De Sprookjesfee.

De Sprookjesfee.Wie wel het allermooist vertellen kan? Dat is de sprookjesfee. Die moest jullie eens kunnen hooren! Maar hoe krijg je die te hooren? Ja, dat is maar zoo gemakkelijk niet. Ik weet er maar één, die haar heeft horen vertellen; maar dat was dan ook eene prinses, en die prinses.... Neen, ik wil van voren af aan beginnen.Toen die prinses een prinsesje was, was ze dol op vertellen. En omdat ze een prinsesje was, kreeg ze heel veel vertellingen te hooren. Denk eens aan: zooals andere kinderen wel eens eene juffrouw in huis hebben, om hun te leeren, zoo had het prinsesje eene aparte juffrouw om haar te vertellen. Of ze dan niet behoefde te leeren? Nu—juist heel veel. Daarom zei haar vader, de koning: “Ons kind moet zóóveel leeren, ze moet altijd zoo goed luisteren, om allerlei moeilijke dingen te begrijpen, ze zal ook eens luisteren naar iets, dat niet moeilijk te begrijpen is, luisteren puur voor haar plezier. Ik denk maar zóó: korenbloemen lijken aardig tusschen het koren, al doen ze geen nut. De menschen vinden een korenveld met bloemen vriendelijk om te zien. Vertellingen zijn ook de bloemen tusschen al de moeilijke lessen. En—de korenbloemen doen nog wel schade, want ze nemen van het voedsel, dat eigenlijk voor het koren was, maar de vertellingen doen zeker geene schade. Hoort mijn kind van goede menschen vertellen, dan zal ze denken: zoo wil ik ook worden. Wordt haar van slechte menschen verteld, dan denkt ze: zóó wil ik niet zijn. Hoort ze eene grappige geschiedenis, dan zal ze zich frisch en vroolijk lachen. Lachen is gezond, en die gezond is, kan ook flink leeren.”—Zoo praatte de koning, die de vader was van het prinsesje. Daarom kreeg het prinsesje eene verteljuffrouw.Nu ging er geen dag voorbij, of het prinsesje ging met die juffrouw in een gezellig torenkamertje van het paleis. Daar werd dan verteld. Dat kamertje hadt jullie moeten zien! De wanden waren gewatteerd en met lichtblauw fluweel behangen. Vóór de deur een ruim fluweelen gordijn. Nergens kon geluid door: stil moest het wezen onder ’t vertellen, heel stil. Op de fluweelen wanden hingen de prachtigste platen van Roodkapje, van Klein-Duimpje en van allerlei andere menschen en dieren uit vertellingen. Gouden lijsten waren om die platen. Soms ook bloemenlijsten. Zoo was er om Goudkindje een goudfluweelen lijst, beschilderd met madeliefjes.’t Liefst mocht het prinsesje hooren vertellen in schemerdonker. Dan hingen en stonden er in het kamertje brandende lampjes met gekleurde ballons en gekleurde zijden kapjes. Die maakten een zacht gekleurd licht. Dat leek zoo tooverachtig, zei het prinsesje. En in dat tooverachtige licht zaten ze dan met hun tweetjes: de juffrouw in een grooten leunstoel, het prinsesje op een laag vouwstoeltje aan haren schoot. Dan begon het: “Er was eens....” Vertellingen, die met “Er was eens” begonnen, vond het prinsesje het mooist. Nooit was de verteljuffrouw uitverteld. In het paleis was ook eene kamer met wel tien boekenkasten, en àl die kasten stonden vol sprookjesboeken. Dat was de studeerkamer van de verteljuffrouw. De boeken waren allemaal in prachtband en goud op snêe. Bij elke vertelling was eene plaat, van dezelfde platen, die in het vertelkamertje achter lijst en glas hingen. Want ieder keer, als eene vertelling verteld was, werd dezelfde plaat, die in het boek was, besteld om opgehangen te worden.Zoo was het, zoo ging het, toen het prinsesje klein was. Nu was ze eene prinses, nu was ze groot geworden. De verteljuffrouw was er niet meer. Voor groote menschen vertelt men niet. Wat er nog wel was, dat was het torenkamertje. Daar was alles ook precies zoo gebleven. Zoo wou de prinses het. Geene plaat mocht in het kamertje verhangen worden, bijna mocht er geen stoel worden verzet. De kamer met de boekenkasten vol sprookjesboeken was er ook nog. Wat deed de prinses nu? Niet elken dag, maar heel dikwijls ging ze met een sprookjesboek onder den arm naar het torenkamertje, altijd in het schemeruur. Dan stak ze al de lampjes aan, schoof het gordijn voor de deur en vlijde zich in een gemakkelijken vouwstoel, net als toen ze nog een klein meisje was. Dan las ze, las ze al de sprookjes die haarvroeger verteld waren. Weer had ze schik, maar toch lang niet zooveel als vroeger. Vertellen vond ze veel mooier dan lezen. “Hè,” zei de prinses dikwijls, “wat was dat toch een heerlijke tijd, toen ik elken dag hoorde vertellen. Ik zou wel willen, dat die tijd nog eens weerom kwam. Ik ben toch zoo dol op sprookjes.”—“Weet je wat,” zei de koning, “ik zal je nog eens naar de sprookjesfee brengen.”—“Hè, ja, Vader,” zei de prinses, “doe dat maar. Ik wil toch zoo graag eens naar het oosten reizen. Daar woont immers de sprookjesfee?”—“Ja,” zei de vader, “de sprookjesfee woont in het oosten, in het land van zonneschijn en bloemen. Maar—ik weet niet precies waar.”—“O, dat is niets, dat kunnen we wel vragen,” riep de prinses. “Toe, Vader, wanneer gaan we op reis?”—“Ho, eens,” zei de vader, “bedaard, ik heb het nu veel te druk met de zaken. Maar zoodra ik tijd heb, zal ik je waarschuwen. Dat beloof ik je.”Wat viel de prinses het wachten moeilijk! Eindelijk op een’ morgen zei de koning: “Nu maar den koffer gepakt, morgen reizen we.” En den volgenden morgen waren Vader en dochter op weg. Hoe lang ze wel reisden, voor ze in ’t land van de sprookjesfee kwamen, en hoe lang ze wel zochten en vroegen, voor ze wisten, waar de fee woonde, weet ik niet. Eindelijk werd hun een bosch aangewezen: daarin moest het huis van de tooverfee zijn.Heel, heel diep in het bosch, ja, daar stond het. ’t Was een klein, wit huisje, rondom met klimop begroeid. Een dwergje deed de deur open. Ze werden in eene kamer gelaten vol zonneschijn en bloemengeur. De fee kwam binnen. Och, wat eene lieve oude fee was het: een gezicht, zoo vriendelijk, een wit kanten mutsje op, daaruit kwamen de aardigste grijze krulletjes kijken. Zacht grijze oogen en eene stem, zoo zacht, zoo prettig te hooren, net muziek, dacht de prinses. Nu vertelde de koning, dat de prinses van klein af altijd zoo dol op sprookjes geweest was, dat ze den heerlijken sprookjestijd nog nooit vergeten kon, dat ze zoo’n verlangen had, om eens éénmaal door de sprookjesfee te hooren vertellen en dat ze nu heel ver gereisd waren in de hoop, dat de fee wel zoo vriendelijk zou willen zijn..... En terwijl de vader sprak, zag de prinses de fee smeekend aan.Toen zei de fee: “Kijk, dat vind ik aardig, dat je zoover gekomen bent, om mij eens te hooren vertellen. Zeker wil ik het. Ga maar zitten en zieme goed in de oogen. Kijk ik begin al: ‘Er was eens.....’” En de lieve muziek-stem klonk door de zonnige kamer, en de prinses hoorde de stem, maar ze zag de kamer niet. Ze zag alleen de oogen van de lieve oude grijze fee, en in die oogen zag ze paleizen en prinsen en dieren en bloemen en reuzen en dwergen. Toen de stem zweeg, zuchtte de prinses. Toen viel ze de fee om den hals, en ze kuste haar en fluisterde: “Dank! dank! zulk vertellen heb ik nooit eerder gehoord. Ik zou wel een heelen dag willen luisteren en een’ nacht er bij.” De fee glimlachte: “Kom morgen weer,” zei ze. “Mag ik, lieve fee, mag ik, Vader?” vroeg de prinses. De fee knikte, en de vader knikte, en den volgenden dag zat de prinses weer met kloppend hart te luisteren, en ze vond de tweede vertelling nog mooier dan de eerste.Nog eens kwam de prinses bij de fee, en ze vond de derde vertelling mooier dan de tweede. Toen moest de prinses afscheid nemen; de koning had het te druk om langer uit te blijven, die moest weer naar zijn volk, die moest zijn land regeeren. De prinses gaf de fee de hand. Ze had de tranen in de oogen. “Ik zal U nooit vergeten, lieve fee,” zei ze. “Ik ben heel dankbaar en heel tevrêe; maar o, ik wou dat U mijne grootmoeder was, dan kon ik nog veel langer bij U blijven. Dan mocht ik bij U logeeren.....” “Weet je wat,”zei de fee, “blijf eene poos bij mij. Voor drie vertellingen zoo ver te reizen is toch ook wel wat erg.”—“O, Vadertje,” smeekte de prinses, “als dat eens mocht!”—“Het mag,” zei de vader. “Over zes weken zal ik je terug komen halen. Is dat goed?”—“Heerlijk!” riep de prinses, “o, wat heb ik toch een lieven vader!”—Zóó bleef de prinses bij de sprookjesfee. Zoolang het dag was, deed de prinses alles, wat ze maar kon, om de fee genoegen te doen. Als het avond werd, vertelde de fee. Dat was een heerlijk leventje.Zoo ging de ééne dag na den anderen in heerlijkheid voorbij, zoo ging er eene week, zoo gingen er weken voorbij. Toen—de zesde week was juist begonnen,—kwam de fee op een’ avond met een grooten brief, waar wel vijf lakken op zaten, binnen. Ze lei den brief op de tafel, ging in den grooten leunstoel zitten, wachtte, tot de prinses tegenover haar zat en begon:“Er was eens een kleine prins. Zijne moeder was gestorven, toen hij nogheel klein was. Nu hadden allen in het paleis erg medelijden met den moederloozen prins. Ieder wilde lief en goed voor hem zijn, ieder wilde hem alles naar den zin maken. Zijn vader, de koning, was bang, dat de kleine prins vertroeteld zou worden, en dat wilde hij voor nog en nog zooveel niet. De prins moest na zijn’ dood over een groot land regeeren, de prins moest flink en knap en manlijk worden. Daarom verbood hij al die lievigheden, en hij liet een geleerden man komen, om den prins knap te maken en op te voeden en den heelen dag om en bij den prins te zijn. De koning en de geleerde maakten eene lange lijst van alles, wat de prins over den heelen dag moest doen. Dat ging maar: van 7–8 dit, van 8–9 dat. Ieder uur wat anders. Lezen, Schrijven, Rekenen, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Fransch, Duitsch, Engelsch, Spaansch, Italiaansch ....”—“En vertellen,” fluisterde de prinses.“Neen,” zei de fee, “vertellen stond niet op de lijst.”—“Arme prins!” zei de prinses. “Luister,” zei de fee. “Een sprookje mocht den prins nooit verteld worden. ‘Sprookjes! onzin!’ zei de koning. ‘Sprookjes zijn als de bloemen op een korenveld. Ze nemen het voedsel, dat voor het koren is—weg er mee—’t is onkruid.’”Nu werd de prins van dag tot dag grooter en wijzer en knapper, maar toen de prins groot en wijs en knap was—werd de prins ziek. Dat was nu wel treurig. Natuurlijk liet de koning dadelijk een’ dokter komen. De dokter gaf pillen en poeders en drankjes, maar de prins bleef ziek. Een ander dokter—pillen, poeders, drankjes—de prins bleef ziek. Weer een ander dokter en weer een en weer een: de prins werd bij den dag magerder en lusteloozer. Wat scheelde den prins toch eigenlijk, wat voor ziekte had hij? Geen een van al de dokters wist het. De koning was wanhopig. Hij liet telkens en telkens weer een anderen dokter roepen—alles vergeefsch.Eindelijk hoorde hij spreken van een’ professor, die zieken genas, waar niemand raad voor wist. Dat was iets voor den koning. Dadelijk werd er een bode naar den beroemden professor gezonden met vriendelijk verzoek, zoo spoedig mogelijk bij den zieken prins te komen.De professor kwam. De koning stond met angstig kloppend hart bij het ziekbed. De professor onderzocht het heele lichaam van den zieke. Hijluisterde, hoe het hart klopte, hij voelde den pols, bekeek de handen, keek in de ooren, in de oogen, in den mond, streek langs de wangen en langs de voetzolen. Toen zette hij een heel ernstig, een bedenkelijk gezicht, zat eene poos met den vinger aan den neus en riep eindelijk: ‘Ik weet het, Uwe Majesteit. Die ooren hebben nooit een sprookje hooren vertellen—dat hart heeft nooit van verwachting gebonsd—die oogen hebben nooit geschitterd—die wangen hebben nooit eene kleur gekregen—die mond heeft niet gejubeld—die handen hebben niet geklapt—die voeten niet getrappeld bij het luisteren naar eene vertelling. Arme prins, wat hebt ge veel in Uw leven gemist. Hoe kwam dat toch zoo, Uwe Majesteit?’—‘Ja, professor, ik dacht, de prins moest heel knap worden. Er was geen tijd voor vertellen, en ik dacht: sprookjes zijn wel mooi misschien, maar niet nuttig....’—‘O, Uwe Majesteit, het zijn de zonnestralen in het kinderleven, en wat is een leven zonder zon!’—‘Maar—wat moet ik doen, beste professor, wat moet er gebeuren?’—‘Ja, er moet dadelijk iemand komen, om den prins te vertellen, ’t is mogelijk, dat hij dan nog te redden is.’—‘Maar’—riep de koning, ‘ik zou niet weten, wie—in mijn paleis is niemand. Een sprookjesboek is er ook niet eens. Ik heb nooit van vertellen willen hooren, nooit sprookjesboeken willen zien!!’De professor schudde het hoofd. ‘Uwe Majesteit,’ zei hij, ‘iemand, die gewoon vertelt, kan hier ook niet meer helpen. De prins is al te mat, te lusteloos. Ik zou U raden, onmiddellijk een’ bode met een uitvoerig schrijven naar de sprookjesfee te zenden, met vriendelijk verzoek....’Hier zweeg de sprookjesfee, om den brief van de tafel te nemen. “Hier is nu dat verzoek,” zei ze, “en verder kun je alles wel raden.”—“Dus ’t is waar gebeurd!” zei de prinses. “Die arme, arme prins! En nu gaat U toch, lieve fee, nu gaat U toch, om den armen zieke weer beter te maken?”—“Ik zou het zoo graag doen,” zei de fee, “maar het land van den prins is ver, en ik ben oud, te oud, om zoo ver te reizen. Er moet een ander, eene jongere in mijne plaats gaan.”—“Maar wie zou zoo mooi kunnen vertellen, als U!” riep de prinses. “Er moet immers juist zoo heel mooi verteld worden!”—“Ik weet er maar één,” zei de fee; “’t is een meisje, dat dol is op sprookjes, dat zich eene lange reisgetroost, om één sprookje te hooren, dat....”—“O, lieve fee,” riep de prinses, “U kunt mij toch niet meenen!”—“Zeker! ik meen niemand anders,” zei de fee; “zou er wel één ander meisje zijn, die zooveel sprookjes in haar leven gehoord heeft en die de sprookjes zóó liefheeft? Je hebt het nooit geprobeerd, kindlief, maar je moet mooi kunnen vertellen, en nu ik niet kan gaan, moet jij den prins redden.”—“Ik wil het graag probeeren, als ’t niet anders kan,” zuchtte de prinses, “maar ik ben bang...” “Niet bang wezen, liefje, met moed op reis gaan; wie weet, hoe heerlijk de terugkomst is.”Dien nacht sliep de prinses slecht; maar ze zette toch den volgenden morgen een vroolijk gezichtje en stapte dapper in het rijtuig, waarmee ze de reis beginnen zou. ’t Was bijna avond, toen de prinses de stad binnen reed, waar de prins woonde. Nieuwsgierig tuurde ze door de raampjes. Alle menschen, die op de straat liepen, zagen er triest en treurig uit. Ze kwam voor het paleis, daar stond het zwart van menschen, en toch was het er doodstil. Alle menschen lieten het hoofd hangen en zett’en bedrukte gezichten: de prins zou dien nacht wel sterven.De prinses stapte uit het rijtuig. Met groote moeite kwam ze door de menschenmassa heen bij de deur van het paleis. Ze vroeg den koning te spreken. Antwoord: die was niet te spreken; die zat bij het sterfbed van den prins en wou daar niet weg. Dan moesten ze maar den dokter roepen en zeggen, dat ze kwam met eene boodschap van de sprookjesfee. Pas had ze dat woord gezegd, of de deuren vlogen voor haar open, en het duurde geen vijf minuten, of ze stond in de ziekenkamer.Daar lag de arme prins onder zijne zijden dekens—doodsbleek. Hij sloeg even flauwtjes de oogleden op, toen de prinses binnen kwam, maar sloot de oogen ook dadelijk weer; ’t was hem onverschillig, wie er kwam of ging. “Kijk eens, mijn jongen,” zei de koning, “daar is een jong meisje, en de dokter zegt: ze is gekomen om je weer beter te maken.”—“Mij weer beter maken?” zei de prins met eene matte stem, “mij weer beter maken, dat kan niemand.”—“Mag ik het eens probeeren, beste prins?” vroeg de prinses met eene hartelijke, vriendelijke stem. “Kijk, eerst wil ik Uw hoofdkussen eens prettig opschudden, en dan ga ik bij Uw bed zitten en vertel U een sprookje....” “Een sprookje!” zei de prins, enzijne stem klonk een beetje helderder, “kun je sprookjes vertellen?”—“Of ik!” zei de prinses, “ik kom regelrecht van de sprookjesfee, en U moest heel veel groeten van de goede fee hebben, en ze wenschte U hartelijk beterschap. Als ze niet zoo heel oud was, zou ze zelve gekomen zijn om U te vertellen, maar nu heeft ze mij de sprookjes geleerd. Mag ik beginnen?” De prins knikte glimlachend met het hoofd. “Waar zal het van wezen? van menschen, van dieren of van dingen?” vroeg de prinses, “’t Is mij alles hetzelfde,” zuchtte de prins, die al weer matter begon te worden. “O, wat ben ik ziek. Je hadt vroeger moeten komen. Ik sterf van honger naar sprookjes.”Maar de prinses begon. Ze vertelde van de wilde zwanen, van de trouwe Elise, die om hare broers te redden uit de betoovering van eene booze fee, nooit een woord mocht praten, voordat ze elf pantserhemden van brandnetels gevlochten had. Die bleef zwijgen, toen de menschen allerlei leelijks van haar zeiden, ook toen de koning, dien ze zoo lief had, haar beschuldigde. De prins deed onder ’t vertellen de oogen al wijder en wijder open en richtte zich zelfs wat op, om beter te luisteren. Toen de vertelling uit was, zei hij: “Mooi. Jammer, dat het uit is!” Toen draaide hij het hoofd op zij en sliep rustig in.—De dokters schudd’en het hoofd en zeiden: “Wonderlijk, wonderlijk!” De prins had immers in zoo langen tijd niet rustig geslapen. De koning zag er zoo gelukkig uit en dankte de prinses en liet haar naar eene prachtige logeerkamer in ’t paleis brengen, waar haar allerlei heerlijkheden gepresenteerd werden.En de prins sliep dien avond en den geheelen nacht rustig door en at den volgenden morgen met smaak een eitje en ’s middags een bordje soep. Toen het avond werd, gluurde de prins maar al naar de deur, en eindelijk vroeg hij: “Komt mijne sprookjesfee niet?” Juist kwam de prinses de deur in en zei: “Daar ben ik al! Wat zal het nu wezen?”—“Vertel me nu eens wat van dieren, die praten kunnen,” zei de prins. “Kun je dat?”—“Zeker,” zei de prinses, en ze vertelde van den wedloop tusschen den haas en den egel, en de prins ging recht overeind in ’t bed zitten en lachte als een gezond mensch, en toen het uit was, zei hij: “Heerlijk, heerlijk, ik voel me zoo prettig, dat ik zeker morgen wel al een paar uurtjes op kan staan. Hartelijk dank, lieve fee!”—“Ik ben geene fee,” zei de prinses,“ik ben maar een gewoon meisje, dat o, zooveel van sprookjes houdt.”—“En ze o, zoo mooi vertelt!” zei de prins. De prinses kleurde van pret en dacht: dat moest de sprookjesfee eens hooren. Die zou schik hebben. “Tot morgen,” riep de prins, toen de prinses heen ging.Toen de prinses den volgenden avond weer kwam—waar was toen de prins? Het bed was leeg. Een heldere lach klonk door de kamer, toen de prinses naar het ledige bed keek. Daar zat de prins in een gemakkelijken stoel bij ’t venster en een even gemakkelijke stoel stond tegenover hem. “Neem plaats!” zei de prins. “Wat zal ik nu prettig luisteren.”—“Waar moet ik nu van vertellen?” vroeg de prinses. “Ik zou zoo graag eens van dingen hooren, dingen, die net doen als menschen,” zei de prins. “Kan dat?”—“Dat kan!” zei de prinses. Luister maar:“Er was eens een net heertje; zijn heele rijkdom bestond in een’ laarzenknecht en een paar pantoffels, maar hij had den fijnsten linnen kraag van de wereld, en van dien linnen kraag zullen we eene vertelling hooren.” En nu vertelde de prinses van den kraag, die zich nu oud en wijs genoeg vond, om te trouwen en toen verliefd werd op eene zijden kous, waarmee hij toevallig in de wasch kwam. Verder, dat de kous zich eene veel te fijne juffer vond, om iets van den kraag te willen weten. Dat toen de kraag van liefde gloeide voor het strijkijzer en later weer mooie praatjes hield tegen de schaar, waarmee zijne rafels afgeknipt werden. Zoo’n sierlijke danseres had hij nog nooit gezien enz. enz. Dat de schaar van boosheid een glip in den kraag maakte. Dat de kraag eindelijk met eene van de pantoffels wou trouwen en toen met schrik hoorde, dat die al verloofd was met den laarzenknecht. Dat hij toen niets meer van de liefde wou weten en toen hij later in den lompenzak kwam, zoo schrikkelijk pochte en praalde. Ieder had van hem gehouden, ieder had met hem willen trouwen. Daar was eerst eene zijden kous, zoo slank en fijn.... en zoo ging dat voort. En zoo grappig vertelde de prinses dat alles, dat den prins op ’t laatst de tranen over de wangen rolden van ’t lachen. Toen de vertelling uitlas, sprong hij op en riep: “Neen, maar, zoo iets grappigs! Dat heeft me zoo gezond gemaakt als een visch! Ik dank U, lieve sprookjesfee! Ik dank U!” Daar sprong de deur open en de koning kwam binnen. “Wat is me dat hier voor eene vroolijkheid,” riep hij. “Ik hoorde in de verte lachen.”—“Deprins is weer beter!” zei de prinses. Toen sprong de koning ellen hoog. “Lief meisje,” riep hij, “je hebt mijn’ prins gezond gemaakt, daarvoor zal ik je eene kist vol geld geven en....”—“Niets er van!” riep de prins, “daarvoor wil ik haar tot mijne vrouw maken!” Toen de koning die woorden hoorde, betrok zijn gezicht. “Ja,” zei hij, ik kan me bestindenken, dat je het meisje lief hebt gekregen, maar een prins kan geen gewoon meisje trouwen, die moet eene prinses hebben....”—“Dat ben ik juist!” zei nu de prinses met een zacht stemmetje. “Sakkerloot! als dat zoo is!” riep de koning.Toen vertelde de prinses haar eigen geschiedenis, en die geschiedenis vond de prins nog de allermooiste vertelling. Natuurlijk wou de prins de prinses zelf naar de oude sprookjesfee terugbrengen. De oude, zei de prins; want hij hield maar vol, dat zijne prinses eene nieuwe, jonge sprookjesfee was. Wat de oude sprookjesfee schik had, toen ze den zieken prins zoo gezond en gelukkig voor zich zag! Hoe hare oogen schitterden, toen ze hoorde, hoe mooi haar logeetje had weten te vertellen! Van de sprookjesfee ging het nu naar ’t ouderlijk paleis van de prinses. De koning daar was wat blij, dat hij nu ook een’ zoon kreeg. Maar hoe gelukkig de prins was, toen hij ’s avonds in het gezellige torenkamertje met al de brandende lampjes zat, tegenover de prinses, die al weer eene andere vertelling vertelde, dat is niet te zeggen.Toen de prins later koning werd, liet hij aan alle meesters en juffrouwen van de scholen in zijn land zeggen, dat er tweemaal in de week verteld moest worden. Wat zeg jullie daarvan?Van de Pepernoten en den Doedelzak.Het begint niet: er waren eens een koning en eene koningin. Alleen maar: er was eens een koning. Want de koning had geene koningin.Eens op een’ morgen zou de koning opstaan. Slaperig zat hij op den rand van zijn bed en trommelde met de bloote voeten tegen het hout; want hij had nog geene kousen aan. Vóór hem stond een deftig heer met een rijk geborduurden rok aan en witte handschoenen. Zooals de koning over het land regeerde en over de menschen, die er woonden, zoo regeerde dievoorname mijnheer over het paleis en over al de bedienden, over de heele huishouding van den koning. Want met de huishouding kon de koning zich niet bemoeien: hij had wel wat anders aan zijn hoofd. Nu, die voorname mijnheer met zijn geborduurden rok en zijne witte handschoenen stond dan voor den koning en bood zijne Majesteit met eene diepe buiging—de kousen aan. Waarom zette de deftige heer een verlegen gezicht daarbij? Waarom draaide hij de eene kous zoo om en om? Omdat—hij op eens tot zijn’ schrik een groot gat in den hiel gezien had en bang was, dat de koning het ook zou zien. Maar ’t hielp hem niet, dat hij het ongelukkige gat naar beneden gekeerd hield: de koning had het met zijne scherpe oogen toch opgemerkt. En nu was het wel waar, dat de koning meer om zijne sierlijke, glimmende laarzen gaf, die ieder zag, dan om zijne kousen, die bijna niemand te zien kreeg, maar—dit vond hij voor een’ koning toch wel wat heel erg.Verschrikt nam hij den deftigen heer de kous uit de hand en stak twee van zijne breede vingers door het gat. De vingers gingen er tot aan de hand in! Toen keek de koning half ernstig, half lachend den deftigen heer aan, die nog altijd beschaamd, met gebogen hoofd vóór hem stond, en zuchtend zei hij: “Heer opperste in mijn paleis, bovenste baas over mijne huishouding, je bent een knap man; maar verstand van kousen stoppen heb je geen zier. En wat helpt het me, dat ik koning ben, als ik met gaten als vuisten in de kousen loopen moet! Wat helpt het me, dat ik koning ben, als ik geene koningin heb!.... Wat zou je er van denken, als ik me eens eene vrouw nam?”.... De deftige heer, die al doodsbenauwd geweest was voor de groote ontevredenheid van den koning, was wàt blij, dat het zoo goed voor hem afliep. Hij fleurde er heelemaal van op en riep vroolijk: “Wat ik er van denken zou? Dat Uwe Majesteit nooit iets beters en verstandigers zou kunnen doen.”—“Kom, dat doet me plezier,” zei de koning; maar toen met een bedenkelijk gezicht: “Maar zeg eens, geloof je, dat ik wel zoo gemakkelijk eene vrouw zal vinden, die mij past?”—“Welzeker!” lachte de opperhofmeester, “wel tien voor ééne. Het land van Uwe Majesteit is niet het eenige op de wereld. Er zijn nog heel veel andere landen, en daar wonen heel wat lieve en aardige prinsessen. Wezenlijk, Uwe Majesteit behoeft geen zorg te hebben.”Maar de koning scheen daar nog niet zoo zeker van te zijn; want er zaten nog rimpels in zijn voorhoofd. “Ik weet het niet, ik weet het niet,” zei hij. “Ik geloof niet, dat ik zoo gauw tevreden zal wezen. Mijne prinses moet zijn: heel mooi—en heel lief—en heel verstandig ....”—“Is het anders niet,” lachte de opperhofmeester, “o, zulke prinsessen zijn er genoeg te vinden.”—“Ho, ho, niet te voorbarig, mijn waarde vriend, ik ben nog niet klaar. Ja, als het dat alleen was, dan .... maar, maar .... er is nog één heel voornaam ding, waar ik bijzonder op letten zou.”—“De prinses mag zeker niet ijdel zijn—of slordig—of nieuwsgierig.—Ze moet zeker mooie handwerken kunnen maken, mooi kunnen teekenen of zingen, of vlug schaatsenrijden ....”—“Houd maar op,” riep de koning, “niets van dat al. Ze moet—lekkere pepernoten kunnen bakken!—Ik houd nergens zooveel van als van pepernoten. Maar—juist, omdat er geen grooter lekkernij voor mij bestaat, ben ik er heel, heel kieschkeurig op. Pepernoten moeten zacht bruin van kleur zijn, niet te week, niet te hard; maar zoo eventjes knapperig. Je weet, dat er geen bakker in mijn heele rijk is, of hij heeft zijne kunst in ’t pepernoten bakken al eens voor mij moeten vertoonen. Maar je weet ook, dat geen een het me nog naar den zin heeft kunnen doen. De een maakt ze te hard, de ander te week, een derde te taai, een vierde maakt er bleekneuzen, een vijfde weer negers van. Daarom, waarde heer; de prinses, die ik zou willen trouwen,moetpepernoten kunnen bakken, en heel lekkere ook, anders kan ze nooit mijne vrouw worden.”Toen de opperhofmeester dat hoorde, kreeg hij een’ schrik. Maar hij hield zich goed en zei: “Een koning als Uwe Majesteit kan alles krijgen, wat hij maar begeert, ook wel eene prinses, die pepernoten bakken kan.”“Zou je dat wezenlijk denken?” riep de koning, nu erg in zijne nopjes, “kom aan, dan beginnen we dadelijk samen te zoeken.”—Van dat oogenblik af had de koning geen rust meer. Hij moest en zou nog dienzelfden dag op reis, om de knappe prinses te zoeken, die hem pepernoten naar den zin kon bakken. Dat was me een gevlieg en gedraaf trap op, trap af door het paleis: de bedienden liepen elkaar haast onderst-boven, zoo druk hadden ze het, om alles voor de reis in gereedheid te brengen. Twee groote koffers vol prachtige presenten werden er gepakt:niets was den koning te veel of te kostbaar voor de prinses, die .... je weet het wel.Eindelijk was alles klaar, de reiskoets met vier paarden bespannen voor de deur. De koning stapt in, de opperhofmeester stapt in, en voort gaat het....Dat was me eene lange, lange reis, van ’t eene land naar ’t andere en dan weer verder, overal heen, waar maar prinsessen woonden. Maar—hoeveel prinsessen de koning ook zag, toch vond hij er in al de landen, waar hij geweest was, met elkaar maar drie, die tegelijk “heel mooi” en “heel lief” en “heel verstandig” waren. En nu zouden drie heel mooie en heel lieve en heel verstandige prinsessen nog meer dan genoeg geweest zijn, om er eene keuze uit te doen. Maar .... geene van de drie kon pepernoten bakken!!”’t Spijt me erg, dat ik geene pepernoten kan bakken,” zei de eerste prinses. De prinses zou wel graag de vrouw van den koning geworden zijn, en daarom vroeg ze met een verlegen stemmetje: “Mogen het geene amandelkoekjes zijn, die maak ik heel lekker, ronde en vierkante en hartjes, met veel boter.”—”’t Spijt mij ook, lieve prinses,” zei de koning; “maar hetmoetenpepernoten zijn.”De tweede prinses was niet zoo zacht en goedig als de eerste. Toen de koning haar vroeg, of ze ook pepernoten bakken kon, gooide ze het hoofdje fier achterover, trok de roode lipjes op en zei verdrietig: “Wat ik U bidden mag, heer koning, kom mij toch niet met zulke dwaasheden aan. Wie heeft er toch ooit gehoord van eene prinses, die—pepernoten kan bakken!”Maar bij de derde prinses, nog wel de mooiste en de verstandigste van de drie, ging het den koning nog heel anders. Verbeeld je: die liet hem niet eens den tijd, om te vragen, of ze wel .... Vóór de koning nog iets gezegd had, kwam de prinses zelf met eene vraag. Ze zou wel graag willen weten, zei ze, of de koning ook—op den doedelzak kon spelen. Op zoo’n vraag had de koning nu al heelemaal niet gerekend, ja, hij had er niet eens aan gedacht, dat de prinseshemiets zou kunnen en durven vragen. Hij was er verbluft van en stotterde: ”’t Spijt me, ’t spijt me, geachte prin-prinses, maar op den doe-doedelzak, daar kan ik niet op spelen.”—“O,” zei de prinses, “als dat zoo is, behoeven we niet verder te praten, dan kan ik toch nooit Uwe vrouw worden. Het spijt me wezenlijk om U,en zelf had ik het ook graag anders gewild; want ik vind U heel aardig. Maar—op den doedelzak te hooren spelen, o, dat is mijn lust en mijn leven. En daarom heb ik me vast voorgenomen, nooit een’ man te nemen, die dat niet kan.” Arme koning, daarmee kon hij weer naar huis gaan. Vergeefs had hij de lange reis gedaan: de koffers met presenten waren niet open geweest, eene prinses, die zóó en zóó en zóó was en daarbij pepernoten kon bakken, had hij niet gevonden.En toch—de koning had er nu eenmaal zijne zinnen op gezet—ermoesteene koningin komen. Zoo gebeurde het, dat na eene heele poos de koning den minister weer bij zich liet roepen. De koning zat met de hand onder ’t hoofd en zuchtte, toen zijn opperhofmeester binnenkwam. “Uwe Majesteit heeft toch geen verdriet?” vroeg de opperhofmeester medelijdend. “Ik heb nog altijd geene koningin,” zei de koning, “en dat hindert me. Weet je, waar ik bang voor ben: ik vind nooit eene prinses, die pepernoten kan bakken. Ik geloof, dat ik maar van de pepernoten moet afstappen, al spijt het me ook geducht. Me dunkt, ik moet maar tevreden zijn met—amandelkoekjes. Ja, de prinses, die zoo lekker amandelkoekjes kan bakken, ronde en vierkante en hartjes, met veel boter, die moet mijne koningin maar worden. Reis nu maar dadelijk naar de prinses van de koekjes en vraag, of ze nog lust heeft mijne vrouw te worden.”De opperhofmeester reisde welgemoed heen, maar teleurgesteld terug; want hij bracht de boodschap aan den koning, dat—de prinses tot haar spijt de vrouw van den koning niet meer worden kon, omdat ze in dien tusschentijd al de vrouw van een anderen koning geworden was. De prinses, die zulke heerlijke amandelkoekjes kon bakken, was getrouwd met den koning van het land, waar de amandels groeien.“Dan moeten we het in vredesnaam bij de tweede prinses probeeren. Ik vrees anders wel, dat het niets zal geven: ze was toen al zoo boos, omdat ik naar de pepernoten durfde te vragen. Maar, de prinses kan zich bedacht hebben.” Weer reisde de opperhofmeester heen, maar lang niet zoo welgemoed als den eersten keer. En weer reisde hij terug met eene boodschap, die nog veel minder prettig was, om over te brengen. De prinses liet zeggen: nog liever wou ze haar heele leven lang prinses blijven en nooit koningin worden, dan dat ze zou regeeren over een land, waar een dwaas op dentroon zat. “Als dat zoo is,” zei de koning boos, “laat ze dan maar gerust blijven, waar ze is, ik heb haar niet noodig.”Dat kon de koning in zijne boosheid wel gemakkelijk zeggen; maar—hoe nu? ’t Was een heel lastig geval. Ja, de derde prinses was er nog, en de derde prinses was de mooiste en liefste en verstandigste van de drie. Maar—de doedelzak, de doedelzak! Als de prinses niet van den doedelzak kon afstappen, zooals hij van de pepernoten was afgestapt, dan—zou de eenige kans weer verkeken zijn. De koning dacht lang na: hij kon er eerst maar niet toe besluiten, de derde prinses te vragen. Hij was het nog niet vergeten, hoe beschaamd hij voor de prinses gestaan had, toen ze hem, in plaats van te antwoorden op de pepernoten, gevraagd had, of hij, de machtige koning, wel op.... Neen, voor de tweede maal zou dat niet weer gebeuren, daar was hij te trotsch voor.De koning wachtte. De koning dacht nog eens na. En toen—liet hij toch weer den opperhofmeester bij zich roepen. “Mijn waarde heer,” zei de koning, “je trekt al een lang gezicht, en ’k weet wel waarom. Maar dat zal je niet helpen, je moet nog eens voor me op reis. Dezen keer—naar de derde prinses. Misschien zegt die ook weer neen; maar wagen wil ik het toch.” De opperhofmeester boog met een zuurzoet lachje en zei: “Zooals Uwe Majesteit beveelt.”—De opperhofmeester was op zijne reis naar de derde prinses alles behalve in zijn humeur. Hij zag er, eerlijk gezegd, erg tegen op, weer weggestuurd te worden als een schooljongen, die kwaad heeft gedaan. En—als het niet om zijn’ heer en meester, den koning geweest was, zou hij wàt graag weer rechtsomkeert gemaakt hebben, toen hij bij ’t paleis van de prinses kwam. Maar—tot zijne groote vreugde liep alles heel anders af, dan hij gedacht had.Al dadelijk ontving de prinses hem zoo vriendelijk, dat hij op eens moed kreeg, om met zijne vraag voor den dag te komen. De prinses zou zich nog wel herinneren, hoe zijn heer en meester, de koning, eene poos geleden alle landen was afgereisd, om zich tot vrouw te zoeken eene prinses, die pepernoten naar zijn’ smaak kon bakken. Ook, hoe hij overal vergeefs gezocht had. Hij liet haar nu zeggen, hoe erg hem dat speet, vooral omdat er onder de vele prinsessen, die hij gezien had, ééne was, die hij maar niet vergeten kon. Hoe lief, hoe mooi, hoe verstandig hij dieééne vond. Hoeheelgraag hij daarom juist haar en geene andere tot zijne vrouw zou gekozen hebben, als ze maar niet dat ééne gemist had, waarop hij nu eenmaal zijne zinnen had gezet. Maar hoe de koning na lang denken eindelijk begrepen had, dat het toch wel wat veel was, bij zooveel schoonheid, goedheid en verstand, ook nog naar pepernoten te vragen. En hoe hij dus besloten had, zijn’ opperhofmeester te zenden, om de prinses vriendelijk te vragen, of zij nu nog wel de vrouw van den koning wilde worden.Toen de opperhofmeester alles gezegd had, begon de prinses met een verlegen en toch guitig lachje: de koning zou zich nog wel herinneren, hoe zij hem indertijd niet aan het woord had laten komen over de pepernoten. Hoe ze hem dadelijk verschrikt had met de vraag, of hij ook op den doedelzak kon spelen. Zij liet hem nu zeggen, dat er onder al de koningen en prinsen, die ze ooit gezien had, geen enkele was, die haar zoo goed beviel als hij. Hoe ze daarom juist graag hem en geen ander tot man zou gekozen hebben, als hij maar niet dat ééne gemist had, waar zij al hare zinnen op had gezet. Maar hoe ook zij na lang denken had begrepen, dat het toch wel wat veel was, bij zooveel goeds als de koning had, ook nog naar den doedelzak te vragen. En hoe ze nu dus besloten had, om op de vraag van den koning een vriendelijk “ja” te antwoorden en toch maar zijne vrouw te worden.Of die opperhofmeester ook in zijne nopjes was. Dadelijk liet hij de koffers met de presenten, die hij op zijne reizen naar de prinsessen trouw meegenomen had, naar ’t paleis brengen en zelf pakte hij alles voor de gelukkige prinses uit. En dat zegt wat voor zoo’n voornaam heer! Maar in zijne blijdschap zou hij graag nog wel veel meer hebben willen doen, als hij maar geweten had, wàt!Op de terugreis naar den koning moesten de paarden voor de reiskoets draven, jagen, dat ze er den adem haast bij verloren. De koets stoof in vliegende vaart over den weg, hooren en zien verging den opperhofmeester; maar dat kon hem niet schelen. Hoe sneller, hoe liever, dan was hij des te eerder bij den koning, om hem de blijde boodschap te brengen.Eindelijk stonden de paarden hijgende en brieschende stil voor ’t paleis. De opperhofmeester was in een’ wip het rijtuig uit en twee treden te gelijk ging het de trap op naar de voordeur. De koning, die al verlangend had staanuitkijken, toen hij zulk woest getrappel van paarden in de verte hoorde, kwam zijn’ opperhofmeester al tegemoet in het voorportaal. Maar toen hij het stralende gezicht zag en begreep, dat alles goed was, wenkte hij hem gauw mee in eene groote zaal, waar ze ongestoord praten konden. “Ze doet het, ze doet het!” riep de opperhofmeester dadelijk, toen een bediende de deur had dicht gedaan.Toen vloog de koning zijn’ opperhofmeester om den hals, en hij schudde hem de hand, zoo lang en zoo hard, dat de opperhofmeester “au” riep. “En, en” .... vroeg de koning, toen hij wat tot bedaren gekomen was, “vroeg de prinses ook nog naar den doedelzak?”—Toen vertelde de opperhofmeester alles, wat hij zelf gezegd, en alles, wat de prinses daarop geantwoord had. En de koning omarmde zijn’ opperhofmeester nog eens en drukte hem weer de hand en beloofde hem drie ridderordes, omdat hij bij de prinses zoo flink en goed voor zijn’ koning gesproken had.—Nog dienzelfden dag werden de ridderordes besteld bij den knapsten goudsmid in ’t heele land. En toen ze klaar waren, stond ieder te kijken; niemand had nog ooit zulke rijke en prachtige en groote ordes zien dragen. De eene was een kruis van zuiver goud, bezet met diamanten; de tweede was een driehoek van zilver, ingelegd met pareltjes en met drie parels aan de drie hoeken, zoo groot als duiveneieren; de derde was eene ster met twaalf punten, alle bezaaid met roode, blauwe, gele en groene edelgesteenten. Het gouden kruis was alleen al zoo groot, dat het de heele borst bedekte. De zilveren driehoek moest dus wel op den rug gedragen worden, die er heelemaal door bedekt was. Voor de schitterende ster wist de opperhofmeester geene plek meer te bedenken; die droeg hij bij feestelijke en plechtige gelegenheden dus maar in de hand. ’t Was eene pracht, en je kon er duidelijk aan zien, hoe dankbaar de koning wel was en hoe blij met het lieve, mooie, verstandige vrouwtje, dat hij trouwen zou. Het duurde nu ook niet lang meer, of de koning werd bruidegom en de prinses bruid, en samen vierden ze bruiloft en met hen vierde het heele land feest. De klokken luidden, en de vlaggen wapperden er lustig op los. Eerepoorten in de straten, slingers van groen en bloemen aan de huizen—den heelen dag door muziek en ’s avonds lichtjes, lichtjes overal en vuurwerk. Gejuich en gejubel, lachen en zingen en dansen en smullen en pret maken—eeneheele week lang. Feest was het en nog eens feest bij oud en jong, bij arm en rijk, alles ter eere van de lieve jonge koningin.’t Vroolijkst van allen waren de koning en de jonge koningin en geen was er, die zoolang feest bleef vieren als zij met hun beidjes.—Ja—toen er al lang geen feesten meer in het land gevierd werden ter eere van het koningspaar, bleef het nog altijd feest in de harten van den koning en de koningin. Dat kwam, omdat de koning zoo heel, heel gelukkig was met zijn koninginnetje, en het koninginnetje weer zoo gelukkig met haar koning.Dat kwam, omdat ze elkaar met den dag liever kregen.Wat zag het koninginnetje er toch frisch en aardig uit, vond de koning, wat kon ze verstandig praten, wat was ze zacht en goed! De koning moest lachen, als hij dacht aan vroeger, toen hij eens de vingers gestoken had door een gat in zijne kous! Ja, vroeger—toen was er dikwijls wat verkeerd gegaan in de huishouding van den koning. Maar nu: wat kon dat koninginnetje flink op alles toekijken, en wat zorgde ze goed voor den koning. ’t Was een lust!—En ’s avonds, als de koning moe van ’t regeeren was, wat kon ze hem dan prettig opfleuren met te vertellen van alles, wat ze op dien dag al voor hem en voor armen en zieken gedaan had. En wat kon ze stil en verstandig luisteren als de koning met haar sprak over alles, wat hij dien dag weer voor zijn land en voor zijn volk gedaan had.—Altijd deed de koningin, wat de koning graag wou, en nooit dacht ze er aan, iets te doen, dat de koning niet goed vond. Ja, ze was op ’t laatst zoo knap, dat ze precies op zijn voorhoofd lezen kon, wat hij wenschte en wat niet.—En de jonge koningin vond op hare beurt weer, dat de koning er zoo knap en flink uitzag. En wat had hij een verstand van regeeren. Wat wist hij veel, wat was hij geleerd! En hoe goed was het van hem, dat hij wel met haar praten wou over allerlei gewichtige dingen. Wat was hij lief voor haar—nooit boos of verdrietig. Wat deed hij haar graag plezier: in hare oogen kon hij lezen, wat ze graag en niet graag had.’t Was en bleef feest in de harten van het koningspaar een vol jaar lang! Ja, ze waren wel heel gelukkig, want in dat heele jaar had de koning nog geene enkele maal gedacht: ”’t Is toch jammer, dat mijne koningin geene pepernoten bakken kan.” En de koningin had nog niet één keergezucht: ”’t Spijt me toch, dat mijn koning niet op den doedelzak spelen kan.” Een heel jaar lang vergat de koning zijne pepernoten en de koningin haar doedelzak .... Maar toen gebeurde het op een goeden, ik meen op een kwaden dag, dat de koning èn de koningin alle twee ’s morgens uit het bed stapten—met het verkeerde been. Als het nog maar de koning alleen geweest was! Als het nog maar de koningin alleen geweest was! Maar alle twee tegelijk—dat was erg genoeg!Het koningspaar stapte op dien morgen met het verkeerde been uit het bed en dus—ging alles dien heelen dag verkeerd. Dat is nog nooit anders geweest, ’s Avonds zou er een groot feest wezen in de mooie parken en tuinen bij het paleis. Honderden gasten waren er gevraagd. Duizenden lichtjes en gekleurde ballons zouden er tusschen het groen hangen. Maar—het regende, het stortregende, het plasregende, het regende, alsof het met emmers uit de lucht gegoten werd, van den morgen tot den avond. De tuinen leken wel vijvers, de paden en lanen in het park stonden blank. Er was geen denken aan feestvieren: in alle haast moest de boodschap aan alle gasten gestuurd worden, dat ze wel thuis konden blijven.—En de koningin vooral had zich nog wel zoo verheugd op het heerlijke feest buiten!—Dan—toen de koningin, om haar verdriet te verzetten, wat met haar poesje was gaan spelen—had Poes haar leelijk over de hand gekrabd. De roode streep paste slecht op de blanke handjes, waar de jonge koningin zoo trotsch op was.—En—er was eene leelijke vlek gekomen op het wit zijden kussen, waar de koningin juist bloemen opschilderde.—En—onder het kappen had de kamenier de koningin bij ongeluk met eene haarspeld in ’t hoofd geprikt. Daar had de koningin hoofdpijn van gekregen.—En—maar kom, ik wil al de ongelukken, die er op dien ongeluksdag nog meer gebeurden, maar niet opnoemen, ’t Liep alles, alles verkeerd—en ons koninginnetje, anders altijd even goed en zacht en vroolijk, was nu verdrietig en pruilerig en heelemaal niet in haar schik.En hoe ging het met den koning, die ook met het verkeerde been uit het bed gestapt was? Natuurlijk niet veel beter, ’t Speet hem ook erg van ’t feest, dat zoo treurig in den regen verdronken was.—En dan—de kostbare rijksappel, je weet wel, die mooie bal, die de koningen op een plaatje altijd op de hand dragen—viel bij ongeluk op den grond en hetprachtige kruis van goud en edele steenen brak er af!—En dan—kwam de nieuwe kaart thuis, die de koning van het land had laten maken. En toen hij die bekeek, waren de rivieren in plaats van blauw, vuurrood gekleurd, en de zee oranje!—En de nieuwe laarzen knelden zóó, dat de koning er kreupel van liep. En—en—nog eene lange rij van andere tegenspoeden had de koning op dien naren dag. Anders was onze koning altijd vriendelijk en welgemoed—nu was hij brommig en boos en heelemaal niet in zijn humeur.De koningin pruilerig en verdrietig, de koning brommig en boos: o wee, o wee!—Toen gebeurde er, wat er nog nooit gebeurd was, zoolang ze met elkaar in hetzelfde paleis woonden: de koning en de koninginkibbelden! Waarover, ja, dat wisten ze den volgenden dag zelf eigenlijk niet meer. ’t Was om eene kleinigheid, ’k geloof om een boek, dat de koningin op eene andere plaats gelegd had en waar de koning toen naar moest zoeken. Nu, ’t komt er ook niet op aan,waaromze kibbelden—zekibbelden, en dat wou ik eigenlijk maar vertellen. De koning was onvriendelijk en zei booze woorden tegen de koningin. De koningin gaf kribbige antwoorden. Daar werd de koning nog weer boozer om, en hoe boozer de koning werd, hoe scheller en bitser de stem van de koningin klonk. Over het boek was ’t, geloof ik, begonnen; maar het eene woord haalde het andere uit. Dit vond de koning niet goed, en dat had de koningin toen en toen verkeerd gedaan, en zoo of zoo wou hij het niet langer hebben. Daar zei de koningin toen weer op: de koning moest zich vooral niet verbeelden, dat er nooit iets op hem te zeggen viel.—’t Ging al harder en harder tegen elkaar. Ieder wou het laatste woord hebben, geen van beiden was zoo verstandig, om op te houden met kibbelen.En eindelijk, toen de koningin niets anders meer wist te zeggen, trok ze de schouders op en zei met een spottend gezicht en een’ lach, die heelemaal niet lief of goed klonk: “Me dunkt, heer koning, je moest je nu eindelijk eens stil houden en niet langer overal wat op aan te merken hebben:je kunt niet eens op den doedelzak spelen!”Maar pas waren die leelijke woorden haar uit den mond gevallen, of de koning riep driftig: “Ja wel, ik zal me stil houden voor eene,die niet eens pepernoten kan bakken!”Daar was het er uit, waar ze nooit, nooit meer over hadden moeten praten. De koningin schrikte, toen ze ’t gezegd had en de koning schrikte ook van zijne eigen woorden. En van puren schrik hielden ze zich op eens allebeî muisjesstil. De koning keerde zich om en ging dadelijk naar zijne kamer. De koningin sloop de deur uit, ook regelrecht naar hare kamer. Daar viel ze neer in een hoekje van de canapé en begon bitter te schreien.“Och, och,” zuchtte ze, “wat ben ik toch dom, dom, dom geweest. Hoe kreeg ik het in mijn hoofd, over dien akeligen doedelzak te praten! Als ik maar even nagedacht had, dan wist ik toch wel, dat de koning daar niet van hooren wou. Ik kon toch begrijpen, dat ik er hem verdriet mee deed. Wat kan me nu eigenlijk nog die doedelzak schelen: mijn beste man is er even lief en goed om, en ik heb er hem even lief om, of hij op dat ding speelt of niet. O, o, hoe kwam ik er toch bij, zoo iets te zeggen! Nu wordt hij misschien nooit, nooit weer vriendelijk tegen mij, hij vergeeft het me niet, ik weet het zeker.”Toen barstte ons arm koninginnetje weer in tranen uit, ze voelde zich zoo ongelukkig! En de koning liep heen en weer, op en neer in zijne kamer en dacht: “Wat ben ik begonnen! Waarom noemde ik toch die onnoozele pepernoten! Die heele pepernoten, wat geef ik er eigenlijk om. Mijn vrouwtje is er niets minder lief en mooi en goed en verstandig om, of ze die dingen bakken kan of niet, en ik houd er niets minder om van haar.—Nu heb ik mijn koninginnetje verdrietig en boos gemaakt—ze zal ’t zoo gauw niet weer vergeten, wat ik gezegd heb. Wat ben ik begonnen!”De koning ging met het hoofd in de hand op een’ stoel zitten en keek bedrukt voor zich neer. Maar langzamerhand fleurde zijn gezicht weer op, hij sprong van zijn’ stoel, en op eens lachte hij en riep: “Eigenlijk is ’t maar een geluk, dat mijn vrouwtje geene pepernoten bakken kan. Want wat in de wereld zou ik anders hebben moeten antwoorden, toen ze mij verweet, dat ik niet op den doedelzak kon spelen!—Maar met dat al wou ik, dat die kibbelpartij nooit gekomen was. Ik kan het niet verdragen, dat mijn lief vrouwtje boos op me is. Zóó houd ik het niet uit. Waar zou ze zijn, ik moet dadelijk naar haar toe, om alles weer goed te maken.”Zóó in zichzelf denkende en pratende liep de koning de deur uit, de lange gang in, waar heel veel kamers van het paleis op uitkwamen.—Maar daar was het pikdonker: alles moest immers verkeerd gaan op dien ongeluksdag, en zoo had de kamerdienaar natuurlijk vergeten op tijd de lampen aan te steken. De koning tastte met de handen vooruit, om zich niet te stooten en schoof zóó voorzichtig langs den muur verder. Daar tastte hij met zijne handen in eens aan iets heel zachts en warms—’t was een gezicht, hoor, een gezicht van een, die ook voorzichtig langs den muur schoof, om zich niet te stooten.“Wie is daar?” vroeg de koning. “Ik ben het,” zei een zacht, bedroefd stemmetje. “Wien zoek je, vrouwtje?” vroeg de koning, want de zachte, warme wang en de lieve, bedroefde stem waren allebeî van het koninginnetje. “Ik zoek jou, beste man, ik heb zoo’n spijt, ik wou je vergiffenis vragen, omdat ik dat leelijke tegen je gezegd heb van ....”—Maar de koning liet haar niet uitpraten. In het donker op de gang sloeg hij zijne armen om zijn vrouwtje heen en kuste haar en zei: “Je behoeft me geene vergeving te vragen,” en zijne stem beefde wat, “ik heb ook schuld, veel meer dan mijn koninginnetje. ’t Is nu alles vergeven en vergeten. En weet je,” fluisterde de koning verder, van nu af aan zullen er twee woorden zijn, die in het heele land nooit weer mogen worden uitgesproken. Wie het doet, zal zwaar gestraft worden. Die woorden zijn:doedelzaken—”“Enpepernoten,” riep de koningin lachend, maar terwijl ze lachte, vielen er toch nog een paar tranen langs hare wangen. Die kuste de koning weg, en toen was alles weer blijdschap en geluk. En dat bleef zoo altijd, altijd, zoo lang de koning en de koningin leefden.Op de Horens genomen.Dat kinderen in hunne domheid wel eens kwaad doen, weet jullie allemaal wel. Maar dat er eens eene groote tooverfee geweest is, die kwaad gedaan had en die door al de andere tooverfeeën gestraft moest worden, vind je dat niet raar? ’t Is toch zoo, hoor! Ik heb het zelf in een boek van eene tooverfee gelezen. En nu wil jullie zeker ook wel graag weten, hoe die ondeugende tooverfee gestraft werd? Nu dan: met niets meer en niets minder dan dat ze veranderd werd in—eene koe. Gelukkig niet voor altijd, maar’t was toch heel moeilijk, om weer eene fee te worden; want wat moest de koe eerst doen? Ze moest van een ondeugenden jongen een goeden jongen maken. Ja, en nog wat! Die ondeugende jongen, die goed geworden was, moest de koe zóó lief krijgen, dat hij haar van pure liefde een’ kus gaf midden op den snuit. Daar dan, als dat niet moeilijk was, weet ik het niet. Niet vóór dat de jongen den kus gaf, kon de koe weer eene fee worden. Of de koe nu knap genoeg was, om dat gedaan te krijgen, jullie zult het hooren.Nu, de fee was dan eene koe en eene treurige koe ook nog wel. Ze was zoo mager als een houtje. En was ze nu nog maar de koe van een rijken boer geweest, dan had ze tenminste eene malsche weide gehad, waarin ze zich vet grazen kon, maar niets er van, hoor! De tooverfeeën hadden haar bij een armen arbeider gebracht, die niet eens eene weide had. Die arbeider woonde op een klein dorpje, en daar lag vóór de huizen en tusschen de huizen aan den weg wel eens een stukje grond met gras begroeid. Daar mocht de koe van eten. Dan melkte de arbeider de koe wel vier keer op een’ dag en andere koeien worden toch maar twee keer gemolken. Daar werd de koe ook niet vetter van. Dus onze koe had het alles behalve goed, en je kunt begrijpen, hoe ze haar best wou doen, om toch maar weer eene fee te worden. Wist ze nu maar eerst een ondeugenden jongen! Maar die was zoo gemakkelijk nog niet te vinden. Op het dorp waren wel kwâjongens, die om eene boerin te plagen eens een’ emmer met water omgooiden, of een enkelen keer deurtje belden, maar dat waren geen echte ondeugende jongens. Dat begreep de koe wel. Dus had ze nog altijd vergeefs gezocht. Maar—ze behoefde niet lang meer te zoeken. Pas maar eens op.Aan het eind van het dorp stond een mooi groot huis, dat alleen des zomers bewoond werd door een rijken heer, die maar één kind, een’ jongen had. Die jongen was een jongen, zooals er niet veel zijn, en dat is maar gelukkig ook.Vooreerst: leeren, dat wou ons heertje niet. Hij vond het leeren vervelend, en Papa was toch rijk: hij behoefde later geen geld te verdienen. Verbeeldt je, alsof rijke menschen nooit arm kunnen worden!Dan, en dat was nog erger, vond hij alle menschen minder dan zich zelf. Tegen de bedienden van zijn’ vader sprak hij, alsof ze weinig meerdan dieren waren. Voor ieder, die niet mooi gekleed was, trok hij den neus op. Voor niemand deed hij iets, niemand had hij lief—ja, ’t is haast zonde om het te zeggen, maar ’t was, of hij zijn eigen ouders niet eens lief had. Hoeveel plezier zijne ouders hem ook aandeden, nooit zette hij een dankbaar en tevreden gezicht. ’t Was, of het maar van zelf sprak, dat zijn vader en moeder zoo goed voor hem waren. Nooit was het eten naar zijn’ zin, en dan stond hij altijd dadelijk met een pruilend gezicht klaar. Ieder snauwde hij af en op alles, wat hem gezegd werd, had hij een brutaal woord weerom. Zóó was het heertje, dat Gustaaf heette, een naam, die veel te mooi was voor zoo’n naren jongen.Nu, die Gustaaf kwam op een goeien dag tegen den zomer met zijne ouders in een mooi rijtuig regelrecht op het heerenhuis afrijden, en denzelfden dag was het huis weer bewoond en vertelden al de menschen op het dorp elkaar, dat de rijke mijnheer en mevrouw met hun onaardig zoontje weer overgekomen waren. Een onaardig zoontje! daar had onze koe wel ooren voor. Nu—ze behoefde niet lang geduld te hebben. Den eersten den besten dag stapte Gustaaf met een’ knecht een eind achter zich het dorp door. Hij wou dadelijk de arme dorpskinderen eens toonen, hoeveel mooier en voornamer hij was, dan zij. Onder het loopen bekeek hij vol trots zijn mooi fluweelen pak, en gedurig schudde hij zijn hoofd, zoodat de haneveeren, die op zijn kastoren hoed zaten, duchtig wapperden. Soms zette hij de hand tusschen de gouden ceintuur, die om zijn fluweelen kiel zat, en dan trok hij zijn gouden horloge uit of rammelde met den gouden ketting. Aan dien gouden ketting hingen wel tien aardige dingen, allemaal van goud, en van één zoo’n gouden dingetje had een arme man wel een’ zak aardappelen kunnen koopen. Zóó rijk was Gustaaf—ik meen Gustaafs vader. De jonge heer had ook nog een wandelstokje met gouden knop in zijne hand, en daar sloeg hij gedurig mee tegen zijne mooie laarzen. Dat had hij groote heeren ook wel zien doen.Je kunt denken, wat oogen de arme dorpskinderen opzett’en. ’t Was juist Zaterdagmiddag, en zoo wat alle kinderen speelden op den weg. De koe liep rustig op zij van den weg te grazen en keek met hare groote oogen naar Gustaaf, alsof ze zeggen wou: “Nu moet ik eens goed oppassen, of dat heertje niet voor mij geschikt is.”Daar kwam op eens een kleine dikke jongen op Gustaaf toeloopen, greep met zijne handjes naar al de mooie dingen aan den horlogeketting en bedelde: “Hè, laat mij eens zien! wat mooi!” Maar pas had het kind een’ vinger uitgestoken, of Gustaaf sloeg hem met zijn mooien wandelstok op de handjes en riep: “Brutale jongen, dat zal je leeren ....” Verder kwam hij niet. Op eens vloog de koe midden op den weg, bukte haren kop en voordat Gustaaf wist, wat er met hem gebeurde, was hij op de horens genomen. Hij had nog net den tijd om zich aan de breede horens vast te grijpen, maar zijn hoed met de mooie veeren en de stok met den gouden knop vlogen op den grond. Voor dat iemand er iets aan kon doen, was de koe als een dolle weggehold en stonden de knecht en de kinderen met open mond haar na te kijken. Toen de knecht een beetje van den schrik bekomen was, rende hij achter de koe aan, maar hij moest het gauw opgeven: zoo’n hollend dier kon hij toch niet inhalen.Toen de koe ver buiten het dorp was, dacht ze: nu moet ik mij eens goed bedenken, wat ik zal doen, om den naren, ondeugenden jongen beter te maken. En ze begon wat bedaarder te loopen. Het beste zal zijn hem eerst eens te leeren, hoe heerlijk het is een’ vader en eene moeder te hebben. Als hij zijn vader en moeder mist, zal het eerst al erg genoeg voor hem zijn. Daarom zal ik hem nog maar in een mooi huis laten wonen en mooie kleeren laten dragen. Waarom zou ik hem ook in eens alles afnemen! Ik wil hem immers niet uit moedwil plagen, ik wil hem beter maken. Kom, ik weet al een huis, waar hij het goed zal hebben, zoo goed als hij het in een vreemd huis hebben kan.En weer zette de koe het op een loopen, uren en uren ver. ’t Was al bijna avond, toen ze stil hield voor een mooi kasteel, bijna nog mooier dan dat van Gustaafs vader. Voorzichtig legde ze Gustaaf neer op een groot grasveld in den tuin en toen maakte ze één, twee, drie, dat ze weer weg kwam.Juist gingen de heer en de vrouw van het kasteel nog eens den tuin door wandelen met hun jongetje, dat bijna even oud was als Gustaaf. Daar op eens zagen ze den kleinen jongen op het gras liggen. Wel verbazend! hoe kwam dat kind daar? De mevrouw van het kasteel viel dadelijk op de knieën bij Gustaaf neer. “Arm ventje,” zei ze, “hij slaapt!”—“’t Lijkt weleen jongetje van rijke menschen,” zei de heer, “maar ’t is, of hij uit een geheel ander land is, zie, hij is anders gekleed dan de kinderen hier.”“O, kijk, kijk! hij doet de oogen open!” riep de kleine jongen.En wezenlijk, nu voor ’t eerst opende Gustaaf de oogen. Van schrik had hij al dien tijd lang als in een benauwden droom gelegen. Hij wist niet, wat er met hem gebeurd was en waar hij was. Hij was heelemaal in de war en dacht, dat hij nog pas door de koe op de horens was genomen. “Waar is mijn hoed? waar is mijn stok?” riep hij. “’t Is waar ook,” zei de mevrouw, “de arme jongen heeft niets op zijn hoofd. Kom, Dolf, haal eens gauw je oude pet voor hem.”Nu moest Gustaaf aan ’t vertellen. Waar kwam hij vandaan? Hoe was zijn naam? Hoe kwam hij daar toch? De eene vraag volgde op de andere. Toen Gustaaf den naam van zijn’ vader noemde, schudd’en de mijnheer en mevrouw met het hoofd. Dien naam hadden ze nog nooit gehoord. Geen wonder ook: de koe had hem zoo schrikkelijk ver van huis gebracht. In welk dorp stond dan het kasteel van zijne ouders? Neen, den naam van het dorpje kenden Mijnheer en Mevrouw ook niet. Waar lag het ergens? Ja, dat wist Gustaaf niet. Natuurlijk had Meester op school het hem wel verteld, maar Gustaaf vond leeren immers vervelend, dus wist hij er niets van.—Maar hoe kwam hij daar toch? Eene koe had hem op de horens genomen en daar neergelegd. “Wat zijn dat nu voor praatjes?” zei Mijnheer; en Gustaaf vond het zoo naar, dat zelfs Dolf ongeloovig lachte bij zijn verhaal van de koe. “Nu,” zei de mevrouw, “’t kan dan ook niet schelen, waar hij vandaan gekomen is en hoe hij hier is gekomen, we zullen hem hier vooreerst maar houden. Hij zal een aardig speelkameraadje voor onzen Dolf zijn. Die is toch zoo dikwijls alleen.”“Ik weet niet, wat ik van zijn verhaal denken moet,” zei Dolfs vader, “maar als het jullie plezier doet, houd het kind dan hier.”—“Och, ja, Pa!” riep Dolf. “Dan kunnen we heerlijk samen spelen. Kom maar, Gustaaf!”—“Neen, mijn jongen,” zei de moeder, “’t is nu te laat, en Gustaaf lijkt zoo moe; we zullen maar beginnen met hem eerst eens in bed te brengen. Neem Gustaaf mee en breng hem naar Sophie. Zeg, dat hij maar op het zolderkamertje moet slapen.”Nu, Sophie, Dolfs oude kindermeid, keek alles behalve vriendelijk, toenhaar daar zoo’n vreemde jongen gebracht werd. “Mijnheer en Mevrouw weten ook toch niet, wat ze verzinnen zullen,” bromde ze. “’t Is of ik nog geen werk genoeg heb! Nu nog zoo’n jongen te verzorgen, die hier niet eens behoort. Wie weet, wat voor een bedelaarsjongen het is!”—“Een bedelaarsjongen!” en dat te zeggen van ons fijn heertje Gustaaf! Wat werd Gustaaf boos! “Och! hou’ je stil! je weet niet, van wien je spreekt!” riep hij. “Wel zeker!” riep de kindermeid, “ik zou mij stil houden voor zoo’n jongen! Kom aan, ga nu maar gauw onder de dekens, en wees dankbaar, dat je een bed krijgt, om in te slapen. En nu in ’t vervolg beleefd, hoor, of het zal je slecht bekomen.” Met draaide ze het licht uit, stapte naar de deur, en een oogenblik later hoorde Gustaaf den sleutel buiten in ’t slot omdraaien.Nu was hij alleen. In de duisternis tastte hij naar zijn bed en daar lag hij nu, het rijke heertje, moederziel alleen, opgesloten op een zolderkamertje! Hoe verschrikkelijk moe hij ook was, hij kon maar niet in slaap komen. Zijn geheele lichaam deed hem pijn van dien langen rit op de hollende koe. Dus had hij tijd om nog eens over alles te denken. O, wat voelde hij zich toch vernederd, het verwende jongetje, zóó op een zolderkamertje weggestopt te worden en zoo behandeld te worden door eene dienstmeid. Hij, die altijd den baas gespeeld had over de dienstboden van zijn’ vader. En die mijnheer en mevrouw! Waarom lieten ze hem niet bij Dolf in de kamer slapen? Was hij minder dan Dolf? Zóó dacht Gustaaf, en hij vergat daarbij, dat hij zonder de goedheid van die mijnheer en mevrouw dien nacht buiten op een grasveld had moeten slapen.Den volgenden morgen was Dolf al vroeg op. Hij verlangde zoo zijn nieuw speelkameraadje te leeren kennen. De kindermeid moest dadelijk Gustaaf roepen en vragen, of hij met Dolf wou gaan wandelen. Maar—vroeg opstaan was Gustaaf niet gewend. Toen de kindermeid de boodschap bracht, bromde hij: “Laat Dolf maar op zijn eentje gaan wandelen, ik heb nog geen’ zin om op te staan.”—“Zóó,” zei de kindermeid, “zoo, baasje, dacht jij, dat jij je eten en drinken hier voor niets kreeg? Je mag blij toe wezen, dat je niets moeilijkers hebt te doen, dan onzen Dolf gezelschap houden. Kom aan, geene praatjes, je moest het ook eens wagen, Dolf te laten wachten.” Met zette ze Gustaaf met zijne bloote voeten op denvloer. Zoo leerde Gustaaf vroeg op te staan, ook als men er geen’ lust in heeft.Hoe boos ons heertje was, dat hij zijn eigen zin niet kon volgen, kan ik niet zeggen. Met een pruilend gezicht ging hij naar Dolf. Maar Dolf was zoo vriendelijk en aardig, en het was in den vroegen morgen zoo frisch en vroolijk buiten, dat Gustaaf zijne boosheid vergat en dacht: hè, wat is het ’s morgens vroeg toch mooi buiten. Dat heb ik nooit geweten. Neen, dat had hij ook nooit geweten; want thuis stond hij altijd zoo laat op, als hij maar wilde.Na ’t ontbijt liet Dolf hem al zijn speelgoed zien, en Gustaaf mocht met alles spelen. Ook gaf de goedhartige Dolf hem een mooien tol, dien hij houden mocht en de zweep, die hij pas op zijn’ verjaardag gekregen had. ’t Leek dus wel, of ze wezenlijk vrienden zouden worden. Maar .... op eens zei Dolf: “O, Gustaaf wat heb jij een mooien riem met eene gele gesp! Hè mag ik dien hebben en dan jij mijn leeren riem?”—“Dat kun je begrijpen!” riep Gustaaf. Nu stond de kindermeid dicht bij hen. Die riep: “Foei! Gustaaf! Dolf doet je zooveel plezier, hij geeft je van zijn speelgoed, en je bent zijn logeetje. Geef den riem toch!”—“Neen!” schreeuwde Gustaaf. Nu werd de kindermeid zoo boos: “Ondankbare jongen!” riep ze. “Hier, je zult den riem geven.” En met geweld nam ze Gustaaf den riem af en gaf dien aan Dolf.Dolf liep er vlug mee achter in den tuin en Gustaaf hem na. Vóór dat de kindermeid er iets aan kon doen, had Gustaaf Dolf den riem weer afgenomen en hem er een paar flinke slagen mee gegeven ook. “Ziezoo!” riep hij, “ik zal je leeren den baas te spelen over mijn goed!” en hij lachte van trots, dat hij de sterkste geweest was. Maar och, hé, dat lachen duurde niet lang. Op eens zag hij daar de koe op zich af komen en was hij weer op de horens genomen en holde de koe weer met hem voort, zoo vlug, dat het hem groen en geel voor de oogen werd.Neen, dacht de koe, neen, daar mag hij niet wezen. ’k Had hem zoo graag bij die hartelijke menschen in dat mooie kasteel gelaten, als hij maar begrepen had, hoe goed ze voor hem waren. Maar, neen, hij doet maar, of het alles zijn eigen is, nergens is hij dankbaar voor, en niets heeft hij voor een ander over. Hij moet maar eerst eens leeren, watvoor anderen te doen en de minste te wezen. Hij moet maar eens “heertje” af zijn.Zoo denkende en dravende kwam de koe voorbij het huis van een’ koopman, waar de stoep vol pakken en balen lag. En op zoo’n paar balen legde ze Gustaaf neer. Daar kwam de koopman buiten. “Wil je wel eens gauw van mijne balen af, kleine deugniet!” riep hij. Maar Gustaaf, die door het draven van de koe weer heelemaal van de wijs gekomen was, verroerde zich niet. Natuurlijk dacht de koopman toen, dat hij met een brutalen jongen te doen had, en hij greep Gustaaf met een fermen kneep bij ’t oor. Verschrikt vloog de arme jongen op. “Och, Mijnheer, doe mij geen kwaad!” riep hij met gevouwen handen. “Ik ben niet op Uwe balen gaan liggen, de koe heeft mij hier neergegooid.”—“Die koe?” riep de koopman. Toen kwam Gustaaf natuurlijk weer met zijn verhaal van de koe, die hem op de horens genomen had. Maar hij vertelde alles met eene erg verlegen stem, omdat hij al bang was, dat de koopman hem ook niet gelooven zou, evenmin als de vader van Adolf. En welke gebreken Gustaaf ook had, hij sprak altijd de waarheid, en hij vond het dus verschrikkelijk, dat iemand hem voor een’ leugenaar hield. Maar—het hielp niet; ook dat verdriet moest hij hebben. “Wat praatjes wil je me nu op de mouw spelden?” riep de koopman. “Eene koe heeft je hier gebracht? En je hebt hier geen huis—je ouders wonen ver weg, en je kunt het huis niet weer vinden? Nu, kom aan, je bent er nu eenmaal, en ik wil je wel houden. ’k Heb net een’ loopjongen noodig. Ga maar mee in huis; we zullen eens zien, wat Moeder de vrouw er van zegt.”Nu, Moeder de vrouw zette eerst een zuur gezicht. Ze had niet veel lust zoo’n vreemden jongen in huis te nemen; maar toen de koopman zei, dat ze dezen jongen ook geen geld behoefden te geven, zooals een gewonen loopjongen, stemde ze toe. “Zie je,” zei de koopman, “hij lijkt nog al een heertje. Hij kan mooi onzen Willem naar school brengen ook, dat staat veel voornamer dan dat er zoo’n arme jongen met hem gaat.”Toen werd Gustaaf nog eens rondom bekeken. “Kijk eens,” zei de vrouw, “wat heeft hij mooie dingen aan zijn’ horlogeketting hangen. En een echt zilveren horloge heeft hij ook! Hoe komt zoo’n kleine aap er aan! Kom, dat zullen we maar in de linnenkast bergen. Een loopjongenbehoeft niet zoo te pronken. We zullen onzen Willem er des Zondags mooi mee maken.”Wat gaf het Gustaaf, of hij stampvoette en deed, toen men hem al zijne fraaiigheden afnam. De groote hand van den dikken koopman pakte hem bij den arm en: “Kom, kom, niet lastig wezen, hoor!” klonk hem in ’t oor. “Je hebt hier niets te koop, en je mag blij toe wezen, dat wij je eten en drinken willen geven voor niets. En nu aan ’t werk.” Toen werd Gustaaf een bezem in de hand gestopt en moest hij het geheele huis vegen. O, wat voelde Gustaaf zich vernederd! Hij, het voorname zoontje van zoo’n rijken heer met een’ veger aan ’t werk! Wat voor een leven stond hem nu te wachten! Gelukkig was de koopman niet zoo boos, als hij leek. Toen Gustaaf het huis geveegd had, pakte hij hem bij ’t oor, maar nu was het niet, om hem pijn te doen. “Kom aan, kleine man,” zei hij, “zet maar niet zoo’n zuur gezicht. Ik ben ook als loopjongen begonnen, en nu ben ik een flink koopman. Werk maar goed, misschien zul je ’t dan ook nog wel eens zoo ver brengen.”Och, het werken was nog het ergste niet. Langzamerhand begon Gustaaf aan geregelde bezigheid te gewennen. Hij dacht er niet meer aan, lang in bed te blijven liggen: het werk wachtte hem, hij had geene rust meer in zijn bed. Maar—dat hij als knecht behandeld werd, dat was erger; hij, die vroeger over zooveel dienstboden te bevelen had. En was de vrouw van ’t huis maar zoo lief en goed geweest tegen de dienstboden als zijne eigen moeder. Maar neen, ’t was maar: “haal mij dit!” en “breng mij dat!” en de kleur sloeg Gustaaf uit, als hij er aan dacht, dat hij zelf vroeger ook op zoo’n toon tegen de dienstboden gesproken had. Nu kon hij ’t ondervinden, hoe naar het was zoo ruw toegesproken te worden. Nooit, nooit gaf de vrouw hem een vriendelijk woord, nooit deed ze iets aardigs voor hem.Eens op een’ dag gaf ze Gustaaf een’ appel, die begon te rotten. Dat was de eerste keer, dat Gustaaf eene lekkernij kreeg. En hij was er dankbaar voor. Ja, dat niemand hem eenige liefde bewees—dat was het ergste. O, als hij ’s avonds alleen op zijn zolderkamertje kwam, dan schreide hij zich in slaap van verlangen naar de liefde van zijne ouders. Dan dacht hij aan de kussen van zijne lieve moeder, die hem vroeger onverschilligwaren. Dan dacht hij aan de vriendelijke stem van zijn’ vader, waar hij vroeger niet naar luisterde.

Wie wel het allermooist vertellen kan? Dat is de sprookjesfee. Die moest jullie eens kunnen hooren! Maar hoe krijg je die te hooren? Ja, dat is maar zoo gemakkelijk niet. Ik weet er maar één, die haar heeft horen vertellen; maar dat was dan ook eene prinses, en die prinses.... Neen, ik wil van voren af aan beginnen.

Toen die prinses een prinsesje was, was ze dol op vertellen. En omdat ze een prinsesje was, kreeg ze heel veel vertellingen te hooren. Denk eens aan: zooals andere kinderen wel eens eene juffrouw in huis hebben, om hun te leeren, zoo had het prinsesje eene aparte juffrouw om haar te vertellen. Of ze dan niet behoefde te leeren? Nu—juist heel veel. Daarom zei haar vader, de koning: “Ons kind moet zóóveel leeren, ze moet altijd zoo goed luisteren, om allerlei moeilijke dingen te begrijpen, ze zal ook eens luisteren naar iets, dat niet moeilijk te begrijpen is, luisteren puur voor haar plezier. Ik denk maar zóó: korenbloemen lijken aardig tusschen het koren, al doen ze geen nut. De menschen vinden een korenveld met bloemen vriendelijk om te zien. Vertellingen zijn ook de bloemen tusschen al de moeilijke lessen. En—de korenbloemen doen nog wel schade, want ze nemen van het voedsel, dat eigenlijk voor het koren was, maar de vertellingen doen zeker geene schade. Hoort mijn kind van goede menschen vertellen, dan zal ze denken: zoo wil ik ook worden. Wordt haar van slechte menschen verteld, dan denkt ze: zóó wil ik niet zijn. Hoort ze eene grappige geschiedenis, dan zal ze zich frisch en vroolijk lachen. Lachen is gezond, en die gezond is, kan ook flink leeren.”—Zoo praatte de koning, die de vader was van het prinsesje. Daarom kreeg het prinsesje eene verteljuffrouw.

Nu ging er geen dag voorbij, of het prinsesje ging met die juffrouw in een gezellig torenkamertje van het paleis. Daar werd dan verteld. Dat kamertje hadt jullie moeten zien! De wanden waren gewatteerd en met lichtblauw fluweel behangen. Vóór de deur een ruim fluweelen gordijn. Nergens kon geluid door: stil moest het wezen onder ’t vertellen, heel stil. Op de fluweelen wanden hingen de prachtigste platen van Roodkapje, van Klein-Duimpje en van allerlei andere menschen en dieren uit vertellingen. Gouden lijsten waren om die platen. Soms ook bloemenlijsten. Zoo was er om Goudkindje een goudfluweelen lijst, beschilderd met madeliefjes.

’t Liefst mocht het prinsesje hooren vertellen in schemerdonker. Dan hingen en stonden er in het kamertje brandende lampjes met gekleurde ballons en gekleurde zijden kapjes. Die maakten een zacht gekleurd licht. Dat leek zoo tooverachtig, zei het prinsesje. En in dat tooverachtige licht zaten ze dan met hun tweetjes: de juffrouw in een grooten leunstoel, het prinsesje op een laag vouwstoeltje aan haren schoot. Dan begon het: “Er was eens....” Vertellingen, die met “Er was eens” begonnen, vond het prinsesje het mooist. Nooit was de verteljuffrouw uitverteld. In het paleis was ook eene kamer met wel tien boekenkasten, en àl die kasten stonden vol sprookjesboeken. Dat was de studeerkamer van de verteljuffrouw. De boeken waren allemaal in prachtband en goud op snêe. Bij elke vertelling was eene plaat, van dezelfde platen, die in het vertelkamertje achter lijst en glas hingen. Want ieder keer, als eene vertelling verteld was, werd dezelfde plaat, die in het boek was, besteld om opgehangen te worden.

Zoo was het, zoo ging het, toen het prinsesje klein was. Nu was ze eene prinses, nu was ze groot geworden. De verteljuffrouw was er niet meer. Voor groote menschen vertelt men niet. Wat er nog wel was, dat was het torenkamertje. Daar was alles ook precies zoo gebleven. Zoo wou de prinses het. Geene plaat mocht in het kamertje verhangen worden, bijna mocht er geen stoel worden verzet. De kamer met de boekenkasten vol sprookjesboeken was er ook nog. Wat deed de prinses nu? Niet elken dag, maar heel dikwijls ging ze met een sprookjesboek onder den arm naar het torenkamertje, altijd in het schemeruur. Dan stak ze al de lampjes aan, schoof het gordijn voor de deur en vlijde zich in een gemakkelijken vouwstoel, net als toen ze nog een klein meisje was. Dan las ze, las ze al de sprookjes die haarvroeger verteld waren. Weer had ze schik, maar toch lang niet zooveel als vroeger. Vertellen vond ze veel mooier dan lezen. “Hè,” zei de prinses dikwijls, “wat was dat toch een heerlijke tijd, toen ik elken dag hoorde vertellen. Ik zou wel willen, dat die tijd nog eens weerom kwam. Ik ben toch zoo dol op sprookjes.”—“Weet je wat,” zei de koning, “ik zal je nog eens naar de sprookjesfee brengen.”—“Hè, ja, Vader,” zei de prinses, “doe dat maar. Ik wil toch zoo graag eens naar het oosten reizen. Daar woont immers de sprookjesfee?”—“Ja,” zei de vader, “de sprookjesfee woont in het oosten, in het land van zonneschijn en bloemen. Maar—ik weet niet precies waar.”—“O, dat is niets, dat kunnen we wel vragen,” riep de prinses. “Toe, Vader, wanneer gaan we op reis?”—“Ho, eens,” zei de vader, “bedaard, ik heb het nu veel te druk met de zaken. Maar zoodra ik tijd heb, zal ik je waarschuwen. Dat beloof ik je.”

Wat viel de prinses het wachten moeilijk! Eindelijk op een’ morgen zei de koning: “Nu maar den koffer gepakt, morgen reizen we.” En den volgenden morgen waren Vader en dochter op weg. Hoe lang ze wel reisden, voor ze in ’t land van de sprookjesfee kwamen, en hoe lang ze wel zochten en vroegen, voor ze wisten, waar de fee woonde, weet ik niet. Eindelijk werd hun een bosch aangewezen: daarin moest het huis van de tooverfee zijn.

Heel, heel diep in het bosch, ja, daar stond het. ’t Was een klein, wit huisje, rondom met klimop begroeid. Een dwergje deed de deur open. Ze werden in eene kamer gelaten vol zonneschijn en bloemengeur. De fee kwam binnen. Och, wat eene lieve oude fee was het: een gezicht, zoo vriendelijk, een wit kanten mutsje op, daaruit kwamen de aardigste grijze krulletjes kijken. Zacht grijze oogen en eene stem, zoo zacht, zoo prettig te hooren, net muziek, dacht de prinses. Nu vertelde de koning, dat de prinses van klein af altijd zoo dol op sprookjes geweest was, dat ze den heerlijken sprookjestijd nog nooit vergeten kon, dat ze zoo’n verlangen had, om eens éénmaal door de sprookjesfee te hooren vertellen en dat ze nu heel ver gereisd waren in de hoop, dat de fee wel zoo vriendelijk zou willen zijn..... En terwijl de vader sprak, zag de prinses de fee smeekend aan.

Toen zei de fee: “Kijk, dat vind ik aardig, dat je zoover gekomen bent, om mij eens te hooren vertellen. Zeker wil ik het. Ga maar zitten en zieme goed in de oogen. Kijk ik begin al: ‘Er was eens.....’” En de lieve muziek-stem klonk door de zonnige kamer, en de prinses hoorde de stem, maar ze zag de kamer niet. Ze zag alleen de oogen van de lieve oude grijze fee, en in die oogen zag ze paleizen en prinsen en dieren en bloemen en reuzen en dwergen. Toen de stem zweeg, zuchtte de prinses. Toen viel ze de fee om den hals, en ze kuste haar en fluisterde: “Dank! dank! zulk vertellen heb ik nooit eerder gehoord. Ik zou wel een heelen dag willen luisteren en een’ nacht er bij.” De fee glimlachte: “Kom morgen weer,” zei ze. “Mag ik, lieve fee, mag ik, Vader?” vroeg de prinses. De fee knikte, en de vader knikte, en den volgenden dag zat de prinses weer met kloppend hart te luisteren, en ze vond de tweede vertelling nog mooier dan de eerste.

Nog eens kwam de prinses bij de fee, en ze vond de derde vertelling mooier dan de tweede. Toen moest de prinses afscheid nemen; de koning had het te druk om langer uit te blijven, die moest weer naar zijn volk, die moest zijn land regeeren. De prinses gaf de fee de hand. Ze had de tranen in de oogen. “Ik zal U nooit vergeten, lieve fee,” zei ze. “Ik ben heel dankbaar en heel tevrêe; maar o, ik wou dat U mijne grootmoeder was, dan kon ik nog veel langer bij U blijven. Dan mocht ik bij U logeeren.....” “Weet je wat,”zei de fee, “blijf eene poos bij mij. Voor drie vertellingen zoo ver te reizen is toch ook wel wat erg.”—“O, Vadertje,” smeekte de prinses, “als dat eens mocht!”—“Het mag,” zei de vader. “Over zes weken zal ik je terug komen halen. Is dat goed?”—“Heerlijk!” riep de prinses, “o, wat heb ik toch een lieven vader!”—

Zóó bleef de prinses bij de sprookjesfee. Zoolang het dag was, deed de prinses alles, wat ze maar kon, om de fee genoegen te doen. Als het avond werd, vertelde de fee. Dat was een heerlijk leventje.

Zoo ging de ééne dag na den anderen in heerlijkheid voorbij, zoo ging er eene week, zoo gingen er weken voorbij. Toen—de zesde week was juist begonnen,—kwam de fee op een’ avond met een grooten brief, waar wel vijf lakken op zaten, binnen. Ze lei den brief op de tafel, ging in den grooten leunstoel zitten, wachtte, tot de prinses tegenover haar zat en begon:

“Er was eens een kleine prins. Zijne moeder was gestorven, toen hij nogheel klein was. Nu hadden allen in het paleis erg medelijden met den moederloozen prins. Ieder wilde lief en goed voor hem zijn, ieder wilde hem alles naar den zin maken. Zijn vader, de koning, was bang, dat de kleine prins vertroeteld zou worden, en dat wilde hij voor nog en nog zooveel niet. De prins moest na zijn’ dood over een groot land regeeren, de prins moest flink en knap en manlijk worden. Daarom verbood hij al die lievigheden, en hij liet een geleerden man komen, om den prins knap te maken en op te voeden en den heelen dag om en bij den prins te zijn. De koning en de geleerde maakten eene lange lijst van alles, wat de prins over den heelen dag moest doen. Dat ging maar: van 7–8 dit, van 8–9 dat. Ieder uur wat anders. Lezen, Schrijven, Rekenen, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Fransch, Duitsch, Engelsch, Spaansch, Italiaansch ....”

—“En vertellen,” fluisterde de prinses.

“Neen,” zei de fee, “vertellen stond niet op de lijst.”—“Arme prins!” zei de prinses. “Luister,” zei de fee. “Een sprookje mocht den prins nooit verteld worden. ‘Sprookjes! onzin!’ zei de koning. ‘Sprookjes zijn als de bloemen op een korenveld. Ze nemen het voedsel, dat voor het koren is—weg er mee—’t is onkruid.’”

Nu werd de prins van dag tot dag grooter en wijzer en knapper, maar toen de prins groot en wijs en knap was—werd de prins ziek. Dat was nu wel treurig. Natuurlijk liet de koning dadelijk een’ dokter komen. De dokter gaf pillen en poeders en drankjes, maar de prins bleef ziek. Een ander dokter—pillen, poeders, drankjes—de prins bleef ziek. Weer een ander dokter en weer een en weer een: de prins werd bij den dag magerder en lusteloozer. Wat scheelde den prins toch eigenlijk, wat voor ziekte had hij? Geen een van al de dokters wist het. De koning was wanhopig. Hij liet telkens en telkens weer een anderen dokter roepen—alles vergeefsch.

Eindelijk hoorde hij spreken van een’ professor, die zieken genas, waar niemand raad voor wist. Dat was iets voor den koning. Dadelijk werd er een bode naar den beroemden professor gezonden met vriendelijk verzoek, zoo spoedig mogelijk bij den zieken prins te komen.

De professor kwam. De koning stond met angstig kloppend hart bij het ziekbed. De professor onderzocht het heele lichaam van den zieke. Hijluisterde, hoe het hart klopte, hij voelde den pols, bekeek de handen, keek in de ooren, in de oogen, in den mond, streek langs de wangen en langs de voetzolen. Toen zette hij een heel ernstig, een bedenkelijk gezicht, zat eene poos met den vinger aan den neus en riep eindelijk: ‘Ik weet het, Uwe Majesteit. Die ooren hebben nooit een sprookje hooren vertellen—dat hart heeft nooit van verwachting gebonsd—die oogen hebben nooit geschitterd—die wangen hebben nooit eene kleur gekregen—die mond heeft niet gejubeld—die handen hebben niet geklapt—die voeten niet getrappeld bij het luisteren naar eene vertelling. Arme prins, wat hebt ge veel in Uw leven gemist. Hoe kwam dat toch zoo, Uwe Majesteit?’—‘Ja, professor, ik dacht, de prins moest heel knap worden. Er was geen tijd voor vertellen, en ik dacht: sprookjes zijn wel mooi misschien, maar niet nuttig....’—‘O, Uwe Majesteit, het zijn de zonnestralen in het kinderleven, en wat is een leven zonder zon!’—‘Maar—wat moet ik doen, beste professor, wat moet er gebeuren?’—‘Ja, er moet dadelijk iemand komen, om den prins te vertellen, ’t is mogelijk, dat hij dan nog te redden is.’—‘Maar’—riep de koning, ‘ik zou niet weten, wie—in mijn paleis is niemand. Een sprookjesboek is er ook niet eens. Ik heb nooit van vertellen willen hooren, nooit sprookjesboeken willen zien!!’

De professor schudde het hoofd. ‘Uwe Majesteit,’ zei hij, ‘iemand, die gewoon vertelt, kan hier ook niet meer helpen. De prins is al te mat, te lusteloos. Ik zou U raden, onmiddellijk een’ bode met een uitvoerig schrijven naar de sprookjesfee te zenden, met vriendelijk verzoek....’

Hier zweeg de sprookjesfee, om den brief van de tafel te nemen. “Hier is nu dat verzoek,” zei ze, “en verder kun je alles wel raden.”—“Dus ’t is waar gebeurd!” zei de prinses. “Die arme, arme prins! En nu gaat U toch, lieve fee, nu gaat U toch, om den armen zieke weer beter te maken?”—“Ik zou het zoo graag doen,” zei de fee, “maar het land van den prins is ver, en ik ben oud, te oud, om zoo ver te reizen. Er moet een ander, eene jongere in mijne plaats gaan.”—“Maar wie zou zoo mooi kunnen vertellen, als U!” riep de prinses. “Er moet immers juist zoo heel mooi verteld worden!”—“Ik weet er maar één,” zei de fee; “’t is een meisje, dat dol is op sprookjes, dat zich eene lange reisgetroost, om één sprookje te hooren, dat....”—“O, lieve fee,” riep de prinses, “U kunt mij toch niet meenen!”—“Zeker! ik meen niemand anders,” zei de fee; “zou er wel één ander meisje zijn, die zooveel sprookjes in haar leven gehoord heeft en die de sprookjes zóó liefheeft? Je hebt het nooit geprobeerd, kindlief, maar je moet mooi kunnen vertellen, en nu ik niet kan gaan, moet jij den prins redden.”—“Ik wil het graag probeeren, als ’t niet anders kan,” zuchtte de prinses, “maar ik ben bang...” “Niet bang wezen, liefje, met moed op reis gaan; wie weet, hoe heerlijk de terugkomst is.”

Dien nacht sliep de prinses slecht; maar ze zette toch den volgenden morgen een vroolijk gezichtje en stapte dapper in het rijtuig, waarmee ze de reis beginnen zou. ’t Was bijna avond, toen de prinses de stad binnen reed, waar de prins woonde. Nieuwsgierig tuurde ze door de raampjes. Alle menschen, die op de straat liepen, zagen er triest en treurig uit. Ze kwam voor het paleis, daar stond het zwart van menschen, en toch was het er doodstil. Alle menschen lieten het hoofd hangen en zett’en bedrukte gezichten: de prins zou dien nacht wel sterven.

De prinses stapte uit het rijtuig. Met groote moeite kwam ze door de menschenmassa heen bij de deur van het paleis. Ze vroeg den koning te spreken. Antwoord: die was niet te spreken; die zat bij het sterfbed van den prins en wou daar niet weg. Dan moesten ze maar den dokter roepen en zeggen, dat ze kwam met eene boodschap van de sprookjesfee. Pas had ze dat woord gezegd, of de deuren vlogen voor haar open, en het duurde geen vijf minuten, of ze stond in de ziekenkamer.

Daar lag de arme prins onder zijne zijden dekens—doodsbleek. Hij sloeg even flauwtjes de oogleden op, toen de prinses binnen kwam, maar sloot de oogen ook dadelijk weer; ’t was hem onverschillig, wie er kwam of ging. “Kijk eens, mijn jongen,” zei de koning, “daar is een jong meisje, en de dokter zegt: ze is gekomen om je weer beter te maken.”—“Mij weer beter maken?” zei de prins met eene matte stem, “mij weer beter maken, dat kan niemand.”—“Mag ik het eens probeeren, beste prins?” vroeg de prinses met eene hartelijke, vriendelijke stem. “Kijk, eerst wil ik Uw hoofdkussen eens prettig opschudden, en dan ga ik bij Uw bed zitten en vertel U een sprookje....” “Een sprookje!” zei de prins, enzijne stem klonk een beetje helderder, “kun je sprookjes vertellen?”—“Of ik!” zei de prinses, “ik kom regelrecht van de sprookjesfee, en U moest heel veel groeten van de goede fee hebben, en ze wenschte U hartelijk beterschap. Als ze niet zoo heel oud was, zou ze zelve gekomen zijn om U te vertellen, maar nu heeft ze mij de sprookjes geleerd. Mag ik beginnen?” De prins knikte glimlachend met het hoofd. “Waar zal het van wezen? van menschen, van dieren of van dingen?” vroeg de prinses, “’t Is mij alles hetzelfde,” zuchtte de prins, die al weer matter begon te worden. “O, wat ben ik ziek. Je hadt vroeger moeten komen. Ik sterf van honger naar sprookjes.”

Maar de prinses begon. Ze vertelde van de wilde zwanen, van de trouwe Elise, die om hare broers te redden uit de betoovering van eene booze fee, nooit een woord mocht praten, voordat ze elf pantserhemden van brandnetels gevlochten had. Die bleef zwijgen, toen de menschen allerlei leelijks van haar zeiden, ook toen de koning, dien ze zoo lief had, haar beschuldigde. De prins deed onder ’t vertellen de oogen al wijder en wijder open en richtte zich zelfs wat op, om beter te luisteren. Toen de vertelling uit was, zei hij: “Mooi. Jammer, dat het uit is!” Toen draaide hij het hoofd op zij en sliep rustig in.—De dokters schudd’en het hoofd en zeiden: “Wonderlijk, wonderlijk!” De prins had immers in zoo langen tijd niet rustig geslapen. De koning zag er zoo gelukkig uit en dankte de prinses en liet haar naar eene prachtige logeerkamer in ’t paleis brengen, waar haar allerlei heerlijkheden gepresenteerd werden.

En de prins sliep dien avond en den geheelen nacht rustig door en at den volgenden morgen met smaak een eitje en ’s middags een bordje soep. Toen het avond werd, gluurde de prins maar al naar de deur, en eindelijk vroeg hij: “Komt mijne sprookjesfee niet?” Juist kwam de prinses de deur in en zei: “Daar ben ik al! Wat zal het nu wezen?”—“Vertel me nu eens wat van dieren, die praten kunnen,” zei de prins. “Kun je dat?”—“Zeker,” zei de prinses, en ze vertelde van den wedloop tusschen den haas en den egel, en de prins ging recht overeind in ’t bed zitten en lachte als een gezond mensch, en toen het uit was, zei hij: “Heerlijk, heerlijk, ik voel me zoo prettig, dat ik zeker morgen wel al een paar uurtjes op kan staan. Hartelijk dank, lieve fee!”—“Ik ben geene fee,” zei de prinses,“ik ben maar een gewoon meisje, dat o, zooveel van sprookjes houdt.”—“En ze o, zoo mooi vertelt!” zei de prins. De prinses kleurde van pret en dacht: dat moest de sprookjesfee eens hooren. Die zou schik hebben. “Tot morgen,” riep de prins, toen de prinses heen ging.

Toen de prinses den volgenden avond weer kwam—waar was toen de prins? Het bed was leeg. Een heldere lach klonk door de kamer, toen de prinses naar het ledige bed keek. Daar zat de prins in een gemakkelijken stoel bij ’t venster en een even gemakkelijke stoel stond tegenover hem. “Neem plaats!” zei de prins. “Wat zal ik nu prettig luisteren.”—“Waar moet ik nu van vertellen?” vroeg de prinses. “Ik zou zoo graag eens van dingen hooren, dingen, die net doen als menschen,” zei de prins. “Kan dat?”—“Dat kan!” zei de prinses. Luister maar:

“Er was eens een net heertje; zijn heele rijkdom bestond in een’ laarzenknecht en een paar pantoffels, maar hij had den fijnsten linnen kraag van de wereld, en van dien linnen kraag zullen we eene vertelling hooren.” En nu vertelde de prinses van den kraag, die zich nu oud en wijs genoeg vond, om te trouwen en toen verliefd werd op eene zijden kous, waarmee hij toevallig in de wasch kwam. Verder, dat de kous zich eene veel te fijne juffer vond, om iets van den kraag te willen weten. Dat toen de kraag van liefde gloeide voor het strijkijzer en later weer mooie praatjes hield tegen de schaar, waarmee zijne rafels afgeknipt werden. Zoo’n sierlijke danseres had hij nog nooit gezien enz. enz. Dat de schaar van boosheid een glip in den kraag maakte. Dat de kraag eindelijk met eene van de pantoffels wou trouwen en toen met schrik hoorde, dat die al verloofd was met den laarzenknecht. Dat hij toen niets meer van de liefde wou weten en toen hij later in den lompenzak kwam, zoo schrikkelijk pochte en praalde. Ieder had van hem gehouden, ieder had met hem willen trouwen. Daar was eerst eene zijden kous, zoo slank en fijn.... en zoo ging dat voort. En zoo grappig vertelde de prinses dat alles, dat den prins op ’t laatst de tranen over de wangen rolden van ’t lachen. Toen de vertelling uitlas, sprong hij op en riep: “Neen, maar, zoo iets grappigs! Dat heeft me zoo gezond gemaakt als een visch! Ik dank U, lieve sprookjesfee! Ik dank U!” Daar sprong de deur open en de koning kwam binnen. “Wat is me dat hier voor eene vroolijkheid,” riep hij. “Ik hoorde in de verte lachen.”—“Deprins is weer beter!” zei de prinses. Toen sprong de koning ellen hoog. “Lief meisje,” riep hij, “je hebt mijn’ prins gezond gemaakt, daarvoor zal ik je eene kist vol geld geven en....”—“Niets er van!” riep de prins, “daarvoor wil ik haar tot mijne vrouw maken!” Toen de koning die woorden hoorde, betrok zijn gezicht. “Ja,” zei hij, ik kan me bestindenken, dat je het meisje lief hebt gekregen, maar een prins kan geen gewoon meisje trouwen, die moet eene prinses hebben....”—“Dat ben ik juist!” zei nu de prinses met een zacht stemmetje. “Sakkerloot! als dat zoo is!” riep de koning.

Toen vertelde de prinses haar eigen geschiedenis, en die geschiedenis vond de prins nog de allermooiste vertelling. Natuurlijk wou de prins de prinses zelf naar de oude sprookjesfee terugbrengen. De oude, zei de prins; want hij hield maar vol, dat zijne prinses eene nieuwe, jonge sprookjesfee was. Wat de oude sprookjesfee schik had, toen ze den zieken prins zoo gezond en gelukkig voor zich zag! Hoe hare oogen schitterden, toen ze hoorde, hoe mooi haar logeetje had weten te vertellen! Van de sprookjesfee ging het nu naar ’t ouderlijk paleis van de prinses. De koning daar was wat blij, dat hij nu ook een’ zoon kreeg. Maar hoe gelukkig de prins was, toen hij ’s avonds in het gezellige torenkamertje met al de brandende lampjes zat, tegenover de prinses, die al weer eene andere vertelling vertelde, dat is niet te zeggen.

Toen de prins later koning werd, liet hij aan alle meesters en juffrouwen van de scholen in zijn land zeggen, dat er tweemaal in de week verteld moest worden. Wat zeg jullie daarvan?

Het begint niet: er waren eens een koning en eene koningin. Alleen maar: er was eens een koning. Want de koning had geene koningin.

Eens op een’ morgen zou de koning opstaan. Slaperig zat hij op den rand van zijn bed en trommelde met de bloote voeten tegen het hout; want hij had nog geene kousen aan. Vóór hem stond een deftig heer met een rijk geborduurden rok aan en witte handschoenen. Zooals de koning over het land regeerde en over de menschen, die er woonden, zoo regeerde dievoorname mijnheer over het paleis en over al de bedienden, over de heele huishouding van den koning. Want met de huishouding kon de koning zich niet bemoeien: hij had wel wat anders aan zijn hoofd. Nu, die voorname mijnheer met zijn geborduurden rok en zijne witte handschoenen stond dan voor den koning en bood zijne Majesteit met eene diepe buiging—de kousen aan. Waarom zette de deftige heer een verlegen gezicht daarbij? Waarom draaide hij de eene kous zoo om en om? Omdat—hij op eens tot zijn’ schrik een groot gat in den hiel gezien had en bang was, dat de koning het ook zou zien. Maar ’t hielp hem niet, dat hij het ongelukkige gat naar beneden gekeerd hield: de koning had het met zijne scherpe oogen toch opgemerkt. En nu was het wel waar, dat de koning meer om zijne sierlijke, glimmende laarzen gaf, die ieder zag, dan om zijne kousen, die bijna niemand te zien kreeg, maar—dit vond hij voor een’ koning toch wel wat heel erg.

Verschrikt nam hij den deftigen heer de kous uit de hand en stak twee van zijne breede vingers door het gat. De vingers gingen er tot aan de hand in! Toen keek de koning half ernstig, half lachend den deftigen heer aan, die nog altijd beschaamd, met gebogen hoofd vóór hem stond, en zuchtend zei hij: “Heer opperste in mijn paleis, bovenste baas over mijne huishouding, je bent een knap man; maar verstand van kousen stoppen heb je geen zier. En wat helpt het me, dat ik koning ben, als ik met gaten als vuisten in de kousen loopen moet! Wat helpt het me, dat ik koning ben, als ik geene koningin heb!.... Wat zou je er van denken, als ik me eens eene vrouw nam?”.... De deftige heer, die al doodsbenauwd geweest was voor de groote ontevredenheid van den koning, was wàt blij, dat het zoo goed voor hem afliep. Hij fleurde er heelemaal van op en riep vroolijk: “Wat ik er van denken zou? Dat Uwe Majesteit nooit iets beters en verstandigers zou kunnen doen.”—“Kom, dat doet me plezier,” zei de koning; maar toen met een bedenkelijk gezicht: “Maar zeg eens, geloof je, dat ik wel zoo gemakkelijk eene vrouw zal vinden, die mij past?”—“Welzeker!” lachte de opperhofmeester, “wel tien voor ééne. Het land van Uwe Majesteit is niet het eenige op de wereld. Er zijn nog heel veel andere landen, en daar wonen heel wat lieve en aardige prinsessen. Wezenlijk, Uwe Majesteit behoeft geen zorg te hebben.”

Maar de koning scheen daar nog niet zoo zeker van te zijn; want er zaten nog rimpels in zijn voorhoofd. “Ik weet het niet, ik weet het niet,” zei hij. “Ik geloof niet, dat ik zoo gauw tevreden zal wezen. Mijne prinses moet zijn: heel mooi—en heel lief—en heel verstandig ....”—“Is het anders niet,” lachte de opperhofmeester, “o, zulke prinsessen zijn er genoeg te vinden.”—“Ho, ho, niet te voorbarig, mijn waarde vriend, ik ben nog niet klaar. Ja, als het dat alleen was, dan .... maar, maar .... er is nog één heel voornaam ding, waar ik bijzonder op letten zou.”—“De prinses mag zeker niet ijdel zijn—of slordig—of nieuwsgierig.—Ze moet zeker mooie handwerken kunnen maken, mooi kunnen teekenen of zingen, of vlug schaatsenrijden ....”—“Houd maar op,” riep de koning, “niets van dat al. Ze moet—lekkere pepernoten kunnen bakken!—Ik houd nergens zooveel van als van pepernoten. Maar—juist, omdat er geen grooter lekkernij voor mij bestaat, ben ik er heel, heel kieschkeurig op. Pepernoten moeten zacht bruin van kleur zijn, niet te week, niet te hard; maar zoo eventjes knapperig. Je weet, dat er geen bakker in mijn heele rijk is, of hij heeft zijne kunst in ’t pepernoten bakken al eens voor mij moeten vertoonen. Maar je weet ook, dat geen een het me nog naar den zin heeft kunnen doen. De een maakt ze te hard, de ander te week, een derde te taai, een vierde maakt er bleekneuzen, een vijfde weer negers van. Daarom, waarde heer; de prinses, die ik zou willen trouwen,moetpepernoten kunnen bakken, en heel lekkere ook, anders kan ze nooit mijne vrouw worden.”

Toen de opperhofmeester dat hoorde, kreeg hij een’ schrik. Maar hij hield zich goed en zei: “Een koning als Uwe Majesteit kan alles krijgen, wat hij maar begeert, ook wel eene prinses, die pepernoten bakken kan.”

“Zou je dat wezenlijk denken?” riep de koning, nu erg in zijne nopjes, “kom aan, dan beginnen we dadelijk samen te zoeken.”—

Van dat oogenblik af had de koning geen rust meer. Hij moest en zou nog dienzelfden dag op reis, om de knappe prinses te zoeken, die hem pepernoten naar den zin kon bakken. Dat was me een gevlieg en gedraaf trap op, trap af door het paleis: de bedienden liepen elkaar haast onderst-boven, zoo druk hadden ze het, om alles voor de reis in gereedheid te brengen. Twee groote koffers vol prachtige presenten werden er gepakt:niets was den koning te veel of te kostbaar voor de prinses, die .... je weet het wel.

Eindelijk was alles klaar, de reiskoets met vier paarden bespannen voor de deur. De koning stapt in, de opperhofmeester stapt in, en voort gaat het....

Dat was me eene lange, lange reis, van ’t eene land naar ’t andere en dan weer verder, overal heen, waar maar prinsessen woonden. Maar—hoeveel prinsessen de koning ook zag, toch vond hij er in al de landen, waar hij geweest was, met elkaar maar drie, die tegelijk “heel mooi” en “heel lief” en “heel verstandig” waren. En nu zouden drie heel mooie en heel lieve en heel verstandige prinsessen nog meer dan genoeg geweest zijn, om er eene keuze uit te doen. Maar .... geene van de drie kon pepernoten bakken!!

”’t Spijt me erg, dat ik geene pepernoten kan bakken,” zei de eerste prinses. De prinses zou wel graag de vrouw van den koning geworden zijn, en daarom vroeg ze met een verlegen stemmetje: “Mogen het geene amandelkoekjes zijn, die maak ik heel lekker, ronde en vierkante en hartjes, met veel boter.”—”’t Spijt mij ook, lieve prinses,” zei de koning; “maar hetmoetenpepernoten zijn.”

De tweede prinses was niet zoo zacht en goedig als de eerste. Toen de koning haar vroeg, of ze ook pepernoten bakken kon, gooide ze het hoofdje fier achterover, trok de roode lipjes op en zei verdrietig: “Wat ik U bidden mag, heer koning, kom mij toch niet met zulke dwaasheden aan. Wie heeft er toch ooit gehoord van eene prinses, die—pepernoten kan bakken!”

Maar bij de derde prinses, nog wel de mooiste en de verstandigste van de drie, ging het den koning nog heel anders. Verbeeld je: die liet hem niet eens den tijd, om te vragen, of ze wel .... Vóór de koning nog iets gezegd had, kwam de prinses zelf met eene vraag. Ze zou wel graag willen weten, zei ze, of de koning ook—op den doedelzak kon spelen. Op zoo’n vraag had de koning nu al heelemaal niet gerekend, ja, hij had er niet eens aan gedacht, dat de prinseshemiets zou kunnen en durven vragen. Hij was er verbluft van en stotterde: ”’t Spijt me, ’t spijt me, geachte prin-prinses, maar op den doe-doedelzak, daar kan ik niet op spelen.”—“O,” zei de prinses, “als dat zoo is, behoeven we niet verder te praten, dan kan ik toch nooit Uwe vrouw worden. Het spijt me wezenlijk om U,en zelf had ik het ook graag anders gewild; want ik vind U heel aardig. Maar—op den doedelzak te hooren spelen, o, dat is mijn lust en mijn leven. En daarom heb ik me vast voorgenomen, nooit een’ man te nemen, die dat niet kan.” Arme koning, daarmee kon hij weer naar huis gaan. Vergeefs had hij de lange reis gedaan: de koffers met presenten waren niet open geweest, eene prinses, die zóó en zóó en zóó was en daarbij pepernoten kon bakken, had hij niet gevonden.

En toch—de koning had er nu eenmaal zijne zinnen op gezet—ermoesteene koningin komen. Zoo gebeurde het, dat na eene heele poos de koning den minister weer bij zich liet roepen. De koning zat met de hand onder ’t hoofd en zuchtte, toen zijn opperhofmeester binnenkwam. “Uwe Majesteit heeft toch geen verdriet?” vroeg de opperhofmeester medelijdend. “Ik heb nog altijd geene koningin,” zei de koning, “en dat hindert me. Weet je, waar ik bang voor ben: ik vind nooit eene prinses, die pepernoten kan bakken. Ik geloof, dat ik maar van de pepernoten moet afstappen, al spijt het me ook geducht. Me dunkt, ik moet maar tevreden zijn met—amandelkoekjes. Ja, de prinses, die zoo lekker amandelkoekjes kan bakken, ronde en vierkante en hartjes, met veel boter, die moet mijne koningin maar worden. Reis nu maar dadelijk naar de prinses van de koekjes en vraag, of ze nog lust heeft mijne vrouw te worden.”

De opperhofmeester reisde welgemoed heen, maar teleurgesteld terug; want hij bracht de boodschap aan den koning, dat—de prinses tot haar spijt de vrouw van den koning niet meer worden kon, omdat ze in dien tusschentijd al de vrouw van een anderen koning geworden was. De prinses, die zulke heerlijke amandelkoekjes kon bakken, was getrouwd met den koning van het land, waar de amandels groeien.

“Dan moeten we het in vredesnaam bij de tweede prinses probeeren. Ik vrees anders wel, dat het niets zal geven: ze was toen al zoo boos, omdat ik naar de pepernoten durfde te vragen. Maar, de prinses kan zich bedacht hebben.” Weer reisde de opperhofmeester heen, maar lang niet zoo welgemoed als den eersten keer. En weer reisde hij terug met eene boodschap, die nog veel minder prettig was, om over te brengen. De prinses liet zeggen: nog liever wou ze haar heele leven lang prinses blijven en nooit koningin worden, dan dat ze zou regeeren over een land, waar een dwaas op dentroon zat. “Als dat zoo is,” zei de koning boos, “laat ze dan maar gerust blijven, waar ze is, ik heb haar niet noodig.”

Dat kon de koning in zijne boosheid wel gemakkelijk zeggen; maar—hoe nu? ’t Was een heel lastig geval. Ja, de derde prinses was er nog, en de derde prinses was de mooiste en liefste en verstandigste van de drie. Maar—de doedelzak, de doedelzak! Als de prinses niet van den doedelzak kon afstappen, zooals hij van de pepernoten was afgestapt, dan—zou de eenige kans weer verkeken zijn. De koning dacht lang na: hij kon er eerst maar niet toe besluiten, de derde prinses te vragen. Hij was het nog niet vergeten, hoe beschaamd hij voor de prinses gestaan had, toen ze hem, in plaats van te antwoorden op de pepernoten, gevraagd had, of hij, de machtige koning, wel op.... Neen, voor de tweede maal zou dat niet weer gebeuren, daar was hij te trotsch voor.

De koning wachtte. De koning dacht nog eens na. En toen—liet hij toch weer den opperhofmeester bij zich roepen. “Mijn waarde heer,” zei de koning, “je trekt al een lang gezicht, en ’k weet wel waarom. Maar dat zal je niet helpen, je moet nog eens voor me op reis. Dezen keer—naar de derde prinses. Misschien zegt die ook weer neen; maar wagen wil ik het toch.” De opperhofmeester boog met een zuurzoet lachje en zei: “Zooals Uwe Majesteit beveelt.”—

De opperhofmeester was op zijne reis naar de derde prinses alles behalve in zijn humeur. Hij zag er, eerlijk gezegd, erg tegen op, weer weggestuurd te worden als een schooljongen, die kwaad heeft gedaan. En—als het niet om zijn’ heer en meester, den koning geweest was, zou hij wàt graag weer rechtsomkeert gemaakt hebben, toen hij bij ’t paleis van de prinses kwam. Maar—tot zijne groote vreugde liep alles heel anders af, dan hij gedacht had.

Al dadelijk ontving de prinses hem zoo vriendelijk, dat hij op eens moed kreeg, om met zijne vraag voor den dag te komen. De prinses zou zich nog wel herinneren, hoe zijn heer en meester, de koning, eene poos geleden alle landen was afgereisd, om zich tot vrouw te zoeken eene prinses, die pepernoten naar zijn’ smaak kon bakken. Ook, hoe hij overal vergeefs gezocht had. Hij liet haar nu zeggen, hoe erg hem dat speet, vooral omdat er onder de vele prinsessen, die hij gezien had, ééne was, die hij maar niet vergeten kon. Hoe lief, hoe mooi, hoe verstandig hij dieééne vond. Hoeheelgraag hij daarom juist haar en geene andere tot zijne vrouw zou gekozen hebben, als ze maar niet dat ééne gemist had, waarop hij nu eenmaal zijne zinnen had gezet. Maar hoe de koning na lang denken eindelijk begrepen had, dat het toch wel wat veel was, bij zooveel schoonheid, goedheid en verstand, ook nog naar pepernoten te vragen. En hoe hij dus besloten had, zijn’ opperhofmeester te zenden, om de prinses vriendelijk te vragen, of zij nu nog wel de vrouw van den koning wilde worden.

Toen de opperhofmeester alles gezegd had, begon de prinses met een verlegen en toch guitig lachje: de koning zou zich nog wel herinneren, hoe zij hem indertijd niet aan het woord had laten komen over de pepernoten. Hoe ze hem dadelijk verschrikt had met de vraag, of hij ook op den doedelzak kon spelen. Zij liet hem nu zeggen, dat er onder al de koningen en prinsen, die ze ooit gezien had, geen enkele was, die haar zoo goed beviel als hij. Hoe ze daarom juist graag hem en geen ander tot man zou gekozen hebben, als hij maar niet dat ééne gemist had, waar zij al hare zinnen op had gezet. Maar hoe ook zij na lang denken had begrepen, dat het toch wel wat veel was, bij zooveel goeds als de koning had, ook nog naar den doedelzak te vragen. En hoe ze nu dus besloten had, om op de vraag van den koning een vriendelijk “ja” te antwoorden en toch maar zijne vrouw te worden.

Of die opperhofmeester ook in zijne nopjes was. Dadelijk liet hij de koffers met de presenten, die hij op zijne reizen naar de prinsessen trouw meegenomen had, naar ’t paleis brengen en zelf pakte hij alles voor de gelukkige prinses uit. En dat zegt wat voor zoo’n voornaam heer! Maar in zijne blijdschap zou hij graag nog wel veel meer hebben willen doen, als hij maar geweten had, wàt!

Op de terugreis naar den koning moesten de paarden voor de reiskoets draven, jagen, dat ze er den adem haast bij verloren. De koets stoof in vliegende vaart over den weg, hooren en zien verging den opperhofmeester; maar dat kon hem niet schelen. Hoe sneller, hoe liever, dan was hij des te eerder bij den koning, om hem de blijde boodschap te brengen.

Eindelijk stonden de paarden hijgende en brieschende stil voor ’t paleis. De opperhofmeester was in een’ wip het rijtuig uit en twee treden te gelijk ging het de trap op naar de voordeur. De koning, die al verlangend had staanuitkijken, toen hij zulk woest getrappel van paarden in de verte hoorde, kwam zijn’ opperhofmeester al tegemoet in het voorportaal. Maar toen hij het stralende gezicht zag en begreep, dat alles goed was, wenkte hij hem gauw mee in eene groote zaal, waar ze ongestoord praten konden. “Ze doet het, ze doet het!” riep de opperhofmeester dadelijk, toen een bediende de deur had dicht gedaan.

Toen vloog de koning zijn’ opperhofmeester om den hals, en hij schudde hem de hand, zoo lang en zoo hard, dat de opperhofmeester “au” riep. “En, en” .... vroeg de koning, toen hij wat tot bedaren gekomen was, “vroeg de prinses ook nog naar den doedelzak?”—Toen vertelde de opperhofmeester alles, wat hij zelf gezegd, en alles, wat de prinses daarop geantwoord had. En de koning omarmde zijn’ opperhofmeester nog eens en drukte hem weer de hand en beloofde hem drie ridderordes, omdat hij bij de prinses zoo flink en goed voor zijn’ koning gesproken had.—Nog dienzelfden dag werden de ridderordes besteld bij den knapsten goudsmid in ’t heele land. En toen ze klaar waren, stond ieder te kijken; niemand had nog ooit zulke rijke en prachtige en groote ordes zien dragen. De eene was een kruis van zuiver goud, bezet met diamanten; de tweede was een driehoek van zilver, ingelegd met pareltjes en met drie parels aan de drie hoeken, zoo groot als duiveneieren; de derde was eene ster met twaalf punten, alle bezaaid met roode, blauwe, gele en groene edelgesteenten. Het gouden kruis was alleen al zoo groot, dat het de heele borst bedekte. De zilveren driehoek moest dus wel op den rug gedragen worden, die er heelemaal door bedekt was. Voor de schitterende ster wist de opperhofmeester geene plek meer te bedenken; die droeg hij bij feestelijke en plechtige gelegenheden dus maar in de hand. ’t Was eene pracht, en je kon er duidelijk aan zien, hoe dankbaar de koning wel was en hoe blij met het lieve, mooie, verstandige vrouwtje, dat hij trouwen zou. Het duurde nu ook niet lang meer, of de koning werd bruidegom en de prinses bruid, en samen vierden ze bruiloft en met hen vierde het heele land feest. De klokken luidden, en de vlaggen wapperden er lustig op los. Eerepoorten in de straten, slingers van groen en bloemen aan de huizen—den heelen dag door muziek en ’s avonds lichtjes, lichtjes overal en vuurwerk. Gejuich en gejubel, lachen en zingen en dansen en smullen en pret maken—eeneheele week lang. Feest was het en nog eens feest bij oud en jong, bij arm en rijk, alles ter eere van de lieve jonge koningin.

’t Vroolijkst van allen waren de koning en de jonge koningin en geen was er, die zoolang feest bleef vieren als zij met hun beidjes.—Ja—toen er al lang geen feesten meer in het land gevierd werden ter eere van het koningspaar, bleef het nog altijd feest in de harten van den koning en de koningin. Dat kwam, omdat de koning zoo heel, heel gelukkig was met zijn koninginnetje, en het koninginnetje weer zoo gelukkig met haar koning.

Dat kwam, omdat ze elkaar met den dag liever kregen.

Wat zag het koninginnetje er toch frisch en aardig uit, vond de koning, wat kon ze verstandig praten, wat was ze zacht en goed! De koning moest lachen, als hij dacht aan vroeger, toen hij eens de vingers gestoken had door een gat in zijne kous! Ja, vroeger—toen was er dikwijls wat verkeerd gegaan in de huishouding van den koning. Maar nu: wat kon dat koninginnetje flink op alles toekijken, en wat zorgde ze goed voor den koning. ’t Was een lust!—En ’s avonds, als de koning moe van ’t regeeren was, wat kon ze hem dan prettig opfleuren met te vertellen van alles, wat ze op dien dag al voor hem en voor armen en zieken gedaan had. En wat kon ze stil en verstandig luisteren als de koning met haar sprak over alles, wat hij dien dag weer voor zijn land en voor zijn volk gedaan had.—Altijd deed de koningin, wat de koning graag wou, en nooit dacht ze er aan, iets te doen, dat de koning niet goed vond. Ja, ze was op ’t laatst zoo knap, dat ze precies op zijn voorhoofd lezen kon, wat hij wenschte en wat niet.—

En de jonge koningin vond op hare beurt weer, dat de koning er zoo knap en flink uitzag. En wat had hij een verstand van regeeren. Wat wist hij veel, wat was hij geleerd! En hoe goed was het van hem, dat hij wel met haar praten wou over allerlei gewichtige dingen. Wat was hij lief voor haar—nooit boos of verdrietig. Wat deed hij haar graag plezier: in hare oogen kon hij lezen, wat ze graag en niet graag had.

’t Was en bleef feest in de harten van het koningspaar een vol jaar lang! Ja, ze waren wel heel gelukkig, want in dat heele jaar had de koning nog geene enkele maal gedacht: ”’t Is toch jammer, dat mijne koningin geene pepernoten bakken kan.” En de koningin had nog niet één keergezucht: ”’t Spijt me toch, dat mijn koning niet op den doedelzak spelen kan.” Een heel jaar lang vergat de koning zijne pepernoten en de koningin haar doedelzak .... Maar toen gebeurde het op een goeden, ik meen op een kwaden dag, dat de koning èn de koningin alle twee ’s morgens uit het bed stapten—met het verkeerde been. Als het nog maar de koning alleen geweest was! Als het nog maar de koningin alleen geweest was! Maar alle twee tegelijk—dat was erg genoeg!

Het koningspaar stapte op dien morgen met het verkeerde been uit het bed en dus—ging alles dien heelen dag verkeerd. Dat is nog nooit anders geweest, ’s Avonds zou er een groot feest wezen in de mooie parken en tuinen bij het paleis. Honderden gasten waren er gevraagd. Duizenden lichtjes en gekleurde ballons zouden er tusschen het groen hangen. Maar—het regende, het stortregende, het plasregende, het regende, alsof het met emmers uit de lucht gegoten werd, van den morgen tot den avond. De tuinen leken wel vijvers, de paden en lanen in het park stonden blank. Er was geen denken aan feestvieren: in alle haast moest de boodschap aan alle gasten gestuurd worden, dat ze wel thuis konden blijven.—En de koningin vooral had zich nog wel zoo verheugd op het heerlijke feest buiten!—

Dan—toen de koningin, om haar verdriet te verzetten, wat met haar poesje was gaan spelen—had Poes haar leelijk over de hand gekrabd. De roode streep paste slecht op de blanke handjes, waar de jonge koningin zoo trotsch op was.—En—er was eene leelijke vlek gekomen op het wit zijden kussen, waar de koningin juist bloemen opschilderde.—En—onder het kappen had de kamenier de koningin bij ongeluk met eene haarspeld in ’t hoofd geprikt. Daar had de koningin hoofdpijn van gekregen.—En—maar kom, ik wil al de ongelukken, die er op dien ongeluksdag nog meer gebeurden, maar niet opnoemen, ’t Liep alles, alles verkeerd—en ons koninginnetje, anders altijd even goed en zacht en vroolijk, was nu verdrietig en pruilerig en heelemaal niet in haar schik.

En hoe ging het met den koning, die ook met het verkeerde been uit het bed gestapt was? Natuurlijk niet veel beter, ’t Speet hem ook erg van ’t feest, dat zoo treurig in den regen verdronken was.—En dan—de kostbare rijksappel, je weet wel, die mooie bal, die de koningen op een plaatje altijd op de hand dragen—viel bij ongeluk op den grond en hetprachtige kruis van goud en edele steenen brak er af!—En dan—kwam de nieuwe kaart thuis, die de koning van het land had laten maken. En toen hij die bekeek, waren de rivieren in plaats van blauw, vuurrood gekleurd, en de zee oranje!—En de nieuwe laarzen knelden zóó, dat de koning er kreupel van liep. En—en—nog eene lange rij van andere tegenspoeden had de koning op dien naren dag. Anders was onze koning altijd vriendelijk en welgemoed—nu was hij brommig en boos en heelemaal niet in zijn humeur.

De koningin pruilerig en verdrietig, de koning brommig en boos: o wee, o wee!—Toen gebeurde er, wat er nog nooit gebeurd was, zoolang ze met elkaar in hetzelfde paleis woonden: de koning en de koninginkibbelden! Waarover, ja, dat wisten ze den volgenden dag zelf eigenlijk niet meer. ’t Was om eene kleinigheid, ’k geloof om een boek, dat de koningin op eene andere plaats gelegd had en waar de koning toen naar moest zoeken. Nu, ’t komt er ook niet op aan,waaromze kibbelden—zekibbelden, en dat wou ik eigenlijk maar vertellen. De koning was onvriendelijk en zei booze woorden tegen de koningin. De koningin gaf kribbige antwoorden. Daar werd de koning nog weer boozer om, en hoe boozer de koning werd, hoe scheller en bitser de stem van de koningin klonk. Over het boek was ’t, geloof ik, begonnen; maar het eene woord haalde het andere uit. Dit vond de koning niet goed, en dat had de koningin toen en toen verkeerd gedaan, en zoo of zoo wou hij het niet langer hebben. Daar zei de koningin toen weer op: de koning moest zich vooral niet verbeelden, dat er nooit iets op hem te zeggen viel.—’t Ging al harder en harder tegen elkaar. Ieder wou het laatste woord hebben, geen van beiden was zoo verstandig, om op te houden met kibbelen.

En eindelijk, toen de koningin niets anders meer wist te zeggen, trok ze de schouders op en zei met een spottend gezicht en een’ lach, die heelemaal niet lief of goed klonk: “Me dunkt, heer koning, je moest je nu eindelijk eens stil houden en niet langer overal wat op aan te merken hebben:je kunt niet eens op den doedelzak spelen!”

Maar pas waren die leelijke woorden haar uit den mond gevallen, of de koning riep driftig: “Ja wel, ik zal me stil houden voor eene,die niet eens pepernoten kan bakken!”

Daar was het er uit, waar ze nooit, nooit meer over hadden moeten praten. De koningin schrikte, toen ze ’t gezegd had en de koning schrikte ook van zijne eigen woorden. En van puren schrik hielden ze zich op eens allebeî muisjesstil. De koning keerde zich om en ging dadelijk naar zijne kamer. De koningin sloop de deur uit, ook regelrecht naar hare kamer. Daar viel ze neer in een hoekje van de canapé en begon bitter te schreien.

“Och, och,” zuchtte ze, “wat ben ik toch dom, dom, dom geweest. Hoe kreeg ik het in mijn hoofd, over dien akeligen doedelzak te praten! Als ik maar even nagedacht had, dan wist ik toch wel, dat de koning daar niet van hooren wou. Ik kon toch begrijpen, dat ik er hem verdriet mee deed. Wat kan me nu eigenlijk nog die doedelzak schelen: mijn beste man is er even lief en goed om, en ik heb er hem even lief om, of hij op dat ding speelt of niet. O, o, hoe kwam ik er toch bij, zoo iets te zeggen! Nu wordt hij misschien nooit, nooit weer vriendelijk tegen mij, hij vergeeft het me niet, ik weet het zeker.”

Toen barstte ons arm koninginnetje weer in tranen uit, ze voelde zich zoo ongelukkig! En de koning liep heen en weer, op en neer in zijne kamer en dacht: “Wat ben ik begonnen! Waarom noemde ik toch die onnoozele pepernoten! Die heele pepernoten, wat geef ik er eigenlijk om. Mijn vrouwtje is er niets minder lief en mooi en goed en verstandig om, of ze die dingen bakken kan of niet, en ik houd er niets minder om van haar.—Nu heb ik mijn koninginnetje verdrietig en boos gemaakt—ze zal ’t zoo gauw niet weer vergeten, wat ik gezegd heb. Wat ben ik begonnen!”

De koning ging met het hoofd in de hand op een’ stoel zitten en keek bedrukt voor zich neer. Maar langzamerhand fleurde zijn gezicht weer op, hij sprong van zijn’ stoel, en op eens lachte hij en riep: “Eigenlijk is ’t maar een geluk, dat mijn vrouwtje geene pepernoten bakken kan. Want wat in de wereld zou ik anders hebben moeten antwoorden, toen ze mij verweet, dat ik niet op den doedelzak kon spelen!—Maar met dat al wou ik, dat die kibbelpartij nooit gekomen was. Ik kan het niet verdragen, dat mijn lief vrouwtje boos op me is. Zóó houd ik het niet uit. Waar zou ze zijn, ik moet dadelijk naar haar toe, om alles weer goed te maken.”

Zóó in zichzelf denkende en pratende liep de koning de deur uit, de lange gang in, waar heel veel kamers van het paleis op uitkwamen.—Maar daar was het pikdonker: alles moest immers verkeerd gaan op dien ongeluksdag, en zoo had de kamerdienaar natuurlijk vergeten op tijd de lampen aan te steken. De koning tastte met de handen vooruit, om zich niet te stooten en schoof zóó voorzichtig langs den muur verder. Daar tastte hij met zijne handen in eens aan iets heel zachts en warms—’t was een gezicht, hoor, een gezicht van een, die ook voorzichtig langs den muur schoof, om zich niet te stooten.

“Wie is daar?” vroeg de koning. “Ik ben het,” zei een zacht, bedroefd stemmetje. “Wien zoek je, vrouwtje?” vroeg de koning, want de zachte, warme wang en de lieve, bedroefde stem waren allebeî van het koninginnetje. “Ik zoek jou, beste man, ik heb zoo’n spijt, ik wou je vergiffenis vragen, omdat ik dat leelijke tegen je gezegd heb van ....”—Maar de koning liet haar niet uitpraten. In het donker op de gang sloeg hij zijne armen om zijn vrouwtje heen en kuste haar en zei: “Je behoeft me geene vergeving te vragen,” en zijne stem beefde wat, “ik heb ook schuld, veel meer dan mijn koninginnetje. ’t Is nu alles vergeven en vergeten. En weet je,” fluisterde de koning verder, van nu af aan zullen er twee woorden zijn, die in het heele land nooit weer mogen worden uitgesproken. Wie het doet, zal zwaar gestraft worden. Die woorden zijn:doedelzaken—”

“Enpepernoten,” riep de koningin lachend, maar terwijl ze lachte, vielen er toch nog een paar tranen langs hare wangen. Die kuste de koning weg, en toen was alles weer blijdschap en geluk. En dat bleef zoo altijd, altijd, zoo lang de koning en de koningin leefden.

Dat kinderen in hunne domheid wel eens kwaad doen, weet jullie allemaal wel. Maar dat er eens eene groote tooverfee geweest is, die kwaad gedaan had en die door al de andere tooverfeeën gestraft moest worden, vind je dat niet raar? ’t Is toch zoo, hoor! Ik heb het zelf in een boek van eene tooverfee gelezen. En nu wil jullie zeker ook wel graag weten, hoe die ondeugende tooverfee gestraft werd? Nu dan: met niets meer en niets minder dan dat ze veranderd werd in—eene koe. Gelukkig niet voor altijd, maar’t was toch heel moeilijk, om weer eene fee te worden; want wat moest de koe eerst doen? Ze moest van een ondeugenden jongen een goeden jongen maken. Ja, en nog wat! Die ondeugende jongen, die goed geworden was, moest de koe zóó lief krijgen, dat hij haar van pure liefde een’ kus gaf midden op den snuit. Daar dan, als dat niet moeilijk was, weet ik het niet. Niet vóór dat de jongen den kus gaf, kon de koe weer eene fee worden. Of de koe nu knap genoeg was, om dat gedaan te krijgen, jullie zult het hooren.

Nu, de fee was dan eene koe en eene treurige koe ook nog wel. Ze was zoo mager als een houtje. En was ze nu nog maar de koe van een rijken boer geweest, dan had ze tenminste eene malsche weide gehad, waarin ze zich vet grazen kon, maar niets er van, hoor! De tooverfeeën hadden haar bij een armen arbeider gebracht, die niet eens eene weide had. Die arbeider woonde op een klein dorpje, en daar lag vóór de huizen en tusschen de huizen aan den weg wel eens een stukje grond met gras begroeid. Daar mocht de koe van eten. Dan melkte de arbeider de koe wel vier keer op een’ dag en andere koeien worden toch maar twee keer gemolken. Daar werd de koe ook niet vetter van. Dus onze koe had het alles behalve goed, en je kunt begrijpen, hoe ze haar best wou doen, om toch maar weer eene fee te worden. Wist ze nu maar eerst een ondeugenden jongen! Maar die was zoo gemakkelijk nog niet te vinden. Op het dorp waren wel kwâjongens, die om eene boerin te plagen eens een’ emmer met water omgooiden, of een enkelen keer deurtje belden, maar dat waren geen echte ondeugende jongens. Dat begreep de koe wel. Dus had ze nog altijd vergeefs gezocht. Maar—ze behoefde niet lang meer te zoeken. Pas maar eens op.

Aan het eind van het dorp stond een mooi groot huis, dat alleen des zomers bewoond werd door een rijken heer, die maar één kind, een’ jongen had. Die jongen was een jongen, zooals er niet veel zijn, en dat is maar gelukkig ook.

Vooreerst: leeren, dat wou ons heertje niet. Hij vond het leeren vervelend, en Papa was toch rijk: hij behoefde later geen geld te verdienen. Verbeeldt je, alsof rijke menschen nooit arm kunnen worden!

Dan, en dat was nog erger, vond hij alle menschen minder dan zich zelf. Tegen de bedienden van zijn’ vader sprak hij, alsof ze weinig meerdan dieren waren. Voor ieder, die niet mooi gekleed was, trok hij den neus op. Voor niemand deed hij iets, niemand had hij lief—ja, ’t is haast zonde om het te zeggen, maar ’t was, of hij zijn eigen ouders niet eens lief had. Hoeveel plezier zijne ouders hem ook aandeden, nooit zette hij een dankbaar en tevreden gezicht. ’t Was, of het maar van zelf sprak, dat zijn vader en moeder zoo goed voor hem waren. Nooit was het eten naar zijn’ zin, en dan stond hij altijd dadelijk met een pruilend gezicht klaar. Ieder snauwde hij af en op alles, wat hem gezegd werd, had hij een brutaal woord weerom. Zóó was het heertje, dat Gustaaf heette, een naam, die veel te mooi was voor zoo’n naren jongen.

Nu, die Gustaaf kwam op een goeien dag tegen den zomer met zijne ouders in een mooi rijtuig regelrecht op het heerenhuis afrijden, en denzelfden dag was het huis weer bewoond en vertelden al de menschen op het dorp elkaar, dat de rijke mijnheer en mevrouw met hun onaardig zoontje weer overgekomen waren. Een onaardig zoontje! daar had onze koe wel ooren voor. Nu—ze behoefde niet lang geduld te hebben. Den eersten den besten dag stapte Gustaaf met een’ knecht een eind achter zich het dorp door. Hij wou dadelijk de arme dorpskinderen eens toonen, hoeveel mooier en voornamer hij was, dan zij. Onder het loopen bekeek hij vol trots zijn mooi fluweelen pak, en gedurig schudde hij zijn hoofd, zoodat de haneveeren, die op zijn kastoren hoed zaten, duchtig wapperden. Soms zette hij de hand tusschen de gouden ceintuur, die om zijn fluweelen kiel zat, en dan trok hij zijn gouden horloge uit of rammelde met den gouden ketting. Aan dien gouden ketting hingen wel tien aardige dingen, allemaal van goud, en van één zoo’n gouden dingetje had een arme man wel een’ zak aardappelen kunnen koopen. Zóó rijk was Gustaaf—ik meen Gustaafs vader. De jonge heer had ook nog een wandelstokje met gouden knop in zijne hand, en daar sloeg hij gedurig mee tegen zijne mooie laarzen. Dat had hij groote heeren ook wel zien doen.

Je kunt denken, wat oogen de arme dorpskinderen opzett’en. ’t Was juist Zaterdagmiddag, en zoo wat alle kinderen speelden op den weg. De koe liep rustig op zij van den weg te grazen en keek met hare groote oogen naar Gustaaf, alsof ze zeggen wou: “Nu moet ik eens goed oppassen, of dat heertje niet voor mij geschikt is.”

Daar kwam op eens een kleine dikke jongen op Gustaaf toeloopen, greep met zijne handjes naar al de mooie dingen aan den horlogeketting en bedelde: “Hè, laat mij eens zien! wat mooi!” Maar pas had het kind een’ vinger uitgestoken, of Gustaaf sloeg hem met zijn mooien wandelstok op de handjes en riep: “Brutale jongen, dat zal je leeren ....” Verder kwam hij niet. Op eens vloog de koe midden op den weg, bukte haren kop en voordat Gustaaf wist, wat er met hem gebeurde, was hij op de horens genomen. Hij had nog net den tijd om zich aan de breede horens vast te grijpen, maar zijn hoed met de mooie veeren en de stok met den gouden knop vlogen op den grond. Voor dat iemand er iets aan kon doen, was de koe als een dolle weggehold en stonden de knecht en de kinderen met open mond haar na te kijken. Toen de knecht een beetje van den schrik bekomen was, rende hij achter de koe aan, maar hij moest het gauw opgeven: zoo’n hollend dier kon hij toch niet inhalen.

Toen de koe ver buiten het dorp was, dacht ze: nu moet ik mij eens goed bedenken, wat ik zal doen, om den naren, ondeugenden jongen beter te maken. En ze begon wat bedaarder te loopen. Het beste zal zijn hem eerst eens te leeren, hoe heerlijk het is een’ vader en eene moeder te hebben. Als hij zijn vader en moeder mist, zal het eerst al erg genoeg voor hem zijn. Daarom zal ik hem nog maar in een mooi huis laten wonen en mooie kleeren laten dragen. Waarom zou ik hem ook in eens alles afnemen! Ik wil hem immers niet uit moedwil plagen, ik wil hem beter maken. Kom, ik weet al een huis, waar hij het goed zal hebben, zoo goed als hij het in een vreemd huis hebben kan.

En weer zette de koe het op een loopen, uren en uren ver. ’t Was al bijna avond, toen ze stil hield voor een mooi kasteel, bijna nog mooier dan dat van Gustaafs vader. Voorzichtig legde ze Gustaaf neer op een groot grasveld in den tuin en toen maakte ze één, twee, drie, dat ze weer weg kwam.

Juist gingen de heer en de vrouw van het kasteel nog eens den tuin door wandelen met hun jongetje, dat bijna even oud was als Gustaaf. Daar op eens zagen ze den kleinen jongen op het gras liggen. Wel verbazend! hoe kwam dat kind daar? De mevrouw van het kasteel viel dadelijk op de knieën bij Gustaaf neer. “Arm ventje,” zei ze, “hij slaapt!”—“’t Lijkt weleen jongetje van rijke menschen,” zei de heer, “maar ’t is, of hij uit een geheel ander land is, zie, hij is anders gekleed dan de kinderen hier.”

“O, kijk, kijk! hij doet de oogen open!” riep de kleine jongen.

En wezenlijk, nu voor ’t eerst opende Gustaaf de oogen. Van schrik had hij al dien tijd lang als in een benauwden droom gelegen. Hij wist niet, wat er met hem gebeurd was en waar hij was. Hij was heelemaal in de war en dacht, dat hij nog pas door de koe op de horens was genomen. “Waar is mijn hoed? waar is mijn stok?” riep hij. “’t Is waar ook,” zei de mevrouw, “de arme jongen heeft niets op zijn hoofd. Kom, Dolf, haal eens gauw je oude pet voor hem.”

Nu moest Gustaaf aan ’t vertellen. Waar kwam hij vandaan? Hoe was zijn naam? Hoe kwam hij daar toch? De eene vraag volgde op de andere. Toen Gustaaf den naam van zijn’ vader noemde, schudd’en de mijnheer en mevrouw met het hoofd. Dien naam hadden ze nog nooit gehoord. Geen wonder ook: de koe had hem zoo schrikkelijk ver van huis gebracht. In welk dorp stond dan het kasteel van zijne ouders? Neen, den naam van het dorpje kenden Mijnheer en Mevrouw ook niet. Waar lag het ergens? Ja, dat wist Gustaaf niet. Natuurlijk had Meester op school het hem wel verteld, maar Gustaaf vond leeren immers vervelend, dus wist hij er niets van.—Maar hoe kwam hij daar toch? Eene koe had hem op de horens genomen en daar neergelegd. “Wat zijn dat nu voor praatjes?” zei Mijnheer; en Gustaaf vond het zoo naar, dat zelfs Dolf ongeloovig lachte bij zijn verhaal van de koe. “Nu,” zei de mevrouw, “’t kan dan ook niet schelen, waar hij vandaan gekomen is en hoe hij hier is gekomen, we zullen hem hier vooreerst maar houden. Hij zal een aardig speelkameraadje voor onzen Dolf zijn. Die is toch zoo dikwijls alleen.”

“Ik weet niet, wat ik van zijn verhaal denken moet,” zei Dolfs vader, “maar als het jullie plezier doet, houd het kind dan hier.”—“Och, ja, Pa!” riep Dolf. “Dan kunnen we heerlijk samen spelen. Kom maar, Gustaaf!”—“Neen, mijn jongen,” zei de moeder, “’t is nu te laat, en Gustaaf lijkt zoo moe; we zullen maar beginnen met hem eerst eens in bed te brengen. Neem Gustaaf mee en breng hem naar Sophie. Zeg, dat hij maar op het zolderkamertje moet slapen.”

Nu, Sophie, Dolfs oude kindermeid, keek alles behalve vriendelijk, toenhaar daar zoo’n vreemde jongen gebracht werd. “Mijnheer en Mevrouw weten ook toch niet, wat ze verzinnen zullen,” bromde ze. “’t Is of ik nog geen werk genoeg heb! Nu nog zoo’n jongen te verzorgen, die hier niet eens behoort. Wie weet, wat voor een bedelaarsjongen het is!”—“Een bedelaarsjongen!” en dat te zeggen van ons fijn heertje Gustaaf! Wat werd Gustaaf boos! “Och! hou’ je stil! je weet niet, van wien je spreekt!” riep hij. “Wel zeker!” riep de kindermeid, “ik zou mij stil houden voor zoo’n jongen! Kom aan, ga nu maar gauw onder de dekens, en wees dankbaar, dat je een bed krijgt, om in te slapen. En nu in ’t vervolg beleefd, hoor, of het zal je slecht bekomen.” Met draaide ze het licht uit, stapte naar de deur, en een oogenblik later hoorde Gustaaf den sleutel buiten in ’t slot omdraaien.

Nu was hij alleen. In de duisternis tastte hij naar zijn bed en daar lag hij nu, het rijke heertje, moederziel alleen, opgesloten op een zolderkamertje! Hoe verschrikkelijk moe hij ook was, hij kon maar niet in slaap komen. Zijn geheele lichaam deed hem pijn van dien langen rit op de hollende koe. Dus had hij tijd om nog eens over alles te denken. O, wat voelde hij zich toch vernederd, het verwende jongetje, zóó op een zolderkamertje weggestopt te worden en zoo behandeld te worden door eene dienstmeid. Hij, die altijd den baas gespeeld had over de dienstboden van zijn’ vader. En die mijnheer en mevrouw! Waarom lieten ze hem niet bij Dolf in de kamer slapen? Was hij minder dan Dolf? Zóó dacht Gustaaf, en hij vergat daarbij, dat hij zonder de goedheid van die mijnheer en mevrouw dien nacht buiten op een grasveld had moeten slapen.

Den volgenden morgen was Dolf al vroeg op. Hij verlangde zoo zijn nieuw speelkameraadje te leeren kennen. De kindermeid moest dadelijk Gustaaf roepen en vragen, of hij met Dolf wou gaan wandelen. Maar—vroeg opstaan was Gustaaf niet gewend. Toen de kindermeid de boodschap bracht, bromde hij: “Laat Dolf maar op zijn eentje gaan wandelen, ik heb nog geen’ zin om op te staan.”—“Zóó,” zei de kindermeid, “zoo, baasje, dacht jij, dat jij je eten en drinken hier voor niets kreeg? Je mag blij toe wezen, dat je niets moeilijkers hebt te doen, dan onzen Dolf gezelschap houden. Kom aan, geene praatjes, je moest het ook eens wagen, Dolf te laten wachten.” Met zette ze Gustaaf met zijne bloote voeten op denvloer. Zoo leerde Gustaaf vroeg op te staan, ook als men er geen’ lust in heeft.

Hoe boos ons heertje was, dat hij zijn eigen zin niet kon volgen, kan ik niet zeggen. Met een pruilend gezicht ging hij naar Dolf. Maar Dolf was zoo vriendelijk en aardig, en het was in den vroegen morgen zoo frisch en vroolijk buiten, dat Gustaaf zijne boosheid vergat en dacht: hè, wat is het ’s morgens vroeg toch mooi buiten. Dat heb ik nooit geweten. Neen, dat had hij ook nooit geweten; want thuis stond hij altijd zoo laat op, als hij maar wilde.

Na ’t ontbijt liet Dolf hem al zijn speelgoed zien, en Gustaaf mocht met alles spelen. Ook gaf de goedhartige Dolf hem een mooien tol, dien hij houden mocht en de zweep, die hij pas op zijn’ verjaardag gekregen had. ’t Leek dus wel, of ze wezenlijk vrienden zouden worden. Maar .... op eens zei Dolf: “O, Gustaaf wat heb jij een mooien riem met eene gele gesp! Hè mag ik dien hebben en dan jij mijn leeren riem?”—“Dat kun je begrijpen!” riep Gustaaf. Nu stond de kindermeid dicht bij hen. Die riep: “Foei! Gustaaf! Dolf doet je zooveel plezier, hij geeft je van zijn speelgoed, en je bent zijn logeetje. Geef den riem toch!”—“Neen!” schreeuwde Gustaaf. Nu werd de kindermeid zoo boos: “Ondankbare jongen!” riep ze. “Hier, je zult den riem geven.” En met geweld nam ze Gustaaf den riem af en gaf dien aan Dolf.

Dolf liep er vlug mee achter in den tuin en Gustaaf hem na. Vóór dat de kindermeid er iets aan kon doen, had Gustaaf Dolf den riem weer afgenomen en hem er een paar flinke slagen mee gegeven ook. “Ziezoo!” riep hij, “ik zal je leeren den baas te spelen over mijn goed!” en hij lachte van trots, dat hij de sterkste geweest was. Maar och, hé, dat lachen duurde niet lang. Op eens zag hij daar de koe op zich af komen en was hij weer op de horens genomen en holde de koe weer met hem voort, zoo vlug, dat het hem groen en geel voor de oogen werd.

Neen, dacht de koe, neen, daar mag hij niet wezen. ’k Had hem zoo graag bij die hartelijke menschen in dat mooie kasteel gelaten, als hij maar begrepen had, hoe goed ze voor hem waren. Maar, neen, hij doet maar, of het alles zijn eigen is, nergens is hij dankbaar voor, en niets heeft hij voor een ander over. Hij moet maar eerst eens leeren, watvoor anderen te doen en de minste te wezen. Hij moet maar eens “heertje” af zijn.

Zoo denkende en dravende kwam de koe voorbij het huis van een’ koopman, waar de stoep vol pakken en balen lag. En op zoo’n paar balen legde ze Gustaaf neer. Daar kwam de koopman buiten. “Wil je wel eens gauw van mijne balen af, kleine deugniet!” riep hij. Maar Gustaaf, die door het draven van de koe weer heelemaal van de wijs gekomen was, verroerde zich niet. Natuurlijk dacht de koopman toen, dat hij met een brutalen jongen te doen had, en hij greep Gustaaf met een fermen kneep bij ’t oor. Verschrikt vloog de arme jongen op. “Och, Mijnheer, doe mij geen kwaad!” riep hij met gevouwen handen. “Ik ben niet op Uwe balen gaan liggen, de koe heeft mij hier neergegooid.”—“Die koe?” riep de koopman. Toen kwam Gustaaf natuurlijk weer met zijn verhaal van de koe, die hem op de horens genomen had. Maar hij vertelde alles met eene erg verlegen stem, omdat hij al bang was, dat de koopman hem ook niet gelooven zou, evenmin als de vader van Adolf. En welke gebreken Gustaaf ook had, hij sprak altijd de waarheid, en hij vond het dus verschrikkelijk, dat iemand hem voor een’ leugenaar hield. Maar—het hielp niet; ook dat verdriet moest hij hebben. “Wat praatjes wil je me nu op de mouw spelden?” riep de koopman. “Eene koe heeft je hier gebracht? En je hebt hier geen huis—je ouders wonen ver weg, en je kunt het huis niet weer vinden? Nu, kom aan, je bent er nu eenmaal, en ik wil je wel houden. ’k Heb net een’ loopjongen noodig. Ga maar mee in huis; we zullen eens zien, wat Moeder de vrouw er van zegt.”

Nu, Moeder de vrouw zette eerst een zuur gezicht. Ze had niet veel lust zoo’n vreemden jongen in huis te nemen; maar toen de koopman zei, dat ze dezen jongen ook geen geld behoefden te geven, zooals een gewonen loopjongen, stemde ze toe. “Zie je,” zei de koopman, “hij lijkt nog al een heertje. Hij kan mooi onzen Willem naar school brengen ook, dat staat veel voornamer dan dat er zoo’n arme jongen met hem gaat.”

Toen werd Gustaaf nog eens rondom bekeken. “Kijk eens,” zei de vrouw, “wat heeft hij mooie dingen aan zijn’ horlogeketting hangen. En een echt zilveren horloge heeft hij ook! Hoe komt zoo’n kleine aap er aan! Kom, dat zullen we maar in de linnenkast bergen. Een loopjongenbehoeft niet zoo te pronken. We zullen onzen Willem er des Zondags mooi mee maken.”

Wat gaf het Gustaaf, of hij stampvoette en deed, toen men hem al zijne fraaiigheden afnam. De groote hand van den dikken koopman pakte hem bij den arm en: “Kom, kom, niet lastig wezen, hoor!” klonk hem in ’t oor. “Je hebt hier niets te koop, en je mag blij toe wezen, dat wij je eten en drinken willen geven voor niets. En nu aan ’t werk.” Toen werd Gustaaf een bezem in de hand gestopt en moest hij het geheele huis vegen. O, wat voelde Gustaaf zich vernederd! Hij, het voorname zoontje van zoo’n rijken heer met een’ veger aan ’t werk! Wat voor een leven stond hem nu te wachten! Gelukkig was de koopman niet zoo boos, als hij leek. Toen Gustaaf het huis geveegd had, pakte hij hem bij ’t oor, maar nu was het niet, om hem pijn te doen. “Kom aan, kleine man,” zei hij, “zet maar niet zoo’n zuur gezicht. Ik ben ook als loopjongen begonnen, en nu ben ik een flink koopman. Werk maar goed, misschien zul je ’t dan ook nog wel eens zoo ver brengen.”

Och, het werken was nog het ergste niet. Langzamerhand begon Gustaaf aan geregelde bezigheid te gewennen. Hij dacht er niet meer aan, lang in bed te blijven liggen: het werk wachtte hem, hij had geene rust meer in zijn bed. Maar—dat hij als knecht behandeld werd, dat was erger; hij, die vroeger over zooveel dienstboden te bevelen had. En was de vrouw van ’t huis maar zoo lief en goed geweest tegen de dienstboden als zijne eigen moeder. Maar neen, ’t was maar: “haal mij dit!” en “breng mij dat!” en de kleur sloeg Gustaaf uit, als hij er aan dacht, dat hij zelf vroeger ook op zoo’n toon tegen de dienstboden gesproken had. Nu kon hij ’t ondervinden, hoe naar het was zoo ruw toegesproken te worden. Nooit, nooit gaf de vrouw hem een vriendelijk woord, nooit deed ze iets aardigs voor hem.

Eens op een’ dag gaf ze Gustaaf een’ appel, die begon te rotten. Dat was de eerste keer, dat Gustaaf eene lekkernij kreeg. En hij was er dankbaar voor. Ja, dat niemand hem eenige liefde bewees—dat was het ergste. O, als hij ’s avonds alleen op zijn zolderkamertje kwam, dan schreide hij zich in slaap van verlangen naar de liefde van zijne ouders. Dan dacht hij aan de kussen van zijne lieve moeder, die hem vroeger onverschilligwaren. Dan dacht hij aan de vriendelijke stem van zijn’ vader, waar hij vroeger niet naar luisterde.


Back to IndexNext