Onder den Tooverboom.

Kalif-Ooievaar.Kalif-Ooievaar.Toen ze bij de waterplassen gekomen waren, zagen ze wezenlijk een’ ooievaar deftig op en neer stappen. Zijne hoogheid hield al klepperend een praatje in zich zelf. Op ’t zelfde oogenblik kwam er nog een ooievaar aanvliegen, ook recht op het weiland af, waar de andere ooievaar stond.“Ik wed om mijn’ baard, edele heer,” zei de grootvizier, “dat die twee daar straks een mooi gesprek met elkaar houden. Wat dunkt U er van, als we eens ooievaars werden?”“Uitstekend!” zei de Kalif. “Maar laat ons nu eerst nog eens goed nazien, hoe we weer mensch kunnen worden. Wacht eens... ja juist. Driemaal naar het oosten gebogen en Mutabor gezegd, dan ben ik weer Kalif en jij grootvizier. Maar laat ons in vredesnaam oppassen, dat we niet lachen, dan zou de grap ons leelijk bekomen.”Terwijl de Kalif sprak, zweefde de andere ooievaar boven hunne hoofden en liet zich al langzaam op de aarde neerdalen. De Kalif greep een, twee, drie, de doos uit zijn’ gordel, presenteerde haar ook den grootvizier, samen gingen ze met duim en voorvinger in de doos en snoven het poeder op, of ze hun leven lang snuifjes genomen hadden. “Mutabor!” riep de Kalif en “Mutabor!” riep de grootvizier ook.Toen—toen krompen hunne beenen in, al dunner en dunner werden ze, al rooder en rooder ook; de nette, gele pantoffels van den Kalif en zijn’ grootvizier werden ooievaarspooten, de armen werden vleugels, dehals schoot uit de schouders en werd eene el lang, de baard was weg en in plaats van kleeren hadden ze zachte veeren gekregen.De Kalif en de grootvizier stonden eerst stom van verbazing. Eindelijk riep de Kalif: “Neen, maar zoo iets heb ik van mijn leven nog niet gezien. Wat een snoeperigen snavel heb je, grootviziertje!”“Als ik het zeggen mag,” riep de grootvizier, “ziet Uwe Hoogheid er als ooievaar bijna nog knapper uit dan als Kalif. Maar kom, als ’t Uwe Hoogheid goed is, laat ons eens naar onze kameraden ginds gaan. Ik brand van verlangen om te weten, of we nu de ooievaarstaal verstaan kunnen.”Intusschen was de andere ooievaar op de weide aangekomen. Met zijn’ snavel streek hij de veeren glad, die door het vliegen wat wild waren gaan zitten en, stapte toen op den anderen ooievaar toe. De beide nieuwe ooievaars maakten, dat ze er bijkwamen, en tot hunne groote verbazing hoorden ze toen het volgende gesprek:“Goeienmorgen, juffrouw Langbeen, zoo vroeg al op de weide? Hoe gaat het?”“Dank je wel, lieve Kleppersnavel, heel wel. Ik moest even mijn ontbijt halen. Kan ik je misschien dienen met een viereltje pad, of een kikkerhammetje?”“Dank je zeer, ’k heb van morgen weinig trek. Ik kom om eene andere reden op de weide. Van avond krijgt mijn vader visite, en dan zal ik voor de gasten een dansje doen. Ik ben nu hier, om me nog een beetje te oefenen.”Pas had juffrouw Ooievaar die woorden gezegd, of ze stapte met allerlei potsierlijke bewegingen over de weide. Toen ging ze op één been staan en gebruikte den rechtervleugel als waaier, precies als eene jonge dame.De Kalif en de grootvizier proestten het uit. Ze konden niet tot bedaren komen van lachen. Eindelijk zei de Kalif: “Eene kostelijke grap, dat moet ik zeggen. Die waaier was goed. Jammer, dat wij de dieren met ons gelach op de vlucht gejaagd hebben. Wie weet, of we anders ook nog geen liedje gehoord hadden!”Maar doodelijk verschrikt riep de grootvizier: “O, Vorst, wat hebben we gedaan! We mochten niet lachen! Nu moeten we noodig het woord niet meer weten. Stel je voor, zijn leven lang zoo’n dwaze langpoot te moeten blijven. Wacht eens, daar heb je ’t al! Ik weet het woord niet meer, Uwe Hoogheid!”“Driemaal naar het oosten moesten we ons buigen en dan roepen: Mu—Mu—Mu.”—De Kalif en de grootvizier richtten zich naar het oosten en bogen en bogen, tot de lange snavels de aarde raakten, maar met den mond brachten ze het niet verder dan tot: Mu—Mu—Mu!Geen van beiden kon zich het woord herinneren en—de Kalif en de grootvizier waren en bleven—ooievaars.Treurig wandelden de twee betooverden nu door de weide: ze wisten niet, wat in hunne ellende te beginnen. Ze zaten nu eenmaal in eene ooievaarshuid en konden er niet weer uitkomen ook. Als ooievaars weer naar de stad terugkeeren en vertellen, wat hun overkomen was? Wie zou hen verstaan, en wie zou willen gelooven, dat een ooievaar de Kalif was! En—ook als de menschen hun praten verstaan konden en gelooven wilden, wie zou dan nog een’ Kalif willen hebben, die ooievaar was?Zoo zwierven ze dag aan dag van het eene veld naar het andere en aten half hun genoegen aan veldvruchten, die ze met hunne lange snavels zoo moeilijk konden eten. Ze konden er niet toe komen, als andere ooievaars kikkers en padden te nemen. Hun eenig plezier was, dat ze vliegen konden. Heel dikwijls maakten ze dan ook een reisje door de lucht, en ’t allerliefst vlogen ze naar Bagdad en zett’en ze zich op een dak neer, om te kijken, hoe het daar toeging.In de eerste dagen na hun vertrek was er eene groote onrust en treurigheid in de straten. Het volk kon zich maar niet begrijpen, waar hun Kalif met zijn’ grootvizier gebleven waren. Maar toen ze zoo wat den vierden dag na hunne betoovering eens weer op het dak van het paleis van den Kalif zaten, kregen ze wat anders te zien: een grooten optocht, die door de straten trok. Voorop trommels en fluiten, en daarachter een prachtig opgetuigd paard, en op dat paard een man in een purperen mantel! Rondom het paard schitterend gekleede heeren en daarachter al het volk uit Bagdad, schreeuwende en jubelende: “Leve onze nieuwe Kalif! leve Mizra, de heerscher van Bagdad!”Toen de beide ooievaars dat hoorden, keken ze elkaar aan, en de Kalif-ooievaar zei: “Begrijp je nu, grootvizier, waarom ik betooverd ben!Neen? Dan zal ik het je zeggen. Die Mizra is de zoon van mijn’ vijand, en die vijand is de toovenaar Kaschnur, en Kaschnur heeft mij eens gezegd: ‘Kalif, denk er om, ik zal je nog ongelukkig maken!’ Natuurlijk heeft hij met opzet dien marskramer naar mij toegezonden, om te maken, dat ik dat doosje met snuif kreeg. O, ’t is verschrikkelijk! Laat ons gauw wegvliegen: ik kan niet zien, dat die Mizra nu Kalif is in mijne plaats.”Triest en treurig vlogen de Kalif en zijn grootvizier de stad weer uit. “Laat ons ver, ver weg gaan van de stad, waar ik vroeger zoo rijk en zoo gelukkig was,” zei de Kalif.Maar ver, ver weg! dat was gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Het vliegen was nog zoo’n ongewoon werkje. “O wee, o wee,” zuchtte de grootvizier, na een uur vliegen, “ik kan niet meer. Neem me niet kwalijk, edele heer; zouden we niet eens probeeren, of we ergens een plekje kunnen vinden, waar we vannacht kunnen logeeren. Het begint al mooi donker te worden.” Ja, dat vond de Kalif toch ook wel zoo verstandig. “Kijk eens, daar beneden zie ik, dunkt mij, de overblijfselen van een oud kasteel,” zei de Kalif. “Laten we eens zien, of we daar niet in kunnen komen.”Nu daalden de beide ongelukkige ooievaars weer neer in de buurt van het oude kasteel, dat bijna heelemaal omgevallen was en dus niet weer bewoond werd. Tusschen hooge zuilen, die van lange gangen overgebleven waren, stapten ze nu op en neer en heen en weer om een geschikt plaatsje te zoeken. Eindelijk vonden ze een gedeelte, dat nog op eene kamer leek. Daar leek het hun tenminste nog een beetje gezellig, en ze besloten daarom er te blijven. Maar pas hadden ze een oogenblik rustig op één poot gestaan, toen de grootvizier fluisterde: “Edele heer en gebieder, als het niet te kinderachtig was voor een’ grootvizier en nog meer voor een’ ooievaar zou ik zeggen: ik ben wel een beetje bang hier. Ik hoorde daar een geluid, net of er iemand diep zuchtte.”De Kalif luisterde nu ook en ja: heel duidelijk hoorde hij zuchten en snikken, net of er iemand schrikkelijk treurig was. Een dier kon het niet zijn: ’t was sprekend het geluid van eene menschenstem. Nieuwsgierig en dapper stapte Kalif-ooievaar den kant uit, waar het geluid vandaan kwam, maar doodsangstig greep de grootvizier hem met den snavel bijden vleugel en bad en smeekte: “Och, heer, blijf toch hier, wie weet welke gevaren U daar weer wachten. Ik bid U, blijf toch hier!” Maar bidden en smeeken hielp niet! De Kalif had, een dapper hart onder zijn’ ooievaarsvleugel; hij rukte zich met verlies van eenige veeren los en stapte op hooge beenen eene duistere gang in.Kalif-Ooievaar.Kalif-Ooievaar.Het duurde niet lang, of hij vond eene deur, die op een kier stond, en door de opening van die deur klonk nu heel duidelijk een gezucht en gehuil, om er naar van te worden. Met den snavel stiet Kalif-ooievaar de deur open, en wat zag hij? Eene allerakeligste oude kamer, die door een getralied venster maar och zoo weinig licht kreeg, en midden op den vloer van die half verlichte kamer—een grooten nachtuil. Nu was het niet meer noodig te vragen, waar het zuchten en schreien vandaan kwam: dikke tranen rolden den armen nachtuil uit de groote ronde oogen, en uit zijn krommen bek kwamen schorre, klagende geluiden. Maar pas had de nachtuil den Kalif met zijn’ grootvizier, die toch stilletjes zijn’ meester nageloopen was, gezien, of het snikken en klagen hield op. Bevallig droogde hij met zijn bruin gevlekten vleugel de tranen, en tot verwondering van de beide ooievaars riep hij met eene vroolijke stem en met eene echte menschenstem in duidelijk verstaanbare woorden:“Welkom, weest welkom, o, ooievaars. Nu is gelukkig mijne redding nabij; want eene wijze vrouw heeft mij vroeger eens gezegd, dat ik door een’ ooievaar gelukkig zou worden!”Toen de Kalif een beetje van den schrik bekomen was en niet minder van zijne verwondering, boog hij den langen hals, maakte met zijne lange beenen eene sierlijke buiging en zei: “Lieve nachtuil, het komt mij voor, naar de woorden, die ’k van u gehoord heb, dat gij, evenals wij, een ongelukkig lot hebt. Maar ach, denk niet, dat wij ooievaars iets voor u kunnen doen. Als ge hoort, wat ons overkomen is, zult ge gauw begrijpen, hoe weinig we kunnen.”“O, vertel mij, bid ik u, wat er met u gebeurd is. Ik stel er zooveel belang in.”En de Kalif vertelde de heele geschiedenis van de betoovering.Toen de Kalif alles verteld had, zuchtte de uil diep en zei: “Ik dank u.Nu vertel ik u ook mijn lot, en ge zult zien, dat het niet minder ongelukkig is, dan het uwe.“Mijn vader is een Indisch Koning er ik ben zijne eenige ongelukkige dochter, Selma. Dezelfde toovenaar, die u ongelukkig maakte, betooverde ook mij. Eens op een’ dag kwam hij bij mijn’ vader, om te vragen, of ik de vrouw van zijn’ zoon Mizra mocht worden. Mijn vader, die nog al trotsch op mij was, werd boos, dat de zoon van een’ toovenaar mij tot vrouw dorst vragen, en driftig als hij was, liet hij den ouden toovenaar de deur uit zetten. Mizra, niet minder boos, trok een paar dagen later de kleeren van zijn’ bediende aan en wist zoo in dienst van mijn’ vader te komen. Eens op een warmen dag vroeg ik om een verfrisschend glas limonade. De nieuwe bediende bracht het mij. Dat was het begin van mijn ongeluk, want, verbeeldt je, hij had er stilletjes een tooverpoeder in gedaan, dat mij in een’ uil veranderde. Toen ik omgetooverd was, bracht hij mij hier, en met eene harde, booze stem riep hij: ‘Ziezoo, daar zul je blijven, zoo leelijk, als de nacht en veracht door alle andere dieren. Wacht nu maar, tot iemand je, zoo leelijk als je bent, tot vrouw vraagt. Alleen als dat gebeurt, kun je weer mensch worden. Zoo straf ik je trotschen vader, die mij niet goed genoeg voor je vond.“Van dat oogenblik af zijn er vele maanden voorbijgegaan. Eenzaam en treurig leef ik hier tusschen deze oude muren, afgezonderd van de wereld. Ik word geschuwd door de menschen, ja zelfs door de dieren. Met niemand kan ik meer omgaan, aan de lieve zon en de boomen en bloemen heb ik niets meer; want bij dag ben ik bijna blind. Alleen ’s avonds en ’s nachts kan ik goed zien.”Hier hield prinses-uil op te vertellen. De ongelukkige veegde met de vleugels de tranen uit hare ronde oogen.Kalif-ooievaar zat eerst eene poos in gedachten. Eindelijk schudde hij zijn hoofd en zei: “Wonderlijk, wonderlijk; ’t is ons haast net gegaan, als u. En hoe vreemd, datwiju nu juist hier moesten vinden.”“Ja,” zei de uil, “maar nog vreemder, omdat mij, toen ik nog een kind was, al voorspeld is, dat een ooievaar mij nog eens gelukkig zou maken.“Maar ik geloof zeker, dat ik wel wat voor u doen kan. Luister: de booze toovenaar, die ons beiden ongelukkig gemaakt heeft, komt elkemaand eenmaal in dit oude gebouw. Hier dichtbij is eene zaal. Daar komt hij dan samen met al zijne vrienden. Heel dikwijls heb ik in een verborgen hoekje zitten luisteren en stilletjes gekeken, wat ze daar deden. Ze vertellen elkaar dan van de booze dingen, die ze met hunne toovermiddelen uitgevoerd hebben. Als ze nu weer vergaderen, moeten we gaan luisteren, wie weet, of uwe geschiedenis niet ook verteld wordt en of we dan het woord niet kunnen hooren, dat u vergeten bent.”“O, beste prinses!” riep de Kalif, “zeg me, wanneer komt hij en waar is die zaal?”Een oogenblik bedacht prinses-uil zich. Toen zei ze met eene zachte, dralende stem: “Ja, neem mij niet kwalijk, groote Kalif, ik zou het graag zeggen; maar ik wil ook zoo graag gered worden en gij—gij kunt mij redden. Alleen als ge mij beloven wilt, dat te doen....”—“Ja, ja,” riep de Kalif ongeduldig, “dan alleen wilt ge mij alles zeggen. Kom, vertel dan maar, wat ik voor u doen kan. Natuurlijk doe ik het graag.”—“Beste Kalif,” zei de uil, “ik hoop het; maar ik ben er nog niet zoo zeker van. Ik—ja, ik durf het u haast niet te zeggen—ik kan alleen weer mensch worden, als—als gij, of de groot-vizier mij—wilt trouwen.”Daar was het er uit! Arme prinses-uil. ’t Had haar zooveel moeite gekost en nu? Zei de Kalif dadelijk: dat is goed! Neen, de Kalif liep verschrikt achteruit en trok zijn’ grootvizier stilletjes aan den vleugel om ook mee te gaan.Toen ze buiten de deur gekomen waren, zei de Kalif: “Dat is een leelijk ding. Maar we moeten toch iets wagen, en daarom moet jij haar maar tot vrouw nemen, Manzor!”“Ik!” riep de grootvizier, “maar dat kunt gij niet meenen, edele heer! Ik heb immers eene vrouw en wat zou die zeggen, als ik met nog eene tweede vrouw thuis kwam! En dan—ik ben een oud man en gij, edele heer, zijt jong en ongetrouwd en kunt immers opperbest eene mooie jonge prinses tot vrouw nemen!”“Ho, ho! dat is het juist,” zuchtte de Kalif, en hij liet treurig de vleugels hangen. “‘Jong en mooi!’ wie zegt je, dat ze jong en mooi is? Ik kan er immers niets van zien. Alles wat ik zie, is een uil, die er als uil nog al aardig uitziet; maar een uil is een uil!”Zoo redeneerden de beiden nog wel een uur lang. De een wou hierom, de ander daarom niet met prinses-uil trouwen. Toen nu eindelijk de grootvizier zei, dat hij liever zijn leven lang ooievaar wou blijven dan zijne vrouw het verdriet te doen, met nog eene vrouw thuis te komen, zei de Kalif: “Nu, in vredesnaam, laat ik haar dan maar nemen.”De arme prinses-uil had al dien tijd in angst gezeten, hoe het gesprek af zou loopen. Nu was ze recht blij met het besluit van den Kalif. “En weet je wat,” zei ze, “jullie bent op een gelukkig oogenblik hier gekomen; want ik geloof zeker te weten, dat de toovenaars van nacht vergadering houden zullen.”’s Avonds laat ging prinses-uil met de beide ooievaars de zaal zoeken, waar de toovenaars altijd bij elkaar kwamen. Eerst gingen ze door eene lange duistere gang, en ja wel, daar schemerde aan ’t eind van de gang door de reten van een ouden muur licht. “Nu doodstil,” fluisterde de uil. “Hier is eene groote opening. St! St! ik zie ze, ja, er is vergadering!”—Met hun drieën zagen ze nu door de opening en keken ze in eene prachtige oude zaal. Rondom in die zaal waren hooge zuilen of pilaren, die prachtig versierd waren. Ook schitterde de zaal van wel honderd gekleurde lichten. In ’t midden stond eene gedekte tafel, met kostelijke gerechten bezet. De tafel was rond, en om die ronde tafel stond eene canapé, waarop acht mannen zaten. Bijna had de Kalif een’ gil gegeven; want in één van die mannen herkende hij den marskramer, die hem de snuif gegeven had.En nu aan ’t luisteren. De eene toovenaar vóór, de ander na, vertelde, wat hij uitgevoerd had in den tijd, dat ze niet samen geweest waren. Eindelijk riep er een: “En nu ik! ik heb zoo’n prachtige geschiedenis te vertellen. Verbeeldt je, ik heb maar even den Kalif van Bagdad en zijn’ grootvizier in een paar ooievaars omgetooverd. Eerst werd ik zelf marskramer en toen—neen, maar ik weet mij niet te houden van het lachen, als ik bedenk, dat die voorname heeren nog altijd op hunne lange ooievaars-beenen rondloopen en het woord vergeten zijn, waardoor ze zich zelf weer tot mensch kunnen maken!”—“Wat was het voor een woord?” vroeg zijn buurman. “O, een moeilijk Latijnsch woord, dat ze niet best onthouden kunnen: Mutabor!”Toen de beide ooievaars dat woord hoorden, waren ze buiten zich zelf van blijdschap. Op hunne hooge pooten liepen ze zoo vlug de duistere gang uit, dat prinses-uil op hare korte pootjes hun haast niet bijhouden kon. Maar Kalif-ooievaar was niet ondankbaar. Toen hij buiten gekomen was, keek hij dadelijk naar prinses-uil om. “Lieve redster van mijn leven en dat van mijn’ vriend,” zei hij “ik geef u de verzekering, dat ik u tot vrouw zal nemen en u zoo gelukkig zal maken, als ik kan!”Vol ongeduld wachtten nu de drie dieren het opkomen van de zon af—eerder konden ze immers niet weten, waar het oosten was. Eindelijk ja, daar kwam de zon boven den horizon. “Daar is de zon, daar is het oosten!” riepen ze allen tegelijk. Nu bogen de ooievaars de lange halzen driemaal naar het oosten, en telkens riepen ze: ”Mutabor!” O, heerlijkheid! pas was het woord voor den derden keer uitgesproken, of de Kalif, die nu geen Kalif-ooievaar meer was en de grootvizier, die nu geen grootvizier-ooievaar meer was, vielen elkaar om den hals. Lachend en schreiend bekeken ze elkaar, alsof ze elkaar nog nooit eerder gezien hadden. En er was er nog eene derde, die hen allebei lachend en schreiend bekeek. Eene mooie jonge dame stond achter hen. Waar kwam die op eens vandaan? “Hoe is het nu, kent ge mij niet meer, prinses-nachtuil?” vroeg ze met eene lieve stem. Toen was de Kalif zóó gelukkig! Wie zou ook gedacht hebben, dat er van een’ uil zoo’n snoezige prinses kon worden! Hoe heerlijk toch, dat de Kalif de trouwbelofte gedaan had! “O!” riep hij, “nu zou ik voor geen geld van de wereld willen, dat ikgeenooievaar geweest was!”Nu stapten de drie vroolijk den weg naar Bagdad op. Gelukkig vond de Kalif in zijn’ broekzak niet alleen nog de doos met de tooversnuif, maar wat beter was—zijne geldbeurs. In het eerste dorpje, waar de wandelaars kwamen, werd er nu een rijtuig genomen, en toen ging het in vliegende vaart naar Bagdad.Neen maar, wat de menschen daar oogen opzett’en, toen hun lieve Kalif daar aan kwam rijden. Iedereen had gemeend, dat hij dood was. En boos, dat ze waren op dien valschen Kalif—dien Mizra! Ze joegen hem en zijn’ vader, den ouden bedrieger, het paleis uit. Toen zei de Kalif: “Ziezoo, nu zul jullie tot straf ook in dieren veranderen. En niet in ooievaars,neen, als blinde mollen zul je in den grond leven, dan kun je de zon nooit weer zien en het oosten nooit weer vinden en moet dus altijd mollen blijven. Snuiven en zeggen: ‘ik wil mol worden!’—“Snuiven en zeggen: ‘ik wil mol worden!’” riepen alle menschen, en ze duwden de snuif beiden bedriegers onder den neus. “Nu naar het oosten buigen en zeggen: ‘Mutabor,’” klonk het van alle kanten.—En Mizra en zijn zoon gehoorzaamden. Wat zouden ze ook tegen zooveel menschen beginnen! “Ziezoo,” zei de Kalif, “nuzijnjullie een levend voorbeeld van het spreekwoord: ‘Die voor een ander een’ kuil graaft, valt er zelf in!’De echte Kalif leefde lang en gelukkig met zijne lieve vrouw, de mooie prinses. De gezelligste uurtjes hadden ze altijd, als de grootvizier hun ’s middags aan de thee een bezoek bracht. Dan babbelden ze over den ouden tijd, toen ze nog ooievaars waren, de beide vrienden. Als de Kalif recht in zijne nopjes was, vertoonde hij grootvizier-ooievaar. Schrikkelijk deftig liep hij dan met stijve beenen de kamer op en neer, maakte met zijn’ mond een klepperend geluid, zwaaide met de armen, of het vleugels waren, en deed den grootvizier na, zooals hij naar ’t oosten boog en vergeefs: Mu—Mu—Mu! riep. Voor vrouw Kalif en de Kalif-kindertjes was die vertooning altijd eenegroote pret. Soms plaagde de Kalif zijn’ grootvizier zóó erg met zijn klepperen en zijn Mu—Mu-geroep, dat de grootvizier waarschuwend den vinger opstak en riep: “Pas op maar, pas op! of ik vertel aan Mevrouw Kalif, wat we met elkaar besproken hebben voor de deur van het oude gebouw. U weet wel, waar prinses-nachtuil woonde.” Dan kleurde Kalif, en dan was hij zoo stil als een muisje, want hij zou voor niet nog zooveel voor zijn lief vrouwtje woord willen hebben, wat hij daar van prinses-uil gezegd had.Onder den Tooverboom.’t Is een meisje, en ze heet Nellie. Ze heeft een’ vader en eene moeder en broertjes en zusjes. Die zitten allemaal gezellig aan de ontbijttafel. Vader leest de krant, Moeder smeert de boterhammen en Clara schenkt de melk in de glazen en glaasjes. “Klaar! beginnen!” roept Frits en neemt al vasteen grooten hap van zijne boterham. “Ho!” zegt Mina, “eerst moet ik zusjes broodje nog in kleine boterhammetjes snijden.” En “niet soppen Zus,” zegt ze “geen bootjes van brood weer in de melk laten drijven.” Vader heeft de krant neergelegd en smult in een geurig kopje thee, en kleine Wim waggelt over den vloer en bedelt bij ieder om een hapje “boôm, boôm,” wat boterham beduiden moet.Ja, ’t was heel gezellig aan de ontbijttafel in Nellie’s huis. Maar waar was Nellie zelf? Ja—Nellie was er niet. Eén bordje stond te wachten, en dat was het bordje van Nellie. “Waar blijft Nellie?” vraagt Moeder. “Ik weet het niet,” zegt Clara, “ze is dadelijk na mij opgestaan, en ze was al bezig het haar te vlechten, toen ik naar beneden ging.”“Waar zit ze dan weer,” bromde Vader verdrietig, “ga eens kijken.” “Nellie zoeken, Nellie zoeken!” kraaiden de jongens, en ze sprongen van den stoel op. “Neen, gekheid,” zei Moeder, “jullie blijft zitten. Clara kan alleen wel gaan. Zeg, dat Nellie dadelijk hier komt, klaar of niet klaar.” Een oogenblik later kwam Clara weer binnen met Nellie, die zich half mee liet trekken. En geen wonder! Hoe moest Nellie zich laten zien! Eén arm in, één arm uit het nachtjaponnetje, ééne vlecht in het haar, den kam in de eene en—een vertelselboek in de andere hand.“Zoo,” knorde Vader, “moest jij weer boterham eten met Roodkapje of Kleinduimpje?”“Kind, kind, weer gelezen?” zei Moeder, “wat is dat toch een verdriet. Kom, geef mij dat boek nu eens en ga je vlug aankleeden.”Een oogenblik later kwam Nellie terug met roode oogen. Verdrietig dronk ze hare melk, die koud geworden was, keek de broers, die haar uitlachten, zwart aan, stiet kleinen Wim, die ook van haar zijn “boôm” wou hebben, weg en bromde tegen Clara: “Naar kind, waarom heb je me niet geroepen!” En niets zag Nellie er van, dat de ontbijttafel gezellig leek. Ze was wat blij, toen ze de boterham op had.Nu naar school. Maar—waar was haar tasch? Kijk, nu zit de sponsdoos er weer niet in. En de pen? O, ja, die was gisteren avond onder de tafel gevallen, en ze had haar niet meer opgezocht, omdat ze nog zoo graag hare vertelling uit wou lezen. Later had ze ’t vergeten. Gauw! de anderen waren de deur al uit. Wacht, nog even “Bij Saartje,” in haartasch gestopt. Vervelend, Moeder had nu ’t andere boek in de linnenkast gesloten. Ze kwam nog net op tijd op school; maar de andere meisjes zaten toch al allemaal op haar plaatsen. De juffrouw keek haar dan ook onvriendelijk aan; maar Nellie zag er niet veel van. Ze was zoo in gedachten: de vertelling, die ze van morgen begonnen was, was zoo mooi. ”’k Wou, dat ik nu eens wist, wat Paul daar boven op dien berg vond, dat zoo klopte,” dacht ze. En—ik moet toch zien, dat ik het boek van Moeder terug krijg.De meisjes moesten versjes opzeggen. Daar kon Nellie flink aan mee doen. Versjes leeren, daar hield ze van: ze kende ze ook dadelijk van buiten. Maar nu zou er gerekend worden. Daar had Nellie heelemaal geen’ zin in. En wat deed ze nu? ’t Was meer dan erg! Stilletjes sloeg ze het meegebrachte vertelselboek open en lei het op haar schoot. De juffrouw merkte gauw, dat ze niet met hare gedachten bij de sommen was. Toen alle meisjes nu de som uitgerekend hadden, vroeg ze op eens: “Wat heb jij er uit, Nellie?”—“Twee honderd!” hoorde Nellie in de buurt fluisteren. “Twee honderd!” riep Nellie. “Wat twee honderd, waarvan twee honderd?” vroeg de juffrouw. En Nellie, die zich herinnerde, dat er een poosje te voren over vingers gepraat was, riep: “Twee honderd vingers!” De geheele klasse barstte in lachen uit. Vijf en twintig spinnen, die samen twee honderd vingers hadden, ’t was ook al te gek. Maar de juffrouw schudde het hoofd. “Kind, kind, waar heb je je gedachten weer,” zuchtte ze. “Kom eens hier bij mij staan, dan moet ik maar op je passen, als je er zelf te klein voor bent.” Nellie stond op. Plof! daar viel wat. “Breng eens hier, wat daar valt!” zei de juffrouw. Daar kwam Nellie aan, ’t hoofd gebogen, stapje voor stapje: het vertelselboek in de hand. “Zoo,” zei de juffrouw, “wou jij daar rekenen uit leeren? Nellie, Nellie, kind, hoe is ’t mogelijk! En als je je best doet, kun je nog wel zoo aardig rekenen! Nu, dat boek zal ik vooreerst maar eens in de kast sluiten.”Wat schaamde Nellie zich! Ze kon onder de besten van de klasse behooren, en nu als een klein kindje bij de juffrouw te moeten staan! Met een vervelend gevoel ging ze om twaalf uur naar huis. En nu was ze hare beide vertelselboeken kwijt. Dat was toch al te erg. “Ik moet zien, dat ik het boek van Moeder terug krijg,” dacht ze. Maar hoe? Er om vragen? Zewist zeker, dat Moeder het niet geven zou. Wat dan? Ze zou zien, dat ze ’t stilletjes uit de linnenkast nam. Ze kon nu eenmaal niet zonder boek wezen. Na den eten ging Clara met al de kinderen in den tuin spelen. Vader ging dan in de slaapkamer een middagslaapje houden, en Moeder dribbelde wat heen en weer. Dan zou ze ’t boek zien te krijgen.Gezegd, gedaan. Zoodra ze een oogenblik alleen was, trok ze de zware la uit de linnenkast. Te haastig. Plof! daar viel de heele la er uit, en dat op hare teenen. Ze kromp van de pijn. En tot overmaat van verdriet kwam Moeder op het lawaai af. “Foei!” zei Moeder boos, “nu wordt het toch al te erg. Moet ik nu voor mijn eigen kind de linnenkast op slot doen?” En Moeder kreeg de tranen in de oogen.Zoo maakte Nellie zich zelf en allen, die haar liefhadden, het leven onplezierig. En ze had zoo gelukkig kunnen wezen, die Nellie. Ze kon zoo lief zijn en zoo vroolijk. Ze wist altijd allerlei aardige spelletjes te bedenken, zoodat de meeste meisjes haar graag tot vriendinnetje hadden, als—als ze maar geen “mooi boek” had, zooals ze ’t noemde. Als ze dat had, dan kon de heele wereld haar niets meer schelen. Dan kroop ze met haar boek in een rustig hoekje en vergat ze alles. Dan liet ze Clara alleen op de kleintjes passen en vergat ze, Moeder eens een handje te helpen. Dan las ze tusschen twaalf en twee zoolang, tot alle kinderen al naar school waren en zij hals over hoofd maken moest, dat ze weg kwam. Dikwijls kwam ze dan ongewasschen en met slordig haar op school. Dan kreeg ze hier brommen en daar brommen, en werd ze door de broers geplaagd en uitgelachen, zoodat ze zich vaak heel ongelukkig gevoelde. Dan had ze erg medelijden met zichzelf en verbeeldde ze zich, dat niemand van haar hield, en dat het toch heel leelijk was van al de anderen, om haar niet te gunnen, dat ze las. Dan dacht ze soms: “hè, als ik nu eens geen kind van Pa en Moe was, maar een kind van een’ koning: een prinsesje! En als dan de koning mij kwam halen in een prachtigen wagen met vier paarden. Wat zouden ze dan allen oogen opzetten. En dan zouden ze eens zien, hoe goed ik was, en of ik ook wat voor een ander wou doen! Ik zou ieder een mooi cadeautje geven en Moe wel eene zijden japon. En aan de armen zou ik eene beurs met goudgeld in de handen stoppen. En dan zou ik den heelen dag op eene canapé in eene blauw zijden jurk zitten lezen, lezen!”En als Nelliedan weer beknord werd, omdat ze niet op tijd aan tafel kwam of zoo, dan dacht ze: “zie, nu wou ik nog wel zoo goed voor iedereen wezen, en zóó zijn ze nu voor mij.” En als Moe eens zei: “Kind, kun je nu dat ééne niet voor me doen, dat je wat minder leest?” dan deed Nellie haar best niet, om het boek eens een’ keer te laten liggen, maar dan dacht ze: “kijk, daar heb je ’t weer! Moe meent altijd, dat ik niets voor haar wil doen. Er moest maar eens brand komen, of roovers.—Als er roovers kwamen—ik zou ze allen in huis beschermen en redden, al ging ik er zelve dood bij. Dan zou Moe en dan zouden allen wel zeggen: ‘die Nellie was toch een best kind; jammer, dat niemand dat ooit begrepen heeft.’” En Nellie kreeg de tranen in de oogen van medelijden met zich zelf, omdat allen zoo leelijk van haar dachten.Maar—er kwam geen brand, en er kwamen geene roovers en Nellie kon dus voor niemand iets doen, dan—dat ééne; maar daaraan dacht ze niet. Ze dacht aan niets, dan aan de feeën en menschen in de boeken, die ze las, en aanwatze zou lezen enwaarze zou lezen.Waar, ja—daar had ze ook wat moeite mee. In den tuin van hare ouders was een gezellig priëel, maar daar kon ze nooit rustig zitten. Dan kwamen de broertjes er, om roovertje te spelen, en dan was het: “O, daar heb je die weer! Je hoeveelste boek is dat vandaag?” Of Clara kwam er met Zusje zitten, en dan greep Zus in de bladeren van haar boek, juist als ze aan zoo’n prachtig gedeelte was—o, neen, ze moest heel alleen wezen, dan las ze het prettigst.Eindelijk had ze een verrukkelijk plekje ontdekt, heel achter in den tuin, of eigenlijk in den tuin van den buurman. Door een gat in de schutting kon ze er komen; maar dat wist niemand. Aan de andere zij van de schutting stond een oude, een heel oude boom, en onder dien boom stond eene vermolmde bank. Daar zat ze zoo heerlijk. En ’t mooist van alles was: ze kon er veilig zitten; want de buurman was ’s zomers altijd op reis, en dan stond het huis leeg en kwam er dus ook niemand in den tuin. O, ’t was een heerlijk plekje daar: net een boom uit een groot diep bosch, uit zoo’n bosch, als er altijd in de vertellingen was, zoo’n tooverbosch. ”’t Zou je niet eens zooveel verwonderen, als er op eens eene toovergodin uit den grond kwam zetten,” dacht Nellie wel eens.Eens op een’ dag, of liever op een’ zomeravond zat Nellie ook weer onder den tooverboom, zooals ze hem noemde, natuurlijk met een boek. Ze was uit huis gevlucht voor het brommen van Moeder, die haar weer beknord had over hare leeswoede. “Je zult het er nog naar maken, dat ik alle plezierboeken voor goed wegsluit,” had Moeder gezegd. “Dan kun je in je leerboeken lezen, zooveel als je wilt.”—“Och, ja,” dacht Nellie met een’ zucht, “wie weet, of ik nu niet voor ’t laatst in een sprookjesboek lees, en ik hou’ toch zoo dol veel van sprookjes. En—kwaad is er immers niet bij, anders zou de juffrouw op school ook geene sprookjes vertellen. Wat is het toch naar, dat Moeder mij dat onschuldige plezier niet gunt. Wat ben ik toch eigenlijk een ongelukkig kind.“Kom, laat ik maar troost zoeken in mijn boek. Waar ben ik ook gebleven? O, ja, ’k was juist met ‘De drie wenschen’ begonnen. Die malle vrouw van den houthakker, zich eene worst te wenschen! Nu, als er bij mij eens eene fee kwam, ik zou beter weten, wat ik wenschen wou. Hè ja, als er eens eene fee kwam! als....” en Nellie sloeg de oogen uit het boek en keek droomend in ’t rond. Daar op eens werd het zwart voor hare oogen en suisde het in hare ooren. Angstig kneep ze de oogen dicht, en toen ze ze eindelijk weer open deed, toen ja, toen—stond er—neen was ze wakker of sliep ze? Die gedaante daar in dat doorzichtige gazen kleedje, zoo sierlijk, zoo fijn, met dat zilveren tooverstafje in de hand—dat was eene tooverfee!Met open mond staarde Nellie de verschijning aan, die met eene glasheldere stem haar aansprak:“Zie je wel, dat de feeën nog niet heelemaal uit de wereld zijn? Een enkelen keer laten we ons nog wel eens zien bij iemand, die heel erg naar ons verlangt, en zoo kom ik nu ook bij jou, mijn kind. Kom, spreek nu een’ wensch uit. Door een’ slag met mijn’ tooverstaf kan ik je geven, wat je hart begeert.”Nellie, Nellie, pas op—nu komt het er op aan. Maar één wensch! Wat zou ze zich wenschen? Rijk worden? Machtig als eene koningin? Een’ mantel, waarmee ze door de lucht kon vliegen? Op eens kreeg ze toch zoo’n zin in taartjes, en net wou ze zich een’ schotel met taartjes wenschen, toen ze gelukkig nog aan den dommen man dacht, die zich eene worst gewenschthad. Gelukkig—daar kreeg ze eene verstandige gedachte. “Machtige fee!” zei ze, “geef me, als ’t U blieft, Uw’ tooverstaf en maak, dat hij iederen wensch vervullen kan, dien ik uitspreek.”Toen Nellie dat gezegd had, boog ze haar hoofd; want ze schaamde zich voor hare begeerigheid. Maar de fee zei met vriendelijke stem: “Je vraagt wel wat veel, maar toe dan maar—ik wil voor een jaar je zin doen—we zullen zien, of de staf je ’t geluk brengt, waarnaar je al zoo lang verlangd hebt. Altijd, als je iets wenscht, heb je maar met het staf je op den grond te slaan en—. je wensch is vervuld. Maar één ding moet je weten: je kunt je alleenzichtbaredingen wenschen. En—mondje dicht—niemand mag weten, dat ik bij je geweest ben en je een tooverstafje gegeven heb.” Toen devriendelijkefee die woorden gezegd had, kwam er weer eene wolk voor Nellie’s oogen: ze kon niets zien, en een oogenblik later was de fee weg, maar—het zilveren tooverstafje was nog in de hand van Nellie. O, heerlijkheid! Wat zou nu haar eerste wensch zijn! Daar dacht ze weer aan den schotel met taartjes. Nu kon ze gerust haar wensch vervullen: ze kon nu immers zooveel wenschen vervuld krijgen. Taartjes dus—neen—ze had nog liever een lekkeren pudding. Ze had ’s middags zoo weinig gegeten van de grauwe erwten, waar ze niet van hield. “Een chocolâpudding dan!” riep ze, en ze klopte met haar tooverstafje op den grond. Kijk, daar stond wezenlijk al een heerlijke chocoladepudding voor haar! Wat was die Nellie gelukkig! Ze smulde en smulde, tot het heele puddinkje op was. En nu werd het ook mooi tijd, om naar huis te gaan; ’t werd al wat donker. Nellie verstopte het tooverstafje onder hare kleeren en trippelde overgelukkig naar huis.In de verte hoorde ze al gelach en gepraat. ’t Heele huisgezin zat, onder de veranda, en Moeder trakteerde op zure melk. “Kom, Nellie,” zei Clara, “hier is je bordje,” maar Nellie had geen’ lust meer in zure melk na ’t eten van den pudding: ze bedankte. “Hoe is ’t mogelijk,” riep Clara, “lust je geen zure melk, en ik meende nog wel, dat je er zoo blij mee wezen zou!”—“Ik heb er van avond geen’ lust in,” zei Nellie. “Och, Nellie heeft zeker al wat gebruikt bij de eene of andere fee,” zei Theodoor. “Ja, jongetje,” dacht Nellie, “je moest ook maar eens weten, wat ik weet!”Nu bracht Clara de kleintjes naar bed. “Kom, Nellie,” zei Moeder,“help ook eens mee. Kleed ook eens een van de kleintjes uit!” Maar daar riepen al de kinderstemmetjes: “Niet met Nellie!”—“Ik met Clara!”—“Zie, ze willen toch niet door mij geholpen worden,” bromde Nellie. “Dat komt, doordat je ze bij ’t helpen nooit eens aardig aan den praat houdt: je zit altijd met de gedachten in je boeken,” zei Moeder.Toen de kleintjes in bed waren, gingen Vader en Moeder en de grootere kinderen nog een gezellig praatje houden, maar Nellie wou maar liever in bed gaan. Ze voelde, dat je van feeënpudding ook te veel kon eten. Het duurde niet lang, of Nellie lag onder de dekens en droomde van haar tooverstafje en van al de heerlijkheden, die ze daardoor nu krijgen kon.Den volgenden morgen was het droog-brood-dag, zooals de kinderen het noemden. Dan kreeg niemand boter op het brood, en voor het geld, dat Moeder daardoor bespaarde, werd er brood gekocht voor een arm huisgezin. De kinderen hadden er allemaal plezier in, uit hun eigen mond iets voor arme kinderen te sparen, en beurt voor beurt mochten ze dan op dien dag een groot wittebrood zelf brengen. Nellie had ook altijd met plezier meegedaan en met trots haar droog brood gegeten; maar nu—ze schoof hare sneetjes ongemerkt op zij en deed de meeste melk stilletjes in het schoteltje van de poes. Ze kon immers wat beters krijgen. Toen de andere kinderen de schooltasschen in orde maakten, ging ze vlug even op de leege slaapkamer en klopte met haar tooverstafje op den grond. “Chocolade met beschuitjes!” riep ze. En ja wel, hoor, daar stond dadelijk een groote kop chocola en een bordje met beschuitjes klaar. Nellie was nog aan ’t smullen, toen het negen uur sloeg—de kop verdween gelukkig—de overige beschuitjes stopte ze in de schooltasch, en toen—ja toen ze de schooltasch zag, schoot haar met schrik te binnen, dat ze vergeten had hare les te leeren. Wacht, ze zou onderweg even wenschen, dat de les in haar hoofd kwam. Maar—daar bedacht ze, dat de fee gezegd had: alleenzichtbaredingen—dat ging dus niet; en nu moest Nellie, de lieveling van de feeën, die voor haar eigen gebruik een’ tooverstaf had, die dus veel machtiger was, dan alle groote menschen—nu moest diezelfde Nellie verdragen, dat ze voor de heele klasse beknord werd, omdat ze hare les niet kende! Toen eindelijk de schooldeur achter haar dicht viel, was hare eerste gedachte: de tooverstaf! Gelukkig, nu kon ze zich weer wat wenschen enhaar verdriet vergeten. En wat wenschte Nellie zich nu wel? Weer lekkers? Neen, ze dacht ook aan andere dingen, dan aan eten en drinken. Een nieuw vertelselboek was nu het eerst aan de beurt. En het kwam—met een prachtigen band en beeldige platen. Neen, maar, wat een genot! Nu mocht Moeder gerust al hare leesboeken wegsluiten en al de leerboeken laten staan. Ze zou nu altijd wel een hoekje vinden, waar ze een nieuw boek te voorschijn kon tooveren.Mooie kleeren wou Nellie zich ook zoo graag eens wenschen, maar dat ging niet. Moeder en de broertjes en zusjes zouden natuurlijk dadelijk vragen: “Hoe kom je aan die jurk?” of “hé, wat heb jij daar voor een’ hoed op?” Eens had ze zoo’n lust eens te zien, hoe mooi ze zich wel zou kunnen maken. Ze ging onder den feeënboom en wenschte zich daar een keurig pakje. Neen, maar zoo iets moois, als ze kreeg! Ze leek wel eene kleine prinses, toen ze zich in een zakspiegeltje bekeek. Maar ze had er toch het rechte plezier niet van—ze was in voortdurenden angst, dat iemand haar ontdekken zou, en dan was ’t misschien uit met de heerlijkheid. Ook—’t was zoo vervelend—Moeder merkte, dat ze zoo vaak alleen wou wezen en beknorde haar daarover. Zoo kon ze dus nog minder dan anders op haar heerlijk feeënplaatsje gaan.Soms—ja soms bracht het tooverstafje teleurstelling. Dan kreeg Nellie een gevoel van: je kunt er toch lang alles niet mee krijgen. Dan begreep ze, dat er toch ook zooveel “onzichtbaars” was, dat ze zich wenschte. Zoo bijvoorbeeld zou ze zoo graag eens geprezen zijn door Vader, evenals Theodoor, als hij met een mooi schoolboekje thuis kwam. Of ze benijdde Clara, die een mooi handwerkje af had en dat aan Moeder liet zien. Zij had nooit meer een mooi schoolboekje, daarvoor leerde ze hare lessen te slecht en was ze te weinig met de gedachten er bij, als ze op school was. En handwerkjes, daar kwam ze nooit aan toe—ze had altijd een of ander boek te lezen, dat “zoo noodig” uit moest. Dan dacht ze wel eens: “ik wil toch ook beter leeren;” maar een oogenblik later was het weer: “och, waarvoor ook eigenlijk? Ik kan nu immers alles krijgen, wat ik begeer. Geld verdienen behoef ik later ook niet.” En dan deed ze nog minder haar best dan ooit. Wel hinderde het Nellie erg, dat ze een geheim voor Vader en Moeder had. ’t Was net, of ze niet zoo prettig en vrij meermet hen praten kon, en soms was ze maar blij, dat Moeder niet in de kamer was en schrikte ze, als Moeder op eens binnen kwam. En vroeger had ze de kamer zonder Moeder juist zoo ongezellig gevonden.—Dan was er nog wat, dat haar verdriet deed. Als er een verjaardag of een ander feestje in huis gevierd werd en Moeder op chocolâ of iets anders trakteerde, dan kon ze nooit eens meer blij zijn daarmee, zooals vroeger. Ze kreeg immers dagelijks zooveel lekkers, als ze begeerde. Als de broertjes en zusjes dan jubelden van plezier, stond zij alleen met een onverschillig gezicht er bij.Eens op een’ avond kwam Frits thuis en bedelde Vader om een zakmes. Zijn vriendje had er zoo’n mooi, hij wilde er zoo graag ook een. “Neen, mijn jongen,” zei Vader, “zakmessen koopen, dat gaat maar zoo niet. Misschien later eens, op je verjaardag.” En toen Frits een’ pruilmond zette, zei Vader: “Je moet ook ontberen leeren, ventje. Er is zoo veel in de wereld, dat je niet krijgen kunt, en dat is maar goed ook. Anders zou je gauw ’t plezier van de mooie dingen af hebben. Er moet iets te wenschen overblijven.” De kleur sloeg Nellie uit. Zou Vader gelijk hebben? Zou het niet goed wezen, dat ze alles kon krijgen, wat haar hart begeerde? Ze kreeg een gevoel, alsof ze het tooverstafje maar liever weg moest gooien. Maar—dat zou toch al te gek wezen. Zulke heerlijke dingen, als ze zich er mee tooveren kon! Boeken en poppen en lekkers en—ja, wat niet al. En van dat alles niets te nemen, als je ’t maar zoo krijgen kon! Neen, hoor!Eén ding vond Nellie erg jammer. Ze zou zoo graag ook aan anderen iets van hare heerlijkheden gegeven hebben. Wat had ze bijvoorbeeld mooi een mes kunnen wenschen en dat aan Frits geven! Maar—dan zou Frits zeggen: “Hoe kom je aan dat mes?” en als Frits het niet deed, zouden Vader en Moeder het zeker doen. Die wisten immers wel, dat Nellie zooveel geld niet hebben kon. En ze mocht haar mooie geheim immers niet verklappen.Eens op een’ Zaterdagavond—’t was juist Nellie’s beurt, om het brood naar ’t arme huisgezin te brengen—kwam ze niet ver van het arme huisje een van de arme kinderen tegen. Ze gaf het brood en toen—ja toen bedacht ze iets moois. Ze opende vlug haar beursje, dat tegenwoordig ook al door het tooverstafje altijd gevuld was, en stopte den kleinen Jacob een’ gulden in de hand. “Ziezoo,” zei ze, met een trots-klinkend stemmetje, “arme jongen, dat is voor jou.”“Voor mij?” vroeg het kind, en het keek haar met groote, verwonderde oogen aan.“Ja,” zei Nellie, “daar kun je eens een prettigen dag voor hebben.”“Hoera!” riep Jacob, en hij gooide zijne muts omhoog, zoodat het brood op de straat viel.Nellie maakte gauw, dat ze weg kwam. Ze was zoo in haar schik. Nu had een ander toch ook eens plezier van haar rijkdom. “Dat doe ik eens weer,” dacht ze. “Kan ik dan voor mijne ouders en voor mijne eigen broertjes en zusjes niets doen, dan kan ik toch vreemde menschen gelukkig maken.”Maar och, wat eene teleurstelling voor die arme Nellie!Den volgenden dag, Nellie kwam juist van eene wandeling thuis met Moeder, stond er een man op de stoep Moeder op te wachten, ’t Was de vader van Jacob. “Ach, lieve Mevrouw,” zei hij, “U bent altijd zoo goed voor ons, en ik ben U daarvoor zoo dankbaar; maar ik heb toch eenvriendelijkverzoek aan U. Als U ons weer zoo’n groot present in geld wilt geven, och geef het dan liever aan mijne vrouw of mij zelf. Jacob ....” meer kon de arme man er niet uitkrijgen. Hij begon bitter te schreien.“Ik begrijp U niet,” zei Nellie’s moeder, “een groot present in geld—en dat zou ik gegeven hebben? Maar ik heb niemand geld gegeven!”“Ja,” zei de man, “gisteren, toen Jacob het brood kreeg, heeft eene van de jongejuffrouwen hem toch een’ gulden gegeven.”“Dat kan niet waar wezen,” zei Nellie’s moeder, “zooveel geld zou ik niet kunnen geven en mijne kinderen nog veel minder. Bovendien geef ik kinderen nooit zooveel geld op eens.”“Dat is toch vreemd,” zei de man, “en Jacob vertelt het mij. En toen is hij een ondeugenden straatjongen tegengekomen, en die zei: ‘Weet je wat, Jacobje, daar kunnen wij een prettigen dag voor hebben.’—‘Ja,’ zegt mijn jongen, ‘daarvoor heeft de jongejuffrouw mij den gulden eigenlijk ook gegeven.’ En toen gaan ze allerlei lekkernijen koopen, Mevrouw, ’t is zonde van ’t geld, en eindelijk ook sigaren, verbeeld U, sigaren en zoo’n dreumes van een jongen! En nu komt nog het ergste. De sigarenkoopman haalt er een’ agent bij en zegt: ‘Hoe zouden die jongensaan zooveel geld gekomen zijn!’ En toen, o, Mevrouw,” snikte de arme man, “toen werd me de jongen door een’ agent thuis gebracht, ik schaamde me dood. Ik weet wel, dat Jacob het geld eerlijk gekregen heeft; maar ik vind het toch zoo verschrikkelijk, dat dit alles gebeurd is.” Nellie kreeg het zoo benauwd bij dat verhaal, en was schrikkelijk bang, dat het uit zou komen, dat zij de oorzaak van al die ellende was. Ze maakte maar gauw, dat ze in huis kwam. Ze hoorde Moeder nog zeggen, dat zij ook niet geloofde, dat Jacob oneerlijk aan het geld was gekomen; maar dat één van haar kinderen ook onmogelijk het geld gegeven kon hebben. Dan moest het een ander meisje geweest zijn.Wat was Nellie bedroefd! Nu was haar het plezier voor een ander iets te doen, ook weer ontnomen. O, o, als ze dat toch begrepen had. Die arme Jacob voor een’ dief aangezien! En die ongelukkige Vader. Wat had ze daar een medelijden mee! Ze was toch niet zoo gelukkig met het tooverstafje, als ze gedacht had, dat ze wezen zou. Altijd zoo in ’t geheim te genieten, altijd, alsof ze iets kwaads deed. En altijd alléén plezier hebben, dat was toch ook het rechte niet. En dan—de fee had haar toch wel heel lief gevonden, anders zou die niet haar alleen een’ tooverstaf gegeven hebben, en in huis was ’t, of niemand haar lief had. Dan liep ze hier, dan daar brommen op. Dan had ze niet genoeg geleerd, dan was haar breien, dan haar haken weer niet goed genoeg. “Maar—wat ben ik toch dom!” dacht Nellie op eens. “Ik kan mij immers een plaatsje wenschen, waar ik ver van al die menschen, die ontevreden op mij zijn, rustig leven en genieten kan. Dat ik daar nu niet eerder aan gedacht heb! Maar—Moeder en Vader verlaten en al de broertjes en zusjes? Och, kom, die houden toch niet van mij! Clara is altijd de beste. Misschien, als ik weg ben—dat ze dan nog wel een beetje bedroefd zullen wezen; misschien, dat ze dan nog wel merken zullen, dat ze iets om mij geven.—Ik doe het—ik ga morgen een ander plekje wenschen, om daar gelukkig te zijn.”—Met die gedachte ging Nellie in bed. Ze sliep onrustig en werd wakker, toen Moeder ’s avond laat, vóór ze naar bed ging, bij al de kinderbedden rondging, om de kinderen nog eens toe te stoppen en ze stil een’ nachtkus te geven. En toen Moeder zich over haar heen bukte, begon haar hartje zoo te kloppen en kreeg ze een gevoel, of ze Moeder groot verdriet aanging doen. “Maar—kom,” dacht ze, “Moeder houdt nog kinderen genoeg over. Morgen—morgen zal er een heerlijk leventje beginnen.”’t Was morgen—Nellie’s broertjes en zusjes gingen naar school—Nellie niet. Die was stilletjes de deur uitgegaan en haastte zich nu, om onder den feeënboom te komen. “Ik moet gauw wezen,” dacht ze, “anders komt er zoo meteen eene boodschap van de school, waar Nellie blijft, en gaat Moeder mij zoeken.” Daar was ze gelukkig, waar ze wezen wou. Dadelijk sloeg ze met haar tooverstaf op den grond en fluisterde met een kloppend, half bang hartje: “Ik wensch me een mooi plekje ver van hier, waar ik rustig alles, wat ik wil, genieten kan.”Daar op eens werd de hemel bewolkt en kwam er een dikke mist. Dichter en dichter werd de mist, ’t was, of er een sluier voor Nellie’s oogen hing die maakte, dat ze niet kon zien. Nog dichter werd de nevel—nu kon ze ook bijna niet meer hooren—ze wist niet meer, waar ze was en wat er met haar gebeurde. Eindelijk werd ze weer gewoon. Eerst hoorde ze geluiden uit de verte—toen kon ze weer zien, en wat wat zag ze? Eerst helderen zonneschijn—eene blauwe lucht, groene weiden, groene boomen en toen—o, dat was nog mooier, dan ze zich iets wenschen kon—vlak vóór haar aan ’t eind van de groene weide tusschen de groene boomen een aardig klein kasteel met een gezellig balkon, begroeid met klimop en paarse bloemklokken. In ’t midden eene breede marmeren trap! In een oogenblik was Nellie de trap op. Daar stond ze voor de open deur van eene groote kamer, eene kamer zoo vriendelijk, met rondom ramen, die in den tuin uitzagen.En de tuin zelf! wat was die mooi! Een bed met rozen, een bed met vergeetmijnietjes, een perk met viooltjes. En de paden daartusschen van helder fijn grint, schitterend in de zon! Midden op een perk, begroeid met mos en varens, was eene fontein, die hoog in de lucht sprong en met fijne straaltjes op de planten weer neerkwam.—En dan overal van die aardige prieeltjes met eene gemakkelijke bank en stoeltjes om op te zitten. Tusschen de bloeiende struiken en de boomen huppelden de aardigste vogeltjes, en die zongen en kwinkeleerden zóó mooi, dat je wel moestblijven staan luisteren, of je wou of niet. Nellie liep den heelen tuin door en bewonderde hier en bewonderde daar, tot ze op eens bedacht, dat ze nog maar ééne kamer van het kasteel gezien had. Toen weer naar binnen en daar aan ’t bewonderen. Naast de mooie tuinkamer eene eetkamer, waar een heerlijk ontbijt klaar stond met chocolâ en gelei en ja—van alles wat maar lekker was. En mooi dat de kopjes en bordjes waren!—Maar Nellie gunde zich den tijd niet iets te gebruiken. Ze was de trap al op naar boven. Neen maar, die slaapkamer! ’t Leek wel, of er eene prinses moest slapen. Een bed met zijden dekens, een geborduurd hoofdkussen en gordijnen—rozerood met witte lelietjes! Verder weer eene speelkamer met de snoezigste poppen.—Een verder allerlei mooi speelgoed. En—’t laatste ’t beste! Eene leeskamer met boekenkasten, vol van boeken in prachtbanden. In die kamer gemakkelijke kanapeetjes, om op te zitten. Nellie schaterde van pret! O, wat kon ze hier heerlijk zitten lezen, zoo rustig, zoo stil! Nooit behoefde ze bang te zijn, dat haar iemand zou hinderen of plagen. Lezen kon ze—lezen zooveel en zoolang, als ze wou, in al die mooie boeken, en nooit behoefde ze bang te wezen, dat er iemand zou komen, die zei: “Zit je daar al weer met een boek? Doe toch ook eens iets anders dan lezen!”Och, och, wat voelde die Nellie zich rijk en gelukkig. Nog eens weer alles bekeken en toen eene heerlijke boterham gegeten en toen in een kanapeetje aan ’t lezen. O, o, wat een mooi boek! En wat was het stil om haar heen. Niets hoorde ze dan het kwinkeleeren van de vogels. Toen ’t middag werd, ging er eene bel; maar wie belde was niet te zien. Nellie ging zoeken: daar zag ze in de eetkamer eene keurig gedekte tafel met allerlei heerlijkheden. Na den eten een beetje in den tuin wandelen, een poosje met mooie poppen spelen en toen weer lezen, één van de mooie boeken uitlezen. Toen naar bed—o, wat een heerlijk bed! ’t Was wel wat ongezellig, geene stemmetjes van broertjes en zusjes te hooren. En Nellie vond het ook zoo naar, dat Moeder niet naar haar kwam kijken. Maar—ze viel toch ook gauw in slaap. Ze was moe van ’t genieten van al die heerlijkheden.Den volgenden morgen ging ’t weer evenzoo. Maar nu begon Nellie het toch wel wat stil te vinden. Hè, wat had ze in lang geene menschenstemgehoord. En ze wou toch ook wel eens een woordje praten, ze praatte wel met de poppen, maar die gaven haar geen antwoord! Maar—wat was ze ook dom! Ze kon zich immers vriendinnetjes wenschen. Vlug nam ze haar tooverstafje en klopte ze er mee op de aarde. En zie—daar stonden zes allerliefste meisjes vóór haar, even oud als Nellie zelf. Nellie was eerst een beetje verlegen: ze wist niet, wat ze tegen die vreemde meisjes zou zeggen; maar de vreemde meisjes waren niets bang. “Wij heeten Rosa en Bettie en Suze en Martha en Emma en Lena,” zeiden ze. En toen: “O, wat woon je hier mooi, laat ons toch gauw alles eens zien!” Toen liepen de meisjes met elkaar trap op, trap af, en bewonderden al het mooie en vonden nog een heelen boel kasten met prachtige kleeren: jurkjes en schortjes en hoeden! En ze maakten zich mooi en gingen in den tuin wandelen en toen gezellig zitten eten en lezen en spelen—o, ’t was een kostelijk leventje.En zoo ging het nu dag aan dag! “Heerlijk!” riep Nellie. “Zoo zal het altijd blijven: mooier leven kan er nooit komen.” Neen, mooier leven kon er nooit komen: geen vervelend schoolwerk, dat nooit op tijd klaar kwam, geen brommen van de juffrouw! Geene breikousen, waar Moeder altijd aan gebreid wou hebben—geen onvriendelijk gezicht van Moeder. Geen brommen van Vader, geen geplaag van de jongens. Alleen ’s avonds had Nellie altijd verlangen naar Moeder en was het net, of ze lag te wachten, dat Moe evenals thuis zacht binnen zou komen om haar een’ nachtkus te geven. Maar over dag was het zoo’n leventje van plezier, dan had Nellie geen’ tijd om aan iets anders te denken.Zoo ging het eene week, zoo ging het twee weken. Toen begon Nellie een beetje moe te worden van al dat pret maken. Ook gaf ze niet meer zooveel om al dat moois en lekkers. Ze kon wel gedurig wat nieuws wenschen, maar ’t eene was toch ook al weer even mooi, als ’t andere, en lekkers, daar gaf ze niet veel meer om. Ze had in huis in den laatsten tijd ook altijd al zoo gesmuld: ”’t Is toch waar, wat Moeder wel eens zei,” dacht Nellie, “als je altijd lekker eet, proef je op ’t laatst niet meer, dat het eten lekker is, en als je altijd mooi bent, zie je ’t op ’t laatst niet meer.” En Nellie dacht aan heel lang geleden, toen ze nog niet zoo altijd en altijd zat te lezen, toen ze nog niet aan de leeskoorts leed, zooalsVader het noemde. Wat vond ze het toen prettig tusschen schooltijd en na schooltijd te mogen spelen, wat ze wou. Nu mocht ze dat ook, maar nu mocht ze ’t altijd, en nu verveelde ’t spelen haar wel eens.—En als er dan een jarig was thuis. Als Vader of Moeder jarig waren! Vader in den winter—dan mochten ze de tooverlantaren zien en een comediestukje spelen, allemaal met elkaar, de broertjes en zusjes! En dan ’s avonds om de kachel en appels braden, terwijl Vader vertelde of raadsels opgaf!—En Moeders verjaardag in den zomer! Allemaal met een grooten Janplezier uit rijden. Och, och, wat eene pret in ’t bosch voor zoo’n enkelen keer.—Nu had Nellie alle dagen de bosschen bij zich; maar ’t was net, of ze niet meer zag, hoe groen de boomen waren. Neen—en dan haar eigen verjaardag in de Meimaand, als Clara haar ’s morgens in bed een’ krans van madeliefjes opzette en allen, allen met bloemen en een klein cadeautje kwamen aandragen, tot zelfs de kleine Wim. Ze behoefde nu geene cadeautjes te hebben: ze kon zich immers alles zelf wenschen; maar—een cadeautje met liefde gegeven—dat vond Nellie toch heel wat anders.—En spelen; ja spelen kon Nellie genoeg: ze had immers zes aardige speelkameraadjes, die altijd even vriendelijk voor haar waren en haar in alles den zin deden. Maar dat was het juist—Nellie wou, dat ze haar eens niet den zin gaven, ’t Was net, of de vriendinnetjes levende ja-ja-poppen waren. Ze bleven altijd zoo gelijk—Nellie wou, dat ze ook eens boos werden, zooals de broertjes en zusjes thuis. Dan was er eens een oogenblik ruzie, en daarna was ’t weer vrede; maar nu was ’t altijd zoo saai lief en zoet. Soms—ja soms verlangde Nellie, dat ze een oogenblikje thuis mocht wezen in haar klein eenvoudig huis—soms wenschte ze, eene gewone boterham thuis te mogen eten in plaats van al die lekkernijen hier.Soms, ja. Dan dacht Nellie ook weer aan alles, wat haar het leven in huis zoo onplezierig gemaakt had: aan het brommen van Moeder, aan de gefronste wenkbrauwen van Vader, aan het geplaag van de broertjes en zusjes. Maar—heel vroeger waren die allen toch niet zoo onaardig tegen haar geweest, heel vroeger, toen ze nog niet zoo altijd en altijd zat te lezen. Toen—ze wist het nog heel goed—toen vond ze ’t in huis ook wel gezellig en prettig. Maar toen deed ze ook graag iets voor anderen, net als Clara. Zou ze misschien zelf ook een beetje schuld hebben? Maarkom—ze had nu zoo’n mooi leventje—ze kon zooveel lezen, als ze wou, en ze had altijd overvloed van mooie boeken. Maar ’t was raar, soms was ’t, of ze ’t lezen niet meer zoo prettig vond. Ze las nu ook zooveel. Maar—ze kon immers ook wel eens een handwerkje doen. Breien of naaien! Maar dat viel haar niet mee. Ze wist er zoo weinig meer van: ze wist niet eens meer, hoe ze den hiel moest breien, en het rolnaadje wou maar niet rond worden. Ze had in den laatsten tijd in huis ook zoo weinig aan ’t breien en naaien gedaan. Als Moeder haar er niet toe dwong, raakte ze nooit eene breikous of naaiwerk aan. Maar nu wist ze wat moois. Ze wou borduren en allerlei aardige dingetjes maken van mooi gekleurde wol en zijde. Daar had ze thuis ook vaak zoo’n lust in gehad, maar ze mocht niet. Moeder zei altijd: eerst maar flink leeren breien en naaien. Alleen met Sint-Niklaas mocht ze eens voor den een of ander een aardig handwerkje maken. Ze wenschte zich nu allerlei benoodigdheden voor mooie, groote handwerken. Ze kreeg, wat ze wenschte. Wat waren er prachtige patronen bij. Maar moeilijk ook, hoor! Neen, zulke moeilijke handwerken maken kon ze niet. Wacht—ze zou wenschen: ik wil de knapheid hebben, om allerlei mooie dingen te maken! Maar—neen—’t was waar ook—dat kon niet—ze kon alleen zichtbare dingen wenschen en knapheid dat was iets, waar je voor leeren moest! Nu—ze kon leeren. Die zes vriendinnetjes wilden haar graag helpen; die konden alles en waren zoo handig. Maar toen ze bezig was, schaamde Nellie zich zoo, dat zij alleen niets van handwerkjes wist, en dat ze zoo onhandig was. En toen ze eindelijk met groote moeite een paar prachtige pantoffels klaar gekregen had, toen, ja, toen speet het haar zoo, dat ze er niemand blij mee kon maken. Wat zou Vader in zijn’ schik geweest zijn met een paar pantoffels, die ze zelf voor hem gewerkt had. En Nellie dacht op eens aan heel vroeger, toen ze eens een paar eigen gebreide sokken aan Vader gegeven had. Vader had de tranen in de oogen gekregen toen en haar zijne knappe dochter genoemd. Neen—handwerkjes maken, daar had Nellie geen’ zin meer in.—Als ze eens van al haar overvloed iets aan arme menschen ging brengen? Maar daar dacht ze op eens weer aan de geschiedenis met den gulden.Ze hoorde Moeder zeggen: geven moet ook met verstand gebeuren. Maarwat dan? Och, Nellie wist het niet—ze wist alleen, dat ze in huis wou leven en nergens liever. Maar—hoe kan ze ooit weer in huis komen? En als ze in huis kon komen, waar zou ze zeggen, dat ze geweest was? En—zouden Va en Moe haar wel ooit weer willen hebben, nu ze maar zoo van hen weggeloopen was?Op eens, terwijl Nellie weer zoo zat te zuchten en te tobben, kwam er een dichte nevel voor hare oogen, en toen de nevel optrok, bleef er alleen een dunne sluier over, en achter dien sluier zag ze—de fee.“Nu kindlief, heeft mijn tooverstaf je gelukkig gemaakt?” vroeg de fee.“Neen, o, neen, beste fee,” riep Nellie. “Neem den tooverstaf terug, ik begeer al die heerlijkheden niet meer. O, ik bid U, geef mij mijn eigen huis weer met de liefde van Vader en Moeder en de broertjes en zusjes.”“Liefde kan ik je niet tooveren kind, liefde is iets, dat we ons zelf moeten verdienen. Ik kan je wel naar huis brengen, maar bedenk wel: als je eenmaal den tooverstaf terug geeft, kun je hem nooit weer krijgen. En je hebt nog lang al het mooie in de wereld niet gezien. Je kunt je zooveel wenschen, je kunt reizen over land en zee....”“Niets wil ik meer, niets!” riep Nellie: “Als ik plezier zal hebben, wil ik het zelf verdienen, en ik wil niets liever dan leven bij allen, die ik lief heb.”Toen zwaaide de fee den tooverstaf: ’t was of er een hevig onweer opkwam, alles draaide om Nellie. ’t Was, of ze met kasteel en al in een’ afgrond stortte—ze hoorde en zag niets meer.....Toen Nellie de oogen open deed, lag ze op een lekker bed en zag ze—in de lieve trouwe oogen van hare moeder.“O, Moeder, lieve Moeder,” zei Nellie met een zwak stemmetje, “waar ben ik toch?”“In je eigen bed, liefje,” zei de moeder, en ze streelde Nellie de heete wangen. “Gelukkig, dat je eindelijk wakker bent. Je hebt ons zoo angstig gemaakt.”“Angstig gemaakt? Wat heb ik dan gedaan, Moesje, en hoe kom ik hier in mijn eigen bed, in mijn eigen lief huis?”“Stil, kindje, niet zooveel praten, je bent nog zoo zwak. We hebben jeonder een’ boom gevonden in den tuin van den buurman met eene hevige koorts. Acht dagen lang heeft de koorts geduurd, en al dien tijd heb je niets dan wonderlijke dingen gepraat, van een kasteel en een tooverstafje, en ik weet niet wat al.”’t Was of Nellie een steen van ’t hart viel bij die woorden van Moeder. Ziek was ze, koorts had ze gehad acht dagen lang, en in de koorts had ze alles—gedroomd. Ze was nooit wezenlijk weg geweest—o, hoe heerlijk, dat ze die lieve, beste Moeder dat verdriet niet had aangedaan.Daar stak Theodoor zijn’ krullebol om den hoek van de deur en fluisterde: “Slaapt ze nog, Moeder?”“Ze is wakker en al een beetje beter,” zei Moeder, “maar st! rustig blijven, hoor!”Ja, rustig blijven, dat kon Moeder wel zeggen, maar een oogenblik later klonk wel uit vijf kelen tegelijk een gejubel door de gang: “Nellie is wakker, Nellie is wat beter!”Als muziek klonken Nellie die blijde stemmen van hare broertjes en zusjes in de ooren. Gelukkig, o zoo gelukkig keek ze Moeder aan. En ze pakte Moeders hand in hare beide handen en vroeg maar al weer: “Ben ik wezenlijk bij U, Moeder, en vind U me heusch ook wel een beetje lief?”“Och, gekkinnetje, geen beetje, maar heel lief,” zei Moeder. “Maar ga nu eerst weer een poosje rustig liggen en praat niet meer.”Dat deed Nellie heel gehoorzaam. En een poosje later kwam Vader met den dokter binnen. “Kom,” zei de dokter, “eindelijk de oogen open. En wat kijk je vroolijk.” En toen den pols voelende: “nog zwakjes, maar dat kan niet anders na zoo’n langdurige koorts. Ze heeft de ziekte zeker lang van te voren onder de leden gehad: dat denken altijd aan allerlei boekeverhalen, en dan dat kou vatten na ’t inslapen onder dien boom maakte, dat de koorts uitbrak. Maar nu is ze op weg van beterschap, nu maar veel gebruiken en rustig wezen en—vooral niet lezen! Geene boeken geven!”“Nooit boeken weer!” riep Nellie. “Als ik weer beter ben, ga ik al mijne mooie boeken verbranden.”“Ho, ho, wat,” zei Vader, “beloof niet te veel, kindje. Wat je belooft, moet je doen. Bovendien, is dat verbranden van boeken heelemaal niet noodig. Kijk eens, mijn Nellielief, ’t gaat er net mee, als met de mooieroode en blauwe bloemen, die tusschen het koren groeien. Ze sieren het korenveld, en we zouden ze daar voor niet nog zooveel willen missen. Maar ’t zou dom zijn op een’ akker alleen bloemen te laten groeien. Die dat deed, zou ’s zomers een prachtig veld hebben; maar ’s winters honger lijden. En dat zou mijne Nellie bijna gedaan hebben. Zij wilde alleen van de korenbloemen of de prettige boeken weten, en het koren, of de leerboeken, waar ze knap en flink door moest worden, daar hield ze niet van. Maar nu in ’t vervolg zal ze van beide houden, dat weet ik zeker.”Nellie knikte met een gelukkig lachje en tranen in de oogen Vader toe.Nu waren de broertjes en zusjes niet meer te houden, en Nellie bedelde er om, ze toch even te mogen zien. Daar kwamen ze al binnen: voorop Clara met een heerlijk kopje bouillon tot versterking, dan Theodoor, die zijn’ krakeling van den vorigen dag, Zondag, voor Nellie had bewaard, Frits met eene zelf gekleurde prent, waarop soldaten stonden met roode neuzen en gele pluimen, dan kleine Mina, die volstrekt haar mooiste pop aan Nellie wou geven: eene prachtige pop, die alleen maar pas geleden haar neus plat gevallen had. Zelfs Wim hadden ze een stukje suiker in de hand gestopt, en die riep maar al: “Mim geven!”Och, wat was Nellie blij met al die liefde van haar eigen lieve ouders en broertjes en zusjes. Ze had daar in hare ziekte immers zoo naar verlangd.Toen Nellie wat sterker was, zaten de broertjes en zusjes vaak allen om haar bed, en dan moest Nellie vertellen van hare koortsdroomen, van de tooverfee en het prachtige kasteel en de mooie vriendinnen, en dan zaten allen met open mond te luisteren. Maar als Nellie dan ook vertelde, hoe ze zich met al die heerlijkheden toch eigenlijk zoo ongelukkig gevoeld had, kregen ze de tranen in de oogen en waren ze met Nellie blij, dat het mooie kasteel eindelijk maar in den grond gezonken was.Toen Nellie heelemaal beter en sterk en flink was geworden, werd ze een heel ander meisje. Met Clara mee deed ze honderd kleinigheden voor Moeder en de kleintjes! Ze zat altijd op tijd gezellig aan tafel en hield vroolijke praatjes met den een en den ander. Op school werd ze weer een van de beste leerlingen. En lezen—ja lezen deed ze veel, maar nietteveel. Vader zorgde voor flinke boeken, waar ze ook wat uit leerenkon, maar ook voor aardige vertellingboeken. Daarin mocht ze echter alleen voor versnapering lezen, en van die enkele uurtjes, die ze daarvoor nam, had ze vrij wat meer plezier dan van al de uren, die ze vroeger in stilte tegen den wil van Vader en Moeder gebruikte. Nu begreep ze ook, hoe mooi de korenbloemen stonden tusschen het graan.Nellie werd niet op eens een engeltje van liefheid en zoetheid: ze had hare gebreken, zooals ieder ander kind; maar dat ééne, dat groote gebrek had ze niet meer, en dat maakte niemand gelukkiger dan Nellie zelf. Een vriendelijk lachje van Moeder, een tevreden knikje van Vader en een gezellig meedoen met broertjes en zusjes maakten haar het leven in huis zoo gelukkig, dat ze haar eigen huis voor het mooiste kasteel uit de feeënwereld niet had willen missen.

Kalif-Ooievaar.Kalif-Ooievaar.

Kalif-Ooievaar.

Kalif-Ooievaar.

Toen ze bij de waterplassen gekomen waren, zagen ze wezenlijk een’ ooievaar deftig op en neer stappen. Zijne hoogheid hield al klepperend een praatje in zich zelf. Op ’t zelfde oogenblik kwam er nog een ooievaar aanvliegen, ook recht op het weiland af, waar de andere ooievaar stond.

“Ik wed om mijn’ baard, edele heer,” zei de grootvizier, “dat die twee daar straks een mooi gesprek met elkaar houden. Wat dunkt U er van, als we eens ooievaars werden?”

“Uitstekend!” zei de Kalif. “Maar laat ons nu eerst nog eens goed nazien, hoe we weer mensch kunnen worden. Wacht eens... ja juist. Driemaal naar het oosten gebogen en Mutabor gezegd, dan ben ik weer Kalif en jij grootvizier. Maar laat ons in vredesnaam oppassen, dat we niet lachen, dan zou de grap ons leelijk bekomen.”

Terwijl de Kalif sprak, zweefde de andere ooievaar boven hunne hoofden en liet zich al langzaam op de aarde neerdalen. De Kalif greep een, twee, drie, de doos uit zijn’ gordel, presenteerde haar ook den grootvizier, samen gingen ze met duim en voorvinger in de doos en snoven het poeder op, of ze hun leven lang snuifjes genomen hadden. “Mutabor!” riep de Kalif en “Mutabor!” riep de grootvizier ook.

Toen—toen krompen hunne beenen in, al dunner en dunner werden ze, al rooder en rooder ook; de nette, gele pantoffels van den Kalif en zijn’ grootvizier werden ooievaarspooten, de armen werden vleugels, dehals schoot uit de schouders en werd eene el lang, de baard was weg en in plaats van kleeren hadden ze zachte veeren gekregen.

De Kalif en de grootvizier stonden eerst stom van verbazing. Eindelijk riep de Kalif: “Neen, maar zoo iets heb ik van mijn leven nog niet gezien. Wat een snoeperigen snavel heb je, grootviziertje!”

“Als ik het zeggen mag,” riep de grootvizier, “ziet Uwe Hoogheid er als ooievaar bijna nog knapper uit dan als Kalif. Maar kom, als ’t Uwe Hoogheid goed is, laat ons eens naar onze kameraden ginds gaan. Ik brand van verlangen om te weten, of we nu de ooievaarstaal verstaan kunnen.”

Intusschen was de andere ooievaar op de weide aangekomen. Met zijn’ snavel streek hij de veeren glad, die door het vliegen wat wild waren gaan zitten en, stapte toen op den anderen ooievaar toe. De beide nieuwe ooievaars maakten, dat ze er bijkwamen, en tot hunne groote verbazing hoorden ze toen het volgende gesprek:

“Goeienmorgen, juffrouw Langbeen, zoo vroeg al op de weide? Hoe gaat het?”

“Dank je wel, lieve Kleppersnavel, heel wel. Ik moest even mijn ontbijt halen. Kan ik je misschien dienen met een viereltje pad, of een kikkerhammetje?”

“Dank je zeer, ’k heb van morgen weinig trek. Ik kom om eene andere reden op de weide. Van avond krijgt mijn vader visite, en dan zal ik voor de gasten een dansje doen. Ik ben nu hier, om me nog een beetje te oefenen.”

Pas had juffrouw Ooievaar die woorden gezegd, of ze stapte met allerlei potsierlijke bewegingen over de weide. Toen ging ze op één been staan en gebruikte den rechtervleugel als waaier, precies als eene jonge dame.

De Kalif en de grootvizier proestten het uit. Ze konden niet tot bedaren komen van lachen. Eindelijk zei de Kalif: “Eene kostelijke grap, dat moet ik zeggen. Die waaier was goed. Jammer, dat wij de dieren met ons gelach op de vlucht gejaagd hebben. Wie weet, of we anders ook nog geen liedje gehoord hadden!”

Maar doodelijk verschrikt riep de grootvizier: “O, Vorst, wat hebben we gedaan! We mochten niet lachen! Nu moeten we noodig het woord niet meer weten. Stel je voor, zijn leven lang zoo’n dwaze langpoot te moeten blijven. Wacht eens, daar heb je ’t al! Ik weet het woord niet meer, Uwe Hoogheid!”

“Driemaal naar het oosten moesten we ons buigen en dan roepen: Mu—Mu—Mu.”—De Kalif en de grootvizier richtten zich naar het oosten en bogen en bogen, tot de lange snavels de aarde raakten, maar met den mond brachten ze het niet verder dan tot: Mu—Mu—Mu!

Geen van beiden kon zich het woord herinneren en—de Kalif en de grootvizier waren en bleven—ooievaars.

Treurig wandelden de twee betooverden nu door de weide: ze wisten niet, wat in hunne ellende te beginnen. Ze zaten nu eenmaal in eene ooievaarshuid en konden er niet weer uitkomen ook. Als ooievaars weer naar de stad terugkeeren en vertellen, wat hun overkomen was? Wie zou hen verstaan, en wie zou willen gelooven, dat een ooievaar de Kalif was! En—ook als de menschen hun praten verstaan konden en gelooven wilden, wie zou dan nog een’ Kalif willen hebben, die ooievaar was?

Zoo zwierven ze dag aan dag van het eene veld naar het andere en aten half hun genoegen aan veldvruchten, die ze met hunne lange snavels zoo moeilijk konden eten. Ze konden er niet toe komen, als andere ooievaars kikkers en padden te nemen. Hun eenig plezier was, dat ze vliegen konden. Heel dikwijls maakten ze dan ook een reisje door de lucht, en ’t allerliefst vlogen ze naar Bagdad en zett’en ze zich op een dak neer, om te kijken, hoe het daar toeging.

In de eerste dagen na hun vertrek was er eene groote onrust en treurigheid in de straten. Het volk kon zich maar niet begrijpen, waar hun Kalif met zijn’ grootvizier gebleven waren. Maar toen ze zoo wat den vierden dag na hunne betoovering eens weer op het dak van het paleis van den Kalif zaten, kregen ze wat anders te zien: een grooten optocht, die door de straten trok. Voorop trommels en fluiten, en daarachter een prachtig opgetuigd paard, en op dat paard een man in een purperen mantel! Rondom het paard schitterend gekleede heeren en daarachter al het volk uit Bagdad, schreeuwende en jubelende: “Leve onze nieuwe Kalif! leve Mizra, de heerscher van Bagdad!”

Toen de beide ooievaars dat hoorden, keken ze elkaar aan, en de Kalif-ooievaar zei: “Begrijp je nu, grootvizier, waarom ik betooverd ben!Neen? Dan zal ik het je zeggen. Die Mizra is de zoon van mijn’ vijand, en die vijand is de toovenaar Kaschnur, en Kaschnur heeft mij eens gezegd: ‘Kalif, denk er om, ik zal je nog ongelukkig maken!’ Natuurlijk heeft hij met opzet dien marskramer naar mij toegezonden, om te maken, dat ik dat doosje met snuif kreeg. O, ’t is verschrikkelijk! Laat ons gauw wegvliegen: ik kan niet zien, dat die Mizra nu Kalif is in mijne plaats.”

Triest en treurig vlogen de Kalif en zijn grootvizier de stad weer uit. “Laat ons ver, ver weg gaan van de stad, waar ik vroeger zoo rijk en zoo gelukkig was,” zei de Kalif.

Maar ver, ver weg! dat was gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Het vliegen was nog zoo’n ongewoon werkje. “O wee, o wee,” zuchtte de grootvizier, na een uur vliegen, “ik kan niet meer. Neem me niet kwalijk, edele heer; zouden we niet eens probeeren, of we ergens een plekje kunnen vinden, waar we vannacht kunnen logeeren. Het begint al mooi donker te worden.” Ja, dat vond de Kalif toch ook wel zoo verstandig. “Kijk eens, daar beneden zie ik, dunkt mij, de overblijfselen van een oud kasteel,” zei de Kalif. “Laten we eens zien, of we daar niet in kunnen komen.”

Nu daalden de beide ongelukkige ooievaars weer neer in de buurt van het oude kasteel, dat bijna heelemaal omgevallen was en dus niet weer bewoond werd. Tusschen hooge zuilen, die van lange gangen overgebleven waren, stapten ze nu op en neer en heen en weer om een geschikt plaatsje te zoeken. Eindelijk vonden ze een gedeelte, dat nog op eene kamer leek. Daar leek het hun tenminste nog een beetje gezellig, en ze besloten daarom er te blijven. Maar pas hadden ze een oogenblik rustig op één poot gestaan, toen de grootvizier fluisterde: “Edele heer en gebieder, als het niet te kinderachtig was voor een’ grootvizier en nog meer voor een’ ooievaar zou ik zeggen: ik ben wel een beetje bang hier. Ik hoorde daar een geluid, net of er iemand diep zuchtte.”

De Kalif luisterde nu ook en ja: heel duidelijk hoorde hij zuchten en snikken, net of er iemand schrikkelijk treurig was. Een dier kon het niet zijn: ’t was sprekend het geluid van eene menschenstem. Nieuwsgierig en dapper stapte Kalif-ooievaar den kant uit, waar het geluid vandaan kwam, maar doodsangstig greep de grootvizier hem met den snavel bijden vleugel en bad en smeekte: “Och, heer, blijf toch hier, wie weet welke gevaren U daar weer wachten. Ik bid U, blijf toch hier!” Maar bidden en smeeken hielp niet! De Kalif had, een dapper hart onder zijn’ ooievaarsvleugel; hij rukte zich met verlies van eenige veeren los en stapte op hooge beenen eene duistere gang in.

Kalif-Ooievaar.Kalif-Ooievaar.

Kalif-Ooievaar.

Kalif-Ooievaar.

Het duurde niet lang, of hij vond eene deur, die op een kier stond, en door de opening van die deur klonk nu heel duidelijk een gezucht en gehuil, om er naar van te worden. Met den snavel stiet Kalif-ooievaar de deur open, en wat zag hij? Eene allerakeligste oude kamer, die door een getralied venster maar och zoo weinig licht kreeg, en midden op den vloer van die half verlichte kamer—een grooten nachtuil. Nu was het niet meer noodig te vragen, waar het zuchten en schreien vandaan kwam: dikke tranen rolden den armen nachtuil uit de groote ronde oogen, en uit zijn krommen bek kwamen schorre, klagende geluiden. Maar pas had de nachtuil den Kalif met zijn’ grootvizier, die toch stilletjes zijn’ meester nageloopen was, gezien, of het snikken en klagen hield op. Bevallig droogde hij met zijn bruin gevlekten vleugel de tranen, en tot verwondering van de beide ooievaars riep hij met eene vroolijke stem en met eene echte menschenstem in duidelijk verstaanbare woorden:

“Welkom, weest welkom, o, ooievaars. Nu is gelukkig mijne redding nabij; want eene wijze vrouw heeft mij vroeger eens gezegd, dat ik door een’ ooievaar gelukkig zou worden!”

Toen de Kalif een beetje van den schrik bekomen was en niet minder van zijne verwondering, boog hij den langen hals, maakte met zijne lange beenen eene sierlijke buiging en zei: “Lieve nachtuil, het komt mij voor, naar de woorden, die ’k van u gehoord heb, dat gij, evenals wij, een ongelukkig lot hebt. Maar ach, denk niet, dat wij ooievaars iets voor u kunnen doen. Als ge hoort, wat ons overkomen is, zult ge gauw begrijpen, hoe weinig we kunnen.”

“O, vertel mij, bid ik u, wat er met u gebeurd is. Ik stel er zooveel belang in.”

En de Kalif vertelde de heele geschiedenis van de betoovering.

Toen de Kalif alles verteld had, zuchtte de uil diep en zei: “Ik dank u.Nu vertel ik u ook mijn lot, en ge zult zien, dat het niet minder ongelukkig is, dan het uwe.

“Mijn vader is een Indisch Koning er ik ben zijne eenige ongelukkige dochter, Selma. Dezelfde toovenaar, die u ongelukkig maakte, betooverde ook mij. Eens op een’ dag kwam hij bij mijn’ vader, om te vragen, of ik de vrouw van zijn’ zoon Mizra mocht worden. Mijn vader, die nog al trotsch op mij was, werd boos, dat de zoon van een’ toovenaar mij tot vrouw dorst vragen, en driftig als hij was, liet hij den ouden toovenaar de deur uit zetten. Mizra, niet minder boos, trok een paar dagen later de kleeren van zijn’ bediende aan en wist zoo in dienst van mijn’ vader te komen. Eens op een warmen dag vroeg ik om een verfrisschend glas limonade. De nieuwe bediende bracht het mij. Dat was het begin van mijn ongeluk, want, verbeeldt je, hij had er stilletjes een tooverpoeder in gedaan, dat mij in een’ uil veranderde. Toen ik omgetooverd was, bracht hij mij hier, en met eene harde, booze stem riep hij: ‘Ziezoo, daar zul je blijven, zoo leelijk, als de nacht en veracht door alle andere dieren. Wacht nu maar, tot iemand je, zoo leelijk als je bent, tot vrouw vraagt. Alleen als dat gebeurt, kun je weer mensch worden. Zoo straf ik je trotschen vader, die mij niet goed genoeg voor je vond.

“Van dat oogenblik af zijn er vele maanden voorbijgegaan. Eenzaam en treurig leef ik hier tusschen deze oude muren, afgezonderd van de wereld. Ik word geschuwd door de menschen, ja zelfs door de dieren. Met niemand kan ik meer omgaan, aan de lieve zon en de boomen en bloemen heb ik niets meer; want bij dag ben ik bijna blind. Alleen ’s avonds en ’s nachts kan ik goed zien.”

Hier hield prinses-uil op te vertellen. De ongelukkige veegde met de vleugels de tranen uit hare ronde oogen.

Kalif-ooievaar zat eerst eene poos in gedachten. Eindelijk schudde hij zijn hoofd en zei: “Wonderlijk, wonderlijk; ’t is ons haast net gegaan, als u. En hoe vreemd, datwiju nu juist hier moesten vinden.”

“Ja,” zei de uil, “maar nog vreemder, omdat mij, toen ik nog een kind was, al voorspeld is, dat een ooievaar mij nog eens gelukkig zou maken.

“Maar ik geloof zeker, dat ik wel wat voor u doen kan. Luister: de booze toovenaar, die ons beiden ongelukkig gemaakt heeft, komt elkemaand eenmaal in dit oude gebouw. Hier dichtbij is eene zaal. Daar komt hij dan samen met al zijne vrienden. Heel dikwijls heb ik in een verborgen hoekje zitten luisteren en stilletjes gekeken, wat ze daar deden. Ze vertellen elkaar dan van de booze dingen, die ze met hunne toovermiddelen uitgevoerd hebben. Als ze nu weer vergaderen, moeten we gaan luisteren, wie weet, of uwe geschiedenis niet ook verteld wordt en of we dan het woord niet kunnen hooren, dat u vergeten bent.”

“O, beste prinses!” riep de Kalif, “zeg me, wanneer komt hij en waar is die zaal?”

Een oogenblik bedacht prinses-uil zich. Toen zei ze met eene zachte, dralende stem: “Ja, neem mij niet kwalijk, groote Kalif, ik zou het graag zeggen; maar ik wil ook zoo graag gered worden en gij—gij kunt mij redden. Alleen als ge mij beloven wilt, dat te doen....”—“Ja, ja,” riep de Kalif ongeduldig, “dan alleen wilt ge mij alles zeggen. Kom, vertel dan maar, wat ik voor u doen kan. Natuurlijk doe ik het graag.”—“Beste Kalif,” zei de uil, “ik hoop het; maar ik ben er nog niet zoo zeker van. Ik—ja, ik durf het u haast niet te zeggen—ik kan alleen weer mensch worden, als—als gij, of de groot-vizier mij—wilt trouwen.”

Daar was het er uit! Arme prinses-uil. ’t Had haar zooveel moeite gekost en nu? Zei de Kalif dadelijk: dat is goed! Neen, de Kalif liep verschrikt achteruit en trok zijn’ grootvizier stilletjes aan den vleugel om ook mee te gaan.

Toen ze buiten de deur gekomen waren, zei de Kalif: “Dat is een leelijk ding. Maar we moeten toch iets wagen, en daarom moet jij haar maar tot vrouw nemen, Manzor!”

“Ik!” riep de grootvizier, “maar dat kunt gij niet meenen, edele heer! Ik heb immers eene vrouw en wat zou die zeggen, als ik met nog eene tweede vrouw thuis kwam! En dan—ik ben een oud man en gij, edele heer, zijt jong en ongetrouwd en kunt immers opperbest eene mooie jonge prinses tot vrouw nemen!”

“Ho, ho! dat is het juist,” zuchtte de Kalif, en hij liet treurig de vleugels hangen. “‘Jong en mooi!’ wie zegt je, dat ze jong en mooi is? Ik kan er immers niets van zien. Alles wat ik zie, is een uil, die er als uil nog al aardig uitziet; maar een uil is een uil!”

Zoo redeneerden de beiden nog wel een uur lang. De een wou hierom, de ander daarom niet met prinses-uil trouwen. Toen nu eindelijk de grootvizier zei, dat hij liever zijn leven lang ooievaar wou blijven dan zijne vrouw het verdriet te doen, met nog eene vrouw thuis te komen, zei de Kalif: “Nu, in vredesnaam, laat ik haar dan maar nemen.”

De arme prinses-uil had al dien tijd in angst gezeten, hoe het gesprek af zou loopen. Nu was ze recht blij met het besluit van den Kalif. “En weet je wat,” zei ze, “jullie bent op een gelukkig oogenblik hier gekomen; want ik geloof zeker te weten, dat de toovenaars van nacht vergadering houden zullen.”

’s Avonds laat ging prinses-uil met de beide ooievaars de zaal zoeken, waar de toovenaars altijd bij elkaar kwamen. Eerst gingen ze door eene lange duistere gang, en ja wel, daar schemerde aan ’t eind van de gang door de reten van een ouden muur licht. “Nu doodstil,” fluisterde de uil. “Hier is eene groote opening. St! St! ik zie ze, ja, er is vergadering!”—Met hun drieën zagen ze nu door de opening en keken ze in eene prachtige oude zaal. Rondom in die zaal waren hooge zuilen of pilaren, die prachtig versierd waren. Ook schitterde de zaal van wel honderd gekleurde lichten. In ’t midden stond eene gedekte tafel, met kostelijke gerechten bezet. De tafel was rond, en om die ronde tafel stond eene canapé, waarop acht mannen zaten. Bijna had de Kalif een’ gil gegeven; want in één van die mannen herkende hij den marskramer, die hem de snuif gegeven had.

En nu aan ’t luisteren. De eene toovenaar vóór, de ander na, vertelde, wat hij uitgevoerd had in den tijd, dat ze niet samen geweest waren. Eindelijk riep er een: “En nu ik! ik heb zoo’n prachtige geschiedenis te vertellen. Verbeeldt je, ik heb maar even den Kalif van Bagdad en zijn’ grootvizier in een paar ooievaars omgetooverd. Eerst werd ik zelf marskramer en toen—neen, maar ik weet mij niet te houden van het lachen, als ik bedenk, dat die voorname heeren nog altijd op hunne lange ooievaars-beenen rondloopen en het woord vergeten zijn, waardoor ze zich zelf weer tot mensch kunnen maken!”—“Wat was het voor een woord?” vroeg zijn buurman. “O, een moeilijk Latijnsch woord, dat ze niet best onthouden kunnen: Mutabor!”

Toen de beide ooievaars dat woord hoorden, waren ze buiten zich zelf van blijdschap. Op hunne hooge pooten liepen ze zoo vlug de duistere gang uit, dat prinses-uil op hare korte pootjes hun haast niet bijhouden kon. Maar Kalif-ooievaar was niet ondankbaar. Toen hij buiten gekomen was, keek hij dadelijk naar prinses-uil om. “Lieve redster van mijn leven en dat van mijn’ vriend,” zei hij “ik geef u de verzekering, dat ik u tot vrouw zal nemen en u zoo gelukkig zal maken, als ik kan!”

Vol ongeduld wachtten nu de drie dieren het opkomen van de zon af—eerder konden ze immers niet weten, waar het oosten was. Eindelijk ja, daar kwam de zon boven den horizon. “Daar is de zon, daar is het oosten!” riepen ze allen tegelijk. Nu bogen de ooievaars de lange halzen driemaal naar het oosten, en telkens riepen ze: ”Mutabor!” O, heerlijkheid! pas was het woord voor den derden keer uitgesproken, of de Kalif, die nu geen Kalif-ooievaar meer was en de grootvizier, die nu geen grootvizier-ooievaar meer was, vielen elkaar om den hals. Lachend en schreiend bekeken ze elkaar, alsof ze elkaar nog nooit eerder gezien hadden. En er was er nog eene derde, die hen allebei lachend en schreiend bekeek. Eene mooie jonge dame stond achter hen. Waar kwam die op eens vandaan? “Hoe is het nu, kent ge mij niet meer, prinses-nachtuil?” vroeg ze met eene lieve stem. Toen was de Kalif zóó gelukkig! Wie zou ook gedacht hebben, dat er van een’ uil zoo’n snoezige prinses kon worden! Hoe heerlijk toch, dat de Kalif de trouwbelofte gedaan had! “O!” riep hij, “nu zou ik voor geen geld van de wereld willen, dat ikgeenooievaar geweest was!”

Nu stapten de drie vroolijk den weg naar Bagdad op. Gelukkig vond de Kalif in zijn’ broekzak niet alleen nog de doos met de tooversnuif, maar wat beter was—zijne geldbeurs. In het eerste dorpje, waar de wandelaars kwamen, werd er nu een rijtuig genomen, en toen ging het in vliegende vaart naar Bagdad.

Neen maar, wat de menschen daar oogen opzett’en, toen hun lieve Kalif daar aan kwam rijden. Iedereen had gemeend, dat hij dood was. En boos, dat ze waren op dien valschen Kalif—dien Mizra! Ze joegen hem en zijn’ vader, den ouden bedrieger, het paleis uit. Toen zei de Kalif: “Ziezoo, nu zul jullie tot straf ook in dieren veranderen. En niet in ooievaars,neen, als blinde mollen zul je in den grond leven, dan kun je de zon nooit weer zien en het oosten nooit weer vinden en moet dus altijd mollen blijven. Snuiven en zeggen: ‘ik wil mol worden!’—“Snuiven en zeggen: ‘ik wil mol worden!’” riepen alle menschen, en ze duwden de snuif beiden bedriegers onder den neus. “Nu naar het oosten buigen en zeggen: ‘Mutabor,’” klonk het van alle kanten.—En Mizra en zijn zoon gehoorzaamden. Wat zouden ze ook tegen zooveel menschen beginnen! “Ziezoo,” zei de Kalif, “nuzijnjullie een levend voorbeeld van het spreekwoord: ‘Die voor een ander een’ kuil graaft, valt er zelf in!’

De echte Kalif leefde lang en gelukkig met zijne lieve vrouw, de mooie prinses. De gezelligste uurtjes hadden ze altijd, als de grootvizier hun ’s middags aan de thee een bezoek bracht. Dan babbelden ze over den ouden tijd, toen ze nog ooievaars waren, de beide vrienden. Als de Kalif recht in zijne nopjes was, vertoonde hij grootvizier-ooievaar. Schrikkelijk deftig liep hij dan met stijve beenen de kamer op en neer, maakte met zijn’ mond een klepperend geluid, zwaaide met de armen, of het vleugels waren, en deed den grootvizier na, zooals hij naar ’t oosten boog en vergeefs: Mu—Mu—Mu! riep. Voor vrouw Kalif en de Kalif-kindertjes was die vertooning altijd eenegroote pret. Soms plaagde de Kalif zijn’ grootvizier zóó erg met zijn klepperen en zijn Mu—Mu-geroep, dat de grootvizier waarschuwend den vinger opstak en riep: “Pas op maar, pas op! of ik vertel aan Mevrouw Kalif, wat we met elkaar besproken hebben voor de deur van het oude gebouw. U weet wel, waar prinses-nachtuil woonde.” Dan kleurde Kalif, en dan was hij zoo stil als een muisje, want hij zou voor niet nog zooveel voor zijn lief vrouwtje woord willen hebben, wat hij daar van prinses-uil gezegd had.

’t Is een meisje, en ze heet Nellie. Ze heeft een’ vader en eene moeder en broertjes en zusjes. Die zitten allemaal gezellig aan de ontbijttafel. Vader leest de krant, Moeder smeert de boterhammen en Clara schenkt de melk in de glazen en glaasjes. “Klaar! beginnen!” roept Frits en neemt al vasteen grooten hap van zijne boterham. “Ho!” zegt Mina, “eerst moet ik zusjes broodje nog in kleine boterhammetjes snijden.” En “niet soppen Zus,” zegt ze “geen bootjes van brood weer in de melk laten drijven.” Vader heeft de krant neergelegd en smult in een geurig kopje thee, en kleine Wim waggelt over den vloer en bedelt bij ieder om een hapje “boôm, boôm,” wat boterham beduiden moet.

Ja, ’t was heel gezellig aan de ontbijttafel in Nellie’s huis. Maar waar was Nellie zelf? Ja—Nellie was er niet. Eén bordje stond te wachten, en dat was het bordje van Nellie. “Waar blijft Nellie?” vraagt Moeder. “Ik weet het niet,” zegt Clara, “ze is dadelijk na mij opgestaan, en ze was al bezig het haar te vlechten, toen ik naar beneden ging.”

“Waar zit ze dan weer,” bromde Vader verdrietig, “ga eens kijken.” “Nellie zoeken, Nellie zoeken!” kraaiden de jongens, en ze sprongen van den stoel op. “Neen, gekheid,” zei Moeder, “jullie blijft zitten. Clara kan alleen wel gaan. Zeg, dat Nellie dadelijk hier komt, klaar of niet klaar.” Een oogenblik later kwam Clara weer binnen met Nellie, die zich half mee liet trekken. En geen wonder! Hoe moest Nellie zich laten zien! Eén arm in, één arm uit het nachtjaponnetje, ééne vlecht in het haar, den kam in de eene en—een vertelselboek in de andere hand.

“Zoo,” knorde Vader, “moest jij weer boterham eten met Roodkapje of Kleinduimpje?”

“Kind, kind, weer gelezen?” zei Moeder, “wat is dat toch een verdriet. Kom, geef mij dat boek nu eens en ga je vlug aankleeden.”

Een oogenblik later kwam Nellie terug met roode oogen. Verdrietig dronk ze hare melk, die koud geworden was, keek de broers, die haar uitlachten, zwart aan, stiet kleinen Wim, die ook van haar zijn “boôm” wou hebben, weg en bromde tegen Clara: “Naar kind, waarom heb je me niet geroepen!” En niets zag Nellie er van, dat de ontbijttafel gezellig leek. Ze was wat blij, toen ze de boterham op had.

Nu naar school. Maar—waar was haar tasch? Kijk, nu zit de sponsdoos er weer niet in. En de pen? O, ja, die was gisteren avond onder de tafel gevallen, en ze had haar niet meer opgezocht, omdat ze nog zoo graag hare vertelling uit wou lezen. Later had ze ’t vergeten. Gauw! de anderen waren de deur al uit. Wacht, nog even “Bij Saartje,” in haartasch gestopt. Vervelend, Moeder had nu ’t andere boek in de linnenkast gesloten. Ze kwam nog net op tijd op school; maar de andere meisjes zaten toch al allemaal op haar plaatsen. De juffrouw keek haar dan ook onvriendelijk aan; maar Nellie zag er niet veel van. Ze was zoo in gedachten: de vertelling, die ze van morgen begonnen was, was zoo mooi. ”’k Wou, dat ik nu eens wist, wat Paul daar boven op dien berg vond, dat zoo klopte,” dacht ze. En—ik moet toch zien, dat ik het boek van Moeder terug krijg.

De meisjes moesten versjes opzeggen. Daar kon Nellie flink aan mee doen. Versjes leeren, daar hield ze van: ze kende ze ook dadelijk van buiten. Maar nu zou er gerekend worden. Daar had Nellie heelemaal geen’ zin in. En wat deed ze nu? ’t Was meer dan erg! Stilletjes sloeg ze het meegebrachte vertelselboek open en lei het op haar schoot. De juffrouw merkte gauw, dat ze niet met hare gedachten bij de sommen was. Toen alle meisjes nu de som uitgerekend hadden, vroeg ze op eens: “Wat heb jij er uit, Nellie?”—“Twee honderd!” hoorde Nellie in de buurt fluisteren. “Twee honderd!” riep Nellie. “Wat twee honderd, waarvan twee honderd?” vroeg de juffrouw. En Nellie, die zich herinnerde, dat er een poosje te voren over vingers gepraat was, riep: “Twee honderd vingers!” De geheele klasse barstte in lachen uit. Vijf en twintig spinnen, die samen twee honderd vingers hadden, ’t was ook al te gek. Maar de juffrouw schudde het hoofd. “Kind, kind, waar heb je je gedachten weer,” zuchtte ze. “Kom eens hier bij mij staan, dan moet ik maar op je passen, als je er zelf te klein voor bent.” Nellie stond op. Plof! daar viel wat. “Breng eens hier, wat daar valt!” zei de juffrouw. Daar kwam Nellie aan, ’t hoofd gebogen, stapje voor stapje: het vertelselboek in de hand. “Zoo,” zei de juffrouw, “wou jij daar rekenen uit leeren? Nellie, Nellie, kind, hoe is ’t mogelijk! En als je je best doet, kun je nog wel zoo aardig rekenen! Nu, dat boek zal ik vooreerst maar eens in de kast sluiten.”

Wat schaamde Nellie zich! Ze kon onder de besten van de klasse behooren, en nu als een klein kindje bij de juffrouw te moeten staan! Met een vervelend gevoel ging ze om twaalf uur naar huis. En nu was ze hare beide vertelselboeken kwijt. Dat was toch al te erg. “Ik moet zien, dat ik het boek van Moeder terug krijg,” dacht ze. Maar hoe? Er om vragen? Zewist zeker, dat Moeder het niet geven zou. Wat dan? Ze zou zien, dat ze ’t stilletjes uit de linnenkast nam. Ze kon nu eenmaal niet zonder boek wezen. Na den eten ging Clara met al de kinderen in den tuin spelen. Vader ging dan in de slaapkamer een middagslaapje houden, en Moeder dribbelde wat heen en weer. Dan zou ze ’t boek zien te krijgen.

Gezegd, gedaan. Zoodra ze een oogenblik alleen was, trok ze de zware la uit de linnenkast. Te haastig. Plof! daar viel de heele la er uit, en dat op hare teenen. Ze kromp van de pijn. En tot overmaat van verdriet kwam Moeder op het lawaai af. “Foei!” zei Moeder boos, “nu wordt het toch al te erg. Moet ik nu voor mijn eigen kind de linnenkast op slot doen?” En Moeder kreeg de tranen in de oogen.

Zoo maakte Nellie zich zelf en allen, die haar liefhadden, het leven onplezierig. En ze had zoo gelukkig kunnen wezen, die Nellie. Ze kon zoo lief zijn en zoo vroolijk. Ze wist altijd allerlei aardige spelletjes te bedenken, zoodat de meeste meisjes haar graag tot vriendinnetje hadden, als—als ze maar geen “mooi boek” had, zooals ze ’t noemde. Als ze dat had, dan kon de heele wereld haar niets meer schelen. Dan kroop ze met haar boek in een rustig hoekje en vergat ze alles. Dan liet ze Clara alleen op de kleintjes passen en vergat ze, Moeder eens een handje te helpen. Dan las ze tusschen twaalf en twee zoolang, tot alle kinderen al naar school waren en zij hals over hoofd maken moest, dat ze weg kwam. Dikwijls kwam ze dan ongewasschen en met slordig haar op school. Dan kreeg ze hier brommen en daar brommen, en werd ze door de broers geplaagd en uitgelachen, zoodat ze zich vaak heel ongelukkig gevoelde. Dan had ze erg medelijden met zichzelf en verbeeldde ze zich, dat niemand van haar hield, en dat het toch heel leelijk was van al de anderen, om haar niet te gunnen, dat ze las. Dan dacht ze soms: “hè, als ik nu eens geen kind van Pa en Moe was, maar een kind van een’ koning: een prinsesje! En als dan de koning mij kwam halen in een prachtigen wagen met vier paarden. Wat zouden ze dan allen oogen opzetten. En dan zouden ze eens zien, hoe goed ik was, en of ik ook wat voor een ander wou doen! Ik zou ieder een mooi cadeautje geven en Moe wel eene zijden japon. En aan de armen zou ik eene beurs met goudgeld in de handen stoppen. En dan zou ik den heelen dag op eene canapé in eene blauw zijden jurk zitten lezen, lezen!”En als Nelliedan weer beknord werd, omdat ze niet op tijd aan tafel kwam of zoo, dan dacht ze: “zie, nu wou ik nog wel zoo goed voor iedereen wezen, en zóó zijn ze nu voor mij.” En als Moe eens zei: “Kind, kun je nu dat ééne niet voor me doen, dat je wat minder leest?” dan deed Nellie haar best niet, om het boek eens een’ keer te laten liggen, maar dan dacht ze: “kijk, daar heb je ’t weer! Moe meent altijd, dat ik niets voor haar wil doen. Er moest maar eens brand komen, of roovers.—Als er roovers kwamen—ik zou ze allen in huis beschermen en redden, al ging ik er zelve dood bij. Dan zou Moe en dan zouden allen wel zeggen: ‘die Nellie was toch een best kind; jammer, dat niemand dat ooit begrepen heeft.’” En Nellie kreeg de tranen in de oogen van medelijden met zich zelf, omdat allen zoo leelijk van haar dachten.

Maar—er kwam geen brand, en er kwamen geene roovers en Nellie kon dus voor niemand iets doen, dan—dat ééne; maar daaraan dacht ze niet. Ze dacht aan niets, dan aan de feeën en menschen in de boeken, die ze las, en aanwatze zou lezen enwaarze zou lezen.Waar, ja—daar had ze ook wat moeite mee. In den tuin van hare ouders was een gezellig priëel, maar daar kon ze nooit rustig zitten. Dan kwamen de broertjes er, om roovertje te spelen, en dan was het: “O, daar heb je die weer! Je hoeveelste boek is dat vandaag?” Of Clara kwam er met Zusje zitten, en dan greep Zus in de bladeren van haar boek, juist als ze aan zoo’n prachtig gedeelte was—o, neen, ze moest heel alleen wezen, dan las ze het prettigst.

Eindelijk had ze een verrukkelijk plekje ontdekt, heel achter in den tuin, of eigenlijk in den tuin van den buurman. Door een gat in de schutting kon ze er komen; maar dat wist niemand. Aan de andere zij van de schutting stond een oude, een heel oude boom, en onder dien boom stond eene vermolmde bank. Daar zat ze zoo heerlijk. En ’t mooist van alles was: ze kon er veilig zitten; want de buurman was ’s zomers altijd op reis, en dan stond het huis leeg en kwam er dus ook niemand in den tuin. O, ’t was een heerlijk plekje daar: net een boom uit een groot diep bosch, uit zoo’n bosch, als er altijd in de vertellingen was, zoo’n tooverbosch. ”’t Zou je niet eens zooveel verwonderen, als er op eens eene toovergodin uit den grond kwam zetten,” dacht Nellie wel eens.

Eens op een’ dag, of liever op een’ zomeravond zat Nellie ook weer onder den tooverboom, zooals ze hem noemde, natuurlijk met een boek. Ze was uit huis gevlucht voor het brommen van Moeder, die haar weer beknord had over hare leeswoede. “Je zult het er nog naar maken, dat ik alle plezierboeken voor goed wegsluit,” had Moeder gezegd. “Dan kun je in je leerboeken lezen, zooveel als je wilt.”—“Och, ja,” dacht Nellie met een’ zucht, “wie weet, of ik nu niet voor ’t laatst in een sprookjesboek lees, en ik hou’ toch zoo dol veel van sprookjes. En—kwaad is er immers niet bij, anders zou de juffrouw op school ook geene sprookjes vertellen. Wat is het toch naar, dat Moeder mij dat onschuldige plezier niet gunt. Wat ben ik toch eigenlijk een ongelukkig kind.

“Kom, laat ik maar troost zoeken in mijn boek. Waar ben ik ook gebleven? O, ja, ’k was juist met ‘De drie wenschen’ begonnen. Die malle vrouw van den houthakker, zich eene worst te wenschen! Nu, als er bij mij eens eene fee kwam, ik zou beter weten, wat ik wenschen wou. Hè ja, als er eens eene fee kwam! als....” en Nellie sloeg de oogen uit het boek en keek droomend in ’t rond. Daar op eens werd het zwart voor hare oogen en suisde het in hare ooren. Angstig kneep ze de oogen dicht, en toen ze ze eindelijk weer open deed, toen ja, toen—stond er—neen was ze wakker of sliep ze? Die gedaante daar in dat doorzichtige gazen kleedje, zoo sierlijk, zoo fijn, met dat zilveren tooverstafje in de hand—dat was eene tooverfee!

Met open mond staarde Nellie de verschijning aan, die met eene glasheldere stem haar aansprak:

“Zie je wel, dat de feeën nog niet heelemaal uit de wereld zijn? Een enkelen keer laten we ons nog wel eens zien bij iemand, die heel erg naar ons verlangt, en zoo kom ik nu ook bij jou, mijn kind. Kom, spreek nu een’ wensch uit. Door een’ slag met mijn’ tooverstaf kan ik je geven, wat je hart begeert.”

Nellie, Nellie, pas op—nu komt het er op aan. Maar één wensch! Wat zou ze zich wenschen? Rijk worden? Machtig als eene koningin? Een’ mantel, waarmee ze door de lucht kon vliegen? Op eens kreeg ze toch zoo’n zin in taartjes, en net wou ze zich een’ schotel met taartjes wenschen, toen ze gelukkig nog aan den dommen man dacht, die zich eene worst gewenschthad. Gelukkig—daar kreeg ze eene verstandige gedachte. “Machtige fee!” zei ze, “geef me, als ’t U blieft, Uw’ tooverstaf en maak, dat hij iederen wensch vervullen kan, dien ik uitspreek.”

Toen Nellie dat gezegd had, boog ze haar hoofd; want ze schaamde zich voor hare begeerigheid. Maar de fee zei met vriendelijke stem: “Je vraagt wel wat veel, maar toe dan maar—ik wil voor een jaar je zin doen—we zullen zien, of de staf je ’t geluk brengt, waarnaar je al zoo lang verlangd hebt. Altijd, als je iets wenscht, heb je maar met het staf je op den grond te slaan en—. je wensch is vervuld. Maar één ding moet je weten: je kunt je alleenzichtbaredingen wenschen. En—mondje dicht—niemand mag weten, dat ik bij je geweest ben en je een tooverstafje gegeven heb.” Toen devriendelijkefee die woorden gezegd had, kwam er weer eene wolk voor Nellie’s oogen: ze kon niets zien, en een oogenblik later was de fee weg, maar—het zilveren tooverstafje was nog in de hand van Nellie. O, heerlijkheid! Wat zou nu haar eerste wensch zijn! Daar dacht ze weer aan den schotel met taartjes. Nu kon ze gerust haar wensch vervullen: ze kon nu immers zooveel wenschen vervuld krijgen. Taartjes dus—neen—ze had nog liever een lekkeren pudding. Ze had ’s middags zoo weinig gegeten van de grauwe erwten, waar ze niet van hield. “Een chocolâpudding dan!” riep ze, en ze klopte met haar tooverstafje op den grond. Kijk, daar stond wezenlijk al een heerlijke chocoladepudding voor haar! Wat was die Nellie gelukkig! Ze smulde en smulde, tot het heele puddinkje op was. En nu werd het ook mooi tijd, om naar huis te gaan; ’t werd al wat donker. Nellie verstopte het tooverstafje onder hare kleeren en trippelde overgelukkig naar huis.

In de verte hoorde ze al gelach en gepraat. ’t Heele huisgezin zat, onder de veranda, en Moeder trakteerde op zure melk. “Kom, Nellie,” zei Clara, “hier is je bordje,” maar Nellie had geen’ lust meer in zure melk na ’t eten van den pudding: ze bedankte. “Hoe is ’t mogelijk,” riep Clara, “lust je geen zure melk, en ik meende nog wel, dat je er zoo blij mee wezen zou!”—“Ik heb er van avond geen’ lust in,” zei Nellie. “Och, Nellie heeft zeker al wat gebruikt bij de eene of andere fee,” zei Theodoor. “Ja, jongetje,” dacht Nellie, “je moest ook maar eens weten, wat ik weet!”

Nu bracht Clara de kleintjes naar bed. “Kom, Nellie,” zei Moeder,“help ook eens mee. Kleed ook eens een van de kleintjes uit!” Maar daar riepen al de kinderstemmetjes: “Niet met Nellie!”—“Ik met Clara!”—“Zie, ze willen toch niet door mij geholpen worden,” bromde Nellie. “Dat komt, doordat je ze bij ’t helpen nooit eens aardig aan den praat houdt: je zit altijd met de gedachten in je boeken,” zei Moeder.

Toen de kleintjes in bed waren, gingen Vader en Moeder en de grootere kinderen nog een gezellig praatje houden, maar Nellie wou maar liever in bed gaan. Ze voelde, dat je van feeënpudding ook te veel kon eten. Het duurde niet lang, of Nellie lag onder de dekens en droomde van haar tooverstafje en van al de heerlijkheden, die ze daardoor nu krijgen kon.

Den volgenden morgen was het droog-brood-dag, zooals de kinderen het noemden. Dan kreeg niemand boter op het brood, en voor het geld, dat Moeder daardoor bespaarde, werd er brood gekocht voor een arm huisgezin. De kinderen hadden er allemaal plezier in, uit hun eigen mond iets voor arme kinderen te sparen, en beurt voor beurt mochten ze dan op dien dag een groot wittebrood zelf brengen. Nellie had ook altijd met plezier meegedaan en met trots haar droog brood gegeten; maar nu—ze schoof hare sneetjes ongemerkt op zij en deed de meeste melk stilletjes in het schoteltje van de poes. Ze kon immers wat beters krijgen. Toen de andere kinderen de schooltasschen in orde maakten, ging ze vlug even op de leege slaapkamer en klopte met haar tooverstafje op den grond. “Chocolade met beschuitjes!” riep ze. En ja wel, hoor, daar stond dadelijk een groote kop chocola en een bordje met beschuitjes klaar. Nellie was nog aan ’t smullen, toen het negen uur sloeg—de kop verdween gelukkig—de overige beschuitjes stopte ze in de schooltasch, en toen—ja toen ze de schooltasch zag, schoot haar met schrik te binnen, dat ze vergeten had hare les te leeren. Wacht, ze zou onderweg even wenschen, dat de les in haar hoofd kwam. Maar—daar bedacht ze, dat de fee gezegd had: alleenzichtbaredingen—dat ging dus niet; en nu moest Nellie, de lieveling van de feeën, die voor haar eigen gebruik een’ tooverstaf had, die dus veel machtiger was, dan alle groote menschen—nu moest diezelfde Nellie verdragen, dat ze voor de heele klasse beknord werd, omdat ze hare les niet kende! Toen eindelijk de schooldeur achter haar dicht viel, was hare eerste gedachte: de tooverstaf! Gelukkig, nu kon ze zich weer wat wenschen enhaar verdriet vergeten. En wat wenschte Nellie zich nu wel? Weer lekkers? Neen, ze dacht ook aan andere dingen, dan aan eten en drinken. Een nieuw vertelselboek was nu het eerst aan de beurt. En het kwam—met een prachtigen band en beeldige platen. Neen, maar, wat een genot! Nu mocht Moeder gerust al hare leesboeken wegsluiten en al de leerboeken laten staan. Ze zou nu altijd wel een hoekje vinden, waar ze een nieuw boek te voorschijn kon tooveren.

Mooie kleeren wou Nellie zich ook zoo graag eens wenschen, maar dat ging niet. Moeder en de broertjes en zusjes zouden natuurlijk dadelijk vragen: “Hoe kom je aan die jurk?” of “hé, wat heb jij daar voor een’ hoed op?” Eens had ze zoo’n lust eens te zien, hoe mooi ze zich wel zou kunnen maken. Ze ging onder den feeënboom en wenschte zich daar een keurig pakje. Neen, maar zoo iets moois, als ze kreeg! Ze leek wel eene kleine prinses, toen ze zich in een zakspiegeltje bekeek. Maar ze had er toch het rechte plezier niet van—ze was in voortdurenden angst, dat iemand haar ontdekken zou, en dan was ’t misschien uit met de heerlijkheid. Ook—’t was zoo vervelend—Moeder merkte, dat ze zoo vaak alleen wou wezen en beknorde haar daarover. Zoo kon ze dus nog minder dan anders op haar heerlijk feeënplaatsje gaan.

Soms—ja soms bracht het tooverstafje teleurstelling. Dan kreeg Nellie een gevoel van: je kunt er toch lang alles niet mee krijgen. Dan begreep ze, dat er toch ook zooveel “onzichtbaars” was, dat ze zich wenschte. Zoo bijvoorbeeld zou ze zoo graag eens geprezen zijn door Vader, evenals Theodoor, als hij met een mooi schoolboekje thuis kwam. Of ze benijdde Clara, die een mooi handwerkje af had en dat aan Moeder liet zien. Zij had nooit meer een mooi schoolboekje, daarvoor leerde ze hare lessen te slecht en was ze te weinig met de gedachten er bij, als ze op school was. En handwerkjes, daar kwam ze nooit aan toe—ze had altijd een of ander boek te lezen, dat “zoo noodig” uit moest. Dan dacht ze wel eens: “ik wil toch ook beter leeren;” maar een oogenblik later was het weer: “och, waarvoor ook eigenlijk? Ik kan nu immers alles krijgen, wat ik begeer. Geld verdienen behoef ik later ook niet.” En dan deed ze nog minder haar best dan ooit. Wel hinderde het Nellie erg, dat ze een geheim voor Vader en Moeder had. ’t Was net, of ze niet zoo prettig en vrij meermet hen praten kon, en soms was ze maar blij, dat Moeder niet in de kamer was en schrikte ze, als Moeder op eens binnen kwam. En vroeger had ze de kamer zonder Moeder juist zoo ongezellig gevonden.—Dan was er nog wat, dat haar verdriet deed. Als er een verjaardag of een ander feestje in huis gevierd werd en Moeder op chocolâ of iets anders trakteerde, dan kon ze nooit eens meer blij zijn daarmee, zooals vroeger. Ze kreeg immers dagelijks zooveel lekkers, als ze begeerde. Als de broertjes en zusjes dan jubelden van plezier, stond zij alleen met een onverschillig gezicht er bij.

Eens op een’ avond kwam Frits thuis en bedelde Vader om een zakmes. Zijn vriendje had er zoo’n mooi, hij wilde er zoo graag ook een. “Neen, mijn jongen,” zei Vader, “zakmessen koopen, dat gaat maar zoo niet. Misschien later eens, op je verjaardag.” En toen Frits een’ pruilmond zette, zei Vader: “Je moet ook ontberen leeren, ventje. Er is zoo veel in de wereld, dat je niet krijgen kunt, en dat is maar goed ook. Anders zou je gauw ’t plezier van de mooie dingen af hebben. Er moet iets te wenschen overblijven.” De kleur sloeg Nellie uit. Zou Vader gelijk hebben? Zou het niet goed wezen, dat ze alles kon krijgen, wat haar hart begeerde? Ze kreeg een gevoel, alsof ze het tooverstafje maar liever weg moest gooien. Maar—dat zou toch al te gek wezen. Zulke heerlijke dingen, als ze zich er mee tooveren kon! Boeken en poppen en lekkers en—ja, wat niet al. En van dat alles niets te nemen, als je ’t maar zoo krijgen kon! Neen, hoor!

Eén ding vond Nellie erg jammer. Ze zou zoo graag ook aan anderen iets van hare heerlijkheden gegeven hebben. Wat had ze bijvoorbeeld mooi een mes kunnen wenschen en dat aan Frits geven! Maar—dan zou Frits zeggen: “Hoe kom je aan dat mes?” en als Frits het niet deed, zouden Vader en Moeder het zeker doen. Die wisten immers wel, dat Nellie zooveel geld niet hebben kon. En ze mocht haar mooie geheim immers niet verklappen.

Eens op een’ Zaterdagavond—’t was juist Nellie’s beurt, om het brood naar ’t arme huisgezin te brengen—kwam ze niet ver van het arme huisje een van de arme kinderen tegen. Ze gaf het brood en toen—ja toen bedacht ze iets moois. Ze opende vlug haar beursje, dat tegenwoordig ook al door het tooverstafje altijd gevuld was, en stopte den kleinen Jacob een’ gulden in de hand. “Ziezoo,” zei ze, met een trots-klinkend stemmetje, “arme jongen, dat is voor jou.”

“Voor mij?” vroeg het kind, en het keek haar met groote, verwonderde oogen aan.

“Ja,” zei Nellie, “daar kun je eens een prettigen dag voor hebben.”

“Hoera!” riep Jacob, en hij gooide zijne muts omhoog, zoodat het brood op de straat viel.

Nellie maakte gauw, dat ze weg kwam. Ze was zoo in haar schik. Nu had een ander toch ook eens plezier van haar rijkdom. “Dat doe ik eens weer,” dacht ze. “Kan ik dan voor mijne ouders en voor mijne eigen broertjes en zusjes niets doen, dan kan ik toch vreemde menschen gelukkig maken.”

Maar och, wat eene teleurstelling voor die arme Nellie!

Den volgenden dag, Nellie kwam juist van eene wandeling thuis met Moeder, stond er een man op de stoep Moeder op te wachten, ’t Was de vader van Jacob. “Ach, lieve Mevrouw,” zei hij, “U bent altijd zoo goed voor ons, en ik ben U daarvoor zoo dankbaar; maar ik heb toch eenvriendelijkverzoek aan U. Als U ons weer zoo’n groot present in geld wilt geven, och geef het dan liever aan mijne vrouw of mij zelf. Jacob ....” meer kon de arme man er niet uitkrijgen. Hij begon bitter te schreien.

“Ik begrijp U niet,” zei Nellie’s moeder, “een groot present in geld—en dat zou ik gegeven hebben? Maar ik heb niemand geld gegeven!”

“Ja,” zei de man, “gisteren, toen Jacob het brood kreeg, heeft eene van de jongejuffrouwen hem toch een’ gulden gegeven.”

“Dat kan niet waar wezen,” zei Nellie’s moeder, “zooveel geld zou ik niet kunnen geven en mijne kinderen nog veel minder. Bovendien geef ik kinderen nooit zooveel geld op eens.”

“Dat is toch vreemd,” zei de man, “en Jacob vertelt het mij. En toen is hij een ondeugenden straatjongen tegengekomen, en die zei: ‘Weet je wat, Jacobje, daar kunnen wij een prettigen dag voor hebben.’—‘Ja,’ zegt mijn jongen, ‘daarvoor heeft de jongejuffrouw mij den gulden eigenlijk ook gegeven.’ En toen gaan ze allerlei lekkernijen koopen, Mevrouw, ’t is zonde van ’t geld, en eindelijk ook sigaren, verbeeld U, sigaren en zoo’n dreumes van een jongen! En nu komt nog het ergste. De sigarenkoopman haalt er een’ agent bij en zegt: ‘Hoe zouden die jongensaan zooveel geld gekomen zijn!’ En toen, o, Mevrouw,” snikte de arme man, “toen werd me de jongen door een’ agent thuis gebracht, ik schaamde me dood. Ik weet wel, dat Jacob het geld eerlijk gekregen heeft; maar ik vind het toch zoo verschrikkelijk, dat dit alles gebeurd is.” Nellie kreeg het zoo benauwd bij dat verhaal, en was schrikkelijk bang, dat het uit zou komen, dat zij de oorzaak van al die ellende was. Ze maakte maar gauw, dat ze in huis kwam. Ze hoorde Moeder nog zeggen, dat zij ook niet geloofde, dat Jacob oneerlijk aan het geld was gekomen; maar dat één van haar kinderen ook onmogelijk het geld gegeven kon hebben. Dan moest het een ander meisje geweest zijn.

Wat was Nellie bedroefd! Nu was haar het plezier voor een ander iets te doen, ook weer ontnomen. O, o, als ze dat toch begrepen had. Die arme Jacob voor een’ dief aangezien! En die ongelukkige Vader. Wat had ze daar een medelijden mee! Ze was toch niet zoo gelukkig met het tooverstafje, als ze gedacht had, dat ze wezen zou. Altijd zoo in ’t geheim te genieten, altijd, alsof ze iets kwaads deed. En altijd alléén plezier hebben, dat was toch ook het rechte niet. En dan—de fee had haar toch wel heel lief gevonden, anders zou die niet haar alleen een’ tooverstaf gegeven hebben, en in huis was ’t, of niemand haar lief had. Dan liep ze hier, dan daar brommen op. Dan had ze niet genoeg geleerd, dan was haar breien, dan haar haken weer niet goed genoeg. “Maar—wat ben ik toch dom!” dacht Nellie op eens. “Ik kan mij immers een plaatsje wenschen, waar ik ver van al die menschen, die ontevreden op mij zijn, rustig leven en genieten kan. Dat ik daar nu niet eerder aan gedacht heb! Maar—Moeder en Vader verlaten en al de broertjes en zusjes? Och, kom, die houden toch niet van mij! Clara is altijd de beste. Misschien, als ik weg ben—dat ze dan nog wel een beetje bedroefd zullen wezen; misschien, dat ze dan nog wel merken zullen, dat ze iets om mij geven.—Ik doe het—ik ga morgen een ander plekje wenschen, om daar gelukkig te zijn.”—Met die gedachte ging Nellie in bed. Ze sliep onrustig en werd wakker, toen Moeder ’s avond laat, vóór ze naar bed ging, bij al de kinderbedden rondging, om de kinderen nog eens toe te stoppen en ze stil een’ nachtkus te geven. En toen Moeder zich over haar heen bukte, begon haar hartje zoo te kloppen en kreeg ze een gevoel, of ze Moeder groot verdriet aanging doen. “Maar—kom,” dacht ze, “Moeder houdt nog kinderen genoeg over. Morgen—morgen zal er een heerlijk leventje beginnen.”

’t Was morgen—Nellie’s broertjes en zusjes gingen naar school—Nellie niet. Die was stilletjes de deur uitgegaan en haastte zich nu, om onder den feeënboom te komen. “Ik moet gauw wezen,” dacht ze, “anders komt er zoo meteen eene boodschap van de school, waar Nellie blijft, en gaat Moeder mij zoeken.” Daar was ze gelukkig, waar ze wezen wou. Dadelijk sloeg ze met haar tooverstaf op den grond en fluisterde met een kloppend, half bang hartje: “Ik wensch me een mooi plekje ver van hier, waar ik rustig alles, wat ik wil, genieten kan.”

Daar op eens werd de hemel bewolkt en kwam er een dikke mist. Dichter en dichter werd de mist, ’t was, of er een sluier voor Nellie’s oogen hing die maakte, dat ze niet kon zien. Nog dichter werd de nevel—nu kon ze ook bijna niet meer hooren—ze wist niet meer, waar ze was en wat er met haar gebeurde. Eindelijk werd ze weer gewoon. Eerst hoorde ze geluiden uit de verte—toen kon ze weer zien, en wat wat zag ze? Eerst helderen zonneschijn—eene blauwe lucht, groene weiden, groene boomen en toen—o, dat was nog mooier, dan ze zich iets wenschen kon—vlak vóór haar aan ’t eind van de groene weide tusschen de groene boomen een aardig klein kasteel met een gezellig balkon, begroeid met klimop en paarse bloemklokken. In ’t midden eene breede marmeren trap! In een oogenblik was Nellie de trap op. Daar stond ze voor de open deur van eene groote kamer, eene kamer zoo vriendelijk, met rondom ramen, die in den tuin uitzagen.

En de tuin zelf! wat was die mooi! Een bed met rozen, een bed met vergeetmijnietjes, een perk met viooltjes. En de paden daartusschen van helder fijn grint, schitterend in de zon! Midden op een perk, begroeid met mos en varens, was eene fontein, die hoog in de lucht sprong en met fijne straaltjes op de planten weer neerkwam.—En dan overal van die aardige prieeltjes met eene gemakkelijke bank en stoeltjes om op te zitten. Tusschen de bloeiende struiken en de boomen huppelden de aardigste vogeltjes, en die zongen en kwinkeleerden zóó mooi, dat je wel moestblijven staan luisteren, of je wou of niet. Nellie liep den heelen tuin door en bewonderde hier en bewonderde daar, tot ze op eens bedacht, dat ze nog maar ééne kamer van het kasteel gezien had. Toen weer naar binnen en daar aan ’t bewonderen. Naast de mooie tuinkamer eene eetkamer, waar een heerlijk ontbijt klaar stond met chocolâ en gelei en ja—van alles wat maar lekker was. En mooi dat de kopjes en bordjes waren!—Maar Nellie gunde zich den tijd niet iets te gebruiken. Ze was de trap al op naar boven. Neen maar, die slaapkamer! ’t Leek wel, of er eene prinses moest slapen. Een bed met zijden dekens, een geborduurd hoofdkussen en gordijnen—rozerood met witte lelietjes! Verder weer eene speelkamer met de snoezigste poppen.—Een verder allerlei mooi speelgoed. En—’t laatste ’t beste! Eene leeskamer met boekenkasten, vol van boeken in prachtbanden. In die kamer gemakkelijke kanapeetjes, om op te zitten. Nellie schaterde van pret! O, wat kon ze hier heerlijk zitten lezen, zoo rustig, zoo stil! Nooit behoefde ze bang te zijn, dat haar iemand zou hinderen of plagen. Lezen kon ze—lezen zooveel en zoolang, als ze wou, in al die mooie boeken, en nooit behoefde ze bang te wezen, dat er iemand zou komen, die zei: “Zit je daar al weer met een boek? Doe toch ook eens iets anders dan lezen!”

Och, och, wat voelde die Nellie zich rijk en gelukkig. Nog eens weer alles bekeken en toen eene heerlijke boterham gegeten en toen in een kanapeetje aan ’t lezen. O, o, wat een mooi boek! En wat was het stil om haar heen. Niets hoorde ze dan het kwinkeleeren van de vogels. Toen ’t middag werd, ging er eene bel; maar wie belde was niet te zien. Nellie ging zoeken: daar zag ze in de eetkamer eene keurig gedekte tafel met allerlei heerlijkheden. Na den eten een beetje in den tuin wandelen, een poosje met mooie poppen spelen en toen weer lezen, één van de mooie boeken uitlezen. Toen naar bed—o, wat een heerlijk bed! ’t Was wel wat ongezellig, geene stemmetjes van broertjes en zusjes te hooren. En Nellie vond het ook zoo naar, dat Moeder niet naar haar kwam kijken. Maar—ze viel toch ook gauw in slaap. Ze was moe van ’t genieten van al die heerlijkheden.

Den volgenden morgen ging ’t weer evenzoo. Maar nu begon Nellie het toch wel wat stil te vinden. Hè, wat had ze in lang geene menschenstemgehoord. En ze wou toch ook wel eens een woordje praten, ze praatte wel met de poppen, maar die gaven haar geen antwoord! Maar—wat was ze ook dom! Ze kon zich immers vriendinnetjes wenschen. Vlug nam ze haar tooverstafje en klopte ze er mee op de aarde. En zie—daar stonden zes allerliefste meisjes vóór haar, even oud als Nellie zelf. Nellie was eerst een beetje verlegen: ze wist niet, wat ze tegen die vreemde meisjes zou zeggen; maar de vreemde meisjes waren niets bang. “Wij heeten Rosa en Bettie en Suze en Martha en Emma en Lena,” zeiden ze. En toen: “O, wat woon je hier mooi, laat ons toch gauw alles eens zien!” Toen liepen de meisjes met elkaar trap op, trap af, en bewonderden al het mooie en vonden nog een heelen boel kasten met prachtige kleeren: jurkjes en schortjes en hoeden! En ze maakten zich mooi en gingen in den tuin wandelen en toen gezellig zitten eten en lezen en spelen—o, ’t was een kostelijk leventje.

En zoo ging het nu dag aan dag! “Heerlijk!” riep Nellie. “Zoo zal het altijd blijven: mooier leven kan er nooit komen.” Neen, mooier leven kon er nooit komen: geen vervelend schoolwerk, dat nooit op tijd klaar kwam, geen brommen van de juffrouw! Geene breikousen, waar Moeder altijd aan gebreid wou hebben—geen onvriendelijk gezicht van Moeder. Geen brommen van Vader, geen geplaag van de jongens. Alleen ’s avonds had Nellie altijd verlangen naar Moeder en was het net, of ze lag te wachten, dat Moe evenals thuis zacht binnen zou komen om haar een’ nachtkus te geven. Maar over dag was het zoo’n leventje van plezier, dan had Nellie geen’ tijd om aan iets anders te denken.

Zoo ging het eene week, zoo ging het twee weken. Toen begon Nellie een beetje moe te worden van al dat pret maken. Ook gaf ze niet meer zooveel om al dat moois en lekkers. Ze kon wel gedurig wat nieuws wenschen, maar ’t eene was toch ook al weer even mooi, als ’t andere, en lekkers, daar gaf ze niet veel meer om. Ze had in huis in den laatsten tijd ook altijd al zoo gesmuld: ”’t Is toch waar, wat Moeder wel eens zei,” dacht Nellie, “als je altijd lekker eet, proef je op ’t laatst niet meer, dat het eten lekker is, en als je altijd mooi bent, zie je ’t op ’t laatst niet meer.” En Nellie dacht aan heel lang geleden, toen ze nog niet zoo altijd en altijd zat te lezen, toen ze nog niet aan de leeskoorts leed, zooalsVader het noemde. Wat vond ze het toen prettig tusschen schooltijd en na schooltijd te mogen spelen, wat ze wou. Nu mocht ze dat ook, maar nu mocht ze ’t altijd, en nu verveelde ’t spelen haar wel eens.—En als er dan een jarig was thuis. Als Vader of Moeder jarig waren! Vader in den winter—dan mochten ze de tooverlantaren zien en een comediestukje spelen, allemaal met elkaar, de broertjes en zusjes! En dan ’s avonds om de kachel en appels braden, terwijl Vader vertelde of raadsels opgaf!—En Moeders verjaardag in den zomer! Allemaal met een grooten Janplezier uit rijden. Och, och, wat eene pret in ’t bosch voor zoo’n enkelen keer.—Nu had Nellie alle dagen de bosschen bij zich; maar ’t was net, of ze niet meer zag, hoe groen de boomen waren. Neen—en dan haar eigen verjaardag in de Meimaand, als Clara haar ’s morgens in bed een’ krans van madeliefjes opzette en allen, allen met bloemen en een klein cadeautje kwamen aandragen, tot zelfs de kleine Wim. Ze behoefde nu geene cadeautjes te hebben: ze kon zich immers alles zelf wenschen; maar—een cadeautje met liefde gegeven—dat vond Nellie toch heel wat anders.—En spelen; ja spelen kon Nellie genoeg: ze had immers zes aardige speelkameraadjes, die altijd even vriendelijk voor haar waren en haar in alles den zin deden. Maar dat was het juist—Nellie wou, dat ze haar eens niet den zin gaven, ’t Was net, of de vriendinnetjes levende ja-ja-poppen waren. Ze bleven altijd zoo gelijk—Nellie wou, dat ze ook eens boos werden, zooals de broertjes en zusjes thuis. Dan was er eens een oogenblik ruzie, en daarna was ’t weer vrede; maar nu was ’t altijd zoo saai lief en zoet. Soms—ja soms verlangde Nellie, dat ze een oogenblikje thuis mocht wezen in haar klein eenvoudig huis—soms wenschte ze, eene gewone boterham thuis te mogen eten in plaats van al die lekkernijen hier.

Soms, ja. Dan dacht Nellie ook weer aan alles, wat haar het leven in huis zoo onplezierig gemaakt had: aan het brommen van Moeder, aan de gefronste wenkbrauwen van Vader, aan het geplaag van de broertjes en zusjes. Maar—heel vroeger waren die allen toch niet zoo onaardig tegen haar geweest, heel vroeger, toen ze nog niet zoo altijd en altijd zat te lezen. Toen—ze wist het nog heel goed—toen vond ze ’t in huis ook wel gezellig en prettig. Maar toen deed ze ook graag iets voor anderen, net als Clara. Zou ze misschien zelf ook een beetje schuld hebben? Maarkom—ze had nu zoo’n mooi leventje—ze kon zooveel lezen, als ze wou, en ze had altijd overvloed van mooie boeken. Maar ’t was raar, soms was ’t, of ze ’t lezen niet meer zoo prettig vond. Ze las nu ook zooveel. Maar—ze kon immers ook wel eens een handwerkje doen. Breien of naaien! Maar dat viel haar niet mee. Ze wist er zoo weinig meer van: ze wist niet eens meer, hoe ze den hiel moest breien, en het rolnaadje wou maar niet rond worden. Ze had in den laatsten tijd in huis ook zoo weinig aan ’t breien en naaien gedaan. Als Moeder haar er niet toe dwong, raakte ze nooit eene breikous of naaiwerk aan. Maar nu wist ze wat moois. Ze wou borduren en allerlei aardige dingetjes maken van mooi gekleurde wol en zijde. Daar had ze thuis ook vaak zoo’n lust in gehad, maar ze mocht niet. Moeder zei altijd: eerst maar flink leeren breien en naaien. Alleen met Sint-Niklaas mocht ze eens voor den een of ander een aardig handwerkje maken. Ze wenschte zich nu allerlei benoodigdheden voor mooie, groote handwerken. Ze kreeg, wat ze wenschte. Wat waren er prachtige patronen bij. Maar moeilijk ook, hoor! Neen, zulke moeilijke handwerken maken kon ze niet. Wacht—ze zou wenschen: ik wil de knapheid hebben, om allerlei mooie dingen te maken! Maar—neen—’t was waar ook—dat kon niet—ze kon alleen zichtbare dingen wenschen en knapheid dat was iets, waar je voor leeren moest! Nu—ze kon leeren. Die zes vriendinnetjes wilden haar graag helpen; die konden alles en waren zoo handig. Maar toen ze bezig was, schaamde Nellie zich zoo, dat zij alleen niets van handwerkjes wist, en dat ze zoo onhandig was. En toen ze eindelijk met groote moeite een paar prachtige pantoffels klaar gekregen had, toen, ja, toen speet het haar zoo, dat ze er niemand blij mee kon maken. Wat zou Vader in zijn’ schik geweest zijn met een paar pantoffels, die ze zelf voor hem gewerkt had. En Nellie dacht op eens aan heel vroeger, toen ze eens een paar eigen gebreide sokken aan Vader gegeven had. Vader had de tranen in de oogen gekregen toen en haar zijne knappe dochter genoemd. Neen—handwerkjes maken, daar had Nellie geen’ zin meer in.—

Als ze eens van al haar overvloed iets aan arme menschen ging brengen? Maar daar dacht ze op eens weer aan de geschiedenis met den gulden.

Ze hoorde Moeder zeggen: geven moet ook met verstand gebeuren. Maarwat dan? Och, Nellie wist het niet—ze wist alleen, dat ze in huis wou leven en nergens liever. Maar—hoe kan ze ooit weer in huis komen? En als ze in huis kon komen, waar zou ze zeggen, dat ze geweest was? En—zouden Va en Moe haar wel ooit weer willen hebben, nu ze maar zoo van hen weggeloopen was?

Op eens, terwijl Nellie weer zoo zat te zuchten en te tobben, kwam er een dichte nevel voor hare oogen, en toen de nevel optrok, bleef er alleen een dunne sluier over, en achter dien sluier zag ze—de fee.

“Nu kindlief, heeft mijn tooverstaf je gelukkig gemaakt?” vroeg de fee.

“Neen, o, neen, beste fee,” riep Nellie. “Neem den tooverstaf terug, ik begeer al die heerlijkheden niet meer. O, ik bid U, geef mij mijn eigen huis weer met de liefde van Vader en Moeder en de broertjes en zusjes.”

“Liefde kan ik je niet tooveren kind, liefde is iets, dat we ons zelf moeten verdienen. Ik kan je wel naar huis brengen, maar bedenk wel: als je eenmaal den tooverstaf terug geeft, kun je hem nooit weer krijgen. En je hebt nog lang al het mooie in de wereld niet gezien. Je kunt je zooveel wenschen, je kunt reizen over land en zee....”

“Niets wil ik meer, niets!” riep Nellie: “Als ik plezier zal hebben, wil ik het zelf verdienen, en ik wil niets liever dan leven bij allen, die ik lief heb.”

Toen zwaaide de fee den tooverstaf: ’t was of er een hevig onweer opkwam, alles draaide om Nellie. ’t Was, of ze met kasteel en al in een’ afgrond stortte—ze hoorde en zag niets meer.....

Toen Nellie de oogen open deed, lag ze op een lekker bed en zag ze—in de lieve trouwe oogen van hare moeder.

“O, Moeder, lieve Moeder,” zei Nellie met een zwak stemmetje, “waar ben ik toch?”

“In je eigen bed, liefje,” zei de moeder, en ze streelde Nellie de heete wangen. “Gelukkig, dat je eindelijk wakker bent. Je hebt ons zoo angstig gemaakt.”

“Angstig gemaakt? Wat heb ik dan gedaan, Moesje, en hoe kom ik hier in mijn eigen bed, in mijn eigen lief huis?”

“Stil, kindje, niet zooveel praten, je bent nog zoo zwak. We hebben jeonder een’ boom gevonden in den tuin van den buurman met eene hevige koorts. Acht dagen lang heeft de koorts geduurd, en al dien tijd heb je niets dan wonderlijke dingen gepraat, van een kasteel en een tooverstafje, en ik weet niet wat al.”

’t Was of Nellie een steen van ’t hart viel bij die woorden van Moeder. Ziek was ze, koorts had ze gehad acht dagen lang, en in de koorts had ze alles—gedroomd. Ze was nooit wezenlijk weg geweest—o, hoe heerlijk, dat ze die lieve, beste Moeder dat verdriet niet had aangedaan.

Daar stak Theodoor zijn’ krullebol om den hoek van de deur en fluisterde: “Slaapt ze nog, Moeder?”

“Ze is wakker en al een beetje beter,” zei Moeder, “maar st! rustig blijven, hoor!”

Ja, rustig blijven, dat kon Moeder wel zeggen, maar een oogenblik later klonk wel uit vijf kelen tegelijk een gejubel door de gang: “Nellie is wakker, Nellie is wat beter!”

Als muziek klonken Nellie die blijde stemmen van hare broertjes en zusjes in de ooren. Gelukkig, o zoo gelukkig keek ze Moeder aan. En ze pakte Moeders hand in hare beide handen en vroeg maar al weer: “Ben ik wezenlijk bij U, Moeder, en vind U me heusch ook wel een beetje lief?”

“Och, gekkinnetje, geen beetje, maar heel lief,” zei Moeder. “Maar ga nu eerst weer een poosje rustig liggen en praat niet meer.”

Dat deed Nellie heel gehoorzaam. En een poosje later kwam Vader met den dokter binnen. “Kom,” zei de dokter, “eindelijk de oogen open. En wat kijk je vroolijk.” En toen den pols voelende: “nog zwakjes, maar dat kan niet anders na zoo’n langdurige koorts. Ze heeft de ziekte zeker lang van te voren onder de leden gehad: dat denken altijd aan allerlei boekeverhalen, en dan dat kou vatten na ’t inslapen onder dien boom maakte, dat de koorts uitbrak. Maar nu is ze op weg van beterschap, nu maar veel gebruiken en rustig wezen en—vooral niet lezen! Geene boeken geven!”

“Nooit boeken weer!” riep Nellie. “Als ik weer beter ben, ga ik al mijne mooie boeken verbranden.”

“Ho, ho, wat,” zei Vader, “beloof niet te veel, kindje. Wat je belooft, moet je doen. Bovendien, is dat verbranden van boeken heelemaal niet noodig. Kijk eens, mijn Nellielief, ’t gaat er net mee, als met de mooieroode en blauwe bloemen, die tusschen het koren groeien. Ze sieren het korenveld, en we zouden ze daar voor niet nog zooveel willen missen. Maar ’t zou dom zijn op een’ akker alleen bloemen te laten groeien. Die dat deed, zou ’s zomers een prachtig veld hebben; maar ’s winters honger lijden. En dat zou mijne Nellie bijna gedaan hebben. Zij wilde alleen van de korenbloemen of de prettige boeken weten, en het koren, of de leerboeken, waar ze knap en flink door moest worden, daar hield ze niet van. Maar nu in ’t vervolg zal ze van beide houden, dat weet ik zeker.”

Nellie knikte met een gelukkig lachje en tranen in de oogen Vader toe.

Nu waren de broertjes en zusjes niet meer te houden, en Nellie bedelde er om, ze toch even te mogen zien. Daar kwamen ze al binnen: voorop Clara met een heerlijk kopje bouillon tot versterking, dan Theodoor, die zijn’ krakeling van den vorigen dag, Zondag, voor Nellie had bewaard, Frits met eene zelf gekleurde prent, waarop soldaten stonden met roode neuzen en gele pluimen, dan kleine Mina, die volstrekt haar mooiste pop aan Nellie wou geven: eene prachtige pop, die alleen maar pas geleden haar neus plat gevallen had. Zelfs Wim hadden ze een stukje suiker in de hand gestopt, en die riep maar al: “Mim geven!”

Och, wat was Nellie blij met al die liefde van haar eigen lieve ouders en broertjes en zusjes. Ze had daar in hare ziekte immers zoo naar verlangd.

Toen Nellie wat sterker was, zaten de broertjes en zusjes vaak allen om haar bed, en dan moest Nellie vertellen van hare koortsdroomen, van de tooverfee en het prachtige kasteel en de mooie vriendinnen, en dan zaten allen met open mond te luisteren. Maar als Nellie dan ook vertelde, hoe ze zich met al die heerlijkheden toch eigenlijk zoo ongelukkig gevoeld had, kregen ze de tranen in de oogen en waren ze met Nellie blij, dat het mooie kasteel eindelijk maar in den grond gezonken was.

Toen Nellie heelemaal beter en sterk en flink was geworden, werd ze een heel ander meisje. Met Clara mee deed ze honderd kleinigheden voor Moeder en de kleintjes! Ze zat altijd op tijd gezellig aan tafel en hield vroolijke praatjes met den een en den ander. Op school werd ze weer een van de beste leerlingen. En lezen—ja lezen deed ze veel, maar nietteveel. Vader zorgde voor flinke boeken, waar ze ook wat uit leerenkon, maar ook voor aardige vertellingboeken. Daarin mocht ze echter alleen voor versnapering lezen, en van die enkele uurtjes, die ze daarvoor nam, had ze vrij wat meer plezier dan van al de uren, die ze vroeger in stilte tegen den wil van Vader en Moeder gebruikte. Nu begreep ze ook, hoe mooi de korenbloemen stonden tusschen het graan.

Nellie werd niet op eens een engeltje van liefheid en zoetheid: ze had hare gebreken, zooals ieder ander kind; maar dat ééne, dat groote gebrek had ze niet meer, en dat maakte niemand gelukkiger dan Nellie zelf. Een vriendelijk lachje van Moeder, een tevreden knikje van Vader en een gezellig meedoen met broertjes en zusjes maakten haar het leven in huis zoo gelukkig, dat ze haar eigen huis voor het mooiste kasteel uit de feeënwereld niet had willen missen.


Back to IndexNext