Onderklasse:Sympetalae.Orde:Primulales.235.Theophrastaceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig, 5-tallig; bloemkroon vergroeidbladig; meeldraden 5, tegenover de kroonslippen staand; 5 staminodiën ermee afwisselend; vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met talrijke zaadknoppen; vrucht steenvruchtachtig met 2- tot talrijke zaadknoppen; houtige planten met verspreide bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig, meest 5-tallig, zelden 4-tallig. Kelk vergroeidbladig. Bloembladeren tot ongeveer ⅓ van de hoogte vergroeid.Meeldraden in de mannelijke bloemen, in een buis vergroeid, die met de bloembladeren samenhangt; in de vrouwelijke bloemen zijn er 5 losse staminodiën voor de bloembladeren. Vruchtbeginsel in de mannelijke bloemen aanwezig, doch zeer klein. Kleine boomen met lange bladeren, aan den top van de takken dicht op elkaarzittendClavija.236.Myrsinaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, regelmatig, 5–4-tallig met vergroeidbladige bloemkroon; meeldraden 5–4, zelden met staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met vele zaadknoppen aan de grondstandige zaadlijst; stijl 1; vrucht meest een steenvrucht; met 1 tot weinige zaden; houtige planten met verspreide, vaak ongedeelde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bloeiwijzen zeer kort en gedrongen, weinigbloemig, dikwijls aan takken gezeten, waarvan de bladeren reeds zijn afgevallen. Bloemkroon vergroeidbladig, helmknoppen zittend; stijl ontbrekendRapanea.1b.Bloeiwijzen verlengd, tros- of pluimvormig22a.Bloemen in enkelvoudige okselstandige of uit de onbebladerde tak tevoorschijnkomende trossen; bloemen meest 4-tallig; helmknoppen vrij lang; bloemkroonslippen niet met de randen over elkaar liggendConomorpha.2b.Bloemen in pluimen of samengestelde trossen33a.Bloemen 5-tallig; bloembladeren weinig vergroeid. Helmdraden en helmknoppen lang. Bloemen in pluimenStylogyne.3b.Bloemen 4-tallig44a.Bloemen in onregelmatige vertakte pluimen; helmdraden veel korter dan de vrij lange helmknopArdisia.4b.Bloemen in vertakte trossen. Helmdraden langer dan de korte, eironde helmknopWeigeltia.Orde:Plumbaginales.238.Plumbaginaceae.Bloemen met 5 meeldraden, die tegenover de kroonslippen staan; tweeslachtig, regelmatig; bloemkroon losbladig of vergroeidbladig; vruchtbeginsel met 5 stijlen, bovenstandig, met 1 zaadknop; heesters, of kruiden met enkelvoudige gaafrandige bladeren.Kelk buisvormig, 5-tandig met klierharen; kroon met lange buis, lobben uitgespreid. Meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand. Vruchtbeginsel met 1 stijl, van boven 5-spletig. Vrucht met 1 zaad. Bladeren verspreid. Vaak klimplantenPlumbago.Orde:Ebenales.239.Sapotaceae.Bloemen meest tweeslachtig; kelk 4–8-, zelden meerbladig, in twee kransen; bloemkroonslippen evenveel als kelkbladeren in één krans of dubbel zooveel in twee kransen, soms met aanhangselen aan de rugzijde; meeldraden in 2 of 3 kransen, soms alle vruchtbaar, of sommige kransen tot staminodiën ontwikkeld of geheel ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig meest met evenveel of dubbel zooveel hokjes als bloemkroonslippen, met 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes; houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren.1a.Bloemen met evenveel meeldraden als bloemkroonslippen, zonder staminodiën, meest 5-tallig, soms ook 6–7-tallig. Stijl kort met knopvormige stempel. Bladeren vaak zijdeachtig behaard. Bloeiwijzen kleinChrysophyllum.1b.Bloemen met meeldraden en staminodiën22a.Bloemen met 4 kelkbladeren, 4 bloemkroonslippen, 4 meeldraden en 4 kleine staminodiën. Vruchtbeginsel behaard met een lange stijl. Boomen; bloemen meest groepsgewijs staandPouteria.Jan Snijder.2b.Kelk- en bloembladslippen meer dan 433a.Kroonslippen 6–8, ieder aan de rugzijde nog ongeveer even groote slippen dragend, zoodat het aantal kroonslippen zeer groot schijnt te zijn. Kelkbladeren 6 of 8; meeldraden en staminodiën 6 of 8. Vruchtbeginsel met lange stijlMimusops.Bolletrie.3b.Bloemkroon met 5 of 6 slippen, zonder slippen aan de rugzijde44a.Kelkbladeren 6, in twee rijen. Bloemkroon bekervormig met 6 lobben. Meeldraden 6,staminodiën6, even groot als de kroonslippen. Vruchtbeginsel ongeveer 12-hokkigAchras.Sapotille.4b.Kelkbladeren 5–6 in een rij, kroon 5–6-spletig. Meeldraden 5–6; staminodiën 5–6, klein. Vruchtbeginsel 5–2-hokkigSideroxylon.Riemhout.240.Ebenaceae.Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig; kelk blijvend, na de bloei vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig meest met gedraaide knopligging; meeldraden in de tweeslachtige of mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel of meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen meest staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–16-hokkig met 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij of vergroeid; vrucht meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4–5-lobbig; bloemkroon klok- of buisvormig, 4–5-lobbig. Meeldraden in de ♂ bloemen zeer talrijk (8–22) meest behaard met lange helmknoppen. In de ♀ bloem meest 4–8 staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel gewoonlijk 8-, maar ook 4–16-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Bloemen kort gesteeld in kleine groepen in de bladoksels of uit het oude hout tevoorschijn komendDiospyros.241.Styracaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, regelmatig met vergroeidbladige kelk en bloemkroon; meeldraden tweemaal zooveel als bloemkroonslippen, alleen aan de basis, zelden geheel vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, zelden halfonderstandig met één stijl, 3- tot 5-hokkig; vrucht een steenvrucht of een doosvrucht of gesloten blijvend met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide gaafrandige of gezaagde bladeren.Kelk klokvormig, met 5 korte, soms onduidelijke tanden. Bloembladeren 5, alleen aan de basis vergroeid, leerachtig, langwerpig. Meeldraden 10, alleen van onderen wat vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig, van boven 1-hokkig met 3-lobbigen stempel en langen stijl. Boomen of heestersStyrax.242.Symplocaceae.Bloemen meest 5-tallig, regelmatig, tweeslachtig met 5 kelkbladeren en bijna steeds 5 bloembladeren, die soms alleen aan de basis, meestal echter in een buis vergroeid zijn; soms zijn er 10 bloemkroonslippen; meeldraden talrijk in meerdere kransen, vaak met verbreede helmdraden, eenigszins met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig of halfbovenstandig met één stijl, 2–5-hokkig met 2–4 zaadknoppen per hokje; vrucht een steenvrucht. Eenig geslachtSymplocos.Orde:Contortae.243.Oleaceae.Bloemen 2–6-tallig, meest vergroeidbladig, zelden losbladig of zonder bloemkroon, regelmatig, twee- of éénslachtig; bloembladeren 4, 5 of 6; meeldraden 2, zelden 4, aan de basis met de bloemkroon vergroeid met korte helmdraden en grootehelmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2, zelden 1 of meer zaadknoppen in ieder hokje; houtige planten, soms klimmend met tegenoverstaande of kransstandige meest enkelvoudige bladeren.Heesters met tegenoverstaande bladeren. Bloemen 4–6-, zelden meer-tallig. Zaadknoppen in ieder hokje 1–4, meest 2. Vrucht een bes, die aan den top ingesneden isJasminum.245.Loganiaceae.Bloemen meest 4- of 5-tallig, met vergroeidbladige bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig; bloemkroonslippen 4–5 tot vele, in de knop met de randen tegen elkaar of over elkaar liggend of gedraaid; bloemkroon meest trechtervormig tot bekervormig; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden maar één, met de buis vergroeid; vruchtbeginsel 2-hokkig, zelden 3–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen; stijl 1, twee- tot vierspletig of stijlen 2; 2-kleppige doosvrucht of bes; meest houtige planten, zelden kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Bovenste bladeren van den stengel in een krans van 4, hieruit komen de lange trosvormige bloeiwijzen te voorschijn. Bloemen 5-tallig, bloemkroon buisvormig; meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Vrucht een doosvrucht. Kleine kruidenSpigelia.1b.Bladen paarsgewijs tegenoverstaand22a.Bladeren zeer groot, (meerdere decimeters lang). Kelk 4-tallig. Bloemkroon met 8–10 lobben; meeldraden 8–10 zonder helmdraden. Vruchtbeginsel 4- of 2-hokkig, stijl direct boven het vruchtbeginsel sterk verdikt, verder dun. Kleine boompjesPotalia.2b.Bladeren niet opvallend groot33a.Bladeren aan de voet met 1 paar of 2 paar nerven, die in een boog evenwijdig met de bladrand naar den top loopen. Heesters of boomen vaak met korte haakvormige of opgerolde ranken Bloemkroon 4–5-tallig; vrucht een besStrychnos.3b.Bloemen 4–5-tallig met korte kelk en lange, trechtervormige bloemkroonbuis met korte lobben. Bladeren vinnervig. Heesters. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht, aan den top ingesnedenMostuea.246.Gentianaceae.Bloemen meest 4–5-tallig, zelden 6–12-tallig, sympetaal, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon in de knop meest gedraaid; zelden de slippen met de randen tegen elkaar liggend; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden eenige ontbrekend, met de bloemkroon vergroeid, vruchtbeginsel meest 1-hokkig, zelden 2-hokkig, met twee zaadlijsten met vele zaadknoppen; stijl enkelvoudig of tweespletig; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden, zelden heesters, meest kaal; bladeren meest tegenoverstaand, gaafrandig zonder steunbladeren.1a.Waterplanten. Bladeren aan den voet ingesneden, overigens bijna cirkelrond, op het water drijvend. Bloemen in groepen schijnbaar uit de bladsteel te voorschijn komend. Kelk met 5 smalle lobben. Bloemkroon met zeer korte buisLimnanthemum.1b.Landplanten22a.Planten geheel kruidachtig en sappig, met kleine bladeren; zoowel bladeren als stengels zonder bladgroen32b.Planten vaak een weinig verhout, met groene bladeren en groene stengel (ten minste het jongste deel van den stengel)53a.Stengels kort, veelbloemig; wortelstok dik en knolvormig. Bloemen groot met lange buisVoyria.3b.Stengels verlengd, vertakt of onvertakt, soms met slechts 1 bloem, soms met de bloemen in trossen of hoofdjes aan het eind. Wortelstok dun44a.Bloemen zeer klein, buis van de bloemkroon niet veel langer dan de kelk.Bloeiwijze zeer dicht gedrongen, veelbloemig aan het eind van den stengelVoyriella.4b.Bloeiwijze losser of bloemen alleenstaand aan het eind van den stengel. Bloemkroonbuis veel langer dan de kelkLeiphaemos.5a.Stempel bolvormig, niet gespleten. Kelk met 4–5 spitse tanden. Kroonbuis naar boven weinig verwijd met korte lobben. Helmknoppen eirond of langwerpig. Kruiden met zeer kleine tegenoverstaande bladeren, en een rechtopstaande bloeiwijze, die naar boven zich regelmatig in de bloeiwijze vertaktCurtia.5b. Stempel 2-lobbig tot 2-spletig66a.Stempel met 2 draadvormige takken, die zich later ombuigen en eenigszins oprollen. Kelk buisvormig met 4 tanden. Kroon na de bloei blijvend, 4-tallig; meeldraden 4. Kleine kruiden met weinige bladparen zonder bloemen; naar den top van den stengel worden de bladeren geleidelijk kleiner en hebben daar ieder een bijna zittende bloem in de bladokselNeurotheca.6b.Stempellobben niet draadvormig doch plat en min of meer eirond77a.Bloeiende stengel onvertakt; naar boven de bloemen dragend, in de oksels van kleine schutbladeren of de schutbladeren geheel verdwenen en de bloemen in een lange aarvormige tros; in het eerste geval de bloemen talrijk aan elke stengel. Kelk aan de basis met 3 kleine spitse blaadjes. Helmknoppen pijlvormig aan den voetCoutoubea.7b.Bloeistengel weinigbloemig en onvertakt of veelbloemig en vertakt88a.Bladeren forsch en breed. Kelk 5–6-lobbig. Bloemkroon groot, naar boven geleidelijk wijder wordend en in de slippen overgaand. Meeldraden in het onderste deel van de buis ingehecht; helmdraden niet alle even lang. Stijl draadvormig. Doosvrucht hangend. Bloeistengel naar boven vertakt, vaak eerst in twee takken verdeeld, later nog meer gespletenChelonanthus.8b.Bladeren klein en smal99a.Kelkslippen 5, stomp, niet gekield.Kroon trechtervormig met 5 spitse slippen. Meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Kleine kruiden met weinige bloemenIrlbachia.9b.Bloemen meest 4-, soms ook 5-tallig. Kelkslippen spits; kelkbuis met vleugels of kielen. Kroon trechtervormig, de buis boven het vruchtbeginsel versmald, hoogerop weer verwijd. Helmknoppen stomp, helmdraden meest aan de basis verbreed en getand. Weinige bloemen aan den stengelSchultesia.247.Apocynaceae.Bloemen 5-, zelden 4-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar; meeldraden in de kroonbuis ingehecht, met lange en smalle of pijlvormige helmknoppen met omgebogen of spits helmbindsel; vruchtbeginsels zelden meer dan 2, meest met vele zaadknoppen, van onderen vrij of tot een 2- of 1-hokkig vruchtbeginsel vergroeid; endan met 1 stijl, in het eerste geval de stijlen van boven vergroeid met een dikke stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met enkelvoudige, meest tegenoverstaande bladeren; melksap aanwezig.1a.Helmknoppen vrij of maar zeer los met de stempel samenhangend, meest geheel met stuifmeel gevuld; zelden (alleen bij Tabernaemontana) hebben de helmhokjes aan den voet een aanhangsel, dat geen stuifmeel bevat. Zaden zonder haarpluis21b.Helmknoppen vast met den stempel en in den regel ook onderling verbonden; helmhokjes aan de basis met een verlenging, die geen stuifmeel bevat, daardoor is de helmknop pijlvormig. Zaden (uitgezonderd Malouetia) met haarpluis102a.Vruchtbeginsels geheel met elkaar vergroeid; daardoor de stijlen tot aan de basis aan elkaar vastzittend32b.Vruchtbeginsels alleen aan den voet verbonden, daardoor de stijlen aan de basis vrij van elkaar, naar boven met elkaar vergroeid63a.Bloemen groot, geel; buis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd en in de slippen overgaand. Kelk vrij groot, diep 5-deelig. Lianen met de bladeren vaak in kransen; vrucht een gestekelde met 2 kleppen openspringende doosvruchtAllamanda.Wilkens-bita.3b.Bloemkroonbuis niet of nauwelijks naar boven verwijd; bloemen klein44a.Bloeiwijze aan het eind van den stengel, zeer lang en meest wat windend, bezet met korte zijtakken, die aan hun eind de bloemen in dichte hoofdjes dragen. Kelk klein. Helmknoppen spits; bloemkroonslippen smal. Vrucht glad, bolvormig, groot met vele zaden, die in een moes zijn ingebedLandolphia.4b.Bloemen in okselstandige of eindstandige bijschermen55a.Buis van de bloemkroon aan de mond onbehaard. Meeldraden onder het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Bes langwerpig. BoomenAmbelania.Bati-bati;Mampa.5b.Buis van de bloemkroon aan den mond behaard. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 1-hokkig. Bes bolvormig of wat langwerpig. BoomenCouma.Pera.6a.Bladeren in kransen van 3 (soms meer dan 3). Bloemkroon met cylindervormige buis, op de aanhechtingsplaats der meeldraden wat verwijdRauwolfia.6b.Bladeren dichtgedrongen aan den stengel, niet tegenoverstaand76c.Bladeren tegenoverstaand87a.Bladeren zeer smal. Bloembuis van onderen nauw cylindervormig, naar boven plotseling klokvormig verwijd, behaard, met 5 schubben, die boven de meeldraden staan. Kleine boomen of heestersThevetia.Jurri-jurri.7b.Bladeren breed, hoofdnerf met regelmatige, evenwijdige zijnerven. Bloemkroonbuis cylindrisch, dun; meeldraden dicht bij de basis ingehecht. Vruchtbeginsels halfonderstandig. Boomen met dikke takkenPlumiera.8a.Bloemen zeer klein, meest nog kleiner dan ½ c.M., met cylindervormige bloemkroonbuis en zeer scheeve slippen. Heesters of lianen met veelbloemige, sterk vertakte bloeiwijzenCondylocarpus.8b.Bloemen grooter dan 1 c.M.99a.Kleine rechtopstaande kruiden of nauwelijks verhoute planten met kort gesteelde naar den voet versmalde bladeren die in hun oksels alleenstaande bloemen dragen. Bloemkroonbuis nauw, helmknoppen langwerpig boven in de buis ingehecht. Bloemen purperLochnera.9b.Boomen of heesters, met meest weinigbloemige en kleine bloeiwijzen. Kelk met klieren; meeldraden onder, in het midden of boven in de buis bevestigd; helmknoppen bijna steeds aan den voet pijlvormig, doch niet met den stempel verbonden. Deelvruchten aan één zijde openspringend, glad of met knobbelsTabernaemontana.10a.Helmknoppen in een kegel verbonden; kegel in de bloemkroonbuis ingesloten1110b.Kegel der helmknoppen buiten de bloemkroonbuis uitstekend1711a.Bloemkroonbuis naar boven maar weinig verwijd met schubben aan den mond; helmknoppen zeer spits. Heesters met smalle leerachtige bladeren in kransen van 3Nerium.11b.Bloemkroonbuis zonder schubben1212a.Bloemen hoogstens 1 c.M. groot met een nauwe cylindervormige buis, die alleen op de inhechtingsplaats van de meeldraden wat verwijd is. Kelk met 5 klieren aan de binnenzijde. Meeldraden op de halve hoogte van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel met een schotelvormige schijf om de basis. Onder den stempel geen verdikte ring aanwezig. Bloemen in dichte, sterk vertakte bloeiwijzenSecondatia.12b.Bloemen grooter dan 1 c.M. Bloemkroonbuis in het bovendeel duidelijk wijder dan het onderste deel1313a.Schijf uit 2 schubben bestaand die met de vruchtbeginsels afwisselen. Kelk aan de binnenzijde met schubvormige klieren. Bloemkroonbuis van onderen aan de binnenzijde dicht behaard. Meest kleine heesters, maar weinig klimmendDipladenia.13b.Schijf uit 5 schubben bestaand of ringvormig1414a.Bloeiwijzen zeer sterk vertakt, met vele bloemen. Kelk diep gedeeld, met vaak een weinig ongelijke slippen, die slechts weinig klieren aan de binnenzijde hebben. Bloemkroon met dunne beneden- en verwijde bovenbuis. Schijf schotelvormig of cylindervormig, aan den rand meest gelobdOdontadenia.14b.Bloeiwijzen òf geheel trosvormig, òf slechts enkele malen vertakt en de uiterste takken trosvormig1515a.Bovenste helft van de bloemkroonbuis weinig wijder dan de onderste helft, niet klokvormig, doch buisvormig, meest bij den mond weer wat vernauwd.Kelk met vele klieren of met 5 schubben aan de binnenzijde. Schijf 5-lobbig tot 5-deeligEchites.15b.Bloemkroonbuis naar boven duidelijk klok- of trechtervormig verwijd1616a.Bladeren aan den voet sterk toegespitst, aan den top vaak min of meer afgerond met een puntje. Bloemen in duidelijke trossen dus alleenstaand in den oksel der schutbladeren. Kelk met weinig of zonder klieren aan de binnenzijdeRhabdadenia.16b.Bladeren aan de voet min of meer duidelijk hartvormig ingesneden, nooit naar den voet versmald; aan den top geleidelijk smaller wordend. Bloemen vaak 2 aan twee bij elkaar in den oksel van een schutblad; kelk met vele klieren aan de binnenzijdeMandevilla.17a.Bloemkroon met cylindervormige, bij de meeldraden wat verwijde buis, aan den mond met een ring of met schubben. Kelkslippen breed, van binnen met een schub. Schijf buisvormig, 5-lobbig. Planten kaal of dicht behaardPrestonia.17b.Bloemkroonbuis zonder schubben aan de mond, of met zeer kleine schubben1818a.Bloemen zeer klein met uiterst korte buis. Bloeiwijze sterk vertakt, veelbloemig. LianenForsteronia.18b.Bloemen vrij groot met een goed ontwikkelde buis. Heesters, niet klimmend1919a.Kelk klein, diep 5-deelig met stompe slippen. Schijf ring- of schotelvormig, meest 5-lobbig. Vruchtbeginsel behaard. Bloemen langgesteeld in schermvormige trossen. Zaden zonder haarpluisMalouetia.19b.Kelk met spitse, aan de rugzijde min of meer gekielde slippen. Bloemkroon als de vorige. Schijf bekervormig, 5-lobbig. Zaden geheel door een wollig omhulsel omgeven, overigens zonder haarpluisRobbia.248.Asclepiadaceae.Bloemen 5-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren slechts weinig vergroeid; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar liggend, vaak met aanhangselen, die een bijkroon (corona) vormen; meeldraden vrij of vaker aan de basis vergroeid, vaak met aanhangselen die eveneens een bijkroon vormen; stuifmeel meest tot klompjes vereenigd, deze laatste door hoornachtige lichaampjes (translatoren) met den stempelkop verbonden; vruchtbeginsels 2, gescheiden, alleen boven door den stempel verbonden, met vele zaadknoppen; vrucht een dubbele kokervrucht, zaden met een haarkuif; overblijvende kruiden of heesterachtige planten, vaak windend; bladeren tegenoverstaand of in kransen; zelden verspreid zonder steunbladeren; melksap aanwezig.1a.Planten kruidachtig of slechts weinig heesterachtig, niet klimmend21b.Klimmende heesters of kruiden32a.Bladeren smal, gesteeld. Bloemen oranje. Corona met 5 kapvormige slippen, uit welker midden een rechtopstaand, iets naar binnen gebogen, hoornachtig aanhangsel te voorschijn komtAsclepias.2b.Bladeren breed, zittend of bijna zittend. Bloemen van binnen grijs-paars. Slippen van de corona kapvormig, zijdelings samengedrukt, aan de basis met een spoorCalotropis.3a.Bloemen zeer klein (slechts enkele millimeters) in verlengde en wijde bloeiwijzen, nooit in schermen of schermvormige trossen43b.Bloemen in korte, gedrongen trossen of in schermen, groot54a.Kelkbladeren klein, meest stomp. Bloemkroon klokvormig tot stervormig. Slippen van de corona 5, zeer smal. Corona enkelvoudig. Stempel met vlakke top. Bladeren klein, gemakkelijk afvallendMetastelma.4b.Kelkbladeren spits. Bloemkroon klok- tot stervormig. Corona dubbel, de buitenste 5-lobbig, de binnenste bekervormig. Stempel van boven met een bult of een korte snavelTassadia.5a.Bloemkroon van onderen met een goed ontwikkelde cylindervormige buis, die langer is dan de kelk. Corona uit 5 kleine blaadjes bestaande. Top van den stempel kegelvormigMarsdenia.5b.Buis aan den bloemkroon bijna onzichtbaar66a.Bloemen in veelbloemige schermen76b.Bloemen in meest korte, veel- of weinigbloemige trossen87a.Bloemen groen. Plant behaard. Bloemkroon stervormig met dubbele corona; buitenste corona vleezig, diep 5-deeligFischeria.7b.Bloemen wit of geelwit. Bladeren en stengel kaal. Buitenste corona vliezig, onduidelijk gelobdOxystelma.(Philibertia).8a.Bloemen groen, vrij groot, stervormig, diep 5-deelig, in 3–4-bloemige trossen; slippen van de corona hol, met elkaar verbonden. Bladeren met hartvormige voetGonolobus.8b.Bloemen van buiten wit, van binnen paars met witte strepen. Bloemkroon stervormig. Corona 5-lobbig, met priemvormige aanhangselen. Bladeren dun, aan den top spits, aan de voet min of meer hartvormigRoulinia.8c.Bloemen geheel wit. Bloemkroon stervormig. Corona enkelvoudig met kapvormige slippen, rechtopstaand. Plant kaal, bladeren aan den voet hartvormig of afgerondBlepharodon.
Onderklasse:Sympetalae.Orde:Primulales.235.Theophrastaceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig, 5-tallig; bloemkroon vergroeidbladig; meeldraden 5, tegenover de kroonslippen staand; 5 staminodiën ermee afwisselend; vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met talrijke zaadknoppen; vrucht steenvruchtachtig met 2- tot talrijke zaadknoppen; houtige planten met verspreide bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig, meest 5-tallig, zelden 4-tallig. Kelk vergroeidbladig. Bloembladeren tot ongeveer ⅓ van de hoogte vergroeid.Meeldraden in de mannelijke bloemen, in een buis vergroeid, die met de bloembladeren samenhangt; in de vrouwelijke bloemen zijn er 5 losse staminodiën voor de bloembladeren. Vruchtbeginsel in de mannelijke bloemen aanwezig, doch zeer klein. Kleine boomen met lange bladeren, aan den top van de takken dicht op elkaarzittendClavija.236.Myrsinaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, regelmatig, 5–4-tallig met vergroeidbladige bloemkroon; meeldraden 5–4, zelden met staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met vele zaadknoppen aan de grondstandige zaadlijst; stijl 1; vrucht meest een steenvrucht; met 1 tot weinige zaden; houtige planten met verspreide, vaak ongedeelde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bloeiwijzen zeer kort en gedrongen, weinigbloemig, dikwijls aan takken gezeten, waarvan de bladeren reeds zijn afgevallen. Bloemkroon vergroeidbladig, helmknoppen zittend; stijl ontbrekendRapanea.1b.Bloeiwijzen verlengd, tros- of pluimvormig22a.Bloemen in enkelvoudige okselstandige of uit de onbebladerde tak tevoorschijnkomende trossen; bloemen meest 4-tallig; helmknoppen vrij lang; bloemkroonslippen niet met de randen over elkaar liggendConomorpha.2b.Bloemen in pluimen of samengestelde trossen33a.Bloemen 5-tallig; bloembladeren weinig vergroeid. Helmdraden en helmknoppen lang. Bloemen in pluimenStylogyne.3b.Bloemen 4-tallig44a.Bloemen in onregelmatige vertakte pluimen; helmdraden veel korter dan de vrij lange helmknopArdisia.4b.Bloemen in vertakte trossen. Helmdraden langer dan de korte, eironde helmknopWeigeltia.Orde:Plumbaginales.238.Plumbaginaceae.Bloemen met 5 meeldraden, die tegenover de kroonslippen staan; tweeslachtig, regelmatig; bloemkroon losbladig of vergroeidbladig; vruchtbeginsel met 5 stijlen, bovenstandig, met 1 zaadknop; heesters, of kruiden met enkelvoudige gaafrandige bladeren.Kelk buisvormig, 5-tandig met klierharen; kroon met lange buis, lobben uitgespreid. Meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand. Vruchtbeginsel met 1 stijl, van boven 5-spletig. Vrucht met 1 zaad. Bladeren verspreid. Vaak klimplantenPlumbago.Orde:Ebenales.239.Sapotaceae.Bloemen meest tweeslachtig; kelk 4–8-, zelden meerbladig, in twee kransen; bloemkroonslippen evenveel als kelkbladeren in één krans of dubbel zooveel in twee kransen, soms met aanhangselen aan de rugzijde; meeldraden in 2 of 3 kransen, soms alle vruchtbaar, of sommige kransen tot staminodiën ontwikkeld of geheel ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig meest met evenveel of dubbel zooveel hokjes als bloemkroonslippen, met 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes; houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren.1a.Bloemen met evenveel meeldraden als bloemkroonslippen, zonder staminodiën, meest 5-tallig, soms ook 6–7-tallig. Stijl kort met knopvormige stempel. Bladeren vaak zijdeachtig behaard. Bloeiwijzen kleinChrysophyllum.1b.Bloemen met meeldraden en staminodiën22a.Bloemen met 4 kelkbladeren, 4 bloemkroonslippen, 4 meeldraden en 4 kleine staminodiën. Vruchtbeginsel behaard met een lange stijl. Boomen; bloemen meest groepsgewijs staandPouteria.Jan Snijder.2b.Kelk- en bloembladslippen meer dan 433a.Kroonslippen 6–8, ieder aan de rugzijde nog ongeveer even groote slippen dragend, zoodat het aantal kroonslippen zeer groot schijnt te zijn. Kelkbladeren 6 of 8; meeldraden en staminodiën 6 of 8. Vruchtbeginsel met lange stijlMimusops.Bolletrie.3b.Bloemkroon met 5 of 6 slippen, zonder slippen aan de rugzijde44a.Kelkbladeren 6, in twee rijen. Bloemkroon bekervormig met 6 lobben. Meeldraden 6,staminodiën6, even groot als de kroonslippen. Vruchtbeginsel ongeveer 12-hokkigAchras.Sapotille.4b.Kelkbladeren 5–6 in een rij, kroon 5–6-spletig. Meeldraden 5–6; staminodiën 5–6, klein. Vruchtbeginsel 5–2-hokkigSideroxylon.Riemhout.240.Ebenaceae.Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig; kelk blijvend, na de bloei vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig meest met gedraaide knopligging; meeldraden in de tweeslachtige of mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel of meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen meest staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–16-hokkig met 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij of vergroeid; vrucht meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4–5-lobbig; bloemkroon klok- of buisvormig, 4–5-lobbig. Meeldraden in de ♂ bloemen zeer talrijk (8–22) meest behaard met lange helmknoppen. In de ♀ bloem meest 4–8 staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel gewoonlijk 8-, maar ook 4–16-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Bloemen kort gesteeld in kleine groepen in de bladoksels of uit het oude hout tevoorschijn komendDiospyros.241.Styracaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, regelmatig met vergroeidbladige kelk en bloemkroon; meeldraden tweemaal zooveel als bloemkroonslippen, alleen aan de basis, zelden geheel vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, zelden halfonderstandig met één stijl, 3- tot 5-hokkig; vrucht een steenvrucht of een doosvrucht of gesloten blijvend met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide gaafrandige of gezaagde bladeren.Kelk klokvormig, met 5 korte, soms onduidelijke tanden. Bloembladeren 5, alleen aan de basis vergroeid, leerachtig, langwerpig. Meeldraden 10, alleen van onderen wat vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig, van boven 1-hokkig met 3-lobbigen stempel en langen stijl. Boomen of heestersStyrax.242.Symplocaceae.Bloemen meest 5-tallig, regelmatig, tweeslachtig met 5 kelkbladeren en bijna steeds 5 bloembladeren, die soms alleen aan de basis, meestal echter in een buis vergroeid zijn; soms zijn er 10 bloemkroonslippen; meeldraden talrijk in meerdere kransen, vaak met verbreede helmdraden, eenigszins met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig of halfbovenstandig met één stijl, 2–5-hokkig met 2–4 zaadknoppen per hokje; vrucht een steenvrucht. Eenig geslachtSymplocos.Orde:Contortae.243.Oleaceae.Bloemen 2–6-tallig, meest vergroeidbladig, zelden losbladig of zonder bloemkroon, regelmatig, twee- of éénslachtig; bloembladeren 4, 5 of 6; meeldraden 2, zelden 4, aan de basis met de bloemkroon vergroeid met korte helmdraden en grootehelmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2, zelden 1 of meer zaadknoppen in ieder hokje; houtige planten, soms klimmend met tegenoverstaande of kransstandige meest enkelvoudige bladeren.Heesters met tegenoverstaande bladeren. Bloemen 4–6-, zelden meer-tallig. Zaadknoppen in ieder hokje 1–4, meest 2. Vrucht een bes, die aan den top ingesneden isJasminum.245.Loganiaceae.Bloemen meest 4- of 5-tallig, met vergroeidbladige bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig; bloemkroonslippen 4–5 tot vele, in de knop met de randen tegen elkaar of over elkaar liggend of gedraaid; bloemkroon meest trechtervormig tot bekervormig; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden maar één, met de buis vergroeid; vruchtbeginsel 2-hokkig, zelden 3–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen; stijl 1, twee- tot vierspletig of stijlen 2; 2-kleppige doosvrucht of bes; meest houtige planten, zelden kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Bovenste bladeren van den stengel in een krans van 4, hieruit komen de lange trosvormige bloeiwijzen te voorschijn. Bloemen 5-tallig, bloemkroon buisvormig; meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Vrucht een doosvrucht. Kleine kruidenSpigelia.1b.Bladen paarsgewijs tegenoverstaand22a.Bladeren zeer groot, (meerdere decimeters lang). Kelk 4-tallig. Bloemkroon met 8–10 lobben; meeldraden 8–10 zonder helmdraden. Vruchtbeginsel 4- of 2-hokkig, stijl direct boven het vruchtbeginsel sterk verdikt, verder dun. Kleine boompjesPotalia.2b.Bladeren niet opvallend groot33a.Bladeren aan de voet met 1 paar of 2 paar nerven, die in een boog evenwijdig met de bladrand naar den top loopen. Heesters of boomen vaak met korte haakvormige of opgerolde ranken Bloemkroon 4–5-tallig; vrucht een besStrychnos.3b.Bloemen 4–5-tallig met korte kelk en lange, trechtervormige bloemkroonbuis met korte lobben. Bladeren vinnervig. Heesters. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht, aan den top ingesnedenMostuea.246.Gentianaceae.Bloemen meest 4–5-tallig, zelden 6–12-tallig, sympetaal, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon in de knop meest gedraaid; zelden de slippen met de randen tegen elkaar liggend; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden eenige ontbrekend, met de bloemkroon vergroeid, vruchtbeginsel meest 1-hokkig, zelden 2-hokkig, met twee zaadlijsten met vele zaadknoppen; stijl enkelvoudig of tweespletig; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden, zelden heesters, meest kaal; bladeren meest tegenoverstaand, gaafrandig zonder steunbladeren.1a.Waterplanten. Bladeren aan den voet ingesneden, overigens bijna cirkelrond, op het water drijvend. Bloemen in groepen schijnbaar uit de bladsteel te voorschijn komend. Kelk met 5 smalle lobben. Bloemkroon met zeer korte buisLimnanthemum.1b.Landplanten22a.Planten geheel kruidachtig en sappig, met kleine bladeren; zoowel bladeren als stengels zonder bladgroen32b.Planten vaak een weinig verhout, met groene bladeren en groene stengel (ten minste het jongste deel van den stengel)53a.Stengels kort, veelbloemig; wortelstok dik en knolvormig. Bloemen groot met lange buisVoyria.3b.Stengels verlengd, vertakt of onvertakt, soms met slechts 1 bloem, soms met de bloemen in trossen of hoofdjes aan het eind. Wortelstok dun44a.Bloemen zeer klein, buis van de bloemkroon niet veel langer dan de kelk.Bloeiwijze zeer dicht gedrongen, veelbloemig aan het eind van den stengelVoyriella.4b.Bloeiwijze losser of bloemen alleenstaand aan het eind van den stengel. Bloemkroonbuis veel langer dan de kelkLeiphaemos.5a.Stempel bolvormig, niet gespleten. Kelk met 4–5 spitse tanden. Kroonbuis naar boven weinig verwijd met korte lobben. Helmknoppen eirond of langwerpig. Kruiden met zeer kleine tegenoverstaande bladeren, en een rechtopstaande bloeiwijze, die naar boven zich regelmatig in de bloeiwijze vertaktCurtia.5b. Stempel 2-lobbig tot 2-spletig66a.Stempel met 2 draadvormige takken, die zich later ombuigen en eenigszins oprollen. Kelk buisvormig met 4 tanden. Kroon na de bloei blijvend, 4-tallig; meeldraden 4. Kleine kruiden met weinige bladparen zonder bloemen; naar den top van den stengel worden de bladeren geleidelijk kleiner en hebben daar ieder een bijna zittende bloem in de bladokselNeurotheca.6b.Stempellobben niet draadvormig doch plat en min of meer eirond77a.Bloeiende stengel onvertakt; naar boven de bloemen dragend, in de oksels van kleine schutbladeren of de schutbladeren geheel verdwenen en de bloemen in een lange aarvormige tros; in het eerste geval de bloemen talrijk aan elke stengel. Kelk aan de basis met 3 kleine spitse blaadjes. Helmknoppen pijlvormig aan den voetCoutoubea.7b.Bloeistengel weinigbloemig en onvertakt of veelbloemig en vertakt88a.Bladeren forsch en breed. Kelk 5–6-lobbig. Bloemkroon groot, naar boven geleidelijk wijder wordend en in de slippen overgaand. Meeldraden in het onderste deel van de buis ingehecht; helmdraden niet alle even lang. Stijl draadvormig. Doosvrucht hangend. Bloeistengel naar boven vertakt, vaak eerst in twee takken verdeeld, later nog meer gespletenChelonanthus.8b.Bladeren klein en smal99a.Kelkslippen 5, stomp, niet gekield.Kroon trechtervormig met 5 spitse slippen. Meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Kleine kruiden met weinige bloemenIrlbachia.9b.Bloemen meest 4-, soms ook 5-tallig. Kelkslippen spits; kelkbuis met vleugels of kielen. Kroon trechtervormig, de buis boven het vruchtbeginsel versmald, hoogerop weer verwijd. Helmknoppen stomp, helmdraden meest aan de basis verbreed en getand. Weinige bloemen aan den stengelSchultesia.247.Apocynaceae.Bloemen 5-, zelden 4-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar; meeldraden in de kroonbuis ingehecht, met lange en smalle of pijlvormige helmknoppen met omgebogen of spits helmbindsel; vruchtbeginsels zelden meer dan 2, meest met vele zaadknoppen, van onderen vrij of tot een 2- of 1-hokkig vruchtbeginsel vergroeid; endan met 1 stijl, in het eerste geval de stijlen van boven vergroeid met een dikke stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met enkelvoudige, meest tegenoverstaande bladeren; melksap aanwezig.1a.Helmknoppen vrij of maar zeer los met de stempel samenhangend, meest geheel met stuifmeel gevuld; zelden (alleen bij Tabernaemontana) hebben de helmhokjes aan den voet een aanhangsel, dat geen stuifmeel bevat. Zaden zonder haarpluis21b.Helmknoppen vast met den stempel en in den regel ook onderling verbonden; helmhokjes aan de basis met een verlenging, die geen stuifmeel bevat, daardoor is de helmknop pijlvormig. Zaden (uitgezonderd Malouetia) met haarpluis102a.Vruchtbeginsels geheel met elkaar vergroeid; daardoor de stijlen tot aan de basis aan elkaar vastzittend32b.Vruchtbeginsels alleen aan den voet verbonden, daardoor de stijlen aan de basis vrij van elkaar, naar boven met elkaar vergroeid63a.Bloemen groot, geel; buis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd en in de slippen overgaand. Kelk vrij groot, diep 5-deelig. Lianen met de bladeren vaak in kransen; vrucht een gestekelde met 2 kleppen openspringende doosvruchtAllamanda.Wilkens-bita.3b.Bloemkroonbuis niet of nauwelijks naar boven verwijd; bloemen klein44a.Bloeiwijze aan het eind van den stengel, zeer lang en meest wat windend, bezet met korte zijtakken, die aan hun eind de bloemen in dichte hoofdjes dragen. Kelk klein. Helmknoppen spits; bloemkroonslippen smal. Vrucht glad, bolvormig, groot met vele zaden, die in een moes zijn ingebedLandolphia.4b.Bloemen in okselstandige of eindstandige bijschermen55a.Buis van de bloemkroon aan de mond onbehaard. Meeldraden onder het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Bes langwerpig. BoomenAmbelania.Bati-bati;Mampa.5b.Buis van de bloemkroon aan den mond behaard. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 1-hokkig. Bes bolvormig of wat langwerpig. BoomenCouma.Pera.6a.Bladeren in kransen van 3 (soms meer dan 3). Bloemkroon met cylindervormige buis, op de aanhechtingsplaats der meeldraden wat verwijdRauwolfia.6b.Bladeren dichtgedrongen aan den stengel, niet tegenoverstaand76c.Bladeren tegenoverstaand87a.Bladeren zeer smal. Bloembuis van onderen nauw cylindervormig, naar boven plotseling klokvormig verwijd, behaard, met 5 schubben, die boven de meeldraden staan. Kleine boomen of heestersThevetia.Jurri-jurri.7b.Bladeren breed, hoofdnerf met regelmatige, evenwijdige zijnerven. Bloemkroonbuis cylindrisch, dun; meeldraden dicht bij de basis ingehecht. Vruchtbeginsels halfonderstandig. Boomen met dikke takkenPlumiera.8a.Bloemen zeer klein, meest nog kleiner dan ½ c.M., met cylindervormige bloemkroonbuis en zeer scheeve slippen. Heesters of lianen met veelbloemige, sterk vertakte bloeiwijzenCondylocarpus.8b.Bloemen grooter dan 1 c.M.99a.Kleine rechtopstaande kruiden of nauwelijks verhoute planten met kort gesteelde naar den voet versmalde bladeren die in hun oksels alleenstaande bloemen dragen. Bloemkroonbuis nauw, helmknoppen langwerpig boven in de buis ingehecht. Bloemen purperLochnera.9b.Boomen of heesters, met meest weinigbloemige en kleine bloeiwijzen. Kelk met klieren; meeldraden onder, in het midden of boven in de buis bevestigd; helmknoppen bijna steeds aan den voet pijlvormig, doch niet met den stempel verbonden. Deelvruchten aan één zijde openspringend, glad of met knobbelsTabernaemontana.10a.Helmknoppen in een kegel verbonden; kegel in de bloemkroonbuis ingesloten1110b.Kegel der helmknoppen buiten de bloemkroonbuis uitstekend1711a.Bloemkroonbuis naar boven maar weinig verwijd met schubben aan den mond; helmknoppen zeer spits. Heesters met smalle leerachtige bladeren in kransen van 3Nerium.11b.Bloemkroonbuis zonder schubben1212a.Bloemen hoogstens 1 c.M. groot met een nauwe cylindervormige buis, die alleen op de inhechtingsplaats van de meeldraden wat verwijd is. Kelk met 5 klieren aan de binnenzijde. Meeldraden op de halve hoogte van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel met een schotelvormige schijf om de basis. Onder den stempel geen verdikte ring aanwezig. Bloemen in dichte, sterk vertakte bloeiwijzenSecondatia.12b.Bloemen grooter dan 1 c.M. Bloemkroonbuis in het bovendeel duidelijk wijder dan het onderste deel1313a.Schijf uit 2 schubben bestaand die met de vruchtbeginsels afwisselen. Kelk aan de binnenzijde met schubvormige klieren. Bloemkroonbuis van onderen aan de binnenzijde dicht behaard. Meest kleine heesters, maar weinig klimmendDipladenia.13b.Schijf uit 5 schubben bestaand of ringvormig1414a.Bloeiwijzen zeer sterk vertakt, met vele bloemen. Kelk diep gedeeld, met vaak een weinig ongelijke slippen, die slechts weinig klieren aan de binnenzijde hebben. Bloemkroon met dunne beneden- en verwijde bovenbuis. Schijf schotelvormig of cylindervormig, aan den rand meest gelobdOdontadenia.14b.Bloeiwijzen òf geheel trosvormig, òf slechts enkele malen vertakt en de uiterste takken trosvormig1515a.Bovenste helft van de bloemkroonbuis weinig wijder dan de onderste helft, niet klokvormig, doch buisvormig, meest bij den mond weer wat vernauwd.Kelk met vele klieren of met 5 schubben aan de binnenzijde. Schijf 5-lobbig tot 5-deeligEchites.15b.Bloemkroonbuis naar boven duidelijk klok- of trechtervormig verwijd1616a.Bladeren aan den voet sterk toegespitst, aan den top vaak min of meer afgerond met een puntje. Bloemen in duidelijke trossen dus alleenstaand in den oksel der schutbladeren. Kelk met weinig of zonder klieren aan de binnenzijdeRhabdadenia.16b.Bladeren aan de voet min of meer duidelijk hartvormig ingesneden, nooit naar den voet versmald; aan den top geleidelijk smaller wordend. Bloemen vaak 2 aan twee bij elkaar in den oksel van een schutblad; kelk met vele klieren aan de binnenzijdeMandevilla.17a.Bloemkroon met cylindervormige, bij de meeldraden wat verwijde buis, aan den mond met een ring of met schubben. Kelkslippen breed, van binnen met een schub. Schijf buisvormig, 5-lobbig. Planten kaal of dicht behaardPrestonia.17b.Bloemkroonbuis zonder schubben aan de mond, of met zeer kleine schubben1818a.Bloemen zeer klein met uiterst korte buis. Bloeiwijze sterk vertakt, veelbloemig. LianenForsteronia.18b.Bloemen vrij groot met een goed ontwikkelde buis. Heesters, niet klimmend1919a.Kelk klein, diep 5-deelig met stompe slippen. Schijf ring- of schotelvormig, meest 5-lobbig. Vruchtbeginsel behaard. Bloemen langgesteeld in schermvormige trossen. Zaden zonder haarpluisMalouetia.19b.Kelk met spitse, aan de rugzijde min of meer gekielde slippen. Bloemkroon als de vorige. Schijf bekervormig, 5-lobbig. Zaden geheel door een wollig omhulsel omgeven, overigens zonder haarpluisRobbia.248.Asclepiadaceae.Bloemen 5-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren slechts weinig vergroeid; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar liggend, vaak met aanhangselen, die een bijkroon (corona) vormen; meeldraden vrij of vaker aan de basis vergroeid, vaak met aanhangselen die eveneens een bijkroon vormen; stuifmeel meest tot klompjes vereenigd, deze laatste door hoornachtige lichaampjes (translatoren) met den stempelkop verbonden; vruchtbeginsels 2, gescheiden, alleen boven door den stempel verbonden, met vele zaadknoppen; vrucht een dubbele kokervrucht, zaden met een haarkuif; overblijvende kruiden of heesterachtige planten, vaak windend; bladeren tegenoverstaand of in kransen; zelden verspreid zonder steunbladeren; melksap aanwezig.1a.Planten kruidachtig of slechts weinig heesterachtig, niet klimmend21b.Klimmende heesters of kruiden32a.Bladeren smal, gesteeld. Bloemen oranje. Corona met 5 kapvormige slippen, uit welker midden een rechtopstaand, iets naar binnen gebogen, hoornachtig aanhangsel te voorschijn komtAsclepias.2b.Bladeren breed, zittend of bijna zittend. Bloemen van binnen grijs-paars. Slippen van de corona kapvormig, zijdelings samengedrukt, aan de basis met een spoorCalotropis.3a.Bloemen zeer klein (slechts enkele millimeters) in verlengde en wijde bloeiwijzen, nooit in schermen of schermvormige trossen43b.Bloemen in korte, gedrongen trossen of in schermen, groot54a.Kelkbladeren klein, meest stomp. Bloemkroon klokvormig tot stervormig. Slippen van de corona 5, zeer smal. Corona enkelvoudig. Stempel met vlakke top. Bladeren klein, gemakkelijk afvallendMetastelma.4b.Kelkbladeren spits. Bloemkroon klok- tot stervormig. Corona dubbel, de buitenste 5-lobbig, de binnenste bekervormig. Stempel van boven met een bult of een korte snavelTassadia.5a.Bloemkroon van onderen met een goed ontwikkelde cylindervormige buis, die langer is dan de kelk. Corona uit 5 kleine blaadjes bestaande. Top van den stempel kegelvormigMarsdenia.5b.Buis aan den bloemkroon bijna onzichtbaar66a.Bloemen in veelbloemige schermen76b.Bloemen in meest korte, veel- of weinigbloemige trossen87a.Bloemen groen. Plant behaard. Bloemkroon stervormig met dubbele corona; buitenste corona vleezig, diep 5-deeligFischeria.7b.Bloemen wit of geelwit. Bladeren en stengel kaal. Buitenste corona vliezig, onduidelijk gelobdOxystelma.(Philibertia).8a.Bloemen groen, vrij groot, stervormig, diep 5-deelig, in 3–4-bloemige trossen; slippen van de corona hol, met elkaar verbonden. Bladeren met hartvormige voetGonolobus.8b.Bloemen van buiten wit, van binnen paars met witte strepen. Bloemkroon stervormig. Corona 5-lobbig, met priemvormige aanhangselen. Bladeren dun, aan den top spits, aan de voet min of meer hartvormigRoulinia.8c.Bloemen geheel wit. Bloemkroon stervormig. Corona enkelvoudig met kapvormige slippen, rechtopstaand. Plant kaal, bladeren aan den voet hartvormig of afgerondBlepharodon.
Onderklasse:Sympetalae.Orde:Primulales.235.Theophrastaceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig, 5-tallig; bloemkroon vergroeidbladig; meeldraden 5, tegenover de kroonslippen staand; 5 staminodiën ermee afwisselend; vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met talrijke zaadknoppen; vrucht steenvruchtachtig met 2- tot talrijke zaadknoppen; houtige planten met verspreide bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig, meest 5-tallig, zelden 4-tallig. Kelk vergroeidbladig. Bloembladeren tot ongeveer ⅓ van de hoogte vergroeid.Meeldraden in de mannelijke bloemen, in een buis vergroeid, die met de bloembladeren samenhangt; in de vrouwelijke bloemen zijn er 5 losse staminodiën voor de bloembladeren. Vruchtbeginsel in de mannelijke bloemen aanwezig, doch zeer klein. Kleine boomen met lange bladeren, aan den top van de takken dicht op elkaarzittendClavija.236.Myrsinaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, regelmatig, 5–4-tallig met vergroeidbladige bloemkroon; meeldraden 5–4, zelden met staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met vele zaadknoppen aan de grondstandige zaadlijst; stijl 1; vrucht meest een steenvrucht; met 1 tot weinige zaden; houtige planten met verspreide, vaak ongedeelde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bloeiwijzen zeer kort en gedrongen, weinigbloemig, dikwijls aan takken gezeten, waarvan de bladeren reeds zijn afgevallen. Bloemkroon vergroeidbladig, helmknoppen zittend; stijl ontbrekendRapanea.1b.Bloeiwijzen verlengd, tros- of pluimvormig22a.Bloemen in enkelvoudige okselstandige of uit de onbebladerde tak tevoorschijnkomende trossen; bloemen meest 4-tallig; helmknoppen vrij lang; bloemkroonslippen niet met de randen over elkaar liggendConomorpha.2b.Bloemen in pluimen of samengestelde trossen33a.Bloemen 5-tallig; bloembladeren weinig vergroeid. Helmdraden en helmknoppen lang. Bloemen in pluimenStylogyne.3b.Bloemen 4-tallig44a.Bloemen in onregelmatige vertakte pluimen; helmdraden veel korter dan de vrij lange helmknopArdisia.4b.Bloemen in vertakte trossen. Helmdraden langer dan de korte, eironde helmknopWeigeltia.Orde:Plumbaginales.238.Plumbaginaceae.Bloemen met 5 meeldraden, die tegenover de kroonslippen staan; tweeslachtig, regelmatig; bloemkroon losbladig of vergroeidbladig; vruchtbeginsel met 5 stijlen, bovenstandig, met 1 zaadknop; heesters, of kruiden met enkelvoudige gaafrandige bladeren.Kelk buisvormig, 5-tandig met klierharen; kroon met lange buis, lobben uitgespreid. Meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand. Vruchtbeginsel met 1 stijl, van boven 5-spletig. Vrucht met 1 zaad. Bladeren verspreid. Vaak klimplantenPlumbago.Orde:Ebenales.239.Sapotaceae.Bloemen meest tweeslachtig; kelk 4–8-, zelden meerbladig, in twee kransen; bloemkroonslippen evenveel als kelkbladeren in één krans of dubbel zooveel in twee kransen, soms met aanhangselen aan de rugzijde; meeldraden in 2 of 3 kransen, soms alle vruchtbaar, of sommige kransen tot staminodiën ontwikkeld of geheel ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig meest met evenveel of dubbel zooveel hokjes als bloemkroonslippen, met 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes; houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren.1a.Bloemen met evenveel meeldraden als bloemkroonslippen, zonder staminodiën, meest 5-tallig, soms ook 6–7-tallig. Stijl kort met knopvormige stempel. Bladeren vaak zijdeachtig behaard. Bloeiwijzen kleinChrysophyllum.1b.Bloemen met meeldraden en staminodiën22a.Bloemen met 4 kelkbladeren, 4 bloemkroonslippen, 4 meeldraden en 4 kleine staminodiën. Vruchtbeginsel behaard met een lange stijl. Boomen; bloemen meest groepsgewijs staandPouteria.Jan Snijder.2b.Kelk- en bloembladslippen meer dan 433a.Kroonslippen 6–8, ieder aan de rugzijde nog ongeveer even groote slippen dragend, zoodat het aantal kroonslippen zeer groot schijnt te zijn. Kelkbladeren 6 of 8; meeldraden en staminodiën 6 of 8. Vruchtbeginsel met lange stijlMimusops.Bolletrie.3b.Bloemkroon met 5 of 6 slippen, zonder slippen aan de rugzijde44a.Kelkbladeren 6, in twee rijen. Bloemkroon bekervormig met 6 lobben. Meeldraden 6,staminodiën6, even groot als de kroonslippen. Vruchtbeginsel ongeveer 12-hokkigAchras.Sapotille.4b.Kelkbladeren 5–6 in een rij, kroon 5–6-spletig. Meeldraden 5–6; staminodiën 5–6, klein. Vruchtbeginsel 5–2-hokkigSideroxylon.Riemhout.240.Ebenaceae.Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig; kelk blijvend, na de bloei vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig meest met gedraaide knopligging; meeldraden in de tweeslachtige of mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel of meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen meest staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–16-hokkig met 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij of vergroeid; vrucht meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4–5-lobbig; bloemkroon klok- of buisvormig, 4–5-lobbig. Meeldraden in de ♂ bloemen zeer talrijk (8–22) meest behaard met lange helmknoppen. In de ♀ bloem meest 4–8 staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel gewoonlijk 8-, maar ook 4–16-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Bloemen kort gesteeld in kleine groepen in de bladoksels of uit het oude hout tevoorschijn komendDiospyros.241.Styracaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, regelmatig met vergroeidbladige kelk en bloemkroon; meeldraden tweemaal zooveel als bloemkroonslippen, alleen aan de basis, zelden geheel vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, zelden halfonderstandig met één stijl, 3- tot 5-hokkig; vrucht een steenvrucht of een doosvrucht of gesloten blijvend met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide gaafrandige of gezaagde bladeren.Kelk klokvormig, met 5 korte, soms onduidelijke tanden. Bloembladeren 5, alleen aan de basis vergroeid, leerachtig, langwerpig. Meeldraden 10, alleen van onderen wat vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig, van boven 1-hokkig met 3-lobbigen stempel en langen stijl. Boomen of heestersStyrax.242.Symplocaceae.Bloemen meest 5-tallig, regelmatig, tweeslachtig met 5 kelkbladeren en bijna steeds 5 bloembladeren, die soms alleen aan de basis, meestal echter in een buis vergroeid zijn; soms zijn er 10 bloemkroonslippen; meeldraden talrijk in meerdere kransen, vaak met verbreede helmdraden, eenigszins met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig of halfbovenstandig met één stijl, 2–5-hokkig met 2–4 zaadknoppen per hokje; vrucht een steenvrucht. Eenig geslachtSymplocos.Orde:Contortae.243.Oleaceae.Bloemen 2–6-tallig, meest vergroeidbladig, zelden losbladig of zonder bloemkroon, regelmatig, twee- of éénslachtig; bloembladeren 4, 5 of 6; meeldraden 2, zelden 4, aan de basis met de bloemkroon vergroeid met korte helmdraden en grootehelmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2, zelden 1 of meer zaadknoppen in ieder hokje; houtige planten, soms klimmend met tegenoverstaande of kransstandige meest enkelvoudige bladeren.Heesters met tegenoverstaande bladeren. Bloemen 4–6-, zelden meer-tallig. Zaadknoppen in ieder hokje 1–4, meest 2. Vrucht een bes, die aan den top ingesneden isJasminum.245.Loganiaceae.Bloemen meest 4- of 5-tallig, met vergroeidbladige bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig; bloemkroonslippen 4–5 tot vele, in de knop met de randen tegen elkaar of over elkaar liggend of gedraaid; bloemkroon meest trechtervormig tot bekervormig; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden maar één, met de buis vergroeid; vruchtbeginsel 2-hokkig, zelden 3–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen; stijl 1, twee- tot vierspletig of stijlen 2; 2-kleppige doosvrucht of bes; meest houtige planten, zelden kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Bovenste bladeren van den stengel in een krans van 4, hieruit komen de lange trosvormige bloeiwijzen te voorschijn. Bloemen 5-tallig, bloemkroon buisvormig; meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Vrucht een doosvrucht. Kleine kruidenSpigelia.1b.Bladen paarsgewijs tegenoverstaand22a.Bladeren zeer groot, (meerdere decimeters lang). Kelk 4-tallig. Bloemkroon met 8–10 lobben; meeldraden 8–10 zonder helmdraden. Vruchtbeginsel 4- of 2-hokkig, stijl direct boven het vruchtbeginsel sterk verdikt, verder dun. Kleine boompjesPotalia.2b.Bladeren niet opvallend groot33a.Bladeren aan de voet met 1 paar of 2 paar nerven, die in een boog evenwijdig met de bladrand naar den top loopen. Heesters of boomen vaak met korte haakvormige of opgerolde ranken Bloemkroon 4–5-tallig; vrucht een besStrychnos.3b.Bloemen 4–5-tallig met korte kelk en lange, trechtervormige bloemkroonbuis met korte lobben. Bladeren vinnervig. Heesters. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht, aan den top ingesnedenMostuea.246.Gentianaceae.Bloemen meest 4–5-tallig, zelden 6–12-tallig, sympetaal, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon in de knop meest gedraaid; zelden de slippen met de randen tegen elkaar liggend; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden eenige ontbrekend, met de bloemkroon vergroeid, vruchtbeginsel meest 1-hokkig, zelden 2-hokkig, met twee zaadlijsten met vele zaadknoppen; stijl enkelvoudig of tweespletig; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden, zelden heesters, meest kaal; bladeren meest tegenoverstaand, gaafrandig zonder steunbladeren.1a.Waterplanten. Bladeren aan den voet ingesneden, overigens bijna cirkelrond, op het water drijvend. Bloemen in groepen schijnbaar uit de bladsteel te voorschijn komend. Kelk met 5 smalle lobben. Bloemkroon met zeer korte buisLimnanthemum.1b.Landplanten22a.Planten geheel kruidachtig en sappig, met kleine bladeren; zoowel bladeren als stengels zonder bladgroen32b.Planten vaak een weinig verhout, met groene bladeren en groene stengel (ten minste het jongste deel van den stengel)53a.Stengels kort, veelbloemig; wortelstok dik en knolvormig. Bloemen groot met lange buisVoyria.3b.Stengels verlengd, vertakt of onvertakt, soms met slechts 1 bloem, soms met de bloemen in trossen of hoofdjes aan het eind. Wortelstok dun44a.Bloemen zeer klein, buis van de bloemkroon niet veel langer dan de kelk.Bloeiwijze zeer dicht gedrongen, veelbloemig aan het eind van den stengelVoyriella.4b.Bloeiwijze losser of bloemen alleenstaand aan het eind van den stengel. Bloemkroonbuis veel langer dan de kelkLeiphaemos.5a.Stempel bolvormig, niet gespleten. Kelk met 4–5 spitse tanden. Kroonbuis naar boven weinig verwijd met korte lobben. Helmknoppen eirond of langwerpig. Kruiden met zeer kleine tegenoverstaande bladeren, en een rechtopstaande bloeiwijze, die naar boven zich regelmatig in de bloeiwijze vertaktCurtia.5b. Stempel 2-lobbig tot 2-spletig66a.Stempel met 2 draadvormige takken, die zich later ombuigen en eenigszins oprollen. Kelk buisvormig met 4 tanden. Kroon na de bloei blijvend, 4-tallig; meeldraden 4. Kleine kruiden met weinige bladparen zonder bloemen; naar den top van den stengel worden de bladeren geleidelijk kleiner en hebben daar ieder een bijna zittende bloem in de bladokselNeurotheca.6b.Stempellobben niet draadvormig doch plat en min of meer eirond77a.Bloeiende stengel onvertakt; naar boven de bloemen dragend, in de oksels van kleine schutbladeren of de schutbladeren geheel verdwenen en de bloemen in een lange aarvormige tros; in het eerste geval de bloemen talrijk aan elke stengel. Kelk aan de basis met 3 kleine spitse blaadjes. Helmknoppen pijlvormig aan den voetCoutoubea.7b.Bloeistengel weinigbloemig en onvertakt of veelbloemig en vertakt88a.Bladeren forsch en breed. Kelk 5–6-lobbig. Bloemkroon groot, naar boven geleidelijk wijder wordend en in de slippen overgaand. Meeldraden in het onderste deel van de buis ingehecht; helmdraden niet alle even lang. Stijl draadvormig. Doosvrucht hangend. Bloeistengel naar boven vertakt, vaak eerst in twee takken verdeeld, later nog meer gespletenChelonanthus.8b.Bladeren klein en smal99a.Kelkslippen 5, stomp, niet gekield.Kroon trechtervormig met 5 spitse slippen. Meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Kleine kruiden met weinige bloemenIrlbachia.9b.Bloemen meest 4-, soms ook 5-tallig. Kelkslippen spits; kelkbuis met vleugels of kielen. Kroon trechtervormig, de buis boven het vruchtbeginsel versmald, hoogerop weer verwijd. Helmknoppen stomp, helmdraden meest aan de basis verbreed en getand. Weinige bloemen aan den stengelSchultesia.247.Apocynaceae.Bloemen 5-, zelden 4-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar; meeldraden in de kroonbuis ingehecht, met lange en smalle of pijlvormige helmknoppen met omgebogen of spits helmbindsel; vruchtbeginsels zelden meer dan 2, meest met vele zaadknoppen, van onderen vrij of tot een 2- of 1-hokkig vruchtbeginsel vergroeid; endan met 1 stijl, in het eerste geval de stijlen van boven vergroeid met een dikke stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met enkelvoudige, meest tegenoverstaande bladeren; melksap aanwezig.1a.Helmknoppen vrij of maar zeer los met de stempel samenhangend, meest geheel met stuifmeel gevuld; zelden (alleen bij Tabernaemontana) hebben de helmhokjes aan den voet een aanhangsel, dat geen stuifmeel bevat. Zaden zonder haarpluis21b.Helmknoppen vast met den stempel en in den regel ook onderling verbonden; helmhokjes aan de basis met een verlenging, die geen stuifmeel bevat, daardoor is de helmknop pijlvormig. Zaden (uitgezonderd Malouetia) met haarpluis102a.Vruchtbeginsels geheel met elkaar vergroeid; daardoor de stijlen tot aan de basis aan elkaar vastzittend32b.Vruchtbeginsels alleen aan den voet verbonden, daardoor de stijlen aan de basis vrij van elkaar, naar boven met elkaar vergroeid63a.Bloemen groot, geel; buis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd en in de slippen overgaand. Kelk vrij groot, diep 5-deelig. Lianen met de bladeren vaak in kransen; vrucht een gestekelde met 2 kleppen openspringende doosvruchtAllamanda.Wilkens-bita.3b.Bloemkroonbuis niet of nauwelijks naar boven verwijd; bloemen klein44a.Bloeiwijze aan het eind van den stengel, zeer lang en meest wat windend, bezet met korte zijtakken, die aan hun eind de bloemen in dichte hoofdjes dragen. Kelk klein. Helmknoppen spits; bloemkroonslippen smal. Vrucht glad, bolvormig, groot met vele zaden, die in een moes zijn ingebedLandolphia.4b.Bloemen in okselstandige of eindstandige bijschermen55a.Buis van de bloemkroon aan de mond onbehaard. Meeldraden onder het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Bes langwerpig. BoomenAmbelania.Bati-bati;Mampa.5b.Buis van de bloemkroon aan den mond behaard. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 1-hokkig. Bes bolvormig of wat langwerpig. BoomenCouma.Pera.6a.Bladeren in kransen van 3 (soms meer dan 3). Bloemkroon met cylindervormige buis, op de aanhechtingsplaats der meeldraden wat verwijdRauwolfia.6b.Bladeren dichtgedrongen aan den stengel, niet tegenoverstaand76c.Bladeren tegenoverstaand87a.Bladeren zeer smal. Bloembuis van onderen nauw cylindervormig, naar boven plotseling klokvormig verwijd, behaard, met 5 schubben, die boven de meeldraden staan. Kleine boomen of heestersThevetia.Jurri-jurri.7b.Bladeren breed, hoofdnerf met regelmatige, evenwijdige zijnerven. Bloemkroonbuis cylindrisch, dun; meeldraden dicht bij de basis ingehecht. Vruchtbeginsels halfonderstandig. Boomen met dikke takkenPlumiera.8a.Bloemen zeer klein, meest nog kleiner dan ½ c.M., met cylindervormige bloemkroonbuis en zeer scheeve slippen. Heesters of lianen met veelbloemige, sterk vertakte bloeiwijzenCondylocarpus.8b.Bloemen grooter dan 1 c.M.99a.Kleine rechtopstaande kruiden of nauwelijks verhoute planten met kort gesteelde naar den voet versmalde bladeren die in hun oksels alleenstaande bloemen dragen. Bloemkroonbuis nauw, helmknoppen langwerpig boven in de buis ingehecht. Bloemen purperLochnera.9b.Boomen of heesters, met meest weinigbloemige en kleine bloeiwijzen. Kelk met klieren; meeldraden onder, in het midden of boven in de buis bevestigd; helmknoppen bijna steeds aan den voet pijlvormig, doch niet met den stempel verbonden. Deelvruchten aan één zijde openspringend, glad of met knobbelsTabernaemontana.10a.Helmknoppen in een kegel verbonden; kegel in de bloemkroonbuis ingesloten1110b.Kegel der helmknoppen buiten de bloemkroonbuis uitstekend1711a.Bloemkroonbuis naar boven maar weinig verwijd met schubben aan den mond; helmknoppen zeer spits. Heesters met smalle leerachtige bladeren in kransen van 3Nerium.11b.Bloemkroonbuis zonder schubben1212a.Bloemen hoogstens 1 c.M. groot met een nauwe cylindervormige buis, die alleen op de inhechtingsplaats van de meeldraden wat verwijd is. Kelk met 5 klieren aan de binnenzijde. Meeldraden op de halve hoogte van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel met een schotelvormige schijf om de basis. Onder den stempel geen verdikte ring aanwezig. Bloemen in dichte, sterk vertakte bloeiwijzenSecondatia.12b.Bloemen grooter dan 1 c.M. Bloemkroonbuis in het bovendeel duidelijk wijder dan het onderste deel1313a.Schijf uit 2 schubben bestaand die met de vruchtbeginsels afwisselen. Kelk aan de binnenzijde met schubvormige klieren. Bloemkroonbuis van onderen aan de binnenzijde dicht behaard. Meest kleine heesters, maar weinig klimmendDipladenia.13b.Schijf uit 5 schubben bestaand of ringvormig1414a.Bloeiwijzen zeer sterk vertakt, met vele bloemen. Kelk diep gedeeld, met vaak een weinig ongelijke slippen, die slechts weinig klieren aan de binnenzijde hebben. Bloemkroon met dunne beneden- en verwijde bovenbuis. Schijf schotelvormig of cylindervormig, aan den rand meest gelobdOdontadenia.14b.Bloeiwijzen òf geheel trosvormig, òf slechts enkele malen vertakt en de uiterste takken trosvormig1515a.Bovenste helft van de bloemkroonbuis weinig wijder dan de onderste helft, niet klokvormig, doch buisvormig, meest bij den mond weer wat vernauwd.Kelk met vele klieren of met 5 schubben aan de binnenzijde. Schijf 5-lobbig tot 5-deeligEchites.15b.Bloemkroonbuis naar boven duidelijk klok- of trechtervormig verwijd1616a.Bladeren aan den voet sterk toegespitst, aan den top vaak min of meer afgerond met een puntje. Bloemen in duidelijke trossen dus alleenstaand in den oksel der schutbladeren. Kelk met weinig of zonder klieren aan de binnenzijdeRhabdadenia.16b.Bladeren aan de voet min of meer duidelijk hartvormig ingesneden, nooit naar den voet versmald; aan den top geleidelijk smaller wordend. Bloemen vaak 2 aan twee bij elkaar in den oksel van een schutblad; kelk met vele klieren aan de binnenzijdeMandevilla.17a.Bloemkroon met cylindervormige, bij de meeldraden wat verwijde buis, aan den mond met een ring of met schubben. Kelkslippen breed, van binnen met een schub. Schijf buisvormig, 5-lobbig. Planten kaal of dicht behaardPrestonia.17b.Bloemkroonbuis zonder schubben aan de mond, of met zeer kleine schubben1818a.Bloemen zeer klein met uiterst korte buis. Bloeiwijze sterk vertakt, veelbloemig. LianenForsteronia.18b.Bloemen vrij groot met een goed ontwikkelde buis. Heesters, niet klimmend1919a.Kelk klein, diep 5-deelig met stompe slippen. Schijf ring- of schotelvormig, meest 5-lobbig. Vruchtbeginsel behaard. Bloemen langgesteeld in schermvormige trossen. Zaden zonder haarpluisMalouetia.19b.Kelk met spitse, aan de rugzijde min of meer gekielde slippen. Bloemkroon als de vorige. Schijf bekervormig, 5-lobbig. Zaden geheel door een wollig omhulsel omgeven, overigens zonder haarpluisRobbia.248.Asclepiadaceae.Bloemen 5-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren slechts weinig vergroeid; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar liggend, vaak met aanhangselen, die een bijkroon (corona) vormen; meeldraden vrij of vaker aan de basis vergroeid, vaak met aanhangselen die eveneens een bijkroon vormen; stuifmeel meest tot klompjes vereenigd, deze laatste door hoornachtige lichaampjes (translatoren) met den stempelkop verbonden; vruchtbeginsels 2, gescheiden, alleen boven door den stempel verbonden, met vele zaadknoppen; vrucht een dubbele kokervrucht, zaden met een haarkuif; overblijvende kruiden of heesterachtige planten, vaak windend; bladeren tegenoverstaand of in kransen; zelden verspreid zonder steunbladeren; melksap aanwezig.1a.Planten kruidachtig of slechts weinig heesterachtig, niet klimmend21b.Klimmende heesters of kruiden32a.Bladeren smal, gesteeld. Bloemen oranje. Corona met 5 kapvormige slippen, uit welker midden een rechtopstaand, iets naar binnen gebogen, hoornachtig aanhangsel te voorschijn komtAsclepias.2b.Bladeren breed, zittend of bijna zittend. Bloemen van binnen grijs-paars. Slippen van de corona kapvormig, zijdelings samengedrukt, aan de basis met een spoorCalotropis.3a.Bloemen zeer klein (slechts enkele millimeters) in verlengde en wijde bloeiwijzen, nooit in schermen of schermvormige trossen43b.Bloemen in korte, gedrongen trossen of in schermen, groot54a.Kelkbladeren klein, meest stomp. Bloemkroon klokvormig tot stervormig. Slippen van de corona 5, zeer smal. Corona enkelvoudig. Stempel met vlakke top. Bladeren klein, gemakkelijk afvallendMetastelma.4b.Kelkbladeren spits. Bloemkroon klok- tot stervormig. Corona dubbel, de buitenste 5-lobbig, de binnenste bekervormig. Stempel van boven met een bult of een korte snavelTassadia.5a.Bloemkroon van onderen met een goed ontwikkelde cylindervormige buis, die langer is dan de kelk. Corona uit 5 kleine blaadjes bestaande. Top van den stempel kegelvormigMarsdenia.5b.Buis aan den bloemkroon bijna onzichtbaar66a.Bloemen in veelbloemige schermen76b.Bloemen in meest korte, veel- of weinigbloemige trossen87a.Bloemen groen. Plant behaard. Bloemkroon stervormig met dubbele corona; buitenste corona vleezig, diep 5-deeligFischeria.7b.Bloemen wit of geelwit. Bladeren en stengel kaal. Buitenste corona vliezig, onduidelijk gelobdOxystelma.(Philibertia).8a.Bloemen groen, vrij groot, stervormig, diep 5-deelig, in 3–4-bloemige trossen; slippen van de corona hol, met elkaar verbonden. Bladeren met hartvormige voetGonolobus.8b.Bloemen van buiten wit, van binnen paars met witte strepen. Bloemkroon stervormig. Corona 5-lobbig, met priemvormige aanhangselen. Bladeren dun, aan den top spits, aan de voet min of meer hartvormigRoulinia.8c.Bloemen geheel wit. Bloemkroon stervormig. Corona enkelvoudig met kapvormige slippen, rechtopstaand. Plant kaal, bladeren aan den voet hartvormig of afgerondBlepharodon.
Onderklasse:Sympetalae.Orde:Primulales.235.Theophrastaceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig, 5-tallig; bloemkroon vergroeidbladig; meeldraden 5, tegenover de kroonslippen staand; 5 staminodiën ermee afwisselend; vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met talrijke zaadknoppen; vrucht steenvruchtachtig met 2- tot talrijke zaadknoppen; houtige planten met verspreide bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig, meest 5-tallig, zelden 4-tallig. Kelk vergroeidbladig. Bloembladeren tot ongeveer ⅓ van de hoogte vergroeid.Meeldraden in de mannelijke bloemen, in een buis vergroeid, die met de bloembladeren samenhangt; in de vrouwelijke bloemen zijn er 5 losse staminodiën voor de bloembladeren. Vruchtbeginsel in de mannelijke bloemen aanwezig, doch zeer klein. Kleine boomen met lange bladeren, aan den top van de takken dicht op elkaarzittendClavija.236.Myrsinaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, regelmatig, 5–4-tallig met vergroeidbladige bloemkroon; meeldraden 5–4, zelden met staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met vele zaadknoppen aan de grondstandige zaadlijst; stijl 1; vrucht meest een steenvrucht; met 1 tot weinige zaden; houtige planten met verspreide, vaak ongedeelde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bloeiwijzen zeer kort en gedrongen, weinigbloemig, dikwijls aan takken gezeten, waarvan de bladeren reeds zijn afgevallen. Bloemkroon vergroeidbladig, helmknoppen zittend; stijl ontbrekendRapanea.1b.Bloeiwijzen verlengd, tros- of pluimvormig22a.Bloemen in enkelvoudige okselstandige of uit de onbebladerde tak tevoorschijnkomende trossen; bloemen meest 4-tallig; helmknoppen vrij lang; bloemkroonslippen niet met de randen over elkaar liggendConomorpha.2b.Bloemen in pluimen of samengestelde trossen33a.Bloemen 5-tallig; bloembladeren weinig vergroeid. Helmdraden en helmknoppen lang. Bloemen in pluimenStylogyne.3b.Bloemen 4-tallig44a.Bloemen in onregelmatige vertakte pluimen; helmdraden veel korter dan de vrij lange helmknopArdisia.4b.Bloemen in vertakte trossen. Helmdraden langer dan de korte, eironde helmknopWeigeltia.Orde:Plumbaginales.238.Plumbaginaceae.Bloemen met 5 meeldraden, die tegenover de kroonslippen staan; tweeslachtig, regelmatig; bloemkroon losbladig of vergroeidbladig; vruchtbeginsel met 5 stijlen, bovenstandig, met 1 zaadknop; heesters, of kruiden met enkelvoudige gaafrandige bladeren.Kelk buisvormig, 5-tandig met klierharen; kroon met lange buis, lobben uitgespreid. Meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand. Vruchtbeginsel met 1 stijl, van boven 5-spletig. Vrucht met 1 zaad. Bladeren verspreid. Vaak klimplantenPlumbago.Orde:Ebenales.239.Sapotaceae.Bloemen meest tweeslachtig; kelk 4–8-, zelden meerbladig, in twee kransen; bloemkroonslippen evenveel als kelkbladeren in één krans of dubbel zooveel in twee kransen, soms met aanhangselen aan de rugzijde; meeldraden in 2 of 3 kransen, soms alle vruchtbaar, of sommige kransen tot staminodiën ontwikkeld of geheel ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig meest met evenveel of dubbel zooveel hokjes als bloemkroonslippen, met 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes; houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren.1a.Bloemen met evenveel meeldraden als bloemkroonslippen, zonder staminodiën, meest 5-tallig, soms ook 6–7-tallig. Stijl kort met knopvormige stempel. Bladeren vaak zijdeachtig behaard. Bloeiwijzen kleinChrysophyllum.1b.Bloemen met meeldraden en staminodiën22a.Bloemen met 4 kelkbladeren, 4 bloemkroonslippen, 4 meeldraden en 4 kleine staminodiën. Vruchtbeginsel behaard met een lange stijl. Boomen; bloemen meest groepsgewijs staandPouteria.Jan Snijder.2b.Kelk- en bloembladslippen meer dan 433a.Kroonslippen 6–8, ieder aan de rugzijde nog ongeveer even groote slippen dragend, zoodat het aantal kroonslippen zeer groot schijnt te zijn. Kelkbladeren 6 of 8; meeldraden en staminodiën 6 of 8. Vruchtbeginsel met lange stijlMimusops.Bolletrie.3b.Bloemkroon met 5 of 6 slippen, zonder slippen aan de rugzijde44a.Kelkbladeren 6, in twee rijen. Bloemkroon bekervormig met 6 lobben. Meeldraden 6,staminodiën6, even groot als de kroonslippen. Vruchtbeginsel ongeveer 12-hokkigAchras.Sapotille.4b.Kelkbladeren 5–6 in een rij, kroon 5–6-spletig. Meeldraden 5–6; staminodiën 5–6, klein. Vruchtbeginsel 5–2-hokkigSideroxylon.Riemhout.240.Ebenaceae.Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig; kelk blijvend, na de bloei vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig meest met gedraaide knopligging; meeldraden in de tweeslachtige of mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel of meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen meest staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–16-hokkig met 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij of vergroeid; vrucht meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4–5-lobbig; bloemkroon klok- of buisvormig, 4–5-lobbig. Meeldraden in de ♂ bloemen zeer talrijk (8–22) meest behaard met lange helmknoppen. In de ♀ bloem meest 4–8 staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel gewoonlijk 8-, maar ook 4–16-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Bloemen kort gesteeld in kleine groepen in de bladoksels of uit het oude hout tevoorschijn komendDiospyros.241.Styracaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, regelmatig met vergroeidbladige kelk en bloemkroon; meeldraden tweemaal zooveel als bloemkroonslippen, alleen aan de basis, zelden geheel vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, zelden halfonderstandig met één stijl, 3- tot 5-hokkig; vrucht een steenvrucht of een doosvrucht of gesloten blijvend met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide gaafrandige of gezaagde bladeren.Kelk klokvormig, met 5 korte, soms onduidelijke tanden. Bloembladeren 5, alleen aan de basis vergroeid, leerachtig, langwerpig. Meeldraden 10, alleen van onderen wat vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig, van boven 1-hokkig met 3-lobbigen stempel en langen stijl. Boomen of heestersStyrax.242.Symplocaceae.Bloemen meest 5-tallig, regelmatig, tweeslachtig met 5 kelkbladeren en bijna steeds 5 bloembladeren, die soms alleen aan de basis, meestal echter in een buis vergroeid zijn; soms zijn er 10 bloemkroonslippen; meeldraden talrijk in meerdere kransen, vaak met verbreede helmdraden, eenigszins met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig of halfbovenstandig met één stijl, 2–5-hokkig met 2–4 zaadknoppen per hokje; vrucht een steenvrucht. Eenig geslachtSymplocos.Orde:Contortae.243.Oleaceae.Bloemen 2–6-tallig, meest vergroeidbladig, zelden losbladig of zonder bloemkroon, regelmatig, twee- of éénslachtig; bloembladeren 4, 5 of 6; meeldraden 2, zelden 4, aan de basis met de bloemkroon vergroeid met korte helmdraden en grootehelmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2, zelden 1 of meer zaadknoppen in ieder hokje; houtige planten, soms klimmend met tegenoverstaande of kransstandige meest enkelvoudige bladeren.Heesters met tegenoverstaande bladeren. Bloemen 4–6-, zelden meer-tallig. Zaadknoppen in ieder hokje 1–4, meest 2. Vrucht een bes, die aan den top ingesneden isJasminum.245.Loganiaceae.Bloemen meest 4- of 5-tallig, met vergroeidbladige bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig; bloemkroonslippen 4–5 tot vele, in de knop met de randen tegen elkaar of over elkaar liggend of gedraaid; bloemkroon meest trechtervormig tot bekervormig; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden maar één, met de buis vergroeid; vruchtbeginsel 2-hokkig, zelden 3–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen; stijl 1, twee- tot vierspletig of stijlen 2; 2-kleppige doosvrucht of bes; meest houtige planten, zelden kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Bovenste bladeren van den stengel in een krans van 4, hieruit komen de lange trosvormige bloeiwijzen te voorschijn. Bloemen 5-tallig, bloemkroon buisvormig; meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Vrucht een doosvrucht. Kleine kruidenSpigelia.1b.Bladen paarsgewijs tegenoverstaand22a.Bladeren zeer groot, (meerdere decimeters lang). Kelk 4-tallig. Bloemkroon met 8–10 lobben; meeldraden 8–10 zonder helmdraden. Vruchtbeginsel 4- of 2-hokkig, stijl direct boven het vruchtbeginsel sterk verdikt, verder dun. Kleine boompjesPotalia.2b.Bladeren niet opvallend groot33a.Bladeren aan de voet met 1 paar of 2 paar nerven, die in een boog evenwijdig met de bladrand naar den top loopen. Heesters of boomen vaak met korte haakvormige of opgerolde ranken Bloemkroon 4–5-tallig; vrucht een besStrychnos.3b.Bloemen 4–5-tallig met korte kelk en lange, trechtervormige bloemkroonbuis met korte lobben. Bladeren vinnervig. Heesters. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht, aan den top ingesnedenMostuea.246.Gentianaceae.Bloemen meest 4–5-tallig, zelden 6–12-tallig, sympetaal, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon in de knop meest gedraaid; zelden de slippen met de randen tegen elkaar liggend; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden eenige ontbrekend, met de bloemkroon vergroeid, vruchtbeginsel meest 1-hokkig, zelden 2-hokkig, met twee zaadlijsten met vele zaadknoppen; stijl enkelvoudig of tweespletig; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden, zelden heesters, meest kaal; bladeren meest tegenoverstaand, gaafrandig zonder steunbladeren.1a.Waterplanten. Bladeren aan den voet ingesneden, overigens bijna cirkelrond, op het water drijvend. Bloemen in groepen schijnbaar uit de bladsteel te voorschijn komend. Kelk met 5 smalle lobben. Bloemkroon met zeer korte buisLimnanthemum.1b.Landplanten22a.Planten geheel kruidachtig en sappig, met kleine bladeren; zoowel bladeren als stengels zonder bladgroen32b.Planten vaak een weinig verhout, met groene bladeren en groene stengel (ten minste het jongste deel van den stengel)53a.Stengels kort, veelbloemig; wortelstok dik en knolvormig. Bloemen groot met lange buisVoyria.3b.Stengels verlengd, vertakt of onvertakt, soms met slechts 1 bloem, soms met de bloemen in trossen of hoofdjes aan het eind. Wortelstok dun44a.Bloemen zeer klein, buis van de bloemkroon niet veel langer dan de kelk.Bloeiwijze zeer dicht gedrongen, veelbloemig aan het eind van den stengelVoyriella.4b.Bloeiwijze losser of bloemen alleenstaand aan het eind van den stengel. Bloemkroonbuis veel langer dan de kelkLeiphaemos.5a.Stempel bolvormig, niet gespleten. Kelk met 4–5 spitse tanden. Kroonbuis naar boven weinig verwijd met korte lobben. Helmknoppen eirond of langwerpig. Kruiden met zeer kleine tegenoverstaande bladeren, en een rechtopstaande bloeiwijze, die naar boven zich regelmatig in de bloeiwijze vertaktCurtia.5b. Stempel 2-lobbig tot 2-spletig66a.Stempel met 2 draadvormige takken, die zich later ombuigen en eenigszins oprollen. Kelk buisvormig met 4 tanden. Kroon na de bloei blijvend, 4-tallig; meeldraden 4. Kleine kruiden met weinige bladparen zonder bloemen; naar den top van den stengel worden de bladeren geleidelijk kleiner en hebben daar ieder een bijna zittende bloem in de bladokselNeurotheca.6b.Stempellobben niet draadvormig doch plat en min of meer eirond77a.Bloeiende stengel onvertakt; naar boven de bloemen dragend, in de oksels van kleine schutbladeren of de schutbladeren geheel verdwenen en de bloemen in een lange aarvormige tros; in het eerste geval de bloemen talrijk aan elke stengel. Kelk aan de basis met 3 kleine spitse blaadjes. Helmknoppen pijlvormig aan den voetCoutoubea.7b.Bloeistengel weinigbloemig en onvertakt of veelbloemig en vertakt88a.Bladeren forsch en breed. Kelk 5–6-lobbig. Bloemkroon groot, naar boven geleidelijk wijder wordend en in de slippen overgaand. Meeldraden in het onderste deel van de buis ingehecht; helmdraden niet alle even lang. Stijl draadvormig. Doosvrucht hangend. Bloeistengel naar boven vertakt, vaak eerst in twee takken verdeeld, later nog meer gespletenChelonanthus.8b.Bladeren klein en smal99a.Kelkslippen 5, stomp, niet gekield.Kroon trechtervormig met 5 spitse slippen. Meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Kleine kruiden met weinige bloemenIrlbachia.9b.Bloemen meest 4-, soms ook 5-tallig. Kelkslippen spits; kelkbuis met vleugels of kielen. Kroon trechtervormig, de buis boven het vruchtbeginsel versmald, hoogerop weer verwijd. Helmknoppen stomp, helmdraden meest aan de basis verbreed en getand. Weinige bloemen aan den stengelSchultesia.247.Apocynaceae.Bloemen 5-, zelden 4-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar; meeldraden in de kroonbuis ingehecht, met lange en smalle of pijlvormige helmknoppen met omgebogen of spits helmbindsel; vruchtbeginsels zelden meer dan 2, meest met vele zaadknoppen, van onderen vrij of tot een 2- of 1-hokkig vruchtbeginsel vergroeid; endan met 1 stijl, in het eerste geval de stijlen van boven vergroeid met een dikke stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met enkelvoudige, meest tegenoverstaande bladeren; melksap aanwezig.1a.Helmknoppen vrij of maar zeer los met de stempel samenhangend, meest geheel met stuifmeel gevuld; zelden (alleen bij Tabernaemontana) hebben de helmhokjes aan den voet een aanhangsel, dat geen stuifmeel bevat. Zaden zonder haarpluis21b.Helmknoppen vast met den stempel en in den regel ook onderling verbonden; helmhokjes aan de basis met een verlenging, die geen stuifmeel bevat, daardoor is de helmknop pijlvormig. Zaden (uitgezonderd Malouetia) met haarpluis102a.Vruchtbeginsels geheel met elkaar vergroeid; daardoor de stijlen tot aan de basis aan elkaar vastzittend32b.Vruchtbeginsels alleen aan den voet verbonden, daardoor de stijlen aan de basis vrij van elkaar, naar boven met elkaar vergroeid63a.Bloemen groot, geel; buis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd en in de slippen overgaand. Kelk vrij groot, diep 5-deelig. Lianen met de bladeren vaak in kransen; vrucht een gestekelde met 2 kleppen openspringende doosvruchtAllamanda.Wilkens-bita.3b.Bloemkroonbuis niet of nauwelijks naar boven verwijd; bloemen klein44a.Bloeiwijze aan het eind van den stengel, zeer lang en meest wat windend, bezet met korte zijtakken, die aan hun eind de bloemen in dichte hoofdjes dragen. Kelk klein. Helmknoppen spits; bloemkroonslippen smal. Vrucht glad, bolvormig, groot met vele zaden, die in een moes zijn ingebedLandolphia.4b.Bloemen in okselstandige of eindstandige bijschermen55a.Buis van de bloemkroon aan de mond onbehaard. Meeldraden onder het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Bes langwerpig. BoomenAmbelania.Bati-bati;Mampa.5b.Buis van de bloemkroon aan den mond behaard. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 1-hokkig. Bes bolvormig of wat langwerpig. BoomenCouma.Pera.6a.Bladeren in kransen van 3 (soms meer dan 3). Bloemkroon met cylindervormige buis, op de aanhechtingsplaats der meeldraden wat verwijdRauwolfia.6b.Bladeren dichtgedrongen aan den stengel, niet tegenoverstaand76c.Bladeren tegenoverstaand87a.Bladeren zeer smal. Bloembuis van onderen nauw cylindervormig, naar boven plotseling klokvormig verwijd, behaard, met 5 schubben, die boven de meeldraden staan. Kleine boomen of heestersThevetia.Jurri-jurri.7b.Bladeren breed, hoofdnerf met regelmatige, evenwijdige zijnerven. Bloemkroonbuis cylindrisch, dun; meeldraden dicht bij de basis ingehecht. Vruchtbeginsels halfonderstandig. Boomen met dikke takkenPlumiera.8a.Bloemen zeer klein, meest nog kleiner dan ½ c.M., met cylindervormige bloemkroonbuis en zeer scheeve slippen. Heesters of lianen met veelbloemige, sterk vertakte bloeiwijzenCondylocarpus.8b.Bloemen grooter dan 1 c.M.99a.Kleine rechtopstaande kruiden of nauwelijks verhoute planten met kort gesteelde naar den voet versmalde bladeren die in hun oksels alleenstaande bloemen dragen. Bloemkroonbuis nauw, helmknoppen langwerpig boven in de buis ingehecht. Bloemen purperLochnera.9b.Boomen of heesters, met meest weinigbloemige en kleine bloeiwijzen. Kelk met klieren; meeldraden onder, in het midden of boven in de buis bevestigd; helmknoppen bijna steeds aan den voet pijlvormig, doch niet met den stempel verbonden. Deelvruchten aan één zijde openspringend, glad of met knobbelsTabernaemontana.10a.Helmknoppen in een kegel verbonden; kegel in de bloemkroonbuis ingesloten1110b.Kegel der helmknoppen buiten de bloemkroonbuis uitstekend1711a.Bloemkroonbuis naar boven maar weinig verwijd met schubben aan den mond; helmknoppen zeer spits. Heesters met smalle leerachtige bladeren in kransen van 3Nerium.11b.Bloemkroonbuis zonder schubben1212a.Bloemen hoogstens 1 c.M. groot met een nauwe cylindervormige buis, die alleen op de inhechtingsplaats van de meeldraden wat verwijd is. Kelk met 5 klieren aan de binnenzijde. Meeldraden op de halve hoogte van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel met een schotelvormige schijf om de basis. Onder den stempel geen verdikte ring aanwezig. Bloemen in dichte, sterk vertakte bloeiwijzenSecondatia.12b.Bloemen grooter dan 1 c.M. Bloemkroonbuis in het bovendeel duidelijk wijder dan het onderste deel1313a.Schijf uit 2 schubben bestaand die met de vruchtbeginsels afwisselen. Kelk aan de binnenzijde met schubvormige klieren. Bloemkroonbuis van onderen aan de binnenzijde dicht behaard. Meest kleine heesters, maar weinig klimmendDipladenia.13b.Schijf uit 5 schubben bestaand of ringvormig1414a.Bloeiwijzen zeer sterk vertakt, met vele bloemen. Kelk diep gedeeld, met vaak een weinig ongelijke slippen, die slechts weinig klieren aan de binnenzijde hebben. Bloemkroon met dunne beneden- en verwijde bovenbuis. Schijf schotelvormig of cylindervormig, aan den rand meest gelobdOdontadenia.14b.Bloeiwijzen òf geheel trosvormig, òf slechts enkele malen vertakt en de uiterste takken trosvormig1515a.Bovenste helft van de bloemkroonbuis weinig wijder dan de onderste helft, niet klokvormig, doch buisvormig, meest bij den mond weer wat vernauwd.Kelk met vele klieren of met 5 schubben aan de binnenzijde. Schijf 5-lobbig tot 5-deeligEchites.15b.Bloemkroonbuis naar boven duidelijk klok- of trechtervormig verwijd1616a.Bladeren aan den voet sterk toegespitst, aan den top vaak min of meer afgerond met een puntje. Bloemen in duidelijke trossen dus alleenstaand in den oksel der schutbladeren. Kelk met weinig of zonder klieren aan de binnenzijdeRhabdadenia.16b.Bladeren aan de voet min of meer duidelijk hartvormig ingesneden, nooit naar den voet versmald; aan den top geleidelijk smaller wordend. Bloemen vaak 2 aan twee bij elkaar in den oksel van een schutblad; kelk met vele klieren aan de binnenzijdeMandevilla.17a.Bloemkroon met cylindervormige, bij de meeldraden wat verwijde buis, aan den mond met een ring of met schubben. Kelkslippen breed, van binnen met een schub. Schijf buisvormig, 5-lobbig. Planten kaal of dicht behaardPrestonia.17b.Bloemkroonbuis zonder schubben aan de mond, of met zeer kleine schubben1818a.Bloemen zeer klein met uiterst korte buis. Bloeiwijze sterk vertakt, veelbloemig. LianenForsteronia.18b.Bloemen vrij groot met een goed ontwikkelde buis. Heesters, niet klimmend1919a.Kelk klein, diep 5-deelig met stompe slippen. Schijf ring- of schotelvormig, meest 5-lobbig. Vruchtbeginsel behaard. Bloemen langgesteeld in schermvormige trossen. Zaden zonder haarpluisMalouetia.19b.Kelk met spitse, aan de rugzijde min of meer gekielde slippen. Bloemkroon als de vorige. Schijf bekervormig, 5-lobbig. Zaden geheel door een wollig omhulsel omgeven, overigens zonder haarpluisRobbia.248.Asclepiadaceae.Bloemen 5-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren slechts weinig vergroeid; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar liggend, vaak met aanhangselen, die een bijkroon (corona) vormen; meeldraden vrij of vaker aan de basis vergroeid, vaak met aanhangselen die eveneens een bijkroon vormen; stuifmeel meest tot klompjes vereenigd, deze laatste door hoornachtige lichaampjes (translatoren) met den stempelkop verbonden; vruchtbeginsels 2, gescheiden, alleen boven door den stempel verbonden, met vele zaadknoppen; vrucht een dubbele kokervrucht, zaden met een haarkuif; overblijvende kruiden of heesterachtige planten, vaak windend; bladeren tegenoverstaand of in kransen; zelden verspreid zonder steunbladeren; melksap aanwezig.1a.Planten kruidachtig of slechts weinig heesterachtig, niet klimmend21b.Klimmende heesters of kruiden32a.Bladeren smal, gesteeld. Bloemen oranje. Corona met 5 kapvormige slippen, uit welker midden een rechtopstaand, iets naar binnen gebogen, hoornachtig aanhangsel te voorschijn komtAsclepias.2b.Bladeren breed, zittend of bijna zittend. Bloemen van binnen grijs-paars. Slippen van de corona kapvormig, zijdelings samengedrukt, aan de basis met een spoorCalotropis.3a.Bloemen zeer klein (slechts enkele millimeters) in verlengde en wijde bloeiwijzen, nooit in schermen of schermvormige trossen43b.Bloemen in korte, gedrongen trossen of in schermen, groot54a.Kelkbladeren klein, meest stomp. Bloemkroon klokvormig tot stervormig. Slippen van de corona 5, zeer smal. Corona enkelvoudig. Stempel met vlakke top. Bladeren klein, gemakkelijk afvallendMetastelma.4b.Kelkbladeren spits. Bloemkroon klok- tot stervormig. Corona dubbel, de buitenste 5-lobbig, de binnenste bekervormig. Stempel van boven met een bult of een korte snavelTassadia.5a.Bloemkroon van onderen met een goed ontwikkelde cylindervormige buis, die langer is dan de kelk. Corona uit 5 kleine blaadjes bestaande. Top van den stempel kegelvormigMarsdenia.5b.Buis aan den bloemkroon bijna onzichtbaar66a.Bloemen in veelbloemige schermen76b.Bloemen in meest korte, veel- of weinigbloemige trossen87a.Bloemen groen. Plant behaard. Bloemkroon stervormig met dubbele corona; buitenste corona vleezig, diep 5-deeligFischeria.7b.Bloemen wit of geelwit. Bladeren en stengel kaal. Buitenste corona vliezig, onduidelijk gelobdOxystelma.(Philibertia).8a.Bloemen groen, vrij groot, stervormig, diep 5-deelig, in 3–4-bloemige trossen; slippen van de corona hol, met elkaar verbonden. Bladeren met hartvormige voetGonolobus.8b.Bloemen van buiten wit, van binnen paars met witte strepen. Bloemkroon stervormig. Corona 5-lobbig, met priemvormige aanhangselen. Bladeren dun, aan den top spits, aan de voet min of meer hartvormigRoulinia.8c.Bloemen geheel wit. Bloemkroon stervormig. Corona enkelvoudig met kapvormige slippen, rechtopstaand. Plant kaal, bladeren aan den voet hartvormig of afgerondBlepharodon.
Onderklasse:Sympetalae.Orde:Primulales.235.Theophrastaceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig, 5-tallig; bloemkroon vergroeidbladig; meeldraden 5, tegenover de kroonslippen staand; 5 staminodiën ermee afwisselend; vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met talrijke zaadknoppen; vrucht steenvruchtachtig met 2- tot talrijke zaadknoppen; houtige planten met verspreide bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig, meest 5-tallig, zelden 4-tallig. Kelk vergroeidbladig. Bloembladeren tot ongeveer ⅓ van de hoogte vergroeid.Meeldraden in de mannelijke bloemen, in een buis vergroeid, die met de bloembladeren samenhangt; in de vrouwelijke bloemen zijn er 5 losse staminodiën voor de bloembladeren. Vruchtbeginsel in de mannelijke bloemen aanwezig, doch zeer klein. Kleine boomen met lange bladeren, aan den top van de takken dicht op elkaarzittendClavija.236.Myrsinaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, regelmatig, 5–4-tallig met vergroeidbladige bloemkroon; meeldraden 5–4, zelden met staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met vele zaadknoppen aan de grondstandige zaadlijst; stijl 1; vrucht meest een steenvrucht; met 1 tot weinige zaden; houtige planten met verspreide, vaak ongedeelde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bloeiwijzen zeer kort en gedrongen, weinigbloemig, dikwijls aan takken gezeten, waarvan de bladeren reeds zijn afgevallen. Bloemkroon vergroeidbladig, helmknoppen zittend; stijl ontbrekendRapanea.1b.Bloeiwijzen verlengd, tros- of pluimvormig22a.Bloemen in enkelvoudige okselstandige of uit de onbebladerde tak tevoorschijnkomende trossen; bloemen meest 4-tallig; helmknoppen vrij lang; bloemkroonslippen niet met de randen over elkaar liggendConomorpha.2b.Bloemen in pluimen of samengestelde trossen33a.Bloemen 5-tallig; bloembladeren weinig vergroeid. Helmdraden en helmknoppen lang. Bloemen in pluimenStylogyne.3b.Bloemen 4-tallig44a.Bloemen in onregelmatige vertakte pluimen; helmdraden veel korter dan de vrij lange helmknopArdisia.4b.Bloemen in vertakte trossen. Helmdraden langer dan de korte, eironde helmknopWeigeltia.Orde:Plumbaginales.238.Plumbaginaceae.Bloemen met 5 meeldraden, die tegenover de kroonslippen staan; tweeslachtig, regelmatig; bloemkroon losbladig of vergroeidbladig; vruchtbeginsel met 5 stijlen, bovenstandig, met 1 zaadknop; heesters, of kruiden met enkelvoudige gaafrandige bladeren.Kelk buisvormig, 5-tandig met klierharen; kroon met lange buis, lobben uitgespreid. Meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand. Vruchtbeginsel met 1 stijl, van boven 5-spletig. Vrucht met 1 zaad. Bladeren verspreid. Vaak klimplantenPlumbago.Orde:Ebenales.239.Sapotaceae.Bloemen meest tweeslachtig; kelk 4–8-, zelden meerbladig, in twee kransen; bloemkroonslippen evenveel als kelkbladeren in één krans of dubbel zooveel in twee kransen, soms met aanhangselen aan de rugzijde; meeldraden in 2 of 3 kransen, soms alle vruchtbaar, of sommige kransen tot staminodiën ontwikkeld of geheel ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig meest met evenveel of dubbel zooveel hokjes als bloemkroonslippen, met 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes; houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren.1a.Bloemen met evenveel meeldraden als bloemkroonslippen, zonder staminodiën, meest 5-tallig, soms ook 6–7-tallig. Stijl kort met knopvormige stempel. Bladeren vaak zijdeachtig behaard. Bloeiwijzen kleinChrysophyllum.1b.Bloemen met meeldraden en staminodiën22a.Bloemen met 4 kelkbladeren, 4 bloemkroonslippen, 4 meeldraden en 4 kleine staminodiën. Vruchtbeginsel behaard met een lange stijl. Boomen; bloemen meest groepsgewijs staandPouteria.Jan Snijder.2b.Kelk- en bloembladslippen meer dan 433a.Kroonslippen 6–8, ieder aan de rugzijde nog ongeveer even groote slippen dragend, zoodat het aantal kroonslippen zeer groot schijnt te zijn. Kelkbladeren 6 of 8; meeldraden en staminodiën 6 of 8. Vruchtbeginsel met lange stijlMimusops.Bolletrie.3b.Bloemkroon met 5 of 6 slippen, zonder slippen aan de rugzijde44a.Kelkbladeren 6, in twee rijen. Bloemkroon bekervormig met 6 lobben. Meeldraden 6,staminodiën6, even groot als de kroonslippen. Vruchtbeginsel ongeveer 12-hokkigAchras.Sapotille.4b.Kelkbladeren 5–6 in een rij, kroon 5–6-spletig. Meeldraden 5–6; staminodiën 5–6, klein. Vruchtbeginsel 5–2-hokkigSideroxylon.Riemhout.240.Ebenaceae.Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig; kelk blijvend, na de bloei vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig meest met gedraaide knopligging; meeldraden in de tweeslachtige of mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel of meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen meest staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–16-hokkig met 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij of vergroeid; vrucht meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4–5-lobbig; bloemkroon klok- of buisvormig, 4–5-lobbig. Meeldraden in de ♂ bloemen zeer talrijk (8–22) meest behaard met lange helmknoppen. In de ♀ bloem meest 4–8 staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel gewoonlijk 8-, maar ook 4–16-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Bloemen kort gesteeld in kleine groepen in de bladoksels of uit het oude hout tevoorschijn komendDiospyros.241.Styracaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, regelmatig met vergroeidbladige kelk en bloemkroon; meeldraden tweemaal zooveel als bloemkroonslippen, alleen aan de basis, zelden geheel vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, zelden halfonderstandig met één stijl, 3- tot 5-hokkig; vrucht een steenvrucht of een doosvrucht of gesloten blijvend met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide gaafrandige of gezaagde bladeren.Kelk klokvormig, met 5 korte, soms onduidelijke tanden. Bloembladeren 5, alleen aan de basis vergroeid, leerachtig, langwerpig. Meeldraden 10, alleen van onderen wat vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig, van boven 1-hokkig met 3-lobbigen stempel en langen stijl. Boomen of heestersStyrax.242.Symplocaceae.Bloemen meest 5-tallig, regelmatig, tweeslachtig met 5 kelkbladeren en bijna steeds 5 bloembladeren, die soms alleen aan de basis, meestal echter in een buis vergroeid zijn; soms zijn er 10 bloemkroonslippen; meeldraden talrijk in meerdere kransen, vaak met verbreede helmdraden, eenigszins met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig of halfbovenstandig met één stijl, 2–5-hokkig met 2–4 zaadknoppen per hokje; vrucht een steenvrucht. Eenig geslachtSymplocos.Orde:Contortae.243.Oleaceae.Bloemen 2–6-tallig, meest vergroeidbladig, zelden losbladig of zonder bloemkroon, regelmatig, twee- of éénslachtig; bloembladeren 4, 5 of 6; meeldraden 2, zelden 4, aan de basis met de bloemkroon vergroeid met korte helmdraden en grootehelmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2, zelden 1 of meer zaadknoppen in ieder hokje; houtige planten, soms klimmend met tegenoverstaande of kransstandige meest enkelvoudige bladeren.Heesters met tegenoverstaande bladeren. Bloemen 4–6-, zelden meer-tallig. Zaadknoppen in ieder hokje 1–4, meest 2. Vrucht een bes, die aan den top ingesneden isJasminum.245.Loganiaceae.Bloemen meest 4- of 5-tallig, met vergroeidbladige bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig; bloemkroonslippen 4–5 tot vele, in de knop met de randen tegen elkaar of over elkaar liggend of gedraaid; bloemkroon meest trechtervormig tot bekervormig; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden maar één, met de buis vergroeid; vruchtbeginsel 2-hokkig, zelden 3–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen; stijl 1, twee- tot vierspletig of stijlen 2; 2-kleppige doosvrucht of bes; meest houtige planten, zelden kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Bovenste bladeren van den stengel in een krans van 4, hieruit komen de lange trosvormige bloeiwijzen te voorschijn. Bloemen 5-tallig, bloemkroon buisvormig; meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Vrucht een doosvrucht. Kleine kruidenSpigelia.1b.Bladen paarsgewijs tegenoverstaand22a.Bladeren zeer groot, (meerdere decimeters lang). Kelk 4-tallig. Bloemkroon met 8–10 lobben; meeldraden 8–10 zonder helmdraden. Vruchtbeginsel 4- of 2-hokkig, stijl direct boven het vruchtbeginsel sterk verdikt, verder dun. Kleine boompjesPotalia.2b.Bladeren niet opvallend groot33a.Bladeren aan de voet met 1 paar of 2 paar nerven, die in een boog evenwijdig met de bladrand naar den top loopen. Heesters of boomen vaak met korte haakvormige of opgerolde ranken Bloemkroon 4–5-tallig; vrucht een besStrychnos.3b.Bloemen 4–5-tallig met korte kelk en lange, trechtervormige bloemkroonbuis met korte lobben. Bladeren vinnervig. Heesters. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht, aan den top ingesnedenMostuea.246.Gentianaceae.Bloemen meest 4–5-tallig, zelden 6–12-tallig, sympetaal, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon in de knop meest gedraaid; zelden de slippen met de randen tegen elkaar liggend; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden eenige ontbrekend, met de bloemkroon vergroeid, vruchtbeginsel meest 1-hokkig, zelden 2-hokkig, met twee zaadlijsten met vele zaadknoppen; stijl enkelvoudig of tweespletig; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden, zelden heesters, meest kaal; bladeren meest tegenoverstaand, gaafrandig zonder steunbladeren.1a.Waterplanten. Bladeren aan den voet ingesneden, overigens bijna cirkelrond, op het water drijvend. Bloemen in groepen schijnbaar uit de bladsteel te voorschijn komend. Kelk met 5 smalle lobben. Bloemkroon met zeer korte buisLimnanthemum.1b.Landplanten22a.Planten geheel kruidachtig en sappig, met kleine bladeren; zoowel bladeren als stengels zonder bladgroen32b.Planten vaak een weinig verhout, met groene bladeren en groene stengel (ten minste het jongste deel van den stengel)53a.Stengels kort, veelbloemig; wortelstok dik en knolvormig. Bloemen groot met lange buisVoyria.3b.Stengels verlengd, vertakt of onvertakt, soms met slechts 1 bloem, soms met de bloemen in trossen of hoofdjes aan het eind. Wortelstok dun44a.Bloemen zeer klein, buis van de bloemkroon niet veel langer dan de kelk.Bloeiwijze zeer dicht gedrongen, veelbloemig aan het eind van den stengelVoyriella.4b.Bloeiwijze losser of bloemen alleenstaand aan het eind van den stengel. Bloemkroonbuis veel langer dan de kelkLeiphaemos.5a.Stempel bolvormig, niet gespleten. Kelk met 4–5 spitse tanden. Kroonbuis naar boven weinig verwijd met korte lobben. Helmknoppen eirond of langwerpig. Kruiden met zeer kleine tegenoverstaande bladeren, en een rechtopstaande bloeiwijze, die naar boven zich regelmatig in de bloeiwijze vertaktCurtia.5b. Stempel 2-lobbig tot 2-spletig66a.Stempel met 2 draadvormige takken, die zich later ombuigen en eenigszins oprollen. Kelk buisvormig met 4 tanden. Kroon na de bloei blijvend, 4-tallig; meeldraden 4. Kleine kruiden met weinige bladparen zonder bloemen; naar den top van den stengel worden de bladeren geleidelijk kleiner en hebben daar ieder een bijna zittende bloem in de bladokselNeurotheca.6b.Stempellobben niet draadvormig doch plat en min of meer eirond77a.Bloeiende stengel onvertakt; naar boven de bloemen dragend, in de oksels van kleine schutbladeren of de schutbladeren geheel verdwenen en de bloemen in een lange aarvormige tros; in het eerste geval de bloemen talrijk aan elke stengel. Kelk aan de basis met 3 kleine spitse blaadjes. Helmknoppen pijlvormig aan den voetCoutoubea.7b.Bloeistengel weinigbloemig en onvertakt of veelbloemig en vertakt88a.Bladeren forsch en breed. Kelk 5–6-lobbig. Bloemkroon groot, naar boven geleidelijk wijder wordend en in de slippen overgaand. Meeldraden in het onderste deel van de buis ingehecht; helmdraden niet alle even lang. Stijl draadvormig. Doosvrucht hangend. Bloeistengel naar boven vertakt, vaak eerst in twee takken verdeeld, later nog meer gespletenChelonanthus.8b.Bladeren klein en smal99a.Kelkslippen 5, stomp, niet gekield.Kroon trechtervormig met 5 spitse slippen. Meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Kleine kruiden met weinige bloemenIrlbachia.9b.Bloemen meest 4-, soms ook 5-tallig. Kelkslippen spits; kelkbuis met vleugels of kielen. Kroon trechtervormig, de buis boven het vruchtbeginsel versmald, hoogerop weer verwijd. Helmknoppen stomp, helmdraden meest aan de basis verbreed en getand. Weinige bloemen aan den stengelSchultesia.247.Apocynaceae.Bloemen 5-, zelden 4-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar; meeldraden in de kroonbuis ingehecht, met lange en smalle of pijlvormige helmknoppen met omgebogen of spits helmbindsel; vruchtbeginsels zelden meer dan 2, meest met vele zaadknoppen, van onderen vrij of tot een 2- of 1-hokkig vruchtbeginsel vergroeid; endan met 1 stijl, in het eerste geval de stijlen van boven vergroeid met een dikke stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met enkelvoudige, meest tegenoverstaande bladeren; melksap aanwezig.1a.Helmknoppen vrij of maar zeer los met de stempel samenhangend, meest geheel met stuifmeel gevuld; zelden (alleen bij Tabernaemontana) hebben de helmhokjes aan den voet een aanhangsel, dat geen stuifmeel bevat. Zaden zonder haarpluis21b.Helmknoppen vast met den stempel en in den regel ook onderling verbonden; helmhokjes aan de basis met een verlenging, die geen stuifmeel bevat, daardoor is de helmknop pijlvormig. Zaden (uitgezonderd Malouetia) met haarpluis102a.Vruchtbeginsels geheel met elkaar vergroeid; daardoor de stijlen tot aan de basis aan elkaar vastzittend32b.Vruchtbeginsels alleen aan den voet verbonden, daardoor de stijlen aan de basis vrij van elkaar, naar boven met elkaar vergroeid63a.Bloemen groot, geel; buis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd en in de slippen overgaand. Kelk vrij groot, diep 5-deelig. Lianen met de bladeren vaak in kransen; vrucht een gestekelde met 2 kleppen openspringende doosvruchtAllamanda.Wilkens-bita.3b.Bloemkroonbuis niet of nauwelijks naar boven verwijd; bloemen klein44a.Bloeiwijze aan het eind van den stengel, zeer lang en meest wat windend, bezet met korte zijtakken, die aan hun eind de bloemen in dichte hoofdjes dragen. Kelk klein. Helmknoppen spits; bloemkroonslippen smal. Vrucht glad, bolvormig, groot met vele zaden, die in een moes zijn ingebedLandolphia.4b.Bloemen in okselstandige of eindstandige bijschermen55a.Buis van de bloemkroon aan de mond onbehaard. Meeldraden onder het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Bes langwerpig. BoomenAmbelania.Bati-bati;Mampa.5b.Buis van de bloemkroon aan den mond behaard. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 1-hokkig. Bes bolvormig of wat langwerpig. BoomenCouma.Pera.6a.Bladeren in kransen van 3 (soms meer dan 3). Bloemkroon met cylindervormige buis, op de aanhechtingsplaats der meeldraden wat verwijdRauwolfia.6b.Bladeren dichtgedrongen aan den stengel, niet tegenoverstaand76c.Bladeren tegenoverstaand87a.Bladeren zeer smal. Bloembuis van onderen nauw cylindervormig, naar boven plotseling klokvormig verwijd, behaard, met 5 schubben, die boven de meeldraden staan. Kleine boomen of heestersThevetia.Jurri-jurri.7b.Bladeren breed, hoofdnerf met regelmatige, evenwijdige zijnerven. Bloemkroonbuis cylindrisch, dun; meeldraden dicht bij de basis ingehecht. Vruchtbeginsels halfonderstandig. Boomen met dikke takkenPlumiera.8a.Bloemen zeer klein, meest nog kleiner dan ½ c.M., met cylindervormige bloemkroonbuis en zeer scheeve slippen. Heesters of lianen met veelbloemige, sterk vertakte bloeiwijzenCondylocarpus.8b.Bloemen grooter dan 1 c.M.99a.Kleine rechtopstaande kruiden of nauwelijks verhoute planten met kort gesteelde naar den voet versmalde bladeren die in hun oksels alleenstaande bloemen dragen. Bloemkroonbuis nauw, helmknoppen langwerpig boven in de buis ingehecht. Bloemen purperLochnera.9b.Boomen of heesters, met meest weinigbloemige en kleine bloeiwijzen. Kelk met klieren; meeldraden onder, in het midden of boven in de buis bevestigd; helmknoppen bijna steeds aan den voet pijlvormig, doch niet met den stempel verbonden. Deelvruchten aan één zijde openspringend, glad of met knobbelsTabernaemontana.10a.Helmknoppen in een kegel verbonden; kegel in de bloemkroonbuis ingesloten1110b.Kegel der helmknoppen buiten de bloemkroonbuis uitstekend1711a.Bloemkroonbuis naar boven maar weinig verwijd met schubben aan den mond; helmknoppen zeer spits. Heesters met smalle leerachtige bladeren in kransen van 3Nerium.11b.Bloemkroonbuis zonder schubben1212a.Bloemen hoogstens 1 c.M. groot met een nauwe cylindervormige buis, die alleen op de inhechtingsplaats van de meeldraden wat verwijd is. Kelk met 5 klieren aan de binnenzijde. Meeldraden op de halve hoogte van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel met een schotelvormige schijf om de basis. Onder den stempel geen verdikte ring aanwezig. Bloemen in dichte, sterk vertakte bloeiwijzenSecondatia.12b.Bloemen grooter dan 1 c.M. Bloemkroonbuis in het bovendeel duidelijk wijder dan het onderste deel1313a.Schijf uit 2 schubben bestaand die met de vruchtbeginsels afwisselen. Kelk aan de binnenzijde met schubvormige klieren. Bloemkroonbuis van onderen aan de binnenzijde dicht behaard. Meest kleine heesters, maar weinig klimmendDipladenia.13b.Schijf uit 5 schubben bestaand of ringvormig1414a.Bloeiwijzen zeer sterk vertakt, met vele bloemen. Kelk diep gedeeld, met vaak een weinig ongelijke slippen, die slechts weinig klieren aan de binnenzijde hebben. Bloemkroon met dunne beneden- en verwijde bovenbuis. Schijf schotelvormig of cylindervormig, aan den rand meest gelobdOdontadenia.14b.Bloeiwijzen òf geheel trosvormig, òf slechts enkele malen vertakt en de uiterste takken trosvormig1515a.Bovenste helft van de bloemkroonbuis weinig wijder dan de onderste helft, niet klokvormig, doch buisvormig, meest bij den mond weer wat vernauwd.Kelk met vele klieren of met 5 schubben aan de binnenzijde. Schijf 5-lobbig tot 5-deeligEchites.15b.Bloemkroonbuis naar boven duidelijk klok- of trechtervormig verwijd1616a.Bladeren aan den voet sterk toegespitst, aan den top vaak min of meer afgerond met een puntje. Bloemen in duidelijke trossen dus alleenstaand in den oksel der schutbladeren. Kelk met weinig of zonder klieren aan de binnenzijdeRhabdadenia.16b.Bladeren aan de voet min of meer duidelijk hartvormig ingesneden, nooit naar den voet versmald; aan den top geleidelijk smaller wordend. Bloemen vaak 2 aan twee bij elkaar in den oksel van een schutblad; kelk met vele klieren aan de binnenzijdeMandevilla.17a.Bloemkroon met cylindervormige, bij de meeldraden wat verwijde buis, aan den mond met een ring of met schubben. Kelkslippen breed, van binnen met een schub. Schijf buisvormig, 5-lobbig. Planten kaal of dicht behaardPrestonia.17b.Bloemkroonbuis zonder schubben aan de mond, of met zeer kleine schubben1818a.Bloemen zeer klein met uiterst korte buis. Bloeiwijze sterk vertakt, veelbloemig. LianenForsteronia.18b.Bloemen vrij groot met een goed ontwikkelde buis. Heesters, niet klimmend1919a.Kelk klein, diep 5-deelig met stompe slippen. Schijf ring- of schotelvormig, meest 5-lobbig. Vruchtbeginsel behaard. Bloemen langgesteeld in schermvormige trossen. Zaden zonder haarpluisMalouetia.19b.Kelk met spitse, aan de rugzijde min of meer gekielde slippen. Bloemkroon als de vorige. Schijf bekervormig, 5-lobbig. Zaden geheel door een wollig omhulsel omgeven, overigens zonder haarpluisRobbia.248.Asclepiadaceae.Bloemen 5-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren slechts weinig vergroeid; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar liggend, vaak met aanhangselen, die een bijkroon (corona) vormen; meeldraden vrij of vaker aan de basis vergroeid, vaak met aanhangselen die eveneens een bijkroon vormen; stuifmeel meest tot klompjes vereenigd, deze laatste door hoornachtige lichaampjes (translatoren) met den stempelkop verbonden; vruchtbeginsels 2, gescheiden, alleen boven door den stempel verbonden, met vele zaadknoppen; vrucht een dubbele kokervrucht, zaden met een haarkuif; overblijvende kruiden of heesterachtige planten, vaak windend; bladeren tegenoverstaand of in kransen; zelden verspreid zonder steunbladeren; melksap aanwezig.1a.Planten kruidachtig of slechts weinig heesterachtig, niet klimmend21b.Klimmende heesters of kruiden32a.Bladeren smal, gesteeld. Bloemen oranje. Corona met 5 kapvormige slippen, uit welker midden een rechtopstaand, iets naar binnen gebogen, hoornachtig aanhangsel te voorschijn komtAsclepias.2b.Bladeren breed, zittend of bijna zittend. Bloemen van binnen grijs-paars. Slippen van de corona kapvormig, zijdelings samengedrukt, aan de basis met een spoorCalotropis.3a.Bloemen zeer klein (slechts enkele millimeters) in verlengde en wijde bloeiwijzen, nooit in schermen of schermvormige trossen43b.Bloemen in korte, gedrongen trossen of in schermen, groot54a.Kelkbladeren klein, meest stomp. Bloemkroon klokvormig tot stervormig. Slippen van de corona 5, zeer smal. Corona enkelvoudig. Stempel met vlakke top. Bladeren klein, gemakkelijk afvallendMetastelma.4b.Kelkbladeren spits. Bloemkroon klok- tot stervormig. Corona dubbel, de buitenste 5-lobbig, de binnenste bekervormig. Stempel van boven met een bult of een korte snavelTassadia.5a.Bloemkroon van onderen met een goed ontwikkelde cylindervormige buis, die langer is dan de kelk. Corona uit 5 kleine blaadjes bestaande. Top van den stempel kegelvormigMarsdenia.5b.Buis aan den bloemkroon bijna onzichtbaar66a.Bloemen in veelbloemige schermen76b.Bloemen in meest korte, veel- of weinigbloemige trossen87a.Bloemen groen. Plant behaard. Bloemkroon stervormig met dubbele corona; buitenste corona vleezig, diep 5-deeligFischeria.7b.Bloemen wit of geelwit. Bladeren en stengel kaal. Buitenste corona vliezig, onduidelijk gelobdOxystelma.(Philibertia).8a.Bloemen groen, vrij groot, stervormig, diep 5-deelig, in 3–4-bloemige trossen; slippen van de corona hol, met elkaar verbonden. Bladeren met hartvormige voetGonolobus.8b.Bloemen van buiten wit, van binnen paars met witte strepen. Bloemkroon stervormig. Corona 5-lobbig, met priemvormige aanhangselen. Bladeren dun, aan den top spits, aan de voet min of meer hartvormigRoulinia.8c.Bloemen geheel wit. Bloemkroon stervormig. Corona enkelvoudig met kapvormige slippen, rechtopstaand. Plant kaal, bladeren aan den voet hartvormig of afgerondBlepharodon.
Orde:Primulales.235.Theophrastaceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig, 5-tallig; bloemkroon vergroeidbladig; meeldraden 5, tegenover de kroonslippen staand; 5 staminodiën ermee afwisselend; vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met talrijke zaadknoppen; vrucht steenvruchtachtig met 2- tot talrijke zaadknoppen; houtige planten met verspreide bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig, meest 5-tallig, zelden 4-tallig. Kelk vergroeidbladig. Bloembladeren tot ongeveer ⅓ van de hoogte vergroeid.Meeldraden in de mannelijke bloemen, in een buis vergroeid, die met de bloembladeren samenhangt; in de vrouwelijke bloemen zijn er 5 losse staminodiën voor de bloembladeren. Vruchtbeginsel in de mannelijke bloemen aanwezig, doch zeer klein. Kleine boomen met lange bladeren, aan den top van de takken dicht op elkaarzittendClavija.236.Myrsinaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, regelmatig, 5–4-tallig met vergroeidbladige bloemkroon; meeldraden 5–4, zelden met staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met vele zaadknoppen aan de grondstandige zaadlijst; stijl 1; vrucht meest een steenvrucht; met 1 tot weinige zaden; houtige planten met verspreide, vaak ongedeelde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bloeiwijzen zeer kort en gedrongen, weinigbloemig, dikwijls aan takken gezeten, waarvan de bladeren reeds zijn afgevallen. Bloemkroon vergroeidbladig, helmknoppen zittend; stijl ontbrekendRapanea.1b.Bloeiwijzen verlengd, tros- of pluimvormig22a.Bloemen in enkelvoudige okselstandige of uit de onbebladerde tak tevoorschijnkomende trossen; bloemen meest 4-tallig; helmknoppen vrij lang; bloemkroonslippen niet met de randen over elkaar liggendConomorpha.2b.Bloemen in pluimen of samengestelde trossen33a.Bloemen 5-tallig; bloembladeren weinig vergroeid. Helmdraden en helmknoppen lang. Bloemen in pluimenStylogyne.3b.Bloemen 4-tallig44a.Bloemen in onregelmatige vertakte pluimen; helmdraden veel korter dan de vrij lange helmknopArdisia.4b.Bloemen in vertakte trossen. Helmdraden langer dan de korte, eironde helmknopWeigeltia.
Orde:Primulales.235.Theophrastaceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig, 5-tallig; bloemkroon vergroeidbladig; meeldraden 5, tegenover de kroonslippen staand; 5 staminodiën ermee afwisselend; vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met talrijke zaadknoppen; vrucht steenvruchtachtig met 2- tot talrijke zaadknoppen; houtige planten met verspreide bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig, meest 5-tallig, zelden 4-tallig. Kelk vergroeidbladig. Bloembladeren tot ongeveer ⅓ van de hoogte vergroeid.Meeldraden in de mannelijke bloemen, in een buis vergroeid, die met de bloembladeren samenhangt; in de vrouwelijke bloemen zijn er 5 losse staminodiën voor de bloembladeren. Vruchtbeginsel in de mannelijke bloemen aanwezig, doch zeer klein. Kleine boomen met lange bladeren, aan den top van de takken dicht op elkaarzittendClavija.236.Myrsinaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, regelmatig, 5–4-tallig met vergroeidbladige bloemkroon; meeldraden 5–4, zelden met staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met vele zaadknoppen aan de grondstandige zaadlijst; stijl 1; vrucht meest een steenvrucht; met 1 tot weinige zaden; houtige planten met verspreide, vaak ongedeelde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bloeiwijzen zeer kort en gedrongen, weinigbloemig, dikwijls aan takken gezeten, waarvan de bladeren reeds zijn afgevallen. Bloemkroon vergroeidbladig, helmknoppen zittend; stijl ontbrekendRapanea.1b.Bloeiwijzen verlengd, tros- of pluimvormig22a.Bloemen in enkelvoudige okselstandige of uit de onbebladerde tak tevoorschijnkomende trossen; bloemen meest 4-tallig; helmknoppen vrij lang; bloemkroonslippen niet met de randen over elkaar liggendConomorpha.2b.Bloemen in pluimen of samengestelde trossen33a.Bloemen 5-tallig; bloembladeren weinig vergroeid. Helmdraden en helmknoppen lang. Bloemen in pluimenStylogyne.3b.Bloemen 4-tallig44a.Bloemen in onregelmatige vertakte pluimen; helmdraden veel korter dan de vrij lange helmknopArdisia.4b.Bloemen in vertakte trossen. Helmdraden langer dan de korte, eironde helmknopWeigeltia.
235.Theophrastaceae.Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig, 5-tallig; bloemkroon vergroeidbladig; meeldraden 5, tegenover de kroonslippen staand; 5 staminodiën ermee afwisselend; vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met talrijke zaadknoppen; vrucht steenvruchtachtig met 2- tot talrijke zaadknoppen; houtige planten met verspreide bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig, meest 5-tallig, zelden 4-tallig. Kelk vergroeidbladig. Bloembladeren tot ongeveer ⅓ van de hoogte vergroeid.Meeldraden in de mannelijke bloemen, in een buis vergroeid, die met de bloembladeren samenhangt; in de vrouwelijke bloemen zijn er 5 losse staminodiën voor de bloembladeren. Vruchtbeginsel in de mannelijke bloemen aanwezig, doch zeer klein. Kleine boomen met lange bladeren, aan den top van de takken dicht op elkaarzittendClavija.
235.Theophrastaceae.
Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig, 5-tallig; bloemkroon vergroeidbladig; meeldraden 5, tegenover de kroonslippen staand; 5 staminodiën ermee afwisselend; vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met talrijke zaadknoppen; vrucht steenvruchtachtig met 2- tot talrijke zaadknoppen; houtige planten met verspreide bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig, meest 5-tallig, zelden 4-tallig. Kelk vergroeidbladig. Bloembladeren tot ongeveer ⅓ van de hoogte vergroeid.Meeldraden in de mannelijke bloemen, in een buis vergroeid, die met de bloembladeren samenhangt; in de vrouwelijke bloemen zijn er 5 losse staminodiën voor de bloembladeren. Vruchtbeginsel in de mannelijke bloemen aanwezig, doch zeer klein. Kleine boomen met lange bladeren, aan den top van de takken dicht op elkaarzittendClavija.
Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig, 5-tallig; bloemkroon vergroeidbladig; meeldraden 5, tegenover de kroonslippen staand; 5 staminodiën ermee afwisselend; vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met talrijke zaadknoppen; vrucht steenvruchtachtig met 2- tot talrijke zaadknoppen; houtige planten met verspreide bladeren zonder steunbladeren.
Bloemen eenslachtig, tweehuizig, meest 5-tallig, zelden 4-tallig. Kelk vergroeidbladig. Bloembladeren tot ongeveer ⅓ van de hoogte vergroeid.Meeldraden in de mannelijke bloemen, in een buis vergroeid, die met de bloembladeren samenhangt; in de vrouwelijke bloemen zijn er 5 losse staminodiën voor de bloembladeren. Vruchtbeginsel in de mannelijke bloemen aanwezig, doch zeer klein. Kleine boomen met lange bladeren, aan den top van de takken dicht op elkaarzittendClavija.
236.Myrsinaceae.Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, regelmatig, 5–4-tallig met vergroeidbladige bloemkroon; meeldraden 5–4, zelden met staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met vele zaadknoppen aan de grondstandige zaadlijst; stijl 1; vrucht meest een steenvrucht; met 1 tot weinige zaden; houtige planten met verspreide, vaak ongedeelde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bloeiwijzen zeer kort en gedrongen, weinigbloemig, dikwijls aan takken gezeten, waarvan de bladeren reeds zijn afgevallen. Bloemkroon vergroeidbladig, helmknoppen zittend; stijl ontbrekendRapanea.1b.Bloeiwijzen verlengd, tros- of pluimvormig22a.Bloemen in enkelvoudige okselstandige of uit de onbebladerde tak tevoorschijnkomende trossen; bloemen meest 4-tallig; helmknoppen vrij lang; bloemkroonslippen niet met de randen over elkaar liggendConomorpha.2b.Bloemen in pluimen of samengestelde trossen33a.Bloemen 5-tallig; bloembladeren weinig vergroeid. Helmdraden en helmknoppen lang. Bloemen in pluimenStylogyne.3b.Bloemen 4-tallig44a.Bloemen in onregelmatige vertakte pluimen; helmdraden veel korter dan de vrij lange helmknopArdisia.4b.Bloemen in vertakte trossen. Helmdraden langer dan de korte, eironde helmknopWeigeltia.
236.Myrsinaceae.
Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, regelmatig, 5–4-tallig met vergroeidbladige bloemkroon; meeldraden 5–4, zelden met staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met vele zaadknoppen aan de grondstandige zaadlijst; stijl 1; vrucht meest een steenvrucht; met 1 tot weinige zaden; houtige planten met verspreide, vaak ongedeelde bladeren zonder steunbladeren.1a.Bloeiwijzen zeer kort en gedrongen, weinigbloemig, dikwijls aan takken gezeten, waarvan de bladeren reeds zijn afgevallen. Bloemkroon vergroeidbladig, helmknoppen zittend; stijl ontbrekendRapanea.1b.Bloeiwijzen verlengd, tros- of pluimvormig22a.Bloemen in enkelvoudige okselstandige of uit de onbebladerde tak tevoorschijnkomende trossen; bloemen meest 4-tallig; helmknoppen vrij lang; bloemkroonslippen niet met de randen over elkaar liggendConomorpha.2b.Bloemen in pluimen of samengestelde trossen33a.Bloemen 5-tallig; bloembladeren weinig vergroeid. Helmdraden en helmknoppen lang. Bloemen in pluimenStylogyne.3b.Bloemen 4-tallig44a.Bloemen in onregelmatige vertakte pluimen; helmdraden veel korter dan de vrij lange helmknopArdisia.4b.Bloemen in vertakte trossen. Helmdraden langer dan de korte, eironde helmknopWeigeltia.
Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, regelmatig, 5–4-tallig met vergroeidbladige bloemkroon; meeldraden 5–4, zelden met staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met vele zaadknoppen aan de grondstandige zaadlijst; stijl 1; vrucht meest een steenvrucht; met 1 tot weinige zaden; houtige planten met verspreide, vaak ongedeelde bladeren zonder steunbladeren.
1a.Bloeiwijzen zeer kort en gedrongen, weinigbloemig, dikwijls aan takken gezeten, waarvan de bladeren reeds zijn afgevallen. Bloemkroon vergroeidbladig, helmknoppen zittend; stijl ontbrekendRapanea.
1b.Bloeiwijzen verlengd, tros- of pluimvormig2
2a.Bloemen in enkelvoudige okselstandige of uit de onbebladerde tak tevoorschijnkomende trossen; bloemen meest 4-tallig; helmknoppen vrij lang; bloemkroonslippen niet met de randen over elkaar liggendConomorpha.
2b.Bloemen in pluimen of samengestelde trossen3
3a.Bloemen 5-tallig; bloembladeren weinig vergroeid. Helmdraden en helmknoppen lang. Bloemen in pluimenStylogyne.
3b.Bloemen 4-tallig4
4a.Bloemen in onregelmatige vertakte pluimen; helmdraden veel korter dan de vrij lange helmknopArdisia.
4b.Bloemen in vertakte trossen. Helmdraden langer dan de korte, eironde helmknopWeigeltia.
Orde:Plumbaginales.238.Plumbaginaceae.Bloemen met 5 meeldraden, die tegenover de kroonslippen staan; tweeslachtig, regelmatig; bloemkroon losbladig of vergroeidbladig; vruchtbeginsel met 5 stijlen, bovenstandig, met 1 zaadknop; heesters, of kruiden met enkelvoudige gaafrandige bladeren.Kelk buisvormig, 5-tandig met klierharen; kroon met lange buis, lobben uitgespreid. Meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand. Vruchtbeginsel met 1 stijl, van boven 5-spletig. Vrucht met 1 zaad. Bladeren verspreid. Vaak klimplantenPlumbago.
Orde:Plumbaginales.238.Plumbaginaceae.Bloemen met 5 meeldraden, die tegenover de kroonslippen staan; tweeslachtig, regelmatig; bloemkroon losbladig of vergroeidbladig; vruchtbeginsel met 5 stijlen, bovenstandig, met 1 zaadknop; heesters, of kruiden met enkelvoudige gaafrandige bladeren.Kelk buisvormig, 5-tandig met klierharen; kroon met lange buis, lobben uitgespreid. Meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand. Vruchtbeginsel met 1 stijl, van boven 5-spletig. Vrucht met 1 zaad. Bladeren verspreid. Vaak klimplantenPlumbago.
238.Plumbaginaceae.Bloemen met 5 meeldraden, die tegenover de kroonslippen staan; tweeslachtig, regelmatig; bloemkroon losbladig of vergroeidbladig; vruchtbeginsel met 5 stijlen, bovenstandig, met 1 zaadknop; heesters, of kruiden met enkelvoudige gaafrandige bladeren.Kelk buisvormig, 5-tandig met klierharen; kroon met lange buis, lobben uitgespreid. Meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand. Vruchtbeginsel met 1 stijl, van boven 5-spletig. Vrucht met 1 zaad. Bladeren verspreid. Vaak klimplantenPlumbago.
238.Plumbaginaceae.
Bloemen met 5 meeldraden, die tegenover de kroonslippen staan; tweeslachtig, regelmatig; bloemkroon losbladig of vergroeidbladig; vruchtbeginsel met 5 stijlen, bovenstandig, met 1 zaadknop; heesters, of kruiden met enkelvoudige gaafrandige bladeren.Kelk buisvormig, 5-tandig met klierharen; kroon met lange buis, lobben uitgespreid. Meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand. Vruchtbeginsel met 1 stijl, van boven 5-spletig. Vrucht met 1 zaad. Bladeren verspreid. Vaak klimplantenPlumbago.
Bloemen met 5 meeldraden, die tegenover de kroonslippen staan; tweeslachtig, regelmatig; bloemkroon losbladig of vergroeidbladig; vruchtbeginsel met 5 stijlen, bovenstandig, met 1 zaadknop; heesters, of kruiden met enkelvoudige gaafrandige bladeren.
Kelk buisvormig, 5-tandig met klierharen; kroon met lange buis, lobben uitgespreid. Meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand. Vruchtbeginsel met 1 stijl, van boven 5-spletig. Vrucht met 1 zaad. Bladeren verspreid. Vaak klimplantenPlumbago.
Orde:Ebenales.239.Sapotaceae.Bloemen meest tweeslachtig; kelk 4–8-, zelden meerbladig, in twee kransen; bloemkroonslippen evenveel als kelkbladeren in één krans of dubbel zooveel in twee kransen, soms met aanhangselen aan de rugzijde; meeldraden in 2 of 3 kransen, soms alle vruchtbaar, of sommige kransen tot staminodiën ontwikkeld of geheel ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig meest met evenveel of dubbel zooveel hokjes als bloemkroonslippen, met 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes; houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren.1a.Bloemen met evenveel meeldraden als bloemkroonslippen, zonder staminodiën, meest 5-tallig, soms ook 6–7-tallig. Stijl kort met knopvormige stempel. Bladeren vaak zijdeachtig behaard. Bloeiwijzen kleinChrysophyllum.1b.Bloemen met meeldraden en staminodiën22a.Bloemen met 4 kelkbladeren, 4 bloemkroonslippen, 4 meeldraden en 4 kleine staminodiën. Vruchtbeginsel behaard met een lange stijl. Boomen; bloemen meest groepsgewijs staandPouteria.Jan Snijder.2b.Kelk- en bloembladslippen meer dan 433a.Kroonslippen 6–8, ieder aan de rugzijde nog ongeveer even groote slippen dragend, zoodat het aantal kroonslippen zeer groot schijnt te zijn. Kelkbladeren 6 of 8; meeldraden en staminodiën 6 of 8. Vruchtbeginsel met lange stijlMimusops.Bolletrie.3b.Bloemkroon met 5 of 6 slippen, zonder slippen aan de rugzijde44a.Kelkbladeren 6, in twee rijen. Bloemkroon bekervormig met 6 lobben. Meeldraden 6,staminodiën6, even groot als de kroonslippen. Vruchtbeginsel ongeveer 12-hokkigAchras.Sapotille.4b.Kelkbladeren 5–6 in een rij, kroon 5–6-spletig. Meeldraden 5–6; staminodiën 5–6, klein. Vruchtbeginsel 5–2-hokkigSideroxylon.Riemhout.240.Ebenaceae.Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig; kelk blijvend, na de bloei vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig meest met gedraaide knopligging; meeldraden in de tweeslachtige of mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel of meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen meest staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–16-hokkig met 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij of vergroeid; vrucht meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4–5-lobbig; bloemkroon klok- of buisvormig, 4–5-lobbig. Meeldraden in de ♂ bloemen zeer talrijk (8–22) meest behaard met lange helmknoppen. In de ♀ bloem meest 4–8 staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel gewoonlijk 8-, maar ook 4–16-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Bloemen kort gesteeld in kleine groepen in de bladoksels of uit het oude hout tevoorschijn komendDiospyros.241.Styracaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, regelmatig met vergroeidbladige kelk en bloemkroon; meeldraden tweemaal zooveel als bloemkroonslippen, alleen aan de basis, zelden geheel vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, zelden halfonderstandig met één stijl, 3- tot 5-hokkig; vrucht een steenvrucht of een doosvrucht of gesloten blijvend met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide gaafrandige of gezaagde bladeren.Kelk klokvormig, met 5 korte, soms onduidelijke tanden. Bloembladeren 5, alleen aan de basis vergroeid, leerachtig, langwerpig. Meeldraden 10, alleen van onderen wat vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig, van boven 1-hokkig met 3-lobbigen stempel en langen stijl. Boomen of heestersStyrax.242.Symplocaceae.Bloemen meest 5-tallig, regelmatig, tweeslachtig met 5 kelkbladeren en bijna steeds 5 bloembladeren, die soms alleen aan de basis, meestal echter in een buis vergroeid zijn; soms zijn er 10 bloemkroonslippen; meeldraden talrijk in meerdere kransen, vaak met verbreede helmdraden, eenigszins met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig of halfbovenstandig met één stijl, 2–5-hokkig met 2–4 zaadknoppen per hokje; vrucht een steenvrucht. Eenig geslachtSymplocos.
Orde:Ebenales.239.Sapotaceae.Bloemen meest tweeslachtig; kelk 4–8-, zelden meerbladig, in twee kransen; bloemkroonslippen evenveel als kelkbladeren in één krans of dubbel zooveel in twee kransen, soms met aanhangselen aan de rugzijde; meeldraden in 2 of 3 kransen, soms alle vruchtbaar, of sommige kransen tot staminodiën ontwikkeld of geheel ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig meest met evenveel of dubbel zooveel hokjes als bloemkroonslippen, met 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes; houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren.1a.Bloemen met evenveel meeldraden als bloemkroonslippen, zonder staminodiën, meest 5-tallig, soms ook 6–7-tallig. Stijl kort met knopvormige stempel. Bladeren vaak zijdeachtig behaard. Bloeiwijzen kleinChrysophyllum.1b.Bloemen met meeldraden en staminodiën22a.Bloemen met 4 kelkbladeren, 4 bloemkroonslippen, 4 meeldraden en 4 kleine staminodiën. Vruchtbeginsel behaard met een lange stijl. Boomen; bloemen meest groepsgewijs staandPouteria.Jan Snijder.2b.Kelk- en bloembladslippen meer dan 433a.Kroonslippen 6–8, ieder aan de rugzijde nog ongeveer even groote slippen dragend, zoodat het aantal kroonslippen zeer groot schijnt te zijn. Kelkbladeren 6 of 8; meeldraden en staminodiën 6 of 8. Vruchtbeginsel met lange stijlMimusops.Bolletrie.3b.Bloemkroon met 5 of 6 slippen, zonder slippen aan de rugzijde44a.Kelkbladeren 6, in twee rijen. Bloemkroon bekervormig met 6 lobben. Meeldraden 6,staminodiën6, even groot als de kroonslippen. Vruchtbeginsel ongeveer 12-hokkigAchras.Sapotille.4b.Kelkbladeren 5–6 in een rij, kroon 5–6-spletig. Meeldraden 5–6; staminodiën 5–6, klein. Vruchtbeginsel 5–2-hokkigSideroxylon.Riemhout.240.Ebenaceae.Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig; kelk blijvend, na de bloei vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig meest met gedraaide knopligging; meeldraden in de tweeslachtige of mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel of meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen meest staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–16-hokkig met 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij of vergroeid; vrucht meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4–5-lobbig; bloemkroon klok- of buisvormig, 4–5-lobbig. Meeldraden in de ♂ bloemen zeer talrijk (8–22) meest behaard met lange helmknoppen. In de ♀ bloem meest 4–8 staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel gewoonlijk 8-, maar ook 4–16-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Bloemen kort gesteeld in kleine groepen in de bladoksels of uit het oude hout tevoorschijn komendDiospyros.241.Styracaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, regelmatig met vergroeidbladige kelk en bloemkroon; meeldraden tweemaal zooveel als bloemkroonslippen, alleen aan de basis, zelden geheel vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, zelden halfonderstandig met één stijl, 3- tot 5-hokkig; vrucht een steenvrucht of een doosvrucht of gesloten blijvend met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide gaafrandige of gezaagde bladeren.Kelk klokvormig, met 5 korte, soms onduidelijke tanden. Bloembladeren 5, alleen aan de basis vergroeid, leerachtig, langwerpig. Meeldraden 10, alleen van onderen wat vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig, van boven 1-hokkig met 3-lobbigen stempel en langen stijl. Boomen of heestersStyrax.242.Symplocaceae.Bloemen meest 5-tallig, regelmatig, tweeslachtig met 5 kelkbladeren en bijna steeds 5 bloembladeren, die soms alleen aan de basis, meestal echter in een buis vergroeid zijn; soms zijn er 10 bloemkroonslippen; meeldraden talrijk in meerdere kransen, vaak met verbreede helmdraden, eenigszins met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig of halfbovenstandig met één stijl, 2–5-hokkig met 2–4 zaadknoppen per hokje; vrucht een steenvrucht. Eenig geslachtSymplocos.
239.Sapotaceae.Bloemen meest tweeslachtig; kelk 4–8-, zelden meerbladig, in twee kransen; bloemkroonslippen evenveel als kelkbladeren in één krans of dubbel zooveel in twee kransen, soms met aanhangselen aan de rugzijde; meeldraden in 2 of 3 kransen, soms alle vruchtbaar, of sommige kransen tot staminodiën ontwikkeld of geheel ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig meest met evenveel of dubbel zooveel hokjes als bloemkroonslippen, met 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes; houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren.1a.Bloemen met evenveel meeldraden als bloemkroonslippen, zonder staminodiën, meest 5-tallig, soms ook 6–7-tallig. Stijl kort met knopvormige stempel. Bladeren vaak zijdeachtig behaard. Bloeiwijzen kleinChrysophyllum.1b.Bloemen met meeldraden en staminodiën22a.Bloemen met 4 kelkbladeren, 4 bloemkroonslippen, 4 meeldraden en 4 kleine staminodiën. Vruchtbeginsel behaard met een lange stijl. Boomen; bloemen meest groepsgewijs staandPouteria.Jan Snijder.2b.Kelk- en bloembladslippen meer dan 433a.Kroonslippen 6–8, ieder aan de rugzijde nog ongeveer even groote slippen dragend, zoodat het aantal kroonslippen zeer groot schijnt te zijn. Kelkbladeren 6 of 8; meeldraden en staminodiën 6 of 8. Vruchtbeginsel met lange stijlMimusops.Bolletrie.3b.Bloemkroon met 5 of 6 slippen, zonder slippen aan de rugzijde44a.Kelkbladeren 6, in twee rijen. Bloemkroon bekervormig met 6 lobben. Meeldraden 6,staminodiën6, even groot als de kroonslippen. Vruchtbeginsel ongeveer 12-hokkigAchras.Sapotille.4b.Kelkbladeren 5–6 in een rij, kroon 5–6-spletig. Meeldraden 5–6; staminodiën 5–6, klein. Vruchtbeginsel 5–2-hokkigSideroxylon.Riemhout.
239.Sapotaceae.
Bloemen meest tweeslachtig; kelk 4–8-, zelden meerbladig, in twee kransen; bloemkroonslippen evenveel als kelkbladeren in één krans of dubbel zooveel in twee kransen, soms met aanhangselen aan de rugzijde; meeldraden in 2 of 3 kransen, soms alle vruchtbaar, of sommige kransen tot staminodiën ontwikkeld of geheel ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig meest met evenveel of dubbel zooveel hokjes als bloemkroonslippen, met 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes; houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren.1a.Bloemen met evenveel meeldraden als bloemkroonslippen, zonder staminodiën, meest 5-tallig, soms ook 6–7-tallig. Stijl kort met knopvormige stempel. Bladeren vaak zijdeachtig behaard. Bloeiwijzen kleinChrysophyllum.1b.Bloemen met meeldraden en staminodiën22a.Bloemen met 4 kelkbladeren, 4 bloemkroonslippen, 4 meeldraden en 4 kleine staminodiën. Vruchtbeginsel behaard met een lange stijl. Boomen; bloemen meest groepsgewijs staandPouteria.Jan Snijder.2b.Kelk- en bloembladslippen meer dan 433a.Kroonslippen 6–8, ieder aan de rugzijde nog ongeveer even groote slippen dragend, zoodat het aantal kroonslippen zeer groot schijnt te zijn. Kelkbladeren 6 of 8; meeldraden en staminodiën 6 of 8. Vruchtbeginsel met lange stijlMimusops.Bolletrie.3b.Bloemkroon met 5 of 6 slippen, zonder slippen aan de rugzijde44a.Kelkbladeren 6, in twee rijen. Bloemkroon bekervormig met 6 lobben. Meeldraden 6,staminodiën6, even groot als de kroonslippen. Vruchtbeginsel ongeveer 12-hokkigAchras.Sapotille.4b.Kelkbladeren 5–6 in een rij, kroon 5–6-spletig. Meeldraden 5–6; staminodiën 5–6, klein. Vruchtbeginsel 5–2-hokkigSideroxylon.Riemhout.
Bloemen meest tweeslachtig; kelk 4–8-, zelden meerbladig, in twee kransen; bloemkroonslippen evenveel als kelkbladeren in één krans of dubbel zooveel in twee kransen, soms met aanhangselen aan de rugzijde; meeldraden in 2 of 3 kransen, soms alle vruchtbaar, of sommige kransen tot staminodiën ontwikkeld of geheel ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig meest met evenveel of dubbel zooveel hokjes als bloemkroonslippen, met 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes; houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren.
1a.Bloemen met evenveel meeldraden als bloemkroonslippen, zonder staminodiën, meest 5-tallig, soms ook 6–7-tallig. Stijl kort met knopvormige stempel. Bladeren vaak zijdeachtig behaard. Bloeiwijzen kleinChrysophyllum.
1b.Bloemen met meeldraden en staminodiën2
2a.Bloemen met 4 kelkbladeren, 4 bloemkroonslippen, 4 meeldraden en 4 kleine staminodiën. Vruchtbeginsel behaard met een lange stijl. Boomen; bloemen meest groepsgewijs staandPouteria.Jan Snijder.
2b.Kelk- en bloembladslippen meer dan 43
3a.Kroonslippen 6–8, ieder aan de rugzijde nog ongeveer even groote slippen dragend, zoodat het aantal kroonslippen zeer groot schijnt te zijn. Kelkbladeren 6 of 8; meeldraden en staminodiën 6 of 8. Vruchtbeginsel met lange stijlMimusops.Bolletrie.
3b.Bloemkroon met 5 of 6 slippen, zonder slippen aan de rugzijde4
4a.Kelkbladeren 6, in twee rijen. Bloemkroon bekervormig met 6 lobben. Meeldraden 6,staminodiën6, even groot als de kroonslippen. Vruchtbeginsel ongeveer 12-hokkigAchras.Sapotille.
4b.Kelkbladeren 5–6 in een rij, kroon 5–6-spletig. Meeldraden 5–6; staminodiën 5–6, klein. Vruchtbeginsel 5–2-hokkigSideroxylon.Riemhout.
240.Ebenaceae.Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig; kelk blijvend, na de bloei vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig meest met gedraaide knopligging; meeldraden in de tweeslachtige of mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel of meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen meest staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–16-hokkig met 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij of vergroeid; vrucht meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4–5-lobbig; bloemkroon klok- of buisvormig, 4–5-lobbig. Meeldraden in de ♂ bloemen zeer talrijk (8–22) meest behaard met lange helmknoppen. In de ♀ bloem meest 4–8 staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel gewoonlijk 8-, maar ook 4–16-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Bloemen kort gesteeld in kleine groepen in de bladoksels of uit het oude hout tevoorschijn komendDiospyros.
240.Ebenaceae.
Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig; kelk blijvend, na de bloei vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig meest met gedraaide knopligging; meeldraden in de tweeslachtige of mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel of meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen meest staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–16-hokkig met 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij of vergroeid; vrucht meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4–5-lobbig; bloemkroon klok- of buisvormig, 4–5-lobbig. Meeldraden in de ♂ bloemen zeer talrijk (8–22) meest behaard met lange helmknoppen. In de ♀ bloem meest 4–8 staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel gewoonlijk 8-, maar ook 4–16-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Bloemen kort gesteeld in kleine groepen in de bladoksels of uit het oude hout tevoorschijn komendDiospyros.
Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig; kelk blijvend, na de bloei vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig meest met gedraaide knopligging; meeldraden in de tweeslachtige of mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel of meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen meest staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–16-hokkig met 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij of vergroeid; vrucht meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.
Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4–5-lobbig; bloemkroon klok- of buisvormig, 4–5-lobbig. Meeldraden in de ♂ bloemen zeer talrijk (8–22) meest behaard met lange helmknoppen. In de ♀ bloem meest 4–8 staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel gewoonlijk 8-, maar ook 4–16-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Bloemen kort gesteeld in kleine groepen in de bladoksels of uit het oude hout tevoorschijn komendDiospyros.
241.Styracaceae.Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, regelmatig met vergroeidbladige kelk en bloemkroon; meeldraden tweemaal zooveel als bloemkroonslippen, alleen aan de basis, zelden geheel vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, zelden halfonderstandig met één stijl, 3- tot 5-hokkig; vrucht een steenvrucht of een doosvrucht of gesloten blijvend met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide gaafrandige of gezaagde bladeren.Kelk klokvormig, met 5 korte, soms onduidelijke tanden. Bloembladeren 5, alleen aan de basis vergroeid, leerachtig, langwerpig. Meeldraden 10, alleen van onderen wat vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig, van boven 1-hokkig met 3-lobbigen stempel en langen stijl. Boomen of heestersStyrax.
241.Styracaceae.
Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, regelmatig met vergroeidbladige kelk en bloemkroon; meeldraden tweemaal zooveel als bloemkroonslippen, alleen aan de basis, zelden geheel vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, zelden halfonderstandig met één stijl, 3- tot 5-hokkig; vrucht een steenvrucht of een doosvrucht of gesloten blijvend met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide gaafrandige of gezaagde bladeren.Kelk klokvormig, met 5 korte, soms onduidelijke tanden. Bloembladeren 5, alleen aan de basis vergroeid, leerachtig, langwerpig. Meeldraden 10, alleen van onderen wat vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig, van boven 1-hokkig met 3-lobbigen stempel en langen stijl. Boomen of heestersStyrax.
Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, regelmatig met vergroeidbladige kelk en bloemkroon; meeldraden tweemaal zooveel als bloemkroonslippen, alleen aan de basis, zelden geheel vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, zelden halfonderstandig met één stijl, 3- tot 5-hokkig; vrucht een steenvrucht of een doosvrucht of gesloten blijvend met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide gaafrandige of gezaagde bladeren.
Kelk klokvormig, met 5 korte, soms onduidelijke tanden. Bloembladeren 5, alleen aan de basis vergroeid, leerachtig, langwerpig. Meeldraden 10, alleen van onderen wat vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig, van boven 1-hokkig met 3-lobbigen stempel en langen stijl. Boomen of heestersStyrax.
242.Symplocaceae.Bloemen meest 5-tallig, regelmatig, tweeslachtig met 5 kelkbladeren en bijna steeds 5 bloembladeren, die soms alleen aan de basis, meestal echter in een buis vergroeid zijn; soms zijn er 10 bloemkroonslippen; meeldraden talrijk in meerdere kransen, vaak met verbreede helmdraden, eenigszins met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig of halfbovenstandig met één stijl, 2–5-hokkig met 2–4 zaadknoppen per hokje; vrucht een steenvrucht. Eenig geslachtSymplocos.
242.Symplocaceae.
Bloemen meest 5-tallig, regelmatig, tweeslachtig met 5 kelkbladeren en bijna steeds 5 bloembladeren, die soms alleen aan de basis, meestal echter in een buis vergroeid zijn; soms zijn er 10 bloemkroonslippen; meeldraden talrijk in meerdere kransen, vaak met verbreede helmdraden, eenigszins met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig of halfbovenstandig met één stijl, 2–5-hokkig met 2–4 zaadknoppen per hokje; vrucht een steenvrucht. Eenig geslachtSymplocos.
Bloemen meest 5-tallig, regelmatig, tweeslachtig met 5 kelkbladeren en bijna steeds 5 bloembladeren, die soms alleen aan de basis, meestal echter in een buis vergroeid zijn; soms zijn er 10 bloemkroonslippen; meeldraden talrijk in meerdere kransen, vaak met verbreede helmdraden, eenigszins met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig of halfbovenstandig met één stijl, 2–5-hokkig met 2–4 zaadknoppen per hokje; vrucht een steenvrucht. Eenig geslachtSymplocos.
Orde:Contortae.243.Oleaceae.Bloemen 2–6-tallig, meest vergroeidbladig, zelden losbladig of zonder bloemkroon, regelmatig, twee- of éénslachtig; bloembladeren 4, 5 of 6; meeldraden 2, zelden 4, aan de basis met de bloemkroon vergroeid met korte helmdraden en grootehelmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2, zelden 1 of meer zaadknoppen in ieder hokje; houtige planten, soms klimmend met tegenoverstaande of kransstandige meest enkelvoudige bladeren.Heesters met tegenoverstaande bladeren. Bloemen 4–6-, zelden meer-tallig. Zaadknoppen in ieder hokje 1–4, meest 2. Vrucht een bes, die aan den top ingesneden isJasminum.245.Loganiaceae.Bloemen meest 4- of 5-tallig, met vergroeidbladige bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig; bloemkroonslippen 4–5 tot vele, in de knop met de randen tegen elkaar of over elkaar liggend of gedraaid; bloemkroon meest trechtervormig tot bekervormig; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden maar één, met de buis vergroeid; vruchtbeginsel 2-hokkig, zelden 3–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen; stijl 1, twee- tot vierspletig of stijlen 2; 2-kleppige doosvrucht of bes; meest houtige planten, zelden kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Bovenste bladeren van den stengel in een krans van 4, hieruit komen de lange trosvormige bloeiwijzen te voorschijn. Bloemen 5-tallig, bloemkroon buisvormig; meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Vrucht een doosvrucht. Kleine kruidenSpigelia.1b.Bladen paarsgewijs tegenoverstaand22a.Bladeren zeer groot, (meerdere decimeters lang). Kelk 4-tallig. Bloemkroon met 8–10 lobben; meeldraden 8–10 zonder helmdraden. Vruchtbeginsel 4- of 2-hokkig, stijl direct boven het vruchtbeginsel sterk verdikt, verder dun. Kleine boompjesPotalia.2b.Bladeren niet opvallend groot33a.Bladeren aan de voet met 1 paar of 2 paar nerven, die in een boog evenwijdig met de bladrand naar den top loopen. Heesters of boomen vaak met korte haakvormige of opgerolde ranken Bloemkroon 4–5-tallig; vrucht een besStrychnos.3b.Bloemen 4–5-tallig met korte kelk en lange, trechtervormige bloemkroonbuis met korte lobben. Bladeren vinnervig. Heesters. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht, aan den top ingesnedenMostuea.246.Gentianaceae.Bloemen meest 4–5-tallig, zelden 6–12-tallig, sympetaal, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon in de knop meest gedraaid; zelden de slippen met de randen tegen elkaar liggend; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden eenige ontbrekend, met de bloemkroon vergroeid, vruchtbeginsel meest 1-hokkig, zelden 2-hokkig, met twee zaadlijsten met vele zaadknoppen; stijl enkelvoudig of tweespletig; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden, zelden heesters, meest kaal; bladeren meest tegenoverstaand, gaafrandig zonder steunbladeren.1a.Waterplanten. Bladeren aan den voet ingesneden, overigens bijna cirkelrond, op het water drijvend. Bloemen in groepen schijnbaar uit de bladsteel te voorschijn komend. Kelk met 5 smalle lobben. Bloemkroon met zeer korte buisLimnanthemum.1b.Landplanten22a.Planten geheel kruidachtig en sappig, met kleine bladeren; zoowel bladeren als stengels zonder bladgroen32b.Planten vaak een weinig verhout, met groene bladeren en groene stengel (ten minste het jongste deel van den stengel)53a.Stengels kort, veelbloemig; wortelstok dik en knolvormig. Bloemen groot met lange buisVoyria.3b.Stengels verlengd, vertakt of onvertakt, soms met slechts 1 bloem, soms met de bloemen in trossen of hoofdjes aan het eind. Wortelstok dun44a.Bloemen zeer klein, buis van de bloemkroon niet veel langer dan de kelk.Bloeiwijze zeer dicht gedrongen, veelbloemig aan het eind van den stengelVoyriella.4b.Bloeiwijze losser of bloemen alleenstaand aan het eind van den stengel. Bloemkroonbuis veel langer dan de kelkLeiphaemos.5a.Stempel bolvormig, niet gespleten. Kelk met 4–5 spitse tanden. Kroonbuis naar boven weinig verwijd met korte lobben. Helmknoppen eirond of langwerpig. Kruiden met zeer kleine tegenoverstaande bladeren, en een rechtopstaande bloeiwijze, die naar boven zich regelmatig in de bloeiwijze vertaktCurtia.5b. Stempel 2-lobbig tot 2-spletig66a.Stempel met 2 draadvormige takken, die zich later ombuigen en eenigszins oprollen. Kelk buisvormig met 4 tanden. Kroon na de bloei blijvend, 4-tallig; meeldraden 4. Kleine kruiden met weinige bladparen zonder bloemen; naar den top van den stengel worden de bladeren geleidelijk kleiner en hebben daar ieder een bijna zittende bloem in de bladokselNeurotheca.6b.Stempellobben niet draadvormig doch plat en min of meer eirond77a.Bloeiende stengel onvertakt; naar boven de bloemen dragend, in de oksels van kleine schutbladeren of de schutbladeren geheel verdwenen en de bloemen in een lange aarvormige tros; in het eerste geval de bloemen talrijk aan elke stengel. Kelk aan de basis met 3 kleine spitse blaadjes. Helmknoppen pijlvormig aan den voetCoutoubea.7b.Bloeistengel weinigbloemig en onvertakt of veelbloemig en vertakt88a.Bladeren forsch en breed. Kelk 5–6-lobbig. Bloemkroon groot, naar boven geleidelijk wijder wordend en in de slippen overgaand. Meeldraden in het onderste deel van de buis ingehecht; helmdraden niet alle even lang. Stijl draadvormig. Doosvrucht hangend. Bloeistengel naar boven vertakt, vaak eerst in twee takken verdeeld, later nog meer gespletenChelonanthus.8b.Bladeren klein en smal99a.Kelkslippen 5, stomp, niet gekield.Kroon trechtervormig met 5 spitse slippen. Meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Kleine kruiden met weinige bloemenIrlbachia.9b.Bloemen meest 4-, soms ook 5-tallig. Kelkslippen spits; kelkbuis met vleugels of kielen. Kroon trechtervormig, de buis boven het vruchtbeginsel versmald, hoogerop weer verwijd. Helmknoppen stomp, helmdraden meest aan de basis verbreed en getand. Weinige bloemen aan den stengelSchultesia.247.Apocynaceae.Bloemen 5-, zelden 4-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar; meeldraden in de kroonbuis ingehecht, met lange en smalle of pijlvormige helmknoppen met omgebogen of spits helmbindsel; vruchtbeginsels zelden meer dan 2, meest met vele zaadknoppen, van onderen vrij of tot een 2- of 1-hokkig vruchtbeginsel vergroeid; endan met 1 stijl, in het eerste geval de stijlen van boven vergroeid met een dikke stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met enkelvoudige, meest tegenoverstaande bladeren; melksap aanwezig.1a.Helmknoppen vrij of maar zeer los met de stempel samenhangend, meest geheel met stuifmeel gevuld; zelden (alleen bij Tabernaemontana) hebben de helmhokjes aan den voet een aanhangsel, dat geen stuifmeel bevat. Zaden zonder haarpluis21b.Helmknoppen vast met den stempel en in den regel ook onderling verbonden; helmhokjes aan de basis met een verlenging, die geen stuifmeel bevat, daardoor is de helmknop pijlvormig. Zaden (uitgezonderd Malouetia) met haarpluis102a.Vruchtbeginsels geheel met elkaar vergroeid; daardoor de stijlen tot aan de basis aan elkaar vastzittend32b.Vruchtbeginsels alleen aan den voet verbonden, daardoor de stijlen aan de basis vrij van elkaar, naar boven met elkaar vergroeid63a.Bloemen groot, geel; buis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd en in de slippen overgaand. Kelk vrij groot, diep 5-deelig. Lianen met de bladeren vaak in kransen; vrucht een gestekelde met 2 kleppen openspringende doosvruchtAllamanda.Wilkens-bita.3b.Bloemkroonbuis niet of nauwelijks naar boven verwijd; bloemen klein44a.Bloeiwijze aan het eind van den stengel, zeer lang en meest wat windend, bezet met korte zijtakken, die aan hun eind de bloemen in dichte hoofdjes dragen. Kelk klein. Helmknoppen spits; bloemkroonslippen smal. Vrucht glad, bolvormig, groot met vele zaden, die in een moes zijn ingebedLandolphia.4b.Bloemen in okselstandige of eindstandige bijschermen55a.Buis van de bloemkroon aan de mond onbehaard. Meeldraden onder het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Bes langwerpig. BoomenAmbelania.Bati-bati;Mampa.5b.Buis van de bloemkroon aan den mond behaard. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 1-hokkig. Bes bolvormig of wat langwerpig. BoomenCouma.Pera.6a.Bladeren in kransen van 3 (soms meer dan 3). Bloemkroon met cylindervormige buis, op de aanhechtingsplaats der meeldraden wat verwijdRauwolfia.6b.Bladeren dichtgedrongen aan den stengel, niet tegenoverstaand76c.Bladeren tegenoverstaand87a.Bladeren zeer smal. Bloembuis van onderen nauw cylindervormig, naar boven plotseling klokvormig verwijd, behaard, met 5 schubben, die boven de meeldraden staan. Kleine boomen of heestersThevetia.Jurri-jurri.7b.Bladeren breed, hoofdnerf met regelmatige, evenwijdige zijnerven. Bloemkroonbuis cylindrisch, dun; meeldraden dicht bij de basis ingehecht. Vruchtbeginsels halfonderstandig. Boomen met dikke takkenPlumiera.8a.Bloemen zeer klein, meest nog kleiner dan ½ c.M., met cylindervormige bloemkroonbuis en zeer scheeve slippen. Heesters of lianen met veelbloemige, sterk vertakte bloeiwijzenCondylocarpus.8b.Bloemen grooter dan 1 c.M.99a.Kleine rechtopstaande kruiden of nauwelijks verhoute planten met kort gesteelde naar den voet versmalde bladeren die in hun oksels alleenstaande bloemen dragen. Bloemkroonbuis nauw, helmknoppen langwerpig boven in de buis ingehecht. Bloemen purperLochnera.9b.Boomen of heesters, met meest weinigbloemige en kleine bloeiwijzen. Kelk met klieren; meeldraden onder, in het midden of boven in de buis bevestigd; helmknoppen bijna steeds aan den voet pijlvormig, doch niet met den stempel verbonden. Deelvruchten aan één zijde openspringend, glad of met knobbelsTabernaemontana.10a.Helmknoppen in een kegel verbonden; kegel in de bloemkroonbuis ingesloten1110b.Kegel der helmknoppen buiten de bloemkroonbuis uitstekend1711a.Bloemkroonbuis naar boven maar weinig verwijd met schubben aan den mond; helmknoppen zeer spits. Heesters met smalle leerachtige bladeren in kransen van 3Nerium.11b.Bloemkroonbuis zonder schubben1212a.Bloemen hoogstens 1 c.M. groot met een nauwe cylindervormige buis, die alleen op de inhechtingsplaats van de meeldraden wat verwijd is. Kelk met 5 klieren aan de binnenzijde. Meeldraden op de halve hoogte van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel met een schotelvormige schijf om de basis. Onder den stempel geen verdikte ring aanwezig. Bloemen in dichte, sterk vertakte bloeiwijzenSecondatia.12b.Bloemen grooter dan 1 c.M. Bloemkroonbuis in het bovendeel duidelijk wijder dan het onderste deel1313a.Schijf uit 2 schubben bestaand die met de vruchtbeginsels afwisselen. Kelk aan de binnenzijde met schubvormige klieren. Bloemkroonbuis van onderen aan de binnenzijde dicht behaard. Meest kleine heesters, maar weinig klimmendDipladenia.13b.Schijf uit 5 schubben bestaand of ringvormig1414a.Bloeiwijzen zeer sterk vertakt, met vele bloemen. Kelk diep gedeeld, met vaak een weinig ongelijke slippen, die slechts weinig klieren aan de binnenzijde hebben. Bloemkroon met dunne beneden- en verwijde bovenbuis. Schijf schotelvormig of cylindervormig, aan den rand meest gelobdOdontadenia.14b.Bloeiwijzen òf geheel trosvormig, òf slechts enkele malen vertakt en de uiterste takken trosvormig1515a.Bovenste helft van de bloemkroonbuis weinig wijder dan de onderste helft, niet klokvormig, doch buisvormig, meest bij den mond weer wat vernauwd.Kelk met vele klieren of met 5 schubben aan de binnenzijde. Schijf 5-lobbig tot 5-deeligEchites.15b.Bloemkroonbuis naar boven duidelijk klok- of trechtervormig verwijd1616a.Bladeren aan den voet sterk toegespitst, aan den top vaak min of meer afgerond met een puntje. Bloemen in duidelijke trossen dus alleenstaand in den oksel der schutbladeren. Kelk met weinig of zonder klieren aan de binnenzijdeRhabdadenia.16b.Bladeren aan de voet min of meer duidelijk hartvormig ingesneden, nooit naar den voet versmald; aan den top geleidelijk smaller wordend. Bloemen vaak 2 aan twee bij elkaar in den oksel van een schutblad; kelk met vele klieren aan de binnenzijdeMandevilla.17a.Bloemkroon met cylindervormige, bij de meeldraden wat verwijde buis, aan den mond met een ring of met schubben. Kelkslippen breed, van binnen met een schub. Schijf buisvormig, 5-lobbig. Planten kaal of dicht behaardPrestonia.17b.Bloemkroonbuis zonder schubben aan de mond, of met zeer kleine schubben1818a.Bloemen zeer klein met uiterst korte buis. Bloeiwijze sterk vertakt, veelbloemig. LianenForsteronia.18b.Bloemen vrij groot met een goed ontwikkelde buis. Heesters, niet klimmend1919a.Kelk klein, diep 5-deelig met stompe slippen. Schijf ring- of schotelvormig, meest 5-lobbig. Vruchtbeginsel behaard. Bloemen langgesteeld in schermvormige trossen. Zaden zonder haarpluisMalouetia.19b.Kelk met spitse, aan de rugzijde min of meer gekielde slippen. Bloemkroon als de vorige. Schijf bekervormig, 5-lobbig. Zaden geheel door een wollig omhulsel omgeven, overigens zonder haarpluisRobbia.248.Asclepiadaceae.Bloemen 5-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren slechts weinig vergroeid; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar liggend, vaak met aanhangselen, die een bijkroon (corona) vormen; meeldraden vrij of vaker aan de basis vergroeid, vaak met aanhangselen die eveneens een bijkroon vormen; stuifmeel meest tot klompjes vereenigd, deze laatste door hoornachtige lichaampjes (translatoren) met den stempelkop verbonden; vruchtbeginsels 2, gescheiden, alleen boven door den stempel verbonden, met vele zaadknoppen; vrucht een dubbele kokervrucht, zaden met een haarkuif; overblijvende kruiden of heesterachtige planten, vaak windend; bladeren tegenoverstaand of in kransen; zelden verspreid zonder steunbladeren; melksap aanwezig.1a.Planten kruidachtig of slechts weinig heesterachtig, niet klimmend21b.Klimmende heesters of kruiden32a.Bladeren smal, gesteeld. Bloemen oranje. Corona met 5 kapvormige slippen, uit welker midden een rechtopstaand, iets naar binnen gebogen, hoornachtig aanhangsel te voorschijn komtAsclepias.2b.Bladeren breed, zittend of bijna zittend. Bloemen van binnen grijs-paars. Slippen van de corona kapvormig, zijdelings samengedrukt, aan de basis met een spoorCalotropis.3a.Bloemen zeer klein (slechts enkele millimeters) in verlengde en wijde bloeiwijzen, nooit in schermen of schermvormige trossen43b.Bloemen in korte, gedrongen trossen of in schermen, groot54a.Kelkbladeren klein, meest stomp. Bloemkroon klokvormig tot stervormig. Slippen van de corona 5, zeer smal. Corona enkelvoudig. Stempel met vlakke top. Bladeren klein, gemakkelijk afvallendMetastelma.4b.Kelkbladeren spits. Bloemkroon klok- tot stervormig. Corona dubbel, de buitenste 5-lobbig, de binnenste bekervormig. Stempel van boven met een bult of een korte snavelTassadia.5a.Bloemkroon van onderen met een goed ontwikkelde cylindervormige buis, die langer is dan de kelk. Corona uit 5 kleine blaadjes bestaande. Top van den stempel kegelvormigMarsdenia.5b.Buis aan den bloemkroon bijna onzichtbaar66a.Bloemen in veelbloemige schermen76b.Bloemen in meest korte, veel- of weinigbloemige trossen87a.Bloemen groen. Plant behaard. Bloemkroon stervormig met dubbele corona; buitenste corona vleezig, diep 5-deeligFischeria.7b.Bloemen wit of geelwit. Bladeren en stengel kaal. Buitenste corona vliezig, onduidelijk gelobdOxystelma.(Philibertia).8a.Bloemen groen, vrij groot, stervormig, diep 5-deelig, in 3–4-bloemige trossen; slippen van de corona hol, met elkaar verbonden. Bladeren met hartvormige voetGonolobus.8b.Bloemen van buiten wit, van binnen paars met witte strepen. Bloemkroon stervormig. Corona 5-lobbig, met priemvormige aanhangselen. Bladeren dun, aan den top spits, aan de voet min of meer hartvormigRoulinia.8c.Bloemen geheel wit. Bloemkroon stervormig. Corona enkelvoudig met kapvormige slippen, rechtopstaand. Plant kaal, bladeren aan den voet hartvormig of afgerondBlepharodon.
Orde:Contortae.243.Oleaceae.Bloemen 2–6-tallig, meest vergroeidbladig, zelden losbladig of zonder bloemkroon, regelmatig, twee- of éénslachtig; bloembladeren 4, 5 of 6; meeldraden 2, zelden 4, aan de basis met de bloemkroon vergroeid met korte helmdraden en grootehelmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2, zelden 1 of meer zaadknoppen in ieder hokje; houtige planten, soms klimmend met tegenoverstaande of kransstandige meest enkelvoudige bladeren.Heesters met tegenoverstaande bladeren. Bloemen 4–6-, zelden meer-tallig. Zaadknoppen in ieder hokje 1–4, meest 2. Vrucht een bes, die aan den top ingesneden isJasminum.245.Loganiaceae.Bloemen meest 4- of 5-tallig, met vergroeidbladige bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig; bloemkroonslippen 4–5 tot vele, in de knop met de randen tegen elkaar of over elkaar liggend of gedraaid; bloemkroon meest trechtervormig tot bekervormig; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden maar één, met de buis vergroeid; vruchtbeginsel 2-hokkig, zelden 3–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen; stijl 1, twee- tot vierspletig of stijlen 2; 2-kleppige doosvrucht of bes; meest houtige planten, zelden kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Bovenste bladeren van den stengel in een krans van 4, hieruit komen de lange trosvormige bloeiwijzen te voorschijn. Bloemen 5-tallig, bloemkroon buisvormig; meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Vrucht een doosvrucht. Kleine kruidenSpigelia.1b.Bladen paarsgewijs tegenoverstaand22a.Bladeren zeer groot, (meerdere decimeters lang). Kelk 4-tallig. Bloemkroon met 8–10 lobben; meeldraden 8–10 zonder helmdraden. Vruchtbeginsel 4- of 2-hokkig, stijl direct boven het vruchtbeginsel sterk verdikt, verder dun. Kleine boompjesPotalia.2b.Bladeren niet opvallend groot33a.Bladeren aan de voet met 1 paar of 2 paar nerven, die in een boog evenwijdig met de bladrand naar den top loopen. Heesters of boomen vaak met korte haakvormige of opgerolde ranken Bloemkroon 4–5-tallig; vrucht een besStrychnos.3b.Bloemen 4–5-tallig met korte kelk en lange, trechtervormige bloemkroonbuis met korte lobben. Bladeren vinnervig. Heesters. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht, aan den top ingesnedenMostuea.246.Gentianaceae.Bloemen meest 4–5-tallig, zelden 6–12-tallig, sympetaal, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon in de knop meest gedraaid; zelden de slippen met de randen tegen elkaar liggend; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden eenige ontbrekend, met de bloemkroon vergroeid, vruchtbeginsel meest 1-hokkig, zelden 2-hokkig, met twee zaadlijsten met vele zaadknoppen; stijl enkelvoudig of tweespletig; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden, zelden heesters, meest kaal; bladeren meest tegenoverstaand, gaafrandig zonder steunbladeren.1a.Waterplanten. Bladeren aan den voet ingesneden, overigens bijna cirkelrond, op het water drijvend. Bloemen in groepen schijnbaar uit de bladsteel te voorschijn komend. Kelk met 5 smalle lobben. Bloemkroon met zeer korte buisLimnanthemum.1b.Landplanten22a.Planten geheel kruidachtig en sappig, met kleine bladeren; zoowel bladeren als stengels zonder bladgroen32b.Planten vaak een weinig verhout, met groene bladeren en groene stengel (ten minste het jongste deel van den stengel)53a.Stengels kort, veelbloemig; wortelstok dik en knolvormig. Bloemen groot met lange buisVoyria.3b.Stengels verlengd, vertakt of onvertakt, soms met slechts 1 bloem, soms met de bloemen in trossen of hoofdjes aan het eind. Wortelstok dun44a.Bloemen zeer klein, buis van de bloemkroon niet veel langer dan de kelk.Bloeiwijze zeer dicht gedrongen, veelbloemig aan het eind van den stengelVoyriella.4b.Bloeiwijze losser of bloemen alleenstaand aan het eind van den stengel. Bloemkroonbuis veel langer dan de kelkLeiphaemos.5a.Stempel bolvormig, niet gespleten. Kelk met 4–5 spitse tanden. Kroonbuis naar boven weinig verwijd met korte lobben. Helmknoppen eirond of langwerpig. Kruiden met zeer kleine tegenoverstaande bladeren, en een rechtopstaande bloeiwijze, die naar boven zich regelmatig in de bloeiwijze vertaktCurtia.5b. Stempel 2-lobbig tot 2-spletig66a.Stempel met 2 draadvormige takken, die zich later ombuigen en eenigszins oprollen. Kelk buisvormig met 4 tanden. Kroon na de bloei blijvend, 4-tallig; meeldraden 4. Kleine kruiden met weinige bladparen zonder bloemen; naar den top van den stengel worden de bladeren geleidelijk kleiner en hebben daar ieder een bijna zittende bloem in de bladokselNeurotheca.6b.Stempellobben niet draadvormig doch plat en min of meer eirond77a.Bloeiende stengel onvertakt; naar boven de bloemen dragend, in de oksels van kleine schutbladeren of de schutbladeren geheel verdwenen en de bloemen in een lange aarvormige tros; in het eerste geval de bloemen talrijk aan elke stengel. Kelk aan de basis met 3 kleine spitse blaadjes. Helmknoppen pijlvormig aan den voetCoutoubea.7b.Bloeistengel weinigbloemig en onvertakt of veelbloemig en vertakt88a.Bladeren forsch en breed. Kelk 5–6-lobbig. Bloemkroon groot, naar boven geleidelijk wijder wordend en in de slippen overgaand. Meeldraden in het onderste deel van de buis ingehecht; helmdraden niet alle even lang. Stijl draadvormig. Doosvrucht hangend. Bloeistengel naar boven vertakt, vaak eerst in twee takken verdeeld, later nog meer gespletenChelonanthus.8b.Bladeren klein en smal99a.Kelkslippen 5, stomp, niet gekield.Kroon trechtervormig met 5 spitse slippen. Meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Kleine kruiden met weinige bloemenIrlbachia.9b.Bloemen meest 4-, soms ook 5-tallig. Kelkslippen spits; kelkbuis met vleugels of kielen. Kroon trechtervormig, de buis boven het vruchtbeginsel versmald, hoogerop weer verwijd. Helmknoppen stomp, helmdraden meest aan de basis verbreed en getand. Weinige bloemen aan den stengelSchultesia.247.Apocynaceae.Bloemen 5-, zelden 4-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar; meeldraden in de kroonbuis ingehecht, met lange en smalle of pijlvormige helmknoppen met omgebogen of spits helmbindsel; vruchtbeginsels zelden meer dan 2, meest met vele zaadknoppen, van onderen vrij of tot een 2- of 1-hokkig vruchtbeginsel vergroeid; endan met 1 stijl, in het eerste geval de stijlen van boven vergroeid met een dikke stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met enkelvoudige, meest tegenoverstaande bladeren; melksap aanwezig.1a.Helmknoppen vrij of maar zeer los met de stempel samenhangend, meest geheel met stuifmeel gevuld; zelden (alleen bij Tabernaemontana) hebben de helmhokjes aan den voet een aanhangsel, dat geen stuifmeel bevat. Zaden zonder haarpluis21b.Helmknoppen vast met den stempel en in den regel ook onderling verbonden; helmhokjes aan de basis met een verlenging, die geen stuifmeel bevat, daardoor is de helmknop pijlvormig. Zaden (uitgezonderd Malouetia) met haarpluis102a.Vruchtbeginsels geheel met elkaar vergroeid; daardoor de stijlen tot aan de basis aan elkaar vastzittend32b.Vruchtbeginsels alleen aan den voet verbonden, daardoor de stijlen aan de basis vrij van elkaar, naar boven met elkaar vergroeid63a.Bloemen groot, geel; buis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd en in de slippen overgaand. Kelk vrij groot, diep 5-deelig. Lianen met de bladeren vaak in kransen; vrucht een gestekelde met 2 kleppen openspringende doosvruchtAllamanda.Wilkens-bita.3b.Bloemkroonbuis niet of nauwelijks naar boven verwijd; bloemen klein44a.Bloeiwijze aan het eind van den stengel, zeer lang en meest wat windend, bezet met korte zijtakken, die aan hun eind de bloemen in dichte hoofdjes dragen. Kelk klein. Helmknoppen spits; bloemkroonslippen smal. Vrucht glad, bolvormig, groot met vele zaden, die in een moes zijn ingebedLandolphia.4b.Bloemen in okselstandige of eindstandige bijschermen55a.Buis van de bloemkroon aan de mond onbehaard. Meeldraden onder het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Bes langwerpig. BoomenAmbelania.Bati-bati;Mampa.5b.Buis van de bloemkroon aan den mond behaard. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 1-hokkig. Bes bolvormig of wat langwerpig. BoomenCouma.Pera.6a.Bladeren in kransen van 3 (soms meer dan 3). Bloemkroon met cylindervormige buis, op de aanhechtingsplaats der meeldraden wat verwijdRauwolfia.6b.Bladeren dichtgedrongen aan den stengel, niet tegenoverstaand76c.Bladeren tegenoverstaand87a.Bladeren zeer smal. Bloembuis van onderen nauw cylindervormig, naar boven plotseling klokvormig verwijd, behaard, met 5 schubben, die boven de meeldraden staan. Kleine boomen of heestersThevetia.Jurri-jurri.7b.Bladeren breed, hoofdnerf met regelmatige, evenwijdige zijnerven. Bloemkroonbuis cylindrisch, dun; meeldraden dicht bij de basis ingehecht. Vruchtbeginsels halfonderstandig. Boomen met dikke takkenPlumiera.8a.Bloemen zeer klein, meest nog kleiner dan ½ c.M., met cylindervormige bloemkroonbuis en zeer scheeve slippen. Heesters of lianen met veelbloemige, sterk vertakte bloeiwijzenCondylocarpus.8b.Bloemen grooter dan 1 c.M.99a.Kleine rechtopstaande kruiden of nauwelijks verhoute planten met kort gesteelde naar den voet versmalde bladeren die in hun oksels alleenstaande bloemen dragen. Bloemkroonbuis nauw, helmknoppen langwerpig boven in de buis ingehecht. Bloemen purperLochnera.9b.Boomen of heesters, met meest weinigbloemige en kleine bloeiwijzen. Kelk met klieren; meeldraden onder, in het midden of boven in de buis bevestigd; helmknoppen bijna steeds aan den voet pijlvormig, doch niet met den stempel verbonden. Deelvruchten aan één zijde openspringend, glad of met knobbelsTabernaemontana.10a.Helmknoppen in een kegel verbonden; kegel in de bloemkroonbuis ingesloten1110b.Kegel der helmknoppen buiten de bloemkroonbuis uitstekend1711a.Bloemkroonbuis naar boven maar weinig verwijd met schubben aan den mond; helmknoppen zeer spits. Heesters met smalle leerachtige bladeren in kransen van 3Nerium.11b.Bloemkroonbuis zonder schubben1212a.Bloemen hoogstens 1 c.M. groot met een nauwe cylindervormige buis, die alleen op de inhechtingsplaats van de meeldraden wat verwijd is. Kelk met 5 klieren aan de binnenzijde. Meeldraden op de halve hoogte van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel met een schotelvormige schijf om de basis. Onder den stempel geen verdikte ring aanwezig. Bloemen in dichte, sterk vertakte bloeiwijzenSecondatia.12b.Bloemen grooter dan 1 c.M. Bloemkroonbuis in het bovendeel duidelijk wijder dan het onderste deel1313a.Schijf uit 2 schubben bestaand die met de vruchtbeginsels afwisselen. Kelk aan de binnenzijde met schubvormige klieren. Bloemkroonbuis van onderen aan de binnenzijde dicht behaard. Meest kleine heesters, maar weinig klimmendDipladenia.13b.Schijf uit 5 schubben bestaand of ringvormig1414a.Bloeiwijzen zeer sterk vertakt, met vele bloemen. Kelk diep gedeeld, met vaak een weinig ongelijke slippen, die slechts weinig klieren aan de binnenzijde hebben. Bloemkroon met dunne beneden- en verwijde bovenbuis. Schijf schotelvormig of cylindervormig, aan den rand meest gelobdOdontadenia.14b.Bloeiwijzen òf geheel trosvormig, òf slechts enkele malen vertakt en de uiterste takken trosvormig1515a.Bovenste helft van de bloemkroonbuis weinig wijder dan de onderste helft, niet klokvormig, doch buisvormig, meest bij den mond weer wat vernauwd.Kelk met vele klieren of met 5 schubben aan de binnenzijde. Schijf 5-lobbig tot 5-deeligEchites.15b.Bloemkroonbuis naar boven duidelijk klok- of trechtervormig verwijd1616a.Bladeren aan den voet sterk toegespitst, aan den top vaak min of meer afgerond met een puntje. Bloemen in duidelijke trossen dus alleenstaand in den oksel der schutbladeren. Kelk met weinig of zonder klieren aan de binnenzijdeRhabdadenia.16b.Bladeren aan de voet min of meer duidelijk hartvormig ingesneden, nooit naar den voet versmald; aan den top geleidelijk smaller wordend. Bloemen vaak 2 aan twee bij elkaar in den oksel van een schutblad; kelk met vele klieren aan de binnenzijdeMandevilla.17a.Bloemkroon met cylindervormige, bij de meeldraden wat verwijde buis, aan den mond met een ring of met schubben. Kelkslippen breed, van binnen met een schub. Schijf buisvormig, 5-lobbig. Planten kaal of dicht behaardPrestonia.17b.Bloemkroonbuis zonder schubben aan de mond, of met zeer kleine schubben1818a.Bloemen zeer klein met uiterst korte buis. Bloeiwijze sterk vertakt, veelbloemig. LianenForsteronia.18b.Bloemen vrij groot met een goed ontwikkelde buis. Heesters, niet klimmend1919a.Kelk klein, diep 5-deelig met stompe slippen. Schijf ring- of schotelvormig, meest 5-lobbig. Vruchtbeginsel behaard. Bloemen langgesteeld in schermvormige trossen. Zaden zonder haarpluisMalouetia.19b.Kelk met spitse, aan de rugzijde min of meer gekielde slippen. Bloemkroon als de vorige. Schijf bekervormig, 5-lobbig. Zaden geheel door een wollig omhulsel omgeven, overigens zonder haarpluisRobbia.248.Asclepiadaceae.Bloemen 5-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren slechts weinig vergroeid; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar liggend, vaak met aanhangselen, die een bijkroon (corona) vormen; meeldraden vrij of vaker aan de basis vergroeid, vaak met aanhangselen die eveneens een bijkroon vormen; stuifmeel meest tot klompjes vereenigd, deze laatste door hoornachtige lichaampjes (translatoren) met den stempelkop verbonden; vruchtbeginsels 2, gescheiden, alleen boven door den stempel verbonden, met vele zaadknoppen; vrucht een dubbele kokervrucht, zaden met een haarkuif; overblijvende kruiden of heesterachtige planten, vaak windend; bladeren tegenoverstaand of in kransen; zelden verspreid zonder steunbladeren; melksap aanwezig.1a.Planten kruidachtig of slechts weinig heesterachtig, niet klimmend21b.Klimmende heesters of kruiden32a.Bladeren smal, gesteeld. Bloemen oranje. Corona met 5 kapvormige slippen, uit welker midden een rechtopstaand, iets naar binnen gebogen, hoornachtig aanhangsel te voorschijn komtAsclepias.2b.Bladeren breed, zittend of bijna zittend. Bloemen van binnen grijs-paars. Slippen van de corona kapvormig, zijdelings samengedrukt, aan de basis met een spoorCalotropis.3a.Bloemen zeer klein (slechts enkele millimeters) in verlengde en wijde bloeiwijzen, nooit in schermen of schermvormige trossen43b.Bloemen in korte, gedrongen trossen of in schermen, groot54a.Kelkbladeren klein, meest stomp. Bloemkroon klokvormig tot stervormig. Slippen van de corona 5, zeer smal. Corona enkelvoudig. Stempel met vlakke top. Bladeren klein, gemakkelijk afvallendMetastelma.4b.Kelkbladeren spits. Bloemkroon klok- tot stervormig. Corona dubbel, de buitenste 5-lobbig, de binnenste bekervormig. Stempel van boven met een bult of een korte snavelTassadia.5a.Bloemkroon van onderen met een goed ontwikkelde cylindervormige buis, die langer is dan de kelk. Corona uit 5 kleine blaadjes bestaande. Top van den stempel kegelvormigMarsdenia.5b.Buis aan den bloemkroon bijna onzichtbaar66a.Bloemen in veelbloemige schermen76b.Bloemen in meest korte, veel- of weinigbloemige trossen87a.Bloemen groen. Plant behaard. Bloemkroon stervormig met dubbele corona; buitenste corona vleezig, diep 5-deeligFischeria.7b.Bloemen wit of geelwit. Bladeren en stengel kaal. Buitenste corona vliezig, onduidelijk gelobdOxystelma.(Philibertia).8a.Bloemen groen, vrij groot, stervormig, diep 5-deelig, in 3–4-bloemige trossen; slippen van de corona hol, met elkaar verbonden. Bladeren met hartvormige voetGonolobus.8b.Bloemen van buiten wit, van binnen paars met witte strepen. Bloemkroon stervormig. Corona 5-lobbig, met priemvormige aanhangselen. Bladeren dun, aan den top spits, aan de voet min of meer hartvormigRoulinia.8c.Bloemen geheel wit. Bloemkroon stervormig. Corona enkelvoudig met kapvormige slippen, rechtopstaand. Plant kaal, bladeren aan den voet hartvormig of afgerondBlepharodon.
243.Oleaceae.Bloemen 2–6-tallig, meest vergroeidbladig, zelden losbladig of zonder bloemkroon, regelmatig, twee- of éénslachtig; bloembladeren 4, 5 of 6; meeldraden 2, zelden 4, aan de basis met de bloemkroon vergroeid met korte helmdraden en grootehelmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2, zelden 1 of meer zaadknoppen in ieder hokje; houtige planten, soms klimmend met tegenoverstaande of kransstandige meest enkelvoudige bladeren.Heesters met tegenoverstaande bladeren. Bloemen 4–6-, zelden meer-tallig. Zaadknoppen in ieder hokje 1–4, meest 2. Vrucht een bes, die aan den top ingesneden isJasminum.
243.Oleaceae.
Bloemen 2–6-tallig, meest vergroeidbladig, zelden losbladig of zonder bloemkroon, regelmatig, twee- of éénslachtig; bloembladeren 4, 5 of 6; meeldraden 2, zelden 4, aan de basis met de bloemkroon vergroeid met korte helmdraden en grootehelmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2, zelden 1 of meer zaadknoppen in ieder hokje; houtige planten, soms klimmend met tegenoverstaande of kransstandige meest enkelvoudige bladeren.Heesters met tegenoverstaande bladeren. Bloemen 4–6-, zelden meer-tallig. Zaadknoppen in ieder hokje 1–4, meest 2. Vrucht een bes, die aan den top ingesneden isJasminum.
Bloemen 2–6-tallig, meest vergroeidbladig, zelden losbladig of zonder bloemkroon, regelmatig, twee- of éénslachtig; bloembladeren 4, 5 of 6; meeldraden 2, zelden 4, aan de basis met de bloemkroon vergroeid met korte helmdraden en grootehelmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2, zelden 1 of meer zaadknoppen in ieder hokje; houtige planten, soms klimmend met tegenoverstaande of kransstandige meest enkelvoudige bladeren.
Heesters met tegenoverstaande bladeren. Bloemen 4–6-, zelden meer-tallig. Zaadknoppen in ieder hokje 1–4, meest 2. Vrucht een bes, die aan den top ingesneden isJasminum.
245.Loganiaceae.Bloemen meest 4- of 5-tallig, met vergroeidbladige bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig; bloemkroonslippen 4–5 tot vele, in de knop met de randen tegen elkaar of over elkaar liggend of gedraaid; bloemkroon meest trechtervormig tot bekervormig; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden maar één, met de buis vergroeid; vruchtbeginsel 2-hokkig, zelden 3–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen; stijl 1, twee- tot vierspletig of stijlen 2; 2-kleppige doosvrucht of bes; meest houtige planten, zelden kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Bovenste bladeren van den stengel in een krans van 4, hieruit komen de lange trosvormige bloeiwijzen te voorschijn. Bloemen 5-tallig, bloemkroon buisvormig; meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Vrucht een doosvrucht. Kleine kruidenSpigelia.1b.Bladen paarsgewijs tegenoverstaand22a.Bladeren zeer groot, (meerdere decimeters lang). Kelk 4-tallig. Bloemkroon met 8–10 lobben; meeldraden 8–10 zonder helmdraden. Vruchtbeginsel 4- of 2-hokkig, stijl direct boven het vruchtbeginsel sterk verdikt, verder dun. Kleine boompjesPotalia.2b.Bladeren niet opvallend groot33a.Bladeren aan de voet met 1 paar of 2 paar nerven, die in een boog evenwijdig met de bladrand naar den top loopen. Heesters of boomen vaak met korte haakvormige of opgerolde ranken Bloemkroon 4–5-tallig; vrucht een besStrychnos.3b.Bloemen 4–5-tallig met korte kelk en lange, trechtervormige bloemkroonbuis met korte lobben. Bladeren vinnervig. Heesters. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht, aan den top ingesnedenMostuea.
245.Loganiaceae.
Bloemen meest 4- of 5-tallig, met vergroeidbladige bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig; bloemkroonslippen 4–5 tot vele, in de knop met de randen tegen elkaar of over elkaar liggend of gedraaid; bloemkroon meest trechtervormig tot bekervormig; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden maar één, met de buis vergroeid; vruchtbeginsel 2-hokkig, zelden 3–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen; stijl 1, twee- tot vierspletig of stijlen 2; 2-kleppige doosvrucht of bes; meest houtige planten, zelden kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren met of zonder steunbladeren.1a.Bovenste bladeren van den stengel in een krans van 4, hieruit komen de lange trosvormige bloeiwijzen te voorschijn. Bloemen 5-tallig, bloemkroon buisvormig; meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Vrucht een doosvrucht. Kleine kruidenSpigelia.1b.Bladen paarsgewijs tegenoverstaand22a.Bladeren zeer groot, (meerdere decimeters lang). Kelk 4-tallig. Bloemkroon met 8–10 lobben; meeldraden 8–10 zonder helmdraden. Vruchtbeginsel 4- of 2-hokkig, stijl direct boven het vruchtbeginsel sterk verdikt, verder dun. Kleine boompjesPotalia.2b.Bladeren niet opvallend groot33a.Bladeren aan de voet met 1 paar of 2 paar nerven, die in een boog evenwijdig met de bladrand naar den top loopen. Heesters of boomen vaak met korte haakvormige of opgerolde ranken Bloemkroon 4–5-tallig; vrucht een besStrychnos.3b.Bloemen 4–5-tallig met korte kelk en lange, trechtervormige bloemkroonbuis met korte lobben. Bladeren vinnervig. Heesters. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht, aan den top ingesnedenMostuea.
Bloemen meest 4- of 5-tallig, met vergroeidbladige bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig; bloemkroonslippen 4–5 tot vele, in de knop met de randen tegen elkaar of over elkaar liggend of gedraaid; bloemkroon meest trechtervormig tot bekervormig; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden maar één, met de buis vergroeid; vruchtbeginsel 2-hokkig, zelden 3–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen; stijl 1, twee- tot vierspletig of stijlen 2; 2-kleppige doosvrucht of bes; meest houtige planten, zelden kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren met of zonder steunbladeren.
1a.Bovenste bladeren van den stengel in een krans van 4, hieruit komen de lange trosvormige bloeiwijzen te voorschijn. Bloemen 5-tallig, bloemkroon buisvormig; meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Vrucht een doosvrucht. Kleine kruidenSpigelia.
1b.Bladen paarsgewijs tegenoverstaand2
2a.Bladeren zeer groot, (meerdere decimeters lang). Kelk 4-tallig. Bloemkroon met 8–10 lobben; meeldraden 8–10 zonder helmdraden. Vruchtbeginsel 4- of 2-hokkig, stijl direct boven het vruchtbeginsel sterk verdikt, verder dun. Kleine boompjesPotalia.
2b.Bladeren niet opvallend groot3
3a.Bladeren aan de voet met 1 paar of 2 paar nerven, die in een boog evenwijdig met de bladrand naar den top loopen. Heesters of boomen vaak met korte haakvormige of opgerolde ranken Bloemkroon 4–5-tallig; vrucht een besStrychnos.
3b.Bloemen 4–5-tallig met korte kelk en lange, trechtervormige bloemkroonbuis met korte lobben. Bladeren vinnervig. Heesters. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht, aan den top ingesnedenMostuea.
246.Gentianaceae.Bloemen meest 4–5-tallig, zelden 6–12-tallig, sympetaal, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon in de knop meest gedraaid; zelden de slippen met de randen tegen elkaar liggend; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden eenige ontbrekend, met de bloemkroon vergroeid, vruchtbeginsel meest 1-hokkig, zelden 2-hokkig, met twee zaadlijsten met vele zaadknoppen; stijl enkelvoudig of tweespletig; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden, zelden heesters, meest kaal; bladeren meest tegenoverstaand, gaafrandig zonder steunbladeren.1a.Waterplanten. Bladeren aan den voet ingesneden, overigens bijna cirkelrond, op het water drijvend. Bloemen in groepen schijnbaar uit de bladsteel te voorschijn komend. Kelk met 5 smalle lobben. Bloemkroon met zeer korte buisLimnanthemum.1b.Landplanten22a.Planten geheel kruidachtig en sappig, met kleine bladeren; zoowel bladeren als stengels zonder bladgroen32b.Planten vaak een weinig verhout, met groene bladeren en groene stengel (ten minste het jongste deel van den stengel)53a.Stengels kort, veelbloemig; wortelstok dik en knolvormig. Bloemen groot met lange buisVoyria.3b.Stengels verlengd, vertakt of onvertakt, soms met slechts 1 bloem, soms met de bloemen in trossen of hoofdjes aan het eind. Wortelstok dun44a.Bloemen zeer klein, buis van de bloemkroon niet veel langer dan de kelk.Bloeiwijze zeer dicht gedrongen, veelbloemig aan het eind van den stengelVoyriella.4b.Bloeiwijze losser of bloemen alleenstaand aan het eind van den stengel. Bloemkroonbuis veel langer dan de kelkLeiphaemos.5a.Stempel bolvormig, niet gespleten. Kelk met 4–5 spitse tanden. Kroonbuis naar boven weinig verwijd met korte lobben. Helmknoppen eirond of langwerpig. Kruiden met zeer kleine tegenoverstaande bladeren, en een rechtopstaande bloeiwijze, die naar boven zich regelmatig in de bloeiwijze vertaktCurtia.5b. Stempel 2-lobbig tot 2-spletig66a.Stempel met 2 draadvormige takken, die zich later ombuigen en eenigszins oprollen. Kelk buisvormig met 4 tanden. Kroon na de bloei blijvend, 4-tallig; meeldraden 4. Kleine kruiden met weinige bladparen zonder bloemen; naar den top van den stengel worden de bladeren geleidelijk kleiner en hebben daar ieder een bijna zittende bloem in de bladokselNeurotheca.6b.Stempellobben niet draadvormig doch plat en min of meer eirond77a.Bloeiende stengel onvertakt; naar boven de bloemen dragend, in de oksels van kleine schutbladeren of de schutbladeren geheel verdwenen en de bloemen in een lange aarvormige tros; in het eerste geval de bloemen talrijk aan elke stengel. Kelk aan de basis met 3 kleine spitse blaadjes. Helmknoppen pijlvormig aan den voetCoutoubea.7b.Bloeistengel weinigbloemig en onvertakt of veelbloemig en vertakt88a.Bladeren forsch en breed. Kelk 5–6-lobbig. Bloemkroon groot, naar boven geleidelijk wijder wordend en in de slippen overgaand. Meeldraden in het onderste deel van de buis ingehecht; helmdraden niet alle even lang. Stijl draadvormig. Doosvrucht hangend. Bloeistengel naar boven vertakt, vaak eerst in twee takken verdeeld, later nog meer gespletenChelonanthus.8b.Bladeren klein en smal99a.Kelkslippen 5, stomp, niet gekield.Kroon trechtervormig met 5 spitse slippen. Meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Kleine kruiden met weinige bloemenIrlbachia.9b.Bloemen meest 4-, soms ook 5-tallig. Kelkslippen spits; kelkbuis met vleugels of kielen. Kroon trechtervormig, de buis boven het vruchtbeginsel versmald, hoogerop weer verwijd. Helmknoppen stomp, helmdraden meest aan de basis verbreed en getand. Weinige bloemen aan den stengelSchultesia.
246.Gentianaceae.
Bloemen meest 4–5-tallig, zelden 6–12-tallig, sympetaal, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon in de knop meest gedraaid; zelden de slippen met de randen tegen elkaar liggend; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden eenige ontbrekend, met de bloemkroon vergroeid, vruchtbeginsel meest 1-hokkig, zelden 2-hokkig, met twee zaadlijsten met vele zaadknoppen; stijl enkelvoudig of tweespletig; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden, zelden heesters, meest kaal; bladeren meest tegenoverstaand, gaafrandig zonder steunbladeren.1a.Waterplanten. Bladeren aan den voet ingesneden, overigens bijna cirkelrond, op het water drijvend. Bloemen in groepen schijnbaar uit de bladsteel te voorschijn komend. Kelk met 5 smalle lobben. Bloemkroon met zeer korte buisLimnanthemum.1b.Landplanten22a.Planten geheel kruidachtig en sappig, met kleine bladeren; zoowel bladeren als stengels zonder bladgroen32b.Planten vaak een weinig verhout, met groene bladeren en groene stengel (ten minste het jongste deel van den stengel)53a.Stengels kort, veelbloemig; wortelstok dik en knolvormig. Bloemen groot met lange buisVoyria.3b.Stengels verlengd, vertakt of onvertakt, soms met slechts 1 bloem, soms met de bloemen in trossen of hoofdjes aan het eind. Wortelstok dun44a.Bloemen zeer klein, buis van de bloemkroon niet veel langer dan de kelk.Bloeiwijze zeer dicht gedrongen, veelbloemig aan het eind van den stengelVoyriella.4b.Bloeiwijze losser of bloemen alleenstaand aan het eind van den stengel. Bloemkroonbuis veel langer dan de kelkLeiphaemos.5a.Stempel bolvormig, niet gespleten. Kelk met 4–5 spitse tanden. Kroonbuis naar boven weinig verwijd met korte lobben. Helmknoppen eirond of langwerpig. Kruiden met zeer kleine tegenoverstaande bladeren, en een rechtopstaande bloeiwijze, die naar boven zich regelmatig in de bloeiwijze vertaktCurtia.5b. Stempel 2-lobbig tot 2-spletig66a.Stempel met 2 draadvormige takken, die zich later ombuigen en eenigszins oprollen. Kelk buisvormig met 4 tanden. Kroon na de bloei blijvend, 4-tallig; meeldraden 4. Kleine kruiden met weinige bladparen zonder bloemen; naar den top van den stengel worden de bladeren geleidelijk kleiner en hebben daar ieder een bijna zittende bloem in de bladokselNeurotheca.6b.Stempellobben niet draadvormig doch plat en min of meer eirond77a.Bloeiende stengel onvertakt; naar boven de bloemen dragend, in de oksels van kleine schutbladeren of de schutbladeren geheel verdwenen en de bloemen in een lange aarvormige tros; in het eerste geval de bloemen talrijk aan elke stengel. Kelk aan de basis met 3 kleine spitse blaadjes. Helmknoppen pijlvormig aan den voetCoutoubea.7b.Bloeistengel weinigbloemig en onvertakt of veelbloemig en vertakt88a.Bladeren forsch en breed. Kelk 5–6-lobbig. Bloemkroon groot, naar boven geleidelijk wijder wordend en in de slippen overgaand. Meeldraden in het onderste deel van de buis ingehecht; helmdraden niet alle even lang. Stijl draadvormig. Doosvrucht hangend. Bloeistengel naar boven vertakt, vaak eerst in twee takken verdeeld, later nog meer gespletenChelonanthus.8b.Bladeren klein en smal99a.Kelkslippen 5, stomp, niet gekield.Kroon trechtervormig met 5 spitse slippen. Meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Kleine kruiden met weinige bloemenIrlbachia.9b.Bloemen meest 4-, soms ook 5-tallig. Kelkslippen spits; kelkbuis met vleugels of kielen. Kroon trechtervormig, de buis boven het vruchtbeginsel versmald, hoogerop weer verwijd. Helmknoppen stomp, helmdraden meest aan de basis verbreed en getand. Weinige bloemen aan den stengelSchultesia.
Bloemen meest 4–5-tallig, zelden 6–12-tallig, sympetaal, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon in de knop meest gedraaid; zelden de slippen met de randen tegen elkaar liggend; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden eenige ontbrekend, met de bloemkroon vergroeid, vruchtbeginsel meest 1-hokkig, zelden 2-hokkig, met twee zaadlijsten met vele zaadknoppen; stijl enkelvoudig of tweespletig; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden, zelden heesters, meest kaal; bladeren meest tegenoverstaand, gaafrandig zonder steunbladeren.
1a.Waterplanten. Bladeren aan den voet ingesneden, overigens bijna cirkelrond, op het water drijvend. Bloemen in groepen schijnbaar uit de bladsteel te voorschijn komend. Kelk met 5 smalle lobben. Bloemkroon met zeer korte buisLimnanthemum.
1b.Landplanten2
2a.Planten geheel kruidachtig en sappig, met kleine bladeren; zoowel bladeren als stengels zonder bladgroen3
2b.Planten vaak een weinig verhout, met groene bladeren en groene stengel (ten minste het jongste deel van den stengel)5
3a.Stengels kort, veelbloemig; wortelstok dik en knolvormig. Bloemen groot met lange buisVoyria.
3b.Stengels verlengd, vertakt of onvertakt, soms met slechts 1 bloem, soms met de bloemen in trossen of hoofdjes aan het eind. Wortelstok dun4
4a.Bloemen zeer klein, buis van de bloemkroon niet veel langer dan de kelk.Bloeiwijze zeer dicht gedrongen, veelbloemig aan het eind van den stengelVoyriella.
4b.Bloeiwijze losser of bloemen alleenstaand aan het eind van den stengel. Bloemkroonbuis veel langer dan de kelkLeiphaemos.
5a.Stempel bolvormig, niet gespleten. Kelk met 4–5 spitse tanden. Kroonbuis naar boven weinig verwijd met korte lobben. Helmknoppen eirond of langwerpig. Kruiden met zeer kleine tegenoverstaande bladeren, en een rechtopstaande bloeiwijze, die naar boven zich regelmatig in de bloeiwijze vertaktCurtia.
5b. Stempel 2-lobbig tot 2-spletig6
6a.Stempel met 2 draadvormige takken, die zich later ombuigen en eenigszins oprollen. Kelk buisvormig met 4 tanden. Kroon na de bloei blijvend, 4-tallig; meeldraden 4. Kleine kruiden met weinige bladparen zonder bloemen; naar den top van den stengel worden de bladeren geleidelijk kleiner en hebben daar ieder een bijna zittende bloem in de bladokselNeurotheca.
6b.Stempellobben niet draadvormig doch plat en min of meer eirond7
7a.Bloeiende stengel onvertakt; naar boven de bloemen dragend, in de oksels van kleine schutbladeren of de schutbladeren geheel verdwenen en de bloemen in een lange aarvormige tros; in het eerste geval de bloemen talrijk aan elke stengel. Kelk aan de basis met 3 kleine spitse blaadjes. Helmknoppen pijlvormig aan den voetCoutoubea.
7b.Bloeistengel weinigbloemig en onvertakt of veelbloemig en vertakt8
8a.Bladeren forsch en breed. Kelk 5–6-lobbig. Bloemkroon groot, naar boven geleidelijk wijder wordend en in de slippen overgaand. Meeldraden in het onderste deel van de buis ingehecht; helmdraden niet alle even lang. Stijl draadvormig. Doosvrucht hangend. Bloeistengel naar boven vertakt, vaak eerst in twee takken verdeeld, later nog meer gespletenChelonanthus.
8b.Bladeren klein en smal9
9a.Kelkslippen 5, stomp, niet gekield.Kroon trechtervormig met 5 spitse slippen. Meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Kleine kruiden met weinige bloemenIrlbachia.
9b.Bloemen meest 4-, soms ook 5-tallig. Kelkslippen spits; kelkbuis met vleugels of kielen. Kroon trechtervormig, de buis boven het vruchtbeginsel versmald, hoogerop weer verwijd. Helmknoppen stomp, helmdraden meest aan de basis verbreed en getand. Weinige bloemen aan den stengelSchultesia.
247.Apocynaceae.Bloemen 5-, zelden 4-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar; meeldraden in de kroonbuis ingehecht, met lange en smalle of pijlvormige helmknoppen met omgebogen of spits helmbindsel; vruchtbeginsels zelden meer dan 2, meest met vele zaadknoppen, van onderen vrij of tot een 2- of 1-hokkig vruchtbeginsel vergroeid; endan met 1 stijl, in het eerste geval de stijlen van boven vergroeid met een dikke stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met enkelvoudige, meest tegenoverstaande bladeren; melksap aanwezig.1a.Helmknoppen vrij of maar zeer los met de stempel samenhangend, meest geheel met stuifmeel gevuld; zelden (alleen bij Tabernaemontana) hebben de helmhokjes aan den voet een aanhangsel, dat geen stuifmeel bevat. Zaden zonder haarpluis21b.Helmknoppen vast met den stempel en in den regel ook onderling verbonden; helmhokjes aan de basis met een verlenging, die geen stuifmeel bevat, daardoor is de helmknop pijlvormig. Zaden (uitgezonderd Malouetia) met haarpluis102a.Vruchtbeginsels geheel met elkaar vergroeid; daardoor de stijlen tot aan de basis aan elkaar vastzittend32b.Vruchtbeginsels alleen aan den voet verbonden, daardoor de stijlen aan de basis vrij van elkaar, naar boven met elkaar vergroeid63a.Bloemen groot, geel; buis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd en in de slippen overgaand. Kelk vrij groot, diep 5-deelig. Lianen met de bladeren vaak in kransen; vrucht een gestekelde met 2 kleppen openspringende doosvruchtAllamanda.Wilkens-bita.3b.Bloemkroonbuis niet of nauwelijks naar boven verwijd; bloemen klein44a.Bloeiwijze aan het eind van den stengel, zeer lang en meest wat windend, bezet met korte zijtakken, die aan hun eind de bloemen in dichte hoofdjes dragen. Kelk klein. Helmknoppen spits; bloemkroonslippen smal. Vrucht glad, bolvormig, groot met vele zaden, die in een moes zijn ingebedLandolphia.4b.Bloemen in okselstandige of eindstandige bijschermen55a.Buis van de bloemkroon aan de mond onbehaard. Meeldraden onder het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Bes langwerpig. BoomenAmbelania.Bati-bati;Mampa.5b.Buis van de bloemkroon aan den mond behaard. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 1-hokkig. Bes bolvormig of wat langwerpig. BoomenCouma.Pera.6a.Bladeren in kransen van 3 (soms meer dan 3). Bloemkroon met cylindervormige buis, op de aanhechtingsplaats der meeldraden wat verwijdRauwolfia.6b.Bladeren dichtgedrongen aan den stengel, niet tegenoverstaand76c.Bladeren tegenoverstaand87a.Bladeren zeer smal. Bloembuis van onderen nauw cylindervormig, naar boven plotseling klokvormig verwijd, behaard, met 5 schubben, die boven de meeldraden staan. Kleine boomen of heestersThevetia.Jurri-jurri.7b.Bladeren breed, hoofdnerf met regelmatige, evenwijdige zijnerven. Bloemkroonbuis cylindrisch, dun; meeldraden dicht bij de basis ingehecht. Vruchtbeginsels halfonderstandig. Boomen met dikke takkenPlumiera.8a.Bloemen zeer klein, meest nog kleiner dan ½ c.M., met cylindervormige bloemkroonbuis en zeer scheeve slippen. Heesters of lianen met veelbloemige, sterk vertakte bloeiwijzenCondylocarpus.8b.Bloemen grooter dan 1 c.M.99a.Kleine rechtopstaande kruiden of nauwelijks verhoute planten met kort gesteelde naar den voet versmalde bladeren die in hun oksels alleenstaande bloemen dragen. Bloemkroonbuis nauw, helmknoppen langwerpig boven in de buis ingehecht. Bloemen purperLochnera.9b.Boomen of heesters, met meest weinigbloemige en kleine bloeiwijzen. Kelk met klieren; meeldraden onder, in het midden of boven in de buis bevestigd; helmknoppen bijna steeds aan den voet pijlvormig, doch niet met den stempel verbonden. Deelvruchten aan één zijde openspringend, glad of met knobbelsTabernaemontana.10a.Helmknoppen in een kegel verbonden; kegel in de bloemkroonbuis ingesloten1110b.Kegel der helmknoppen buiten de bloemkroonbuis uitstekend1711a.Bloemkroonbuis naar boven maar weinig verwijd met schubben aan den mond; helmknoppen zeer spits. Heesters met smalle leerachtige bladeren in kransen van 3Nerium.11b.Bloemkroonbuis zonder schubben1212a.Bloemen hoogstens 1 c.M. groot met een nauwe cylindervormige buis, die alleen op de inhechtingsplaats van de meeldraden wat verwijd is. Kelk met 5 klieren aan de binnenzijde. Meeldraden op de halve hoogte van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel met een schotelvormige schijf om de basis. Onder den stempel geen verdikte ring aanwezig. Bloemen in dichte, sterk vertakte bloeiwijzenSecondatia.12b.Bloemen grooter dan 1 c.M. Bloemkroonbuis in het bovendeel duidelijk wijder dan het onderste deel1313a.Schijf uit 2 schubben bestaand die met de vruchtbeginsels afwisselen. Kelk aan de binnenzijde met schubvormige klieren. Bloemkroonbuis van onderen aan de binnenzijde dicht behaard. Meest kleine heesters, maar weinig klimmendDipladenia.13b.Schijf uit 5 schubben bestaand of ringvormig1414a.Bloeiwijzen zeer sterk vertakt, met vele bloemen. Kelk diep gedeeld, met vaak een weinig ongelijke slippen, die slechts weinig klieren aan de binnenzijde hebben. Bloemkroon met dunne beneden- en verwijde bovenbuis. Schijf schotelvormig of cylindervormig, aan den rand meest gelobdOdontadenia.14b.Bloeiwijzen òf geheel trosvormig, òf slechts enkele malen vertakt en de uiterste takken trosvormig1515a.Bovenste helft van de bloemkroonbuis weinig wijder dan de onderste helft, niet klokvormig, doch buisvormig, meest bij den mond weer wat vernauwd.Kelk met vele klieren of met 5 schubben aan de binnenzijde. Schijf 5-lobbig tot 5-deeligEchites.15b.Bloemkroonbuis naar boven duidelijk klok- of trechtervormig verwijd1616a.Bladeren aan den voet sterk toegespitst, aan den top vaak min of meer afgerond met een puntje. Bloemen in duidelijke trossen dus alleenstaand in den oksel der schutbladeren. Kelk met weinig of zonder klieren aan de binnenzijdeRhabdadenia.16b.Bladeren aan de voet min of meer duidelijk hartvormig ingesneden, nooit naar den voet versmald; aan den top geleidelijk smaller wordend. Bloemen vaak 2 aan twee bij elkaar in den oksel van een schutblad; kelk met vele klieren aan de binnenzijdeMandevilla.17a.Bloemkroon met cylindervormige, bij de meeldraden wat verwijde buis, aan den mond met een ring of met schubben. Kelkslippen breed, van binnen met een schub. Schijf buisvormig, 5-lobbig. Planten kaal of dicht behaardPrestonia.17b.Bloemkroonbuis zonder schubben aan de mond, of met zeer kleine schubben1818a.Bloemen zeer klein met uiterst korte buis. Bloeiwijze sterk vertakt, veelbloemig. LianenForsteronia.18b.Bloemen vrij groot met een goed ontwikkelde buis. Heesters, niet klimmend1919a.Kelk klein, diep 5-deelig met stompe slippen. Schijf ring- of schotelvormig, meest 5-lobbig. Vruchtbeginsel behaard. Bloemen langgesteeld in schermvormige trossen. Zaden zonder haarpluisMalouetia.19b.Kelk met spitse, aan de rugzijde min of meer gekielde slippen. Bloemkroon als de vorige. Schijf bekervormig, 5-lobbig. Zaden geheel door een wollig omhulsel omgeven, overigens zonder haarpluisRobbia.
247.Apocynaceae.
Bloemen 5-, zelden 4-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar; meeldraden in de kroonbuis ingehecht, met lange en smalle of pijlvormige helmknoppen met omgebogen of spits helmbindsel; vruchtbeginsels zelden meer dan 2, meest met vele zaadknoppen, van onderen vrij of tot een 2- of 1-hokkig vruchtbeginsel vergroeid; endan met 1 stijl, in het eerste geval de stijlen van boven vergroeid met een dikke stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met enkelvoudige, meest tegenoverstaande bladeren; melksap aanwezig.1a.Helmknoppen vrij of maar zeer los met de stempel samenhangend, meest geheel met stuifmeel gevuld; zelden (alleen bij Tabernaemontana) hebben de helmhokjes aan den voet een aanhangsel, dat geen stuifmeel bevat. Zaden zonder haarpluis21b.Helmknoppen vast met den stempel en in den regel ook onderling verbonden; helmhokjes aan de basis met een verlenging, die geen stuifmeel bevat, daardoor is de helmknop pijlvormig. Zaden (uitgezonderd Malouetia) met haarpluis102a.Vruchtbeginsels geheel met elkaar vergroeid; daardoor de stijlen tot aan de basis aan elkaar vastzittend32b.Vruchtbeginsels alleen aan den voet verbonden, daardoor de stijlen aan de basis vrij van elkaar, naar boven met elkaar vergroeid63a.Bloemen groot, geel; buis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd en in de slippen overgaand. Kelk vrij groot, diep 5-deelig. Lianen met de bladeren vaak in kransen; vrucht een gestekelde met 2 kleppen openspringende doosvruchtAllamanda.Wilkens-bita.3b.Bloemkroonbuis niet of nauwelijks naar boven verwijd; bloemen klein44a.Bloeiwijze aan het eind van den stengel, zeer lang en meest wat windend, bezet met korte zijtakken, die aan hun eind de bloemen in dichte hoofdjes dragen. Kelk klein. Helmknoppen spits; bloemkroonslippen smal. Vrucht glad, bolvormig, groot met vele zaden, die in een moes zijn ingebedLandolphia.4b.Bloemen in okselstandige of eindstandige bijschermen55a.Buis van de bloemkroon aan de mond onbehaard. Meeldraden onder het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Bes langwerpig. BoomenAmbelania.Bati-bati;Mampa.5b.Buis van de bloemkroon aan den mond behaard. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 1-hokkig. Bes bolvormig of wat langwerpig. BoomenCouma.Pera.6a.Bladeren in kransen van 3 (soms meer dan 3). Bloemkroon met cylindervormige buis, op de aanhechtingsplaats der meeldraden wat verwijdRauwolfia.6b.Bladeren dichtgedrongen aan den stengel, niet tegenoverstaand76c.Bladeren tegenoverstaand87a.Bladeren zeer smal. Bloembuis van onderen nauw cylindervormig, naar boven plotseling klokvormig verwijd, behaard, met 5 schubben, die boven de meeldraden staan. Kleine boomen of heestersThevetia.Jurri-jurri.7b.Bladeren breed, hoofdnerf met regelmatige, evenwijdige zijnerven. Bloemkroonbuis cylindrisch, dun; meeldraden dicht bij de basis ingehecht. Vruchtbeginsels halfonderstandig. Boomen met dikke takkenPlumiera.8a.Bloemen zeer klein, meest nog kleiner dan ½ c.M., met cylindervormige bloemkroonbuis en zeer scheeve slippen. Heesters of lianen met veelbloemige, sterk vertakte bloeiwijzenCondylocarpus.8b.Bloemen grooter dan 1 c.M.99a.Kleine rechtopstaande kruiden of nauwelijks verhoute planten met kort gesteelde naar den voet versmalde bladeren die in hun oksels alleenstaande bloemen dragen. Bloemkroonbuis nauw, helmknoppen langwerpig boven in de buis ingehecht. Bloemen purperLochnera.9b.Boomen of heesters, met meest weinigbloemige en kleine bloeiwijzen. Kelk met klieren; meeldraden onder, in het midden of boven in de buis bevestigd; helmknoppen bijna steeds aan den voet pijlvormig, doch niet met den stempel verbonden. Deelvruchten aan één zijde openspringend, glad of met knobbelsTabernaemontana.10a.Helmknoppen in een kegel verbonden; kegel in de bloemkroonbuis ingesloten1110b.Kegel der helmknoppen buiten de bloemkroonbuis uitstekend1711a.Bloemkroonbuis naar boven maar weinig verwijd met schubben aan den mond; helmknoppen zeer spits. Heesters met smalle leerachtige bladeren in kransen van 3Nerium.11b.Bloemkroonbuis zonder schubben1212a.Bloemen hoogstens 1 c.M. groot met een nauwe cylindervormige buis, die alleen op de inhechtingsplaats van de meeldraden wat verwijd is. Kelk met 5 klieren aan de binnenzijde. Meeldraden op de halve hoogte van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel met een schotelvormige schijf om de basis. Onder den stempel geen verdikte ring aanwezig. Bloemen in dichte, sterk vertakte bloeiwijzenSecondatia.12b.Bloemen grooter dan 1 c.M. Bloemkroonbuis in het bovendeel duidelijk wijder dan het onderste deel1313a.Schijf uit 2 schubben bestaand die met de vruchtbeginsels afwisselen. Kelk aan de binnenzijde met schubvormige klieren. Bloemkroonbuis van onderen aan de binnenzijde dicht behaard. Meest kleine heesters, maar weinig klimmendDipladenia.13b.Schijf uit 5 schubben bestaand of ringvormig1414a.Bloeiwijzen zeer sterk vertakt, met vele bloemen. Kelk diep gedeeld, met vaak een weinig ongelijke slippen, die slechts weinig klieren aan de binnenzijde hebben. Bloemkroon met dunne beneden- en verwijde bovenbuis. Schijf schotelvormig of cylindervormig, aan den rand meest gelobdOdontadenia.14b.Bloeiwijzen òf geheel trosvormig, òf slechts enkele malen vertakt en de uiterste takken trosvormig1515a.Bovenste helft van de bloemkroonbuis weinig wijder dan de onderste helft, niet klokvormig, doch buisvormig, meest bij den mond weer wat vernauwd.Kelk met vele klieren of met 5 schubben aan de binnenzijde. Schijf 5-lobbig tot 5-deeligEchites.15b.Bloemkroonbuis naar boven duidelijk klok- of trechtervormig verwijd1616a.Bladeren aan den voet sterk toegespitst, aan den top vaak min of meer afgerond met een puntje. Bloemen in duidelijke trossen dus alleenstaand in den oksel der schutbladeren. Kelk met weinig of zonder klieren aan de binnenzijdeRhabdadenia.16b.Bladeren aan de voet min of meer duidelijk hartvormig ingesneden, nooit naar den voet versmald; aan den top geleidelijk smaller wordend. Bloemen vaak 2 aan twee bij elkaar in den oksel van een schutblad; kelk met vele klieren aan de binnenzijdeMandevilla.17a.Bloemkroon met cylindervormige, bij de meeldraden wat verwijde buis, aan den mond met een ring of met schubben. Kelkslippen breed, van binnen met een schub. Schijf buisvormig, 5-lobbig. Planten kaal of dicht behaardPrestonia.17b.Bloemkroonbuis zonder schubben aan de mond, of met zeer kleine schubben1818a.Bloemen zeer klein met uiterst korte buis. Bloeiwijze sterk vertakt, veelbloemig. LianenForsteronia.18b.Bloemen vrij groot met een goed ontwikkelde buis. Heesters, niet klimmend1919a.Kelk klein, diep 5-deelig met stompe slippen. Schijf ring- of schotelvormig, meest 5-lobbig. Vruchtbeginsel behaard. Bloemen langgesteeld in schermvormige trossen. Zaden zonder haarpluisMalouetia.19b.Kelk met spitse, aan de rugzijde min of meer gekielde slippen. Bloemkroon als de vorige. Schijf bekervormig, 5-lobbig. Zaden geheel door een wollig omhulsel omgeven, overigens zonder haarpluisRobbia.
Bloemen 5-, zelden 4-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar; meeldraden in de kroonbuis ingehecht, met lange en smalle of pijlvormige helmknoppen met omgebogen of spits helmbindsel; vruchtbeginsels zelden meer dan 2, meest met vele zaadknoppen, van onderen vrij of tot een 2- of 1-hokkig vruchtbeginsel vergroeid; endan met 1 stijl, in het eerste geval de stijlen van boven vergroeid met een dikke stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met enkelvoudige, meest tegenoverstaande bladeren; melksap aanwezig.
1a.Helmknoppen vrij of maar zeer los met de stempel samenhangend, meest geheel met stuifmeel gevuld; zelden (alleen bij Tabernaemontana) hebben de helmhokjes aan den voet een aanhangsel, dat geen stuifmeel bevat. Zaden zonder haarpluis2
1b.Helmknoppen vast met den stempel en in den regel ook onderling verbonden; helmhokjes aan de basis met een verlenging, die geen stuifmeel bevat, daardoor is de helmknop pijlvormig. Zaden (uitgezonderd Malouetia) met haarpluis10
2a.Vruchtbeginsels geheel met elkaar vergroeid; daardoor de stijlen tot aan de basis aan elkaar vastzittend3
2b.Vruchtbeginsels alleen aan den voet verbonden, daardoor de stijlen aan de basis vrij van elkaar, naar boven met elkaar vergroeid6
3a.Bloemen groot, geel; buis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd en in de slippen overgaand. Kelk vrij groot, diep 5-deelig. Lianen met de bladeren vaak in kransen; vrucht een gestekelde met 2 kleppen openspringende doosvruchtAllamanda.Wilkens-bita.
3b.Bloemkroonbuis niet of nauwelijks naar boven verwijd; bloemen klein4
4a.Bloeiwijze aan het eind van den stengel, zeer lang en meest wat windend, bezet met korte zijtakken, die aan hun eind de bloemen in dichte hoofdjes dragen. Kelk klein. Helmknoppen spits; bloemkroonslippen smal. Vrucht glad, bolvormig, groot met vele zaden, die in een moes zijn ingebedLandolphia.
4b.Bloemen in okselstandige of eindstandige bijschermen5
5a.Buis van de bloemkroon aan de mond onbehaard. Meeldraden onder het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Bes langwerpig. BoomenAmbelania.Bati-bati;Mampa.
5b.Buis van de bloemkroon aan den mond behaard. Meeldraden in het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 1-hokkig. Bes bolvormig of wat langwerpig. BoomenCouma.Pera.
6a.Bladeren in kransen van 3 (soms meer dan 3). Bloemkroon met cylindervormige buis, op de aanhechtingsplaats der meeldraden wat verwijdRauwolfia.
6b.Bladeren dichtgedrongen aan den stengel, niet tegenoverstaand7
6c.Bladeren tegenoverstaand8
7a.Bladeren zeer smal. Bloembuis van onderen nauw cylindervormig, naar boven plotseling klokvormig verwijd, behaard, met 5 schubben, die boven de meeldraden staan. Kleine boomen of heestersThevetia.Jurri-jurri.
7b.Bladeren breed, hoofdnerf met regelmatige, evenwijdige zijnerven. Bloemkroonbuis cylindrisch, dun; meeldraden dicht bij de basis ingehecht. Vruchtbeginsels halfonderstandig. Boomen met dikke takkenPlumiera.
8a.Bloemen zeer klein, meest nog kleiner dan ½ c.M., met cylindervormige bloemkroonbuis en zeer scheeve slippen. Heesters of lianen met veelbloemige, sterk vertakte bloeiwijzenCondylocarpus.
8b.Bloemen grooter dan 1 c.M.9
9a.Kleine rechtopstaande kruiden of nauwelijks verhoute planten met kort gesteelde naar den voet versmalde bladeren die in hun oksels alleenstaande bloemen dragen. Bloemkroonbuis nauw, helmknoppen langwerpig boven in de buis ingehecht. Bloemen purperLochnera.
9b.Boomen of heesters, met meest weinigbloemige en kleine bloeiwijzen. Kelk met klieren; meeldraden onder, in het midden of boven in de buis bevestigd; helmknoppen bijna steeds aan den voet pijlvormig, doch niet met den stempel verbonden. Deelvruchten aan één zijde openspringend, glad of met knobbelsTabernaemontana.
10a.Helmknoppen in een kegel verbonden; kegel in de bloemkroonbuis ingesloten11
10b.Kegel der helmknoppen buiten de bloemkroonbuis uitstekend17
11a.Bloemkroonbuis naar boven maar weinig verwijd met schubben aan den mond; helmknoppen zeer spits. Heesters met smalle leerachtige bladeren in kransen van 3Nerium.
11b.Bloemkroonbuis zonder schubben12
12a.Bloemen hoogstens 1 c.M. groot met een nauwe cylindervormige buis, die alleen op de inhechtingsplaats van de meeldraden wat verwijd is. Kelk met 5 klieren aan de binnenzijde. Meeldraden op de halve hoogte van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel met een schotelvormige schijf om de basis. Onder den stempel geen verdikte ring aanwezig. Bloemen in dichte, sterk vertakte bloeiwijzenSecondatia.
12b.Bloemen grooter dan 1 c.M. Bloemkroonbuis in het bovendeel duidelijk wijder dan het onderste deel13
13a.Schijf uit 2 schubben bestaand die met de vruchtbeginsels afwisselen. Kelk aan de binnenzijde met schubvormige klieren. Bloemkroonbuis van onderen aan de binnenzijde dicht behaard. Meest kleine heesters, maar weinig klimmendDipladenia.
13b.Schijf uit 5 schubben bestaand of ringvormig14
14a.Bloeiwijzen zeer sterk vertakt, met vele bloemen. Kelk diep gedeeld, met vaak een weinig ongelijke slippen, die slechts weinig klieren aan de binnenzijde hebben. Bloemkroon met dunne beneden- en verwijde bovenbuis. Schijf schotelvormig of cylindervormig, aan den rand meest gelobdOdontadenia.
14b.Bloeiwijzen òf geheel trosvormig, òf slechts enkele malen vertakt en de uiterste takken trosvormig15
15a.Bovenste helft van de bloemkroonbuis weinig wijder dan de onderste helft, niet klokvormig, doch buisvormig, meest bij den mond weer wat vernauwd.Kelk met vele klieren of met 5 schubben aan de binnenzijde. Schijf 5-lobbig tot 5-deeligEchites.
15b.Bloemkroonbuis naar boven duidelijk klok- of trechtervormig verwijd16
16a.Bladeren aan den voet sterk toegespitst, aan den top vaak min of meer afgerond met een puntje. Bloemen in duidelijke trossen dus alleenstaand in den oksel der schutbladeren. Kelk met weinig of zonder klieren aan de binnenzijdeRhabdadenia.
16b.Bladeren aan de voet min of meer duidelijk hartvormig ingesneden, nooit naar den voet versmald; aan den top geleidelijk smaller wordend. Bloemen vaak 2 aan twee bij elkaar in den oksel van een schutblad; kelk met vele klieren aan de binnenzijdeMandevilla.
17a.Bloemkroon met cylindervormige, bij de meeldraden wat verwijde buis, aan den mond met een ring of met schubben. Kelkslippen breed, van binnen met een schub. Schijf buisvormig, 5-lobbig. Planten kaal of dicht behaardPrestonia.
17b.Bloemkroonbuis zonder schubben aan de mond, of met zeer kleine schubben18
18a.Bloemen zeer klein met uiterst korte buis. Bloeiwijze sterk vertakt, veelbloemig. LianenForsteronia.
18b.Bloemen vrij groot met een goed ontwikkelde buis. Heesters, niet klimmend19
19a.Kelk klein, diep 5-deelig met stompe slippen. Schijf ring- of schotelvormig, meest 5-lobbig. Vruchtbeginsel behaard. Bloemen langgesteeld in schermvormige trossen. Zaden zonder haarpluisMalouetia.
19b.Kelk met spitse, aan de rugzijde min of meer gekielde slippen. Bloemkroon als de vorige. Schijf bekervormig, 5-lobbig. Zaden geheel door een wollig omhulsel omgeven, overigens zonder haarpluisRobbia.
248.Asclepiadaceae.Bloemen 5-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren slechts weinig vergroeid; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar liggend, vaak met aanhangselen, die een bijkroon (corona) vormen; meeldraden vrij of vaker aan de basis vergroeid, vaak met aanhangselen die eveneens een bijkroon vormen; stuifmeel meest tot klompjes vereenigd, deze laatste door hoornachtige lichaampjes (translatoren) met den stempelkop verbonden; vruchtbeginsels 2, gescheiden, alleen boven door den stempel verbonden, met vele zaadknoppen; vrucht een dubbele kokervrucht, zaden met een haarkuif; overblijvende kruiden of heesterachtige planten, vaak windend; bladeren tegenoverstaand of in kransen; zelden verspreid zonder steunbladeren; melksap aanwezig.1a.Planten kruidachtig of slechts weinig heesterachtig, niet klimmend21b.Klimmende heesters of kruiden32a.Bladeren smal, gesteeld. Bloemen oranje. Corona met 5 kapvormige slippen, uit welker midden een rechtopstaand, iets naar binnen gebogen, hoornachtig aanhangsel te voorschijn komtAsclepias.2b.Bladeren breed, zittend of bijna zittend. Bloemen van binnen grijs-paars. Slippen van de corona kapvormig, zijdelings samengedrukt, aan de basis met een spoorCalotropis.3a.Bloemen zeer klein (slechts enkele millimeters) in verlengde en wijde bloeiwijzen, nooit in schermen of schermvormige trossen43b.Bloemen in korte, gedrongen trossen of in schermen, groot54a.Kelkbladeren klein, meest stomp. Bloemkroon klokvormig tot stervormig. Slippen van de corona 5, zeer smal. Corona enkelvoudig. Stempel met vlakke top. Bladeren klein, gemakkelijk afvallendMetastelma.4b.Kelkbladeren spits. Bloemkroon klok- tot stervormig. Corona dubbel, de buitenste 5-lobbig, de binnenste bekervormig. Stempel van boven met een bult of een korte snavelTassadia.5a.Bloemkroon van onderen met een goed ontwikkelde cylindervormige buis, die langer is dan de kelk. Corona uit 5 kleine blaadjes bestaande. Top van den stempel kegelvormigMarsdenia.5b.Buis aan den bloemkroon bijna onzichtbaar66a.Bloemen in veelbloemige schermen76b.Bloemen in meest korte, veel- of weinigbloemige trossen87a.Bloemen groen. Plant behaard. Bloemkroon stervormig met dubbele corona; buitenste corona vleezig, diep 5-deeligFischeria.7b.Bloemen wit of geelwit. Bladeren en stengel kaal. Buitenste corona vliezig, onduidelijk gelobdOxystelma.(Philibertia).8a.Bloemen groen, vrij groot, stervormig, diep 5-deelig, in 3–4-bloemige trossen; slippen van de corona hol, met elkaar verbonden. Bladeren met hartvormige voetGonolobus.8b.Bloemen van buiten wit, van binnen paars met witte strepen. Bloemkroon stervormig. Corona 5-lobbig, met priemvormige aanhangselen. Bladeren dun, aan den top spits, aan de voet min of meer hartvormigRoulinia.8c.Bloemen geheel wit. Bloemkroon stervormig. Corona enkelvoudig met kapvormige slippen, rechtopstaand. Plant kaal, bladeren aan den voet hartvormig of afgerondBlepharodon.
248.Asclepiadaceae.
Bloemen 5-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren slechts weinig vergroeid; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar liggend, vaak met aanhangselen, die een bijkroon (corona) vormen; meeldraden vrij of vaker aan de basis vergroeid, vaak met aanhangselen die eveneens een bijkroon vormen; stuifmeel meest tot klompjes vereenigd, deze laatste door hoornachtige lichaampjes (translatoren) met den stempelkop verbonden; vruchtbeginsels 2, gescheiden, alleen boven door den stempel verbonden, met vele zaadknoppen; vrucht een dubbele kokervrucht, zaden met een haarkuif; overblijvende kruiden of heesterachtige planten, vaak windend; bladeren tegenoverstaand of in kransen; zelden verspreid zonder steunbladeren; melksap aanwezig.1a.Planten kruidachtig of slechts weinig heesterachtig, niet klimmend21b.Klimmende heesters of kruiden32a.Bladeren smal, gesteeld. Bloemen oranje. Corona met 5 kapvormige slippen, uit welker midden een rechtopstaand, iets naar binnen gebogen, hoornachtig aanhangsel te voorschijn komtAsclepias.2b.Bladeren breed, zittend of bijna zittend. Bloemen van binnen grijs-paars. Slippen van de corona kapvormig, zijdelings samengedrukt, aan de basis met een spoorCalotropis.3a.Bloemen zeer klein (slechts enkele millimeters) in verlengde en wijde bloeiwijzen, nooit in schermen of schermvormige trossen43b.Bloemen in korte, gedrongen trossen of in schermen, groot54a.Kelkbladeren klein, meest stomp. Bloemkroon klokvormig tot stervormig. Slippen van de corona 5, zeer smal. Corona enkelvoudig. Stempel met vlakke top. Bladeren klein, gemakkelijk afvallendMetastelma.4b.Kelkbladeren spits. Bloemkroon klok- tot stervormig. Corona dubbel, de buitenste 5-lobbig, de binnenste bekervormig. Stempel van boven met een bult of een korte snavelTassadia.5a.Bloemkroon van onderen met een goed ontwikkelde cylindervormige buis, die langer is dan de kelk. Corona uit 5 kleine blaadjes bestaande. Top van den stempel kegelvormigMarsdenia.5b.Buis aan den bloemkroon bijna onzichtbaar66a.Bloemen in veelbloemige schermen76b.Bloemen in meest korte, veel- of weinigbloemige trossen87a.Bloemen groen. Plant behaard. Bloemkroon stervormig met dubbele corona; buitenste corona vleezig, diep 5-deeligFischeria.7b.Bloemen wit of geelwit. Bladeren en stengel kaal. Buitenste corona vliezig, onduidelijk gelobdOxystelma.(Philibertia).8a.Bloemen groen, vrij groot, stervormig, diep 5-deelig, in 3–4-bloemige trossen; slippen van de corona hol, met elkaar verbonden. Bladeren met hartvormige voetGonolobus.8b.Bloemen van buiten wit, van binnen paars met witte strepen. Bloemkroon stervormig. Corona 5-lobbig, met priemvormige aanhangselen. Bladeren dun, aan den top spits, aan de voet min of meer hartvormigRoulinia.8c.Bloemen geheel wit. Bloemkroon stervormig. Corona enkelvoudig met kapvormige slippen, rechtopstaand. Plant kaal, bladeren aan den voet hartvormig of afgerondBlepharodon.
Bloemen 5-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren slechts weinig vergroeid; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar liggend, vaak met aanhangselen, die een bijkroon (corona) vormen; meeldraden vrij of vaker aan de basis vergroeid, vaak met aanhangselen die eveneens een bijkroon vormen; stuifmeel meest tot klompjes vereenigd, deze laatste door hoornachtige lichaampjes (translatoren) met den stempelkop verbonden; vruchtbeginsels 2, gescheiden, alleen boven door den stempel verbonden, met vele zaadknoppen; vrucht een dubbele kokervrucht, zaden met een haarkuif; overblijvende kruiden of heesterachtige planten, vaak windend; bladeren tegenoverstaand of in kransen; zelden verspreid zonder steunbladeren; melksap aanwezig.
1a.Planten kruidachtig of slechts weinig heesterachtig, niet klimmend2
1b.Klimmende heesters of kruiden3
2a.Bladeren smal, gesteeld. Bloemen oranje. Corona met 5 kapvormige slippen, uit welker midden een rechtopstaand, iets naar binnen gebogen, hoornachtig aanhangsel te voorschijn komtAsclepias.
2b.Bladeren breed, zittend of bijna zittend. Bloemen van binnen grijs-paars. Slippen van de corona kapvormig, zijdelings samengedrukt, aan de basis met een spoorCalotropis.
3a.Bloemen zeer klein (slechts enkele millimeters) in verlengde en wijde bloeiwijzen, nooit in schermen of schermvormige trossen4
3b.Bloemen in korte, gedrongen trossen of in schermen, groot5
4a.Kelkbladeren klein, meest stomp. Bloemkroon klokvormig tot stervormig. Slippen van de corona 5, zeer smal. Corona enkelvoudig. Stempel met vlakke top. Bladeren klein, gemakkelijk afvallendMetastelma.
4b.Kelkbladeren spits. Bloemkroon klok- tot stervormig. Corona dubbel, de buitenste 5-lobbig, de binnenste bekervormig. Stempel van boven met een bult of een korte snavelTassadia.
5a.Bloemkroon van onderen met een goed ontwikkelde cylindervormige buis, die langer is dan de kelk. Corona uit 5 kleine blaadjes bestaande. Top van den stempel kegelvormigMarsdenia.
5b.Buis aan den bloemkroon bijna onzichtbaar6
6a.Bloemen in veelbloemige schermen7
6b.Bloemen in meest korte, veel- of weinigbloemige trossen8
7a.Bloemen groen. Plant behaard. Bloemkroon stervormig met dubbele corona; buitenste corona vleezig, diep 5-deeligFischeria.
7b.Bloemen wit of geelwit. Bladeren en stengel kaal. Buitenste corona vliezig, onduidelijk gelobdOxystelma.(Philibertia).
8a.Bloemen groen, vrij groot, stervormig, diep 5-deelig, in 3–4-bloemige trossen; slippen van de corona hol, met elkaar verbonden. Bladeren met hartvormige voetGonolobus.
8b.Bloemen van buiten wit, van binnen paars met witte strepen. Bloemkroon stervormig. Corona 5-lobbig, met priemvormige aanhangselen. Bladeren dun, aan den top spits, aan de voet min of meer hartvormigRoulinia.
8c.Bloemen geheel wit. Bloemkroon stervormig. Corona enkelvoudig met kapvormige slippen, rechtopstaand. Plant kaal, bladeren aan den voet hartvormig of afgerondBlepharodon.