Klasse:Monocotyledoneae.Orde:Helobiae.15.Alismataceae.Bloemen meest 2-slachtig, met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelk 3-bladig; kroon 3-bladig; meeldraden 6 tot vele, zelden maar 3; vruchtbeginsels 6 tot vele, met 1 tot vele zaadknoppen; water- of moerasplanten, kruiden met melksap.1a.Meeldraden talrijk, niet met elkaar vergroeid; bloemen bijna steeds éénslachtig en éénhuizig; bladeren lancet-lijnvormig, boven het water uitstekendSagittaria.1b.Meeldraden 12 of minder22a.Bladeren langwerpig-lancetvormig; aan den voet niet ingesneden, kortgesteeld. Bloemen in kransen rondom den langen bloeistengelEchinodorus.2b.Bladeren cirkelrond-eirond, langgesteeld aan den voet diep hartvormig ingesneden; in het water drijvend; bloeiwijze vrij kortLophotocarpus.16.Butomaceae.Bloemen tweeslachtig, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3; meeldraden 9 tot vele, in het laatste geval de buitenste zonder stuifmeel; vruchtbeginsels 6 tot vele, vaak aan de basis vereenigd, met vele zaadknoppen, kokervruchten; moeras- of drijvende waterplanten bijna steeds met melksap.Bladeren in het water ondergedoken of op het water drijvend, eirond; bloemen tot 8 c.M. groot, lichtgeel; meeldraden ± 20; vruchtbeginsels 6Hydrocleis.17.Hydrocharitaceae.Bloemen zelden tweeslachtig, meest mannelijk en vrouwelijk, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3, meeldraden 1 × tot 4 × 3, de binnenste en buitenste soms staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandigmet wandstandige zaadlijsten en vele zaadknoppen. Ondergedoken of boven het water uitstekende waterplanten met verspreide of soms in kransen staande bladeren. Bloemen in het begin in een scheede ingesloten.1a.Bladeren in kransen aan den langen ondergedoken stengel; bloemen klein, de ♂ zittend, later van den stengel loslatend en op het water drijvend met 3 meeldraden; ♀ bloemen langgesteeldElodea.1b.Bladeren langgesteeld, eirond, drijvend; bloemen 2–3 bij elkaar in een scheede; meeldraden 6–12Hydromystria.Orde:Glumiflorae.19.Gramina.Bloemen 2-slachtig, zelden mannelijk of vrouwelijk, zonder bloembekleedselen; meeldraden meest 3, zelden 1, 2, 6 of vele, vruchtbeginsel met één zaadknop; stempels 2 of 3, of 1; vrucht een caryopsis, zelden een noot of een bes; meest kruiden, zelden houtige planten met knoopen (halmen) en afwisselende smalle bladeren met een ligula. Bloemen alleenstaand of in groepen (aartjes of bloempakjes); elke bloem in den oksel van een dekblad (onderste kroonkafje), meest ook nog met een tegenover het dekblad staand bloemsteelblaadje (bovenste kroonkafje), soms nog met een daarboven staand derde kroonkafje of met meerdere kroonkafjes; de aartjes of de aparte bloemen meest aan de basis met 2 leege kafjes (kelkkafjes) in pluimen of aarvormige bloeiwijzen.N.B. In de meerderheid van de gevallen is het zeer moeilijk uit te maken wat kelkkafjes en wat kroonkafjes zijn, omdat het aantal kroonkafjes vaak wisselt. In al die gevallen wordt in de tabel gesproken over slechts één kroonkafje, waarmee bedoeld is het kafje dat direct onder de bloem is gezeten; alle andere, lager gezeten kafjes zijn dan kelkkafjes genoemd.1a.Bladeren langgesteeld met een opvallend breede bladschijf; bloeiwijze een pluim met lange takken; aartjes éénslachtig in paren gezeten; het eene aartje zittend met een ♀, het andere gesteeld met een ♂ bloemPharus.1b.Bladeren niet langgesteeld d. i. bladschijf onmiddellijk boven de bladscheede ingehecht of met een zeer kort steeltje ermee verbonden22a.Bloemen met meer dan 6, meest vele meeldraden, in onvertakte aren; aartjes groepsgewijs bijeenstaand, meest een aantal aartjes met ♂ bloemen staande om 1 of 2 met ♀ bloemen; bladeren breed, scheede aan den mond vaak met lange haren bezetPariana.Asmatoe pimpin.2b.Bloemen met 1–3 (of -6) meeldraden33a.Mannelijke aartjes in een groote pluim aan het eind van den stengel; ♀ aartjes dicht gedrongen in meerdere rijen tot een kolf vereenigd, zijdelings aan den stengel staande, omgeven door een scheede, waarbuiten de lange stijlen der ♀ bloemen in een bos uitstekenZea.3b.Bloemen tweeslachtig of indien ze éénslachtig zijn, dan òf in hetzelfde aartje òf in dezelfde bloeiwijze gemengd43c.Bloemen éénslachtig en tweehuizig; in elk aartje 2 tot 4 bloemen, die vrij ver van elkaar staan; het bovenste kelkkafje met een lange naald; asje behaard, evenals de kafjes der ♀ bloemen, tusschen de afzonderlijke bloemen met eene geleding; bloeiwijze een wijde pluim; vrucht door de kafjes ingesloten; groote hooge halmenGynerium.Pijlgras.4a.Bladeren met een duidelijke geleding tusschen bladschijf en bladscheede, op deze geleding breekt het blad af; halmen forsch, van onderen houtig, van duidelijke knoopen voorzien54b.Bladeren zonder geleding tusschen bladschijf en bladscheede65a.Bloemen met 6 meeldraden; aartjes met 2-vele bloemen langs de takken van de bloeiwijze in groepen zittend; asje onder de bloem geleed; bloemen 2-slachtig òf de bovenste ♂ en sommige van de onderste steriel; vruchtbeginsel aan den top behaardBambusa, (incl.Guadua).5b.Bloemen met 3 meeldraden; asje geleed tusschen de bloemen, na den bloei in stukken uiteenvallend; aartjes met 2–7 tweeslachtige bloemen, of de bovenste bloem éénslachtig; onderste 3–4 kafjes leeg, buitenste klein of naaldvormig; vruchtbeginsel kaalArthrostylidium.6a.♂ aartjes aan den top van een takje te voorschijnkomend uit een bolvormig vergroeid hard dekblad, dat het ♀ aartje geheel insluit; halm meermalen vertakt; vruchten groot, van buiten omsloten door het steenharde, licht-blauw-grijze dekbladCoix,Jobstranen.6b.♂ en ♀ bloemen regelmatig over de aartjes of de bloeiwijze verdeeld; ♀ aartjes in ieder geval niet door een bolvormig dekblad ingesloten, òf bloemen tweeslachtig76c.In ieder aartje maar één bloem, bloem nooit tweeslachtig; aartjes afzonderlijk gesteeld in een wijde pluim vereenigd, de ♂ in het onderste deel aan de pluim; de ♀ in het bovenste deel van de pluim; kelkkafjes met één naald, bladeren meest breedOlyra.7a.Twee of meer tweeslachtige bloemen in een aartje87b.Slechts één bloem in elk aartje of als er 2 zijn, dan alleen de bovenste 2-slachtig en vruchtdragend138a.Aartjes in twee, dicht naast elkaar staande rijen langs de as, en zoo een eenzijdige aar vormend98b.Aartje niet in twee rijen langs de as staande, doch in een verschillend gevormde pluim staand119a.Aren niet op hetzelfde punt van de halm bijeenstaand, doch langs de bovenzijde van de halm verdeeld; 6 bloemen per aartje, de kafjes meest kort genaald, soms ook bijna zonder naald; groote plantenLeptochloa.9b.Aren in een groep van 2 tot vele aan het eind van de halm bijeenstaand1010a.Aar met een bloem aan den top eindigend; kafjes samengedrukt, gekield, ongenaald; aren vrij smal; 4–8 bloemen per aartjeEleusine,Mangras.10b.Aar zonder bloem aan den top, doch de as met een puntje buiten het bloemdragende deel voortgezet; kafjes met duidelijke doch korte naalden; aren dik en kort; 3–5 bloemen per aartjeDactyloctenium.11a.Slechts 2 bloemen per aartje, soms maar één, meest tweeslachtig, een enkele maal ♀ of ♂; aartjes op lange steelen afzonderlijk staand, te zamen een zeer wijde pluim vormend; kafjes met een kiel, aan den punt gestekeld doch zonder naaldOrthoclada.11b.Talrijke bloemen in elk aartje, meest tweeslachtig, soms ook enkele ♂ of ♀1212a.Onderste kroonkafje met 1–3 nerven; aartje gesteeld of zittend, een pluim of een smalle aarvormige pluim vormend; alle kafjes vliezig en ongenaald, kroonkafjes na de bloei blijvendEragrostis.12b.Onderste kroonkafje met 5 tot vele nerven, de zijnerven boogvormig naar de middennerf toeloopend; aartjes meest in een losse pluim; kroonkafjes vaak stompPoa.13a.Meeldraden 6; aartjes éénbloemig, alleenstaand op steelen; bloeiwijze een pluim; kelkkafjes 4, de beide onderste klein, de 2 bovenste veel grooter, hard, zijdelings samengedrukt met een scherpe kiel, ongenaald; kroonkafje ontbrekendOryza,Rijst,aleesi.13b.Meeldraden 1–3 per bloem1414a.Aartjes paarsgewijs aan de as van de aar bevestigd, meest ongelijk van vorm, de een gesteeld, de andere zittend1514b.Aartjes niet twee aan twee aan de as van de aar zittend, wel soms in 2 rijen, maar dan de beide steeltjes niet op één punt vastzittend; indien de aartjes soms twee aan twee staan (bij sommige Paspalum-soorten) dan zijn de steeltjes even lang en de aartjes gelijk van vorm2015a.As van de aar plat met groote holten die aan de buitenzijde afgesloten worden door het onderste kafje van een aartje; in de aldus gevormde holte zit de bloem; het zittende aartje van elk paar is tweeslachtig, het gesteelde ♀; bloeiwijze een enkelvoudige aar, die uit de oksels van de bladeren te voorschijn komtManisuris.15b.As van de aar zonder holten1616a.Beide aartjes van elk paar met een tweeslachtige bloem of de een met een tweeslachtige, de andere met een ♀ bloem, in ieder geval beide vruchtdragend1716b.Van elk paar aartjes heeft de een een tweeslachtige bloem, de andere alleen een ♂ bloem of bloemen1817a.Aren 2 tot vele bij elkaar, aan het eind van den halm zittend; in het zittende aartje van elk paar vindt men onder de tweeslachtige bloem ook nog een ♂ bloem; een van de kafjes langgenaaldIschaemum.17b.Aren niet bij elkaar aan de halm staand, doch een vertakte pluim vormend, alle aartjes eenbloemig, het zittende tweeslachtig, het gesteelde eraan gelijk of alleen ♀; kafjes spits doch ongenaaldSaccharum.18a.Het zittende aartje met twee bloemen, een bovenste tweeslachtige en een onderste ♂ bloem; het bovenste kafje genaald; het gesteelde aartje van het paar met 1 of 2 ♂ bloemenIschaemum.18b.Tenminste het aartje met de tweeslachtige of ♀ bloem éénbloemig1919a.Het aartje met de ♂ bloem zittend of kortgesteeld, dat met de tweeslachtige bloem langgesteeld; het bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem voorzien van een lange behaarde naald; aren groepsgewijs aan het eind van den halm staandeTrachypogon.19b.Het aartje met de ♂ bloemen gesteeld, dat met de tweeslachtige of ♀ bloem zittend; bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem genaald of ongenaald; aren alleenstaand of aan den top van den helm in een groep bij elkaar of tot samengestelde pluimen vereenigdAndropogon,Vétivert.20a.Aartjes steeds eenbloemig, de beide onderste kelkkafjes met lange,witte, zijdeachtige haren bezet; de beide bovenste kelkkafjes kaal; bloem tweeslachtig met één meeldraad; bloeiwijze een pluim met opgerichte takken, zoodat het geheel op een aar gelijktImperata.20b.Aartjes één- of 2-bloemig; meeldraden bijna steeds 3 (soms 2) per bloem2121a.Aartjes aan den voet met een massa borstelige haren of stekels; geheele bloeiwijze aarvormig2221b.Aartjes zonder borstelige haren of stekels aan den voet, of indien er haren aanwezig zijn, dan zijn de kelkkafjes zelf met dunne haren bezet2322a.Aartjes omgeven door een omhulsel dat met borstelige haren of stekels bezet is, en dat met het geheele aartje en de vrucht afvalt; aar vrij ijl, bezet met groepsgewijs- of alleenstaande aartjes; elk aartje met een tweeslachtige bloem of met een tweeslachtige en daaronder een ♂ bloemCenchrus.22b.Borstelvormige haren of stekels niet tot een omhulsel vergroeid; daardoor ook aan de as zitten blijvend, als de vrucht met het aartje afvalt; aartjes zeer dicht opeengedrongen aan de as staand; bloemen als de vorigeSetaria.23a.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje schijnbaar eindelings zittend, dus het asje afsluitend2423b.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje zijdelings zittend, zoodat het asje zich nog verder boven de bloem voortzet3124a.Hoofdas van de halm afgeplat, voorzien van zeer korte zijassen, die ieder zijdelings 1–5 aartjes dragen; deze zijn dicht tegen de hoofdas aangedrukt, zoodat het geheel den indruk maakt van een enkelvoudige aar; planten min of meer kruipendStenotaphrum.24b.Bloeiwijze bestaande uit een of meer lange aren, waarvan de assen bezet zijn met zittende of gesteelde aartjes, of bloeiwijze een wijde pluim2525a.Elk aartje met 3 (of 2) kelkkafjes en één kroonkafje; slechts één bloem per aartje2625b.Elk aartje met 4 kelkkafjes en één kroonkafje, het derde kelkkafje soms met een ♂ bloem in den oksel, het vierde steeds met een tweeslachtige bloem3026a.Kelkkafjes smal, de beide onderste met een kiel, het bovenste met een lange 3-deelige naald; 2 lodiculae aanwezig; asje van het aartje geleed boven de beide onderste kelkkafjes, zoodat deze na het uitvallen der bloem blijven zitten. Bloemen in pluimen of schijnarenAristida.26b.Kafjes ongenaald of (bij Eriochloa) zeer kort genaald; geleding van het asje, indien aanwezig, onder de kafjes2727a.Direct onder het onderste kafje van het aartje, boven de geleding, zit een meest gekleurde verdikking van het asje; aartjes regelmatig langs de as staande in aren, en deze weer tot een pluim vereenigd; onderste kelkkafjes spits, behaard, het derde hard, met een korte naald, die niet buiten het aartje uitsteekt. Kroonkafje zonder naald, doch overigens gelijkend op het bovenste kelkkafjeEriochloa.27b.Asje onder het aartje zonder woekering, hoogstens met een geleding2828a.Aartjes duidelijk in twee rijen langs de as van de aar gezeten en tegen de as aangedrukt; kelkkafjes 2 of 3, het onderste of de beide onderste klein en dun, het bovenste eirond en hard; aren soms alleenstaand aan het eind van den halm, of in groepen, soms ook een pluim vormendPaspalum.28b.Aartjes eenbloemig, tot éénzijdige aren vereenigd, aan de as zittend of bijna zittend in twee rijen, dicht over elkaar liggend; de aren op hun beurt weer aarvormig langs het boveneind van den halm zittend opgericht en tegen den halm aangedrukt; de beide onderste kelkkafjes smal en gekield, het bovenste vliezigSpartina.28c.Aartjes niet in twee rijen langs de as staande doch een onregelmatig vertakte, soms min of meer aarvormige pluim vormend2929a.Pluim vrij wijd lang behaard; de 3 kelkkafjes vliezig; kroonkafjetijdensden bloei dunvliezig, later verhardend en de vrucht omsluitend; aartje duidelijk geleed met de asLeptocoryphium.29b.Pluim smal met opgerichte takken, onbehaard of kort-behaard; aartje niet duidelijk geleed met de as; vrucht geheel vrij van de kafjesSporobolus.30a.Bovenste kelkkafje aan den voet met een aanhangsel; aartjes kortgesteeld aan de takken van een pluimIchnanthus.30b.Bovenste kelkkafje zonder aanhangsel aan den voet; onderste kelkkafje zeer klein, 2deen 3degrooter, stomp of genaald, het derde soms met een ♂ bloem, het 4dekelkkafje steeds ongenaald en hard, het kroonkafje insluitend; bloeiwijzen zeer verschillend; aartjes soms gesteeld in wijde pluimen, soms in aren en deze te samen een pluim vormend, soms ook minder samengesteldPanicumPaardengras.31a.Aartjes vereenigd tot eenzijdige aren, deze aren staan langs het bovendeel van den halm verspreid en vormen een pluim; de beide onderste kelkkafjes spits of kortgenaald; het 3demet een lange rechte naald; asje van het aartje boven de bloem voortgezet en daar een langgenaald kafje of alleen een naald dragendGymnopogon.31b.Aartjes als bij de vorige tot eenzijdige aren vereenigd, doch deze handvormig bij elkaar aan het eind van den stengel staand3232a.De 3 kelkkafjes en het kroonkafje ongeveer even lang, ongenaald; de bovenste met 1 of 2 behaarde kielen, as van het aartje boven de bloem voortgezet als een puntje zonder verdere schubben of kafjesCynodon.32b.De 2 onderste kelkkafjes ongelijk van grootte, smal en plat, gekield, ongenaald; het 3delangbehaard, genaald (of soms ongenaald); kroonkafje groot met 2 kielenChloris.20.Cyperaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, naakt, of zelden met een enkelvoudig bloemdek; meeldraden meest 3–1, zelden meer; vruchtbeginsel eenhokkig met 1 zaadknop en met 3 of 2 stijlen met draadvormige stempels; zaad niet met de vruchtwand vergroeid; kruiden met meest scherp driekantige, zelden gelede en van knoopen voorziene stengels en smalle bladeren met gesloten scheeden; bloemen in aartjes-achtige trosjes, die tot aar- of pluimvormige bloeiwijzen vereenigd zijn.1a.De bloemen, die een vruchtbeginsel hebben, hebben steeds óók meeldraden; daarnaast komen ook alléén ♂ bloemen voor. (Zie ook 18a en 24 van deze lijst)21b.Alle bloemen éénslachtig182a.Hoogstens 2 (soms ook maar 1 of geen enkel) van de onderste kafjes der aartjes zonder bloemen32b.Drie tot meer van de onderste kafjes zonder bloemen143a.Kafjes in 2 rijen43b.Kafjes in 3 tot meer rijen94a.Stijl met 2 takken54b.Stijl met 3 takken75a.Nootje aan rug- en buikzijde afgeplat, zoodat de grootste breedte naar de as van het aartje toegekeerd is. Aartjes 5–6-bloemig, as van het aartje na den bloei blijvend. Onderste 2 kafjes zonder bloemen, blijvend, de volgende in 2 rijen. Meeldraden 1–3. Naakte halm met één hoofdje van aartjes aan het eindJuncellus(Cyperus).5b.Nootje zijdelings samengedrukt, zoodat de smalste kant naar de as toegekeerd is66a.As van het aartje boven de twee onderste leege kafjes afvallend, vóór het afvallen is op die plaats een geleding in de as te zien. Aartjes met 4–5 kafjes. Meestal draagt alleen het derde een bloem en zijn de twee kafjes aan den top ook leeg, evenals de beide onderste. Aartjes in één of meer zittende hoofdjes aan den top van den kalen stengel; onder de hoofdjes 2–4 bladerenKyllingia.6b.Deel van de as boven de beide onderste leege kafjes niet afvallend. Aartjes met 5–6-∞ kafjes, waarvan er minstens 4 bloemen dragen en er slechts weinigen aan den top leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Aartjes aan den top van de assen, welke te samen weer schermvormig aan het einde van den bloeistengel staan. Direct onder het scherm eenige bladeren in een krans; halm overigens naaktPycreus(Cyperus).7a.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes niet afvallend. Aartjes 5–6-∞ bloemig, waarvan er minstens 4 bloemen dragen, terwijl enkele van de bovenste leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Noot 3-hoekig, soms van voren een weinig samengedrukt. Halm naakt; aartjes tros- of handvormig samengesteld en deze trossen in een scherm aan het eind van den stengel staande of soms tot een hoofdje bijeenkomendCyperus.7b.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes na den bloei afvallend88a.As van het aartje in zijn geheel afvallend, 1-weinig-veelbloemig. Vruchtdragende kafjes blijvend. Bladeren lang, smal en groen; overigens als CyperusMariscus.8b.As van het aartje in stukken uiteenvallend, elk stuk met één vruchtdragend kafje. Aartje met 4–16 vruchtdragende kafjes, cylindrisch, zeer lang en dun, samengesteld tot trossen, en deze weer één of meervoudig in schermen bijeenkomend. Halm, behalve onder de bloeiwijze, naaktTorulinium(Cyperus).9a.Stijlen aan de basis opgezwollen, scherp gescheiden van den top van den noot109b.Stijlen aan de basis niet opgezwollen, geleidelijk overgaand in den top van den noot1210a.Rondom het vruchtbeginsel staan 3–8 haren, die vaak met weerhaakjes bezet zijn. Kafjes zeer talrijk, meest stomp. Meeldraden3–1; stijl met 2 of 3 takken, kaal. Halm geheel (ook aan den voet) zonder bladeren, met één hoofdje aan den topHeleocharis.10b.Geen stekels om het vruchtbeginsel; plant meest met bladeren1111a.Stijl blijvend aan den noot, òf zoo de stijl afvalt, dan valt ook de verdikte stijlbasis af. Kafjes talrijk, dakpansgewijs over elkaar liggend, velen ervan vruchtdragend. Meeldraden 3–1; stijl met 3 of 2 takken. Nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in losse 1 of meermaal samengestelde schermen aan het eind van den stengelFimbristylis.11b.Stijl afvallend, doch de verdikte en anders gekleurde stijlbasis aan den noot blijvend. Vruchtdragende kafjes meest een weinig behaard; takken van den stijl steeds 3, meeldraden 3–1, nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in groepen bijeen, soms tot schermen vereenigd, soms 1 hoofdje aan het eind van den stengel vormend. Bladeren zeer smal, soms naaldvormigBulbostylis.12a.Zoowel de plant als de aartjes kaal of bijna kaal1312b.Plant min of meer, doch vooral de aartjes duidelijk behaard. Onder het vruchtbeginsel 3 eironde schubjes. Kafjes behaard, aan den top gestekeld; aartjes vrij groot, tot 1 c.M. lang, langs het bovenste deel van den halm een lange samengestelde bloeiwijze vormend. Halm bebladerdFuirena.13a.Onder het vruchtbeginsel 2 hyaline schubjes, de een naar de as toegekeerd, de andere ervan af gekeerd, grooter dan de noot. Stijl vrij klein met 2 of 3 takken. Halmen alleen aan de basis en onder de bloeiwijzen bladeren dragend. Aartjes tot één hoofdje samenkomend aan het eind van den stengelLipocarpha.13b.Onder het vruchtbeginsel nooit 2 schubben, (in één enkel geval één zijdelingsche schub), doch 0-vele haren. Aartjes met vele vruchtjes. De onderste 0–2 kafjes leeg, kaal behalve aan de randen. Stijl met 2–3 takken. Halmen naaktScirpus.14a.Stijl met twee takken1514b.Stijl met drie takken1715a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig zijn, onvertakt, draadvormig1615b.Haren onder het vruchtbeginsel 6–3 in getal; over de geheele lengte met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar liggend, de 3–4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de bovenste òf alleen met ♂ of met steriele bloemen. Stijl lang, met 2 lange takken; stijlbasis kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd, bloeiwijze klein, trosvormig, in den oksel van de bladeren staandPleurostachys.16a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste kafjes leeg; slechts 1–3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met ♂ of met steriele bloemen; 3–2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne takken die langer zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle bladeren en maar één meest wit of bruinachtig hoofdje van weinig aartjes aan het eind van den naakten halm, die alleen direct onder de bloeiwijze eenige bladeren draagtDichromena.16b.Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig, soms aanwezig. Drie tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot vele vruchtdragend, de bovenste met ♂ bloemen of leeg. Meeldraden3–2; stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen òf meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en samengesteld uit zeer veel aartjesRhynchospora.17a.Groote planten. Aartjes met 2–4 leege kafjes van onderen, daarboven 1–4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met 3 lange takken. Bloeiwijze sterk vertakt, verlengdCladium.17b.Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en alleen het 4debovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht dragend. Stijl geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes in korte trosjes staand; eenige van die trosjes zittend aan het eind van den halmRemiria.18a.Alle bloemen eenslachtig; de ♀ bloem in het aartje eindstandig, naakt; daaromheen 2–10 ♂ bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat men het aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2–10 meeldraden2418b.Alle bloemen éénslachtig, de ♀ bloem meest niet naakt, maar van een kafje voorzien; de ♂ duidelijke aartjes vormend1919a.Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen ♂, van boven alleen ♀ aartjes dragend2019b.Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot dichte hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de ♀ en de ♂ bloemen onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje2120a.Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1–2 M. lang, driehoekig, glad. ♀ bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje zonder ♂ bloemen erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele ♂ bloemen bijeen in aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig,niet voorzien van 3–5 groevenLagenocarpus.20b.Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige, maar vruchten 3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribbenCryptangium.21a.Aartjes met weinig bloemen, soms ♂ en ♀ bloemen in één aartje, en dan de ♀ bloem het onderst en de hoogere ♂ òf sommige aartjes ♂, andere ♀ en dan de ♀ bloem alleenstaand met eenige rudimentaire bloemen erboven, en de ♂ bloemen in veelbloemige aartjes. Kafje van de ♀ bloem open, niet om het vruchtbeginsel tot een urntje vergroeid. Nootje hard, beenachtig, meest wit, soms grijs of purper, met een donkerder top. Bloeiwijzen meest in sterk vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen bloeiwijze maar dan de halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak scherp driehoekigScleria.Baboen-nefi.21b.In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes2222a.Kafje rondom de ♀ bloem met de randen tot een urntje met een lange hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals uit. Aartjes steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt alleen de ♀ bloem, de beide zijdelingsche dragen 2–3 ♂ bloemen met ieder 1 meeldraad. Planten met lange smalle bladeren met enkele krachtige evenwijdige nerven; bladeren met breede scheeden, die elkaar van onderen dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met enkele schubben, verder naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in een groep van weinige gestekelde bolvormige hoofdjesBisboeckeleria(Hoppia).22b.Kafje rondom de vrouwelijke bloem niet urnvormig vergroeid2323a.♀ aartje met 3 kafjes en één eindstandig vruchtbeginsel met een lange stijl met 3 takken. Daarnaast ♂ aartjes met 2 ♂ bloemen ieder met 3 meeldraden. Aartjes vereenigd tot groote gesteelde, bolvormige hoofdjes, die hetzij alleen, hetzij in paren of 3–4, in den oksel van de stengelbladeren staan. Bladeren lang, smalDiplacrum.23b.Aartjes met 1 eindelingsche ♀ bloem met 2 kafjes en daaronder 2–4 mannelijke bloemen. Vruchtbeginsel met een korte stijl met 2 takken; ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. Aartjes in zeer kleine gesteelde of ongesteelde hoofdjes, waarvan er talrijke een samengestelde bloeiwijze in den oksel van de bladeren vormen.Calyptrocarya.24a.Eén of meerdere dichtgedrongen zittende hoofdjes aan het eind van den stengel, direct daaronder 3 groote breede bladeren. ♀ bloem met een lange stijl met 3 takken, ♂ bloemen 3, ieder met 1 meeldraad, schijnbaar een tweeslachtige bloem vormend met het vruchtbeginselMapania.24b.Meerdere hoofdjes aan het eind van den stengel en niet met breede bladeren daaronder, of een vertakte bloeiwijze. Stijltakken 22525a.Aartjes bestaande uit 3 bloemen, waarvan de middelste alleen uit een vruchtbeginsel bestaat, daaromheen 2–4 ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. De aartjes vormen samen aren, die niet meer dan 5 m.M. lang zijn, deze komen in eenige zittende hoofdjes aan het eind van den stengel samen, of vormen een sterker vertakte bloeiwijzeHypolytrum.25b.Aartjes bestaande uit 6–9 éénslachtige bloemen, waarvan de middelste (eigenlijk bovenste) uit een vruchtbeginsel bestaat, de andere 5–8 mannelijk zijn en ieder één meeldraad hebben. De aartjes vereenigen zich tot 3 c.M. lange cylindrische aren, die langgesteeld zijn en te samen een min of meer schermvormige bloeiwijze vormen. Groote krachtige plant met vrij breede scherpe bladerenDiplasia.Orde:Principes.21.Palmae.Bloemen meest door reductie van meeldraden of stamper éénslachtig; bloemdek ongekleurd, of weinig gekleurd, zelden ontbrekend; de buitenste bloemdekbladeren vaak kleiner dan de binnenste; meeldraden 6, zelden 3, vaker 9 tot vele, vrij of vergroeid met elkaar. Vruchtbeginsels 3 of 1, in het laatste geval 3- of 1-hokkig, soms met maar 1 zaadknop; vrucht een bes of een steenvrucht; meest boomvormige, onvertakte planten, soms klimmend met zeer gestrekte internodiën; bloeiwijzen okselstandig, door scheeden omhuld, bladeren handvormig of vinvormig gedeeld of ingesneden.N. B. Het determineeren der palmen levert verschillende moeielijkheden op, die ten deele hun oorzaak hierin vinden, dat maar zelden volledige exemplaren (d. i. met mannelijke en vrouwelijke bloemen, spatha en vruchten) gevonden worden, ten deele ook hierin, dat men de soorten, en vooral die van Suriname nog slechts ten deele kent. Zelfs is het waarschijnlijk dat er in Suriname nog geslachten van Palmen gevonden zullen worden, wier voorkomen er tot nu toe niet aangetoond was. Dit alles maakt, dat men onderstaande tabel met eenige voorzichtigheid moet gebruiken.1a.Bladeren waaiervormig ingesneden en handnervig; bloeikolf eenmaal vertakt; bloemen tweehuizig; ♂ bloemen in lange dichte aren; ♀ bloemen aan veel kortere zijtakken van den kolf; bes aan den top ingedruktMauritia.Maurisie.1b.Bladeren vinnervig en vindeelig of gevind22a.Stammen dun, klimmend; middenrib van het blad eindigend in een lange, dunne, met teruggebogen paarsgewijs staande stekels bedekte draadDesmoncus.Bamba maka;Bamboesi maka.2b.Stammen niet klimmend; middenrib van het blad niet verlengd33a.Stam lang, niet gestekeld, aan den voet met gestekelde luchtwortels, bladeren gevind; segmenten naar den voet versmald, naar den top verbreed en afgeknotIreartea.Injie-pina.3b.Geen gestekelde luchtwortels aan den voet van de stam44a.Bladeren enkelvoudig, alleen aan den top ingesneden of met zeer weinig segmenten, die met een breede voet aan de middenrib vastzitten (Zie ook Bactris)54b.Bladeren gevind met talrijke smalle segmenten65a.Stam laag, ongestekeld of ontbrekend, bladeren zeer groot, enkelvoudig, aan den top ingesneden, vaak ingescheurd; bloeikolf éénmaal vertakt; ♂ bloemen met 20–30 meeldraden; vruchten meest 3-lobbig met stompe, scherpkantige korte stekels bedektManicaria.Troelie.5b.Stam slank en dun, glad, bladeren kleiner dan de vorige,vaak gevind, doch dan met weinig segmenten; bloeikolf enkelvoudig of één tot meermalen vertakt; ♂ bloemen met 6 meeldraden; vrucht een gladde eenzadige besGeonoma.Tastikie.6a.Stammen en bladeren met meest zwarte stekels bezet76b.Stammen en bladeren zonder zwarte stekels (Zie ook Bactris)87a.Stam hoog, bezet met de resten van de bladsteelen en met zwarte stekels; bladeren met vele segmenten, die in groepen aan 2 of 3 bij elkaar staan; bladsteel en middenrib van boven met zwarte stekels bezet; segmenten van onderen behaard; bloeikolf tusschen de bladeren staand, éénmaal vertakt; hoofdsteel van de kolf in een lange bloemdragende staart uitloopend; aan de basis met weinige alleenstaande ♀ bloemen, aan den top dicht bezet met talrijke dichtopeengedrongen ♂ bloemen met 6 meeldraden; bloeischeede groot, sterk gestekeld; vrucht ongeveer 4 c.M. in doorsnede bolvormig, kaal, aan den basis met stervormige kelk; steenkern met 2 zadenAcrocomia.7b.Stammen vrij hoog of ontbrekend; bladeren met vele segmenten; deze, maar ook de bladsteel en de middenrib van onderen met vele zwarte stekels; segmenten aan de onderzijde met witte was bedekt; hoofdsteel van de éénmaal vertakte bloeikolf meest gestekeld; ♂ bloemen talrijk met 6 meeldraden, alleenstaand aan het einde der takken; ♀ bloemen met gestekelde kelk; weinige aan de basis der takken van de kolf staand; bloeischeede één, van buiten meest gestekeld of sterk behaard; vrucht eirond met een puntje op den top, aan de basis omgeven door de zwartgestekelde kelk; steen zwart, van onderen spits, van boven afgerond met 3 kiemgaten onder den top, die symmetrisch geplaatst en alle even groot zijn, aan den rand omgeven door stervormige strepenAstrocaryum.7c.Stammen meest dun, klein, soms liggend, zelden rechtopstaand en groot; gestekeld of ongestekeld; bladeren zelden alleen aan den top ingesneden, meest gevind en dan de segmenten regelmatig langs de middenrib of in groepen; segmenten meest aan den top met penseelvormige haren en aan de randen gestekeld of behaard; bloeikolf onvertakt of eenmaal vertakt, de takken van onderen met groepen van 3 bloemen bezet, naar boven overgaand in groepen van 2 ♂ bloemen; ♂ bloemen met spitse bloembladeren; meeldraden op een vleezige schijf ingeplant; ♀ bloemen aan de basis met een ring- of bekervormige kelk, die half zoo lang is als de kroon; vrucht van buiten glad of ruw of gestekeld met een steen met 3 kiemgaten, waarvan er een open is, en anders gevormd dan de beide andere, die gesloten zijn; steen rond, ovaal of onregelmatigBactris.8a.Vrucht zeer groot, meer dan 15 cM. in doorsnede met vezelige buitenlaagCocos.8b.Vrucht hoogstens zoo groot als een kippenei99a.Stammen bijna geheel bezet met de resten van de bladsteelen der afgevallen bladeren; deze resten aan den rand korte doornige segmenten dragend; bloeikolf alleen ♂ of alleen ♀ bloemen dragendElaeis.9b.Stammen (het deel vlak onder den kroon uitgezonderd) niet met bladresten bezet1010a.Takken van de bloeikolf wollig behaard; stam lang, glad, betrekkelijk dikOreodoxa.Palmiet. Koningspalm.10b.Takken van de bloeikolf niet behaard1111a.Vrucht een 1-zadige, blauwe bes, zoo groot als of weinig grooter dan een erwt1211b.Vrucht een steenvrucht; steen met 3 kiemgaten in de onderste helft, onder vezels verborgen1311c.Vrucht een vrij groote oranje-roode bes met sterk-vezelige buitenlaag en 1 zaad, dat op doorsnede vele groeven heeft; stammen lang en dun, bladeren gelijkmatig gevind; kolf tweemaal vertakt; de ♀ bloemen naar één zijde gericht aan de basis der takken, die aan den top talrijke ♂ bloemen dragen; meeldraden 3–6; stempels 3, gescheidenAreca.12a.Stam lang, slank; bladsegmenten van de middenrib af naar beneden hangend; bloeikolf vrij ver van de bladerkroon verwijderd; kelkbladeren der ♂ bloemen breed, elkaar met de randen bedekkend; rest van den stempel zijdelings, ongeveer ter halver hoogte van de bes gezetenEuterpe.Pina. Palisade.12b.Stam vrij dik ten opzichte van de lengte; bladsegmenten niet naar beneden hangend; bloeikolf dicht onder de bladerkroon gezeten; bloemen in groepen van 3, met 2 ♂ en 1 ♀ bloem per groep, kelk aan de ♂ bloem 3-deelig of 3-spletig, randen der kelkbladeren tegen elkaar liggend; stempelrest aan den top van de bes of nauwelijks zijdelingsOenocarpus.Komboe. Patawa.13a.Sommige bloeikolven dragen alleen ♂ bloemen; andere hebben takken, die aan den top alleen ♂, naar de basis van den tak ♂ en ♀ bloemen gemengd en geheel van onderen alleen ♀ bloemen dragen; meeldraden langer dan de smalle bloemdekbladeren;vrucht langgerekt, aan den top sterk toegespitst, met een duidelijk kegelvormige punt; bloemdek na den bloei sterk vergroot en de vrucht bijna tot de halve hoogte omhullendMaximiliana.Maripa.13b.Alle takken van de bloeikolf dragen groote ♀ bloemen aan de basis en kleinere ♂ bloemen aan den top; bloemdek uit zeer breede, harde bladeren bestaande, waardoor de bloemknop scherp 3-hoekig is; vrucht eirond tot bolvormig, meest aan den top afgerond; bloemdek klein, blijvend, na den bloei alleen aan de basis van de vrucht zichtbaar en deze niet inhullendCocos.
Klasse:Monocotyledoneae.Orde:Helobiae.15.Alismataceae.Bloemen meest 2-slachtig, met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelk 3-bladig; kroon 3-bladig; meeldraden 6 tot vele, zelden maar 3; vruchtbeginsels 6 tot vele, met 1 tot vele zaadknoppen; water- of moerasplanten, kruiden met melksap.1a.Meeldraden talrijk, niet met elkaar vergroeid; bloemen bijna steeds éénslachtig en éénhuizig; bladeren lancet-lijnvormig, boven het water uitstekendSagittaria.1b.Meeldraden 12 of minder22a.Bladeren langwerpig-lancetvormig; aan den voet niet ingesneden, kortgesteeld. Bloemen in kransen rondom den langen bloeistengelEchinodorus.2b.Bladeren cirkelrond-eirond, langgesteeld aan den voet diep hartvormig ingesneden; in het water drijvend; bloeiwijze vrij kortLophotocarpus.16.Butomaceae.Bloemen tweeslachtig, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3; meeldraden 9 tot vele, in het laatste geval de buitenste zonder stuifmeel; vruchtbeginsels 6 tot vele, vaak aan de basis vereenigd, met vele zaadknoppen, kokervruchten; moeras- of drijvende waterplanten bijna steeds met melksap.Bladeren in het water ondergedoken of op het water drijvend, eirond; bloemen tot 8 c.M. groot, lichtgeel; meeldraden ± 20; vruchtbeginsels 6Hydrocleis.17.Hydrocharitaceae.Bloemen zelden tweeslachtig, meest mannelijk en vrouwelijk, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3, meeldraden 1 × tot 4 × 3, de binnenste en buitenste soms staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandigmet wandstandige zaadlijsten en vele zaadknoppen. Ondergedoken of boven het water uitstekende waterplanten met verspreide of soms in kransen staande bladeren. Bloemen in het begin in een scheede ingesloten.1a.Bladeren in kransen aan den langen ondergedoken stengel; bloemen klein, de ♂ zittend, later van den stengel loslatend en op het water drijvend met 3 meeldraden; ♀ bloemen langgesteeldElodea.1b.Bladeren langgesteeld, eirond, drijvend; bloemen 2–3 bij elkaar in een scheede; meeldraden 6–12Hydromystria.Orde:Glumiflorae.19.Gramina.Bloemen 2-slachtig, zelden mannelijk of vrouwelijk, zonder bloembekleedselen; meeldraden meest 3, zelden 1, 2, 6 of vele, vruchtbeginsel met één zaadknop; stempels 2 of 3, of 1; vrucht een caryopsis, zelden een noot of een bes; meest kruiden, zelden houtige planten met knoopen (halmen) en afwisselende smalle bladeren met een ligula. Bloemen alleenstaand of in groepen (aartjes of bloempakjes); elke bloem in den oksel van een dekblad (onderste kroonkafje), meest ook nog met een tegenover het dekblad staand bloemsteelblaadje (bovenste kroonkafje), soms nog met een daarboven staand derde kroonkafje of met meerdere kroonkafjes; de aartjes of de aparte bloemen meest aan de basis met 2 leege kafjes (kelkkafjes) in pluimen of aarvormige bloeiwijzen.N.B. In de meerderheid van de gevallen is het zeer moeilijk uit te maken wat kelkkafjes en wat kroonkafjes zijn, omdat het aantal kroonkafjes vaak wisselt. In al die gevallen wordt in de tabel gesproken over slechts één kroonkafje, waarmee bedoeld is het kafje dat direct onder de bloem is gezeten; alle andere, lager gezeten kafjes zijn dan kelkkafjes genoemd.1a.Bladeren langgesteeld met een opvallend breede bladschijf; bloeiwijze een pluim met lange takken; aartjes éénslachtig in paren gezeten; het eene aartje zittend met een ♀, het andere gesteeld met een ♂ bloemPharus.1b.Bladeren niet langgesteeld d. i. bladschijf onmiddellijk boven de bladscheede ingehecht of met een zeer kort steeltje ermee verbonden22a.Bloemen met meer dan 6, meest vele meeldraden, in onvertakte aren; aartjes groepsgewijs bijeenstaand, meest een aantal aartjes met ♂ bloemen staande om 1 of 2 met ♀ bloemen; bladeren breed, scheede aan den mond vaak met lange haren bezetPariana.Asmatoe pimpin.2b.Bloemen met 1–3 (of -6) meeldraden33a.Mannelijke aartjes in een groote pluim aan het eind van den stengel; ♀ aartjes dicht gedrongen in meerdere rijen tot een kolf vereenigd, zijdelings aan den stengel staande, omgeven door een scheede, waarbuiten de lange stijlen der ♀ bloemen in een bos uitstekenZea.3b.Bloemen tweeslachtig of indien ze éénslachtig zijn, dan òf in hetzelfde aartje òf in dezelfde bloeiwijze gemengd43c.Bloemen éénslachtig en tweehuizig; in elk aartje 2 tot 4 bloemen, die vrij ver van elkaar staan; het bovenste kelkkafje met een lange naald; asje behaard, evenals de kafjes der ♀ bloemen, tusschen de afzonderlijke bloemen met eene geleding; bloeiwijze een wijde pluim; vrucht door de kafjes ingesloten; groote hooge halmenGynerium.Pijlgras.4a.Bladeren met een duidelijke geleding tusschen bladschijf en bladscheede, op deze geleding breekt het blad af; halmen forsch, van onderen houtig, van duidelijke knoopen voorzien54b.Bladeren zonder geleding tusschen bladschijf en bladscheede65a.Bloemen met 6 meeldraden; aartjes met 2-vele bloemen langs de takken van de bloeiwijze in groepen zittend; asje onder de bloem geleed; bloemen 2-slachtig òf de bovenste ♂ en sommige van de onderste steriel; vruchtbeginsel aan den top behaardBambusa, (incl.Guadua).5b.Bloemen met 3 meeldraden; asje geleed tusschen de bloemen, na den bloei in stukken uiteenvallend; aartjes met 2–7 tweeslachtige bloemen, of de bovenste bloem éénslachtig; onderste 3–4 kafjes leeg, buitenste klein of naaldvormig; vruchtbeginsel kaalArthrostylidium.6a.♂ aartjes aan den top van een takje te voorschijnkomend uit een bolvormig vergroeid hard dekblad, dat het ♀ aartje geheel insluit; halm meermalen vertakt; vruchten groot, van buiten omsloten door het steenharde, licht-blauw-grijze dekbladCoix,Jobstranen.6b.♂ en ♀ bloemen regelmatig over de aartjes of de bloeiwijze verdeeld; ♀ aartjes in ieder geval niet door een bolvormig dekblad ingesloten, òf bloemen tweeslachtig76c.In ieder aartje maar één bloem, bloem nooit tweeslachtig; aartjes afzonderlijk gesteeld in een wijde pluim vereenigd, de ♂ in het onderste deel aan de pluim; de ♀ in het bovenste deel van de pluim; kelkkafjes met één naald, bladeren meest breedOlyra.7a.Twee of meer tweeslachtige bloemen in een aartje87b.Slechts één bloem in elk aartje of als er 2 zijn, dan alleen de bovenste 2-slachtig en vruchtdragend138a.Aartjes in twee, dicht naast elkaar staande rijen langs de as, en zoo een eenzijdige aar vormend98b.Aartje niet in twee rijen langs de as staande, doch in een verschillend gevormde pluim staand119a.Aren niet op hetzelfde punt van de halm bijeenstaand, doch langs de bovenzijde van de halm verdeeld; 6 bloemen per aartje, de kafjes meest kort genaald, soms ook bijna zonder naald; groote plantenLeptochloa.9b.Aren in een groep van 2 tot vele aan het eind van de halm bijeenstaand1010a.Aar met een bloem aan den top eindigend; kafjes samengedrukt, gekield, ongenaald; aren vrij smal; 4–8 bloemen per aartjeEleusine,Mangras.10b.Aar zonder bloem aan den top, doch de as met een puntje buiten het bloemdragende deel voortgezet; kafjes met duidelijke doch korte naalden; aren dik en kort; 3–5 bloemen per aartjeDactyloctenium.11a.Slechts 2 bloemen per aartje, soms maar één, meest tweeslachtig, een enkele maal ♀ of ♂; aartjes op lange steelen afzonderlijk staand, te zamen een zeer wijde pluim vormend; kafjes met een kiel, aan den punt gestekeld doch zonder naaldOrthoclada.11b.Talrijke bloemen in elk aartje, meest tweeslachtig, soms ook enkele ♂ of ♀1212a.Onderste kroonkafje met 1–3 nerven; aartje gesteeld of zittend, een pluim of een smalle aarvormige pluim vormend; alle kafjes vliezig en ongenaald, kroonkafjes na de bloei blijvendEragrostis.12b.Onderste kroonkafje met 5 tot vele nerven, de zijnerven boogvormig naar de middennerf toeloopend; aartjes meest in een losse pluim; kroonkafjes vaak stompPoa.13a.Meeldraden 6; aartjes éénbloemig, alleenstaand op steelen; bloeiwijze een pluim; kelkkafjes 4, de beide onderste klein, de 2 bovenste veel grooter, hard, zijdelings samengedrukt met een scherpe kiel, ongenaald; kroonkafje ontbrekendOryza,Rijst,aleesi.13b.Meeldraden 1–3 per bloem1414a.Aartjes paarsgewijs aan de as van de aar bevestigd, meest ongelijk van vorm, de een gesteeld, de andere zittend1514b.Aartjes niet twee aan twee aan de as van de aar zittend, wel soms in 2 rijen, maar dan de beide steeltjes niet op één punt vastzittend; indien de aartjes soms twee aan twee staan (bij sommige Paspalum-soorten) dan zijn de steeltjes even lang en de aartjes gelijk van vorm2015a.As van de aar plat met groote holten die aan de buitenzijde afgesloten worden door het onderste kafje van een aartje; in de aldus gevormde holte zit de bloem; het zittende aartje van elk paar is tweeslachtig, het gesteelde ♀; bloeiwijze een enkelvoudige aar, die uit de oksels van de bladeren te voorschijn komtManisuris.15b.As van de aar zonder holten1616a.Beide aartjes van elk paar met een tweeslachtige bloem of de een met een tweeslachtige, de andere met een ♀ bloem, in ieder geval beide vruchtdragend1716b.Van elk paar aartjes heeft de een een tweeslachtige bloem, de andere alleen een ♂ bloem of bloemen1817a.Aren 2 tot vele bij elkaar, aan het eind van den halm zittend; in het zittende aartje van elk paar vindt men onder de tweeslachtige bloem ook nog een ♂ bloem; een van de kafjes langgenaaldIschaemum.17b.Aren niet bij elkaar aan de halm staand, doch een vertakte pluim vormend, alle aartjes eenbloemig, het zittende tweeslachtig, het gesteelde eraan gelijk of alleen ♀; kafjes spits doch ongenaaldSaccharum.18a.Het zittende aartje met twee bloemen, een bovenste tweeslachtige en een onderste ♂ bloem; het bovenste kafje genaald; het gesteelde aartje van het paar met 1 of 2 ♂ bloemenIschaemum.18b.Tenminste het aartje met de tweeslachtige of ♀ bloem éénbloemig1919a.Het aartje met de ♂ bloem zittend of kortgesteeld, dat met de tweeslachtige bloem langgesteeld; het bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem voorzien van een lange behaarde naald; aren groepsgewijs aan het eind van den halm staandeTrachypogon.19b.Het aartje met de ♂ bloemen gesteeld, dat met de tweeslachtige of ♀ bloem zittend; bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem genaald of ongenaald; aren alleenstaand of aan den top van den helm in een groep bij elkaar of tot samengestelde pluimen vereenigdAndropogon,Vétivert.20a.Aartjes steeds eenbloemig, de beide onderste kelkkafjes met lange,witte, zijdeachtige haren bezet; de beide bovenste kelkkafjes kaal; bloem tweeslachtig met één meeldraad; bloeiwijze een pluim met opgerichte takken, zoodat het geheel op een aar gelijktImperata.20b.Aartjes één- of 2-bloemig; meeldraden bijna steeds 3 (soms 2) per bloem2121a.Aartjes aan den voet met een massa borstelige haren of stekels; geheele bloeiwijze aarvormig2221b.Aartjes zonder borstelige haren of stekels aan den voet, of indien er haren aanwezig zijn, dan zijn de kelkkafjes zelf met dunne haren bezet2322a.Aartjes omgeven door een omhulsel dat met borstelige haren of stekels bezet is, en dat met het geheele aartje en de vrucht afvalt; aar vrij ijl, bezet met groepsgewijs- of alleenstaande aartjes; elk aartje met een tweeslachtige bloem of met een tweeslachtige en daaronder een ♂ bloemCenchrus.22b.Borstelvormige haren of stekels niet tot een omhulsel vergroeid; daardoor ook aan de as zitten blijvend, als de vrucht met het aartje afvalt; aartjes zeer dicht opeengedrongen aan de as staand; bloemen als de vorigeSetaria.23a.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje schijnbaar eindelings zittend, dus het asje afsluitend2423b.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje zijdelings zittend, zoodat het asje zich nog verder boven de bloem voortzet3124a.Hoofdas van de halm afgeplat, voorzien van zeer korte zijassen, die ieder zijdelings 1–5 aartjes dragen; deze zijn dicht tegen de hoofdas aangedrukt, zoodat het geheel den indruk maakt van een enkelvoudige aar; planten min of meer kruipendStenotaphrum.24b.Bloeiwijze bestaande uit een of meer lange aren, waarvan de assen bezet zijn met zittende of gesteelde aartjes, of bloeiwijze een wijde pluim2525a.Elk aartje met 3 (of 2) kelkkafjes en één kroonkafje; slechts één bloem per aartje2625b.Elk aartje met 4 kelkkafjes en één kroonkafje, het derde kelkkafje soms met een ♂ bloem in den oksel, het vierde steeds met een tweeslachtige bloem3026a.Kelkkafjes smal, de beide onderste met een kiel, het bovenste met een lange 3-deelige naald; 2 lodiculae aanwezig; asje van het aartje geleed boven de beide onderste kelkkafjes, zoodat deze na het uitvallen der bloem blijven zitten. Bloemen in pluimen of schijnarenAristida.26b.Kafjes ongenaald of (bij Eriochloa) zeer kort genaald; geleding van het asje, indien aanwezig, onder de kafjes2727a.Direct onder het onderste kafje van het aartje, boven de geleding, zit een meest gekleurde verdikking van het asje; aartjes regelmatig langs de as staande in aren, en deze weer tot een pluim vereenigd; onderste kelkkafjes spits, behaard, het derde hard, met een korte naald, die niet buiten het aartje uitsteekt. Kroonkafje zonder naald, doch overigens gelijkend op het bovenste kelkkafjeEriochloa.27b.Asje onder het aartje zonder woekering, hoogstens met een geleding2828a.Aartjes duidelijk in twee rijen langs de as van de aar gezeten en tegen de as aangedrukt; kelkkafjes 2 of 3, het onderste of de beide onderste klein en dun, het bovenste eirond en hard; aren soms alleenstaand aan het eind van den halm, of in groepen, soms ook een pluim vormendPaspalum.28b.Aartjes eenbloemig, tot éénzijdige aren vereenigd, aan de as zittend of bijna zittend in twee rijen, dicht over elkaar liggend; de aren op hun beurt weer aarvormig langs het boveneind van den halm zittend opgericht en tegen den halm aangedrukt; de beide onderste kelkkafjes smal en gekield, het bovenste vliezigSpartina.28c.Aartjes niet in twee rijen langs de as staande doch een onregelmatig vertakte, soms min of meer aarvormige pluim vormend2929a.Pluim vrij wijd lang behaard; de 3 kelkkafjes vliezig; kroonkafjetijdensden bloei dunvliezig, later verhardend en de vrucht omsluitend; aartje duidelijk geleed met de asLeptocoryphium.29b.Pluim smal met opgerichte takken, onbehaard of kort-behaard; aartje niet duidelijk geleed met de as; vrucht geheel vrij van de kafjesSporobolus.30a.Bovenste kelkkafje aan den voet met een aanhangsel; aartjes kortgesteeld aan de takken van een pluimIchnanthus.30b.Bovenste kelkkafje zonder aanhangsel aan den voet; onderste kelkkafje zeer klein, 2deen 3degrooter, stomp of genaald, het derde soms met een ♂ bloem, het 4dekelkkafje steeds ongenaald en hard, het kroonkafje insluitend; bloeiwijzen zeer verschillend; aartjes soms gesteeld in wijde pluimen, soms in aren en deze te samen een pluim vormend, soms ook minder samengesteldPanicumPaardengras.31a.Aartjes vereenigd tot eenzijdige aren, deze aren staan langs het bovendeel van den halm verspreid en vormen een pluim; de beide onderste kelkkafjes spits of kortgenaald; het 3demet een lange rechte naald; asje van het aartje boven de bloem voortgezet en daar een langgenaald kafje of alleen een naald dragendGymnopogon.31b.Aartjes als bij de vorige tot eenzijdige aren vereenigd, doch deze handvormig bij elkaar aan het eind van den stengel staand3232a.De 3 kelkkafjes en het kroonkafje ongeveer even lang, ongenaald; de bovenste met 1 of 2 behaarde kielen, as van het aartje boven de bloem voortgezet als een puntje zonder verdere schubben of kafjesCynodon.32b.De 2 onderste kelkkafjes ongelijk van grootte, smal en plat, gekield, ongenaald; het 3delangbehaard, genaald (of soms ongenaald); kroonkafje groot met 2 kielenChloris.20.Cyperaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, naakt, of zelden met een enkelvoudig bloemdek; meeldraden meest 3–1, zelden meer; vruchtbeginsel eenhokkig met 1 zaadknop en met 3 of 2 stijlen met draadvormige stempels; zaad niet met de vruchtwand vergroeid; kruiden met meest scherp driekantige, zelden gelede en van knoopen voorziene stengels en smalle bladeren met gesloten scheeden; bloemen in aartjes-achtige trosjes, die tot aar- of pluimvormige bloeiwijzen vereenigd zijn.1a.De bloemen, die een vruchtbeginsel hebben, hebben steeds óók meeldraden; daarnaast komen ook alléén ♂ bloemen voor. (Zie ook 18a en 24 van deze lijst)21b.Alle bloemen éénslachtig182a.Hoogstens 2 (soms ook maar 1 of geen enkel) van de onderste kafjes der aartjes zonder bloemen32b.Drie tot meer van de onderste kafjes zonder bloemen143a.Kafjes in 2 rijen43b.Kafjes in 3 tot meer rijen94a.Stijl met 2 takken54b.Stijl met 3 takken75a.Nootje aan rug- en buikzijde afgeplat, zoodat de grootste breedte naar de as van het aartje toegekeerd is. Aartjes 5–6-bloemig, as van het aartje na den bloei blijvend. Onderste 2 kafjes zonder bloemen, blijvend, de volgende in 2 rijen. Meeldraden 1–3. Naakte halm met één hoofdje van aartjes aan het eindJuncellus(Cyperus).5b.Nootje zijdelings samengedrukt, zoodat de smalste kant naar de as toegekeerd is66a.As van het aartje boven de twee onderste leege kafjes afvallend, vóór het afvallen is op die plaats een geleding in de as te zien. Aartjes met 4–5 kafjes. Meestal draagt alleen het derde een bloem en zijn de twee kafjes aan den top ook leeg, evenals de beide onderste. Aartjes in één of meer zittende hoofdjes aan den top van den kalen stengel; onder de hoofdjes 2–4 bladerenKyllingia.6b.Deel van de as boven de beide onderste leege kafjes niet afvallend. Aartjes met 5–6-∞ kafjes, waarvan er minstens 4 bloemen dragen en er slechts weinigen aan den top leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Aartjes aan den top van de assen, welke te samen weer schermvormig aan het einde van den bloeistengel staan. Direct onder het scherm eenige bladeren in een krans; halm overigens naaktPycreus(Cyperus).7a.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes niet afvallend. Aartjes 5–6-∞ bloemig, waarvan er minstens 4 bloemen dragen, terwijl enkele van de bovenste leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Noot 3-hoekig, soms van voren een weinig samengedrukt. Halm naakt; aartjes tros- of handvormig samengesteld en deze trossen in een scherm aan het eind van den stengel staande of soms tot een hoofdje bijeenkomendCyperus.7b.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes na den bloei afvallend88a.As van het aartje in zijn geheel afvallend, 1-weinig-veelbloemig. Vruchtdragende kafjes blijvend. Bladeren lang, smal en groen; overigens als CyperusMariscus.8b.As van het aartje in stukken uiteenvallend, elk stuk met één vruchtdragend kafje. Aartje met 4–16 vruchtdragende kafjes, cylindrisch, zeer lang en dun, samengesteld tot trossen, en deze weer één of meervoudig in schermen bijeenkomend. Halm, behalve onder de bloeiwijze, naaktTorulinium(Cyperus).9a.Stijlen aan de basis opgezwollen, scherp gescheiden van den top van den noot109b.Stijlen aan de basis niet opgezwollen, geleidelijk overgaand in den top van den noot1210a.Rondom het vruchtbeginsel staan 3–8 haren, die vaak met weerhaakjes bezet zijn. Kafjes zeer talrijk, meest stomp. Meeldraden3–1; stijl met 2 of 3 takken, kaal. Halm geheel (ook aan den voet) zonder bladeren, met één hoofdje aan den topHeleocharis.10b.Geen stekels om het vruchtbeginsel; plant meest met bladeren1111a.Stijl blijvend aan den noot, òf zoo de stijl afvalt, dan valt ook de verdikte stijlbasis af. Kafjes talrijk, dakpansgewijs over elkaar liggend, velen ervan vruchtdragend. Meeldraden 3–1; stijl met 3 of 2 takken. Nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in losse 1 of meermaal samengestelde schermen aan het eind van den stengelFimbristylis.11b.Stijl afvallend, doch de verdikte en anders gekleurde stijlbasis aan den noot blijvend. Vruchtdragende kafjes meest een weinig behaard; takken van den stijl steeds 3, meeldraden 3–1, nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in groepen bijeen, soms tot schermen vereenigd, soms 1 hoofdje aan het eind van den stengel vormend. Bladeren zeer smal, soms naaldvormigBulbostylis.12a.Zoowel de plant als de aartjes kaal of bijna kaal1312b.Plant min of meer, doch vooral de aartjes duidelijk behaard. Onder het vruchtbeginsel 3 eironde schubjes. Kafjes behaard, aan den top gestekeld; aartjes vrij groot, tot 1 c.M. lang, langs het bovenste deel van den halm een lange samengestelde bloeiwijze vormend. Halm bebladerdFuirena.13a.Onder het vruchtbeginsel 2 hyaline schubjes, de een naar de as toegekeerd, de andere ervan af gekeerd, grooter dan de noot. Stijl vrij klein met 2 of 3 takken. Halmen alleen aan de basis en onder de bloeiwijzen bladeren dragend. Aartjes tot één hoofdje samenkomend aan het eind van den stengelLipocarpha.13b.Onder het vruchtbeginsel nooit 2 schubben, (in één enkel geval één zijdelingsche schub), doch 0-vele haren. Aartjes met vele vruchtjes. De onderste 0–2 kafjes leeg, kaal behalve aan de randen. Stijl met 2–3 takken. Halmen naaktScirpus.14a.Stijl met twee takken1514b.Stijl met drie takken1715a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig zijn, onvertakt, draadvormig1615b.Haren onder het vruchtbeginsel 6–3 in getal; over de geheele lengte met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar liggend, de 3–4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de bovenste òf alleen met ♂ of met steriele bloemen. Stijl lang, met 2 lange takken; stijlbasis kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd, bloeiwijze klein, trosvormig, in den oksel van de bladeren staandPleurostachys.16a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste kafjes leeg; slechts 1–3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met ♂ of met steriele bloemen; 3–2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne takken die langer zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle bladeren en maar één meest wit of bruinachtig hoofdje van weinig aartjes aan het eind van den naakten halm, die alleen direct onder de bloeiwijze eenige bladeren draagtDichromena.16b.Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig, soms aanwezig. Drie tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot vele vruchtdragend, de bovenste met ♂ bloemen of leeg. Meeldraden3–2; stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen òf meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en samengesteld uit zeer veel aartjesRhynchospora.17a.Groote planten. Aartjes met 2–4 leege kafjes van onderen, daarboven 1–4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met 3 lange takken. Bloeiwijze sterk vertakt, verlengdCladium.17b.Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en alleen het 4debovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht dragend. Stijl geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes in korte trosjes staand; eenige van die trosjes zittend aan het eind van den halmRemiria.18a.Alle bloemen eenslachtig; de ♀ bloem in het aartje eindstandig, naakt; daaromheen 2–10 ♂ bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat men het aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2–10 meeldraden2418b.Alle bloemen éénslachtig, de ♀ bloem meest niet naakt, maar van een kafje voorzien; de ♂ duidelijke aartjes vormend1919a.Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen ♂, van boven alleen ♀ aartjes dragend2019b.Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot dichte hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de ♀ en de ♂ bloemen onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje2120a.Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1–2 M. lang, driehoekig, glad. ♀ bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje zonder ♂ bloemen erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele ♂ bloemen bijeen in aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig,niet voorzien van 3–5 groevenLagenocarpus.20b.Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige, maar vruchten 3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribbenCryptangium.21a.Aartjes met weinig bloemen, soms ♂ en ♀ bloemen in één aartje, en dan de ♀ bloem het onderst en de hoogere ♂ òf sommige aartjes ♂, andere ♀ en dan de ♀ bloem alleenstaand met eenige rudimentaire bloemen erboven, en de ♂ bloemen in veelbloemige aartjes. Kafje van de ♀ bloem open, niet om het vruchtbeginsel tot een urntje vergroeid. Nootje hard, beenachtig, meest wit, soms grijs of purper, met een donkerder top. Bloeiwijzen meest in sterk vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen bloeiwijze maar dan de halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak scherp driehoekigScleria.Baboen-nefi.21b.In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes2222a.Kafje rondom de ♀ bloem met de randen tot een urntje met een lange hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals uit. Aartjes steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt alleen de ♀ bloem, de beide zijdelingsche dragen 2–3 ♂ bloemen met ieder 1 meeldraad. Planten met lange smalle bladeren met enkele krachtige evenwijdige nerven; bladeren met breede scheeden, die elkaar van onderen dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met enkele schubben, verder naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in een groep van weinige gestekelde bolvormige hoofdjesBisboeckeleria(Hoppia).22b.Kafje rondom de vrouwelijke bloem niet urnvormig vergroeid2323a.♀ aartje met 3 kafjes en één eindstandig vruchtbeginsel met een lange stijl met 3 takken. Daarnaast ♂ aartjes met 2 ♂ bloemen ieder met 3 meeldraden. Aartjes vereenigd tot groote gesteelde, bolvormige hoofdjes, die hetzij alleen, hetzij in paren of 3–4, in den oksel van de stengelbladeren staan. Bladeren lang, smalDiplacrum.23b.Aartjes met 1 eindelingsche ♀ bloem met 2 kafjes en daaronder 2–4 mannelijke bloemen. Vruchtbeginsel met een korte stijl met 2 takken; ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. Aartjes in zeer kleine gesteelde of ongesteelde hoofdjes, waarvan er talrijke een samengestelde bloeiwijze in den oksel van de bladeren vormen.Calyptrocarya.24a.Eén of meerdere dichtgedrongen zittende hoofdjes aan het eind van den stengel, direct daaronder 3 groote breede bladeren. ♀ bloem met een lange stijl met 3 takken, ♂ bloemen 3, ieder met 1 meeldraad, schijnbaar een tweeslachtige bloem vormend met het vruchtbeginselMapania.24b.Meerdere hoofdjes aan het eind van den stengel en niet met breede bladeren daaronder, of een vertakte bloeiwijze. Stijltakken 22525a.Aartjes bestaande uit 3 bloemen, waarvan de middelste alleen uit een vruchtbeginsel bestaat, daaromheen 2–4 ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. De aartjes vormen samen aren, die niet meer dan 5 m.M. lang zijn, deze komen in eenige zittende hoofdjes aan het eind van den stengel samen, of vormen een sterker vertakte bloeiwijzeHypolytrum.25b.Aartjes bestaande uit 6–9 éénslachtige bloemen, waarvan de middelste (eigenlijk bovenste) uit een vruchtbeginsel bestaat, de andere 5–8 mannelijk zijn en ieder één meeldraad hebben. De aartjes vereenigen zich tot 3 c.M. lange cylindrische aren, die langgesteeld zijn en te samen een min of meer schermvormige bloeiwijze vormen. Groote krachtige plant met vrij breede scherpe bladerenDiplasia.Orde:Principes.21.Palmae.Bloemen meest door reductie van meeldraden of stamper éénslachtig; bloemdek ongekleurd, of weinig gekleurd, zelden ontbrekend; de buitenste bloemdekbladeren vaak kleiner dan de binnenste; meeldraden 6, zelden 3, vaker 9 tot vele, vrij of vergroeid met elkaar. Vruchtbeginsels 3 of 1, in het laatste geval 3- of 1-hokkig, soms met maar 1 zaadknop; vrucht een bes of een steenvrucht; meest boomvormige, onvertakte planten, soms klimmend met zeer gestrekte internodiën; bloeiwijzen okselstandig, door scheeden omhuld, bladeren handvormig of vinvormig gedeeld of ingesneden.N. B. Het determineeren der palmen levert verschillende moeielijkheden op, die ten deele hun oorzaak hierin vinden, dat maar zelden volledige exemplaren (d. i. met mannelijke en vrouwelijke bloemen, spatha en vruchten) gevonden worden, ten deele ook hierin, dat men de soorten, en vooral die van Suriname nog slechts ten deele kent. Zelfs is het waarschijnlijk dat er in Suriname nog geslachten van Palmen gevonden zullen worden, wier voorkomen er tot nu toe niet aangetoond was. Dit alles maakt, dat men onderstaande tabel met eenige voorzichtigheid moet gebruiken.1a.Bladeren waaiervormig ingesneden en handnervig; bloeikolf eenmaal vertakt; bloemen tweehuizig; ♂ bloemen in lange dichte aren; ♀ bloemen aan veel kortere zijtakken van den kolf; bes aan den top ingedruktMauritia.Maurisie.1b.Bladeren vinnervig en vindeelig of gevind22a.Stammen dun, klimmend; middenrib van het blad eindigend in een lange, dunne, met teruggebogen paarsgewijs staande stekels bedekte draadDesmoncus.Bamba maka;Bamboesi maka.2b.Stammen niet klimmend; middenrib van het blad niet verlengd33a.Stam lang, niet gestekeld, aan den voet met gestekelde luchtwortels, bladeren gevind; segmenten naar den voet versmald, naar den top verbreed en afgeknotIreartea.Injie-pina.3b.Geen gestekelde luchtwortels aan den voet van de stam44a.Bladeren enkelvoudig, alleen aan den top ingesneden of met zeer weinig segmenten, die met een breede voet aan de middenrib vastzitten (Zie ook Bactris)54b.Bladeren gevind met talrijke smalle segmenten65a.Stam laag, ongestekeld of ontbrekend, bladeren zeer groot, enkelvoudig, aan den top ingesneden, vaak ingescheurd; bloeikolf éénmaal vertakt; ♂ bloemen met 20–30 meeldraden; vruchten meest 3-lobbig met stompe, scherpkantige korte stekels bedektManicaria.Troelie.5b.Stam slank en dun, glad, bladeren kleiner dan de vorige,vaak gevind, doch dan met weinig segmenten; bloeikolf enkelvoudig of één tot meermalen vertakt; ♂ bloemen met 6 meeldraden; vrucht een gladde eenzadige besGeonoma.Tastikie.6a.Stammen en bladeren met meest zwarte stekels bezet76b.Stammen en bladeren zonder zwarte stekels (Zie ook Bactris)87a.Stam hoog, bezet met de resten van de bladsteelen en met zwarte stekels; bladeren met vele segmenten, die in groepen aan 2 of 3 bij elkaar staan; bladsteel en middenrib van boven met zwarte stekels bezet; segmenten van onderen behaard; bloeikolf tusschen de bladeren staand, éénmaal vertakt; hoofdsteel van de kolf in een lange bloemdragende staart uitloopend; aan de basis met weinige alleenstaande ♀ bloemen, aan den top dicht bezet met talrijke dichtopeengedrongen ♂ bloemen met 6 meeldraden; bloeischeede groot, sterk gestekeld; vrucht ongeveer 4 c.M. in doorsnede bolvormig, kaal, aan den basis met stervormige kelk; steenkern met 2 zadenAcrocomia.7b.Stammen vrij hoog of ontbrekend; bladeren met vele segmenten; deze, maar ook de bladsteel en de middenrib van onderen met vele zwarte stekels; segmenten aan de onderzijde met witte was bedekt; hoofdsteel van de éénmaal vertakte bloeikolf meest gestekeld; ♂ bloemen talrijk met 6 meeldraden, alleenstaand aan het einde der takken; ♀ bloemen met gestekelde kelk; weinige aan de basis der takken van de kolf staand; bloeischeede één, van buiten meest gestekeld of sterk behaard; vrucht eirond met een puntje op den top, aan de basis omgeven door de zwartgestekelde kelk; steen zwart, van onderen spits, van boven afgerond met 3 kiemgaten onder den top, die symmetrisch geplaatst en alle even groot zijn, aan den rand omgeven door stervormige strepenAstrocaryum.7c.Stammen meest dun, klein, soms liggend, zelden rechtopstaand en groot; gestekeld of ongestekeld; bladeren zelden alleen aan den top ingesneden, meest gevind en dan de segmenten regelmatig langs de middenrib of in groepen; segmenten meest aan den top met penseelvormige haren en aan de randen gestekeld of behaard; bloeikolf onvertakt of eenmaal vertakt, de takken van onderen met groepen van 3 bloemen bezet, naar boven overgaand in groepen van 2 ♂ bloemen; ♂ bloemen met spitse bloembladeren; meeldraden op een vleezige schijf ingeplant; ♀ bloemen aan de basis met een ring- of bekervormige kelk, die half zoo lang is als de kroon; vrucht van buiten glad of ruw of gestekeld met een steen met 3 kiemgaten, waarvan er een open is, en anders gevormd dan de beide andere, die gesloten zijn; steen rond, ovaal of onregelmatigBactris.8a.Vrucht zeer groot, meer dan 15 cM. in doorsnede met vezelige buitenlaagCocos.8b.Vrucht hoogstens zoo groot als een kippenei99a.Stammen bijna geheel bezet met de resten van de bladsteelen der afgevallen bladeren; deze resten aan den rand korte doornige segmenten dragend; bloeikolf alleen ♂ of alleen ♀ bloemen dragendElaeis.9b.Stammen (het deel vlak onder den kroon uitgezonderd) niet met bladresten bezet1010a.Takken van de bloeikolf wollig behaard; stam lang, glad, betrekkelijk dikOreodoxa.Palmiet. Koningspalm.10b.Takken van de bloeikolf niet behaard1111a.Vrucht een 1-zadige, blauwe bes, zoo groot als of weinig grooter dan een erwt1211b.Vrucht een steenvrucht; steen met 3 kiemgaten in de onderste helft, onder vezels verborgen1311c.Vrucht een vrij groote oranje-roode bes met sterk-vezelige buitenlaag en 1 zaad, dat op doorsnede vele groeven heeft; stammen lang en dun, bladeren gelijkmatig gevind; kolf tweemaal vertakt; de ♀ bloemen naar één zijde gericht aan de basis der takken, die aan den top talrijke ♂ bloemen dragen; meeldraden 3–6; stempels 3, gescheidenAreca.12a.Stam lang, slank; bladsegmenten van de middenrib af naar beneden hangend; bloeikolf vrij ver van de bladerkroon verwijderd; kelkbladeren der ♂ bloemen breed, elkaar met de randen bedekkend; rest van den stempel zijdelings, ongeveer ter halver hoogte van de bes gezetenEuterpe.Pina. Palisade.12b.Stam vrij dik ten opzichte van de lengte; bladsegmenten niet naar beneden hangend; bloeikolf dicht onder de bladerkroon gezeten; bloemen in groepen van 3, met 2 ♂ en 1 ♀ bloem per groep, kelk aan de ♂ bloem 3-deelig of 3-spletig, randen der kelkbladeren tegen elkaar liggend; stempelrest aan den top van de bes of nauwelijks zijdelingsOenocarpus.Komboe. Patawa.13a.Sommige bloeikolven dragen alleen ♂ bloemen; andere hebben takken, die aan den top alleen ♂, naar de basis van den tak ♂ en ♀ bloemen gemengd en geheel van onderen alleen ♀ bloemen dragen; meeldraden langer dan de smalle bloemdekbladeren;vrucht langgerekt, aan den top sterk toegespitst, met een duidelijk kegelvormige punt; bloemdek na den bloei sterk vergroot en de vrucht bijna tot de halve hoogte omhullendMaximiliana.Maripa.13b.Alle takken van de bloeikolf dragen groote ♀ bloemen aan de basis en kleinere ♂ bloemen aan den top; bloemdek uit zeer breede, harde bladeren bestaande, waardoor de bloemknop scherp 3-hoekig is; vrucht eirond tot bolvormig, meest aan den top afgerond; bloemdek klein, blijvend, na den bloei alleen aan de basis van de vrucht zichtbaar en deze niet inhullendCocos.
Klasse:Monocotyledoneae.Orde:Helobiae.15.Alismataceae.Bloemen meest 2-slachtig, met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelk 3-bladig; kroon 3-bladig; meeldraden 6 tot vele, zelden maar 3; vruchtbeginsels 6 tot vele, met 1 tot vele zaadknoppen; water- of moerasplanten, kruiden met melksap.1a.Meeldraden talrijk, niet met elkaar vergroeid; bloemen bijna steeds éénslachtig en éénhuizig; bladeren lancet-lijnvormig, boven het water uitstekendSagittaria.1b.Meeldraden 12 of minder22a.Bladeren langwerpig-lancetvormig; aan den voet niet ingesneden, kortgesteeld. Bloemen in kransen rondom den langen bloeistengelEchinodorus.2b.Bladeren cirkelrond-eirond, langgesteeld aan den voet diep hartvormig ingesneden; in het water drijvend; bloeiwijze vrij kortLophotocarpus.16.Butomaceae.Bloemen tweeslachtig, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3; meeldraden 9 tot vele, in het laatste geval de buitenste zonder stuifmeel; vruchtbeginsels 6 tot vele, vaak aan de basis vereenigd, met vele zaadknoppen, kokervruchten; moeras- of drijvende waterplanten bijna steeds met melksap.Bladeren in het water ondergedoken of op het water drijvend, eirond; bloemen tot 8 c.M. groot, lichtgeel; meeldraden ± 20; vruchtbeginsels 6Hydrocleis.17.Hydrocharitaceae.Bloemen zelden tweeslachtig, meest mannelijk en vrouwelijk, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3, meeldraden 1 × tot 4 × 3, de binnenste en buitenste soms staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandigmet wandstandige zaadlijsten en vele zaadknoppen. Ondergedoken of boven het water uitstekende waterplanten met verspreide of soms in kransen staande bladeren. Bloemen in het begin in een scheede ingesloten.1a.Bladeren in kransen aan den langen ondergedoken stengel; bloemen klein, de ♂ zittend, later van den stengel loslatend en op het water drijvend met 3 meeldraden; ♀ bloemen langgesteeldElodea.1b.Bladeren langgesteeld, eirond, drijvend; bloemen 2–3 bij elkaar in een scheede; meeldraden 6–12Hydromystria.Orde:Glumiflorae.19.Gramina.Bloemen 2-slachtig, zelden mannelijk of vrouwelijk, zonder bloembekleedselen; meeldraden meest 3, zelden 1, 2, 6 of vele, vruchtbeginsel met één zaadknop; stempels 2 of 3, of 1; vrucht een caryopsis, zelden een noot of een bes; meest kruiden, zelden houtige planten met knoopen (halmen) en afwisselende smalle bladeren met een ligula. Bloemen alleenstaand of in groepen (aartjes of bloempakjes); elke bloem in den oksel van een dekblad (onderste kroonkafje), meest ook nog met een tegenover het dekblad staand bloemsteelblaadje (bovenste kroonkafje), soms nog met een daarboven staand derde kroonkafje of met meerdere kroonkafjes; de aartjes of de aparte bloemen meest aan de basis met 2 leege kafjes (kelkkafjes) in pluimen of aarvormige bloeiwijzen.N.B. In de meerderheid van de gevallen is het zeer moeilijk uit te maken wat kelkkafjes en wat kroonkafjes zijn, omdat het aantal kroonkafjes vaak wisselt. In al die gevallen wordt in de tabel gesproken over slechts één kroonkafje, waarmee bedoeld is het kafje dat direct onder de bloem is gezeten; alle andere, lager gezeten kafjes zijn dan kelkkafjes genoemd.1a.Bladeren langgesteeld met een opvallend breede bladschijf; bloeiwijze een pluim met lange takken; aartjes éénslachtig in paren gezeten; het eene aartje zittend met een ♀, het andere gesteeld met een ♂ bloemPharus.1b.Bladeren niet langgesteeld d. i. bladschijf onmiddellijk boven de bladscheede ingehecht of met een zeer kort steeltje ermee verbonden22a.Bloemen met meer dan 6, meest vele meeldraden, in onvertakte aren; aartjes groepsgewijs bijeenstaand, meest een aantal aartjes met ♂ bloemen staande om 1 of 2 met ♀ bloemen; bladeren breed, scheede aan den mond vaak met lange haren bezetPariana.Asmatoe pimpin.2b.Bloemen met 1–3 (of -6) meeldraden33a.Mannelijke aartjes in een groote pluim aan het eind van den stengel; ♀ aartjes dicht gedrongen in meerdere rijen tot een kolf vereenigd, zijdelings aan den stengel staande, omgeven door een scheede, waarbuiten de lange stijlen der ♀ bloemen in een bos uitstekenZea.3b.Bloemen tweeslachtig of indien ze éénslachtig zijn, dan òf in hetzelfde aartje òf in dezelfde bloeiwijze gemengd43c.Bloemen éénslachtig en tweehuizig; in elk aartje 2 tot 4 bloemen, die vrij ver van elkaar staan; het bovenste kelkkafje met een lange naald; asje behaard, evenals de kafjes der ♀ bloemen, tusschen de afzonderlijke bloemen met eene geleding; bloeiwijze een wijde pluim; vrucht door de kafjes ingesloten; groote hooge halmenGynerium.Pijlgras.4a.Bladeren met een duidelijke geleding tusschen bladschijf en bladscheede, op deze geleding breekt het blad af; halmen forsch, van onderen houtig, van duidelijke knoopen voorzien54b.Bladeren zonder geleding tusschen bladschijf en bladscheede65a.Bloemen met 6 meeldraden; aartjes met 2-vele bloemen langs de takken van de bloeiwijze in groepen zittend; asje onder de bloem geleed; bloemen 2-slachtig òf de bovenste ♂ en sommige van de onderste steriel; vruchtbeginsel aan den top behaardBambusa, (incl.Guadua).5b.Bloemen met 3 meeldraden; asje geleed tusschen de bloemen, na den bloei in stukken uiteenvallend; aartjes met 2–7 tweeslachtige bloemen, of de bovenste bloem éénslachtig; onderste 3–4 kafjes leeg, buitenste klein of naaldvormig; vruchtbeginsel kaalArthrostylidium.6a.♂ aartjes aan den top van een takje te voorschijnkomend uit een bolvormig vergroeid hard dekblad, dat het ♀ aartje geheel insluit; halm meermalen vertakt; vruchten groot, van buiten omsloten door het steenharde, licht-blauw-grijze dekbladCoix,Jobstranen.6b.♂ en ♀ bloemen regelmatig over de aartjes of de bloeiwijze verdeeld; ♀ aartjes in ieder geval niet door een bolvormig dekblad ingesloten, òf bloemen tweeslachtig76c.In ieder aartje maar één bloem, bloem nooit tweeslachtig; aartjes afzonderlijk gesteeld in een wijde pluim vereenigd, de ♂ in het onderste deel aan de pluim; de ♀ in het bovenste deel van de pluim; kelkkafjes met één naald, bladeren meest breedOlyra.7a.Twee of meer tweeslachtige bloemen in een aartje87b.Slechts één bloem in elk aartje of als er 2 zijn, dan alleen de bovenste 2-slachtig en vruchtdragend138a.Aartjes in twee, dicht naast elkaar staande rijen langs de as, en zoo een eenzijdige aar vormend98b.Aartje niet in twee rijen langs de as staande, doch in een verschillend gevormde pluim staand119a.Aren niet op hetzelfde punt van de halm bijeenstaand, doch langs de bovenzijde van de halm verdeeld; 6 bloemen per aartje, de kafjes meest kort genaald, soms ook bijna zonder naald; groote plantenLeptochloa.9b.Aren in een groep van 2 tot vele aan het eind van de halm bijeenstaand1010a.Aar met een bloem aan den top eindigend; kafjes samengedrukt, gekield, ongenaald; aren vrij smal; 4–8 bloemen per aartjeEleusine,Mangras.10b.Aar zonder bloem aan den top, doch de as met een puntje buiten het bloemdragende deel voortgezet; kafjes met duidelijke doch korte naalden; aren dik en kort; 3–5 bloemen per aartjeDactyloctenium.11a.Slechts 2 bloemen per aartje, soms maar één, meest tweeslachtig, een enkele maal ♀ of ♂; aartjes op lange steelen afzonderlijk staand, te zamen een zeer wijde pluim vormend; kafjes met een kiel, aan den punt gestekeld doch zonder naaldOrthoclada.11b.Talrijke bloemen in elk aartje, meest tweeslachtig, soms ook enkele ♂ of ♀1212a.Onderste kroonkafje met 1–3 nerven; aartje gesteeld of zittend, een pluim of een smalle aarvormige pluim vormend; alle kafjes vliezig en ongenaald, kroonkafjes na de bloei blijvendEragrostis.12b.Onderste kroonkafje met 5 tot vele nerven, de zijnerven boogvormig naar de middennerf toeloopend; aartjes meest in een losse pluim; kroonkafjes vaak stompPoa.13a.Meeldraden 6; aartjes éénbloemig, alleenstaand op steelen; bloeiwijze een pluim; kelkkafjes 4, de beide onderste klein, de 2 bovenste veel grooter, hard, zijdelings samengedrukt met een scherpe kiel, ongenaald; kroonkafje ontbrekendOryza,Rijst,aleesi.13b.Meeldraden 1–3 per bloem1414a.Aartjes paarsgewijs aan de as van de aar bevestigd, meest ongelijk van vorm, de een gesteeld, de andere zittend1514b.Aartjes niet twee aan twee aan de as van de aar zittend, wel soms in 2 rijen, maar dan de beide steeltjes niet op één punt vastzittend; indien de aartjes soms twee aan twee staan (bij sommige Paspalum-soorten) dan zijn de steeltjes even lang en de aartjes gelijk van vorm2015a.As van de aar plat met groote holten die aan de buitenzijde afgesloten worden door het onderste kafje van een aartje; in de aldus gevormde holte zit de bloem; het zittende aartje van elk paar is tweeslachtig, het gesteelde ♀; bloeiwijze een enkelvoudige aar, die uit de oksels van de bladeren te voorschijn komtManisuris.15b.As van de aar zonder holten1616a.Beide aartjes van elk paar met een tweeslachtige bloem of de een met een tweeslachtige, de andere met een ♀ bloem, in ieder geval beide vruchtdragend1716b.Van elk paar aartjes heeft de een een tweeslachtige bloem, de andere alleen een ♂ bloem of bloemen1817a.Aren 2 tot vele bij elkaar, aan het eind van den halm zittend; in het zittende aartje van elk paar vindt men onder de tweeslachtige bloem ook nog een ♂ bloem; een van de kafjes langgenaaldIschaemum.17b.Aren niet bij elkaar aan de halm staand, doch een vertakte pluim vormend, alle aartjes eenbloemig, het zittende tweeslachtig, het gesteelde eraan gelijk of alleen ♀; kafjes spits doch ongenaaldSaccharum.18a.Het zittende aartje met twee bloemen, een bovenste tweeslachtige en een onderste ♂ bloem; het bovenste kafje genaald; het gesteelde aartje van het paar met 1 of 2 ♂ bloemenIschaemum.18b.Tenminste het aartje met de tweeslachtige of ♀ bloem éénbloemig1919a.Het aartje met de ♂ bloem zittend of kortgesteeld, dat met de tweeslachtige bloem langgesteeld; het bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem voorzien van een lange behaarde naald; aren groepsgewijs aan het eind van den halm staandeTrachypogon.19b.Het aartje met de ♂ bloemen gesteeld, dat met de tweeslachtige of ♀ bloem zittend; bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem genaald of ongenaald; aren alleenstaand of aan den top van den helm in een groep bij elkaar of tot samengestelde pluimen vereenigdAndropogon,Vétivert.20a.Aartjes steeds eenbloemig, de beide onderste kelkkafjes met lange,witte, zijdeachtige haren bezet; de beide bovenste kelkkafjes kaal; bloem tweeslachtig met één meeldraad; bloeiwijze een pluim met opgerichte takken, zoodat het geheel op een aar gelijktImperata.20b.Aartjes één- of 2-bloemig; meeldraden bijna steeds 3 (soms 2) per bloem2121a.Aartjes aan den voet met een massa borstelige haren of stekels; geheele bloeiwijze aarvormig2221b.Aartjes zonder borstelige haren of stekels aan den voet, of indien er haren aanwezig zijn, dan zijn de kelkkafjes zelf met dunne haren bezet2322a.Aartjes omgeven door een omhulsel dat met borstelige haren of stekels bezet is, en dat met het geheele aartje en de vrucht afvalt; aar vrij ijl, bezet met groepsgewijs- of alleenstaande aartjes; elk aartje met een tweeslachtige bloem of met een tweeslachtige en daaronder een ♂ bloemCenchrus.22b.Borstelvormige haren of stekels niet tot een omhulsel vergroeid; daardoor ook aan de as zitten blijvend, als de vrucht met het aartje afvalt; aartjes zeer dicht opeengedrongen aan de as staand; bloemen als de vorigeSetaria.23a.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje schijnbaar eindelings zittend, dus het asje afsluitend2423b.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje zijdelings zittend, zoodat het asje zich nog verder boven de bloem voortzet3124a.Hoofdas van de halm afgeplat, voorzien van zeer korte zijassen, die ieder zijdelings 1–5 aartjes dragen; deze zijn dicht tegen de hoofdas aangedrukt, zoodat het geheel den indruk maakt van een enkelvoudige aar; planten min of meer kruipendStenotaphrum.24b.Bloeiwijze bestaande uit een of meer lange aren, waarvan de assen bezet zijn met zittende of gesteelde aartjes, of bloeiwijze een wijde pluim2525a.Elk aartje met 3 (of 2) kelkkafjes en één kroonkafje; slechts één bloem per aartje2625b.Elk aartje met 4 kelkkafjes en één kroonkafje, het derde kelkkafje soms met een ♂ bloem in den oksel, het vierde steeds met een tweeslachtige bloem3026a.Kelkkafjes smal, de beide onderste met een kiel, het bovenste met een lange 3-deelige naald; 2 lodiculae aanwezig; asje van het aartje geleed boven de beide onderste kelkkafjes, zoodat deze na het uitvallen der bloem blijven zitten. Bloemen in pluimen of schijnarenAristida.26b.Kafjes ongenaald of (bij Eriochloa) zeer kort genaald; geleding van het asje, indien aanwezig, onder de kafjes2727a.Direct onder het onderste kafje van het aartje, boven de geleding, zit een meest gekleurde verdikking van het asje; aartjes regelmatig langs de as staande in aren, en deze weer tot een pluim vereenigd; onderste kelkkafjes spits, behaard, het derde hard, met een korte naald, die niet buiten het aartje uitsteekt. Kroonkafje zonder naald, doch overigens gelijkend op het bovenste kelkkafjeEriochloa.27b.Asje onder het aartje zonder woekering, hoogstens met een geleding2828a.Aartjes duidelijk in twee rijen langs de as van de aar gezeten en tegen de as aangedrukt; kelkkafjes 2 of 3, het onderste of de beide onderste klein en dun, het bovenste eirond en hard; aren soms alleenstaand aan het eind van den halm, of in groepen, soms ook een pluim vormendPaspalum.28b.Aartjes eenbloemig, tot éénzijdige aren vereenigd, aan de as zittend of bijna zittend in twee rijen, dicht over elkaar liggend; de aren op hun beurt weer aarvormig langs het boveneind van den halm zittend opgericht en tegen den halm aangedrukt; de beide onderste kelkkafjes smal en gekield, het bovenste vliezigSpartina.28c.Aartjes niet in twee rijen langs de as staande doch een onregelmatig vertakte, soms min of meer aarvormige pluim vormend2929a.Pluim vrij wijd lang behaard; de 3 kelkkafjes vliezig; kroonkafjetijdensden bloei dunvliezig, later verhardend en de vrucht omsluitend; aartje duidelijk geleed met de asLeptocoryphium.29b.Pluim smal met opgerichte takken, onbehaard of kort-behaard; aartje niet duidelijk geleed met de as; vrucht geheel vrij van de kafjesSporobolus.30a.Bovenste kelkkafje aan den voet met een aanhangsel; aartjes kortgesteeld aan de takken van een pluimIchnanthus.30b.Bovenste kelkkafje zonder aanhangsel aan den voet; onderste kelkkafje zeer klein, 2deen 3degrooter, stomp of genaald, het derde soms met een ♂ bloem, het 4dekelkkafje steeds ongenaald en hard, het kroonkafje insluitend; bloeiwijzen zeer verschillend; aartjes soms gesteeld in wijde pluimen, soms in aren en deze te samen een pluim vormend, soms ook minder samengesteldPanicumPaardengras.31a.Aartjes vereenigd tot eenzijdige aren, deze aren staan langs het bovendeel van den halm verspreid en vormen een pluim; de beide onderste kelkkafjes spits of kortgenaald; het 3demet een lange rechte naald; asje van het aartje boven de bloem voortgezet en daar een langgenaald kafje of alleen een naald dragendGymnopogon.31b.Aartjes als bij de vorige tot eenzijdige aren vereenigd, doch deze handvormig bij elkaar aan het eind van den stengel staand3232a.De 3 kelkkafjes en het kroonkafje ongeveer even lang, ongenaald; de bovenste met 1 of 2 behaarde kielen, as van het aartje boven de bloem voortgezet als een puntje zonder verdere schubben of kafjesCynodon.32b.De 2 onderste kelkkafjes ongelijk van grootte, smal en plat, gekield, ongenaald; het 3delangbehaard, genaald (of soms ongenaald); kroonkafje groot met 2 kielenChloris.20.Cyperaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, naakt, of zelden met een enkelvoudig bloemdek; meeldraden meest 3–1, zelden meer; vruchtbeginsel eenhokkig met 1 zaadknop en met 3 of 2 stijlen met draadvormige stempels; zaad niet met de vruchtwand vergroeid; kruiden met meest scherp driekantige, zelden gelede en van knoopen voorziene stengels en smalle bladeren met gesloten scheeden; bloemen in aartjes-achtige trosjes, die tot aar- of pluimvormige bloeiwijzen vereenigd zijn.1a.De bloemen, die een vruchtbeginsel hebben, hebben steeds óók meeldraden; daarnaast komen ook alléén ♂ bloemen voor. (Zie ook 18a en 24 van deze lijst)21b.Alle bloemen éénslachtig182a.Hoogstens 2 (soms ook maar 1 of geen enkel) van de onderste kafjes der aartjes zonder bloemen32b.Drie tot meer van de onderste kafjes zonder bloemen143a.Kafjes in 2 rijen43b.Kafjes in 3 tot meer rijen94a.Stijl met 2 takken54b.Stijl met 3 takken75a.Nootje aan rug- en buikzijde afgeplat, zoodat de grootste breedte naar de as van het aartje toegekeerd is. Aartjes 5–6-bloemig, as van het aartje na den bloei blijvend. Onderste 2 kafjes zonder bloemen, blijvend, de volgende in 2 rijen. Meeldraden 1–3. Naakte halm met één hoofdje van aartjes aan het eindJuncellus(Cyperus).5b.Nootje zijdelings samengedrukt, zoodat de smalste kant naar de as toegekeerd is66a.As van het aartje boven de twee onderste leege kafjes afvallend, vóór het afvallen is op die plaats een geleding in de as te zien. Aartjes met 4–5 kafjes. Meestal draagt alleen het derde een bloem en zijn de twee kafjes aan den top ook leeg, evenals de beide onderste. Aartjes in één of meer zittende hoofdjes aan den top van den kalen stengel; onder de hoofdjes 2–4 bladerenKyllingia.6b.Deel van de as boven de beide onderste leege kafjes niet afvallend. Aartjes met 5–6-∞ kafjes, waarvan er minstens 4 bloemen dragen en er slechts weinigen aan den top leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Aartjes aan den top van de assen, welke te samen weer schermvormig aan het einde van den bloeistengel staan. Direct onder het scherm eenige bladeren in een krans; halm overigens naaktPycreus(Cyperus).7a.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes niet afvallend. Aartjes 5–6-∞ bloemig, waarvan er minstens 4 bloemen dragen, terwijl enkele van de bovenste leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Noot 3-hoekig, soms van voren een weinig samengedrukt. Halm naakt; aartjes tros- of handvormig samengesteld en deze trossen in een scherm aan het eind van den stengel staande of soms tot een hoofdje bijeenkomendCyperus.7b.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes na den bloei afvallend88a.As van het aartje in zijn geheel afvallend, 1-weinig-veelbloemig. Vruchtdragende kafjes blijvend. Bladeren lang, smal en groen; overigens als CyperusMariscus.8b.As van het aartje in stukken uiteenvallend, elk stuk met één vruchtdragend kafje. Aartje met 4–16 vruchtdragende kafjes, cylindrisch, zeer lang en dun, samengesteld tot trossen, en deze weer één of meervoudig in schermen bijeenkomend. Halm, behalve onder de bloeiwijze, naaktTorulinium(Cyperus).9a.Stijlen aan de basis opgezwollen, scherp gescheiden van den top van den noot109b.Stijlen aan de basis niet opgezwollen, geleidelijk overgaand in den top van den noot1210a.Rondom het vruchtbeginsel staan 3–8 haren, die vaak met weerhaakjes bezet zijn. Kafjes zeer talrijk, meest stomp. Meeldraden3–1; stijl met 2 of 3 takken, kaal. Halm geheel (ook aan den voet) zonder bladeren, met één hoofdje aan den topHeleocharis.10b.Geen stekels om het vruchtbeginsel; plant meest met bladeren1111a.Stijl blijvend aan den noot, òf zoo de stijl afvalt, dan valt ook de verdikte stijlbasis af. Kafjes talrijk, dakpansgewijs over elkaar liggend, velen ervan vruchtdragend. Meeldraden 3–1; stijl met 3 of 2 takken. Nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in losse 1 of meermaal samengestelde schermen aan het eind van den stengelFimbristylis.11b.Stijl afvallend, doch de verdikte en anders gekleurde stijlbasis aan den noot blijvend. Vruchtdragende kafjes meest een weinig behaard; takken van den stijl steeds 3, meeldraden 3–1, nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in groepen bijeen, soms tot schermen vereenigd, soms 1 hoofdje aan het eind van den stengel vormend. Bladeren zeer smal, soms naaldvormigBulbostylis.12a.Zoowel de plant als de aartjes kaal of bijna kaal1312b.Plant min of meer, doch vooral de aartjes duidelijk behaard. Onder het vruchtbeginsel 3 eironde schubjes. Kafjes behaard, aan den top gestekeld; aartjes vrij groot, tot 1 c.M. lang, langs het bovenste deel van den halm een lange samengestelde bloeiwijze vormend. Halm bebladerdFuirena.13a.Onder het vruchtbeginsel 2 hyaline schubjes, de een naar de as toegekeerd, de andere ervan af gekeerd, grooter dan de noot. Stijl vrij klein met 2 of 3 takken. Halmen alleen aan de basis en onder de bloeiwijzen bladeren dragend. Aartjes tot één hoofdje samenkomend aan het eind van den stengelLipocarpha.13b.Onder het vruchtbeginsel nooit 2 schubben, (in één enkel geval één zijdelingsche schub), doch 0-vele haren. Aartjes met vele vruchtjes. De onderste 0–2 kafjes leeg, kaal behalve aan de randen. Stijl met 2–3 takken. Halmen naaktScirpus.14a.Stijl met twee takken1514b.Stijl met drie takken1715a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig zijn, onvertakt, draadvormig1615b.Haren onder het vruchtbeginsel 6–3 in getal; over de geheele lengte met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar liggend, de 3–4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de bovenste òf alleen met ♂ of met steriele bloemen. Stijl lang, met 2 lange takken; stijlbasis kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd, bloeiwijze klein, trosvormig, in den oksel van de bladeren staandPleurostachys.16a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste kafjes leeg; slechts 1–3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met ♂ of met steriele bloemen; 3–2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne takken die langer zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle bladeren en maar één meest wit of bruinachtig hoofdje van weinig aartjes aan het eind van den naakten halm, die alleen direct onder de bloeiwijze eenige bladeren draagtDichromena.16b.Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig, soms aanwezig. Drie tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot vele vruchtdragend, de bovenste met ♂ bloemen of leeg. Meeldraden3–2; stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen òf meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en samengesteld uit zeer veel aartjesRhynchospora.17a.Groote planten. Aartjes met 2–4 leege kafjes van onderen, daarboven 1–4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met 3 lange takken. Bloeiwijze sterk vertakt, verlengdCladium.17b.Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en alleen het 4debovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht dragend. Stijl geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes in korte trosjes staand; eenige van die trosjes zittend aan het eind van den halmRemiria.18a.Alle bloemen eenslachtig; de ♀ bloem in het aartje eindstandig, naakt; daaromheen 2–10 ♂ bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat men het aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2–10 meeldraden2418b.Alle bloemen éénslachtig, de ♀ bloem meest niet naakt, maar van een kafje voorzien; de ♂ duidelijke aartjes vormend1919a.Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen ♂, van boven alleen ♀ aartjes dragend2019b.Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot dichte hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de ♀ en de ♂ bloemen onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje2120a.Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1–2 M. lang, driehoekig, glad. ♀ bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje zonder ♂ bloemen erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele ♂ bloemen bijeen in aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig,niet voorzien van 3–5 groevenLagenocarpus.20b.Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige, maar vruchten 3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribbenCryptangium.21a.Aartjes met weinig bloemen, soms ♂ en ♀ bloemen in één aartje, en dan de ♀ bloem het onderst en de hoogere ♂ òf sommige aartjes ♂, andere ♀ en dan de ♀ bloem alleenstaand met eenige rudimentaire bloemen erboven, en de ♂ bloemen in veelbloemige aartjes. Kafje van de ♀ bloem open, niet om het vruchtbeginsel tot een urntje vergroeid. Nootje hard, beenachtig, meest wit, soms grijs of purper, met een donkerder top. Bloeiwijzen meest in sterk vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen bloeiwijze maar dan de halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak scherp driehoekigScleria.Baboen-nefi.21b.In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes2222a.Kafje rondom de ♀ bloem met de randen tot een urntje met een lange hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals uit. Aartjes steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt alleen de ♀ bloem, de beide zijdelingsche dragen 2–3 ♂ bloemen met ieder 1 meeldraad. Planten met lange smalle bladeren met enkele krachtige evenwijdige nerven; bladeren met breede scheeden, die elkaar van onderen dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met enkele schubben, verder naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in een groep van weinige gestekelde bolvormige hoofdjesBisboeckeleria(Hoppia).22b.Kafje rondom de vrouwelijke bloem niet urnvormig vergroeid2323a.♀ aartje met 3 kafjes en één eindstandig vruchtbeginsel met een lange stijl met 3 takken. Daarnaast ♂ aartjes met 2 ♂ bloemen ieder met 3 meeldraden. Aartjes vereenigd tot groote gesteelde, bolvormige hoofdjes, die hetzij alleen, hetzij in paren of 3–4, in den oksel van de stengelbladeren staan. Bladeren lang, smalDiplacrum.23b.Aartjes met 1 eindelingsche ♀ bloem met 2 kafjes en daaronder 2–4 mannelijke bloemen. Vruchtbeginsel met een korte stijl met 2 takken; ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. Aartjes in zeer kleine gesteelde of ongesteelde hoofdjes, waarvan er talrijke een samengestelde bloeiwijze in den oksel van de bladeren vormen.Calyptrocarya.24a.Eén of meerdere dichtgedrongen zittende hoofdjes aan het eind van den stengel, direct daaronder 3 groote breede bladeren. ♀ bloem met een lange stijl met 3 takken, ♂ bloemen 3, ieder met 1 meeldraad, schijnbaar een tweeslachtige bloem vormend met het vruchtbeginselMapania.24b.Meerdere hoofdjes aan het eind van den stengel en niet met breede bladeren daaronder, of een vertakte bloeiwijze. Stijltakken 22525a.Aartjes bestaande uit 3 bloemen, waarvan de middelste alleen uit een vruchtbeginsel bestaat, daaromheen 2–4 ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. De aartjes vormen samen aren, die niet meer dan 5 m.M. lang zijn, deze komen in eenige zittende hoofdjes aan het eind van den stengel samen, of vormen een sterker vertakte bloeiwijzeHypolytrum.25b.Aartjes bestaande uit 6–9 éénslachtige bloemen, waarvan de middelste (eigenlijk bovenste) uit een vruchtbeginsel bestaat, de andere 5–8 mannelijk zijn en ieder één meeldraad hebben. De aartjes vereenigen zich tot 3 c.M. lange cylindrische aren, die langgesteeld zijn en te samen een min of meer schermvormige bloeiwijze vormen. Groote krachtige plant met vrij breede scherpe bladerenDiplasia.Orde:Principes.21.Palmae.Bloemen meest door reductie van meeldraden of stamper éénslachtig; bloemdek ongekleurd, of weinig gekleurd, zelden ontbrekend; de buitenste bloemdekbladeren vaak kleiner dan de binnenste; meeldraden 6, zelden 3, vaker 9 tot vele, vrij of vergroeid met elkaar. Vruchtbeginsels 3 of 1, in het laatste geval 3- of 1-hokkig, soms met maar 1 zaadknop; vrucht een bes of een steenvrucht; meest boomvormige, onvertakte planten, soms klimmend met zeer gestrekte internodiën; bloeiwijzen okselstandig, door scheeden omhuld, bladeren handvormig of vinvormig gedeeld of ingesneden.N. B. Het determineeren der palmen levert verschillende moeielijkheden op, die ten deele hun oorzaak hierin vinden, dat maar zelden volledige exemplaren (d. i. met mannelijke en vrouwelijke bloemen, spatha en vruchten) gevonden worden, ten deele ook hierin, dat men de soorten, en vooral die van Suriname nog slechts ten deele kent. Zelfs is het waarschijnlijk dat er in Suriname nog geslachten van Palmen gevonden zullen worden, wier voorkomen er tot nu toe niet aangetoond was. Dit alles maakt, dat men onderstaande tabel met eenige voorzichtigheid moet gebruiken.1a.Bladeren waaiervormig ingesneden en handnervig; bloeikolf eenmaal vertakt; bloemen tweehuizig; ♂ bloemen in lange dichte aren; ♀ bloemen aan veel kortere zijtakken van den kolf; bes aan den top ingedruktMauritia.Maurisie.1b.Bladeren vinnervig en vindeelig of gevind22a.Stammen dun, klimmend; middenrib van het blad eindigend in een lange, dunne, met teruggebogen paarsgewijs staande stekels bedekte draadDesmoncus.Bamba maka;Bamboesi maka.2b.Stammen niet klimmend; middenrib van het blad niet verlengd33a.Stam lang, niet gestekeld, aan den voet met gestekelde luchtwortels, bladeren gevind; segmenten naar den voet versmald, naar den top verbreed en afgeknotIreartea.Injie-pina.3b.Geen gestekelde luchtwortels aan den voet van de stam44a.Bladeren enkelvoudig, alleen aan den top ingesneden of met zeer weinig segmenten, die met een breede voet aan de middenrib vastzitten (Zie ook Bactris)54b.Bladeren gevind met talrijke smalle segmenten65a.Stam laag, ongestekeld of ontbrekend, bladeren zeer groot, enkelvoudig, aan den top ingesneden, vaak ingescheurd; bloeikolf éénmaal vertakt; ♂ bloemen met 20–30 meeldraden; vruchten meest 3-lobbig met stompe, scherpkantige korte stekels bedektManicaria.Troelie.5b.Stam slank en dun, glad, bladeren kleiner dan de vorige,vaak gevind, doch dan met weinig segmenten; bloeikolf enkelvoudig of één tot meermalen vertakt; ♂ bloemen met 6 meeldraden; vrucht een gladde eenzadige besGeonoma.Tastikie.6a.Stammen en bladeren met meest zwarte stekels bezet76b.Stammen en bladeren zonder zwarte stekels (Zie ook Bactris)87a.Stam hoog, bezet met de resten van de bladsteelen en met zwarte stekels; bladeren met vele segmenten, die in groepen aan 2 of 3 bij elkaar staan; bladsteel en middenrib van boven met zwarte stekels bezet; segmenten van onderen behaard; bloeikolf tusschen de bladeren staand, éénmaal vertakt; hoofdsteel van de kolf in een lange bloemdragende staart uitloopend; aan de basis met weinige alleenstaande ♀ bloemen, aan den top dicht bezet met talrijke dichtopeengedrongen ♂ bloemen met 6 meeldraden; bloeischeede groot, sterk gestekeld; vrucht ongeveer 4 c.M. in doorsnede bolvormig, kaal, aan den basis met stervormige kelk; steenkern met 2 zadenAcrocomia.7b.Stammen vrij hoog of ontbrekend; bladeren met vele segmenten; deze, maar ook de bladsteel en de middenrib van onderen met vele zwarte stekels; segmenten aan de onderzijde met witte was bedekt; hoofdsteel van de éénmaal vertakte bloeikolf meest gestekeld; ♂ bloemen talrijk met 6 meeldraden, alleenstaand aan het einde der takken; ♀ bloemen met gestekelde kelk; weinige aan de basis der takken van de kolf staand; bloeischeede één, van buiten meest gestekeld of sterk behaard; vrucht eirond met een puntje op den top, aan de basis omgeven door de zwartgestekelde kelk; steen zwart, van onderen spits, van boven afgerond met 3 kiemgaten onder den top, die symmetrisch geplaatst en alle even groot zijn, aan den rand omgeven door stervormige strepenAstrocaryum.7c.Stammen meest dun, klein, soms liggend, zelden rechtopstaand en groot; gestekeld of ongestekeld; bladeren zelden alleen aan den top ingesneden, meest gevind en dan de segmenten regelmatig langs de middenrib of in groepen; segmenten meest aan den top met penseelvormige haren en aan de randen gestekeld of behaard; bloeikolf onvertakt of eenmaal vertakt, de takken van onderen met groepen van 3 bloemen bezet, naar boven overgaand in groepen van 2 ♂ bloemen; ♂ bloemen met spitse bloembladeren; meeldraden op een vleezige schijf ingeplant; ♀ bloemen aan de basis met een ring- of bekervormige kelk, die half zoo lang is als de kroon; vrucht van buiten glad of ruw of gestekeld met een steen met 3 kiemgaten, waarvan er een open is, en anders gevormd dan de beide andere, die gesloten zijn; steen rond, ovaal of onregelmatigBactris.8a.Vrucht zeer groot, meer dan 15 cM. in doorsnede met vezelige buitenlaagCocos.8b.Vrucht hoogstens zoo groot als een kippenei99a.Stammen bijna geheel bezet met de resten van de bladsteelen der afgevallen bladeren; deze resten aan den rand korte doornige segmenten dragend; bloeikolf alleen ♂ of alleen ♀ bloemen dragendElaeis.9b.Stammen (het deel vlak onder den kroon uitgezonderd) niet met bladresten bezet1010a.Takken van de bloeikolf wollig behaard; stam lang, glad, betrekkelijk dikOreodoxa.Palmiet. Koningspalm.10b.Takken van de bloeikolf niet behaard1111a.Vrucht een 1-zadige, blauwe bes, zoo groot als of weinig grooter dan een erwt1211b.Vrucht een steenvrucht; steen met 3 kiemgaten in de onderste helft, onder vezels verborgen1311c.Vrucht een vrij groote oranje-roode bes met sterk-vezelige buitenlaag en 1 zaad, dat op doorsnede vele groeven heeft; stammen lang en dun, bladeren gelijkmatig gevind; kolf tweemaal vertakt; de ♀ bloemen naar één zijde gericht aan de basis der takken, die aan den top talrijke ♂ bloemen dragen; meeldraden 3–6; stempels 3, gescheidenAreca.12a.Stam lang, slank; bladsegmenten van de middenrib af naar beneden hangend; bloeikolf vrij ver van de bladerkroon verwijderd; kelkbladeren der ♂ bloemen breed, elkaar met de randen bedekkend; rest van den stempel zijdelings, ongeveer ter halver hoogte van de bes gezetenEuterpe.Pina. Palisade.12b.Stam vrij dik ten opzichte van de lengte; bladsegmenten niet naar beneden hangend; bloeikolf dicht onder de bladerkroon gezeten; bloemen in groepen van 3, met 2 ♂ en 1 ♀ bloem per groep, kelk aan de ♂ bloem 3-deelig of 3-spletig, randen der kelkbladeren tegen elkaar liggend; stempelrest aan den top van de bes of nauwelijks zijdelingsOenocarpus.Komboe. Patawa.13a.Sommige bloeikolven dragen alleen ♂ bloemen; andere hebben takken, die aan den top alleen ♂, naar de basis van den tak ♂ en ♀ bloemen gemengd en geheel van onderen alleen ♀ bloemen dragen; meeldraden langer dan de smalle bloemdekbladeren;vrucht langgerekt, aan den top sterk toegespitst, met een duidelijk kegelvormige punt; bloemdek na den bloei sterk vergroot en de vrucht bijna tot de halve hoogte omhullendMaximiliana.Maripa.13b.Alle takken van de bloeikolf dragen groote ♀ bloemen aan de basis en kleinere ♂ bloemen aan den top; bloemdek uit zeer breede, harde bladeren bestaande, waardoor de bloemknop scherp 3-hoekig is; vrucht eirond tot bolvormig, meest aan den top afgerond; bloemdek klein, blijvend, na den bloei alleen aan de basis van de vrucht zichtbaar en deze niet inhullendCocos.
Klasse:Monocotyledoneae.Orde:Helobiae.15.Alismataceae.Bloemen meest 2-slachtig, met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelk 3-bladig; kroon 3-bladig; meeldraden 6 tot vele, zelden maar 3; vruchtbeginsels 6 tot vele, met 1 tot vele zaadknoppen; water- of moerasplanten, kruiden met melksap.1a.Meeldraden talrijk, niet met elkaar vergroeid; bloemen bijna steeds éénslachtig en éénhuizig; bladeren lancet-lijnvormig, boven het water uitstekendSagittaria.1b.Meeldraden 12 of minder22a.Bladeren langwerpig-lancetvormig; aan den voet niet ingesneden, kortgesteeld. Bloemen in kransen rondom den langen bloeistengelEchinodorus.2b.Bladeren cirkelrond-eirond, langgesteeld aan den voet diep hartvormig ingesneden; in het water drijvend; bloeiwijze vrij kortLophotocarpus.16.Butomaceae.Bloemen tweeslachtig, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3; meeldraden 9 tot vele, in het laatste geval de buitenste zonder stuifmeel; vruchtbeginsels 6 tot vele, vaak aan de basis vereenigd, met vele zaadknoppen, kokervruchten; moeras- of drijvende waterplanten bijna steeds met melksap.Bladeren in het water ondergedoken of op het water drijvend, eirond; bloemen tot 8 c.M. groot, lichtgeel; meeldraden ± 20; vruchtbeginsels 6Hydrocleis.17.Hydrocharitaceae.Bloemen zelden tweeslachtig, meest mannelijk en vrouwelijk, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3, meeldraden 1 × tot 4 × 3, de binnenste en buitenste soms staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandigmet wandstandige zaadlijsten en vele zaadknoppen. Ondergedoken of boven het water uitstekende waterplanten met verspreide of soms in kransen staande bladeren. Bloemen in het begin in een scheede ingesloten.1a.Bladeren in kransen aan den langen ondergedoken stengel; bloemen klein, de ♂ zittend, later van den stengel loslatend en op het water drijvend met 3 meeldraden; ♀ bloemen langgesteeldElodea.1b.Bladeren langgesteeld, eirond, drijvend; bloemen 2–3 bij elkaar in een scheede; meeldraden 6–12Hydromystria.Orde:Glumiflorae.19.Gramina.Bloemen 2-slachtig, zelden mannelijk of vrouwelijk, zonder bloembekleedselen; meeldraden meest 3, zelden 1, 2, 6 of vele, vruchtbeginsel met één zaadknop; stempels 2 of 3, of 1; vrucht een caryopsis, zelden een noot of een bes; meest kruiden, zelden houtige planten met knoopen (halmen) en afwisselende smalle bladeren met een ligula. Bloemen alleenstaand of in groepen (aartjes of bloempakjes); elke bloem in den oksel van een dekblad (onderste kroonkafje), meest ook nog met een tegenover het dekblad staand bloemsteelblaadje (bovenste kroonkafje), soms nog met een daarboven staand derde kroonkafje of met meerdere kroonkafjes; de aartjes of de aparte bloemen meest aan de basis met 2 leege kafjes (kelkkafjes) in pluimen of aarvormige bloeiwijzen.N.B. In de meerderheid van de gevallen is het zeer moeilijk uit te maken wat kelkkafjes en wat kroonkafjes zijn, omdat het aantal kroonkafjes vaak wisselt. In al die gevallen wordt in de tabel gesproken over slechts één kroonkafje, waarmee bedoeld is het kafje dat direct onder de bloem is gezeten; alle andere, lager gezeten kafjes zijn dan kelkkafjes genoemd.1a.Bladeren langgesteeld met een opvallend breede bladschijf; bloeiwijze een pluim met lange takken; aartjes éénslachtig in paren gezeten; het eene aartje zittend met een ♀, het andere gesteeld met een ♂ bloemPharus.1b.Bladeren niet langgesteeld d. i. bladschijf onmiddellijk boven de bladscheede ingehecht of met een zeer kort steeltje ermee verbonden22a.Bloemen met meer dan 6, meest vele meeldraden, in onvertakte aren; aartjes groepsgewijs bijeenstaand, meest een aantal aartjes met ♂ bloemen staande om 1 of 2 met ♀ bloemen; bladeren breed, scheede aan den mond vaak met lange haren bezetPariana.Asmatoe pimpin.2b.Bloemen met 1–3 (of -6) meeldraden33a.Mannelijke aartjes in een groote pluim aan het eind van den stengel; ♀ aartjes dicht gedrongen in meerdere rijen tot een kolf vereenigd, zijdelings aan den stengel staande, omgeven door een scheede, waarbuiten de lange stijlen der ♀ bloemen in een bos uitstekenZea.3b.Bloemen tweeslachtig of indien ze éénslachtig zijn, dan òf in hetzelfde aartje òf in dezelfde bloeiwijze gemengd43c.Bloemen éénslachtig en tweehuizig; in elk aartje 2 tot 4 bloemen, die vrij ver van elkaar staan; het bovenste kelkkafje met een lange naald; asje behaard, evenals de kafjes der ♀ bloemen, tusschen de afzonderlijke bloemen met eene geleding; bloeiwijze een wijde pluim; vrucht door de kafjes ingesloten; groote hooge halmenGynerium.Pijlgras.4a.Bladeren met een duidelijke geleding tusschen bladschijf en bladscheede, op deze geleding breekt het blad af; halmen forsch, van onderen houtig, van duidelijke knoopen voorzien54b.Bladeren zonder geleding tusschen bladschijf en bladscheede65a.Bloemen met 6 meeldraden; aartjes met 2-vele bloemen langs de takken van de bloeiwijze in groepen zittend; asje onder de bloem geleed; bloemen 2-slachtig òf de bovenste ♂ en sommige van de onderste steriel; vruchtbeginsel aan den top behaardBambusa, (incl.Guadua).5b.Bloemen met 3 meeldraden; asje geleed tusschen de bloemen, na den bloei in stukken uiteenvallend; aartjes met 2–7 tweeslachtige bloemen, of de bovenste bloem éénslachtig; onderste 3–4 kafjes leeg, buitenste klein of naaldvormig; vruchtbeginsel kaalArthrostylidium.6a.♂ aartjes aan den top van een takje te voorschijnkomend uit een bolvormig vergroeid hard dekblad, dat het ♀ aartje geheel insluit; halm meermalen vertakt; vruchten groot, van buiten omsloten door het steenharde, licht-blauw-grijze dekbladCoix,Jobstranen.6b.♂ en ♀ bloemen regelmatig over de aartjes of de bloeiwijze verdeeld; ♀ aartjes in ieder geval niet door een bolvormig dekblad ingesloten, òf bloemen tweeslachtig76c.In ieder aartje maar één bloem, bloem nooit tweeslachtig; aartjes afzonderlijk gesteeld in een wijde pluim vereenigd, de ♂ in het onderste deel aan de pluim; de ♀ in het bovenste deel van de pluim; kelkkafjes met één naald, bladeren meest breedOlyra.7a.Twee of meer tweeslachtige bloemen in een aartje87b.Slechts één bloem in elk aartje of als er 2 zijn, dan alleen de bovenste 2-slachtig en vruchtdragend138a.Aartjes in twee, dicht naast elkaar staande rijen langs de as, en zoo een eenzijdige aar vormend98b.Aartje niet in twee rijen langs de as staande, doch in een verschillend gevormde pluim staand119a.Aren niet op hetzelfde punt van de halm bijeenstaand, doch langs de bovenzijde van de halm verdeeld; 6 bloemen per aartje, de kafjes meest kort genaald, soms ook bijna zonder naald; groote plantenLeptochloa.9b.Aren in een groep van 2 tot vele aan het eind van de halm bijeenstaand1010a.Aar met een bloem aan den top eindigend; kafjes samengedrukt, gekield, ongenaald; aren vrij smal; 4–8 bloemen per aartjeEleusine,Mangras.10b.Aar zonder bloem aan den top, doch de as met een puntje buiten het bloemdragende deel voortgezet; kafjes met duidelijke doch korte naalden; aren dik en kort; 3–5 bloemen per aartjeDactyloctenium.11a.Slechts 2 bloemen per aartje, soms maar één, meest tweeslachtig, een enkele maal ♀ of ♂; aartjes op lange steelen afzonderlijk staand, te zamen een zeer wijde pluim vormend; kafjes met een kiel, aan den punt gestekeld doch zonder naaldOrthoclada.11b.Talrijke bloemen in elk aartje, meest tweeslachtig, soms ook enkele ♂ of ♀1212a.Onderste kroonkafje met 1–3 nerven; aartje gesteeld of zittend, een pluim of een smalle aarvormige pluim vormend; alle kafjes vliezig en ongenaald, kroonkafjes na de bloei blijvendEragrostis.12b.Onderste kroonkafje met 5 tot vele nerven, de zijnerven boogvormig naar de middennerf toeloopend; aartjes meest in een losse pluim; kroonkafjes vaak stompPoa.13a.Meeldraden 6; aartjes éénbloemig, alleenstaand op steelen; bloeiwijze een pluim; kelkkafjes 4, de beide onderste klein, de 2 bovenste veel grooter, hard, zijdelings samengedrukt met een scherpe kiel, ongenaald; kroonkafje ontbrekendOryza,Rijst,aleesi.13b.Meeldraden 1–3 per bloem1414a.Aartjes paarsgewijs aan de as van de aar bevestigd, meest ongelijk van vorm, de een gesteeld, de andere zittend1514b.Aartjes niet twee aan twee aan de as van de aar zittend, wel soms in 2 rijen, maar dan de beide steeltjes niet op één punt vastzittend; indien de aartjes soms twee aan twee staan (bij sommige Paspalum-soorten) dan zijn de steeltjes even lang en de aartjes gelijk van vorm2015a.As van de aar plat met groote holten die aan de buitenzijde afgesloten worden door het onderste kafje van een aartje; in de aldus gevormde holte zit de bloem; het zittende aartje van elk paar is tweeslachtig, het gesteelde ♀; bloeiwijze een enkelvoudige aar, die uit de oksels van de bladeren te voorschijn komtManisuris.15b.As van de aar zonder holten1616a.Beide aartjes van elk paar met een tweeslachtige bloem of de een met een tweeslachtige, de andere met een ♀ bloem, in ieder geval beide vruchtdragend1716b.Van elk paar aartjes heeft de een een tweeslachtige bloem, de andere alleen een ♂ bloem of bloemen1817a.Aren 2 tot vele bij elkaar, aan het eind van den halm zittend; in het zittende aartje van elk paar vindt men onder de tweeslachtige bloem ook nog een ♂ bloem; een van de kafjes langgenaaldIschaemum.17b.Aren niet bij elkaar aan de halm staand, doch een vertakte pluim vormend, alle aartjes eenbloemig, het zittende tweeslachtig, het gesteelde eraan gelijk of alleen ♀; kafjes spits doch ongenaaldSaccharum.18a.Het zittende aartje met twee bloemen, een bovenste tweeslachtige en een onderste ♂ bloem; het bovenste kafje genaald; het gesteelde aartje van het paar met 1 of 2 ♂ bloemenIschaemum.18b.Tenminste het aartje met de tweeslachtige of ♀ bloem éénbloemig1919a.Het aartje met de ♂ bloem zittend of kortgesteeld, dat met de tweeslachtige bloem langgesteeld; het bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem voorzien van een lange behaarde naald; aren groepsgewijs aan het eind van den halm staandeTrachypogon.19b.Het aartje met de ♂ bloemen gesteeld, dat met de tweeslachtige of ♀ bloem zittend; bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem genaald of ongenaald; aren alleenstaand of aan den top van den helm in een groep bij elkaar of tot samengestelde pluimen vereenigdAndropogon,Vétivert.20a.Aartjes steeds eenbloemig, de beide onderste kelkkafjes met lange,witte, zijdeachtige haren bezet; de beide bovenste kelkkafjes kaal; bloem tweeslachtig met één meeldraad; bloeiwijze een pluim met opgerichte takken, zoodat het geheel op een aar gelijktImperata.20b.Aartjes één- of 2-bloemig; meeldraden bijna steeds 3 (soms 2) per bloem2121a.Aartjes aan den voet met een massa borstelige haren of stekels; geheele bloeiwijze aarvormig2221b.Aartjes zonder borstelige haren of stekels aan den voet, of indien er haren aanwezig zijn, dan zijn de kelkkafjes zelf met dunne haren bezet2322a.Aartjes omgeven door een omhulsel dat met borstelige haren of stekels bezet is, en dat met het geheele aartje en de vrucht afvalt; aar vrij ijl, bezet met groepsgewijs- of alleenstaande aartjes; elk aartje met een tweeslachtige bloem of met een tweeslachtige en daaronder een ♂ bloemCenchrus.22b.Borstelvormige haren of stekels niet tot een omhulsel vergroeid; daardoor ook aan de as zitten blijvend, als de vrucht met het aartje afvalt; aartjes zeer dicht opeengedrongen aan de as staand; bloemen als de vorigeSetaria.23a.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje schijnbaar eindelings zittend, dus het asje afsluitend2423b.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje zijdelings zittend, zoodat het asje zich nog verder boven de bloem voortzet3124a.Hoofdas van de halm afgeplat, voorzien van zeer korte zijassen, die ieder zijdelings 1–5 aartjes dragen; deze zijn dicht tegen de hoofdas aangedrukt, zoodat het geheel den indruk maakt van een enkelvoudige aar; planten min of meer kruipendStenotaphrum.24b.Bloeiwijze bestaande uit een of meer lange aren, waarvan de assen bezet zijn met zittende of gesteelde aartjes, of bloeiwijze een wijde pluim2525a.Elk aartje met 3 (of 2) kelkkafjes en één kroonkafje; slechts één bloem per aartje2625b.Elk aartje met 4 kelkkafjes en één kroonkafje, het derde kelkkafje soms met een ♂ bloem in den oksel, het vierde steeds met een tweeslachtige bloem3026a.Kelkkafjes smal, de beide onderste met een kiel, het bovenste met een lange 3-deelige naald; 2 lodiculae aanwezig; asje van het aartje geleed boven de beide onderste kelkkafjes, zoodat deze na het uitvallen der bloem blijven zitten. Bloemen in pluimen of schijnarenAristida.26b.Kafjes ongenaald of (bij Eriochloa) zeer kort genaald; geleding van het asje, indien aanwezig, onder de kafjes2727a.Direct onder het onderste kafje van het aartje, boven de geleding, zit een meest gekleurde verdikking van het asje; aartjes regelmatig langs de as staande in aren, en deze weer tot een pluim vereenigd; onderste kelkkafjes spits, behaard, het derde hard, met een korte naald, die niet buiten het aartje uitsteekt. Kroonkafje zonder naald, doch overigens gelijkend op het bovenste kelkkafjeEriochloa.27b.Asje onder het aartje zonder woekering, hoogstens met een geleding2828a.Aartjes duidelijk in twee rijen langs de as van de aar gezeten en tegen de as aangedrukt; kelkkafjes 2 of 3, het onderste of de beide onderste klein en dun, het bovenste eirond en hard; aren soms alleenstaand aan het eind van den halm, of in groepen, soms ook een pluim vormendPaspalum.28b.Aartjes eenbloemig, tot éénzijdige aren vereenigd, aan de as zittend of bijna zittend in twee rijen, dicht over elkaar liggend; de aren op hun beurt weer aarvormig langs het boveneind van den halm zittend opgericht en tegen den halm aangedrukt; de beide onderste kelkkafjes smal en gekield, het bovenste vliezigSpartina.28c.Aartjes niet in twee rijen langs de as staande doch een onregelmatig vertakte, soms min of meer aarvormige pluim vormend2929a.Pluim vrij wijd lang behaard; de 3 kelkkafjes vliezig; kroonkafjetijdensden bloei dunvliezig, later verhardend en de vrucht omsluitend; aartje duidelijk geleed met de asLeptocoryphium.29b.Pluim smal met opgerichte takken, onbehaard of kort-behaard; aartje niet duidelijk geleed met de as; vrucht geheel vrij van de kafjesSporobolus.30a.Bovenste kelkkafje aan den voet met een aanhangsel; aartjes kortgesteeld aan de takken van een pluimIchnanthus.30b.Bovenste kelkkafje zonder aanhangsel aan den voet; onderste kelkkafje zeer klein, 2deen 3degrooter, stomp of genaald, het derde soms met een ♂ bloem, het 4dekelkkafje steeds ongenaald en hard, het kroonkafje insluitend; bloeiwijzen zeer verschillend; aartjes soms gesteeld in wijde pluimen, soms in aren en deze te samen een pluim vormend, soms ook minder samengesteldPanicumPaardengras.31a.Aartjes vereenigd tot eenzijdige aren, deze aren staan langs het bovendeel van den halm verspreid en vormen een pluim; de beide onderste kelkkafjes spits of kortgenaald; het 3demet een lange rechte naald; asje van het aartje boven de bloem voortgezet en daar een langgenaald kafje of alleen een naald dragendGymnopogon.31b.Aartjes als bij de vorige tot eenzijdige aren vereenigd, doch deze handvormig bij elkaar aan het eind van den stengel staand3232a.De 3 kelkkafjes en het kroonkafje ongeveer even lang, ongenaald; de bovenste met 1 of 2 behaarde kielen, as van het aartje boven de bloem voortgezet als een puntje zonder verdere schubben of kafjesCynodon.32b.De 2 onderste kelkkafjes ongelijk van grootte, smal en plat, gekield, ongenaald; het 3delangbehaard, genaald (of soms ongenaald); kroonkafje groot met 2 kielenChloris.20.Cyperaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, naakt, of zelden met een enkelvoudig bloemdek; meeldraden meest 3–1, zelden meer; vruchtbeginsel eenhokkig met 1 zaadknop en met 3 of 2 stijlen met draadvormige stempels; zaad niet met de vruchtwand vergroeid; kruiden met meest scherp driekantige, zelden gelede en van knoopen voorziene stengels en smalle bladeren met gesloten scheeden; bloemen in aartjes-achtige trosjes, die tot aar- of pluimvormige bloeiwijzen vereenigd zijn.1a.De bloemen, die een vruchtbeginsel hebben, hebben steeds óók meeldraden; daarnaast komen ook alléén ♂ bloemen voor. (Zie ook 18a en 24 van deze lijst)21b.Alle bloemen éénslachtig182a.Hoogstens 2 (soms ook maar 1 of geen enkel) van de onderste kafjes der aartjes zonder bloemen32b.Drie tot meer van de onderste kafjes zonder bloemen143a.Kafjes in 2 rijen43b.Kafjes in 3 tot meer rijen94a.Stijl met 2 takken54b.Stijl met 3 takken75a.Nootje aan rug- en buikzijde afgeplat, zoodat de grootste breedte naar de as van het aartje toegekeerd is. Aartjes 5–6-bloemig, as van het aartje na den bloei blijvend. Onderste 2 kafjes zonder bloemen, blijvend, de volgende in 2 rijen. Meeldraden 1–3. Naakte halm met één hoofdje van aartjes aan het eindJuncellus(Cyperus).5b.Nootje zijdelings samengedrukt, zoodat de smalste kant naar de as toegekeerd is66a.As van het aartje boven de twee onderste leege kafjes afvallend, vóór het afvallen is op die plaats een geleding in de as te zien. Aartjes met 4–5 kafjes. Meestal draagt alleen het derde een bloem en zijn de twee kafjes aan den top ook leeg, evenals de beide onderste. Aartjes in één of meer zittende hoofdjes aan den top van den kalen stengel; onder de hoofdjes 2–4 bladerenKyllingia.6b.Deel van de as boven de beide onderste leege kafjes niet afvallend. Aartjes met 5–6-∞ kafjes, waarvan er minstens 4 bloemen dragen en er slechts weinigen aan den top leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Aartjes aan den top van de assen, welke te samen weer schermvormig aan het einde van den bloeistengel staan. Direct onder het scherm eenige bladeren in een krans; halm overigens naaktPycreus(Cyperus).7a.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes niet afvallend. Aartjes 5–6-∞ bloemig, waarvan er minstens 4 bloemen dragen, terwijl enkele van de bovenste leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Noot 3-hoekig, soms van voren een weinig samengedrukt. Halm naakt; aartjes tros- of handvormig samengesteld en deze trossen in een scherm aan het eind van den stengel staande of soms tot een hoofdje bijeenkomendCyperus.7b.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes na den bloei afvallend88a.As van het aartje in zijn geheel afvallend, 1-weinig-veelbloemig. Vruchtdragende kafjes blijvend. Bladeren lang, smal en groen; overigens als CyperusMariscus.8b.As van het aartje in stukken uiteenvallend, elk stuk met één vruchtdragend kafje. Aartje met 4–16 vruchtdragende kafjes, cylindrisch, zeer lang en dun, samengesteld tot trossen, en deze weer één of meervoudig in schermen bijeenkomend. Halm, behalve onder de bloeiwijze, naaktTorulinium(Cyperus).9a.Stijlen aan de basis opgezwollen, scherp gescheiden van den top van den noot109b.Stijlen aan de basis niet opgezwollen, geleidelijk overgaand in den top van den noot1210a.Rondom het vruchtbeginsel staan 3–8 haren, die vaak met weerhaakjes bezet zijn. Kafjes zeer talrijk, meest stomp. Meeldraden3–1; stijl met 2 of 3 takken, kaal. Halm geheel (ook aan den voet) zonder bladeren, met één hoofdje aan den topHeleocharis.10b.Geen stekels om het vruchtbeginsel; plant meest met bladeren1111a.Stijl blijvend aan den noot, òf zoo de stijl afvalt, dan valt ook de verdikte stijlbasis af. Kafjes talrijk, dakpansgewijs over elkaar liggend, velen ervan vruchtdragend. Meeldraden 3–1; stijl met 3 of 2 takken. Nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in losse 1 of meermaal samengestelde schermen aan het eind van den stengelFimbristylis.11b.Stijl afvallend, doch de verdikte en anders gekleurde stijlbasis aan den noot blijvend. Vruchtdragende kafjes meest een weinig behaard; takken van den stijl steeds 3, meeldraden 3–1, nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in groepen bijeen, soms tot schermen vereenigd, soms 1 hoofdje aan het eind van den stengel vormend. Bladeren zeer smal, soms naaldvormigBulbostylis.12a.Zoowel de plant als de aartjes kaal of bijna kaal1312b.Plant min of meer, doch vooral de aartjes duidelijk behaard. Onder het vruchtbeginsel 3 eironde schubjes. Kafjes behaard, aan den top gestekeld; aartjes vrij groot, tot 1 c.M. lang, langs het bovenste deel van den halm een lange samengestelde bloeiwijze vormend. Halm bebladerdFuirena.13a.Onder het vruchtbeginsel 2 hyaline schubjes, de een naar de as toegekeerd, de andere ervan af gekeerd, grooter dan de noot. Stijl vrij klein met 2 of 3 takken. Halmen alleen aan de basis en onder de bloeiwijzen bladeren dragend. Aartjes tot één hoofdje samenkomend aan het eind van den stengelLipocarpha.13b.Onder het vruchtbeginsel nooit 2 schubben, (in één enkel geval één zijdelingsche schub), doch 0-vele haren. Aartjes met vele vruchtjes. De onderste 0–2 kafjes leeg, kaal behalve aan de randen. Stijl met 2–3 takken. Halmen naaktScirpus.14a.Stijl met twee takken1514b.Stijl met drie takken1715a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig zijn, onvertakt, draadvormig1615b.Haren onder het vruchtbeginsel 6–3 in getal; over de geheele lengte met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar liggend, de 3–4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de bovenste òf alleen met ♂ of met steriele bloemen. Stijl lang, met 2 lange takken; stijlbasis kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd, bloeiwijze klein, trosvormig, in den oksel van de bladeren staandPleurostachys.16a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste kafjes leeg; slechts 1–3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met ♂ of met steriele bloemen; 3–2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne takken die langer zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle bladeren en maar één meest wit of bruinachtig hoofdje van weinig aartjes aan het eind van den naakten halm, die alleen direct onder de bloeiwijze eenige bladeren draagtDichromena.16b.Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig, soms aanwezig. Drie tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot vele vruchtdragend, de bovenste met ♂ bloemen of leeg. Meeldraden3–2; stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen òf meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en samengesteld uit zeer veel aartjesRhynchospora.17a.Groote planten. Aartjes met 2–4 leege kafjes van onderen, daarboven 1–4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met 3 lange takken. Bloeiwijze sterk vertakt, verlengdCladium.17b.Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en alleen het 4debovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht dragend. Stijl geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes in korte trosjes staand; eenige van die trosjes zittend aan het eind van den halmRemiria.18a.Alle bloemen eenslachtig; de ♀ bloem in het aartje eindstandig, naakt; daaromheen 2–10 ♂ bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat men het aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2–10 meeldraden2418b.Alle bloemen éénslachtig, de ♀ bloem meest niet naakt, maar van een kafje voorzien; de ♂ duidelijke aartjes vormend1919a.Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen ♂, van boven alleen ♀ aartjes dragend2019b.Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot dichte hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de ♀ en de ♂ bloemen onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje2120a.Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1–2 M. lang, driehoekig, glad. ♀ bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje zonder ♂ bloemen erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele ♂ bloemen bijeen in aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig,niet voorzien van 3–5 groevenLagenocarpus.20b.Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige, maar vruchten 3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribbenCryptangium.21a.Aartjes met weinig bloemen, soms ♂ en ♀ bloemen in één aartje, en dan de ♀ bloem het onderst en de hoogere ♂ òf sommige aartjes ♂, andere ♀ en dan de ♀ bloem alleenstaand met eenige rudimentaire bloemen erboven, en de ♂ bloemen in veelbloemige aartjes. Kafje van de ♀ bloem open, niet om het vruchtbeginsel tot een urntje vergroeid. Nootje hard, beenachtig, meest wit, soms grijs of purper, met een donkerder top. Bloeiwijzen meest in sterk vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen bloeiwijze maar dan de halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak scherp driehoekigScleria.Baboen-nefi.21b.In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes2222a.Kafje rondom de ♀ bloem met de randen tot een urntje met een lange hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals uit. Aartjes steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt alleen de ♀ bloem, de beide zijdelingsche dragen 2–3 ♂ bloemen met ieder 1 meeldraad. Planten met lange smalle bladeren met enkele krachtige evenwijdige nerven; bladeren met breede scheeden, die elkaar van onderen dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met enkele schubben, verder naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in een groep van weinige gestekelde bolvormige hoofdjesBisboeckeleria(Hoppia).22b.Kafje rondom de vrouwelijke bloem niet urnvormig vergroeid2323a.♀ aartje met 3 kafjes en één eindstandig vruchtbeginsel met een lange stijl met 3 takken. Daarnaast ♂ aartjes met 2 ♂ bloemen ieder met 3 meeldraden. Aartjes vereenigd tot groote gesteelde, bolvormige hoofdjes, die hetzij alleen, hetzij in paren of 3–4, in den oksel van de stengelbladeren staan. Bladeren lang, smalDiplacrum.23b.Aartjes met 1 eindelingsche ♀ bloem met 2 kafjes en daaronder 2–4 mannelijke bloemen. Vruchtbeginsel met een korte stijl met 2 takken; ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. Aartjes in zeer kleine gesteelde of ongesteelde hoofdjes, waarvan er talrijke een samengestelde bloeiwijze in den oksel van de bladeren vormen.Calyptrocarya.24a.Eén of meerdere dichtgedrongen zittende hoofdjes aan het eind van den stengel, direct daaronder 3 groote breede bladeren. ♀ bloem met een lange stijl met 3 takken, ♂ bloemen 3, ieder met 1 meeldraad, schijnbaar een tweeslachtige bloem vormend met het vruchtbeginselMapania.24b.Meerdere hoofdjes aan het eind van den stengel en niet met breede bladeren daaronder, of een vertakte bloeiwijze. Stijltakken 22525a.Aartjes bestaande uit 3 bloemen, waarvan de middelste alleen uit een vruchtbeginsel bestaat, daaromheen 2–4 ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. De aartjes vormen samen aren, die niet meer dan 5 m.M. lang zijn, deze komen in eenige zittende hoofdjes aan het eind van den stengel samen, of vormen een sterker vertakte bloeiwijzeHypolytrum.25b.Aartjes bestaande uit 6–9 éénslachtige bloemen, waarvan de middelste (eigenlijk bovenste) uit een vruchtbeginsel bestaat, de andere 5–8 mannelijk zijn en ieder één meeldraad hebben. De aartjes vereenigen zich tot 3 c.M. lange cylindrische aren, die langgesteeld zijn en te samen een min of meer schermvormige bloeiwijze vormen. Groote krachtige plant met vrij breede scherpe bladerenDiplasia.Orde:Principes.21.Palmae.Bloemen meest door reductie van meeldraden of stamper éénslachtig; bloemdek ongekleurd, of weinig gekleurd, zelden ontbrekend; de buitenste bloemdekbladeren vaak kleiner dan de binnenste; meeldraden 6, zelden 3, vaker 9 tot vele, vrij of vergroeid met elkaar. Vruchtbeginsels 3 of 1, in het laatste geval 3- of 1-hokkig, soms met maar 1 zaadknop; vrucht een bes of een steenvrucht; meest boomvormige, onvertakte planten, soms klimmend met zeer gestrekte internodiën; bloeiwijzen okselstandig, door scheeden omhuld, bladeren handvormig of vinvormig gedeeld of ingesneden.N. B. Het determineeren der palmen levert verschillende moeielijkheden op, die ten deele hun oorzaak hierin vinden, dat maar zelden volledige exemplaren (d. i. met mannelijke en vrouwelijke bloemen, spatha en vruchten) gevonden worden, ten deele ook hierin, dat men de soorten, en vooral die van Suriname nog slechts ten deele kent. Zelfs is het waarschijnlijk dat er in Suriname nog geslachten van Palmen gevonden zullen worden, wier voorkomen er tot nu toe niet aangetoond was. Dit alles maakt, dat men onderstaande tabel met eenige voorzichtigheid moet gebruiken.1a.Bladeren waaiervormig ingesneden en handnervig; bloeikolf eenmaal vertakt; bloemen tweehuizig; ♂ bloemen in lange dichte aren; ♀ bloemen aan veel kortere zijtakken van den kolf; bes aan den top ingedruktMauritia.Maurisie.1b.Bladeren vinnervig en vindeelig of gevind22a.Stammen dun, klimmend; middenrib van het blad eindigend in een lange, dunne, met teruggebogen paarsgewijs staande stekels bedekte draadDesmoncus.Bamba maka;Bamboesi maka.2b.Stammen niet klimmend; middenrib van het blad niet verlengd33a.Stam lang, niet gestekeld, aan den voet met gestekelde luchtwortels, bladeren gevind; segmenten naar den voet versmald, naar den top verbreed en afgeknotIreartea.Injie-pina.3b.Geen gestekelde luchtwortels aan den voet van de stam44a.Bladeren enkelvoudig, alleen aan den top ingesneden of met zeer weinig segmenten, die met een breede voet aan de middenrib vastzitten (Zie ook Bactris)54b.Bladeren gevind met talrijke smalle segmenten65a.Stam laag, ongestekeld of ontbrekend, bladeren zeer groot, enkelvoudig, aan den top ingesneden, vaak ingescheurd; bloeikolf éénmaal vertakt; ♂ bloemen met 20–30 meeldraden; vruchten meest 3-lobbig met stompe, scherpkantige korte stekels bedektManicaria.Troelie.5b.Stam slank en dun, glad, bladeren kleiner dan de vorige,vaak gevind, doch dan met weinig segmenten; bloeikolf enkelvoudig of één tot meermalen vertakt; ♂ bloemen met 6 meeldraden; vrucht een gladde eenzadige besGeonoma.Tastikie.6a.Stammen en bladeren met meest zwarte stekels bezet76b.Stammen en bladeren zonder zwarte stekels (Zie ook Bactris)87a.Stam hoog, bezet met de resten van de bladsteelen en met zwarte stekels; bladeren met vele segmenten, die in groepen aan 2 of 3 bij elkaar staan; bladsteel en middenrib van boven met zwarte stekels bezet; segmenten van onderen behaard; bloeikolf tusschen de bladeren staand, éénmaal vertakt; hoofdsteel van de kolf in een lange bloemdragende staart uitloopend; aan de basis met weinige alleenstaande ♀ bloemen, aan den top dicht bezet met talrijke dichtopeengedrongen ♂ bloemen met 6 meeldraden; bloeischeede groot, sterk gestekeld; vrucht ongeveer 4 c.M. in doorsnede bolvormig, kaal, aan den basis met stervormige kelk; steenkern met 2 zadenAcrocomia.7b.Stammen vrij hoog of ontbrekend; bladeren met vele segmenten; deze, maar ook de bladsteel en de middenrib van onderen met vele zwarte stekels; segmenten aan de onderzijde met witte was bedekt; hoofdsteel van de éénmaal vertakte bloeikolf meest gestekeld; ♂ bloemen talrijk met 6 meeldraden, alleenstaand aan het einde der takken; ♀ bloemen met gestekelde kelk; weinige aan de basis der takken van de kolf staand; bloeischeede één, van buiten meest gestekeld of sterk behaard; vrucht eirond met een puntje op den top, aan de basis omgeven door de zwartgestekelde kelk; steen zwart, van onderen spits, van boven afgerond met 3 kiemgaten onder den top, die symmetrisch geplaatst en alle even groot zijn, aan den rand omgeven door stervormige strepenAstrocaryum.7c.Stammen meest dun, klein, soms liggend, zelden rechtopstaand en groot; gestekeld of ongestekeld; bladeren zelden alleen aan den top ingesneden, meest gevind en dan de segmenten regelmatig langs de middenrib of in groepen; segmenten meest aan den top met penseelvormige haren en aan de randen gestekeld of behaard; bloeikolf onvertakt of eenmaal vertakt, de takken van onderen met groepen van 3 bloemen bezet, naar boven overgaand in groepen van 2 ♂ bloemen; ♂ bloemen met spitse bloembladeren; meeldraden op een vleezige schijf ingeplant; ♀ bloemen aan de basis met een ring- of bekervormige kelk, die half zoo lang is als de kroon; vrucht van buiten glad of ruw of gestekeld met een steen met 3 kiemgaten, waarvan er een open is, en anders gevormd dan de beide andere, die gesloten zijn; steen rond, ovaal of onregelmatigBactris.8a.Vrucht zeer groot, meer dan 15 cM. in doorsnede met vezelige buitenlaagCocos.8b.Vrucht hoogstens zoo groot als een kippenei99a.Stammen bijna geheel bezet met de resten van de bladsteelen der afgevallen bladeren; deze resten aan den rand korte doornige segmenten dragend; bloeikolf alleen ♂ of alleen ♀ bloemen dragendElaeis.9b.Stammen (het deel vlak onder den kroon uitgezonderd) niet met bladresten bezet1010a.Takken van de bloeikolf wollig behaard; stam lang, glad, betrekkelijk dikOreodoxa.Palmiet. Koningspalm.10b.Takken van de bloeikolf niet behaard1111a.Vrucht een 1-zadige, blauwe bes, zoo groot als of weinig grooter dan een erwt1211b.Vrucht een steenvrucht; steen met 3 kiemgaten in de onderste helft, onder vezels verborgen1311c.Vrucht een vrij groote oranje-roode bes met sterk-vezelige buitenlaag en 1 zaad, dat op doorsnede vele groeven heeft; stammen lang en dun, bladeren gelijkmatig gevind; kolf tweemaal vertakt; de ♀ bloemen naar één zijde gericht aan de basis der takken, die aan den top talrijke ♂ bloemen dragen; meeldraden 3–6; stempels 3, gescheidenAreca.12a.Stam lang, slank; bladsegmenten van de middenrib af naar beneden hangend; bloeikolf vrij ver van de bladerkroon verwijderd; kelkbladeren der ♂ bloemen breed, elkaar met de randen bedekkend; rest van den stempel zijdelings, ongeveer ter halver hoogte van de bes gezetenEuterpe.Pina. Palisade.12b.Stam vrij dik ten opzichte van de lengte; bladsegmenten niet naar beneden hangend; bloeikolf dicht onder de bladerkroon gezeten; bloemen in groepen van 3, met 2 ♂ en 1 ♀ bloem per groep, kelk aan de ♂ bloem 3-deelig of 3-spletig, randen der kelkbladeren tegen elkaar liggend; stempelrest aan den top van de bes of nauwelijks zijdelingsOenocarpus.Komboe. Patawa.13a.Sommige bloeikolven dragen alleen ♂ bloemen; andere hebben takken, die aan den top alleen ♂, naar de basis van den tak ♂ en ♀ bloemen gemengd en geheel van onderen alleen ♀ bloemen dragen; meeldraden langer dan de smalle bloemdekbladeren;vrucht langgerekt, aan den top sterk toegespitst, met een duidelijk kegelvormige punt; bloemdek na den bloei sterk vergroot en de vrucht bijna tot de halve hoogte omhullendMaximiliana.Maripa.13b.Alle takken van de bloeikolf dragen groote ♀ bloemen aan de basis en kleinere ♂ bloemen aan den top; bloemdek uit zeer breede, harde bladeren bestaande, waardoor de bloemknop scherp 3-hoekig is; vrucht eirond tot bolvormig, meest aan den top afgerond; bloemdek klein, blijvend, na den bloei alleen aan de basis van de vrucht zichtbaar en deze niet inhullendCocos.
Klasse:Monocotyledoneae.Orde:Helobiae.15.Alismataceae.Bloemen meest 2-slachtig, met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelk 3-bladig; kroon 3-bladig; meeldraden 6 tot vele, zelden maar 3; vruchtbeginsels 6 tot vele, met 1 tot vele zaadknoppen; water- of moerasplanten, kruiden met melksap.1a.Meeldraden talrijk, niet met elkaar vergroeid; bloemen bijna steeds éénslachtig en éénhuizig; bladeren lancet-lijnvormig, boven het water uitstekendSagittaria.1b.Meeldraden 12 of minder22a.Bladeren langwerpig-lancetvormig; aan den voet niet ingesneden, kortgesteeld. Bloemen in kransen rondom den langen bloeistengelEchinodorus.2b.Bladeren cirkelrond-eirond, langgesteeld aan den voet diep hartvormig ingesneden; in het water drijvend; bloeiwijze vrij kortLophotocarpus.16.Butomaceae.Bloemen tweeslachtig, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3; meeldraden 9 tot vele, in het laatste geval de buitenste zonder stuifmeel; vruchtbeginsels 6 tot vele, vaak aan de basis vereenigd, met vele zaadknoppen, kokervruchten; moeras- of drijvende waterplanten bijna steeds met melksap.Bladeren in het water ondergedoken of op het water drijvend, eirond; bloemen tot 8 c.M. groot, lichtgeel; meeldraden ± 20; vruchtbeginsels 6Hydrocleis.17.Hydrocharitaceae.Bloemen zelden tweeslachtig, meest mannelijk en vrouwelijk, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3, meeldraden 1 × tot 4 × 3, de binnenste en buitenste soms staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandigmet wandstandige zaadlijsten en vele zaadknoppen. Ondergedoken of boven het water uitstekende waterplanten met verspreide of soms in kransen staande bladeren. Bloemen in het begin in een scheede ingesloten.1a.Bladeren in kransen aan den langen ondergedoken stengel; bloemen klein, de ♂ zittend, later van den stengel loslatend en op het water drijvend met 3 meeldraden; ♀ bloemen langgesteeldElodea.1b.Bladeren langgesteeld, eirond, drijvend; bloemen 2–3 bij elkaar in een scheede; meeldraden 6–12Hydromystria.Orde:Glumiflorae.19.Gramina.Bloemen 2-slachtig, zelden mannelijk of vrouwelijk, zonder bloembekleedselen; meeldraden meest 3, zelden 1, 2, 6 of vele, vruchtbeginsel met één zaadknop; stempels 2 of 3, of 1; vrucht een caryopsis, zelden een noot of een bes; meest kruiden, zelden houtige planten met knoopen (halmen) en afwisselende smalle bladeren met een ligula. Bloemen alleenstaand of in groepen (aartjes of bloempakjes); elke bloem in den oksel van een dekblad (onderste kroonkafje), meest ook nog met een tegenover het dekblad staand bloemsteelblaadje (bovenste kroonkafje), soms nog met een daarboven staand derde kroonkafje of met meerdere kroonkafjes; de aartjes of de aparte bloemen meest aan de basis met 2 leege kafjes (kelkkafjes) in pluimen of aarvormige bloeiwijzen.N.B. In de meerderheid van de gevallen is het zeer moeilijk uit te maken wat kelkkafjes en wat kroonkafjes zijn, omdat het aantal kroonkafjes vaak wisselt. In al die gevallen wordt in de tabel gesproken over slechts één kroonkafje, waarmee bedoeld is het kafje dat direct onder de bloem is gezeten; alle andere, lager gezeten kafjes zijn dan kelkkafjes genoemd.1a.Bladeren langgesteeld met een opvallend breede bladschijf; bloeiwijze een pluim met lange takken; aartjes éénslachtig in paren gezeten; het eene aartje zittend met een ♀, het andere gesteeld met een ♂ bloemPharus.1b.Bladeren niet langgesteeld d. i. bladschijf onmiddellijk boven de bladscheede ingehecht of met een zeer kort steeltje ermee verbonden22a.Bloemen met meer dan 6, meest vele meeldraden, in onvertakte aren; aartjes groepsgewijs bijeenstaand, meest een aantal aartjes met ♂ bloemen staande om 1 of 2 met ♀ bloemen; bladeren breed, scheede aan den mond vaak met lange haren bezetPariana.Asmatoe pimpin.2b.Bloemen met 1–3 (of -6) meeldraden33a.Mannelijke aartjes in een groote pluim aan het eind van den stengel; ♀ aartjes dicht gedrongen in meerdere rijen tot een kolf vereenigd, zijdelings aan den stengel staande, omgeven door een scheede, waarbuiten de lange stijlen der ♀ bloemen in een bos uitstekenZea.3b.Bloemen tweeslachtig of indien ze éénslachtig zijn, dan òf in hetzelfde aartje òf in dezelfde bloeiwijze gemengd43c.Bloemen éénslachtig en tweehuizig; in elk aartje 2 tot 4 bloemen, die vrij ver van elkaar staan; het bovenste kelkkafje met een lange naald; asje behaard, evenals de kafjes der ♀ bloemen, tusschen de afzonderlijke bloemen met eene geleding; bloeiwijze een wijde pluim; vrucht door de kafjes ingesloten; groote hooge halmenGynerium.Pijlgras.4a.Bladeren met een duidelijke geleding tusschen bladschijf en bladscheede, op deze geleding breekt het blad af; halmen forsch, van onderen houtig, van duidelijke knoopen voorzien54b.Bladeren zonder geleding tusschen bladschijf en bladscheede65a.Bloemen met 6 meeldraden; aartjes met 2-vele bloemen langs de takken van de bloeiwijze in groepen zittend; asje onder de bloem geleed; bloemen 2-slachtig òf de bovenste ♂ en sommige van de onderste steriel; vruchtbeginsel aan den top behaardBambusa, (incl.Guadua).5b.Bloemen met 3 meeldraden; asje geleed tusschen de bloemen, na den bloei in stukken uiteenvallend; aartjes met 2–7 tweeslachtige bloemen, of de bovenste bloem éénslachtig; onderste 3–4 kafjes leeg, buitenste klein of naaldvormig; vruchtbeginsel kaalArthrostylidium.6a.♂ aartjes aan den top van een takje te voorschijnkomend uit een bolvormig vergroeid hard dekblad, dat het ♀ aartje geheel insluit; halm meermalen vertakt; vruchten groot, van buiten omsloten door het steenharde, licht-blauw-grijze dekbladCoix,Jobstranen.6b.♂ en ♀ bloemen regelmatig over de aartjes of de bloeiwijze verdeeld; ♀ aartjes in ieder geval niet door een bolvormig dekblad ingesloten, òf bloemen tweeslachtig76c.In ieder aartje maar één bloem, bloem nooit tweeslachtig; aartjes afzonderlijk gesteeld in een wijde pluim vereenigd, de ♂ in het onderste deel aan de pluim; de ♀ in het bovenste deel van de pluim; kelkkafjes met één naald, bladeren meest breedOlyra.7a.Twee of meer tweeslachtige bloemen in een aartje87b.Slechts één bloem in elk aartje of als er 2 zijn, dan alleen de bovenste 2-slachtig en vruchtdragend138a.Aartjes in twee, dicht naast elkaar staande rijen langs de as, en zoo een eenzijdige aar vormend98b.Aartje niet in twee rijen langs de as staande, doch in een verschillend gevormde pluim staand119a.Aren niet op hetzelfde punt van de halm bijeenstaand, doch langs de bovenzijde van de halm verdeeld; 6 bloemen per aartje, de kafjes meest kort genaald, soms ook bijna zonder naald; groote plantenLeptochloa.9b.Aren in een groep van 2 tot vele aan het eind van de halm bijeenstaand1010a.Aar met een bloem aan den top eindigend; kafjes samengedrukt, gekield, ongenaald; aren vrij smal; 4–8 bloemen per aartjeEleusine,Mangras.10b.Aar zonder bloem aan den top, doch de as met een puntje buiten het bloemdragende deel voortgezet; kafjes met duidelijke doch korte naalden; aren dik en kort; 3–5 bloemen per aartjeDactyloctenium.11a.Slechts 2 bloemen per aartje, soms maar één, meest tweeslachtig, een enkele maal ♀ of ♂; aartjes op lange steelen afzonderlijk staand, te zamen een zeer wijde pluim vormend; kafjes met een kiel, aan den punt gestekeld doch zonder naaldOrthoclada.11b.Talrijke bloemen in elk aartje, meest tweeslachtig, soms ook enkele ♂ of ♀1212a.Onderste kroonkafje met 1–3 nerven; aartje gesteeld of zittend, een pluim of een smalle aarvormige pluim vormend; alle kafjes vliezig en ongenaald, kroonkafjes na de bloei blijvendEragrostis.12b.Onderste kroonkafje met 5 tot vele nerven, de zijnerven boogvormig naar de middennerf toeloopend; aartjes meest in een losse pluim; kroonkafjes vaak stompPoa.13a.Meeldraden 6; aartjes éénbloemig, alleenstaand op steelen; bloeiwijze een pluim; kelkkafjes 4, de beide onderste klein, de 2 bovenste veel grooter, hard, zijdelings samengedrukt met een scherpe kiel, ongenaald; kroonkafje ontbrekendOryza,Rijst,aleesi.13b.Meeldraden 1–3 per bloem1414a.Aartjes paarsgewijs aan de as van de aar bevestigd, meest ongelijk van vorm, de een gesteeld, de andere zittend1514b.Aartjes niet twee aan twee aan de as van de aar zittend, wel soms in 2 rijen, maar dan de beide steeltjes niet op één punt vastzittend; indien de aartjes soms twee aan twee staan (bij sommige Paspalum-soorten) dan zijn de steeltjes even lang en de aartjes gelijk van vorm2015a.As van de aar plat met groote holten die aan de buitenzijde afgesloten worden door het onderste kafje van een aartje; in de aldus gevormde holte zit de bloem; het zittende aartje van elk paar is tweeslachtig, het gesteelde ♀; bloeiwijze een enkelvoudige aar, die uit de oksels van de bladeren te voorschijn komtManisuris.15b.As van de aar zonder holten1616a.Beide aartjes van elk paar met een tweeslachtige bloem of de een met een tweeslachtige, de andere met een ♀ bloem, in ieder geval beide vruchtdragend1716b.Van elk paar aartjes heeft de een een tweeslachtige bloem, de andere alleen een ♂ bloem of bloemen1817a.Aren 2 tot vele bij elkaar, aan het eind van den halm zittend; in het zittende aartje van elk paar vindt men onder de tweeslachtige bloem ook nog een ♂ bloem; een van de kafjes langgenaaldIschaemum.17b.Aren niet bij elkaar aan de halm staand, doch een vertakte pluim vormend, alle aartjes eenbloemig, het zittende tweeslachtig, het gesteelde eraan gelijk of alleen ♀; kafjes spits doch ongenaaldSaccharum.18a.Het zittende aartje met twee bloemen, een bovenste tweeslachtige en een onderste ♂ bloem; het bovenste kafje genaald; het gesteelde aartje van het paar met 1 of 2 ♂ bloemenIschaemum.18b.Tenminste het aartje met de tweeslachtige of ♀ bloem éénbloemig1919a.Het aartje met de ♂ bloem zittend of kortgesteeld, dat met de tweeslachtige bloem langgesteeld; het bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem voorzien van een lange behaarde naald; aren groepsgewijs aan het eind van den halm staandeTrachypogon.19b.Het aartje met de ♂ bloemen gesteeld, dat met de tweeslachtige of ♀ bloem zittend; bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem genaald of ongenaald; aren alleenstaand of aan den top van den helm in een groep bij elkaar of tot samengestelde pluimen vereenigdAndropogon,Vétivert.20a.Aartjes steeds eenbloemig, de beide onderste kelkkafjes met lange,witte, zijdeachtige haren bezet; de beide bovenste kelkkafjes kaal; bloem tweeslachtig met één meeldraad; bloeiwijze een pluim met opgerichte takken, zoodat het geheel op een aar gelijktImperata.20b.Aartjes één- of 2-bloemig; meeldraden bijna steeds 3 (soms 2) per bloem2121a.Aartjes aan den voet met een massa borstelige haren of stekels; geheele bloeiwijze aarvormig2221b.Aartjes zonder borstelige haren of stekels aan den voet, of indien er haren aanwezig zijn, dan zijn de kelkkafjes zelf met dunne haren bezet2322a.Aartjes omgeven door een omhulsel dat met borstelige haren of stekels bezet is, en dat met het geheele aartje en de vrucht afvalt; aar vrij ijl, bezet met groepsgewijs- of alleenstaande aartjes; elk aartje met een tweeslachtige bloem of met een tweeslachtige en daaronder een ♂ bloemCenchrus.22b.Borstelvormige haren of stekels niet tot een omhulsel vergroeid; daardoor ook aan de as zitten blijvend, als de vrucht met het aartje afvalt; aartjes zeer dicht opeengedrongen aan de as staand; bloemen als de vorigeSetaria.23a.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje schijnbaar eindelings zittend, dus het asje afsluitend2423b.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje zijdelings zittend, zoodat het asje zich nog verder boven de bloem voortzet3124a.Hoofdas van de halm afgeplat, voorzien van zeer korte zijassen, die ieder zijdelings 1–5 aartjes dragen; deze zijn dicht tegen de hoofdas aangedrukt, zoodat het geheel den indruk maakt van een enkelvoudige aar; planten min of meer kruipendStenotaphrum.24b.Bloeiwijze bestaande uit een of meer lange aren, waarvan de assen bezet zijn met zittende of gesteelde aartjes, of bloeiwijze een wijde pluim2525a.Elk aartje met 3 (of 2) kelkkafjes en één kroonkafje; slechts één bloem per aartje2625b.Elk aartje met 4 kelkkafjes en één kroonkafje, het derde kelkkafje soms met een ♂ bloem in den oksel, het vierde steeds met een tweeslachtige bloem3026a.Kelkkafjes smal, de beide onderste met een kiel, het bovenste met een lange 3-deelige naald; 2 lodiculae aanwezig; asje van het aartje geleed boven de beide onderste kelkkafjes, zoodat deze na het uitvallen der bloem blijven zitten. Bloemen in pluimen of schijnarenAristida.26b.Kafjes ongenaald of (bij Eriochloa) zeer kort genaald; geleding van het asje, indien aanwezig, onder de kafjes2727a.Direct onder het onderste kafje van het aartje, boven de geleding, zit een meest gekleurde verdikking van het asje; aartjes regelmatig langs de as staande in aren, en deze weer tot een pluim vereenigd; onderste kelkkafjes spits, behaard, het derde hard, met een korte naald, die niet buiten het aartje uitsteekt. Kroonkafje zonder naald, doch overigens gelijkend op het bovenste kelkkafjeEriochloa.27b.Asje onder het aartje zonder woekering, hoogstens met een geleding2828a.Aartjes duidelijk in twee rijen langs de as van de aar gezeten en tegen de as aangedrukt; kelkkafjes 2 of 3, het onderste of de beide onderste klein en dun, het bovenste eirond en hard; aren soms alleenstaand aan het eind van den halm, of in groepen, soms ook een pluim vormendPaspalum.28b.Aartjes eenbloemig, tot éénzijdige aren vereenigd, aan de as zittend of bijna zittend in twee rijen, dicht over elkaar liggend; de aren op hun beurt weer aarvormig langs het boveneind van den halm zittend opgericht en tegen den halm aangedrukt; de beide onderste kelkkafjes smal en gekield, het bovenste vliezigSpartina.28c.Aartjes niet in twee rijen langs de as staande doch een onregelmatig vertakte, soms min of meer aarvormige pluim vormend2929a.Pluim vrij wijd lang behaard; de 3 kelkkafjes vliezig; kroonkafjetijdensden bloei dunvliezig, later verhardend en de vrucht omsluitend; aartje duidelijk geleed met de asLeptocoryphium.29b.Pluim smal met opgerichte takken, onbehaard of kort-behaard; aartje niet duidelijk geleed met de as; vrucht geheel vrij van de kafjesSporobolus.30a.Bovenste kelkkafje aan den voet met een aanhangsel; aartjes kortgesteeld aan de takken van een pluimIchnanthus.30b.Bovenste kelkkafje zonder aanhangsel aan den voet; onderste kelkkafje zeer klein, 2deen 3degrooter, stomp of genaald, het derde soms met een ♂ bloem, het 4dekelkkafje steeds ongenaald en hard, het kroonkafje insluitend; bloeiwijzen zeer verschillend; aartjes soms gesteeld in wijde pluimen, soms in aren en deze te samen een pluim vormend, soms ook minder samengesteldPanicumPaardengras.31a.Aartjes vereenigd tot eenzijdige aren, deze aren staan langs het bovendeel van den halm verspreid en vormen een pluim; de beide onderste kelkkafjes spits of kortgenaald; het 3demet een lange rechte naald; asje van het aartje boven de bloem voortgezet en daar een langgenaald kafje of alleen een naald dragendGymnopogon.31b.Aartjes als bij de vorige tot eenzijdige aren vereenigd, doch deze handvormig bij elkaar aan het eind van den stengel staand3232a.De 3 kelkkafjes en het kroonkafje ongeveer even lang, ongenaald; de bovenste met 1 of 2 behaarde kielen, as van het aartje boven de bloem voortgezet als een puntje zonder verdere schubben of kafjesCynodon.32b.De 2 onderste kelkkafjes ongelijk van grootte, smal en plat, gekield, ongenaald; het 3delangbehaard, genaald (of soms ongenaald); kroonkafje groot met 2 kielenChloris.20.Cyperaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, naakt, of zelden met een enkelvoudig bloemdek; meeldraden meest 3–1, zelden meer; vruchtbeginsel eenhokkig met 1 zaadknop en met 3 of 2 stijlen met draadvormige stempels; zaad niet met de vruchtwand vergroeid; kruiden met meest scherp driekantige, zelden gelede en van knoopen voorziene stengels en smalle bladeren met gesloten scheeden; bloemen in aartjes-achtige trosjes, die tot aar- of pluimvormige bloeiwijzen vereenigd zijn.1a.De bloemen, die een vruchtbeginsel hebben, hebben steeds óók meeldraden; daarnaast komen ook alléén ♂ bloemen voor. (Zie ook 18a en 24 van deze lijst)21b.Alle bloemen éénslachtig182a.Hoogstens 2 (soms ook maar 1 of geen enkel) van de onderste kafjes der aartjes zonder bloemen32b.Drie tot meer van de onderste kafjes zonder bloemen143a.Kafjes in 2 rijen43b.Kafjes in 3 tot meer rijen94a.Stijl met 2 takken54b.Stijl met 3 takken75a.Nootje aan rug- en buikzijde afgeplat, zoodat de grootste breedte naar de as van het aartje toegekeerd is. Aartjes 5–6-bloemig, as van het aartje na den bloei blijvend. Onderste 2 kafjes zonder bloemen, blijvend, de volgende in 2 rijen. Meeldraden 1–3. Naakte halm met één hoofdje van aartjes aan het eindJuncellus(Cyperus).5b.Nootje zijdelings samengedrukt, zoodat de smalste kant naar de as toegekeerd is66a.As van het aartje boven de twee onderste leege kafjes afvallend, vóór het afvallen is op die plaats een geleding in de as te zien. Aartjes met 4–5 kafjes. Meestal draagt alleen het derde een bloem en zijn de twee kafjes aan den top ook leeg, evenals de beide onderste. Aartjes in één of meer zittende hoofdjes aan den top van den kalen stengel; onder de hoofdjes 2–4 bladerenKyllingia.6b.Deel van de as boven de beide onderste leege kafjes niet afvallend. Aartjes met 5–6-∞ kafjes, waarvan er minstens 4 bloemen dragen en er slechts weinigen aan den top leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Aartjes aan den top van de assen, welke te samen weer schermvormig aan het einde van den bloeistengel staan. Direct onder het scherm eenige bladeren in een krans; halm overigens naaktPycreus(Cyperus).7a.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes niet afvallend. Aartjes 5–6-∞ bloemig, waarvan er minstens 4 bloemen dragen, terwijl enkele van de bovenste leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Noot 3-hoekig, soms van voren een weinig samengedrukt. Halm naakt; aartjes tros- of handvormig samengesteld en deze trossen in een scherm aan het eind van den stengel staande of soms tot een hoofdje bijeenkomendCyperus.7b.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes na den bloei afvallend88a.As van het aartje in zijn geheel afvallend, 1-weinig-veelbloemig. Vruchtdragende kafjes blijvend. Bladeren lang, smal en groen; overigens als CyperusMariscus.8b.As van het aartje in stukken uiteenvallend, elk stuk met één vruchtdragend kafje. Aartje met 4–16 vruchtdragende kafjes, cylindrisch, zeer lang en dun, samengesteld tot trossen, en deze weer één of meervoudig in schermen bijeenkomend. Halm, behalve onder de bloeiwijze, naaktTorulinium(Cyperus).9a.Stijlen aan de basis opgezwollen, scherp gescheiden van den top van den noot109b.Stijlen aan de basis niet opgezwollen, geleidelijk overgaand in den top van den noot1210a.Rondom het vruchtbeginsel staan 3–8 haren, die vaak met weerhaakjes bezet zijn. Kafjes zeer talrijk, meest stomp. Meeldraden3–1; stijl met 2 of 3 takken, kaal. Halm geheel (ook aan den voet) zonder bladeren, met één hoofdje aan den topHeleocharis.10b.Geen stekels om het vruchtbeginsel; plant meest met bladeren1111a.Stijl blijvend aan den noot, òf zoo de stijl afvalt, dan valt ook de verdikte stijlbasis af. Kafjes talrijk, dakpansgewijs over elkaar liggend, velen ervan vruchtdragend. Meeldraden 3–1; stijl met 3 of 2 takken. Nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in losse 1 of meermaal samengestelde schermen aan het eind van den stengelFimbristylis.11b.Stijl afvallend, doch de verdikte en anders gekleurde stijlbasis aan den noot blijvend. Vruchtdragende kafjes meest een weinig behaard; takken van den stijl steeds 3, meeldraden 3–1, nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in groepen bijeen, soms tot schermen vereenigd, soms 1 hoofdje aan het eind van den stengel vormend. Bladeren zeer smal, soms naaldvormigBulbostylis.12a.Zoowel de plant als de aartjes kaal of bijna kaal1312b.Plant min of meer, doch vooral de aartjes duidelijk behaard. Onder het vruchtbeginsel 3 eironde schubjes. Kafjes behaard, aan den top gestekeld; aartjes vrij groot, tot 1 c.M. lang, langs het bovenste deel van den halm een lange samengestelde bloeiwijze vormend. Halm bebladerdFuirena.13a.Onder het vruchtbeginsel 2 hyaline schubjes, de een naar de as toegekeerd, de andere ervan af gekeerd, grooter dan de noot. Stijl vrij klein met 2 of 3 takken. Halmen alleen aan de basis en onder de bloeiwijzen bladeren dragend. Aartjes tot één hoofdje samenkomend aan het eind van den stengelLipocarpha.13b.Onder het vruchtbeginsel nooit 2 schubben, (in één enkel geval één zijdelingsche schub), doch 0-vele haren. Aartjes met vele vruchtjes. De onderste 0–2 kafjes leeg, kaal behalve aan de randen. Stijl met 2–3 takken. Halmen naaktScirpus.14a.Stijl met twee takken1514b.Stijl met drie takken1715a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig zijn, onvertakt, draadvormig1615b.Haren onder het vruchtbeginsel 6–3 in getal; over de geheele lengte met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar liggend, de 3–4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de bovenste òf alleen met ♂ of met steriele bloemen. Stijl lang, met 2 lange takken; stijlbasis kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd, bloeiwijze klein, trosvormig, in den oksel van de bladeren staandPleurostachys.16a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste kafjes leeg; slechts 1–3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met ♂ of met steriele bloemen; 3–2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne takken die langer zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle bladeren en maar één meest wit of bruinachtig hoofdje van weinig aartjes aan het eind van den naakten halm, die alleen direct onder de bloeiwijze eenige bladeren draagtDichromena.16b.Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig, soms aanwezig. Drie tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot vele vruchtdragend, de bovenste met ♂ bloemen of leeg. Meeldraden3–2; stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen òf meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en samengesteld uit zeer veel aartjesRhynchospora.17a.Groote planten. Aartjes met 2–4 leege kafjes van onderen, daarboven 1–4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met 3 lange takken. Bloeiwijze sterk vertakt, verlengdCladium.17b.Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en alleen het 4debovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht dragend. Stijl geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes in korte trosjes staand; eenige van die trosjes zittend aan het eind van den halmRemiria.18a.Alle bloemen eenslachtig; de ♀ bloem in het aartje eindstandig, naakt; daaromheen 2–10 ♂ bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat men het aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2–10 meeldraden2418b.Alle bloemen éénslachtig, de ♀ bloem meest niet naakt, maar van een kafje voorzien; de ♂ duidelijke aartjes vormend1919a.Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen ♂, van boven alleen ♀ aartjes dragend2019b.Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot dichte hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de ♀ en de ♂ bloemen onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje2120a.Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1–2 M. lang, driehoekig, glad. ♀ bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje zonder ♂ bloemen erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele ♂ bloemen bijeen in aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig,niet voorzien van 3–5 groevenLagenocarpus.20b.Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige, maar vruchten 3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribbenCryptangium.21a.Aartjes met weinig bloemen, soms ♂ en ♀ bloemen in één aartje, en dan de ♀ bloem het onderst en de hoogere ♂ òf sommige aartjes ♂, andere ♀ en dan de ♀ bloem alleenstaand met eenige rudimentaire bloemen erboven, en de ♂ bloemen in veelbloemige aartjes. Kafje van de ♀ bloem open, niet om het vruchtbeginsel tot een urntje vergroeid. Nootje hard, beenachtig, meest wit, soms grijs of purper, met een donkerder top. Bloeiwijzen meest in sterk vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen bloeiwijze maar dan de halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak scherp driehoekigScleria.Baboen-nefi.21b.In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes2222a.Kafje rondom de ♀ bloem met de randen tot een urntje met een lange hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals uit. Aartjes steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt alleen de ♀ bloem, de beide zijdelingsche dragen 2–3 ♂ bloemen met ieder 1 meeldraad. Planten met lange smalle bladeren met enkele krachtige evenwijdige nerven; bladeren met breede scheeden, die elkaar van onderen dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met enkele schubben, verder naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in een groep van weinige gestekelde bolvormige hoofdjesBisboeckeleria(Hoppia).22b.Kafje rondom de vrouwelijke bloem niet urnvormig vergroeid2323a.♀ aartje met 3 kafjes en één eindstandig vruchtbeginsel met een lange stijl met 3 takken. Daarnaast ♂ aartjes met 2 ♂ bloemen ieder met 3 meeldraden. Aartjes vereenigd tot groote gesteelde, bolvormige hoofdjes, die hetzij alleen, hetzij in paren of 3–4, in den oksel van de stengelbladeren staan. Bladeren lang, smalDiplacrum.23b.Aartjes met 1 eindelingsche ♀ bloem met 2 kafjes en daaronder 2–4 mannelijke bloemen. Vruchtbeginsel met een korte stijl met 2 takken; ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. Aartjes in zeer kleine gesteelde of ongesteelde hoofdjes, waarvan er talrijke een samengestelde bloeiwijze in den oksel van de bladeren vormen.Calyptrocarya.24a.Eén of meerdere dichtgedrongen zittende hoofdjes aan het eind van den stengel, direct daaronder 3 groote breede bladeren. ♀ bloem met een lange stijl met 3 takken, ♂ bloemen 3, ieder met 1 meeldraad, schijnbaar een tweeslachtige bloem vormend met het vruchtbeginselMapania.24b.Meerdere hoofdjes aan het eind van den stengel en niet met breede bladeren daaronder, of een vertakte bloeiwijze. Stijltakken 22525a.Aartjes bestaande uit 3 bloemen, waarvan de middelste alleen uit een vruchtbeginsel bestaat, daaromheen 2–4 ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. De aartjes vormen samen aren, die niet meer dan 5 m.M. lang zijn, deze komen in eenige zittende hoofdjes aan het eind van den stengel samen, of vormen een sterker vertakte bloeiwijzeHypolytrum.25b.Aartjes bestaande uit 6–9 éénslachtige bloemen, waarvan de middelste (eigenlijk bovenste) uit een vruchtbeginsel bestaat, de andere 5–8 mannelijk zijn en ieder één meeldraad hebben. De aartjes vereenigen zich tot 3 c.M. lange cylindrische aren, die langgesteeld zijn en te samen een min of meer schermvormige bloeiwijze vormen. Groote krachtige plant met vrij breede scherpe bladerenDiplasia.Orde:Principes.21.Palmae.Bloemen meest door reductie van meeldraden of stamper éénslachtig; bloemdek ongekleurd, of weinig gekleurd, zelden ontbrekend; de buitenste bloemdekbladeren vaak kleiner dan de binnenste; meeldraden 6, zelden 3, vaker 9 tot vele, vrij of vergroeid met elkaar. Vruchtbeginsels 3 of 1, in het laatste geval 3- of 1-hokkig, soms met maar 1 zaadknop; vrucht een bes of een steenvrucht; meest boomvormige, onvertakte planten, soms klimmend met zeer gestrekte internodiën; bloeiwijzen okselstandig, door scheeden omhuld, bladeren handvormig of vinvormig gedeeld of ingesneden.N. B. Het determineeren der palmen levert verschillende moeielijkheden op, die ten deele hun oorzaak hierin vinden, dat maar zelden volledige exemplaren (d. i. met mannelijke en vrouwelijke bloemen, spatha en vruchten) gevonden worden, ten deele ook hierin, dat men de soorten, en vooral die van Suriname nog slechts ten deele kent. Zelfs is het waarschijnlijk dat er in Suriname nog geslachten van Palmen gevonden zullen worden, wier voorkomen er tot nu toe niet aangetoond was. Dit alles maakt, dat men onderstaande tabel met eenige voorzichtigheid moet gebruiken.1a.Bladeren waaiervormig ingesneden en handnervig; bloeikolf eenmaal vertakt; bloemen tweehuizig; ♂ bloemen in lange dichte aren; ♀ bloemen aan veel kortere zijtakken van den kolf; bes aan den top ingedruktMauritia.Maurisie.1b.Bladeren vinnervig en vindeelig of gevind22a.Stammen dun, klimmend; middenrib van het blad eindigend in een lange, dunne, met teruggebogen paarsgewijs staande stekels bedekte draadDesmoncus.Bamba maka;Bamboesi maka.2b.Stammen niet klimmend; middenrib van het blad niet verlengd33a.Stam lang, niet gestekeld, aan den voet met gestekelde luchtwortels, bladeren gevind; segmenten naar den voet versmald, naar den top verbreed en afgeknotIreartea.Injie-pina.3b.Geen gestekelde luchtwortels aan den voet van de stam44a.Bladeren enkelvoudig, alleen aan den top ingesneden of met zeer weinig segmenten, die met een breede voet aan de middenrib vastzitten (Zie ook Bactris)54b.Bladeren gevind met talrijke smalle segmenten65a.Stam laag, ongestekeld of ontbrekend, bladeren zeer groot, enkelvoudig, aan den top ingesneden, vaak ingescheurd; bloeikolf éénmaal vertakt; ♂ bloemen met 20–30 meeldraden; vruchten meest 3-lobbig met stompe, scherpkantige korte stekels bedektManicaria.Troelie.5b.Stam slank en dun, glad, bladeren kleiner dan de vorige,vaak gevind, doch dan met weinig segmenten; bloeikolf enkelvoudig of één tot meermalen vertakt; ♂ bloemen met 6 meeldraden; vrucht een gladde eenzadige besGeonoma.Tastikie.6a.Stammen en bladeren met meest zwarte stekels bezet76b.Stammen en bladeren zonder zwarte stekels (Zie ook Bactris)87a.Stam hoog, bezet met de resten van de bladsteelen en met zwarte stekels; bladeren met vele segmenten, die in groepen aan 2 of 3 bij elkaar staan; bladsteel en middenrib van boven met zwarte stekels bezet; segmenten van onderen behaard; bloeikolf tusschen de bladeren staand, éénmaal vertakt; hoofdsteel van de kolf in een lange bloemdragende staart uitloopend; aan de basis met weinige alleenstaande ♀ bloemen, aan den top dicht bezet met talrijke dichtopeengedrongen ♂ bloemen met 6 meeldraden; bloeischeede groot, sterk gestekeld; vrucht ongeveer 4 c.M. in doorsnede bolvormig, kaal, aan den basis met stervormige kelk; steenkern met 2 zadenAcrocomia.7b.Stammen vrij hoog of ontbrekend; bladeren met vele segmenten; deze, maar ook de bladsteel en de middenrib van onderen met vele zwarte stekels; segmenten aan de onderzijde met witte was bedekt; hoofdsteel van de éénmaal vertakte bloeikolf meest gestekeld; ♂ bloemen talrijk met 6 meeldraden, alleenstaand aan het einde der takken; ♀ bloemen met gestekelde kelk; weinige aan de basis der takken van de kolf staand; bloeischeede één, van buiten meest gestekeld of sterk behaard; vrucht eirond met een puntje op den top, aan de basis omgeven door de zwartgestekelde kelk; steen zwart, van onderen spits, van boven afgerond met 3 kiemgaten onder den top, die symmetrisch geplaatst en alle even groot zijn, aan den rand omgeven door stervormige strepenAstrocaryum.7c.Stammen meest dun, klein, soms liggend, zelden rechtopstaand en groot; gestekeld of ongestekeld; bladeren zelden alleen aan den top ingesneden, meest gevind en dan de segmenten regelmatig langs de middenrib of in groepen; segmenten meest aan den top met penseelvormige haren en aan de randen gestekeld of behaard; bloeikolf onvertakt of eenmaal vertakt, de takken van onderen met groepen van 3 bloemen bezet, naar boven overgaand in groepen van 2 ♂ bloemen; ♂ bloemen met spitse bloembladeren; meeldraden op een vleezige schijf ingeplant; ♀ bloemen aan de basis met een ring- of bekervormige kelk, die half zoo lang is als de kroon; vrucht van buiten glad of ruw of gestekeld met een steen met 3 kiemgaten, waarvan er een open is, en anders gevormd dan de beide andere, die gesloten zijn; steen rond, ovaal of onregelmatigBactris.8a.Vrucht zeer groot, meer dan 15 cM. in doorsnede met vezelige buitenlaagCocos.8b.Vrucht hoogstens zoo groot als een kippenei99a.Stammen bijna geheel bezet met de resten van de bladsteelen der afgevallen bladeren; deze resten aan den rand korte doornige segmenten dragend; bloeikolf alleen ♂ of alleen ♀ bloemen dragendElaeis.9b.Stammen (het deel vlak onder den kroon uitgezonderd) niet met bladresten bezet1010a.Takken van de bloeikolf wollig behaard; stam lang, glad, betrekkelijk dikOreodoxa.Palmiet. Koningspalm.10b.Takken van de bloeikolf niet behaard1111a.Vrucht een 1-zadige, blauwe bes, zoo groot als of weinig grooter dan een erwt1211b.Vrucht een steenvrucht; steen met 3 kiemgaten in de onderste helft, onder vezels verborgen1311c.Vrucht een vrij groote oranje-roode bes met sterk-vezelige buitenlaag en 1 zaad, dat op doorsnede vele groeven heeft; stammen lang en dun, bladeren gelijkmatig gevind; kolf tweemaal vertakt; de ♀ bloemen naar één zijde gericht aan de basis der takken, die aan den top talrijke ♂ bloemen dragen; meeldraden 3–6; stempels 3, gescheidenAreca.12a.Stam lang, slank; bladsegmenten van de middenrib af naar beneden hangend; bloeikolf vrij ver van de bladerkroon verwijderd; kelkbladeren der ♂ bloemen breed, elkaar met de randen bedekkend; rest van den stempel zijdelings, ongeveer ter halver hoogte van de bes gezetenEuterpe.Pina. Palisade.12b.Stam vrij dik ten opzichte van de lengte; bladsegmenten niet naar beneden hangend; bloeikolf dicht onder de bladerkroon gezeten; bloemen in groepen van 3, met 2 ♂ en 1 ♀ bloem per groep, kelk aan de ♂ bloem 3-deelig of 3-spletig, randen der kelkbladeren tegen elkaar liggend; stempelrest aan den top van de bes of nauwelijks zijdelingsOenocarpus.Komboe. Patawa.13a.Sommige bloeikolven dragen alleen ♂ bloemen; andere hebben takken, die aan den top alleen ♂, naar de basis van den tak ♂ en ♀ bloemen gemengd en geheel van onderen alleen ♀ bloemen dragen; meeldraden langer dan de smalle bloemdekbladeren;vrucht langgerekt, aan den top sterk toegespitst, met een duidelijk kegelvormige punt; bloemdek na den bloei sterk vergroot en de vrucht bijna tot de halve hoogte omhullendMaximiliana.Maripa.13b.Alle takken van de bloeikolf dragen groote ♀ bloemen aan de basis en kleinere ♂ bloemen aan den top; bloemdek uit zeer breede, harde bladeren bestaande, waardoor de bloemknop scherp 3-hoekig is; vrucht eirond tot bolvormig, meest aan den top afgerond; bloemdek klein, blijvend, na den bloei alleen aan de basis van de vrucht zichtbaar en deze niet inhullendCocos.
Orde:Helobiae.15.Alismataceae.Bloemen meest 2-slachtig, met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelk 3-bladig; kroon 3-bladig; meeldraden 6 tot vele, zelden maar 3; vruchtbeginsels 6 tot vele, met 1 tot vele zaadknoppen; water- of moerasplanten, kruiden met melksap.1a.Meeldraden talrijk, niet met elkaar vergroeid; bloemen bijna steeds éénslachtig en éénhuizig; bladeren lancet-lijnvormig, boven het water uitstekendSagittaria.1b.Meeldraden 12 of minder22a.Bladeren langwerpig-lancetvormig; aan den voet niet ingesneden, kortgesteeld. Bloemen in kransen rondom den langen bloeistengelEchinodorus.2b.Bladeren cirkelrond-eirond, langgesteeld aan den voet diep hartvormig ingesneden; in het water drijvend; bloeiwijze vrij kortLophotocarpus.16.Butomaceae.Bloemen tweeslachtig, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3; meeldraden 9 tot vele, in het laatste geval de buitenste zonder stuifmeel; vruchtbeginsels 6 tot vele, vaak aan de basis vereenigd, met vele zaadknoppen, kokervruchten; moeras- of drijvende waterplanten bijna steeds met melksap.Bladeren in het water ondergedoken of op het water drijvend, eirond; bloemen tot 8 c.M. groot, lichtgeel; meeldraden ± 20; vruchtbeginsels 6Hydrocleis.17.Hydrocharitaceae.Bloemen zelden tweeslachtig, meest mannelijk en vrouwelijk, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3, meeldraden 1 × tot 4 × 3, de binnenste en buitenste soms staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandigmet wandstandige zaadlijsten en vele zaadknoppen. Ondergedoken of boven het water uitstekende waterplanten met verspreide of soms in kransen staande bladeren. Bloemen in het begin in een scheede ingesloten.1a.Bladeren in kransen aan den langen ondergedoken stengel; bloemen klein, de ♂ zittend, later van den stengel loslatend en op het water drijvend met 3 meeldraden; ♀ bloemen langgesteeldElodea.1b.Bladeren langgesteeld, eirond, drijvend; bloemen 2–3 bij elkaar in een scheede; meeldraden 6–12Hydromystria.
Orde:Helobiae.15.Alismataceae.Bloemen meest 2-slachtig, met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelk 3-bladig; kroon 3-bladig; meeldraden 6 tot vele, zelden maar 3; vruchtbeginsels 6 tot vele, met 1 tot vele zaadknoppen; water- of moerasplanten, kruiden met melksap.1a.Meeldraden talrijk, niet met elkaar vergroeid; bloemen bijna steeds éénslachtig en éénhuizig; bladeren lancet-lijnvormig, boven het water uitstekendSagittaria.1b.Meeldraden 12 of minder22a.Bladeren langwerpig-lancetvormig; aan den voet niet ingesneden, kortgesteeld. Bloemen in kransen rondom den langen bloeistengelEchinodorus.2b.Bladeren cirkelrond-eirond, langgesteeld aan den voet diep hartvormig ingesneden; in het water drijvend; bloeiwijze vrij kortLophotocarpus.16.Butomaceae.Bloemen tweeslachtig, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3; meeldraden 9 tot vele, in het laatste geval de buitenste zonder stuifmeel; vruchtbeginsels 6 tot vele, vaak aan de basis vereenigd, met vele zaadknoppen, kokervruchten; moeras- of drijvende waterplanten bijna steeds met melksap.Bladeren in het water ondergedoken of op het water drijvend, eirond; bloemen tot 8 c.M. groot, lichtgeel; meeldraden ± 20; vruchtbeginsels 6Hydrocleis.17.Hydrocharitaceae.Bloemen zelden tweeslachtig, meest mannelijk en vrouwelijk, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3, meeldraden 1 × tot 4 × 3, de binnenste en buitenste soms staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandigmet wandstandige zaadlijsten en vele zaadknoppen. Ondergedoken of boven het water uitstekende waterplanten met verspreide of soms in kransen staande bladeren. Bloemen in het begin in een scheede ingesloten.1a.Bladeren in kransen aan den langen ondergedoken stengel; bloemen klein, de ♂ zittend, later van den stengel loslatend en op het water drijvend met 3 meeldraden; ♀ bloemen langgesteeldElodea.1b.Bladeren langgesteeld, eirond, drijvend; bloemen 2–3 bij elkaar in een scheede; meeldraden 6–12Hydromystria.
15.Alismataceae.Bloemen meest 2-slachtig, met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelk 3-bladig; kroon 3-bladig; meeldraden 6 tot vele, zelden maar 3; vruchtbeginsels 6 tot vele, met 1 tot vele zaadknoppen; water- of moerasplanten, kruiden met melksap.1a.Meeldraden talrijk, niet met elkaar vergroeid; bloemen bijna steeds éénslachtig en éénhuizig; bladeren lancet-lijnvormig, boven het water uitstekendSagittaria.1b.Meeldraden 12 of minder22a.Bladeren langwerpig-lancetvormig; aan den voet niet ingesneden, kortgesteeld. Bloemen in kransen rondom den langen bloeistengelEchinodorus.2b.Bladeren cirkelrond-eirond, langgesteeld aan den voet diep hartvormig ingesneden; in het water drijvend; bloeiwijze vrij kortLophotocarpus.
15.Alismataceae.
Bloemen meest 2-slachtig, met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelk 3-bladig; kroon 3-bladig; meeldraden 6 tot vele, zelden maar 3; vruchtbeginsels 6 tot vele, met 1 tot vele zaadknoppen; water- of moerasplanten, kruiden met melksap.1a.Meeldraden talrijk, niet met elkaar vergroeid; bloemen bijna steeds éénslachtig en éénhuizig; bladeren lancet-lijnvormig, boven het water uitstekendSagittaria.1b.Meeldraden 12 of minder22a.Bladeren langwerpig-lancetvormig; aan den voet niet ingesneden, kortgesteeld. Bloemen in kransen rondom den langen bloeistengelEchinodorus.2b.Bladeren cirkelrond-eirond, langgesteeld aan den voet diep hartvormig ingesneden; in het water drijvend; bloeiwijze vrij kortLophotocarpus.
Bloemen meest 2-slachtig, met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelk 3-bladig; kroon 3-bladig; meeldraden 6 tot vele, zelden maar 3; vruchtbeginsels 6 tot vele, met 1 tot vele zaadknoppen; water- of moerasplanten, kruiden met melksap.
1a.Meeldraden talrijk, niet met elkaar vergroeid; bloemen bijna steeds éénslachtig en éénhuizig; bladeren lancet-lijnvormig, boven het water uitstekendSagittaria.
1b.Meeldraden 12 of minder2
2a.Bladeren langwerpig-lancetvormig; aan den voet niet ingesneden, kortgesteeld. Bloemen in kransen rondom den langen bloeistengelEchinodorus.
2b.Bladeren cirkelrond-eirond, langgesteeld aan den voet diep hartvormig ingesneden; in het water drijvend; bloeiwijze vrij kortLophotocarpus.
16.Butomaceae.Bloemen tweeslachtig, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3; meeldraden 9 tot vele, in het laatste geval de buitenste zonder stuifmeel; vruchtbeginsels 6 tot vele, vaak aan de basis vereenigd, met vele zaadknoppen, kokervruchten; moeras- of drijvende waterplanten bijna steeds met melksap.Bladeren in het water ondergedoken of op het water drijvend, eirond; bloemen tot 8 c.M. groot, lichtgeel; meeldraden ± 20; vruchtbeginsels 6Hydrocleis.
16.Butomaceae.
Bloemen tweeslachtig, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3; meeldraden 9 tot vele, in het laatste geval de buitenste zonder stuifmeel; vruchtbeginsels 6 tot vele, vaak aan de basis vereenigd, met vele zaadknoppen, kokervruchten; moeras- of drijvende waterplanten bijna steeds met melksap.Bladeren in het water ondergedoken of op het water drijvend, eirond; bloemen tot 8 c.M. groot, lichtgeel; meeldraden ± 20; vruchtbeginsels 6Hydrocleis.
Bloemen tweeslachtig, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3; meeldraden 9 tot vele, in het laatste geval de buitenste zonder stuifmeel; vruchtbeginsels 6 tot vele, vaak aan de basis vereenigd, met vele zaadknoppen, kokervruchten; moeras- of drijvende waterplanten bijna steeds met melksap.
Bladeren in het water ondergedoken of op het water drijvend, eirond; bloemen tot 8 c.M. groot, lichtgeel; meeldraden ± 20; vruchtbeginsels 6Hydrocleis.
17.Hydrocharitaceae.Bloemen zelden tweeslachtig, meest mannelijk en vrouwelijk, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3, meeldraden 1 × tot 4 × 3, de binnenste en buitenste soms staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandigmet wandstandige zaadlijsten en vele zaadknoppen. Ondergedoken of boven het water uitstekende waterplanten met verspreide of soms in kransen staande bladeren. Bloemen in het begin in een scheede ingesloten.1a.Bladeren in kransen aan den langen ondergedoken stengel; bloemen klein, de ♂ zittend, later van den stengel loslatend en op het water drijvend met 3 meeldraden; ♀ bloemen langgesteeldElodea.1b.Bladeren langgesteeld, eirond, drijvend; bloemen 2–3 bij elkaar in een scheede; meeldraden 6–12Hydromystria.
17.Hydrocharitaceae.
Bloemen zelden tweeslachtig, meest mannelijk en vrouwelijk, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3, meeldraden 1 × tot 4 × 3, de binnenste en buitenste soms staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandigmet wandstandige zaadlijsten en vele zaadknoppen. Ondergedoken of boven het water uitstekende waterplanten met verspreide of soms in kransen staande bladeren. Bloemen in het begin in een scheede ingesloten.1a.Bladeren in kransen aan den langen ondergedoken stengel; bloemen klein, de ♂ zittend, later van den stengel loslatend en op het water drijvend met 3 meeldraden; ♀ bloemen langgesteeldElodea.1b.Bladeren langgesteeld, eirond, drijvend; bloemen 2–3 bij elkaar in een scheede; meeldraden 6–12Hydromystria.
Bloemen zelden tweeslachtig, meest mannelijk en vrouwelijk, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3, meeldraden 1 × tot 4 × 3, de binnenste en buitenste soms staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandigmet wandstandige zaadlijsten en vele zaadknoppen. Ondergedoken of boven het water uitstekende waterplanten met verspreide of soms in kransen staande bladeren. Bloemen in het begin in een scheede ingesloten.
1a.Bladeren in kransen aan den langen ondergedoken stengel; bloemen klein, de ♂ zittend, later van den stengel loslatend en op het water drijvend met 3 meeldraden; ♀ bloemen langgesteeldElodea.
1b.Bladeren langgesteeld, eirond, drijvend; bloemen 2–3 bij elkaar in een scheede; meeldraden 6–12Hydromystria.
Orde:Glumiflorae.19.Gramina.Bloemen 2-slachtig, zelden mannelijk of vrouwelijk, zonder bloembekleedselen; meeldraden meest 3, zelden 1, 2, 6 of vele, vruchtbeginsel met één zaadknop; stempels 2 of 3, of 1; vrucht een caryopsis, zelden een noot of een bes; meest kruiden, zelden houtige planten met knoopen (halmen) en afwisselende smalle bladeren met een ligula. Bloemen alleenstaand of in groepen (aartjes of bloempakjes); elke bloem in den oksel van een dekblad (onderste kroonkafje), meest ook nog met een tegenover het dekblad staand bloemsteelblaadje (bovenste kroonkafje), soms nog met een daarboven staand derde kroonkafje of met meerdere kroonkafjes; de aartjes of de aparte bloemen meest aan de basis met 2 leege kafjes (kelkkafjes) in pluimen of aarvormige bloeiwijzen.N.B. In de meerderheid van de gevallen is het zeer moeilijk uit te maken wat kelkkafjes en wat kroonkafjes zijn, omdat het aantal kroonkafjes vaak wisselt. In al die gevallen wordt in de tabel gesproken over slechts één kroonkafje, waarmee bedoeld is het kafje dat direct onder de bloem is gezeten; alle andere, lager gezeten kafjes zijn dan kelkkafjes genoemd.1a.Bladeren langgesteeld met een opvallend breede bladschijf; bloeiwijze een pluim met lange takken; aartjes éénslachtig in paren gezeten; het eene aartje zittend met een ♀, het andere gesteeld met een ♂ bloemPharus.1b.Bladeren niet langgesteeld d. i. bladschijf onmiddellijk boven de bladscheede ingehecht of met een zeer kort steeltje ermee verbonden22a.Bloemen met meer dan 6, meest vele meeldraden, in onvertakte aren; aartjes groepsgewijs bijeenstaand, meest een aantal aartjes met ♂ bloemen staande om 1 of 2 met ♀ bloemen; bladeren breed, scheede aan den mond vaak met lange haren bezetPariana.Asmatoe pimpin.2b.Bloemen met 1–3 (of -6) meeldraden33a.Mannelijke aartjes in een groote pluim aan het eind van den stengel; ♀ aartjes dicht gedrongen in meerdere rijen tot een kolf vereenigd, zijdelings aan den stengel staande, omgeven door een scheede, waarbuiten de lange stijlen der ♀ bloemen in een bos uitstekenZea.3b.Bloemen tweeslachtig of indien ze éénslachtig zijn, dan òf in hetzelfde aartje òf in dezelfde bloeiwijze gemengd43c.Bloemen éénslachtig en tweehuizig; in elk aartje 2 tot 4 bloemen, die vrij ver van elkaar staan; het bovenste kelkkafje met een lange naald; asje behaard, evenals de kafjes der ♀ bloemen, tusschen de afzonderlijke bloemen met eene geleding; bloeiwijze een wijde pluim; vrucht door de kafjes ingesloten; groote hooge halmenGynerium.Pijlgras.4a.Bladeren met een duidelijke geleding tusschen bladschijf en bladscheede, op deze geleding breekt het blad af; halmen forsch, van onderen houtig, van duidelijke knoopen voorzien54b.Bladeren zonder geleding tusschen bladschijf en bladscheede65a.Bloemen met 6 meeldraden; aartjes met 2-vele bloemen langs de takken van de bloeiwijze in groepen zittend; asje onder de bloem geleed; bloemen 2-slachtig òf de bovenste ♂ en sommige van de onderste steriel; vruchtbeginsel aan den top behaardBambusa, (incl.Guadua).5b.Bloemen met 3 meeldraden; asje geleed tusschen de bloemen, na den bloei in stukken uiteenvallend; aartjes met 2–7 tweeslachtige bloemen, of de bovenste bloem éénslachtig; onderste 3–4 kafjes leeg, buitenste klein of naaldvormig; vruchtbeginsel kaalArthrostylidium.6a.♂ aartjes aan den top van een takje te voorschijnkomend uit een bolvormig vergroeid hard dekblad, dat het ♀ aartje geheel insluit; halm meermalen vertakt; vruchten groot, van buiten omsloten door het steenharde, licht-blauw-grijze dekbladCoix,Jobstranen.6b.♂ en ♀ bloemen regelmatig over de aartjes of de bloeiwijze verdeeld; ♀ aartjes in ieder geval niet door een bolvormig dekblad ingesloten, òf bloemen tweeslachtig76c.In ieder aartje maar één bloem, bloem nooit tweeslachtig; aartjes afzonderlijk gesteeld in een wijde pluim vereenigd, de ♂ in het onderste deel aan de pluim; de ♀ in het bovenste deel van de pluim; kelkkafjes met één naald, bladeren meest breedOlyra.7a.Twee of meer tweeslachtige bloemen in een aartje87b.Slechts één bloem in elk aartje of als er 2 zijn, dan alleen de bovenste 2-slachtig en vruchtdragend138a.Aartjes in twee, dicht naast elkaar staande rijen langs de as, en zoo een eenzijdige aar vormend98b.Aartje niet in twee rijen langs de as staande, doch in een verschillend gevormde pluim staand119a.Aren niet op hetzelfde punt van de halm bijeenstaand, doch langs de bovenzijde van de halm verdeeld; 6 bloemen per aartje, de kafjes meest kort genaald, soms ook bijna zonder naald; groote plantenLeptochloa.9b.Aren in een groep van 2 tot vele aan het eind van de halm bijeenstaand1010a.Aar met een bloem aan den top eindigend; kafjes samengedrukt, gekield, ongenaald; aren vrij smal; 4–8 bloemen per aartjeEleusine,Mangras.10b.Aar zonder bloem aan den top, doch de as met een puntje buiten het bloemdragende deel voortgezet; kafjes met duidelijke doch korte naalden; aren dik en kort; 3–5 bloemen per aartjeDactyloctenium.11a.Slechts 2 bloemen per aartje, soms maar één, meest tweeslachtig, een enkele maal ♀ of ♂; aartjes op lange steelen afzonderlijk staand, te zamen een zeer wijde pluim vormend; kafjes met een kiel, aan den punt gestekeld doch zonder naaldOrthoclada.11b.Talrijke bloemen in elk aartje, meest tweeslachtig, soms ook enkele ♂ of ♀1212a.Onderste kroonkafje met 1–3 nerven; aartje gesteeld of zittend, een pluim of een smalle aarvormige pluim vormend; alle kafjes vliezig en ongenaald, kroonkafjes na de bloei blijvendEragrostis.12b.Onderste kroonkafje met 5 tot vele nerven, de zijnerven boogvormig naar de middennerf toeloopend; aartjes meest in een losse pluim; kroonkafjes vaak stompPoa.13a.Meeldraden 6; aartjes éénbloemig, alleenstaand op steelen; bloeiwijze een pluim; kelkkafjes 4, de beide onderste klein, de 2 bovenste veel grooter, hard, zijdelings samengedrukt met een scherpe kiel, ongenaald; kroonkafje ontbrekendOryza,Rijst,aleesi.13b.Meeldraden 1–3 per bloem1414a.Aartjes paarsgewijs aan de as van de aar bevestigd, meest ongelijk van vorm, de een gesteeld, de andere zittend1514b.Aartjes niet twee aan twee aan de as van de aar zittend, wel soms in 2 rijen, maar dan de beide steeltjes niet op één punt vastzittend; indien de aartjes soms twee aan twee staan (bij sommige Paspalum-soorten) dan zijn de steeltjes even lang en de aartjes gelijk van vorm2015a.As van de aar plat met groote holten die aan de buitenzijde afgesloten worden door het onderste kafje van een aartje; in de aldus gevormde holte zit de bloem; het zittende aartje van elk paar is tweeslachtig, het gesteelde ♀; bloeiwijze een enkelvoudige aar, die uit de oksels van de bladeren te voorschijn komtManisuris.15b.As van de aar zonder holten1616a.Beide aartjes van elk paar met een tweeslachtige bloem of de een met een tweeslachtige, de andere met een ♀ bloem, in ieder geval beide vruchtdragend1716b.Van elk paar aartjes heeft de een een tweeslachtige bloem, de andere alleen een ♂ bloem of bloemen1817a.Aren 2 tot vele bij elkaar, aan het eind van den halm zittend; in het zittende aartje van elk paar vindt men onder de tweeslachtige bloem ook nog een ♂ bloem; een van de kafjes langgenaaldIschaemum.17b.Aren niet bij elkaar aan de halm staand, doch een vertakte pluim vormend, alle aartjes eenbloemig, het zittende tweeslachtig, het gesteelde eraan gelijk of alleen ♀; kafjes spits doch ongenaaldSaccharum.18a.Het zittende aartje met twee bloemen, een bovenste tweeslachtige en een onderste ♂ bloem; het bovenste kafje genaald; het gesteelde aartje van het paar met 1 of 2 ♂ bloemenIschaemum.18b.Tenminste het aartje met de tweeslachtige of ♀ bloem éénbloemig1919a.Het aartje met de ♂ bloem zittend of kortgesteeld, dat met de tweeslachtige bloem langgesteeld; het bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem voorzien van een lange behaarde naald; aren groepsgewijs aan het eind van den halm staandeTrachypogon.19b.Het aartje met de ♂ bloemen gesteeld, dat met de tweeslachtige of ♀ bloem zittend; bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem genaald of ongenaald; aren alleenstaand of aan den top van den helm in een groep bij elkaar of tot samengestelde pluimen vereenigdAndropogon,Vétivert.20a.Aartjes steeds eenbloemig, de beide onderste kelkkafjes met lange,witte, zijdeachtige haren bezet; de beide bovenste kelkkafjes kaal; bloem tweeslachtig met één meeldraad; bloeiwijze een pluim met opgerichte takken, zoodat het geheel op een aar gelijktImperata.20b.Aartjes één- of 2-bloemig; meeldraden bijna steeds 3 (soms 2) per bloem2121a.Aartjes aan den voet met een massa borstelige haren of stekels; geheele bloeiwijze aarvormig2221b.Aartjes zonder borstelige haren of stekels aan den voet, of indien er haren aanwezig zijn, dan zijn de kelkkafjes zelf met dunne haren bezet2322a.Aartjes omgeven door een omhulsel dat met borstelige haren of stekels bezet is, en dat met het geheele aartje en de vrucht afvalt; aar vrij ijl, bezet met groepsgewijs- of alleenstaande aartjes; elk aartje met een tweeslachtige bloem of met een tweeslachtige en daaronder een ♂ bloemCenchrus.22b.Borstelvormige haren of stekels niet tot een omhulsel vergroeid; daardoor ook aan de as zitten blijvend, als de vrucht met het aartje afvalt; aartjes zeer dicht opeengedrongen aan de as staand; bloemen als de vorigeSetaria.23a.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje schijnbaar eindelings zittend, dus het asje afsluitend2423b.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje zijdelings zittend, zoodat het asje zich nog verder boven de bloem voortzet3124a.Hoofdas van de halm afgeplat, voorzien van zeer korte zijassen, die ieder zijdelings 1–5 aartjes dragen; deze zijn dicht tegen de hoofdas aangedrukt, zoodat het geheel den indruk maakt van een enkelvoudige aar; planten min of meer kruipendStenotaphrum.24b.Bloeiwijze bestaande uit een of meer lange aren, waarvan de assen bezet zijn met zittende of gesteelde aartjes, of bloeiwijze een wijde pluim2525a.Elk aartje met 3 (of 2) kelkkafjes en één kroonkafje; slechts één bloem per aartje2625b.Elk aartje met 4 kelkkafjes en één kroonkafje, het derde kelkkafje soms met een ♂ bloem in den oksel, het vierde steeds met een tweeslachtige bloem3026a.Kelkkafjes smal, de beide onderste met een kiel, het bovenste met een lange 3-deelige naald; 2 lodiculae aanwezig; asje van het aartje geleed boven de beide onderste kelkkafjes, zoodat deze na het uitvallen der bloem blijven zitten. Bloemen in pluimen of schijnarenAristida.26b.Kafjes ongenaald of (bij Eriochloa) zeer kort genaald; geleding van het asje, indien aanwezig, onder de kafjes2727a.Direct onder het onderste kafje van het aartje, boven de geleding, zit een meest gekleurde verdikking van het asje; aartjes regelmatig langs de as staande in aren, en deze weer tot een pluim vereenigd; onderste kelkkafjes spits, behaard, het derde hard, met een korte naald, die niet buiten het aartje uitsteekt. Kroonkafje zonder naald, doch overigens gelijkend op het bovenste kelkkafjeEriochloa.27b.Asje onder het aartje zonder woekering, hoogstens met een geleding2828a.Aartjes duidelijk in twee rijen langs de as van de aar gezeten en tegen de as aangedrukt; kelkkafjes 2 of 3, het onderste of de beide onderste klein en dun, het bovenste eirond en hard; aren soms alleenstaand aan het eind van den halm, of in groepen, soms ook een pluim vormendPaspalum.28b.Aartjes eenbloemig, tot éénzijdige aren vereenigd, aan de as zittend of bijna zittend in twee rijen, dicht over elkaar liggend; de aren op hun beurt weer aarvormig langs het boveneind van den halm zittend opgericht en tegen den halm aangedrukt; de beide onderste kelkkafjes smal en gekield, het bovenste vliezigSpartina.28c.Aartjes niet in twee rijen langs de as staande doch een onregelmatig vertakte, soms min of meer aarvormige pluim vormend2929a.Pluim vrij wijd lang behaard; de 3 kelkkafjes vliezig; kroonkafjetijdensden bloei dunvliezig, later verhardend en de vrucht omsluitend; aartje duidelijk geleed met de asLeptocoryphium.29b.Pluim smal met opgerichte takken, onbehaard of kort-behaard; aartje niet duidelijk geleed met de as; vrucht geheel vrij van de kafjesSporobolus.30a.Bovenste kelkkafje aan den voet met een aanhangsel; aartjes kortgesteeld aan de takken van een pluimIchnanthus.30b.Bovenste kelkkafje zonder aanhangsel aan den voet; onderste kelkkafje zeer klein, 2deen 3degrooter, stomp of genaald, het derde soms met een ♂ bloem, het 4dekelkkafje steeds ongenaald en hard, het kroonkafje insluitend; bloeiwijzen zeer verschillend; aartjes soms gesteeld in wijde pluimen, soms in aren en deze te samen een pluim vormend, soms ook minder samengesteldPanicumPaardengras.31a.Aartjes vereenigd tot eenzijdige aren, deze aren staan langs het bovendeel van den halm verspreid en vormen een pluim; de beide onderste kelkkafjes spits of kortgenaald; het 3demet een lange rechte naald; asje van het aartje boven de bloem voortgezet en daar een langgenaald kafje of alleen een naald dragendGymnopogon.31b.Aartjes als bij de vorige tot eenzijdige aren vereenigd, doch deze handvormig bij elkaar aan het eind van den stengel staand3232a.De 3 kelkkafjes en het kroonkafje ongeveer even lang, ongenaald; de bovenste met 1 of 2 behaarde kielen, as van het aartje boven de bloem voortgezet als een puntje zonder verdere schubben of kafjesCynodon.32b.De 2 onderste kelkkafjes ongelijk van grootte, smal en plat, gekield, ongenaald; het 3delangbehaard, genaald (of soms ongenaald); kroonkafje groot met 2 kielenChloris.20.Cyperaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, naakt, of zelden met een enkelvoudig bloemdek; meeldraden meest 3–1, zelden meer; vruchtbeginsel eenhokkig met 1 zaadknop en met 3 of 2 stijlen met draadvormige stempels; zaad niet met de vruchtwand vergroeid; kruiden met meest scherp driekantige, zelden gelede en van knoopen voorziene stengels en smalle bladeren met gesloten scheeden; bloemen in aartjes-achtige trosjes, die tot aar- of pluimvormige bloeiwijzen vereenigd zijn.1a.De bloemen, die een vruchtbeginsel hebben, hebben steeds óók meeldraden; daarnaast komen ook alléén ♂ bloemen voor. (Zie ook 18a en 24 van deze lijst)21b.Alle bloemen éénslachtig182a.Hoogstens 2 (soms ook maar 1 of geen enkel) van de onderste kafjes der aartjes zonder bloemen32b.Drie tot meer van de onderste kafjes zonder bloemen143a.Kafjes in 2 rijen43b.Kafjes in 3 tot meer rijen94a.Stijl met 2 takken54b.Stijl met 3 takken75a.Nootje aan rug- en buikzijde afgeplat, zoodat de grootste breedte naar de as van het aartje toegekeerd is. Aartjes 5–6-bloemig, as van het aartje na den bloei blijvend. Onderste 2 kafjes zonder bloemen, blijvend, de volgende in 2 rijen. Meeldraden 1–3. Naakte halm met één hoofdje van aartjes aan het eindJuncellus(Cyperus).5b.Nootje zijdelings samengedrukt, zoodat de smalste kant naar de as toegekeerd is66a.As van het aartje boven de twee onderste leege kafjes afvallend, vóór het afvallen is op die plaats een geleding in de as te zien. Aartjes met 4–5 kafjes. Meestal draagt alleen het derde een bloem en zijn de twee kafjes aan den top ook leeg, evenals de beide onderste. Aartjes in één of meer zittende hoofdjes aan den top van den kalen stengel; onder de hoofdjes 2–4 bladerenKyllingia.6b.Deel van de as boven de beide onderste leege kafjes niet afvallend. Aartjes met 5–6-∞ kafjes, waarvan er minstens 4 bloemen dragen en er slechts weinigen aan den top leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Aartjes aan den top van de assen, welke te samen weer schermvormig aan het einde van den bloeistengel staan. Direct onder het scherm eenige bladeren in een krans; halm overigens naaktPycreus(Cyperus).7a.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes niet afvallend. Aartjes 5–6-∞ bloemig, waarvan er minstens 4 bloemen dragen, terwijl enkele van de bovenste leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Noot 3-hoekig, soms van voren een weinig samengedrukt. Halm naakt; aartjes tros- of handvormig samengesteld en deze trossen in een scherm aan het eind van den stengel staande of soms tot een hoofdje bijeenkomendCyperus.7b.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes na den bloei afvallend88a.As van het aartje in zijn geheel afvallend, 1-weinig-veelbloemig. Vruchtdragende kafjes blijvend. Bladeren lang, smal en groen; overigens als CyperusMariscus.8b.As van het aartje in stukken uiteenvallend, elk stuk met één vruchtdragend kafje. Aartje met 4–16 vruchtdragende kafjes, cylindrisch, zeer lang en dun, samengesteld tot trossen, en deze weer één of meervoudig in schermen bijeenkomend. Halm, behalve onder de bloeiwijze, naaktTorulinium(Cyperus).9a.Stijlen aan de basis opgezwollen, scherp gescheiden van den top van den noot109b.Stijlen aan de basis niet opgezwollen, geleidelijk overgaand in den top van den noot1210a.Rondom het vruchtbeginsel staan 3–8 haren, die vaak met weerhaakjes bezet zijn. Kafjes zeer talrijk, meest stomp. Meeldraden3–1; stijl met 2 of 3 takken, kaal. Halm geheel (ook aan den voet) zonder bladeren, met één hoofdje aan den topHeleocharis.10b.Geen stekels om het vruchtbeginsel; plant meest met bladeren1111a.Stijl blijvend aan den noot, òf zoo de stijl afvalt, dan valt ook de verdikte stijlbasis af. Kafjes talrijk, dakpansgewijs over elkaar liggend, velen ervan vruchtdragend. Meeldraden 3–1; stijl met 3 of 2 takken. Nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in losse 1 of meermaal samengestelde schermen aan het eind van den stengelFimbristylis.11b.Stijl afvallend, doch de verdikte en anders gekleurde stijlbasis aan den noot blijvend. Vruchtdragende kafjes meest een weinig behaard; takken van den stijl steeds 3, meeldraden 3–1, nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in groepen bijeen, soms tot schermen vereenigd, soms 1 hoofdje aan het eind van den stengel vormend. Bladeren zeer smal, soms naaldvormigBulbostylis.12a.Zoowel de plant als de aartjes kaal of bijna kaal1312b.Plant min of meer, doch vooral de aartjes duidelijk behaard. Onder het vruchtbeginsel 3 eironde schubjes. Kafjes behaard, aan den top gestekeld; aartjes vrij groot, tot 1 c.M. lang, langs het bovenste deel van den halm een lange samengestelde bloeiwijze vormend. Halm bebladerdFuirena.13a.Onder het vruchtbeginsel 2 hyaline schubjes, de een naar de as toegekeerd, de andere ervan af gekeerd, grooter dan de noot. Stijl vrij klein met 2 of 3 takken. Halmen alleen aan de basis en onder de bloeiwijzen bladeren dragend. Aartjes tot één hoofdje samenkomend aan het eind van den stengelLipocarpha.13b.Onder het vruchtbeginsel nooit 2 schubben, (in één enkel geval één zijdelingsche schub), doch 0-vele haren. Aartjes met vele vruchtjes. De onderste 0–2 kafjes leeg, kaal behalve aan de randen. Stijl met 2–3 takken. Halmen naaktScirpus.14a.Stijl met twee takken1514b.Stijl met drie takken1715a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig zijn, onvertakt, draadvormig1615b.Haren onder het vruchtbeginsel 6–3 in getal; over de geheele lengte met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar liggend, de 3–4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de bovenste òf alleen met ♂ of met steriele bloemen. Stijl lang, met 2 lange takken; stijlbasis kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd, bloeiwijze klein, trosvormig, in den oksel van de bladeren staandPleurostachys.16a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste kafjes leeg; slechts 1–3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met ♂ of met steriele bloemen; 3–2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne takken die langer zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle bladeren en maar één meest wit of bruinachtig hoofdje van weinig aartjes aan het eind van den naakten halm, die alleen direct onder de bloeiwijze eenige bladeren draagtDichromena.16b.Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig, soms aanwezig. Drie tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot vele vruchtdragend, de bovenste met ♂ bloemen of leeg. Meeldraden3–2; stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen òf meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en samengesteld uit zeer veel aartjesRhynchospora.17a.Groote planten. Aartjes met 2–4 leege kafjes van onderen, daarboven 1–4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met 3 lange takken. Bloeiwijze sterk vertakt, verlengdCladium.17b.Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en alleen het 4debovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht dragend. Stijl geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes in korte trosjes staand; eenige van die trosjes zittend aan het eind van den halmRemiria.18a.Alle bloemen eenslachtig; de ♀ bloem in het aartje eindstandig, naakt; daaromheen 2–10 ♂ bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat men het aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2–10 meeldraden2418b.Alle bloemen éénslachtig, de ♀ bloem meest niet naakt, maar van een kafje voorzien; de ♂ duidelijke aartjes vormend1919a.Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen ♂, van boven alleen ♀ aartjes dragend2019b.Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot dichte hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de ♀ en de ♂ bloemen onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje2120a.Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1–2 M. lang, driehoekig, glad. ♀ bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje zonder ♂ bloemen erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele ♂ bloemen bijeen in aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig,niet voorzien van 3–5 groevenLagenocarpus.20b.Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige, maar vruchten 3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribbenCryptangium.21a.Aartjes met weinig bloemen, soms ♂ en ♀ bloemen in één aartje, en dan de ♀ bloem het onderst en de hoogere ♂ òf sommige aartjes ♂, andere ♀ en dan de ♀ bloem alleenstaand met eenige rudimentaire bloemen erboven, en de ♂ bloemen in veelbloemige aartjes. Kafje van de ♀ bloem open, niet om het vruchtbeginsel tot een urntje vergroeid. Nootje hard, beenachtig, meest wit, soms grijs of purper, met een donkerder top. Bloeiwijzen meest in sterk vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen bloeiwijze maar dan de halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak scherp driehoekigScleria.Baboen-nefi.21b.In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes2222a.Kafje rondom de ♀ bloem met de randen tot een urntje met een lange hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals uit. Aartjes steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt alleen de ♀ bloem, de beide zijdelingsche dragen 2–3 ♂ bloemen met ieder 1 meeldraad. Planten met lange smalle bladeren met enkele krachtige evenwijdige nerven; bladeren met breede scheeden, die elkaar van onderen dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met enkele schubben, verder naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in een groep van weinige gestekelde bolvormige hoofdjesBisboeckeleria(Hoppia).22b.Kafje rondom de vrouwelijke bloem niet urnvormig vergroeid2323a.♀ aartje met 3 kafjes en één eindstandig vruchtbeginsel met een lange stijl met 3 takken. Daarnaast ♂ aartjes met 2 ♂ bloemen ieder met 3 meeldraden. Aartjes vereenigd tot groote gesteelde, bolvormige hoofdjes, die hetzij alleen, hetzij in paren of 3–4, in den oksel van de stengelbladeren staan. Bladeren lang, smalDiplacrum.23b.Aartjes met 1 eindelingsche ♀ bloem met 2 kafjes en daaronder 2–4 mannelijke bloemen. Vruchtbeginsel met een korte stijl met 2 takken; ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. Aartjes in zeer kleine gesteelde of ongesteelde hoofdjes, waarvan er talrijke een samengestelde bloeiwijze in den oksel van de bladeren vormen.Calyptrocarya.24a.Eén of meerdere dichtgedrongen zittende hoofdjes aan het eind van den stengel, direct daaronder 3 groote breede bladeren. ♀ bloem met een lange stijl met 3 takken, ♂ bloemen 3, ieder met 1 meeldraad, schijnbaar een tweeslachtige bloem vormend met het vruchtbeginselMapania.24b.Meerdere hoofdjes aan het eind van den stengel en niet met breede bladeren daaronder, of een vertakte bloeiwijze. Stijltakken 22525a.Aartjes bestaande uit 3 bloemen, waarvan de middelste alleen uit een vruchtbeginsel bestaat, daaromheen 2–4 ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. De aartjes vormen samen aren, die niet meer dan 5 m.M. lang zijn, deze komen in eenige zittende hoofdjes aan het eind van den stengel samen, of vormen een sterker vertakte bloeiwijzeHypolytrum.25b.Aartjes bestaande uit 6–9 éénslachtige bloemen, waarvan de middelste (eigenlijk bovenste) uit een vruchtbeginsel bestaat, de andere 5–8 mannelijk zijn en ieder één meeldraad hebben. De aartjes vereenigen zich tot 3 c.M. lange cylindrische aren, die langgesteeld zijn en te samen een min of meer schermvormige bloeiwijze vormen. Groote krachtige plant met vrij breede scherpe bladerenDiplasia.
Orde:Glumiflorae.19.Gramina.Bloemen 2-slachtig, zelden mannelijk of vrouwelijk, zonder bloembekleedselen; meeldraden meest 3, zelden 1, 2, 6 of vele, vruchtbeginsel met één zaadknop; stempels 2 of 3, of 1; vrucht een caryopsis, zelden een noot of een bes; meest kruiden, zelden houtige planten met knoopen (halmen) en afwisselende smalle bladeren met een ligula. Bloemen alleenstaand of in groepen (aartjes of bloempakjes); elke bloem in den oksel van een dekblad (onderste kroonkafje), meest ook nog met een tegenover het dekblad staand bloemsteelblaadje (bovenste kroonkafje), soms nog met een daarboven staand derde kroonkafje of met meerdere kroonkafjes; de aartjes of de aparte bloemen meest aan de basis met 2 leege kafjes (kelkkafjes) in pluimen of aarvormige bloeiwijzen.N.B. In de meerderheid van de gevallen is het zeer moeilijk uit te maken wat kelkkafjes en wat kroonkafjes zijn, omdat het aantal kroonkafjes vaak wisselt. In al die gevallen wordt in de tabel gesproken over slechts één kroonkafje, waarmee bedoeld is het kafje dat direct onder de bloem is gezeten; alle andere, lager gezeten kafjes zijn dan kelkkafjes genoemd.1a.Bladeren langgesteeld met een opvallend breede bladschijf; bloeiwijze een pluim met lange takken; aartjes éénslachtig in paren gezeten; het eene aartje zittend met een ♀, het andere gesteeld met een ♂ bloemPharus.1b.Bladeren niet langgesteeld d. i. bladschijf onmiddellijk boven de bladscheede ingehecht of met een zeer kort steeltje ermee verbonden22a.Bloemen met meer dan 6, meest vele meeldraden, in onvertakte aren; aartjes groepsgewijs bijeenstaand, meest een aantal aartjes met ♂ bloemen staande om 1 of 2 met ♀ bloemen; bladeren breed, scheede aan den mond vaak met lange haren bezetPariana.Asmatoe pimpin.2b.Bloemen met 1–3 (of -6) meeldraden33a.Mannelijke aartjes in een groote pluim aan het eind van den stengel; ♀ aartjes dicht gedrongen in meerdere rijen tot een kolf vereenigd, zijdelings aan den stengel staande, omgeven door een scheede, waarbuiten de lange stijlen der ♀ bloemen in een bos uitstekenZea.3b.Bloemen tweeslachtig of indien ze éénslachtig zijn, dan òf in hetzelfde aartje òf in dezelfde bloeiwijze gemengd43c.Bloemen éénslachtig en tweehuizig; in elk aartje 2 tot 4 bloemen, die vrij ver van elkaar staan; het bovenste kelkkafje met een lange naald; asje behaard, evenals de kafjes der ♀ bloemen, tusschen de afzonderlijke bloemen met eene geleding; bloeiwijze een wijde pluim; vrucht door de kafjes ingesloten; groote hooge halmenGynerium.Pijlgras.4a.Bladeren met een duidelijke geleding tusschen bladschijf en bladscheede, op deze geleding breekt het blad af; halmen forsch, van onderen houtig, van duidelijke knoopen voorzien54b.Bladeren zonder geleding tusschen bladschijf en bladscheede65a.Bloemen met 6 meeldraden; aartjes met 2-vele bloemen langs de takken van de bloeiwijze in groepen zittend; asje onder de bloem geleed; bloemen 2-slachtig òf de bovenste ♂ en sommige van de onderste steriel; vruchtbeginsel aan den top behaardBambusa, (incl.Guadua).5b.Bloemen met 3 meeldraden; asje geleed tusschen de bloemen, na den bloei in stukken uiteenvallend; aartjes met 2–7 tweeslachtige bloemen, of de bovenste bloem éénslachtig; onderste 3–4 kafjes leeg, buitenste klein of naaldvormig; vruchtbeginsel kaalArthrostylidium.6a.♂ aartjes aan den top van een takje te voorschijnkomend uit een bolvormig vergroeid hard dekblad, dat het ♀ aartje geheel insluit; halm meermalen vertakt; vruchten groot, van buiten omsloten door het steenharde, licht-blauw-grijze dekbladCoix,Jobstranen.6b.♂ en ♀ bloemen regelmatig over de aartjes of de bloeiwijze verdeeld; ♀ aartjes in ieder geval niet door een bolvormig dekblad ingesloten, òf bloemen tweeslachtig76c.In ieder aartje maar één bloem, bloem nooit tweeslachtig; aartjes afzonderlijk gesteeld in een wijde pluim vereenigd, de ♂ in het onderste deel aan de pluim; de ♀ in het bovenste deel van de pluim; kelkkafjes met één naald, bladeren meest breedOlyra.7a.Twee of meer tweeslachtige bloemen in een aartje87b.Slechts één bloem in elk aartje of als er 2 zijn, dan alleen de bovenste 2-slachtig en vruchtdragend138a.Aartjes in twee, dicht naast elkaar staande rijen langs de as, en zoo een eenzijdige aar vormend98b.Aartje niet in twee rijen langs de as staande, doch in een verschillend gevormde pluim staand119a.Aren niet op hetzelfde punt van de halm bijeenstaand, doch langs de bovenzijde van de halm verdeeld; 6 bloemen per aartje, de kafjes meest kort genaald, soms ook bijna zonder naald; groote plantenLeptochloa.9b.Aren in een groep van 2 tot vele aan het eind van de halm bijeenstaand1010a.Aar met een bloem aan den top eindigend; kafjes samengedrukt, gekield, ongenaald; aren vrij smal; 4–8 bloemen per aartjeEleusine,Mangras.10b.Aar zonder bloem aan den top, doch de as met een puntje buiten het bloemdragende deel voortgezet; kafjes met duidelijke doch korte naalden; aren dik en kort; 3–5 bloemen per aartjeDactyloctenium.11a.Slechts 2 bloemen per aartje, soms maar één, meest tweeslachtig, een enkele maal ♀ of ♂; aartjes op lange steelen afzonderlijk staand, te zamen een zeer wijde pluim vormend; kafjes met een kiel, aan den punt gestekeld doch zonder naaldOrthoclada.11b.Talrijke bloemen in elk aartje, meest tweeslachtig, soms ook enkele ♂ of ♀1212a.Onderste kroonkafje met 1–3 nerven; aartje gesteeld of zittend, een pluim of een smalle aarvormige pluim vormend; alle kafjes vliezig en ongenaald, kroonkafjes na de bloei blijvendEragrostis.12b.Onderste kroonkafje met 5 tot vele nerven, de zijnerven boogvormig naar de middennerf toeloopend; aartjes meest in een losse pluim; kroonkafjes vaak stompPoa.13a.Meeldraden 6; aartjes éénbloemig, alleenstaand op steelen; bloeiwijze een pluim; kelkkafjes 4, de beide onderste klein, de 2 bovenste veel grooter, hard, zijdelings samengedrukt met een scherpe kiel, ongenaald; kroonkafje ontbrekendOryza,Rijst,aleesi.13b.Meeldraden 1–3 per bloem1414a.Aartjes paarsgewijs aan de as van de aar bevestigd, meest ongelijk van vorm, de een gesteeld, de andere zittend1514b.Aartjes niet twee aan twee aan de as van de aar zittend, wel soms in 2 rijen, maar dan de beide steeltjes niet op één punt vastzittend; indien de aartjes soms twee aan twee staan (bij sommige Paspalum-soorten) dan zijn de steeltjes even lang en de aartjes gelijk van vorm2015a.As van de aar plat met groote holten die aan de buitenzijde afgesloten worden door het onderste kafje van een aartje; in de aldus gevormde holte zit de bloem; het zittende aartje van elk paar is tweeslachtig, het gesteelde ♀; bloeiwijze een enkelvoudige aar, die uit de oksels van de bladeren te voorschijn komtManisuris.15b.As van de aar zonder holten1616a.Beide aartjes van elk paar met een tweeslachtige bloem of de een met een tweeslachtige, de andere met een ♀ bloem, in ieder geval beide vruchtdragend1716b.Van elk paar aartjes heeft de een een tweeslachtige bloem, de andere alleen een ♂ bloem of bloemen1817a.Aren 2 tot vele bij elkaar, aan het eind van den halm zittend; in het zittende aartje van elk paar vindt men onder de tweeslachtige bloem ook nog een ♂ bloem; een van de kafjes langgenaaldIschaemum.17b.Aren niet bij elkaar aan de halm staand, doch een vertakte pluim vormend, alle aartjes eenbloemig, het zittende tweeslachtig, het gesteelde eraan gelijk of alleen ♀; kafjes spits doch ongenaaldSaccharum.18a.Het zittende aartje met twee bloemen, een bovenste tweeslachtige en een onderste ♂ bloem; het bovenste kafje genaald; het gesteelde aartje van het paar met 1 of 2 ♂ bloemenIschaemum.18b.Tenminste het aartje met de tweeslachtige of ♀ bloem éénbloemig1919a.Het aartje met de ♂ bloem zittend of kortgesteeld, dat met de tweeslachtige bloem langgesteeld; het bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem voorzien van een lange behaarde naald; aren groepsgewijs aan het eind van den halm staandeTrachypogon.19b.Het aartje met de ♂ bloemen gesteeld, dat met de tweeslachtige of ♀ bloem zittend; bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem genaald of ongenaald; aren alleenstaand of aan den top van den helm in een groep bij elkaar of tot samengestelde pluimen vereenigdAndropogon,Vétivert.20a.Aartjes steeds eenbloemig, de beide onderste kelkkafjes met lange,witte, zijdeachtige haren bezet; de beide bovenste kelkkafjes kaal; bloem tweeslachtig met één meeldraad; bloeiwijze een pluim met opgerichte takken, zoodat het geheel op een aar gelijktImperata.20b.Aartjes één- of 2-bloemig; meeldraden bijna steeds 3 (soms 2) per bloem2121a.Aartjes aan den voet met een massa borstelige haren of stekels; geheele bloeiwijze aarvormig2221b.Aartjes zonder borstelige haren of stekels aan den voet, of indien er haren aanwezig zijn, dan zijn de kelkkafjes zelf met dunne haren bezet2322a.Aartjes omgeven door een omhulsel dat met borstelige haren of stekels bezet is, en dat met het geheele aartje en de vrucht afvalt; aar vrij ijl, bezet met groepsgewijs- of alleenstaande aartjes; elk aartje met een tweeslachtige bloem of met een tweeslachtige en daaronder een ♂ bloemCenchrus.22b.Borstelvormige haren of stekels niet tot een omhulsel vergroeid; daardoor ook aan de as zitten blijvend, als de vrucht met het aartje afvalt; aartjes zeer dicht opeengedrongen aan de as staand; bloemen als de vorigeSetaria.23a.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje schijnbaar eindelings zittend, dus het asje afsluitend2423b.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje zijdelings zittend, zoodat het asje zich nog verder boven de bloem voortzet3124a.Hoofdas van de halm afgeplat, voorzien van zeer korte zijassen, die ieder zijdelings 1–5 aartjes dragen; deze zijn dicht tegen de hoofdas aangedrukt, zoodat het geheel den indruk maakt van een enkelvoudige aar; planten min of meer kruipendStenotaphrum.24b.Bloeiwijze bestaande uit een of meer lange aren, waarvan de assen bezet zijn met zittende of gesteelde aartjes, of bloeiwijze een wijde pluim2525a.Elk aartje met 3 (of 2) kelkkafjes en één kroonkafje; slechts één bloem per aartje2625b.Elk aartje met 4 kelkkafjes en één kroonkafje, het derde kelkkafje soms met een ♂ bloem in den oksel, het vierde steeds met een tweeslachtige bloem3026a.Kelkkafjes smal, de beide onderste met een kiel, het bovenste met een lange 3-deelige naald; 2 lodiculae aanwezig; asje van het aartje geleed boven de beide onderste kelkkafjes, zoodat deze na het uitvallen der bloem blijven zitten. Bloemen in pluimen of schijnarenAristida.26b.Kafjes ongenaald of (bij Eriochloa) zeer kort genaald; geleding van het asje, indien aanwezig, onder de kafjes2727a.Direct onder het onderste kafje van het aartje, boven de geleding, zit een meest gekleurde verdikking van het asje; aartjes regelmatig langs de as staande in aren, en deze weer tot een pluim vereenigd; onderste kelkkafjes spits, behaard, het derde hard, met een korte naald, die niet buiten het aartje uitsteekt. Kroonkafje zonder naald, doch overigens gelijkend op het bovenste kelkkafjeEriochloa.27b.Asje onder het aartje zonder woekering, hoogstens met een geleding2828a.Aartjes duidelijk in twee rijen langs de as van de aar gezeten en tegen de as aangedrukt; kelkkafjes 2 of 3, het onderste of de beide onderste klein en dun, het bovenste eirond en hard; aren soms alleenstaand aan het eind van den halm, of in groepen, soms ook een pluim vormendPaspalum.28b.Aartjes eenbloemig, tot éénzijdige aren vereenigd, aan de as zittend of bijna zittend in twee rijen, dicht over elkaar liggend; de aren op hun beurt weer aarvormig langs het boveneind van den halm zittend opgericht en tegen den halm aangedrukt; de beide onderste kelkkafjes smal en gekield, het bovenste vliezigSpartina.28c.Aartjes niet in twee rijen langs de as staande doch een onregelmatig vertakte, soms min of meer aarvormige pluim vormend2929a.Pluim vrij wijd lang behaard; de 3 kelkkafjes vliezig; kroonkafjetijdensden bloei dunvliezig, later verhardend en de vrucht omsluitend; aartje duidelijk geleed met de asLeptocoryphium.29b.Pluim smal met opgerichte takken, onbehaard of kort-behaard; aartje niet duidelijk geleed met de as; vrucht geheel vrij van de kafjesSporobolus.30a.Bovenste kelkkafje aan den voet met een aanhangsel; aartjes kortgesteeld aan de takken van een pluimIchnanthus.30b.Bovenste kelkkafje zonder aanhangsel aan den voet; onderste kelkkafje zeer klein, 2deen 3degrooter, stomp of genaald, het derde soms met een ♂ bloem, het 4dekelkkafje steeds ongenaald en hard, het kroonkafje insluitend; bloeiwijzen zeer verschillend; aartjes soms gesteeld in wijde pluimen, soms in aren en deze te samen een pluim vormend, soms ook minder samengesteldPanicumPaardengras.31a.Aartjes vereenigd tot eenzijdige aren, deze aren staan langs het bovendeel van den halm verspreid en vormen een pluim; de beide onderste kelkkafjes spits of kortgenaald; het 3demet een lange rechte naald; asje van het aartje boven de bloem voortgezet en daar een langgenaald kafje of alleen een naald dragendGymnopogon.31b.Aartjes als bij de vorige tot eenzijdige aren vereenigd, doch deze handvormig bij elkaar aan het eind van den stengel staand3232a.De 3 kelkkafjes en het kroonkafje ongeveer even lang, ongenaald; de bovenste met 1 of 2 behaarde kielen, as van het aartje boven de bloem voortgezet als een puntje zonder verdere schubben of kafjesCynodon.32b.De 2 onderste kelkkafjes ongelijk van grootte, smal en plat, gekield, ongenaald; het 3delangbehaard, genaald (of soms ongenaald); kroonkafje groot met 2 kielenChloris.20.Cyperaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, naakt, of zelden met een enkelvoudig bloemdek; meeldraden meest 3–1, zelden meer; vruchtbeginsel eenhokkig met 1 zaadknop en met 3 of 2 stijlen met draadvormige stempels; zaad niet met de vruchtwand vergroeid; kruiden met meest scherp driekantige, zelden gelede en van knoopen voorziene stengels en smalle bladeren met gesloten scheeden; bloemen in aartjes-achtige trosjes, die tot aar- of pluimvormige bloeiwijzen vereenigd zijn.1a.De bloemen, die een vruchtbeginsel hebben, hebben steeds óók meeldraden; daarnaast komen ook alléén ♂ bloemen voor. (Zie ook 18a en 24 van deze lijst)21b.Alle bloemen éénslachtig182a.Hoogstens 2 (soms ook maar 1 of geen enkel) van de onderste kafjes der aartjes zonder bloemen32b.Drie tot meer van de onderste kafjes zonder bloemen143a.Kafjes in 2 rijen43b.Kafjes in 3 tot meer rijen94a.Stijl met 2 takken54b.Stijl met 3 takken75a.Nootje aan rug- en buikzijde afgeplat, zoodat de grootste breedte naar de as van het aartje toegekeerd is. Aartjes 5–6-bloemig, as van het aartje na den bloei blijvend. Onderste 2 kafjes zonder bloemen, blijvend, de volgende in 2 rijen. Meeldraden 1–3. Naakte halm met één hoofdje van aartjes aan het eindJuncellus(Cyperus).5b.Nootje zijdelings samengedrukt, zoodat de smalste kant naar de as toegekeerd is66a.As van het aartje boven de twee onderste leege kafjes afvallend, vóór het afvallen is op die plaats een geleding in de as te zien. Aartjes met 4–5 kafjes. Meestal draagt alleen het derde een bloem en zijn de twee kafjes aan den top ook leeg, evenals de beide onderste. Aartjes in één of meer zittende hoofdjes aan den top van den kalen stengel; onder de hoofdjes 2–4 bladerenKyllingia.6b.Deel van de as boven de beide onderste leege kafjes niet afvallend. Aartjes met 5–6-∞ kafjes, waarvan er minstens 4 bloemen dragen en er slechts weinigen aan den top leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Aartjes aan den top van de assen, welke te samen weer schermvormig aan het einde van den bloeistengel staan. Direct onder het scherm eenige bladeren in een krans; halm overigens naaktPycreus(Cyperus).7a.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes niet afvallend. Aartjes 5–6-∞ bloemig, waarvan er minstens 4 bloemen dragen, terwijl enkele van de bovenste leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Noot 3-hoekig, soms van voren een weinig samengedrukt. Halm naakt; aartjes tros- of handvormig samengesteld en deze trossen in een scherm aan het eind van den stengel staande of soms tot een hoofdje bijeenkomendCyperus.7b.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes na den bloei afvallend88a.As van het aartje in zijn geheel afvallend, 1-weinig-veelbloemig. Vruchtdragende kafjes blijvend. Bladeren lang, smal en groen; overigens als CyperusMariscus.8b.As van het aartje in stukken uiteenvallend, elk stuk met één vruchtdragend kafje. Aartje met 4–16 vruchtdragende kafjes, cylindrisch, zeer lang en dun, samengesteld tot trossen, en deze weer één of meervoudig in schermen bijeenkomend. Halm, behalve onder de bloeiwijze, naaktTorulinium(Cyperus).9a.Stijlen aan de basis opgezwollen, scherp gescheiden van den top van den noot109b.Stijlen aan de basis niet opgezwollen, geleidelijk overgaand in den top van den noot1210a.Rondom het vruchtbeginsel staan 3–8 haren, die vaak met weerhaakjes bezet zijn. Kafjes zeer talrijk, meest stomp. Meeldraden3–1; stijl met 2 of 3 takken, kaal. Halm geheel (ook aan den voet) zonder bladeren, met één hoofdje aan den topHeleocharis.10b.Geen stekels om het vruchtbeginsel; plant meest met bladeren1111a.Stijl blijvend aan den noot, òf zoo de stijl afvalt, dan valt ook de verdikte stijlbasis af. Kafjes talrijk, dakpansgewijs over elkaar liggend, velen ervan vruchtdragend. Meeldraden 3–1; stijl met 3 of 2 takken. Nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in losse 1 of meermaal samengestelde schermen aan het eind van den stengelFimbristylis.11b.Stijl afvallend, doch de verdikte en anders gekleurde stijlbasis aan den noot blijvend. Vruchtdragende kafjes meest een weinig behaard; takken van den stijl steeds 3, meeldraden 3–1, nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in groepen bijeen, soms tot schermen vereenigd, soms 1 hoofdje aan het eind van den stengel vormend. Bladeren zeer smal, soms naaldvormigBulbostylis.12a.Zoowel de plant als de aartjes kaal of bijna kaal1312b.Plant min of meer, doch vooral de aartjes duidelijk behaard. Onder het vruchtbeginsel 3 eironde schubjes. Kafjes behaard, aan den top gestekeld; aartjes vrij groot, tot 1 c.M. lang, langs het bovenste deel van den halm een lange samengestelde bloeiwijze vormend. Halm bebladerdFuirena.13a.Onder het vruchtbeginsel 2 hyaline schubjes, de een naar de as toegekeerd, de andere ervan af gekeerd, grooter dan de noot. Stijl vrij klein met 2 of 3 takken. Halmen alleen aan de basis en onder de bloeiwijzen bladeren dragend. Aartjes tot één hoofdje samenkomend aan het eind van den stengelLipocarpha.13b.Onder het vruchtbeginsel nooit 2 schubben, (in één enkel geval één zijdelingsche schub), doch 0-vele haren. Aartjes met vele vruchtjes. De onderste 0–2 kafjes leeg, kaal behalve aan de randen. Stijl met 2–3 takken. Halmen naaktScirpus.14a.Stijl met twee takken1514b.Stijl met drie takken1715a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig zijn, onvertakt, draadvormig1615b.Haren onder het vruchtbeginsel 6–3 in getal; over de geheele lengte met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar liggend, de 3–4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de bovenste òf alleen met ♂ of met steriele bloemen. Stijl lang, met 2 lange takken; stijlbasis kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd, bloeiwijze klein, trosvormig, in den oksel van de bladeren staandPleurostachys.16a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste kafjes leeg; slechts 1–3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met ♂ of met steriele bloemen; 3–2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne takken die langer zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle bladeren en maar één meest wit of bruinachtig hoofdje van weinig aartjes aan het eind van den naakten halm, die alleen direct onder de bloeiwijze eenige bladeren draagtDichromena.16b.Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig, soms aanwezig. Drie tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot vele vruchtdragend, de bovenste met ♂ bloemen of leeg. Meeldraden3–2; stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen òf meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en samengesteld uit zeer veel aartjesRhynchospora.17a.Groote planten. Aartjes met 2–4 leege kafjes van onderen, daarboven 1–4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met 3 lange takken. Bloeiwijze sterk vertakt, verlengdCladium.17b.Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en alleen het 4debovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht dragend. Stijl geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes in korte trosjes staand; eenige van die trosjes zittend aan het eind van den halmRemiria.18a.Alle bloemen eenslachtig; de ♀ bloem in het aartje eindstandig, naakt; daaromheen 2–10 ♂ bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat men het aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2–10 meeldraden2418b.Alle bloemen éénslachtig, de ♀ bloem meest niet naakt, maar van een kafje voorzien; de ♂ duidelijke aartjes vormend1919a.Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen ♂, van boven alleen ♀ aartjes dragend2019b.Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot dichte hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de ♀ en de ♂ bloemen onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje2120a.Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1–2 M. lang, driehoekig, glad. ♀ bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje zonder ♂ bloemen erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele ♂ bloemen bijeen in aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig,niet voorzien van 3–5 groevenLagenocarpus.20b.Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige, maar vruchten 3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribbenCryptangium.21a.Aartjes met weinig bloemen, soms ♂ en ♀ bloemen in één aartje, en dan de ♀ bloem het onderst en de hoogere ♂ òf sommige aartjes ♂, andere ♀ en dan de ♀ bloem alleenstaand met eenige rudimentaire bloemen erboven, en de ♂ bloemen in veelbloemige aartjes. Kafje van de ♀ bloem open, niet om het vruchtbeginsel tot een urntje vergroeid. Nootje hard, beenachtig, meest wit, soms grijs of purper, met een donkerder top. Bloeiwijzen meest in sterk vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen bloeiwijze maar dan de halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak scherp driehoekigScleria.Baboen-nefi.21b.In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes2222a.Kafje rondom de ♀ bloem met de randen tot een urntje met een lange hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals uit. Aartjes steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt alleen de ♀ bloem, de beide zijdelingsche dragen 2–3 ♂ bloemen met ieder 1 meeldraad. Planten met lange smalle bladeren met enkele krachtige evenwijdige nerven; bladeren met breede scheeden, die elkaar van onderen dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met enkele schubben, verder naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in een groep van weinige gestekelde bolvormige hoofdjesBisboeckeleria(Hoppia).22b.Kafje rondom de vrouwelijke bloem niet urnvormig vergroeid2323a.♀ aartje met 3 kafjes en één eindstandig vruchtbeginsel met een lange stijl met 3 takken. Daarnaast ♂ aartjes met 2 ♂ bloemen ieder met 3 meeldraden. Aartjes vereenigd tot groote gesteelde, bolvormige hoofdjes, die hetzij alleen, hetzij in paren of 3–4, in den oksel van de stengelbladeren staan. Bladeren lang, smalDiplacrum.23b.Aartjes met 1 eindelingsche ♀ bloem met 2 kafjes en daaronder 2–4 mannelijke bloemen. Vruchtbeginsel met een korte stijl met 2 takken; ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. Aartjes in zeer kleine gesteelde of ongesteelde hoofdjes, waarvan er talrijke een samengestelde bloeiwijze in den oksel van de bladeren vormen.Calyptrocarya.24a.Eén of meerdere dichtgedrongen zittende hoofdjes aan het eind van den stengel, direct daaronder 3 groote breede bladeren. ♀ bloem met een lange stijl met 3 takken, ♂ bloemen 3, ieder met 1 meeldraad, schijnbaar een tweeslachtige bloem vormend met het vruchtbeginselMapania.24b.Meerdere hoofdjes aan het eind van den stengel en niet met breede bladeren daaronder, of een vertakte bloeiwijze. Stijltakken 22525a.Aartjes bestaande uit 3 bloemen, waarvan de middelste alleen uit een vruchtbeginsel bestaat, daaromheen 2–4 ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. De aartjes vormen samen aren, die niet meer dan 5 m.M. lang zijn, deze komen in eenige zittende hoofdjes aan het eind van den stengel samen, of vormen een sterker vertakte bloeiwijzeHypolytrum.25b.Aartjes bestaande uit 6–9 éénslachtige bloemen, waarvan de middelste (eigenlijk bovenste) uit een vruchtbeginsel bestaat, de andere 5–8 mannelijk zijn en ieder één meeldraad hebben. De aartjes vereenigen zich tot 3 c.M. lange cylindrische aren, die langgesteeld zijn en te samen een min of meer schermvormige bloeiwijze vormen. Groote krachtige plant met vrij breede scherpe bladerenDiplasia.
19.Gramina.Bloemen 2-slachtig, zelden mannelijk of vrouwelijk, zonder bloembekleedselen; meeldraden meest 3, zelden 1, 2, 6 of vele, vruchtbeginsel met één zaadknop; stempels 2 of 3, of 1; vrucht een caryopsis, zelden een noot of een bes; meest kruiden, zelden houtige planten met knoopen (halmen) en afwisselende smalle bladeren met een ligula. Bloemen alleenstaand of in groepen (aartjes of bloempakjes); elke bloem in den oksel van een dekblad (onderste kroonkafje), meest ook nog met een tegenover het dekblad staand bloemsteelblaadje (bovenste kroonkafje), soms nog met een daarboven staand derde kroonkafje of met meerdere kroonkafjes; de aartjes of de aparte bloemen meest aan de basis met 2 leege kafjes (kelkkafjes) in pluimen of aarvormige bloeiwijzen.N.B. In de meerderheid van de gevallen is het zeer moeilijk uit te maken wat kelkkafjes en wat kroonkafjes zijn, omdat het aantal kroonkafjes vaak wisselt. In al die gevallen wordt in de tabel gesproken over slechts één kroonkafje, waarmee bedoeld is het kafje dat direct onder de bloem is gezeten; alle andere, lager gezeten kafjes zijn dan kelkkafjes genoemd.1a.Bladeren langgesteeld met een opvallend breede bladschijf; bloeiwijze een pluim met lange takken; aartjes éénslachtig in paren gezeten; het eene aartje zittend met een ♀, het andere gesteeld met een ♂ bloemPharus.1b.Bladeren niet langgesteeld d. i. bladschijf onmiddellijk boven de bladscheede ingehecht of met een zeer kort steeltje ermee verbonden22a.Bloemen met meer dan 6, meest vele meeldraden, in onvertakte aren; aartjes groepsgewijs bijeenstaand, meest een aantal aartjes met ♂ bloemen staande om 1 of 2 met ♀ bloemen; bladeren breed, scheede aan den mond vaak met lange haren bezetPariana.Asmatoe pimpin.2b.Bloemen met 1–3 (of -6) meeldraden33a.Mannelijke aartjes in een groote pluim aan het eind van den stengel; ♀ aartjes dicht gedrongen in meerdere rijen tot een kolf vereenigd, zijdelings aan den stengel staande, omgeven door een scheede, waarbuiten de lange stijlen der ♀ bloemen in een bos uitstekenZea.3b.Bloemen tweeslachtig of indien ze éénslachtig zijn, dan òf in hetzelfde aartje òf in dezelfde bloeiwijze gemengd43c.Bloemen éénslachtig en tweehuizig; in elk aartje 2 tot 4 bloemen, die vrij ver van elkaar staan; het bovenste kelkkafje met een lange naald; asje behaard, evenals de kafjes der ♀ bloemen, tusschen de afzonderlijke bloemen met eene geleding; bloeiwijze een wijde pluim; vrucht door de kafjes ingesloten; groote hooge halmenGynerium.Pijlgras.4a.Bladeren met een duidelijke geleding tusschen bladschijf en bladscheede, op deze geleding breekt het blad af; halmen forsch, van onderen houtig, van duidelijke knoopen voorzien54b.Bladeren zonder geleding tusschen bladschijf en bladscheede65a.Bloemen met 6 meeldraden; aartjes met 2-vele bloemen langs de takken van de bloeiwijze in groepen zittend; asje onder de bloem geleed; bloemen 2-slachtig òf de bovenste ♂ en sommige van de onderste steriel; vruchtbeginsel aan den top behaardBambusa, (incl.Guadua).5b.Bloemen met 3 meeldraden; asje geleed tusschen de bloemen, na den bloei in stukken uiteenvallend; aartjes met 2–7 tweeslachtige bloemen, of de bovenste bloem éénslachtig; onderste 3–4 kafjes leeg, buitenste klein of naaldvormig; vruchtbeginsel kaalArthrostylidium.6a.♂ aartjes aan den top van een takje te voorschijnkomend uit een bolvormig vergroeid hard dekblad, dat het ♀ aartje geheel insluit; halm meermalen vertakt; vruchten groot, van buiten omsloten door het steenharde, licht-blauw-grijze dekbladCoix,Jobstranen.6b.♂ en ♀ bloemen regelmatig over de aartjes of de bloeiwijze verdeeld; ♀ aartjes in ieder geval niet door een bolvormig dekblad ingesloten, òf bloemen tweeslachtig76c.In ieder aartje maar één bloem, bloem nooit tweeslachtig; aartjes afzonderlijk gesteeld in een wijde pluim vereenigd, de ♂ in het onderste deel aan de pluim; de ♀ in het bovenste deel van de pluim; kelkkafjes met één naald, bladeren meest breedOlyra.7a.Twee of meer tweeslachtige bloemen in een aartje87b.Slechts één bloem in elk aartje of als er 2 zijn, dan alleen de bovenste 2-slachtig en vruchtdragend138a.Aartjes in twee, dicht naast elkaar staande rijen langs de as, en zoo een eenzijdige aar vormend98b.Aartje niet in twee rijen langs de as staande, doch in een verschillend gevormde pluim staand119a.Aren niet op hetzelfde punt van de halm bijeenstaand, doch langs de bovenzijde van de halm verdeeld; 6 bloemen per aartje, de kafjes meest kort genaald, soms ook bijna zonder naald; groote plantenLeptochloa.9b.Aren in een groep van 2 tot vele aan het eind van de halm bijeenstaand1010a.Aar met een bloem aan den top eindigend; kafjes samengedrukt, gekield, ongenaald; aren vrij smal; 4–8 bloemen per aartjeEleusine,Mangras.10b.Aar zonder bloem aan den top, doch de as met een puntje buiten het bloemdragende deel voortgezet; kafjes met duidelijke doch korte naalden; aren dik en kort; 3–5 bloemen per aartjeDactyloctenium.11a.Slechts 2 bloemen per aartje, soms maar één, meest tweeslachtig, een enkele maal ♀ of ♂; aartjes op lange steelen afzonderlijk staand, te zamen een zeer wijde pluim vormend; kafjes met een kiel, aan den punt gestekeld doch zonder naaldOrthoclada.11b.Talrijke bloemen in elk aartje, meest tweeslachtig, soms ook enkele ♂ of ♀1212a.Onderste kroonkafje met 1–3 nerven; aartje gesteeld of zittend, een pluim of een smalle aarvormige pluim vormend; alle kafjes vliezig en ongenaald, kroonkafjes na de bloei blijvendEragrostis.12b.Onderste kroonkafje met 5 tot vele nerven, de zijnerven boogvormig naar de middennerf toeloopend; aartjes meest in een losse pluim; kroonkafjes vaak stompPoa.13a.Meeldraden 6; aartjes éénbloemig, alleenstaand op steelen; bloeiwijze een pluim; kelkkafjes 4, de beide onderste klein, de 2 bovenste veel grooter, hard, zijdelings samengedrukt met een scherpe kiel, ongenaald; kroonkafje ontbrekendOryza,Rijst,aleesi.13b.Meeldraden 1–3 per bloem1414a.Aartjes paarsgewijs aan de as van de aar bevestigd, meest ongelijk van vorm, de een gesteeld, de andere zittend1514b.Aartjes niet twee aan twee aan de as van de aar zittend, wel soms in 2 rijen, maar dan de beide steeltjes niet op één punt vastzittend; indien de aartjes soms twee aan twee staan (bij sommige Paspalum-soorten) dan zijn de steeltjes even lang en de aartjes gelijk van vorm2015a.As van de aar plat met groote holten die aan de buitenzijde afgesloten worden door het onderste kafje van een aartje; in de aldus gevormde holte zit de bloem; het zittende aartje van elk paar is tweeslachtig, het gesteelde ♀; bloeiwijze een enkelvoudige aar, die uit de oksels van de bladeren te voorschijn komtManisuris.15b.As van de aar zonder holten1616a.Beide aartjes van elk paar met een tweeslachtige bloem of de een met een tweeslachtige, de andere met een ♀ bloem, in ieder geval beide vruchtdragend1716b.Van elk paar aartjes heeft de een een tweeslachtige bloem, de andere alleen een ♂ bloem of bloemen1817a.Aren 2 tot vele bij elkaar, aan het eind van den halm zittend; in het zittende aartje van elk paar vindt men onder de tweeslachtige bloem ook nog een ♂ bloem; een van de kafjes langgenaaldIschaemum.17b.Aren niet bij elkaar aan de halm staand, doch een vertakte pluim vormend, alle aartjes eenbloemig, het zittende tweeslachtig, het gesteelde eraan gelijk of alleen ♀; kafjes spits doch ongenaaldSaccharum.18a.Het zittende aartje met twee bloemen, een bovenste tweeslachtige en een onderste ♂ bloem; het bovenste kafje genaald; het gesteelde aartje van het paar met 1 of 2 ♂ bloemenIschaemum.18b.Tenminste het aartje met de tweeslachtige of ♀ bloem éénbloemig1919a.Het aartje met de ♂ bloem zittend of kortgesteeld, dat met de tweeslachtige bloem langgesteeld; het bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem voorzien van een lange behaarde naald; aren groepsgewijs aan het eind van den halm staandeTrachypogon.19b.Het aartje met de ♂ bloemen gesteeld, dat met de tweeslachtige of ♀ bloem zittend; bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem genaald of ongenaald; aren alleenstaand of aan den top van den helm in een groep bij elkaar of tot samengestelde pluimen vereenigdAndropogon,Vétivert.20a.Aartjes steeds eenbloemig, de beide onderste kelkkafjes met lange,witte, zijdeachtige haren bezet; de beide bovenste kelkkafjes kaal; bloem tweeslachtig met één meeldraad; bloeiwijze een pluim met opgerichte takken, zoodat het geheel op een aar gelijktImperata.20b.Aartjes één- of 2-bloemig; meeldraden bijna steeds 3 (soms 2) per bloem2121a.Aartjes aan den voet met een massa borstelige haren of stekels; geheele bloeiwijze aarvormig2221b.Aartjes zonder borstelige haren of stekels aan den voet, of indien er haren aanwezig zijn, dan zijn de kelkkafjes zelf met dunne haren bezet2322a.Aartjes omgeven door een omhulsel dat met borstelige haren of stekels bezet is, en dat met het geheele aartje en de vrucht afvalt; aar vrij ijl, bezet met groepsgewijs- of alleenstaande aartjes; elk aartje met een tweeslachtige bloem of met een tweeslachtige en daaronder een ♂ bloemCenchrus.22b.Borstelvormige haren of stekels niet tot een omhulsel vergroeid; daardoor ook aan de as zitten blijvend, als de vrucht met het aartje afvalt; aartjes zeer dicht opeengedrongen aan de as staand; bloemen als de vorigeSetaria.23a.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje schijnbaar eindelings zittend, dus het asje afsluitend2423b.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje zijdelings zittend, zoodat het asje zich nog verder boven de bloem voortzet3124a.Hoofdas van de halm afgeplat, voorzien van zeer korte zijassen, die ieder zijdelings 1–5 aartjes dragen; deze zijn dicht tegen de hoofdas aangedrukt, zoodat het geheel den indruk maakt van een enkelvoudige aar; planten min of meer kruipendStenotaphrum.24b.Bloeiwijze bestaande uit een of meer lange aren, waarvan de assen bezet zijn met zittende of gesteelde aartjes, of bloeiwijze een wijde pluim2525a.Elk aartje met 3 (of 2) kelkkafjes en één kroonkafje; slechts één bloem per aartje2625b.Elk aartje met 4 kelkkafjes en één kroonkafje, het derde kelkkafje soms met een ♂ bloem in den oksel, het vierde steeds met een tweeslachtige bloem3026a.Kelkkafjes smal, de beide onderste met een kiel, het bovenste met een lange 3-deelige naald; 2 lodiculae aanwezig; asje van het aartje geleed boven de beide onderste kelkkafjes, zoodat deze na het uitvallen der bloem blijven zitten. Bloemen in pluimen of schijnarenAristida.26b.Kafjes ongenaald of (bij Eriochloa) zeer kort genaald; geleding van het asje, indien aanwezig, onder de kafjes2727a.Direct onder het onderste kafje van het aartje, boven de geleding, zit een meest gekleurde verdikking van het asje; aartjes regelmatig langs de as staande in aren, en deze weer tot een pluim vereenigd; onderste kelkkafjes spits, behaard, het derde hard, met een korte naald, die niet buiten het aartje uitsteekt. Kroonkafje zonder naald, doch overigens gelijkend op het bovenste kelkkafjeEriochloa.27b.Asje onder het aartje zonder woekering, hoogstens met een geleding2828a.Aartjes duidelijk in twee rijen langs de as van de aar gezeten en tegen de as aangedrukt; kelkkafjes 2 of 3, het onderste of de beide onderste klein en dun, het bovenste eirond en hard; aren soms alleenstaand aan het eind van den halm, of in groepen, soms ook een pluim vormendPaspalum.28b.Aartjes eenbloemig, tot éénzijdige aren vereenigd, aan de as zittend of bijna zittend in twee rijen, dicht over elkaar liggend; de aren op hun beurt weer aarvormig langs het boveneind van den halm zittend opgericht en tegen den halm aangedrukt; de beide onderste kelkkafjes smal en gekield, het bovenste vliezigSpartina.28c.Aartjes niet in twee rijen langs de as staande doch een onregelmatig vertakte, soms min of meer aarvormige pluim vormend2929a.Pluim vrij wijd lang behaard; de 3 kelkkafjes vliezig; kroonkafjetijdensden bloei dunvliezig, later verhardend en de vrucht omsluitend; aartje duidelijk geleed met de asLeptocoryphium.29b.Pluim smal met opgerichte takken, onbehaard of kort-behaard; aartje niet duidelijk geleed met de as; vrucht geheel vrij van de kafjesSporobolus.30a.Bovenste kelkkafje aan den voet met een aanhangsel; aartjes kortgesteeld aan de takken van een pluimIchnanthus.30b.Bovenste kelkkafje zonder aanhangsel aan den voet; onderste kelkkafje zeer klein, 2deen 3degrooter, stomp of genaald, het derde soms met een ♂ bloem, het 4dekelkkafje steeds ongenaald en hard, het kroonkafje insluitend; bloeiwijzen zeer verschillend; aartjes soms gesteeld in wijde pluimen, soms in aren en deze te samen een pluim vormend, soms ook minder samengesteldPanicumPaardengras.31a.Aartjes vereenigd tot eenzijdige aren, deze aren staan langs het bovendeel van den halm verspreid en vormen een pluim; de beide onderste kelkkafjes spits of kortgenaald; het 3demet een lange rechte naald; asje van het aartje boven de bloem voortgezet en daar een langgenaald kafje of alleen een naald dragendGymnopogon.31b.Aartjes als bij de vorige tot eenzijdige aren vereenigd, doch deze handvormig bij elkaar aan het eind van den stengel staand3232a.De 3 kelkkafjes en het kroonkafje ongeveer even lang, ongenaald; de bovenste met 1 of 2 behaarde kielen, as van het aartje boven de bloem voortgezet als een puntje zonder verdere schubben of kafjesCynodon.32b.De 2 onderste kelkkafjes ongelijk van grootte, smal en plat, gekield, ongenaald; het 3delangbehaard, genaald (of soms ongenaald); kroonkafje groot met 2 kielenChloris.
19.Gramina.
Bloemen 2-slachtig, zelden mannelijk of vrouwelijk, zonder bloembekleedselen; meeldraden meest 3, zelden 1, 2, 6 of vele, vruchtbeginsel met één zaadknop; stempels 2 of 3, of 1; vrucht een caryopsis, zelden een noot of een bes; meest kruiden, zelden houtige planten met knoopen (halmen) en afwisselende smalle bladeren met een ligula. Bloemen alleenstaand of in groepen (aartjes of bloempakjes); elke bloem in den oksel van een dekblad (onderste kroonkafje), meest ook nog met een tegenover het dekblad staand bloemsteelblaadje (bovenste kroonkafje), soms nog met een daarboven staand derde kroonkafje of met meerdere kroonkafjes; de aartjes of de aparte bloemen meest aan de basis met 2 leege kafjes (kelkkafjes) in pluimen of aarvormige bloeiwijzen.N.B. In de meerderheid van de gevallen is het zeer moeilijk uit te maken wat kelkkafjes en wat kroonkafjes zijn, omdat het aantal kroonkafjes vaak wisselt. In al die gevallen wordt in de tabel gesproken over slechts één kroonkafje, waarmee bedoeld is het kafje dat direct onder de bloem is gezeten; alle andere, lager gezeten kafjes zijn dan kelkkafjes genoemd.1a.Bladeren langgesteeld met een opvallend breede bladschijf; bloeiwijze een pluim met lange takken; aartjes éénslachtig in paren gezeten; het eene aartje zittend met een ♀, het andere gesteeld met een ♂ bloemPharus.1b.Bladeren niet langgesteeld d. i. bladschijf onmiddellijk boven de bladscheede ingehecht of met een zeer kort steeltje ermee verbonden22a.Bloemen met meer dan 6, meest vele meeldraden, in onvertakte aren; aartjes groepsgewijs bijeenstaand, meest een aantal aartjes met ♂ bloemen staande om 1 of 2 met ♀ bloemen; bladeren breed, scheede aan den mond vaak met lange haren bezetPariana.Asmatoe pimpin.2b.Bloemen met 1–3 (of -6) meeldraden33a.Mannelijke aartjes in een groote pluim aan het eind van den stengel; ♀ aartjes dicht gedrongen in meerdere rijen tot een kolf vereenigd, zijdelings aan den stengel staande, omgeven door een scheede, waarbuiten de lange stijlen der ♀ bloemen in een bos uitstekenZea.3b.Bloemen tweeslachtig of indien ze éénslachtig zijn, dan òf in hetzelfde aartje òf in dezelfde bloeiwijze gemengd43c.Bloemen éénslachtig en tweehuizig; in elk aartje 2 tot 4 bloemen, die vrij ver van elkaar staan; het bovenste kelkkafje met een lange naald; asje behaard, evenals de kafjes der ♀ bloemen, tusschen de afzonderlijke bloemen met eene geleding; bloeiwijze een wijde pluim; vrucht door de kafjes ingesloten; groote hooge halmenGynerium.Pijlgras.4a.Bladeren met een duidelijke geleding tusschen bladschijf en bladscheede, op deze geleding breekt het blad af; halmen forsch, van onderen houtig, van duidelijke knoopen voorzien54b.Bladeren zonder geleding tusschen bladschijf en bladscheede65a.Bloemen met 6 meeldraden; aartjes met 2-vele bloemen langs de takken van de bloeiwijze in groepen zittend; asje onder de bloem geleed; bloemen 2-slachtig òf de bovenste ♂ en sommige van de onderste steriel; vruchtbeginsel aan den top behaardBambusa, (incl.Guadua).5b.Bloemen met 3 meeldraden; asje geleed tusschen de bloemen, na den bloei in stukken uiteenvallend; aartjes met 2–7 tweeslachtige bloemen, of de bovenste bloem éénslachtig; onderste 3–4 kafjes leeg, buitenste klein of naaldvormig; vruchtbeginsel kaalArthrostylidium.6a.♂ aartjes aan den top van een takje te voorschijnkomend uit een bolvormig vergroeid hard dekblad, dat het ♀ aartje geheel insluit; halm meermalen vertakt; vruchten groot, van buiten omsloten door het steenharde, licht-blauw-grijze dekbladCoix,Jobstranen.6b.♂ en ♀ bloemen regelmatig over de aartjes of de bloeiwijze verdeeld; ♀ aartjes in ieder geval niet door een bolvormig dekblad ingesloten, òf bloemen tweeslachtig76c.In ieder aartje maar één bloem, bloem nooit tweeslachtig; aartjes afzonderlijk gesteeld in een wijde pluim vereenigd, de ♂ in het onderste deel aan de pluim; de ♀ in het bovenste deel van de pluim; kelkkafjes met één naald, bladeren meest breedOlyra.7a.Twee of meer tweeslachtige bloemen in een aartje87b.Slechts één bloem in elk aartje of als er 2 zijn, dan alleen de bovenste 2-slachtig en vruchtdragend138a.Aartjes in twee, dicht naast elkaar staande rijen langs de as, en zoo een eenzijdige aar vormend98b.Aartje niet in twee rijen langs de as staande, doch in een verschillend gevormde pluim staand119a.Aren niet op hetzelfde punt van de halm bijeenstaand, doch langs de bovenzijde van de halm verdeeld; 6 bloemen per aartje, de kafjes meest kort genaald, soms ook bijna zonder naald; groote plantenLeptochloa.9b.Aren in een groep van 2 tot vele aan het eind van de halm bijeenstaand1010a.Aar met een bloem aan den top eindigend; kafjes samengedrukt, gekield, ongenaald; aren vrij smal; 4–8 bloemen per aartjeEleusine,Mangras.10b.Aar zonder bloem aan den top, doch de as met een puntje buiten het bloemdragende deel voortgezet; kafjes met duidelijke doch korte naalden; aren dik en kort; 3–5 bloemen per aartjeDactyloctenium.11a.Slechts 2 bloemen per aartje, soms maar één, meest tweeslachtig, een enkele maal ♀ of ♂; aartjes op lange steelen afzonderlijk staand, te zamen een zeer wijde pluim vormend; kafjes met een kiel, aan den punt gestekeld doch zonder naaldOrthoclada.11b.Talrijke bloemen in elk aartje, meest tweeslachtig, soms ook enkele ♂ of ♀1212a.Onderste kroonkafje met 1–3 nerven; aartje gesteeld of zittend, een pluim of een smalle aarvormige pluim vormend; alle kafjes vliezig en ongenaald, kroonkafjes na de bloei blijvendEragrostis.12b.Onderste kroonkafje met 5 tot vele nerven, de zijnerven boogvormig naar de middennerf toeloopend; aartjes meest in een losse pluim; kroonkafjes vaak stompPoa.13a.Meeldraden 6; aartjes éénbloemig, alleenstaand op steelen; bloeiwijze een pluim; kelkkafjes 4, de beide onderste klein, de 2 bovenste veel grooter, hard, zijdelings samengedrukt met een scherpe kiel, ongenaald; kroonkafje ontbrekendOryza,Rijst,aleesi.13b.Meeldraden 1–3 per bloem1414a.Aartjes paarsgewijs aan de as van de aar bevestigd, meest ongelijk van vorm, de een gesteeld, de andere zittend1514b.Aartjes niet twee aan twee aan de as van de aar zittend, wel soms in 2 rijen, maar dan de beide steeltjes niet op één punt vastzittend; indien de aartjes soms twee aan twee staan (bij sommige Paspalum-soorten) dan zijn de steeltjes even lang en de aartjes gelijk van vorm2015a.As van de aar plat met groote holten die aan de buitenzijde afgesloten worden door het onderste kafje van een aartje; in de aldus gevormde holte zit de bloem; het zittende aartje van elk paar is tweeslachtig, het gesteelde ♀; bloeiwijze een enkelvoudige aar, die uit de oksels van de bladeren te voorschijn komtManisuris.15b.As van de aar zonder holten1616a.Beide aartjes van elk paar met een tweeslachtige bloem of de een met een tweeslachtige, de andere met een ♀ bloem, in ieder geval beide vruchtdragend1716b.Van elk paar aartjes heeft de een een tweeslachtige bloem, de andere alleen een ♂ bloem of bloemen1817a.Aren 2 tot vele bij elkaar, aan het eind van den halm zittend; in het zittende aartje van elk paar vindt men onder de tweeslachtige bloem ook nog een ♂ bloem; een van de kafjes langgenaaldIschaemum.17b.Aren niet bij elkaar aan de halm staand, doch een vertakte pluim vormend, alle aartjes eenbloemig, het zittende tweeslachtig, het gesteelde eraan gelijk of alleen ♀; kafjes spits doch ongenaaldSaccharum.18a.Het zittende aartje met twee bloemen, een bovenste tweeslachtige en een onderste ♂ bloem; het bovenste kafje genaald; het gesteelde aartje van het paar met 1 of 2 ♂ bloemenIschaemum.18b.Tenminste het aartje met de tweeslachtige of ♀ bloem éénbloemig1919a.Het aartje met de ♂ bloem zittend of kortgesteeld, dat met de tweeslachtige bloem langgesteeld; het bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem voorzien van een lange behaarde naald; aren groepsgewijs aan het eind van den halm staandeTrachypogon.19b.Het aartje met de ♂ bloemen gesteeld, dat met de tweeslachtige of ♀ bloem zittend; bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem genaald of ongenaald; aren alleenstaand of aan den top van den helm in een groep bij elkaar of tot samengestelde pluimen vereenigdAndropogon,Vétivert.20a.Aartjes steeds eenbloemig, de beide onderste kelkkafjes met lange,witte, zijdeachtige haren bezet; de beide bovenste kelkkafjes kaal; bloem tweeslachtig met één meeldraad; bloeiwijze een pluim met opgerichte takken, zoodat het geheel op een aar gelijktImperata.20b.Aartjes één- of 2-bloemig; meeldraden bijna steeds 3 (soms 2) per bloem2121a.Aartjes aan den voet met een massa borstelige haren of stekels; geheele bloeiwijze aarvormig2221b.Aartjes zonder borstelige haren of stekels aan den voet, of indien er haren aanwezig zijn, dan zijn de kelkkafjes zelf met dunne haren bezet2322a.Aartjes omgeven door een omhulsel dat met borstelige haren of stekels bezet is, en dat met het geheele aartje en de vrucht afvalt; aar vrij ijl, bezet met groepsgewijs- of alleenstaande aartjes; elk aartje met een tweeslachtige bloem of met een tweeslachtige en daaronder een ♂ bloemCenchrus.22b.Borstelvormige haren of stekels niet tot een omhulsel vergroeid; daardoor ook aan de as zitten blijvend, als de vrucht met het aartje afvalt; aartjes zeer dicht opeengedrongen aan de as staand; bloemen als de vorigeSetaria.23a.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje schijnbaar eindelings zittend, dus het asje afsluitend2423b.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje zijdelings zittend, zoodat het asje zich nog verder boven de bloem voortzet3124a.Hoofdas van de halm afgeplat, voorzien van zeer korte zijassen, die ieder zijdelings 1–5 aartjes dragen; deze zijn dicht tegen de hoofdas aangedrukt, zoodat het geheel den indruk maakt van een enkelvoudige aar; planten min of meer kruipendStenotaphrum.24b.Bloeiwijze bestaande uit een of meer lange aren, waarvan de assen bezet zijn met zittende of gesteelde aartjes, of bloeiwijze een wijde pluim2525a.Elk aartje met 3 (of 2) kelkkafjes en één kroonkafje; slechts één bloem per aartje2625b.Elk aartje met 4 kelkkafjes en één kroonkafje, het derde kelkkafje soms met een ♂ bloem in den oksel, het vierde steeds met een tweeslachtige bloem3026a.Kelkkafjes smal, de beide onderste met een kiel, het bovenste met een lange 3-deelige naald; 2 lodiculae aanwezig; asje van het aartje geleed boven de beide onderste kelkkafjes, zoodat deze na het uitvallen der bloem blijven zitten. Bloemen in pluimen of schijnarenAristida.26b.Kafjes ongenaald of (bij Eriochloa) zeer kort genaald; geleding van het asje, indien aanwezig, onder de kafjes2727a.Direct onder het onderste kafje van het aartje, boven de geleding, zit een meest gekleurde verdikking van het asje; aartjes regelmatig langs de as staande in aren, en deze weer tot een pluim vereenigd; onderste kelkkafjes spits, behaard, het derde hard, met een korte naald, die niet buiten het aartje uitsteekt. Kroonkafje zonder naald, doch overigens gelijkend op het bovenste kelkkafjeEriochloa.27b.Asje onder het aartje zonder woekering, hoogstens met een geleding2828a.Aartjes duidelijk in twee rijen langs de as van de aar gezeten en tegen de as aangedrukt; kelkkafjes 2 of 3, het onderste of de beide onderste klein en dun, het bovenste eirond en hard; aren soms alleenstaand aan het eind van den halm, of in groepen, soms ook een pluim vormendPaspalum.28b.Aartjes eenbloemig, tot éénzijdige aren vereenigd, aan de as zittend of bijna zittend in twee rijen, dicht over elkaar liggend; de aren op hun beurt weer aarvormig langs het boveneind van den halm zittend opgericht en tegen den halm aangedrukt; de beide onderste kelkkafjes smal en gekield, het bovenste vliezigSpartina.28c.Aartjes niet in twee rijen langs de as staande doch een onregelmatig vertakte, soms min of meer aarvormige pluim vormend2929a.Pluim vrij wijd lang behaard; de 3 kelkkafjes vliezig; kroonkafjetijdensden bloei dunvliezig, later verhardend en de vrucht omsluitend; aartje duidelijk geleed met de asLeptocoryphium.29b.Pluim smal met opgerichte takken, onbehaard of kort-behaard; aartje niet duidelijk geleed met de as; vrucht geheel vrij van de kafjesSporobolus.30a.Bovenste kelkkafje aan den voet met een aanhangsel; aartjes kortgesteeld aan de takken van een pluimIchnanthus.30b.Bovenste kelkkafje zonder aanhangsel aan den voet; onderste kelkkafje zeer klein, 2deen 3degrooter, stomp of genaald, het derde soms met een ♂ bloem, het 4dekelkkafje steeds ongenaald en hard, het kroonkafje insluitend; bloeiwijzen zeer verschillend; aartjes soms gesteeld in wijde pluimen, soms in aren en deze te samen een pluim vormend, soms ook minder samengesteldPanicumPaardengras.31a.Aartjes vereenigd tot eenzijdige aren, deze aren staan langs het bovendeel van den halm verspreid en vormen een pluim; de beide onderste kelkkafjes spits of kortgenaald; het 3demet een lange rechte naald; asje van het aartje boven de bloem voortgezet en daar een langgenaald kafje of alleen een naald dragendGymnopogon.31b.Aartjes als bij de vorige tot eenzijdige aren vereenigd, doch deze handvormig bij elkaar aan het eind van den stengel staand3232a.De 3 kelkkafjes en het kroonkafje ongeveer even lang, ongenaald; de bovenste met 1 of 2 behaarde kielen, as van het aartje boven de bloem voortgezet als een puntje zonder verdere schubben of kafjesCynodon.32b.De 2 onderste kelkkafjes ongelijk van grootte, smal en plat, gekield, ongenaald; het 3delangbehaard, genaald (of soms ongenaald); kroonkafje groot met 2 kielenChloris.
Bloemen 2-slachtig, zelden mannelijk of vrouwelijk, zonder bloembekleedselen; meeldraden meest 3, zelden 1, 2, 6 of vele, vruchtbeginsel met één zaadknop; stempels 2 of 3, of 1; vrucht een caryopsis, zelden een noot of een bes; meest kruiden, zelden houtige planten met knoopen (halmen) en afwisselende smalle bladeren met een ligula. Bloemen alleenstaand of in groepen (aartjes of bloempakjes); elke bloem in den oksel van een dekblad (onderste kroonkafje), meest ook nog met een tegenover het dekblad staand bloemsteelblaadje (bovenste kroonkafje), soms nog met een daarboven staand derde kroonkafje of met meerdere kroonkafjes; de aartjes of de aparte bloemen meest aan de basis met 2 leege kafjes (kelkkafjes) in pluimen of aarvormige bloeiwijzen.
N.B. In de meerderheid van de gevallen is het zeer moeilijk uit te maken wat kelkkafjes en wat kroonkafjes zijn, omdat het aantal kroonkafjes vaak wisselt. In al die gevallen wordt in de tabel gesproken over slechts één kroonkafje, waarmee bedoeld is het kafje dat direct onder de bloem is gezeten; alle andere, lager gezeten kafjes zijn dan kelkkafjes genoemd.
1a.Bladeren langgesteeld met een opvallend breede bladschijf; bloeiwijze een pluim met lange takken; aartjes éénslachtig in paren gezeten; het eene aartje zittend met een ♀, het andere gesteeld met een ♂ bloemPharus.
1b.Bladeren niet langgesteeld d. i. bladschijf onmiddellijk boven de bladscheede ingehecht of met een zeer kort steeltje ermee verbonden2
2a.Bloemen met meer dan 6, meest vele meeldraden, in onvertakte aren; aartjes groepsgewijs bijeenstaand, meest een aantal aartjes met ♂ bloemen staande om 1 of 2 met ♀ bloemen; bladeren breed, scheede aan den mond vaak met lange haren bezetPariana.Asmatoe pimpin.
2b.Bloemen met 1–3 (of -6) meeldraden3
3a.Mannelijke aartjes in een groote pluim aan het eind van den stengel; ♀ aartjes dicht gedrongen in meerdere rijen tot een kolf vereenigd, zijdelings aan den stengel staande, omgeven door een scheede, waarbuiten de lange stijlen der ♀ bloemen in een bos uitstekenZea.
3b.Bloemen tweeslachtig of indien ze éénslachtig zijn, dan òf in hetzelfde aartje òf in dezelfde bloeiwijze gemengd4
3c.Bloemen éénslachtig en tweehuizig; in elk aartje 2 tot 4 bloemen, die vrij ver van elkaar staan; het bovenste kelkkafje met een lange naald; asje behaard, evenals de kafjes der ♀ bloemen, tusschen de afzonderlijke bloemen met eene geleding; bloeiwijze een wijde pluim; vrucht door de kafjes ingesloten; groote hooge halmenGynerium.Pijlgras.
4a.Bladeren met een duidelijke geleding tusschen bladschijf en bladscheede, op deze geleding breekt het blad af; halmen forsch, van onderen houtig, van duidelijke knoopen voorzien5
4b.Bladeren zonder geleding tusschen bladschijf en bladscheede6
5a.Bloemen met 6 meeldraden; aartjes met 2-vele bloemen langs de takken van de bloeiwijze in groepen zittend; asje onder de bloem geleed; bloemen 2-slachtig òf de bovenste ♂ en sommige van de onderste steriel; vruchtbeginsel aan den top behaardBambusa, (incl.Guadua).
5b.Bloemen met 3 meeldraden; asje geleed tusschen de bloemen, na den bloei in stukken uiteenvallend; aartjes met 2–7 tweeslachtige bloemen, of de bovenste bloem éénslachtig; onderste 3–4 kafjes leeg, buitenste klein of naaldvormig; vruchtbeginsel kaalArthrostylidium.
6a.♂ aartjes aan den top van een takje te voorschijnkomend uit een bolvormig vergroeid hard dekblad, dat het ♀ aartje geheel insluit; halm meermalen vertakt; vruchten groot, van buiten omsloten door het steenharde, licht-blauw-grijze dekbladCoix,Jobstranen.
6b.♂ en ♀ bloemen regelmatig over de aartjes of de bloeiwijze verdeeld; ♀ aartjes in ieder geval niet door een bolvormig dekblad ingesloten, òf bloemen tweeslachtig7
6c.In ieder aartje maar één bloem, bloem nooit tweeslachtig; aartjes afzonderlijk gesteeld in een wijde pluim vereenigd, de ♂ in het onderste deel aan de pluim; de ♀ in het bovenste deel van de pluim; kelkkafjes met één naald, bladeren meest breedOlyra.
7a.Twee of meer tweeslachtige bloemen in een aartje8
7b.Slechts één bloem in elk aartje of als er 2 zijn, dan alleen de bovenste 2-slachtig en vruchtdragend13
8a.Aartjes in twee, dicht naast elkaar staande rijen langs de as, en zoo een eenzijdige aar vormend9
8b.Aartje niet in twee rijen langs de as staande, doch in een verschillend gevormde pluim staand11
9a.Aren niet op hetzelfde punt van de halm bijeenstaand, doch langs de bovenzijde van de halm verdeeld; 6 bloemen per aartje, de kafjes meest kort genaald, soms ook bijna zonder naald; groote plantenLeptochloa.
9b.Aren in een groep van 2 tot vele aan het eind van de halm bijeenstaand10
10a.Aar met een bloem aan den top eindigend; kafjes samengedrukt, gekield, ongenaald; aren vrij smal; 4–8 bloemen per aartjeEleusine,Mangras.
10b.Aar zonder bloem aan den top, doch de as met een puntje buiten het bloemdragende deel voortgezet; kafjes met duidelijke doch korte naalden; aren dik en kort; 3–5 bloemen per aartjeDactyloctenium.
11a.Slechts 2 bloemen per aartje, soms maar één, meest tweeslachtig, een enkele maal ♀ of ♂; aartjes op lange steelen afzonderlijk staand, te zamen een zeer wijde pluim vormend; kafjes met een kiel, aan den punt gestekeld doch zonder naaldOrthoclada.
11b.Talrijke bloemen in elk aartje, meest tweeslachtig, soms ook enkele ♂ of ♀12
12a.Onderste kroonkafje met 1–3 nerven; aartje gesteeld of zittend, een pluim of een smalle aarvormige pluim vormend; alle kafjes vliezig en ongenaald, kroonkafjes na de bloei blijvendEragrostis.
12b.Onderste kroonkafje met 5 tot vele nerven, de zijnerven boogvormig naar de middennerf toeloopend; aartjes meest in een losse pluim; kroonkafjes vaak stompPoa.
13a.Meeldraden 6; aartjes éénbloemig, alleenstaand op steelen; bloeiwijze een pluim; kelkkafjes 4, de beide onderste klein, de 2 bovenste veel grooter, hard, zijdelings samengedrukt met een scherpe kiel, ongenaald; kroonkafje ontbrekendOryza,Rijst,aleesi.
13b.Meeldraden 1–3 per bloem14
14a.Aartjes paarsgewijs aan de as van de aar bevestigd, meest ongelijk van vorm, de een gesteeld, de andere zittend15
14b.Aartjes niet twee aan twee aan de as van de aar zittend, wel soms in 2 rijen, maar dan de beide steeltjes niet op één punt vastzittend; indien de aartjes soms twee aan twee staan (bij sommige Paspalum-soorten) dan zijn de steeltjes even lang en de aartjes gelijk van vorm20
15a.As van de aar plat met groote holten die aan de buitenzijde afgesloten worden door het onderste kafje van een aartje; in de aldus gevormde holte zit de bloem; het zittende aartje van elk paar is tweeslachtig, het gesteelde ♀; bloeiwijze een enkelvoudige aar, die uit de oksels van de bladeren te voorschijn komtManisuris.
15b.As van de aar zonder holten16
16a.Beide aartjes van elk paar met een tweeslachtige bloem of de een met een tweeslachtige, de andere met een ♀ bloem, in ieder geval beide vruchtdragend17
16b.Van elk paar aartjes heeft de een een tweeslachtige bloem, de andere alleen een ♂ bloem of bloemen18
17a.Aren 2 tot vele bij elkaar, aan het eind van den halm zittend; in het zittende aartje van elk paar vindt men onder de tweeslachtige bloem ook nog een ♂ bloem; een van de kafjes langgenaaldIschaemum.
17b.Aren niet bij elkaar aan de halm staand, doch een vertakte pluim vormend, alle aartjes eenbloemig, het zittende tweeslachtig, het gesteelde eraan gelijk of alleen ♀; kafjes spits doch ongenaaldSaccharum.
18a.Het zittende aartje met twee bloemen, een bovenste tweeslachtige en een onderste ♂ bloem; het bovenste kafje genaald; het gesteelde aartje van het paar met 1 of 2 ♂ bloemenIschaemum.
18b.Tenminste het aartje met de tweeslachtige of ♀ bloem éénbloemig19
19a.Het aartje met de ♂ bloem zittend of kortgesteeld, dat met de tweeslachtige bloem langgesteeld; het bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem voorzien van een lange behaarde naald; aren groepsgewijs aan het eind van den halm staandeTrachypogon.
19b.Het aartje met de ♂ bloemen gesteeld, dat met de tweeslachtige of ♀ bloem zittend; bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem genaald of ongenaald; aren alleenstaand of aan den top van den helm in een groep bij elkaar of tot samengestelde pluimen vereenigdAndropogon,Vétivert.
20a.Aartjes steeds eenbloemig, de beide onderste kelkkafjes met lange,witte, zijdeachtige haren bezet; de beide bovenste kelkkafjes kaal; bloem tweeslachtig met één meeldraad; bloeiwijze een pluim met opgerichte takken, zoodat het geheel op een aar gelijktImperata.
20b.Aartjes één- of 2-bloemig; meeldraden bijna steeds 3 (soms 2) per bloem21
21a.Aartjes aan den voet met een massa borstelige haren of stekels; geheele bloeiwijze aarvormig22
21b.Aartjes zonder borstelige haren of stekels aan den voet, of indien er haren aanwezig zijn, dan zijn de kelkkafjes zelf met dunne haren bezet23
22a.Aartjes omgeven door een omhulsel dat met borstelige haren of stekels bezet is, en dat met het geheele aartje en de vrucht afvalt; aar vrij ijl, bezet met groepsgewijs- of alleenstaande aartjes; elk aartje met een tweeslachtige bloem of met een tweeslachtige en daaronder een ♂ bloemCenchrus.
22b.Borstelvormige haren of stekels niet tot een omhulsel vergroeid; daardoor ook aan de as zitten blijvend, als de vrucht met het aartje afvalt; aartjes zeer dicht opeengedrongen aan de as staand; bloemen als de vorigeSetaria.
23a.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje schijnbaar eindelings zittend, dus het asje afsluitend24
23b.Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje zijdelings zittend, zoodat het asje zich nog verder boven de bloem voortzet31
24a.Hoofdas van de halm afgeplat, voorzien van zeer korte zijassen, die ieder zijdelings 1–5 aartjes dragen; deze zijn dicht tegen de hoofdas aangedrukt, zoodat het geheel den indruk maakt van een enkelvoudige aar; planten min of meer kruipendStenotaphrum.
24b.Bloeiwijze bestaande uit een of meer lange aren, waarvan de assen bezet zijn met zittende of gesteelde aartjes, of bloeiwijze een wijde pluim25
25a.Elk aartje met 3 (of 2) kelkkafjes en één kroonkafje; slechts één bloem per aartje26
25b.Elk aartje met 4 kelkkafjes en één kroonkafje, het derde kelkkafje soms met een ♂ bloem in den oksel, het vierde steeds met een tweeslachtige bloem30
26a.Kelkkafjes smal, de beide onderste met een kiel, het bovenste met een lange 3-deelige naald; 2 lodiculae aanwezig; asje van het aartje geleed boven de beide onderste kelkkafjes, zoodat deze na het uitvallen der bloem blijven zitten. Bloemen in pluimen of schijnarenAristida.
26b.Kafjes ongenaald of (bij Eriochloa) zeer kort genaald; geleding van het asje, indien aanwezig, onder de kafjes27
27a.Direct onder het onderste kafje van het aartje, boven de geleding, zit een meest gekleurde verdikking van het asje; aartjes regelmatig langs de as staande in aren, en deze weer tot een pluim vereenigd; onderste kelkkafjes spits, behaard, het derde hard, met een korte naald, die niet buiten het aartje uitsteekt. Kroonkafje zonder naald, doch overigens gelijkend op het bovenste kelkkafjeEriochloa.
27b.Asje onder het aartje zonder woekering, hoogstens met een geleding28
28a.Aartjes duidelijk in twee rijen langs de as van de aar gezeten en tegen de as aangedrukt; kelkkafjes 2 of 3, het onderste of de beide onderste klein en dun, het bovenste eirond en hard; aren soms alleenstaand aan het eind van den halm, of in groepen, soms ook een pluim vormendPaspalum.
28b.Aartjes eenbloemig, tot éénzijdige aren vereenigd, aan de as zittend of bijna zittend in twee rijen, dicht over elkaar liggend; de aren op hun beurt weer aarvormig langs het boveneind van den halm zittend opgericht en tegen den halm aangedrukt; de beide onderste kelkkafjes smal en gekield, het bovenste vliezigSpartina.
28c.Aartjes niet in twee rijen langs de as staande doch een onregelmatig vertakte, soms min of meer aarvormige pluim vormend29
29a.Pluim vrij wijd lang behaard; de 3 kelkkafjes vliezig; kroonkafjetijdensden bloei dunvliezig, later verhardend en de vrucht omsluitend; aartje duidelijk geleed met de asLeptocoryphium.
29b.Pluim smal met opgerichte takken, onbehaard of kort-behaard; aartje niet duidelijk geleed met de as; vrucht geheel vrij van de kafjesSporobolus.
30a.Bovenste kelkkafje aan den voet met een aanhangsel; aartjes kortgesteeld aan de takken van een pluimIchnanthus.
30b.Bovenste kelkkafje zonder aanhangsel aan den voet; onderste kelkkafje zeer klein, 2deen 3degrooter, stomp of genaald, het derde soms met een ♂ bloem, het 4dekelkkafje steeds ongenaald en hard, het kroonkafje insluitend; bloeiwijzen zeer verschillend; aartjes soms gesteeld in wijde pluimen, soms in aren en deze te samen een pluim vormend, soms ook minder samengesteldPanicumPaardengras.
31a.Aartjes vereenigd tot eenzijdige aren, deze aren staan langs het bovendeel van den halm verspreid en vormen een pluim; de beide onderste kelkkafjes spits of kortgenaald; het 3demet een lange rechte naald; asje van het aartje boven de bloem voortgezet en daar een langgenaald kafje of alleen een naald dragendGymnopogon.
31b.Aartjes als bij de vorige tot eenzijdige aren vereenigd, doch deze handvormig bij elkaar aan het eind van den stengel staand32
32a.De 3 kelkkafjes en het kroonkafje ongeveer even lang, ongenaald; de bovenste met 1 of 2 behaarde kielen, as van het aartje boven de bloem voortgezet als een puntje zonder verdere schubben of kafjesCynodon.
32b.De 2 onderste kelkkafjes ongelijk van grootte, smal en plat, gekield, ongenaald; het 3delangbehaard, genaald (of soms ongenaald); kroonkafje groot met 2 kielenChloris.
20.Cyperaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, naakt, of zelden met een enkelvoudig bloemdek; meeldraden meest 3–1, zelden meer; vruchtbeginsel eenhokkig met 1 zaadknop en met 3 of 2 stijlen met draadvormige stempels; zaad niet met de vruchtwand vergroeid; kruiden met meest scherp driekantige, zelden gelede en van knoopen voorziene stengels en smalle bladeren met gesloten scheeden; bloemen in aartjes-achtige trosjes, die tot aar- of pluimvormige bloeiwijzen vereenigd zijn.1a.De bloemen, die een vruchtbeginsel hebben, hebben steeds óók meeldraden; daarnaast komen ook alléén ♂ bloemen voor. (Zie ook 18a en 24 van deze lijst)21b.Alle bloemen éénslachtig182a.Hoogstens 2 (soms ook maar 1 of geen enkel) van de onderste kafjes der aartjes zonder bloemen32b.Drie tot meer van de onderste kafjes zonder bloemen143a.Kafjes in 2 rijen43b.Kafjes in 3 tot meer rijen94a.Stijl met 2 takken54b.Stijl met 3 takken75a.Nootje aan rug- en buikzijde afgeplat, zoodat de grootste breedte naar de as van het aartje toegekeerd is. Aartjes 5–6-bloemig, as van het aartje na den bloei blijvend. Onderste 2 kafjes zonder bloemen, blijvend, de volgende in 2 rijen. Meeldraden 1–3. Naakte halm met één hoofdje van aartjes aan het eindJuncellus(Cyperus).5b.Nootje zijdelings samengedrukt, zoodat de smalste kant naar de as toegekeerd is66a.As van het aartje boven de twee onderste leege kafjes afvallend, vóór het afvallen is op die plaats een geleding in de as te zien. Aartjes met 4–5 kafjes. Meestal draagt alleen het derde een bloem en zijn de twee kafjes aan den top ook leeg, evenals de beide onderste. Aartjes in één of meer zittende hoofdjes aan den top van den kalen stengel; onder de hoofdjes 2–4 bladerenKyllingia.6b.Deel van de as boven de beide onderste leege kafjes niet afvallend. Aartjes met 5–6-∞ kafjes, waarvan er minstens 4 bloemen dragen en er slechts weinigen aan den top leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Aartjes aan den top van de assen, welke te samen weer schermvormig aan het einde van den bloeistengel staan. Direct onder het scherm eenige bladeren in een krans; halm overigens naaktPycreus(Cyperus).7a.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes niet afvallend. Aartjes 5–6-∞ bloemig, waarvan er minstens 4 bloemen dragen, terwijl enkele van de bovenste leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Noot 3-hoekig, soms van voren een weinig samengedrukt. Halm naakt; aartjes tros- of handvormig samengesteld en deze trossen in een scherm aan het eind van den stengel staande of soms tot een hoofdje bijeenkomendCyperus.7b.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes na den bloei afvallend88a.As van het aartje in zijn geheel afvallend, 1-weinig-veelbloemig. Vruchtdragende kafjes blijvend. Bladeren lang, smal en groen; overigens als CyperusMariscus.8b.As van het aartje in stukken uiteenvallend, elk stuk met één vruchtdragend kafje. Aartje met 4–16 vruchtdragende kafjes, cylindrisch, zeer lang en dun, samengesteld tot trossen, en deze weer één of meervoudig in schermen bijeenkomend. Halm, behalve onder de bloeiwijze, naaktTorulinium(Cyperus).9a.Stijlen aan de basis opgezwollen, scherp gescheiden van den top van den noot109b.Stijlen aan de basis niet opgezwollen, geleidelijk overgaand in den top van den noot1210a.Rondom het vruchtbeginsel staan 3–8 haren, die vaak met weerhaakjes bezet zijn. Kafjes zeer talrijk, meest stomp. Meeldraden3–1; stijl met 2 of 3 takken, kaal. Halm geheel (ook aan den voet) zonder bladeren, met één hoofdje aan den topHeleocharis.10b.Geen stekels om het vruchtbeginsel; plant meest met bladeren1111a.Stijl blijvend aan den noot, òf zoo de stijl afvalt, dan valt ook de verdikte stijlbasis af. Kafjes talrijk, dakpansgewijs over elkaar liggend, velen ervan vruchtdragend. Meeldraden 3–1; stijl met 3 of 2 takken. Nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in losse 1 of meermaal samengestelde schermen aan het eind van den stengelFimbristylis.11b.Stijl afvallend, doch de verdikte en anders gekleurde stijlbasis aan den noot blijvend. Vruchtdragende kafjes meest een weinig behaard; takken van den stijl steeds 3, meeldraden 3–1, nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in groepen bijeen, soms tot schermen vereenigd, soms 1 hoofdje aan het eind van den stengel vormend. Bladeren zeer smal, soms naaldvormigBulbostylis.12a.Zoowel de plant als de aartjes kaal of bijna kaal1312b.Plant min of meer, doch vooral de aartjes duidelijk behaard. Onder het vruchtbeginsel 3 eironde schubjes. Kafjes behaard, aan den top gestekeld; aartjes vrij groot, tot 1 c.M. lang, langs het bovenste deel van den halm een lange samengestelde bloeiwijze vormend. Halm bebladerdFuirena.13a.Onder het vruchtbeginsel 2 hyaline schubjes, de een naar de as toegekeerd, de andere ervan af gekeerd, grooter dan de noot. Stijl vrij klein met 2 of 3 takken. Halmen alleen aan de basis en onder de bloeiwijzen bladeren dragend. Aartjes tot één hoofdje samenkomend aan het eind van den stengelLipocarpha.13b.Onder het vruchtbeginsel nooit 2 schubben, (in één enkel geval één zijdelingsche schub), doch 0-vele haren. Aartjes met vele vruchtjes. De onderste 0–2 kafjes leeg, kaal behalve aan de randen. Stijl met 2–3 takken. Halmen naaktScirpus.14a.Stijl met twee takken1514b.Stijl met drie takken1715a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig zijn, onvertakt, draadvormig1615b.Haren onder het vruchtbeginsel 6–3 in getal; over de geheele lengte met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar liggend, de 3–4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de bovenste òf alleen met ♂ of met steriele bloemen. Stijl lang, met 2 lange takken; stijlbasis kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd, bloeiwijze klein, trosvormig, in den oksel van de bladeren staandPleurostachys.16a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste kafjes leeg; slechts 1–3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met ♂ of met steriele bloemen; 3–2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne takken die langer zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle bladeren en maar één meest wit of bruinachtig hoofdje van weinig aartjes aan het eind van den naakten halm, die alleen direct onder de bloeiwijze eenige bladeren draagtDichromena.16b.Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig, soms aanwezig. Drie tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot vele vruchtdragend, de bovenste met ♂ bloemen of leeg. Meeldraden3–2; stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen òf meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en samengesteld uit zeer veel aartjesRhynchospora.17a.Groote planten. Aartjes met 2–4 leege kafjes van onderen, daarboven 1–4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met 3 lange takken. Bloeiwijze sterk vertakt, verlengdCladium.17b.Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en alleen het 4debovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht dragend. Stijl geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes in korte trosjes staand; eenige van die trosjes zittend aan het eind van den halmRemiria.18a.Alle bloemen eenslachtig; de ♀ bloem in het aartje eindstandig, naakt; daaromheen 2–10 ♂ bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat men het aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2–10 meeldraden2418b.Alle bloemen éénslachtig, de ♀ bloem meest niet naakt, maar van een kafje voorzien; de ♂ duidelijke aartjes vormend1919a.Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen ♂, van boven alleen ♀ aartjes dragend2019b.Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot dichte hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de ♀ en de ♂ bloemen onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje2120a.Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1–2 M. lang, driehoekig, glad. ♀ bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje zonder ♂ bloemen erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele ♂ bloemen bijeen in aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig,niet voorzien van 3–5 groevenLagenocarpus.20b.Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige, maar vruchten 3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribbenCryptangium.21a.Aartjes met weinig bloemen, soms ♂ en ♀ bloemen in één aartje, en dan de ♀ bloem het onderst en de hoogere ♂ òf sommige aartjes ♂, andere ♀ en dan de ♀ bloem alleenstaand met eenige rudimentaire bloemen erboven, en de ♂ bloemen in veelbloemige aartjes. Kafje van de ♀ bloem open, niet om het vruchtbeginsel tot een urntje vergroeid. Nootje hard, beenachtig, meest wit, soms grijs of purper, met een donkerder top. Bloeiwijzen meest in sterk vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen bloeiwijze maar dan de halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak scherp driehoekigScleria.Baboen-nefi.21b.In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes2222a.Kafje rondom de ♀ bloem met de randen tot een urntje met een lange hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals uit. Aartjes steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt alleen de ♀ bloem, de beide zijdelingsche dragen 2–3 ♂ bloemen met ieder 1 meeldraad. Planten met lange smalle bladeren met enkele krachtige evenwijdige nerven; bladeren met breede scheeden, die elkaar van onderen dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met enkele schubben, verder naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in een groep van weinige gestekelde bolvormige hoofdjesBisboeckeleria(Hoppia).22b.Kafje rondom de vrouwelijke bloem niet urnvormig vergroeid2323a.♀ aartje met 3 kafjes en één eindstandig vruchtbeginsel met een lange stijl met 3 takken. Daarnaast ♂ aartjes met 2 ♂ bloemen ieder met 3 meeldraden. Aartjes vereenigd tot groote gesteelde, bolvormige hoofdjes, die hetzij alleen, hetzij in paren of 3–4, in den oksel van de stengelbladeren staan. Bladeren lang, smalDiplacrum.23b.Aartjes met 1 eindelingsche ♀ bloem met 2 kafjes en daaronder 2–4 mannelijke bloemen. Vruchtbeginsel met een korte stijl met 2 takken; ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. Aartjes in zeer kleine gesteelde of ongesteelde hoofdjes, waarvan er talrijke een samengestelde bloeiwijze in den oksel van de bladeren vormen.Calyptrocarya.24a.Eén of meerdere dichtgedrongen zittende hoofdjes aan het eind van den stengel, direct daaronder 3 groote breede bladeren. ♀ bloem met een lange stijl met 3 takken, ♂ bloemen 3, ieder met 1 meeldraad, schijnbaar een tweeslachtige bloem vormend met het vruchtbeginselMapania.24b.Meerdere hoofdjes aan het eind van den stengel en niet met breede bladeren daaronder, of een vertakte bloeiwijze. Stijltakken 22525a.Aartjes bestaande uit 3 bloemen, waarvan de middelste alleen uit een vruchtbeginsel bestaat, daaromheen 2–4 ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. De aartjes vormen samen aren, die niet meer dan 5 m.M. lang zijn, deze komen in eenige zittende hoofdjes aan het eind van den stengel samen, of vormen een sterker vertakte bloeiwijzeHypolytrum.25b.Aartjes bestaande uit 6–9 éénslachtige bloemen, waarvan de middelste (eigenlijk bovenste) uit een vruchtbeginsel bestaat, de andere 5–8 mannelijk zijn en ieder één meeldraad hebben. De aartjes vereenigen zich tot 3 c.M. lange cylindrische aren, die langgesteeld zijn en te samen een min of meer schermvormige bloeiwijze vormen. Groote krachtige plant met vrij breede scherpe bladerenDiplasia.
20.Cyperaceae.
Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, naakt, of zelden met een enkelvoudig bloemdek; meeldraden meest 3–1, zelden meer; vruchtbeginsel eenhokkig met 1 zaadknop en met 3 of 2 stijlen met draadvormige stempels; zaad niet met de vruchtwand vergroeid; kruiden met meest scherp driekantige, zelden gelede en van knoopen voorziene stengels en smalle bladeren met gesloten scheeden; bloemen in aartjes-achtige trosjes, die tot aar- of pluimvormige bloeiwijzen vereenigd zijn.1a.De bloemen, die een vruchtbeginsel hebben, hebben steeds óók meeldraden; daarnaast komen ook alléén ♂ bloemen voor. (Zie ook 18a en 24 van deze lijst)21b.Alle bloemen éénslachtig182a.Hoogstens 2 (soms ook maar 1 of geen enkel) van de onderste kafjes der aartjes zonder bloemen32b.Drie tot meer van de onderste kafjes zonder bloemen143a.Kafjes in 2 rijen43b.Kafjes in 3 tot meer rijen94a.Stijl met 2 takken54b.Stijl met 3 takken75a.Nootje aan rug- en buikzijde afgeplat, zoodat de grootste breedte naar de as van het aartje toegekeerd is. Aartjes 5–6-bloemig, as van het aartje na den bloei blijvend. Onderste 2 kafjes zonder bloemen, blijvend, de volgende in 2 rijen. Meeldraden 1–3. Naakte halm met één hoofdje van aartjes aan het eindJuncellus(Cyperus).5b.Nootje zijdelings samengedrukt, zoodat de smalste kant naar de as toegekeerd is66a.As van het aartje boven de twee onderste leege kafjes afvallend, vóór het afvallen is op die plaats een geleding in de as te zien. Aartjes met 4–5 kafjes. Meestal draagt alleen het derde een bloem en zijn de twee kafjes aan den top ook leeg, evenals de beide onderste. Aartjes in één of meer zittende hoofdjes aan den top van den kalen stengel; onder de hoofdjes 2–4 bladerenKyllingia.6b.Deel van de as boven de beide onderste leege kafjes niet afvallend. Aartjes met 5–6-∞ kafjes, waarvan er minstens 4 bloemen dragen en er slechts weinigen aan den top leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Aartjes aan den top van de assen, welke te samen weer schermvormig aan het einde van den bloeistengel staan. Direct onder het scherm eenige bladeren in een krans; halm overigens naaktPycreus(Cyperus).7a.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes niet afvallend. Aartjes 5–6-∞ bloemig, waarvan er minstens 4 bloemen dragen, terwijl enkele van de bovenste leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Noot 3-hoekig, soms van voren een weinig samengedrukt. Halm naakt; aartjes tros- of handvormig samengesteld en deze trossen in een scherm aan het eind van den stengel staande of soms tot een hoofdje bijeenkomendCyperus.7b.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes na den bloei afvallend88a.As van het aartje in zijn geheel afvallend, 1-weinig-veelbloemig. Vruchtdragende kafjes blijvend. Bladeren lang, smal en groen; overigens als CyperusMariscus.8b.As van het aartje in stukken uiteenvallend, elk stuk met één vruchtdragend kafje. Aartje met 4–16 vruchtdragende kafjes, cylindrisch, zeer lang en dun, samengesteld tot trossen, en deze weer één of meervoudig in schermen bijeenkomend. Halm, behalve onder de bloeiwijze, naaktTorulinium(Cyperus).9a.Stijlen aan de basis opgezwollen, scherp gescheiden van den top van den noot109b.Stijlen aan de basis niet opgezwollen, geleidelijk overgaand in den top van den noot1210a.Rondom het vruchtbeginsel staan 3–8 haren, die vaak met weerhaakjes bezet zijn. Kafjes zeer talrijk, meest stomp. Meeldraden3–1; stijl met 2 of 3 takken, kaal. Halm geheel (ook aan den voet) zonder bladeren, met één hoofdje aan den topHeleocharis.10b.Geen stekels om het vruchtbeginsel; plant meest met bladeren1111a.Stijl blijvend aan den noot, òf zoo de stijl afvalt, dan valt ook de verdikte stijlbasis af. Kafjes talrijk, dakpansgewijs over elkaar liggend, velen ervan vruchtdragend. Meeldraden 3–1; stijl met 3 of 2 takken. Nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in losse 1 of meermaal samengestelde schermen aan het eind van den stengelFimbristylis.11b.Stijl afvallend, doch de verdikte en anders gekleurde stijlbasis aan den noot blijvend. Vruchtdragende kafjes meest een weinig behaard; takken van den stijl steeds 3, meeldraden 3–1, nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in groepen bijeen, soms tot schermen vereenigd, soms 1 hoofdje aan het eind van den stengel vormend. Bladeren zeer smal, soms naaldvormigBulbostylis.12a.Zoowel de plant als de aartjes kaal of bijna kaal1312b.Plant min of meer, doch vooral de aartjes duidelijk behaard. Onder het vruchtbeginsel 3 eironde schubjes. Kafjes behaard, aan den top gestekeld; aartjes vrij groot, tot 1 c.M. lang, langs het bovenste deel van den halm een lange samengestelde bloeiwijze vormend. Halm bebladerdFuirena.13a.Onder het vruchtbeginsel 2 hyaline schubjes, de een naar de as toegekeerd, de andere ervan af gekeerd, grooter dan de noot. Stijl vrij klein met 2 of 3 takken. Halmen alleen aan de basis en onder de bloeiwijzen bladeren dragend. Aartjes tot één hoofdje samenkomend aan het eind van den stengelLipocarpha.13b.Onder het vruchtbeginsel nooit 2 schubben, (in één enkel geval één zijdelingsche schub), doch 0-vele haren. Aartjes met vele vruchtjes. De onderste 0–2 kafjes leeg, kaal behalve aan de randen. Stijl met 2–3 takken. Halmen naaktScirpus.14a.Stijl met twee takken1514b.Stijl met drie takken1715a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig zijn, onvertakt, draadvormig1615b.Haren onder het vruchtbeginsel 6–3 in getal; over de geheele lengte met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar liggend, de 3–4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de bovenste òf alleen met ♂ of met steriele bloemen. Stijl lang, met 2 lange takken; stijlbasis kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd, bloeiwijze klein, trosvormig, in den oksel van de bladeren staandPleurostachys.16a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste kafjes leeg; slechts 1–3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met ♂ of met steriele bloemen; 3–2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne takken die langer zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle bladeren en maar één meest wit of bruinachtig hoofdje van weinig aartjes aan het eind van den naakten halm, die alleen direct onder de bloeiwijze eenige bladeren draagtDichromena.16b.Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig, soms aanwezig. Drie tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot vele vruchtdragend, de bovenste met ♂ bloemen of leeg. Meeldraden3–2; stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen òf meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en samengesteld uit zeer veel aartjesRhynchospora.17a.Groote planten. Aartjes met 2–4 leege kafjes van onderen, daarboven 1–4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met 3 lange takken. Bloeiwijze sterk vertakt, verlengdCladium.17b.Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en alleen het 4debovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht dragend. Stijl geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes in korte trosjes staand; eenige van die trosjes zittend aan het eind van den halmRemiria.18a.Alle bloemen eenslachtig; de ♀ bloem in het aartje eindstandig, naakt; daaromheen 2–10 ♂ bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat men het aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2–10 meeldraden2418b.Alle bloemen éénslachtig, de ♀ bloem meest niet naakt, maar van een kafje voorzien; de ♂ duidelijke aartjes vormend1919a.Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen ♂, van boven alleen ♀ aartjes dragend2019b.Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot dichte hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de ♀ en de ♂ bloemen onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje2120a.Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1–2 M. lang, driehoekig, glad. ♀ bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje zonder ♂ bloemen erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele ♂ bloemen bijeen in aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig,niet voorzien van 3–5 groevenLagenocarpus.20b.Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige, maar vruchten 3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribbenCryptangium.21a.Aartjes met weinig bloemen, soms ♂ en ♀ bloemen in één aartje, en dan de ♀ bloem het onderst en de hoogere ♂ òf sommige aartjes ♂, andere ♀ en dan de ♀ bloem alleenstaand met eenige rudimentaire bloemen erboven, en de ♂ bloemen in veelbloemige aartjes. Kafje van de ♀ bloem open, niet om het vruchtbeginsel tot een urntje vergroeid. Nootje hard, beenachtig, meest wit, soms grijs of purper, met een donkerder top. Bloeiwijzen meest in sterk vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen bloeiwijze maar dan de halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak scherp driehoekigScleria.Baboen-nefi.21b.In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes2222a.Kafje rondom de ♀ bloem met de randen tot een urntje met een lange hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals uit. Aartjes steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt alleen de ♀ bloem, de beide zijdelingsche dragen 2–3 ♂ bloemen met ieder 1 meeldraad. Planten met lange smalle bladeren met enkele krachtige evenwijdige nerven; bladeren met breede scheeden, die elkaar van onderen dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met enkele schubben, verder naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in een groep van weinige gestekelde bolvormige hoofdjesBisboeckeleria(Hoppia).22b.Kafje rondom de vrouwelijke bloem niet urnvormig vergroeid2323a.♀ aartje met 3 kafjes en één eindstandig vruchtbeginsel met een lange stijl met 3 takken. Daarnaast ♂ aartjes met 2 ♂ bloemen ieder met 3 meeldraden. Aartjes vereenigd tot groote gesteelde, bolvormige hoofdjes, die hetzij alleen, hetzij in paren of 3–4, in den oksel van de stengelbladeren staan. Bladeren lang, smalDiplacrum.23b.Aartjes met 1 eindelingsche ♀ bloem met 2 kafjes en daaronder 2–4 mannelijke bloemen. Vruchtbeginsel met een korte stijl met 2 takken; ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. Aartjes in zeer kleine gesteelde of ongesteelde hoofdjes, waarvan er talrijke een samengestelde bloeiwijze in den oksel van de bladeren vormen.Calyptrocarya.24a.Eén of meerdere dichtgedrongen zittende hoofdjes aan het eind van den stengel, direct daaronder 3 groote breede bladeren. ♀ bloem met een lange stijl met 3 takken, ♂ bloemen 3, ieder met 1 meeldraad, schijnbaar een tweeslachtige bloem vormend met het vruchtbeginselMapania.24b.Meerdere hoofdjes aan het eind van den stengel en niet met breede bladeren daaronder, of een vertakte bloeiwijze. Stijltakken 22525a.Aartjes bestaande uit 3 bloemen, waarvan de middelste alleen uit een vruchtbeginsel bestaat, daaromheen 2–4 ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. De aartjes vormen samen aren, die niet meer dan 5 m.M. lang zijn, deze komen in eenige zittende hoofdjes aan het eind van den stengel samen, of vormen een sterker vertakte bloeiwijzeHypolytrum.25b.Aartjes bestaande uit 6–9 éénslachtige bloemen, waarvan de middelste (eigenlijk bovenste) uit een vruchtbeginsel bestaat, de andere 5–8 mannelijk zijn en ieder één meeldraad hebben. De aartjes vereenigen zich tot 3 c.M. lange cylindrische aren, die langgesteeld zijn en te samen een min of meer schermvormige bloeiwijze vormen. Groote krachtige plant met vrij breede scherpe bladerenDiplasia.
Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, naakt, of zelden met een enkelvoudig bloemdek; meeldraden meest 3–1, zelden meer; vruchtbeginsel eenhokkig met 1 zaadknop en met 3 of 2 stijlen met draadvormige stempels; zaad niet met de vruchtwand vergroeid; kruiden met meest scherp driekantige, zelden gelede en van knoopen voorziene stengels en smalle bladeren met gesloten scheeden; bloemen in aartjes-achtige trosjes, die tot aar- of pluimvormige bloeiwijzen vereenigd zijn.
1a.De bloemen, die een vruchtbeginsel hebben, hebben steeds óók meeldraden; daarnaast komen ook alléén ♂ bloemen voor. (Zie ook 18a en 24 van deze lijst)2
1b.Alle bloemen éénslachtig18
2a.Hoogstens 2 (soms ook maar 1 of geen enkel) van de onderste kafjes der aartjes zonder bloemen3
2b.Drie tot meer van de onderste kafjes zonder bloemen14
3a.Kafjes in 2 rijen4
3b.Kafjes in 3 tot meer rijen9
4a.Stijl met 2 takken5
4b.Stijl met 3 takken7
5a.Nootje aan rug- en buikzijde afgeplat, zoodat de grootste breedte naar de as van het aartje toegekeerd is. Aartjes 5–6-bloemig, as van het aartje na den bloei blijvend. Onderste 2 kafjes zonder bloemen, blijvend, de volgende in 2 rijen. Meeldraden 1–3. Naakte halm met één hoofdje van aartjes aan het eindJuncellus(Cyperus).
5b.Nootje zijdelings samengedrukt, zoodat de smalste kant naar de as toegekeerd is6
6a.As van het aartje boven de twee onderste leege kafjes afvallend, vóór het afvallen is op die plaats een geleding in de as te zien. Aartjes met 4–5 kafjes. Meestal draagt alleen het derde een bloem en zijn de twee kafjes aan den top ook leeg, evenals de beide onderste. Aartjes in één of meer zittende hoofdjes aan den top van den kalen stengel; onder de hoofdjes 2–4 bladerenKyllingia.
6b.Deel van de as boven de beide onderste leege kafjes niet afvallend. Aartjes met 5–6-∞ kafjes, waarvan er minstens 4 bloemen dragen en er slechts weinigen aan den top leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Aartjes aan den top van de assen, welke te samen weer schermvormig aan het einde van den bloeistengel staan. Direct onder het scherm eenige bladeren in een krans; halm overigens naaktPycreus(Cyperus).
7a.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes niet afvallend. Aartjes 5–6-∞ bloemig, waarvan er minstens 4 bloemen dragen, terwijl enkele van de bovenste leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Noot 3-hoekig, soms van voren een weinig samengedrukt. Halm naakt; aartjes tros- of handvormig samengesteld en deze trossen in een scherm aan het eind van den stengel staande of soms tot een hoofdje bijeenkomendCyperus.
7b.As van het aartje boven de 2 onderste kafjes na den bloei afvallend8
8a.As van het aartje in zijn geheel afvallend, 1-weinig-veelbloemig. Vruchtdragende kafjes blijvend. Bladeren lang, smal en groen; overigens als CyperusMariscus.
8b.As van het aartje in stukken uiteenvallend, elk stuk met één vruchtdragend kafje. Aartje met 4–16 vruchtdragende kafjes, cylindrisch, zeer lang en dun, samengesteld tot trossen, en deze weer één of meervoudig in schermen bijeenkomend. Halm, behalve onder de bloeiwijze, naaktTorulinium(Cyperus).
9a.Stijlen aan de basis opgezwollen, scherp gescheiden van den top van den noot10
9b.Stijlen aan de basis niet opgezwollen, geleidelijk overgaand in den top van den noot12
10a.Rondom het vruchtbeginsel staan 3–8 haren, die vaak met weerhaakjes bezet zijn. Kafjes zeer talrijk, meest stomp. Meeldraden3–1; stijl met 2 of 3 takken, kaal. Halm geheel (ook aan den voet) zonder bladeren, met één hoofdje aan den topHeleocharis.
10b.Geen stekels om het vruchtbeginsel; plant meest met bladeren11
11a.Stijl blijvend aan den noot, òf zoo de stijl afvalt, dan valt ook de verdikte stijlbasis af. Kafjes talrijk, dakpansgewijs over elkaar liggend, velen ervan vruchtdragend. Meeldraden 3–1; stijl met 3 of 2 takken. Nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in losse 1 of meermaal samengestelde schermen aan het eind van den stengelFimbristylis.
11b.Stijl afvallend, doch de verdikte en anders gekleurde stijlbasis aan den noot blijvend. Vruchtdragende kafjes meest een weinig behaard; takken van den stijl steeds 3, meeldraden 3–1, nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in groepen bijeen, soms tot schermen vereenigd, soms 1 hoofdje aan het eind van den stengel vormend. Bladeren zeer smal, soms naaldvormigBulbostylis.
12a.Zoowel de plant als de aartjes kaal of bijna kaal13
12b.Plant min of meer, doch vooral de aartjes duidelijk behaard. Onder het vruchtbeginsel 3 eironde schubjes. Kafjes behaard, aan den top gestekeld; aartjes vrij groot, tot 1 c.M. lang, langs het bovenste deel van den halm een lange samengestelde bloeiwijze vormend. Halm bebladerdFuirena.
13a.Onder het vruchtbeginsel 2 hyaline schubjes, de een naar de as toegekeerd, de andere ervan af gekeerd, grooter dan de noot. Stijl vrij klein met 2 of 3 takken. Halmen alleen aan de basis en onder de bloeiwijzen bladeren dragend. Aartjes tot één hoofdje samenkomend aan het eind van den stengelLipocarpha.
13b.Onder het vruchtbeginsel nooit 2 schubben, (in één enkel geval één zijdelingsche schub), doch 0-vele haren. Aartjes met vele vruchtjes. De onderste 0–2 kafjes leeg, kaal behalve aan de randen. Stijl met 2–3 takken. Halmen naaktScirpus.
14a.Stijl met twee takken15
14b.Stijl met drie takken17
15a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig zijn, onvertakt, draadvormig16
15b.Haren onder het vruchtbeginsel 6–3 in getal; over de geheele lengte met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar liggend, de 3–4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de bovenste òf alleen met ♂ of met steriele bloemen. Stijl lang, met 2 lange takken; stijlbasis kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd, bloeiwijze klein, trosvormig, in den oksel van de bladeren staandPleurostachys.
16a.Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste kafjes leeg; slechts 1–3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met ♂ of met steriele bloemen; 3–2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne takken die langer zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle bladeren en maar één meest wit of bruinachtig hoofdje van weinig aartjes aan het eind van den naakten halm, die alleen direct onder de bloeiwijze eenige bladeren draagtDichromena.
16b.Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig, soms aanwezig. Drie tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot vele vruchtdragend, de bovenste met ♂ bloemen of leeg. Meeldraden3–2; stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen òf meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en samengesteld uit zeer veel aartjesRhynchospora.
17a.Groote planten. Aartjes met 2–4 leege kafjes van onderen, daarboven 1–4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met 3 lange takken. Bloeiwijze sterk vertakt, verlengdCladium.
17b.Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en alleen het 4debovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht dragend. Stijl geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes in korte trosjes staand; eenige van die trosjes zittend aan het eind van den halmRemiria.
18a.Alle bloemen eenslachtig; de ♀ bloem in het aartje eindstandig, naakt; daaromheen 2–10 ♂ bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat men het aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2–10 meeldraden24
18b.Alle bloemen éénslachtig, de ♀ bloem meest niet naakt, maar van een kafje voorzien; de ♂ duidelijke aartjes vormend19
19a.Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen ♂, van boven alleen ♀ aartjes dragend20
19b.Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot dichte hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de ♀ en de ♂ bloemen onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje21
20a.Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1–2 M. lang, driehoekig, glad. ♀ bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje zonder ♂ bloemen erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele ♂ bloemen bijeen in aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig,niet voorzien van 3–5 groevenLagenocarpus.
20b.Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige, maar vruchten 3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribbenCryptangium.
21a.Aartjes met weinig bloemen, soms ♂ en ♀ bloemen in één aartje, en dan de ♀ bloem het onderst en de hoogere ♂ òf sommige aartjes ♂, andere ♀ en dan de ♀ bloem alleenstaand met eenige rudimentaire bloemen erboven, en de ♂ bloemen in veelbloemige aartjes. Kafje van de ♀ bloem open, niet om het vruchtbeginsel tot een urntje vergroeid. Nootje hard, beenachtig, meest wit, soms grijs of purper, met een donkerder top. Bloeiwijzen meest in sterk vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen bloeiwijze maar dan de halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak scherp driehoekigScleria.Baboen-nefi.
21b.In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes22
22a.Kafje rondom de ♀ bloem met de randen tot een urntje met een lange hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals uit. Aartjes steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt alleen de ♀ bloem, de beide zijdelingsche dragen 2–3 ♂ bloemen met ieder 1 meeldraad. Planten met lange smalle bladeren met enkele krachtige evenwijdige nerven; bladeren met breede scheeden, die elkaar van onderen dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met enkele schubben, verder naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in een groep van weinige gestekelde bolvormige hoofdjesBisboeckeleria(Hoppia).
22b.Kafje rondom de vrouwelijke bloem niet urnvormig vergroeid23
23a.♀ aartje met 3 kafjes en één eindstandig vruchtbeginsel met een lange stijl met 3 takken. Daarnaast ♂ aartjes met 2 ♂ bloemen ieder met 3 meeldraden. Aartjes vereenigd tot groote gesteelde, bolvormige hoofdjes, die hetzij alleen, hetzij in paren of 3–4, in den oksel van de stengelbladeren staan. Bladeren lang, smalDiplacrum.
23b.Aartjes met 1 eindelingsche ♀ bloem met 2 kafjes en daaronder 2–4 mannelijke bloemen. Vruchtbeginsel met een korte stijl met 2 takken; ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. Aartjes in zeer kleine gesteelde of ongesteelde hoofdjes, waarvan er talrijke een samengestelde bloeiwijze in den oksel van de bladeren vormen.Calyptrocarya.
24a.Eén of meerdere dichtgedrongen zittende hoofdjes aan het eind van den stengel, direct daaronder 3 groote breede bladeren. ♀ bloem met een lange stijl met 3 takken, ♂ bloemen 3, ieder met 1 meeldraad, schijnbaar een tweeslachtige bloem vormend met het vruchtbeginselMapania.
24b.Meerdere hoofdjes aan het eind van den stengel en niet met breede bladeren daaronder, of een vertakte bloeiwijze. Stijltakken 225
25a.Aartjes bestaande uit 3 bloemen, waarvan de middelste alleen uit een vruchtbeginsel bestaat, daaromheen 2–4 ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad. De aartjes vormen samen aren, die niet meer dan 5 m.M. lang zijn, deze komen in eenige zittende hoofdjes aan het eind van den stengel samen, of vormen een sterker vertakte bloeiwijzeHypolytrum.
25b.Aartjes bestaande uit 6–9 éénslachtige bloemen, waarvan de middelste (eigenlijk bovenste) uit een vruchtbeginsel bestaat, de andere 5–8 mannelijk zijn en ieder één meeldraad hebben. De aartjes vereenigen zich tot 3 c.M. lange cylindrische aren, die langgesteeld zijn en te samen een min of meer schermvormige bloeiwijze vormen. Groote krachtige plant met vrij breede scherpe bladerenDiplasia.
Orde:Principes.21.Palmae.Bloemen meest door reductie van meeldraden of stamper éénslachtig; bloemdek ongekleurd, of weinig gekleurd, zelden ontbrekend; de buitenste bloemdekbladeren vaak kleiner dan de binnenste; meeldraden 6, zelden 3, vaker 9 tot vele, vrij of vergroeid met elkaar. Vruchtbeginsels 3 of 1, in het laatste geval 3- of 1-hokkig, soms met maar 1 zaadknop; vrucht een bes of een steenvrucht; meest boomvormige, onvertakte planten, soms klimmend met zeer gestrekte internodiën; bloeiwijzen okselstandig, door scheeden omhuld, bladeren handvormig of vinvormig gedeeld of ingesneden.N. B. Het determineeren der palmen levert verschillende moeielijkheden op, die ten deele hun oorzaak hierin vinden, dat maar zelden volledige exemplaren (d. i. met mannelijke en vrouwelijke bloemen, spatha en vruchten) gevonden worden, ten deele ook hierin, dat men de soorten, en vooral die van Suriname nog slechts ten deele kent. Zelfs is het waarschijnlijk dat er in Suriname nog geslachten van Palmen gevonden zullen worden, wier voorkomen er tot nu toe niet aangetoond was. Dit alles maakt, dat men onderstaande tabel met eenige voorzichtigheid moet gebruiken.1a.Bladeren waaiervormig ingesneden en handnervig; bloeikolf eenmaal vertakt; bloemen tweehuizig; ♂ bloemen in lange dichte aren; ♀ bloemen aan veel kortere zijtakken van den kolf; bes aan den top ingedruktMauritia.Maurisie.1b.Bladeren vinnervig en vindeelig of gevind22a.Stammen dun, klimmend; middenrib van het blad eindigend in een lange, dunne, met teruggebogen paarsgewijs staande stekels bedekte draadDesmoncus.Bamba maka;Bamboesi maka.2b.Stammen niet klimmend; middenrib van het blad niet verlengd33a.Stam lang, niet gestekeld, aan den voet met gestekelde luchtwortels, bladeren gevind; segmenten naar den voet versmald, naar den top verbreed en afgeknotIreartea.Injie-pina.3b.Geen gestekelde luchtwortels aan den voet van de stam44a.Bladeren enkelvoudig, alleen aan den top ingesneden of met zeer weinig segmenten, die met een breede voet aan de middenrib vastzitten (Zie ook Bactris)54b.Bladeren gevind met talrijke smalle segmenten65a.Stam laag, ongestekeld of ontbrekend, bladeren zeer groot, enkelvoudig, aan den top ingesneden, vaak ingescheurd; bloeikolf éénmaal vertakt; ♂ bloemen met 20–30 meeldraden; vruchten meest 3-lobbig met stompe, scherpkantige korte stekels bedektManicaria.Troelie.5b.Stam slank en dun, glad, bladeren kleiner dan de vorige,vaak gevind, doch dan met weinig segmenten; bloeikolf enkelvoudig of één tot meermalen vertakt; ♂ bloemen met 6 meeldraden; vrucht een gladde eenzadige besGeonoma.Tastikie.6a.Stammen en bladeren met meest zwarte stekels bezet76b.Stammen en bladeren zonder zwarte stekels (Zie ook Bactris)87a.Stam hoog, bezet met de resten van de bladsteelen en met zwarte stekels; bladeren met vele segmenten, die in groepen aan 2 of 3 bij elkaar staan; bladsteel en middenrib van boven met zwarte stekels bezet; segmenten van onderen behaard; bloeikolf tusschen de bladeren staand, éénmaal vertakt; hoofdsteel van de kolf in een lange bloemdragende staart uitloopend; aan de basis met weinige alleenstaande ♀ bloemen, aan den top dicht bezet met talrijke dichtopeengedrongen ♂ bloemen met 6 meeldraden; bloeischeede groot, sterk gestekeld; vrucht ongeveer 4 c.M. in doorsnede bolvormig, kaal, aan den basis met stervormige kelk; steenkern met 2 zadenAcrocomia.7b.Stammen vrij hoog of ontbrekend; bladeren met vele segmenten; deze, maar ook de bladsteel en de middenrib van onderen met vele zwarte stekels; segmenten aan de onderzijde met witte was bedekt; hoofdsteel van de éénmaal vertakte bloeikolf meest gestekeld; ♂ bloemen talrijk met 6 meeldraden, alleenstaand aan het einde der takken; ♀ bloemen met gestekelde kelk; weinige aan de basis der takken van de kolf staand; bloeischeede één, van buiten meest gestekeld of sterk behaard; vrucht eirond met een puntje op den top, aan de basis omgeven door de zwartgestekelde kelk; steen zwart, van onderen spits, van boven afgerond met 3 kiemgaten onder den top, die symmetrisch geplaatst en alle even groot zijn, aan den rand omgeven door stervormige strepenAstrocaryum.7c.Stammen meest dun, klein, soms liggend, zelden rechtopstaand en groot; gestekeld of ongestekeld; bladeren zelden alleen aan den top ingesneden, meest gevind en dan de segmenten regelmatig langs de middenrib of in groepen; segmenten meest aan den top met penseelvormige haren en aan de randen gestekeld of behaard; bloeikolf onvertakt of eenmaal vertakt, de takken van onderen met groepen van 3 bloemen bezet, naar boven overgaand in groepen van 2 ♂ bloemen; ♂ bloemen met spitse bloembladeren; meeldraden op een vleezige schijf ingeplant; ♀ bloemen aan de basis met een ring- of bekervormige kelk, die half zoo lang is als de kroon; vrucht van buiten glad of ruw of gestekeld met een steen met 3 kiemgaten, waarvan er een open is, en anders gevormd dan de beide andere, die gesloten zijn; steen rond, ovaal of onregelmatigBactris.8a.Vrucht zeer groot, meer dan 15 cM. in doorsnede met vezelige buitenlaagCocos.8b.Vrucht hoogstens zoo groot als een kippenei99a.Stammen bijna geheel bezet met de resten van de bladsteelen der afgevallen bladeren; deze resten aan den rand korte doornige segmenten dragend; bloeikolf alleen ♂ of alleen ♀ bloemen dragendElaeis.9b.Stammen (het deel vlak onder den kroon uitgezonderd) niet met bladresten bezet1010a.Takken van de bloeikolf wollig behaard; stam lang, glad, betrekkelijk dikOreodoxa.Palmiet. Koningspalm.10b.Takken van de bloeikolf niet behaard1111a.Vrucht een 1-zadige, blauwe bes, zoo groot als of weinig grooter dan een erwt1211b.Vrucht een steenvrucht; steen met 3 kiemgaten in de onderste helft, onder vezels verborgen1311c.Vrucht een vrij groote oranje-roode bes met sterk-vezelige buitenlaag en 1 zaad, dat op doorsnede vele groeven heeft; stammen lang en dun, bladeren gelijkmatig gevind; kolf tweemaal vertakt; de ♀ bloemen naar één zijde gericht aan de basis der takken, die aan den top talrijke ♂ bloemen dragen; meeldraden 3–6; stempels 3, gescheidenAreca.12a.Stam lang, slank; bladsegmenten van de middenrib af naar beneden hangend; bloeikolf vrij ver van de bladerkroon verwijderd; kelkbladeren der ♂ bloemen breed, elkaar met de randen bedekkend; rest van den stempel zijdelings, ongeveer ter halver hoogte van de bes gezetenEuterpe.Pina. Palisade.12b.Stam vrij dik ten opzichte van de lengte; bladsegmenten niet naar beneden hangend; bloeikolf dicht onder de bladerkroon gezeten; bloemen in groepen van 3, met 2 ♂ en 1 ♀ bloem per groep, kelk aan de ♂ bloem 3-deelig of 3-spletig, randen der kelkbladeren tegen elkaar liggend; stempelrest aan den top van de bes of nauwelijks zijdelingsOenocarpus.Komboe. Patawa.13a.Sommige bloeikolven dragen alleen ♂ bloemen; andere hebben takken, die aan den top alleen ♂, naar de basis van den tak ♂ en ♀ bloemen gemengd en geheel van onderen alleen ♀ bloemen dragen; meeldraden langer dan de smalle bloemdekbladeren;vrucht langgerekt, aan den top sterk toegespitst, met een duidelijk kegelvormige punt; bloemdek na den bloei sterk vergroot en de vrucht bijna tot de halve hoogte omhullendMaximiliana.Maripa.13b.Alle takken van de bloeikolf dragen groote ♀ bloemen aan de basis en kleinere ♂ bloemen aan den top; bloemdek uit zeer breede, harde bladeren bestaande, waardoor de bloemknop scherp 3-hoekig is; vrucht eirond tot bolvormig, meest aan den top afgerond; bloemdek klein, blijvend, na den bloei alleen aan de basis van de vrucht zichtbaar en deze niet inhullendCocos.
Orde:Principes.21.Palmae.Bloemen meest door reductie van meeldraden of stamper éénslachtig; bloemdek ongekleurd, of weinig gekleurd, zelden ontbrekend; de buitenste bloemdekbladeren vaak kleiner dan de binnenste; meeldraden 6, zelden 3, vaker 9 tot vele, vrij of vergroeid met elkaar. Vruchtbeginsels 3 of 1, in het laatste geval 3- of 1-hokkig, soms met maar 1 zaadknop; vrucht een bes of een steenvrucht; meest boomvormige, onvertakte planten, soms klimmend met zeer gestrekte internodiën; bloeiwijzen okselstandig, door scheeden omhuld, bladeren handvormig of vinvormig gedeeld of ingesneden.N. B. Het determineeren der palmen levert verschillende moeielijkheden op, die ten deele hun oorzaak hierin vinden, dat maar zelden volledige exemplaren (d. i. met mannelijke en vrouwelijke bloemen, spatha en vruchten) gevonden worden, ten deele ook hierin, dat men de soorten, en vooral die van Suriname nog slechts ten deele kent. Zelfs is het waarschijnlijk dat er in Suriname nog geslachten van Palmen gevonden zullen worden, wier voorkomen er tot nu toe niet aangetoond was. Dit alles maakt, dat men onderstaande tabel met eenige voorzichtigheid moet gebruiken.1a.Bladeren waaiervormig ingesneden en handnervig; bloeikolf eenmaal vertakt; bloemen tweehuizig; ♂ bloemen in lange dichte aren; ♀ bloemen aan veel kortere zijtakken van den kolf; bes aan den top ingedruktMauritia.Maurisie.1b.Bladeren vinnervig en vindeelig of gevind22a.Stammen dun, klimmend; middenrib van het blad eindigend in een lange, dunne, met teruggebogen paarsgewijs staande stekels bedekte draadDesmoncus.Bamba maka;Bamboesi maka.2b.Stammen niet klimmend; middenrib van het blad niet verlengd33a.Stam lang, niet gestekeld, aan den voet met gestekelde luchtwortels, bladeren gevind; segmenten naar den voet versmald, naar den top verbreed en afgeknotIreartea.Injie-pina.3b.Geen gestekelde luchtwortels aan den voet van de stam44a.Bladeren enkelvoudig, alleen aan den top ingesneden of met zeer weinig segmenten, die met een breede voet aan de middenrib vastzitten (Zie ook Bactris)54b.Bladeren gevind met talrijke smalle segmenten65a.Stam laag, ongestekeld of ontbrekend, bladeren zeer groot, enkelvoudig, aan den top ingesneden, vaak ingescheurd; bloeikolf éénmaal vertakt; ♂ bloemen met 20–30 meeldraden; vruchten meest 3-lobbig met stompe, scherpkantige korte stekels bedektManicaria.Troelie.5b.Stam slank en dun, glad, bladeren kleiner dan de vorige,vaak gevind, doch dan met weinig segmenten; bloeikolf enkelvoudig of één tot meermalen vertakt; ♂ bloemen met 6 meeldraden; vrucht een gladde eenzadige besGeonoma.Tastikie.6a.Stammen en bladeren met meest zwarte stekels bezet76b.Stammen en bladeren zonder zwarte stekels (Zie ook Bactris)87a.Stam hoog, bezet met de resten van de bladsteelen en met zwarte stekels; bladeren met vele segmenten, die in groepen aan 2 of 3 bij elkaar staan; bladsteel en middenrib van boven met zwarte stekels bezet; segmenten van onderen behaard; bloeikolf tusschen de bladeren staand, éénmaal vertakt; hoofdsteel van de kolf in een lange bloemdragende staart uitloopend; aan de basis met weinige alleenstaande ♀ bloemen, aan den top dicht bezet met talrijke dichtopeengedrongen ♂ bloemen met 6 meeldraden; bloeischeede groot, sterk gestekeld; vrucht ongeveer 4 c.M. in doorsnede bolvormig, kaal, aan den basis met stervormige kelk; steenkern met 2 zadenAcrocomia.7b.Stammen vrij hoog of ontbrekend; bladeren met vele segmenten; deze, maar ook de bladsteel en de middenrib van onderen met vele zwarte stekels; segmenten aan de onderzijde met witte was bedekt; hoofdsteel van de éénmaal vertakte bloeikolf meest gestekeld; ♂ bloemen talrijk met 6 meeldraden, alleenstaand aan het einde der takken; ♀ bloemen met gestekelde kelk; weinige aan de basis der takken van de kolf staand; bloeischeede één, van buiten meest gestekeld of sterk behaard; vrucht eirond met een puntje op den top, aan de basis omgeven door de zwartgestekelde kelk; steen zwart, van onderen spits, van boven afgerond met 3 kiemgaten onder den top, die symmetrisch geplaatst en alle even groot zijn, aan den rand omgeven door stervormige strepenAstrocaryum.7c.Stammen meest dun, klein, soms liggend, zelden rechtopstaand en groot; gestekeld of ongestekeld; bladeren zelden alleen aan den top ingesneden, meest gevind en dan de segmenten regelmatig langs de middenrib of in groepen; segmenten meest aan den top met penseelvormige haren en aan de randen gestekeld of behaard; bloeikolf onvertakt of eenmaal vertakt, de takken van onderen met groepen van 3 bloemen bezet, naar boven overgaand in groepen van 2 ♂ bloemen; ♂ bloemen met spitse bloembladeren; meeldraden op een vleezige schijf ingeplant; ♀ bloemen aan de basis met een ring- of bekervormige kelk, die half zoo lang is als de kroon; vrucht van buiten glad of ruw of gestekeld met een steen met 3 kiemgaten, waarvan er een open is, en anders gevormd dan de beide andere, die gesloten zijn; steen rond, ovaal of onregelmatigBactris.8a.Vrucht zeer groot, meer dan 15 cM. in doorsnede met vezelige buitenlaagCocos.8b.Vrucht hoogstens zoo groot als een kippenei99a.Stammen bijna geheel bezet met de resten van de bladsteelen der afgevallen bladeren; deze resten aan den rand korte doornige segmenten dragend; bloeikolf alleen ♂ of alleen ♀ bloemen dragendElaeis.9b.Stammen (het deel vlak onder den kroon uitgezonderd) niet met bladresten bezet1010a.Takken van de bloeikolf wollig behaard; stam lang, glad, betrekkelijk dikOreodoxa.Palmiet. Koningspalm.10b.Takken van de bloeikolf niet behaard1111a.Vrucht een 1-zadige, blauwe bes, zoo groot als of weinig grooter dan een erwt1211b.Vrucht een steenvrucht; steen met 3 kiemgaten in de onderste helft, onder vezels verborgen1311c.Vrucht een vrij groote oranje-roode bes met sterk-vezelige buitenlaag en 1 zaad, dat op doorsnede vele groeven heeft; stammen lang en dun, bladeren gelijkmatig gevind; kolf tweemaal vertakt; de ♀ bloemen naar één zijde gericht aan de basis der takken, die aan den top talrijke ♂ bloemen dragen; meeldraden 3–6; stempels 3, gescheidenAreca.12a.Stam lang, slank; bladsegmenten van de middenrib af naar beneden hangend; bloeikolf vrij ver van de bladerkroon verwijderd; kelkbladeren der ♂ bloemen breed, elkaar met de randen bedekkend; rest van den stempel zijdelings, ongeveer ter halver hoogte van de bes gezetenEuterpe.Pina. Palisade.12b.Stam vrij dik ten opzichte van de lengte; bladsegmenten niet naar beneden hangend; bloeikolf dicht onder de bladerkroon gezeten; bloemen in groepen van 3, met 2 ♂ en 1 ♀ bloem per groep, kelk aan de ♂ bloem 3-deelig of 3-spletig, randen der kelkbladeren tegen elkaar liggend; stempelrest aan den top van de bes of nauwelijks zijdelingsOenocarpus.Komboe. Patawa.13a.Sommige bloeikolven dragen alleen ♂ bloemen; andere hebben takken, die aan den top alleen ♂, naar de basis van den tak ♂ en ♀ bloemen gemengd en geheel van onderen alleen ♀ bloemen dragen; meeldraden langer dan de smalle bloemdekbladeren;vrucht langgerekt, aan den top sterk toegespitst, met een duidelijk kegelvormige punt; bloemdek na den bloei sterk vergroot en de vrucht bijna tot de halve hoogte omhullendMaximiliana.Maripa.13b.Alle takken van de bloeikolf dragen groote ♀ bloemen aan de basis en kleinere ♂ bloemen aan den top; bloemdek uit zeer breede, harde bladeren bestaande, waardoor de bloemknop scherp 3-hoekig is; vrucht eirond tot bolvormig, meest aan den top afgerond; bloemdek klein, blijvend, na den bloei alleen aan de basis van de vrucht zichtbaar en deze niet inhullendCocos.
21.Palmae.Bloemen meest door reductie van meeldraden of stamper éénslachtig; bloemdek ongekleurd, of weinig gekleurd, zelden ontbrekend; de buitenste bloemdekbladeren vaak kleiner dan de binnenste; meeldraden 6, zelden 3, vaker 9 tot vele, vrij of vergroeid met elkaar. Vruchtbeginsels 3 of 1, in het laatste geval 3- of 1-hokkig, soms met maar 1 zaadknop; vrucht een bes of een steenvrucht; meest boomvormige, onvertakte planten, soms klimmend met zeer gestrekte internodiën; bloeiwijzen okselstandig, door scheeden omhuld, bladeren handvormig of vinvormig gedeeld of ingesneden.N. B. Het determineeren der palmen levert verschillende moeielijkheden op, die ten deele hun oorzaak hierin vinden, dat maar zelden volledige exemplaren (d. i. met mannelijke en vrouwelijke bloemen, spatha en vruchten) gevonden worden, ten deele ook hierin, dat men de soorten, en vooral die van Suriname nog slechts ten deele kent. Zelfs is het waarschijnlijk dat er in Suriname nog geslachten van Palmen gevonden zullen worden, wier voorkomen er tot nu toe niet aangetoond was. Dit alles maakt, dat men onderstaande tabel met eenige voorzichtigheid moet gebruiken.1a.Bladeren waaiervormig ingesneden en handnervig; bloeikolf eenmaal vertakt; bloemen tweehuizig; ♂ bloemen in lange dichte aren; ♀ bloemen aan veel kortere zijtakken van den kolf; bes aan den top ingedruktMauritia.Maurisie.1b.Bladeren vinnervig en vindeelig of gevind22a.Stammen dun, klimmend; middenrib van het blad eindigend in een lange, dunne, met teruggebogen paarsgewijs staande stekels bedekte draadDesmoncus.Bamba maka;Bamboesi maka.2b.Stammen niet klimmend; middenrib van het blad niet verlengd33a.Stam lang, niet gestekeld, aan den voet met gestekelde luchtwortels, bladeren gevind; segmenten naar den voet versmald, naar den top verbreed en afgeknotIreartea.Injie-pina.3b.Geen gestekelde luchtwortels aan den voet van de stam44a.Bladeren enkelvoudig, alleen aan den top ingesneden of met zeer weinig segmenten, die met een breede voet aan de middenrib vastzitten (Zie ook Bactris)54b.Bladeren gevind met talrijke smalle segmenten65a.Stam laag, ongestekeld of ontbrekend, bladeren zeer groot, enkelvoudig, aan den top ingesneden, vaak ingescheurd; bloeikolf éénmaal vertakt; ♂ bloemen met 20–30 meeldraden; vruchten meest 3-lobbig met stompe, scherpkantige korte stekels bedektManicaria.Troelie.5b.Stam slank en dun, glad, bladeren kleiner dan de vorige,vaak gevind, doch dan met weinig segmenten; bloeikolf enkelvoudig of één tot meermalen vertakt; ♂ bloemen met 6 meeldraden; vrucht een gladde eenzadige besGeonoma.Tastikie.6a.Stammen en bladeren met meest zwarte stekels bezet76b.Stammen en bladeren zonder zwarte stekels (Zie ook Bactris)87a.Stam hoog, bezet met de resten van de bladsteelen en met zwarte stekels; bladeren met vele segmenten, die in groepen aan 2 of 3 bij elkaar staan; bladsteel en middenrib van boven met zwarte stekels bezet; segmenten van onderen behaard; bloeikolf tusschen de bladeren staand, éénmaal vertakt; hoofdsteel van de kolf in een lange bloemdragende staart uitloopend; aan de basis met weinige alleenstaande ♀ bloemen, aan den top dicht bezet met talrijke dichtopeengedrongen ♂ bloemen met 6 meeldraden; bloeischeede groot, sterk gestekeld; vrucht ongeveer 4 c.M. in doorsnede bolvormig, kaal, aan den basis met stervormige kelk; steenkern met 2 zadenAcrocomia.7b.Stammen vrij hoog of ontbrekend; bladeren met vele segmenten; deze, maar ook de bladsteel en de middenrib van onderen met vele zwarte stekels; segmenten aan de onderzijde met witte was bedekt; hoofdsteel van de éénmaal vertakte bloeikolf meest gestekeld; ♂ bloemen talrijk met 6 meeldraden, alleenstaand aan het einde der takken; ♀ bloemen met gestekelde kelk; weinige aan de basis der takken van de kolf staand; bloeischeede één, van buiten meest gestekeld of sterk behaard; vrucht eirond met een puntje op den top, aan de basis omgeven door de zwartgestekelde kelk; steen zwart, van onderen spits, van boven afgerond met 3 kiemgaten onder den top, die symmetrisch geplaatst en alle even groot zijn, aan den rand omgeven door stervormige strepenAstrocaryum.7c.Stammen meest dun, klein, soms liggend, zelden rechtopstaand en groot; gestekeld of ongestekeld; bladeren zelden alleen aan den top ingesneden, meest gevind en dan de segmenten regelmatig langs de middenrib of in groepen; segmenten meest aan den top met penseelvormige haren en aan de randen gestekeld of behaard; bloeikolf onvertakt of eenmaal vertakt, de takken van onderen met groepen van 3 bloemen bezet, naar boven overgaand in groepen van 2 ♂ bloemen; ♂ bloemen met spitse bloembladeren; meeldraden op een vleezige schijf ingeplant; ♀ bloemen aan de basis met een ring- of bekervormige kelk, die half zoo lang is als de kroon; vrucht van buiten glad of ruw of gestekeld met een steen met 3 kiemgaten, waarvan er een open is, en anders gevormd dan de beide andere, die gesloten zijn; steen rond, ovaal of onregelmatigBactris.8a.Vrucht zeer groot, meer dan 15 cM. in doorsnede met vezelige buitenlaagCocos.8b.Vrucht hoogstens zoo groot als een kippenei99a.Stammen bijna geheel bezet met de resten van de bladsteelen der afgevallen bladeren; deze resten aan den rand korte doornige segmenten dragend; bloeikolf alleen ♂ of alleen ♀ bloemen dragendElaeis.9b.Stammen (het deel vlak onder den kroon uitgezonderd) niet met bladresten bezet1010a.Takken van de bloeikolf wollig behaard; stam lang, glad, betrekkelijk dikOreodoxa.Palmiet. Koningspalm.10b.Takken van de bloeikolf niet behaard1111a.Vrucht een 1-zadige, blauwe bes, zoo groot als of weinig grooter dan een erwt1211b.Vrucht een steenvrucht; steen met 3 kiemgaten in de onderste helft, onder vezels verborgen1311c.Vrucht een vrij groote oranje-roode bes met sterk-vezelige buitenlaag en 1 zaad, dat op doorsnede vele groeven heeft; stammen lang en dun, bladeren gelijkmatig gevind; kolf tweemaal vertakt; de ♀ bloemen naar één zijde gericht aan de basis der takken, die aan den top talrijke ♂ bloemen dragen; meeldraden 3–6; stempels 3, gescheidenAreca.12a.Stam lang, slank; bladsegmenten van de middenrib af naar beneden hangend; bloeikolf vrij ver van de bladerkroon verwijderd; kelkbladeren der ♂ bloemen breed, elkaar met de randen bedekkend; rest van den stempel zijdelings, ongeveer ter halver hoogte van de bes gezetenEuterpe.Pina. Palisade.12b.Stam vrij dik ten opzichte van de lengte; bladsegmenten niet naar beneden hangend; bloeikolf dicht onder de bladerkroon gezeten; bloemen in groepen van 3, met 2 ♂ en 1 ♀ bloem per groep, kelk aan de ♂ bloem 3-deelig of 3-spletig, randen der kelkbladeren tegen elkaar liggend; stempelrest aan den top van de bes of nauwelijks zijdelingsOenocarpus.Komboe. Patawa.13a.Sommige bloeikolven dragen alleen ♂ bloemen; andere hebben takken, die aan den top alleen ♂, naar de basis van den tak ♂ en ♀ bloemen gemengd en geheel van onderen alleen ♀ bloemen dragen; meeldraden langer dan de smalle bloemdekbladeren;vrucht langgerekt, aan den top sterk toegespitst, met een duidelijk kegelvormige punt; bloemdek na den bloei sterk vergroot en de vrucht bijna tot de halve hoogte omhullendMaximiliana.Maripa.13b.Alle takken van de bloeikolf dragen groote ♀ bloemen aan de basis en kleinere ♂ bloemen aan den top; bloemdek uit zeer breede, harde bladeren bestaande, waardoor de bloemknop scherp 3-hoekig is; vrucht eirond tot bolvormig, meest aan den top afgerond; bloemdek klein, blijvend, na den bloei alleen aan de basis van de vrucht zichtbaar en deze niet inhullendCocos.
21.Palmae.
Bloemen meest door reductie van meeldraden of stamper éénslachtig; bloemdek ongekleurd, of weinig gekleurd, zelden ontbrekend; de buitenste bloemdekbladeren vaak kleiner dan de binnenste; meeldraden 6, zelden 3, vaker 9 tot vele, vrij of vergroeid met elkaar. Vruchtbeginsels 3 of 1, in het laatste geval 3- of 1-hokkig, soms met maar 1 zaadknop; vrucht een bes of een steenvrucht; meest boomvormige, onvertakte planten, soms klimmend met zeer gestrekte internodiën; bloeiwijzen okselstandig, door scheeden omhuld, bladeren handvormig of vinvormig gedeeld of ingesneden.N. B. Het determineeren der palmen levert verschillende moeielijkheden op, die ten deele hun oorzaak hierin vinden, dat maar zelden volledige exemplaren (d. i. met mannelijke en vrouwelijke bloemen, spatha en vruchten) gevonden worden, ten deele ook hierin, dat men de soorten, en vooral die van Suriname nog slechts ten deele kent. Zelfs is het waarschijnlijk dat er in Suriname nog geslachten van Palmen gevonden zullen worden, wier voorkomen er tot nu toe niet aangetoond was. Dit alles maakt, dat men onderstaande tabel met eenige voorzichtigheid moet gebruiken.1a.Bladeren waaiervormig ingesneden en handnervig; bloeikolf eenmaal vertakt; bloemen tweehuizig; ♂ bloemen in lange dichte aren; ♀ bloemen aan veel kortere zijtakken van den kolf; bes aan den top ingedruktMauritia.Maurisie.1b.Bladeren vinnervig en vindeelig of gevind22a.Stammen dun, klimmend; middenrib van het blad eindigend in een lange, dunne, met teruggebogen paarsgewijs staande stekels bedekte draadDesmoncus.Bamba maka;Bamboesi maka.2b.Stammen niet klimmend; middenrib van het blad niet verlengd33a.Stam lang, niet gestekeld, aan den voet met gestekelde luchtwortels, bladeren gevind; segmenten naar den voet versmald, naar den top verbreed en afgeknotIreartea.Injie-pina.3b.Geen gestekelde luchtwortels aan den voet van de stam44a.Bladeren enkelvoudig, alleen aan den top ingesneden of met zeer weinig segmenten, die met een breede voet aan de middenrib vastzitten (Zie ook Bactris)54b.Bladeren gevind met talrijke smalle segmenten65a.Stam laag, ongestekeld of ontbrekend, bladeren zeer groot, enkelvoudig, aan den top ingesneden, vaak ingescheurd; bloeikolf éénmaal vertakt; ♂ bloemen met 20–30 meeldraden; vruchten meest 3-lobbig met stompe, scherpkantige korte stekels bedektManicaria.Troelie.5b.Stam slank en dun, glad, bladeren kleiner dan de vorige,vaak gevind, doch dan met weinig segmenten; bloeikolf enkelvoudig of één tot meermalen vertakt; ♂ bloemen met 6 meeldraden; vrucht een gladde eenzadige besGeonoma.Tastikie.6a.Stammen en bladeren met meest zwarte stekels bezet76b.Stammen en bladeren zonder zwarte stekels (Zie ook Bactris)87a.Stam hoog, bezet met de resten van de bladsteelen en met zwarte stekels; bladeren met vele segmenten, die in groepen aan 2 of 3 bij elkaar staan; bladsteel en middenrib van boven met zwarte stekels bezet; segmenten van onderen behaard; bloeikolf tusschen de bladeren staand, éénmaal vertakt; hoofdsteel van de kolf in een lange bloemdragende staart uitloopend; aan de basis met weinige alleenstaande ♀ bloemen, aan den top dicht bezet met talrijke dichtopeengedrongen ♂ bloemen met 6 meeldraden; bloeischeede groot, sterk gestekeld; vrucht ongeveer 4 c.M. in doorsnede bolvormig, kaal, aan den basis met stervormige kelk; steenkern met 2 zadenAcrocomia.7b.Stammen vrij hoog of ontbrekend; bladeren met vele segmenten; deze, maar ook de bladsteel en de middenrib van onderen met vele zwarte stekels; segmenten aan de onderzijde met witte was bedekt; hoofdsteel van de éénmaal vertakte bloeikolf meest gestekeld; ♂ bloemen talrijk met 6 meeldraden, alleenstaand aan het einde der takken; ♀ bloemen met gestekelde kelk; weinige aan de basis der takken van de kolf staand; bloeischeede één, van buiten meest gestekeld of sterk behaard; vrucht eirond met een puntje op den top, aan de basis omgeven door de zwartgestekelde kelk; steen zwart, van onderen spits, van boven afgerond met 3 kiemgaten onder den top, die symmetrisch geplaatst en alle even groot zijn, aan den rand omgeven door stervormige strepenAstrocaryum.7c.Stammen meest dun, klein, soms liggend, zelden rechtopstaand en groot; gestekeld of ongestekeld; bladeren zelden alleen aan den top ingesneden, meest gevind en dan de segmenten regelmatig langs de middenrib of in groepen; segmenten meest aan den top met penseelvormige haren en aan de randen gestekeld of behaard; bloeikolf onvertakt of eenmaal vertakt, de takken van onderen met groepen van 3 bloemen bezet, naar boven overgaand in groepen van 2 ♂ bloemen; ♂ bloemen met spitse bloembladeren; meeldraden op een vleezige schijf ingeplant; ♀ bloemen aan de basis met een ring- of bekervormige kelk, die half zoo lang is als de kroon; vrucht van buiten glad of ruw of gestekeld met een steen met 3 kiemgaten, waarvan er een open is, en anders gevormd dan de beide andere, die gesloten zijn; steen rond, ovaal of onregelmatigBactris.8a.Vrucht zeer groot, meer dan 15 cM. in doorsnede met vezelige buitenlaagCocos.8b.Vrucht hoogstens zoo groot als een kippenei99a.Stammen bijna geheel bezet met de resten van de bladsteelen der afgevallen bladeren; deze resten aan den rand korte doornige segmenten dragend; bloeikolf alleen ♂ of alleen ♀ bloemen dragendElaeis.9b.Stammen (het deel vlak onder den kroon uitgezonderd) niet met bladresten bezet1010a.Takken van de bloeikolf wollig behaard; stam lang, glad, betrekkelijk dikOreodoxa.Palmiet. Koningspalm.10b.Takken van de bloeikolf niet behaard1111a.Vrucht een 1-zadige, blauwe bes, zoo groot als of weinig grooter dan een erwt1211b.Vrucht een steenvrucht; steen met 3 kiemgaten in de onderste helft, onder vezels verborgen1311c.Vrucht een vrij groote oranje-roode bes met sterk-vezelige buitenlaag en 1 zaad, dat op doorsnede vele groeven heeft; stammen lang en dun, bladeren gelijkmatig gevind; kolf tweemaal vertakt; de ♀ bloemen naar één zijde gericht aan de basis der takken, die aan den top talrijke ♂ bloemen dragen; meeldraden 3–6; stempels 3, gescheidenAreca.12a.Stam lang, slank; bladsegmenten van de middenrib af naar beneden hangend; bloeikolf vrij ver van de bladerkroon verwijderd; kelkbladeren der ♂ bloemen breed, elkaar met de randen bedekkend; rest van den stempel zijdelings, ongeveer ter halver hoogte van de bes gezetenEuterpe.Pina. Palisade.12b.Stam vrij dik ten opzichte van de lengte; bladsegmenten niet naar beneden hangend; bloeikolf dicht onder de bladerkroon gezeten; bloemen in groepen van 3, met 2 ♂ en 1 ♀ bloem per groep, kelk aan de ♂ bloem 3-deelig of 3-spletig, randen der kelkbladeren tegen elkaar liggend; stempelrest aan den top van de bes of nauwelijks zijdelingsOenocarpus.Komboe. Patawa.13a.Sommige bloeikolven dragen alleen ♂ bloemen; andere hebben takken, die aan den top alleen ♂, naar de basis van den tak ♂ en ♀ bloemen gemengd en geheel van onderen alleen ♀ bloemen dragen; meeldraden langer dan de smalle bloemdekbladeren;vrucht langgerekt, aan den top sterk toegespitst, met een duidelijk kegelvormige punt; bloemdek na den bloei sterk vergroot en de vrucht bijna tot de halve hoogte omhullendMaximiliana.Maripa.13b.Alle takken van de bloeikolf dragen groote ♀ bloemen aan de basis en kleinere ♂ bloemen aan den top; bloemdek uit zeer breede, harde bladeren bestaande, waardoor de bloemknop scherp 3-hoekig is; vrucht eirond tot bolvormig, meest aan den top afgerond; bloemdek klein, blijvend, na den bloei alleen aan de basis van de vrucht zichtbaar en deze niet inhullendCocos.
Bloemen meest door reductie van meeldraden of stamper éénslachtig; bloemdek ongekleurd, of weinig gekleurd, zelden ontbrekend; de buitenste bloemdekbladeren vaak kleiner dan de binnenste; meeldraden 6, zelden 3, vaker 9 tot vele, vrij of vergroeid met elkaar. Vruchtbeginsels 3 of 1, in het laatste geval 3- of 1-hokkig, soms met maar 1 zaadknop; vrucht een bes of een steenvrucht; meest boomvormige, onvertakte planten, soms klimmend met zeer gestrekte internodiën; bloeiwijzen okselstandig, door scheeden omhuld, bladeren handvormig of vinvormig gedeeld of ingesneden.
N. B. Het determineeren der palmen levert verschillende moeielijkheden op, die ten deele hun oorzaak hierin vinden, dat maar zelden volledige exemplaren (d. i. met mannelijke en vrouwelijke bloemen, spatha en vruchten) gevonden worden, ten deele ook hierin, dat men de soorten, en vooral die van Suriname nog slechts ten deele kent. Zelfs is het waarschijnlijk dat er in Suriname nog geslachten van Palmen gevonden zullen worden, wier voorkomen er tot nu toe niet aangetoond was. Dit alles maakt, dat men onderstaande tabel met eenige voorzichtigheid moet gebruiken.
1a.Bladeren waaiervormig ingesneden en handnervig; bloeikolf eenmaal vertakt; bloemen tweehuizig; ♂ bloemen in lange dichte aren; ♀ bloemen aan veel kortere zijtakken van den kolf; bes aan den top ingedruktMauritia.Maurisie.
1b.Bladeren vinnervig en vindeelig of gevind2
2a.Stammen dun, klimmend; middenrib van het blad eindigend in een lange, dunne, met teruggebogen paarsgewijs staande stekels bedekte draadDesmoncus.Bamba maka;Bamboesi maka.
2b.Stammen niet klimmend; middenrib van het blad niet verlengd3
3a.Stam lang, niet gestekeld, aan den voet met gestekelde luchtwortels, bladeren gevind; segmenten naar den voet versmald, naar den top verbreed en afgeknotIreartea.Injie-pina.
3b.Geen gestekelde luchtwortels aan den voet van de stam4
4a.Bladeren enkelvoudig, alleen aan den top ingesneden of met zeer weinig segmenten, die met een breede voet aan de middenrib vastzitten (Zie ook Bactris)5
4b.Bladeren gevind met talrijke smalle segmenten6
5a.Stam laag, ongestekeld of ontbrekend, bladeren zeer groot, enkelvoudig, aan den top ingesneden, vaak ingescheurd; bloeikolf éénmaal vertakt; ♂ bloemen met 20–30 meeldraden; vruchten meest 3-lobbig met stompe, scherpkantige korte stekels bedektManicaria.Troelie.
5b.Stam slank en dun, glad, bladeren kleiner dan de vorige,vaak gevind, doch dan met weinig segmenten; bloeikolf enkelvoudig of één tot meermalen vertakt; ♂ bloemen met 6 meeldraden; vrucht een gladde eenzadige besGeonoma.Tastikie.
6a.Stammen en bladeren met meest zwarte stekels bezet7
6b.Stammen en bladeren zonder zwarte stekels (Zie ook Bactris)8
7a.Stam hoog, bezet met de resten van de bladsteelen en met zwarte stekels; bladeren met vele segmenten, die in groepen aan 2 of 3 bij elkaar staan; bladsteel en middenrib van boven met zwarte stekels bezet; segmenten van onderen behaard; bloeikolf tusschen de bladeren staand, éénmaal vertakt; hoofdsteel van de kolf in een lange bloemdragende staart uitloopend; aan de basis met weinige alleenstaande ♀ bloemen, aan den top dicht bezet met talrijke dichtopeengedrongen ♂ bloemen met 6 meeldraden; bloeischeede groot, sterk gestekeld; vrucht ongeveer 4 c.M. in doorsnede bolvormig, kaal, aan den basis met stervormige kelk; steenkern met 2 zadenAcrocomia.
7b.Stammen vrij hoog of ontbrekend; bladeren met vele segmenten; deze, maar ook de bladsteel en de middenrib van onderen met vele zwarte stekels; segmenten aan de onderzijde met witte was bedekt; hoofdsteel van de éénmaal vertakte bloeikolf meest gestekeld; ♂ bloemen talrijk met 6 meeldraden, alleenstaand aan het einde der takken; ♀ bloemen met gestekelde kelk; weinige aan de basis der takken van de kolf staand; bloeischeede één, van buiten meest gestekeld of sterk behaard; vrucht eirond met een puntje op den top, aan de basis omgeven door de zwartgestekelde kelk; steen zwart, van onderen spits, van boven afgerond met 3 kiemgaten onder den top, die symmetrisch geplaatst en alle even groot zijn, aan den rand omgeven door stervormige strepenAstrocaryum.
7c.Stammen meest dun, klein, soms liggend, zelden rechtopstaand en groot; gestekeld of ongestekeld; bladeren zelden alleen aan den top ingesneden, meest gevind en dan de segmenten regelmatig langs de middenrib of in groepen; segmenten meest aan den top met penseelvormige haren en aan de randen gestekeld of behaard; bloeikolf onvertakt of eenmaal vertakt, de takken van onderen met groepen van 3 bloemen bezet, naar boven overgaand in groepen van 2 ♂ bloemen; ♂ bloemen met spitse bloembladeren; meeldraden op een vleezige schijf ingeplant; ♀ bloemen aan de basis met een ring- of bekervormige kelk, die half zoo lang is als de kroon; vrucht van buiten glad of ruw of gestekeld met een steen met 3 kiemgaten, waarvan er een open is, en anders gevormd dan de beide andere, die gesloten zijn; steen rond, ovaal of onregelmatigBactris.
8a.Vrucht zeer groot, meer dan 15 cM. in doorsnede met vezelige buitenlaagCocos.
8b.Vrucht hoogstens zoo groot als een kippenei9
9a.Stammen bijna geheel bezet met de resten van de bladsteelen der afgevallen bladeren; deze resten aan den rand korte doornige segmenten dragend; bloeikolf alleen ♂ of alleen ♀ bloemen dragendElaeis.
9b.Stammen (het deel vlak onder den kroon uitgezonderd) niet met bladresten bezet10
10a.Takken van de bloeikolf wollig behaard; stam lang, glad, betrekkelijk dikOreodoxa.Palmiet. Koningspalm.
10b.Takken van de bloeikolf niet behaard11
11a.Vrucht een 1-zadige, blauwe bes, zoo groot als of weinig grooter dan een erwt12
11b.Vrucht een steenvrucht; steen met 3 kiemgaten in de onderste helft, onder vezels verborgen13
11c.Vrucht een vrij groote oranje-roode bes met sterk-vezelige buitenlaag en 1 zaad, dat op doorsnede vele groeven heeft; stammen lang en dun, bladeren gelijkmatig gevind; kolf tweemaal vertakt; de ♀ bloemen naar één zijde gericht aan de basis der takken, die aan den top talrijke ♂ bloemen dragen; meeldraden 3–6; stempels 3, gescheidenAreca.
12a.Stam lang, slank; bladsegmenten van de middenrib af naar beneden hangend; bloeikolf vrij ver van de bladerkroon verwijderd; kelkbladeren der ♂ bloemen breed, elkaar met de randen bedekkend; rest van den stempel zijdelings, ongeveer ter halver hoogte van de bes gezetenEuterpe.Pina. Palisade.
12b.Stam vrij dik ten opzichte van de lengte; bladsegmenten niet naar beneden hangend; bloeikolf dicht onder de bladerkroon gezeten; bloemen in groepen van 3, met 2 ♂ en 1 ♀ bloem per groep, kelk aan de ♂ bloem 3-deelig of 3-spletig, randen der kelkbladeren tegen elkaar liggend; stempelrest aan den top van de bes of nauwelijks zijdelingsOenocarpus.Komboe. Patawa.
13a.Sommige bloeikolven dragen alleen ♂ bloemen; andere hebben takken, die aan den top alleen ♂, naar de basis van den tak ♂ en ♀ bloemen gemengd en geheel van onderen alleen ♀ bloemen dragen; meeldraden langer dan de smalle bloemdekbladeren;vrucht langgerekt, aan den top sterk toegespitst, met een duidelijk kegelvormige punt; bloemdek na den bloei sterk vergroot en de vrucht bijna tot de halve hoogte omhullendMaximiliana.Maripa.
13b.Alle takken van de bloeikolf dragen groote ♀ bloemen aan de basis en kleinere ♂ bloemen aan den top; bloemdek uit zeer breede, harde bladeren bestaande, waardoor de bloemknop scherp 3-hoekig is; vrucht eirond tot bolvormig, meest aan den top afgerond; bloemdek klein, blijvend, na den bloei alleen aan de basis van de vrucht zichtbaar en deze niet inhullendCocos.