Chapter 6

117a.Kleine strandplanten met vleezige bladeren. Bloemdek 5-bladig tot 5-deelig; stempels 584.Aizoaceae.117b.Bladeren niet vleezig; stijlen 10–1683.Phytolaccaceae.118a.Vruchtbeginsel onder in de min of meer bekervormige bloembodem; meeldraden op den rand ervan staande126.Rosaceae.118b.Vruchtbeginsel te midden van een schijf gezeten119119a.Bloemdek meest 4-deelig; meeldraden op den schijf ingeplant171.Elaeocarpaceae.119b.Bloemdek bijna 5-bladig; meeldraden buiten de schijf ingeplant; schijf min of meer bekervormig, aandenrand behaard; bladeren sterk behaard199.Flacourtiaceae.119c.Vruchtbeginsel niet op een schijf en evenmin in een bekervormige bloembodem gezeten; bladeren aan den voet met 2 doornige steunblaadjes83.Phytolaccaceae.120a.Bloemdek 6-tallig; meeldraden in één of meerdere kransen van 3 gezeten; helmknoppen met 2 of 4 klepjes openspringend102.Lauraceae.120b.Bloemdek 4–5-tallig, soms 3-tallig, maar dan de helmknoppen niet met klepjes openspringend121121a.Bloemen door eenzijdige stand van de meeldraden een weinig zygomorf; meeldraden met de slippen van het bloemdek op den rand van de urn- of bekervormige bloembodem staande, op welks bodem het eenhokkige vruchtbeginsel zit. Boomen126.Rosaceae.121b.Bloemen regelmatig122122a.Slechts één meeldraad in elke bloem. Bloemdekblaadjes zeer klein. Bloemen in korte aren55.Lacistemaceae.122b.Twee of meer meeldraden123123a.Kruidachtige planten124123b.Boomen of grootere of kleinere heesters128124a.Bladeren smal, in kransen. Bloemdek 5-bladig, meeldraden 3–5; vruchtbeginsel met 3 stempels84.Aizoaceae.124b.Bladeren tegenoverstaand of verspreid125125a.Bloemen eenige weinige bij elkaar of alleenstaand, door vergroeide schutbladeren omgeven; bloemdek buisvormig met 1–5 meeldraden80.Nyctaginaceae.125b.Bloemdek niet buisvormig, losbladig of bijna losbladig126126a.Bloemdek vliezig, meest wit, soms rose gekleurd; meeldraden in een buis vergroeid; bloemen meest in dichte aren of hoofdjes, soms in wijdvertakte pluimen79.Amarantaceae.126b.Bloemdek niet vliezig127127a.Bloemen in dichte aren; bladeren met steunbladeren, die den stengel als een koker omvatten77.Polygonaceae.127b.Bloemen in losse trossen, zeer klein, wit. Bladeren zonder kokervormige steunbladeren83.Phytolaccaceae.127c.Bloemdek 5-spletig tot 5-deelig, groen; vruchtbeginsel met 2 tot 5 stempels78.Chenopodiaceae.128a.Bloemdekbladeren lang en smal, tijdens den bloei teruggeslagen; meeldraden evenveel en met de bloemdekslippen, vergroeid; bladeren vaak in kransen van drie66.Proteaceae.128b.Bloemdekbladeren niet opvallend lang en smal129129a.Behalve de meeldraden zijn er nog eenige staminodiën in de bloem aanwezig. Bloemen klein, in de bladoksels in groepen gezeten; vruchtbeginsel 1-hokkig met drie rijen van zaadknoppen199.Flacourtiaceae.129b.Geen staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel éénhokkig en dan met slechts één zaadknop of tweehokkig130130a.Bloemdek lang-buisvormig131130b.Bloemdek losbladig of bijna losbladig, niet buisvormig133131a.Bloemen in groepen van ongeveer drie bij elkaar of alleenstaand; elke groepomgevendoor drie gekleurde schutbladeren80.Nyctaginaceae.131b.Bloemen niet in groepen, niet door schutbladeren omgeven132132a.Bloemdek 5-tallig; meeldraden 8–977.Polygonaceae.132b.Bloemdek lang, met 4 smalle slippen; meeldraden 4–883.Phytolaccaceae.133a.Bloemdek geheel losbladig, 5-tallig met 10 meeldraden; vruchtbeginsel sterk behaard; vrucht min of meer gestekeld; bladeren met sterharen174.Tiliaceae.133b.Bloemdek min of meer vergroeidbladig; meeldraden minder dan 10134134a.Bloemdek 4–5-deelig, groen; meeldraden 4 of 563.Ulmaceae.134b.Bloemdek 5-deelig, meest gekleurd; meeldraden 8 of 977.Polygonaceae.135a.Alleen vrouwelijke bloemen aanwezig136135b.Alleen mannelijke bloemen aanwezig153136a.Vruchtbeginsel onderstandig137136b.Vruchtbeginsel bovenstandig140137a.Bloemdek 3-tallig138137b.Bloemdek 4- of 5-tallig139138a.Lianen of kruiden. Vruchtbeginsel min of meer 3-kantig met 3 korte stijlen; bladeren meest hart-pijl-vormig of gelobd met eenige evenwijdige hoofdnerven43.Dioscoreaceae.138b.Parasieten. Vruchtbeginsel niet 3-kantig met 1 stijl67.Loranthaceae.139a.Bloemdek 5-bladig, vaak een weinig zygomorf; vruchtbeginsel 3-kantig met 3 tweespletige stijlen. Kruiden208.Begoniaceae.139b.Bloemdek 8-deelig met 4 klieren van binnen; stijl 1; boomen met hartvormige bladeren103.Hernandiaceae.139c.Bloemdek 4–5-deelig; stijl 1; bladeren niet hartvormig; heesters221.Combretaceae.140a.Meerdere vruchtbeginsels in elke bloem141140b.Slecht één vruchtbeginsel in elke bloem142141a.Bloemdek van onderen min of meer bekervormig; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren101.Monimiaceae.141b.Bloemdek niet bekervormig, 3-tallig; bladeren verspreid; meest klimplanten94.Menispermaceae.142a.Vruchtbeginsel 2-meerhokkig, meest met meerdere stijlen, soms met één stijl143142b.Vruchtbeginsel éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht éénzadig144143a.Vruchtbeginsel 5-meerhokkig; rudimentaire meeldraden aanwezig. Boomen178.Sterculiaceae.143b.Vruchtbeginsel meest 3-, soms 2-hokkig, met 3 of 2 stijlen of stempels. Boomen, heesters of kruiden met melksap, òf met steunbladeren of beide147.Euphorbiaceae.143c.Vruchtbeginsel 3–6-, meest 3-hokkig en 3-vleugelig met een zittende stempel; bloemdekbladeren (kelk) 3–5; bladeren bijna ongesteeld, naar den voet sterk versmald, zonder steunbladeren. Geen melksap aanwezig165.Sapindaceae.144a.Kruidachtige planten145144b.Boomen of grootere of kleinere heesters147145a.Bloemdek 3- of 4-tallig, een van de slippen grooter dan de andere; kruiden òf met borstelige, soms brandende haren en dan de bladeren verspreid, òf kaal en dan met tegenoverstaande bladeren; stijl of stempel één65.Urticaceae.145b.Bloemdek regelmatig; stijlen of stempels 2–5146146a.Bloemdek vliezig, na den bloei zich verhardend en vaak stekelig en toegespitst. Planten niet riekend, met meest langgesteelde bladeren, soms gedoornd79.Amarantaceae.146b.Bloemdek kruidachtig, niet vliezig en toegespitst, soms ontbrekend, maar dan is het vruchtbeginsel omgeven door 2 vergroeide bloemsteelblaadjes, en is de plant niet riekend, soms aanwezig en dan is de plant riekend en zijn de bladeren gegolfd78.Chenopodiaceae.147a.Bloemen in kransen rondom den bloeistengel en zóó een aar vormend. Bladeren tegenoverstaand7.Gnetaceae.147b.Bloemen niet in kransen148148a.Vruchtbeginsel met 3 stijlen of stempels; bloemdek 6-spletig met 3 groote en 3 kleine slippen. Takken hol met tusschenschotten77.Polygonaceae.148b.Vruchtbeginsel met slechts 1 stijl149149a.Planten met melksap en groote steunbladeren, die in het begin vergroeid zijn en het bovenliggende deel van den stengel insluiten; na het afvallen laten ze een ringvormig lidteeken om den stam na; bloeiwijzen meest zeer dicht, bol- of aarvormig; een enkele maal pluimvormig64.Moraceae.149b.Planten zonder melksap en zonder opvallend groote steunbladeren150150a.Staminodiën aanwezig151150b.Geen staminodiën aanwezig152151a.Bloemdek 4-deelig; 4 staminodiën102.Lauraceae.151b.Bloemdek buisvormig, 5-tandig80.Nyctaginaceae.152a.Kleine heesters met steunbladeren; ook tweeslachtige bloemen aanwezig63.Ulmaceae.152b.Kleine of groote boomen; steunbladeren ontbrekend; bloemen nooit 2-slachtig99.Myristicaceae.153a.Meeldraden aan of nabij den top van een zuil gezeten, die in het midden van de bloem staat153153b.Meeldraden niet op een zuil gezeten155154a.Bloemdek klein, bekervormig, 2- of 3-tandig; meeldraden 2 tot 7. Boomen zonder melksap met afwisselende bladeren zonder steunbladeren99.Myristicaceae.154b.Bloemdek 4- of 5-tandig of -deelig. Kruiden of heesters of boomen, meest met melksap; bladeren meest met steunbladeren147.Euphorbiaceae.155a.Helmknoppen met klepjes openspringend156155b.Helmknoppen met spleten openspringend157156a.Bloemen meest 3-tallig met een 6-deelig bloemdek, zeer zelden (Laurus) 4-tallig. Meeldraden 3, 6, 9 of 12, in verschillende rijen binnen elkaar of 4 (Laurus); bladeren verspreid102.Lauraceae.156b.Bloemen 3- of 4-tallig; met een bekervormig bloemdek op welks bodem de meeldraden onregelmatig zijn ingeplant. Bladeren tegenoverstaand101.Monimiaceae.157a.Bloemen met 1 meeldraad in kransen rondom de bloeistengel gezeten en zoo een aar vormend. Houtige planten met tegenoverstaande bladeren7.Gnetaceae.157b.Twee tot vele meeldraden, in enkele gevallen 1 meeldraad in de bloem, maar dan staan de bloemen niet in kransen158158a.Meeldraden 4, afwisselend met 4 smalle staminodiën; bloemen met 4-tallig bloemdek, in korte aren in de bladoksels. Bladeren vleezig, tegenoverstaand; strandplanten60a.Batidaceae.158b.Bloemen niet typisch 4-tallig, zonder staminodiën en bladeren niet vleezig159159a.Meeldraden meer dan 12, meest zeer talrijk160159b.Meeldraden 1 tot 12163160a.2Kruidachtige planten met een 4-bladig bloemdek208.Begoniaceae.160b.Boomen of heesters161161a.Bloemdek buisvormig, 5-tandig, meeldraden aan de binnenzijde van de buis vastgehecht80.Nyctaginaceae.161b.Bloemdek niet buisvormig, meeldraden vrij162162a.Bloemdek 5-tallig; rudiment van een vruchtbeginsel aanwezig; meeldraden of op een steel gezeten, of in meerdere regelmatige rijen178.Sterculiaceae.162b.Bloemdek 3–4-deelig; geen rudiment van een vruchtbeginsel aanwezig147.Euphorbiaceae.163a.Bloemdek en meeldraden 3-tallig164163b.Bloemen niet typisch 3-tallig166164a.Meeldraden 9; boomen met holle takken; bloemdek vergroeidbladig met 3 groote en 3 kleine slippen77.Polygonaceae.164b.Meeldraden 3 of 6165165a.Kruiden of lianen; bladeren dun, hart-pijlvormig of handvormig gelobd tot gedeeld, aan de basis 3–7-nervig. Meeldraden 6 of de binnenste 3 min of meer gereduceerd of ontbrekend43.Dioscoreaceae.165b.Klimmende heesters; bladeren min of meer leerachtig; niet gedeeld, niet hart-pijlvormig94.Menispermaceae.165c.Parasieten; bladeren bijna steeds tegenoverstaand67.Loranthaceae.165d.Boomen met hartvormige bladeren; bloemdek 6-deelig; meeldraden 3, helmdraden ieder met 2 klieren aan den voet103.Hernandiaceae.166a.Meeldraden 8–10, dubbel zooveel als de slippen van het vergroeidbladige bloemdek. Boomen of heesters met afwisselende bladeren221.Combretaceae.166b.Boomen of heesters; meeldraden meest evenveel als de bloemdekbladeren; soms wat meer of minder167166c.Kruidachtige planten170167a.Boomen met zeer groote steunbladeren, die in den knop vergroeid zijn en het bovendeel van den spruit inhullen; na het afvallen een ringvormig lidteeken om den stam achterlaten. Bloemen meest zeer klein, in dichte aar- of bolvormige bloeiwijzen. Planten meest met melksap64.Moraceae.167b.Geen opvallend groote steunbladeren aanwezig; bloeiwijzen niet zeer dicht168168a.Bloemdek buisvormig, 5-tandig; meeldraden 6–8, aan de binnenzijde met de buis vergroeid80.Nyctaginaceae.168b.Bloemdek niet buisvormig169169a.Heesters met fijngezaagde ruwe bladeren; bloemdek 5-, zelden 4-deelig, met 5 (of 4) meeldraden voor de bloemdekbladeren staand63.Ulmaceae.169b.Meeldraden niet duidelijk voor de bloemdekbladeren staand, vaak in een ander aantal. Bladeren niet ruw en gezaagd. Melksap of steunbladeren of beide aanwezig147.Euphorbiaceae.169c.Bladeren zonder steunbladeren; melksap ontbrekend; bloemdekbladeren (kelk) 2 tot 5; meeldraden 8–12; heester met naar den voet sterk versmalde, bijna zittende bladeren165.Sapindaceae.170a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij, 3 of 5, hard en vliezig, scherp toegespitst. Meeldraden evenveel, in den knop niet naar binnen gebogen79.Amarantaceae.170b.Bloemdekbladeren aan de basis vergroeid, niet vliezig en spits171171a.Bladeren en stengel met zeer ruwe borstelige haren bezet, en dan de bladeren verspreid, of kaal en dan de bladeren tegenoverstaand. Meeldraden in den knop naar binnen gebogen bij het opengaan van den knop elastisch naar buiten ombuigend65.Urticaceae.171b.Bladeren niet tegenoverstaand en niet borstelig behaard. Meeldraden bij het openen van de bloem niet elastisch naar buiten ombuigend172172a.Bladeren met steunbladeren en planten vaak met melksap147.Euphorbiaceae.172b.Geen steunbladeren en geen melksap aanwezig; planten vaak sterk riekend78.Chenopodiaceae.173a.Bloemkroon losbladig, uit één of meer afzonderlijke bladeren bestaande174173b.Bloemkroon vergroeidbladig254174a.Bloemen eenslachtig, tweehuizig175174b.Bloemen met goed ontwikkelde meeldraden en een vruchtbeginsel of eenslachtig, maar dan eenhuizig185175a.Alleen ♂ bloemen aanwezig176175b.Alleen ♀ bloemen aanwezig181176a.Bladeren tegenoverstaand of in kransen177176b.Bladeren verspreid178177a.Kelkbladeren 4–5; bloembladeren 4–8;meeldraden 15 tot vele, vrij, met lange helmdraden en kleine helmknoppen. Bladeren meest in kransen, aan den rand vaak gezaagd, lang en vrij smal, soms vindeelig, met steunbladeren185.Quiinaceae.177b.Kelkbladeren 2 of 4, of meerdere, soms in den knop vergroeid, vaak in 2 of meer rijen; bloembladeren 4–12; meeldraden òf weinige, maar dan met lange helmknoppen en korte helmdraden, òf vele, en dan vaak met elkaar vergroeid; bladeren niet in kransen, meest dik en leerachtig; steunbladeren slechts zelden aanwezig187.Guttiferae.178a.Klimmende heesters, bloemen geheel 3-tallig, dus ook de meeldraden een veelvoud van 3, in meerdere kransen94.Menispermaceae.178b.Bloemen niet zuiver 3-tallig179179a.Meeldraden talrijk, kelkbladeren 2–3; bloembladeren 6–12; bladeren zeer groot199.Flacourtiaceae.179b.Meeldraden hoogstens 20180180a.Meeldraden 4–10, meest maar enkele met stuifmeel en dan grooterdan de andere. Rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Boomen of heesters met leerachtige bladeren153.Anacardiaceae.180b.Meeldraden 4 of 5, onder den rand van een dikke schijf ingehecht. Bloembladeren 4–5, kelk 4–5 spletig; klein. Heesters158.Celastraceae.180c.Meeldraden niet onder een schijf ingehecht, 5 en dan vaak vergroeid of 10–20, en dan los. Kelk losbladig147.Euphorbiaceae.180d.Kelk en bloembladeren 4, meeldraden 2 met elkaar tot een platte zuil vergroeid. Klimmende heesters94.Menispermaceae.181a.Meerdere vruchtbeginsels in één bloem. Bloemen meest 3-tallig, soms 2-tallig maar dan zijdelings-symmetrisch, klimmende heesters94.Menispermaceae.181b.Slechts één vruchtbeginsel in elke bloem182182a.Vruchtbeginsel met 2 tot meerdere stijlen183182b.Vruchtbeginsel met 1 stijl of een zittende stempel184183a.Bladeren tegenoverstaand of in kransen; vruchtbeginsel met 2 tot vele stijlen. Kelkbladeren 4–5185.Quiinaceae.183b.Bladeren verspreid, zeer groot. Vruchtbeginsel met overlangsche ribben. Stijlen 5–7199.Flacourtiaceae.184a.Vruchtbeginsel 2- of 3-hokkig; vrucht een 2- of 3-kleppige doosvrucht. Heesters158.Celastraceae.184b.Vruchtbeginsel 1-hokkig; vrucht òf besachtig òf niervormig op een sappige steel gezeten. Boomen of heesters153.Anacardiaceae.185a.Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig186185b.Vruchtbeginsel onderstandig246186a.Meeldraden in iedere bloem 1–10 (de staminodiën niet meegerekend)187186b.Volkomen meeldraden in iedere bloem meer dan 10225187a.Vruchtbeginsel meerdere, vrij, ieder met een stempel. Bloemen geheel 3-tallig98.Anonaceae.187b.Eén vruchtbeginsel, of meerdere vruchtbeginsels, in het laatste geval met één gemeenschappelijke stijl188188a.Bloemen eenslachtig, de ♀ bloemen met een 3-hokkig vruchtbeginsel, met 3 stijlen of stempels147.Euphorbiaceae.188b.Bloemen tweeslachtig189189a.Vruchtbeginsel met 2 of meer stijlen190189b.Vruchtbeginsel met slechts één stijl of stempel196190a.Kleine kruidachtige planten; bladeren bijna rond, bezet met lange roode kleverige haren. Bloemen in trossen112.Droseraceae.190b.Bladeren zonder roode klierharen191191a.Stijlen 5, soms zeer klein192191b.Stijlen 2 of 3194192a.Meeldraden 10; bloemen geheel 5-tallig; bloembladeren aan de basis verdikt, van binnen behaard132.Linaceae.192b.Meeldraden 5193193a.Stijlen klein, meeldraden niet vergroeid; bloembladeren van boven naar binnen omgeslagen. Bladeren kaal158.Celastraceae.193b.Meeldraden vergroeid, bloembladeren dun, niet omgeslagen. Bladeren behaard178.Sterculiaceae.194a.Meeldraden 5, geen staminodiën in de bloem aanwezig; stijlen 3, kelk aan de basis buisvormig201.Turneraceae.194b.Meeldraden 10, soms enkele ervan staminodiaal195195a.Heesters, de takken met schubben bekleed; 5 van de meeldradengrooter dan de 5 andere; stijlen 3; bloembladeren aan de binnenzijde met een 2-spletige schub134.Erythroxylaceae.195b.Vaak eenige van de meeldraden staminodiaal; stijlen 2 of 3; bloembladeren zonder schubben, meest aan den rand ingesneden; kelk van buiten meest met klieren141.Malpighiaceae.196a.Bloemen duidelijk zygomorf197196b.Bloemen regelmatig204197a.Bladeren tegenoverstaand of in kransen198197b.Bladeren verspreid201198a.Eén meeldraad aanwezig, 1, 2 of 3 bloembladeren; een van de kelkbladeren met een spoor of knobbel143.Vochysiaceae.198b.Meer dan 1 meeldraad aanwezig199199a.Kelk buisvormig, 6-tallig;bloembladeren meest 6; meeldraden met de kelkbuis vergroeid216.Lythraceae.199b.Kelk bijna of geheel losbladig200200a.Meeldraden 10, waarvan 6 met helmknoppen; een van de bloembladeren met een spoor; klimmende heesters142.Trigoniaceae.200b.Meeldraden 5, waarvan 2 een weinig anders gevormd; één bloemblad grooter dan de 4 andere; kruiden198.Violaceae.201a.Bloembladeren 5, ongeveer gelijk van vorm en grootte; meeldraden 3–8, eenzijdig gezeten, kelk buisvormig, het vruchtbeginsel insluitend126.Rosaceae.201b.Bloembladeren niet gelijk van vorm en grootte202202a.Meeldraden 5, soms wat ongelijk. Bloembladeren en kelkbladeren 5, de bloembladeren gespoord of tenminste een van de bloembladeren anders gevormd dan de overige 4198.Violaceae.202b.Meeldraden meer dan 5203203a.Meeldraden 8, in twee groepen; bloembladen 3 of 5, èèn anders gevormd maar niet gespoord. Vruchtbeginsel 2-hokkig145.Polygalaceae.203b.Meeldraden 9 of 10, tot een gesloten of eenzijdig vergroeide buis vereenigd of bijna geheel vrij. Bloembladeren 5, en dan ongelijk of 3, en dan bijna gelijk of 1. Bladeren met steunbladeren128.Papilionaceae.204a.Bloemen 5-tallig, meeldraden 3, van onderen in een korte buis vergroeid. Vruchtbeginsel 3-hokkig159.Hippocrateaceae.204b.Meeldraden evenveel of meer dan bloembladeren205205a.Kelkbladeren 2, vrij; bloembladeren 4 of 5; kruidachtige planten, bladeren soms iets vleezig85.Portulacaceae.205b.Meer dan 2 kelkbladeren of kelk vergroeidbladig206206a.Kelkbladeren geheel vrij of hoogstens aan den voet iets samenhangend207206b.Kelk duidelijk vergroeidbladig211207a.Kruiden met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren, meeldraden 4 of 6. Vruchtbeginsel 2-hokkig105.Cruciferae.207b.Bloemen niet typisch 4-tallig, of als ze 4-tallig zijn, dan zijn de planten boomen of heesters208208a.Bloemen geheel 5-tallig met 5 meeldraden. Kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren87.Caryophyllaceae.208b.Boomen, heesters of lianen, zelden kruiden, maar dan meeldraden 10209209a.Meeldraden 5,nietmet het vruchtbeginsel op een zuil gezeten. Helmknoppen vaak met aanhangsels of helmdraden tot een buis vergroeid. Geen staminodiën in de bloem aanwezig198.Violaceae.209b.Meeldraden meer dan 5, indien er 5 zijn, dan zitten ze òf met het vruchtbeginsel op een zuil òf er zijn ook staminodiën in de bloem aanwezig210210a.Planten behaard; geen staminodiën aanwezig; meeldraden 5 of 10, soms met het vruchtbeginsel op een zuil gezeten. Bloemen 5-tallig174.Tiliaceae.210b.Planten kaal, of indien ze behaard zijn, dan zijn er 5 meeldraden en een groot aantal staminodiën in de bloem aanwezig. Vruchtbeginsel soms alleen door de stijlen verbonden182.Ochnaceae.211a.Meeldraden in twee kransen, dubbel zooveel als bloembladeren212211b.Meeldraden in één krans, evenveel als bloembladeren of slechts weinige meer, soms aan den top gespleten en dan meerdere helmknoppen dragend, maar dan zijn de bladeren van doorschijnende puntjes voorzien219212a.Heesters met dorens; bloembladeren van binnen behaard; vruchtbeginsel 4-hokkig72.Olacaceae.212b.Planten niet gedoornd213213a.Meeldraden met het vruchtbeginsel op een lange steel buiten de bloem uitstekend. Vruchtbeginsels na den bloei om elkaar gedraaid. Planten dicht behaard178.Sterculiaceae.213b.Geen androgynophoor aanwezig214214a.Bladeren tegenoverstaand215214b.Bladeren verspreid216215a.Bloemen 4-tallig; meeldraden 8 (soms tot 12) paarsgewijs voor de kelkslippen staande en op de kelk ingeplant. Bloemen welriekend. Heesters216.Lythraceae.215b.Bloemen 4 of 5-tallig; meeldraden meest verschillend van grootte, soms één groote en de rest kleiner; bijna steeds alle met helmknoppen, zeer zelden (Siphanthera) een van de kransen zonder helmknoppen of geheel ontbrekend. Bladeren met eenige evenwijdige nerven. Helmknoppen bijna steeds met eigenaardige aanhangselen223.Melastomataceae.216a.Vruchtbeginsel éénhokkig217216b.Vruchtbeginsel 2-meerhokkig218217a.Vruchtbeginsel langgerekt, met één rij van zaadknoppen; vrucht een peul. Bladeren aan den top min of meer diep ingesneden, zeer zelden niet-ingesneden. Bloemen groot tot vrij groot.128.Papilionaceae.217b.Vruchtbeginsel kort, op een schijf gezeten; kelk min of meer komvormig; soms één meeldraad grooter dan de andere; bloemen klein153.Anacardiaceae.218a.Vruchtbeginsel 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hok. Kelk met 5, eenigszins over elkaar liggende lobben; staminodiën aanwezig of ontbrekend133.Humiriaceae.218b.Kelk klokvormig met 5 korte of onduidelijke tanden. Bloembladeren aan de basis meest een weinig vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig; stijl met 3 stempels241.Styracaceae.219a.Bladeren met doorschijnende puntjes (olieklieren). Planten soms gedoornd. Helmdraden vaak wat vergroeid137.Rutaceae.219b.Bladeren zonder doorschijnende puntjes220220a.Bloemen typisch 4-tallig, klein; meeldraden 4, tegenover de bloembladerenstaand; vruchtbeginsel 2-hokkig; kelk zeer kort, schotelvormig170.Vitaceae.220b.Bloemen niet typisch 4-tallig of indien ze 4-tallig zijn, dan wisselen de meeldraden af met de bloembladeren221221a.Bloembladeren met eenige ribben op de binnenzijde. Meeldraden 5, met platte helmdraden en een vierkant aanhangsel op den top van den helmknop162.Icacinaceae.221b.Bloembladeren van binnen niet geribd of als ze geribd zijn (Mangifera) dan de helmknoppen zonder aanhangsel222222a.Bloemen klein, groen of wit; vruchtbeginsel omgeven door een schijf223222b.Bloemen groot of vrij groot, meest gekleurd, geen schijf aanwezig. Vruchtbeginsel één- of meerhokkig224223a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; meest maar een deel van de meeldraden met stuifmeel. Stempel enkelvoudig153.Anacardiaceae.223b.Vruchtbeginsel meerhokkig; stempel 2- of meerlobbig; stijl soms zeer kort158.Celastraceae.224a.Vruchtbeginsel langwerpig, 1-hokkig, vrucht een peul. Meeldraden 5–9; bladeren aan den top tweespletig tot 2-deelig, zeer zelden niet-ingesneden. Boomen of vaker lianen128.Papilionaceae.224b.Vruchtbeginsel meerhokkig, zeer zelden 1-hokkig, maar dan is de plant een viltig behaarde heester of een kruidachtige plant. Meeldraden 5, onderling en vaak ook met de bloembladeren vergroeid; soms met staminodiën afwisselend. Bloembladeren vaak eigenaardig van vorm178.Sterculiaceae.225a.Meerdere vruchtbeginsels in iedere bloem, soms een weinig vergroeid, maar dan bloemen 3-tallig226225b.Slechts één vruchtbeginsel in iedere bloem227226a.Bloemen 3-tallig; kelkbladeren 3; bloembladeren meest 6; vruchtbeginsels meest zeer talrijk, soms min of meer met elkaar vergroeid98.Anonaceae.226b.Bloemen meest 4- of 5-, soms 6-tallig. Vruchtbeginsels hoogstens 5180.Dilleniaceae.227a.Bloemen met een honingbeker aan den voet184.Marcgraviaceae.227b.Geen honingbeker aanwezig228228a.Bloemen éénslachtig; in de ♀ bloem geen bloemkroon aanwezig; vruchtbeginsel 3-hokkig met een 3-spletige stijl of 3 stempels147.Euphorbiaceae.228b.Bloemen met meeldraden en vruchtbeginsel229229a.Kelkbladeren 2, zeer zelden 3, maar dan is de plant gestekeld230229b.Kelkbladeren meer dan 2, of kelk vergroeidbladig231230a.Bloemen klein, meest rood; stijl van boven gespleten; bloemen meest 4- of 5-tallig85.Portulacaceae.230b.Bloemen groot, geel; plant gestekeld; bloembladeren 4; kelkbladeren soms 3104.Papaveraceae.231a.Meeldraden tot een zeer lange buis vergroeid, die van boven aan de buitenzijde bekleed wordt door ± 30 zittende helmknoppen. Stijl 1 met 2 stempels177.Bombacaceae.231b.Meeldraden vrij of tenminste een deel van de helmdraden vrij232232a.Vruchtbeginsel met meerdere stijlen233232b.Vruchtbeginsel met één stijl235

117a.Kleine strandplanten met vleezige bladeren. Bloemdek 5-bladig tot 5-deelig; stempels 584.Aizoaceae.117b.Bladeren niet vleezig; stijlen 10–1683.Phytolaccaceae.118a.Vruchtbeginsel onder in de min of meer bekervormige bloembodem; meeldraden op den rand ervan staande126.Rosaceae.118b.Vruchtbeginsel te midden van een schijf gezeten119119a.Bloemdek meest 4-deelig; meeldraden op den schijf ingeplant171.Elaeocarpaceae.119b.Bloemdek bijna 5-bladig; meeldraden buiten de schijf ingeplant; schijf min of meer bekervormig, aandenrand behaard; bladeren sterk behaard199.Flacourtiaceae.119c.Vruchtbeginsel niet op een schijf en evenmin in een bekervormige bloembodem gezeten; bladeren aan den voet met 2 doornige steunblaadjes83.Phytolaccaceae.120a.Bloemdek 6-tallig; meeldraden in één of meerdere kransen van 3 gezeten; helmknoppen met 2 of 4 klepjes openspringend102.Lauraceae.120b.Bloemdek 4–5-tallig, soms 3-tallig, maar dan de helmknoppen niet met klepjes openspringend121121a.Bloemen door eenzijdige stand van de meeldraden een weinig zygomorf; meeldraden met de slippen van het bloemdek op den rand van de urn- of bekervormige bloembodem staande, op welks bodem het eenhokkige vruchtbeginsel zit. Boomen126.Rosaceae.121b.Bloemen regelmatig122122a.Slechts één meeldraad in elke bloem. Bloemdekblaadjes zeer klein. Bloemen in korte aren55.Lacistemaceae.122b.Twee of meer meeldraden123123a.Kruidachtige planten124123b.Boomen of grootere of kleinere heesters128124a.Bladeren smal, in kransen. Bloemdek 5-bladig, meeldraden 3–5; vruchtbeginsel met 3 stempels84.Aizoaceae.124b.Bladeren tegenoverstaand of verspreid125125a.Bloemen eenige weinige bij elkaar of alleenstaand, door vergroeide schutbladeren omgeven; bloemdek buisvormig met 1–5 meeldraden80.Nyctaginaceae.125b.Bloemdek niet buisvormig, losbladig of bijna losbladig126126a.Bloemdek vliezig, meest wit, soms rose gekleurd; meeldraden in een buis vergroeid; bloemen meest in dichte aren of hoofdjes, soms in wijdvertakte pluimen79.Amarantaceae.126b.Bloemdek niet vliezig127127a.Bloemen in dichte aren; bladeren met steunbladeren, die den stengel als een koker omvatten77.Polygonaceae.127b.Bloemen in losse trossen, zeer klein, wit. Bladeren zonder kokervormige steunbladeren83.Phytolaccaceae.127c.Bloemdek 5-spletig tot 5-deelig, groen; vruchtbeginsel met 2 tot 5 stempels78.Chenopodiaceae.128a.Bloemdekbladeren lang en smal, tijdens den bloei teruggeslagen; meeldraden evenveel en met de bloemdekslippen, vergroeid; bladeren vaak in kransen van drie66.Proteaceae.128b.Bloemdekbladeren niet opvallend lang en smal129129a.Behalve de meeldraden zijn er nog eenige staminodiën in de bloem aanwezig. Bloemen klein, in de bladoksels in groepen gezeten; vruchtbeginsel 1-hokkig met drie rijen van zaadknoppen199.Flacourtiaceae.129b.Geen staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel éénhokkig en dan met slechts één zaadknop of tweehokkig130130a.Bloemdek lang-buisvormig131130b.Bloemdek losbladig of bijna losbladig, niet buisvormig133131a.Bloemen in groepen van ongeveer drie bij elkaar of alleenstaand; elke groepomgevendoor drie gekleurde schutbladeren80.Nyctaginaceae.131b.Bloemen niet in groepen, niet door schutbladeren omgeven132132a.Bloemdek 5-tallig; meeldraden 8–977.Polygonaceae.132b.Bloemdek lang, met 4 smalle slippen; meeldraden 4–883.Phytolaccaceae.133a.Bloemdek geheel losbladig, 5-tallig met 10 meeldraden; vruchtbeginsel sterk behaard; vrucht min of meer gestekeld; bladeren met sterharen174.Tiliaceae.133b.Bloemdek min of meer vergroeidbladig; meeldraden minder dan 10134134a.Bloemdek 4–5-deelig, groen; meeldraden 4 of 563.Ulmaceae.134b.Bloemdek 5-deelig, meest gekleurd; meeldraden 8 of 977.Polygonaceae.135a.Alleen vrouwelijke bloemen aanwezig136135b.Alleen mannelijke bloemen aanwezig153136a.Vruchtbeginsel onderstandig137136b.Vruchtbeginsel bovenstandig140137a.Bloemdek 3-tallig138137b.Bloemdek 4- of 5-tallig139138a.Lianen of kruiden. Vruchtbeginsel min of meer 3-kantig met 3 korte stijlen; bladeren meest hart-pijl-vormig of gelobd met eenige evenwijdige hoofdnerven43.Dioscoreaceae.138b.Parasieten. Vruchtbeginsel niet 3-kantig met 1 stijl67.Loranthaceae.139a.Bloemdek 5-bladig, vaak een weinig zygomorf; vruchtbeginsel 3-kantig met 3 tweespletige stijlen. Kruiden208.Begoniaceae.139b.Bloemdek 8-deelig met 4 klieren van binnen; stijl 1; boomen met hartvormige bladeren103.Hernandiaceae.139c.Bloemdek 4–5-deelig; stijl 1; bladeren niet hartvormig; heesters221.Combretaceae.140a.Meerdere vruchtbeginsels in elke bloem141140b.Slecht één vruchtbeginsel in elke bloem142141a.Bloemdek van onderen min of meer bekervormig; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren101.Monimiaceae.141b.Bloemdek niet bekervormig, 3-tallig; bladeren verspreid; meest klimplanten94.Menispermaceae.142a.Vruchtbeginsel 2-meerhokkig, meest met meerdere stijlen, soms met één stijl143142b.Vruchtbeginsel éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht éénzadig144143a.Vruchtbeginsel 5-meerhokkig; rudimentaire meeldraden aanwezig. Boomen178.Sterculiaceae.143b.Vruchtbeginsel meest 3-, soms 2-hokkig, met 3 of 2 stijlen of stempels. Boomen, heesters of kruiden met melksap, òf met steunbladeren of beide147.Euphorbiaceae.143c.Vruchtbeginsel 3–6-, meest 3-hokkig en 3-vleugelig met een zittende stempel; bloemdekbladeren (kelk) 3–5; bladeren bijna ongesteeld, naar den voet sterk versmald, zonder steunbladeren. Geen melksap aanwezig165.Sapindaceae.144a.Kruidachtige planten145144b.Boomen of grootere of kleinere heesters147145a.Bloemdek 3- of 4-tallig, een van de slippen grooter dan de andere; kruiden òf met borstelige, soms brandende haren en dan de bladeren verspreid, òf kaal en dan met tegenoverstaande bladeren; stijl of stempel één65.Urticaceae.145b.Bloemdek regelmatig; stijlen of stempels 2–5146146a.Bloemdek vliezig, na den bloei zich verhardend en vaak stekelig en toegespitst. Planten niet riekend, met meest langgesteelde bladeren, soms gedoornd79.Amarantaceae.146b.Bloemdek kruidachtig, niet vliezig en toegespitst, soms ontbrekend, maar dan is het vruchtbeginsel omgeven door 2 vergroeide bloemsteelblaadjes, en is de plant niet riekend, soms aanwezig en dan is de plant riekend en zijn de bladeren gegolfd78.Chenopodiaceae.147a.Bloemen in kransen rondom den bloeistengel en zóó een aar vormend. Bladeren tegenoverstaand7.Gnetaceae.147b.Bloemen niet in kransen148148a.Vruchtbeginsel met 3 stijlen of stempels; bloemdek 6-spletig met 3 groote en 3 kleine slippen. Takken hol met tusschenschotten77.Polygonaceae.148b.Vruchtbeginsel met slechts 1 stijl149149a.Planten met melksap en groote steunbladeren, die in het begin vergroeid zijn en het bovenliggende deel van den stengel insluiten; na het afvallen laten ze een ringvormig lidteeken om den stam na; bloeiwijzen meest zeer dicht, bol- of aarvormig; een enkele maal pluimvormig64.Moraceae.149b.Planten zonder melksap en zonder opvallend groote steunbladeren150150a.Staminodiën aanwezig151150b.Geen staminodiën aanwezig152151a.Bloemdek 4-deelig; 4 staminodiën102.Lauraceae.151b.Bloemdek buisvormig, 5-tandig80.Nyctaginaceae.152a.Kleine heesters met steunbladeren; ook tweeslachtige bloemen aanwezig63.Ulmaceae.152b.Kleine of groote boomen; steunbladeren ontbrekend; bloemen nooit 2-slachtig99.Myristicaceae.153a.Meeldraden aan of nabij den top van een zuil gezeten, die in het midden van de bloem staat153153b.Meeldraden niet op een zuil gezeten155154a.Bloemdek klein, bekervormig, 2- of 3-tandig; meeldraden 2 tot 7. Boomen zonder melksap met afwisselende bladeren zonder steunbladeren99.Myristicaceae.154b.Bloemdek 4- of 5-tandig of -deelig. Kruiden of heesters of boomen, meest met melksap; bladeren meest met steunbladeren147.Euphorbiaceae.155a.Helmknoppen met klepjes openspringend156155b.Helmknoppen met spleten openspringend157156a.Bloemen meest 3-tallig met een 6-deelig bloemdek, zeer zelden (Laurus) 4-tallig. Meeldraden 3, 6, 9 of 12, in verschillende rijen binnen elkaar of 4 (Laurus); bladeren verspreid102.Lauraceae.156b.Bloemen 3- of 4-tallig; met een bekervormig bloemdek op welks bodem de meeldraden onregelmatig zijn ingeplant. Bladeren tegenoverstaand101.Monimiaceae.157a.Bloemen met 1 meeldraad in kransen rondom de bloeistengel gezeten en zoo een aar vormend. Houtige planten met tegenoverstaande bladeren7.Gnetaceae.157b.Twee tot vele meeldraden, in enkele gevallen 1 meeldraad in de bloem, maar dan staan de bloemen niet in kransen158158a.Meeldraden 4, afwisselend met 4 smalle staminodiën; bloemen met 4-tallig bloemdek, in korte aren in de bladoksels. Bladeren vleezig, tegenoverstaand; strandplanten60a.Batidaceae.158b.Bloemen niet typisch 4-tallig, zonder staminodiën en bladeren niet vleezig159159a.Meeldraden meer dan 12, meest zeer talrijk160159b.Meeldraden 1 tot 12163160a.2Kruidachtige planten met een 4-bladig bloemdek208.Begoniaceae.160b.Boomen of heesters161161a.Bloemdek buisvormig, 5-tandig, meeldraden aan de binnenzijde van de buis vastgehecht80.Nyctaginaceae.161b.Bloemdek niet buisvormig, meeldraden vrij162162a.Bloemdek 5-tallig; rudiment van een vruchtbeginsel aanwezig; meeldraden of op een steel gezeten, of in meerdere regelmatige rijen178.Sterculiaceae.162b.Bloemdek 3–4-deelig; geen rudiment van een vruchtbeginsel aanwezig147.Euphorbiaceae.163a.Bloemdek en meeldraden 3-tallig164163b.Bloemen niet typisch 3-tallig166164a.Meeldraden 9; boomen met holle takken; bloemdek vergroeidbladig met 3 groote en 3 kleine slippen77.Polygonaceae.164b.Meeldraden 3 of 6165165a.Kruiden of lianen; bladeren dun, hart-pijlvormig of handvormig gelobd tot gedeeld, aan de basis 3–7-nervig. Meeldraden 6 of de binnenste 3 min of meer gereduceerd of ontbrekend43.Dioscoreaceae.165b.Klimmende heesters; bladeren min of meer leerachtig; niet gedeeld, niet hart-pijlvormig94.Menispermaceae.165c.Parasieten; bladeren bijna steeds tegenoverstaand67.Loranthaceae.165d.Boomen met hartvormige bladeren; bloemdek 6-deelig; meeldraden 3, helmdraden ieder met 2 klieren aan den voet103.Hernandiaceae.166a.Meeldraden 8–10, dubbel zooveel als de slippen van het vergroeidbladige bloemdek. Boomen of heesters met afwisselende bladeren221.Combretaceae.166b.Boomen of heesters; meeldraden meest evenveel als de bloemdekbladeren; soms wat meer of minder167166c.Kruidachtige planten170167a.Boomen met zeer groote steunbladeren, die in den knop vergroeid zijn en het bovendeel van den spruit inhullen; na het afvallen een ringvormig lidteeken om den stam achterlaten. Bloemen meest zeer klein, in dichte aar- of bolvormige bloeiwijzen. Planten meest met melksap64.Moraceae.167b.Geen opvallend groote steunbladeren aanwezig; bloeiwijzen niet zeer dicht168168a.Bloemdek buisvormig, 5-tandig; meeldraden 6–8, aan de binnenzijde met de buis vergroeid80.Nyctaginaceae.168b.Bloemdek niet buisvormig169169a.Heesters met fijngezaagde ruwe bladeren; bloemdek 5-, zelden 4-deelig, met 5 (of 4) meeldraden voor de bloemdekbladeren staand63.Ulmaceae.169b.Meeldraden niet duidelijk voor de bloemdekbladeren staand, vaak in een ander aantal. Bladeren niet ruw en gezaagd. Melksap of steunbladeren of beide aanwezig147.Euphorbiaceae.169c.Bladeren zonder steunbladeren; melksap ontbrekend; bloemdekbladeren (kelk) 2 tot 5; meeldraden 8–12; heester met naar den voet sterk versmalde, bijna zittende bladeren165.Sapindaceae.170a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij, 3 of 5, hard en vliezig, scherp toegespitst. Meeldraden evenveel, in den knop niet naar binnen gebogen79.Amarantaceae.170b.Bloemdekbladeren aan de basis vergroeid, niet vliezig en spits171171a.Bladeren en stengel met zeer ruwe borstelige haren bezet, en dan de bladeren verspreid, of kaal en dan de bladeren tegenoverstaand. Meeldraden in den knop naar binnen gebogen bij het opengaan van den knop elastisch naar buiten ombuigend65.Urticaceae.171b.Bladeren niet tegenoverstaand en niet borstelig behaard. Meeldraden bij het openen van de bloem niet elastisch naar buiten ombuigend172172a.Bladeren met steunbladeren en planten vaak met melksap147.Euphorbiaceae.172b.Geen steunbladeren en geen melksap aanwezig; planten vaak sterk riekend78.Chenopodiaceae.173a.Bloemkroon losbladig, uit één of meer afzonderlijke bladeren bestaande174173b.Bloemkroon vergroeidbladig254174a.Bloemen eenslachtig, tweehuizig175174b.Bloemen met goed ontwikkelde meeldraden en een vruchtbeginsel of eenslachtig, maar dan eenhuizig185175a.Alleen ♂ bloemen aanwezig176175b.Alleen ♀ bloemen aanwezig181176a.Bladeren tegenoverstaand of in kransen177176b.Bladeren verspreid178177a.Kelkbladeren 4–5; bloembladeren 4–8;meeldraden 15 tot vele, vrij, met lange helmdraden en kleine helmknoppen. Bladeren meest in kransen, aan den rand vaak gezaagd, lang en vrij smal, soms vindeelig, met steunbladeren185.Quiinaceae.177b.Kelkbladeren 2 of 4, of meerdere, soms in den knop vergroeid, vaak in 2 of meer rijen; bloembladeren 4–12; meeldraden òf weinige, maar dan met lange helmknoppen en korte helmdraden, òf vele, en dan vaak met elkaar vergroeid; bladeren niet in kransen, meest dik en leerachtig; steunbladeren slechts zelden aanwezig187.Guttiferae.178a.Klimmende heesters, bloemen geheel 3-tallig, dus ook de meeldraden een veelvoud van 3, in meerdere kransen94.Menispermaceae.178b.Bloemen niet zuiver 3-tallig179179a.Meeldraden talrijk, kelkbladeren 2–3; bloembladeren 6–12; bladeren zeer groot199.Flacourtiaceae.179b.Meeldraden hoogstens 20180180a.Meeldraden 4–10, meest maar enkele met stuifmeel en dan grooterdan de andere. Rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Boomen of heesters met leerachtige bladeren153.Anacardiaceae.180b.Meeldraden 4 of 5, onder den rand van een dikke schijf ingehecht. Bloembladeren 4–5, kelk 4–5 spletig; klein. Heesters158.Celastraceae.180c.Meeldraden niet onder een schijf ingehecht, 5 en dan vaak vergroeid of 10–20, en dan los. Kelk losbladig147.Euphorbiaceae.180d.Kelk en bloembladeren 4, meeldraden 2 met elkaar tot een platte zuil vergroeid. Klimmende heesters94.Menispermaceae.181a.Meerdere vruchtbeginsels in één bloem. Bloemen meest 3-tallig, soms 2-tallig maar dan zijdelings-symmetrisch, klimmende heesters94.Menispermaceae.181b.Slechts één vruchtbeginsel in elke bloem182182a.Vruchtbeginsel met 2 tot meerdere stijlen183182b.Vruchtbeginsel met 1 stijl of een zittende stempel184183a.Bladeren tegenoverstaand of in kransen; vruchtbeginsel met 2 tot vele stijlen. Kelkbladeren 4–5185.Quiinaceae.183b.Bladeren verspreid, zeer groot. Vruchtbeginsel met overlangsche ribben. Stijlen 5–7199.Flacourtiaceae.184a.Vruchtbeginsel 2- of 3-hokkig; vrucht een 2- of 3-kleppige doosvrucht. Heesters158.Celastraceae.184b.Vruchtbeginsel 1-hokkig; vrucht òf besachtig òf niervormig op een sappige steel gezeten. Boomen of heesters153.Anacardiaceae.185a.Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig186185b.Vruchtbeginsel onderstandig246186a.Meeldraden in iedere bloem 1–10 (de staminodiën niet meegerekend)187186b.Volkomen meeldraden in iedere bloem meer dan 10225187a.Vruchtbeginsel meerdere, vrij, ieder met een stempel. Bloemen geheel 3-tallig98.Anonaceae.187b.Eén vruchtbeginsel, of meerdere vruchtbeginsels, in het laatste geval met één gemeenschappelijke stijl188188a.Bloemen eenslachtig, de ♀ bloemen met een 3-hokkig vruchtbeginsel, met 3 stijlen of stempels147.Euphorbiaceae.188b.Bloemen tweeslachtig189189a.Vruchtbeginsel met 2 of meer stijlen190189b.Vruchtbeginsel met slechts één stijl of stempel196190a.Kleine kruidachtige planten; bladeren bijna rond, bezet met lange roode kleverige haren. Bloemen in trossen112.Droseraceae.190b.Bladeren zonder roode klierharen191191a.Stijlen 5, soms zeer klein192191b.Stijlen 2 of 3194192a.Meeldraden 10; bloemen geheel 5-tallig; bloembladeren aan de basis verdikt, van binnen behaard132.Linaceae.192b.Meeldraden 5193193a.Stijlen klein, meeldraden niet vergroeid; bloembladeren van boven naar binnen omgeslagen. Bladeren kaal158.Celastraceae.193b.Meeldraden vergroeid, bloembladeren dun, niet omgeslagen. Bladeren behaard178.Sterculiaceae.194a.Meeldraden 5, geen staminodiën in de bloem aanwezig; stijlen 3, kelk aan de basis buisvormig201.Turneraceae.194b.Meeldraden 10, soms enkele ervan staminodiaal195195a.Heesters, de takken met schubben bekleed; 5 van de meeldradengrooter dan de 5 andere; stijlen 3; bloembladeren aan de binnenzijde met een 2-spletige schub134.Erythroxylaceae.195b.Vaak eenige van de meeldraden staminodiaal; stijlen 2 of 3; bloembladeren zonder schubben, meest aan den rand ingesneden; kelk van buiten meest met klieren141.Malpighiaceae.196a.Bloemen duidelijk zygomorf197196b.Bloemen regelmatig204197a.Bladeren tegenoverstaand of in kransen198197b.Bladeren verspreid201198a.Eén meeldraad aanwezig, 1, 2 of 3 bloembladeren; een van de kelkbladeren met een spoor of knobbel143.Vochysiaceae.198b.Meer dan 1 meeldraad aanwezig199199a.Kelk buisvormig, 6-tallig;bloembladeren meest 6; meeldraden met de kelkbuis vergroeid216.Lythraceae.199b.Kelk bijna of geheel losbladig200200a.Meeldraden 10, waarvan 6 met helmknoppen; een van de bloembladeren met een spoor; klimmende heesters142.Trigoniaceae.200b.Meeldraden 5, waarvan 2 een weinig anders gevormd; één bloemblad grooter dan de 4 andere; kruiden198.Violaceae.201a.Bloembladeren 5, ongeveer gelijk van vorm en grootte; meeldraden 3–8, eenzijdig gezeten, kelk buisvormig, het vruchtbeginsel insluitend126.Rosaceae.201b.Bloembladeren niet gelijk van vorm en grootte202202a.Meeldraden 5, soms wat ongelijk. Bloembladeren en kelkbladeren 5, de bloembladeren gespoord of tenminste een van de bloembladeren anders gevormd dan de overige 4198.Violaceae.202b.Meeldraden meer dan 5203203a.Meeldraden 8, in twee groepen; bloembladen 3 of 5, èèn anders gevormd maar niet gespoord. Vruchtbeginsel 2-hokkig145.Polygalaceae.203b.Meeldraden 9 of 10, tot een gesloten of eenzijdig vergroeide buis vereenigd of bijna geheel vrij. Bloembladeren 5, en dan ongelijk of 3, en dan bijna gelijk of 1. Bladeren met steunbladeren128.Papilionaceae.204a.Bloemen 5-tallig, meeldraden 3, van onderen in een korte buis vergroeid. Vruchtbeginsel 3-hokkig159.Hippocrateaceae.204b.Meeldraden evenveel of meer dan bloembladeren205205a.Kelkbladeren 2, vrij; bloembladeren 4 of 5; kruidachtige planten, bladeren soms iets vleezig85.Portulacaceae.205b.Meer dan 2 kelkbladeren of kelk vergroeidbladig206206a.Kelkbladeren geheel vrij of hoogstens aan den voet iets samenhangend207206b.Kelk duidelijk vergroeidbladig211207a.Kruiden met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren, meeldraden 4 of 6. Vruchtbeginsel 2-hokkig105.Cruciferae.207b.Bloemen niet typisch 4-tallig, of als ze 4-tallig zijn, dan zijn de planten boomen of heesters208208a.Bloemen geheel 5-tallig met 5 meeldraden. Kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren87.Caryophyllaceae.208b.Boomen, heesters of lianen, zelden kruiden, maar dan meeldraden 10209209a.Meeldraden 5,nietmet het vruchtbeginsel op een zuil gezeten. Helmknoppen vaak met aanhangsels of helmdraden tot een buis vergroeid. Geen staminodiën in de bloem aanwezig198.Violaceae.209b.Meeldraden meer dan 5, indien er 5 zijn, dan zitten ze òf met het vruchtbeginsel op een zuil òf er zijn ook staminodiën in de bloem aanwezig210210a.Planten behaard; geen staminodiën aanwezig; meeldraden 5 of 10, soms met het vruchtbeginsel op een zuil gezeten. Bloemen 5-tallig174.Tiliaceae.210b.Planten kaal, of indien ze behaard zijn, dan zijn er 5 meeldraden en een groot aantal staminodiën in de bloem aanwezig. Vruchtbeginsel soms alleen door de stijlen verbonden182.Ochnaceae.211a.Meeldraden in twee kransen, dubbel zooveel als bloembladeren212211b.Meeldraden in één krans, evenveel als bloembladeren of slechts weinige meer, soms aan den top gespleten en dan meerdere helmknoppen dragend, maar dan zijn de bladeren van doorschijnende puntjes voorzien219212a.Heesters met dorens; bloembladeren van binnen behaard; vruchtbeginsel 4-hokkig72.Olacaceae.212b.Planten niet gedoornd213213a.Meeldraden met het vruchtbeginsel op een lange steel buiten de bloem uitstekend. Vruchtbeginsels na den bloei om elkaar gedraaid. Planten dicht behaard178.Sterculiaceae.213b.Geen androgynophoor aanwezig214214a.Bladeren tegenoverstaand215214b.Bladeren verspreid216215a.Bloemen 4-tallig; meeldraden 8 (soms tot 12) paarsgewijs voor de kelkslippen staande en op de kelk ingeplant. Bloemen welriekend. Heesters216.Lythraceae.215b.Bloemen 4 of 5-tallig; meeldraden meest verschillend van grootte, soms één groote en de rest kleiner; bijna steeds alle met helmknoppen, zeer zelden (Siphanthera) een van de kransen zonder helmknoppen of geheel ontbrekend. Bladeren met eenige evenwijdige nerven. Helmknoppen bijna steeds met eigenaardige aanhangselen223.Melastomataceae.216a.Vruchtbeginsel éénhokkig217216b.Vruchtbeginsel 2-meerhokkig218217a.Vruchtbeginsel langgerekt, met één rij van zaadknoppen; vrucht een peul. Bladeren aan den top min of meer diep ingesneden, zeer zelden niet-ingesneden. Bloemen groot tot vrij groot.128.Papilionaceae.217b.Vruchtbeginsel kort, op een schijf gezeten; kelk min of meer komvormig; soms één meeldraad grooter dan de andere; bloemen klein153.Anacardiaceae.218a.Vruchtbeginsel 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hok. Kelk met 5, eenigszins over elkaar liggende lobben; staminodiën aanwezig of ontbrekend133.Humiriaceae.218b.Kelk klokvormig met 5 korte of onduidelijke tanden. Bloembladeren aan de basis meest een weinig vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig; stijl met 3 stempels241.Styracaceae.219a.Bladeren met doorschijnende puntjes (olieklieren). Planten soms gedoornd. Helmdraden vaak wat vergroeid137.Rutaceae.219b.Bladeren zonder doorschijnende puntjes220220a.Bloemen typisch 4-tallig, klein; meeldraden 4, tegenover de bloembladerenstaand; vruchtbeginsel 2-hokkig; kelk zeer kort, schotelvormig170.Vitaceae.220b.Bloemen niet typisch 4-tallig of indien ze 4-tallig zijn, dan wisselen de meeldraden af met de bloembladeren221221a.Bloembladeren met eenige ribben op de binnenzijde. Meeldraden 5, met platte helmdraden en een vierkant aanhangsel op den top van den helmknop162.Icacinaceae.221b.Bloembladeren van binnen niet geribd of als ze geribd zijn (Mangifera) dan de helmknoppen zonder aanhangsel222222a.Bloemen klein, groen of wit; vruchtbeginsel omgeven door een schijf223222b.Bloemen groot of vrij groot, meest gekleurd, geen schijf aanwezig. Vruchtbeginsel één- of meerhokkig224223a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; meest maar een deel van de meeldraden met stuifmeel. Stempel enkelvoudig153.Anacardiaceae.223b.Vruchtbeginsel meerhokkig; stempel 2- of meerlobbig; stijl soms zeer kort158.Celastraceae.224a.Vruchtbeginsel langwerpig, 1-hokkig, vrucht een peul. Meeldraden 5–9; bladeren aan den top tweespletig tot 2-deelig, zeer zelden niet-ingesneden. Boomen of vaker lianen128.Papilionaceae.224b.Vruchtbeginsel meerhokkig, zeer zelden 1-hokkig, maar dan is de plant een viltig behaarde heester of een kruidachtige plant. Meeldraden 5, onderling en vaak ook met de bloembladeren vergroeid; soms met staminodiën afwisselend. Bloembladeren vaak eigenaardig van vorm178.Sterculiaceae.225a.Meerdere vruchtbeginsels in iedere bloem, soms een weinig vergroeid, maar dan bloemen 3-tallig226225b.Slechts één vruchtbeginsel in iedere bloem227226a.Bloemen 3-tallig; kelkbladeren 3; bloembladeren meest 6; vruchtbeginsels meest zeer talrijk, soms min of meer met elkaar vergroeid98.Anonaceae.226b.Bloemen meest 4- of 5-, soms 6-tallig. Vruchtbeginsels hoogstens 5180.Dilleniaceae.227a.Bloemen met een honingbeker aan den voet184.Marcgraviaceae.227b.Geen honingbeker aanwezig228228a.Bloemen éénslachtig; in de ♀ bloem geen bloemkroon aanwezig; vruchtbeginsel 3-hokkig met een 3-spletige stijl of 3 stempels147.Euphorbiaceae.228b.Bloemen met meeldraden en vruchtbeginsel229229a.Kelkbladeren 2, zeer zelden 3, maar dan is de plant gestekeld230229b.Kelkbladeren meer dan 2, of kelk vergroeidbladig231230a.Bloemen klein, meest rood; stijl van boven gespleten; bloemen meest 4- of 5-tallig85.Portulacaceae.230b.Bloemen groot, geel; plant gestekeld; bloembladeren 4; kelkbladeren soms 3104.Papaveraceae.231a.Meeldraden tot een zeer lange buis vergroeid, die van boven aan de buitenzijde bekleed wordt door ± 30 zittende helmknoppen. Stijl 1 met 2 stempels177.Bombacaceae.231b.Meeldraden vrij of tenminste een deel van de helmdraden vrij232232a.Vruchtbeginsel met meerdere stijlen233232b.Vruchtbeginsel met één stijl235

117a.Kleine strandplanten met vleezige bladeren. Bloemdek 5-bladig tot 5-deelig; stempels 584.Aizoaceae.117b.Bladeren niet vleezig; stijlen 10–1683.Phytolaccaceae.118a.Vruchtbeginsel onder in de min of meer bekervormige bloembodem; meeldraden op den rand ervan staande126.Rosaceae.118b.Vruchtbeginsel te midden van een schijf gezeten119119a.Bloemdek meest 4-deelig; meeldraden op den schijf ingeplant171.Elaeocarpaceae.119b.Bloemdek bijna 5-bladig; meeldraden buiten de schijf ingeplant; schijf min of meer bekervormig, aandenrand behaard; bladeren sterk behaard199.Flacourtiaceae.119c.Vruchtbeginsel niet op een schijf en evenmin in een bekervormige bloembodem gezeten; bladeren aan den voet met 2 doornige steunblaadjes83.Phytolaccaceae.120a.Bloemdek 6-tallig; meeldraden in één of meerdere kransen van 3 gezeten; helmknoppen met 2 of 4 klepjes openspringend102.Lauraceae.120b.Bloemdek 4–5-tallig, soms 3-tallig, maar dan de helmknoppen niet met klepjes openspringend121121a.Bloemen door eenzijdige stand van de meeldraden een weinig zygomorf; meeldraden met de slippen van het bloemdek op den rand van de urn- of bekervormige bloembodem staande, op welks bodem het eenhokkige vruchtbeginsel zit. Boomen126.Rosaceae.121b.Bloemen regelmatig122122a.Slechts één meeldraad in elke bloem. Bloemdekblaadjes zeer klein. Bloemen in korte aren55.Lacistemaceae.122b.Twee of meer meeldraden123123a.Kruidachtige planten124123b.Boomen of grootere of kleinere heesters128124a.Bladeren smal, in kransen. Bloemdek 5-bladig, meeldraden 3–5; vruchtbeginsel met 3 stempels84.Aizoaceae.124b.Bladeren tegenoverstaand of verspreid125125a.Bloemen eenige weinige bij elkaar of alleenstaand, door vergroeide schutbladeren omgeven; bloemdek buisvormig met 1–5 meeldraden80.Nyctaginaceae.125b.Bloemdek niet buisvormig, losbladig of bijna losbladig126126a.Bloemdek vliezig, meest wit, soms rose gekleurd; meeldraden in een buis vergroeid; bloemen meest in dichte aren of hoofdjes, soms in wijdvertakte pluimen79.Amarantaceae.126b.Bloemdek niet vliezig127127a.Bloemen in dichte aren; bladeren met steunbladeren, die den stengel als een koker omvatten77.Polygonaceae.127b.Bloemen in losse trossen, zeer klein, wit. Bladeren zonder kokervormige steunbladeren83.Phytolaccaceae.127c.Bloemdek 5-spletig tot 5-deelig, groen; vruchtbeginsel met 2 tot 5 stempels78.Chenopodiaceae.128a.Bloemdekbladeren lang en smal, tijdens den bloei teruggeslagen; meeldraden evenveel en met de bloemdekslippen, vergroeid; bladeren vaak in kransen van drie66.Proteaceae.128b.Bloemdekbladeren niet opvallend lang en smal129129a.Behalve de meeldraden zijn er nog eenige staminodiën in de bloem aanwezig. Bloemen klein, in de bladoksels in groepen gezeten; vruchtbeginsel 1-hokkig met drie rijen van zaadknoppen199.Flacourtiaceae.129b.Geen staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel éénhokkig en dan met slechts één zaadknop of tweehokkig130130a.Bloemdek lang-buisvormig131130b.Bloemdek losbladig of bijna losbladig, niet buisvormig133131a.Bloemen in groepen van ongeveer drie bij elkaar of alleenstaand; elke groepomgevendoor drie gekleurde schutbladeren80.Nyctaginaceae.131b.Bloemen niet in groepen, niet door schutbladeren omgeven132132a.Bloemdek 5-tallig; meeldraden 8–977.Polygonaceae.132b.Bloemdek lang, met 4 smalle slippen; meeldraden 4–883.Phytolaccaceae.133a.Bloemdek geheel losbladig, 5-tallig met 10 meeldraden; vruchtbeginsel sterk behaard; vrucht min of meer gestekeld; bladeren met sterharen174.Tiliaceae.133b.Bloemdek min of meer vergroeidbladig; meeldraden minder dan 10134134a.Bloemdek 4–5-deelig, groen; meeldraden 4 of 563.Ulmaceae.134b.Bloemdek 5-deelig, meest gekleurd; meeldraden 8 of 977.Polygonaceae.135a.Alleen vrouwelijke bloemen aanwezig136135b.Alleen mannelijke bloemen aanwezig153136a.Vruchtbeginsel onderstandig137136b.Vruchtbeginsel bovenstandig140137a.Bloemdek 3-tallig138137b.Bloemdek 4- of 5-tallig139138a.Lianen of kruiden. Vruchtbeginsel min of meer 3-kantig met 3 korte stijlen; bladeren meest hart-pijl-vormig of gelobd met eenige evenwijdige hoofdnerven43.Dioscoreaceae.138b.Parasieten. Vruchtbeginsel niet 3-kantig met 1 stijl67.Loranthaceae.139a.Bloemdek 5-bladig, vaak een weinig zygomorf; vruchtbeginsel 3-kantig met 3 tweespletige stijlen. Kruiden208.Begoniaceae.139b.Bloemdek 8-deelig met 4 klieren van binnen; stijl 1; boomen met hartvormige bladeren103.Hernandiaceae.139c.Bloemdek 4–5-deelig; stijl 1; bladeren niet hartvormig; heesters221.Combretaceae.140a.Meerdere vruchtbeginsels in elke bloem141140b.Slecht één vruchtbeginsel in elke bloem142141a.Bloemdek van onderen min of meer bekervormig; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren101.Monimiaceae.141b.Bloemdek niet bekervormig, 3-tallig; bladeren verspreid; meest klimplanten94.Menispermaceae.142a.Vruchtbeginsel 2-meerhokkig, meest met meerdere stijlen, soms met één stijl143142b.Vruchtbeginsel éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht éénzadig144143a.Vruchtbeginsel 5-meerhokkig; rudimentaire meeldraden aanwezig. Boomen178.Sterculiaceae.143b.Vruchtbeginsel meest 3-, soms 2-hokkig, met 3 of 2 stijlen of stempels. Boomen, heesters of kruiden met melksap, òf met steunbladeren of beide147.Euphorbiaceae.143c.Vruchtbeginsel 3–6-, meest 3-hokkig en 3-vleugelig met een zittende stempel; bloemdekbladeren (kelk) 3–5; bladeren bijna ongesteeld, naar den voet sterk versmald, zonder steunbladeren. Geen melksap aanwezig165.Sapindaceae.144a.Kruidachtige planten145144b.Boomen of grootere of kleinere heesters147145a.Bloemdek 3- of 4-tallig, een van de slippen grooter dan de andere; kruiden òf met borstelige, soms brandende haren en dan de bladeren verspreid, òf kaal en dan met tegenoverstaande bladeren; stijl of stempel één65.Urticaceae.145b.Bloemdek regelmatig; stijlen of stempels 2–5146146a.Bloemdek vliezig, na den bloei zich verhardend en vaak stekelig en toegespitst. Planten niet riekend, met meest langgesteelde bladeren, soms gedoornd79.Amarantaceae.146b.Bloemdek kruidachtig, niet vliezig en toegespitst, soms ontbrekend, maar dan is het vruchtbeginsel omgeven door 2 vergroeide bloemsteelblaadjes, en is de plant niet riekend, soms aanwezig en dan is de plant riekend en zijn de bladeren gegolfd78.Chenopodiaceae.147a.Bloemen in kransen rondom den bloeistengel en zóó een aar vormend. Bladeren tegenoverstaand7.Gnetaceae.147b.Bloemen niet in kransen148148a.Vruchtbeginsel met 3 stijlen of stempels; bloemdek 6-spletig met 3 groote en 3 kleine slippen. Takken hol met tusschenschotten77.Polygonaceae.148b.Vruchtbeginsel met slechts 1 stijl149149a.Planten met melksap en groote steunbladeren, die in het begin vergroeid zijn en het bovenliggende deel van den stengel insluiten; na het afvallen laten ze een ringvormig lidteeken om den stam na; bloeiwijzen meest zeer dicht, bol- of aarvormig; een enkele maal pluimvormig64.Moraceae.149b.Planten zonder melksap en zonder opvallend groote steunbladeren150150a.Staminodiën aanwezig151150b.Geen staminodiën aanwezig152151a.Bloemdek 4-deelig; 4 staminodiën102.Lauraceae.151b.Bloemdek buisvormig, 5-tandig80.Nyctaginaceae.152a.Kleine heesters met steunbladeren; ook tweeslachtige bloemen aanwezig63.Ulmaceae.152b.Kleine of groote boomen; steunbladeren ontbrekend; bloemen nooit 2-slachtig99.Myristicaceae.153a.Meeldraden aan of nabij den top van een zuil gezeten, die in het midden van de bloem staat153153b.Meeldraden niet op een zuil gezeten155154a.Bloemdek klein, bekervormig, 2- of 3-tandig; meeldraden 2 tot 7. Boomen zonder melksap met afwisselende bladeren zonder steunbladeren99.Myristicaceae.154b.Bloemdek 4- of 5-tandig of -deelig. Kruiden of heesters of boomen, meest met melksap; bladeren meest met steunbladeren147.Euphorbiaceae.155a.Helmknoppen met klepjes openspringend156155b.Helmknoppen met spleten openspringend157156a.Bloemen meest 3-tallig met een 6-deelig bloemdek, zeer zelden (Laurus) 4-tallig. Meeldraden 3, 6, 9 of 12, in verschillende rijen binnen elkaar of 4 (Laurus); bladeren verspreid102.Lauraceae.156b.Bloemen 3- of 4-tallig; met een bekervormig bloemdek op welks bodem de meeldraden onregelmatig zijn ingeplant. Bladeren tegenoverstaand101.Monimiaceae.157a.Bloemen met 1 meeldraad in kransen rondom de bloeistengel gezeten en zoo een aar vormend. Houtige planten met tegenoverstaande bladeren7.Gnetaceae.157b.Twee tot vele meeldraden, in enkele gevallen 1 meeldraad in de bloem, maar dan staan de bloemen niet in kransen158158a.Meeldraden 4, afwisselend met 4 smalle staminodiën; bloemen met 4-tallig bloemdek, in korte aren in de bladoksels. Bladeren vleezig, tegenoverstaand; strandplanten60a.Batidaceae.158b.Bloemen niet typisch 4-tallig, zonder staminodiën en bladeren niet vleezig159159a.Meeldraden meer dan 12, meest zeer talrijk160159b.Meeldraden 1 tot 12163160a.2Kruidachtige planten met een 4-bladig bloemdek208.Begoniaceae.160b.Boomen of heesters161161a.Bloemdek buisvormig, 5-tandig, meeldraden aan de binnenzijde van de buis vastgehecht80.Nyctaginaceae.161b.Bloemdek niet buisvormig, meeldraden vrij162162a.Bloemdek 5-tallig; rudiment van een vruchtbeginsel aanwezig; meeldraden of op een steel gezeten, of in meerdere regelmatige rijen178.Sterculiaceae.162b.Bloemdek 3–4-deelig; geen rudiment van een vruchtbeginsel aanwezig147.Euphorbiaceae.163a.Bloemdek en meeldraden 3-tallig164163b.Bloemen niet typisch 3-tallig166164a.Meeldraden 9; boomen met holle takken; bloemdek vergroeidbladig met 3 groote en 3 kleine slippen77.Polygonaceae.164b.Meeldraden 3 of 6165165a.Kruiden of lianen; bladeren dun, hart-pijlvormig of handvormig gelobd tot gedeeld, aan de basis 3–7-nervig. Meeldraden 6 of de binnenste 3 min of meer gereduceerd of ontbrekend43.Dioscoreaceae.165b.Klimmende heesters; bladeren min of meer leerachtig; niet gedeeld, niet hart-pijlvormig94.Menispermaceae.165c.Parasieten; bladeren bijna steeds tegenoverstaand67.Loranthaceae.165d.Boomen met hartvormige bladeren; bloemdek 6-deelig; meeldraden 3, helmdraden ieder met 2 klieren aan den voet103.Hernandiaceae.166a.Meeldraden 8–10, dubbel zooveel als de slippen van het vergroeidbladige bloemdek. Boomen of heesters met afwisselende bladeren221.Combretaceae.166b.Boomen of heesters; meeldraden meest evenveel als de bloemdekbladeren; soms wat meer of minder167166c.Kruidachtige planten170167a.Boomen met zeer groote steunbladeren, die in den knop vergroeid zijn en het bovendeel van den spruit inhullen; na het afvallen een ringvormig lidteeken om den stam achterlaten. Bloemen meest zeer klein, in dichte aar- of bolvormige bloeiwijzen. Planten meest met melksap64.Moraceae.167b.Geen opvallend groote steunbladeren aanwezig; bloeiwijzen niet zeer dicht168168a.Bloemdek buisvormig, 5-tandig; meeldraden 6–8, aan de binnenzijde met de buis vergroeid80.Nyctaginaceae.168b.Bloemdek niet buisvormig169169a.Heesters met fijngezaagde ruwe bladeren; bloemdek 5-, zelden 4-deelig, met 5 (of 4) meeldraden voor de bloemdekbladeren staand63.Ulmaceae.169b.Meeldraden niet duidelijk voor de bloemdekbladeren staand, vaak in een ander aantal. Bladeren niet ruw en gezaagd. Melksap of steunbladeren of beide aanwezig147.Euphorbiaceae.169c.Bladeren zonder steunbladeren; melksap ontbrekend; bloemdekbladeren (kelk) 2 tot 5; meeldraden 8–12; heester met naar den voet sterk versmalde, bijna zittende bladeren165.Sapindaceae.170a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij, 3 of 5, hard en vliezig, scherp toegespitst. Meeldraden evenveel, in den knop niet naar binnen gebogen79.Amarantaceae.170b.Bloemdekbladeren aan de basis vergroeid, niet vliezig en spits171171a.Bladeren en stengel met zeer ruwe borstelige haren bezet, en dan de bladeren verspreid, of kaal en dan de bladeren tegenoverstaand. Meeldraden in den knop naar binnen gebogen bij het opengaan van den knop elastisch naar buiten ombuigend65.Urticaceae.171b.Bladeren niet tegenoverstaand en niet borstelig behaard. Meeldraden bij het openen van de bloem niet elastisch naar buiten ombuigend172172a.Bladeren met steunbladeren en planten vaak met melksap147.Euphorbiaceae.172b.Geen steunbladeren en geen melksap aanwezig; planten vaak sterk riekend78.Chenopodiaceae.173a.Bloemkroon losbladig, uit één of meer afzonderlijke bladeren bestaande174173b.Bloemkroon vergroeidbladig254174a.Bloemen eenslachtig, tweehuizig175174b.Bloemen met goed ontwikkelde meeldraden en een vruchtbeginsel of eenslachtig, maar dan eenhuizig185175a.Alleen ♂ bloemen aanwezig176175b.Alleen ♀ bloemen aanwezig181176a.Bladeren tegenoverstaand of in kransen177176b.Bladeren verspreid178177a.Kelkbladeren 4–5; bloembladeren 4–8;meeldraden 15 tot vele, vrij, met lange helmdraden en kleine helmknoppen. Bladeren meest in kransen, aan den rand vaak gezaagd, lang en vrij smal, soms vindeelig, met steunbladeren185.Quiinaceae.177b.Kelkbladeren 2 of 4, of meerdere, soms in den knop vergroeid, vaak in 2 of meer rijen; bloembladeren 4–12; meeldraden òf weinige, maar dan met lange helmknoppen en korte helmdraden, òf vele, en dan vaak met elkaar vergroeid; bladeren niet in kransen, meest dik en leerachtig; steunbladeren slechts zelden aanwezig187.Guttiferae.178a.Klimmende heesters, bloemen geheel 3-tallig, dus ook de meeldraden een veelvoud van 3, in meerdere kransen94.Menispermaceae.178b.Bloemen niet zuiver 3-tallig179179a.Meeldraden talrijk, kelkbladeren 2–3; bloembladeren 6–12; bladeren zeer groot199.Flacourtiaceae.179b.Meeldraden hoogstens 20180180a.Meeldraden 4–10, meest maar enkele met stuifmeel en dan grooterdan de andere. Rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Boomen of heesters met leerachtige bladeren153.Anacardiaceae.180b.Meeldraden 4 of 5, onder den rand van een dikke schijf ingehecht. Bloembladeren 4–5, kelk 4–5 spletig; klein. Heesters158.Celastraceae.180c.Meeldraden niet onder een schijf ingehecht, 5 en dan vaak vergroeid of 10–20, en dan los. Kelk losbladig147.Euphorbiaceae.180d.Kelk en bloembladeren 4, meeldraden 2 met elkaar tot een platte zuil vergroeid. Klimmende heesters94.Menispermaceae.181a.Meerdere vruchtbeginsels in één bloem. Bloemen meest 3-tallig, soms 2-tallig maar dan zijdelings-symmetrisch, klimmende heesters94.Menispermaceae.181b.Slechts één vruchtbeginsel in elke bloem182182a.Vruchtbeginsel met 2 tot meerdere stijlen183182b.Vruchtbeginsel met 1 stijl of een zittende stempel184183a.Bladeren tegenoverstaand of in kransen; vruchtbeginsel met 2 tot vele stijlen. Kelkbladeren 4–5185.Quiinaceae.183b.Bladeren verspreid, zeer groot. Vruchtbeginsel met overlangsche ribben. Stijlen 5–7199.Flacourtiaceae.184a.Vruchtbeginsel 2- of 3-hokkig; vrucht een 2- of 3-kleppige doosvrucht. Heesters158.Celastraceae.184b.Vruchtbeginsel 1-hokkig; vrucht òf besachtig òf niervormig op een sappige steel gezeten. Boomen of heesters153.Anacardiaceae.185a.Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig186185b.Vruchtbeginsel onderstandig246186a.Meeldraden in iedere bloem 1–10 (de staminodiën niet meegerekend)187186b.Volkomen meeldraden in iedere bloem meer dan 10225187a.Vruchtbeginsel meerdere, vrij, ieder met een stempel. Bloemen geheel 3-tallig98.Anonaceae.187b.Eén vruchtbeginsel, of meerdere vruchtbeginsels, in het laatste geval met één gemeenschappelijke stijl188188a.Bloemen eenslachtig, de ♀ bloemen met een 3-hokkig vruchtbeginsel, met 3 stijlen of stempels147.Euphorbiaceae.188b.Bloemen tweeslachtig189189a.Vruchtbeginsel met 2 of meer stijlen190189b.Vruchtbeginsel met slechts één stijl of stempel196190a.Kleine kruidachtige planten; bladeren bijna rond, bezet met lange roode kleverige haren. Bloemen in trossen112.Droseraceae.190b.Bladeren zonder roode klierharen191191a.Stijlen 5, soms zeer klein192191b.Stijlen 2 of 3194192a.Meeldraden 10; bloemen geheel 5-tallig; bloembladeren aan de basis verdikt, van binnen behaard132.Linaceae.192b.Meeldraden 5193193a.Stijlen klein, meeldraden niet vergroeid; bloembladeren van boven naar binnen omgeslagen. Bladeren kaal158.Celastraceae.193b.Meeldraden vergroeid, bloembladeren dun, niet omgeslagen. Bladeren behaard178.Sterculiaceae.194a.Meeldraden 5, geen staminodiën in de bloem aanwezig; stijlen 3, kelk aan de basis buisvormig201.Turneraceae.194b.Meeldraden 10, soms enkele ervan staminodiaal195195a.Heesters, de takken met schubben bekleed; 5 van de meeldradengrooter dan de 5 andere; stijlen 3; bloembladeren aan de binnenzijde met een 2-spletige schub134.Erythroxylaceae.195b.Vaak eenige van de meeldraden staminodiaal; stijlen 2 of 3; bloembladeren zonder schubben, meest aan den rand ingesneden; kelk van buiten meest met klieren141.Malpighiaceae.196a.Bloemen duidelijk zygomorf197196b.Bloemen regelmatig204197a.Bladeren tegenoverstaand of in kransen198197b.Bladeren verspreid201198a.Eén meeldraad aanwezig, 1, 2 of 3 bloembladeren; een van de kelkbladeren met een spoor of knobbel143.Vochysiaceae.198b.Meer dan 1 meeldraad aanwezig199199a.Kelk buisvormig, 6-tallig;bloembladeren meest 6; meeldraden met de kelkbuis vergroeid216.Lythraceae.199b.Kelk bijna of geheel losbladig200200a.Meeldraden 10, waarvan 6 met helmknoppen; een van de bloembladeren met een spoor; klimmende heesters142.Trigoniaceae.200b.Meeldraden 5, waarvan 2 een weinig anders gevormd; één bloemblad grooter dan de 4 andere; kruiden198.Violaceae.201a.Bloembladeren 5, ongeveer gelijk van vorm en grootte; meeldraden 3–8, eenzijdig gezeten, kelk buisvormig, het vruchtbeginsel insluitend126.Rosaceae.201b.Bloembladeren niet gelijk van vorm en grootte202202a.Meeldraden 5, soms wat ongelijk. Bloembladeren en kelkbladeren 5, de bloembladeren gespoord of tenminste een van de bloembladeren anders gevormd dan de overige 4198.Violaceae.202b.Meeldraden meer dan 5203203a.Meeldraden 8, in twee groepen; bloembladen 3 of 5, èèn anders gevormd maar niet gespoord. Vruchtbeginsel 2-hokkig145.Polygalaceae.203b.Meeldraden 9 of 10, tot een gesloten of eenzijdig vergroeide buis vereenigd of bijna geheel vrij. Bloembladeren 5, en dan ongelijk of 3, en dan bijna gelijk of 1. Bladeren met steunbladeren128.Papilionaceae.204a.Bloemen 5-tallig, meeldraden 3, van onderen in een korte buis vergroeid. Vruchtbeginsel 3-hokkig159.Hippocrateaceae.204b.Meeldraden evenveel of meer dan bloembladeren205205a.Kelkbladeren 2, vrij; bloembladeren 4 of 5; kruidachtige planten, bladeren soms iets vleezig85.Portulacaceae.205b.Meer dan 2 kelkbladeren of kelk vergroeidbladig206206a.Kelkbladeren geheel vrij of hoogstens aan den voet iets samenhangend207206b.Kelk duidelijk vergroeidbladig211207a.Kruiden met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren, meeldraden 4 of 6. Vruchtbeginsel 2-hokkig105.Cruciferae.207b.Bloemen niet typisch 4-tallig, of als ze 4-tallig zijn, dan zijn de planten boomen of heesters208208a.Bloemen geheel 5-tallig met 5 meeldraden. Kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren87.Caryophyllaceae.208b.Boomen, heesters of lianen, zelden kruiden, maar dan meeldraden 10209209a.Meeldraden 5,nietmet het vruchtbeginsel op een zuil gezeten. Helmknoppen vaak met aanhangsels of helmdraden tot een buis vergroeid. Geen staminodiën in de bloem aanwezig198.Violaceae.209b.Meeldraden meer dan 5, indien er 5 zijn, dan zitten ze òf met het vruchtbeginsel op een zuil òf er zijn ook staminodiën in de bloem aanwezig210210a.Planten behaard; geen staminodiën aanwezig; meeldraden 5 of 10, soms met het vruchtbeginsel op een zuil gezeten. Bloemen 5-tallig174.Tiliaceae.210b.Planten kaal, of indien ze behaard zijn, dan zijn er 5 meeldraden en een groot aantal staminodiën in de bloem aanwezig. Vruchtbeginsel soms alleen door de stijlen verbonden182.Ochnaceae.211a.Meeldraden in twee kransen, dubbel zooveel als bloembladeren212211b.Meeldraden in één krans, evenveel als bloembladeren of slechts weinige meer, soms aan den top gespleten en dan meerdere helmknoppen dragend, maar dan zijn de bladeren van doorschijnende puntjes voorzien219212a.Heesters met dorens; bloembladeren van binnen behaard; vruchtbeginsel 4-hokkig72.Olacaceae.212b.Planten niet gedoornd213213a.Meeldraden met het vruchtbeginsel op een lange steel buiten de bloem uitstekend. Vruchtbeginsels na den bloei om elkaar gedraaid. Planten dicht behaard178.Sterculiaceae.213b.Geen androgynophoor aanwezig214214a.Bladeren tegenoverstaand215214b.Bladeren verspreid216215a.Bloemen 4-tallig; meeldraden 8 (soms tot 12) paarsgewijs voor de kelkslippen staande en op de kelk ingeplant. Bloemen welriekend. Heesters216.Lythraceae.215b.Bloemen 4 of 5-tallig; meeldraden meest verschillend van grootte, soms één groote en de rest kleiner; bijna steeds alle met helmknoppen, zeer zelden (Siphanthera) een van de kransen zonder helmknoppen of geheel ontbrekend. Bladeren met eenige evenwijdige nerven. Helmknoppen bijna steeds met eigenaardige aanhangselen223.Melastomataceae.216a.Vruchtbeginsel éénhokkig217216b.Vruchtbeginsel 2-meerhokkig218217a.Vruchtbeginsel langgerekt, met één rij van zaadknoppen; vrucht een peul. Bladeren aan den top min of meer diep ingesneden, zeer zelden niet-ingesneden. Bloemen groot tot vrij groot.128.Papilionaceae.217b.Vruchtbeginsel kort, op een schijf gezeten; kelk min of meer komvormig; soms één meeldraad grooter dan de andere; bloemen klein153.Anacardiaceae.218a.Vruchtbeginsel 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hok. Kelk met 5, eenigszins over elkaar liggende lobben; staminodiën aanwezig of ontbrekend133.Humiriaceae.218b.Kelk klokvormig met 5 korte of onduidelijke tanden. Bloembladeren aan de basis meest een weinig vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig; stijl met 3 stempels241.Styracaceae.219a.Bladeren met doorschijnende puntjes (olieklieren). Planten soms gedoornd. Helmdraden vaak wat vergroeid137.Rutaceae.219b.Bladeren zonder doorschijnende puntjes220220a.Bloemen typisch 4-tallig, klein; meeldraden 4, tegenover de bloembladerenstaand; vruchtbeginsel 2-hokkig; kelk zeer kort, schotelvormig170.Vitaceae.220b.Bloemen niet typisch 4-tallig of indien ze 4-tallig zijn, dan wisselen de meeldraden af met de bloembladeren221221a.Bloembladeren met eenige ribben op de binnenzijde. Meeldraden 5, met platte helmdraden en een vierkant aanhangsel op den top van den helmknop162.Icacinaceae.221b.Bloembladeren van binnen niet geribd of als ze geribd zijn (Mangifera) dan de helmknoppen zonder aanhangsel222222a.Bloemen klein, groen of wit; vruchtbeginsel omgeven door een schijf223222b.Bloemen groot of vrij groot, meest gekleurd, geen schijf aanwezig. Vruchtbeginsel één- of meerhokkig224223a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; meest maar een deel van de meeldraden met stuifmeel. Stempel enkelvoudig153.Anacardiaceae.223b.Vruchtbeginsel meerhokkig; stempel 2- of meerlobbig; stijl soms zeer kort158.Celastraceae.224a.Vruchtbeginsel langwerpig, 1-hokkig, vrucht een peul. Meeldraden 5–9; bladeren aan den top tweespletig tot 2-deelig, zeer zelden niet-ingesneden. Boomen of vaker lianen128.Papilionaceae.224b.Vruchtbeginsel meerhokkig, zeer zelden 1-hokkig, maar dan is de plant een viltig behaarde heester of een kruidachtige plant. Meeldraden 5, onderling en vaak ook met de bloembladeren vergroeid; soms met staminodiën afwisselend. Bloembladeren vaak eigenaardig van vorm178.Sterculiaceae.225a.Meerdere vruchtbeginsels in iedere bloem, soms een weinig vergroeid, maar dan bloemen 3-tallig226225b.Slechts één vruchtbeginsel in iedere bloem227226a.Bloemen 3-tallig; kelkbladeren 3; bloembladeren meest 6; vruchtbeginsels meest zeer talrijk, soms min of meer met elkaar vergroeid98.Anonaceae.226b.Bloemen meest 4- of 5-, soms 6-tallig. Vruchtbeginsels hoogstens 5180.Dilleniaceae.227a.Bloemen met een honingbeker aan den voet184.Marcgraviaceae.227b.Geen honingbeker aanwezig228228a.Bloemen éénslachtig; in de ♀ bloem geen bloemkroon aanwezig; vruchtbeginsel 3-hokkig met een 3-spletige stijl of 3 stempels147.Euphorbiaceae.228b.Bloemen met meeldraden en vruchtbeginsel229229a.Kelkbladeren 2, zeer zelden 3, maar dan is de plant gestekeld230229b.Kelkbladeren meer dan 2, of kelk vergroeidbladig231230a.Bloemen klein, meest rood; stijl van boven gespleten; bloemen meest 4- of 5-tallig85.Portulacaceae.230b.Bloemen groot, geel; plant gestekeld; bloembladeren 4; kelkbladeren soms 3104.Papaveraceae.231a.Meeldraden tot een zeer lange buis vergroeid, die van boven aan de buitenzijde bekleed wordt door ± 30 zittende helmknoppen. Stijl 1 met 2 stempels177.Bombacaceae.231b.Meeldraden vrij of tenminste een deel van de helmdraden vrij232232a.Vruchtbeginsel met meerdere stijlen233232b.Vruchtbeginsel met één stijl235

117a.Kleine strandplanten met vleezige bladeren. Bloemdek 5-bladig tot 5-deelig; stempels 584.Aizoaceae.

117b.Bladeren niet vleezig; stijlen 10–1683.Phytolaccaceae.

118a.Vruchtbeginsel onder in de min of meer bekervormige bloembodem; meeldraden op den rand ervan staande126.Rosaceae.

118b.Vruchtbeginsel te midden van een schijf gezeten119

119a.Bloemdek meest 4-deelig; meeldraden op den schijf ingeplant171.Elaeocarpaceae.

119b.Bloemdek bijna 5-bladig; meeldraden buiten de schijf ingeplant; schijf min of meer bekervormig, aandenrand behaard; bladeren sterk behaard199.Flacourtiaceae.

119c.Vruchtbeginsel niet op een schijf en evenmin in een bekervormige bloembodem gezeten; bladeren aan den voet met 2 doornige steunblaadjes83.Phytolaccaceae.

120a.Bloemdek 6-tallig; meeldraden in één of meerdere kransen van 3 gezeten; helmknoppen met 2 of 4 klepjes openspringend102.Lauraceae.

120b.Bloemdek 4–5-tallig, soms 3-tallig, maar dan de helmknoppen niet met klepjes openspringend121

121a.Bloemen door eenzijdige stand van de meeldraden een weinig zygomorf; meeldraden met de slippen van het bloemdek op den rand van de urn- of bekervormige bloembodem staande, op welks bodem het eenhokkige vruchtbeginsel zit. Boomen126.Rosaceae.

121b.Bloemen regelmatig122

122a.Slechts één meeldraad in elke bloem. Bloemdekblaadjes zeer klein. Bloemen in korte aren55.Lacistemaceae.

122b.Twee of meer meeldraden123

123a.Kruidachtige planten124

123b.Boomen of grootere of kleinere heesters128

124a.Bladeren smal, in kransen. Bloemdek 5-bladig, meeldraden 3–5; vruchtbeginsel met 3 stempels84.Aizoaceae.

124b.Bladeren tegenoverstaand of verspreid125

125a.Bloemen eenige weinige bij elkaar of alleenstaand, door vergroeide schutbladeren omgeven; bloemdek buisvormig met 1–5 meeldraden80.Nyctaginaceae.

125b.Bloemdek niet buisvormig, losbladig of bijna losbladig126

126a.Bloemdek vliezig, meest wit, soms rose gekleurd; meeldraden in een buis vergroeid; bloemen meest in dichte aren of hoofdjes, soms in wijdvertakte pluimen79.Amarantaceae.

126b.Bloemdek niet vliezig127

127a.Bloemen in dichte aren; bladeren met steunbladeren, die den stengel als een koker omvatten77.Polygonaceae.

127b.Bloemen in losse trossen, zeer klein, wit. Bladeren zonder kokervormige steunbladeren83.Phytolaccaceae.

127c.Bloemdek 5-spletig tot 5-deelig, groen; vruchtbeginsel met 2 tot 5 stempels78.Chenopodiaceae.

128a.Bloemdekbladeren lang en smal, tijdens den bloei teruggeslagen; meeldraden evenveel en met de bloemdekslippen, vergroeid; bladeren vaak in kransen van drie66.Proteaceae.

128b.Bloemdekbladeren niet opvallend lang en smal129

129a.Behalve de meeldraden zijn er nog eenige staminodiën in de bloem aanwezig. Bloemen klein, in de bladoksels in groepen gezeten; vruchtbeginsel 1-hokkig met drie rijen van zaadknoppen199.Flacourtiaceae.

129b.Geen staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel éénhokkig en dan met slechts één zaadknop of tweehokkig130

130a.Bloemdek lang-buisvormig131

130b.Bloemdek losbladig of bijna losbladig, niet buisvormig133

131a.Bloemen in groepen van ongeveer drie bij elkaar of alleenstaand; elke groepomgevendoor drie gekleurde schutbladeren80.Nyctaginaceae.

131b.Bloemen niet in groepen, niet door schutbladeren omgeven132

132a.Bloemdek 5-tallig; meeldraden 8–977.Polygonaceae.

132b.Bloemdek lang, met 4 smalle slippen; meeldraden 4–883.Phytolaccaceae.

133a.Bloemdek geheel losbladig, 5-tallig met 10 meeldraden; vruchtbeginsel sterk behaard; vrucht min of meer gestekeld; bladeren met sterharen174.Tiliaceae.

133b.Bloemdek min of meer vergroeidbladig; meeldraden minder dan 10134

134a.Bloemdek 4–5-deelig, groen; meeldraden 4 of 563.Ulmaceae.

134b.Bloemdek 5-deelig, meest gekleurd; meeldraden 8 of 977.Polygonaceae.

135a.Alleen vrouwelijke bloemen aanwezig136

135b.Alleen mannelijke bloemen aanwezig153

136a.Vruchtbeginsel onderstandig137

136b.Vruchtbeginsel bovenstandig140

137a.Bloemdek 3-tallig138

137b.Bloemdek 4- of 5-tallig139

138a.Lianen of kruiden. Vruchtbeginsel min of meer 3-kantig met 3 korte stijlen; bladeren meest hart-pijl-vormig of gelobd met eenige evenwijdige hoofdnerven43.Dioscoreaceae.

138b.Parasieten. Vruchtbeginsel niet 3-kantig met 1 stijl67.Loranthaceae.

139a.Bloemdek 5-bladig, vaak een weinig zygomorf; vruchtbeginsel 3-kantig met 3 tweespletige stijlen. Kruiden208.Begoniaceae.

139b.Bloemdek 8-deelig met 4 klieren van binnen; stijl 1; boomen met hartvormige bladeren103.Hernandiaceae.

139c.Bloemdek 4–5-deelig; stijl 1; bladeren niet hartvormig; heesters221.Combretaceae.

140a.Meerdere vruchtbeginsels in elke bloem141

140b.Slecht één vruchtbeginsel in elke bloem142

141a.Bloemdek van onderen min of meer bekervormig; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren101.Monimiaceae.

141b.Bloemdek niet bekervormig, 3-tallig; bladeren verspreid; meest klimplanten94.Menispermaceae.

142a.Vruchtbeginsel 2-meerhokkig, meest met meerdere stijlen, soms met één stijl143

142b.Vruchtbeginsel éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht éénzadig144

143a.Vruchtbeginsel 5-meerhokkig; rudimentaire meeldraden aanwezig. Boomen178.Sterculiaceae.

143b.Vruchtbeginsel meest 3-, soms 2-hokkig, met 3 of 2 stijlen of stempels. Boomen, heesters of kruiden met melksap, òf met steunbladeren of beide147.Euphorbiaceae.

143c.Vruchtbeginsel 3–6-, meest 3-hokkig en 3-vleugelig met een zittende stempel; bloemdekbladeren (kelk) 3–5; bladeren bijna ongesteeld, naar den voet sterk versmald, zonder steunbladeren. Geen melksap aanwezig165.Sapindaceae.

144a.Kruidachtige planten145

144b.Boomen of grootere of kleinere heesters147

145a.Bloemdek 3- of 4-tallig, een van de slippen grooter dan de andere; kruiden òf met borstelige, soms brandende haren en dan de bladeren verspreid, òf kaal en dan met tegenoverstaande bladeren; stijl of stempel één65.Urticaceae.

145b.Bloemdek regelmatig; stijlen of stempels 2–5146

146a.Bloemdek vliezig, na den bloei zich verhardend en vaak stekelig en toegespitst. Planten niet riekend, met meest langgesteelde bladeren, soms gedoornd79.Amarantaceae.

146b.Bloemdek kruidachtig, niet vliezig en toegespitst, soms ontbrekend, maar dan is het vruchtbeginsel omgeven door 2 vergroeide bloemsteelblaadjes, en is de plant niet riekend, soms aanwezig en dan is de plant riekend en zijn de bladeren gegolfd78.Chenopodiaceae.

147a.Bloemen in kransen rondom den bloeistengel en zóó een aar vormend. Bladeren tegenoverstaand7.Gnetaceae.

147b.Bloemen niet in kransen148

148a.Vruchtbeginsel met 3 stijlen of stempels; bloemdek 6-spletig met 3 groote en 3 kleine slippen. Takken hol met tusschenschotten77.Polygonaceae.

148b.Vruchtbeginsel met slechts 1 stijl149

149a.Planten met melksap en groote steunbladeren, die in het begin vergroeid zijn en het bovenliggende deel van den stengel insluiten; na het afvallen laten ze een ringvormig lidteeken om den stam na; bloeiwijzen meest zeer dicht, bol- of aarvormig; een enkele maal pluimvormig64.Moraceae.

149b.Planten zonder melksap en zonder opvallend groote steunbladeren150

150a.Staminodiën aanwezig151

150b.Geen staminodiën aanwezig152

151a.Bloemdek 4-deelig; 4 staminodiën102.Lauraceae.

151b.Bloemdek buisvormig, 5-tandig80.Nyctaginaceae.

152a.Kleine heesters met steunbladeren; ook tweeslachtige bloemen aanwezig63.Ulmaceae.

152b.Kleine of groote boomen; steunbladeren ontbrekend; bloemen nooit 2-slachtig99.Myristicaceae.

153a.Meeldraden aan of nabij den top van een zuil gezeten, die in het midden van de bloem staat153

153b.Meeldraden niet op een zuil gezeten155

154a.Bloemdek klein, bekervormig, 2- of 3-tandig; meeldraden 2 tot 7. Boomen zonder melksap met afwisselende bladeren zonder steunbladeren99.Myristicaceae.

154b.Bloemdek 4- of 5-tandig of -deelig. Kruiden of heesters of boomen, meest met melksap; bladeren meest met steunbladeren147.Euphorbiaceae.

155a.Helmknoppen met klepjes openspringend156

155b.Helmknoppen met spleten openspringend157

156a.Bloemen meest 3-tallig met een 6-deelig bloemdek, zeer zelden (Laurus) 4-tallig. Meeldraden 3, 6, 9 of 12, in verschillende rijen binnen elkaar of 4 (Laurus); bladeren verspreid102.Lauraceae.

156b.Bloemen 3- of 4-tallig; met een bekervormig bloemdek op welks bodem de meeldraden onregelmatig zijn ingeplant. Bladeren tegenoverstaand101.Monimiaceae.

157a.Bloemen met 1 meeldraad in kransen rondom de bloeistengel gezeten en zoo een aar vormend. Houtige planten met tegenoverstaande bladeren7.Gnetaceae.

157b.Twee tot vele meeldraden, in enkele gevallen 1 meeldraad in de bloem, maar dan staan de bloemen niet in kransen158

158a.Meeldraden 4, afwisselend met 4 smalle staminodiën; bloemen met 4-tallig bloemdek, in korte aren in de bladoksels. Bladeren vleezig, tegenoverstaand; strandplanten60a.Batidaceae.

158b.Bloemen niet typisch 4-tallig, zonder staminodiën en bladeren niet vleezig159

159a.Meeldraden meer dan 12, meest zeer talrijk160

159b.Meeldraden 1 tot 12163

160a.2Kruidachtige planten met een 4-bladig bloemdek208.Begoniaceae.

160b.Boomen of heesters161

161a.Bloemdek buisvormig, 5-tandig, meeldraden aan de binnenzijde van de buis vastgehecht80.Nyctaginaceae.

161b.Bloemdek niet buisvormig, meeldraden vrij162

162a.Bloemdek 5-tallig; rudiment van een vruchtbeginsel aanwezig; meeldraden of op een steel gezeten, of in meerdere regelmatige rijen178.Sterculiaceae.

162b.Bloemdek 3–4-deelig; geen rudiment van een vruchtbeginsel aanwezig147.Euphorbiaceae.

163a.Bloemdek en meeldraden 3-tallig164

163b.Bloemen niet typisch 3-tallig166

164a.Meeldraden 9; boomen met holle takken; bloemdek vergroeidbladig met 3 groote en 3 kleine slippen77.Polygonaceae.

164b.Meeldraden 3 of 6165

165a.Kruiden of lianen; bladeren dun, hart-pijlvormig of handvormig gelobd tot gedeeld, aan de basis 3–7-nervig. Meeldraden 6 of de binnenste 3 min of meer gereduceerd of ontbrekend43.Dioscoreaceae.

165b.Klimmende heesters; bladeren min of meer leerachtig; niet gedeeld, niet hart-pijlvormig94.Menispermaceae.

165c.Parasieten; bladeren bijna steeds tegenoverstaand67.Loranthaceae.

165d.Boomen met hartvormige bladeren; bloemdek 6-deelig; meeldraden 3, helmdraden ieder met 2 klieren aan den voet103.Hernandiaceae.

166a.Meeldraden 8–10, dubbel zooveel als de slippen van het vergroeidbladige bloemdek. Boomen of heesters met afwisselende bladeren221.Combretaceae.

166b.Boomen of heesters; meeldraden meest evenveel als de bloemdekbladeren; soms wat meer of minder167

166c.Kruidachtige planten170

167a.Boomen met zeer groote steunbladeren, die in den knop vergroeid zijn en het bovendeel van den spruit inhullen; na het afvallen een ringvormig lidteeken om den stam achterlaten. Bloemen meest zeer klein, in dichte aar- of bolvormige bloeiwijzen. Planten meest met melksap64.Moraceae.

167b.Geen opvallend groote steunbladeren aanwezig; bloeiwijzen niet zeer dicht168

168a.Bloemdek buisvormig, 5-tandig; meeldraden 6–8, aan de binnenzijde met de buis vergroeid80.Nyctaginaceae.

168b.Bloemdek niet buisvormig169

169a.Heesters met fijngezaagde ruwe bladeren; bloemdek 5-, zelden 4-deelig, met 5 (of 4) meeldraden voor de bloemdekbladeren staand63.Ulmaceae.

169b.Meeldraden niet duidelijk voor de bloemdekbladeren staand, vaak in een ander aantal. Bladeren niet ruw en gezaagd. Melksap of steunbladeren of beide aanwezig147.Euphorbiaceae.

169c.Bladeren zonder steunbladeren; melksap ontbrekend; bloemdekbladeren (kelk) 2 tot 5; meeldraden 8–12; heester met naar den voet sterk versmalde, bijna zittende bladeren165.Sapindaceae.

170a.Bloemdekbladeren bijna geheel vrij, 3 of 5, hard en vliezig, scherp toegespitst. Meeldraden evenveel, in den knop niet naar binnen gebogen79.Amarantaceae.

170b.Bloemdekbladeren aan de basis vergroeid, niet vliezig en spits171

171a.Bladeren en stengel met zeer ruwe borstelige haren bezet, en dan de bladeren verspreid, of kaal en dan de bladeren tegenoverstaand. Meeldraden in den knop naar binnen gebogen bij het opengaan van den knop elastisch naar buiten ombuigend65.Urticaceae.

171b.Bladeren niet tegenoverstaand en niet borstelig behaard. Meeldraden bij het openen van de bloem niet elastisch naar buiten ombuigend172

172a.Bladeren met steunbladeren en planten vaak met melksap147.Euphorbiaceae.

172b.Geen steunbladeren en geen melksap aanwezig; planten vaak sterk riekend78.Chenopodiaceae.

173a.Bloemkroon losbladig, uit één of meer afzonderlijke bladeren bestaande174

173b.Bloemkroon vergroeidbladig254

174a.Bloemen eenslachtig, tweehuizig175

174b.Bloemen met goed ontwikkelde meeldraden en een vruchtbeginsel of eenslachtig, maar dan eenhuizig185

175a.Alleen ♂ bloemen aanwezig176

175b.Alleen ♀ bloemen aanwezig181

176a.Bladeren tegenoverstaand of in kransen177

176b.Bladeren verspreid178

177a.Kelkbladeren 4–5; bloembladeren 4–8;meeldraden 15 tot vele, vrij, met lange helmdraden en kleine helmknoppen. Bladeren meest in kransen, aan den rand vaak gezaagd, lang en vrij smal, soms vindeelig, met steunbladeren185.Quiinaceae.

177b.Kelkbladeren 2 of 4, of meerdere, soms in den knop vergroeid, vaak in 2 of meer rijen; bloembladeren 4–12; meeldraden òf weinige, maar dan met lange helmknoppen en korte helmdraden, òf vele, en dan vaak met elkaar vergroeid; bladeren niet in kransen, meest dik en leerachtig; steunbladeren slechts zelden aanwezig187.Guttiferae.

178a.Klimmende heesters, bloemen geheel 3-tallig, dus ook de meeldraden een veelvoud van 3, in meerdere kransen94.Menispermaceae.

178b.Bloemen niet zuiver 3-tallig179

179a.Meeldraden talrijk, kelkbladeren 2–3; bloembladeren 6–12; bladeren zeer groot199.Flacourtiaceae.

179b.Meeldraden hoogstens 20180

180a.Meeldraden 4–10, meest maar enkele met stuifmeel en dan grooterdan de andere. Rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Boomen of heesters met leerachtige bladeren153.Anacardiaceae.

180b.Meeldraden 4 of 5, onder den rand van een dikke schijf ingehecht. Bloembladeren 4–5, kelk 4–5 spletig; klein. Heesters158.Celastraceae.

180c.Meeldraden niet onder een schijf ingehecht, 5 en dan vaak vergroeid of 10–20, en dan los. Kelk losbladig147.Euphorbiaceae.

180d.Kelk en bloembladeren 4, meeldraden 2 met elkaar tot een platte zuil vergroeid. Klimmende heesters94.Menispermaceae.

181a.Meerdere vruchtbeginsels in één bloem. Bloemen meest 3-tallig, soms 2-tallig maar dan zijdelings-symmetrisch, klimmende heesters94.Menispermaceae.

181b.Slechts één vruchtbeginsel in elke bloem182

182a.Vruchtbeginsel met 2 tot meerdere stijlen183

182b.Vruchtbeginsel met 1 stijl of een zittende stempel184

183a.Bladeren tegenoverstaand of in kransen; vruchtbeginsel met 2 tot vele stijlen. Kelkbladeren 4–5185.Quiinaceae.

183b.Bladeren verspreid, zeer groot. Vruchtbeginsel met overlangsche ribben. Stijlen 5–7199.Flacourtiaceae.

184a.Vruchtbeginsel 2- of 3-hokkig; vrucht een 2- of 3-kleppige doosvrucht. Heesters158.Celastraceae.

184b.Vruchtbeginsel 1-hokkig; vrucht òf besachtig òf niervormig op een sappige steel gezeten. Boomen of heesters153.Anacardiaceae.

185a.Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig186

185b.Vruchtbeginsel onderstandig246

186a.Meeldraden in iedere bloem 1–10 (de staminodiën niet meegerekend)187

186b.Volkomen meeldraden in iedere bloem meer dan 10225

187a.Vruchtbeginsel meerdere, vrij, ieder met een stempel. Bloemen geheel 3-tallig98.Anonaceae.

187b.Eén vruchtbeginsel, of meerdere vruchtbeginsels, in het laatste geval met één gemeenschappelijke stijl188

188a.Bloemen eenslachtig, de ♀ bloemen met een 3-hokkig vruchtbeginsel, met 3 stijlen of stempels147.Euphorbiaceae.

188b.Bloemen tweeslachtig189

189a.Vruchtbeginsel met 2 of meer stijlen190

189b.Vruchtbeginsel met slechts één stijl of stempel196

190a.Kleine kruidachtige planten; bladeren bijna rond, bezet met lange roode kleverige haren. Bloemen in trossen112.Droseraceae.

190b.Bladeren zonder roode klierharen191

191a.Stijlen 5, soms zeer klein192

191b.Stijlen 2 of 3194

192a.Meeldraden 10; bloemen geheel 5-tallig; bloembladeren aan de basis verdikt, van binnen behaard132.Linaceae.

192b.Meeldraden 5193

193a.Stijlen klein, meeldraden niet vergroeid; bloembladeren van boven naar binnen omgeslagen. Bladeren kaal158.Celastraceae.

193b.Meeldraden vergroeid, bloembladeren dun, niet omgeslagen. Bladeren behaard178.Sterculiaceae.

194a.Meeldraden 5, geen staminodiën in de bloem aanwezig; stijlen 3, kelk aan de basis buisvormig201.Turneraceae.

194b.Meeldraden 10, soms enkele ervan staminodiaal195

195a.Heesters, de takken met schubben bekleed; 5 van de meeldradengrooter dan de 5 andere; stijlen 3; bloembladeren aan de binnenzijde met een 2-spletige schub134.Erythroxylaceae.

195b.Vaak eenige van de meeldraden staminodiaal; stijlen 2 of 3; bloembladeren zonder schubben, meest aan den rand ingesneden; kelk van buiten meest met klieren141.Malpighiaceae.

196a.Bloemen duidelijk zygomorf197

196b.Bloemen regelmatig204

197a.Bladeren tegenoverstaand of in kransen198

197b.Bladeren verspreid201

198a.Eén meeldraad aanwezig, 1, 2 of 3 bloembladeren; een van de kelkbladeren met een spoor of knobbel143.Vochysiaceae.

198b.Meer dan 1 meeldraad aanwezig199

199a.Kelk buisvormig, 6-tallig;bloembladeren meest 6; meeldraden met de kelkbuis vergroeid216.Lythraceae.

199b.Kelk bijna of geheel losbladig200

200a.Meeldraden 10, waarvan 6 met helmknoppen; een van de bloembladeren met een spoor; klimmende heesters142.Trigoniaceae.

200b.Meeldraden 5, waarvan 2 een weinig anders gevormd; één bloemblad grooter dan de 4 andere; kruiden198.Violaceae.

201a.Bloembladeren 5, ongeveer gelijk van vorm en grootte; meeldraden 3–8, eenzijdig gezeten, kelk buisvormig, het vruchtbeginsel insluitend126.Rosaceae.

201b.Bloembladeren niet gelijk van vorm en grootte202

202a.Meeldraden 5, soms wat ongelijk. Bloembladeren en kelkbladeren 5, de bloembladeren gespoord of tenminste een van de bloembladeren anders gevormd dan de overige 4198.Violaceae.

202b.Meeldraden meer dan 5203

203a.Meeldraden 8, in twee groepen; bloembladen 3 of 5, èèn anders gevormd maar niet gespoord. Vruchtbeginsel 2-hokkig145.Polygalaceae.

203b.Meeldraden 9 of 10, tot een gesloten of eenzijdig vergroeide buis vereenigd of bijna geheel vrij. Bloembladeren 5, en dan ongelijk of 3, en dan bijna gelijk of 1. Bladeren met steunbladeren128.Papilionaceae.

204a.Bloemen 5-tallig, meeldraden 3, van onderen in een korte buis vergroeid. Vruchtbeginsel 3-hokkig159.Hippocrateaceae.

204b.Meeldraden evenveel of meer dan bloembladeren205

205a.Kelkbladeren 2, vrij; bloembladeren 4 of 5; kruidachtige planten, bladeren soms iets vleezig85.Portulacaceae.

205b.Meer dan 2 kelkbladeren of kelk vergroeidbladig206

206a.Kelkbladeren geheel vrij of hoogstens aan den voet iets samenhangend207

206b.Kelk duidelijk vergroeidbladig211

207a.Kruiden met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren, meeldraden 4 of 6. Vruchtbeginsel 2-hokkig105.Cruciferae.

207b.Bloemen niet typisch 4-tallig, of als ze 4-tallig zijn, dan zijn de planten boomen of heesters208

208a.Bloemen geheel 5-tallig met 5 meeldraden. Kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren87.Caryophyllaceae.

208b.Boomen, heesters of lianen, zelden kruiden, maar dan meeldraden 10209

209a.Meeldraden 5,nietmet het vruchtbeginsel op een zuil gezeten. Helmknoppen vaak met aanhangsels of helmdraden tot een buis vergroeid. Geen staminodiën in de bloem aanwezig198.Violaceae.

209b.Meeldraden meer dan 5, indien er 5 zijn, dan zitten ze òf met het vruchtbeginsel op een zuil òf er zijn ook staminodiën in de bloem aanwezig210

210a.Planten behaard; geen staminodiën aanwezig; meeldraden 5 of 10, soms met het vruchtbeginsel op een zuil gezeten. Bloemen 5-tallig174.Tiliaceae.

210b.Planten kaal, of indien ze behaard zijn, dan zijn er 5 meeldraden en een groot aantal staminodiën in de bloem aanwezig. Vruchtbeginsel soms alleen door de stijlen verbonden182.Ochnaceae.

211a.Meeldraden in twee kransen, dubbel zooveel als bloembladeren212

211b.Meeldraden in één krans, evenveel als bloembladeren of slechts weinige meer, soms aan den top gespleten en dan meerdere helmknoppen dragend, maar dan zijn de bladeren van doorschijnende puntjes voorzien219

212a.Heesters met dorens; bloembladeren van binnen behaard; vruchtbeginsel 4-hokkig72.Olacaceae.

212b.Planten niet gedoornd213

213a.Meeldraden met het vruchtbeginsel op een lange steel buiten de bloem uitstekend. Vruchtbeginsels na den bloei om elkaar gedraaid. Planten dicht behaard178.Sterculiaceae.

213b.Geen androgynophoor aanwezig214

214a.Bladeren tegenoverstaand215

214b.Bladeren verspreid216

215a.Bloemen 4-tallig; meeldraden 8 (soms tot 12) paarsgewijs voor de kelkslippen staande en op de kelk ingeplant. Bloemen welriekend. Heesters216.Lythraceae.

215b.Bloemen 4 of 5-tallig; meeldraden meest verschillend van grootte, soms één groote en de rest kleiner; bijna steeds alle met helmknoppen, zeer zelden (Siphanthera) een van de kransen zonder helmknoppen of geheel ontbrekend. Bladeren met eenige evenwijdige nerven. Helmknoppen bijna steeds met eigenaardige aanhangselen223.Melastomataceae.

216a.Vruchtbeginsel éénhokkig217

216b.Vruchtbeginsel 2-meerhokkig218

217a.Vruchtbeginsel langgerekt, met één rij van zaadknoppen; vrucht een peul. Bladeren aan den top min of meer diep ingesneden, zeer zelden niet-ingesneden. Bloemen groot tot vrij groot.128.Papilionaceae.

217b.Vruchtbeginsel kort, op een schijf gezeten; kelk min of meer komvormig; soms één meeldraad grooter dan de andere; bloemen klein153.Anacardiaceae.

218a.Vruchtbeginsel 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hok. Kelk met 5, eenigszins over elkaar liggende lobben; staminodiën aanwezig of ontbrekend133.Humiriaceae.

218b.Kelk klokvormig met 5 korte of onduidelijke tanden. Bloembladeren aan de basis meest een weinig vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig; stijl met 3 stempels241.Styracaceae.

219a.Bladeren met doorschijnende puntjes (olieklieren). Planten soms gedoornd. Helmdraden vaak wat vergroeid137.Rutaceae.

219b.Bladeren zonder doorschijnende puntjes220

220a.Bloemen typisch 4-tallig, klein; meeldraden 4, tegenover de bloembladerenstaand; vruchtbeginsel 2-hokkig; kelk zeer kort, schotelvormig170.Vitaceae.

220b.Bloemen niet typisch 4-tallig of indien ze 4-tallig zijn, dan wisselen de meeldraden af met de bloembladeren221

221a.Bloembladeren met eenige ribben op de binnenzijde. Meeldraden 5, met platte helmdraden en een vierkant aanhangsel op den top van den helmknop162.Icacinaceae.

221b.Bloembladeren van binnen niet geribd of als ze geribd zijn (Mangifera) dan de helmknoppen zonder aanhangsel222

222a.Bloemen klein, groen of wit; vruchtbeginsel omgeven door een schijf223

222b.Bloemen groot of vrij groot, meest gekleurd, geen schijf aanwezig. Vruchtbeginsel één- of meerhokkig224

223a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; meest maar een deel van de meeldraden met stuifmeel. Stempel enkelvoudig153.Anacardiaceae.

223b.Vruchtbeginsel meerhokkig; stempel 2- of meerlobbig; stijl soms zeer kort158.Celastraceae.

224a.Vruchtbeginsel langwerpig, 1-hokkig, vrucht een peul. Meeldraden 5–9; bladeren aan den top tweespletig tot 2-deelig, zeer zelden niet-ingesneden. Boomen of vaker lianen128.Papilionaceae.

224b.Vruchtbeginsel meerhokkig, zeer zelden 1-hokkig, maar dan is de plant een viltig behaarde heester of een kruidachtige plant. Meeldraden 5, onderling en vaak ook met de bloembladeren vergroeid; soms met staminodiën afwisselend. Bloembladeren vaak eigenaardig van vorm178.Sterculiaceae.

225a.Meerdere vruchtbeginsels in iedere bloem, soms een weinig vergroeid, maar dan bloemen 3-tallig226

225b.Slechts één vruchtbeginsel in iedere bloem227

226a.Bloemen 3-tallig; kelkbladeren 3; bloembladeren meest 6; vruchtbeginsels meest zeer talrijk, soms min of meer met elkaar vergroeid98.Anonaceae.

226b.Bloemen meest 4- of 5-, soms 6-tallig. Vruchtbeginsels hoogstens 5180.Dilleniaceae.

227a.Bloemen met een honingbeker aan den voet184.Marcgraviaceae.

227b.Geen honingbeker aanwezig228

228a.Bloemen éénslachtig; in de ♀ bloem geen bloemkroon aanwezig; vruchtbeginsel 3-hokkig met een 3-spletige stijl of 3 stempels147.Euphorbiaceae.

228b.Bloemen met meeldraden en vruchtbeginsel229

229a.Kelkbladeren 2, zeer zelden 3, maar dan is de plant gestekeld230

229b.Kelkbladeren meer dan 2, of kelk vergroeidbladig231

230a.Bloemen klein, meest rood; stijl van boven gespleten; bloemen meest 4- of 5-tallig85.Portulacaceae.

230b.Bloemen groot, geel; plant gestekeld; bloembladeren 4; kelkbladeren soms 3104.Papaveraceae.

231a.Meeldraden tot een zeer lange buis vergroeid, die van boven aan de buitenzijde bekleed wordt door ± 30 zittende helmknoppen. Stijl 1 met 2 stempels177.Bombacaceae.

231b.Meeldraden vrij of tenminste een deel van de helmdraden vrij232

232a.Vruchtbeginsel met meerdere stijlen233

232b.Vruchtbeginsel met één stijl235


Back to IndexNext