Een Droom.

Heel naar vond Gustaaf het ook, dat hij het knechtje moest wezen van Willem, die maar een jaar ouder was dan hij. Willem, die ook al geen aardige jongen was, wilde, dat Gustaaf altijd zijne boeken naar school zou dragen. Was Willem nu nog maar vriendelijk tegen hem geweest; maar neen, nooit bemoeide hij zich met Gustaaf. Gustaaf mocht niet eens naast hem loopen, maar moest altijd drie passen achter hem blijven. “Och,” zuchtte Gustaaf, “zoo liet ik vroeger mijn grooten bediende ook wel loopen. Wat zal die dat verschrikkelijk gevonden hebben! Willem is al haast net als ik; nu kan ik eens zien, hoe ’n nare jongen ik was.”Heel vervelend was ook, dat Willem altijd vroeg naar school ging om met de jongens te spelen. Daar mocht Gustaaf dan bij staan kijken. O, wat viel hem die tijd lang; want Willem wilde altijd, dat hij op de boeken paste, tot de school begon. Eindelijk kwam Gustaaf op de gedachte, maar eens in Willems boeken te gaan lezen. Hij kreeg daar wezenlijk hoe langer hoe meer plezier in en leerde zoo meer, dan hij vroeger ooit gedaan had. Hij had nooit begrepen, dat leeren plezierig kon wezen, omdat hij ’t nooit recht geprobeerd had.Zoo gingen er wel drie maanden voorbij. In dien tijd was Gustaaf werkelijk een veel aardiger jongen geworden, maar—hij moest nog veel beter worden, dat was zeker. Zijn groote gebrek was, dat hij nog te veel van zich zelf hield. Nooit dacht hij: “Och, ik heb het toch wel goed, en er zijn zooveel boodschapsjongens, die het niet beter hebben!” Neen, hij had altijd erg medelijden met zich zelf en vond zich zelf veel beter dan zulke boodschapsjongens en veel te goed om een ander te dienen. Zijn pa was immers een rijke mijnheer, en hij verbeeldde zich, dat hij daar beter om was, dan wanneer zijn vader een arme man was geweest, zooals de vaders van die andere loopjongens.Eens op een’ dag was hij weer vreeslijk uit zijn humeur, omdat hij een bijzonder groot pak boeken voor Willem te dragen had. O, dacht hij, altijd knecht te wezen! Ik wou, dat ik toch eens iets doen mocht, waar ik lust in had, ik wou, dat ik mijn eigen baas was. Al brommende liep hij het speelplein af en een eind den weg op, die buiten de stad liep. Hè, watwas het daar heerlijk frisch! ’t Was ook zoo’n kostelijke herfstmorgen. En och, wat was het lang geleden, dat hij de frissche buitenlucht ingeademd had. Toen hij een eind gewandeld had, wie zag hij daar op eens langs den weg loopen te grazen? De koe, die hij maar al te goed kende! Zijne eerste gedachte was te vluchten; maar och, wat kon ’t hem ook schelen, of de koe hem weer meenam en wegvoerde van dien naren Willem en zijne ouders! Hij stapte daarom regelrecht op de koe af en zei: “Hier ben ik! als je lust hebt, mij weer weg te brengen, mij goed. Zoo mooi is het leventje, dat ik nu heb, niet.” De koe schudde den kop. “Nooit tevreden!” zei zij. “Als ik je ergens anders breng, zal je ’t eerder minder dan beter hebben, mijn jongen.”—“Dat kan me niet schelen!” riep Gustaaf. “Alles liever dan de knecht te wezen van dien naren Willem.” ’t Was of Gustaaf op eens niet meer bang voor de koe was. Hij greep de horens en wipte op haren rug. “Nu toe maar,” zei hij. En de koe liep met kleine stappen verder. “Je loopt niet vlug,” zei Gustaaf; want gedurig bukte de koe zich om een paar grassprietjes af te trekken.“Neen,” zei de koe. “Ik heb geen’ haast. De plaats, waar ik je brengen wil, is niet ver van hier.”“Ik heb van morgen nog niets gegeten,” zei Gustaaf. “’k Heb honger.” “Daar is mijne melk goed voor,” zei de koe. “Hè, ja!” en in een’ wip was Gustaaf weer op den grond en zoo goed en kwaad als het ging, melkte hij de koe en liet de melk in zijn’ mond loopen. Lekkere versche melk, die had hij in langen tijd niet geproefd.Toen hij genoeg gedronken had, ging de reis weer verder. Gustaaf vond het niet naar meer met de koe te reizen. “Och, als ze mij nu eens weer naar mijne ouders bracht,” dacht hij, en een traan rolde hem over de wangen. Nu voelde Gustaaf toch, hoe lief hij zijne ouders had.’t Was donker, toen de koe eindelijk staan bleef. “Ziezoo, we zijn er,” zei ze. De schrik sloeg Gustaaf om ’t hart. Bij ’t licht van de sterren zag hij eene vervallen hut. Aan de eene zijde van de lage deur was een mesthoop en aan de andere een klein plekje bouwgrond met eene oude scheeve schutting er om heen. Nergens in de buurt verder een huis: eenzaam en stil lag het hutje daar. “We zijn er,” zei de koe nog eens, toen Gustaaf stom van schrik bleef zitten. “Hier?” riep Gustaaf, “dat kun je niet meenen, ’t isteleelijk!”“Stap af, zeg ik je,” antwoordde de koe, “en ga binnen. Ik blijf bij je.”—“Ik blijf bij je,” dat was wel een troost; maar de gedachte in zoo’n ellendig huisje te moeten wonen, vond Gustaaf zoo verschrikkelijk, dat hij bleef zitten en zich krampachtig aan de horens vasthield. Het hielp niet: onverwacht deed de koe een’ zijsprong, en daar lag Gustaaf lang uit op den grond. Zijn hoofd bonsde tegen de deur. Op dat lawaai kwam er een hevig geblaf, en een groote hond vloog de deur uit. Gustaaf maakte wel, dat hij overeind kwam. Eene leelijke boerenvrouw suste den hond en riep: “Wat is dat hier toch, wat moet jij hier zoo laat op den avond, jongen? Je doet me schrikken.”Op de horens genomen.Op de horens genomen.“Och,” zei Gustaaf, “och, goede vrouw, mag ik bij u binnenkomen?”“Maak, dat je wegkomt; bedelaar,” riep de vrouw. “Wat meen je, dat mijn huis eene herberg is? Kom eens hier, Jan, en zie eens, wat mooi heertje daar vraagt, om bij ons te slapen.”Gustaaf had een paar stappen achteruit gedaan en was tegen de koe aan gaan staan, want de hond blafte nog maar al door, en deed alsof hij hem wou bijten.“Jemoethier blijven,” fluisterde de koe.Nu kwam de boer buiten met eene lantaarn, ’t Was een groote dikke man, met booze oogen en een streng gezicht.“Ik neem geen bedelaars in huis,” zei hij. “Maak, dat je wegkomt, jij met je schrale koe, of je krijgt het met mij te doen.”“Jemoethier blijven,” zei de koe zonder zich aan de dreigementen van den boer te storen.“Heb medelijden, beste Mijnheer,” .... smeekte Gustaaf. Voordat hij meer kon zeggen, kwam er een kleine jongen van zijn’ leeftijd, maar veel grooter en forscher, naar buiten en pakte hem bij de hand. “Ik wil hem hier houden,” riep hij, “hij is een vriendje voor mij, hij zal bij ons wonen.” Jan en zijne vrouw keken elkaar lachend aan en—“nu, omdat onze kleine Jakob het wil, toe dan maar, blijf maar hier,” zei de boer. Jakob trok Gustaaf mee naar binnen, en de deur ging achter hen dicht. De koe zocht uit zich zelve een plaatsje in den kleinen stal bij het huis, waar een klein mager paard aan het laatste restje hooi stond te trekken.Nu begon er weer een nieuw leven voor Gustaaf, en een leven, nietminder moeilijk dan bij den koopman; maar Gustaaf kon er zich beter in schikken.Wel nam de boerin hem den volgenden morgen zijn fluweelen pakje af, het laatste wat er van zijn vroegeren rijkdom was overgebleven, maar dat deed ze alleen, omdat ze vond, dat in zoo’n eenvoudig hutje zulke mooie kleeren niet pasten. Ze borstelde het pakje af, vouwde het netjes op, en borg het in de kast. “Als je weer weggaat, kun je het terugkrijgen,” zei ze. Ze gaf Gustaaf nu een grof hemd van ongebleekt katoen, een pilot broek, een blauw boezeroen en een paar klompen—alles gezocht uit het beste goed van Jakob. Maar dat ze hem die kleeren lieten dragen, was volstrekt niet, om hem te laten voelen, dat hij niets meer dan Jakob mocht lijken. Och, neen, ze waren allen aan die eenvoudige kleeren gewend; ze pasten bij het huisje, en daarom moest Gustaaf ze ook dragen. De vader en moeder van Jakob waren brave menschen, streng voor een ander, maar ook streng voor zich zelf. Zelf waren ze met weinig tevreden, en een ander moest dat ook zijn, dachten ze.Och, wat voelde Gustaaf zich eerst verlegen in die ongewone kleeren. Zijn fijn, zijn teer lichaampje zwom in het wijde pak van den dikken Jakob. Zijne bloote voeten konden haast niet in de groote klompen blijven; maar de boerin deed een handvol frisch stroo er in, en toen pasten ze hem beter en was hij al gauw gewend er in te loopen.Minder goed ging het den eersten keer met den maaltijd. Altijd roggebrood met aardappelen! Bij den eersten hap kon Gustaaf haast niet laten den neus een beetje op te trekken. ’t Was maar gelukkig, dat hij den vorigen dag niets dan wat melk had gehad, en dus nu erg hongerig was. Na eenige dagen ging het hem met het eten, als met de klompen: hij raakte er aan gewoon. En hij zag ook, dat de boer en de boerin en Jakob ook lekker aten in het eenvoudige eten: dat hielp. Ook had hij het even goed als de menschen zelf. Dat was anders bij den koopman; daar werd hij van de tafel gestuurd, als het aan de lekkere hapjes toe was.Van de slaapplaats, die Gustaaf aangewezen werd, keek hij eerst raar op. Een hoop stroo op zij van de beesten in den stal! Maar—’t was er tenminste niet zoo benauwd, als op het kleine zolderkamertje in de stad. En de boer en boerin konden hem nu eenmaal niets beters geven. Dat hijzoo dicht bij de beesten was, vond hij wel gezellig. Soms als hij nog een poosje overeind zat te denken, kwam de koe en stak hem zijn rose neus toe, alsof ze om eene liefkoozing bedelde; de hond likte hem, en het paard keek hem zoo goedig en vriendelijk aan. Hij viel ’s avonds dadelijk in slaap en was ’s morgens heel vroeg weer wakker. Het opstaan viel hem nu veel gemakkelijker dan vroeger, toen het veeren bed hem zoo suf maakte. Soms was hij vóór dag en dauw al wakker, en dan zat hij op zijne ellebogen geleund naar de slapende dieren te kijken en dwaalden zijne gedachten ver weg naar zijne mooie slaapkamer op het kasteel. Maar aan de mooie slaapkamer dacht hij niet lang; meer en langer aan zijne lieve ouders, die in het kasteel woonden. Ook had hij, toen hij aan zijne ouders dacht, niet meer zoo’n verdriet—hij merkte, dat hij een betere jongen werd en had een gevoel, alsof hij daarvoor nog eenmaal beloond zou worden.Het duurde ook niet lang, of hij kwam met zijne huisgenooten op streek. Vader Jan had hem eerst bang gemaakt met zijne harde stem en zijne strenge oogen. Ook was hij wat ruw in het spreken; maar hij had niet beter geleerd, en meende het daarom niet kwaad. Gustaaf begreep dat al gauw, en het duurde niet lang, of hij vond het heerlijk, als Vader Jan hem de hand eens op het hoofd lei en zei: “beste jongen!” ’t Was of hem dat moed gaf en hem ook sterker en flinker maakte.Met de boerin ging het al net zoo. Ze was ook wat lomp, sprak met eene harde, onaangename stem; maar ze was zoo hartelijk voor Gustaaf. ’t Was altijd “mijn jongen” vóór, “mijn jongen” na, zoodat Gustaaf haar wel lief moest krijgen. En dat was juist zoo heerlijk. Nu voelde hij voor ’t eerst, dat liefhebben gelukkig maakt.De eenige, die hem ’t leven vaak zuur maakte, was de kleine Jakob, aan wien Gustaaf nog wel zijn nieuw te huis te danken had. Hij lachte Gustaaf om alles uit. Dan bauwde hij hem na, omdat hij als een stadsheertje praatte, en dan weer was het: “of hij niet liever in verlakte schoentjes in plaats van op klompen wou loopen.”—De boer en boerin hadden Gustaaf niet gevraagd, waar hij vandaan kwam. Ze begrepen wel, dat er iets bijzonders met hem gebeurd moest zijn, maar wilden hem niet verlegen maken met er naar te vragen. Maar Jakob begon al dadelijk den volgenden morgen Gustaaf het “mijnheertje van de koe” te noemen. En nu ging het maarelken dag: “Zeg, moet je nog niet eens weer een ritje maken?” In ’t eerst verdroeg Gustaaf de plagerijen geduldig; maar toen Jakob elken dag weer van voren af aan begon en zich er niets aan stoorde, dat Gustaaf het vervelend vond, was het met het geduld van Gustaaf uit. Het liep op eene vechtpartij uit, waarbij Gustaaf de overwinnaar werd. Nu was het uit met de plagerijen; want Jakob moest in zijn hart Gustaaf gelijk geven. De twee jongens werden nu echte vrienden.In de avonduren, als ze allen gezellig in de kleine kamer zaten, haalde Gustaaf de boeken te voorschijn, die hij nog van Willem had, en dan zat hij met zooveel plezier te leeren, dat Jakob ook lust in leeren kreeg. Nu was Gustaaf de meester van Jakob; en, terwijl hij Jakob leerde, werd hem zelf alles nog veel duidelijker. Omgekeerd werd Gustaaf weer de leerling van Jakob bij het boerenwerk. Jakob leerde hem graven en spitten en planten en de dieren verzorgen. Eens, toen Gustaaf met een rood hoofd druk bezig was, het hooi op het land te keeren, kwam de boer en klopte hem vriendelijk op den schouder. “Kom aan,” zei hij, “je wordt al een heele man! Zóó mag ik het zien!”Gustaafs hart klopte van tevredenheid. Toen de boer verder stapte, moest hij even de hooivork neerleggen en zich het gezicht afwisschen, dat van plezier nog heeter was geworden. Daar viel zijn oog op de koe, die daar vlak bij stond te grazen. Hij vloog op haar af en riep: “Ondeugend beest, dat me weggehaald hebt van mijne ouders, ik kan niet meer boos op je wezen, nu je mij zooveel goeds hebt gedaan! Ik heb je lief! daar dan!” Met pakte hij de koe bij de horens en gaf haar een’ kus op den neus!....Een schitterend licht verblindde hem eensklaps. Hij moest de oogen wel dichtknijpen en—toen hij ze weer open deed—stond er eene beeldig mooie dame voor hem, en de koe was nergens te zien. Gustaaf sloeg verlegen de oogen neer en toen—toen zag hij, dat zijn blauwe boezeroen en zijn pilot broek veranderd waren in een keurig net jongeheeren-pakje; maar niet in zoo’n wijsneuzig, zoo’n oudmannetjes-pakje, als hij vroeger graag droeg.“Gelukkig!” riep de dame en ze stak hem vriendelijk de hand toe, “je hebt ons beiden gered!Kom nu maar gauw mee, om afscheid te nemen van je beste pleegouders en Jakob. Nu is je moeilijke tijd voorbij, nu ga je weer naar je ouders! Kom, die stumpers zijn al zoo lang in ongerustheid over je.”’t Was net een jaar geleden, dat Gustaaf plotseling verdwenen was, en zijne ouders zaten treurig bij elkaar daarover te praten.“Ik wou, dat ik toch wist, waar ons kind gebleven was,” zei de moeder, en de tranen rolden haar over de wangen, “’t Is nu juist een jaar geleden! Wist ik toch maar, of mijn jongen leefde of dat hij dood was.” Daar sprong de deur open en de fee kwam binnen. “Hier, Moeder,” riep ze, “hier is je jongen, hij leeft! Heb hem nu maar lief; hij verdient het.”Te vertellen, hoe ’n gezicht de vader en de moeder zett’en en hoe gelukkig ze waren, ’k zou het niet kunnen. De moeder was dol van blijdschap, en ze kon niet ophouden te zeggen, hoe groot en hoe knap Gustaaf geworden was. De vader keek met trots naar de gebruinde handen van zijn’ jongen en naar zijn gul open gezicht en zijne nette eenvoudige manieren. De bedienden en de buren, allen stormden bij het groote nieuws maar zonder bellen of kloppen de deur binnen, en de knecht, die er bij geweest was, toen Gustaaf door de koe op de horens genomen werd, zat op een’ stoel bij de deur van blijdschap te schreien.Het kleine Zusje, dat Gustaaf niet goed meer kende, vroeg: “Maar wat heb je nu met de koe gedaan? waar is de koe gebleven?”“Die hebben wij opgegeten, hé Gustaaf,” zei de fee lachend.Dat geloofde Zus dadelijk; want Gustaaf was zoo groot en dik geworden en van koeien eten daar kun je immers wel groot en dik van worden, meende Zus.Van dien tijd af was Gustaaf geen Jan verdriet meer voor iedereen, en dat maakte hem zelf nog het meest gelukkig. Nu alles voorbij was—was hij o zoo dankbaar, dat de koe hem mee had genomen, om een flinken, aardigen jongen van hem te maken.—Eén ding alleen bleef hem altijd te wenschen over: hij wou zoo verschrikkelijk graag weten, hoe er van de koe eene fee had kunnen worden. Dat wilde de fee hem maar niet vertellen. Wel deed ze hem het plezier aan, elk jaar op den verjaardag van zijne terugkomst over te komen om feest te vieren.Wie ook mee feestvierden?Raadt dat maar! Ik zeg alleen, dat Gustaaf ieder jaar een’ brief schreef, om—neen, meer zeg ik niet.Een Droom.Er was eens een kleine jongen, die dan toch wel zoo dolveel van mooie vertelsels hield! Al was hij ook nog zoo prettig aan ’t spelen en er zou verteld worden, dan keek hij niet meer uit of om naar zijn speelgoed, en in een oogenblik zat hij in zijn laag stoeltje zoo dicht mogelijk bij Vader of Moeder, bij Oom of Tante, die vertellen ging. En dan had je hem moeten zien luisteren: met open ooren en open mond, met oogen, wel tweemaal zoo groot als anders. Als de vertelling uit was, dan vleide hij om meer en nog meer, tot Moeder eindelijk zeggen moest: “Ziezoo, nu is ’t voor vandaag genoeg. Je zult er vannacht nog van droomen.”—Nu, dat wou onze Frits eigenlijk wel heel graag. Hè, eens droomen van al de wonderlijke dingen, die hij gehoord had, wezenlijk al die feeën en toovenaars, die dwergjes en die reuzen eens zien! En die donkere bosschen en prachtige kasteelen! Elken avond, als hij in zijn bed lag, hoopte hij, dat hij eens zoo’n mooien droom zou hebben. Maar nooit, nooit gebeurde het. Eindelijk...—Maar wacht, nu moet ik je eerst vertellen, dat er op een goeden dag een oom van Frits overkwam. Frits had hem nog nooit gezien; want Oom Rob deed haast altijd verre reizen in vreemde landen. Maar toch was Frits al gauw de beste vrienden met hem. Nu, zoo’n gezellige oom, als dat ook was, daar moest je wel dadelijk van houden. Wat wist die veel te vertellen! En wat een leuke spelletjes kende hij en grappige kunstjes!“Oompje,” zei Frits op een’ keer, “je bent zoo knap, en overal weet je raad voor. Zeg, kun je me ook niet eens leeren droomen?”—“Leeren droomen!” lachte Oom, “wat meen je daar toch mee, malle jongen! Droomen, dat gaat van zelf, dat behoef je niet te leeren. Heb je dan wezenlijk nog nooit gedroomd?”—“Ja wel,” zei Frits, “maar Oom, ik droom nooit, wat ik graag wil.”—“O, is ’t anders niet, dat kunstje kan ik je gauw leeren,” riep Oom. “Weet je, wat je doet: je kruipt net als gewoonlijk onder de dekens met je hoofd op ’t kussen.”—“Hè Oom, je plaagt me ook altijd!”—“Ho, mannetje, ik was er nog niet.... Dan leg je je rechtervoet over je linker en de beide handen onder ’t hoofd en dan—ga je maar denken aan alles, waar je van droomen wilt. Je zultzien, dat helpt. Maar pas op, dat je niet bij vergissing den linkervoet over den rechter legt, dan is het mis en je droomt—niets!”Wat was die Frits in zijn’ schik met het kunstje! Hij kon dien dag haast niet afwachten, dat het avond werd en tijd, om naar bed te gaan. Anders mocht Frits nog al eens het liedje van verlangen zingen en nu—Moeder begreep er niets van: nu vroeg hij al, of hij maar naar bed zou gaan, toen de klok nog lang geen acht geslagen had.“Je bent toch niet ziek, jongen,” vroeg Moeder. “Och ja,” plaagde Oom, “hij zal zeker ziek zijn, de arme jongen, kijk hij eens bijten in zijne dikke boterham, en wat ziet hij wit!”—Oom begreep wel, waarom Frits zoo’n haast had, om naar bed te komen. Maar hij zei niets; want Frits wou Moeder den volgenden morgen eens verrassen met een mooien droom—en als Moeder nu van het kunstje wist, dan was alle aardigheid er af.Toen Frits Oom goedennacht zei, fluisterde hij hem in ’t oor: “Kom je nog even kijken, Oompje, of ik goed lig?” Oom knikte lachende van “ja.” Eene poos later stond hij voor Frits zijn bedje. Daar lag onze jongen, heelemaal klaar om te droomen: recht als eene kaars, de handen onder ’t hoofd, den rechtervoet over den linker geslagen, doodstil, zonder zich te verroeren. “Zoo is ’t goed,” zei Oom, “nu maar denken aan—weet je al, wat je droomen wilt?”Nu, òf Frits het wist! Eene heele poos lag hij te denken aan feeën en dwergen en toovenaars, aan alles, waar hij in de mooie vertelsels van gehoord en gelezen had. Maar toen hij eindelijk genoeg gedacht had en wou gaan slapen, om te droomen, toen—wou de slaap niet komen. ’t Was ook erg moeilijk zoo lang stil te blijven liggen, altijd op dezelfde plek en op dezelfde manier. Telkens had Frits lust eene hand onder zijn hoofd weg te trekken of zijn’ linkervoet eens boven zijn’ rechter te leggen. Maar hij hield vol en eindelijk, daar kwam de slaap en—daar kwam ook de droom, de mooie, de heerlijke droom, dien ik je nu eens wil gaan vertellen.Frits droomde, dat hij midden in den nacht getrippel van voeten hoorde in de gang. Hij ging recht overeind in zijn bed zitten en luisterde. De voetstappen kwamen dichter en dichterbij. Nu waren ze bij de deur. Daar ging de deur langzaam open en binnen kwamen.... Ja, dat kon Frits in ’t eerste oogenblik niet eens zien; want zijne slaperige oogen waren verblinddoor het heldere, roode licht, dat op eens door de heele kamer scheen. Maar al gauw had hij de oogen wijd open en den mond er bij, net of hij naar eene mooie vertelling luisterde. Nu, wat hij zag, dat leek dan ook wezenlijk wel op eene vertelling—neen, ’t was nog wel tienmaal mooier... Door de open deur kwamen twee aan twee aanstappen—twaalf dwergjes, ieder met eene brandende fakkel in de hand. O, zulke grappige mannetjes! Korte, dunne beentjes met groote voeten in puntschoenen, een klein, rond lichaampje en daarboven een groot hoofd met een puntig kapje er op. ’t Leken wel kleine jongetjes met oude gezichten en grijze baarden, met rimpelige wangen en guitige oogen. Frits kon zijn lachen haast niet laten, toen ze daar zoo deftig kwamen aanstappen, recht op zijn bed af. Vlak vóór hem bleven ze staan, en nu begon één van de voorste mannetjes: “Jongeheer, ’k weet niet, of je me kent, maar ik ben Appelsteeltje!”—“Zoo,” riep Frits vroolijk, “ben jij nu Appelsteeltje! Blij, dat ik je eens zie, Appelsteeltje!” en hij schudde het dwergje de hand. “En hoe gaat het je petekind?”—“Dank je, jongeheer, best,” zei Appelsteeltje, “maar we zijn eigenlijk gekomen, om je op een bal in ’t bosch te vragen. Ik weet, je houdt zooveel van dwergjes en al het andere toovervolkje, daarom dacht ik, je zou het wel prettig vinden, eens een kijkje bij ons te nemen.”—“Op een bal?” riep Frits, “maar ik kan niet dansen!”—“O, dat komt er niet op aan,” meende Appelsteeltje, “op het bal is wel eene fee, die het je in één tooverslag leeren kan.”—“Maar, met wie zal ik dansen?” vroeg Frits weer. “Dat is eene verrassing,” lachte het dwergje, en al de mannetjes lachten met hunne breede, vriendelijke monden mee. “Maar ik heb geen mooi pakje, om in te dansen,” zei Frits. “Daar is voor gezorgd,” zei Appelsteeltje.Hij wenkte even, en daar stapten zes van de dwergjes vooruit. Eén droeg eene fluweelen broek, één een satijnen buisje, één eene muts met pluimen, één een paar zijden kousen, één een paar verlakte dansschoenen, één een fijnen zijden zakdoek. Voordat Frits nog iets zeggen kon, pakten twaalf kleine handen hem aan, tilden hem uit zijn bed, zett’en hem op den vloer, plooiden en schikten en knoopten en strikten aan hem, totdat hij daar kant en klaar stond als een prins uit een sprookje. “Maar,” begon hij nu weer, “hoe komen we op ’t bal, dat is zeker heel ver.””’t Komt alles in orde, jongeheer Maar!” riep Appelsteeltje. “Voorwaarts, marsch!”Daar stapten de dwergjes weer deftig twee aan de twee de kamer uit, precies zooals ze gekomen waren. Frits achter hen aan, de gang door, de voordeur uit en zoo naar buiten. Maar wat was dat? Gehinnik en getrappel van paarden! Ja, hoor, daar stonden de zeven veulens uit de vertelling klaar, om Frits en de dwergjes naar ’t bal te brengen. Hoe hij er op kwam, wist hij niet; maar in een oogenblik zat Frits al op den rug van het mooiste veulen en de twaalf mannetjes op de andere zes, natuurlijk op ieder veulen twee. ’t Was een heele optocht: voorop drie veulens met zes dwergjes, in ’t midden Frits, achter hem weer drie veulens met zes dwergjes.“Nu naar ’t bosch,” kommandeerde Appelsteeltje heel vóór in de rij. De veulens brieschten, de kaboutertjes zwaaiden met hunne fakkels en Frits riep uit alle macht “hoezee! leve Appelsteeltje!” Voort ging het nu in galop door straten en langs wegen, langs akkers en velden, over slooten en heggen en struiken. Hop, hop! Frits moest zich stijf vasthouden aan de manen van zijn veulen; maar hij hield zich recht als een echt ruiter. Toen door een bosch, een dicht donker bosch. “Zijn we er al?” vroeg Frits. “Ha, ha!” lachten de dwergjes, “hij vraagt, of we er al zijn!”Daar schemerde licht door de boomen. ’t Kwam uit de ramen van een statig kasteel met hooge torens. Appelsteeltje zwaaide zijne fakkel naar dien kant en riep Frits over zijn’ schouder toe: “Het betooverde kasteel!” Wat zou Frits graag even afgestapt zijn, om het kasteel te bekijken; maar daar kon nu niets van inkomen. Appelsteeltje had veel te veel haast. Toen Frits nog even omkeek, waren ze al weer een heel eind verder en was het kasteel al weer in de duisternis verdwenen.Maar het bosch werd al dichter en dichter, en nu moesten de veulens wel wat langzamer loopen. Op het dichtste plekje van ’t bosch stond een grappig, donker, klein huisje, en uit dat huisje kwam een zwaar, dof gebrom. De grond dreunde er van. Weer bewoog Appelsteeltje zijne fakkel: “Het huisje van de drie beertjes!” riep hij Frits toe. Ja, wezenlijk, daar kwamen ook al drie nieuwsgierige berekoppen uit een venstertje kijken. “Dag Bruno, dag Bruna, dag Brunette!” groette Frits, “hoe smaakt de honigsoep?” Maar voordat er antwoord kwam, lag het huisje al weer in de verte.Daar was eindelijk de rand van ’t bosch. Ja, en daar stond ook weer een huisje, maar nu een heel vriendelijk, een met witte muren en een tuintje er voor. “Daar woont de grootmoeder van Roodkapje,” vertelde Appelsteeltje. “Och, och,” begon Frits, “woont daar nu....” Maar daar vlogen de veulens, nu ze ’t bosch uit waren, in eens weer met een’ ruk vooruit: ’t scheelde niet veel, of onze Frits was in ’t zand gewipt.Hop, hop, hop! Frits durfde haast niet rechts of links meer te kijken, zoo gauw ging het. Alleen als Appelsteeltje met zijne fakkel wenkte, keek hij even naar dien kant.Daar zwaaide de fakkel weer, nu niet op zij; maar hoog boven Appelsteeltjes hoofd. Nieuwsgierig keek Frits naar boven. Wat was dat nu? Een groot kasteel, dat in de lucht hing? O neen, nu zag hij ’t beter: het kasteel stond heel boven op een donkeren, hoogen berg. ”’t Kasteel met den dikken boom en den diepen put!” riep het dwergje. Frits hield zijn hoofd heelemaal achterover, om goed te kunnen zien. Maar juist schoot zijn veulen weer met eene vaart vooruit; ’t scheelde niet veel, of hij was van den schok over den kop van ’t veulen gevlogen.“Let op!” waarschuwde de fakkel een eind verder. Nog een kasteel. “Van den markies van Carabas!” riep Appelsteeltje.—Voort, altijd verder. Weer een hooge berg, maar geen donkere: een, die glinsterde in den maneschijn, een berg, die heelemaal wit was! “Daarachter ligt Luilekkerland,” vertelde Appelsteeltje. “Hè, Luilekkerland,” zei Frits, “Luilekkerland achter den rijstebrijberg!” Want hij had grooten lust, dat heerlijke land eens te zien. “Maar kom,” dacht hij, “dit ritje is toch ook al heerlijk, en wie weet, wat ik straks op ’t bal allemaal nog te zien krijg!”Wat begon Frits naar dat feest te verlangen, wat was hij nieuwsgierig, wie en wat hij er zien zou, en met wie hij zou dansen! Gelukkig, nu kon ’t niet lang meer duren. Want kijk, daar zag hij in de verte eene breede, donkere streep, dat was zeker ’t bosch! En ja, toen ze nader kwamen, zwaaide voor ’t laatst Appelsteeltje zijne fakkel en riep hij vroolijk: “We zijn er!” Toen hinnikten de veulens, de dwergjes gooiden hunne mutsjes in de lucht van pret, en Frits klapte in de handen en riep maar niets dan “hoezee,” tot hij er schor van was.Vooraan in ’t bosch was het donker; maar door de boomen heen schemerdelicht, en hoe verder je in ’t bosch kwam, hoe lichter het werd. “Nu de oogen dicht!” riep Appelsteeltje op eens, “en niet weer open, voor ik je waarschuw, hoor!” Frits dadelijk de oogen stijf dichtgeknepen en toen .... Toen voelde hij, dat zijn veulen stilstond en hij hoorde de dwergjes fluisteren met elkaar. Hoe, wist hij niet, maar hij werd vlug van ’t veulen getild en voorzichtig op den grond neergezet. Een klein handje pakte zijne rechterhand, een ander handje zijne linkerhand en beide handjes trokken hem zachtjes mee, mee, mee—totdat ze hem eindelijk loslieten en eene bekende stem riep: “Open! en welkom in de balzaal!”Toen Frits de oogen opendeed—ja, ’t ging hem weer net als straks: hij wist eerst niet recht, wat hij zag. Hij wist alleen: ’t was iets heel heerlijks en heel moois. Hij was nog in ’t bosch, op eene groote, open plek in ’t bosch; maar waren dat wel boomen, die er omheen stonden? Ja, hij zag de stammen, de takken, de bladeren. Maar alles, wat er aan was, schitterde en glinsterde als goud en zilver en kristal en edele steenen. Lampen waren er niet; maar dat was ook niet noodig. Elk blad van de boomen leek zelf wel een lampje en ’t was, of er honderden lichtjes straalden uit stammen en takken.—De grond of neen—ik moest liever zeggen: de vloer van de balzaal was bestrooid met goudbruine, gladde dennenaalden en daar schenen weer zandkorreltjes doorheen, die schitterden als kleine diamantjes.—Tusschen de boomen lag een dik tapijt van heerlijk zacht mos, en op dat kleed lagen overal verspreid fluweelige mossen kussens, waar je op kon uitrusten, als je moe was van ’t dansen. En dan die mooie dansmuziek! Waar kwam die toch vandaan? Frits keerde zich om en ja, daar zaten ze, de muzikantjes, ieder op een grooten, bontgekleurden paddestoel. Allemaal kaboutermannetjes, hoor! en die bliezen en fiedelden er zoo lustig op los, die speelden dan toch wel zulke prettige, vroolijke wijsjes, dat de voeten er vanzelf op begonnen te dansen, of ze wilden of niet. Frits kon ook haast niet stil blijven staan, zoo’n lust kreeg hij, om mee door de balzaal te zwieren met al de paartjes, die al aan ’t dansen waren.Nu, lang behoefde hij gelukkig niet rond te zien naar een danseresje; want daar kwam Appelsteeltje al aan met eene heele rij, waar hij uitkiezen mocht. En verbeeld je nu, hoe grappig: Fritskendeal die lieve danseresjes, en toch—had hij ze nog nooit gezien! Hij kon ze allen op de rij af wel noemen, en toch—had niemand hem de namen gezegd! Dat aardige meisje met haar verlegen gezichtje en den zilveren appel in de hand moest Tweeoogje zijn. Die met de mooie lange krullen was zeker Liesje, je weet wel, die naar de dwergen over de zeven bergen ging, om haar kipje te zoeken. En daar had je wezenlijk ook Lena—Frits kende haar dadelijk aan den tooverketting, dien ze om den hals droeg.—Naast Lena stond—nu, dat was al heel gemakkelijk te raden. Een rood kapje had ze op ’t hoofd, een mandje aan den arm!Dan was er ook nog een meisje met een snoeperig kindje aan de hand, een klein, vlug dingetje met goudblonde krulletjes. “Ja, ja,” zei het grootere meisje, “Goudkindje wil ook meedansen in haar nachtponnetje en met één bloot beentje!” Maar wat was dat? .... Bij elk woord, dat het meisje sprak, viel er eene bloem of eene parel uit haren mond! “Die ken ik ook, die ken ik ook!” riep Frits vroolijk. “Mooi, mooi,” zei Appelsteeltje, “maar nu moet je ook kiezen.”Frits keek de rij nog eens langs: kiezen was moeilijk, hoor! De danseresjes leken Frits allemaal zoo aardig toe, van Tweeoogje af tot Goudkindje toe. “Nu?” vroeg Appelsteeltje. “Of, wacht eens!” Weg was Appelsteeltje; maar een oogenblik later kwam hij er ook al weer aan. Een meisje hield hij bij de hand. “Wil je misschien deze liever?” lachte het dwergje. Frits behoefde niet lang te raden, wie daar vóór hem stond. Verwarde haren, vuile handen, de jurk scheef aan, de kousen afgezakt.... “Neen, neen, neen!” riep Frits, “die niet, dat is Pietje Smeerpoes!” Het slordige vuile kind kroop van schaamte dadelijk weer achter een’ boom, en Frits pakte nu maar gauw Roodkapje bij de hand en trok haar mee tusschen al de dansende paren.—Toen aan het dansen—neen, dat had je moeten zien! Er was wezenlijk geene fee noodig, om het Frits te leeren: zijne voeten gingen als vanzelf op de maat van de dwergenmuziek. Hij gleed en draaide en zwierde met zijn danseresje in ’t rond, dat de dennenaalden opvlogen en Roodkapjes lange vlechten door de lucht fladderden. O, hij zou wel altijd door hebben willen dansen, ’t ging zoo heerlijk! Maar Roodkapje werd moe. Kom, dan zouden ze maar wat uitrustentusschen de boomen. Hè ja, dat vond Frits niet minder prettig: uitrusten op zachte mossen kussens, babbelen met aardig Roodkapje, luisteren naar de vroolijke muziek en vooral ook—kijken naar al de prettige drukte om hem heen.Nu kon hij ook beter zien, wie er al zoo op ’t bal waren. Wel, wel, wat een gasten! En wat een oude bekenden uit de vertellingen! Dwergjes waren er zooveel, je kon ze haast niet tellen. Die huppelden en sprongen tusschen de dansers door, dat het eene klucht was om te zien. Ze buitelden over hun hoofd, gooiden hunne mutsjes in de lucht en maakten allen aan ’t lachen met hunne dwaze grappen.—Daar dansten er twaalf in een’ kring om Appelsteeltje heen. “Hoe leuk!” riep Frits, “daar heb je wezenlijk de Twaalf Maanden!”—Een eind verder draafde een kaboutermannetje achter Liesje met de lange krullen aan. “Pas op je krullen, Liesje!” riep hij plagend. ’t Meisje schaterde van lachen, omdat het dwergje van over de zeven bergen haar op zijne korte beentjes toch niet inhalen kon.Wat was ’t eene pret overal! Alles liep en sprong en danste en stoeide er door elkaar heen. Verbeeld je: de domme reus wou er dansen met een dwergje. Hij moest zichzelf haast in tweeën vouwen, om bij het kaboutertje te komen, en eens gooide hij het mannetje als een kaatsbal in de hoogte en ving het in zijne groote handen weer op.—Peter huppelde er alleen in ’t rond met zijne gouden gans in den arm.—Slimme Hans was er ook; die danste natuurlijk met zijn Grietje; maar hoeveel keer hij haar wel bij ongeluk op de teenen trapte, weet ik niet.En wat was dat toch wel voor een rolronden jongen: die kon zich maar even omdraaien van dikte! Wacht eens, nu was hij vlak bij. “Smulhans!” riep Frits, en hij klapte van plezier in handen. Maar met wie danste het levende tonnetje toch? Met niemand anders dan de toovervrouw! Onder het dansen stopte ze ’t gulzige ventje aanhoudend lekkernijen in den mond, en dan grinnikte ze van pret.Op eens hoorde Frits door de dansmuziek heen het wijsje van:“Ach, mijn lieve Augustijn, Augustijn, Augustijn,Ach, mijn lieve Augustijn, alles is weg!”En ja, daar kwamen ze aanzwieren: de varkenshoeder in zijn oud, vuil pak met zijn klingelenden pot aan den arm en—de mooie, domme prinsesin een prachtig balkleed. De prinses trok wel een beetje een vies gezicht en hield den varkenshoeder zoover mogelijk van zich af; maar ze danste toch met hem, om vooral dicht bij den klingelenden pot te blijven.Neen maar, nu werd het nog mooier: daar had je zoo waar ook de Gelaarsde Kat, de achterpooten in hooge kaplaarzen, den linkervoorpoot netjes om een snoeperig spierwit poesje geslagen. Dat was het Witte Katje.—Met sierlijke, kleine pasjes draaiden de twee in ’t rond. En bij elken zwaai kriebelden hunne opgeheven staarten een paar dwergjes in den neus, die vlak achter hen dansten. Ze konden wel aan ’t proesten blijven, de kaboutertjes.Wie kwam daar nu weer aanstappen, heel langzaam en deftig, een grooten bril op den grooten neus en den grooten neus in een groot boek met allerlei wonderlijke krullen en figuren er in. “De booze Toovenaar,” fluisterde Roodkapje. Wat studeerde hij druk in zijn tooverboek! Nergens keek hij naar uit of om. Daar kwam het dan ook van, dat hij telkens tegen iemand aan liep. O hé, nu al weer tegen een dwergje. Het kaboutertje rolt over den grond; maar vlug als de wind springt het weer op en trekt den toovenaar bij zijn langen, spitsen neus. De toovenaar wou den kleinen ondeugd nog grijpen, maar ja wel—die stond hem al lang weer aan ’t andere eind van de zaal uit te lachen.—Nu vond de toovenaar het toch maar beter, een rustiger plekje te zoeken, om te studeeren. Daarom ging hij ook op een van de mossen kussens tusschen de boomen zitten met het tooverboek op de knieën en de handen onder ’t hoofd. Een poosje zat hij—daar kwam Goudkindje aandribbelen en lei haar mollig handje op het tooverboek. “Toovenaar,” zei ze met een vleiend stemmetje, “waarom zit je hier zoo alleen? Heb je geen plezier? Toe, dans eens met me!” De toovenaar keek eerst met een heel boos gezicht op; maar toen hij het lieve Goudkindje zag, moest hij toch lachen. En wezenlijk: hij stond op, legde zijn boek zoolang onder het kussen en—begon met Goudkindje in ’t rond te dansen.Frits had den heelen tijd, bij ’t kijken naar al die kluchtige paren, eene pret gehad van belang; maar nu hij daar den ouden, boozen toovenaar met zijn spitsen neus en zijn grooten bril zag rondspringen met Goudkindje in haar nachthemdje en één bloot beentje, nu lachte hij, dat de tranen hem over de wangen rolden.—En pas was hij weer tot bedaren gekomen, of daar barstte hij op eens weer in lachen uit. En Frits lachte niet alleen: allen lachten mee, dat ze schaterden. Verbeeld je, wat er gebeurd was. Sapperdemallemosterd was ook nog op het bal gekomen met zijne kameraden Hazenoor, Blaaskaak, Pijluitdenboog, van Sterkenrug en Mikgoed. Eerst liepen ze gearmd in eene lange rij. Maar dat bleef niet zoo; want ieder wou graag voor de gasten op het bal zijne kunsten vertoonen. Pijluitdenboog schoot in eens vooruit en begon tusschen de boomen door om de balzaal heen te rennen—neen, zulk loopen had Frits in zijn leven niet gezien. ’t Ging zoo gauw, dat het je groen en geel voor de oogen werd: in drie tellen heelemaal om de groote balzaal heen.—Hazenoor ging met zijn oor tegen den grond liggen en luisterde een poosje. Toen riep hij: “Ik hoor wat, dat jullie niet hoort. Ik hoor de gebraden duiven in Luilekkerland door de lucht vliegen.”—Mikgoed schoot de toovervrouw een suikererwtje tusschen de vingers weg, dat ze Smulhans juist in den mond wou stoppen.—Blaaskaak maakte zijne wangen heel dik en blies op eens alle dansers omver.—Maar wat van Sterkenrug deed, dat was nog ’t aardigst van al. Eerst riep hij al de dwergjes, die op ’t bal waren, bij zich. Toen ging hij een beetje voorover gebogen staan. En toen—moesten al de kaboutertjes op zijn breeden rug klimmen. Langs en over elkaar heen klauterden ze naar boven. ’t Werd een hooge toren van kleine mannetjes, allergrappigst om te zien.—Maar er was niet alleen wat aardigs te zien op ’t bal, ook wat moois: er waren niet alleen dwergen en reuzen en toovenaars, er waren ook—feeën. Daar had je de rupsenfee met haar prachtig fijn vlinderkleed en de korenfee met het lange, golvende goudgele haar en de fee van den onwilligen Willem en de fee van den houthakker en nog veel meer. En lief, dat ze allemaal leken, die feeën in haar sierlijk, luchtig kleedje, bezaaid met bloemen en gouden en zilveren sterretjes, dat kun je heel niet gelooven! En mooi, dat ze dansten! De fijne, teere voetjes raakten haast den grond niet, zoo licht en vlug gingen ze er overheen. Frits keek er met open mond naar.—Maar midden onder ’t kijken kwam Appelsteeltje weer op hem af. “Kom aan, jongeheer, nu weer een dansje,” riep hij, “je wordt niet alle dag op een bal in ’t bosch gevraagd!”Ja, ’t was ook zoo: hij moest nu maar eens weer aan ’t dansen. Wacht,daar stond de lieve Tweeoogje. Frits er heen, en een oogenblik later zwierde het paartje al lustig de zaal rond.—Toen gedanst met Lena. Maar Lena had niet veel plezier: ze keek telkens angstig rond, of de toovenaar, die haar den ketting gegeven had, ook in de buurt was.—Liesje kreeg natuurlijk ook eene beurt. Die was zoo vroolijk, die danste zoo vlug, dat Frits haast niet mee kon komen. Op eens kwamen ze bijna te vallen over—ja, dat zul je nooit raden. Bijna kwamen ze te vallen over twee heel kleine dansende paartjes. Het eene paartje was Heer Halm tot Halm, de Weidekoning, met het snoeperige Grasprinsesje in een kleedje geweven van fijne grasjes en veldbloempjes. Het tweede paartje was—Pinkje met Madelieva, de vrouw van den Weidekoning, in een kleedje van bloemblaadjes. Wat waren die vier kleintjes aardig om te zien, en wat speet het Frits, dat hij ze bijna omvergedanst had! Maar Lena gunde hem geen’ tijd lang stil te staan: ze trok hem al gauw weer mee, om verder te dansen.Daar op eens klom er een dwergje in een’ boom, en dat begon me te blazen op een gouden hoorn, dat het boven alles uit klonk. En zie—dadelijk hield de dansmuziek op; allen, die liepen of dansten, die sprongen of stoeiden stonden plotseling stil, allen die lachten en praatten zwegen in eens. Eéne alleen bewoog zich en dat was eene lieve fee in een lang, slepend kleed van zilveren draden geweven en met een zilveren tooverstokje in de hand. Zacht en vlug ging ze langs de kanten van de zaal. Telkens bukte ze zich en raakte even met haar tooverstokje den grond aan. En overal, waar het stokje de aarde raakte, rees er uit den grond een tafeltje op, bedekt met een sneeuwwit kleed en beladen met bloemen en vruchten en wijn en taarten en alles, wat maar lekker was. In een oogenblik stonden er in ’t rond, ’k weet niet hoeveel, van die tafeltjes-dek-je klaar.—Nu ging de fee weer rond en bij elk tafeltje tikte ze even tegen een’ poot. En ja wel, daar waren ook in eens om de tafels stoelen getooverd, met bloemen en groen versierd.Toen alles klaar was, blies de dwerg weer op zijn gouden hoorn, en nu mochten allen zich weer bewegen. Ieder zocht zich een mooi plaatsje aan een van de tafeltjes uit, en toen begon het smullen. Frits deed er ook dapper mee: nog nooit in zijn leven had hij zulk lekkers geproefd. Nog nooit ook had hij zooveel pret gehad! Allen waren even vroolijk, en vooralde dwergjes maakten weer ieder aan ’t lachen met hunne dwaze grappen.—Er was er maar één, die geen tijd had, om pret te maken, die het veel te druk had met eten. Dat was natuurlijk de dikke Smulhans. Die grabbelde maar alles naar zich toe, wat hij krijgen kon. Hap, hap, hap ging zijn breede mond, en de bolle wangen werden nog eens zoo bol en rood als gewoonlijk.—Toen al de lekkernijen zoowat opgesmuld waren, stond Appelsteeltje op, klauterde boven op eene tafel en begon met zijne armpjes in de lucht te zwaaien. Die dichtbij waren, riepen: “Sst, sst! Appelsteeltje wil wat zeggen!” Toen werd het heel stil, en ieder luisterde naar wat het kaboutertje te zeggen had. Nu nam Appelsteeltje een glas vol wijn van de tafel, hield het omhoog en zei: “Ik drink op de gezondheid vanmijn, ik meen vanonsvriendje Frits! Hij leev’, hij leev’, ons Fritsje leve lang!”—Allen dronken en klonken mee. En toen—hoe het kwam, wist hij niet—maar op eens stond Frits midden in de balzaal, en om hem heen dansten in een grooten kring alle feeën en toovenaars, alle reuzen en dwergjes, alle prinsen en prinsessen, alle jongens en meisjes—allegasten van ’t bal. En allemaal zongen ze: “Hij leev’, hij leev’, ons Fritsje leve lang!” O, wat was ’t mooi!Daar: tetteretet, tetteretet! klonk de gouden hoorn. En—als door een’ tooverslag was alles verdwenen: de prachtige balzaal, het schitterende licht, de gasten, alles! Frits zat weer op zijn veulen, en vóór en achter hem draafden de zes andere veulens. Elk veulen droeg weer twee dwergjes op zijn’ rug en elk dwergje droeg weer eene fakkel. En voort ging het weer, hop, hop—in vliegende vaart door bosschen, over velden en wegen, langs kasteelen en bergen.—Appelsteeltje zwaaide weer met zijne fakkel; maar Frits was nu te moe en te slaperig, om veel rond te kijken. Sjok, sjok! schudde hij heen en weer, voor- en achterover op zijn veulen. Op ’t laatst kon hij de oogen haast niet meer open houden. Nog een poosje en—ze vielen toe. Frits sliep.Toen hij wakker werd, waren dwergjes en veulens verdwenen en—onze Frits lag goed en wel in zijn eigen bed! Maar lang bleef hij niet meer liggen, hoor! In een’ wip was hij er uit,in een’ wip aangekleed, in een’ wip bij Ooms kamer, aan Ooms bed, om gauw te vertellen, hoe heerlijk het middeltje geholpen, hoe’n kostelijken droom hij gedroomd had.—Één ding alleen heeft Frits zijn leven lang gespeten: dat hij Appelsteeltje nooit heeft kunnen bedanken voor al het plezier in dien heerlijken nacht.Een Dief—en Geen Dief.Er was eens een man, die net als de man in de vertelling van de zeven veulens drie zonen had. Maar deze man was niet arm: hij was juist heel rijk. Ja, hijwasrijk, maar hijwerdarm. Op een’ nacht kwamen er dieven in zijn huis, en die stalen hem al zijn geld af.—De man klaagde en jammerde, en hij deed alles, wat hij kon, om de dieven te vinden en zijn geld terug te krijgen. Maar de dieven waren gevlogen, en het geld was gevlogen, en de man begon eindelijk te begrijpen, dat hij zich maar schikken moest in zijn lot.Zooals je weet: de man had drie zonen. Op de twee oudste was de vader heel trotsch: dat waren jongens naar zijn hart. Bijna nooit waren ze ondeugend of ongehoorzaam, en leeren was hun lust en hun leven. ’t Waren heele bolleboozen van knapheid. Met den jongsten zoon, met Tom, zooals hij heette, was het anders. “Wat er van dien jongen nog worden moet,” zuchtte de vader menigmaal, “ik weet het niet! Leeren, daar moet je bij hem niet mee aankomen. Bij de boeken is hij nooit te vinden, wel in den stal of buiten in ’t bosch of op ’t veld. Jagen en visschen, rijden en zwemmen, dat kan hij als de beste. Grappen, die weet hij wel te bedenken; ieder kan hij aan ’t lachen maken, en allerlei kattekwaad uitvoeren, daar is hij een baas in. Maar met al die dingen kom je niet ver in de wereld. Wie weet, wat verdriet we nog aan dat heertje beleven!”Nu, diezelfde Tom, waar de vader niets goeds van verwachtte, ging op een’ dag vlak voor zijn’ vader staan en zei: “Vader, ik ga er op uit, om de dieven te zoeken en het geld, dat ze ons afgenomen hebben. Vinden zal ik ze, al zaten ze ook ’k weet niet waar verborgen. En ’t geld brengik mee terug, zoo waar ik Tom heet.”—De vader barstte in lachen uit. “Ja, jij zult wat en jij kunt wat! Als een van je knappe broers me nu zoo iets vertellen kwam, dan zou ik nog denken: daar kan iets van terecht komen. Maar jij!”—“—Vader,” zei Tom, “ik vind ze, laat mij maar begaan.”—“Nu,” zei de vader, “ga je gang. Thuis voer je toch niet veel goeds uit.”En Tom ging zijn’ gang.Tom reisde vele dagen lang. Vinden deed hij wel niets; maar den moed opgeven, daar dacht hij toch niet aan.—Eens dat hij weer een heelen dag vergeefs had rondgezworven, kwam hij aan een leelijk, oud huis, dat heel alleen stond, een eindje van een eenzamen weg, dichtbij een bosch. ’t Was al avond. Tom was doodmoe en koud en nat; want er woei een gure wind, en ’t regende zonder ophouden. “Ik moet maar zien, dat ik hier vannacht onder dak kom,” dacht Tom. Eene bel was er nergens te zien: hij bonsde dus tegen de deur net zoo lang, totdat ze openging.Een oud, leelijk vrouwtje met een boos gezicht stond vóór hem. “Wat moet je?” vroeg ze heel onvriendelijk.—“Wat anders dan mijn avondeten en een bed om in te slapen!” zei Tom. “Dat kun je hier niet krijgen,” bromde het vrouwtje, ”’k Zou wel eens willen weten, waarom niet,” hield Tom vol. “Nu, als je ’t dan volstrekt weten wilt,” was ’t antwoord, ”’t is, omdat hier zes mannen wonen, die meest pas tegen drie, vier uur in den nacht thuis komen. En als die je vinden, dan kom je hier niet levend vandaan.”—“Dat is een leelijk ding,” zei Tom, “maar den heelen nacht onder den blooten hemel te slapen bij dit weer, is ook geen pretje. Kom, vrouwtje, laat me maar binnen, ik ben niet bang.”—Met was hij ook al in de gang en sloot de voordeur achter zich. Het vrouwtje bromde nog wel zoo iets van “zelf maar weten”, maar Tom kreeg zijn avondeten en zijn bed, en dat was ’t voornaamste.Een poosje later lag hij onder de warme dekens: de regen kletterde tegen de glazen, en de wind huilde in den schoorsteen; maar dat kon Tom nu niet meer schelen. Hij sliep al gauw in en droomde, dat hij met leege handen thuis kwam en braaf door zijn’ vader en zijne broers uitgelachen werd.Op eens werd hij midden in den nacht wakker van allerlei geluiden inde kamer naast hem. “Aha!” dacht hij, “daar zijn de zes mannen, die mij niet levend hier vandaan zouden laten. Raar volkje, dat altijd midden in den nacht pas thuiskomt—als dat geen dieven zijn, dan weet ik het niet! Eerlijke menschen hebben ’s nachts op straat niets te maken.”Tom ging overeind in bed zitten en begon te luisteren naar wat de mannen praatten. Eerst verstond hij geen woord: hunne stemmen klonken zoo verward door elkaar, ’t leek wel, of ze allemaal tegelijk spraken.—Dat duurde zoo eene poos, toen werd het wat stiller en begon Tom langzamerhand te begrijpen, waar de mannen het eigenlijk over hadden. Ze praatten druk over wat ze dien nacht hadden uitgevoerd. ’t Waren wel degelijk dieven, dat merkte Tom al gauw: hij hoorde van inbreken en van gauw wegloopen en van zilveren lepels en vorken en van geld.“Dat was eene mooie vangst vannacht,” zei er een. “Ja,” zei een ander, “maar toch nog op geen stukken na zoo mooi als die van laatst. Jongens, als ik daar nog aan denk, hoe netjes we dien rijken mijnheer al zijn geld hebben afgestolen, zonder dat hij er iets van gemerkt heeft!”—“Honderdduizend gulden!” lachte een derde. “Wat zullen ze op hun’ neus gekeken hebben, hij en zijne drie zoons. De jongste, dat moet zoo’n doeniet zijn. Maar ’t luie leventje van dat heertje zal nu ook wel uit zijn, nu zijn vader niet rijk meer is!”Tot op dat oogenblik had Tom zich doodstil gehouden: den adem hield hij in, om toch geen woord te verliezen van alles wat er gezegd werd. Maar nu sprong hij uit het bed, en ’t had niet veel gescheeld, of hij was de kamer binnen geloopen, waar de dieven zich vroolijk maakten over hem en zijn’ vader. Want hij wist het nu zeker: dit waren de mannen, die zijn’ vader arm gemaakt hadden. Honderdduizend gulden, drie zoons, de jongste een doeniet—het kon niet anders wezen. Wacht, hij zou .... Ja, wat zou hij eigenlijk, dacht hij op eens, en midden in de kamer stond hij stil, maakte toen weer rechtsomkeert en kroop weer in ’t bed. “Tom, jongen, wees niet dom,” zei hij tegen zichzelf, “je weet nog niet eens, waar ze ’t geld gelaten hebben, en al wist je ’t: wat kun je dan nog beginnen tegen zes mannen!—Beter eerst nog eens verder luisteren, misschien kom je nog wel meer te weten.”Tom legde weer ’t oor tegen den muur en luisterde. “Zeg eens, is datgeld wel goed geborgen?” vroeg er een. “Dat ’s ook eene vraag,” riep een ander, ”’t Is immers in dezelfde kist gebleven, waar we ’t in gevonden hebben, en ben je dan blind, dat je die niet in den kelder hebt zien staan, recht voor je uit, als je de trap af komt?”—“Nu, ’t is goed, ik vroeg ’t maar zoo,” zei de eerste weer. “Ziezoo,” dacht Tom, “nu weet ik vooreerst genoeg. Nu moet ik slim wezen. Mijn’ zin wil ik hebben; maar hoe krijg ik dien?”—Nog eene heele poos lag hij te denken, te denken, tot hij eindelijk in slaap viel.

Heel naar vond Gustaaf het ook, dat hij het knechtje moest wezen van Willem, die maar een jaar ouder was dan hij. Willem, die ook al geen aardige jongen was, wilde, dat Gustaaf altijd zijne boeken naar school zou dragen. Was Willem nu nog maar vriendelijk tegen hem geweest; maar neen, nooit bemoeide hij zich met Gustaaf. Gustaaf mocht niet eens naast hem loopen, maar moest altijd drie passen achter hem blijven. “Och,” zuchtte Gustaaf, “zoo liet ik vroeger mijn grooten bediende ook wel loopen. Wat zal die dat verschrikkelijk gevonden hebben! Willem is al haast net als ik; nu kan ik eens zien, hoe ’n nare jongen ik was.”

Heel vervelend was ook, dat Willem altijd vroeg naar school ging om met de jongens te spelen. Daar mocht Gustaaf dan bij staan kijken. O, wat viel hem die tijd lang; want Willem wilde altijd, dat hij op de boeken paste, tot de school begon. Eindelijk kwam Gustaaf op de gedachte, maar eens in Willems boeken te gaan lezen. Hij kreeg daar wezenlijk hoe langer hoe meer plezier in en leerde zoo meer, dan hij vroeger ooit gedaan had. Hij had nooit begrepen, dat leeren plezierig kon wezen, omdat hij ’t nooit recht geprobeerd had.

Zoo gingen er wel drie maanden voorbij. In dien tijd was Gustaaf werkelijk een veel aardiger jongen geworden, maar—hij moest nog veel beter worden, dat was zeker. Zijn groote gebrek was, dat hij nog te veel van zich zelf hield. Nooit dacht hij: “Och, ik heb het toch wel goed, en er zijn zooveel boodschapsjongens, die het niet beter hebben!” Neen, hij had altijd erg medelijden met zich zelf en vond zich zelf veel beter dan zulke boodschapsjongens en veel te goed om een ander te dienen. Zijn pa was immers een rijke mijnheer, en hij verbeeldde zich, dat hij daar beter om was, dan wanneer zijn vader een arme man was geweest, zooals de vaders van die andere loopjongens.

Eens op een’ dag was hij weer vreeslijk uit zijn humeur, omdat hij een bijzonder groot pak boeken voor Willem te dragen had. O, dacht hij, altijd knecht te wezen! Ik wou, dat ik toch eens iets doen mocht, waar ik lust in had, ik wou, dat ik mijn eigen baas was. Al brommende liep hij het speelplein af en een eind den weg op, die buiten de stad liep. Hè, watwas het daar heerlijk frisch! ’t Was ook zoo’n kostelijke herfstmorgen. En och, wat was het lang geleden, dat hij de frissche buitenlucht ingeademd had. Toen hij een eind gewandeld had, wie zag hij daar op eens langs den weg loopen te grazen? De koe, die hij maar al te goed kende! Zijne eerste gedachte was te vluchten; maar och, wat kon ’t hem ook schelen, of de koe hem weer meenam en wegvoerde van dien naren Willem en zijne ouders! Hij stapte daarom regelrecht op de koe af en zei: “Hier ben ik! als je lust hebt, mij weer weg te brengen, mij goed. Zoo mooi is het leventje, dat ik nu heb, niet.” De koe schudde den kop. “Nooit tevreden!” zei zij. “Als ik je ergens anders breng, zal je ’t eerder minder dan beter hebben, mijn jongen.”—“Dat kan me niet schelen!” riep Gustaaf. “Alles liever dan de knecht te wezen van dien naren Willem.” ’t Was of Gustaaf op eens niet meer bang voor de koe was. Hij greep de horens en wipte op haren rug. “Nu toe maar,” zei hij. En de koe liep met kleine stappen verder. “Je loopt niet vlug,” zei Gustaaf; want gedurig bukte de koe zich om een paar grassprietjes af te trekken.

“Neen,” zei de koe. “Ik heb geen’ haast. De plaats, waar ik je brengen wil, is niet ver van hier.”

“Ik heb van morgen nog niets gegeten,” zei Gustaaf. “’k Heb honger.” “Daar is mijne melk goed voor,” zei de koe. “Hè, ja!” en in een’ wip was Gustaaf weer op den grond en zoo goed en kwaad als het ging, melkte hij de koe en liet de melk in zijn’ mond loopen. Lekkere versche melk, die had hij in langen tijd niet geproefd.

Toen hij genoeg gedronken had, ging de reis weer verder. Gustaaf vond het niet naar meer met de koe te reizen. “Och, als ze mij nu eens weer naar mijne ouders bracht,” dacht hij, en een traan rolde hem over de wangen. Nu voelde Gustaaf toch, hoe lief hij zijne ouders had.

’t Was donker, toen de koe eindelijk staan bleef. “Ziezoo, we zijn er,” zei ze. De schrik sloeg Gustaaf om ’t hart. Bij ’t licht van de sterren zag hij eene vervallen hut. Aan de eene zijde van de lage deur was een mesthoop en aan de andere een klein plekje bouwgrond met eene oude scheeve schutting er om heen. Nergens in de buurt verder een huis: eenzaam en stil lag het hutje daar. “We zijn er,” zei de koe nog eens, toen Gustaaf stom van schrik bleef zitten. “Hier?” riep Gustaaf, “dat kun je niet meenen, ’t isteleelijk!”

“Stap af, zeg ik je,” antwoordde de koe, “en ga binnen. Ik blijf bij je.”—“Ik blijf bij je,” dat was wel een troost; maar de gedachte in zoo’n ellendig huisje te moeten wonen, vond Gustaaf zoo verschrikkelijk, dat hij bleef zitten en zich krampachtig aan de horens vasthield. Het hielp niet: onverwacht deed de koe een’ zijsprong, en daar lag Gustaaf lang uit op den grond. Zijn hoofd bonsde tegen de deur. Op dat lawaai kwam er een hevig geblaf, en een groote hond vloog de deur uit. Gustaaf maakte wel, dat hij overeind kwam. Eene leelijke boerenvrouw suste den hond en riep: “Wat is dat hier toch, wat moet jij hier zoo laat op den avond, jongen? Je doet me schrikken.”

Op de horens genomen.Op de horens genomen.

Op de horens genomen.

Op de horens genomen.

“Och,” zei Gustaaf, “och, goede vrouw, mag ik bij u binnenkomen?”

“Maak, dat je wegkomt; bedelaar,” riep de vrouw. “Wat meen je, dat mijn huis eene herberg is? Kom eens hier, Jan, en zie eens, wat mooi heertje daar vraagt, om bij ons te slapen.”

Gustaaf had een paar stappen achteruit gedaan en was tegen de koe aan gaan staan, want de hond blafte nog maar al door, en deed alsof hij hem wou bijten.

“Jemoethier blijven,” fluisterde de koe.

Nu kwam de boer buiten met eene lantaarn, ’t Was een groote dikke man, met booze oogen en een streng gezicht.

“Ik neem geen bedelaars in huis,” zei hij. “Maak, dat je wegkomt, jij met je schrale koe, of je krijgt het met mij te doen.”

“Jemoethier blijven,” zei de koe zonder zich aan de dreigementen van den boer te storen.

“Heb medelijden, beste Mijnheer,” .... smeekte Gustaaf. Voordat hij meer kon zeggen, kwam er een kleine jongen van zijn’ leeftijd, maar veel grooter en forscher, naar buiten en pakte hem bij de hand. “Ik wil hem hier houden,” riep hij, “hij is een vriendje voor mij, hij zal bij ons wonen.” Jan en zijne vrouw keken elkaar lachend aan en—“nu, omdat onze kleine Jakob het wil, toe dan maar, blijf maar hier,” zei de boer. Jakob trok Gustaaf mee naar binnen, en de deur ging achter hen dicht. De koe zocht uit zich zelve een plaatsje in den kleinen stal bij het huis, waar een klein mager paard aan het laatste restje hooi stond te trekken.

Nu begon er weer een nieuw leven voor Gustaaf, en een leven, nietminder moeilijk dan bij den koopman; maar Gustaaf kon er zich beter in schikken.

Wel nam de boerin hem den volgenden morgen zijn fluweelen pakje af, het laatste wat er van zijn vroegeren rijkdom was overgebleven, maar dat deed ze alleen, omdat ze vond, dat in zoo’n eenvoudig hutje zulke mooie kleeren niet pasten. Ze borstelde het pakje af, vouwde het netjes op, en borg het in de kast. “Als je weer weggaat, kun je het terugkrijgen,” zei ze. Ze gaf Gustaaf nu een grof hemd van ongebleekt katoen, een pilot broek, een blauw boezeroen en een paar klompen—alles gezocht uit het beste goed van Jakob. Maar dat ze hem die kleeren lieten dragen, was volstrekt niet, om hem te laten voelen, dat hij niets meer dan Jakob mocht lijken. Och, neen, ze waren allen aan die eenvoudige kleeren gewend; ze pasten bij het huisje, en daarom moest Gustaaf ze ook dragen. De vader en moeder van Jakob waren brave menschen, streng voor een ander, maar ook streng voor zich zelf. Zelf waren ze met weinig tevreden, en een ander moest dat ook zijn, dachten ze.

Och, wat voelde Gustaaf zich eerst verlegen in die ongewone kleeren. Zijn fijn, zijn teer lichaampje zwom in het wijde pak van den dikken Jakob. Zijne bloote voeten konden haast niet in de groote klompen blijven; maar de boerin deed een handvol frisch stroo er in, en toen pasten ze hem beter en was hij al gauw gewend er in te loopen.

Minder goed ging het den eersten keer met den maaltijd. Altijd roggebrood met aardappelen! Bij den eersten hap kon Gustaaf haast niet laten den neus een beetje op te trekken. ’t Was maar gelukkig, dat hij den vorigen dag niets dan wat melk had gehad, en dus nu erg hongerig was. Na eenige dagen ging het hem met het eten, als met de klompen: hij raakte er aan gewoon. En hij zag ook, dat de boer en de boerin en Jakob ook lekker aten in het eenvoudige eten: dat hielp. Ook had hij het even goed als de menschen zelf. Dat was anders bij den koopman; daar werd hij van de tafel gestuurd, als het aan de lekkere hapjes toe was.

Van de slaapplaats, die Gustaaf aangewezen werd, keek hij eerst raar op. Een hoop stroo op zij van de beesten in den stal! Maar—’t was er tenminste niet zoo benauwd, als op het kleine zolderkamertje in de stad. En de boer en boerin konden hem nu eenmaal niets beters geven. Dat hijzoo dicht bij de beesten was, vond hij wel gezellig. Soms als hij nog een poosje overeind zat te denken, kwam de koe en stak hem zijn rose neus toe, alsof ze om eene liefkoozing bedelde; de hond likte hem, en het paard keek hem zoo goedig en vriendelijk aan. Hij viel ’s avonds dadelijk in slaap en was ’s morgens heel vroeg weer wakker. Het opstaan viel hem nu veel gemakkelijker dan vroeger, toen het veeren bed hem zoo suf maakte. Soms was hij vóór dag en dauw al wakker, en dan zat hij op zijne ellebogen geleund naar de slapende dieren te kijken en dwaalden zijne gedachten ver weg naar zijne mooie slaapkamer op het kasteel. Maar aan de mooie slaapkamer dacht hij niet lang; meer en langer aan zijne lieve ouders, die in het kasteel woonden. Ook had hij, toen hij aan zijne ouders dacht, niet meer zoo’n verdriet—hij merkte, dat hij een betere jongen werd en had een gevoel, alsof hij daarvoor nog eenmaal beloond zou worden.

Het duurde ook niet lang, of hij kwam met zijne huisgenooten op streek. Vader Jan had hem eerst bang gemaakt met zijne harde stem en zijne strenge oogen. Ook was hij wat ruw in het spreken; maar hij had niet beter geleerd, en meende het daarom niet kwaad. Gustaaf begreep dat al gauw, en het duurde niet lang, of hij vond het heerlijk, als Vader Jan hem de hand eens op het hoofd lei en zei: “beste jongen!” ’t Was of hem dat moed gaf en hem ook sterker en flinker maakte.

Met de boerin ging het al net zoo. Ze was ook wat lomp, sprak met eene harde, onaangename stem; maar ze was zoo hartelijk voor Gustaaf. ’t Was altijd “mijn jongen” vóór, “mijn jongen” na, zoodat Gustaaf haar wel lief moest krijgen. En dat was juist zoo heerlijk. Nu voelde hij voor ’t eerst, dat liefhebben gelukkig maakt.

De eenige, die hem ’t leven vaak zuur maakte, was de kleine Jakob, aan wien Gustaaf nog wel zijn nieuw te huis te danken had. Hij lachte Gustaaf om alles uit. Dan bauwde hij hem na, omdat hij als een stadsheertje praatte, en dan weer was het: “of hij niet liever in verlakte schoentjes in plaats van op klompen wou loopen.”—De boer en boerin hadden Gustaaf niet gevraagd, waar hij vandaan kwam. Ze begrepen wel, dat er iets bijzonders met hem gebeurd moest zijn, maar wilden hem niet verlegen maken met er naar te vragen. Maar Jakob begon al dadelijk den volgenden morgen Gustaaf het “mijnheertje van de koe” te noemen. En nu ging het maarelken dag: “Zeg, moet je nog niet eens weer een ritje maken?” In ’t eerst verdroeg Gustaaf de plagerijen geduldig; maar toen Jakob elken dag weer van voren af aan begon en zich er niets aan stoorde, dat Gustaaf het vervelend vond, was het met het geduld van Gustaaf uit. Het liep op eene vechtpartij uit, waarbij Gustaaf de overwinnaar werd. Nu was het uit met de plagerijen; want Jakob moest in zijn hart Gustaaf gelijk geven. De twee jongens werden nu echte vrienden.

In de avonduren, als ze allen gezellig in de kleine kamer zaten, haalde Gustaaf de boeken te voorschijn, die hij nog van Willem had, en dan zat hij met zooveel plezier te leeren, dat Jakob ook lust in leeren kreeg. Nu was Gustaaf de meester van Jakob; en, terwijl hij Jakob leerde, werd hem zelf alles nog veel duidelijker. Omgekeerd werd Gustaaf weer de leerling van Jakob bij het boerenwerk. Jakob leerde hem graven en spitten en planten en de dieren verzorgen. Eens, toen Gustaaf met een rood hoofd druk bezig was, het hooi op het land te keeren, kwam de boer en klopte hem vriendelijk op den schouder. “Kom aan,” zei hij, “je wordt al een heele man! Zóó mag ik het zien!”

Gustaafs hart klopte van tevredenheid. Toen de boer verder stapte, moest hij even de hooivork neerleggen en zich het gezicht afwisschen, dat van plezier nog heeter was geworden. Daar viel zijn oog op de koe, die daar vlak bij stond te grazen. Hij vloog op haar af en riep: “Ondeugend beest, dat me weggehaald hebt van mijne ouders, ik kan niet meer boos op je wezen, nu je mij zooveel goeds hebt gedaan! Ik heb je lief! daar dan!” Met pakte hij de koe bij de horens en gaf haar een’ kus op den neus!....

Een schitterend licht verblindde hem eensklaps. Hij moest de oogen wel dichtknijpen en—toen hij ze weer open deed—stond er eene beeldig mooie dame voor hem, en de koe was nergens te zien. Gustaaf sloeg verlegen de oogen neer en toen—toen zag hij, dat zijn blauwe boezeroen en zijn pilot broek veranderd waren in een keurig net jongeheeren-pakje; maar niet in zoo’n wijsneuzig, zoo’n oudmannetjes-pakje, als hij vroeger graag droeg.

“Gelukkig!” riep de dame en ze stak hem vriendelijk de hand toe, “je hebt ons beiden gered!Kom nu maar gauw mee, om afscheid te nemen van je beste pleegouders en Jakob. Nu is je moeilijke tijd voorbij, nu ga je weer naar je ouders! Kom, die stumpers zijn al zoo lang in ongerustheid over je.”

’t Was net een jaar geleden, dat Gustaaf plotseling verdwenen was, en zijne ouders zaten treurig bij elkaar daarover te praten.

“Ik wou, dat ik toch wist, waar ons kind gebleven was,” zei de moeder, en de tranen rolden haar over de wangen, “’t Is nu juist een jaar geleden! Wist ik toch maar, of mijn jongen leefde of dat hij dood was.” Daar sprong de deur open en de fee kwam binnen. “Hier, Moeder,” riep ze, “hier is je jongen, hij leeft! Heb hem nu maar lief; hij verdient het.”

Te vertellen, hoe ’n gezicht de vader en de moeder zett’en en hoe gelukkig ze waren, ’k zou het niet kunnen. De moeder was dol van blijdschap, en ze kon niet ophouden te zeggen, hoe groot en hoe knap Gustaaf geworden was. De vader keek met trots naar de gebruinde handen van zijn’ jongen en naar zijn gul open gezicht en zijne nette eenvoudige manieren. De bedienden en de buren, allen stormden bij het groote nieuws maar zonder bellen of kloppen de deur binnen, en de knecht, die er bij geweest was, toen Gustaaf door de koe op de horens genomen werd, zat op een’ stoel bij de deur van blijdschap te schreien.

Het kleine Zusje, dat Gustaaf niet goed meer kende, vroeg: “Maar wat heb je nu met de koe gedaan? waar is de koe gebleven?”

“Die hebben wij opgegeten, hé Gustaaf,” zei de fee lachend.

Dat geloofde Zus dadelijk; want Gustaaf was zoo groot en dik geworden en van koeien eten daar kun je immers wel groot en dik van worden, meende Zus.

Van dien tijd af was Gustaaf geen Jan verdriet meer voor iedereen, en dat maakte hem zelf nog het meest gelukkig. Nu alles voorbij was—was hij o zoo dankbaar, dat de koe hem mee had genomen, om een flinken, aardigen jongen van hem te maken.—Eén ding alleen bleef hem altijd te wenschen over: hij wou zoo verschrikkelijk graag weten, hoe er van de koe eene fee had kunnen worden. Dat wilde de fee hem maar niet vertellen. Wel deed ze hem het plezier aan, elk jaar op den verjaardag van zijne terugkomst over te komen om feest te vieren.

Wie ook mee feestvierden?

Raadt dat maar! Ik zeg alleen, dat Gustaaf ieder jaar een’ brief schreef, om—neen, meer zeg ik niet.

Er was eens een kleine jongen, die dan toch wel zoo dolveel van mooie vertelsels hield! Al was hij ook nog zoo prettig aan ’t spelen en er zou verteld worden, dan keek hij niet meer uit of om naar zijn speelgoed, en in een oogenblik zat hij in zijn laag stoeltje zoo dicht mogelijk bij Vader of Moeder, bij Oom of Tante, die vertellen ging. En dan had je hem moeten zien luisteren: met open ooren en open mond, met oogen, wel tweemaal zoo groot als anders. Als de vertelling uit was, dan vleide hij om meer en nog meer, tot Moeder eindelijk zeggen moest: “Ziezoo, nu is ’t voor vandaag genoeg. Je zult er vannacht nog van droomen.”—Nu, dat wou onze Frits eigenlijk wel heel graag. Hè, eens droomen van al de wonderlijke dingen, die hij gehoord had, wezenlijk al die feeën en toovenaars, die dwergjes en die reuzen eens zien! En die donkere bosschen en prachtige kasteelen! Elken avond, als hij in zijn bed lag, hoopte hij, dat hij eens zoo’n mooien droom zou hebben. Maar nooit, nooit gebeurde het. Eindelijk...—

Maar wacht, nu moet ik je eerst vertellen, dat er op een goeden dag een oom van Frits overkwam. Frits had hem nog nooit gezien; want Oom Rob deed haast altijd verre reizen in vreemde landen. Maar toch was Frits al gauw de beste vrienden met hem. Nu, zoo’n gezellige oom, als dat ook was, daar moest je wel dadelijk van houden. Wat wist die veel te vertellen! En wat een leuke spelletjes kende hij en grappige kunstjes!

“Oompje,” zei Frits op een’ keer, “je bent zoo knap, en overal weet je raad voor. Zeg, kun je me ook niet eens leeren droomen?”—“Leeren droomen!” lachte Oom, “wat meen je daar toch mee, malle jongen! Droomen, dat gaat van zelf, dat behoef je niet te leeren. Heb je dan wezenlijk nog nooit gedroomd?”—“Ja wel,” zei Frits, “maar Oom, ik droom nooit, wat ik graag wil.”—“O, is ’t anders niet, dat kunstje kan ik je gauw leeren,” riep Oom. “Weet je, wat je doet: je kruipt net als gewoonlijk onder de dekens met je hoofd op ’t kussen.”—“Hè Oom, je plaagt me ook altijd!”—“Ho, mannetje, ik was er nog niet.... Dan leg je je rechtervoet over je linker en de beide handen onder ’t hoofd en dan—ga je maar denken aan alles, waar je van droomen wilt. Je zultzien, dat helpt. Maar pas op, dat je niet bij vergissing den linkervoet over den rechter legt, dan is het mis en je droomt—niets!”

Wat was die Frits in zijn’ schik met het kunstje! Hij kon dien dag haast niet afwachten, dat het avond werd en tijd, om naar bed te gaan. Anders mocht Frits nog al eens het liedje van verlangen zingen en nu—Moeder begreep er niets van: nu vroeg hij al, of hij maar naar bed zou gaan, toen de klok nog lang geen acht geslagen had.

“Je bent toch niet ziek, jongen,” vroeg Moeder. “Och ja,” plaagde Oom, “hij zal zeker ziek zijn, de arme jongen, kijk hij eens bijten in zijne dikke boterham, en wat ziet hij wit!”—Oom begreep wel, waarom Frits zoo’n haast had, om naar bed te komen. Maar hij zei niets; want Frits wou Moeder den volgenden morgen eens verrassen met een mooien droom—en als Moeder nu van het kunstje wist, dan was alle aardigheid er af.

Toen Frits Oom goedennacht zei, fluisterde hij hem in ’t oor: “Kom je nog even kijken, Oompje, of ik goed lig?” Oom knikte lachende van “ja.” Eene poos later stond hij voor Frits zijn bedje. Daar lag onze jongen, heelemaal klaar om te droomen: recht als eene kaars, de handen onder ’t hoofd, den rechtervoet over den linker geslagen, doodstil, zonder zich te verroeren. “Zoo is ’t goed,” zei Oom, “nu maar denken aan—weet je al, wat je droomen wilt?”

Nu, òf Frits het wist! Eene heele poos lag hij te denken aan feeën en dwergen en toovenaars, aan alles, waar hij in de mooie vertelsels van gehoord en gelezen had. Maar toen hij eindelijk genoeg gedacht had en wou gaan slapen, om te droomen, toen—wou de slaap niet komen. ’t Was ook erg moeilijk zoo lang stil te blijven liggen, altijd op dezelfde plek en op dezelfde manier. Telkens had Frits lust eene hand onder zijn hoofd weg te trekken of zijn’ linkervoet eens boven zijn’ rechter te leggen. Maar hij hield vol en eindelijk, daar kwam de slaap en—daar kwam ook de droom, de mooie, de heerlijke droom, dien ik je nu eens wil gaan vertellen.

Frits droomde, dat hij midden in den nacht getrippel van voeten hoorde in de gang. Hij ging recht overeind in zijn bed zitten en luisterde. De voetstappen kwamen dichter en dichterbij. Nu waren ze bij de deur. Daar ging de deur langzaam open en binnen kwamen.... Ja, dat kon Frits in ’t eerste oogenblik niet eens zien; want zijne slaperige oogen waren verblinddoor het heldere, roode licht, dat op eens door de heele kamer scheen. Maar al gauw had hij de oogen wijd open en den mond er bij, net of hij naar eene mooie vertelling luisterde. Nu, wat hij zag, dat leek dan ook wezenlijk wel op eene vertelling—neen, ’t was nog wel tienmaal mooier... Door de open deur kwamen twee aan twee aanstappen—twaalf dwergjes, ieder met eene brandende fakkel in de hand. O, zulke grappige mannetjes! Korte, dunne beentjes met groote voeten in puntschoenen, een klein, rond lichaampje en daarboven een groot hoofd met een puntig kapje er op. ’t Leken wel kleine jongetjes met oude gezichten en grijze baarden, met rimpelige wangen en guitige oogen. Frits kon zijn lachen haast niet laten, toen ze daar zoo deftig kwamen aanstappen, recht op zijn bed af. Vlak vóór hem bleven ze staan, en nu begon één van de voorste mannetjes: “Jongeheer, ’k weet niet, of je me kent, maar ik ben Appelsteeltje!”—“Zoo,” riep Frits vroolijk, “ben jij nu Appelsteeltje! Blij, dat ik je eens zie, Appelsteeltje!” en hij schudde het dwergje de hand. “En hoe gaat het je petekind?”—“Dank je, jongeheer, best,” zei Appelsteeltje, “maar we zijn eigenlijk gekomen, om je op een bal in ’t bosch te vragen. Ik weet, je houdt zooveel van dwergjes en al het andere toovervolkje, daarom dacht ik, je zou het wel prettig vinden, eens een kijkje bij ons te nemen.”—“Op een bal?” riep Frits, “maar ik kan niet dansen!”—“O, dat komt er niet op aan,” meende Appelsteeltje, “op het bal is wel eene fee, die het je in één tooverslag leeren kan.”—“Maar, met wie zal ik dansen?” vroeg Frits weer. “Dat is eene verrassing,” lachte het dwergje, en al de mannetjes lachten met hunne breede, vriendelijke monden mee. “Maar ik heb geen mooi pakje, om in te dansen,” zei Frits. “Daar is voor gezorgd,” zei Appelsteeltje.

Hij wenkte even, en daar stapten zes van de dwergjes vooruit. Eén droeg eene fluweelen broek, één een satijnen buisje, één eene muts met pluimen, één een paar zijden kousen, één een paar verlakte dansschoenen, één een fijnen zijden zakdoek. Voordat Frits nog iets zeggen kon, pakten twaalf kleine handen hem aan, tilden hem uit zijn bed, zett’en hem op den vloer, plooiden en schikten en knoopten en strikten aan hem, totdat hij daar kant en klaar stond als een prins uit een sprookje. “Maar,” begon hij nu weer, “hoe komen we op ’t bal, dat is zeker heel ver.””’t Komt alles in orde, jongeheer Maar!” riep Appelsteeltje. “Voorwaarts, marsch!”

Daar stapten de dwergjes weer deftig twee aan de twee de kamer uit, precies zooals ze gekomen waren. Frits achter hen aan, de gang door, de voordeur uit en zoo naar buiten. Maar wat was dat? Gehinnik en getrappel van paarden! Ja, hoor, daar stonden de zeven veulens uit de vertelling klaar, om Frits en de dwergjes naar ’t bal te brengen. Hoe hij er op kwam, wist hij niet; maar in een oogenblik zat Frits al op den rug van het mooiste veulen en de twaalf mannetjes op de andere zes, natuurlijk op ieder veulen twee. ’t Was een heele optocht: voorop drie veulens met zes dwergjes, in ’t midden Frits, achter hem weer drie veulens met zes dwergjes.

“Nu naar ’t bosch,” kommandeerde Appelsteeltje heel vóór in de rij. De veulens brieschten, de kaboutertjes zwaaiden met hunne fakkels en Frits riep uit alle macht “hoezee! leve Appelsteeltje!” Voort ging het nu in galop door straten en langs wegen, langs akkers en velden, over slooten en heggen en struiken. Hop, hop! Frits moest zich stijf vasthouden aan de manen van zijn veulen; maar hij hield zich recht als een echt ruiter. Toen door een bosch, een dicht donker bosch. “Zijn we er al?” vroeg Frits. “Ha, ha!” lachten de dwergjes, “hij vraagt, of we er al zijn!”

Daar schemerde licht door de boomen. ’t Kwam uit de ramen van een statig kasteel met hooge torens. Appelsteeltje zwaaide zijne fakkel naar dien kant en riep Frits over zijn’ schouder toe: “Het betooverde kasteel!” Wat zou Frits graag even afgestapt zijn, om het kasteel te bekijken; maar daar kon nu niets van inkomen. Appelsteeltje had veel te veel haast. Toen Frits nog even omkeek, waren ze al weer een heel eind verder en was het kasteel al weer in de duisternis verdwenen.

Maar het bosch werd al dichter en dichter, en nu moesten de veulens wel wat langzamer loopen. Op het dichtste plekje van ’t bosch stond een grappig, donker, klein huisje, en uit dat huisje kwam een zwaar, dof gebrom. De grond dreunde er van. Weer bewoog Appelsteeltje zijne fakkel: “Het huisje van de drie beertjes!” riep hij Frits toe. Ja, wezenlijk, daar kwamen ook al drie nieuwsgierige berekoppen uit een venstertje kijken. “Dag Bruno, dag Bruna, dag Brunette!” groette Frits, “hoe smaakt de honigsoep?” Maar voordat er antwoord kwam, lag het huisje al weer in de verte.

Daar was eindelijk de rand van ’t bosch. Ja, en daar stond ook weer een huisje, maar nu een heel vriendelijk, een met witte muren en een tuintje er voor. “Daar woont de grootmoeder van Roodkapje,” vertelde Appelsteeltje. “Och, och,” begon Frits, “woont daar nu....” Maar daar vlogen de veulens, nu ze ’t bosch uit waren, in eens weer met een’ ruk vooruit: ’t scheelde niet veel, of onze Frits was in ’t zand gewipt.

Hop, hop, hop! Frits durfde haast niet rechts of links meer te kijken, zoo gauw ging het. Alleen als Appelsteeltje met zijne fakkel wenkte, keek hij even naar dien kant.

Daar zwaaide de fakkel weer, nu niet op zij; maar hoog boven Appelsteeltjes hoofd. Nieuwsgierig keek Frits naar boven. Wat was dat nu? Een groot kasteel, dat in de lucht hing? O neen, nu zag hij ’t beter: het kasteel stond heel boven op een donkeren, hoogen berg. ”’t Kasteel met den dikken boom en den diepen put!” riep het dwergje. Frits hield zijn hoofd heelemaal achterover, om goed te kunnen zien. Maar juist schoot zijn veulen weer met eene vaart vooruit; ’t scheelde niet veel, of hij was van den schok over den kop van ’t veulen gevlogen.

“Let op!” waarschuwde de fakkel een eind verder. Nog een kasteel. “Van den markies van Carabas!” riep Appelsteeltje.—Voort, altijd verder. Weer een hooge berg, maar geen donkere: een, die glinsterde in den maneschijn, een berg, die heelemaal wit was! “Daarachter ligt Luilekkerland,” vertelde Appelsteeltje. “Hè, Luilekkerland,” zei Frits, “Luilekkerland achter den rijstebrijberg!” Want hij had grooten lust, dat heerlijke land eens te zien. “Maar kom,” dacht hij, “dit ritje is toch ook al heerlijk, en wie weet, wat ik straks op ’t bal allemaal nog te zien krijg!”

Wat begon Frits naar dat feest te verlangen, wat was hij nieuwsgierig, wie en wat hij er zien zou, en met wie hij zou dansen! Gelukkig, nu kon ’t niet lang meer duren. Want kijk, daar zag hij in de verte eene breede, donkere streep, dat was zeker ’t bosch! En ja, toen ze nader kwamen, zwaaide voor ’t laatst Appelsteeltje zijne fakkel en riep hij vroolijk: “We zijn er!” Toen hinnikten de veulens, de dwergjes gooiden hunne mutsjes in de lucht van pret, en Frits klapte in de handen en riep maar niets dan “hoezee,” tot hij er schor van was.

Vooraan in ’t bosch was het donker; maar door de boomen heen schemerdelicht, en hoe verder je in ’t bosch kwam, hoe lichter het werd. “Nu de oogen dicht!” riep Appelsteeltje op eens, “en niet weer open, voor ik je waarschuw, hoor!” Frits dadelijk de oogen stijf dichtgeknepen en toen .... Toen voelde hij, dat zijn veulen stilstond en hij hoorde de dwergjes fluisteren met elkaar. Hoe, wist hij niet, maar hij werd vlug van ’t veulen getild en voorzichtig op den grond neergezet. Een klein handje pakte zijne rechterhand, een ander handje zijne linkerhand en beide handjes trokken hem zachtjes mee, mee, mee—totdat ze hem eindelijk loslieten en eene bekende stem riep: “Open! en welkom in de balzaal!”

Toen Frits de oogen opendeed—ja, ’t ging hem weer net als straks: hij wist eerst niet recht, wat hij zag. Hij wist alleen: ’t was iets heel heerlijks en heel moois. Hij was nog in ’t bosch, op eene groote, open plek in ’t bosch; maar waren dat wel boomen, die er omheen stonden? Ja, hij zag de stammen, de takken, de bladeren. Maar alles, wat er aan was, schitterde en glinsterde als goud en zilver en kristal en edele steenen. Lampen waren er niet; maar dat was ook niet noodig. Elk blad van de boomen leek zelf wel een lampje en ’t was, of er honderden lichtjes straalden uit stammen en takken.—De grond of neen—ik moest liever zeggen: de vloer van de balzaal was bestrooid met goudbruine, gladde dennenaalden en daar schenen weer zandkorreltjes doorheen, die schitterden als kleine diamantjes.—Tusschen de boomen lag een dik tapijt van heerlijk zacht mos, en op dat kleed lagen overal verspreid fluweelige mossen kussens, waar je op kon uitrusten, als je moe was van ’t dansen. En dan die mooie dansmuziek! Waar kwam die toch vandaan? Frits keerde zich om en ja, daar zaten ze, de muzikantjes, ieder op een grooten, bontgekleurden paddestoel. Allemaal kaboutermannetjes, hoor! en die bliezen en fiedelden er zoo lustig op los, die speelden dan toch wel zulke prettige, vroolijke wijsjes, dat de voeten er vanzelf op begonnen te dansen, of ze wilden of niet. Frits kon ook haast niet stil blijven staan, zoo’n lust kreeg hij, om mee door de balzaal te zwieren met al de paartjes, die al aan ’t dansen waren.

Nu, lang behoefde hij gelukkig niet rond te zien naar een danseresje; want daar kwam Appelsteeltje al aan met eene heele rij, waar hij uitkiezen mocht. En verbeeld je nu, hoe grappig: Fritskendeal die lieve danseresjes, en toch—had hij ze nog nooit gezien! Hij kon ze allen op de rij af wel noemen, en toch—had niemand hem de namen gezegd! Dat aardige meisje met haar verlegen gezichtje en den zilveren appel in de hand moest Tweeoogje zijn. Die met de mooie lange krullen was zeker Liesje, je weet wel, die naar de dwergen over de zeven bergen ging, om haar kipje te zoeken. En daar had je wezenlijk ook Lena—Frits kende haar dadelijk aan den tooverketting, dien ze om den hals droeg.—Naast Lena stond—nu, dat was al heel gemakkelijk te raden. Een rood kapje had ze op ’t hoofd, een mandje aan den arm!

Dan was er ook nog een meisje met een snoeperig kindje aan de hand, een klein, vlug dingetje met goudblonde krulletjes. “Ja, ja,” zei het grootere meisje, “Goudkindje wil ook meedansen in haar nachtponnetje en met één bloot beentje!” Maar wat was dat? .... Bij elk woord, dat het meisje sprak, viel er eene bloem of eene parel uit haren mond! “Die ken ik ook, die ken ik ook!” riep Frits vroolijk. “Mooi, mooi,” zei Appelsteeltje, “maar nu moet je ook kiezen.”

Frits keek de rij nog eens langs: kiezen was moeilijk, hoor! De danseresjes leken Frits allemaal zoo aardig toe, van Tweeoogje af tot Goudkindje toe. “Nu?” vroeg Appelsteeltje. “Of, wacht eens!” Weg was Appelsteeltje; maar een oogenblik later kwam hij er ook al weer aan. Een meisje hield hij bij de hand. “Wil je misschien deze liever?” lachte het dwergje. Frits behoefde niet lang te raden, wie daar vóór hem stond. Verwarde haren, vuile handen, de jurk scheef aan, de kousen afgezakt.... “Neen, neen, neen!” riep Frits, “die niet, dat is Pietje Smeerpoes!” Het slordige vuile kind kroop van schaamte dadelijk weer achter een’ boom, en Frits pakte nu maar gauw Roodkapje bij de hand en trok haar mee tusschen al de dansende paren.—Toen aan het dansen—neen, dat had je moeten zien! Er was wezenlijk geene fee noodig, om het Frits te leeren: zijne voeten gingen als vanzelf op de maat van de dwergenmuziek. Hij gleed en draaide en zwierde met zijn danseresje in ’t rond, dat de dennenaalden opvlogen en Roodkapjes lange vlechten door de lucht fladderden. O, hij zou wel altijd door hebben willen dansen, ’t ging zoo heerlijk! Maar Roodkapje werd moe. Kom, dan zouden ze maar wat uitrustentusschen de boomen. Hè ja, dat vond Frits niet minder prettig: uitrusten op zachte mossen kussens, babbelen met aardig Roodkapje, luisteren naar de vroolijke muziek en vooral ook—kijken naar al de prettige drukte om hem heen.

Nu kon hij ook beter zien, wie er al zoo op ’t bal waren. Wel, wel, wat een gasten! En wat een oude bekenden uit de vertellingen! Dwergjes waren er zooveel, je kon ze haast niet tellen. Die huppelden en sprongen tusschen de dansers door, dat het eene klucht was om te zien. Ze buitelden over hun hoofd, gooiden hunne mutsjes in de lucht en maakten allen aan ’t lachen met hunne dwaze grappen.—Daar dansten er twaalf in een’ kring om Appelsteeltje heen. “Hoe leuk!” riep Frits, “daar heb je wezenlijk de Twaalf Maanden!”—Een eind verder draafde een kaboutermannetje achter Liesje met de lange krullen aan. “Pas op je krullen, Liesje!” riep hij plagend. ’t Meisje schaterde van lachen, omdat het dwergje van over de zeven bergen haar op zijne korte beentjes toch niet inhalen kon.

Wat was ’t eene pret overal! Alles liep en sprong en danste en stoeide er door elkaar heen. Verbeeld je: de domme reus wou er dansen met een dwergje. Hij moest zichzelf haast in tweeën vouwen, om bij het kaboutertje te komen, en eens gooide hij het mannetje als een kaatsbal in de hoogte en ving het in zijne groote handen weer op.—Peter huppelde er alleen in ’t rond met zijne gouden gans in den arm.—Slimme Hans was er ook; die danste natuurlijk met zijn Grietje; maar hoeveel keer hij haar wel bij ongeluk op de teenen trapte, weet ik niet.

En wat was dat toch wel voor een rolronden jongen: die kon zich maar even omdraaien van dikte! Wacht eens, nu was hij vlak bij. “Smulhans!” riep Frits, en hij klapte van plezier in handen. Maar met wie danste het levende tonnetje toch? Met niemand anders dan de toovervrouw! Onder het dansen stopte ze ’t gulzige ventje aanhoudend lekkernijen in den mond, en dan grinnikte ze van pret.

Op eens hoorde Frits door de dansmuziek heen het wijsje van:

“Ach, mijn lieve Augustijn, Augustijn, Augustijn,Ach, mijn lieve Augustijn, alles is weg!”

“Ach, mijn lieve Augustijn, Augustijn, Augustijn,Ach, mijn lieve Augustijn, alles is weg!”

“Ach, mijn lieve Augustijn, Augustijn, Augustijn,

Ach, mijn lieve Augustijn, alles is weg!”

En ja, daar kwamen ze aanzwieren: de varkenshoeder in zijn oud, vuil pak met zijn klingelenden pot aan den arm en—de mooie, domme prinsesin een prachtig balkleed. De prinses trok wel een beetje een vies gezicht en hield den varkenshoeder zoover mogelijk van zich af; maar ze danste toch met hem, om vooral dicht bij den klingelenden pot te blijven.

Neen maar, nu werd het nog mooier: daar had je zoo waar ook de Gelaarsde Kat, de achterpooten in hooge kaplaarzen, den linkervoorpoot netjes om een snoeperig spierwit poesje geslagen. Dat was het Witte Katje.—Met sierlijke, kleine pasjes draaiden de twee in ’t rond. En bij elken zwaai kriebelden hunne opgeheven staarten een paar dwergjes in den neus, die vlak achter hen dansten. Ze konden wel aan ’t proesten blijven, de kaboutertjes.

Wie kwam daar nu weer aanstappen, heel langzaam en deftig, een grooten bril op den grooten neus en den grooten neus in een groot boek met allerlei wonderlijke krullen en figuren er in. “De booze Toovenaar,” fluisterde Roodkapje. Wat studeerde hij druk in zijn tooverboek! Nergens keek hij naar uit of om. Daar kwam het dan ook van, dat hij telkens tegen iemand aan liep. O hé, nu al weer tegen een dwergje. Het kaboutertje rolt over den grond; maar vlug als de wind springt het weer op en trekt den toovenaar bij zijn langen, spitsen neus. De toovenaar wou den kleinen ondeugd nog grijpen, maar ja wel—die stond hem al lang weer aan ’t andere eind van de zaal uit te lachen.—Nu vond de toovenaar het toch maar beter, een rustiger plekje te zoeken, om te studeeren. Daarom ging hij ook op een van de mossen kussens tusschen de boomen zitten met het tooverboek op de knieën en de handen onder ’t hoofd. Een poosje zat hij—daar kwam Goudkindje aandribbelen en lei haar mollig handje op het tooverboek. “Toovenaar,” zei ze met een vleiend stemmetje, “waarom zit je hier zoo alleen? Heb je geen plezier? Toe, dans eens met me!” De toovenaar keek eerst met een heel boos gezicht op; maar toen hij het lieve Goudkindje zag, moest hij toch lachen. En wezenlijk: hij stond op, legde zijn boek zoolang onder het kussen en—begon met Goudkindje in ’t rond te dansen.

Frits had den heelen tijd, bij ’t kijken naar al die kluchtige paren, eene pret gehad van belang; maar nu hij daar den ouden, boozen toovenaar met zijn spitsen neus en zijn grooten bril zag rondspringen met Goudkindje in haar nachthemdje en één bloot beentje, nu lachte hij, dat de tranen hem over de wangen rolden.—

En pas was hij weer tot bedaren gekomen, of daar barstte hij op eens weer in lachen uit. En Frits lachte niet alleen: allen lachten mee, dat ze schaterden. Verbeeld je, wat er gebeurd was. Sapperdemallemosterd was ook nog op het bal gekomen met zijne kameraden Hazenoor, Blaaskaak, Pijluitdenboog, van Sterkenrug en Mikgoed. Eerst liepen ze gearmd in eene lange rij. Maar dat bleef niet zoo; want ieder wou graag voor de gasten op het bal zijne kunsten vertoonen. Pijluitdenboog schoot in eens vooruit en begon tusschen de boomen door om de balzaal heen te rennen—neen, zulk loopen had Frits in zijn leven niet gezien. ’t Ging zoo gauw, dat het je groen en geel voor de oogen werd: in drie tellen heelemaal om de groote balzaal heen.—Hazenoor ging met zijn oor tegen den grond liggen en luisterde een poosje. Toen riep hij: “Ik hoor wat, dat jullie niet hoort. Ik hoor de gebraden duiven in Luilekkerland door de lucht vliegen.”—Mikgoed schoot de toovervrouw een suikererwtje tusschen de vingers weg, dat ze Smulhans juist in den mond wou stoppen.—Blaaskaak maakte zijne wangen heel dik en blies op eens alle dansers omver.—Maar wat van Sterkenrug deed, dat was nog ’t aardigst van al. Eerst riep hij al de dwergjes, die op ’t bal waren, bij zich. Toen ging hij een beetje voorover gebogen staan. En toen—moesten al de kaboutertjes op zijn breeden rug klimmen. Langs en over elkaar heen klauterden ze naar boven. ’t Werd een hooge toren van kleine mannetjes, allergrappigst om te zien.—Maar er was niet alleen wat aardigs te zien op ’t bal, ook wat moois: er waren niet alleen dwergen en reuzen en toovenaars, er waren ook—feeën. Daar had je de rupsenfee met haar prachtig fijn vlinderkleed en de korenfee met het lange, golvende goudgele haar en de fee van den onwilligen Willem en de fee van den houthakker en nog veel meer. En lief, dat ze allemaal leken, die feeën in haar sierlijk, luchtig kleedje, bezaaid met bloemen en gouden en zilveren sterretjes, dat kun je heel niet gelooven! En mooi, dat ze dansten! De fijne, teere voetjes raakten haast den grond niet, zoo licht en vlug gingen ze er overheen. Frits keek er met open mond naar.—Maar midden onder ’t kijken kwam Appelsteeltje weer op hem af. “Kom aan, jongeheer, nu weer een dansje,” riep hij, “je wordt niet alle dag op een bal in ’t bosch gevraagd!”

Ja, ’t was ook zoo: hij moest nu maar eens weer aan ’t dansen. Wacht,daar stond de lieve Tweeoogje. Frits er heen, en een oogenblik later zwierde het paartje al lustig de zaal rond.—Toen gedanst met Lena. Maar Lena had niet veel plezier: ze keek telkens angstig rond, of de toovenaar, die haar den ketting gegeven had, ook in de buurt was.—Liesje kreeg natuurlijk ook eene beurt. Die was zoo vroolijk, die danste zoo vlug, dat Frits haast niet mee kon komen. Op eens kwamen ze bijna te vallen over—ja, dat zul je nooit raden. Bijna kwamen ze te vallen over twee heel kleine dansende paartjes. Het eene paartje was Heer Halm tot Halm, de Weidekoning, met het snoeperige Grasprinsesje in een kleedje geweven van fijne grasjes en veldbloempjes. Het tweede paartje was—Pinkje met Madelieva, de vrouw van den Weidekoning, in een kleedje van bloemblaadjes. Wat waren die vier kleintjes aardig om te zien, en wat speet het Frits, dat hij ze bijna omvergedanst had! Maar Lena gunde hem geen’ tijd lang stil te staan: ze trok hem al gauw weer mee, om verder te dansen.

Daar op eens klom er een dwergje in een’ boom, en dat begon me te blazen op een gouden hoorn, dat het boven alles uit klonk. En zie—dadelijk hield de dansmuziek op; allen, die liepen of dansten, die sprongen of stoeiden stonden plotseling stil, allen die lachten en praatten zwegen in eens. Eéne alleen bewoog zich en dat was eene lieve fee in een lang, slepend kleed van zilveren draden geweven en met een zilveren tooverstokje in de hand. Zacht en vlug ging ze langs de kanten van de zaal. Telkens bukte ze zich en raakte even met haar tooverstokje den grond aan. En overal, waar het stokje de aarde raakte, rees er uit den grond een tafeltje op, bedekt met een sneeuwwit kleed en beladen met bloemen en vruchten en wijn en taarten en alles, wat maar lekker was. In een oogenblik stonden er in ’t rond, ’k weet niet hoeveel, van die tafeltjes-dek-je klaar.—Nu ging de fee weer rond en bij elk tafeltje tikte ze even tegen een’ poot. En ja wel, daar waren ook in eens om de tafels stoelen getooverd, met bloemen en groen versierd.

Toen alles klaar was, blies de dwerg weer op zijn gouden hoorn, en nu mochten allen zich weer bewegen. Ieder zocht zich een mooi plaatsje aan een van de tafeltjes uit, en toen begon het smullen. Frits deed er ook dapper mee: nog nooit in zijn leven had hij zulk lekkers geproefd. Nog nooit ook had hij zooveel pret gehad! Allen waren even vroolijk, en vooralde dwergjes maakten weer ieder aan ’t lachen met hunne dwaze grappen.—Er was er maar één, die geen tijd had, om pret te maken, die het veel te druk had met eten. Dat was natuurlijk de dikke Smulhans. Die grabbelde maar alles naar zich toe, wat hij krijgen kon. Hap, hap, hap ging zijn breede mond, en de bolle wangen werden nog eens zoo bol en rood als gewoonlijk.—

Toen al de lekkernijen zoowat opgesmuld waren, stond Appelsteeltje op, klauterde boven op eene tafel en begon met zijne armpjes in de lucht te zwaaien. Die dichtbij waren, riepen: “Sst, sst! Appelsteeltje wil wat zeggen!” Toen werd het heel stil, en ieder luisterde naar wat het kaboutertje te zeggen had. Nu nam Appelsteeltje een glas vol wijn van de tafel, hield het omhoog en zei: “Ik drink op de gezondheid vanmijn, ik meen vanonsvriendje Frits! Hij leev’, hij leev’, ons Fritsje leve lang!”—Allen dronken en klonken mee. En toen—hoe het kwam, wist hij niet—maar op eens stond Frits midden in de balzaal, en om hem heen dansten in een grooten kring alle feeën en toovenaars, alle reuzen en dwergjes, alle prinsen en prinsessen, alle jongens en meisjes—allegasten van ’t bal. En allemaal zongen ze: “Hij leev’, hij leev’, ons Fritsje leve lang!” O, wat was ’t mooi!

Daar: tetteretet, tetteretet! klonk de gouden hoorn. En—als door een’ tooverslag was alles verdwenen: de prachtige balzaal, het schitterende licht, de gasten, alles! Frits zat weer op zijn veulen, en vóór en achter hem draafden de zes andere veulens. Elk veulen droeg weer twee dwergjes op zijn’ rug en elk dwergje droeg weer eene fakkel. En voort ging het weer, hop, hop—in vliegende vaart door bosschen, over velden en wegen, langs kasteelen en bergen.—Appelsteeltje zwaaide weer met zijne fakkel; maar Frits was nu te moe en te slaperig, om veel rond te kijken. Sjok, sjok! schudde hij heen en weer, voor- en achterover op zijn veulen. Op ’t laatst kon hij de oogen haast niet meer open houden. Nog een poosje en—ze vielen toe. Frits sliep.

Toen hij wakker werd, waren dwergjes en veulens verdwenen en—onze Frits lag goed en wel in zijn eigen bed! Maar lang bleef hij niet meer liggen, hoor! In een’ wip was hij er uit,in een’ wip aangekleed, in een’ wip bij Ooms kamer, aan Ooms bed, om gauw te vertellen, hoe heerlijk het middeltje geholpen, hoe’n kostelijken droom hij gedroomd had.—

Één ding alleen heeft Frits zijn leven lang gespeten: dat hij Appelsteeltje nooit heeft kunnen bedanken voor al het plezier in dien heerlijken nacht.

Er was eens een man, die net als de man in de vertelling van de zeven veulens drie zonen had. Maar deze man was niet arm: hij was juist heel rijk. Ja, hijwasrijk, maar hijwerdarm. Op een’ nacht kwamen er dieven in zijn huis, en die stalen hem al zijn geld af.—De man klaagde en jammerde, en hij deed alles, wat hij kon, om de dieven te vinden en zijn geld terug te krijgen. Maar de dieven waren gevlogen, en het geld was gevlogen, en de man begon eindelijk te begrijpen, dat hij zich maar schikken moest in zijn lot.

Zooals je weet: de man had drie zonen. Op de twee oudste was de vader heel trotsch: dat waren jongens naar zijn hart. Bijna nooit waren ze ondeugend of ongehoorzaam, en leeren was hun lust en hun leven. ’t Waren heele bolleboozen van knapheid. Met den jongsten zoon, met Tom, zooals hij heette, was het anders. “Wat er van dien jongen nog worden moet,” zuchtte de vader menigmaal, “ik weet het niet! Leeren, daar moet je bij hem niet mee aankomen. Bij de boeken is hij nooit te vinden, wel in den stal of buiten in ’t bosch of op ’t veld. Jagen en visschen, rijden en zwemmen, dat kan hij als de beste. Grappen, die weet hij wel te bedenken; ieder kan hij aan ’t lachen maken, en allerlei kattekwaad uitvoeren, daar is hij een baas in. Maar met al die dingen kom je niet ver in de wereld. Wie weet, wat verdriet we nog aan dat heertje beleven!”

Nu, diezelfde Tom, waar de vader niets goeds van verwachtte, ging op een’ dag vlak voor zijn’ vader staan en zei: “Vader, ik ga er op uit, om de dieven te zoeken en het geld, dat ze ons afgenomen hebben. Vinden zal ik ze, al zaten ze ook ’k weet niet waar verborgen. En ’t geld brengik mee terug, zoo waar ik Tom heet.”—De vader barstte in lachen uit. “Ja, jij zult wat en jij kunt wat! Als een van je knappe broers me nu zoo iets vertellen kwam, dan zou ik nog denken: daar kan iets van terecht komen. Maar jij!”—“—Vader,” zei Tom, “ik vind ze, laat mij maar begaan.”—“Nu,” zei de vader, “ga je gang. Thuis voer je toch niet veel goeds uit.”

En Tom ging zijn’ gang.

Tom reisde vele dagen lang. Vinden deed hij wel niets; maar den moed opgeven, daar dacht hij toch niet aan.—Eens dat hij weer een heelen dag vergeefs had rondgezworven, kwam hij aan een leelijk, oud huis, dat heel alleen stond, een eindje van een eenzamen weg, dichtbij een bosch. ’t Was al avond. Tom was doodmoe en koud en nat; want er woei een gure wind, en ’t regende zonder ophouden. “Ik moet maar zien, dat ik hier vannacht onder dak kom,” dacht Tom. Eene bel was er nergens te zien: hij bonsde dus tegen de deur net zoo lang, totdat ze openging.

Een oud, leelijk vrouwtje met een boos gezicht stond vóór hem. “Wat moet je?” vroeg ze heel onvriendelijk.—“Wat anders dan mijn avondeten en een bed om in te slapen!” zei Tom. “Dat kun je hier niet krijgen,” bromde het vrouwtje, ”’k Zou wel eens willen weten, waarom niet,” hield Tom vol. “Nu, als je ’t dan volstrekt weten wilt,” was ’t antwoord, ”’t is, omdat hier zes mannen wonen, die meest pas tegen drie, vier uur in den nacht thuis komen. En als die je vinden, dan kom je hier niet levend vandaan.”—“Dat is een leelijk ding,” zei Tom, “maar den heelen nacht onder den blooten hemel te slapen bij dit weer, is ook geen pretje. Kom, vrouwtje, laat me maar binnen, ik ben niet bang.”—Met was hij ook al in de gang en sloot de voordeur achter zich. Het vrouwtje bromde nog wel zoo iets van “zelf maar weten”, maar Tom kreeg zijn avondeten en zijn bed, en dat was ’t voornaamste.

Een poosje later lag hij onder de warme dekens: de regen kletterde tegen de glazen, en de wind huilde in den schoorsteen; maar dat kon Tom nu niet meer schelen. Hij sliep al gauw in en droomde, dat hij met leege handen thuis kwam en braaf door zijn’ vader en zijne broers uitgelachen werd.

Op eens werd hij midden in den nacht wakker van allerlei geluiden inde kamer naast hem. “Aha!” dacht hij, “daar zijn de zes mannen, die mij niet levend hier vandaan zouden laten. Raar volkje, dat altijd midden in den nacht pas thuiskomt—als dat geen dieven zijn, dan weet ik het niet! Eerlijke menschen hebben ’s nachts op straat niets te maken.”

Tom ging overeind in bed zitten en begon te luisteren naar wat de mannen praatten. Eerst verstond hij geen woord: hunne stemmen klonken zoo verward door elkaar, ’t leek wel, of ze allemaal tegelijk spraken.—Dat duurde zoo eene poos, toen werd het wat stiller en begon Tom langzamerhand te begrijpen, waar de mannen het eigenlijk over hadden. Ze praatten druk over wat ze dien nacht hadden uitgevoerd. ’t Waren wel degelijk dieven, dat merkte Tom al gauw: hij hoorde van inbreken en van gauw wegloopen en van zilveren lepels en vorken en van geld.

“Dat was eene mooie vangst vannacht,” zei er een. “Ja,” zei een ander, “maar toch nog op geen stukken na zoo mooi als die van laatst. Jongens, als ik daar nog aan denk, hoe netjes we dien rijken mijnheer al zijn geld hebben afgestolen, zonder dat hij er iets van gemerkt heeft!”—“Honderdduizend gulden!” lachte een derde. “Wat zullen ze op hun’ neus gekeken hebben, hij en zijne drie zoons. De jongste, dat moet zoo’n doeniet zijn. Maar ’t luie leventje van dat heertje zal nu ook wel uit zijn, nu zijn vader niet rijk meer is!”

Tot op dat oogenblik had Tom zich doodstil gehouden: den adem hield hij in, om toch geen woord te verliezen van alles wat er gezegd werd. Maar nu sprong hij uit het bed, en ’t had niet veel gescheeld, of hij was de kamer binnen geloopen, waar de dieven zich vroolijk maakten over hem en zijn’ vader. Want hij wist het nu zeker: dit waren de mannen, die zijn’ vader arm gemaakt hadden. Honderdduizend gulden, drie zoons, de jongste een doeniet—het kon niet anders wezen. Wacht, hij zou .... Ja, wat zou hij eigenlijk, dacht hij op eens, en midden in de kamer stond hij stil, maakte toen weer rechtsomkeert en kroop weer in ’t bed. “Tom, jongen, wees niet dom,” zei hij tegen zichzelf, “je weet nog niet eens, waar ze ’t geld gelaten hebben, en al wist je ’t: wat kun je dan nog beginnen tegen zes mannen!—Beter eerst nog eens verder luisteren, misschien kom je nog wel meer te weten.”

Tom legde weer ’t oor tegen den muur en luisterde. “Zeg eens, is datgeld wel goed geborgen?” vroeg er een. “Dat ’s ook eene vraag,” riep een ander, ”’t Is immers in dezelfde kist gebleven, waar we ’t in gevonden hebben, en ben je dan blind, dat je die niet in den kelder hebt zien staan, recht voor je uit, als je de trap af komt?”—“Nu, ’t is goed, ik vroeg ’t maar zoo,” zei de eerste weer. “Ziezoo,” dacht Tom, “nu weet ik vooreerst genoeg. Nu moet ik slim wezen. Mijn’ zin wil ik hebben; maar hoe krijg ik dien?”—Nog eene heele poos lag hij te denken, te denken, tot hij eindelijk in slaap viel.


Back to IndexNext