Het betooverde Horloge.Er was eens een meisje, dat nooit- wist, hoe laat het was.—O, dan had ze zeker niet geleerd op de klok te kijken, denk je. Of—ze was te dom of te onoplettend, om het te leeren. Ja, misschien meen je wel, dat er in haar huis geene klokken waren. Of—nog mooier—dat ze geen’ mond had, om te vragen, als ze geene klok zag, om er op te kijken. Gekheid, hoor! Hilda, zoo heette het meisje, kon best op de klok zien. En klokken? Die waren er genoeg in haar huis: in de kamers, in de keuken, in de gang, overal! En een mond, om te vragen? Neen, maar, nu moet ik lachen!Luister eens: weet je, hoe het kwam, dat Hilda nooit van uur of tijd wist, dat ze dus ook altijd en overal te laat was? Och, ze keek eenvoudig nooit op de klok, en vroeg nooit naar den tijd, omdat—het haar niets schelen kon, hoe laat het was. Ze deed alles—niet wanneer het tijd was, maar wanneer zij er lust in had. Ze stond haast altijd te laat op. Ze treuzelde bij ’t aankleeden. Ze kwam te laat aan ’t ontbijt, te laat aan de koffie, te laat aan tafel, te laat in bed. Ze kwam te laat op school, ja zelfs te laat op de visite.—En nooit dacht ze: “O, is het al zoo laat, dan zal ik wat voortmaken: daar doe ik Vader of de juffrouw of mijnevriendinnetjes plezier mee.” Ze vond het veel gemakkelijker niet aan anderen te denken.Jammer, jammer, dat Hilda geene moeder meer had. Eene moeder zou haar dat leelijke gebrek wel afgeleerd hebben. Maar de vader kon niet altijd bij Hilda zijn. Die was heel dikwijls voor zaken van huis, en als hij thuis was, moest hij meest op zijne studeerkamer zitten werken. Zoo had hij geen’ tijd, om veel op zijn kind te letten, geen’ tijd, om haar telkens te zeggen, hoe onaardig en—dom ze deed.Ja, dom was het ook. Haar eten en drinken werd meestal koud.—Waar had ze bleeke wangen van? Wel, van ’t late opstaan en ’t late naar bed gaan.—Waarom moest de juffrouw zoo dikwijls op haar knorren en haar straffen? Alweer, omdat ze telkens te laat was!—Op de visite lachten de vriendinnetjes haar uit en noemden haar “Juffertje Te Laat.”—En als ze groote menschen op zich wachten liet, zeiden ze allemaal: “Foei, wat een onbeleefd kind! ’t Is te hopen, dat ze die leelijke gewoonte nog afleert, eer ze groot is.”Ja, ’t was te hopen; maar—het gebeurde niet. Hilda werd wel grooter, maar ze bleef “Juffertje Te Laat!” Toen ze al geen jongejuffrouw meer heette, maar eene jonge dame, stoorde ze zich nog net zoo min aan de klok.Hilda’s vader was rijk: hij hield paard en rijtuig. Hilda ging dus bijna elken dag uit rijden. Nu, dat was een verdriet voor den koetsier en voor de paarden ook. Want och, wat moesten die altijd lang voor de deur op ons juffertje wachten, zelfs bij slecht weer!Als iemand haar nu gezegd had: “Hilda, denk toch aan dien armen koetsier en die stumpers van paarden,” ja, dan zou ze zich uit medelijden misschien wel wat gehaast hebben. Maar—er was niemand, die wel eens zoo met Hilda praatte en uit zichzelf dacht ze aan zulke dingen nooit.Had ze afgesproken eene vriendin af te halen, om mee te wandelen, dan kon die geregeld wel een uur en langer naar Hilda uitkijken. Eindelijk kwam ze er doodbedaard aanstappen. Ze vroeg er niet naar, of hare vriendin ook ongeduldig geworden was; ze zei niet, dat het haar speet zoo laat te zijn. Daar was ze te onnadenkend voor. Ze kwam, als ze lust had, en daarmee uit.Ze kwam ook niet opzettelijk te laat, om een ander verdriet te doen. Och neen! Maar als ze zich bijvoorbeeld kleeden moest om uit te gaan, dan treuzelde ze ’k weet niet hoe lang om, zonder aan tijd te denken. Dan snuffelde ze naar hartelust in kasten en laden en doosjes, waar ze eigenlijk niets in te maken had. Dan paste ze de eene japon voor, de andere na, eer ze er eene koos, om aan te doen. Dan stond ze tijden lang voor den spiegel te plooien en te schikken aan hare kleeren. En als ze dan eindelijk hare kamer uit was, kwam ze nog wel twee-, driemaal terug, om iets te halen, dat ze vergeten had.Soms zei ze wel eens: “Ik ben wat laat, maar och, dat is zeker zoo erg niet. ’k Heb ook zoo’n slecht geheugen, ’k vergeet altijd op de klok te kijken.”Een mooi praatje voor eene jonge dame! Nu, de menschen vonden het wèl erg, en van die vergeetachtigheid geloofden ze geen zier, dat kun je wel begrijpen.Ziezoo, nu weet je, hoe Hilda was en ga ik je eens vertellen, wat er met Juffertje Te Laat gebeurde.Hilda was genoemd naar.... schrik niet.... naar eene fee! Ja, eene fee was hare peettante. Nu, die fee dan hield heel veel van haar petekind. Jullie moogt Hilda niet graag lijden, en dat kan ik me best begrijpen; want veel goeds heb ik nog niet van haar verteld. Maar de fee kende Hilda beter, dan jullie haar kent. Die wist, dat Hilda een lief meisje zou zijn, als ze dat ééne groote gebrek maar niet had. “Ik wou toch,” dacht de fee dikwijls, “dat ik Hilda kon leeren begrijpen, hoeveel verdriet en last ze een ander doet en—hoeveel verdriet ze er zelf nog van zal krijgen, als ze zoo voortgaat.”De fee zou er nog niet zooveel om gegeven hebben, als Hilda bijvoorbeeld wat slordig geweest was of praatziek of wat anders, dat onaardig was. Maar dat op ’t laatst iedereen haar petekind “Juffertje Te Laat” noemde, kijk, dat vond ze heel, heel erg. Dat kwam, omdat ze zelf nooit anders dan precies op tijd was, nooit eene minuut te vroeg of te laat. “Twaalf uur,” zei ze dikwijls, “dat is niet vijf minuten vóór twaalf, niet vijf minuten na twaalf. Twaalf uur is twaalf uur.” Nooit liet ze dan ook iemand wachten; maar ze kon evenmin verdragen, dat iemand haarwachten liet.—Daarom noemden de menschen haar voor de aardigheid “Mevrouw Op Tijd.”En nu zal ik je eens vertellen, wat de fee eindelijk deed, toen ze vond, dat het toch wel wat al te erg met Hilda werd.—Op een goeien dag kreeg Hilda een briefje, en daar stond niets anders in dan: “Lieve Hilda! Morgen kom ik bij je eten. Dag, kind.“Je je liefhebbende peettante.”De volgende dag kwam, en ’t werd twaalf uur, dat was in dien tijd voor de meeste menschen het uur van ’t middageten, ’t Werd twaalf uur—en bij den eersten slag stond ook al ’t rijtuig van de fee “Op Tijd” voor Hilda’s deur. Bij den twaalfden slag stapte ze de eetkamer binnen. De fee keek eens rond. En wat zag ze? Wel eene netjes gedekte tafel—daar had de knecht voor gezorgd—maar geene Hilda, om hare peettante op te wachten en te verwelkomen!“Wel zeker! net iets voor Juffertje Te Laat,” bromde de fee. ”’t Zal me toch eens benieuwen, wanneer het haar belieft te komen.” En verdrietig ging ze in een grooten armstoel zitten.Waar was nu Hilda! Verbeeld je: onze jonge dame was niet eens thuis, en ze wist toch, dat de fee komen zou!—Dien morgen, al om een uur of tien, was het Hilda te binnen geschoten, dat ze hare vriendin Nelly wel eens kon gaan opzoeken. Ze had haar al zoo lang beloofd eens een uurtje te komen praten.Gauw had ze zich gekleed en was de deur uitgewipt.—Nelly wist niet wat ze zag, toen ze Hilda al zoo vroeg in den morgen voor zich zag staan.“Heerlijk, dat je komt,” riep ze vroolijk,“nu kun je me meteen helpen uitzoeken. Pas op, val niet over al die doozen. Allemaal hoeden en mantels, om uit te kiezen. Kun je een poosje blijven? Dan maken we samen de doozen open.”Zeker kon Hilda blijven. Wat was er nu prettiger dan voor den spiegel staan en aardige hoedjes en mooie mantels passen!—Het duurde geene tien minuten, of vloer, tafels en stoelen lagen vol open doozen en deksels, vol hoeden en mantels.Alles moest bekeken en betast worden. Hilda moest Nelly bewonderenen Nelly, Hilda. En dat de mondjes bij dat alles niet stilstonden, is te denken. ’k Behoef je dan ook zeker niet te vertellen, dat Hilda uur en tijd bij ’t mooie spelletje vergat. ’t Werd elf uur, ’t werd twaalf uur, maar waaraan Hilda ook dacht, zeker niet meer aan hare peettante, die zou komen eten.—’t Werd half één, kwart voor één, en nog waren de meisjes bezig, alsof er niets beters op de wereld te doen viel.Eindelijk tegen één uur kwam de meid binnen, om Nelly te roepen: ’t was etenstijd.—“O wee, al één uur!” riep Hilda, “en wij eten om twaalf en...—’t is waar ook: mijne peettante zou komen eten.”—Toen gauw, gauw afscheid genomen en vlug naar huis. Maar die mooie winkels onderweg, dat was een last. Daar moest je toch nog wel even voor stilstaan. Te laat was het toch—wat kwam het er eigenlijk ook opaan, of nog ’t een kwartiertje later werd!—Eindelijk belde Hilda aan. De knecht, die openmaakte, vertelde, dat Hilda’s peettante er al lang was.De goede fee was van ’t lange, vervelende wachten op ’t laatst in slaap gevallen. Ze had ook al dien tijd alleen gezeten; want Hilda’s vader was dien dag juist voor zaken uit de stad.—Daar op eens ging de deur open en Hilda trippelde haastig naar binnen.“Dag, mijne lieve, beste peettante,” riep ze, “o, ik durf U haast niet aanzien, zoo schaam ik me, dat ik U zoo lang heb laten wachten. Wat zult U toch wel van me gedacht hebben!”—Nu, de fee was te goedhartig om dadelijk te zeggen, wat ze wel gedacht had. Ze zei alleen: “Nu, als ’t je maar spijt, kindlief, dan is ’t ook goed.—Maar zeg eens: hoe laat is ’t eigenlijk, ik heb een poosje geslapen.”De fee wist natuurlijk heel goed, dat het al half twee was; maar ze wou eens hooren, wat Hilda antwoorden zou. “O, lieve peettante, vraag me daar niet naar; ik durf niet naar de klok kijken,” zei ze.—“Meisje, meisje,” dacht de fee, ”’t is nog erger met je, dan ik meende. Je wilt je oude peettante nog wat wijsmaken ook. Goed, dat ik gekomen ben.”Dat het middagmaal alles behalve lekker was, behoef ik je zeker niet te vertellen. Maar de fee hield zich goed en deed, alsof ze er niet veel om gaf. Vroolijk praatte ze met Hilda over allerlei dingen, en zoo liep alles veel prettiger af, dan Juffertje Te Laat wel gedacht had.Na ’t eten ging de fee eerst een middagdutje doen en Hilda bladerde wat in een boek. En toen kwam er nog een prettig praatuurtje. De tijd vloog om: ’t was al bijna vijf uur, eer Hilda er om dacht.Daar op eens hoorden ze harde stappen in de gang. De kamerdeur vliegt open en—Hilda’s vader komt haastig binnen. Nog met den deurknop in de hand roept hij: “Dag, kind! Hier ben ik terug van de reis. Klaar, om mee te gaan?”Maar daar ziet hij me, dat Hilda nog in haar daagsch japonnetje languit in een gemakkelijken stoel ligt. Van verbazing kan hij zijne oogen haast niet gelooven. “Maar heb ik nu van mijn leven,” riep hij, “heb je dan mijn briefje van morgen niet ontvangen?”—“Uw briefje, beste Papa?” zei Hilda met een onschuldig gezicht. “Zeker heb ik dat gekregen. Maar U ziet immers wel, dat mijne peettante er is!”—Neen, dat had Hilda’s vader in zijn haast nog niet eens gezien. Heel beleefd boog hij nu voor de fee en zei: “Ik hoop maar niet, dat U ’t me erg kwalijk neemt, dat ik U niet dadelijk zag. Ik ben ook zoo boos op dat kind! Ik zal er nog grijze haren van krijgen, zoo’n verdriet heb ik van haar.”“Maar wat heeft ze toch eigenlijk voor kwaads gedaan?” vroeg de fee.—“Ik zal ’t U vertellen, en dan moet U zelf eens zeggen, hoe U zoo iets vindt. U moet weten: prins Pandolf, die op een prachtig buiten een uurtje van hier woont, heeft ons van avond op een feest genoodigd. Eene groote eer, dat begrijpt U. Maar dat nog niet alleen. Ik moet den prins noodzakelijk spreken. In eene heel gewichtige zaak zou ik graag zijn’ raad hooren en nog liever zijne hulp vragen. Maar de prins heeft het verbazend druk: hoeveel moeite ik er ook voor gedaan heb, ik heb hem nog niet te spreken kunnen krijgen.—U kunt denken, hoe blij ik daarom was met de uitnoodiging voor van avond. Eindelijk, eindelijk, dacht ik, zal het dan toch eens wezen, zeker kan ik nu wel een poosje alleen zijn met den prins. Dadelijk schrijf ik aan Hilda, dat ze zorgen moet, precies om vijf uur klaar te zijn. Dan zou het rijtuig van den prins voor de deur zijn, om ons af te halen. Ik kom en denk natuurlijk, dat Hilda al kant en klaar op me zit te wachten en—zóó vind ik haar. Wat moet ik toch beginnen: ’t rijtuig kan ieder oogenblik vóór zijn, en we kunnen den prins toch niet laten wachten. Als die boos op mij wordt, weet ik geen’ raad.”“Maar kunt U niet zonder mij gaan, Papa?” vroeg nu Hilda heel bedaard, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.“Wat?” riep de vader, rood van boosheid, “alleen gaan? Nu wordt het nog mooier. Je weet toch, dat de prins je graag eens wil hooren zingen. Om je mooie stem zijn we eigenlijk alleen gevraagd. En nu zou je niet meegaan! Als ik zonder je kom, is de prins natuurlijk boos en durf ik.....” Op eens hield Hilda’s vader op. Bleek van schrik riep hij:“O, o, daar komt het rijtuig al aan. Nu is het te laat!”Toen Hilda zag, hoe bedroefd en verlegen haar vader was, kreeg ze toch erg berouw over hare zorgeloosheid. Schreiende viel ze hare peettante om den hals en knikte: “Och, lieve peettante, help mij toch! Ik kan niet meer klaar komen en ’t spijt me toch zoo vreeselijk, dat ik Papa dit groote verdriet heb aangedaan. Och, help mij!”—De fee was eerst ook heel verdrietig op Hilda geweest, toen ze alles wist. Maar nu ze zag, hoe’n spijt Hilda had, kreeg ze medelijden. “Nu, kindje,” zei ze troostend, “wees maar bedaard, we zullen zien. Kom eerst eens hier, wat is je japonnetje gekreukeld.”—Hilda kwam. Toen streek de fee heel even maar met de hand van boven naar beneden over Hilda’s japon. En zie—daar is het eenvoudige kleedje in eens omgetooverd in een keurig wit zijden balkleed, en Hilda’s voetjes steken in fijne goudleeren schoentjes!—De vader sprong van zijn’ stoel op en wist zich geen’ raad van vreugde. En Hilda’s tranen, of die ook gauw opgedroogd waren! En Hilda’s verdriet en berouw? O, daar dacht ze al niet meer aan. ’t Was nu immers alles nog in orde gekomen: ze kon nog met haar vader naar ’t feest gaan en—toen ze even in den spiegel keek, vond ze zichzelf zoo mooi, zoo mooi! Die lieve, beste fee! ’t Scheelde niet veel, of Hilda was met hare oude peettante een dansje door de kamer gaan doen. Maar de vader nam Hilda gauw bij de hand: ze moesten nu dadelijk weg. “Och,” riep nu de fee, “laat haar nog even blijven, de knecht is nog niet komen waarschuwen, dat het rijtuig vóór is. Het voornaamste zou ik bijna vergeten.”Meteen haalde ze uit haar zak een aardig doosje, en uit dat doosje kwam te voorschijn—een snoeperig klein, keurig bewerkt gouden horloge aan een fijnen gouden ketting! “Mij dunkt, lieve kind,” zei de fee lachende,terwijl ze den ketting om Hilda’s hals hing, “een beter present kan ik je wel niet geven. ’k Hoop, dat dit dingetje, zoo klein als het is, toch wijzer zal wezen dan zeker iemand en haar leeren zal beter op haar tijd te passen. En maak nu maar gauw, dat je in ’t rijtuig komt. Veel plezier, kind!”—En voordat Hilda tijd had te bedanken, schoof de fee haar de deur uit.Een oogenblik later zat Hilda in de zachte kussens van het prachtige rijtuig en kon op haar gemak het mooie horloge bekijken, dat ze gekregen had. Of ze er heel blij mee was? Om de waarheid te zeggen: ’k geloof, dat ze veel liever een’ armband of zoo iets zou gehad hebben. Van haar vader had ze vroeger ook al eens een horloge gekregen. Maar denk je, dat ze het droeg? Och neen, dat was haar veel te lastig: ze dacht liever aan geen uur of tijd, dat was immers ook veel gemakkelijker. Maar—dithorloge was veel, veel mooier en kostbaarder. Hier kon ze mee pronken, ieder zou haar er om benijden. En ze behoefde er immers niet vaker op te kijken, dan ze wou. Ja, ze was toch eigenlijk wel heel blij met haar cadeau.—Dat het horloge niet alleen een prachtig en kostbaar, maar ook een heel bijzonder horloge was, een horloge, dat heel wonderlijke dingen kon doen, daarvan wist Hilda nog niets. En dat was maar goed ook.—De paarden hadden zoo flink geloopen, dat het rijtuig al na een half uurtje voor het buiten van den prins stilhield. De prins ontving Hilda en haar vader heel vriendelijk. Hij was blij, dat ze gekomen waren, én hij hoopte toch, dat Hilda hem het plezier zou doen, dien avond eens te zingen. Hij had al zooveel van hare mooie stem gehoord! “Dat is een goed begin,” dacht Hilda’s vader, en hij wreef zich de handen van plezier over de vriendelijkheid van den prins.In de zalen van het mooie huis waren al heel wat gasten bij elkaar. Het duurde dan ook niet lang meer of allen werden door een deftigen bediende uitgenoodigd, om naar de eetzaal te gaan. Daar stond alles klaar voor een heerlijken maaltijd. Toen de maaltijd afgeloopen was, verspreidden zich de gasten naar alle kanten. Het avondfeest zou eerst om negen uur beginnen—tot zoolang mocht ieder gaan waar en doen, wat hij wilde.“Kom, Vadertje,” zei Hilda, en ze nam vroolijk haar vader in den arm.“Zullen we ook naar den tuin gaan, net als de anderen? ’t Zal daar zoo heerlijk zijn!”—“Maar zal Mejuffrouw Hilda in den helderen maneschijn onder de groene boomen ’t klokje van negen niet vergeten?” fluisterde er op eens iemand aan haar oor. ’t Was de prins, die bij haar gekomen was, zonder dat ze ’t merkte. “Denk er aan, dat U me voor ’t begin van mijn feest een mooi lied beloofd hebt!”Hilda kreeg eene kleur van verlegenheid. Zou de prins er ook al van gehoord hebben, dat ze zoo dikwijls haar tijd vergat: dat was toch heel vervelend.—“Zeker, zeker, prins,” zei ze daarom maar gauw, “U kunt vast op mij rekenen.”Zulke mooie tuinen als de prins toch had, daar kon je wel je oogen aan uitkijken. Je zag er de prachtigste boomen, de zeldzaamste bloemen. Tusschen ’t fluweelige gras en langs de keurige paden stroomden aardige beekjes. En die beekjes kwamen weer uit in groote vijvers met statige boomen er om heen.Bij een van die vijvers gingen Hilda en haar vader zitten, want overal stonden aardige banken, van boomstammen gemaakt. Wat was het daar kostelijk! De bloemen geurden en ’t water ruischte, de maan scheen helder over ’t water, en de lucht was zoo zacht!—Langzaam aan kwamen er nog meer van de gasten op dat mooie, stille plekje, tot eindelijk alle banken vol waren en sommigen zelfs een plaatsje zochten op het zachte gras.—Eene heele poos deden ze maar niets anders dan kijken en luisteren naar al het mooie om hen heen. Maar toen stond een van de gasten op en zei, dat hij een vers gemaakt had op de maan en den vijver, de boomen en de bloemen en nog veel meer, en of hij dat eens opzeggen zou. ’t Was een heel mooi vers; maar lang, lang—er kwam geen eind aan. Hilda zat er met open mond naar te luisteren—aan uur of tijd dacht ze niet en nog veel minder aan de afspraak met den prins.——Daar op eens, toen ’t vers juist op zijn allermooist was, klonk er heel duidelijk door de stilte van den avond: “Tik, tik, tik, tik!”—“Wat is dat?” riep de man met het vers. “Tik, tik, tik, tik!”—“Wat is dat?” riepen allen. Hilda was verschrikt opgesprongen.Zijbehoefde niets te vragen,zijhad dadelijk wel begrepen, wie daar met zijn helder stemmetjetik, tik gezegd had. “Dank je wel voor de boodschap, kleintje,” zei ze zacht. En ze streek liefkoozend met hare hand over het horloge van de fee, dat precies negen uur aanwees. Toen riep zoo vroolijk: “Komt mee, dames en heeren, ’t is tijd voor het avondfeest!” Vlug liep ze vooruit, en alle gasten volgden haar.Nu kwamen allen samen in eene andere, prachtig versierde zaal. Daar ontving de prins zijne gasten weer. Toen ging hij naar Hilda, boog lachende voor haar en—zei: “Dat noem ik eerst op zijn’ tijd passen!”Nu moest Hilda zingen. Eerst beefde ze wel wat, toen ze daar zoo alleen voor al die menschen stond. Maar al gauw ging het beter, en toen klonk hare lieve stem zoo mooi en helder door de zaal, dat het een lust was. Toen ’t lied uit was, kwam er aan ’t handengeklap geen einde. Maar wie nog ’t hardst van allen klapte, dat was de prins, die zoo dol veel van zingen hield.—En weer moest Hilda zingen en nog eens en nog eens. En toen drukte de prins haar en haren vader de hand en zei, dat hij in langen tijd niet zoo in zijn’ schik geweest was. En als er iets was, waar hij Hilda plezier mee kon doen , dan moest ze het maar zeggen. Neen, voor zichzelf wist ze niets, maar haar vader wou den prins zoo graag eens spreken over eene gewichtige zaak. Als de prins later eens een half uurtje tijd had, dan.... “O, als ’t anders niet is,” riep de prins lachende, “graag, hoor! En wel dadelijk ook!”—Zoo ging Hilda’s vader dan met den prins naar eene andere kamer, waar ze rustig konden praten.’t Gesprek duurde heel lang. Maar toen was alles ook in orde: dat zag Hilda dadelijk, toen haar vader, gearmd met den prins, weer binnenkwam. Hij lachte over zijn heele gezicht en knikte Hilda dankbaar toe. “Verbeeld je,” dacht Hilda, “als ik nu eens niet op tijd in de zaal geweest was, om voor den prins te zingen. Dan zou dit heerlijke niet gebeurd zijn. Dat lieve horloge!”—’t Was al laat in den nacht, toen Hilda van ’t feest naar huis reed.“Kind,” zei haar vader, “wat heb je me van avond een plezier gedaan. Nu zal mijn meisje morgen aan den dag ook dien mooien gouden armband van me hebben, waar ze me al zoo dikwijls om gevleid heeft!” Hilda klapte in de handen van plezier. “Heerlijk, heerlijk!” riep ze.“En gaanwe hem dan samen koopen morgen?”—“Zeker, zeker, kind! zorg dan, dat je precies om 10 uur klaar bent, want je weet, ik heb het druk!”—Natuurlijk zou Hilda klaar zijn. Tien uur, dat kwam ook best uit, dan kon ze nog juist terug zijn, om de naaister te spreken, die tegen elf uur bij haar zou komen.Den volgenden morgen, om kwart voor tienen zoowat werd Hilda wakker. Maar ze was nog moe en slaperig van ’t feest en had niet den minsten lust om op te staan. Veel liever lag ze nog een uurtje te droomen van al het heerlijke, dat ze gisteren avond gezien en gehoord had. Hè, wat was het toch mooi op dat feest: die prachtige zalen en gangen... al dat licht ... al die bloemen... al die aardige menschen! En dan... die tuinen ... maneschijn... dat mooie vers... Hoe begon dat nog maar weer?...“Tik, tik, tik, tik!” Wat was dat? Hilda zat op eens recht overeind in haar bed en keek verschrikt rond. “Tik, tik, tik, tik!”....Toen liet ze zich op eens weer lachende in de kussens vallen en riep: “O, ’k weet het al, wie me daar roept, net als gisteren avond. Tik, tik, tik.... Ja wel, ’k begrijp het: ’t is tien uur, en eigenlijk moest ik nu al met Papa op weg zijn, om den armband te koopen. Tik, tik, tik, tik... Dank je voor de waarschuwing, mijn trouw horloge, maar ’t is nu toch al te laat, ’k blijf er nog vijf minuten in!”En Hilda vlijde haar hoofd weer op ’t kussen. Maar—daar klonk het veel harder: “tik, tik, tik, tik!”—“Kleine levenmaakster!” riep nu Hilda, “kun je me niet met rust laten!”“Tik, tik, tik, tik, tik!”—“Nu als het dan niet anders kan, zal ik je den zin wel geven. Daar ben ik al!” En meteen sprong ze, half boos, half lachende het bed uit. Dadelijk hield het horloge zich stil.—Veel vlugger dan gewoonlijk kleedde ze zich aan, en ’t was nog maar even half elf, toen ze kant en klaar aan haar vaders arm de deur uitstapte. Dat was nu wel een half uur te laat; maar de vader was het vroeger nog wel heel anders van Hilda gewoon, en daarom zei hij er maar niet veel van. Gelukkig ook woonde de goudsmid dichtbij, daar waren ze gauw genoeg. Maar het duurde heel wat langer, eer Hilda klaar was met het kiezen van een’ armband. Wat een armbanden moest de goudsmid voor haar uitstallen! Wat een gezoek en gepas en gevraag.Daar—midden in het drukke gesprek met den goudsmid—wees de klok in den winkel elf uur aan. En op ’t zelfde oogenblik, daar had je ’t weer: “Tik, tik, tik, tik!”—“Wat blieft u, Juffrouw?” vroeg de goudsmid. “O, niets,” zei Hilda, ”’t is mijn horloge maar.—En hoeveel kost die armband, zei U?”—“Tik, tik, tik, tik!”.... klonk het weer. “Ja, ja, weet ’k er alles van,” bromde Hilda ongeduldig in zichzelf, ”’t is elf uur, en de naaister wacht me. Nu, laat ze maar een poosje wachten, ik kan niet dadelijk weg.” Toen weer tegen den goudsmid: “Dat is toch wel wat duur. Zou....”Maar tik, tik, tik, tik! waarschuwde het horloge. “Neen maar, dat gezeur is niet om uit te staan,” riep Hilda nu. “Zóó laat ik niet den baas over me spelen, hoor! Hier Papa, steek U dat vervelende horloge maar in Uw’ zak. Misschien houdt het zich dan stil.” Maar ja wel! Tik, tik, tik, tik ... ging het nog harder in den vestjeszak, en toen Hilda’s vader even op de stoep van den winkel ging staan, om een’ vriend te groeten, die juist voorbij ging, riep het horloge uit de verte toch nog met eene zware stem: “tak, tak, tak, tak!”Dat was nu toch wel wat heel erg. De menschen op straat bleven staan om te luisteren, waar toch dat geluid vandaan kwam. Ieder gluurde in den winkel, en Hilda schaamde zich de oogen uit het hoofd. Ze kon nu wel niet anders doen, dan heengaan en ’t horloge zijn’ zin geven. Daarom deed ze nu maar haastig eene keuze en stapte den winkel uit. Dadelijk werd het horloge zoo stil als eene muis.—Dat Hilda alles behalve in haar schik was, kun je wel begrijpen. Maar toen ze thuis kwam en de naaister haar allerlei mooie stoffen en nieuwe patronen liet zien voor eene japon, werd ze weer heelemaal vroolijk. Nu was het praten, zoeken, kiezen, overleggen geen gebrek. Ik weet niet, hoe lang dat wel geduurd zou hebben, als Hilda niet toevallig naar haar horloge gekeken had, dat op een tafeltje lag. Maar dat gebeurde—’t wees juist even vóór twaalven. “O, heden,” dacht Hilda, “al zoo laat! ’k Heb Papa beloofd, precies om twaalf uur aan tafel te zijn. Maar hoe zou dat nu kunnen, ik ben nog lang niet klaar. Weet je wat: ik breng ’t horloge weg, anders begint me dat zoo meteen weer te vertellen, dat ik op mijn’ tijd moet passen, en ’k heb nu eens geen’ zin, gestoord te worden!”—Zenam dus het horloge van de tafel, ging er mee naar eene kamer er naast en stopte het weg achter in eene la van eene kast.Maar—pas was ze terug en juist zou het gesprek over de japon opnieuw beginnen, toen de naaister op eens verschrikt omkeek. “Tok, tok, tok, tok!” klonk het door de kamer, ’t Was net een geluid, alsof er vlak bij gehamerd werd. “Hé, wat is dat toch, Juffrouw?” riep de naaister. “O, niets,” zei Hilda, maar ze kreeg eene kleur. “Hebben we deze stalen al gezien?”“Tok, tok, tok, tok....”—“Maar Juffrouw,” riep de naaister angstig, “zou u niet eens gaan kijken, wat dat toch is?”—“Och kom,” zei Hilda bedaard, maar hare vingers beefden, ”’t is heusch niets. Wil U me die plaat nog eens aangeven?””Tok, tok, tok, tok....” Het horloge—je hebt natuurlijk evengoed als Hilda al lang begrepen, dat het geluid nergens anders vandaan kwam—het horloge hield maar vol. En hoe drukker Hilda door praatte, hoe harder het sloeg en hamerde in de la, waar het weggestopt was. ’t Werd zóó erg op ’t laatst, dat Hilda wel niet anders doen kon, dan de naaister laten gaan.Verdrietig, dat ze was! “Lastig, naar horloge,” pruttelde ze, “hoe kon ik er toch eerst zoo blij mee zijn. Ik heb er rust noch duur van en kan heelemaal niet meer doen met mijn’ tijd, wat ik wil.” Maar al pruttelende ging ze toch naar beneden, en dadelijk ook hield het leven in de kast op. ’t Horloge was tevreden.De vader, die vroeger altijd uitentreuren op Hilda moest zitten wachten, keek heel vriendelijk, nu ze tien minuten over twaalf al aan tafel kwam. “Wel, meisje,” riep hij: “zoo mooi op tijd! Dat is lief van je: ’k heb erge haast vandaag.” Hilda kreeg weer eene kleur: ze wist wel, dat ze ’t prijsje eigenlijk niet verdiend had. Maar ze dacht ook: “Als ik Papa er zoo’n groot plezier mee doe, wil ik toch later uit mezelf beter op den tijd letten.” Van de geschiedenis met het horloge vertelde ze niets, je zult wel begrijpen, waarom.—Terwijl Hilda en haar vader nog aan tafel zaten, kwam de knecht binnen, om te zeggen, dat Valentijn er was, en of hij de juffrouw wel even spreken kon. Valentijn, moet je weten, was een arme, oude man. Bedelen deed hijniet; maar Hilda wist, hoe arm hij was en had hem dikwijls wat gegeven. Daarom kwam hij, als hij weer erg verlegen was, nog wel eens bij haar aankloppen.—Maar nu kon ze toch moeilijk van tafel opstaan: dat zag haar vader niet graag. “Laat hij straks om twee uur maar terugkomen,” zei ze daarom tegen den knecht.Toen ’t maal afgeloopen was, ging Hilda naar hare kamer, om een beetje te lezen. Want ze was pas een nieuw boek begonnen, dat ze prachtig vond. Dadelijk vlijde ons juffertje zich neer in een gemakkelijk laag stoeltje met de voetjes op een zacht voetkussen, en het duurde geene vijf minuten, of ze was heelemaal verdiept in haar boek. Ze las en las maar voort: de eene bladzijde na de andere, het eene hoofdstuk na het andere, totdat ze aan ’t mooiste gedeelte van ’t verhaal gekomen was. Toen liet ze het boek even in haar schoot vallen en leunde met haar hoofdje achterover tegen den stoel. “Hè, wat is lezen toch heerlijk,” dacht ze, ”’k zou wel al door kunnen gaan. En, nu krijg ik ’t mooiste nog. ’k Hoop maar niet, dat iemand me storen komt. Zou ’t al laat zijn? Laat eens kijken: kwart vóór twee. O wee, dan komt zoo meteen Valentijn! En als die eenmaal aan ’t praten is, is er nog zoo gauw geen eind aan. Neen, dien kan ik nu niet hebben—’k wil mijn boek uitlezen.” Gauw schelde ze het kamermeisje en zei: “Roosje, als Valentijn komt, zeg hem dan, dat ik vandaag niet voor hem te spreken ben. Morgen, hoor!”Juist wou Hilda nu weer beginnen te lezen, toen haar op eens iets te binnen schoot, ”’t Helpt me ook wat, dat ik die boodschap geef,” riep ze, “dat vervelende horloge van mij weet natuurlijk weer precies, wat ik Valentijn beloofd heb. Wacht, ik breng het weg, voordat het weer met zijne kuren begint. Maar waarheen?—O, ’k weet het al!” En vlug wipte ze de deur uit, de trap af, eene gang over, nog eene trap af en zóó in eenen door, tot ze—in den kelder was. Daar stopte ze het horloge in een donkeren hoek en wip—weg was ze weer. Een paar minuten later lag Hilda weer rustig achterover mét haar boek in de hand. “Ziezoo,” dacht ze, “roep me nu maar, ik hoor je toch niet.”Met klokslag twee stond Valentijn weer op de stoep en schelde aan. Wat was de arme man teleurgesteld, toen hij van de knecht hoorde, dat de juffrouw niet voor hem te spreken was. “Och, och,” zuchtte hij, “watspijt me dat!” Juist wilde hij treurig de stoep weer afgaan, toen het heele huis op eens dreunde van harde slagen. “Paf, paf, paf, paf!” ... ’t was, of er geweren afgeschoten werden.Alles in huis liep verschikt door elkaar en de buren kwamen toegeloopen, om te hooren, wat er toch te doen was. “Paf, paf, paf, paf...” in de kasten rammelde alles dooreen, de schilderijen en de spiegels dansten aan den muur.Roosje liep, bleek van angst, naar hare meesteres. “Hoort U ’t wel, Juffrouw?” riep ze. Nu, òf Hilda ’t gehoord had: ze was ook van schrik opgesprongen en had haar boek op den grond laten vallen.”Paf, paf, paf, paf ....!” ’t Geluid werd nog harder. Een mooi beeldje op de schrijftafel viel en brak. “O, Juffrouw, wat zou het toch zijn,” schreide Roosje met de handen voor ’t gezicht.—Hilda gaf geen antwoord, maar ze wist nu wel, waar ’t geluid vandaan kwam. ’t Was haar horloge, haar vreeselijk horloge, dat haar zelfs uit den kelder toeriep: “Denk aan den tijd, denk aan Valentijn!”“Goed, goed, ik ga al,” zei Hilda, zonder dat ze ’t wist, hardop. En pas had Hilda den eersten voet verzet, om naar beneden te gaan, of—de slagen hielden op.En nu meen je misschien, dat Hilda alles behalve vriendelijk was tegen Valentijn. Mis, hoor! Toen ze den armen man zag met zijne magere, bleeke wangen en de tranen nog in de oogen, voelde ze alleen groot medelijden en erge spijt, dat ze den stumper aan de deur weg had laten sturen. Om het weer goed te maken, luisterde ze vriendelijk naar zijn lang verhaal, liet hem eten geven en oude kleeren van haar vader, en zelf gaf ze hem nog geld, dat hij vooreerst geen gebrek meer behoefde te lijden.’k Behoef je zeker niet te vertellen, hoe dankbaar de arme man was en—hoe’n prettig, tevreden gevoel Hilda had, toen Valentijn weg was. Boos op het horloge was ze in ’t geheel niet meer: ja, ze schaamde zich zelfs, dat ze haar goeden vriend zoo weggestopt had. Ze haalde het horloge daarom maar gauw weer uit zijn donker hoekje in den kelder en nam het mee naar hare kamer. “Ziezoo,” dacht ze, “nu ga ik met veel meer plezier dan straks mijn boek uitlezen.”Een paar dagen later was Hilda gevraagd op een groot bal. Nu, dezen keer paste ze wel op, dat ze vroeg genoeg begon met zich aan te kleeden.Toen ’t rijtuig voor de deur was, stond “Juffertje Te Laat” wonder boven wonder kant en klaar en kon zóó maar instappen.Maar—juist op ’t oogenblik, dat Hilda de deur zou uitgaan—wie komt me daar de stoep op? Eene oude boerenvrouw! En die loopt op Hilda toe en stoort zich niet aan het mooie balkleedje, maar valt haar om den hals en kust haar op beide wangen.Wie was dat dan toch wel!—Ik zal ’t je vertellen. Die boerenvrouw had vroeger op Hilda gepast, toen ze nog een klein kindje en later een klein meisje was. Je weet immers, dat Hilda geene moeder meer had. Hare moeder was gestorven, toen Hilda nog maar een paar maanden oud was. En toen had die eenvoudige boerenvrouw voor de kleine Hilda gezorgd en haar vertroeteld, alsof ze haar eigen kind was.—Later was de boerenvrouw teruggegaan naar haar dorpje. Maar vergeten kon ze Hilda niet: daarvoor had ze haar te lief gekregen. Gedurig kwam ze “haar kind,” zooals ze Hilda noemde, eens opzoeken. Dat was dan altijd een heerlijke dag voor de goede vrouw. Dezen keer nu was het lang geleden, dat ze Hilda niet gezien had, wel een heel jaar. Ze was lang ziek geweest, en sinds dien tijd kon ze niet best meer loopen. En dan—’t was ook eene heele reis van haar dorpje naar de stad, waar Hilda woonde. Maar ze was op ’t laatst zoo naar haar “kind” gaan verlangen, dat ze ’t niet langer kon uithouden. En daar was ze nu!—Maar och, wat trof ze het slecht. Hilda zou juist in ’trijtuigstappen, om naar ’t bal te gaan, den heelen avond zou ze wegblijven en—den volgenden morgen vroeg moest de goede vrouw al weer vertrekken. Ze schreide haast van teleurstelling en klaagde: “Och, och, wat spijt me dat! En ’t zal wel voor de laatste maal zijn, dat ik mijn kind zie. Ik ben al oud en zwak: lang zal ik niet meer leven. En dat je nu op dezen éénen avond juist uit moet, waar ik me zóó op verheugd had!”Je begrijpt: ’t was voor Hilda een moeilijk geval. Ze hield wezenlijk veel van haar oud pleegmoedertje en was heel blij, dat ze haar na zoo’n langen tijd eens weer zag. Ja, ze was niet eens verdrietig, dat de boerenvrouw haar balkleedje wat verkreukeld had—en dat wil wat zeggen voor een dametje als Hilda. Maar wat zou ze doen. Ze kon toch moeilijk van ’t bal thuis blijven.... En ze had toch ook weer zoo te doen met het arme oudje, dat alleen voor haar de reis gedaan had.“Hoor eens,” zei ze vriendelijk, “ik weet wat! Ik zal maar een paar dansen meedoen, en dan kom ik vroeg terug, om nog een gezellig uurtje met je te praten. Is dat dan goed, Moedertje?” Ja, ja, dat was heerlijk. Het vrouwtje was nu al weer tevreden. Toen gaf Hilda haar een’ kus op de rimpelige wangen en wipte in ’t rijtuig. Flip, flap, ging de zweep, en voort draafden de paarden.—Toen Hilda hare pleegmoeder beloofde vroeg weer te komen, meende ze dat ook werkelijk. Maar nu ze in ’t rijtuig zat, begon ze zich hoe langer hoe meer te verheugen over het heerlijke bal. En—ze begon het jammer te vinden, dat ze daar zoo weinig van zou genieten. Een paar dansen maar en—ze was zoo dol op dansen. Haar keurig balkleedje en den prachtigen nieuwen armband had ze toch ook niet aangedaan, om zoo gauw al weer naar huis te gaan!—Ze zou vroeg thuiskomen: nu ja, twaalf uur, dat was vroeg genoeg. Een bal was toch ook geene gewone visite! Ja, tot twaalf uur zou ze ten minste blijven ..... Maar op eens schoot haar iets met schrik te binnen. Het horloge was er ook nog. En als ’t horloge nu eens vond, dat ze hare belofte niet hield. Als het haar eens vóór twaalf aan die belofte wou herinneren. Als het eens leven ging maken op het bal, midden tusschen al die voorname heeren en dames, dat zou verschrikkelijk zijn! Dat mocht niet! Wacht, ze zou het horloge weggooien op eene eenzame plek, dan kon ze rustig op het bal blijven. Ze keek uit het raampje, en nu zag ze, dat het rijtuig juist vlak langs den muur van de stad reed. “Juist goed,” dacht ze. Heel voorzichtig schoof ze het raampje een eind omhoog, dat haar vader, die in een hoekje van het rijtuig zat te dommelen, het niet hoorde, stak de hand naar buiten en—daar lag het horloge aan den anderen kant van den muur in eene droge sloot.—“Hè, dat is gebeurd,” dacht Hilda tevreden, “nu ben ik er voor goed af.”Op het bal was het prachtig! En pas had Hilda den voet in de danszaal gezet, of ze werd ook al ten dans gevraagd. En na dien eersten dans danste ze weer en nog eens weer. Ieder vond haar lief en mooi, ieder noemde haar de koningin van ’t bal. Wat klopte Hilda’s hartje van plezier! In ’t begin, ja, toen was ze wel een beetje ongerust geweest; want telkens meende ze zulke vreemde, doffe geluiden in de lucht tehooren. Zou haar lastige vriend, het horloge, daar ginds in de sloot misschien zóó liggen te zuchten, dat ze ’t hier hooren kon?’t Was vervelend, dat rare geluid. Soms was het net, alsof Hilda het boven de muziek uit hoorde, en dan kwam zo bij het dansen heelemaal uit de maat. Maar hoe langer ze danste, hoe meer ze het horloge en ook—hoe meer ze hare oude pleegmoeder vergat, die thuis met verlangen op haar zat te wachten. En op ’t laatst dacht ze nergens anders meer aan dan aan haar eigen plezier. Ze zwierde maar in ’t rond, lachte, praatte.....Maar hemel, wat was dat! “Boem, boem, boem, boem!” klonk het door de zaal. Alles dreunde en kraakte, ’t Was, of er vlak bij kanonnen werden afgeschoten. De muzikanten hielden dadelijk op met spelen, en alle gasten liepen angstig door elkaar.En het bleef niet bij een paar slagen: ’t ging maar zonder ophouden: boem, boem, boem, al harder en harder. De menschen in de stad hoorden het ook. Vreeselijk verschrikt sprongen ze hun bed uit en liepen naar vensters en deuren, om te zien, wat er toch te doen was.—En Hilda? Zij was natuurlijk de eenige, die alles wel begreep.Tochhet horloge! ’t Was, of het zeggen wou: “Stop me maar weg, zoover je wilt: ik laat je niet met rust, jezultme hooren!”Ja, ze begreep alles, de arme Hilda, en ze was er zoo door in de war, dat ze niet wist, wat ze deed. Ze sloeg de handen voor ’t gezicht en begon te schreien. Toen op eens vloog ze midden door de gasten heen, die haar verwonderd nakeken, de zaal uit, de gangen door, de deur uit en zoo blootshoofds in haar balkleedje, met balschoentjes aan de voeten, de straat op.Als ze nu maar dadelijk om haar rijtuig gevraagd had en bedaard naar huis was gereden, dan zou het horloge op ’t zelfde oogenblik stil gehouden hebben. Maar daar dacht ze niet aan in hare groote verlegenheid. Ze vloog maar al verder en verder door de eenzame straten, altijd maar den kant uit, waar ’t geluid vandaan kwam. De voeten deden haar zeer in de dunne schoentjes, de koude nachtwind blies haar om ’t hoofd en door haar luchtig balkleedje. De menschen voor de vensters en de deuren keken haar verbaasd na en vroegen elkaar af, wie toch die dame in balcostuum wel wezen kon. Maar Hilda lette nergens op: ze liep maar voort, altijd voort.En onderwijl dreunde het door de lucht: boem, boem, boem! De grond schudde er van.Eindelijk, eindelijk, daar was ze bij een van de poorten van de stad, dicht bij de plek, waar het horloge in de sloot lag. De poort was al gesloten: eerst na lang vragen haalde de poortwachter de sleutels en maakte de poort open. Nu dadelijk in de droge sloot. Wel scheurde Hilda haar dunne kleedje aan een’ struik, wel gleed ze telkens uit; maar wat kon haar dat alles schelen, als ze ’t horloge maar had!—En ja, daar zag ze het glinsteren in ’t maanlicht, daar had ze het in de hand! Nog altijd sloeg het met geweldige slagen: hooren en zien verging er Hilda bij.“O, wat ben je toch een afschuwelijk ding,” riep ze bevende van boosheid, “ik wil je niet langer hebben, ik zal je stuk slaan, ik zal.....”En ze hief de hand op, om het horloge tegen den muur te gooien—toen ze op eens eene zware hand voelde, die haar arm omlaag drukte.Verschrikt keerde Hilda zich om, en wie stond daar vóór haar?.... Niemand anders dan—de fee!Dadelijk hielden de zware slagen van het horloge op.En vriendelijk, maar heel ernstig hoorde Hilda de fee zeggen: “Maar kindlief, wat ga je nu doen! Is dat goed, is dat verstandig? Moet het horloge gestraft worden, omdat het je helpen wil, een beter meisje te worden, omdat het je leeren wil op den tijd te letten?—En meen je nu heusch, dat het je iets zou gegeven hebben, als je ’t horloge tegen den muur hadt gegooid? Dan heb je het heelemaal mis! Ik ben niet voor niets eene fee: ik heb dit horloge opzettelijk betooverd. Nooit kan het stuk gaan, wat je er ook mee doet. En verbergen helpt ook niet, dat heb je nu al genoeg gezien. Al bracht je het ook naar ’t andere eindje van de wereld, toch zou het zijne stem laten hooren over landen en zeeën heen. ’t Zou toch nooit ophouden je te waarschuwen op tijd te doen, wat je doen moet!”Toen nam de fee het horloge en hing het weer om Hilda’s hals. Hilda’s oogen stonden vol tranen, en beschaamd boog ze het hoofd. Maar de fee hief haar hoofdje weer op, keek haar vol liefde in de oogen en zei: “Kindlief, denk toch nooit: ’t horloge is mijn vijand, het wil me plagen, storen, verdriet doen. Geloof je oude peettante: ’t horloge is een vriend,die het o zoo goed met je meent. Vraag dien vriend gedurig om raad, je weet niet, hoeveel dankbare, blijde gezichten je dan om je heen zult zien en hoe ’n prettig, tevreden gevoel je zelf altijd zult hebben!—Zeg eens eerlijk: keek ooit iemand je vriendelijk aan, als je hem wachten liet? Was niet ieder dan boos of verdrietig op je? Vond je het heusch prettig, dat je overal ‘Juffertje Te Laat’ heette? ’k Geloof er niets van!—Neen, hoor eens: kijk jij maar gedurig eens naar den wijsvinger van je kleinen vriend en luister naar zijn stemmetje. Zorg, dat het stemmetje nooit weer eene stem behoeft te worden. Dan maak je jezelf en anderen gelukkig.—Dag, lieveling!”Toen kuste de fee Hilda op ’t voorhoofd en.....Hilda wreef zich de oogen uit, omdat ze niet gelooven kon, wat ze nu zag. Als door een’ tooverslag stond ze niet meer in haar gescheurd balkleedje buiten den stadsmuur bij de droge sloot, maar—ze zat in haar gemakkelijk huisjaponnetje in hare eigen gezellige kamer aan de tafel. En tegenover haar zat hare oude pleegmoeder met een dankbaar, tevreden gezicht en stak haar de hand toe.—Hoe gelukkig Hilda was na al den angst, dien ze had doorgestaan, behoef ik je zeker niet te zeggen. Ze kon nu wel schreien van vreugde.De fee—was verdwenen, en nooit heeft Hilda haar weergezien.—En hoe ging het nu verder, vraag je natuurlijk.... Van dien tijd werd Hilda een heel ander meisje, tot groote vreugde van haren vader en van ieder, die haar liefhad. En wie haar daarbij hielp, kun je wel raden. Dag en nacht had Hilda nu het horloge vlak bij zich. Heel, heel dikwijls raadpleegde ze haren vriend en luisterde hoe langer hoe meer naar het fijne stemmetje, dat maar steeds zei van: “Tik, tik, tik, tik! Denk aan den tijd, den tijd, den tijd!”—Ja, eene enkele maal moest het nog wel roepen: “Tik, tik, tik!”Maar nooit meer: “Tak, tak, tak!” En nog veel minder: “Tok, tok, tok!” of “Boem, boem, boem!”Dat was alleen in den tijd van “Juffertje Te Laat”. En die bestond nu niet meer.De Visscher en zijne Vrouw.Er was eens een visscher, en die woonde met zijne vrouw in een heel armoedig hutje. Het hutje stond vlak bij een’ mesthoop, niet ver van de zee. De visscher ging alle dagen naar de zee, en hij vischte en hij vischte.Zoo zat hij ook eens bij zijn’ hengel, en hij tuurde in het heldere water: en hij tuurde en tuurde.Daar ging de hengel naar beneden, diep naar beneden, en toen hij hem ophaalde, hing er een groote bot aan. Toen zei de bot: “Och, visscher, ik bid je, laat mij leven, ik ben geen rechte bot, ik ben een betooverde prins. Wat helpt het je, dat je mij dood maakt, ik zou je toch niet recht smaken: doe mij weer in ’t water en laat mij zwemmen.”—“Nu,” zei de visscher, “je behoeft niet zooveel woorden te gebruiken: een’ bot, die praten kan, had ik toch wel weer laten zwemmen.” Met liet hij hem weer in ’t heldere water; daar ging de bot naar den grond en liet eene lange streep bloed achter zich. Toen stond de visscher op en ging naar zijne vrouw in het armoedige hutje bij den mesthoop.“Man,” zei de vrouw, “heb je niets gevangen?”—“Neen,” zei de man, “ik ving een’ bot, die zei, dat hij een betooverde prins was: toen heb ik hem weer laten zwemmen.”—“Heb je je dan niets gewenscht?” zei de vrouw. “Neen,” zei de man, “wat zou ik mij wenschen?”—“Ach,” zei de vrouw, ”’t is toch naar, hier altijd in een hutje bij een’ mesthoop te wonen, dat ruikt zoo vies, je hadt ons toch een klein huisje kunnen wenschen. Ga nog heen en roep hem weerom, zeg, we wenschten ons een klein huisje, hij doet het wel.”—“Ach,” zei de man, “waarom zal ik er nog heengaan?”—“Heden nog toe,” zei de vrouw, “je hebt hem toch gevangen en hem weer laten zwemmen, hij doet het natuurlijk. Ga dadelijk heen.”De man zag er wel wat tegen op, om te gaan; maar hij wou zijne vrouw ook graag den zin doen, en hij ging dralend naar de zee.Toen hij er kwam, was de heele zee groen en geel en een oogenblik later paars en donkerblauw en heelemaal niet meer helder. Maar ’t water bewoog zich niet: ’t was stil. Hij ging aan den oever staan en riep:
Er was eens een meisje, dat nooit- wist, hoe laat het was.—O, dan had ze zeker niet geleerd op de klok te kijken, denk je. Of—ze was te dom of te onoplettend, om het te leeren. Ja, misschien meen je wel, dat er in haar huis geene klokken waren. Of—nog mooier—dat ze geen’ mond had, om te vragen, als ze geene klok zag, om er op te kijken. Gekheid, hoor! Hilda, zoo heette het meisje, kon best op de klok zien. En klokken? Die waren er genoeg in haar huis: in de kamers, in de keuken, in de gang, overal! En een mond, om te vragen? Neen, maar, nu moet ik lachen!
Luister eens: weet je, hoe het kwam, dat Hilda nooit van uur of tijd wist, dat ze dus ook altijd en overal te laat was? Och, ze keek eenvoudig nooit op de klok, en vroeg nooit naar den tijd, omdat—het haar niets schelen kon, hoe laat het was. Ze deed alles—niet wanneer het tijd was, maar wanneer zij er lust in had. Ze stond haast altijd te laat op. Ze treuzelde bij ’t aankleeden. Ze kwam te laat aan ’t ontbijt, te laat aan de koffie, te laat aan tafel, te laat in bed. Ze kwam te laat op school, ja zelfs te laat op de visite.—En nooit dacht ze: “O, is het al zoo laat, dan zal ik wat voortmaken: daar doe ik Vader of de juffrouw of mijnevriendinnetjes plezier mee.” Ze vond het veel gemakkelijker niet aan anderen te denken.
Jammer, jammer, dat Hilda geene moeder meer had. Eene moeder zou haar dat leelijke gebrek wel afgeleerd hebben. Maar de vader kon niet altijd bij Hilda zijn. Die was heel dikwijls voor zaken van huis, en als hij thuis was, moest hij meest op zijne studeerkamer zitten werken. Zoo had hij geen’ tijd, om veel op zijn kind te letten, geen’ tijd, om haar telkens te zeggen, hoe onaardig en—dom ze deed.
Ja, dom was het ook. Haar eten en drinken werd meestal koud.—Waar had ze bleeke wangen van? Wel, van ’t late opstaan en ’t late naar bed gaan.—Waarom moest de juffrouw zoo dikwijls op haar knorren en haar straffen? Alweer, omdat ze telkens te laat was!—Op de visite lachten de vriendinnetjes haar uit en noemden haar “Juffertje Te Laat.”—En als ze groote menschen op zich wachten liet, zeiden ze allemaal: “Foei, wat een onbeleefd kind! ’t Is te hopen, dat ze die leelijke gewoonte nog afleert, eer ze groot is.”
Ja, ’t was te hopen; maar—het gebeurde niet. Hilda werd wel grooter, maar ze bleef “Juffertje Te Laat!” Toen ze al geen jongejuffrouw meer heette, maar eene jonge dame, stoorde ze zich nog net zoo min aan de klok.
Hilda’s vader was rijk: hij hield paard en rijtuig. Hilda ging dus bijna elken dag uit rijden. Nu, dat was een verdriet voor den koetsier en voor de paarden ook. Want och, wat moesten die altijd lang voor de deur op ons juffertje wachten, zelfs bij slecht weer!
Als iemand haar nu gezegd had: “Hilda, denk toch aan dien armen koetsier en die stumpers van paarden,” ja, dan zou ze zich uit medelijden misschien wel wat gehaast hebben. Maar—er was niemand, die wel eens zoo met Hilda praatte en uit zichzelf dacht ze aan zulke dingen nooit.
Had ze afgesproken eene vriendin af te halen, om mee te wandelen, dan kon die geregeld wel een uur en langer naar Hilda uitkijken. Eindelijk kwam ze er doodbedaard aanstappen. Ze vroeg er niet naar, of hare vriendin ook ongeduldig geworden was; ze zei niet, dat het haar speet zoo laat te zijn. Daar was ze te onnadenkend voor. Ze kwam, als ze lust had, en daarmee uit.
Ze kwam ook niet opzettelijk te laat, om een ander verdriet te doen. Och neen! Maar als ze zich bijvoorbeeld kleeden moest om uit te gaan, dan treuzelde ze ’k weet niet hoe lang om, zonder aan tijd te denken. Dan snuffelde ze naar hartelust in kasten en laden en doosjes, waar ze eigenlijk niets in te maken had. Dan paste ze de eene japon voor, de andere na, eer ze er eene koos, om aan te doen. Dan stond ze tijden lang voor den spiegel te plooien en te schikken aan hare kleeren. En als ze dan eindelijk hare kamer uit was, kwam ze nog wel twee-, driemaal terug, om iets te halen, dat ze vergeten had.
Soms zei ze wel eens: “Ik ben wat laat, maar och, dat is zeker zoo erg niet. ’k Heb ook zoo’n slecht geheugen, ’k vergeet altijd op de klok te kijken.”
Een mooi praatje voor eene jonge dame! Nu, de menschen vonden het wèl erg, en van die vergeetachtigheid geloofden ze geen zier, dat kun je wel begrijpen.
Ziezoo, nu weet je, hoe Hilda was en ga ik je eens vertellen, wat er met Juffertje Te Laat gebeurde.
Hilda was genoemd naar.... schrik niet.... naar eene fee! Ja, eene fee was hare peettante. Nu, die fee dan hield heel veel van haar petekind. Jullie moogt Hilda niet graag lijden, en dat kan ik me best begrijpen; want veel goeds heb ik nog niet van haar verteld. Maar de fee kende Hilda beter, dan jullie haar kent. Die wist, dat Hilda een lief meisje zou zijn, als ze dat ééne groote gebrek maar niet had. “Ik wou toch,” dacht de fee dikwijls, “dat ik Hilda kon leeren begrijpen, hoeveel verdriet en last ze een ander doet en—hoeveel verdriet ze er zelf nog van zal krijgen, als ze zoo voortgaat.”
De fee zou er nog niet zooveel om gegeven hebben, als Hilda bijvoorbeeld wat slordig geweest was of praatziek of wat anders, dat onaardig was. Maar dat op ’t laatst iedereen haar petekind “Juffertje Te Laat” noemde, kijk, dat vond ze heel, heel erg. Dat kwam, omdat ze zelf nooit anders dan precies op tijd was, nooit eene minuut te vroeg of te laat. “Twaalf uur,” zei ze dikwijls, “dat is niet vijf minuten vóór twaalf, niet vijf minuten na twaalf. Twaalf uur is twaalf uur.” Nooit liet ze dan ook iemand wachten; maar ze kon evenmin verdragen, dat iemand haarwachten liet.—Daarom noemden de menschen haar voor de aardigheid “Mevrouw Op Tijd.”
En nu zal ik je eens vertellen, wat de fee eindelijk deed, toen ze vond, dat het toch wel wat al te erg met Hilda werd.—Op een goeien dag kreeg Hilda een briefje, en daar stond niets anders in dan: “Lieve Hilda! Morgen kom ik bij je eten. Dag, kind.
“Je je liefhebbende peettante.”
“Je je liefhebbende peettante.”
“Je je liefhebbende peettante.”
De volgende dag kwam, en ’t werd twaalf uur, dat was in dien tijd voor de meeste menschen het uur van ’t middageten, ’t Werd twaalf uur—en bij den eersten slag stond ook al ’t rijtuig van de fee “Op Tijd” voor Hilda’s deur. Bij den twaalfden slag stapte ze de eetkamer binnen. De fee keek eens rond. En wat zag ze? Wel eene netjes gedekte tafel—daar had de knecht voor gezorgd—maar geene Hilda, om hare peettante op te wachten en te verwelkomen!
“Wel zeker! net iets voor Juffertje Te Laat,” bromde de fee. ”’t Zal me toch eens benieuwen, wanneer het haar belieft te komen.” En verdrietig ging ze in een grooten armstoel zitten.
Waar was nu Hilda! Verbeeld je: onze jonge dame was niet eens thuis, en ze wist toch, dat de fee komen zou!—
Dien morgen, al om een uur of tien, was het Hilda te binnen geschoten, dat ze hare vriendin Nelly wel eens kon gaan opzoeken. Ze had haar al zoo lang beloofd eens een uurtje te komen praten.
Gauw had ze zich gekleed en was de deur uitgewipt.—Nelly wist niet wat ze zag, toen ze Hilda al zoo vroeg in den morgen voor zich zag staan.
“Heerlijk, dat je komt,” riep ze vroolijk,“nu kun je me meteen helpen uitzoeken. Pas op, val niet over al die doozen. Allemaal hoeden en mantels, om uit te kiezen. Kun je een poosje blijven? Dan maken we samen de doozen open.”
Zeker kon Hilda blijven. Wat was er nu prettiger dan voor den spiegel staan en aardige hoedjes en mooie mantels passen!—Het duurde geene tien minuten, of vloer, tafels en stoelen lagen vol open doozen en deksels, vol hoeden en mantels.
Alles moest bekeken en betast worden. Hilda moest Nelly bewonderenen Nelly, Hilda. En dat de mondjes bij dat alles niet stilstonden, is te denken. ’k Behoef je dan ook zeker niet te vertellen, dat Hilda uur en tijd bij ’t mooie spelletje vergat. ’t Werd elf uur, ’t werd twaalf uur, maar waaraan Hilda ook dacht, zeker niet meer aan hare peettante, die zou komen eten.—’t Werd half één, kwart voor één, en nog waren de meisjes bezig, alsof er niets beters op de wereld te doen viel.
Eindelijk tegen één uur kwam de meid binnen, om Nelly te roepen: ’t was etenstijd.—“O wee, al één uur!” riep Hilda, “en wij eten om twaalf en...—’t is waar ook: mijne peettante zou komen eten.”—Toen gauw, gauw afscheid genomen en vlug naar huis. Maar die mooie winkels onderweg, dat was een last. Daar moest je toch nog wel even voor stilstaan. Te laat was het toch—wat kwam het er eigenlijk ook opaan, of nog ’t een kwartiertje later werd!—
Eindelijk belde Hilda aan. De knecht, die openmaakte, vertelde, dat Hilda’s peettante er al lang was.
De goede fee was van ’t lange, vervelende wachten op ’t laatst in slaap gevallen. Ze had ook al dien tijd alleen gezeten; want Hilda’s vader was dien dag juist voor zaken uit de stad.—Daar op eens ging de deur open en Hilda trippelde haastig naar binnen.
“Dag, mijne lieve, beste peettante,” riep ze, “o, ik durf U haast niet aanzien, zoo schaam ik me, dat ik U zoo lang heb laten wachten. Wat zult U toch wel van me gedacht hebben!”—Nu, de fee was te goedhartig om dadelijk te zeggen, wat ze wel gedacht had. Ze zei alleen: “Nu, als ’t je maar spijt, kindlief, dan is ’t ook goed.—Maar zeg eens: hoe laat is ’t eigenlijk, ik heb een poosje geslapen.”
De fee wist natuurlijk heel goed, dat het al half twee was; maar ze wou eens hooren, wat Hilda antwoorden zou. “O, lieve peettante, vraag me daar niet naar; ik durf niet naar de klok kijken,” zei ze.—“Meisje, meisje,” dacht de fee, ”’t is nog erger met je, dan ik meende. Je wilt je oude peettante nog wat wijsmaken ook. Goed, dat ik gekomen ben.”
Dat het middagmaal alles behalve lekker was, behoef ik je zeker niet te vertellen. Maar de fee hield zich goed en deed, alsof ze er niet veel om gaf. Vroolijk praatte ze met Hilda over allerlei dingen, en zoo liep alles veel prettiger af, dan Juffertje Te Laat wel gedacht had.
Na ’t eten ging de fee eerst een middagdutje doen en Hilda bladerde wat in een boek. En toen kwam er nog een prettig praatuurtje. De tijd vloog om: ’t was al bijna vijf uur, eer Hilda er om dacht.
Daar op eens hoorden ze harde stappen in de gang. De kamerdeur vliegt open en—Hilda’s vader komt haastig binnen. Nog met den deurknop in de hand roept hij: “Dag, kind! Hier ben ik terug van de reis. Klaar, om mee te gaan?”
Maar daar ziet hij me, dat Hilda nog in haar daagsch japonnetje languit in een gemakkelijken stoel ligt. Van verbazing kan hij zijne oogen haast niet gelooven. “Maar heb ik nu van mijn leven,” riep hij, “heb je dan mijn briefje van morgen niet ontvangen?”—“Uw briefje, beste Papa?” zei Hilda met een onschuldig gezicht. “Zeker heb ik dat gekregen. Maar U ziet immers wel, dat mijne peettante er is!”—Neen, dat had Hilda’s vader in zijn haast nog niet eens gezien. Heel beleefd boog hij nu voor de fee en zei: “Ik hoop maar niet, dat U ’t me erg kwalijk neemt, dat ik U niet dadelijk zag. Ik ben ook zoo boos op dat kind! Ik zal er nog grijze haren van krijgen, zoo’n verdriet heb ik van haar.”
“Maar wat heeft ze toch eigenlijk voor kwaads gedaan?” vroeg de fee.—“Ik zal ’t U vertellen, en dan moet U zelf eens zeggen, hoe U zoo iets vindt. U moet weten: prins Pandolf, die op een prachtig buiten een uurtje van hier woont, heeft ons van avond op een feest genoodigd. Eene groote eer, dat begrijpt U. Maar dat nog niet alleen. Ik moet den prins noodzakelijk spreken. In eene heel gewichtige zaak zou ik graag zijn’ raad hooren en nog liever zijne hulp vragen. Maar de prins heeft het verbazend druk: hoeveel moeite ik er ook voor gedaan heb, ik heb hem nog niet te spreken kunnen krijgen.—U kunt denken, hoe blij ik daarom was met de uitnoodiging voor van avond. Eindelijk, eindelijk, dacht ik, zal het dan toch eens wezen, zeker kan ik nu wel een poosje alleen zijn met den prins. Dadelijk schrijf ik aan Hilda, dat ze zorgen moet, precies om vijf uur klaar te zijn. Dan zou het rijtuig van den prins voor de deur zijn, om ons af te halen. Ik kom en denk natuurlijk, dat Hilda al kant en klaar op me zit te wachten en—zóó vind ik haar. Wat moet ik toch beginnen: ’t rijtuig kan ieder oogenblik vóór zijn, en we kunnen den prins toch niet laten wachten. Als die boos op mij wordt, weet ik geen’ raad.”
“Maar kunt U niet zonder mij gaan, Papa?” vroeg nu Hilda heel bedaard, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.
“Wat?” riep de vader, rood van boosheid, “alleen gaan? Nu wordt het nog mooier. Je weet toch, dat de prins je graag eens wil hooren zingen. Om je mooie stem zijn we eigenlijk alleen gevraagd. En nu zou je niet meegaan! Als ik zonder je kom, is de prins natuurlijk boos en durf ik.....” Op eens hield Hilda’s vader op. Bleek van schrik riep hij:
“O, o, daar komt het rijtuig al aan. Nu is het te laat!”
Toen Hilda zag, hoe bedroefd en verlegen haar vader was, kreeg ze toch erg berouw over hare zorgeloosheid. Schreiende viel ze hare peettante om den hals en knikte: “Och, lieve peettante, help mij toch! Ik kan niet meer klaar komen en ’t spijt me toch zoo vreeselijk, dat ik Papa dit groote verdriet heb aangedaan. Och, help mij!”—
De fee was eerst ook heel verdrietig op Hilda geweest, toen ze alles wist. Maar nu ze zag, hoe’n spijt Hilda had, kreeg ze medelijden. “Nu, kindje,” zei ze troostend, “wees maar bedaard, we zullen zien. Kom eerst eens hier, wat is je japonnetje gekreukeld.”—Hilda kwam. Toen streek de fee heel even maar met de hand van boven naar beneden over Hilda’s japon. En zie—daar is het eenvoudige kleedje in eens omgetooverd in een keurig wit zijden balkleed, en Hilda’s voetjes steken in fijne goudleeren schoentjes!—De vader sprong van zijn’ stoel op en wist zich geen’ raad van vreugde. En Hilda’s tranen, of die ook gauw opgedroogd waren! En Hilda’s verdriet en berouw? O, daar dacht ze al niet meer aan. ’t Was nu immers alles nog in orde gekomen: ze kon nog met haar vader naar ’t feest gaan en—toen ze even in den spiegel keek, vond ze zichzelf zoo mooi, zoo mooi! Die lieve, beste fee! ’t Scheelde niet veel, of Hilda was met hare oude peettante een dansje door de kamer gaan doen. Maar de vader nam Hilda gauw bij de hand: ze moesten nu dadelijk weg. “Och,” riep nu de fee, “laat haar nog even blijven, de knecht is nog niet komen waarschuwen, dat het rijtuig vóór is. Het voornaamste zou ik bijna vergeten.”
Meteen haalde ze uit haar zak een aardig doosje, en uit dat doosje kwam te voorschijn—een snoeperig klein, keurig bewerkt gouden horloge aan een fijnen gouden ketting! “Mij dunkt, lieve kind,” zei de fee lachende,terwijl ze den ketting om Hilda’s hals hing, “een beter present kan ik je wel niet geven. ’k Hoop, dat dit dingetje, zoo klein als het is, toch wijzer zal wezen dan zeker iemand en haar leeren zal beter op haar tijd te passen. En maak nu maar gauw, dat je in ’t rijtuig komt. Veel plezier, kind!”—En voordat Hilda tijd had te bedanken, schoof de fee haar de deur uit.
Een oogenblik later zat Hilda in de zachte kussens van het prachtige rijtuig en kon op haar gemak het mooie horloge bekijken, dat ze gekregen had. Of ze er heel blij mee was? Om de waarheid te zeggen: ’k geloof, dat ze veel liever een’ armband of zoo iets zou gehad hebben. Van haar vader had ze vroeger ook al eens een horloge gekregen. Maar denk je, dat ze het droeg? Och neen, dat was haar veel te lastig: ze dacht liever aan geen uur of tijd, dat was immers ook veel gemakkelijker. Maar—dithorloge was veel, veel mooier en kostbaarder. Hier kon ze mee pronken, ieder zou haar er om benijden. En ze behoefde er immers niet vaker op te kijken, dan ze wou. Ja, ze was toch eigenlijk wel heel blij met haar cadeau.—
Dat het horloge niet alleen een prachtig en kostbaar, maar ook een heel bijzonder horloge was, een horloge, dat heel wonderlijke dingen kon doen, daarvan wist Hilda nog niets. En dat was maar goed ook.—
De paarden hadden zoo flink geloopen, dat het rijtuig al na een half uurtje voor het buiten van den prins stilhield. De prins ontving Hilda en haar vader heel vriendelijk. Hij was blij, dat ze gekomen waren, én hij hoopte toch, dat Hilda hem het plezier zou doen, dien avond eens te zingen. Hij had al zooveel van hare mooie stem gehoord! “Dat is een goed begin,” dacht Hilda’s vader, en hij wreef zich de handen van plezier over de vriendelijkheid van den prins.
In de zalen van het mooie huis waren al heel wat gasten bij elkaar. Het duurde dan ook niet lang meer of allen werden door een deftigen bediende uitgenoodigd, om naar de eetzaal te gaan. Daar stond alles klaar voor een heerlijken maaltijd. Toen de maaltijd afgeloopen was, verspreidden zich de gasten naar alle kanten. Het avondfeest zou eerst om negen uur beginnen—tot zoolang mocht ieder gaan waar en doen, wat hij wilde.
“Kom, Vadertje,” zei Hilda, en ze nam vroolijk haar vader in den arm.“Zullen we ook naar den tuin gaan, net als de anderen? ’t Zal daar zoo heerlijk zijn!”—
“Maar zal Mejuffrouw Hilda in den helderen maneschijn onder de groene boomen ’t klokje van negen niet vergeten?” fluisterde er op eens iemand aan haar oor. ’t Was de prins, die bij haar gekomen was, zonder dat ze ’t merkte. “Denk er aan, dat U me voor ’t begin van mijn feest een mooi lied beloofd hebt!”
Hilda kreeg eene kleur van verlegenheid. Zou de prins er ook al van gehoord hebben, dat ze zoo dikwijls haar tijd vergat: dat was toch heel vervelend.—“Zeker, zeker, prins,” zei ze daarom maar gauw, “U kunt vast op mij rekenen.”
Zulke mooie tuinen als de prins toch had, daar kon je wel je oogen aan uitkijken. Je zag er de prachtigste boomen, de zeldzaamste bloemen. Tusschen ’t fluweelige gras en langs de keurige paden stroomden aardige beekjes. En die beekjes kwamen weer uit in groote vijvers met statige boomen er om heen.
Bij een van die vijvers gingen Hilda en haar vader zitten, want overal stonden aardige banken, van boomstammen gemaakt. Wat was het daar kostelijk! De bloemen geurden en ’t water ruischte, de maan scheen helder over ’t water, en de lucht was zoo zacht!—Langzaam aan kwamen er nog meer van de gasten op dat mooie, stille plekje, tot eindelijk alle banken vol waren en sommigen zelfs een plaatsje zochten op het zachte gras.—Eene heele poos deden ze maar niets anders dan kijken en luisteren naar al het mooie om hen heen. Maar toen stond een van de gasten op en zei, dat hij een vers gemaakt had op de maan en den vijver, de boomen en de bloemen en nog veel meer, en of hij dat eens opzeggen zou. ’t Was een heel mooi vers; maar lang, lang—er kwam geen eind aan. Hilda zat er met open mond naar te luisteren—aan uur of tijd dacht ze niet en nog veel minder aan de afspraak met den prins.——
Daar op eens, toen ’t vers juist op zijn allermooist was, klonk er heel duidelijk door de stilte van den avond: “Tik, tik, tik, tik!”—“Wat is dat?” riep de man met het vers. “Tik, tik, tik, tik!”—“Wat is dat?” riepen allen. Hilda was verschrikt opgesprongen.Zijbehoefde niets te vragen,zijhad dadelijk wel begrepen, wie daar met zijn helder stemmetjetik, tik gezegd had. “Dank je wel voor de boodschap, kleintje,” zei ze zacht. En ze streek liefkoozend met hare hand over het horloge van de fee, dat precies negen uur aanwees. Toen riep zoo vroolijk: “Komt mee, dames en heeren, ’t is tijd voor het avondfeest!” Vlug liep ze vooruit, en alle gasten volgden haar.
Nu kwamen allen samen in eene andere, prachtig versierde zaal. Daar ontving de prins zijne gasten weer. Toen ging hij naar Hilda, boog lachende voor haar en—zei: “Dat noem ik eerst op zijn’ tijd passen!”
Nu moest Hilda zingen. Eerst beefde ze wel wat, toen ze daar zoo alleen voor al die menschen stond. Maar al gauw ging het beter, en toen klonk hare lieve stem zoo mooi en helder door de zaal, dat het een lust was. Toen ’t lied uit was, kwam er aan ’t handengeklap geen einde. Maar wie nog ’t hardst van allen klapte, dat was de prins, die zoo dol veel van zingen hield.—En weer moest Hilda zingen en nog eens en nog eens. En toen drukte de prins haar en haren vader de hand en zei, dat hij in langen tijd niet zoo in zijn’ schik geweest was. En als er iets was, waar hij Hilda plezier mee kon doen , dan moest ze het maar zeggen. Neen, voor zichzelf wist ze niets, maar haar vader wou den prins zoo graag eens spreken over eene gewichtige zaak. Als de prins later eens een half uurtje tijd had, dan.... “O, als ’t anders niet is,” riep de prins lachende, “graag, hoor! En wel dadelijk ook!”—Zoo ging Hilda’s vader dan met den prins naar eene andere kamer, waar ze rustig konden praten.
’t Gesprek duurde heel lang. Maar toen was alles ook in orde: dat zag Hilda dadelijk, toen haar vader, gearmd met den prins, weer binnenkwam. Hij lachte over zijn heele gezicht en knikte Hilda dankbaar toe. “Verbeeld je,” dacht Hilda, “als ik nu eens niet op tijd in de zaal geweest was, om voor den prins te zingen. Dan zou dit heerlijke niet gebeurd zijn. Dat lieve horloge!”—
’t Was al laat in den nacht, toen Hilda van ’t feest naar huis reed.
“Kind,” zei haar vader, “wat heb je me van avond een plezier gedaan. Nu zal mijn meisje morgen aan den dag ook dien mooien gouden armband van me hebben, waar ze me al zoo dikwijls om gevleid heeft!” Hilda klapte in de handen van plezier. “Heerlijk, heerlijk!” riep ze.“En gaanwe hem dan samen koopen morgen?”—“Zeker, zeker, kind! zorg dan, dat je precies om 10 uur klaar bent, want je weet, ik heb het druk!”—Natuurlijk zou Hilda klaar zijn. Tien uur, dat kwam ook best uit, dan kon ze nog juist terug zijn, om de naaister te spreken, die tegen elf uur bij haar zou komen.
Den volgenden morgen, om kwart voor tienen zoowat werd Hilda wakker. Maar ze was nog moe en slaperig van ’t feest en had niet den minsten lust om op te staan. Veel liever lag ze nog een uurtje te droomen van al het heerlijke, dat ze gisteren avond gezien en gehoord had. Hè, wat was het toch mooi op dat feest: die prachtige zalen en gangen... al dat licht ... al die bloemen... al die aardige menschen! En dan... die tuinen ... maneschijn... dat mooie vers... Hoe begon dat nog maar weer?...
“Tik, tik, tik, tik!” Wat was dat? Hilda zat op eens recht overeind in haar bed en keek verschrikt rond. “Tik, tik, tik, tik!”....
Toen liet ze zich op eens weer lachende in de kussens vallen en riep: “O, ’k weet het al, wie me daar roept, net als gisteren avond. Tik, tik, tik.... Ja wel, ’k begrijp het: ’t is tien uur, en eigenlijk moest ik nu al met Papa op weg zijn, om den armband te koopen. Tik, tik, tik, tik... Dank je voor de waarschuwing, mijn trouw horloge, maar ’t is nu toch al te laat, ’k blijf er nog vijf minuten in!”
En Hilda vlijde haar hoofd weer op ’t kussen. Maar—daar klonk het veel harder: “tik, tik, tik, tik!”—“Kleine levenmaakster!” riep nu Hilda, “kun je me niet met rust laten!”
“Tik, tik, tik, tik, tik!”—“Nu als het dan niet anders kan, zal ik je den zin wel geven. Daar ben ik al!” En meteen sprong ze, half boos, half lachende het bed uit. Dadelijk hield het horloge zich stil.—
Veel vlugger dan gewoonlijk kleedde ze zich aan, en ’t was nog maar even half elf, toen ze kant en klaar aan haar vaders arm de deur uitstapte. Dat was nu wel een half uur te laat; maar de vader was het vroeger nog wel heel anders van Hilda gewoon, en daarom zei hij er maar niet veel van. Gelukkig ook woonde de goudsmid dichtbij, daar waren ze gauw genoeg. Maar het duurde heel wat langer, eer Hilda klaar was met het kiezen van een’ armband. Wat een armbanden moest de goudsmid voor haar uitstallen! Wat een gezoek en gepas en gevraag.
Daar—midden in het drukke gesprek met den goudsmid—wees de klok in den winkel elf uur aan. En op ’t zelfde oogenblik, daar had je ’t weer: “Tik, tik, tik, tik!”—“Wat blieft u, Juffrouw?” vroeg de goudsmid. “O, niets,” zei Hilda, ”’t is mijn horloge maar.—En hoeveel kost die armband, zei U?”—“Tik, tik, tik, tik!”.... klonk het weer. “Ja, ja, weet ’k er alles van,” bromde Hilda ongeduldig in zichzelf, ”’t is elf uur, en de naaister wacht me. Nu, laat ze maar een poosje wachten, ik kan niet dadelijk weg.” Toen weer tegen den goudsmid: “Dat is toch wel wat duur. Zou....”
Maar tik, tik, tik, tik! waarschuwde het horloge. “Neen maar, dat gezeur is niet om uit te staan,” riep Hilda nu. “Zóó laat ik niet den baas over me spelen, hoor! Hier Papa, steek U dat vervelende horloge maar in Uw’ zak. Misschien houdt het zich dan stil.” Maar ja wel! Tik, tik, tik, tik ... ging het nog harder in den vestjeszak, en toen Hilda’s vader even op de stoep van den winkel ging staan, om een’ vriend te groeten, die juist voorbij ging, riep het horloge uit de verte toch nog met eene zware stem: “tak, tak, tak, tak!”
Dat was nu toch wel wat heel erg. De menschen op straat bleven staan om te luisteren, waar toch dat geluid vandaan kwam. Ieder gluurde in den winkel, en Hilda schaamde zich de oogen uit het hoofd. Ze kon nu wel niet anders doen, dan heengaan en ’t horloge zijn’ zin geven. Daarom deed ze nu maar haastig eene keuze en stapte den winkel uit. Dadelijk werd het horloge zoo stil als eene muis.—
Dat Hilda alles behalve in haar schik was, kun je wel begrijpen. Maar toen ze thuis kwam en de naaister haar allerlei mooie stoffen en nieuwe patronen liet zien voor eene japon, werd ze weer heelemaal vroolijk. Nu was het praten, zoeken, kiezen, overleggen geen gebrek. Ik weet niet, hoe lang dat wel geduurd zou hebben, als Hilda niet toevallig naar haar horloge gekeken had, dat op een tafeltje lag. Maar dat gebeurde—’t wees juist even vóór twaalven. “O, heden,” dacht Hilda, “al zoo laat! ’k Heb Papa beloofd, precies om twaalf uur aan tafel te zijn. Maar hoe zou dat nu kunnen, ik ben nog lang niet klaar. Weet je wat: ik breng ’t horloge weg, anders begint me dat zoo meteen weer te vertellen, dat ik op mijn’ tijd moet passen, en ’k heb nu eens geen’ zin, gestoord te worden!”—Zenam dus het horloge van de tafel, ging er mee naar eene kamer er naast en stopte het weg achter in eene la van eene kast.
Maar—pas was ze terug en juist zou het gesprek over de japon opnieuw beginnen, toen de naaister op eens verschrikt omkeek. “Tok, tok, tok, tok!” klonk het door de kamer, ’t Was net een geluid, alsof er vlak bij gehamerd werd. “Hé, wat is dat toch, Juffrouw?” riep de naaister. “O, niets,” zei Hilda, maar ze kreeg eene kleur. “Hebben we deze stalen al gezien?”
“Tok, tok, tok, tok....”—“Maar Juffrouw,” riep de naaister angstig, “zou u niet eens gaan kijken, wat dat toch is?”—“Och kom,” zei Hilda bedaard, maar hare vingers beefden, ”’t is heusch niets. Wil U me die plaat nog eens aangeven?”
”Tok, tok, tok, tok....” Het horloge—je hebt natuurlijk evengoed als Hilda al lang begrepen, dat het geluid nergens anders vandaan kwam—het horloge hield maar vol. En hoe drukker Hilda door praatte, hoe harder het sloeg en hamerde in de la, waar het weggestopt was. ’t Werd zóó erg op ’t laatst, dat Hilda wel niet anders doen kon, dan de naaister laten gaan.
Verdrietig, dat ze was! “Lastig, naar horloge,” pruttelde ze, “hoe kon ik er toch eerst zoo blij mee zijn. Ik heb er rust noch duur van en kan heelemaal niet meer doen met mijn’ tijd, wat ik wil.” Maar al pruttelende ging ze toch naar beneden, en dadelijk ook hield het leven in de kast op. ’t Horloge was tevreden.
De vader, die vroeger altijd uitentreuren op Hilda moest zitten wachten, keek heel vriendelijk, nu ze tien minuten over twaalf al aan tafel kwam. “Wel, meisje,” riep hij: “zoo mooi op tijd! Dat is lief van je: ’k heb erge haast vandaag.” Hilda kreeg weer eene kleur: ze wist wel, dat ze ’t prijsje eigenlijk niet verdiend had. Maar ze dacht ook: “Als ik Papa er zoo’n groot plezier mee doe, wil ik toch later uit mezelf beter op den tijd letten.” Van de geschiedenis met het horloge vertelde ze niets, je zult wel begrijpen, waarom.—
Terwijl Hilda en haar vader nog aan tafel zaten, kwam de knecht binnen, om te zeggen, dat Valentijn er was, en of hij de juffrouw wel even spreken kon. Valentijn, moet je weten, was een arme, oude man. Bedelen deed hijniet; maar Hilda wist, hoe arm hij was en had hem dikwijls wat gegeven. Daarom kwam hij, als hij weer erg verlegen was, nog wel eens bij haar aankloppen.—Maar nu kon ze toch moeilijk van tafel opstaan: dat zag haar vader niet graag. “Laat hij straks om twee uur maar terugkomen,” zei ze daarom tegen den knecht.
Toen ’t maal afgeloopen was, ging Hilda naar hare kamer, om een beetje te lezen. Want ze was pas een nieuw boek begonnen, dat ze prachtig vond. Dadelijk vlijde ons juffertje zich neer in een gemakkelijk laag stoeltje met de voetjes op een zacht voetkussen, en het duurde geene vijf minuten, of ze was heelemaal verdiept in haar boek. Ze las en las maar voort: de eene bladzijde na de andere, het eene hoofdstuk na het andere, totdat ze aan ’t mooiste gedeelte van ’t verhaal gekomen was. Toen liet ze het boek even in haar schoot vallen en leunde met haar hoofdje achterover tegen den stoel. “Hè, wat is lezen toch heerlijk,” dacht ze, ”’k zou wel al door kunnen gaan. En, nu krijg ik ’t mooiste nog. ’k Hoop maar niet, dat iemand me storen komt. Zou ’t al laat zijn? Laat eens kijken: kwart vóór twee. O wee, dan komt zoo meteen Valentijn! En als die eenmaal aan ’t praten is, is er nog zoo gauw geen eind aan. Neen, dien kan ik nu niet hebben—’k wil mijn boek uitlezen.” Gauw schelde ze het kamermeisje en zei: “Roosje, als Valentijn komt, zeg hem dan, dat ik vandaag niet voor hem te spreken ben. Morgen, hoor!”
Juist wou Hilda nu weer beginnen te lezen, toen haar op eens iets te binnen schoot, ”’t Helpt me ook wat, dat ik die boodschap geef,” riep ze, “dat vervelende horloge van mij weet natuurlijk weer precies, wat ik Valentijn beloofd heb. Wacht, ik breng het weg, voordat het weer met zijne kuren begint. Maar waarheen?—O, ’k weet het al!” En vlug wipte ze de deur uit, de trap af, eene gang over, nog eene trap af en zóó in eenen door, tot ze—in den kelder was. Daar stopte ze het horloge in een donkeren hoek en wip—weg was ze weer. Een paar minuten later lag Hilda weer rustig achterover mét haar boek in de hand. “Ziezoo,” dacht ze, “roep me nu maar, ik hoor je toch niet.”
Met klokslag twee stond Valentijn weer op de stoep en schelde aan. Wat was de arme man teleurgesteld, toen hij van de knecht hoorde, dat de juffrouw niet voor hem te spreken was. “Och, och,” zuchtte hij, “watspijt me dat!” Juist wilde hij treurig de stoep weer afgaan, toen het heele huis op eens dreunde van harde slagen. “Paf, paf, paf, paf!” ... ’t was, of er geweren afgeschoten werden.
Alles in huis liep verschikt door elkaar en de buren kwamen toegeloopen, om te hooren, wat er toch te doen was. “Paf, paf, paf, paf...” in de kasten rammelde alles dooreen, de schilderijen en de spiegels dansten aan den muur.
Roosje liep, bleek van angst, naar hare meesteres. “Hoort U ’t wel, Juffrouw?” riep ze. Nu, òf Hilda ’t gehoord had: ze was ook van schrik opgesprongen en had haar boek op den grond laten vallen.
”Paf, paf, paf, paf ....!” ’t Geluid werd nog harder. Een mooi beeldje op de schrijftafel viel en brak. “O, Juffrouw, wat zou het toch zijn,” schreide Roosje met de handen voor ’t gezicht.—Hilda gaf geen antwoord, maar ze wist nu wel, waar ’t geluid vandaan kwam. ’t Was haar horloge, haar vreeselijk horloge, dat haar zelfs uit den kelder toeriep: “Denk aan den tijd, denk aan Valentijn!”
“Goed, goed, ik ga al,” zei Hilda, zonder dat ze ’t wist, hardop. En pas had Hilda den eersten voet verzet, om naar beneden te gaan, of—de slagen hielden op.
En nu meen je misschien, dat Hilda alles behalve vriendelijk was tegen Valentijn. Mis, hoor! Toen ze den armen man zag met zijne magere, bleeke wangen en de tranen nog in de oogen, voelde ze alleen groot medelijden en erge spijt, dat ze den stumper aan de deur weg had laten sturen. Om het weer goed te maken, luisterde ze vriendelijk naar zijn lang verhaal, liet hem eten geven en oude kleeren van haar vader, en zelf gaf ze hem nog geld, dat hij vooreerst geen gebrek meer behoefde te lijden.
’k Behoef je zeker niet te vertellen, hoe dankbaar de arme man was en—hoe’n prettig, tevreden gevoel Hilda had, toen Valentijn weg was. Boos op het horloge was ze in ’t geheel niet meer: ja, ze schaamde zich zelfs, dat ze haar goeden vriend zoo weggestopt had. Ze haalde het horloge daarom maar gauw weer uit zijn donker hoekje in den kelder en nam het mee naar hare kamer. “Ziezoo,” dacht ze, “nu ga ik met veel meer plezier dan straks mijn boek uitlezen.”
Een paar dagen later was Hilda gevraagd op een groot bal. Nu, dezen keer paste ze wel op, dat ze vroeg genoeg begon met zich aan te kleeden.Toen ’t rijtuig voor de deur was, stond “Juffertje Te Laat” wonder boven wonder kant en klaar en kon zóó maar instappen.
Maar—juist op ’t oogenblik, dat Hilda de deur zou uitgaan—wie komt me daar de stoep op? Eene oude boerenvrouw! En die loopt op Hilda toe en stoort zich niet aan het mooie balkleedje, maar valt haar om den hals en kust haar op beide wangen.
Wie was dat dan toch wel!—Ik zal ’t je vertellen. Die boerenvrouw had vroeger op Hilda gepast, toen ze nog een klein kindje en later een klein meisje was. Je weet immers, dat Hilda geene moeder meer had. Hare moeder was gestorven, toen Hilda nog maar een paar maanden oud was. En toen had die eenvoudige boerenvrouw voor de kleine Hilda gezorgd en haar vertroeteld, alsof ze haar eigen kind was.—Later was de boerenvrouw teruggegaan naar haar dorpje. Maar vergeten kon ze Hilda niet: daarvoor had ze haar te lief gekregen. Gedurig kwam ze “haar kind,” zooals ze Hilda noemde, eens opzoeken. Dat was dan altijd een heerlijke dag voor de goede vrouw. Dezen keer nu was het lang geleden, dat ze Hilda niet gezien had, wel een heel jaar. Ze was lang ziek geweest, en sinds dien tijd kon ze niet best meer loopen. En dan—’t was ook eene heele reis van haar dorpje naar de stad, waar Hilda woonde. Maar ze was op ’t laatst zoo naar haar “kind” gaan verlangen, dat ze ’t niet langer kon uithouden. En daar was ze nu!—
Maar och, wat trof ze het slecht. Hilda zou juist in ’trijtuigstappen, om naar ’t bal te gaan, den heelen avond zou ze wegblijven en—den volgenden morgen vroeg moest de goede vrouw al weer vertrekken. Ze schreide haast van teleurstelling en klaagde: “Och, och, wat spijt me dat! En ’t zal wel voor de laatste maal zijn, dat ik mijn kind zie. Ik ben al oud en zwak: lang zal ik niet meer leven. En dat je nu op dezen éénen avond juist uit moet, waar ik me zóó op verheugd had!”
Je begrijpt: ’t was voor Hilda een moeilijk geval. Ze hield wezenlijk veel van haar oud pleegmoedertje en was heel blij, dat ze haar na zoo’n langen tijd eens weer zag. Ja, ze was niet eens verdrietig, dat de boerenvrouw haar balkleedje wat verkreukeld had—en dat wil wat zeggen voor een dametje als Hilda. Maar wat zou ze doen. Ze kon toch moeilijk van ’t bal thuis blijven.... En ze had toch ook weer zoo te doen met het arme oudje, dat alleen voor haar de reis gedaan had.
“Hoor eens,” zei ze vriendelijk, “ik weet wat! Ik zal maar een paar dansen meedoen, en dan kom ik vroeg terug, om nog een gezellig uurtje met je te praten. Is dat dan goed, Moedertje?” Ja, ja, dat was heerlijk. Het vrouwtje was nu al weer tevreden. Toen gaf Hilda haar een’ kus op de rimpelige wangen en wipte in ’t rijtuig. Flip, flap, ging de zweep, en voort draafden de paarden.—
Toen Hilda hare pleegmoeder beloofde vroeg weer te komen, meende ze dat ook werkelijk. Maar nu ze in ’t rijtuig zat, begon ze zich hoe langer hoe meer te verheugen over het heerlijke bal. En—ze begon het jammer te vinden, dat ze daar zoo weinig van zou genieten. Een paar dansen maar en—ze was zoo dol op dansen. Haar keurig balkleedje en den prachtigen nieuwen armband had ze toch ook niet aangedaan, om zoo gauw al weer naar huis te gaan!—Ze zou vroeg thuiskomen: nu ja, twaalf uur, dat was vroeg genoeg. Een bal was toch ook geene gewone visite! Ja, tot twaalf uur zou ze ten minste blijven ..... Maar op eens schoot haar iets met schrik te binnen. Het horloge was er ook nog. En als ’t horloge nu eens vond, dat ze hare belofte niet hield. Als het haar eens vóór twaalf aan die belofte wou herinneren. Als het eens leven ging maken op het bal, midden tusschen al die voorname heeren en dames, dat zou verschrikkelijk zijn! Dat mocht niet! Wacht, ze zou het horloge weggooien op eene eenzame plek, dan kon ze rustig op het bal blijven. Ze keek uit het raampje, en nu zag ze, dat het rijtuig juist vlak langs den muur van de stad reed. “Juist goed,” dacht ze. Heel voorzichtig schoof ze het raampje een eind omhoog, dat haar vader, die in een hoekje van het rijtuig zat te dommelen, het niet hoorde, stak de hand naar buiten en—daar lag het horloge aan den anderen kant van den muur in eene droge sloot.—“Hè, dat is gebeurd,” dacht Hilda tevreden, “nu ben ik er voor goed af.”
Op het bal was het prachtig! En pas had Hilda den voet in de danszaal gezet, of ze werd ook al ten dans gevraagd. En na dien eersten dans danste ze weer en nog eens weer. Ieder vond haar lief en mooi, ieder noemde haar de koningin van ’t bal. Wat klopte Hilda’s hartje van plezier! In ’t begin, ja, toen was ze wel een beetje ongerust geweest; want telkens meende ze zulke vreemde, doffe geluiden in de lucht tehooren. Zou haar lastige vriend, het horloge, daar ginds in de sloot misschien zóó liggen te zuchten, dat ze ’t hier hooren kon?
’t Was vervelend, dat rare geluid. Soms was het net, alsof Hilda het boven de muziek uit hoorde, en dan kwam zo bij het dansen heelemaal uit de maat. Maar hoe langer ze danste, hoe meer ze het horloge en ook—hoe meer ze hare oude pleegmoeder vergat, die thuis met verlangen op haar zat te wachten. En op ’t laatst dacht ze nergens anders meer aan dan aan haar eigen plezier. Ze zwierde maar in ’t rond, lachte, praatte.....
Maar hemel, wat was dat! “Boem, boem, boem, boem!” klonk het door de zaal. Alles dreunde en kraakte, ’t Was, of er vlak bij kanonnen werden afgeschoten. De muzikanten hielden dadelijk op met spelen, en alle gasten liepen angstig door elkaar.
En het bleef niet bij een paar slagen: ’t ging maar zonder ophouden: boem, boem, boem, al harder en harder. De menschen in de stad hoorden het ook. Vreeselijk verschrikt sprongen ze hun bed uit en liepen naar vensters en deuren, om te zien, wat er toch te doen was.—
En Hilda? Zij was natuurlijk de eenige, die alles wel begreep.Tochhet horloge! ’t Was, of het zeggen wou: “Stop me maar weg, zoover je wilt: ik laat je niet met rust, jezultme hooren!”
Ja, ze begreep alles, de arme Hilda, en ze was er zoo door in de war, dat ze niet wist, wat ze deed. Ze sloeg de handen voor ’t gezicht en begon te schreien. Toen op eens vloog ze midden door de gasten heen, die haar verwonderd nakeken, de zaal uit, de gangen door, de deur uit en zoo blootshoofds in haar balkleedje, met balschoentjes aan de voeten, de straat op.
Als ze nu maar dadelijk om haar rijtuig gevraagd had en bedaard naar huis was gereden, dan zou het horloge op ’t zelfde oogenblik stil gehouden hebben. Maar daar dacht ze niet aan in hare groote verlegenheid. Ze vloog maar al verder en verder door de eenzame straten, altijd maar den kant uit, waar ’t geluid vandaan kwam. De voeten deden haar zeer in de dunne schoentjes, de koude nachtwind blies haar om ’t hoofd en door haar luchtig balkleedje. De menschen voor de vensters en de deuren keken haar verbaasd na en vroegen elkaar af, wie toch die dame in balcostuum wel wezen kon. Maar Hilda lette nergens op: ze liep maar voort, altijd voort.En onderwijl dreunde het door de lucht: boem, boem, boem! De grond schudde er van.
Eindelijk, eindelijk, daar was ze bij een van de poorten van de stad, dicht bij de plek, waar het horloge in de sloot lag. De poort was al gesloten: eerst na lang vragen haalde de poortwachter de sleutels en maakte de poort open. Nu dadelijk in de droge sloot. Wel scheurde Hilda haar dunne kleedje aan een’ struik, wel gleed ze telkens uit; maar wat kon haar dat alles schelen, als ze ’t horloge maar had!—En ja, daar zag ze het glinsteren in ’t maanlicht, daar had ze het in de hand! Nog altijd sloeg het met geweldige slagen: hooren en zien verging er Hilda bij.
“O, wat ben je toch een afschuwelijk ding,” riep ze bevende van boosheid, “ik wil je niet langer hebben, ik zal je stuk slaan, ik zal.....”
En ze hief de hand op, om het horloge tegen den muur te gooien—toen ze op eens eene zware hand voelde, die haar arm omlaag drukte.
Verschrikt keerde Hilda zich om, en wie stond daar vóór haar?.... Niemand anders dan—de fee!
Dadelijk hielden de zware slagen van het horloge op.
En vriendelijk, maar heel ernstig hoorde Hilda de fee zeggen: “Maar kindlief, wat ga je nu doen! Is dat goed, is dat verstandig? Moet het horloge gestraft worden, omdat het je helpen wil, een beter meisje te worden, omdat het je leeren wil op den tijd te letten?—En meen je nu heusch, dat het je iets zou gegeven hebben, als je ’t horloge tegen den muur hadt gegooid? Dan heb je het heelemaal mis! Ik ben niet voor niets eene fee: ik heb dit horloge opzettelijk betooverd. Nooit kan het stuk gaan, wat je er ook mee doet. En verbergen helpt ook niet, dat heb je nu al genoeg gezien. Al bracht je het ook naar ’t andere eindje van de wereld, toch zou het zijne stem laten hooren over landen en zeeën heen. ’t Zou toch nooit ophouden je te waarschuwen op tijd te doen, wat je doen moet!”
Toen nam de fee het horloge en hing het weer om Hilda’s hals. Hilda’s oogen stonden vol tranen, en beschaamd boog ze het hoofd. Maar de fee hief haar hoofdje weer op, keek haar vol liefde in de oogen en zei: “Kindlief, denk toch nooit: ’t horloge is mijn vijand, het wil me plagen, storen, verdriet doen. Geloof je oude peettante: ’t horloge is een vriend,die het o zoo goed met je meent. Vraag dien vriend gedurig om raad, je weet niet, hoeveel dankbare, blijde gezichten je dan om je heen zult zien en hoe ’n prettig, tevreden gevoel je zelf altijd zult hebben!—Zeg eens eerlijk: keek ooit iemand je vriendelijk aan, als je hem wachten liet? Was niet ieder dan boos of verdrietig op je? Vond je het heusch prettig, dat je overal ‘Juffertje Te Laat’ heette? ’k Geloof er niets van!—Neen, hoor eens: kijk jij maar gedurig eens naar den wijsvinger van je kleinen vriend en luister naar zijn stemmetje. Zorg, dat het stemmetje nooit weer eene stem behoeft te worden. Dan maak je jezelf en anderen gelukkig.—Dag, lieveling!”
Toen kuste de fee Hilda op ’t voorhoofd en.....
Hilda wreef zich de oogen uit, omdat ze niet gelooven kon, wat ze nu zag. Als door een’ tooverslag stond ze niet meer in haar gescheurd balkleedje buiten den stadsmuur bij de droge sloot, maar—ze zat in haar gemakkelijk huisjaponnetje in hare eigen gezellige kamer aan de tafel. En tegenover haar zat hare oude pleegmoeder met een dankbaar, tevreden gezicht en stak haar de hand toe.—
Hoe gelukkig Hilda was na al den angst, dien ze had doorgestaan, behoef ik je zeker niet te zeggen. Ze kon nu wel schreien van vreugde.
De fee—was verdwenen, en nooit heeft Hilda haar weergezien.—En hoe ging het nu verder, vraag je natuurlijk.... Van dien tijd werd Hilda een heel ander meisje, tot groote vreugde van haren vader en van ieder, die haar liefhad. En wie haar daarbij hielp, kun je wel raden. Dag en nacht had Hilda nu het horloge vlak bij zich. Heel, heel dikwijls raadpleegde ze haren vriend en luisterde hoe langer hoe meer naar het fijne stemmetje, dat maar steeds zei van: “Tik, tik, tik, tik! Denk aan den tijd, den tijd, den tijd!”—Ja, eene enkele maal moest het nog wel roepen: “Tik, tik, tik!”Maar nooit meer: “Tak, tak, tak!” En nog veel minder: “Tok, tok, tok!” of “Boem, boem, boem!”
Dat was alleen in den tijd van “Juffertje Te Laat”. En die bestond nu niet meer.
Er was eens een visscher, en die woonde met zijne vrouw in een heel armoedig hutje. Het hutje stond vlak bij een’ mesthoop, niet ver van de zee. De visscher ging alle dagen naar de zee, en hij vischte en hij vischte.
Zoo zat hij ook eens bij zijn’ hengel, en hij tuurde in het heldere water: en hij tuurde en tuurde.
Daar ging de hengel naar beneden, diep naar beneden, en toen hij hem ophaalde, hing er een groote bot aan. Toen zei de bot: “Och, visscher, ik bid je, laat mij leven, ik ben geen rechte bot, ik ben een betooverde prins. Wat helpt het je, dat je mij dood maakt, ik zou je toch niet recht smaken: doe mij weer in ’t water en laat mij zwemmen.”—“Nu,” zei de visscher, “je behoeft niet zooveel woorden te gebruiken: een’ bot, die praten kan, had ik toch wel weer laten zwemmen.” Met liet hij hem weer in ’t heldere water; daar ging de bot naar den grond en liet eene lange streep bloed achter zich. Toen stond de visscher op en ging naar zijne vrouw in het armoedige hutje bij den mesthoop.
“Man,” zei de vrouw, “heb je niets gevangen?”—“Neen,” zei de man, “ik ving een’ bot, die zei, dat hij een betooverde prins was: toen heb ik hem weer laten zwemmen.”—“Heb je je dan niets gewenscht?” zei de vrouw. “Neen,” zei de man, “wat zou ik mij wenschen?”—“Ach,” zei de vrouw, ”’t is toch naar, hier altijd in een hutje bij een’ mesthoop te wonen, dat ruikt zoo vies, je hadt ons toch een klein huisje kunnen wenschen. Ga nog heen en roep hem weerom, zeg, we wenschten ons een klein huisje, hij doet het wel.”—“Ach,” zei de man, “waarom zal ik er nog heengaan?”—“Heden nog toe,” zei de vrouw, “je hebt hem toch gevangen en hem weer laten zwemmen, hij doet het natuurlijk. Ga dadelijk heen.”
De man zag er wel wat tegen op, om te gaan; maar hij wou zijne vrouw ook graag den zin doen, en hij ging dralend naar de zee.
Toen hij er kwam, was de heele zee groen en geel en een oogenblik later paars en donkerblauw en heelemaal niet meer helder. Maar ’t water bewoog zich niet: ’t was stil. Hij ging aan den oever staan en riep: