde kleppenAdenocalymma.20b.Kelk zonder groote schotelvormige klieren2121a.Bloemkroon in den knop alleen aan den top met een behaarde plek, verder kaal. Kelk dun, wijd schotelvormig. Bloeiwijzen veelbloemig. Bladeren zeer dun-vliezig met krachtige nerven. Vrucht smal met platte kleppenPetastoma.21b.Bloemkroon niet met een behaarde plek aan den top. Bladeren niet vliezig2222a.Bloemen in een armbloemig, okselstandig bijscherm; schijf duidelijk gelobd, de onderste stengelbladeren soms enkelvoudig. Doosvrucht breed, met gestekelde kleppenClytostoma.22b.Schijf niet of onduidelijk gelobd; bloeiwijzen meest meerbloemig; doosvrucht glad2323a.Vrucht smal en lang. Zaadknoppen in elk hokje in 2 rijen. Kelk meest dunArrabidaea.23b.Vrucht breed, elliptisch. Zaadknoppen in elk hokje in 4 rijen. Kelk leerachtig. Bladeren met groote steunbladerenAnemopaegma.259.Pedaliaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf, sympetaal; meeldraden 4 of 2 met paarsgewijs samenhangende helmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–4-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen; hokjes van het vruchtbeginsel vaak met dwarstusschenschotten; vrucht een doosvrucht of een noot; kruiden met tegenoverstaande of naar boven verspreide bladeren; bloemen okselstandig of in trossen.Kruiden met afwisselende, smalle bladeren en okselstandige bloemen. Bloemkroon klokvormig met 5-lobbige zoom, waarvan de onderste lob het grootst is. Meeldraden 4, de 5demeeldraad is tot een klein staminodium gereduceerd. Vruchtbeginsel met één stijl met twee bladachtige stempels. Vrucht een doosvruchtSesamum.262.Gesneriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; bloemkroon sympetaal, min of meer 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms met 1 of 3 staminodiën, de helmknoppen paarsgewijs verbonden of alle samenhangend; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met twee wandstandige zaadlijsten met talrijke zaadknoppen; één stijl met een breede of 2-lobbige stempel; vrucht een doosvrucht of een bes met talrijke kleine zaden; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande, gaafrandige of getande bladeren en meest groote bloemen.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, kelk met 5, min of meer bladachtige slippen. Bloemkroon klokvormig en 5 breede slippen. Meeldraden 4 onder in de bloemkroon ingehecht met kruisgewijs verbonden helmknoppen. Schijf ringvormig. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Kruiden met tegenoverstaande bladeren; bloemen in de oksels van schutbladerenGloxinia.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig22a.Schijf bestaande uit een dikke soms wat scheeve ring. Meeldraden 4, de helmdraden aan de basis wat verbreed. Stempel 2-lobbig. Vrucht een bes, door de kelk omslotenBesleria.2b.Schijf niet ringvormig doch bestaande uit 1 of 2 schubben aan één zijde van het vruchtbeginsel gezeten33a.Helmhokjes door een breed en dik helmbindsel van elkaar gescheiden, niet evenwijdig loopend, kelkslippen 5, smal; bloemkroon min of meer klokvormig met wijde mond. Planten met dikke ± vleezige bladeren en kleine bloemen in de bladokselsCodonanthe.3b.Helmhokjes niet door een dik en breed helmbindsel van elkaar verwijderd; helmhokjes evenwijdig loopend44a.Helmdraden aan de basis tot een van achteren gespleten buis vergroeid. Kelkslippen meest niet groen gekleurd, ongelijk, breed, vaak getand. Bloemkroonbuis wijd met 5 afgeronde slippen. Helmknoppen vrij van elkaar. Schijf uit één groote schub bestaand. Heesterachtige plantenCrantzia.4b.Helmdraden van onderen niet of nauwelijks met elkaar vergroeid55a.Kelk klokvormig, 5-kantig of 5-vleugelig, met korte tanden; niet groen gekleurd. Bloemkroon wijd, cylindervormig. Helmdraden aan de basis verbreed, helmknoppen niet samenhangend. Schijf uit een schub bestaande. Kruiden, met meerdere bloemen in een bloeiwijze vereenigdTussacia.5b.Kelk diep 5-deelig66a.Kelkslippen smal. Bloemkroon met een lange buis, die meest wat gebogen is. Helmdraden van onderen een weinig vergroeid, de 5demeeldraad als klein staminodium zichtbaar. Schijf uit één groote schub bestaande. Stijl van boven verdikt. Kruiden, meest met tweekleurige bloemenEpiscia.6b.Kelkslippen groot en breed, bladachtig, ongelijk. Bloemkroonbuis van onderen opgeblazen en verwijd. Helmknoppen van onderen verbreed. Schijf uit een groote schub bestaande. Heesterachtige planten met dikke bladerenDrymonia.264.Lentibulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig zelden regelmatig, meest zygomorf, bloemkroon meest duidelijk 2-lippig; meeldraden zelden 5, meest 2, onder in de bloemkroon ingehecht;vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met een meest grondstandige zaadlijst; vrucht een 2–4-kleppige doosvrucht en dan veelzadig of een gesloten vrucht en dan 1-zadig; meest kruiden op vochtige plaatsen of in het water groeiend.1a.Kelk 4-deelig met ronde slippen aan den rand met lange tanden bezet. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd, met een spoor. Bovenlip 2-spletig; onderlip groot, 3-lobbig. Meeldraden 2, sterk gebogen. Doosvrucht meerzadig met 2 kleppen openspringend. Kleine kruiden met langwerpige, gaafrandige wortelstandige bladerenPolypompholyx.1b.Kelk 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd; bovenlip rechtopstaand, ingesneden of gaafrandig, onderlip groot, 3-deelig of gaafrandig. Meeldraden 2, dik en kort, sterk gebogen. Doosvrucht met 2 kleppen of onregelmatig of met een deksel openspringend. Land-, moeras-, of waterplantenUtricularia.266.Acanthaceae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms nog 1 of 3 staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht, 2-kleppig hokverbrekend openspringend, zelden een steenvrucht; zaden meest zittend op haakvormige uitgroeiïngen van de zaadsteel; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren; bloemen meest in aren of samengestelde aren.1a.Kelk aan den voet met 2 groote bladeren die aan de randen min of meer vergroeid zijn en den kelk inhullen. Meest klimplanten; bloemen in de bladoksels21b.Geen 2 groote bladeren onder de kelk; indien de kelk door bladeren omhuld wordt dan staan de bloemen in aren32a.Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven geleidelijk verwijd; zoom van de bloemkroon niet zeer breed. Planten meestal langharig. Vrucht min of meer besachtig, niet openspringend, rondMendoncia.2b.Bloemkroonbuis tamelijk wijd met een groote en breede, wijduitstaande zoom met bijna gelijke slippen. Bladeren meest wat pijlvormig. Vrucht een toegespitste doosvruchtThunbergia.3a.Bloemen met 4 meeldraden of met 2 meeldraden en 2 groote staminodiën43b.Bloemen met slechts 2 meeldraden104a.Bloemen in dichte zittende groepen in de bladoksels, schijnbaar in kransen rondom den stengel staand. Bloemkroon 2-lippig met een dunne naar boven geleidelijk wijder wordende buis. Stempel haakvormig. Bladeren smal en langHygrophila.4b.Bloemen in pluimen of aren of gesteeld en okselstandig55a.Bloemen zoo dicht op elkaar zittend dat ze aan het eind van den stengel een duidelijke aar vormen met of zonder dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren65b.Bloeiwijze los, niet dicht-aarvormig. Kelk gelijkmatig 5-spletig of de achterste kelkslip grooter of soms kelk 2-lippig. Bloemkroon verschillend van vorm, doch steeds met 5 ongeveer gelijke lobben, dus niet duidelijk 2-lippigRuellia.6a.Twee vruchtbare meeldraden en twee staminodiën aanwezig. Plant naar boven vertakt; elke tak in een aar eindigend met dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren, die min of meer droogvliezig, sterk geaderd en toegespitst zijn. Schutbladeren veel grooter dan de kelk. Bloemen met lange dunne buis, ver buiten de aar uitstekendEranthemum.6b.Alle meeldraden met stuifmeel77a.Bloemkroon onduidelijk 2-lippig of bijna regelmatig. Bloemen wit87b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig. Bloemkroon wit en lila en dan klein, of rood en dan groot98a.Aar tamelijk los met bladachtige breede schutbladeren, die veel grooter zijn dan de kelk. Bloemen 2 of 3 in de oksels der schutbladeren. Kelk 5-deelig, regelmatig, vrucht van binnen met duidelijke haken, met 6 of meer zaden in elke afdeelingBlechum.8b.Aar dicht, soms zeer klein; kelk 5-deelig, de bovenste slip breeder dan de andere. Schutbladeren niet opvallend breed en bladachtig; bloemen meest alleenstaand in de oksels der schutbladeren. Doosvrucht met vele zaden, van binnen zonder haken. Planten meest zeer kleinStaurogyne.9a.Bloemen vuurrood, meeste meerdere centimeters lang, duidelijk 2-lippig, in een smalle, eindstandige aar, waarvan de schutbladeren dicht over elkaar liggen. Schutbladeren vaak met tanden aan den top of aan den rand. Meeldraden buiten de bloemkroon uitstekend; planten rechtopstaand, onvertaktAphelandra.9b.Schutbladeren weinig grooter dan de kelk, droogvliezig, evenals de kelkslippen met een spitse punt. Bloemkroon wit, meest met lila teekening, nog niet 1 c.M. lang of meest nog kleiner. Meeldraden boven in de bloemkroonbuis ingehechtLepidagathis.10a.Bloemen in aren in den oksel van groote schutbladeren1110b.Bloemen niet in aren of als ze in aren staan, dan zijn er geen groote schutbladeren1211a.Meeldraden meest aan de basis met een kleine tand. Kelk kort. Bloemkroonbuis smal, naar boven weinig verwijd. Bovenlip lang en smal; onderlip breeder. Meeldraden buiten de buis uitstekendPachystachys.11b.Helmdraden zonder tand aan de basis. Kelk 4–5-deelig met gelijke smalle en spitse slippen. Bloemkroonbuis kort; bovenlip hol, onderlip meest breeder, vlak en 3-deelig. Helmbindsel min of meer verbreed; helmhokjes niet op gelijke hoogte ingehechtJusticia.12a.Kelk 5-tandig, klein, met gelijke tanden. Bloemkroonbuis boven de basis wat vernauwd, dan scheef in een buisvormige lange keel verwijd. Helmhokjes bijna op gelijke hoogte ingehecht; helmbindsel niet verbreed. Bloemen in éénzijdige arenDrejera.12b.Kelk 4–5-deelig1313a.Bloemkroonbuis kort, weinig verwijd. Bovenlip hol; onderlip breeder, vlak, 3-deelig. Meeldraden boven in de bloemkroon bevestigd. Helmhokjes aan het min of meer verbreede helmbindsel op verschillende hoogte ingehecht, doch meest evenwijdig aan elkaarJusticia.13b.Bloemkroonbuis lang, dun, meest recht. Bovenlip vaak gebogen, 2-tandig. Onderlip diep 3-deelig, de middenlob het grootst. Helmbindsel breed, de helmhokjes niet evenwijdig met elkaar loopendBeloperone.13c.Planten van het uiterlijk van de beide vorige, maar ervan verschillend alleen door den vorm van het stuifmeel, dat bij Justicia en Beloperone met rijen van kleine knobbeltjes bezet is, terwijl bij Rhacodiscus het stuifmeel geheel gestekeld isRhacodiscus.

Orde:Tubiflorae.249.Convolvulaceae.Bloemen 5–4-tallig, meest regelmatig en tweeslachtig; bloemkroon vergroeidbladig, meest in de knop geplooid; meeldraden aan de basis van de kroon ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 2-, zelden 3–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht een doosvrucht, zelden 4 deelvruchten; meest kruiden, vaak links windend, zelden houtige planten, meest met groote bloemen; melksap vaak aanwezig.1a.Parasieten zonder groene bladeren, met zeer dunne windende stengels. Bloemen klein, meest 5-tallig in dichte groepen aan den stengel gezeten, met een bekervormige bloemkroonCuscuta.1b.Planten met groene bladeren22a.Kleine, niet windende kruiden met kleine (± 1 c.M. groote of kleinere) eivormige of lancetvormige blaadjes, en zeer kleine (± ½ c.M.) bloemen, die òf alleen staan in de oksel van de bladeren òf in weinigbloemige bijschermen. Stijl met 2 draadvormige stempels; vruchtbeginsel kaal; doosvrucht met 4 kleppen openspringendEvolvulus.2b.Krachtige, meest klimmende kruiden of heesters met groote bladeren en bloemen33a.Lianen of heesters met eironde, leerachtige, kale bladeren en vrij groote of groote bloemen in eindelingsche pluimen. Kroon van buiten behaard, aan den rand weinig ingesneden, rose tot lila; de meeldraden niet buiten de kroon uitstekend. Stijl lang met een bolvormige, onduidelijk 2-lobbige stempel. Vrucht leerachtig of houtig, niet openspringendMaripa.Patawana.3b.Kruiden of kleine heesters, meest windend met kruidachtige meest wat hartvormige of ingesneden of samengestelde bladeren en openspringende dunwandige vruchten44a.Stijlen 2 of een 2-spletige stijl met aan iedere tak een bolvormige stempel. Kelkbladeren vliezig, kaal, de 2 buitenste veel grooter dan de 3 binnenste; bloemkroon van buiten behaard op 5 kale plekken na. Windende heesters met groote elliptische bladeren en okselstandige bloeiwijzenPrevostia.4b.Slechts 1 stijl aanwezig met 2 stempels of met één bolvormige of gelobde stempel55a.De buitenste 3 kelkbladeren veel grooter dan de 2 binnenste, eirond, langs den bloemsteel een weinig afloopend; bloemkroon wijd-buisvormig; meest wit. Windende kruiden met aan den voet versmalde bladeren, aan den bladtop een puntjeAniseia.5b.Alle kelkbladeren ongeveer even groot66a.Bloeiwijzen in de bladoksels op lange steelen staande, aan welks einde de bloemen in dichte hoofdjes zitten, omgeven door talrijke schutbladeren. Bloemen wit, blauw of rose, klein of vrij groot. Stijl aan den top met 2 duidelijk gescheiden eironde of langwerpige stempels. Vrucht met 8 of met 4 kleppen openspringend. Windende kruiden of heesters, meest fluweelachtig behaard met niet-ingesneden bladerenJacquemontia.6b.Bloemen òf alleenstaand òf slechts weinige bijeen in de bladoksels of indien meerdere bloemen in een schermvormige bloeiwijze zitten, dan zijn er geen duidelijke bracteeën aanwezig. Stempel gaaf of 2-lobbig77a.Vrucht met een deksel openspringend. Bloemen zeer groot, één of zeer weinige in de bladoksels; kelkbladeren groot, eirond, min of meer papierachtig; na de bloei vergroot; bloemkroon wijd-klokvormig, wit of geelachtig; stempel 2-lobbig. Stengels, blad- en bloemsteelen meest gevleugeld. Bladeren hartvormig, niet ingesnedenOperculina.7b.Vrucht met kleppen openspringend. Bladeren vaak (niet altijd) gelobd, gedeeld of samengesteld. Stengels niet gevleugeld88a.Stuifmeelkorrels glad. Bloemkroon met 5 donkere aderen, die met de kelkbladeren afwisselen, zelden zonder aderen, (maar dan zijn de bladeren niet gelobd of gedeeld of samengesteld). Bloemen okselstandig, met een lange steel, alleenstaand of in weinig- of veelbloemige bijschermen. Bloemen wit of geel. Meest windende plantenMerremia.(Ipomoea,Pharbitis).8b.Stuifmeelkorrels met stekels bezet. Bloemkroon zonder donkere aderen. Bloemen zelden wit, meest paars of rose of rood. Overigens als de vorigeIpomoea.(Calonyction,Quamoclit,Pharbitis).251.Hydrophyllaceae.Bloemen meest 5-tallig tweeslachtig regelmatig, sympetaal, slippen in de knop meest met de randen tegen elkaar liggend, zelden gedraaid; meeldraden 5, zelden 4 of meer dan 5; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot talrijke zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren.Kelk diep ingesneden met 5 spitse slippen. Bloemkroon met korte buis, blauw. Meeldraden onder in de buis ingehecht. Helmknoppen pijlvormig. Vruchtbeginsel met 2, zelden met 3 stijlen. Doosvrucht dunwandig. Bloeiwijze een losse pluim. Bladeren verspreid; plant klierachtig behaard, meestal met dorensHydrolea.Swietie-watra-kraroen.252.Borraginaceae.Bloemen 5-, zelden 6-veeltallig, meest 2-slachtig, regelmatig, soms zygomorf, sympetaal, slippen in de knop met de randen over elkaar liggend, al of nietgedraaid; vaak met schubben van binnen; vruchtbeginsel 2-hokkig, met 2 zaadknoppen in ieder hokje, soms 4-hokkig, ongedeeld of 4-deelig; stijl 1, enkelvoudig of 2-deelig, of elke tak nog eens gedeeld; vrucht een steenvrucht of in 4 nootjes uiteenvallend; kruiden of houtige planten, vaak ruwhaarig of borstelig, zelden met tegenoverstaande, meest met verspreide, enkelvoudige bladeren, bloeiwijzen sikkelvormig.1a.Stijl van boven gespleten, elke tak nog eenmaal gespleten, zoodat er in het geheel 4 stempels zijn, kelk buis- of klokvormig, 3–5-tandig. Bloemkroon trechter-, klok- of schotelvormig, meest 5-tallig. Meeldraden 5, in de buis ingehecht. Vrucht een steenvrucht, die door de kelk ten deel wordt omhuld, en 1 pit heeft, die 4–1 zaden bevat. Boomen of heestersCordia.1b.Stijl van boven niet gedeeld, doch een tweelobbige stempel met een behaarde verdikte ring eronder22a.Vrucht een steenvrucht, besachtig of tamelijk droog met 2 of 4 pitten. Kelk 5-deelig met smalle slippen. Bloemkroonslippen aan den top niet naar binnen gebogen. Meeldraden niet uit de buis uitstekend. Heesters, zelden boomenTournefortia.2b.Vrucht in 4 nootjes uiteenvallend of eerst in tweeën gedeeld, en daarna ieder stuk in twee nootjes uiteenvallend. Kelk en bloemen als de vorige, doch bloemkroonslippen meest met naar binnen gebogen top. Meest kruiden, zelden een weinig heesterachtigHeliotropium.253.Verbenaceae.Bloemen 5–4-, zelden 6–8-tallig, meest tweeslachtig, zelden regelmatig, bijna steeds zygomorf; kelkbladeren vergroeid; kroon vergroeidbladig met vaak lange soms gekromde buis en vaak 2-lippige zoom; meeldraden meest 4, tweemachtig, of 2 en 2–3 staminodiën, vruchtbeginsel 2-, zelden 4–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje, meest door vorming van een valsch tusschenschot 4-hokkig; 1 stijl; vrucht meest een 2–4-hokkige steenvrucht, soms een splitvrucht; kruiden of houtige planten met meest tegenoverstaande of kransstandige, zelden verspreide bladeren, die enkelvoudig of samengesteld zijn.1a.Heesters of boomen met handvormig samengestelde tegenoverstaande bladeren. Kelk 5-tandig tot 5-spletig. Bloemkroon vrij klein met rechte of gekromde buis en uitgebreide scheeve, 5-lobbige zoom. Meeldraden 2-machtig. Stijl met 2-spletige stempelVitex.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen in bijschermen, d. w. z. de hoofdas van de bloeiwijze vertakt zich herhaaldelijk en ten slotte eindigt elk takje in een bloem; soms ook is het bijscherm tot een enkele okselstandige bloem verkort32b.Bloemen in aren of trossen, dus de hoofdas van de bloeiwijze is onvertakt43a.Boomen, die in de mangrove voorkomen. Bloemkroon bijna regelmatig 4-spletig met ronde slippen. Eindtakken der bloeiwijze in hoofdjes van zittende bloemen eindigendAvicennia.Parwa.3b.Bloemkroon met een vaak zeer lange buis en 5-lobbige zoom; lobben bijna gelijk of ongelijk. Meeldraden meest buiten de buis uitstekend. Bloemen soms alleenstaand in de bladoksels. Heesters of boomen, met of zonder dorensClerodendron.3c.Bloemen in eindelingsche of okselstandige veelbloemige pluimen, meest4-talligmet regelmatige en korte bloemkroon. Meeldradenboven in de bloemkroonbuis ingehecht. Vrucht een bes, in de vergroote kelk zittend. Heesters of boomenAegiphila.4a.Rechtopstaande, onvertakte kleine (± ½ meter) heesters met een eindelingsche bloemtros; bloemen geel in den oksel staande van groote roode schutbladeren. Kelk breed klokvormig; bloemkroon met een lange buis, onduidelijk 2-lippig. Vrucht een bes. Bladeren lang en smalAmasonia.4b.Geen opvallend gekleurde schutbladeren aanwezig55a.Bloemen dichtgedrongen in okselstandige bolvormige of een weinig verlengde hoofdjes65b.Bloemen in losse of lange aren of trossen76a.Kelk ongetand of met zeer kleine tanden. Zoom van de bloemkroon onduidelijk 2-lippig, 4–5-spletig. Heesters of kruiden. Bladeren tegenoverstaand of in 3-tallige kransen, meest ruw, doch niet viltigLantana.Koorsoe-wiwirie.6b.Kelk met een 2-ribbige of 2-vleugelige buis, 2–4-spletig of 4-tandig. Bloemkroon 4-lobbig met kleine zoom. Bladeren viltig behaard, meest ook ruwLippia.7a.Bloemen zittend in eindelingsche dunne en lange aren in de oksel van kleine schubvormige schutbladeren; as van de aar vaak met holten, waarin de vrucht ten deele opgesloten is, en welke holte van buiten door het schutblad is afgesloten. Kelkbuis lang en dun, 5-tandig. Bloemkroon met lange dunne buis, met 2 meeldraden en 2 kleine staminodiën. Planten niet klimmend. Bladeren grof getandStachytarpheta.7b.Bloemen in ijle trossen88a.Lianen met zeer ruwe bladeren. Bloemen blauw of paars in okselstandige trossen; kelk opvallend groot met korte buis en 5 breede slippen, die meest langer zijn dan de bloemkroon en evenzoo gekleurd; kelk na het bloeien vergroot, vliezig wordend en netvormig geaderdPetraea.8b.Kelkslippen niet opvallend groot en gekleurd99a.Boomen; kelk buis-klokvormig met korte tanden; bloemkroon met uitgebreide 5-spletige zoom. Bloemen in eindelingsche trossen, wit. Vrucht een bes, van onderen door de kelk omslotenCitharexylum.9b.Heesters of kruiden1010a.Kelk klokvormig met 5 ribben, die ieder in een tand eindigen. Bloemkroon met cylindervormige, naar boven verwijde buis en scheeve 5-lobbige zoom. Meeldraden ter halver hoogte in de buis ingehecht. Vertakte heesters met okselstandige weinig-bloemige trossen. Bladeren kleinTamonea.10b.Kelk buisvormig, na de bloei verwijd, de vrucht geheel insluitend en aan den mond vernauwd. Zoom van de bloemkroon scheef, 5-lobbig. Vrucht uiteenvallend in 2 borstelige steenen. Bloemen in losse eind- of okselstandige aren. Bladeren vrij groot, gezaagdPriva.254.Labiatae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, sympetaal, zygomorf; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buisvormig met een 2-lippige zoom; meeldraden 4, tweemachtig of 2 en 2 staminodiën, zelden nog een vijfde staminodiale meeldraad aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht in 41-zadige deelvruchten gedeeld en als zoodanig uiteenvallend; stijl 1; kruiden of heesters met tegenoverstaande of kransstandige bladeren; bloemen meest in korte bloeiwijzen in de bladoksels, schijnkransen vormend.1a.Bladeren sterk handvormig gespleten tot gedeeld; de slippen ook wat ingesneden. Bloemen rose tot purper in schijnkransen in de bladokselsLeonurus.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen dicht met oranje-roode haren bezet, in groot bolvormige schijnkransen rondom den stengel, bladeren onder de bloeiwijzen klein, stengelbladeren groot en breed, gekarteldLeonotis.2b.Bloemenen bloeiwijzen anders gevormd33a.Bloemen in gesteelde hoofdjes, die aan de basis eenige kleine blaadjes dragen43b.Bloemen in schijnkransen van 6–10 bloemen rondom den stengel; schijnkransen dicht bij elkaar zittend, zoodat de geheele bloeiwijze den indruk maakt van een eindelingsche tros. Kelk 2-lippig, de bovenlip groot en eirond. Bloemen roseOcimum.Smerie-wiwirie.4a.Kelk, vooral nà den bloei, klokvormig met 3-kantige slippen. Nootjes aan de rugzijde kielvormig, op de buikzijde voorzien van vliezige getande, naar binnen gebogen randen. Hoofdjes gesteeld in de bladoksels. Planten behaardMarsypianthes.4b.Kelk buisvormig met draadvormige slippen. Nootjes bolrond of eirond. Bloemen in gesteelde hoofdjes in de bladoksels, soms ook zijn de bladeren, die de hoofdjes in de oksels hebben, zeer klein, en dan zijn de hoofdjes tot een groote pluim- of aarvormige bloeiwijze samengesteldHyptis.256.Solanaceae.Bloemen meest 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zelden zygomorf; sympetaal; kroon in de knop meest geplooid; meeldraden 5, in de zygomorfe bloemen meest 4, soms met 1 staminodium; vruchtbeginsel 2-hokkig, bovenstandig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje, zelden 3–5-hokkig; stijl 1 met een 2-lobbige of 2-deelige stempel; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of heesters met verspreide bladeren.1a.Bloemen regelmatig, met goed ontwikkelde meeldraden, evenveel als bloemkroonslippen21b.Bloemen met slechts 4 meeldraden, waarvan er soms 2 niet geheel ontwikkeld zijn72a.Bloemkroon niet buisvormig, uitgespreid, of indien er een duidelijke buis is, dan is de zoom breed en zijn de vruchten bessen32b.Bloemkroon met een lange buis en een in verhouding korte zoom53a.Helmknoppen tot een buis samenkomend of vrij, in het laatste geval steeds met poriën aan den top openspringend. Helmdraden zeer kort, aan de basis van de zeer korte bloemkroonbuis verbonden. Kelk 5–10-tandig of -deelig, bij het rijp worden der vruchten niet of weinig vergroot. Vrucht een besSolanum.3b.Helmknoppen altijd vrij van elkaar en met overlangsche spleten openspringend44a.Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelk klokvormig, 5-lobbig, bij het rijpworden der bes zeer sterk vergroot, opgeblazen en de bolvormige bes omhullendPhysalis.4b.Kelk wijd-klokvormig, ongetand of met 5 kleine tanden, bij het rijpworden van de vrucht weinig vergroot. Helmdraden langer dan de helmknoppen. Bes rood, meest verlengdCapsicum.5a.Boomen of heesters, soms klimmend. Vrucht een bes65b.Kruidachtige planten. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht. Kelk buis-klokvormig 5-lobbig. Bloemkroon met een lange buis en een iets scheeve zoom. Bloemen in trossen of pluimenNicotiana.6a.Kelk buisvormig met lange spitse slippen; bloemkroon vuurrood, trechtervormig met vrij breede zoom. Bes droog.Klimmende heesters, bloemen in trossen of pluimenMarkea.6b.Kelk klok- of buisvormig, 5-tandig of 5-spletig. Bloemkroon buisvormig met smalle zoom, die meest teruggeslagen is. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht, aan de basis verdikt of behaard. Bessen groot, met 1 of weinig zaden. Bloemen wit, geel of groenachtig, in schermenCestrum.7a.Kruidachtige planten; bloemkroon met een lange en dunne buis en 5 korte slippen, waartusschen meest nog 5 andere slippen zijn ingevoegd. Meeldraden 4, 2 lange en 2 korte. DoosvruchtSchwenkia.7b.Heesters of boomen; bloemkroon met een breede, 5-lobbige zoom. Meeldraden tweemachtig. Helmdraden van boven verdikt en gekromdBrunfelsia.257.Scrophulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, min of meer zygomorf; meeldraden zelden 5; meest 4 of 2; vruchtbeginsel bovenstandig 2-hokkig met weinige tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande of verspreide of kransstandige bladeren.1a.Bloemen met slechts 2 meeldraden. Zeer kleine kruiden, meest kruipend met ronde of eironde tegenoverstaande blaadjes en okselstandige bloemen. Kelk klokvormig,4-deelig; bloemkroon ± bolvormig met korte bovenlip en 3-lobbige onderlipMicranthemum.1b.Bloemen met 4 vruchtbare meeldraden of met 2 vruchtbare meeldraden en 2 staminodiën22a.Kelk en bloemkroon 4-deelig, vrijwel regelmatig; bloemkroon wit, met korte buis, stervormig. Meeldraden buiten de buis uitstekend. Helmknoppen aan de basis een weinig pijlvormig. Sterk vertakte kruiden met smalle bladeren en gesteelde bloemen, alleen of eenige bijeen in de bladokselsScoparia.Sisibi-wiwirie.2b.Kelk en kroon, of tenminste steeds de kelk 5-tandig tot5-deelig, of 5-bladig33a.Kelk en bloemkroon beide zeer lang en buisvormig; kelk 5- (zelden 4-)tandig. Bloemen aan het eind van den stengel staande en daar een zeer ijle, ± 5-bloemige, aar vormend. Bladeren zeer smal, bijna lijnvormig. Bloemen paarsBüchnera.3b.Bloemen okselstandig of indien ze een eindstandige aar vormen, dan zijn de schutbladeren groot, en de bloemen talrijk44a.Bloemen in eindstandige trossen of aren, in de oksel van schutbladeren alleenstaand54b.Bloemen in de bladoksels, alléén of 2 of meer bij elkaar in iedere bladoksel65a.Bloemen geel of wit, in aren; kelk klokvormig, kantig, na de bloeiopgeblazen, 5-tandig. Bloemkroon met wijde buis en vlakke, 5-lobbige zoom. Ruwharige kruidenMelasma.(Alectra).5b.Bloemen violet of rood, langgesteeld in eindstandige trossen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden. Bloemkroon met nauwe mond, buis-trechtervormig. Kruidachtige plantenGerardia.6a.Kelk 5-tandig of 5-deelig met gelijke of bijna gelijke slippen of tanden76b.Kelkslippen zeer ongelijk van vorm en grootte107a.Bloemkroon met zeer korte buis, klokvormig, 5-lobbig, bijna regelmatig. Meeldraden 4–5. Bloemen wit, gesteeld, meestal in paren in de bladoksels. Rechtopstaande kruidenCapraria.7b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig88a.Helmhokjes door het breede helmbindsel van elkaar gescheiden. Behaarde landplanten met okselstandige blauwe bloemen; bloemkroon gapendStemodia.8b.Helmhokjes niet door een breed helmbindsel gescheiden99a.De helmdraden van alle 4 de meeldraden zijn in de bloemkroonbuis ingehecht. Waterplanten met okselstandige bloemen; bladeren klein, met breede voet zittendConobea.9b.Twee van de 4 helmdraden in den mond van de bloemkroon ingehecht, de beide andere in de buis. Meeldraden vaak met aanhangselen aan de basis. Helmknoppen van elk paar meeldraden wat samenhangend. Kleine kruidachtige plantenLindernia.10a.Kelk buisvormig, min of meer gevleugeld; bloemkroon naar boven geleidelijk wijder wordend. Helmknoppen van elk paar meeldraden samenhangend; een paar van de helmdraden in de mond van de bloemkroon ingehecht; de 2 lange helmdraden aan de inhechtingsplaats met een aanhangsel. Kruiden met langgesteelde okselstandige bloemenTorenia.10b.Kelk niet gevleugeld en niet buisvormig. Helmdraden zonder aanhangselen aan den voet1111a.Kelk 5-deelig, de achterste slip grooter. Twee meeldraden met stuifmeel; de beide andere tot staminodiën vervormd. Rechtopstaande soms een weinig heesterachtige planten met behaarde kleine bladeren en bloemen in de bladokselsBeyrichia.(Achetaria).11b.Kelk bijna 5-bladig; de achterste slip veel grooter dan de andere, de 2 zijdelingsche meest veel smaller dan de rest. Bloemkroon met vlakke 2-lippige zoom. Bovenlip ingesneden of 2-lobbig; onderlip 3-lobbig. Meeldraden 4 of 5. Land- of waterplanten, in het laatste geval met lange smalle bladerenBacopa.258.Bignoniaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; meeldraden 4 of 2, soms bovendien 1 of 3 staminodiën aanwezig; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buis-, trechter- of trompetvormig; vruchtbeginsel bovenstandig meest 2-, zelden 1-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1 met een 2-lobbige stempel; vrucht een 2-kleppige doosvrucht, soms vleezig en niet openspringend; zaden meest min of meer gevleugeld en plat; meest houtige planten met tegenoverstaande of soms verspreide, vaak samengestelde bladeren met of zonder ranken; bloemen groot.1a.Boomen of heesters, niet klimmend of indien ze klimmen, dan zijn het wortelklimmers met enkelvoudige bladeren zonder ranken21b.Lianen, met of (zelden) zonder ranken klimmend72a.Bladeren enkelvoudig32b.Bladeren samengesteld43a.Bladeren tegenoverstaand; wortelklimmers met leerachtige eironde bladeren; kelk voor de bloei gesloten, later onregelmatig openspringend of onduidelijk 5-tandig. Vruchten kort eirond. Bloemen in eindelingsche pluimen of trossenSchlegelia.3b.Kleine boomen of heesters met smalle groepsgewijs staande bladeren en zijdelings-symmetrische bloemen die uit de takken te voorschijn komen. Bloemkroon van voren met een plooi. Vrucht groot, met harde wandCrescentia.Kalebas.4a.Bladeren enkel-gevind, of dubbel-gevind54b.Bladeren handvormig samengesteld65a.Boomen of heesters met enkelgevinde bladeren; blaadjes grof gezaagd. Bloemen geel met een klein, draadvormig staminodium aan de achterzijdeStenolobium.5b.Boomen met enkel- of dubbelgevinde bladeren; in het laatste geval blaadjes meest klein. Bloemen blauw, met een zeer groot staminodium; van de 4 meeldraden zijn er slechts 2 goed ontwikkeldJacaranda.6a.Bladeren 5-tallig, langgesteeld; blaadjes vrij lang gesteeld. Bloeiwijze eindelingsch; tegelijk met de bladeren aanwezig, kort, trosvormig, de witte bloemen kruiswijs tegenoverstaand; kelk scheef klokvormig, meest kort-3-lobbig, de lobben met een puntje aan den top, van buiten schubvormig behaard. Zaden met een dikke vleugelCouralia.Courali.6b.Bladeren 3- of 5-tallig. Bloeiwijze pluim- of schermvormig, meest nièt tegelijk met de bladeren aan den boom zittend. Bloemen meest geel; kelk van binnen meest zonder klieren. Zaden met een vliezige vleugelTecoma.Groenhart.7a.Ranken kort, aan den top gespleten in 3 korte eenigszins verdikte en haakvormig omgebogen takken. Bloemen geel. Bladeren steeds2-tallig87b.Ranken draadvormig of ontbrekend, nooit in 3 haakvormige takken eindigend98a.Kelk vliezig, tijdens den bloei aan één zijde opengescheurd. Kroon groot, van onderen dun, buisvormig, naar boven verwijd; van binnen bij de inhechtingsplaats van de meeldraden behaard. Vrucht lang en smalMacfadyena.8b.Kelk onregelmatig 5-lobbig, meest met min of meer gegolfde rand. Overigensvrijwelgelijk aan de vorigeBignonia.9a.Bladeren 1-jukkig gevind, dus 2 blaadjes met eindblaadje (dus 3-tallige bladeren) of in plaats van het eindblaadje een rank129b.Bladeren meerjukkig gevind of dubbel-3-tallig of op andere wijze samengesteld1010a.De bladeren zelf of de jukken der bladeren gevind, in het laatste geval dus dubbelgevinde bladeren.Ranken ontbrekend; stengel rond. Kelk leerachtig met 5 kleine tanden of éénzijdig gespleten, meest met vele klieren. Bloemkroon wit of geel met zeer ongelijke lobbenMemora.10b.Bladeren dubbel 3-tallig (een enkele maal is er nog een paarblaadjes meer, zoodat een deel van het blad dan gevind is). Bladeren met ranken1111a.Bloemen rose tot violet in een eindelingsche pluim. Takken niet scherp vierkant. Kelk met 5 kleine tandjes en zeer weinig klierenArrabidaea(inaequalis).11b.Bloemen wit of geel, in okselstandige bloeiwijzen. Takken scherp-vierkant, de hoeken bij de oudere takken meest als lange draden loslatend. Kelk meest met vele klierenPleonotoma.12a.Schijf onder het vruchtbeginsel ontbrekend1312b.Schijf onder het vruchtbeginsel aanwezig, meest de basis van het vruchtbeginsel als een ring of een beker omgevend1413a.Helmknoppen en meest ook de bladeren geheel kaal. Kelk klokvormig met 5 zeer kleine tanden. Bloemkroon wit met rose of paars, met breede slippenCydista.13b.Helmknoppen, en meest ook de helmdraden en de bladeren behaard. Kelk als de vorige. Bloemkroon wit met geelLundia.14a.Bloemen met een zeer wijde en groote (tot 4 c.M. lange) kelk met een ongelijkeeenigszinstweelobbige zoom. Bloemkroon zeer groot, geel met roode streepen. Blaadjes groot en breedCallichlamys.14b.Kelk niet opvallend groot en wijd1515a.Bloemkroon gekromd1615b.Bloemkroon recht1716a.Kelk klokvormig, leerachtig, bijna ongetand, van buiten kort behaard. Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd. Vruchtbeginsel knobbelig. Takken kantig met lichtere verdikte overlangsche streepen. Vrucht breed, met stekels op de gewelfde kleppen. Bladeren dun, met eenigszins hartvormige voet. Bloemen wit of geelPithecoctenium.Keesi-keesi-kam.16b.Kelk klokvormig, met rechte rand, later een weinig ingescheurd, leerachtig. Bloemkroon leerachtig. Takken niet kantig en niet gestreept. Doosvrucht gladDistictis.17a.Het onderste deel van de bloemkroonbuis is eenigszins zakvormig verwijd met een stompe knobbel aan de voorkant. Kelk leerachtig, scheef, onregelmatig ingesneden. Bloemen in eindelingsche pluimen, rose tot paars, van buiten behaard. Vrucht zeer langParagonia.17b.Bloemkroon van onderen niet zakvormig verwijd, zonder knobbel aan één kant1818a.Ranken aan den top met 3 takken. Bloemen in zeer wijde en ijle bloeiwijzen. Kelk 2-lippig en onregelmatig4–5-spletig. Benedendeel van de bloemkroonbuis lang en dun; bloemen wit met lila. Vrucht zeer lang en smalMartinella.18b.Ranken niet vertakt; bloeiwijze niet zeer ijl1919a.Kelk leerachtig, meest met klieren, in den knop gesloten, later tweelippig zich openend. Lobben der kroon ongelijk; bloemen geel of wit, trechtervormig met lange buis. Blaadjes smalMemora.19b.Kelk regelmatig, of indien de kelk tweelippig is, dan is hij niet leerachtig2020a.Kelk met groote schotelvormige klieren aan de buitenkant. Zaadknoppen in elk hokje 2-rijig. Vrucht breed met gladde kleppenAdenocalymma.20b.Kelk zonder groote schotelvormige klieren2121a.Bloemkroon in den knop alleen aan den top met een behaarde plek, verder kaal. Kelk dun, wijd schotelvormig. Bloeiwijzen veelbloemig. Bladeren zeer dun-vliezig met krachtige nerven. Vrucht smal met platte kleppenPetastoma.21b.Bloemkroon niet met een behaarde plek aan den top. Bladeren niet vliezig2222a.Bloemen in een armbloemig, okselstandig bijscherm; schijf duidelijk gelobd, de onderste stengelbladeren soms enkelvoudig. Doosvrucht breed, met gestekelde kleppenClytostoma.22b.Schijf niet of onduidelijk gelobd; bloeiwijzen meest meerbloemig; doosvrucht glad2323a.Vrucht smal en lang. Zaadknoppen in elk hokje in 2 rijen. Kelk meest dunArrabidaea.23b.Vrucht breed, elliptisch. Zaadknoppen in elk hokje in 4 rijen. Kelk leerachtig. Bladeren met groote steunbladerenAnemopaegma.259.Pedaliaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf, sympetaal; meeldraden 4 of 2 met paarsgewijs samenhangende helmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–4-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen; hokjes van het vruchtbeginsel vaak met dwarstusschenschotten; vrucht een doosvrucht of een noot; kruiden met tegenoverstaande of naar boven verspreide bladeren; bloemen okselstandig of in trossen.Kruiden met afwisselende, smalle bladeren en okselstandige bloemen. Bloemkroon klokvormig met 5-lobbige zoom, waarvan de onderste lob het grootst is. Meeldraden 4, de 5demeeldraad is tot een klein staminodium gereduceerd. Vruchtbeginsel met één stijl met twee bladachtige stempels. Vrucht een doosvruchtSesamum.262.Gesneriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; bloemkroon sympetaal, min of meer 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms met 1 of 3 staminodiën, de helmknoppen paarsgewijs verbonden of alle samenhangend; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met twee wandstandige zaadlijsten met talrijke zaadknoppen; één stijl met een breede of 2-lobbige stempel; vrucht een doosvrucht of een bes met talrijke kleine zaden; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande, gaafrandige of getande bladeren en meest groote bloemen.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, kelk met 5, min of meer bladachtige slippen. Bloemkroon klokvormig en 5 breede slippen. Meeldraden 4 onder in de bloemkroon ingehecht met kruisgewijs verbonden helmknoppen. Schijf ringvormig. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Kruiden met tegenoverstaande bladeren; bloemen in de oksels van schutbladerenGloxinia.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig22a.Schijf bestaande uit een dikke soms wat scheeve ring. Meeldraden 4, de helmdraden aan de basis wat verbreed. Stempel 2-lobbig. Vrucht een bes, door de kelk omslotenBesleria.2b.Schijf niet ringvormig doch bestaande uit 1 of 2 schubben aan één zijde van het vruchtbeginsel gezeten33a.Helmhokjes door een breed en dik helmbindsel van elkaar gescheiden, niet evenwijdig loopend, kelkslippen 5, smal; bloemkroon min of meer klokvormig met wijde mond. Planten met dikke ± vleezige bladeren en kleine bloemen in de bladokselsCodonanthe.3b.Helmhokjes niet door een dik en breed helmbindsel van elkaar verwijderd; helmhokjes evenwijdig loopend44a.Helmdraden aan de basis tot een van achteren gespleten buis vergroeid. Kelkslippen meest niet groen gekleurd, ongelijk, breed, vaak getand. Bloemkroonbuis wijd met 5 afgeronde slippen. Helmknoppen vrij van elkaar. Schijf uit één groote schub bestaand. Heesterachtige plantenCrantzia.4b.Helmdraden van onderen niet of nauwelijks met elkaar vergroeid55a.Kelk klokvormig, 5-kantig of 5-vleugelig, met korte tanden; niet groen gekleurd. Bloemkroon wijd, cylindervormig. Helmdraden aan de basis verbreed, helmknoppen niet samenhangend. Schijf uit een schub bestaande. Kruiden, met meerdere bloemen in een bloeiwijze vereenigdTussacia.5b.Kelk diep 5-deelig66a.Kelkslippen smal. Bloemkroon met een lange buis, die meest wat gebogen is. Helmdraden van onderen een weinig vergroeid, de 5demeeldraad als klein staminodium zichtbaar. Schijf uit één groote schub bestaande. Stijl van boven verdikt. Kruiden, meest met tweekleurige bloemenEpiscia.6b.Kelkslippen groot en breed, bladachtig, ongelijk. Bloemkroonbuis van onderen opgeblazen en verwijd. Helmknoppen van onderen verbreed. Schijf uit een groote schub bestaande. Heesterachtige planten met dikke bladerenDrymonia.264.Lentibulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig zelden regelmatig, meest zygomorf, bloemkroon meest duidelijk 2-lippig; meeldraden zelden 5, meest 2, onder in de bloemkroon ingehecht;vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met een meest grondstandige zaadlijst; vrucht een 2–4-kleppige doosvrucht en dan veelzadig of een gesloten vrucht en dan 1-zadig; meest kruiden op vochtige plaatsen of in het water groeiend.1a.Kelk 4-deelig met ronde slippen aan den rand met lange tanden bezet. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd, met een spoor. Bovenlip 2-spletig; onderlip groot, 3-lobbig. Meeldraden 2, sterk gebogen. Doosvrucht meerzadig met 2 kleppen openspringend. Kleine kruiden met langwerpige, gaafrandige wortelstandige bladerenPolypompholyx.1b.Kelk 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd; bovenlip rechtopstaand, ingesneden of gaafrandig, onderlip groot, 3-deelig of gaafrandig. Meeldraden 2, dik en kort, sterk gebogen. Doosvrucht met 2 kleppen of onregelmatig of met een deksel openspringend. Land-, moeras-, of waterplantenUtricularia.266.Acanthaceae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms nog 1 of 3 staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht, 2-kleppig hokverbrekend openspringend, zelden een steenvrucht; zaden meest zittend op haakvormige uitgroeiïngen van de zaadsteel; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren; bloemen meest in aren of samengestelde aren.1a.Kelk aan den voet met 2 groote bladeren die aan de randen min of meer vergroeid zijn en den kelk inhullen. Meest klimplanten; bloemen in de bladoksels21b.Geen 2 groote bladeren onder de kelk; indien de kelk door bladeren omhuld wordt dan staan de bloemen in aren32a.Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven geleidelijk verwijd; zoom van de bloemkroon niet zeer breed. Planten meestal langharig. Vrucht min of meer besachtig, niet openspringend, rondMendoncia.2b.Bloemkroonbuis tamelijk wijd met een groote en breede, wijduitstaande zoom met bijna gelijke slippen. Bladeren meest wat pijlvormig. Vrucht een toegespitste doosvruchtThunbergia.3a.Bloemen met 4 meeldraden of met 2 meeldraden en 2 groote staminodiën43b.Bloemen met slechts 2 meeldraden104a.Bloemen in dichte zittende groepen in de bladoksels, schijnbaar in kransen rondom den stengel staand. Bloemkroon 2-lippig met een dunne naar boven geleidelijk wijder wordende buis. Stempel haakvormig. Bladeren smal en langHygrophila.4b.Bloemen in pluimen of aren of gesteeld en okselstandig55a.Bloemen zoo dicht op elkaar zittend dat ze aan het eind van den stengel een duidelijke aar vormen met of zonder dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren65b.Bloeiwijze los, niet dicht-aarvormig. Kelk gelijkmatig 5-spletig of de achterste kelkslip grooter of soms kelk 2-lippig. Bloemkroon verschillend van vorm, doch steeds met 5 ongeveer gelijke lobben, dus niet duidelijk 2-lippigRuellia.6a.Twee vruchtbare meeldraden en twee staminodiën aanwezig. Plant naar boven vertakt; elke tak in een aar eindigend met dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren, die min of meer droogvliezig, sterk geaderd en toegespitst zijn. Schutbladeren veel grooter dan de kelk. Bloemen met lange dunne buis, ver buiten de aar uitstekendEranthemum.6b.Alle meeldraden met stuifmeel77a.Bloemkroon onduidelijk 2-lippig of bijna regelmatig. Bloemen wit87b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig. Bloemkroon wit en lila en dan klein, of rood en dan groot98a.Aar tamelijk los met bladachtige breede schutbladeren, die veel grooter zijn dan de kelk. Bloemen 2 of 3 in de oksels der schutbladeren. Kelk 5-deelig, regelmatig, vrucht van binnen met duidelijke haken, met 6 of meer zaden in elke afdeelingBlechum.8b.Aar dicht, soms zeer klein; kelk 5-deelig, de bovenste slip breeder dan de andere. Schutbladeren niet opvallend breed en bladachtig; bloemen meest alleenstaand in de oksels der schutbladeren. Doosvrucht met vele zaden, van binnen zonder haken. Planten meest zeer kleinStaurogyne.9a.Bloemen vuurrood, meeste meerdere centimeters lang, duidelijk 2-lippig, in een smalle, eindstandige aar, waarvan de schutbladeren dicht over elkaar liggen. Schutbladeren vaak met tanden aan den top of aan den rand. Meeldraden buiten de bloemkroon uitstekend; planten rechtopstaand, onvertaktAphelandra.9b.Schutbladeren weinig grooter dan de kelk, droogvliezig, evenals de kelkslippen met een spitse punt. Bloemkroon wit, meest met lila teekening, nog niet 1 c.M. lang of meest nog kleiner. Meeldraden boven in de bloemkroonbuis ingehechtLepidagathis.10a.Bloemen in aren in den oksel van groote schutbladeren1110b.Bloemen niet in aren of als ze in aren staan, dan zijn er geen groote schutbladeren1211a.Meeldraden meest aan de basis met een kleine tand. Kelk kort. Bloemkroonbuis smal, naar boven weinig verwijd. Bovenlip lang en smal; onderlip breeder. Meeldraden buiten de buis uitstekendPachystachys.11b.Helmdraden zonder tand aan de basis. Kelk 4–5-deelig met gelijke smalle en spitse slippen. Bloemkroonbuis kort; bovenlip hol, onderlip meest breeder, vlak en 3-deelig. Helmbindsel min of meer verbreed; helmhokjes niet op gelijke hoogte ingehechtJusticia.12a.Kelk 5-tandig, klein, met gelijke tanden. Bloemkroonbuis boven de basis wat vernauwd, dan scheef in een buisvormige lange keel verwijd. Helmhokjes bijna op gelijke hoogte ingehecht; helmbindsel niet verbreed. Bloemen in éénzijdige arenDrejera.12b.Kelk 4–5-deelig1313a.Bloemkroonbuis kort, weinig verwijd. Bovenlip hol; onderlip breeder, vlak, 3-deelig. Meeldraden boven in de bloemkroon bevestigd. Helmhokjes aan het min of meer verbreede helmbindsel op verschillende hoogte ingehecht, doch meest evenwijdig aan elkaarJusticia.13b.Bloemkroonbuis lang, dun, meest recht. Bovenlip vaak gebogen, 2-tandig. Onderlip diep 3-deelig, de middenlob het grootst. Helmbindsel breed, de helmhokjes niet evenwijdig met elkaar loopendBeloperone.13c.Planten van het uiterlijk van de beide vorige, maar ervan verschillend alleen door den vorm van het stuifmeel, dat bij Justicia en Beloperone met rijen van kleine knobbeltjes bezet is, terwijl bij Rhacodiscus het stuifmeel geheel gestekeld isRhacodiscus.

Orde:Tubiflorae.249.Convolvulaceae.Bloemen 5–4-tallig, meest regelmatig en tweeslachtig; bloemkroon vergroeidbladig, meest in de knop geplooid; meeldraden aan de basis van de kroon ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 2-, zelden 3–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht een doosvrucht, zelden 4 deelvruchten; meest kruiden, vaak links windend, zelden houtige planten, meest met groote bloemen; melksap vaak aanwezig.1a.Parasieten zonder groene bladeren, met zeer dunne windende stengels. Bloemen klein, meest 5-tallig in dichte groepen aan den stengel gezeten, met een bekervormige bloemkroonCuscuta.1b.Planten met groene bladeren22a.Kleine, niet windende kruiden met kleine (± 1 c.M. groote of kleinere) eivormige of lancetvormige blaadjes, en zeer kleine (± ½ c.M.) bloemen, die òf alleen staan in de oksel van de bladeren òf in weinigbloemige bijschermen. Stijl met 2 draadvormige stempels; vruchtbeginsel kaal; doosvrucht met 4 kleppen openspringendEvolvulus.2b.Krachtige, meest klimmende kruiden of heesters met groote bladeren en bloemen33a.Lianen of heesters met eironde, leerachtige, kale bladeren en vrij groote of groote bloemen in eindelingsche pluimen. Kroon van buiten behaard, aan den rand weinig ingesneden, rose tot lila; de meeldraden niet buiten de kroon uitstekend. Stijl lang met een bolvormige, onduidelijk 2-lobbige stempel. Vrucht leerachtig of houtig, niet openspringendMaripa.Patawana.3b.Kruiden of kleine heesters, meest windend met kruidachtige meest wat hartvormige of ingesneden of samengestelde bladeren en openspringende dunwandige vruchten44a.Stijlen 2 of een 2-spletige stijl met aan iedere tak een bolvormige stempel. Kelkbladeren vliezig, kaal, de 2 buitenste veel grooter dan de 3 binnenste; bloemkroon van buiten behaard op 5 kale plekken na. Windende heesters met groote elliptische bladeren en okselstandige bloeiwijzenPrevostia.4b.Slechts 1 stijl aanwezig met 2 stempels of met één bolvormige of gelobde stempel55a.De buitenste 3 kelkbladeren veel grooter dan de 2 binnenste, eirond, langs den bloemsteel een weinig afloopend; bloemkroon wijd-buisvormig; meest wit. Windende kruiden met aan den voet versmalde bladeren, aan den bladtop een puntjeAniseia.5b.Alle kelkbladeren ongeveer even groot66a.Bloeiwijzen in de bladoksels op lange steelen staande, aan welks einde de bloemen in dichte hoofdjes zitten, omgeven door talrijke schutbladeren. Bloemen wit, blauw of rose, klein of vrij groot. Stijl aan den top met 2 duidelijk gescheiden eironde of langwerpige stempels. Vrucht met 8 of met 4 kleppen openspringend. Windende kruiden of heesters, meest fluweelachtig behaard met niet-ingesneden bladerenJacquemontia.6b.Bloemen òf alleenstaand òf slechts weinige bijeen in de bladoksels of indien meerdere bloemen in een schermvormige bloeiwijze zitten, dan zijn er geen duidelijke bracteeën aanwezig. Stempel gaaf of 2-lobbig77a.Vrucht met een deksel openspringend. Bloemen zeer groot, één of zeer weinige in de bladoksels; kelkbladeren groot, eirond, min of meer papierachtig; na de bloei vergroot; bloemkroon wijd-klokvormig, wit of geelachtig; stempel 2-lobbig. Stengels, blad- en bloemsteelen meest gevleugeld. Bladeren hartvormig, niet ingesnedenOperculina.7b.Vrucht met kleppen openspringend. Bladeren vaak (niet altijd) gelobd, gedeeld of samengesteld. Stengels niet gevleugeld88a.Stuifmeelkorrels glad. Bloemkroon met 5 donkere aderen, die met de kelkbladeren afwisselen, zelden zonder aderen, (maar dan zijn de bladeren niet gelobd of gedeeld of samengesteld). Bloemen okselstandig, met een lange steel, alleenstaand of in weinig- of veelbloemige bijschermen. Bloemen wit of geel. Meest windende plantenMerremia.(Ipomoea,Pharbitis).8b.Stuifmeelkorrels met stekels bezet. Bloemkroon zonder donkere aderen. Bloemen zelden wit, meest paars of rose of rood. Overigens als de vorigeIpomoea.(Calonyction,Quamoclit,Pharbitis).251.Hydrophyllaceae.Bloemen meest 5-tallig tweeslachtig regelmatig, sympetaal, slippen in de knop meest met de randen tegen elkaar liggend, zelden gedraaid; meeldraden 5, zelden 4 of meer dan 5; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot talrijke zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren.Kelk diep ingesneden met 5 spitse slippen. Bloemkroon met korte buis, blauw. Meeldraden onder in de buis ingehecht. Helmknoppen pijlvormig. Vruchtbeginsel met 2, zelden met 3 stijlen. Doosvrucht dunwandig. Bloeiwijze een losse pluim. Bladeren verspreid; plant klierachtig behaard, meestal met dorensHydrolea.Swietie-watra-kraroen.252.Borraginaceae.Bloemen 5-, zelden 6-veeltallig, meest 2-slachtig, regelmatig, soms zygomorf, sympetaal, slippen in de knop met de randen over elkaar liggend, al of nietgedraaid; vaak met schubben van binnen; vruchtbeginsel 2-hokkig, met 2 zaadknoppen in ieder hokje, soms 4-hokkig, ongedeeld of 4-deelig; stijl 1, enkelvoudig of 2-deelig, of elke tak nog eens gedeeld; vrucht een steenvrucht of in 4 nootjes uiteenvallend; kruiden of houtige planten, vaak ruwhaarig of borstelig, zelden met tegenoverstaande, meest met verspreide, enkelvoudige bladeren, bloeiwijzen sikkelvormig.1a.Stijl van boven gespleten, elke tak nog eenmaal gespleten, zoodat er in het geheel 4 stempels zijn, kelk buis- of klokvormig, 3–5-tandig. Bloemkroon trechter-, klok- of schotelvormig, meest 5-tallig. Meeldraden 5, in de buis ingehecht. Vrucht een steenvrucht, die door de kelk ten deel wordt omhuld, en 1 pit heeft, die 4–1 zaden bevat. Boomen of heestersCordia.1b.Stijl van boven niet gedeeld, doch een tweelobbige stempel met een behaarde verdikte ring eronder22a.Vrucht een steenvrucht, besachtig of tamelijk droog met 2 of 4 pitten. Kelk 5-deelig met smalle slippen. Bloemkroonslippen aan den top niet naar binnen gebogen. Meeldraden niet uit de buis uitstekend. Heesters, zelden boomenTournefortia.2b.Vrucht in 4 nootjes uiteenvallend of eerst in tweeën gedeeld, en daarna ieder stuk in twee nootjes uiteenvallend. Kelk en bloemen als de vorige, doch bloemkroonslippen meest met naar binnen gebogen top. Meest kruiden, zelden een weinig heesterachtigHeliotropium.253.Verbenaceae.Bloemen 5–4-, zelden 6–8-tallig, meest tweeslachtig, zelden regelmatig, bijna steeds zygomorf; kelkbladeren vergroeid; kroon vergroeidbladig met vaak lange soms gekromde buis en vaak 2-lippige zoom; meeldraden meest 4, tweemachtig, of 2 en 2–3 staminodiën, vruchtbeginsel 2-, zelden 4–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje, meest door vorming van een valsch tusschenschot 4-hokkig; 1 stijl; vrucht meest een 2–4-hokkige steenvrucht, soms een splitvrucht; kruiden of houtige planten met meest tegenoverstaande of kransstandige, zelden verspreide bladeren, die enkelvoudig of samengesteld zijn.1a.Heesters of boomen met handvormig samengestelde tegenoverstaande bladeren. Kelk 5-tandig tot 5-spletig. Bloemkroon vrij klein met rechte of gekromde buis en uitgebreide scheeve, 5-lobbige zoom. Meeldraden 2-machtig. Stijl met 2-spletige stempelVitex.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen in bijschermen, d. w. z. de hoofdas van de bloeiwijze vertakt zich herhaaldelijk en ten slotte eindigt elk takje in een bloem; soms ook is het bijscherm tot een enkele okselstandige bloem verkort32b.Bloemen in aren of trossen, dus de hoofdas van de bloeiwijze is onvertakt43a.Boomen, die in de mangrove voorkomen. Bloemkroon bijna regelmatig 4-spletig met ronde slippen. Eindtakken der bloeiwijze in hoofdjes van zittende bloemen eindigendAvicennia.Parwa.3b.Bloemkroon met een vaak zeer lange buis en 5-lobbige zoom; lobben bijna gelijk of ongelijk. Meeldraden meest buiten de buis uitstekend. Bloemen soms alleenstaand in de bladoksels. Heesters of boomen, met of zonder dorensClerodendron.3c.Bloemen in eindelingsche of okselstandige veelbloemige pluimen, meest4-talligmet regelmatige en korte bloemkroon. Meeldradenboven in de bloemkroonbuis ingehecht. Vrucht een bes, in de vergroote kelk zittend. Heesters of boomenAegiphila.4a.Rechtopstaande, onvertakte kleine (± ½ meter) heesters met een eindelingsche bloemtros; bloemen geel in den oksel staande van groote roode schutbladeren. Kelk breed klokvormig; bloemkroon met een lange buis, onduidelijk 2-lippig. Vrucht een bes. Bladeren lang en smalAmasonia.4b.Geen opvallend gekleurde schutbladeren aanwezig55a.Bloemen dichtgedrongen in okselstandige bolvormige of een weinig verlengde hoofdjes65b.Bloemen in losse of lange aren of trossen76a.Kelk ongetand of met zeer kleine tanden. Zoom van de bloemkroon onduidelijk 2-lippig, 4–5-spletig. Heesters of kruiden. Bladeren tegenoverstaand of in 3-tallige kransen, meest ruw, doch niet viltigLantana.Koorsoe-wiwirie.6b.Kelk met een 2-ribbige of 2-vleugelige buis, 2–4-spletig of 4-tandig. Bloemkroon 4-lobbig met kleine zoom. Bladeren viltig behaard, meest ook ruwLippia.7a.Bloemen zittend in eindelingsche dunne en lange aren in de oksel van kleine schubvormige schutbladeren; as van de aar vaak met holten, waarin de vrucht ten deele opgesloten is, en welke holte van buiten door het schutblad is afgesloten. Kelkbuis lang en dun, 5-tandig. Bloemkroon met lange dunne buis, met 2 meeldraden en 2 kleine staminodiën. Planten niet klimmend. Bladeren grof getandStachytarpheta.7b.Bloemen in ijle trossen88a.Lianen met zeer ruwe bladeren. Bloemen blauw of paars in okselstandige trossen; kelk opvallend groot met korte buis en 5 breede slippen, die meest langer zijn dan de bloemkroon en evenzoo gekleurd; kelk na het bloeien vergroot, vliezig wordend en netvormig geaderdPetraea.8b.Kelkslippen niet opvallend groot en gekleurd99a.Boomen; kelk buis-klokvormig met korte tanden; bloemkroon met uitgebreide 5-spletige zoom. Bloemen in eindelingsche trossen, wit. Vrucht een bes, van onderen door de kelk omslotenCitharexylum.9b.Heesters of kruiden1010a.Kelk klokvormig met 5 ribben, die ieder in een tand eindigen. Bloemkroon met cylindervormige, naar boven verwijde buis en scheeve 5-lobbige zoom. Meeldraden ter halver hoogte in de buis ingehecht. Vertakte heesters met okselstandige weinig-bloemige trossen. Bladeren kleinTamonea.10b.Kelk buisvormig, na de bloei verwijd, de vrucht geheel insluitend en aan den mond vernauwd. Zoom van de bloemkroon scheef, 5-lobbig. Vrucht uiteenvallend in 2 borstelige steenen. Bloemen in losse eind- of okselstandige aren. Bladeren vrij groot, gezaagdPriva.254.Labiatae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, sympetaal, zygomorf; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buisvormig met een 2-lippige zoom; meeldraden 4, tweemachtig of 2 en 2 staminodiën, zelden nog een vijfde staminodiale meeldraad aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht in 41-zadige deelvruchten gedeeld en als zoodanig uiteenvallend; stijl 1; kruiden of heesters met tegenoverstaande of kransstandige bladeren; bloemen meest in korte bloeiwijzen in de bladoksels, schijnkransen vormend.1a.Bladeren sterk handvormig gespleten tot gedeeld; de slippen ook wat ingesneden. Bloemen rose tot purper in schijnkransen in de bladokselsLeonurus.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen dicht met oranje-roode haren bezet, in groot bolvormige schijnkransen rondom den stengel, bladeren onder de bloeiwijzen klein, stengelbladeren groot en breed, gekarteldLeonotis.2b.Bloemenen bloeiwijzen anders gevormd33a.Bloemen in gesteelde hoofdjes, die aan de basis eenige kleine blaadjes dragen43b.Bloemen in schijnkransen van 6–10 bloemen rondom den stengel; schijnkransen dicht bij elkaar zittend, zoodat de geheele bloeiwijze den indruk maakt van een eindelingsche tros. Kelk 2-lippig, de bovenlip groot en eirond. Bloemen roseOcimum.Smerie-wiwirie.4a.Kelk, vooral nà den bloei, klokvormig met 3-kantige slippen. Nootjes aan de rugzijde kielvormig, op de buikzijde voorzien van vliezige getande, naar binnen gebogen randen. Hoofdjes gesteeld in de bladoksels. Planten behaardMarsypianthes.4b.Kelk buisvormig met draadvormige slippen. Nootjes bolrond of eirond. Bloemen in gesteelde hoofdjes in de bladoksels, soms ook zijn de bladeren, die de hoofdjes in de oksels hebben, zeer klein, en dan zijn de hoofdjes tot een groote pluim- of aarvormige bloeiwijze samengesteldHyptis.256.Solanaceae.Bloemen meest 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zelden zygomorf; sympetaal; kroon in de knop meest geplooid; meeldraden 5, in de zygomorfe bloemen meest 4, soms met 1 staminodium; vruchtbeginsel 2-hokkig, bovenstandig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje, zelden 3–5-hokkig; stijl 1 met een 2-lobbige of 2-deelige stempel; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of heesters met verspreide bladeren.1a.Bloemen regelmatig, met goed ontwikkelde meeldraden, evenveel als bloemkroonslippen21b.Bloemen met slechts 4 meeldraden, waarvan er soms 2 niet geheel ontwikkeld zijn72a.Bloemkroon niet buisvormig, uitgespreid, of indien er een duidelijke buis is, dan is de zoom breed en zijn de vruchten bessen32b.Bloemkroon met een lange buis en een in verhouding korte zoom53a.Helmknoppen tot een buis samenkomend of vrij, in het laatste geval steeds met poriën aan den top openspringend. Helmdraden zeer kort, aan de basis van de zeer korte bloemkroonbuis verbonden. Kelk 5–10-tandig of -deelig, bij het rijp worden der vruchten niet of weinig vergroot. Vrucht een besSolanum.3b.Helmknoppen altijd vrij van elkaar en met overlangsche spleten openspringend44a.Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelk klokvormig, 5-lobbig, bij het rijpworden der bes zeer sterk vergroot, opgeblazen en de bolvormige bes omhullendPhysalis.4b.Kelk wijd-klokvormig, ongetand of met 5 kleine tanden, bij het rijpworden van de vrucht weinig vergroot. Helmdraden langer dan de helmknoppen. Bes rood, meest verlengdCapsicum.5a.Boomen of heesters, soms klimmend. Vrucht een bes65b.Kruidachtige planten. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht. Kelk buis-klokvormig 5-lobbig. Bloemkroon met een lange buis en een iets scheeve zoom. Bloemen in trossen of pluimenNicotiana.6a.Kelk buisvormig met lange spitse slippen; bloemkroon vuurrood, trechtervormig met vrij breede zoom. Bes droog.Klimmende heesters, bloemen in trossen of pluimenMarkea.6b.Kelk klok- of buisvormig, 5-tandig of 5-spletig. Bloemkroon buisvormig met smalle zoom, die meest teruggeslagen is. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht, aan de basis verdikt of behaard. Bessen groot, met 1 of weinig zaden. Bloemen wit, geel of groenachtig, in schermenCestrum.7a.Kruidachtige planten; bloemkroon met een lange en dunne buis en 5 korte slippen, waartusschen meest nog 5 andere slippen zijn ingevoegd. Meeldraden 4, 2 lange en 2 korte. DoosvruchtSchwenkia.7b.Heesters of boomen; bloemkroon met een breede, 5-lobbige zoom. Meeldraden tweemachtig. Helmdraden van boven verdikt en gekromdBrunfelsia.257.Scrophulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, min of meer zygomorf; meeldraden zelden 5; meest 4 of 2; vruchtbeginsel bovenstandig 2-hokkig met weinige tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande of verspreide of kransstandige bladeren.1a.Bloemen met slechts 2 meeldraden. Zeer kleine kruiden, meest kruipend met ronde of eironde tegenoverstaande blaadjes en okselstandige bloemen. Kelk klokvormig,4-deelig; bloemkroon ± bolvormig met korte bovenlip en 3-lobbige onderlipMicranthemum.1b.Bloemen met 4 vruchtbare meeldraden of met 2 vruchtbare meeldraden en 2 staminodiën22a.Kelk en bloemkroon 4-deelig, vrijwel regelmatig; bloemkroon wit, met korte buis, stervormig. Meeldraden buiten de buis uitstekend. Helmknoppen aan de basis een weinig pijlvormig. Sterk vertakte kruiden met smalle bladeren en gesteelde bloemen, alleen of eenige bijeen in de bladokselsScoparia.Sisibi-wiwirie.2b.Kelk en kroon, of tenminste steeds de kelk 5-tandig tot5-deelig, of 5-bladig33a.Kelk en bloemkroon beide zeer lang en buisvormig; kelk 5- (zelden 4-)tandig. Bloemen aan het eind van den stengel staande en daar een zeer ijle, ± 5-bloemige, aar vormend. Bladeren zeer smal, bijna lijnvormig. Bloemen paarsBüchnera.3b.Bloemen okselstandig of indien ze een eindstandige aar vormen, dan zijn de schutbladeren groot, en de bloemen talrijk44a.Bloemen in eindstandige trossen of aren, in de oksel van schutbladeren alleenstaand54b.Bloemen in de bladoksels, alléén of 2 of meer bij elkaar in iedere bladoksel65a.Bloemen geel of wit, in aren; kelk klokvormig, kantig, na de bloeiopgeblazen, 5-tandig. Bloemkroon met wijde buis en vlakke, 5-lobbige zoom. Ruwharige kruidenMelasma.(Alectra).5b.Bloemen violet of rood, langgesteeld in eindstandige trossen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden. Bloemkroon met nauwe mond, buis-trechtervormig. Kruidachtige plantenGerardia.6a.Kelk 5-tandig of 5-deelig met gelijke of bijna gelijke slippen of tanden76b.Kelkslippen zeer ongelijk van vorm en grootte107a.Bloemkroon met zeer korte buis, klokvormig, 5-lobbig, bijna regelmatig. Meeldraden 4–5. Bloemen wit, gesteeld, meestal in paren in de bladoksels. Rechtopstaande kruidenCapraria.7b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig88a.Helmhokjes door het breede helmbindsel van elkaar gescheiden. Behaarde landplanten met okselstandige blauwe bloemen; bloemkroon gapendStemodia.8b.Helmhokjes niet door een breed helmbindsel gescheiden99a.De helmdraden van alle 4 de meeldraden zijn in de bloemkroonbuis ingehecht. Waterplanten met okselstandige bloemen; bladeren klein, met breede voet zittendConobea.9b.Twee van de 4 helmdraden in den mond van de bloemkroon ingehecht, de beide andere in de buis. Meeldraden vaak met aanhangselen aan de basis. Helmknoppen van elk paar meeldraden wat samenhangend. Kleine kruidachtige plantenLindernia.10a.Kelk buisvormig, min of meer gevleugeld; bloemkroon naar boven geleidelijk wijder wordend. Helmknoppen van elk paar meeldraden samenhangend; een paar van de helmdraden in de mond van de bloemkroon ingehecht; de 2 lange helmdraden aan de inhechtingsplaats met een aanhangsel. Kruiden met langgesteelde okselstandige bloemenTorenia.10b.Kelk niet gevleugeld en niet buisvormig. Helmdraden zonder aanhangselen aan den voet1111a.Kelk 5-deelig, de achterste slip grooter. Twee meeldraden met stuifmeel; de beide andere tot staminodiën vervormd. Rechtopstaande soms een weinig heesterachtige planten met behaarde kleine bladeren en bloemen in de bladokselsBeyrichia.(Achetaria).11b.Kelk bijna 5-bladig; de achterste slip veel grooter dan de andere, de 2 zijdelingsche meest veel smaller dan de rest. Bloemkroon met vlakke 2-lippige zoom. Bovenlip ingesneden of 2-lobbig; onderlip 3-lobbig. Meeldraden 4 of 5. Land- of waterplanten, in het laatste geval met lange smalle bladerenBacopa.258.Bignoniaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; meeldraden 4 of 2, soms bovendien 1 of 3 staminodiën aanwezig; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buis-, trechter- of trompetvormig; vruchtbeginsel bovenstandig meest 2-, zelden 1-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1 met een 2-lobbige stempel; vrucht een 2-kleppige doosvrucht, soms vleezig en niet openspringend; zaden meest min of meer gevleugeld en plat; meest houtige planten met tegenoverstaande of soms verspreide, vaak samengestelde bladeren met of zonder ranken; bloemen groot.1a.Boomen of heesters, niet klimmend of indien ze klimmen, dan zijn het wortelklimmers met enkelvoudige bladeren zonder ranken21b.Lianen, met of (zelden) zonder ranken klimmend72a.Bladeren enkelvoudig32b.Bladeren samengesteld43a.Bladeren tegenoverstaand; wortelklimmers met leerachtige eironde bladeren; kelk voor de bloei gesloten, later onregelmatig openspringend of onduidelijk 5-tandig. Vruchten kort eirond. Bloemen in eindelingsche pluimen of trossenSchlegelia.3b.Kleine boomen of heesters met smalle groepsgewijs staande bladeren en zijdelings-symmetrische bloemen die uit de takken te voorschijn komen. Bloemkroon van voren met een plooi. Vrucht groot, met harde wandCrescentia.Kalebas.4a.Bladeren enkel-gevind, of dubbel-gevind54b.Bladeren handvormig samengesteld65a.Boomen of heesters met enkelgevinde bladeren; blaadjes grof gezaagd. Bloemen geel met een klein, draadvormig staminodium aan de achterzijdeStenolobium.5b.Boomen met enkel- of dubbelgevinde bladeren; in het laatste geval blaadjes meest klein. Bloemen blauw, met een zeer groot staminodium; van de 4 meeldraden zijn er slechts 2 goed ontwikkeldJacaranda.6a.Bladeren 5-tallig, langgesteeld; blaadjes vrij lang gesteeld. Bloeiwijze eindelingsch; tegelijk met de bladeren aanwezig, kort, trosvormig, de witte bloemen kruiswijs tegenoverstaand; kelk scheef klokvormig, meest kort-3-lobbig, de lobben met een puntje aan den top, van buiten schubvormig behaard. Zaden met een dikke vleugelCouralia.Courali.6b.Bladeren 3- of 5-tallig. Bloeiwijze pluim- of schermvormig, meest nièt tegelijk met de bladeren aan den boom zittend. Bloemen meest geel; kelk van binnen meest zonder klieren. Zaden met een vliezige vleugelTecoma.Groenhart.7a.Ranken kort, aan den top gespleten in 3 korte eenigszins verdikte en haakvormig omgebogen takken. Bloemen geel. Bladeren steeds2-tallig87b.Ranken draadvormig of ontbrekend, nooit in 3 haakvormige takken eindigend98a.Kelk vliezig, tijdens den bloei aan één zijde opengescheurd. Kroon groot, van onderen dun, buisvormig, naar boven verwijd; van binnen bij de inhechtingsplaats van de meeldraden behaard. Vrucht lang en smalMacfadyena.8b.Kelk onregelmatig 5-lobbig, meest met min of meer gegolfde rand. Overigensvrijwelgelijk aan de vorigeBignonia.9a.Bladeren 1-jukkig gevind, dus 2 blaadjes met eindblaadje (dus 3-tallige bladeren) of in plaats van het eindblaadje een rank129b.Bladeren meerjukkig gevind of dubbel-3-tallig of op andere wijze samengesteld1010a.De bladeren zelf of de jukken der bladeren gevind, in het laatste geval dus dubbelgevinde bladeren.Ranken ontbrekend; stengel rond. Kelk leerachtig met 5 kleine tanden of éénzijdig gespleten, meest met vele klieren. Bloemkroon wit of geel met zeer ongelijke lobbenMemora.10b.Bladeren dubbel 3-tallig (een enkele maal is er nog een paarblaadjes meer, zoodat een deel van het blad dan gevind is). Bladeren met ranken1111a.Bloemen rose tot violet in een eindelingsche pluim. Takken niet scherp vierkant. Kelk met 5 kleine tandjes en zeer weinig klierenArrabidaea(inaequalis).11b.Bloemen wit of geel, in okselstandige bloeiwijzen. Takken scherp-vierkant, de hoeken bij de oudere takken meest als lange draden loslatend. Kelk meest met vele klierenPleonotoma.12a.Schijf onder het vruchtbeginsel ontbrekend1312b.Schijf onder het vruchtbeginsel aanwezig, meest de basis van het vruchtbeginsel als een ring of een beker omgevend1413a.Helmknoppen en meest ook de bladeren geheel kaal. Kelk klokvormig met 5 zeer kleine tanden. Bloemkroon wit met rose of paars, met breede slippenCydista.13b.Helmknoppen, en meest ook de helmdraden en de bladeren behaard. Kelk als de vorige. Bloemkroon wit met geelLundia.14a.Bloemen met een zeer wijde en groote (tot 4 c.M. lange) kelk met een ongelijkeeenigszinstweelobbige zoom. Bloemkroon zeer groot, geel met roode streepen. Blaadjes groot en breedCallichlamys.14b.Kelk niet opvallend groot en wijd1515a.Bloemkroon gekromd1615b.Bloemkroon recht1716a.Kelk klokvormig, leerachtig, bijna ongetand, van buiten kort behaard. Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd. Vruchtbeginsel knobbelig. Takken kantig met lichtere verdikte overlangsche streepen. Vrucht breed, met stekels op de gewelfde kleppen. Bladeren dun, met eenigszins hartvormige voet. Bloemen wit of geelPithecoctenium.Keesi-keesi-kam.16b.Kelk klokvormig, met rechte rand, later een weinig ingescheurd, leerachtig. Bloemkroon leerachtig. Takken niet kantig en niet gestreept. Doosvrucht gladDistictis.17a.Het onderste deel van de bloemkroonbuis is eenigszins zakvormig verwijd met een stompe knobbel aan de voorkant. Kelk leerachtig, scheef, onregelmatig ingesneden. Bloemen in eindelingsche pluimen, rose tot paars, van buiten behaard. Vrucht zeer langParagonia.17b.Bloemkroon van onderen niet zakvormig verwijd, zonder knobbel aan één kant1818a.Ranken aan den top met 3 takken. Bloemen in zeer wijde en ijle bloeiwijzen. Kelk 2-lippig en onregelmatig4–5-spletig. Benedendeel van de bloemkroonbuis lang en dun; bloemen wit met lila. Vrucht zeer lang en smalMartinella.18b.Ranken niet vertakt; bloeiwijze niet zeer ijl1919a.Kelk leerachtig, meest met klieren, in den knop gesloten, later tweelippig zich openend. Lobben der kroon ongelijk; bloemen geel of wit, trechtervormig met lange buis. Blaadjes smalMemora.19b.Kelk regelmatig, of indien de kelk tweelippig is, dan is hij niet leerachtig2020a.Kelk met groote schotelvormige klieren aan de buitenkant. Zaadknoppen in elk hokje 2-rijig. Vrucht breed met gladde kleppenAdenocalymma.20b.Kelk zonder groote schotelvormige klieren2121a.Bloemkroon in den knop alleen aan den top met een behaarde plek, verder kaal. Kelk dun, wijd schotelvormig. Bloeiwijzen veelbloemig. Bladeren zeer dun-vliezig met krachtige nerven. Vrucht smal met platte kleppenPetastoma.21b.Bloemkroon niet met een behaarde plek aan den top. Bladeren niet vliezig2222a.Bloemen in een armbloemig, okselstandig bijscherm; schijf duidelijk gelobd, de onderste stengelbladeren soms enkelvoudig. Doosvrucht breed, met gestekelde kleppenClytostoma.22b.Schijf niet of onduidelijk gelobd; bloeiwijzen meest meerbloemig; doosvrucht glad2323a.Vrucht smal en lang. Zaadknoppen in elk hokje in 2 rijen. Kelk meest dunArrabidaea.23b.Vrucht breed, elliptisch. Zaadknoppen in elk hokje in 4 rijen. Kelk leerachtig. Bladeren met groote steunbladerenAnemopaegma.259.Pedaliaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf, sympetaal; meeldraden 4 of 2 met paarsgewijs samenhangende helmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–4-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen; hokjes van het vruchtbeginsel vaak met dwarstusschenschotten; vrucht een doosvrucht of een noot; kruiden met tegenoverstaande of naar boven verspreide bladeren; bloemen okselstandig of in trossen.Kruiden met afwisselende, smalle bladeren en okselstandige bloemen. Bloemkroon klokvormig met 5-lobbige zoom, waarvan de onderste lob het grootst is. Meeldraden 4, de 5demeeldraad is tot een klein staminodium gereduceerd. Vruchtbeginsel met één stijl met twee bladachtige stempels. Vrucht een doosvruchtSesamum.262.Gesneriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; bloemkroon sympetaal, min of meer 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms met 1 of 3 staminodiën, de helmknoppen paarsgewijs verbonden of alle samenhangend; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met twee wandstandige zaadlijsten met talrijke zaadknoppen; één stijl met een breede of 2-lobbige stempel; vrucht een doosvrucht of een bes met talrijke kleine zaden; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande, gaafrandige of getande bladeren en meest groote bloemen.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, kelk met 5, min of meer bladachtige slippen. Bloemkroon klokvormig en 5 breede slippen. Meeldraden 4 onder in de bloemkroon ingehecht met kruisgewijs verbonden helmknoppen. Schijf ringvormig. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Kruiden met tegenoverstaande bladeren; bloemen in de oksels van schutbladerenGloxinia.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig22a.Schijf bestaande uit een dikke soms wat scheeve ring. Meeldraden 4, de helmdraden aan de basis wat verbreed. Stempel 2-lobbig. Vrucht een bes, door de kelk omslotenBesleria.2b.Schijf niet ringvormig doch bestaande uit 1 of 2 schubben aan één zijde van het vruchtbeginsel gezeten33a.Helmhokjes door een breed en dik helmbindsel van elkaar gescheiden, niet evenwijdig loopend, kelkslippen 5, smal; bloemkroon min of meer klokvormig met wijde mond. Planten met dikke ± vleezige bladeren en kleine bloemen in de bladokselsCodonanthe.3b.Helmhokjes niet door een dik en breed helmbindsel van elkaar verwijderd; helmhokjes evenwijdig loopend44a.Helmdraden aan de basis tot een van achteren gespleten buis vergroeid. Kelkslippen meest niet groen gekleurd, ongelijk, breed, vaak getand. Bloemkroonbuis wijd met 5 afgeronde slippen. Helmknoppen vrij van elkaar. Schijf uit één groote schub bestaand. Heesterachtige plantenCrantzia.4b.Helmdraden van onderen niet of nauwelijks met elkaar vergroeid55a.Kelk klokvormig, 5-kantig of 5-vleugelig, met korte tanden; niet groen gekleurd. Bloemkroon wijd, cylindervormig. Helmdraden aan de basis verbreed, helmknoppen niet samenhangend. Schijf uit een schub bestaande. Kruiden, met meerdere bloemen in een bloeiwijze vereenigdTussacia.5b.Kelk diep 5-deelig66a.Kelkslippen smal. Bloemkroon met een lange buis, die meest wat gebogen is. Helmdraden van onderen een weinig vergroeid, de 5demeeldraad als klein staminodium zichtbaar. Schijf uit één groote schub bestaande. Stijl van boven verdikt. Kruiden, meest met tweekleurige bloemenEpiscia.6b.Kelkslippen groot en breed, bladachtig, ongelijk. Bloemkroonbuis van onderen opgeblazen en verwijd. Helmknoppen van onderen verbreed. Schijf uit een groote schub bestaande. Heesterachtige planten met dikke bladerenDrymonia.264.Lentibulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig zelden regelmatig, meest zygomorf, bloemkroon meest duidelijk 2-lippig; meeldraden zelden 5, meest 2, onder in de bloemkroon ingehecht;vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met een meest grondstandige zaadlijst; vrucht een 2–4-kleppige doosvrucht en dan veelzadig of een gesloten vrucht en dan 1-zadig; meest kruiden op vochtige plaatsen of in het water groeiend.1a.Kelk 4-deelig met ronde slippen aan den rand met lange tanden bezet. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd, met een spoor. Bovenlip 2-spletig; onderlip groot, 3-lobbig. Meeldraden 2, sterk gebogen. Doosvrucht meerzadig met 2 kleppen openspringend. Kleine kruiden met langwerpige, gaafrandige wortelstandige bladerenPolypompholyx.1b.Kelk 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd; bovenlip rechtopstaand, ingesneden of gaafrandig, onderlip groot, 3-deelig of gaafrandig. Meeldraden 2, dik en kort, sterk gebogen. Doosvrucht met 2 kleppen of onregelmatig of met een deksel openspringend. Land-, moeras-, of waterplantenUtricularia.266.Acanthaceae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms nog 1 of 3 staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht, 2-kleppig hokverbrekend openspringend, zelden een steenvrucht; zaden meest zittend op haakvormige uitgroeiïngen van de zaadsteel; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren; bloemen meest in aren of samengestelde aren.1a.Kelk aan den voet met 2 groote bladeren die aan de randen min of meer vergroeid zijn en den kelk inhullen. Meest klimplanten; bloemen in de bladoksels21b.Geen 2 groote bladeren onder de kelk; indien de kelk door bladeren omhuld wordt dan staan de bloemen in aren32a.Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven geleidelijk verwijd; zoom van de bloemkroon niet zeer breed. Planten meestal langharig. Vrucht min of meer besachtig, niet openspringend, rondMendoncia.2b.Bloemkroonbuis tamelijk wijd met een groote en breede, wijduitstaande zoom met bijna gelijke slippen. Bladeren meest wat pijlvormig. Vrucht een toegespitste doosvruchtThunbergia.3a.Bloemen met 4 meeldraden of met 2 meeldraden en 2 groote staminodiën43b.Bloemen met slechts 2 meeldraden104a.Bloemen in dichte zittende groepen in de bladoksels, schijnbaar in kransen rondom den stengel staand. Bloemkroon 2-lippig met een dunne naar boven geleidelijk wijder wordende buis. Stempel haakvormig. Bladeren smal en langHygrophila.4b.Bloemen in pluimen of aren of gesteeld en okselstandig55a.Bloemen zoo dicht op elkaar zittend dat ze aan het eind van den stengel een duidelijke aar vormen met of zonder dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren65b.Bloeiwijze los, niet dicht-aarvormig. Kelk gelijkmatig 5-spletig of de achterste kelkslip grooter of soms kelk 2-lippig. Bloemkroon verschillend van vorm, doch steeds met 5 ongeveer gelijke lobben, dus niet duidelijk 2-lippigRuellia.6a.Twee vruchtbare meeldraden en twee staminodiën aanwezig. Plant naar boven vertakt; elke tak in een aar eindigend met dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren, die min of meer droogvliezig, sterk geaderd en toegespitst zijn. Schutbladeren veel grooter dan de kelk. Bloemen met lange dunne buis, ver buiten de aar uitstekendEranthemum.6b.Alle meeldraden met stuifmeel77a.Bloemkroon onduidelijk 2-lippig of bijna regelmatig. Bloemen wit87b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig. Bloemkroon wit en lila en dan klein, of rood en dan groot98a.Aar tamelijk los met bladachtige breede schutbladeren, die veel grooter zijn dan de kelk. Bloemen 2 of 3 in de oksels der schutbladeren. Kelk 5-deelig, regelmatig, vrucht van binnen met duidelijke haken, met 6 of meer zaden in elke afdeelingBlechum.8b.Aar dicht, soms zeer klein; kelk 5-deelig, de bovenste slip breeder dan de andere. Schutbladeren niet opvallend breed en bladachtig; bloemen meest alleenstaand in de oksels der schutbladeren. Doosvrucht met vele zaden, van binnen zonder haken. Planten meest zeer kleinStaurogyne.9a.Bloemen vuurrood, meeste meerdere centimeters lang, duidelijk 2-lippig, in een smalle, eindstandige aar, waarvan de schutbladeren dicht over elkaar liggen. Schutbladeren vaak met tanden aan den top of aan den rand. Meeldraden buiten de bloemkroon uitstekend; planten rechtopstaand, onvertaktAphelandra.9b.Schutbladeren weinig grooter dan de kelk, droogvliezig, evenals de kelkslippen met een spitse punt. Bloemkroon wit, meest met lila teekening, nog niet 1 c.M. lang of meest nog kleiner. Meeldraden boven in de bloemkroonbuis ingehechtLepidagathis.10a.Bloemen in aren in den oksel van groote schutbladeren1110b.Bloemen niet in aren of als ze in aren staan, dan zijn er geen groote schutbladeren1211a.Meeldraden meest aan de basis met een kleine tand. Kelk kort. Bloemkroonbuis smal, naar boven weinig verwijd. Bovenlip lang en smal; onderlip breeder. Meeldraden buiten de buis uitstekendPachystachys.11b.Helmdraden zonder tand aan de basis. Kelk 4–5-deelig met gelijke smalle en spitse slippen. Bloemkroonbuis kort; bovenlip hol, onderlip meest breeder, vlak en 3-deelig. Helmbindsel min of meer verbreed; helmhokjes niet op gelijke hoogte ingehechtJusticia.12a.Kelk 5-tandig, klein, met gelijke tanden. Bloemkroonbuis boven de basis wat vernauwd, dan scheef in een buisvormige lange keel verwijd. Helmhokjes bijna op gelijke hoogte ingehecht; helmbindsel niet verbreed. Bloemen in éénzijdige arenDrejera.12b.Kelk 4–5-deelig1313a.Bloemkroonbuis kort, weinig verwijd. Bovenlip hol; onderlip breeder, vlak, 3-deelig. Meeldraden boven in de bloemkroon bevestigd. Helmhokjes aan het min of meer verbreede helmbindsel op verschillende hoogte ingehecht, doch meest evenwijdig aan elkaarJusticia.13b.Bloemkroonbuis lang, dun, meest recht. Bovenlip vaak gebogen, 2-tandig. Onderlip diep 3-deelig, de middenlob het grootst. Helmbindsel breed, de helmhokjes niet evenwijdig met elkaar loopendBeloperone.13c.Planten van het uiterlijk van de beide vorige, maar ervan verschillend alleen door den vorm van het stuifmeel, dat bij Justicia en Beloperone met rijen van kleine knobbeltjes bezet is, terwijl bij Rhacodiscus het stuifmeel geheel gestekeld isRhacodiscus.

249.Convolvulaceae.Bloemen 5–4-tallig, meest regelmatig en tweeslachtig; bloemkroon vergroeidbladig, meest in de knop geplooid; meeldraden aan de basis van de kroon ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 2-, zelden 3–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht een doosvrucht, zelden 4 deelvruchten; meest kruiden, vaak links windend, zelden houtige planten, meest met groote bloemen; melksap vaak aanwezig.1a.Parasieten zonder groene bladeren, met zeer dunne windende stengels. Bloemen klein, meest 5-tallig in dichte groepen aan den stengel gezeten, met een bekervormige bloemkroonCuscuta.1b.Planten met groene bladeren22a.Kleine, niet windende kruiden met kleine (± 1 c.M. groote of kleinere) eivormige of lancetvormige blaadjes, en zeer kleine (± ½ c.M.) bloemen, die òf alleen staan in de oksel van de bladeren òf in weinigbloemige bijschermen. Stijl met 2 draadvormige stempels; vruchtbeginsel kaal; doosvrucht met 4 kleppen openspringendEvolvulus.2b.Krachtige, meest klimmende kruiden of heesters met groote bladeren en bloemen33a.Lianen of heesters met eironde, leerachtige, kale bladeren en vrij groote of groote bloemen in eindelingsche pluimen. Kroon van buiten behaard, aan den rand weinig ingesneden, rose tot lila; de meeldraden niet buiten de kroon uitstekend. Stijl lang met een bolvormige, onduidelijk 2-lobbige stempel. Vrucht leerachtig of houtig, niet openspringendMaripa.Patawana.3b.Kruiden of kleine heesters, meest windend met kruidachtige meest wat hartvormige of ingesneden of samengestelde bladeren en openspringende dunwandige vruchten44a.Stijlen 2 of een 2-spletige stijl met aan iedere tak een bolvormige stempel. Kelkbladeren vliezig, kaal, de 2 buitenste veel grooter dan de 3 binnenste; bloemkroon van buiten behaard op 5 kale plekken na. Windende heesters met groote elliptische bladeren en okselstandige bloeiwijzenPrevostia.4b.Slechts 1 stijl aanwezig met 2 stempels of met één bolvormige of gelobde stempel55a.De buitenste 3 kelkbladeren veel grooter dan de 2 binnenste, eirond, langs den bloemsteel een weinig afloopend; bloemkroon wijd-buisvormig; meest wit. Windende kruiden met aan den voet versmalde bladeren, aan den bladtop een puntjeAniseia.5b.Alle kelkbladeren ongeveer even groot66a.Bloeiwijzen in de bladoksels op lange steelen staande, aan welks einde de bloemen in dichte hoofdjes zitten, omgeven door talrijke schutbladeren. Bloemen wit, blauw of rose, klein of vrij groot. Stijl aan den top met 2 duidelijk gescheiden eironde of langwerpige stempels. Vrucht met 8 of met 4 kleppen openspringend. Windende kruiden of heesters, meest fluweelachtig behaard met niet-ingesneden bladerenJacquemontia.6b.Bloemen òf alleenstaand òf slechts weinige bijeen in de bladoksels of indien meerdere bloemen in een schermvormige bloeiwijze zitten, dan zijn er geen duidelijke bracteeën aanwezig. Stempel gaaf of 2-lobbig77a.Vrucht met een deksel openspringend. Bloemen zeer groot, één of zeer weinige in de bladoksels; kelkbladeren groot, eirond, min of meer papierachtig; na de bloei vergroot; bloemkroon wijd-klokvormig, wit of geelachtig; stempel 2-lobbig. Stengels, blad- en bloemsteelen meest gevleugeld. Bladeren hartvormig, niet ingesnedenOperculina.7b.Vrucht met kleppen openspringend. Bladeren vaak (niet altijd) gelobd, gedeeld of samengesteld. Stengels niet gevleugeld88a.Stuifmeelkorrels glad. Bloemkroon met 5 donkere aderen, die met de kelkbladeren afwisselen, zelden zonder aderen, (maar dan zijn de bladeren niet gelobd of gedeeld of samengesteld). Bloemen okselstandig, met een lange steel, alleenstaand of in weinig- of veelbloemige bijschermen. Bloemen wit of geel. Meest windende plantenMerremia.(Ipomoea,Pharbitis).8b.Stuifmeelkorrels met stekels bezet. Bloemkroon zonder donkere aderen. Bloemen zelden wit, meest paars of rose of rood. Overigens als de vorigeIpomoea.(Calonyction,Quamoclit,Pharbitis).

249.Convolvulaceae.

Bloemen 5–4-tallig, meest regelmatig en tweeslachtig; bloemkroon vergroeidbladig, meest in de knop geplooid; meeldraden aan de basis van de kroon ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 2-, zelden 3–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht een doosvrucht, zelden 4 deelvruchten; meest kruiden, vaak links windend, zelden houtige planten, meest met groote bloemen; melksap vaak aanwezig.1a.Parasieten zonder groene bladeren, met zeer dunne windende stengels. Bloemen klein, meest 5-tallig in dichte groepen aan den stengel gezeten, met een bekervormige bloemkroonCuscuta.1b.Planten met groene bladeren22a.Kleine, niet windende kruiden met kleine (± 1 c.M. groote of kleinere) eivormige of lancetvormige blaadjes, en zeer kleine (± ½ c.M.) bloemen, die òf alleen staan in de oksel van de bladeren òf in weinigbloemige bijschermen. Stijl met 2 draadvormige stempels; vruchtbeginsel kaal; doosvrucht met 4 kleppen openspringendEvolvulus.2b.Krachtige, meest klimmende kruiden of heesters met groote bladeren en bloemen33a.Lianen of heesters met eironde, leerachtige, kale bladeren en vrij groote of groote bloemen in eindelingsche pluimen. Kroon van buiten behaard, aan den rand weinig ingesneden, rose tot lila; de meeldraden niet buiten de kroon uitstekend. Stijl lang met een bolvormige, onduidelijk 2-lobbige stempel. Vrucht leerachtig of houtig, niet openspringendMaripa.Patawana.3b.Kruiden of kleine heesters, meest windend met kruidachtige meest wat hartvormige of ingesneden of samengestelde bladeren en openspringende dunwandige vruchten44a.Stijlen 2 of een 2-spletige stijl met aan iedere tak een bolvormige stempel. Kelkbladeren vliezig, kaal, de 2 buitenste veel grooter dan de 3 binnenste; bloemkroon van buiten behaard op 5 kale plekken na. Windende heesters met groote elliptische bladeren en okselstandige bloeiwijzenPrevostia.4b.Slechts 1 stijl aanwezig met 2 stempels of met één bolvormige of gelobde stempel55a.De buitenste 3 kelkbladeren veel grooter dan de 2 binnenste, eirond, langs den bloemsteel een weinig afloopend; bloemkroon wijd-buisvormig; meest wit. Windende kruiden met aan den voet versmalde bladeren, aan den bladtop een puntjeAniseia.5b.Alle kelkbladeren ongeveer even groot66a.Bloeiwijzen in de bladoksels op lange steelen staande, aan welks einde de bloemen in dichte hoofdjes zitten, omgeven door talrijke schutbladeren. Bloemen wit, blauw of rose, klein of vrij groot. Stijl aan den top met 2 duidelijk gescheiden eironde of langwerpige stempels. Vrucht met 8 of met 4 kleppen openspringend. Windende kruiden of heesters, meest fluweelachtig behaard met niet-ingesneden bladerenJacquemontia.6b.Bloemen òf alleenstaand òf slechts weinige bijeen in de bladoksels of indien meerdere bloemen in een schermvormige bloeiwijze zitten, dan zijn er geen duidelijke bracteeën aanwezig. Stempel gaaf of 2-lobbig77a.Vrucht met een deksel openspringend. Bloemen zeer groot, één of zeer weinige in de bladoksels; kelkbladeren groot, eirond, min of meer papierachtig; na de bloei vergroot; bloemkroon wijd-klokvormig, wit of geelachtig; stempel 2-lobbig. Stengels, blad- en bloemsteelen meest gevleugeld. Bladeren hartvormig, niet ingesnedenOperculina.7b.Vrucht met kleppen openspringend. Bladeren vaak (niet altijd) gelobd, gedeeld of samengesteld. Stengels niet gevleugeld88a.Stuifmeelkorrels glad. Bloemkroon met 5 donkere aderen, die met de kelkbladeren afwisselen, zelden zonder aderen, (maar dan zijn de bladeren niet gelobd of gedeeld of samengesteld). Bloemen okselstandig, met een lange steel, alleenstaand of in weinig- of veelbloemige bijschermen. Bloemen wit of geel. Meest windende plantenMerremia.(Ipomoea,Pharbitis).8b.Stuifmeelkorrels met stekels bezet. Bloemkroon zonder donkere aderen. Bloemen zelden wit, meest paars of rose of rood. Overigens als de vorigeIpomoea.(Calonyction,Quamoclit,Pharbitis).

Bloemen 5–4-tallig, meest regelmatig en tweeslachtig; bloemkroon vergroeidbladig, meest in de knop geplooid; meeldraden aan de basis van de kroon ingehecht; vruchtbeginsel bovenstandig, meest 2-, zelden 3–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht een doosvrucht, zelden 4 deelvruchten; meest kruiden, vaak links windend, zelden houtige planten, meest met groote bloemen; melksap vaak aanwezig.

1a.Parasieten zonder groene bladeren, met zeer dunne windende stengels. Bloemen klein, meest 5-tallig in dichte groepen aan den stengel gezeten, met een bekervormige bloemkroonCuscuta.

1b.Planten met groene bladeren2

2a.Kleine, niet windende kruiden met kleine (± 1 c.M. groote of kleinere) eivormige of lancetvormige blaadjes, en zeer kleine (± ½ c.M.) bloemen, die òf alleen staan in de oksel van de bladeren òf in weinigbloemige bijschermen. Stijl met 2 draadvormige stempels; vruchtbeginsel kaal; doosvrucht met 4 kleppen openspringendEvolvulus.

2b.Krachtige, meest klimmende kruiden of heesters met groote bladeren en bloemen3

3a.Lianen of heesters met eironde, leerachtige, kale bladeren en vrij groote of groote bloemen in eindelingsche pluimen. Kroon van buiten behaard, aan den rand weinig ingesneden, rose tot lila; de meeldraden niet buiten de kroon uitstekend. Stijl lang met een bolvormige, onduidelijk 2-lobbige stempel. Vrucht leerachtig of houtig, niet openspringendMaripa.Patawana.

3b.Kruiden of kleine heesters, meest windend met kruidachtige meest wat hartvormige of ingesneden of samengestelde bladeren en openspringende dunwandige vruchten4

4a.Stijlen 2 of een 2-spletige stijl met aan iedere tak een bolvormige stempel. Kelkbladeren vliezig, kaal, de 2 buitenste veel grooter dan de 3 binnenste; bloemkroon van buiten behaard op 5 kale plekken na. Windende heesters met groote elliptische bladeren en okselstandige bloeiwijzenPrevostia.

4b.Slechts 1 stijl aanwezig met 2 stempels of met één bolvormige of gelobde stempel5

5a.De buitenste 3 kelkbladeren veel grooter dan de 2 binnenste, eirond, langs den bloemsteel een weinig afloopend; bloemkroon wijd-buisvormig; meest wit. Windende kruiden met aan den voet versmalde bladeren, aan den bladtop een puntjeAniseia.

5b.Alle kelkbladeren ongeveer even groot6

6a.Bloeiwijzen in de bladoksels op lange steelen staande, aan welks einde de bloemen in dichte hoofdjes zitten, omgeven door talrijke schutbladeren. Bloemen wit, blauw of rose, klein of vrij groot. Stijl aan den top met 2 duidelijk gescheiden eironde of langwerpige stempels. Vrucht met 8 of met 4 kleppen openspringend. Windende kruiden of heesters, meest fluweelachtig behaard met niet-ingesneden bladerenJacquemontia.

6b.Bloemen òf alleenstaand òf slechts weinige bijeen in de bladoksels of indien meerdere bloemen in een schermvormige bloeiwijze zitten, dan zijn er geen duidelijke bracteeën aanwezig. Stempel gaaf of 2-lobbig7

7a.Vrucht met een deksel openspringend. Bloemen zeer groot, één of zeer weinige in de bladoksels; kelkbladeren groot, eirond, min of meer papierachtig; na de bloei vergroot; bloemkroon wijd-klokvormig, wit of geelachtig; stempel 2-lobbig. Stengels, blad- en bloemsteelen meest gevleugeld. Bladeren hartvormig, niet ingesnedenOperculina.

7b.Vrucht met kleppen openspringend. Bladeren vaak (niet altijd) gelobd, gedeeld of samengesteld. Stengels niet gevleugeld8

8a.Stuifmeelkorrels glad. Bloemkroon met 5 donkere aderen, die met de kelkbladeren afwisselen, zelden zonder aderen, (maar dan zijn de bladeren niet gelobd of gedeeld of samengesteld). Bloemen okselstandig, met een lange steel, alleenstaand of in weinig- of veelbloemige bijschermen. Bloemen wit of geel. Meest windende plantenMerremia.(Ipomoea,Pharbitis).

8b.Stuifmeelkorrels met stekels bezet. Bloemkroon zonder donkere aderen. Bloemen zelden wit, meest paars of rose of rood. Overigens als de vorigeIpomoea.(Calonyction,Quamoclit,Pharbitis).

251.Hydrophyllaceae.Bloemen meest 5-tallig tweeslachtig regelmatig, sympetaal, slippen in de knop meest met de randen tegen elkaar liggend, zelden gedraaid; meeldraden 5, zelden 4 of meer dan 5; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot talrijke zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren.Kelk diep ingesneden met 5 spitse slippen. Bloemkroon met korte buis, blauw. Meeldraden onder in de buis ingehecht. Helmknoppen pijlvormig. Vruchtbeginsel met 2, zelden met 3 stijlen. Doosvrucht dunwandig. Bloeiwijze een losse pluim. Bladeren verspreid; plant klierachtig behaard, meestal met dorensHydrolea.Swietie-watra-kraroen.

251.Hydrophyllaceae.

Bloemen meest 5-tallig tweeslachtig regelmatig, sympetaal, slippen in de knop meest met de randen tegen elkaar liggend, zelden gedraaid; meeldraden 5, zelden 4 of meer dan 5; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot talrijke zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren.Kelk diep ingesneden met 5 spitse slippen. Bloemkroon met korte buis, blauw. Meeldraden onder in de buis ingehecht. Helmknoppen pijlvormig. Vruchtbeginsel met 2, zelden met 3 stijlen. Doosvrucht dunwandig. Bloeiwijze een losse pluim. Bladeren verspreid; plant klierachtig behaard, meestal met dorensHydrolea.Swietie-watra-kraroen.

Bloemen meest 5-tallig tweeslachtig regelmatig, sympetaal, slippen in de knop meest met de randen tegen elkaar liggend, zelden gedraaid; meeldraden 5, zelden 4 of meer dan 5; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot talrijke zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of 2; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren.

Kelk diep ingesneden met 5 spitse slippen. Bloemkroon met korte buis, blauw. Meeldraden onder in de buis ingehecht. Helmknoppen pijlvormig. Vruchtbeginsel met 2, zelden met 3 stijlen. Doosvrucht dunwandig. Bloeiwijze een losse pluim. Bladeren verspreid; plant klierachtig behaard, meestal met dorensHydrolea.Swietie-watra-kraroen.

252.Borraginaceae.Bloemen 5-, zelden 6-veeltallig, meest 2-slachtig, regelmatig, soms zygomorf, sympetaal, slippen in de knop met de randen over elkaar liggend, al of nietgedraaid; vaak met schubben van binnen; vruchtbeginsel 2-hokkig, met 2 zaadknoppen in ieder hokje, soms 4-hokkig, ongedeeld of 4-deelig; stijl 1, enkelvoudig of 2-deelig, of elke tak nog eens gedeeld; vrucht een steenvrucht of in 4 nootjes uiteenvallend; kruiden of houtige planten, vaak ruwhaarig of borstelig, zelden met tegenoverstaande, meest met verspreide, enkelvoudige bladeren, bloeiwijzen sikkelvormig.1a.Stijl van boven gespleten, elke tak nog eenmaal gespleten, zoodat er in het geheel 4 stempels zijn, kelk buis- of klokvormig, 3–5-tandig. Bloemkroon trechter-, klok- of schotelvormig, meest 5-tallig. Meeldraden 5, in de buis ingehecht. Vrucht een steenvrucht, die door de kelk ten deel wordt omhuld, en 1 pit heeft, die 4–1 zaden bevat. Boomen of heestersCordia.1b.Stijl van boven niet gedeeld, doch een tweelobbige stempel met een behaarde verdikte ring eronder22a.Vrucht een steenvrucht, besachtig of tamelijk droog met 2 of 4 pitten. Kelk 5-deelig met smalle slippen. Bloemkroonslippen aan den top niet naar binnen gebogen. Meeldraden niet uit de buis uitstekend. Heesters, zelden boomenTournefortia.2b.Vrucht in 4 nootjes uiteenvallend of eerst in tweeën gedeeld, en daarna ieder stuk in twee nootjes uiteenvallend. Kelk en bloemen als de vorige, doch bloemkroonslippen meest met naar binnen gebogen top. Meest kruiden, zelden een weinig heesterachtigHeliotropium.

252.Borraginaceae.

Bloemen 5-, zelden 6-veeltallig, meest 2-slachtig, regelmatig, soms zygomorf, sympetaal, slippen in de knop met de randen over elkaar liggend, al of nietgedraaid; vaak met schubben van binnen; vruchtbeginsel 2-hokkig, met 2 zaadknoppen in ieder hokje, soms 4-hokkig, ongedeeld of 4-deelig; stijl 1, enkelvoudig of 2-deelig, of elke tak nog eens gedeeld; vrucht een steenvrucht of in 4 nootjes uiteenvallend; kruiden of houtige planten, vaak ruwhaarig of borstelig, zelden met tegenoverstaande, meest met verspreide, enkelvoudige bladeren, bloeiwijzen sikkelvormig.1a.Stijl van boven gespleten, elke tak nog eenmaal gespleten, zoodat er in het geheel 4 stempels zijn, kelk buis- of klokvormig, 3–5-tandig. Bloemkroon trechter-, klok- of schotelvormig, meest 5-tallig. Meeldraden 5, in de buis ingehecht. Vrucht een steenvrucht, die door de kelk ten deel wordt omhuld, en 1 pit heeft, die 4–1 zaden bevat. Boomen of heestersCordia.1b.Stijl van boven niet gedeeld, doch een tweelobbige stempel met een behaarde verdikte ring eronder22a.Vrucht een steenvrucht, besachtig of tamelijk droog met 2 of 4 pitten. Kelk 5-deelig met smalle slippen. Bloemkroonslippen aan den top niet naar binnen gebogen. Meeldraden niet uit de buis uitstekend. Heesters, zelden boomenTournefortia.2b.Vrucht in 4 nootjes uiteenvallend of eerst in tweeën gedeeld, en daarna ieder stuk in twee nootjes uiteenvallend. Kelk en bloemen als de vorige, doch bloemkroonslippen meest met naar binnen gebogen top. Meest kruiden, zelden een weinig heesterachtigHeliotropium.

Bloemen 5-, zelden 6-veeltallig, meest 2-slachtig, regelmatig, soms zygomorf, sympetaal, slippen in de knop met de randen over elkaar liggend, al of nietgedraaid; vaak met schubben van binnen; vruchtbeginsel 2-hokkig, met 2 zaadknoppen in ieder hokje, soms 4-hokkig, ongedeeld of 4-deelig; stijl 1, enkelvoudig of 2-deelig, of elke tak nog eens gedeeld; vrucht een steenvrucht of in 4 nootjes uiteenvallend; kruiden of houtige planten, vaak ruwhaarig of borstelig, zelden met tegenoverstaande, meest met verspreide, enkelvoudige bladeren, bloeiwijzen sikkelvormig.

1a.Stijl van boven gespleten, elke tak nog eenmaal gespleten, zoodat er in het geheel 4 stempels zijn, kelk buis- of klokvormig, 3–5-tandig. Bloemkroon trechter-, klok- of schotelvormig, meest 5-tallig. Meeldraden 5, in de buis ingehecht. Vrucht een steenvrucht, die door de kelk ten deel wordt omhuld, en 1 pit heeft, die 4–1 zaden bevat. Boomen of heestersCordia.

1b.Stijl van boven niet gedeeld, doch een tweelobbige stempel met een behaarde verdikte ring eronder2

2a.Vrucht een steenvrucht, besachtig of tamelijk droog met 2 of 4 pitten. Kelk 5-deelig met smalle slippen. Bloemkroonslippen aan den top niet naar binnen gebogen. Meeldraden niet uit de buis uitstekend. Heesters, zelden boomenTournefortia.

2b.Vrucht in 4 nootjes uiteenvallend of eerst in tweeën gedeeld, en daarna ieder stuk in twee nootjes uiteenvallend. Kelk en bloemen als de vorige, doch bloemkroonslippen meest met naar binnen gebogen top. Meest kruiden, zelden een weinig heesterachtigHeliotropium.

253.Verbenaceae.Bloemen 5–4-, zelden 6–8-tallig, meest tweeslachtig, zelden regelmatig, bijna steeds zygomorf; kelkbladeren vergroeid; kroon vergroeidbladig met vaak lange soms gekromde buis en vaak 2-lippige zoom; meeldraden meest 4, tweemachtig, of 2 en 2–3 staminodiën, vruchtbeginsel 2-, zelden 4–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje, meest door vorming van een valsch tusschenschot 4-hokkig; 1 stijl; vrucht meest een 2–4-hokkige steenvrucht, soms een splitvrucht; kruiden of houtige planten met meest tegenoverstaande of kransstandige, zelden verspreide bladeren, die enkelvoudig of samengesteld zijn.1a.Heesters of boomen met handvormig samengestelde tegenoverstaande bladeren. Kelk 5-tandig tot 5-spletig. Bloemkroon vrij klein met rechte of gekromde buis en uitgebreide scheeve, 5-lobbige zoom. Meeldraden 2-machtig. Stijl met 2-spletige stempelVitex.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen in bijschermen, d. w. z. de hoofdas van de bloeiwijze vertakt zich herhaaldelijk en ten slotte eindigt elk takje in een bloem; soms ook is het bijscherm tot een enkele okselstandige bloem verkort32b.Bloemen in aren of trossen, dus de hoofdas van de bloeiwijze is onvertakt43a.Boomen, die in de mangrove voorkomen. Bloemkroon bijna regelmatig 4-spletig met ronde slippen. Eindtakken der bloeiwijze in hoofdjes van zittende bloemen eindigendAvicennia.Parwa.3b.Bloemkroon met een vaak zeer lange buis en 5-lobbige zoom; lobben bijna gelijk of ongelijk. Meeldraden meest buiten de buis uitstekend. Bloemen soms alleenstaand in de bladoksels. Heesters of boomen, met of zonder dorensClerodendron.3c.Bloemen in eindelingsche of okselstandige veelbloemige pluimen, meest4-talligmet regelmatige en korte bloemkroon. Meeldradenboven in de bloemkroonbuis ingehecht. Vrucht een bes, in de vergroote kelk zittend. Heesters of boomenAegiphila.4a.Rechtopstaande, onvertakte kleine (± ½ meter) heesters met een eindelingsche bloemtros; bloemen geel in den oksel staande van groote roode schutbladeren. Kelk breed klokvormig; bloemkroon met een lange buis, onduidelijk 2-lippig. Vrucht een bes. Bladeren lang en smalAmasonia.4b.Geen opvallend gekleurde schutbladeren aanwezig55a.Bloemen dichtgedrongen in okselstandige bolvormige of een weinig verlengde hoofdjes65b.Bloemen in losse of lange aren of trossen76a.Kelk ongetand of met zeer kleine tanden. Zoom van de bloemkroon onduidelijk 2-lippig, 4–5-spletig. Heesters of kruiden. Bladeren tegenoverstaand of in 3-tallige kransen, meest ruw, doch niet viltigLantana.Koorsoe-wiwirie.6b.Kelk met een 2-ribbige of 2-vleugelige buis, 2–4-spletig of 4-tandig. Bloemkroon 4-lobbig met kleine zoom. Bladeren viltig behaard, meest ook ruwLippia.7a.Bloemen zittend in eindelingsche dunne en lange aren in de oksel van kleine schubvormige schutbladeren; as van de aar vaak met holten, waarin de vrucht ten deele opgesloten is, en welke holte van buiten door het schutblad is afgesloten. Kelkbuis lang en dun, 5-tandig. Bloemkroon met lange dunne buis, met 2 meeldraden en 2 kleine staminodiën. Planten niet klimmend. Bladeren grof getandStachytarpheta.7b.Bloemen in ijle trossen88a.Lianen met zeer ruwe bladeren. Bloemen blauw of paars in okselstandige trossen; kelk opvallend groot met korte buis en 5 breede slippen, die meest langer zijn dan de bloemkroon en evenzoo gekleurd; kelk na het bloeien vergroot, vliezig wordend en netvormig geaderdPetraea.8b.Kelkslippen niet opvallend groot en gekleurd99a.Boomen; kelk buis-klokvormig met korte tanden; bloemkroon met uitgebreide 5-spletige zoom. Bloemen in eindelingsche trossen, wit. Vrucht een bes, van onderen door de kelk omslotenCitharexylum.9b.Heesters of kruiden1010a.Kelk klokvormig met 5 ribben, die ieder in een tand eindigen. Bloemkroon met cylindervormige, naar boven verwijde buis en scheeve 5-lobbige zoom. Meeldraden ter halver hoogte in de buis ingehecht. Vertakte heesters met okselstandige weinig-bloemige trossen. Bladeren kleinTamonea.10b.Kelk buisvormig, na de bloei verwijd, de vrucht geheel insluitend en aan den mond vernauwd. Zoom van de bloemkroon scheef, 5-lobbig. Vrucht uiteenvallend in 2 borstelige steenen. Bloemen in losse eind- of okselstandige aren. Bladeren vrij groot, gezaagdPriva.

253.Verbenaceae.

Bloemen 5–4-, zelden 6–8-tallig, meest tweeslachtig, zelden regelmatig, bijna steeds zygomorf; kelkbladeren vergroeid; kroon vergroeidbladig met vaak lange soms gekromde buis en vaak 2-lippige zoom; meeldraden meest 4, tweemachtig, of 2 en 2–3 staminodiën, vruchtbeginsel 2-, zelden 4–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje, meest door vorming van een valsch tusschenschot 4-hokkig; 1 stijl; vrucht meest een 2–4-hokkige steenvrucht, soms een splitvrucht; kruiden of houtige planten met meest tegenoverstaande of kransstandige, zelden verspreide bladeren, die enkelvoudig of samengesteld zijn.1a.Heesters of boomen met handvormig samengestelde tegenoverstaande bladeren. Kelk 5-tandig tot 5-spletig. Bloemkroon vrij klein met rechte of gekromde buis en uitgebreide scheeve, 5-lobbige zoom. Meeldraden 2-machtig. Stijl met 2-spletige stempelVitex.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen in bijschermen, d. w. z. de hoofdas van de bloeiwijze vertakt zich herhaaldelijk en ten slotte eindigt elk takje in een bloem; soms ook is het bijscherm tot een enkele okselstandige bloem verkort32b.Bloemen in aren of trossen, dus de hoofdas van de bloeiwijze is onvertakt43a.Boomen, die in de mangrove voorkomen. Bloemkroon bijna regelmatig 4-spletig met ronde slippen. Eindtakken der bloeiwijze in hoofdjes van zittende bloemen eindigendAvicennia.Parwa.3b.Bloemkroon met een vaak zeer lange buis en 5-lobbige zoom; lobben bijna gelijk of ongelijk. Meeldraden meest buiten de buis uitstekend. Bloemen soms alleenstaand in de bladoksels. Heesters of boomen, met of zonder dorensClerodendron.3c.Bloemen in eindelingsche of okselstandige veelbloemige pluimen, meest4-talligmet regelmatige en korte bloemkroon. Meeldradenboven in de bloemkroonbuis ingehecht. Vrucht een bes, in de vergroote kelk zittend. Heesters of boomenAegiphila.4a.Rechtopstaande, onvertakte kleine (± ½ meter) heesters met een eindelingsche bloemtros; bloemen geel in den oksel staande van groote roode schutbladeren. Kelk breed klokvormig; bloemkroon met een lange buis, onduidelijk 2-lippig. Vrucht een bes. Bladeren lang en smalAmasonia.4b.Geen opvallend gekleurde schutbladeren aanwezig55a.Bloemen dichtgedrongen in okselstandige bolvormige of een weinig verlengde hoofdjes65b.Bloemen in losse of lange aren of trossen76a.Kelk ongetand of met zeer kleine tanden. Zoom van de bloemkroon onduidelijk 2-lippig, 4–5-spletig. Heesters of kruiden. Bladeren tegenoverstaand of in 3-tallige kransen, meest ruw, doch niet viltigLantana.Koorsoe-wiwirie.6b.Kelk met een 2-ribbige of 2-vleugelige buis, 2–4-spletig of 4-tandig. Bloemkroon 4-lobbig met kleine zoom. Bladeren viltig behaard, meest ook ruwLippia.7a.Bloemen zittend in eindelingsche dunne en lange aren in de oksel van kleine schubvormige schutbladeren; as van de aar vaak met holten, waarin de vrucht ten deele opgesloten is, en welke holte van buiten door het schutblad is afgesloten. Kelkbuis lang en dun, 5-tandig. Bloemkroon met lange dunne buis, met 2 meeldraden en 2 kleine staminodiën. Planten niet klimmend. Bladeren grof getandStachytarpheta.7b.Bloemen in ijle trossen88a.Lianen met zeer ruwe bladeren. Bloemen blauw of paars in okselstandige trossen; kelk opvallend groot met korte buis en 5 breede slippen, die meest langer zijn dan de bloemkroon en evenzoo gekleurd; kelk na het bloeien vergroot, vliezig wordend en netvormig geaderdPetraea.8b.Kelkslippen niet opvallend groot en gekleurd99a.Boomen; kelk buis-klokvormig met korte tanden; bloemkroon met uitgebreide 5-spletige zoom. Bloemen in eindelingsche trossen, wit. Vrucht een bes, van onderen door de kelk omslotenCitharexylum.9b.Heesters of kruiden1010a.Kelk klokvormig met 5 ribben, die ieder in een tand eindigen. Bloemkroon met cylindervormige, naar boven verwijde buis en scheeve 5-lobbige zoom. Meeldraden ter halver hoogte in de buis ingehecht. Vertakte heesters met okselstandige weinig-bloemige trossen. Bladeren kleinTamonea.10b.Kelk buisvormig, na de bloei verwijd, de vrucht geheel insluitend en aan den mond vernauwd. Zoom van de bloemkroon scheef, 5-lobbig. Vrucht uiteenvallend in 2 borstelige steenen. Bloemen in losse eind- of okselstandige aren. Bladeren vrij groot, gezaagdPriva.

Bloemen 5–4-, zelden 6–8-tallig, meest tweeslachtig, zelden regelmatig, bijna steeds zygomorf; kelkbladeren vergroeid; kroon vergroeidbladig met vaak lange soms gekromde buis en vaak 2-lippige zoom; meeldraden meest 4, tweemachtig, of 2 en 2–3 staminodiën, vruchtbeginsel 2-, zelden 4–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje, meest door vorming van een valsch tusschenschot 4-hokkig; 1 stijl; vrucht meest een 2–4-hokkige steenvrucht, soms een splitvrucht; kruiden of houtige planten met meest tegenoverstaande of kransstandige, zelden verspreide bladeren, die enkelvoudig of samengesteld zijn.

1a.Heesters of boomen met handvormig samengestelde tegenoverstaande bladeren. Kelk 5-tandig tot 5-spletig. Bloemkroon vrij klein met rechte of gekromde buis en uitgebreide scheeve, 5-lobbige zoom. Meeldraden 2-machtig. Stijl met 2-spletige stempelVitex.

1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld2

2a.Bloemen in bijschermen, d. w. z. de hoofdas van de bloeiwijze vertakt zich herhaaldelijk en ten slotte eindigt elk takje in een bloem; soms ook is het bijscherm tot een enkele okselstandige bloem verkort3

2b.Bloemen in aren of trossen, dus de hoofdas van de bloeiwijze is onvertakt4

3a.Boomen, die in de mangrove voorkomen. Bloemkroon bijna regelmatig 4-spletig met ronde slippen. Eindtakken der bloeiwijze in hoofdjes van zittende bloemen eindigendAvicennia.Parwa.

3b.Bloemkroon met een vaak zeer lange buis en 5-lobbige zoom; lobben bijna gelijk of ongelijk. Meeldraden meest buiten de buis uitstekend. Bloemen soms alleenstaand in de bladoksels. Heesters of boomen, met of zonder dorensClerodendron.

3c.Bloemen in eindelingsche of okselstandige veelbloemige pluimen, meest4-talligmet regelmatige en korte bloemkroon. Meeldradenboven in de bloemkroonbuis ingehecht. Vrucht een bes, in de vergroote kelk zittend. Heesters of boomenAegiphila.

4a.Rechtopstaande, onvertakte kleine (± ½ meter) heesters met een eindelingsche bloemtros; bloemen geel in den oksel staande van groote roode schutbladeren. Kelk breed klokvormig; bloemkroon met een lange buis, onduidelijk 2-lippig. Vrucht een bes. Bladeren lang en smalAmasonia.

4b.Geen opvallend gekleurde schutbladeren aanwezig5

5a.Bloemen dichtgedrongen in okselstandige bolvormige of een weinig verlengde hoofdjes6

5b.Bloemen in losse of lange aren of trossen7

6a.Kelk ongetand of met zeer kleine tanden. Zoom van de bloemkroon onduidelijk 2-lippig, 4–5-spletig. Heesters of kruiden. Bladeren tegenoverstaand of in 3-tallige kransen, meest ruw, doch niet viltigLantana.Koorsoe-wiwirie.

6b.Kelk met een 2-ribbige of 2-vleugelige buis, 2–4-spletig of 4-tandig. Bloemkroon 4-lobbig met kleine zoom. Bladeren viltig behaard, meest ook ruwLippia.

7a.Bloemen zittend in eindelingsche dunne en lange aren in de oksel van kleine schubvormige schutbladeren; as van de aar vaak met holten, waarin de vrucht ten deele opgesloten is, en welke holte van buiten door het schutblad is afgesloten. Kelkbuis lang en dun, 5-tandig. Bloemkroon met lange dunne buis, met 2 meeldraden en 2 kleine staminodiën. Planten niet klimmend. Bladeren grof getandStachytarpheta.

7b.Bloemen in ijle trossen8

8a.Lianen met zeer ruwe bladeren. Bloemen blauw of paars in okselstandige trossen; kelk opvallend groot met korte buis en 5 breede slippen, die meest langer zijn dan de bloemkroon en evenzoo gekleurd; kelk na het bloeien vergroot, vliezig wordend en netvormig geaderdPetraea.

8b.Kelkslippen niet opvallend groot en gekleurd9

9a.Boomen; kelk buis-klokvormig met korte tanden; bloemkroon met uitgebreide 5-spletige zoom. Bloemen in eindelingsche trossen, wit. Vrucht een bes, van onderen door de kelk omslotenCitharexylum.

9b.Heesters of kruiden10

10a.Kelk klokvormig met 5 ribben, die ieder in een tand eindigen. Bloemkroon met cylindervormige, naar boven verwijde buis en scheeve 5-lobbige zoom. Meeldraden ter halver hoogte in de buis ingehecht. Vertakte heesters met okselstandige weinig-bloemige trossen. Bladeren kleinTamonea.

10b.Kelk buisvormig, na de bloei verwijd, de vrucht geheel insluitend en aan den mond vernauwd. Zoom van de bloemkroon scheef, 5-lobbig. Vrucht uiteenvallend in 2 borstelige steenen. Bloemen in losse eind- of okselstandige aren. Bladeren vrij groot, gezaagdPriva.

254.Labiatae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, sympetaal, zygomorf; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buisvormig met een 2-lippige zoom; meeldraden 4, tweemachtig of 2 en 2 staminodiën, zelden nog een vijfde staminodiale meeldraad aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht in 41-zadige deelvruchten gedeeld en als zoodanig uiteenvallend; stijl 1; kruiden of heesters met tegenoverstaande of kransstandige bladeren; bloemen meest in korte bloeiwijzen in de bladoksels, schijnkransen vormend.1a.Bladeren sterk handvormig gespleten tot gedeeld; de slippen ook wat ingesneden. Bloemen rose tot purper in schijnkransen in de bladokselsLeonurus.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen dicht met oranje-roode haren bezet, in groot bolvormige schijnkransen rondom den stengel, bladeren onder de bloeiwijzen klein, stengelbladeren groot en breed, gekarteldLeonotis.2b.Bloemenen bloeiwijzen anders gevormd33a.Bloemen in gesteelde hoofdjes, die aan de basis eenige kleine blaadjes dragen43b.Bloemen in schijnkransen van 6–10 bloemen rondom den stengel; schijnkransen dicht bij elkaar zittend, zoodat de geheele bloeiwijze den indruk maakt van een eindelingsche tros. Kelk 2-lippig, de bovenlip groot en eirond. Bloemen roseOcimum.Smerie-wiwirie.4a.Kelk, vooral nà den bloei, klokvormig met 3-kantige slippen. Nootjes aan de rugzijde kielvormig, op de buikzijde voorzien van vliezige getande, naar binnen gebogen randen. Hoofdjes gesteeld in de bladoksels. Planten behaardMarsypianthes.4b.Kelk buisvormig met draadvormige slippen. Nootjes bolrond of eirond. Bloemen in gesteelde hoofdjes in de bladoksels, soms ook zijn de bladeren, die de hoofdjes in de oksels hebben, zeer klein, en dan zijn de hoofdjes tot een groote pluim- of aarvormige bloeiwijze samengesteldHyptis.

254.Labiatae.

Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, sympetaal, zygomorf; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buisvormig met een 2-lippige zoom; meeldraden 4, tweemachtig of 2 en 2 staminodiën, zelden nog een vijfde staminodiale meeldraad aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht in 41-zadige deelvruchten gedeeld en als zoodanig uiteenvallend; stijl 1; kruiden of heesters met tegenoverstaande of kransstandige bladeren; bloemen meest in korte bloeiwijzen in de bladoksels, schijnkransen vormend.1a.Bladeren sterk handvormig gespleten tot gedeeld; de slippen ook wat ingesneden. Bloemen rose tot purper in schijnkransen in de bladokselsLeonurus.1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld22a.Bloemen dicht met oranje-roode haren bezet, in groot bolvormige schijnkransen rondom den stengel, bladeren onder de bloeiwijzen klein, stengelbladeren groot en breed, gekarteldLeonotis.2b.Bloemenen bloeiwijzen anders gevormd33a.Bloemen in gesteelde hoofdjes, die aan de basis eenige kleine blaadjes dragen43b.Bloemen in schijnkransen van 6–10 bloemen rondom den stengel; schijnkransen dicht bij elkaar zittend, zoodat de geheele bloeiwijze den indruk maakt van een eindelingsche tros. Kelk 2-lippig, de bovenlip groot en eirond. Bloemen roseOcimum.Smerie-wiwirie.4a.Kelk, vooral nà den bloei, klokvormig met 3-kantige slippen. Nootjes aan de rugzijde kielvormig, op de buikzijde voorzien van vliezige getande, naar binnen gebogen randen. Hoofdjes gesteeld in de bladoksels. Planten behaardMarsypianthes.4b.Kelk buisvormig met draadvormige slippen. Nootjes bolrond of eirond. Bloemen in gesteelde hoofdjes in de bladoksels, soms ook zijn de bladeren, die de hoofdjes in de oksels hebben, zeer klein, en dan zijn de hoofdjes tot een groote pluim- of aarvormige bloeiwijze samengesteldHyptis.

Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, sympetaal, zygomorf; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buisvormig met een 2-lippige zoom; meeldraden 4, tweemachtig of 2 en 2 staminodiën, zelden nog een vijfde staminodiale meeldraad aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht in 41-zadige deelvruchten gedeeld en als zoodanig uiteenvallend; stijl 1; kruiden of heesters met tegenoverstaande of kransstandige bladeren; bloemen meest in korte bloeiwijzen in de bladoksels, schijnkransen vormend.

1a.Bladeren sterk handvormig gespleten tot gedeeld; de slippen ook wat ingesneden. Bloemen rose tot purper in schijnkransen in de bladokselsLeonurus.

1b.Bladeren enkelvoudig, ongedeeld2

2a.Bloemen dicht met oranje-roode haren bezet, in groot bolvormige schijnkransen rondom den stengel, bladeren onder de bloeiwijzen klein, stengelbladeren groot en breed, gekarteldLeonotis.

2b.Bloemenen bloeiwijzen anders gevormd3

3a.Bloemen in gesteelde hoofdjes, die aan de basis eenige kleine blaadjes dragen4

3b.Bloemen in schijnkransen van 6–10 bloemen rondom den stengel; schijnkransen dicht bij elkaar zittend, zoodat de geheele bloeiwijze den indruk maakt van een eindelingsche tros. Kelk 2-lippig, de bovenlip groot en eirond. Bloemen roseOcimum.Smerie-wiwirie.

4a.Kelk, vooral nà den bloei, klokvormig met 3-kantige slippen. Nootjes aan de rugzijde kielvormig, op de buikzijde voorzien van vliezige getande, naar binnen gebogen randen. Hoofdjes gesteeld in de bladoksels. Planten behaardMarsypianthes.

4b.Kelk buisvormig met draadvormige slippen. Nootjes bolrond of eirond. Bloemen in gesteelde hoofdjes in de bladoksels, soms ook zijn de bladeren, die de hoofdjes in de oksels hebben, zeer klein, en dan zijn de hoofdjes tot een groote pluim- of aarvormige bloeiwijze samengesteldHyptis.

256.Solanaceae.Bloemen meest 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zelden zygomorf; sympetaal; kroon in de knop meest geplooid; meeldraden 5, in de zygomorfe bloemen meest 4, soms met 1 staminodium; vruchtbeginsel 2-hokkig, bovenstandig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje, zelden 3–5-hokkig; stijl 1 met een 2-lobbige of 2-deelige stempel; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of heesters met verspreide bladeren.1a.Bloemen regelmatig, met goed ontwikkelde meeldraden, evenveel als bloemkroonslippen21b.Bloemen met slechts 4 meeldraden, waarvan er soms 2 niet geheel ontwikkeld zijn72a.Bloemkroon niet buisvormig, uitgespreid, of indien er een duidelijke buis is, dan is de zoom breed en zijn de vruchten bessen32b.Bloemkroon met een lange buis en een in verhouding korte zoom53a.Helmknoppen tot een buis samenkomend of vrij, in het laatste geval steeds met poriën aan den top openspringend. Helmdraden zeer kort, aan de basis van de zeer korte bloemkroonbuis verbonden. Kelk 5–10-tandig of -deelig, bij het rijp worden der vruchten niet of weinig vergroot. Vrucht een besSolanum.3b.Helmknoppen altijd vrij van elkaar en met overlangsche spleten openspringend44a.Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelk klokvormig, 5-lobbig, bij het rijpworden der bes zeer sterk vergroot, opgeblazen en de bolvormige bes omhullendPhysalis.4b.Kelk wijd-klokvormig, ongetand of met 5 kleine tanden, bij het rijpworden van de vrucht weinig vergroot. Helmdraden langer dan de helmknoppen. Bes rood, meest verlengdCapsicum.5a.Boomen of heesters, soms klimmend. Vrucht een bes65b.Kruidachtige planten. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht. Kelk buis-klokvormig 5-lobbig. Bloemkroon met een lange buis en een iets scheeve zoom. Bloemen in trossen of pluimenNicotiana.6a.Kelk buisvormig met lange spitse slippen; bloemkroon vuurrood, trechtervormig met vrij breede zoom. Bes droog.Klimmende heesters, bloemen in trossen of pluimenMarkea.6b.Kelk klok- of buisvormig, 5-tandig of 5-spletig. Bloemkroon buisvormig met smalle zoom, die meest teruggeslagen is. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht, aan de basis verdikt of behaard. Bessen groot, met 1 of weinig zaden. Bloemen wit, geel of groenachtig, in schermenCestrum.7a.Kruidachtige planten; bloemkroon met een lange en dunne buis en 5 korte slippen, waartusschen meest nog 5 andere slippen zijn ingevoegd. Meeldraden 4, 2 lange en 2 korte. DoosvruchtSchwenkia.7b.Heesters of boomen; bloemkroon met een breede, 5-lobbige zoom. Meeldraden tweemachtig. Helmdraden van boven verdikt en gekromdBrunfelsia.

256.Solanaceae.

Bloemen meest 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zelden zygomorf; sympetaal; kroon in de knop meest geplooid; meeldraden 5, in de zygomorfe bloemen meest 4, soms met 1 staminodium; vruchtbeginsel 2-hokkig, bovenstandig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje, zelden 3–5-hokkig; stijl 1 met een 2-lobbige of 2-deelige stempel; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of heesters met verspreide bladeren.1a.Bloemen regelmatig, met goed ontwikkelde meeldraden, evenveel als bloemkroonslippen21b.Bloemen met slechts 4 meeldraden, waarvan er soms 2 niet geheel ontwikkeld zijn72a.Bloemkroon niet buisvormig, uitgespreid, of indien er een duidelijke buis is, dan is de zoom breed en zijn de vruchten bessen32b.Bloemkroon met een lange buis en een in verhouding korte zoom53a.Helmknoppen tot een buis samenkomend of vrij, in het laatste geval steeds met poriën aan den top openspringend. Helmdraden zeer kort, aan de basis van de zeer korte bloemkroonbuis verbonden. Kelk 5–10-tandig of -deelig, bij het rijp worden der vruchten niet of weinig vergroot. Vrucht een besSolanum.3b.Helmknoppen altijd vrij van elkaar en met overlangsche spleten openspringend44a.Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelk klokvormig, 5-lobbig, bij het rijpworden der bes zeer sterk vergroot, opgeblazen en de bolvormige bes omhullendPhysalis.4b.Kelk wijd-klokvormig, ongetand of met 5 kleine tanden, bij het rijpworden van de vrucht weinig vergroot. Helmdraden langer dan de helmknoppen. Bes rood, meest verlengdCapsicum.5a.Boomen of heesters, soms klimmend. Vrucht een bes65b.Kruidachtige planten. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht. Kelk buis-klokvormig 5-lobbig. Bloemkroon met een lange buis en een iets scheeve zoom. Bloemen in trossen of pluimenNicotiana.6a.Kelk buisvormig met lange spitse slippen; bloemkroon vuurrood, trechtervormig met vrij breede zoom. Bes droog.Klimmende heesters, bloemen in trossen of pluimenMarkea.6b.Kelk klok- of buisvormig, 5-tandig of 5-spletig. Bloemkroon buisvormig met smalle zoom, die meest teruggeslagen is. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht, aan de basis verdikt of behaard. Bessen groot, met 1 of weinig zaden. Bloemen wit, geel of groenachtig, in schermenCestrum.7a.Kruidachtige planten; bloemkroon met een lange en dunne buis en 5 korte slippen, waartusschen meest nog 5 andere slippen zijn ingevoegd. Meeldraden 4, 2 lange en 2 korte. DoosvruchtSchwenkia.7b.Heesters of boomen; bloemkroon met een breede, 5-lobbige zoom. Meeldraden tweemachtig. Helmdraden van boven verdikt en gekromdBrunfelsia.

Bloemen meest 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zelden zygomorf; sympetaal; kroon in de knop meest geplooid; meeldraden 5, in de zygomorfe bloemen meest 4, soms met 1 staminodium; vruchtbeginsel 2-hokkig, bovenstandig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje, zelden 3–5-hokkig; stijl 1 met een 2-lobbige of 2-deelige stempel; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of heesters met verspreide bladeren.

1a.Bloemen regelmatig, met goed ontwikkelde meeldraden, evenveel als bloemkroonslippen2

1b.Bloemen met slechts 4 meeldraden, waarvan er soms 2 niet geheel ontwikkeld zijn7

2a.Bloemkroon niet buisvormig, uitgespreid, of indien er een duidelijke buis is, dan is de zoom breed en zijn de vruchten bessen3

2b.Bloemkroon met een lange buis en een in verhouding korte zoom5

3a.Helmknoppen tot een buis samenkomend of vrij, in het laatste geval steeds met poriën aan den top openspringend. Helmdraden zeer kort, aan de basis van de zeer korte bloemkroonbuis verbonden. Kelk 5–10-tandig of -deelig, bij het rijp worden der vruchten niet of weinig vergroot. Vrucht een besSolanum.

3b.Helmknoppen altijd vrij van elkaar en met overlangsche spleten openspringend4

4a.Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelk klokvormig, 5-lobbig, bij het rijpworden der bes zeer sterk vergroot, opgeblazen en de bolvormige bes omhullendPhysalis.

4b.Kelk wijd-klokvormig, ongetand of met 5 kleine tanden, bij het rijpworden van de vrucht weinig vergroot. Helmdraden langer dan de helmknoppen. Bes rood, meest verlengdCapsicum.

5a.Boomen of heesters, soms klimmend. Vrucht een bes6

5b.Kruidachtige planten. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht. Kelk buis-klokvormig 5-lobbig. Bloemkroon met een lange buis en een iets scheeve zoom. Bloemen in trossen of pluimenNicotiana.

6a.Kelk buisvormig met lange spitse slippen; bloemkroon vuurrood, trechtervormig met vrij breede zoom. Bes droog.Klimmende heesters, bloemen in trossen of pluimenMarkea.

6b.Kelk klok- of buisvormig, 5-tandig of 5-spletig. Bloemkroon buisvormig met smalle zoom, die meest teruggeslagen is. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht, aan de basis verdikt of behaard. Bessen groot, met 1 of weinig zaden. Bloemen wit, geel of groenachtig, in schermenCestrum.

7a.Kruidachtige planten; bloemkroon met een lange en dunne buis en 5 korte slippen, waartusschen meest nog 5 andere slippen zijn ingevoegd. Meeldraden 4, 2 lange en 2 korte. DoosvruchtSchwenkia.

7b.Heesters of boomen; bloemkroon met een breede, 5-lobbige zoom. Meeldraden tweemachtig. Helmdraden van boven verdikt en gekromdBrunfelsia.

257.Scrophulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, min of meer zygomorf; meeldraden zelden 5; meest 4 of 2; vruchtbeginsel bovenstandig 2-hokkig met weinige tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande of verspreide of kransstandige bladeren.1a.Bloemen met slechts 2 meeldraden. Zeer kleine kruiden, meest kruipend met ronde of eironde tegenoverstaande blaadjes en okselstandige bloemen. Kelk klokvormig,4-deelig; bloemkroon ± bolvormig met korte bovenlip en 3-lobbige onderlipMicranthemum.1b.Bloemen met 4 vruchtbare meeldraden of met 2 vruchtbare meeldraden en 2 staminodiën22a.Kelk en bloemkroon 4-deelig, vrijwel regelmatig; bloemkroon wit, met korte buis, stervormig. Meeldraden buiten de buis uitstekend. Helmknoppen aan de basis een weinig pijlvormig. Sterk vertakte kruiden met smalle bladeren en gesteelde bloemen, alleen of eenige bijeen in de bladokselsScoparia.Sisibi-wiwirie.2b.Kelk en kroon, of tenminste steeds de kelk 5-tandig tot5-deelig, of 5-bladig33a.Kelk en bloemkroon beide zeer lang en buisvormig; kelk 5- (zelden 4-)tandig. Bloemen aan het eind van den stengel staande en daar een zeer ijle, ± 5-bloemige, aar vormend. Bladeren zeer smal, bijna lijnvormig. Bloemen paarsBüchnera.3b.Bloemen okselstandig of indien ze een eindstandige aar vormen, dan zijn de schutbladeren groot, en de bloemen talrijk44a.Bloemen in eindstandige trossen of aren, in de oksel van schutbladeren alleenstaand54b.Bloemen in de bladoksels, alléén of 2 of meer bij elkaar in iedere bladoksel65a.Bloemen geel of wit, in aren; kelk klokvormig, kantig, na de bloeiopgeblazen, 5-tandig. Bloemkroon met wijde buis en vlakke, 5-lobbige zoom. Ruwharige kruidenMelasma.(Alectra).5b.Bloemen violet of rood, langgesteeld in eindstandige trossen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden. Bloemkroon met nauwe mond, buis-trechtervormig. Kruidachtige plantenGerardia.6a.Kelk 5-tandig of 5-deelig met gelijke of bijna gelijke slippen of tanden76b.Kelkslippen zeer ongelijk van vorm en grootte107a.Bloemkroon met zeer korte buis, klokvormig, 5-lobbig, bijna regelmatig. Meeldraden 4–5. Bloemen wit, gesteeld, meestal in paren in de bladoksels. Rechtopstaande kruidenCapraria.7b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig88a.Helmhokjes door het breede helmbindsel van elkaar gescheiden. Behaarde landplanten met okselstandige blauwe bloemen; bloemkroon gapendStemodia.8b.Helmhokjes niet door een breed helmbindsel gescheiden99a.De helmdraden van alle 4 de meeldraden zijn in de bloemkroonbuis ingehecht. Waterplanten met okselstandige bloemen; bladeren klein, met breede voet zittendConobea.9b.Twee van de 4 helmdraden in den mond van de bloemkroon ingehecht, de beide andere in de buis. Meeldraden vaak met aanhangselen aan de basis. Helmknoppen van elk paar meeldraden wat samenhangend. Kleine kruidachtige plantenLindernia.10a.Kelk buisvormig, min of meer gevleugeld; bloemkroon naar boven geleidelijk wijder wordend. Helmknoppen van elk paar meeldraden samenhangend; een paar van de helmdraden in de mond van de bloemkroon ingehecht; de 2 lange helmdraden aan de inhechtingsplaats met een aanhangsel. Kruiden met langgesteelde okselstandige bloemenTorenia.10b.Kelk niet gevleugeld en niet buisvormig. Helmdraden zonder aanhangselen aan den voet1111a.Kelk 5-deelig, de achterste slip grooter. Twee meeldraden met stuifmeel; de beide andere tot staminodiën vervormd. Rechtopstaande soms een weinig heesterachtige planten met behaarde kleine bladeren en bloemen in de bladokselsBeyrichia.(Achetaria).11b.Kelk bijna 5-bladig; de achterste slip veel grooter dan de andere, de 2 zijdelingsche meest veel smaller dan de rest. Bloemkroon met vlakke 2-lippige zoom. Bovenlip ingesneden of 2-lobbig; onderlip 3-lobbig. Meeldraden 4 of 5. Land- of waterplanten, in het laatste geval met lange smalle bladerenBacopa.

257.Scrophulariaceae.

Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, min of meer zygomorf; meeldraden zelden 5; meest 4 of 2; vruchtbeginsel bovenstandig 2-hokkig met weinige tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande of verspreide of kransstandige bladeren.1a.Bloemen met slechts 2 meeldraden. Zeer kleine kruiden, meest kruipend met ronde of eironde tegenoverstaande blaadjes en okselstandige bloemen. Kelk klokvormig,4-deelig; bloemkroon ± bolvormig met korte bovenlip en 3-lobbige onderlipMicranthemum.1b.Bloemen met 4 vruchtbare meeldraden of met 2 vruchtbare meeldraden en 2 staminodiën22a.Kelk en bloemkroon 4-deelig, vrijwel regelmatig; bloemkroon wit, met korte buis, stervormig. Meeldraden buiten de buis uitstekend. Helmknoppen aan de basis een weinig pijlvormig. Sterk vertakte kruiden met smalle bladeren en gesteelde bloemen, alleen of eenige bijeen in de bladokselsScoparia.Sisibi-wiwirie.2b.Kelk en kroon, of tenminste steeds de kelk 5-tandig tot5-deelig, of 5-bladig33a.Kelk en bloemkroon beide zeer lang en buisvormig; kelk 5- (zelden 4-)tandig. Bloemen aan het eind van den stengel staande en daar een zeer ijle, ± 5-bloemige, aar vormend. Bladeren zeer smal, bijna lijnvormig. Bloemen paarsBüchnera.3b.Bloemen okselstandig of indien ze een eindstandige aar vormen, dan zijn de schutbladeren groot, en de bloemen talrijk44a.Bloemen in eindstandige trossen of aren, in de oksel van schutbladeren alleenstaand54b.Bloemen in de bladoksels, alléén of 2 of meer bij elkaar in iedere bladoksel65a.Bloemen geel of wit, in aren; kelk klokvormig, kantig, na de bloeiopgeblazen, 5-tandig. Bloemkroon met wijde buis en vlakke, 5-lobbige zoom. Ruwharige kruidenMelasma.(Alectra).5b.Bloemen violet of rood, langgesteeld in eindstandige trossen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden. Bloemkroon met nauwe mond, buis-trechtervormig. Kruidachtige plantenGerardia.6a.Kelk 5-tandig of 5-deelig met gelijke of bijna gelijke slippen of tanden76b.Kelkslippen zeer ongelijk van vorm en grootte107a.Bloemkroon met zeer korte buis, klokvormig, 5-lobbig, bijna regelmatig. Meeldraden 4–5. Bloemen wit, gesteeld, meestal in paren in de bladoksels. Rechtopstaande kruidenCapraria.7b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig88a.Helmhokjes door het breede helmbindsel van elkaar gescheiden. Behaarde landplanten met okselstandige blauwe bloemen; bloemkroon gapendStemodia.8b.Helmhokjes niet door een breed helmbindsel gescheiden99a.De helmdraden van alle 4 de meeldraden zijn in de bloemkroonbuis ingehecht. Waterplanten met okselstandige bloemen; bladeren klein, met breede voet zittendConobea.9b.Twee van de 4 helmdraden in den mond van de bloemkroon ingehecht, de beide andere in de buis. Meeldraden vaak met aanhangselen aan de basis. Helmknoppen van elk paar meeldraden wat samenhangend. Kleine kruidachtige plantenLindernia.10a.Kelk buisvormig, min of meer gevleugeld; bloemkroon naar boven geleidelijk wijder wordend. Helmknoppen van elk paar meeldraden samenhangend; een paar van de helmdraden in de mond van de bloemkroon ingehecht; de 2 lange helmdraden aan de inhechtingsplaats met een aanhangsel. Kruiden met langgesteelde okselstandige bloemenTorenia.10b.Kelk niet gevleugeld en niet buisvormig. Helmdraden zonder aanhangselen aan den voet1111a.Kelk 5-deelig, de achterste slip grooter. Twee meeldraden met stuifmeel; de beide andere tot staminodiën vervormd. Rechtopstaande soms een weinig heesterachtige planten met behaarde kleine bladeren en bloemen in de bladokselsBeyrichia.(Achetaria).11b.Kelk bijna 5-bladig; de achterste slip veel grooter dan de andere, de 2 zijdelingsche meest veel smaller dan de rest. Bloemkroon met vlakke 2-lippige zoom. Bovenlip ingesneden of 2-lobbig; onderlip 3-lobbig. Meeldraden 4 of 5. Land- of waterplanten, in het laatste geval met lange smalle bladerenBacopa.

Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, min of meer zygomorf; meeldraden zelden 5; meest 4 of 2; vruchtbeginsel bovenstandig 2-hokkig met weinige tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande of verspreide of kransstandige bladeren.

1a.Bloemen met slechts 2 meeldraden. Zeer kleine kruiden, meest kruipend met ronde of eironde tegenoverstaande blaadjes en okselstandige bloemen. Kelk klokvormig,4-deelig; bloemkroon ± bolvormig met korte bovenlip en 3-lobbige onderlipMicranthemum.

1b.Bloemen met 4 vruchtbare meeldraden of met 2 vruchtbare meeldraden en 2 staminodiën2

2a.Kelk en bloemkroon 4-deelig, vrijwel regelmatig; bloemkroon wit, met korte buis, stervormig. Meeldraden buiten de buis uitstekend. Helmknoppen aan de basis een weinig pijlvormig. Sterk vertakte kruiden met smalle bladeren en gesteelde bloemen, alleen of eenige bijeen in de bladokselsScoparia.Sisibi-wiwirie.

2b.Kelk en kroon, of tenminste steeds de kelk 5-tandig tot5-deelig, of 5-bladig3

3a.Kelk en bloemkroon beide zeer lang en buisvormig; kelk 5- (zelden 4-)tandig. Bloemen aan het eind van den stengel staande en daar een zeer ijle, ± 5-bloemige, aar vormend. Bladeren zeer smal, bijna lijnvormig. Bloemen paarsBüchnera.

3b.Bloemen okselstandig of indien ze een eindstandige aar vormen, dan zijn de schutbladeren groot, en de bloemen talrijk4

4a.Bloemen in eindstandige trossen of aren, in de oksel van schutbladeren alleenstaand5

4b.Bloemen in de bladoksels, alléén of 2 of meer bij elkaar in iedere bladoksel6

5a.Bloemen geel of wit, in aren; kelk klokvormig, kantig, na de bloeiopgeblazen, 5-tandig. Bloemkroon met wijde buis en vlakke, 5-lobbige zoom. Ruwharige kruidenMelasma.(Alectra).

5b.Bloemen violet of rood, langgesteeld in eindstandige trossen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden. Bloemkroon met nauwe mond, buis-trechtervormig. Kruidachtige plantenGerardia.

6a.Kelk 5-tandig of 5-deelig met gelijke of bijna gelijke slippen of tanden7

6b.Kelkslippen zeer ongelijk van vorm en grootte10

7a.Bloemkroon met zeer korte buis, klokvormig, 5-lobbig, bijna regelmatig. Meeldraden 4–5. Bloemen wit, gesteeld, meestal in paren in de bladoksels. Rechtopstaande kruidenCapraria.

7b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig8

8a.Helmhokjes door het breede helmbindsel van elkaar gescheiden. Behaarde landplanten met okselstandige blauwe bloemen; bloemkroon gapendStemodia.

8b.Helmhokjes niet door een breed helmbindsel gescheiden9

9a.De helmdraden van alle 4 de meeldraden zijn in de bloemkroonbuis ingehecht. Waterplanten met okselstandige bloemen; bladeren klein, met breede voet zittendConobea.

9b.Twee van de 4 helmdraden in den mond van de bloemkroon ingehecht, de beide andere in de buis. Meeldraden vaak met aanhangselen aan de basis. Helmknoppen van elk paar meeldraden wat samenhangend. Kleine kruidachtige plantenLindernia.

10a.Kelk buisvormig, min of meer gevleugeld; bloemkroon naar boven geleidelijk wijder wordend. Helmknoppen van elk paar meeldraden samenhangend; een paar van de helmdraden in de mond van de bloemkroon ingehecht; de 2 lange helmdraden aan de inhechtingsplaats met een aanhangsel. Kruiden met langgesteelde okselstandige bloemenTorenia.

10b.Kelk niet gevleugeld en niet buisvormig. Helmdraden zonder aanhangselen aan den voet11

11a.Kelk 5-deelig, de achterste slip grooter. Twee meeldraden met stuifmeel; de beide andere tot staminodiën vervormd. Rechtopstaande soms een weinig heesterachtige planten met behaarde kleine bladeren en bloemen in de bladokselsBeyrichia.(Achetaria).

11b.Kelk bijna 5-bladig; de achterste slip veel grooter dan de andere, de 2 zijdelingsche meest veel smaller dan de rest. Bloemkroon met vlakke 2-lippige zoom. Bovenlip ingesneden of 2-lobbig; onderlip 3-lobbig. Meeldraden 4 of 5. Land- of waterplanten, in het laatste geval met lange smalle bladerenBacopa.

258.Bignoniaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; meeldraden 4 of 2, soms bovendien 1 of 3 staminodiën aanwezig; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buis-, trechter- of trompetvormig; vruchtbeginsel bovenstandig meest 2-, zelden 1-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1 met een 2-lobbige stempel; vrucht een 2-kleppige doosvrucht, soms vleezig en niet openspringend; zaden meest min of meer gevleugeld en plat; meest houtige planten met tegenoverstaande of soms verspreide, vaak samengestelde bladeren met of zonder ranken; bloemen groot.1a.Boomen of heesters, niet klimmend of indien ze klimmen, dan zijn het wortelklimmers met enkelvoudige bladeren zonder ranken21b.Lianen, met of (zelden) zonder ranken klimmend72a.Bladeren enkelvoudig32b.Bladeren samengesteld43a.Bladeren tegenoverstaand; wortelklimmers met leerachtige eironde bladeren; kelk voor de bloei gesloten, later onregelmatig openspringend of onduidelijk 5-tandig. Vruchten kort eirond. Bloemen in eindelingsche pluimen of trossenSchlegelia.3b.Kleine boomen of heesters met smalle groepsgewijs staande bladeren en zijdelings-symmetrische bloemen die uit de takken te voorschijn komen. Bloemkroon van voren met een plooi. Vrucht groot, met harde wandCrescentia.Kalebas.4a.Bladeren enkel-gevind, of dubbel-gevind54b.Bladeren handvormig samengesteld65a.Boomen of heesters met enkelgevinde bladeren; blaadjes grof gezaagd. Bloemen geel met een klein, draadvormig staminodium aan de achterzijdeStenolobium.5b.Boomen met enkel- of dubbelgevinde bladeren; in het laatste geval blaadjes meest klein. Bloemen blauw, met een zeer groot staminodium; van de 4 meeldraden zijn er slechts 2 goed ontwikkeldJacaranda.6a.Bladeren 5-tallig, langgesteeld; blaadjes vrij lang gesteeld. Bloeiwijze eindelingsch; tegelijk met de bladeren aanwezig, kort, trosvormig, de witte bloemen kruiswijs tegenoverstaand; kelk scheef klokvormig, meest kort-3-lobbig, de lobben met een puntje aan den top, van buiten schubvormig behaard. Zaden met een dikke vleugelCouralia.Courali.6b.Bladeren 3- of 5-tallig. Bloeiwijze pluim- of schermvormig, meest nièt tegelijk met de bladeren aan den boom zittend. Bloemen meest geel; kelk van binnen meest zonder klieren. Zaden met een vliezige vleugelTecoma.Groenhart.7a.Ranken kort, aan den top gespleten in 3 korte eenigszins verdikte en haakvormig omgebogen takken. Bloemen geel. Bladeren steeds2-tallig87b.Ranken draadvormig of ontbrekend, nooit in 3 haakvormige takken eindigend98a.Kelk vliezig, tijdens den bloei aan één zijde opengescheurd. Kroon groot, van onderen dun, buisvormig, naar boven verwijd; van binnen bij de inhechtingsplaats van de meeldraden behaard. Vrucht lang en smalMacfadyena.8b.Kelk onregelmatig 5-lobbig, meest met min of meer gegolfde rand. Overigensvrijwelgelijk aan de vorigeBignonia.9a.Bladeren 1-jukkig gevind, dus 2 blaadjes met eindblaadje (dus 3-tallige bladeren) of in plaats van het eindblaadje een rank129b.Bladeren meerjukkig gevind of dubbel-3-tallig of op andere wijze samengesteld1010a.De bladeren zelf of de jukken der bladeren gevind, in het laatste geval dus dubbelgevinde bladeren.Ranken ontbrekend; stengel rond. Kelk leerachtig met 5 kleine tanden of éénzijdig gespleten, meest met vele klieren. Bloemkroon wit of geel met zeer ongelijke lobbenMemora.10b.Bladeren dubbel 3-tallig (een enkele maal is er nog een paarblaadjes meer, zoodat een deel van het blad dan gevind is). Bladeren met ranken1111a.Bloemen rose tot violet in een eindelingsche pluim. Takken niet scherp vierkant. Kelk met 5 kleine tandjes en zeer weinig klierenArrabidaea(inaequalis).11b.Bloemen wit of geel, in okselstandige bloeiwijzen. Takken scherp-vierkant, de hoeken bij de oudere takken meest als lange draden loslatend. Kelk meest met vele klierenPleonotoma.12a.Schijf onder het vruchtbeginsel ontbrekend1312b.Schijf onder het vruchtbeginsel aanwezig, meest de basis van het vruchtbeginsel als een ring of een beker omgevend1413a.Helmknoppen en meest ook de bladeren geheel kaal. Kelk klokvormig met 5 zeer kleine tanden. Bloemkroon wit met rose of paars, met breede slippenCydista.13b.Helmknoppen, en meest ook de helmdraden en de bladeren behaard. Kelk als de vorige. Bloemkroon wit met geelLundia.14a.Bloemen met een zeer wijde en groote (tot 4 c.M. lange) kelk met een ongelijkeeenigszinstweelobbige zoom. Bloemkroon zeer groot, geel met roode streepen. Blaadjes groot en breedCallichlamys.14b.Kelk niet opvallend groot en wijd1515a.Bloemkroon gekromd1615b.Bloemkroon recht1716a.Kelk klokvormig, leerachtig, bijna ongetand, van buiten kort behaard. Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd. Vruchtbeginsel knobbelig. Takken kantig met lichtere verdikte overlangsche streepen. Vrucht breed, met stekels op de gewelfde kleppen. Bladeren dun, met eenigszins hartvormige voet. Bloemen wit of geelPithecoctenium.Keesi-keesi-kam.16b.Kelk klokvormig, met rechte rand, later een weinig ingescheurd, leerachtig. Bloemkroon leerachtig. Takken niet kantig en niet gestreept. Doosvrucht gladDistictis.17a.Het onderste deel van de bloemkroonbuis is eenigszins zakvormig verwijd met een stompe knobbel aan de voorkant. Kelk leerachtig, scheef, onregelmatig ingesneden. Bloemen in eindelingsche pluimen, rose tot paars, van buiten behaard. Vrucht zeer langParagonia.17b.Bloemkroon van onderen niet zakvormig verwijd, zonder knobbel aan één kant1818a.Ranken aan den top met 3 takken. Bloemen in zeer wijde en ijle bloeiwijzen. Kelk 2-lippig en onregelmatig4–5-spletig. Benedendeel van de bloemkroonbuis lang en dun; bloemen wit met lila. Vrucht zeer lang en smalMartinella.18b.Ranken niet vertakt; bloeiwijze niet zeer ijl1919a.Kelk leerachtig, meest met klieren, in den knop gesloten, later tweelippig zich openend. Lobben der kroon ongelijk; bloemen geel of wit, trechtervormig met lange buis. Blaadjes smalMemora.19b.Kelk regelmatig, of indien de kelk tweelippig is, dan is hij niet leerachtig2020a.Kelk met groote schotelvormige klieren aan de buitenkant. Zaadknoppen in elk hokje 2-rijig. Vrucht breed met gladde kleppenAdenocalymma.20b.Kelk zonder groote schotelvormige klieren2121a.Bloemkroon in den knop alleen aan den top met een behaarde plek, verder kaal. Kelk dun, wijd schotelvormig. Bloeiwijzen veelbloemig. Bladeren zeer dun-vliezig met krachtige nerven. Vrucht smal met platte kleppenPetastoma.21b.Bloemkroon niet met een behaarde plek aan den top. Bladeren niet vliezig2222a.Bloemen in een armbloemig, okselstandig bijscherm; schijf duidelijk gelobd, de onderste stengelbladeren soms enkelvoudig. Doosvrucht breed, met gestekelde kleppenClytostoma.22b.Schijf niet of onduidelijk gelobd; bloeiwijzen meest meerbloemig; doosvrucht glad2323a.Vrucht smal en lang. Zaadknoppen in elk hokje in 2 rijen. Kelk meest dunArrabidaea.23b.Vrucht breed, elliptisch. Zaadknoppen in elk hokje in 4 rijen. Kelk leerachtig. Bladeren met groote steunbladerenAnemopaegma.

258.Bignoniaceae.

Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; meeldraden 4 of 2, soms bovendien 1 of 3 staminodiën aanwezig; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buis-, trechter- of trompetvormig; vruchtbeginsel bovenstandig meest 2-, zelden 1-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1 met een 2-lobbige stempel; vrucht een 2-kleppige doosvrucht, soms vleezig en niet openspringend; zaden meest min of meer gevleugeld en plat; meest houtige planten met tegenoverstaande of soms verspreide, vaak samengestelde bladeren met of zonder ranken; bloemen groot.1a.Boomen of heesters, niet klimmend of indien ze klimmen, dan zijn het wortelklimmers met enkelvoudige bladeren zonder ranken21b.Lianen, met of (zelden) zonder ranken klimmend72a.Bladeren enkelvoudig32b.Bladeren samengesteld43a.Bladeren tegenoverstaand; wortelklimmers met leerachtige eironde bladeren; kelk voor de bloei gesloten, later onregelmatig openspringend of onduidelijk 5-tandig. Vruchten kort eirond. Bloemen in eindelingsche pluimen of trossenSchlegelia.3b.Kleine boomen of heesters met smalle groepsgewijs staande bladeren en zijdelings-symmetrische bloemen die uit de takken te voorschijn komen. Bloemkroon van voren met een plooi. Vrucht groot, met harde wandCrescentia.Kalebas.4a.Bladeren enkel-gevind, of dubbel-gevind54b.Bladeren handvormig samengesteld65a.Boomen of heesters met enkelgevinde bladeren; blaadjes grof gezaagd. Bloemen geel met een klein, draadvormig staminodium aan de achterzijdeStenolobium.5b.Boomen met enkel- of dubbelgevinde bladeren; in het laatste geval blaadjes meest klein. Bloemen blauw, met een zeer groot staminodium; van de 4 meeldraden zijn er slechts 2 goed ontwikkeldJacaranda.6a.Bladeren 5-tallig, langgesteeld; blaadjes vrij lang gesteeld. Bloeiwijze eindelingsch; tegelijk met de bladeren aanwezig, kort, trosvormig, de witte bloemen kruiswijs tegenoverstaand; kelk scheef klokvormig, meest kort-3-lobbig, de lobben met een puntje aan den top, van buiten schubvormig behaard. Zaden met een dikke vleugelCouralia.Courali.6b.Bladeren 3- of 5-tallig. Bloeiwijze pluim- of schermvormig, meest nièt tegelijk met de bladeren aan den boom zittend. Bloemen meest geel; kelk van binnen meest zonder klieren. Zaden met een vliezige vleugelTecoma.Groenhart.7a.Ranken kort, aan den top gespleten in 3 korte eenigszins verdikte en haakvormig omgebogen takken. Bloemen geel. Bladeren steeds2-tallig87b.Ranken draadvormig of ontbrekend, nooit in 3 haakvormige takken eindigend98a.Kelk vliezig, tijdens den bloei aan één zijde opengescheurd. Kroon groot, van onderen dun, buisvormig, naar boven verwijd; van binnen bij de inhechtingsplaats van de meeldraden behaard. Vrucht lang en smalMacfadyena.8b.Kelk onregelmatig 5-lobbig, meest met min of meer gegolfde rand. Overigensvrijwelgelijk aan de vorigeBignonia.9a.Bladeren 1-jukkig gevind, dus 2 blaadjes met eindblaadje (dus 3-tallige bladeren) of in plaats van het eindblaadje een rank129b.Bladeren meerjukkig gevind of dubbel-3-tallig of op andere wijze samengesteld1010a.De bladeren zelf of de jukken der bladeren gevind, in het laatste geval dus dubbelgevinde bladeren.Ranken ontbrekend; stengel rond. Kelk leerachtig met 5 kleine tanden of éénzijdig gespleten, meest met vele klieren. Bloemkroon wit of geel met zeer ongelijke lobbenMemora.10b.Bladeren dubbel 3-tallig (een enkele maal is er nog een paarblaadjes meer, zoodat een deel van het blad dan gevind is). Bladeren met ranken1111a.Bloemen rose tot violet in een eindelingsche pluim. Takken niet scherp vierkant. Kelk met 5 kleine tandjes en zeer weinig klierenArrabidaea(inaequalis).11b.Bloemen wit of geel, in okselstandige bloeiwijzen. Takken scherp-vierkant, de hoeken bij de oudere takken meest als lange draden loslatend. Kelk meest met vele klierenPleonotoma.12a.Schijf onder het vruchtbeginsel ontbrekend1312b.Schijf onder het vruchtbeginsel aanwezig, meest de basis van het vruchtbeginsel als een ring of een beker omgevend1413a.Helmknoppen en meest ook de bladeren geheel kaal. Kelk klokvormig met 5 zeer kleine tanden. Bloemkroon wit met rose of paars, met breede slippenCydista.13b.Helmknoppen, en meest ook de helmdraden en de bladeren behaard. Kelk als de vorige. Bloemkroon wit met geelLundia.14a.Bloemen met een zeer wijde en groote (tot 4 c.M. lange) kelk met een ongelijkeeenigszinstweelobbige zoom. Bloemkroon zeer groot, geel met roode streepen. Blaadjes groot en breedCallichlamys.14b.Kelk niet opvallend groot en wijd1515a.Bloemkroon gekromd1615b.Bloemkroon recht1716a.Kelk klokvormig, leerachtig, bijna ongetand, van buiten kort behaard. Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd. Vruchtbeginsel knobbelig. Takken kantig met lichtere verdikte overlangsche streepen. Vrucht breed, met stekels op de gewelfde kleppen. Bladeren dun, met eenigszins hartvormige voet. Bloemen wit of geelPithecoctenium.Keesi-keesi-kam.16b.Kelk klokvormig, met rechte rand, later een weinig ingescheurd, leerachtig. Bloemkroon leerachtig. Takken niet kantig en niet gestreept. Doosvrucht gladDistictis.17a.Het onderste deel van de bloemkroonbuis is eenigszins zakvormig verwijd met een stompe knobbel aan de voorkant. Kelk leerachtig, scheef, onregelmatig ingesneden. Bloemen in eindelingsche pluimen, rose tot paars, van buiten behaard. Vrucht zeer langParagonia.17b.Bloemkroon van onderen niet zakvormig verwijd, zonder knobbel aan één kant1818a.Ranken aan den top met 3 takken. Bloemen in zeer wijde en ijle bloeiwijzen. Kelk 2-lippig en onregelmatig4–5-spletig. Benedendeel van de bloemkroonbuis lang en dun; bloemen wit met lila. Vrucht zeer lang en smalMartinella.18b.Ranken niet vertakt; bloeiwijze niet zeer ijl1919a.Kelk leerachtig, meest met klieren, in den knop gesloten, later tweelippig zich openend. Lobben der kroon ongelijk; bloemen geel of wit, trechtervormig met lange buis. Blaadjes smalMemora.19b.Kelk regelmatig, of indien de kelk tweelippig is, dan is hij niet leerachtig2020a.Kelk met groote schotelvormige klieren aan de buitenkant. Zaadknoppen in elk hokje 2-rijig. Vrucht breed met gladde kleppenAdenocalymma.20b.Kelk zonder groote schotelvormige klieren2121a.Bloemkroon in den knop alleen aan den top met een behaarde plek, verder kaal. Kelk dun, wijd schotelvormig. Bloeiwijzen veelbloemig. Bladeren zeer dun-vliezig met krachtige nerven. Vrucht smal met platte kleppenPetastoma.21b.Bloemkroon niet met een behaarde plek aan den top. Bladeren niet vliezig2222a.Bloemen in een armbloemig, okselstandig bijscherm; schijf duidelijk gelobd, de onderste stengelbladeren soms enkelvoudig. Doosvrucht breed, met gestekelde kleppenClytostoma.22b.Schijf niet of onduidelijk gelobd; bloeiwijzen meest meerbloemig; doosvrucht glad2323a.Vrucht smal en lang. Zaadknoppen in elk hokje in 2 rijen. Kelk meest dunArrabidaea.23b.Vrucht breed, elliptisch. Zaadknoppen in elk hokje in 4 rijen. Kelk leerachtig. Bladeren met groote steunbladerenAnemopaegma.

Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; meeldraden 4 of 2, soms bovendien 1 of 3 staminodiën aanwezig; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buis-, trechter- of trompetvormig; vruchtbeginsel bovenstandig meest 2-, zelden 1-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1 met een 2-lobbige stempel; vrucht een 2-kleppige doosvrucht, soms vleezig en niet openspringend; zaden meest min of meer gevleugeld en plat; meest houtige planten met tegenoverstaande of soms verspreide, vaak samengestelde bladeren met of zonder ranken; bloemen groot.

1a.Boomen of heesters, niet klimmend of indien ze klimmen, dan zijn het wortelklimmers met enkelvoudige bladeren zonder ranken2

1b.Lianen, met of (zelden) zonder ranken klimmend7

2a.Bladeren enkelvoudig3

2b.Bladeren samengesteld4

3a.Bladeren tegenoverstaand; wortelklimmers met leerachtige eironde bladeren; kelk voor de bloei gesloten, later onregelmatig openspringend of onduidelijk 5-tandig. Vruchten kort eirond. Bloemen in eindelingsche pluimen of trossenSchlegelia.

3b.Kleine boomen of heesters met smalle groepsgewijs staande bladeren en zijdelings-symmetrische bloemen die uit de takken te voorschijn komen. Bloemkroon van voren met een plooi. Vrucht groot, met harde wandCrescentia.Kalebas.

4a.Bladeren enkel-gevind, of dubbel-gevind5

4b.Bladeren handvormig samengesteld6

5a.Boomen of heesters met enkelgevinde bladeren; blaadjes grof gezaagd. Bloemen geel met een klein, draadvormig staminodium aan de achterzijdeStenolobium.

5b.Boomen met enkel- of dubbelgevinde bladeren; in het laatste geval blaadjes meest klein. Bloemen blauw, met een zeer groot staminodium; van de 4 meeldraden zijn er slechts 2 goed ontwikkeldJacaranda.

6a.Bladeren 5-tallig, langgesteeld; blaadjes vrij lang gesteeld. Bloeiwijze eindelingsch; tegelijk met de bladeren aanwezig, kort, trosvormig, de witte bloemen kruiswijs tegenoverstaand; kelk scheef klokvormig, meest kort-3-lobbig, de lobben met een puntje aan den top, van buiten schubvormig behaard. Zaden met een dikke vleugelCouralia.Courali.

6b.Bladeren 3- of 5-tallig. Bloeiwijze pluim- of schermvormig, meest nièt tegelijk met de bladeren aan den boom zittend. Bloemen meest geel; kelk van binnen meest zonder klieren. Zaden met een vliezige vleugelTecoma.Groenhart.

7a.Ranken kort, aan den top gespleten in 3 korte eenigszins verdikte en haakvormig omgebogen takken. Bloemen geel. Bladeren steeds2-tallig8

7b.Ranken draadvormig of ontbrekend, nooit in 3 haakvormige takken eindigend9

8a.Kelk vliezig, tijdens den bloei aan één zijde opengescheurd. Kroon groot, van onderen dun, buisvormig, naar boven verwijd; van binnen bij de inhechtingsplaats van de meeldraden behaard. Vrucht lang en smalMacfadyena.

8b.Kelk onregelmatig 5-lobbig, meest met min of meer gegolfde rand. Overigensvrijwelgelijk aan de vorigeBignonia.

9a.Bladeren 1-jukkig gevind, dus 2 blaadjes met eindblaadje (dus 3-tallige bladeren) of in plaats van het eindblaadje een rank12

9b.Bladeren meerjukkig gevind of dubbel-3-tallig of op andere wijze samengesteld10

10a.De bladeren zelf of de jukken der bladeren gevind, in het laatste geval dus dubbelgevinde bladeren.Ranken ontbrekend; stengel rond. Kelk leerachtig met 5 kleine tanden of éénzijdig gespleten, meest met vele klieren. Bloemkroon wit of geel met zeer ongelijke lobbenMemora.

10b.Bladeren dubbel 3-tallig (een enkele maal is er nog een paarblaadjes meer, zoodat een deel van het blad dan gevind is). Bladeren met ranken11

11a.Bloemen rose tot violet in een eindelingsche pluim. Takken niet scherp vierkant. Kelk met 5 kleine tandjes en zeer weinig klierenArrabidaea(inaequalis).

11b.Bloemen wit of geel, in okselstandige bloeiwijzen. Takken scherp-vierkant, de hoeken bij de oudere takken meest als lange draden loslatend. Kelk meest met vele klierenPleonotoma.

12a.Schijf onder het vruchtbeginsel ontbrekend13

12b.Schijf onder het vruchtbeginsel aanwezig, meest de basis van het vruchtbeginsel als een ring of een beker omgevend14

13a.Helmknoppen en meest ook de bladeren geheel kaal. Kelk klokvormig met 5 zeer kleine tanden. Bloemkroon wit met rose of paars, met breede slippenCydista.

13b.Helmknoppen, en meest ook de helmdraden en de bladeren behaard. Kelk als de vorige. Bloemkroon wit met geelLundia.

14a.Bloemen met een zeer wijde en groote (tot 4 c.M. lange) kelk met een ongelijkeeenigszinstweelobbige zoom. Bloemkroon zeer groot, geel met roode streepen. Blaadjes groot en breedCallichlamys.

14b.Kelk niet opvallend groot en wijd15

15a.Bloemkroon gekromd16

15b.Bloemkroon recht17

16a.Kelk klokvormig, leerachtig, bijna ongetand, van buiten kort behaard. Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd. Vruchtbeginsel knobbelig. Takken kantig met lichtere verdikte overlangsche streepen. Vrucht breed, met stekels op de gewelfde kleppen. Bladeren dun, met eenigszins hartvormige voet. Bloemen wit of geelPithecoctenium.Keesi-keesi-kam.

16b.Kelk klokvormig, met rechte rand, later een weinig ingescheurd, leerachtig. Bloemkroon leerachtig. Takken niet kantig en niet gestreept. Doosvrucht gladDistictis.

17a.Het onderste deel van de bloemkroonbuis is eenigszins zakvormig verwijd met een stompe knobbel aan de voorkant. Kelk leerachtig, scheef, onregelmatig ingesneden. Bloemen in eindelingsche pluimen, rose tot paars, van buiten behaard. Vrucht zeer langParagonia.

17b.Bloemkroon van onderen niet zakvormig verwijd, zonder knobbel aan één kant18

18a.Ranken aan den top met 3 takken. Bloemen in zeer wijde en ijle bloeiwijzen. Kelk 2-lippig en onregelmatig4–5-spletig. Benedendeel van de bloemkroonbuis lang en dun; bloemen wit met lila. Vrucht zeer lang en smalMartinella.

18b.Ranken niet vertakt; bloeiwijze niet zeer ijl19

19a.Kelk leerachtig, meest met klieren, in den knop gesloten, later tweelippig zich openend. Lobben der kroon ongelijk; bloemen geel of wit, trechtervormig met lange buis. Blaadjes smalMemora.

19b.Kelk regelmatig, of indien de kelk tweelippig is, dan is hij niet leerachtig20

20a.Kelk met groote schotelvormige klieren aan de buitenkant. Zaadknoppen in elk hokje 2-rijig. Vrucht breed met gladde kleppenAdenocalymma.

20b.Kelk zonder groote schotelvormige klieren21

21a.Bloemkroon in den knop alleen aan den top met een behaarde plek, verder kaal. Kelk dun, wijd schotelvormig. Bloeiwijzen veelbloemig. Bladeren zeer dun-vliezig met krachtige nerven. Vrucht smal met platte kleppenPetastoma.

21b.Bloemkroon niet met een behaarde plek aan den top. Bladeren niet vliezig22

22a.Bloemen in een armbloemig, okselstandig bijscherm; schijf duidelijk gelobd, de onderste stengelbladeren soms enkelvoudig. Doosvrucht breed, met gestekelde kleppenClytostoma.

22b.Schijf niet of onduidelijk gelobd; bloeiwijzen meest meerbloemig; doosvrucht glad23

23a.Vrucht smal en lang. Zaadknoppen in elk hokje in 2 rijen. Kelk meest dunArrabidaea.

23b.Vrucht breed, elliptisch. Zaadknoppen in elk hokje in 4 rijen. Kelk leerachtig. Bladeren met groote steunbladerenAnemopaegma.

259.Pedaliaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf, sympetaal; meeldraden 4 of 2 met paarsgewijs samenhangende helmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–4-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen; hokjes van het vruchtbeginsel vaak met dwarstusschenschotten; vrucht een doosvrucht of een noot; kruiden met tegenoverstaande of naar boven verspreide bladeren; bloemen okselstandig of in trossen.Kruiden met afwisselende, smalle bladeren en okselstandige bloemen. Bloemkroon klokvormig met 5-lobbige zoom, waarvan de onderste lob het grootst is. Meeldraden 4, de 5demeeldraad is tot een klein staminodium gereduceerd. Vruchtbeginsel met één stijl met twee bladachtige stempels. Vrucht een doosvruchtSesamum.

259.Pedaliaceae.

Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf, sympetaal; meeldraden 4 of 2 met paarsgewijs samenhangende helmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–4-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen; hokjes van het vruchtbeginsel vaak met dwarstusschenschotten; vrucht een doosvrucht of een noot; kruiden met tegenoverstaande of naar boven verspreide bladeren; bloemen okselstandig of in trossen.Kruiden met afwisselende, smalle bladeren en okselstandige bloemen. Bloemkroon klokvormig met 5-lobbige zoom, waarvan de onderste lob het grootst is. Meeldraden 4, de 5demeeldraad is tot een klein staminodium gereduceerd. Vruchtbeginsel met één stijl met twee bladachtige stempels. Vrucht een doosvruchtSesamum.

Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf, sympetaal; meeldraden 4 of 2 met paarsgewijs samenhangende helmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–4-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen; hokjes van het vruchtbeginsel vaak met dwarstusschenschotten; vrucht een doosvrucht of een noot; kruiden met tegenoverstaande of naar boven verspreide bladeren; bloemen okselstandig of in trossen.

Kruiden met afwisselende, smalle bladeren en okselstandige bloemen. Bloemkroon klokvormig met 5-lobbige zoom, waarvan de onderste lob het grootst is. Meeldraden 4, de 5demeeldraad is tot een klein staminodium gereduceerd. Vruchtbeginsel met één stijl met twee bladachtige stempels. Vrucht een doosvruchtSesamum.

262.Gesneriaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; bloemkroon sympetaal, min of meer 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms met 1 of 3 staminodiën, de helmknoppen paarsgewijs verbonden of alle samenhangend; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met twee wandstandige zaadlijsten met talrijke zaadknoppen; één stijl met een breede of 2-lobbige stempel; vrucht een doosvrucht of een bes met talrijke kleine zaden; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande, gaafrandige of getande bladeren en meest groote bloemen.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, kelk met 5, min of meer bladachtige slippen. Bloemkroon klokvormig en 5 breede slippen. Meeldraden 4 onder in de bloemkroon ingehecht met kruisgewijs verbonden helmknoppen. Schijf ringvormig. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Kruiden met tegenoverstaande bladeren; bloemen in de oksels van schutbladerenGloxinia.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig22a.Schijf bestaande uit een dikke soms wat scheeve ring. Meeldraden 4, de helmdraden aan de basis wat verbreed. Stempel 2-lobbig. Vrucht een bes, door de kelk omslotenBesleria.2b.Schijf niet ringvormig doch bestaande uit 1 of 2 schubben aan één zijde van het vruchtbeginsel gezeten33a.Helmhokjes door een breed en dik helmbindsel van elkaar gescheiden, niet evenwijdig loopend, kelkslippen 5, smal; bloemkroon min of meer klokvormig met wijde mond. Planten met dikke ± vleezige bladeren en kleine bloemen in de bladokselsCodonanthe.3b.Helmhokjes niet door een dik en breed helmbindsel van elkaar verwijderd; helmhokjes evenwijdig loopend44a.Helmdraden aan de basis tot een van achteren gespleten buis vergroeid. Kelkslippen meest niet groen gekleurd, ongelijk, breed, vaak getand. Bloemkroonbuis wijd met 5 afgeronde slippen. Helmknoppen vrij van elkaar. Schijf uit één groote schub bestaand. Heesterachtige plantenCrantzia.4b.Helmdraden van onderen niet of nauwelijks met elkaar vergroeid55a.Kelk klokvormig, 5-kantig of 5-vleugelig, met korte tanden; niet groen gekleurd. Bloemkroon wijd, cylindervormig. Helmdraden aan de basis verbreed, helmknoppen niet samenhangend. Schijf uit een schub bestaande. Kruiden, met meerdere bloemen in een bloeiwijze vereenigdTussacia.5b.Kelk diep 5-deelig66a.Kelkslippen smal. Bloemkroon met een lange buis, die meest wat gebogen is. Helmdraden van onderen een weinig vergroeid, de 5demeeldraad als klein staminodium zichtbaar. Schijf uit één groote schub bestaande. Stijl van boven verdikt. Kruiden, meest met tweekleurige bloemenEpiscia.6b.Kelkslippen groot en breed, bladachtig, ongelijk. Bloemkroonbuis van onderen opgeblazen en verwijd. Helmknoppen van onderen verbreed. Schijf uit een groote schub bestaande. Heesterachtige planten met dikke bladerenDrymonia.

262.Gesneriaceae.

Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; bloemkroon sympetaal, min of meer 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms met 1 of 3 staminodiën, de helmknoppen paarsgewijs verbonden of alle samenhangend; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met twee wandstandige zaadlijsten met talrijke zaadknoppen; één stijl met een breede of 2-lobbige stempel; vrucht een doosvrucht of een bes met talrijke kleine zaden; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande, gaafrandige of getande bladeren en meest groote bloemen.1a.Vruchtbeginsel onderstandig, kelk met 5, min of meer bladachtige slippen. Bloemkroon klokvormig en 5 breede slippen. Meeldraden 4 onder in de bloemkroon ingehecht met kruisgewijs verbonden helmknoppen. Schijf ringvormig. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Kruiden met tegenoverstaande bladeren; bloemen in de oksels van schutbladerenGloxinia.1b.Vruchtbeginsel bovenstandig22a.Schijf bestaande uit een dikke soms wat scheeve ring. Meeldraden 4, de helmdraden aan de basis wat verbreed. Stempel 2-lobbig. Vrucht een bes, door de kelk omslotenBesleria.2b.Schijf niet ringvormig doch bestaande uit 1 of 2 schubben aan één zijde van het vruchtbeginsel gezeten33a.Helmhokjes door een breed en dik helmbindsel van elkaar gescheiden, niet evenwijdig loopend, kelkslippen 5, smal; bloemkroon min of meer klokvormig met wijde mond. Planten met dikke ± vleezige bladeren en kleine bloemen in de bladokselsCodonanthe.3b.Helmhokjes niet door een dik en breed helmbindsel van elkaar verwijderd; helmhokjes evenwijdig loopend44a.Helmdraden aan de basis tot een van achteren gespleten buis vergroeid. Kelkslippen meest niet groen gekleurd, ongelijk, breed, vaak getand. Bloemkroonbuis wijd met 5 afgeronde slippen. Helmknoppen vrij van elkaar. Schijf uit één groote schub bestaand. Heesterachtige plantenCrantzia.4b.Helmdraden van onderen niet of nauwelijks met elkaar vergroeid55a.Kelk klokvormig, 5-kantig of 5-vleugelig, met korte tanden; niet groen gekleurd. Bloemkroon wijd, cylindervormig. Helmdraden aan de basis verbreed, helmknoppen niet samenhangend. Schijf uit een schub bestaande. Kruiden, met meerdere bloemen in een bloeiwijze vereenigdTussacia.5b.Kelk diep 5-deelig66a.Kelkslippen smal. Bloemkroon met een lange buis, die meest wat gebogen is. Helmdraden van onderen een weinig vergroeid, de 5demeeldraad als klein staminodium zichtbaar. Schijf uit één groote schub bestaande. Stijl van boven verdikt. Kruiden, meest met tweekleurige bloemenEpiscia.6b.Kelkslippen groot en breed, bladachtig, ongelijk. Bloemkroonbuis van onderen opgeblazen en verwijd. Helmknoppen van onderen verbreed. Schijf uit een groote schub bestaande. Heesterachtige planten met dikke bladerenDrymonia.

Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; bloemkroon sympetaal, min of meer 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms met 1 of 3 staminodiën, de helmknoppen paarsgewijs verbonden of alle samenhangend; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met twee wandstandige zaadlijsten met talrijke zaadknoppen; één stijl met een breede of 2-lobbige stempel; vrucht een doosvrucht of een bes met talrijke kleine zaden; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande, gaafrandige of getande bladeren en meest groote bloemen.

1a.Vruchtbeginsel onderstandig, kelk met 5, min of meer bladachtige slippen. Bloemkroon klokvormig en 5 breede slippen. Meeldraden 4 onder in de bloemkroon ingehecht met kruisgewijs verbonden helmknoppen. Schijf ringvormig. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Kruiden met tegenoverstaande bladeren; bloemen in de oksels van schutbladerenGloxinia.

1b.Vruchtbeginsel bovenstandig2

2a.Schijf bestaande uit een dikke soms wat scheeve ring. Meeldraden 4, de helmdraden aan de basis wat verbreed. Stempel 2-lobbig. Vrucht een bes, door de kelk omslotenBesleria.

2b.Schijf niet ringvormig doch bestaande uit 1 of 2 schubben aan één zijde van het vruchtbeginsel gezeten3

3a.Helmhokjes door een breed en dik helmbindsel van elkaar gescheiden, niet evenwijdig loopend, kelkslippen 5, smal; bloemkroon min of meer klokvormig met wijde mond. Planten met dikke ± vleezige bladeren en kleine bloemen in de bladokselsCodonanthe.

3b.Helmhokjes niet door een dik en breed helmbindsel van elkaar verwijderd; helmhokjes evenwijdig loopend4

4a.Helmdraden aan de basis tot een van achteren gespleten buis vergroeid. Kelkslippen meest niet groen gekleurd, ongelijk, breed, vaak getand. Bloemkroonbuis wijd met 5 afgeronde slippen. Helmknoppen vrij van elkaar. Schijf uit één groote schub bestaand. Heesterachtige plantenCrantzia.

4b.Helmdraden van onderen niet of nauwelijks met elkaar vergroeid5

5a.Kelk klokvormig, 5-kantig of 5-vleugelig, met korte tanden; niet groen gekleurd. Bloemkroon wijd, cylindervormig. Helmdraden aan de basis verbreed, helmknoppen niet samenhangend. Schijf uit een schub bestaande. Kruiden, met meerdere bloemen in een bloeiwijze vereenigdTussacia.

5b.Kelk diep 5-deelig6

6a.Kelkslippen smal. Bloemkroon met een lange buis, die meest wat gebogen is. Helmdraden van onderen een weinig vergroeid, de 5demeeldraad als klein staminodium zichtbaar. Schijf uit één groote schub bestaande. Stijl van boven verdikt. Kruiden, meest met tweekleurige bloemenEpiscia.

6b.Kelkslippen groot en breed, bladachtig, ongelijk. Bloemkroonbuis van onderen opgeblazen en verwijd. Helmknoppen van onderen verbreed. Schijf uit een groote schub bestaande. Heesterachtige planten met dikke bladerenDrymonia.

264.Lentibulariaceae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig zelden regelmatig, meest zygomorf, bloemkroon meest duidelijk 2-lippig; meeldraden zelden 5, meest 2, onder in de bloemkroon ingehecht;vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met een meest grondstandige zaadlijst; vrucht een 2–4-kleppige doosvrucht en dan veelzadig of een gesloten vrucht en dan 1-zadig; meest kruiden op vochtige plaatsen of in het water groeiend.1a.Kelk 4-deelig met ronde slippen aan den rand met lange tanden bezet. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd, met een spoor. Bovenlip 2-spletig; onderlip groot, 3-lobbig. Meeldraden 2, sterk gebogen. Doosvrucht meerzadig met 2 kleppen openspringend. Kleine kruiden met langwerpige, gaafrandige wortelstandige bladerenPolypompholyx.1b.Kelk 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd; bovenlip rechtopstaand, ingesneden of gaafrandig, onderlip groot, 3-deelig of gaafrandig. Meeldraden 2, dik en kort, sterk gebogen. Doosvrucht met 2 kleppen of onregelmatig of met een deksel openspringend. Land-, moeras-, of waterplantenUtricularia.

264.Lentibulariaceae.

Bloemen 5-tallig, tweeslachtig zelden regelmatig, meest zygomorf, bloemkroon meest duidelijk 2-lippig; meeldraden zelden 5, meest 2, onder in de bloemkroon ingehecht;vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met een meest grondstandige zaadlijst; vrucht een 2–4-kleppige doosvrucht en dan veelzadig of een gesloten vrucht en dan 1-zadig; meest kruiden op vochtige plaatsen of in het water groeiend.1a.Kelk 4-deelig met ronde slippen aan den rand met lange tanden bezet. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd, met een spoor. Bovenlip 2-spletig; onderlip groot, 3-lobbig. Meeldraden 2, sterk gebogen. Doosvrucht meerzadig met 2 kleppen openspringend. Kleine kruiden met langwerpige, gaafrandige wortelstandige bladerenPolypompholyx.1b.Kelk 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd; bovenlip rechtopstaand, ingesneden of gaafrandig, onderlip groot, 3-deelig of gaafrandig. Meeldraden 2, dik en kort, sterk gebogen. Doosvrucht met 2 kleppen of onregelmatig of met een deksel openspringend. Land-, moeras-, of waterplantenUtricularia.

Bloemen 5-tallig, tweeslachtig zelden regelmatig, meest zygomorf, bloemkroon meest duidelijk 2-lippig; meeldraden zelden 5, meest 2, onder in de bloemkroon ingehecht;vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met een meest grondstandige zaadlijst; vrucht een 2–4-kleppige doosvrucht en dan veelzadig of een gesloten vrucht en dan 1-zadig; meest kruiden op vochtige plaatsen of in het water groeiend.

1a.Kelk 4-deelig met ronde slippen aan den rand met lange tanden bezet. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd, met een spoor. Bovenlip 2-spletig; onderlip groot, 3-lobbig. Meeldraden 2, sterk gebogen. Doosvrucht meerzadig met 2 kleppen openspringend. Kleine kruiden met langwerpige, gaafrandige wortelstandige bladerenPolypompholyx.

1b.Kelk 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd; bovenlip rechtopstaand, ingesneden of gaafrandig, onderlip groot, 3-deelig of gaafrandig. Meeldraden 2, dik en kort, sterk gebogen. Doosvrucht met 2 kleppen of onregelmatig of met een deksel openspringend. Land-, moeras-, of waterplantenUtricularia.

266.Acanthaceae.Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms nog 1 of 3 staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht, 2-kleppig hokverbrekend openspringend, zelden een steenvrucht; zaden meest zittend op haakvormige uitgroeiïngen van de zaadsteel; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren; bloemen meest in aren of samengestelde aren.1a.Kelk aan den voet met 2 groote bladeren die aan de randen min of meer vergroeid zijn en den kelk inhullen. Meest klimplanten; bloemen in de bladoksels21b.Geen 2 groote bladeren onder de kelk; indien de kelk door bladeren omhuld wordt dan staan de bloemen in aren32a.Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven geleidelijk verwijd; zoom van de bloemkroon niet zeer breed. Planten meestal langharig. Vrucht min of meer besachtig, niet openspringend, rondMendoncia.2b.Bloemkroonbuis tamelijk wijd met een groote en breede, wijduitstaande zoom met bijna gelijke slippen. Bladeren meest wat pijlvormig. Vrucht een toegespitste doosvruchtThunbergia.3a.Bloemen met 4 meeldraden of met 2 meeldraden en 2 groote staminodiën43b.Bloemen met slechts 2 meeldraden104a.Bloemen in dichte zittende groepen in de bladoksels, schijnbaar in kransen rondom den stengel staand. Bloemkroon 2-lippig met een dunne naar boven geleidelijk wijder wordende buis. Stempel haakvormig. Bladeren smal en langHygrophila.4b.Bloemen in pluimen of aren of gesteeld en okselstandig55a.Bloemen zoo dicht op elkaar zittend dat ze aan het eind van den stengel een duidelijke aar vormen met of zonder dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren65b.Bloeiwijze los, niet dicht-aarvormig. Kelk gelijkmatig 5-spletig of de achterste kelkslip grooter of soms kelk 2-lippig. Bloemkroon verschillend van vorm, doch steeds met 5 ongeveer gelijke lobben, dus niet duidelijk 2-lippigRuellia.6a.Twee vruchtbare meeldraden en twee staminodiën aanwezig. Plant naar boven vertakt; elke tak in een aar eindigend met dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren, die min of meer droogvliezig, sterk geaderd en toegespitst zijn. Schutbladeren veel grooter dan de kelk. Bloemen met lange dunne buis, ver buiten de aar uitstekendEranthemum.6b.Alle meeldraden met stuifmeel77a.Bloemkroon onduidelijk 2-lippig of bijna regelmatig. Bloemen wit87b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig. Bloemkroon wit en lila en dan klein, of rood en dan groot98a.Aar tamelijk los met bladachtige breede schutbladeren, die veel grooter zijn dan de kelk. Bloemen 2 of 3 in de oksels der schutbladeren. Kelk 5-deelig, regelmatig, vrucht van binnen met duidelijke haken, met 6 of meer zaden in elke afdeelingBlechum.8b.Aar dicht, soms zeer klein; kelk 5-deelig, de bovenste slip breeder dan de andere. Schutbladeren niet opvallend breed en bladachtig; bloemen meest alleenstaand in de oksels der schutbladeren. Doosvrucht met vele zaden, van binnen zonder haken. Planten meest zeer kleinStaurogyne.9a.Bloemen vuurrood, meeste meerdere centimeters lang, duidelijk 2-lippig, in een smalle, eindstandige aar, waarvan de schutbladeren dicht over elkaar liggen. Schutbladeren vaak met tanden aan den top of aan den rand. Meeldraden buiten de bloemkroon uitstekend; planten rechtopstaand, onvertaktAphelandra.9b.Schutbladeren weinig grooter dan de kelk, droogvliezig, evenals de kelkslippen met een spitse punt. Bloemkroon wit, meest met lila teekening, nog niet 1 c.M. lang of meest nog kleiner. Meeldraden boven in de bloemkroonbuis ingehechtLepidagathis.10a.Bloemen in aren in den oksel van groote schutbladeren1110b.Bloemen niet in aren of als ze in aren staan, dan zijn er geen groote schutbladeren1211a.Meeldraden meest aan de basis met een kleine tand. Kelk kort. Bloemkroonbuis smal, naar boven weinig verwijd. Bovenlip lang en smal; onderlip breeder. Meeldraden buiten de buis uitstekendPachystachys.11b.Helmdraden zonder tand aan de basis. Kelk 4–5-deelig met gelijke smalle en spitse slippen. Bloemkroonbuis kort; bovenlip hol, onderlip meest breeder, vlak en 3-deelig. Helmbindsel min of meer verbreed; helmhokjes niet op gelijke hoogte ingehechtJusticia.12a.Kelk 5-tandig, klein, met gelijke tanden. Bloemkroonbuis boven de basis wat vernauwd, dan scheef in een buisvormige lange keel verwijd. Helmhokjes bijna op gelijke hoogte ingehecht; helmbindsel niet verbreed. Bloemen in éénzijdige arenDrejera.12b.Kelk 4–5-deelig1313a.Bloemkroonbuis kort, weinig verwijd. Bovenlip hol; onderlip breeder, vlak, 3-deelig. Meeldraden boven in de bloemkroon bevestigd. Helmhokjes aan het min of meer verbreede helmbindsel op verschillende hoogte ingehecht, doch meest evenwijdig aan elkaarJusticia.13b.Bloemkroonbuis lang, dun, meest recht. Bovenlip vaak gebogen, 2-tandig. Onderlip diep 3-deelig, de middenlob het grootst. Helmbindsel breed, de helmhokjes niet evenwijdig met elkaar loopendBeloperone.13c.Planten van het uiterlijk van de beide vorige, maar ervan verschillend alleen door den vorm van het stuifmeel, dat bij Justicia en Beloperone met rijen van kleine knobbeltjes bezet is, terwijl bij Rhacodiscus het stuifmeel geheel gestekeld isRhacodiscus.

266.Acanthaceae.

Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms nog 1 of 3 staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht, 2-kleppig hokverbrekend openspringend, zelden een steenvrucht; zaden meest zittend op haakvormige uitgroeiïngen van de zaadsteel; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren; bloemen meest in aren of samengestelde aren.1a.Kelk aan den voet met 2 groote bladeren die aan de randen min of meer vergroeid zijn en den kelk inhullen. Meest klimplanten; bloemen in de bladoksels21b.Geen 2 groote bladeren onder de kelk; indien de kelk door bladeren omhuld wordt dan staan de bloemen in aren32a.Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven geleidelijk verwijd; zoom van de bloemkroon niet zeer breed. Planten meestal langharig. Vrucht min of meer besachtig, niet openspringend, rondMendoncia.2b.Bloemkroonbuis tamelijk wijd met een groote en breede, wijduitstaande zoom met bijna gelijke slippen. Bladeren meest wat pijlvormig. Vrucht een toegespitste doosvruchtThunbergia.3a.Bloemen met 4 meeldraden of met 2 meeldraden en 2 groote staminodiën43b.Bloemen met slechts 2 meeldraden104a.Bloemen in dichte zittende groepen in de bladoksels, schijnbaar in kransen rondom den stengel staand. Bloemkroon 2-lippig met een dunne naar boven geleidelijk wijder wordende buis. Stempel haakvormig. Bladeren smal en langHygrophila.4b.Bloemen in pluimen of aren of gesteeld en okselstandig55a.Bloemen zoo dicht op elkaar zittend dat ze aan het eind van den stengel een duidelijke aar vormen met of zonder dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren65b.Bloeiwijze los, niet dicht-aarvormig. Kelk gelijkmatig 5-spletig of de achterste kelkslip grooter of soms kelk 2-lippig. Bloemkroon verschillend van vorm, doch steeds met 5 ongeveer gelijke lobben, dus niet duidelijk 2-lippigRuellia.6a.Twee vruchtbare meeldraden en twee staminodiën aanwezig. Plant naar boven vertakt; elke tak in een aar eindigend met dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren, die min of meer droogvliezig, sterk geaderd en toegespitst zijn. Schutbladeren veel grooter dan de kelk. Bloemen met lange dunne buis, ver buiten de aar uitstekendEranthemum.6b.Alle meeldraden met stuifmeel77a.Bloemkroon onduidelijk 2-lippig of bijna regelmatig. Bloemen wit87b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig. Bloemkroon wit en lila en dan klein, of rood en dan groot98a.Aar tamelijk los met bladachtige breede schutbladeren, die veel grooter zijn dan de kelk. Bloemen 2 of 3 in de oksels der schutbladeren. Kelk 5-deelig, regelmatig, vrucht van binnen met duidelijke haken, met 6 of meer zaden in elke afdeelingBlechum.8b.Aar dicht, soms zeer klein; kelk 5-deelig, de bovenste slip breeder dan de andere. Schutbladeren niet opvallend breed en bladachtig; bloemen meest alleenstaand in de oksels der schutbladeren. Doosvrucht met vele zaden, van binnen zonder haken. Planten meest zeer kleinStaurogyne.9a.Bloemen vuurrood, meeste meerdere centimeters lang, duidelijk 2-lippig, in een smalle, eindstandige aar, waarvan de schutbladeren dicht over elkaar liggen. Schutbladeren vaak met tanden aan den top of aan den rand. Meeldraden buiten de bloemkroon uitstekend; planten rechtopstaand, onvertaktAphelandra.9b.Schutbladeren weinig grooter dan de kelk, droogvliezig, evenals de kelkslippen met een spitse punt. Bloemkroon wit, meest met lila teekening, nog niet 1 c.M. lang of meest nog kleiner. Meeldraden boven in de bloemkroonbuis ingehechtLepidagathis.10a.Bloemen in aren in den oksel van groote schutbladeren1110b.Bloemen niet in aren of als ze in aren staan, dan zijn er geen groote schutbladeren1211a.Meeldraden meest aan de basis met een kleine tand. Kelk kort. Bloemkroonbuis smal, naar boven weinig verwijd. Bovenlip lang en smal; onderlip breeder. Meeldraden buiten de buis uitstekendPachystachys.11b.Helmdraden zonder tand aan de basis. Kelk 4–5-deelig met gelijke smalle en spitse slippen. Bloemkroonbuis kort; bovenlip hol, onderlip meest breeder, vlak en 3-deelig. Helmbindsel min of meer verbreed; helmhokjes niet op gelijke hoogte ingehechtJusticia.12a.Kelk 5-tandig, klein, met gelijke tanden. Bloemkroonbuis boven de basis wat vernauwd, dan scheef in een buisvormige lange keel verwijd. Helmhokjes bijna op gelijke hoogte ingehecht; helmbindsel niet verbreed. Bloemen in éénzijdige arenDrejera.12b.Kelk 4–5-deelig1313a.Bloemkroonbuis kort, weinig verwijd. Bovenlip hol; onderlip breeder, vlak, 3-deelig. Meeldraden boven in de bloemkroon bevestigd. Helmhokjes aan het min of meer verbreede helmbindsel op verschillende hoogte ingehecht, doch meest evenwijdig aan elkaarJusticia.13b.Bloemkroonbuis lang, dun, meest recht. Bovenlip vaak gebogen, 2-tandig. Onderlip diep 3-deelig, de middenlob het grootst. Helmbindsel breed, de helmhokjes niet evenwijdig met elkaar loopendBeloperone.13c.Planten van het uiterlijk van de beide vorige, maar ervan verschillend alleen door den vorm van het stuifmeel, dat bij Justicia en Beloperone met rijen van kleine knobbeltjes bezet is, terwijl bij Rhacodiscus het stuifmeel geheel gestekeld isRhacodiscus.

Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms nog 1 of 3 staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht, 2-kleppig hokverbrekend openspringend, zelden een steenvrucht; zaden meest zittend op haakvormige uitgroeiïngen van de zaadsteel; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren; bloemen meest in aren of samengestelde aren.

1a.Kelk aan den voet met 2 groote bladeren die aan de randen min of meer vergroeid zijn en den kelk inhullen. Meest klimplanten; bloemen in de bladoksels2

1b.Geen 2 groote bladeren onder de kelk; indien de kelk door bladeren omhuld wordt dan staan de bloemen in aren3

2a.Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven geleidelijk verwijd; zoom van de bloemkroon niet zeer breed. Planten meestal langharig. Vrucht min of meer besachtig, niet openspringend, rondMendoncia.

2b.Bloemkroonbuis tamelijk wijd met een groote en breede, wijduitstaande zoom met bijna gelijke slippen. Bladeren meest wat pijlvormig. Vrucht een toegespitste doosvruchtThunbergia.

3a.Bloemen met 4 meeldraden of met 2 meeldraden en 2 groote staminodiën4

3b.Bloemen met slechts 2 meeldraden10

4a.Bloemen in dichte zittende groepen in de bladoksels, schijnbaar in kransen rondom den stengel staand. Bloemkroon 2-lippig met een dunne naar boven geleidelijk wijder wordende buis. Stempel haakvormig. Bladeren smal en langHygrophila.

4b.Bloemen in pluimen of aren of gesteeld en okselstandig5

5a.Bloemen zoo dicht op elkaar zittend dat ze aan het eind van den stengel een duidelijke aar vormen met of zonder dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren6

5b.Bloeiwijze los, niet dicht-aarvormig. Kelk gelijkmatig 5-spletig of de achterste kelkslip grooter of soms kelk 2-lippig. Bloemkroon verschillend van vorm, doch steeds met 5 ongeveer gelijke lobben, dus niet duidelijk 2-lippigRuellia.

6a.Twee vruchtbare meeldraden en twee staminodiën aanwezig. Plant naar boven vertakt; elke tak in een aar eindigend met dakpansgewijs over elkaar liggende schutbladeren, die min of meer droogvliezig, sterk geaderd en toegespitst zijn. Schutbladeren veel grooter dan de kelk. Bloemen met lange dunne buis, ver buiten de aar uitstekendEranthemum.

6b.Alle meeldraden met stuifmeel7

7a.Bloemkroon onduidelijk 2-lippig of bijna regelmatig. Bloemen wit8

7b.Bloemkroon duidelijk 2-lippig. Bloemkroon wit en lila en dan klein, of rood en dan groot9

8a.Aar tamelijk los met bladachtige breede schutbladeren, die veel grooter zijn dan de kelk. Bloemen 2 of 3 in de oksels der schutbladeren. Kelk 5-deelig, regelmatig, vrucht van binnen met duidelijke haken, met 6 of meer zaden in elke afdeelingBlechum.

8b.Aar dicht, soms zeer klein; kelk 5-deelig, de bovenste slip breeder dan de andere. Schutbladeren niet opvallend breed en bladachtig; bloemen meest alleenstaand in de oksels der schutbladeren. Doosvrucht met vele zaden, van binnen zonder haken. Planten meest zeer kleinStaurogyne.

9a.Bloemen vuurrood, meeste meerdere centimeters lang, duidelijk 2-lippig, in een smalle, eindstandige aar, waarvan de schutbladeren dicht over elkaar liggen. Schutbladeren vaak met tanden aan den top of aan den rand. Meeldraden buiten de bloemkroon uitstekend; planten rechtopstaand, onvertaktAphelandra.

9b.Schutbladeren weinig grooter dan de kelk, droogvliezig, evenals de kelkslippen met een spitse punt. Bloemkroon wit, meest met lila teekening, nog niet 1 c.M. lang of meest nog kleiner. Meeldraden boven in de bloemkroonbuis ingehechtLepidagathis.

10a.Bloemen in aren in den oksel van groote schutbladeren11

10b.Bloemen niet in aren of als ze in aren staan, dan zijn er geen groote schutbladeren12

11a.Meeldraden meest aan de basis met een kleine tand. Kelk kort. Bloemkroonbuis smal, naar boven weinig verwijd. Bovenlip lang en smal; onderlip breeder. Meeldraden buiten de buis uitstekendPachystachys.

11b.Helmdraden zonder tand aan de basis. Kelk 4–5-deelig met gelijke smalle en spitse slippen. Bloemkroonbuis kort; bovenlip hol, onderlip meest breeder, vlak en 3-deelig. Helmbindsel min of meer verbreed; helmhokjes niet op gelijke hoogte ingehechtJusticia.

12a.Kelk 5-tandig, klein, met gelijke tanden. Bloemkroonbuis boven de basis wat vernauwd, dan scheef in een buisvormige lange keel verwijd. Helmhokjes bijna op gelijke hoogte ingehecht; helmbindsel niet verbreed. Bloemen in éénzijdige arenDrejera.

12b.Kelk 4–5-deelig13

13a.Bloemkroonbuis kort, weinig verwijd. Bovenlip hol; onderlip breeder, vlak, 3-deelig. Meeldraden boven in de bloemkroon bevestigd. Helmhokjes aan het min of meer verbreede helmbindsel op verschillende hoogte ingehecht, doch meest evenwijdig aan elkaarJusticia.

13b.Bloemkroonbuis lang, dun, meest recht. Bovenlip vaak gebogen, 2-tandig. Onderlip diep 3-deelig, de middenlob het grootst. Helmbindsel breed, de helmhokjes niet evenwijdig met elkaar loopendBeloperone.

13c.Planten van het uiterlijk van de beide vorige, maar ervan verschillend alleen door den vorm van het stuifmeel, dat bij Justicia en Beloperone met rijen van kleine knobbeltjes bezet is, terwijl bij Rhacodiscus het stuifmeel geheel gestekeld isRhacodiscus.


Back to IndexNext