[Inhoud]II.Een meevaller.Onder de studenten te Leiden had Cornelis Udoma den naam van een uiterst solied jongmensch en onder zijn club-genooten gold hij uitgemaakt voor een »sekuur broekie.†Geen wonder waarlijk, want naar allen schijn leefde ’t jongemensch bizonder regelmatig en verstandig. Na den groentijd—al drie jaar in ’t verleden—herinnerde niemand zich hem ooit dronken gezien te hebben; hij had zijn vast bitteruurtje op de »kroeg,†en kwam er een paar maal in de week ’s avonds na twaalf; verder liep hij geregeld college, zelfs die van negen tot tien in den morgen, zoodat hij na een jaar kalmpjes zijn »candidaats†in de rechten gedaan had, en de gansche week zag men Cornelis òf op zijn kamer, òf in de college-zaal, òf ter »kroeg,†behalve twee maal, wanneer hij ’s avonds naar den Haag ging. Hij kwam daar »veel bij families,†dat wist men. Van verliefde avonturen, uitspattingen van welken aard ook, wist niemand iets te zijnen laste te leggen.Hij zag er ook solide uit. Hij had ondanks zijn twee-en-twintig jaren iets ouwelijks in zijn trekken,[17]een ernstigen plooi in zijn voorhoofd tusschen de oogen, die den indruk gaf, alsof hij steeds zijn wenkbrauwen fronste. Een paar lichtblonde bakkebaarden en dito korte gevulde snor droegen er ’t hunne toe bij, om in hem nu reeds den deftigen advokaat te zien.Hij was afkomstig uit Delmond in ’t zuiden, en, schoon oorspronkelijk van Friesch bloed, was de familie Udoma aldaar sinds onheugelijke tijden inheemsch, bekend om haar deftigheid en om haar fortuin. Bekend ook om de rechtzinnigheid van haar geloof en den steun, dien haar leden steeds der »Moederkerk†hadden verleend. Cornelis’ ouders maakten geen uitzondering. De jonge man had dan ook een streng Roomsch-Katholieke opvoeding gekregen, en zijn vader verwachtte veel van hem voor de toekomst: reeds droomde hij van zijn zoon het »kamerlid,†en zag hij hem in de volksvertegenwoordiging als een der leiders der Katholieke partij. ’t Kostte hem als trouw volgeling van Rome’s Kerk een overwinning op zichzelven, toen Cornelis naar Leiden zou gaan. ’t Was ’t beste voor den jongen, omdat men nu eenmaal Leiden’s hoogeschool voor de beste in ’t land hield, en een »deftig†advokaat, vond vader Udoma, moest daar gestudeerd hebben; want de oude heer was ook praktisch. Maar zijn hart was lang niet gerust bij ’t afscheid nemen: ’t was een waag den jongen in »die verdorven studentenwereld†los te laten …[18]Zou zijn vrees thans bewaarheid worden? ’t Had er veel van. Cornelis was sinds kort in groote verlegenheid. Zijn »contub,†zijn intieme vriend Frits Seemans, was spoedig geheel op de hoogte. Cornelis verzweeg niets voor hem. Wat zou zijn vader wel zeggen, als die eens wist, dat hij op zóo gemeenzamen voet omging met een Protestantsch jongmensch! Maar die wist dan ook niet, dat hij met hem samenwoonde: Papa kwam nooit over uit Delmond: ’t was zoo ver, welke vader of voogd deed zoo iets? De contub had een heel ernstig gezicht getrokken. ’t Was een mannetje, dat, zoo mogelijk, nog ouwelijker deed dan Cornelis, werkzaam was als hij, en er op zijn manier strenge beginselen op na hield. Er was bijna ruzie gekomen tusschen de twee onafscheidelijken; want Frits Seemans had ronduit gezegd, dat hij zoo iets nooit van zijn vriend gedacht zou hebben, dat, als hij beginselen had, hij er naar leven moest; dat ’t geen hij gedaan had een onwaardige daad was, en dat hij tegenover het meisje in kwestie en haar vader maar éen middel had, om de zaak nog eenigszins goed te maken: dat hij haar zoo spoedig mogelijk moest trouwen.»Maar, m’n lieve mensch, dat’s mooi gezegd … In den grond ben ik ’t met je eens,†riep Cornelis mismoedig. »Maar hoe kan ik dat doen? Clarine heeft me ook al ’t zelfde gezegd, en ik verzeker je, dat ik er »beroerd†van werd, maar hoe kà n ik, hoe kà n ik?â€[19]»Och, loop heen! Woû je mij wijsmaken, dat je inzoo’nzaak niet je zin zou kunnen doorzetten, al ben je nog maar twee-en-twintig?â€Â»Hoe wil je nu, dat ik zoo’n bekentenis aan mijn vader doe? Ik geloof, dat de man ’t besterven zou! Ze is Protestant bovendien!â€Â»Larie! Je hebt je zelf al die onaangenaamheden bezorgd. Nu moet je er maar door heen bijten. Maar ik zie wel wat ’t is, m’n mannekeâ€â€”’t kleine kereltje had een hebbelijkheid, om iedereen onder zijn vrienden en kennissen, al staken ze ook een hoofd boven hem uit, zooals Cornelis Udoma, met dat verkleinwoord aan te spreken—je bent beschaamd, om voor je pekelzonde uit te komen. Jasses! En daar wil je een arm meisje om opofferen!â€Cornelis zweeg en kreeg een hevige kleur.De ander zag ’t en ging door.»Als je je over die lamlendige schaamte van je heenzet, is de rest niets waard. Je vaders toestemming? Die krijg je, als jij maar wilt. Of dacht je, dat de pipa liever over een groot halfjaar zou zien, dat je een meisje trouwde, dat al een kind van je hadt, dan nu die toestemming tot je huwelijk met haar te geven, nu er nog een mouw aan te passen is?â€Cornelis trok ongeloovig de schouders op.»Zeker,†hervatte zijn contub, »zullen we wedden? ’t Is heusch nog zoo vreeselijk niet, dat je met een lief meisje van goeie familie trouwt …â€Â»Ik trouwen? En dan zeker doorgaan met mijn[20]studie hier in Leiden? En door al mijn kennissen uitgelachen worden?â€Â»Daar heb je weer die verdraaide valsche schaamte!†Fritsje Seemans liep driftig op en neer. »Is ’t dan niet mogelijk je studie elders voort te zetten, of … er mee uit te scheiden? Wat ’t zwaarste is, moet ’t zwaarste wegen. En dan, wat ’t verschil in godsdienst betreft, hoû je bij de overtuiging, dat je meer zonde doet door dat meisje in de steek te laten dan door met een Protestantsche te trouwen. Ik woû wel eens zien, of de pastoor je dat tegensprak … Nu, manneke, ik laat je alleen, hoor. Denk jij maar ’s over mijn woorden na, en neem een snel besluit. Van avond na ’t eten spreken we elkaar nog wel. Hoû je taai!â€Â»Tot ziens!†mompelde de achterblijvende. Hij stond op van zijn stoel bij den schoorsteen en ging naar ’t raam vóor aan straat, waar hij zijn vriend naoogde. Dan begon hij zenuwachtig heen en weer te loopen, en bleef eindelijk vóor ’t portret van zijn meisje, dat op de piano stond, staan. ’t Opnemende en aanstarende, zeide hij met een driftig gebaar: »Ellendige geschiedenis! Zou Frits geen gelijk hebben, wel beschouwd?…â€Zoo stond hij een poos, wellicht een kwartier, in gedachten verzonken. Dan wil hij zich in een leuningstoel zetten, besluiteloos, ontevreden over zichzelf, als er aan de deur geklopt wordt.»Binnen!†roept Cornelis brommig.[21]»Meheer, daar is iemand om u te spreke …†zegt ’t kamermeisje.»Iemand? Wie? Een heer, een vent, wat is ’t?â€Â»Een heer, meheer!†… Pietje de meid begrijpt niet hoe »meheerâ€, die anders altijd zoo vriendelijk is, nu zoo’n humeur vertoont. Ze is er onthutst van. »Met ’n hooge hoed …†laat ze volgen, maar half gerust, of ze er goed aan doet, dat er bij te zeggen.Cornelis voelt een bang vermoeden opkomen.»Hooge hoed, hooge hoed!… Hoe ziet hij er uit? Donkere knevel en sik?â€Â»Ja … ik geloof ’t wel,†antwoordt de dienstmeid aarzelend en schuift onwillekeurig naar de deur.»Laat meneer binnen, hier in de voorkamer.â€Pietje af. Cornelis is opgestaan en verdwijnt haastig door een deur, die naar zijn slaapkamer leidt: hij moet zijn kamerjapon uitdoen en wat toilet maken.Inmiddels zat Domine Dauteville in ’t kleine spreekkamertje van juffrouw Pilleman, de hospita. Hij was ’t met zichzelf nog niet volkomen eens, welk uiterlijk hij straks vertoonen moest, als hij bij Cornelis binnengelaten zou worden, en ’t was hem daarom lang niet onaangenaam, dat ze »meheer Udema,†zooals de hospita zeide, »eres evetjes waarschuwe†moest. Zoo had hij een paar minuten den tijd, om ’t hoogst gewichtige probleem van gelaatsuitdrukking en toon verder, naar hij hoopte, tot voldoening van zichzelf op te lossen. ’t Was een lastig, een hoogst onaangenaam[22]iets, dat probleem: hij had er al in den trein en op zijn wandeling naar Cornelis kamers over nagedacht, en ook te voren, wel een uur in ’t geheel, van ’t oogenblik, dat hij zijn woning in den Haag verliet, om in de vigilante te stappen, tot zijn aankomst op de plek, waar hij nu zat. ’t Onaangenaamste van alles was, dat hij nu zichzelf bekennen moest, dat er zoo’n ding wà s: er was een vraagstuk, waar hij maar steeds hardnekkig het bestaan van had ontkend! Dat was een tweede deemoediging binnen vier en twintig uur. Gisterenavond, na Clarine’s bekentenis en nu … Toen was hij de kluts kwijt geweest, was verlegen geweest met zijn houding tegenover zijn eigen kind; nu moest hij weer erkennen, dat er gevallen in ’t leven zijn, waarin een man als hij, »die z’n wereld kent,†metzijnleeftijd enzijnondervinding, niet weet, hoe hij zich moet voordoen tegenover een beginneling in ’s levens school als Cornelis Udoma! Die erkentenis was bizonder pijnlijk en hinderlijk brutaal ook: ze klonk daarom maar noode door, overstelpt en overbulderd als ze telkens werd door zijn verontwaardigde ijdelheid. En toch kwam ze telkens, en ze plaagde hem juist op ’t oogenblik, dat de onthutste Pietje kwam zeggen, »of meheer maar binne woû komme.â€Een ware opluchting voor den zelfstrijder was de ontdekking, dat de kamer, waarin hij gelaten werd, tijdelijk bewonerloos was.[23]De inrichting beviel hem bizonder. Ze gaf ook een goeden indruk van ’s bewoners smaak, en—de middelen om daaraan te voldoen. Niets van de ruwe studentikoziteit, zich openbarend in schreeuwende klad-reclameplaten aan de wanden, smakeloos hier en daar tegen aan bengelende of neerhangende trofeeën van nachtelijke »moerâ€-partijen—naamplaatjes, schelknoppen, bordjes van stations of spoorwagens—geen monsterspinnekoppen van papier-maché of wanstaltige langarmige Japansche gedrochtjes aan de lampen, ook geen onzichtbare spiegel wegschuilend onder introductie-kaarten, programs van uitvoeringen, naamkaartjes en wat niet al. Neen, de heele kamer—Cornelis’ zitkamer—had iets geregelds, iets verstandig maar smaakvol overlegds, had een aanzien van hoog-beschaafde verfijning, ja iets vrouwelijks zou men geneigd zijn te zeggen. ’t Was, of er een rijk, ontwikkeld en elegant jong meisje de inrichting had geregeld, in plaats van een student.De verrassing van dien indruk gaf een aangename afleiding aan Domine Dauteville’s gedachten, stemde hem tot toegevendheid, en loste ’t houding-vraagstuk bevredigend op. Ja zeker, een waardige, vaderlijk vermanende, maar ook vaderlijk vergevensgezinde inschikkelijkheid: dat was je ware, dat paste hem, dat was de toon, dien hij als zieleherder zoo goed kon aanslaan.»Een drommels mooie kamer!†mompelde hij,[24]weer geheel de oude. Zijn zin voor artisticiteit werd gestreeld: hij voelde zich volkomen op zijn gemak, en, toen hij, met den rug naar de deur gekeerd, met ingenomenheid stond te turen naar een keurige reproductie van Titiaan’s liggende Venus, belette slechts het geluid der opengaande deur, dat hij aan zijn opgewektheid in een zacht neuriënd gefluit lucht gaf.In de plotselinge terugroeping tot zijn vorigen gedachtenkring verloor Domine Dauteville even zijn evenwicht, en ’t had weinig gescheeld, of hij had den binnentredende begroet met een vroolijk: »Zoo, kerel, hoe gaat ’t?†Bij tijds wist hij zich echter in te binden, en hij bepaalde zich tot een vormelijke buiging, correct en zelfbewust.Cornelis boog bedremmeld, links. Hij was opvallend bleek en zenuwachtig.»Ga u zitten, Meneer Dauteville … Hoe maakt u ’t?â€Â»Dank u, Meneer Udoma, heel goed. U ook?â€Â»Nee, dank u,†ging de kalme van de twee voort, nadat hij inmiddels was gaan zitten op een der gemakkelijke stoelen bij een raam vóor aan straat. »Ik zal liever niet rooken.â€Hij wees de fijne sigaar af, die het jonge mensch hem gedienstig kwam aanbieden: ’t zelfbedwang kostte hem moeite, maar ’t paste niet te rooken in de gegeven omstandigheden, ’t prestige verbood die gezelligheid.[25]Na wat heen en weer drentelen, om een aschbakje te zoeken en lucifers klaar te zetten, die hij een oogenblik later inzag niet noodig te hebben, omdat hij begreep niet te kunnen rooken, als de domine het niet deed, zette Cornelis zich tegenover dezen in den tweeden beschikbaren leuningstoel.’t Oogenblik zwijgen, dat nu volgt, is voor Cornelis lang geen ledigheid. Sinds het aangekondigde bezoek is er een merkwaardige ommekeer in hem gekomen. De zaak is beslist; hij zà l Clarine’s eer redden. Hoe is hem lang niet duidelijk. Hij voorziet moeilijkheden zonder eind; maar éen ding staat vast bij hem: zijn huwelijk met het meisje, dat hij ongelukkig gemaakt heeft. ’t Is hem nu volkomen helder: dat is zijn plicht, wat er ook verder moge gebeuren, en ’t is hem onbegrijpelijk, hoe hij er ooit anders over heeft kunnen denken …»Hm, hm,†kuchte Domine Dauteville. Hij wendt zich vertrouwelijk tot den jongen man en heft de rechter hand op—zijn gewoon oratorisch gebaar. »Ik kom u over een moeilijke zaak spreken, Meneer Udoma, een zaak, waarin ik op uw ridderlijkheid … hm … op uw gevoel van recht reken. Ik heb u sinds een jaar als een huisvriend ontvangen …â€Cornelis buigt even, bleek, met neergeslagen blik. Onwillekeurig plukt hij met de linkerhand aan zijn snor, terwijl de andere zich om de zwarte zijleuning van zijn stoel klemt.[26]»U en mijn dochter Clarine mogen elkaar lijden …â€Cornelis kleurt.»Nu, nu,†zegt de ander minzaam, vaderlijk, »daarin is niets lakenswaardigs.†Hij ziet den jongen man vol aan.Cornelis kleurt nog heviger, zijn blik blijft gevestigd op een figuur in ’t tapijt vlak vóor zijn voeten.»Mits …†Wat zal hij zeggen? De menschenkennende predikant acht het raadzaam in vage termen te spreken, kort, zonder omhaal. Hij heeft toch al gezien, dat de ander vrijwel gewonnen is. Bij dat »mits†trekt hij zijn stereotypen glimlach, breed met gesloten mond, minzaam en toch ernstig vermanend, echt herderlijk, naar hij vast gelooft. De opgestoken wijsvinger der rechterhand en ’t even voorover leunen in zijn stoel verhoogen dien indruk. Hij is correct, bewonderenswaardig, indrukwekkend, dat voelt hij.De jonge man is te zeer van streek, om er iets van op te merken of te ondervinden. Als ’t dak op dat oogenblik ingevallen was, zou hij—mits behouden en ertoe in staat—waarschijnlijk ’t zelfde gezegd hebben wat hij nu zeide. Hij was er vol van.»U heeft gelijk, Meneer Dautevilleâ€â€”Cornelis zei nooit »Domineâ€â€”antwoordde hij plotseling opziende. En zenuwachtig, maar beslist ging hij voort, tot verbazing van zijn bezoeker, die meer tegenstand gevreesd had, en—heel in zijn binnenste[27]—wat meer voldoening had willen hebben van zijn welsprekendheid:»Zeker, ik had u al lang om Clarine’s hand moeten vragen. Ik doe ’t bij deze. Ik weet, dat uw dochter mij … dat ik van haar liefde zeker ben …â€Â»M’n jongen, ik geef je m’n toestemming. Van harteâ€. Domine’s stem klinkt gevoelvol, en zijn handdruk heeft iets echt spontaan hartelijks. Dat beseft hij.Als hij verder spreken wil, voorkomt Cornelis hem.»Ik ga zoo spoedig mogelijk naar Delmond … m’n vader spreken. Ik zal in alles mijn best doen, geloof me, Meneer Dauteville …â€Als hij dit zegt en den toegesprokene aanziet, is niets dan trouw in zijn blik te lezen. Cornelis meende volkomen wat hij zeide. In den »poseur†daar vóor hem zag hij niets dan den beleedigden, diep gegriefden vader, en zijn wroeging over ’t bedreven onrecht was groot en innig.»Komaan, komaan,†zegt de predikant opstaande, ook de ander staat op. »Ik wist wel, dat ik met een man van eer te doen had. O, ik wist het.†En weer’s jongen manshand grijpende, zegt hij: »Vergun me, je de hand te drukken. Ik heb je altijd mogen lijden. M’n dochter zal gelukkig met je zijn, dat weet ik zeker.â€Cornelis zwijgt en geleidt zijn bezoeker naar de deur. »Ik schrijf u spoedig,†zegt Cornelis nog.Als de huisdeur dicht slaat, haast hij zich naar zijn kamer, valt daar in een stoel neer—en wat[28]hem zeker in de laatste vijf jaar—sinds zijn moeders dood, niet overkomen is, geschiedt thans: hij barst in schreien uit. Met de eene hand tegen ’t voorhoofd blijft hij zitten, hartstochlijk, maar gedempt snikkend.De spanning was te groot geweest.[29]
[Inhoud]II.Een meevaller.Onder de studenten te Leiden had Cornelis Udoma den naam van een uiterst solied jongmensch en onder zijn club-genooten gold hij uitgemaakt voor een »sekuur broekie.†Geen wonder waarlijk, want naar allen schijn leefde ’t jongemensch bizonder regelmatig en verstandig. Na den groentijd—al drie jaar in ’t verleden—herinnerde niemand zich hem ooit dronken gezien te hebben; hij had zijn vast bitteruurtje op de »kroeg,†en kwam er een paar maal in de week ’s avonds na twaalf; verder liep hij geregeld college, zelfs die van negen tot tien in den morgen, zoodat hij na een jaar kalmpjes zijn »candidaats†in de rechten gedaan had, en de gansche week zag men Cornelis òf op zijn kamer, òf in de college-zaal, òf ter »kroeg,†behalve twee maal, wanneer hij ’s avonds naar den Haag ging. Hij kwam daar »veel bij families,†dat wist men. Van verliefde avonturen, uitspattingen van welken aard ook, wist niemand iets te zijnen laste te leggen.Hij zag er ook solide uit. Hij had ondanks zijn twee-en-twintig jaren iets ouwelijks in zijn trekken,[17]een ernstigen plooi in zijn voorhoofd tusschen de oogen, die den indruk gaf, alsof hij steeds zijn wenkbrauwen fronste. Een paar lichtblonde bakkebaarden en dito korte gevulde snor droegen er ’t hunne toe bij, om in hem nu reeds den deftigen advokaat te zien.Hij was afkomstig uit Delmond in ’t zuiden, en, schoon oorspronkelijk van Friesch bloed, was de familie Udoma aldaar sinds onheugelijke tijden inheemsch, bekend om haar deftigheid en om haar fortuin. Bekend ook om de rechtzinnigheid van haar geloof en den steun, dien haar leden steeds der »Moederkerk†hadden verleend. Cornelis’ ouders maakten geen uitzondering. De jonge man had dan ook een streng Roomsch-Katholieke opvoeding gekregen, en zijn vader verwachtte veel van hem voor de toekomst: reeds droomde hij van zijn zoon het »kamerlid,†en zag hij hem in de volksvertegenwoordiging als een der leiders der Katholieke partij. ’t Kostte hem als trouw volgeling van Rome’s Kerk een overwinning op zichzelven, toen Cornelis naar Leiden zou gaan. ’t Was ’t beste voor den jongen, omdat men nu eenmaal Leiden’s hoogeschool voor de beste in ’t land hield, en een »deftig†advokaat, vond vader Udoma, moest daar gestudeerd hebben; want de oude heer was ook praktisch. Maar zijn hart was lang niet gerust bij ’t afscheid nemen: ’t was een waag den jongen in »die verdorven studentenwereld†los te laten …[18]Zou zijn vrees thans bewaarheid worden? ’t Had er veel van. Cornelis was sinds kort in groote verlegenheid. Zijn »contub,†zijn intieme vriend Frits Seemans, was spoedig geheel op de hoogte. Cornelis verzweeg niets voor hem. Wat zou zijn vader wel zeggen, als die eens wist, dat hij op zóo gemeenzamen voet omging met een Protestantsch jongmensch! Maar die wist dan ook niet, dat hij met hem samenwoonde: Papa kwam nooit over uit Delmond: ’t was zoo ver, welke vader of voogd deed zoo iets? De contub had een heel ernstig gezicht getrokken. ’t Was een mannetje, dat, zoo mogelijk, nog ouwelijker deed dan Cornelis, werkzaam was als hij, en er op zijn manier strenge beginselen op na hield. Er was bijna ruzie gekomen tusschen de twee onafscheidelijken; want Frits Seemans had ronduit gezegd, dat hij zoo iets nooit van zijn vriend gedacht zou hebben, dat, als hij beginselen had, hij er naar leven moest; dat ’t geen hij gedaan had een onwaardige daad was, en dat hij tegenover het meisje in kwestie en haar vader maar éen middel had, om de zaak nog eenigszins goed te maken: dat hij haar zoo spoedig mogelijk moest trouwen.»Maar, m’n lieve mensch, dat’s mooi gezegd … In den grond ben ik ’t met je eens,†riep Cornelis mismoedig. »Maar hoe kan ik dat doen? Clarine heeft me ook al ’t zelfde gezegd, en ik verzeker je, dat ik er »beroerd†van werd, maar hoe kà n ik, hoe kà n ik?â€[19]»Och, loop heen! Woû je mij wijsmaken, dat je inzoo’nzaak niet je zin zou kunnen doorzetten, al ben je nog maar twee-en-twintig?â€Â»Hoe wil je nu, dat ik zoo’n bekentenis aan mijn vader doe? Ik geloof, dat de man ’t besterven zou! Ze is Protestant bovendien!â€Â»Larie! Je hebt je zelf al die onaangenaamheden bezorgd. Nu moet je er maar door heen bijten. Maar ik zie wel wat ’t is, m’n mannekeâ€â€”’t kleine kereltje had een hebbelijkheid, om iedereen onder zijn vrienden en kennissen, al staken ze ook een hoofd boven hem uit, zooals Cornelis Udoma, met dat verkleinwoord aan te spreken—je bent beschaamd, om voor je pekelzonde uit te komen. Jasses! En daar wil je een arm meisje om opofferen!â€Cornelis zweeg en kreeg een hevige kleur.De ander zag ’t en ging door.»Als je je over die lamlendige schaamte van je heenzet, is de rest niets waard. Je vaders toestemming? Die krijg je, als jij maar wilt. Of dacht je, dat de pipa liever over een groot halfjaar zou zien, dat je een meisje trouwde, dat al een kind van je hadt, dan nu die toestemming tot je huwelijk met haar te geven, nu er nog een mouw aan te passen is?â€Cornelis trok ongeloovig de schouders op.»Zeker,†hervatte zijn contub, »zullen we wedden? ’t Is heusch nog zoo vreeselijk niet, dat je met een lief meisje van goeie familie trouwt …â€Â»Ik trouwen? En dan zeker doorgaan met mijn[20]studie hier in Leiden? En door al mijn kennissen uitgelachen worden?â€Â»Daar heb je weer die verdraaide valsche schaamte!†Fritsje Seemans liep driftig op en neer. »Is ’t dan niet mogelijk je studie elders voort te zetten, of … er mee uit te scheiden? Wat ’t zwaarste is, moet ’t zwaarste wegen. En dan, wat ’t verschil in godsdienst betreft, hoû je bij de overtuiging, dat je meer zonde doet door dat meisje in de steek te laten dan door met een Protestantsche te trouwen. Ik woû wel eens zien, of de pastoor je dat tegensprak … Nu, manneke, ik laat je alleen, hoor. Denk jij maar ’s over mijn woorden na, en neem een snel besluit. Van avond na ’t eten spreken we elkaar nog wel. Hoû je taai!â€Â»Tot ziens!†mompelde de achterblijvende. Hij stond op van zijn stoel bij den schoorsteen en ging naar ’t raam vóor aan straat, waar hij zijn vriend naoogde. Dan begon hij zenuwachtig heen en weer te loopen, en bleef eindelijk vóor ’t portret van zijn meisje, dat op de piano stond, staan. ’t Opnemende en aanstarende, zeide hij met een driftig gebaar: »Ellendige geschiedenis! Zou Frits geen gelijk hebben, wel beschouwd?…â€Zoo stond hij een poos, wellicht een kwartier, in gedachten verzonken. Dan wil hij zich in een leuningstoel zetten, besluiteloos, ontevreden over zichzelf, als er aan de deur geklopt wordt.»Binnen!†roept Cornelis brommig.[21]»Meheer, daar is iemand om u te spreke …†zegt ’t kamermeisje.»Iemand? Wie? Een heer, een vent, wat is ’t?â€Â»Een heer, meheer!†… Pietje de meid begrijpt niet hoe »meheerâ€, die anders altijd zoo vriendelijk is, nu zoo’n humeur vertoont. Ze is er onthutst van. »Met ’n hooge hoed …†laat ze volgen, maar half gerust, of ze er goed aan doet, dat er bij te zeggen.Cornelis voelt een bang vermoeden opkomen.»Hooge hoed, hooge hoed!… Hoe ziet hij er uit? Donkere knevel en sik?â€Â»Ja … ik geloof ’t wel,†antwoordt de dienstmeid aarzelend en schuift onwillekeurig naar de deur.»Laat meneer binnen, hier in de voorkamer.â€Pietje af. Cornelis is opgestaan en verdwijnt haastig door een deur, die naar zijn slaapkamer leidt: hij moet zijn kamerjapon uitdoen en wat toilet maken.Inmiddels zat Domine Dauteville in ’t kleine spreekkamertje van juffrouw Pilleman, de hospita. Hij was ’t met zichzelf nog niet volkomen eens, welk uiterlijk hij straks vertoonen moest, als hij bij Cornelis binnengelaten zou worden, en ’t was hem daarom lang niet onaangenaam, dat ze »meheer Udema,†zooals de hospita zeide, »eres evetjes waarschuwe†moest. Zoo had hij een paar minuten den tijd, om ’t hoogst gewichtige probleem van gelaatsuitdrukking en toon verder, naar hij hoopte, tot voldoening van zichzelf op te lossen. ’t Was een lastig, een hoogst onaangenaam[22]iets, dat probleem: hij had er al in den trein en op zijn wandeling naar Cornelis kamers over nagedacht, en ook te voren, wel een uur in ’t geheel, van ’t oogenblik, dat hij zijn woning in den Haag verliet, om in de vigilante te stappen, tot zijn aankomst op de plek, waar hij nu zat. ’t Onaangenaamste van alles was, dat hij nu zichzelf bekennen moest, dat er zoo’n ding wà s: er was een vraagstuk, waar hij maar steeds hardnekkig het bestaan van had ontkend! Dat was een tweede deemoediging binnen vier en twintig uur. Gisterenavond, na Clarine’s bekentenis en nu … Toen was hij de kluts kwijt geweest, was verlegen geweest met zijn houding tegenover zijn eigen kind; nu moest hij weer erkennen, dat er gevallen in ’t leven zijn, waarin een man als hij, »die z’n wereld kent,†metzijnleeftijd enzijnondervinding, niet weet, hoe hij zich moet voordoen tegenover een beginneling in ’s levens school als Cornelis Udoma! Die erkentenis was bizonder pijnlijk en hinderlijk brutaal ook: ze klonk daarom maar noode door, overstelpt en overbulderd als ze telkens werd door zijn verontwaardigde ijdelheid. En toch kwam ze telkens, en ze plaagde hem juist op ’t oogenblik, dat de onthutste Pietje kwam zeggen, »of meheer maar binne woû komme.â€Een ware opluchting voor den zelfstrijder was de ontdekking, dat de kamer, waarin hij gelaten werd, tijdelijk bewonerloos was.[23]De inrichting beviel hem bizonder. Ze gaf ook een goeden indruk van ’s bewoners smaak, en—de middelen om daaraan te voldoen. Niets van de ruwe studentikoziteit, zich openbarend in schreeuwende klad-reclameplaten aan de wanden, smakeloos hier en daar tegen aan bengelende of neerhangende trofeeën van nachtelijke »moerâ€-partijen—naamplaatjes, schelknoppen, bordjes van stations of spoorwagens—geen monsterspinnekoppen van papier-maché of wanstaltige langarmige Japansche gedrochtjes aan de lampen, ook geen onzichtbare spiegel wegschuilend onder introductie-kaarten, programs van uitvoeringen, naamkaartjes en wat niet al. Neen, de heele kamer—Cornelis’ zitkamer—had iets geregelds, iets verstandig maar smaakvol overlegds, had een aanzien van hoog-beschaafde verfijning, ja iets vrouwelijks zou men geneigd zijn te zeggen. ’t Was, of er een rijk, ontwikkeld en elegant jong meisje de inrichting had geregeld, in plaats van een student.De verrassing van dien indruk gaf een aangename afleiding aan Domine Dauteville’s gedachten, stemde hem tot toegevendheid, en loste ’t houding-vraagstuk bevredigend op. Ja zeker, een waardige, vaderlijk vermanende, maar ook vaderlijk vergevensgezinde inschikkelijkheid: dat was je ware, dat paste hem, dat was de toon, dien hij als zieleherder zoo goed kon aanslaan.»Een drommels mooie kamer!†mompelde hij,[24]weer geheel de oude. Zijn zin voor artisticiteit werd gestreeld: hij voelde zich volkomen op zijn gemak, en, toen hij, met den rug naar de deur gekeerd, met ingenomenheid stond te turen naar een keurige reproductie van Titiaan’s liggende Venus, belette slechts het geluid der opengaande deur, dat hij aan zijn opgewektheid in een zacht neuriënd gefluit lucht gaf.In de plotselinge terugroeping tot zijn vorigen gedachtenkring verloor Domine Dauteville even zijn evenwicht, en ’t had weinig gescheeld, of hij had den binnentredende begroet met een vroolijk: »Zoo, kerel, hoe gaat ’t?†Bij tijds wist hij zich echter in te binden, en hij bepaalde zich tot een vormelijke buiging, correct en zelfbewust.Cornelis boog bedremmeld, links. Hij was opvallend bleek en zenuwachtig.»Ga u zitten, Meneer Dauteville … Hoe maakt u ’t?â€Â»Dank u, Meneer Udoma, heel goed. U ook?â€Â»Nee, dank u,†ging de kalme van de twee voort, nadat hij inmiddels was gaan zitten op een der gemakkelijke stoelen bij een raam vóor aan straat. »Ik zal liever niet rooken.â€Hij wees de fijne sigaar af, die het jonge mensch hem gedienstig kwam aanbieden: ’t zelfbedwang kostte hem moeite, maar ’t paste niet te rooken in de gegeven omstandigheden, ’t prestige verbood die gezelligheid.[25]Na wat heen en weer drentelen, om een aschbakje te zoeken en lucifers klaar te zetten, die hij een oogenblik later inzag niet noodig te hebben, omdat hij begreep niet te kunnen rooken, als de domine het niet deed, zette Cornelis zich tegenover dezen in den tweeden beschikbaren leuningstoel.’t Oogenblik zwijgen, dat nu volgt, is voor Cornelis lang geen ledigheid. Sinds het aangekondigde bezoek is er een merkwaardige ommekeer in hem gekomen. De zaak is beslist; hij zà l Clarine’s eer redden. Hoe is hem lang niet duidelijk. Hij voorziet moeilijkheden zonder eind; maar éen ding staat vast bij hem: zijn huwelijk met het meisje, dat hij ongelukkig gemaakt heeft. ’t Is hem nu volkomen helder: dat is zijn plicht, wat er ook verder moge gebeuren, en ’t is hem onbegrijpelijk, hoe hij er ooit anders over heeft kunnen denken …»Hm, hm,†kuchte Domine Dauteville. Hij wendt zich vertrouwelijk tot den jongen man en heft de rechter hand op—zijn gewoon oratorisch gebaar. »Ik kom u over een moeilijke zaak spreken, Meneer Udoma, een zaak, waarin ik op uw ridderlijkheid … hm … op uw gevoel van recht reken. Ik heb u sinds een jaar als een huisvriend ontvangen …â€Cornelis buigt even, bleek, met neergeslagen blik. Onwillekeurig plukt hij met de linkerhand aan zijn snor, terwijl de andere zich om de zwarte zijleuning van zijn stoel klemt.[26]»U en mijn dochter Clarine mogen elkaar lijden …â€Cornelis kleurt.»Nu, nu,†zegt de ander minzaam, vaderlijk, »daarin is niets lakenswaardigs.†Hij ziet den jongen man vol aan.Cornelis kleurt nog heviger, zijn blik blijft gevestigd op een figuur in ’t tapijt vlak vóor zijn voeten.»Mits …†Wat zal hij zeggen? De menschenkennende predikant acht het raadzaam in vage termen te spreken, kort, zonder omhaal. Hij heeft toch al gezien, dat de ander vrijwel gewonnen is. Bij dat »mits†trekt hij zijn stereotypen glimlach, breed met gesloten mond, minzaam en toch ernstig vermanend, echt herderlijk, naar hij vast gelooft. De opgestoken wijsvinger der rechterhand en ’t even voorover leunen in zijn stoel verhoogen dien indruk. Hij is correct, bewonderenswaardig, indrukwekkend, dat voelt hij.De jonge man is te zeer van streek, om er iets van op te merken of te ondervinden. Als ’t dak op dat oogenblik ingevallen was, zou hij—mits behouden en ertoe in staat—waarschijnlijk ’t zelfde gezegd hebben wat hij nu zeide. Hij was er vol van.»U heeft gelijk, Meneer Dautevilleâ€â€”Cornelis zei nooit »Domineâ€â€”antwoordde hij plotseling opziende. En zenuwachtig, maar beslist ging hij voort, tot verbazing van zijn bezoeker, die meer tegenstand gevreesd had, en—heel in zijn binnenste[27]—wat meer voldoening had willen hebben van zijn welsprekendheid:»Zeker, ik had u al lang om Clarine’s hand moeten vragen. Ik doe ’t bij deze. Ik weet, dat uw dochter mij … dat ik van haar liefde zeker ben …â€Â»M’n jongen, ik geef je m’n toestemming. Van harteâ€. Domine’s stem klinkt gevoelvol, en zijn handdruk heeft iets echt spontaan hartelijks. Dat beseft hij.Als hij verder spreken wil, voorkomt Cornelis hem.»Ik ga zoo spoedig mogelijk naar Delmond … m’n vader spreken. Ik zal in alles mijn best doen, geloof me, Meneer Dauteville …â€Als hij dit zegt en den toegesprokene aanziet, is niets dan trouw in zijn blik te lezen. Cornelis meende volkomen wat hij zeide. In den »poseur†daar vóor hem zag hij niets dan den beleedigden, diep gegriefden vader, en zijn wroeging over ’t bedreven onrecht was groot en innig.»Komaan, komaan,†zegt de predikant opstaande, ook de ander staat op. »Ik wist wel, dat ik met een man van eer te doen had. O, ik wist het.†En weer’s jongen manshand grijpende, zegt hij: »Vergun me, je de hand te drukken. Ik heb je altijd mogen lijden. M’n dochter zal gelukkig met je zijn, dat weet ik zeker.â€Cornelis zwijgt en geleidt zijn bezoeker naar de deur. »Ik schrijf u spoedig,†zegt Cornelis nog.Als de huisdeur dicht slaat, haast hij zich naar zijn kamer, valt daar in een stoel neer—en wat[28]hem zeker in de laatste vijf jaar—sinds zijn moeders dood, niet overkomen is, geschiedt thans: hij barst in schreien uit. Met de eene hand tegen ’t voorhoofd blijft hij zitten, hartstochlijk, maar gedempt snikkend.De spanning was te groot geweest.[29]
II.Een meevaller.
Onder de studenten te Leiden had Cornelis Udoma den naam van een uiterst solied jongmensch en onder zijn club-genooten gold hij uitgemaakt voor een »sekuur broekie.†Geen wonder waarlijk, want naar allen schijn leefde ’t jongemensch bizonder regelmatig en verstandig. Na den groentijd—al drie jaar in ’t verleden—herinnerde niemand zich hem ooit dronken gezien te hebben; hij had zijn vast bitteruurtje op de »kroeg,†en kwam er een paar maal in de week ’s avonds na twaalf; verder liep hij geregeld college, zelfs die van negen tot tien in den morgen, zoodat hij na een jaar kalmpjes zijn »candidaats†in de rechten gedaan had, en de gansche week zag men Cornelis òf op zijn kamer, òf in de college-zaal, òf ter »kroeg,†behalve twee maal, wanneer hij ’s avonds naar den Haag ging. Hij kwam daar »veel bij families,†dat wist men. Van verliefde avonturen, uitspattingen van welken aard ook, wist niemand iets te zijnen laste te leggen.Hij zag er ook solide uit. Hij had ondanks zijn twee-en-twintig jaren iets ouwelijks in zijn trekken,[17]een ernstigen plooi in zijn voorhoofd tusschen de oogen, die den indruk gaf, alsof hij steeds zijn wenkbrauwen fronste. Een paar lichtblonde bakkebaarden en dito korte gevulde snor droegen er ’t hunne toe bij, om in hem nu reeds den deftigen advokaat te zien.Hij was afkomstig uit Delmond in ’t zuiden, en, schoon oorspronkelijk van Friesch bloed, was de familie Udoma aldaar sinds onheugelijke tijden inheemsch, bekend om haar deftigheid en om haar fortuin. Bekend ook om de rechtzinnigheid van haar geloof en den steun, dien haar leden steeds der »Moederkerk†hadden verleend. Cornelis’ ouders maakten geen uitzondering. De jonge man had dan ook een streng Roomsch-Katholieke opvoeding gekregen, en zijn vader verwachtte veel van hem voor de toekomst: reeds droomde hij van zijn zoon het »kamerlid,†en zag hij hem in de volksvertegenwoordiging als een der leiders der Katholieke partij. ’t Kostte hem als trouw volgeling van Rome’s Kerk een overwinning op zichzelven, toen Cornelis naar Leiden zou gaan. ’t Was ’t beste voor den jongen, omdat men nu eenmaal Leiden’s hoogeschool voor de beste in ’t land hield, en een »deftig†advokaat, vond vader Udoma, moest daar gestudeerd hebben; want de oude heer was ook praktisch. Maar zijn hart was lang niet gerust bij ’t afscheid nemen: ’t was een waag den jongen in »die verdorven studentenwereld†los te laten …[18]Zou zijn vrees thans bewaarheid worden? ’t Had er veel van. Cornelis was sinds kort in groote verlegenheid. Zijn »contub,†zijn intieme vriend Frits Seemans, was spoedig geheel op de hoogte. Cornelis verzweeg niets voor hem. Wat zou zijn vader wel zeggen, als die eens wist, dat hij op zóo gemeenzamen voet omging met een Protestantsch jongmensch! Maar die wist dan ook niet, dat hij met hem samenwoonde: Papa kwam nooit over uit Delmond: ’t was zoo ver, welke vader of voogd deed zoo iets? De contub had een heel ernstig gezicht getrokken. ’t Was een mannetje, dat, zoo mogelijk, nog ouwelijker deed dan Cornelis, werkzaam was als hij, en er op zijn manier strenge beginselen op na hield. Er was bijna ruzie gekomen tusschen de twee onafscheidelijken; want Frits Seemans had ronduit gezegd, dat hij zoo iets nooit van zijn vriend gedacht zou hebben, dat, als hij beginselen had, hij er naar leven moest; dat ’t geen hij gedaan had een onwaardige daad was, en dat hij tegenover het meisje in kwestie en haar vader maar éen middel had, om de zaak nog eenigszins goed te maken: dat hij haar zoo spoedig mogelijk moest trouwen.»Maar, m’n lieve mensch, dat’s mooi gezegd … In den grond ben ik ’t met je eens,†riep Cornelis mismoedig. »Maar hoe kan ik dat doen? Clarine heeft me ook al ’t zelfde gezegd, en ik verzeker je, dat ik er »beroerd†van werd, maar hoe kà n ik, hoe kà n ik?â€[19]»Och, loop heen! Woû je mij wijsmaken, dat je inzoo’nzaak niet je zin zou kunnen doorzetten, al ben je nog maar twee-en-twintig?â€Â»Hoe wil je nu, dat ik zoo’n bekentenis aan mijn vader doe? Ik geloof, dat de man ’t besterven zou! Ze is Protestant bovendien!â€Â»Larie! Je hebt je zelf al die onaangenaamheden bezorgd. Nu moet je er maar door heen bijten. Maar ik zie wel wat ’t is, m’n mannekeâ€â€”’t kleine kereltje had een hebbelijkheid, om iedereen onder zijn vrienden en kennissen, al staken ze ook een hoofd boven hem uit, zooals Cornelis Udoma, met dat verkleinwoord aan te spreken—je bent beschaamd, om voor je pekelzonde uit te komen. Jasses! En daar wil je een arm meisje om opofferen!â€Cornelis zweeg en kreeg een hevige kleur.De ander zag ’t en ging door.»Als je je over die lamlendige schaamte van je heenzet, is de rest niets waard. Je vaders toestemming? Die krijg je, als jij maar wilt. Of dacht je, dat de pipa liever over een groot halfjaar zou zien, dat je een meisje trouwde, dat al een kind van je hadt, dan nu die toestemming tot je huwelijk met haar te geven, nu er nog een mouw aan te passen is?â€Cornelis trok ongeloovig de schouders op.»Zeker,†hervatte zijn contub, »zullen we wedden? ’t Is heusch nog zoo vreeselijk niet, dat je met een lief meisje van goeie familie trouwt …â€Â»Ik trouwen? En dan zeker doorgaan met mijn[20]studie hier in Leiden? En door al mijn kennissen uitgelachen worden?â€Â»Daar heb je weer die verdraaide valsche schaamte!†Fritsje Seemans liep driftig op en neer. »Is ’t dan niet mogelijk je studie elders voort te zetten, of … er mee uit te scheiden? Wat ’t zwaarste is, moet ’t zwaarste wegen. En dan, wat ’t verschil in godsdienst betreft, hoû je bij de overtuiging, dat je meer zonde doet door dat meisje in de steek te laten dan door met een Protestantsche te trouwen. Ik woû wel eens zien, of de pastoor je dat tegensprak … Nu, manneke, ik laat je alleen, hoor. Denk jij maar ’s over mijn woorden na, en neem een snel besluit. Van avond na ’t eten spreken we elkaar nog wel. Hoû je taai!â€Â»Tot ziens!†mompelde de achterblijvende. Hij stond op van zijn stoel bij den schoorsteen en ging naar ’t raam vóor aan straat, waar hij zijn vriend naoogde. Dan begon hij zenuwachtig heen en weer te loopen, en bleef eindelijk vóor ’t portret van zijn meisje, dat op de piano stond, staan. ’t Opnemende en aanstarende, zeide hij met een driftig gebaar: »Ellendige geschiedenis! Zou Frits geen gelijk hebben, wel beschouwd?…â€Zoo stond hij een poos, wellicht een kwartier, in gedachten verzonken. Dan wil hij zich in een leuningstoel zetten, besluiteloos, ontevreden over zichzelf, als er aan de deur geklopt wordt.»Binnen!†roept Cornelis brommig.[21]»Meheer, daar is iemand om u te spreke …†zegt ’t kamermeisje.»Iemand? Wie? Een heer, een vent, wat is ’t?â€Â»Een heer, meheer!†… Pietje de meid begrijpt niet hoe »meheerâ€, die anders altijd zoo vriendelijk is, nu zoo’n humeur vertoont. Ze is er onthutst van. »Met ’n hooge hoed …†laat ze volgen, maar half gerust, of ze er goed aan doet, dat er bij te zeggen.Cornelis voelt een bang vermoeden opkomen.»Hooge hoed, hooge hoed!… Hoe ziet hij er uit? Donkere knevel en sik?â€Â»Ja … ik geloof ’t wel,†antwoordt de dienstmeid aarzelend en schuift onwillekeurig naar de deur.»Laat meneer binnen, hier in de voorkamer.â€Pietje af. Cornelis is opgestaan en verdwijnt haastig door een deur, die naar zijn slaapkamer leidt: hij moet zijn kamerjapon uitdoen en wat toilet maken.Inmiddels zat Domine Dauteville in ’t kleine spreekkamertje van juffrouw Pilleman, de hospita. Hij was ’t met zichzelf nog niet volkomen eens, welk uiterlijk hij straks vertoonen moest, als hij bij Cornelis binnengelaten zou worden, en ’t was hem daarom lang niet onaangenaam, dat ze »meheer Udema,†zooals de hospita zeide, »eres evetjes waarschuwe†moest. Zoo had hij een paar minuten den tijd, om ’t hoogst gewichtige probleem van gelaatsuitdrukking en toon verder, naar hij hoopte, tot voldoening van zichzelf op te lossen. ’t Was een lastig, een hoogst onaangenaam[22]iets, dat probleem: hij had er al in den trein en op zijn wandeling naar Cornelis kamers over nagedacht, en ook te voren, wel een uur in ’t geheel, van ’t oogenblik, dat hij zijn woning in den Haag verliet, om in de vigilante te stappen, tot zijn aankomst op de plek, waar hij nu zat. ’t Onaangenaamste van alles was, dat hij nu zichzelf bekennen moest, dat er zoo’n ding wà s: er was een vraagstuk, waar hij maar steeds hardnekkig het bestaan van had ontkend! Dat was een tweede deemoediging binnen vier en twintig uur. Gisterenavond, na Clarine’s bekentenis en nu … Toen was hij de kluts kwijt geweest, was verlegen geweest met zijn houding tegenover zijn eigen kind; nu moest hij weer erkennen, dat er gevallen in ’t leven zijn, waarin een man als hij, »die z’n wereld kent,†metzijnleeftijd enzijnondervinding, niet weet, hoe hij zich moet voordoen tegenover een beginneling in ’s levens school als Cornelis Udoma! Die erkentenis was bizonder pijnlijk en hinderlijk brutaal ook: ze klonk daarom maar noode door, overstelpt en overbulderd als ze telkens werd door zijn verontwaardigde ijdelheid. En toch kwam ze telkens, en ze plaagde hem juist op ’t oogenblik, dat de onthutste Pietje kwam zeggen, »of meheer maar binne woû komme.â€Een ware opluchting voor den zelfstrijder was de ontdekking, dat de kamer, waarin hij gelaten werd, tijdelijk bewonerloos was.[23]De inrichting beviel hem bizonder. Ze gaf ook een goeden indruk van ’s bewoners smaak, en—de middelen om daaraan te voldoen. Niets van de ruwe studentikoziteit, zich openbarend in schreeuwende klad-reclameplaten aan de wanden, smakeloos hier en daar tegen aan bengelende of neerhangende trofeeën van nachtelijke »moerâ€-partijen—naamplaatjes, schelknoppen, bordjes van stations of spoorwagens—geen monsterspinnekoppen van papier-maché of wanstaltige langarmige Japansche gedrochtjes aan de lampen, ook geen onzichtbare spiegel wegschuilend onder introductie-kaarten, programs van uitvoeringen, naamkaartjes en wat niet al. Neen, de heele kamer—Cornelis’ zitkamer—had iets geregelds, iets verstandig maar smaakvol overlegds, had een aanzien van hoog-beschaafde verfijning, ja iets vrouwelijks zou men geneigd zijn te zeggen. ’t Was, of er een rijk, ontwikkeld en elegant jong meisje de inrichting had geregeld, in plaats van een student.De verrassing van dien indruk gaf een aangename afleiding aan Domine Dauteville’s gedachten, stemde hem tot toegevendheid, en loste ’t houding-vraagstuk bevredigend op. Ja zeker, een waardige, vaderlijk vermanende, maar ook vaderlijk vergevensgezinde inschikkelijkheid: dat was je ware, dat paste hem, dat was de toon, dien hij als zieleherder zoo goed kon aanslaan.»Een drommels mooie kamer!†mompelde hij,[24]weer geheel de oude. Zijn zin voor artisticiteit werd gestreeld: hij voelde zich volkomen op zijn gemak, en, toen hij, met den rug naar de deur gekeerd, met ingenomenheid stond te turen naar een keurige reproductie van Titiaan’s liggende Venus, belette slechts het geluid der opengaande deur, dat hij aan zijn opgewektheid in een zacht neuriënd gefluit lucht gaf.In de plotselinge terugroeping tot zijn vorigen gedachtenkring verloor Domine Dauteville even zijn evenwicht, en ’t had weinig gescheeld, of hij had den binnentredende begroet met een vroolijk: »Zoo, kerel, hoe gaat ’t?†Bij tijds wist hij zich echter in te binden, en hij bepaalde zich tot een vormelijke buiging, correct en zelfbewust.Cornelis boog bedremmeld, links. Hij was opvallend bleek en zenuwachtig.»Ga u zitten, Meneer Dauteville … Hoe maakt u ’t?â€Â»Dank u, Meneer Udoma, heel goed. U ook?â€Â»Nee, dank u,†ging de kalme van de twee voort, nadat hij inmiddels was gaan zitten op een der gemakkelijke stoelen bij een raam vóor aan straat. »Ik zal liever niet rooken.â€Hij wees de fijne sigaar af, die het jonge mensch hem gedienstig kwam aanbieden: ’t zelfbedwang kostte hem moeite, maar ’t paste niet te rooken in de gegeven omstandigheden, ’t prestige verbood die gezelligheid.[25]Na wat heen en weer drentelen, om een aschbakje te zoeken en lucifers klaar te zetten, die hij een oogenblik later inzag niet noodig te hebben, omdat hij begreep niet te kunnen rooken, als de domine het niet deed, zette Cornelis zich tegenover dezen in den tweeden beschikbaren leuningstoel.’t Oogenblik zwijgen, dat nu volgt, is voor Cornelis lang geen ledigheid. Sinds het aangekondigde bezoek is er een merkwaardige ommekeer in hem gekomen. De zaak is beslist; hij zà l Clarine’s eer redden. Hoe is hem lang niet duidelijk. Hij voorziet moeilijkheden zonder eind; maar éen ding staat vast bij hem: zijn huwelijk met het meisje, dat hij ongelukkig gemaakt heeft. ’t Is hem nu volkomen helder: dat is zijn plicht, wat er ook verder moge gebeuren, en ’t is hem onbegrijpelijk, hoe hij er ooit anders over heeft kunnen denken …»Hm, hm,†kuchte Domine Dauteville. Hij wendt zich vertrouwelijk tot den jongen man en heft de rechter hand op—zijn gewoon oratorisch gebaar. »Ik kom u over een moeilijke zaak spreken, Meneer Udoma, een zaak, waarin ik op uw ridderlijkheid … hm … op uw gevoel van recht reken. Ik heb u sinds een jaar als een huisvriend ontvangen …â€Cornelis buigt even, bleek, met neergeslagen blik. Onwillekeurig plukt hij met de linkerhand aan zijn snor, terwijl de andere zich om de zwarte zijleuning van zijn stoel klemt.[26]»U en mijn dochter Clarine mogen elkaar lijden …â€Cornelis kleurt.»Nu, nu,†zegt de ander minzaam, vaderlijk, »daarin is niets lakenswaardigs.†Hij ziet den jongen man vol aan.Cornelis kleurt nog heviger, zijn blik blijft gevestigd op een figuur in ’t tapijt vlak vóor zijn voeten.»Mits …†Wat zal hij zeggen? De menschenkennende predikant acht het raadzaam in vage termen te spreken, kort, zonder omhaal. Hij heeft toch al gezien, dat de ander vrijwel gewonnen is. Bij dat »mits†trekt hij zijn stereotypen glimlach, breed met gesloten mond, minzaam en toch ernstig vermanend, echt herderlijk, naar hij vast gelooft. De opgestoken wijsvinger der rechterhand en ’t even voorover leunen in zijn stoel verhoogen dien indruk. Hij is correct, bewonderenswaardig, indrukwekkend, dat voelt hij.De jonge man is te zeer van streek, om er iets van op te merken of te ondervinden. Als ’t dak op dat oogenblik ingevallen was, zou hij—mits behouden en ertoe in staat—waarschijnlijk ’t zelfde gezegd hebben wat hij nu zeide. Hij was er vol van.»U heeft gelijk, Meneer Dautevilleâ€â€”Cornelis zei nooit »Domineâ€â€”antwoordde hij plotseling opziende. En zenuwachtig, maar beslist ging hij voort, tot verbazing van zijn bezoeker, die meer tegenstand gevreesd had, en—heel in zijn binnenste[27]—wat meer voldoening had willen hebben van zijn welsprekendheid:»Zeker, ik had u al lang om Clarine’s hand moeten vragen. Ik doe ’t bij deze. Ik weet, dat uw dochter mij … dat ik van haar liefde zeker ben …â€Â»M’n jongen, ik geef je m’n toestemming. Van harteâ€. Domine’s stem klinkt gevoelvol, en zijn handdruk heeft iets echt spontaan hartelijks. Dat beseft hij.Als hij verder spreken wil, voorkomt Cornelis hem.»Ik ga zoo spoedig mogelijk naar Delmond … m’n vader spreken. Ik zal in alles mijn best doen, geloof me, Meneer Dauteville …â€Als hij dit zegt en den toegesprokene aanziet, is niets dan trouw in zijn blik te lezen. Cornelis meende volkomen wat hij zeide. In den »poseur†daar vóor hem zag hij niets dan den beleedigden, diep gegriefden vader, en zijn wroeging over ’t bedreven onrecht was groot en innig.»Komaan, komaan,†zegt de predikant opstaande, ook de ander staat op. »Ik wist wel, dat ik met een man van eer te doen had. O, ik wist het.†En weer’s jongen manshand grijpende, zegt hij: »Vergun me, je de hand te drukken. Ik heb je altijd mogen lijden. M’n dochter zal gelukkig met je zijn, dat weet ik zeker.â€Cornelis zwijgt en geleidt zijn bezoeker naar de deur. »Ik schrijf u spoedig,†zegt Cornelis nog.Als de huisdeur dicht slaat, haast hij zich naar zijn kamer, valt daar in een stoel neer—en wat[28]hem zeker in de laatste vijf jaar—sinds zijn moeders dood, niet overkomen is, geschiedt thans: hij barst in schreien uit. Met de eene hand tegen ’t voorhoofd blijft hij zitten, hartstochlijk, maar gedempt snikkend.De spanning was te groot geweest.[29]
Onder de studenten te Leiden had Cornelis Udoma den naam van een uiterst solied jongmensch en onder zijn club-genooten gold hij uitgemaakt voor een »sekuur broekie.†Geen wonder waarlijk, want naar allen schijn leefde ’t jongemensch bizonder regelmatig en verstandig. Na den groentijd—al drie jaar in ’t verleden—herinnerde niemand zich hem ooit dronken gezien te hebben; hij had zijn vast bitteruurtje op de »kroeg,†en kwam er een paar maal in de week ’s avonds na twaalf; verder liep hij geregeld college, zelfs die van negen tot tien in den morgen, zoodat hij na een jaar kalmpjes zijn »candidaats†in de rechten gedaan had, en de gansche week zag men Cornelis òf op zijn kamer, òf in de college-zaal, òf ter »kroeg,†behalve twee maal, wanneer hij ’s avonds naar den Haag ging. Hij kwam daar »veel bij families,†dat wist men. Van verliefde avonturen, uitspattingen van welken aard ook, wist niemand iets te zijnen laste te leggen.
Hij zag er ook solide uit. Hij had ondanks zijn twee-en-twintig jaren iets ouwelijks in zijn trekken,[17]een ernstigen plooi in zijn voorhoofd tusschen de oogen, die den indruk gaf, alsof hij steeds zijn wenkbrauwen fronste. Een paar lichtblonde bakkebaarden en dito korte gevulde snor droegen er ’t hunne toe bij, om in hem nu reeds den deftigen advokaat te zien.
Hij was afkomstig uit Delmond in ’t zuiden, en, schoon oorspronkelijk van Friesch bloed, was de familie Udoma aldaar sinds onheugelijke tijden inheemsch, bekend om haar deftigheid en om haar fortuin. Bekend ook om de rechtzinnigheid van haar geloof en den steun, dien haar leden steeds der »Moederkerk†hadden verleend. Cornelis’ ouders maakten geen uitzondering. De jonge man had dan ook een streng Roomsch-Katholieke opvoeding gekregen, en zijn vader verwachtte veel van hem voor de toekomst: reeds droomde hij van zijn zoon het »kamerlid,†en zag hij hem in de volksvertegenwoordiging als een der leiders der Katholieke partij. ’t Kostte hem als trouw volgeling van Rome’s Kerk een overwinning op zichzelven, toen Cornelis naar Leiden zou gaan. ’t Was ’t beste voor den jongen, omdat men nu eenmaal Leiden’s hoogeschool voor de beste in ’t land hield, en een »deftig†advokaat, vond vader Udoma, moest daar gestudeerd hebben; want de oude heer was ook praktisch. Maar zijn hart was lang niet gerust bij ’t afscheid nemen: ’t was een waag den jongen in »die verdorven studentenwereld†los te laten …[18]
Zou zijn vrees thans bewaarheid worden? ’t Had er veel van. Cornelis was sinds kort in groote verlegenheid. Zijn »contub,†zijn intieme vriend Frits Seemans, was spoedig geheel op de hoogte. Cornelis verzweeg niets voor hem. Wat zou zijn vader wel zeggen, als die eens wist, dat hij op zóo gemeenzamen voet omging met een Protestantsch jongmensch! Maar die wist dan ook niet, dat hij met hem samenwoonde: Papa kwam nooit over uit Delmond: ’t was zoo ver, welke vader of voogd deed zoo iets? De contub had een heel ernstig gezicht getrokken. ’t Was een mannetje, dat, zoo mogelijk, nog ouwelijker deed dan Cornelis, werkzaam was als hij, en er op zijn manier strenge beginselen op na hield. Er was bijna ruzie gekomen tusschen de twee onafscheidelijken; want Frits Seemans had ronduit gezegd, dat hij zoo iets nooit van zijn vriend gedacht zou hebben, dat, als hij beginselen had, hij er naar leven moest; dat ’t geen hij gedaan had een onwaardige daad was, en dat hij tegenover het meisje in kwestie en haar vader maar éen middel had, om de zaak nog eenigszins goed te maken: dat hij haar zoo spoedig mogelijk moest trouwen.
»Maar, m’n lieve mensch, dat’s mooi gezegd … In den grond ben ik ’t met je eens,†riep Cornelis mismoedig. »Maar hoe kan ik dat doen? Clarine heeft me ook al ’t zelfde gezegd, en ik verzeker je, dat ik er »beroerd†van werd, maar hoe kà n ik, hoe kà n ik?â€[19]
»Och, loop heen! Woû je mij wijsmaken, dat je inzoo’nzaak niet je zin zou kunnen doorzetten, al ben je nog maar twee-en-twintig?â€
»Hoe wil je nu, dat ik zoo’n bekentenis aan mijn vader doe? Ik geloof, dat de man ’t besterven zou! Ze is Protestant bovendien!â€
»Larie! Je hebt je zelf al die onaangenaamheden bezorgd. Nu moet je er maar door heen bijten. Maar ik zie wel wat ’t is, m’n mannekeâ€â€”’t kleine kereltje had een hebbelijkheid, om iedereen onder zijn vrienden en kennissen, al staken ze ook een hoofd boven hem uit, zooals Cornelis Udoma, met dat verkleinwoord aan te spreken—je bent beschaamd, om voor je pekelzonde uit te komen. Jasses! En daar wil je een arm meisje om opofferen!â€
Cornelis zweeg en kreeg een hevige kleur.
De ander zag ’t en ging door.
»Als je je over die lamlendige schaamte van je heenzet, is de rest niets waard. Je vaders toestemming? Die krijg je, als jij maar wilt. Of dacht je, dat de pipa liever over een groot halfjaar zou zien, dat je een meisje trouwde, dat al een kind van je hadt, dan nu die toestemming tot je huwelijk met haar te geven, nu er nog een mouw aan te passen is?â€
Cornelis trok ongeloovig de schouders op.
»Zeker,†hervatte zijn contub, »zullen we wedden? ’t Is heusch nog zoo vreeselijk niet, dat je met een lief meisje van goeie familie trouwt …â€
»Ik trouwen? En dan zeker doorgaan met mijn[20]studie hier in Leiden? En door al mijn kennissen uitgelachen worden?â€
»Daar heb je weer die verdraaide valsche schaamte!†Fritsje Seemans liep driftig op en neer. »Is ’t dan niet mogelijk je studie elders voort te zetten, of … er mee uit te scheiden? Wat ’t zwaarste is, moet ’t zwaarste wegen. En dan, wat ’t verschil in godsdienst betreft, hoû je bij de overtuiging, dat je meer zonde doet door dat meisje in de steek te laten dan door met een Protestantsche te trouwen. Ik woû wel eens zien, of de pastoor je dat tegensprak … Nu, manneke, ik laat je alleen, hoor. Denk jij maar ’s over mijn woorden na, en neem een snel besluit. Van avond na ’t eten spreken we elkaar nog wel. Hoû je taai!â€
»Tot ziens!†mompelde de achterblijvende. Hij stond op van zijn stoel bij den schoorsteen en ging naar ’t raam vóor aan straat, waar hij zijn vriend naoogde. Dan begon hij zenuwachtig heen en weer te loopen, en bleef eindelijk vóor ’t portret van zijn meisje, dat op de piano stond, staan. ’t Opnemende en aanstarende, zeide hij met een driftig gebaar: »Ellendige geschiedenis! Zou Frits geen gelijk hebben, wel beschouwd?…â€
Zoo stond hij een poos, wellicht een kwartier, in gedachten verzonken. Dan wil hij zich in een leuningstoel zetten, besluiteloos, ontevreden over zichzelf, als er aan de deur geklopt wordt.
»Binnen!†roept Cornelis brommig.[21]
»Meheer, daar is iemand om u te spreke …†zegt ’t kamermeisje.
»Iemand? Wie? Een heer, een vent, wat is ’t?â€
»Een heer, meheer!†… Pietje de meid begrijpt niet hoe »meheerâ€, die anders altijd zoo vriendelijk is, nu zoo’n humeur vertoont. Ze is er onthutst van. »Met ’n hooge hoed …†laat ze volgen, maar half gerust, of ze er goed aan doet, dat er bij te zeggen.
Cornelis voelt een bang vermoeden opkomen.
»Hooge hoed, hooge hoed!… Hoe ziet hij er uit? Donkere knevel en sik?â€
»Ja … ik geloof ’t wel,†antwoordt de dienstmeid aarzelend en schuift onwillekeurig naar de deur.
»Laat meneer binnen, hier in de voorkamer.â€
Pietje af. Cornelis is opgestaan en verdwijnt haastig door een deur, die naar zijn slaapkamer leidt: hij moet zijn kamerjapon uitdoen en wat toilet maken.
Inmiddels zat Domine Dauteville in ’t kleine spreekkamertje van juffrouw Pilleman, de hospita. Hij was ’t met zichzelf nog niet volkomen eens, welk uiterlijk hij straks vertoonen moest, als hij bij Cornelis binnengelaten zou worden, en ’t was hem daarom lang niet onaangenaam, dat ze »meheer Udema,†zooals de hospita zeide, »eres evetjes waarschuwe†moest. Zoo had hij een paar minuten den tijd, om ’t hoogst gewichtige probleem van gelaatsuitdrukking en toon verder, naar hij hoopte, tot voldoening van zichzelf op te lossen. ’t Was een lastig, een hoogst onaangenaam[22]iets, dat probleem: hij had er al in den trein en op zijn wandeling naar Cornelis kamers over nagedacht, en ook te voren, wel een uur in ’t geheel, van ’t oogenblik, dat hij zijn woning in den Haag verliet, om in de vigilante te stappen, tot zijn aankomst op de plek, waar hij nu zat. ’t Onaangenaamste van alles was, dat hij nu zichzelf bekennen moest, dat er zoo’n ding wà s: er was een vraagstuk, waar hij maar steeds hardnekkig het bestaan van had ontkend! Dat was een tweede deemoediging binnen vier en twintig uur. Gisterenavond, na Clarine’s bekentenis en nu … Toen was hij de kluts kwijt geweest, was verlegen geweest met zijn houding tegenover zijn eigen kind; nu moest hij weer erkennen, dat er gevallen in ’t leven zijn, waarin een man als hij, »die z’n wereld kent,†metzijnleeftijd enzijnondervinding, niet weet, hoe hij zich moet voordoen tegenover een beginneling in ’s levens school als Cornelis Udoma! Die erkentenis was bizonder pijnlijk en hinderlijk brutaal ook: ze klonk daarom maar noode door, overstelpt en overbulderd als ze telkens werd door zijn verontwaardigde ijdelheid. En toch kwam ze telkens, en ze plaagde hem juist op ’t oogenblik, dat de onthutste Pietje kwam zeggen, »of meheer maar binne woû komme.â€
Een ware opluchting voor den zelfstrijder was de ontdekking, dat de kamer, waarin hij gelaten werd, tijdelijk bewonerloos was.[23]
De inrichting beviel hem bizonder. Ze gaf ook een goeden indruk van ’s bewoners smaak, en—de middelen om daaraan te voldoen. Niets van de ruwe studentikoziteit, zich openbarend in schreeuwende klad-reclameplaten aan de wanden, smakeloos hier en daar tegen aan bengelende of neerhangende trofeeën van nachtelijke »moerâ€-partijen—naamplaatjes, schelknoppen, bordjes van stations of spoorwagens—geen monsterspinnekoppen van papier-maché of wanstaltige langarmige Japansche gedrochtjes aan de lampen, ook geen onzichtbare spiegel wegschuilend onder introductie-kaarten, programs van uitvoeringen, naamkaartjes en wat niet al. Neen, de heele kamer—Cornelis’ zitkamer—had iets geregelds, iets verstandig maar smaakvol overlegds, had een aanzien van hoog-beschaafde verfijning, ja iets vrouwelijks zou men geneigd zijn te zeggen. ’t Was, of er een rijk, ontwikkeld en elegant jong meisje de inrichting had geregeld, in plaats van een student.
De verrassing van dien indruk gaf een aangename afleiding aan Domine Dauteville’s gedachten, stemde hem tot toegevendheid, en loste ’t houding-vraagstuk bevredigend op. Ja zeker, een waardige, vaderlijk vermanende, maar ook vaderlijk vergevensgezinde inschikkelijkheid: dat was je ware, dat paste hem, dat was de toon, dien hij als zieleherder zoo goed kon aanslaan.
»Een drommels mooie kamer!†mompelde hij,[24]weer geheel de oude. Zijn zin voor artisticiteit werd gestreeld: hij voelde zich volkomen op zijn gemak, en, toen hij, met den rug naar de deur gekeerd, met ingenomenheid stond te turen naar een keurige reproductie van Titiaan’s liggende Venus, belette slechts het geluid der opengaande deur, dat hij aan zijn opgewektheid in een zacht neuriënd gefluit lucht gaf.
In de plotselinge terugroeping tot zijn vorigen gedachtenkring verloor Domine Dauteville even zijn evenwicht, en ’t had weinig gescheeld, of hij had den binnentredende begroet met een vroolijk: »Zoo, kerel, hoe gaat ’t?†Bij tijds wist hij zich echter in te binden, en hij bepaalde zich tot een vormelijke buiging, correct en zelfbewust.
Cornelis boog bedremmeld, links. Hij was opvallend bleek en zenuwachtig.
»Ga u zitten, Meneer Dauteville … Hoe maakt u ’t?â€
»Dank u, Meneer Udoma, heel goed. U ook?â€
»Nee, dank u,†ging de kalme van de twee voort, nadat hij inmiddels was gaan zitten op een der gemakkelijke stoelen bij een raam vóor aan straat. »Ik zal liever niet rooken.â€
Hij wees de fijne sigaar af, die het jonge mensch hem gedienstig kwam aanbieden: ’t zelfbedwang kostte hem moeite, maar ’t paste niet te rooken in de gegeven omstandigheden, ’t prestige verbood die gezelligheid.[25]
Na wat heen en weer drentelen, om een aschbakje te zoeken en lucifers klaar te zetten, die hij een oogenblik later inzag niet noodig te hebben, omdat hij begreep niet te kunnen rooken, als de domine het niet deed, zette Cornelis zich tegenover dezen in den tweeden beschikbaren leuningstoel.
’t Oogenblik zwijgen, dat nu volgt, is voor Cornelis lang geen ledigheid. Sinds het aangekondigde bezoek is er een merkwaardige ommekeer in hem gekomen. De zaak is beslist; hij zà l Clarine’s eer redden. Hoe is hem lang niet duidelijk. Hij voorziet moeilijkheden zonder eind; maar éen ding staat vast bij hem: zijn huwelijk met het meisje, dat hij ongelukkig gemaakt heeft. ’t Is hem nu volkomen helder: dat is zijn plicht, wat er ook verder moge gebeuren, en ’t is hem onbegrijpelijk, hoe hij er ooit anders over heeft kunnen denken …
»Hm, hm,†kuchte Domine Dauteville. Hij wendt zich vertrouwelijk tot den jongen man en heft de rechter hand op—zijn gewoon oratorisch gebaar. »Ik kom u over een moeilijke zaak spreken, Meneer Udoma, een zaak, waarin ik op uw ridderlijkheid … hm … op uw gevoel van recht reken. Ik heb u sinds een jaar als een huisvriend ontvangen …â€
Cornelis buigt even, bleek, met neergeslagen blik. Onwillekeurig plukt hij met de linkerhand aan zijn snor, terwijl de andere zich om de zwarte zijleuning van zijn stoel klemt.[26]
»U en mijn dochter Clarine mogen elkaar lijden …â€
Cornelis kleurt.
»Nu, nu,†zegt de ander minzaam, vaderlijk, »daarin is niets lakenswaardigs.†Hij ziet den jongen man vol aan.
Cornelis kleurt nog heviger, zijn blik blijft gevestigd op een figuur in ’t tapijt vlak vóor zijn voeten.
»Mits …†Wat zal hij zeggen? De menschenkennende predikant acht het raadzaam in vage termen te spreken, kort, zonder omhaal. Hij heeft toch al gezien, dat de ander vrijwel gewonnen is. Bij dat »mits†trekt hij zijn stereotypen glimlach, breed met gesloten mond, minzaam en toch ernstig vermanend, echt herderlijk, naar hij vast gelooft. De opgestoken wijsvinger der rechterhand en ’t even voorover leunen in zijn stoel verhoogen dien indruk. Hij is correct, bewonderenswaardig, indrukwekkend, dat voelt hij.
De jonge man is te zeer van streek, om er iets van op te merken of te ondervinden. Als ’t dak op dat oogenblik ingevallen was, zou hij—mits behouden en ertoe in staat—waarschijnlijk ’t zelfde gezegd hebben wat hij nu zeide. Hij was er vol van.
»U heeft gelijk, Meneer Dautevilleâ€â€”Cornelis zei nooit »Domineâ€â€”antwoordde hij plotseling opziende. En zenuwachtig, maar beslist ging hij voort, tot verbazing van zijn bezoeker, die meer tegenstand gevreesd had, en—heel in zijn binnenste[27]—wat meer voldoening had willen hebben van zijn welsprekendheid:
»Zeker, ik had u al lang om Clarine’s hand moeten vragen. Ik doe ’t bij deze. Ik weet, dat uw dochter mij … dat ik van haar liefde zeker ben …â€
»M’n jongen, ik geef je m’n toestemming. Van harteâ€. Domine’s stem klinkt gevoelvol, en zijn handdruk heeft iets echt spontaan hartelijks. Dat beseft hij.
Als hij verder spreken wil, voorkomt Cornelis hem.
»Ik ga zoo spoedig mogelijk naar Delmond … m’n vader spreken. Ik zal in alles mijn best doen, geloof me, Meneer Dauteville …â€
Als hij dit zegt en den toegesprokene aanziet, is niets dan trouw in zijn blik te lezen. Cornelis meende volkomen wat hij zeide. In den »poseur†daar vóor hem zag hij niets dan den beleedigden, diep gegriefden vader, en zijn wroeging over ’t bedreven onrecht was groot en innig.
»Komaan, komaan,†zegt de predikant opstaande, ook de ander staat op. »Ik wist wel, dat ik met een man van eer te doen had. O, ik wist het.†En weer’s jongen manshand grijpende, zegt hij: »Vergun me, je de hand te drukken. Ik heb je altijd mogen lijden. M’n dochter zal gelukkig met je zijn, dat weet ik zeker.â€
Cornelis zwijgt en geleidt zijn bezoeker naar de deur. »Ik schrijf u spoedig,†zegt Cornelis nog.
Als de huisdeur dicht slaat, haast hij zich naar zijn kamer, valt daar in een stoel neer—en wat[28]hem zeker in de laatste vijf jaar—sinds zijn moeders dood, niet overkomen is, geschiedt thans: hij barst in schreien uit. Met de eene hand tegen ’t voorhoofd blijft hij zitten, hartstochlijk, maar gedempt snikkend.
De spanning was te groot geweest.[29]