Chapter 38

Voor-windmaeckt rechte streken.Huyghens.Hofwijck.Voorzeiler, z. n. m. — Schip, dat vooruitzeilt, dat de overigen geleidt. Zoo de Loodsboot, of ander vaartuig, dat, by het in- of uitloopen van een naauwen doortocht voorzeilt.Voorzien, b. w. — Helpen, steunen, beschutten.Een touwV—(het bekleeden).De booten van roeiersV—(bemannen).Vracht, z. n. v. — 1o. Lading: goederen, welke het schip bestemd is over te brengen. OpV—varen(varen, om lading, omV—te bekomen).Een schip, datV—zoekt.2o. Hetgeen voor de overvaart, ’t zij van goederen of personen, betaald wordt.Voor halveV—meêvaren.Hoe veel is deV—?Spreekwijze:Hy heeft de vracht beet(hy heeft geld gewonnen).Hy heeft de vracht in(hy is dronken).Alle vrachtjens helpen(veel kleintjens maken een groot).Vrachtbrief, z. n. m. — ZieCherteparty.Vrachtlijst, z. n. v. — Lijst, waarop de ingeladen goederen staan vermeld.Vrachtschip, z. n. o. ofVrachtvaarder. — Schip, dat goederen overbrengt.Vrachtvaarder, z. n. m. — ZieVrachtschip.Vrachtvaart, z. n. v. — De vaart met Vrachtschepen.DeV—op dat land is zeer uitgebreid.Vrang, z. n. v. — Het middel- of buikstuk van elk spant, dat in de kiel en binnenkiel rechthoekig sluit.HalveV—van het groot spant.De voet,hiel,onderkant van een scherpeV—.Vlakke,platte,scherpeV—en.Half scherpeV—en,ingetrokkenV—en.V—envan het vlak,middelV—en.V—envan een kattespoor.HalveV—der kattesporen.Gemaakte halve of heeleV—.Gelaschte halve of heeleV—(die uit twee stukken is saêmgesteld).Vredevlag, z. n. v. — ZieVlag.Vreetschepen, z. n. o. mv. — Eigenaardige benaming, welke men aan de konvooischepen plach te geven.Vreevuur, z. n. o. — ZieDwaallicht.Vriezen, o. w. — Tot ijs stollen.Vroegkost, z. n. v. — Ontbijt.Vrijbuiten, o. w. — Op roof uitgaan.De Britten afgericht op rooven envrybuiten,Braveerden lang ter zee met zwakke leere schuiten.Vondel,Zeevaert.Vrijbuiter,Zeevrijbuiter, z. n. m. — Zeeroover.Antonidesbezigt in zijnIJstroomden min gewonen vorm:Vrijbuitenaar:Dezeevrybuitenaarsverdelgende in hun vlucht.Vrijhouden, b. w. — Ontslaan, ontdoen, vrijwaren.Een schip van waterV—.ZieLens.Een ankerV—(beletten dat het, by ’t ophalen, tegen het schip stoote).Vrijzetten, b. w. — Nagenoeg ’t zelfde alsVrijhouden.Vuil, b. n. — Wordt een schip genoemd, als zijn kiel met schelpen of andere onreinheden begroeid is, die zijn loop vertragen: of een kust, die met verborgen klippen is bezet.Spreekwijze:V—egronden bederven de kabels.ZieKabel.Vuilebras. z. n. v. (veroud). — De tobbe of kuip, waar de varsebalie het vleesch in plach te ververschen.Spreekwijze:Hy trekt aan deV—(hy werkt door, of verkeerd, tot eigen schade)—om dat, wie aan deV—Btrok, het vuile water over ’t lijf kreeg.Vuilen, z. n. m. mv. — Vuile gronden, gevaarlijk om over te zeilen, of waarin het anker niet houdt.Vuil water maken, o. w. — Door den modder zeilen zonder vast te raken.Vuist, z. n. v. — Zware hamer, by ’t scheepssmidgereedschap.Vulhout, z. n. o. — Hout, gebezigd om de luchten te vullen.Vullen, b. w. — De wind wordt gezegd de zeilen teV—als hy die doet volstaan.Vullingsgaten, z. n. o. mv. ofWalmgaten. — Zoggaten, sleuven langs al de spanten van den binnenkant der karkas van een schip loopende, en tot galei dienende, langs welke het water van de uiteinden des vaartuigs naar de pompen loopt.Vullingsplank, z. n. v. — Plank, waarin de Vullingsgaten zijn aangebracht.Vullings, z. n. v. mv. — Openingen, die by het bouwen van een schip langs de binnenhuid worden gelaten om doortocht te verschaffen aan lucht of aan water.Vuren, o. w. — 1o. Vuur geven, schieten.Zy hielden niet op metV—.Vuur bakboord,Vuur stuurboord(lost het geschut van bakboord, van stuurboordzijde).2o. Lichten. Het water wordt gezegd teV—, wanneer de zee ’s nachts by elke beweging glanst als Vuur: de branding op de klippen doet zich daardoor op een afstand kennen.Vuur, z. n. o. — 1o. Baak, kustlicht.Wy hebben hetV—van Marken in ’t gezicht(het licht van den Vuurtoren.)Op dien kaap is een draaiendV—geplaatst(een kustlicht, waarvan de glazen beweegbaar zijn, zoodat het licht schijnt te draaien.)DrijvendV—(vuurschip, dat tot baken dient.)Rood,oranjegeelV—(gekleurd licht).2o. Schot.V—geven(schoten doen.)Over beide boordenV—geven (het geschut van wederszijden van het schip lossen.)Wy dwongen den vyand zijnV—te staken(met schieten op te houden.)Een goed onderhoudenV—.3o. Branding. ZieVuren.EenV—in lij!4o.St. ElmusV—elektrieke vlammen, die zich by stormweer op de nokken en toppen vertoonen.5o. In zijn gewone beteekenis:Als de wacht opgezeten, moetV—, licht en pijpjens uit, was de oude consigne aan boord.6o. Kanker, die het hout wegvreet. ZieVervuren.Vuurbaak, z. n. v. — ZieBaak.Vuurblaas, z. n. m. — Benaming, welke men oudtijds aan een schip van Vuren hout plach te geven.Vuurflesch, z. n. v. (veroud.) — Flesch met buskruit gevuld, en van een lont voorzien, hoedanige men onder het gevecht op vyandelijke schepen plach te werpen.Vuurkleeden, z. n. o. mv. (veroud.) — Natte huiden, waarmede men de barrings tegen ’t werpen van granaten plach te bedekken.Vuurschip, z. n. o. — Schip, dat tot kustlicht dient.Vuurtoren, z. n. m. — Vuurbaak, brandaris, toren, aan den ingang van een haven of elders geplaatst en op wiens top Vuren of lichten branden, om aan de schepen tot baak te dienen.Vijgetouw, z. n. o. — Biezetouw, dat in de Middellandsche zee veel gebruikt wordt. Touw, van den bast des Vijgebooms geslagen werd vroeger zeer algemeen gebezigd.Vijstingen, z. n. v. mv. (veroud.) — Bouten, met yzeren banden doornageld, dienende om de masten steun te geven en recht in het spoor te houden.

Voor-windmaeckt rechte streken.Huyghens.Hofwijck.Voorzeiler, z. n. m. — Schip, dat vooruitzeilt, dat de overigen geleidt. Zoo de Loodsboot, of ander vaartuig, dat, by het in- of uitloopen van een naauwen doortocht voorzeilt.Voorzien, b. w. — Helpen, steunen, beschutten.Een touwV—(het bekleeden).De booten van roeiersV—(bemannen).Vracht, z. n. v. — 1o. Lading: goederen, welke het schip bestemd is over te brengen. OpV—varen(varen, om lading, omV—te bekomen).Een schip, datV—zoekt.2o. Hetgeen voor de overvaart, ’t zij van goederen of personen, betaald wordt.Voor halveV—meêvaren.Hoe veel is deV—?Spreekwijze:Hy heeft de vracht beet(hy heeft geld gewonnen).Hy heeft de vracht in(hy is dronken).Alle vrachtjens helpen(veel kleintjens maken een groot).Vrachtbrief, z. n. m. — ZieCherteparty.Vrachtlijst, z. n. v. — Lijst, waarop de ingeladen goederen staan vermeld.Vrachtschip, z. n. o. ofVrachtvaarder. — Schip, dat goederen overbrengt.Vrachtvaarder, z. n. m. — ZieVrachtschip.Vrachtvaart, z. n. v. — De vaart met Vrachtschepen.DeV—op dat land is zeer uitgebreid.Vrang, z. n. v. — Het middel- of buikstuk van elk spant, dat in de kiel en binnenkiel rechthoekig sluit.HalveV—van het groot spant.De voet,hiel,onderkant van een scherpeV—.Vlakke,platte,scherpeV—en.Half scherpeV—en,ingetrokkenV—en.V—envan het vlak,middelV—en.V—envan een kattespoor.HalveV—der kattesporen.Gemaakte halve of heeleV—.Gelaschte halve of heeleV—(die uit twee stukken is saêmgesteld).Vredevlag, z. n. v. — ZieVlag.Vreetschepen, z. n. o. mv. — Eigenaardige benaming, welke men aan de konvooischepen plach te geven.Vreevuur, z. n. o. — ZieDwaallicht.Vriezen, o. w. — Tot ijs stollen.Vroegkost, z. n. v. — Ontbijt.Vrijbuiten, o. w. — Op roof uitgaan.De Britten afgericht op rooven envrybuiten,Braveerden lang ter zee met zwakke leere schuiten.Vondel,Zeevaert.Vrijbuiter,Zeevrijbuiter, z. n. m. — Zeeroover.Antonidesbezigt in zijnIJstroomden min gewonen vorm:Vrijbuitenaar:Dezeevrybuitenaarsverdelgende in hun vlucht.Vrijhouden, b. w. — Ontslaan, ontdoen, vrijwaren.Een schip van waterV—.ZieLens.Een ankerV—(beletten dat het, by ’t ophalen, tegen het schip stoote).Vrijzetten, b. w. — Nagenoeg ’t zelfde alsVrijhouden.Vuil, b. n. — Wordt een schip genoemd, als zijn kiel met schelpen of andere onreinheden begroeid is, die zijn loop vertragen: of een kust, die met verborgen klippen is bezet.Spreekwijze:V—egronden bederven de kabels.ZieKabel.Vuilebras. z. n. v. (veroud). — De tobbe of kuip, waar de varsebalie het vleesch in plach te ververschen.Spreekwijze:Hy trekt aan deV—(hy werkt door, of verkeerd, tot eigen schade)—om dat, wie aan deV—Btrok, het vuile water over ’t lijf kreeg.Vuilen, z. n. m. mv. — Vuile gronden, gevaarlijk om over te zeilen, of waarin het anker niet houdt.Vuil water maken, o. w. — Door den modder zeilen zonder vast te raken.Vuist, z. n. v. — Zware hamer, by ’t scheepssmidgereedschap.Vulhout, z. n. o. — Hout, gebezigd om de luchten te vullen.Vullen, b. w. — De wind wordt gezegd de zeilen teV—als hy die doet volstaan.Vullingsgaten, z. n. o. mv. ofWalmgaten. — Zoggaten, sleuven langs al de spanten van den binnenkant der karkas van een schip loopende, en tot galei dienende, langs welke het water van de uiteinden des vaartuigs naar de pompen loopt.Vullingsplank, z. n. v. — Plank, waarin de Vullingsgaten zijn aangebracht.Vullings, z. n. v. mv. — Openingen, die by het bouwen van een schip langs de binnenhuid worden gelaten om doortocht te verschaffen aan lucht of aan water.Vuren, o. w. — 1o. Vuur geven, schieten.Zy hielden niet op metV—.Vuur bakboord,Vuur stuurboord(lost het geschut van bakboord, van stuurboordzijde).2o. Lichten. Het water wordt gezegd teV—, wanneer de zee ’s nachts by elke beweging glanst als Vuur: de branding op de klippen doet zich daardoor op een afstand kennen.Vuur, z. n. o. — 1o. Baak, kustlicht.Wy hebben hetV—van Marken in ’t gezicht(het licht van den Vuurtoren.)Op dien kaap is een draaiendV—geplaatst(een kustlicht, waarvan de glazen beweegbaar zijn, zoodat het licht schijnt te draaien.)DrijvendV—(vuurschip, dat tot baken dient.)Rood,oranjegeelV—(gekleurd licht).2o. Schot.V—geven(schoten doen.)Over beide boordenV—geven (het geschut van wederszijden van het schip lossen.)Wy dwongen den vyand zijnV—te staken(met schieten op te houden.)Een goed onderhoudenV—.3o. Branding. ZieVuren.EenV—in lij!4o.St. ElmusV—elektrieke vlammen, die zich by stormweer op de nokken en toppen vertoonen.5o. In zijn gewone beteekenis:Als de wacht opgezeten, moetV—, licht en pijpjens uit, was de oude consigne aan boord.6o. Kanker, die het hout wegvreet. ZieVervuren.Vuurbaak, z. n. v. — ZieBaak.Vuurblaas, z. n. m. — Benaming, welke men oudtijds aan een schip van Vuren hout plach te geven.Vuurflesch, z. n. v. (veroud.) — Flesch met buskruit gevuld, en van een lont voorzien, hoedanige men onder het gevecht op vyandelijke schepen plach te werpen.Vuurkleeden, z. n. o. mv. (veroud.) — Natte huiden, waarmede men de barrings tegen ’t werpen van granaten plach te bedekken.Vuurschip, z. n. o. — Schip, dat tot kustlicht dient.Vuurtoren, z. n. m. — Vuurbaak, brandaris, toren, aan den ingang van een haven of elders geplaatst en op wiens top Vuren of lichten branden, om aan de schepen tot baak te dienen.Vijgetouw, z. n. o. — Biezetouw, dat in de Middellandsche zee veel gebruikt wordt. Touw, van den bast des Vijgebooms geslagen werd vroeger zeer algemeen gebezigd.Vijstingen, z. n. v. mv. (veroud.) — Bouten, met yzeren banden doornageld, dienende om de masten steun te geven en recht in het spoor te houden.

Voor-windmaeckt rechte streken.Huyghens.Hofwijck.Voorzeiler, z. n. m. — Schip, dat vooruitzeilt, dat de overigen geleidt. Zoo de Loodsboot, of ander vaartuig, dat, by het in- of uitloopen van een naauwen doortocht voorzeilt.Voorzien, b. w. — Helpen, steunen, beschutten.Een touwV—(het bekleeden).De booten van roeiersV—(bemannen).Vracht, z. n. v. — 1o. Lading: goederen, welke het schip bestemd is over te brengen. OpV—varen(varen, om lading, omV—te bekomen).Een schip, datV—zoekt.2o. Hetgeen voor de overvaart, ’t zij van goederen of personen, betaald wordt.Voor halveV—meêvaren.Hoe veel is deV—?Spreekwijze:Hy heeft de vracht beet(hy heeft geld gewonnen).Hy heeft de vracht in(hy is dronken).Alle vrachtjens helpen(veel kleintjens maken een groot).Vrachtbrief, z. n. m. — ZieCherteparty.Vrachtlijst, z. n. v. — Lijst, waarop de ingeladen goederen staan vermeld.Vrachtschip, z. n. o. ofVrachtvaarder. — Schip, dat goederen overbrengt.Vrachtvaarder, z. n. m. — ZieVrachtschip.Vrachtvaart, z. n. v. — De vaart met Vrachtschepen.DeV—op dat land is zeer uitgebreid.Vrang, z. n. v. — Het middel- of buikstuk van elk spant, dat in de kiel en binnenkiel rechthoekig sluit.HalveV—van het groot spant.De voet,hiel,onderkant van een scherpeV—.Vlakke,platte,scherpeV—en.Half scherpeV—en,ingetrokkenV—en.V—envan het vlak,middelV—en.V—envan een kattespoor.HalveV—der kattesporen.Gemaakte halve of heeleV—.Gelaschte halve of heeleV—(die uit twee stukken is saêmgesteld).Vredevlag, z. n. v. — ZieVlag.Vreetschepen, z. n. o. mv. — Eigenaardige benaming, welke men aan de konvooischepen plach te geven.Vreevuur, z. n. o. — ZieDwaallicht.Vriezen, o. w. — Tot ijs stollen.Vroegkost, z. n. v. — Ontbijt.Vrijbuiten, o. w. — Op roof uitgaan.De Britten afgericht op rooven envrybuiten,Braveerden lang ter zee met zwakke leere schuiten.Vondel,Zeevaert.Vrijbuiter,Zeevrijbuiter, z. n. m. — Zeeroover.Antonidesbezigt in zijnIJstroomden min gewonen vorm:Vrijbuitenaar:Dezeevrybuitenaarsverdelgende in hun vlucht.Vrijhouden, b. w. — Ontslaan, ontdoen, vrijwaren.Een schip van waterV—.ZieLens.Een ankerV—(beletten dat het, by ’t ophalen, tegen het schip stoote).Vrijzetten, b. w. — Nagenoeg ’t zelfde alsVrijhouden.Vuil, b. n. — Wordt een schip genoemd, als zijn kiel met schelpen of andere onreinheden begroeid is, die zijn loop vertragen: of een kust, die met verborgen klippen is bezet.Spreekwijze:V—egronden bederven de kabels.ZieKabel.Vuilebras. z. n. v. (veroud). — De tobbe of kuip, waar de varsebalie het vleesch in plach te ververschen.Spreekwijze:Hy trekt aan deV—(hy werkt door, of verkeerd, tot eigen schade)—om dat, wie aan deV—Btrok, het vuile water over ’t lijf kreeg.Vuilen, z. n. m. mv. — Vuile gronden, gevaarlijk om over te zeilen, of waarin het anker niet houdt.Vuil water maken, o. w. — Door den modder zeilen zonder vast te raken.Vuist, z. n. v. — Zware hamer, by ’t scheepssmidgereedschap.Vulhout, z. n. o. — Hout, gebezigd om de luchten te vullen.Vullen, b. w. — De wind wordt gezegd de zeilen teV—als hy die doet volstaan.Vullingsgaten, z. n. o. mv. ofWalmgaten. — Zoggaten, sleuven langs al de spanten van den binnenkant der karkas van een schip loopende, en tot galei dienende, langs welke het water van de uiteinden des vaartuigs naar de pompen loopt.Vullingsplank, z. n. v. — Plank, waarin de Vullingsgaten zijn aangebracht.Vullings, z. n. v. mv. — Openingen, die by het bouwen van een schip langs de binnenhuid worden gelaten om doortocht te verschaffen aan lucht of aan water.Vuren, o. w. — 1o. Vuur geven, schieten.Zy hielden niet op metV—.Vuur bakboord,Vuur stuurboord(lost het geschut van bakboord, van stuurboordzijde).2o. Lichten. Het water wordt gezegd teV—, wanneer de zee ’s nachts by elke beweging glanst als Vuur: de branding op de klippen doet zich daardoor op een afstand kennen.Vuur, z. n. o. — 1o. Baak, kustlicht.Wy hebben hetV—van Marken in ’t gezicht(het licht van den Vuurtoren.)Op dien kaap is een draaiendV—geplaatst(een kustlicht, waarvan de glazen beweegbaar zijn, zoodat het licht schijnt te draaien.)DrijvendV—(vuurschip, dat tot baken dient.)Rood,oranjegeelV—(gekleurd licht).2o. Schot.V—geven(schoten doen.)Over beide boordenV—geven (het geschut van wederszijden van het schip lossen.)Wy dwongen den vyand zijnV—te staken(met schieten op te houden.)Een goed onderhoudenV—.3o. Branding. ZieVuren.EenV—in lij!4o.St. ElmusV—elektrieke vlammen, die zich by stormweer op de nokken en toppen vertoonen.5o. In zijn gewone beteekenis:Als de wacht opgezeten, moetV—, licht en pijpjens uit, was de oude consigne aan boord.6o. Kanker, die het hout wegvreet. ZieVervuren.Vuurbaak, z. n. v. — ZieBaak.Vuurblaas, z. n. m. — Benaming, welke men oudtijds aan een schip van Vuren hout plach te geven.Vuurflesch, z. n. v. (veroud.) — Flesch met buskruit gevuld, en van een lont voorzien, hoedanige men onder het gevecht op vyandelijke schepen plach te werpen.Vuurkleeden, z. n. o. mv. (veroud.) — Natte huiden, waarmede men de barrings tegen ’t werpen van granaten plach te bedekken.Vuurschip, z. n. o. — Schip, dat tot kustlicht dient.Vuurtoren, z. n. m. — Vuurbaak, brandaris, toren, aan den ingang van een haven of elders geplaatst en op wiens top Vuren of lichten branden, om aan de schepen tot baak te dienen.Vijgetouw, z. n. o. — Biezetouw, dat in de Middellandsche zee veel gebruikt wordt. Touw, van den bast des Vijgebooms geslagen werd vroeger zeer algemeen gebezigd.Vijstingen, z. n. v. mv. (veroud.) — Bouten, met yzeren banden doornageld, dienende om de masten steun te geven en recht in het spoor te houden.

Voor-windmaeckt rechte streken.

Voor-windmaeckt rechte streken.

Huyghens.Hofwijck.

Voorzeiler, z. n. m. — Schip, dat vooruitzeilt, dat de overigen geleidt. Zoo de Loodsboot, of ander vaartuig, dat, by het in- of uitloopen van een naauwen doortocht voorzeilt.

Voorzien, b. w. — Helpen, steunen, beschutten.Een touwV—(het bekleeden).De booten van roeiersV—(bemannen).

Vracht, z. n. v. — 1o. Lading: goederen, welke het schip bestemd is over te brengen. OpV—varen(varen, om lading, omV—te bekomen).Een schip, datV—zoekt.

2o. Hetgeen voor de overvaart, ’t zij van goederen of personen, betaald wordt.Voor halveV—meêvaren.Hoe veel is deV—?

Spreekwijze:Hy heeft de vracht beet(hy heeft geld gewonnen).

Hy heeft de vracht in(hy is dronken).

Alle vrachtjens helpen(veel kleintjens maken een groot).

Vrachtbrief, z. n. m. — ZieCherteparty.

Vrachtlijst, z. n. v. — Lijst, waarop de ingeladen goederen staan vermeld.

Vrachtschip, z. n. o. ofVrachtvaarder. — Schip, dat goederen overbrengt.

Vrachtvaarder, z. n. m. — ZieVrachtschip.

Vrachtvaart, z. n. v. — De vaart met Vrachtschepen.DeV—op dat land is zeer uitgebreid.

Vrang, z. n. v. — Het middel- of buikstuk van elk spant, dat in de kiel en binnenkiel rechthoekig sluit.HalveV—van het groot spant.De voet,hiel,onderkant van een scherpeV—.Vlakke,platte,scherpeV—en.Half scherpeV—en,ingetrokkenV—en.V—envan het vlak,middelV—en.V—envan een kattespoor.HalveV—der kattesporen.Gemaakte halve of heeleV—.Gelaschte halve of heeleV—(die uit twee stukken is saêmgesteld).

Vredevlag, z. n. v. — ZieVlag.

Vreetschepen, z. n. o. mv. — Eigenaardige benaming, welke men aan de konvooischepen plach te geven.

Vreevuur, z. n. o. — ZieDwaallicht.

Vriezen, o. w. — Tot ijs stollen.

Vroegkost, z. n. v. — Ontbijt.

Vrijbuiten, o. w. — Op roof uitgaan.

De Britten afgericht op rooven envrybuiten,Braveerden lang ter zee met zwakke leere schuiten.

De Britten afgericht op rooven envrybuiten,

Braveerden lang ter zee met zwakke leere schuiten.

Vondel,Zeevaert.

Vrijbuiter,Zeevrijbuiter, z. n. m. — Zeeroover.Antonidesbezigt in zijnIJstroomden min gewonen vorm:Vrijbuitenaar:

Dezeevrybuitenaarsverdelgende in hun vlucht.

Dezeevrybuitenaarsverdelgende in hun vlucht.

Vrijhouden, b. w. — Ontslaan, ontdoen, vrijwaren.Een schip van waterV—.ZieLens.Een ankerV—(beletten dat het, by ’t ophalen, tegen het schip stoote).

Vrijzetten, b. w. — Nagenoeg ’t zelfde alsVrijhouden.

Vuil, b. n. — Wordt een schip genoemd, als zijn kiel met schelpen of andere onreinheden begroeid is, die zijn loop vertragen: of een kust, die met verborgen klippen is bezet.

Spreekwijze:V—egronden bederven de kabels.ZieKabel.

Vuilebras. z. n. v. (veroud). — De tobbe of kuip, waar de varsebalie het vleesch in plach te ververschen.

Spreekwijze:Hy trekt aan deV—(hy werkt door, of verkeerd, tot eigen schade)—om dat, wie aan deV—Btrok, het vuile water over ’t lijf kreeg.

Vuilen, z. n. m. mv. — Vuile gronden, gevaarlijk om over te zeilen, of waarin het anker niet houdt.

Vuil water maken, o. w. — Door den modder zeilen zonder vast te raken.

Vuist, z. n. v. — Zware hamer, by ’t scheepssmidgereedschap.

Vulhout, z. n. o. — Hout, gebezigd om de luchten te vullen.

Vullen, b. w. — De wind wordt gezegd de zeilen teV—als hy die doet volstaan.

Vullingsgaten, z. n. o. mv. ofWalmgaten. — Zoggaten, sleuven langs al de spanten van den binnenkant der karkas van een schip loopende, en tot galei dienende, langs welke het water van de uiteinden des vaartuigs naar de pompen loopt.

Vullingsplank, z. n. v. — Plank, waarin de Vullingsgaten zijn aangebracht.

Vullings, z. n. v. mv. — Openingen, die by het bouwen van een schip langs de binnenhuid worden gelaten om doortocht te verschaffen aan lucht of aan water.

Vuren, o. w. — 1o. Vuur geven, schieten.Zy hielden niet op metV—.Vuur bakboord,Vuur stuurboord(lost het geschut van bakboord, van stuurboordzijde).

2o. Lichten. Het water wordt gezegd teV—, wanneer de zee ’s nachts by elke beweging glanst als Vuur: de branding op de klippen doet zich daardoor op een afstand kennen.

Vuur, z. n. o. — 1o. Baak, kustlicht.Wy hebben hetV—van Marken in ’t gezicht(het licht van den Vuurtoren.)Op dien kaap is een draaiendV—geplaatst(een kustlicht, waarvan de glazen beweegbaar zijn, zoodat het licht schijnt te draaien.)DrijvendV—(vuurschip, dat tot baken dient.)Rood,oranjegeelV—(gekleurd licht).

2o. Schot.V—geven(schoten doen.)Over beide boordenV—geven (het geschut van wederszijden van het schip lossen.)Wy dwongen den vyand zijnV—te staken(met schieten op te houden.)Een goed onderhoudenV—.

3o. Branding. ZieVuren.EenV—in lij!

4o.St. ElmusV—elektrieke vlammen, die zich by stormweer op de nokken en toppen vertoonen.

5o. In zijn gewone beteekenis:Als de wacht opgezeten, moetV—, licht en pijpjens uit, was de oude consigne aan boord.

6o. Kanker, die het hout wegvreet. ZieVervuren.

Vuurbaak, z. n. v. — ZieBaak.

Vuurblaas, z. n. m. — Benaming, welke men oudtijds aan een schip van Vuren hout plach te geven.

Vuurflesch, z. n. v. (veroud.) — Flesch met buskruit gevuld, en van een lont voorzien, hoedanige men onder het gevecht op vyandelijke schepen plach te werpen.

Vuurkleeden, z. n. o. mv. (veroud.) — Natte huiden, waarmede men de barrings tegen ’t werpen van granaten plach te bedekken.

Vuurschip, z. n. o. — Schip, dat tot kustlicht dient.

Vuurtoren, z. n. m. — Vuurbaak, brandaris, toren, aan den ingang van een haven of elders geplaatst en op wiens top Vuren of lichten branden, om aan de schepen tot baak te dienen.

Vijgetouw, z. n. o. — Biezetouw, dat in de Middellandsche zee veel gebruikt wordt. Touw, van den bast des Vijgebooms geslagen werd vroeger zeer algemeen gebezigd.

Vijstingen, z. n. v. mv. (veroud.) — Bouten, met yzeren banden doornageld, dienende om de masten steun te geven en recht in het spoor te houden.


Back to IndexNext