[Inhoud]III.Hard tegen hard.Cornelis Udoma was niet slecht. Men is trouwens zelden slecht op zijn twee-en-twintigste jaar. Goed in den zin van »deugdzaam,” op de wijze zooals de traktaatjes dat opvatten, was hij ook niet. Beginselen had hij maar enkele, en die behoorden niet tot het deugdzame soort. Een daarvan, het voornaamste zeker, was: men moet netjes zijn vóor alles. Nauw hing hiermee samen: de schijn is alles hier in de wereld. Cornelis was steeds »netjes” geweest. Zijn vader had het hem zóo dikwijls ingeprent, en hij was steeds zóo volgzaam geweest, dat ’t haast niet anders kon. Hij was netjes in zijn spreken—zelfs toen hij thuis gebracht werd van de ontgroeningsjool op de »kroeg” te Leiden—netjes in zijn gang—regelmatig, bedaard—netjes in zijn kleeren—steeds onberispelijk, maar stemmig—netjes in zijn omgang—hij »zat” in club van »aristo’s” zooals ze zich gaarne noemden—en netjes in zijn gedrag … tot voor kort. En de »schijn” was steeds vóor hem geweest … zou die nu tegen hem worden?[30]Dat had Cornelis ellendig gemaakt, die gedachte, dat hij nu belachelijk zou worden.En nu?… Hij zat in den trein, eenzaam in een hoekje gedoken. Hij had een goeden nacht gehad en was vrij laat opgestaan. Even had hij eenige woorden aan Clarine geschreven, om haar zijn vertrek mede te deelen, en toen was hij naar ’t station gestapt. Daar gekomen, had hij naar huis geseind, dat hij tegen den avond verschijnen zou.Wat voelde hij zich anders dan vier-en-twintig uren te voren! Wat was er toch met hem gebeurd? Hoe kwam ’t dat hij »’t land aan zichzelf had,” en ’t zoo uitdrukte, bij zichzelf mompelend, hij, die altijd zoo tevreden en zelfgenoegzaam en correct geweest was? Hij wist het niet. Hij wist, dat hij zich ongelukkig voelde, dat hij Domine Dauteville een ploert vond en zichzelf een zwakkeling. En Clarine? Hij dacht aan haar met een gevoel van schaamte, maar koel, zonder hartelijkheid. En ’t besef van ’t ontbreken van liefde in ’t heele geval—althans zijnerzijds—maakte zijn ontevredenheid over zichzelf, zijn ergernis nog grooter.Met een rukbeweging verzet hij zich. Hij moet … moet … daar is geen redeneeren tegen. En hij wil er ook niet tegen redeneeren. Hij is ’t met zich zelf eens, al lang. Lang? Ruim vier en twintig uur, en ’t schijnt hem een jaar op zijn minst! Hij moet dat huwelijk bespoedigen … om zijn eigen fatsoen … Bah! wat gaf hij daar nù om! Wat waren zijn[31]denkbeelden, ook op dat punt veranderd in die korte uren! Om haar, om ’t onrecht goed te maken, om haar eer te redden. Zij hield van hem, o, daar was hij zeker van. En hij zou haar, hij moest haar trouwen. En hij zou haar nog gelukkig kunnen maken … Een fraai geluk met een echtgenoot, die haar huwde uit medelijden …Cornelis had bijna gevloekt.Dat deed er niet toe: hij zou zijn plicht doen, en hij zou zich schikken. Zij kon wel tevreden zijn, en niets bespeuren van de verkoeling bij hem. Verkoeling! Van liefde zeker niet. God, die had nooit bestaan bij hem, nooit, neen nooit! Hij besefte het nu ten volle. En hij zag zijn toekomst … gekluisterd aan een vrouw als Clarine. Al ’t oppervlakkige, banale, wufte van haar persoonlijkheid werd hem nu klaar. Waarom niet eerder, groote God, voordat hij de dwaasheid beging zich te verbeelden, dat hij dat kind liefhad!Och, hij wist niet wat liefde was … Dat moest iets anders, iets beters, heiligers wezen. Had ze dan niet verdiend, dat hij haar in den steek liet …? De jonge man huiverde bij de gedachte, en wierp ze ver van zich af. ’t Wilde er bij hem niet in, dat in zijn noodlottig avontuur ook zij schuld had, de schuld van haar roekelooze, bandelooze dartelheid en weelderigheid. Hij kende ’t leven nog zoo weinig …Hoe meer hij aan ’t jonge meisje dacht in ’t nieuwe licht van zijn toekomstige vrouw, hoe ontstemder[32]hij werd; maar ook hoe wanhopiger vast zijn besluit werd. Hij voelde zich als iemand die, vervolgd door woedende roofdieren geen anderen uitweg ziet dan een bruischende breede rivier vóor zich, waarin hij moedig neer moest springen, vastberaden en kalm het gevaar onder de oogen ziende, om ’t veege lijf te redden.Cornelis dacht aan al de uren van samenzijn met de aantrekkelijke predikantsdochter. Aantrekkelijk was ze …beauté du diable! Hij zag haar aan de piano zitten ’s avonds bij haar thuis een vroolijke deun aframmelend. Washington-post en onmiddellijk daarnaOuvre tes yeux bleus, ma mignonne!van Massenet, om te eindigen met een paar woedende accoorden, uit louter dolligheid. Dan sprong ze op en liep op hem toe, die aandachtig had staan luisteren naar haar aardig stemmetje, greep hem bij zijn schouders en duwde hem achterover op de canapé. Schaterlachend riep ze met de kleine handjes op zijn oogen gedrukt:Ouvre tes yeux bleus, mon mignon, voici la nuit!Was ’t wonder, dat hij haar in zijn armen nam en haar hartelijk kuste? ’t Was zoo’n aardige vroolijke meid! En in »de Batavier”… die uitspanningsplaats in de duinen … Wat ’n tooneeltjes van echte pret, uitgelaten, dolle, zorgelooze pret.Wat speelde ze daar handig en sierlijktennisachter ’t gebouw! Hoe lenig bewegen zich haar leden in de smaakvolle kleeding—toch zoo eenvoudig.[33]O, hij ziet denweelderigeboezem rijzen en dalen, de oogen schitteren, de haren glanzen in ’t zonlicht, als ze zich voorover buigt bij ’t hanteeren van haar raket. Een sierlijke verschijning … Een en al dartelheid, en smaak en vuur en leven! En gedachteloosheid … Hij had medelijden, want hij mocht haar toch wel … En ze was gul, goedhartig, eerlijk … Toch, neen, hij had haar niet lief, hij kòn haar niet liefhebben. Hij zag niet tegen haar op … had geen achting voor haar, en zelfs dolle verliefdheid, die niet denkt aan achting, die gemoedstoestand, door velen liefde genoemd, kwam bij hem niet meer voor …Hij dankte God voor zijn inzicht met bittere erkentelijkheid. Hij was nu ten minste gevrijwaard voor latere ontgoochelingen. Hij kende Clarine—te laat om zijn geluk te redden, maar bij tijds genoeg om hem misschien voor wanhoop te behoeden.De ontwaking van zijn gemoedsleven ging gepaard met een opleving van godsdienstig gevoel. En dit laatste mengde zich met weemoedige herinneringen. Hij dacht aan zijn moeder, en haar beeld was hem in de korte spanne tijds sinds de ongelukstijding meermalen vóor den geest gekomen dan wellicht in de laatste drie jaren. Hij voelde zich vreemd, vreemd te moede, begreep zichzelven niet; ’t was hem alleen duidelijk, dat er een nieuw leven voor hem begon, dat hij een ander mensch zou worden van stonde af aan …[34]’t Zielsproces, dat bij hem plaats gehad had, was inderdaad eenvoudiger dan ’t hèm leek. ’t Was een ommekeer, maar een herstel van veel ouds bij aanwinst van weinig nieuws. ’t Oude was zijn eigenlijke aard, ’t eenige nieuwe de meerdere innigheid, de diepere grondvesting zijner eigenschappen. De schok van Clarine’s openbaring en ’t gevolgde bezoek van haar vader had gewerkt als een storm, die het zwakke plantendek van een rotsige klip had afgerukt. Hij was weer wat hij was vóor den dood zijner moeder, iets rijper alleen …Zijn moeder vertegenwoordigde het dichterlijke, sentimenteele element in Notaris Udoma’s huiselijken kring. Die kring bestond korten tijd uit vier personen; maar Cornelis’ jongere zuster was zeer jong gestorven. Zijn herinneringen bereikten nauwelijks dien tijd. Hij wist alleen, dat hij een zusje gehad had, en hij wist heel goed, dat zijn moeder getreurd had, tot haar dood getreurd had om ’t zusje. Zoo althans stelde hij ’t zich voor. Hij besefte niet, welk ander leed haar ondermijnde, en nu zelfs, na zijn ontwaking, zou hij slechts langzaam leeren beseffen wat haar zoo vroeg deed wegkwijnen.Zij had een huwelijk »van liefde” gesloten, dat wil zeggen, zij had den knappen, beleefden, geestigen jongen man lief, toen ze met hem ’t leven inging. ’t Was te Amsterdam. Udoma was toen candidaat-notaris en een goede dertiger. Hij had geld en zij had geld. En de wederzijdsche ouders[35]zagen ’t huwelijk zoo gaarne. Alles liep van een leien dakje, alles was keurig, deftig, tot algemeene tevredenheid gegaan. Hij was knap, zij zag er lief uit, en ’t geluk maakte beiden nog stralender dan gezondheid en jeugd en al ’t andere goeds, dat ze reeds hadden, hen konden gemaakt hebben. Het huwelijk was een schitterend huwelijk geweest, een huwelijk waar veel over gepraat was, dat veel jaloezie en veel bewondering had opgewekt. Twee jaar later werd Udoma notaris—’t ging vlugger in dien tijd dan tegenwoordig—en ’t paar trok naar Delmond. Intusschen had voor de arme Elizabeth, Cornelis’ moeder, de ontgoocheling reeds lang plaats gehad. In den dagelijkschen gemeenzamen omgang bleek Udoma een correcte nul. Hij begreep niets van haar rijk gemoedsleven; haar zin voor ’t schoone, haar godsdienstigheid, haar fijn ontwikkelde kieschheid verveelden hem, zoodra effectbejag er aan vreemd moest blijven. En hij kon alleen effect maken, als zijn vrouw zich de smaakvolle, fijn gevoelende en godsdienstige toonde tegenover derden. In den verlovingstijd was daarom dat alles volkomen naar zijn zin geweest; toen waren er meestal derden. En in dien tijd had hij die »zaakjes” ook heel anders opgevat. Hij zag nu dat ’t »allemaal ernst” bij haar was: geen spoor van effectbejag. En zij zag, dat ’t bij hem allemaal effectbejag was: geen spoor van ernst. Onder ernst verstond zij ’t innige, ’t oprechte.[36]En ze voelde zich ongelukkig, toen ze allengs bespeurde, dat haar liefde minder werd, dat hun huwelijk op weg was een lichaamsecht te worden. Een stille diepe weemoed drong meer en meer in haar hart. Moedervreugde gaf daarop afleiding. Ze was verrukt, haar gemoed was tot berstens toe vervuld van dankbaarheid voor ’t onverwachte geluk, ze aanbad haar jongen, ze zag de wereld weer zoo anders, ze voelde zich in warmen edelmoed tot hartelijke toenadering geneigd. Zou ze tòch van dien man, nu den vader van haar kind, kunnen houden, zou ze hem nòg kunnen liefhebben: omdat ze hem verkeerd beoordeeld had? De zoete begoocheling hield eenige maanden aan. Haar echtgenoot was bizonder attent en lief geweest. Zijn ijdelheid was daaraan niet vreemd: hij had een zoon en was vader, rees daardoor in »deftigheid,” meende hij.Udoma was nààr deftig, had zijn vrouws jongste broer gezegd, iemand die »voor schilder studeerde”—zoo’n brutaal, onvormelijk individu van twintig jaar, die maar alles zeide wat hem voor den mond kwam, en vreeselijk »proleetig” deed met zijn losse kleeding en losse manieren en losse haren.In Delmond vonden de notabelen Udoma onberispelijk. Hij was dan ook een van die menschen, die steeds in alle werelsche zaken het juiste midden weten te bewaren, die nooit door hartstocht verblind of door aandoeningen van de wijs schijnen te[37]raken. Verder leefde hij geregeld, was matig, deed zijn werk in de puntjes, was beleefd tegen een ieder—hartelijk tegen niemand—ging stipt iederen Zondag naar de kerk en ook op de feestdagen, vastte op Vrijdag, steunde de Katholieke armen, bracht de »Pieterspenning” op—en royaal, dat wist men—zat in den gemeenteraad. Voor ’t overige nam hij deel aan ’t »gezellige leven der hoogere kringen,” vertoonde zich geregeld in de heeren-societeit, zoowel als ’s avonds met zijn vrouw op de deftige concerten en op de dineetjes en avondpartijtjes; terwijl hij zelf nu en dan zijn huis openzette voor de Delmondsche »menschen.” Natuurlijk waren dit uitsluitend de Roomsch-Katholieke notabelen. Zijn vrouw was van ’t zelfde geloof. Ze vond echter dit exclusivisme wat ver gedreven. Onder de enkele Protestanten ter plaatse waren er tot wie zij zich getrokken voelde.Maar men deed ten huize Udoma slechts wat »behoorlijk” was tegenover de toongevende buitenwereld, en de heer des huizes maakte dat uit.De verwijdering tusschen man en vrouw werd weer met den dag grooter. Hevige tooneelen hadden echter niet plaats: zij was er te zachtzinnig voor, hij te deftig, te hartstochteloos. Toch ontbraken de uitbarstingen niet, hoe kalm ze ook afliepen. Hij kon kalm grof zijn, cynisch en dom wreed. In ’t eerst eindigde zulk een woordenwisseling met een krampachtig gesnik van de zwakkere partij, later[38]hield dit op. Als hij sarrend bedaard, met onnoozel meerderheidsvertoon, schouderophalend en lachend, heenging met een: »Je bent een eend!” zweeg zij, bleek bevend, ineengedoken op een stoel. En ze wierp hem een langen blik na, waarin smartelijke minachting lag. Ze schreide niet meer in zijn bijzijn: haar tranen achtte ze te heilig om besmet te worden door zijn gemeenen spot. Een uur later stak hij haar de hand toe, met een minzamen lach en een gemaakt hartelijk »kom, kom,” zwaar gebromd. Mat nam ze dan ’t vredesteeken aan. En hij achtte zich onweerstaanbaar. Haar geweten plaagde haar, ’t vertelde van vredesluiten, vergeten en vergeven. Ze zwichtte dan voor die stem, om weldra weer om te slaan. Ze ging naar de kerk, dagelijks, en bad om kracht, om bijstand, om zuiver inzicht: mocht ze den vader van haar kind minachten? Was ’t geen zonde de liefkozingen te dulden van een man, dien ze minachtte? En met angst dacht ze aan de komende gebeurtenis, haar tweede bevalling, ’t Kind kwam, een zwak meisje, geboren uit een zwakke moeder. Bij ’t zielelijden der moeder voegde zich thans lichamelijk lijden, sleepend, slopend.’t Meisje werd twee jaar oud en stierf. De moeder volgde een half jaar later. Aan ’t sterfbed was Udoma bizonder effectvol geweest. In ’t bijzijn van den priester had zijn vrouw hem vergiffenis gevraagd voor ’t verdriet hem aangedaan. »Van harte, m’n lieve,” had hij waardig geantwoord. Ze was tevreden gestorven.[39]Cornelis, toen zeventien, voelde den slag vreeselijk. Hij was steeds de lieveling van zijn moeder geweest, haar trots ook, haar hoop, haar troost. Hij had een fijngevoelig hart als zij, hij begreep haar neigingen, haar smaak. In zijn gezelschap vond ze afleiding voor haar zorgen. En hij genoot van de uurtjes van intiem samenzijn met haar, zonder zijn vader. Voor dezen had hij een soort schuwen eerbied, zonder innigheid. Hij keek tegen hem op als tegen een autoriteit, zijn moeder was een oudere vriendin, een vertrouwelinge voor hem geweest. Hij was zóo innig, zóo teeder in dien omgang, dat zijn vrienden op school hem »moederskindje” noemden; omdat hij ’t altijd over zijn moeder had, over »wat moeder zei” en »wat moeder vond.” ’t Nadeel, was een zekere verweekelijking in zijn gevoelsleven, maar ’t voordeel, dat hij vrij bleef van veel besmetting, waaraan men op dien jeugdigen leeftijd door omgang met kameraadjes en kameraden blootstaat. Ook had Cornelis niet veel tijd voor dien omgang: veel uren buiten de school werden in beslag genomen door privaat-onderwijs in de klassieke talen. Een priester kwam die lessen geven: vader Udoma zond zijn zoon liever niet naar ’t gymnasium in den Bosch of dat te Venlo. De avonduren sleet Cornelis in ’t bijzijn zijner moeder; bij haar zittend maakte hij zijn werk. En als hij vroeg daarmee klaar was, speelde zij een stukje op de piano, soms zong zij, meest weemoedige liederen, met zwakke stem, maar[40]vol innigheid voorgedragen. Vaak moest het lied afgebroken worden, vóor het einde, omdat de tranen haar stem verstikten. Moeder en zoon vielen elkaar dan in de armen, ’t Was een leerschool voor gevoeligheid—»gevoelerigheid” was een woord van Udoma Senior—die omgang met zijn moeder. Cornelis werd een stille ernstige jongen, soms droomerig—»suf,” zei zijn vader. Hij hield veel van lezen, van muziek—speelde viool, bewonderde alle kunst. Een paar maal waren ze naar Brussel geweest—vader, moeder en zoon—en ook »de musea” waren in vaders correct reisplan begrepen. Cornelis had genoten, vader Udoma vond, dat z’n jongen daar ook verstand van moest hebben: dat hoorde zoo bij zijn stand.Na zijn moeders dood was ’t een heel ander leven. Vader en zoon waren veel meer samen. Udoma Senior miste ’t gezelschap der anders onvermijdelijke, maar ook slecht ontbeerbare derde persoonlijkheid in huis, en zocht nu méer ’t gezelschap van zijn zoon. En hij kreeg ’t in zijn hoofd den jongen naar zijn model te vormen, hem te scholen in al »de maatschappelijke en intieme deugden”—zooals hij ’t noemde—waarin hij zichzelf zoo volleerd vond. De overgang voor Cornelis was onmerkbaar. Allengs groeide er een korst van wereldsche ploertenwijsheid om de blanke teedere kern zijner ziel; voor ’t uiterlijk werd hij een tweede notaris Udoma, uitgave in kleiner formaat,[41]wat fijner omslag, maar overigens een reproductie. De oude heer vond de verandering bizonder naar zijn zin: hij had zooveel kneedbaarheid, zooveel aannemendheid niet verwacht.Toen Cornelis naar Leiden ging, was ’s vaders ongerustheid dan ook voornamelijk, dat hij zich »compromiteeren” zou. Dat had Udoma Senior nooit gedaan. Hij had als student—want hij was gepromoveerd in de rechten—éen, zeggeeenliefdesbetrekking gehad. Die had drie jaar geduurd, niemand had er van geweten, behalve ’t meisje en haar moeder, ’t was alles »contractueel” gegaan, zonder horten en stooten, zonder zich te compromiteeren—ook ’t afscheid: hij had haar vijf honderd gulden gegeven, en haar moeder, een weduwe, in een zaakje gezet. Alles correct.Cornelis compromiteerde zich te Leiden ook niet, ofschoon hij zich ver hield van alle betrekkingen van teederen aard—tot op dien noodlottigen dag. Hij maakte kennis met Clarine bij gemeenschappelijke vrienden in den Haag, op een avondpartijtje …En thans die ommekeer, dat plotseling afbrokkelen en wegvallen van die buitenlaag van zijn wezen, die ontdekking, dat het zijn wezen niet was, de verbijstering van ’t schijnbaar nieuwe, waarin vreugde, verrassing, ergernis en afschuw dooreenwarrelden!De schok der laatste gebeurtenissen had hem[42]dan wel door elkaar geschud, om zoo iets te bewerken! En als hij zichzelf niet geweest was, maar een ander, rijper en ouder dan hij, en die zielsrevolutie had kunnen beoordeelen, dan zou hij gejuicht hebben. De schok was beslissend voor zijn leven: de mensch, de edele oprechte mensch was gered, behoed voor verwording …Cornelis verwenschte voor de zooveelste maal zijn vorig wezen, zijn »mooidoenerij.” Hij had er een walg van. En hij dacht aan zijn moeder, aan den tijd toen hij als kleine jongen ’s avonds naar beneden sloop, stilletjes de trap af, naar de voorkamer, waar moeder zat piano te spelen en te neuriën, droomerig zacht. Hoe hij kans zag achter de piano te kruipen, zonder dat zij ’t merkte, en daar soms slapende gevonden werd, een half uur later. Een lied dat ze veel zong ruischte hem door ’t hoofd, aanhoudend, weemoedig streelend: »Bleibe nur fein geduldig …” Zijn moeder zong dat wiegelied zoo vaak. ’t Werkte nu als een wiegelied op hem. Hij had een uur zitten peinzen met de oogen dicht, en dat na al de aandoeningen … hij sliep in.Te Boxtel werd hij met schrik wakker, meende reeds aangekomen te zijn. Verder bleef hij gedrukt, verward, slechts de eene zekerheid, die hij had—dat hij zijn vader alles zeggen, Clarine redden moest—met grooter ongerustheid onder de oogen ziende naarmate de ontmoeting met zijn vader[43]nader kwam. Toch was hij iets kalmer en op dat éene punt vastberaden.Aan ’t station stond Udoma Senior zijn zoon af te wachten. ’t Trof hem alleen, dat hij stil was, bizonder stil en ongewoon.’t Was ongeveer etenstijd. Na het maal excuseerde Cornelis zich, nog vóor de sigaar, en ging naar zijn kamer. Van de zaak had hij niets gezegd: hij wilde tot den volgenden morgen wachten.»Vreemd!” mompelde Udoma Senior, met zijn groote ronde oogen starende op ’t bandje van zijn »after-dinner.”»De jongen heeft iets bizonders …” peinsde hij.»Zou hij zich gecompromiteerd hebben? Niet best mogelijk: hij is solide en verstandig.” En groot-formaat Udoma streelde zelfgenoegzaam zijn gladgeschoren vette kin. Hij dacht aan ’t kleine formaat, en was ten slotte innig tevreden.»Ja, ja” mompelde hij, zwaar en dik van toon, stond van zijn stoel op en slenterde met de sigaar tusschen zijn tanden, de duimen boven aan zijn vest, bedaard en schommelend naar de ruime veranda, achter de naaste kamer.’t Was een mooie avond in den vroegen herfst.Een zonnestraal, een der laatste, viel lachend op zijn glanzigen deftigen schedel.»Ja, ja …” klonk ’t nog eens als uit een hol vat.Udoma Senior zette zich neer in een tuinstoel,[44]strekte zijn korte beenen uit, leî zijn sigaar op een aschbakje en sloot de oogen. »Ja, ja …”Den volgenden ochtend omstreeks half negen was Cornelis Udoma alleen met zijn geweten in den grooten tuin achter zijn vaders huis. ’t Was een bizonder groote tuin, een van de grootste in de stad. Bovendien bizonder mooi en goed onderhouden. Achterin waren lommerrijke paadjes en heerlijke plekjes, die den droomer de begoocheling der eenzaamheid schonken.Cornelis wandelde op en neer, sinds bijna een uur in dat zelfde achterdeel van den tuin, de handen in de jaszakken van zijn flanellen zomerpakje, zóo dat die een eind vooruitstaken, de kin op de borst. Om hem heen een geurige, weelderige, zinnenwiegende morgen. Hij had zijn vader nòg niet gesproken! Die was niet aan ’t ontbijt om half acht. Hij had zich een uur vergist—hij wist dat zijn vader om half negen ontbeet—Na een vrijwel slapeloozen nacht was hij maar opgestaan, denkende, dat het al heel laat was. Waarom hij zijn vader niet afgewacht had, wist hij zelf niet best. Hij geloofde, dat het was omdat hij nog ’s goed bedenken moest, hoe hij de zaak in zou kleeden.»Zoo, ben je daar?” klonk op eens een zware stem.»Cornelis, jongen, wat scheelt je? Hoe kom je zoo vroeg uit de veeren? Je bent anders zoo matineus niet. Zeg?”[45]Udoma Senior was den tuin ingegaan om zijn zoon te zoeken en was weldra op hem gestuit bij ’t omslaan van een laantje achterin. Hij was nu overtuigd, dat »’m wat scheelde”, dat was duidelijk.Cornelis kijkt verrast op, bloost en stamelt:»Mij? Mij scheelt niets, Papa …”»Kom!” Papa steekt zijn arm fideel onder den linkerarm van ’t jonge mensch en wandelt met hem op. »Woû je mij wijsmaken, dat je volkomen normaal was? Nee, m’n baasje, wij kennen onze wereld zoo’n beetje.” Dit zelfvoldaan en met strakken lachenden blik op Cornelis.Deze zwijgt en beantwoordt den blik niet.»Zeg ’s … Cornelis … ronduit, hoor. »La femme?”»Och!” zegt Cornelis met schouderschok, alsof hij een vuile veronderstelling ver van zich af wil gooien. Nog steeds houdt hij zijn oogen naar de fijne kiezelsteentjes in ’t laantje gericht.»Tu en as l’âge, mon ami. Rien d’extraordinaire!” gaat de vader voort, die gaarne Fransch spreekt en Fransch geurt en Fransche levensbeginselen te koop hangt.»’t Is immers zoo? Zeg ’t nu maar, dan kunnen we ’s praten”.De oudere man staat hier stil, Cornelis breekt onwillekeurig ook zijn wandeling af. Hij kijkt even op. De luchtige toon van zijn vader hindert hem geweldig.[46]»Er is niets van wat u vermoedt, Papa,” zegt hij snel, met afgewend hoofd morrelend in de kiezelsteentjes met zijn eenen hak. »Ikscharrelniet.” Dit met innige minachting in zijn toon, en korzelig.»Natuurlijk niet, dat laat je aanprolenover, nietwaar?”Zij hervatten hun wandeling. »Jij doet ondertusschen aan hofmaken en zoo. En nu ben je tegen de lamp geloopen. Hoe is ’t: ziet ze er goed uit? En kun je niet van ’r afkomen? Toch geen »conséquences”, wil ik hopen? Jongen, jongen, je weet wat ik je daaromtrent gezegd heb:Sauvez les apparences, en als je ’t te ver laat komen, is dat bliksems lastig.”Cornelis bijt zich op de lippen. Dan draait hij zich plotseling half om, en zegt hard en duidelijk:»Ik heb een meisje van mijn stand …”»Verleid wil je zeggen? valt Udoma Senior lachend en doodkalm in, »of zij jou! Ha, ha!”»Vader, ik verzoek u me niet in de rede te vallen!” roept Cornelis woedend.Zonder erop te letten gaat de ander onmiddellijk daarop voort: »De gewone roman. Je wilt ’r nu trouwen. Erg edelmoedig …Ça ne se fait pas, m’n jongen. Ik had je voor verstandiger gehouden …”»Papa, gaat u in Gods naam niet op die toon voort …”Er komen tranen in Cornelis’ oogen. De ander[47]ziet ’t, vertrekt even een mondhoek, en vraagt quasi belangstellend:»Hoe heet ze, komaan?” Cornelis aarzelt even.»Dauteville.”»Zoo”, met zekere voldaanheid. Dan, nieuwsgierig: »Wat is de vader?”»Predikant!”»Domine. Protestant dus. Zoo. Hm … Geld?”»Ja.”Cornelis antwoordtvoortdurendop gedempten, onwilligen toon.»Al ’n ouwe geschiedenis?”»Ik ken ’r een jaar ongeveer.”»Ik bedoel die … eigenlijkeamourette?”»Och, wat bedoelt u toch? Begint u weer? Als u zóo spreekt zwijg ik liever …”Vader Udoma herkent zijn zoon niet. Wat bezielt die’ jongen? Zouden de oude sentimentaliteiten weer terugkomen?»Ik wil zeggen, wanneer je de jobstijding kreeg?” gaat Udoma Senior rustig voort.»Nog pas een paar dagen geleden. Daarom ben ik hier.” Er is iets in Cornelis’ toon, dat te kennen geeft: hoe kan u anders denken?»Zoo, zoo, je laat ’r geen gras over groeien. En nu wil je zeker mijn toestemming voor ’t huwelijk?”»Natuurlijk, vader.”De hooge ernst op ’t bleeke, regelmatige, fijne gezicht van den jongen Udoma vormt een schril[48]tegenbeeld met de hoogroode tronie van zijn vader, pafferig en luchtig zelfvoldaan. Bij al de overeenkomst hunner trekken—dezelfde soort oogen, dezelfde vorm van neus, dezelfde snit van mond, dezelfde bakkebaardjes, dezelfde kortgehouden knevel—viel ’t onderscheid dadelijk op. Udoma Junior was fijn, de ander grof, de een aristocratisch van lijnen, de ander poenig.»Cornelis, dat doet men niet” antwoordt ’t poenig individu.»Men, men … wat kan mijmenschelen!!” roept Cornelis, zich niet meer kunnende inhouden.»Ik acht ’t mijn plicht dat huwelijk door te zetten.” De jonge man bedenkt zich, dat hij zijn vader niet beleedigen mag, datzijntoestemming onontbeerlijk is; dat Clarine, als hij die niet krijgt, verloren is, want hij wordt eerst in Mei meerderjarig, en ’t is September.»Papa, u geeft uw toestemming, nietwaar?” gaat hij op heel anderen toon voort, nu met smeeking en vleiing; hoe hij ook inwendig trilt van verontwaardiging.»Kom, kom, kom. Hou je nu maar kalm. We spreken er nog wel nader over. Ik moet naar kantoor.” Bedaard zijn horloge weer in den zak stekend, zegt hij onder ’t heengaan: »Nu tot ziens. Onthoû nu voorloopig dit alleen: je krijgt mijn toestemming niet, he. Adieu!”Cornelis oogt zijn vader na. Zijnvader!Een gesmoorde vloek barst van zijn lippen; ’t was[49]de tweede keer in zijn leven, dat hij zich zóo onbeschaafd uitdrukte.Hij voelt zich rampzalig. Vol zelfverwijt over zijn gebrek aan zelfbedwang slentert de jonge man naar een bank, daar vlak bij onder een hoogen kastanje. Daar zet hij zich neer, en klemt ’t hoofd tusschen de handen, de ellebogen op de knieën.[50]
[Inhoud]III.Hard tegen hard.Cornelis Udoma was niet slecht. Men is trouwens zelden slecht op zijn twee-en-twintigste jaar. Goed in den zin van »deugdzaam,” op de wijze zooals de traktaatjes dat opvatten, was hij ook niet. Beginselen had hij maar enkele, en die behoorden niet tot het deugdzame soort. Een daarvan, het voornaamste zeker, was: men moet netjes zijn vóor alles. Nauw hing hiermee samen: de schijn is alles hier in de wereld. Cornelis was steeds »netjes” geweest. Zijn vader had het hem zóo dikwijls ingeprent, en hij was steeds zóo volgzaam geweest, dat ’t haast niet anders kon. Hij was netjes in zijn spreken—zelfs toen hij thuis gebracht werd van de ontgroeningsjool op de »kroeg” te Leiden—netjes in zijn gang—regelmatig, bedaard—netjes in zijn kleeren—steeds onberispelijk, maar stemmig—netjes in zijn omgang—hij »zat” in club van »aristo’s” zooals ze zich gaarne noemden—en netjes in zijn gedrag … tot voor kort. En de »schijn” was steeds vóor hem geweest … zou die nu tegen hem worden?[30]Dat had Cornelis ellendig gemaakt, die gedachte, dat hij nu belachelijk zou worden.En nu?… Hij zat in den trein, eenzaam in een hoekje gedoken. Hij had een goeden nacht gehad en was vrij laat opgestaan. Even had hij eenige woorden aan Clarine geschreven, om haar zijn vertrek mede te deelen, en toen was hij naar ’t station gestapt. Daar gekomen, had hij naar huis geseind, dat hij tegen den avond verschijnen zou.Wat voelde hij zich anders dan vier-en-twintig uren te voren! Wat was er toch met hem gebeurd? Hoe kwam ’t dat hij »’t land aan zichzelf had,” en ’t zoo uitdrukte, bij zichzelf mompelend, hij, die altijd zoo tevreden en zelfgenoegzaam en correct geweest was? Hij wist het niet. Hij wist, dat hij zich ongelukkig voelde, dat hij Domine Dauteville een ploert vond en zichzelf een zwakkeling. En Clarine? Hij dacht aan haar met een gevoel van schaamte, maar koel, zonder hartelijkheid. En ’t besef van ’t ontbreken van liefde in ’t heele geval—althans zijnerzijds—maakte zijn ontevredenheid over zichzelf, zijn ergernis nog grooter.Met een rukbeweging verzet hij zich. Hij moet … moet … daar is geen redeneeren tegen. En hij wil er ook niet tegen redeneeren. Hij is ’t met zich zelf eens, al lang. Lang? Ruim vier en twintig uur, en ’t schijnt hem een jaar op zijn minst! Hij moet dat huwelijk bespoedigen … om zijn eigen fatsoen … Bah! wat gaf hij daar nù om! Wat waren zijn[31]denkbeelden, ook op dat punt veranderd in die korte uren! Om haar, om ’t onrecht goed te maken, om haar eer te redden. Zij hield van hem, o, daar was hij zeker van. En hij zou haar, hij moest haar trouwen. En hij zou haar nog gelukkig kunnen maken … Een fraai geluk met een echtgenoot, die haar huwde uit medelijden …Cornelis had bijna gevloekt.Dat deed er niet toe: hij zou zijn plicht doen, en hij zou zich schikken. Zij kon wel tevreden zijn, en niets bespeuren van de verkoeling bij hem. Verkoeling! Van liefde zeker niet. God, die had nooit bestaan bij hem, nooit, neen nooit! Hij besefte het nu ten volle. En hij zag zijn toekomst … gekluisterd aan een vrouw als Clarine. Al ’t oppervlakkige, banale, wufte van haar persoonlijkheid werd hem nu klaar. Waarom niet eerder, groote God, voordat hij de dwaasheid beging zich te verbeelden, dat hij dat kind liefhad!Och, hij wist niet wat liefde was … Dat moest iets anders, iets beters, heiligers wezen. Had ze dan niet verdiend, dat hij haar in den steek liet …? De jonge man huiverde bij de gedachte, en wierp ze ver van zich af. ’t Wilde er bij hem niet in, dat in zijn noodlottig avontuur ook zij schuld had, de schuld van haar roekelooze, bandelooze dartelheid en weelderigheid. Hij kende ’t leven nog zoo weinig …Hoe meer hij aan ’t jonge meisje dacht in ’t nieuwe licht van zijn toekomstige vrouw, hoe ontstemder[32]hij werd; maar ook hoe wanhopiger vast zijn besluit werd. Hij voelde zich als iemand die, vervolgd door woedende roofdieren geen anderen uitweg ziet dan een bruischende breede rivier vóor zich, waarin hij moedig neer moest springen, vastberaden en kalm het gevaar onder de oogen ziende, om ’t veege lijf te redden.Cornelis dacht aan al de uren van samenzijn met de aantrekkelijke predikantsdochter. Aantrekkelijk was ze …beauté du diable! Hij zag haar aan de piano zitten ’s avonds bij haar thuis een vroolijke deun aframmelend. Washington-post en onmiddellijk daarnaOuvre tes yeux bleus, ma mignonne!van Massenet, om te eindigen met een paar woedende accoorden, uit louter dolligheid. Dan sprong ze op en liep op hem toe, die aandachtig had staan luisteren naar haar aardig stemmetje, greep hem bij zijn schouders en duwde hem achterover op de canapé. Schaterlachend riep ze met de kleine handjes op zijn oogen gedrukt:Ouvre tes yeux bleus, mon mignon, voici la nuit!Was ’t wonder, dat hij haar in zijn armen nam en haar hartelijk kuste? ’t Was zoo’n aardige vroolijke meid! En in »de Batavier”… die uitspanningsplaats in de duinen … Wat ’n tooneeltjes van echte pret, uitgelaten, dolle, zorgelooze pret.Wat speelde ze daar handig en sierlijktennisachter ’t gebouw! Hoe lenig bewegen zich haar leden in de smaakvolle kleeding—toch zoo eenvoudig.[33]O, hij ziet denweelderigeboezem rijzen en dalen, de oogen schitteren, de haren glanzen in ’t zonlicht, als ze zich voorover buigt bij ’t hanteeren van haar raket. Een sierlijke verschijning … Een en al dartelheid, en smaak en vuur en leven! En gedachteloosheid … Hij had medelijden, want hij mocht haar toch wel … En ze was gul, goedhartig, eerlijk … Toch, neen, hij had haar niet lief, hij kòn haar niet liefhebben. Hij zag niet tegen haar op … had geen achting voor haar, en zelfs dolle verliefdheid, die niet denkt aan achting, die gemoedstoestand, door velen liefde genoemd, kwam bij hem niet meer voor …Hij dankte God voor zijn inzicht met bittere erkentelijkheid. Hij was nu ten minste gevrijwaard voor latere ontgoochelingen. Hij kende Clarine—te laat om zijn geluk te redden, maar bij tijds genoeg om hem misschien voor wanhoop te behoeden.De ontwaking van zijn gemoedsleven ging gepaard met een opleving van godsdienstig gevoel. En dit laatste mengde zich met weemoedige herinneringen. Hij dacht aan zijn moeder, en haar beeld was hem in de korte spanne tijds sinds de ongelukstijding meermalen vóor den geest gekomen dan wellicht in de laatste drie jaren. Hij voelde zich vreemd, vreemd te moede, begreep zichzelven niet; ’t was hem alleen duidelijk, dat er een nieuw leven voor hem begon, dat hij een ander mensch zou worden van stonde af aan …[34]’t Zielsproces, dat bij hem plaats gehad had, was inderdaad eenvoudiger dan ’t hèm leek. ’t Was een ommekeer, maar een herstel van veel ouds bij aanwinst van weinig nieuws. ’t Oude was zijn eigenlijke aard, ’t eenige nieuwe de meerdere innigheid, de diepere grondvesting zijner eigenschappen. De schok van Clarine’s openbaring en ’t gevolgde bezoek van haar vader had gewerkt als een storm, die het zwakke plantendek van een rotsige klip had afgerukt. Hij was weer wat hij was vóor den dood zijner moeder, iets rijper alleen …Zijn moeder vertegenwoordigde het dichterlijke, sentimenteele element in Notaris Udoma’s huiselijken kring. Die kring bestond korten tijd uit vier personen; maar Cornelis’ jongere zuster was zeer jong gestorven. Zijn herinneringen bereikten nauwelijks dien tijd. Hij wist alleen, dat hij een zusje gehad had, en hij wist heel goed, dat zijn moeder getreurd had, tot haar dood getreurd had om ’t zusje. Zoo althans stelde hij ’t zich voor. Hij besefte niet, welk ander leed haar ondermijnde, en nu zelfs, na zijn ontwaking, zou hij slechts langzaam leeren beseffen wat haar zoo vroeg deed wegkwijnen.Zij had een huwelijk »van liefde” gesloten, dat wil zeggen, zij had den knappen, beleefden, geestigen jongen man lief, toen ze met hem ’t leven inging. ’t Was te Amsterdam. Udoma was toen candidaat-notaris en een goede dertiger. Hij had geld en zij had geld. En de wederzijdsche ouders[35]zagen ’t huwelijk zoo gaarne. Alles liep van een leien dakje, alles was keurig, deftig, tot algemeene tevredenheid gegaan. Hij was knap, zij zag er lief uit, en ’t geluk maakte beiden nog stralender dan gezondheid en jeugd en al ’t andere goeds, dat ze reeds hadden, hen konden gemaakt hebben. Het huwelijk was een schitterend huwelijk geweest, een huwelijk waar veel over gepraat was, dat veel jaloezie en veel bewondering had opgewekt. Twee jaar later werd Udoma notaris—’t ging vlugger in dien tijd dan tegenwoordig—en ’t paar trok naar Delmond. Intusschen had voor de arme Elizabeth, Cornelis’ moeder, de ontgoocheling reeds lang plaats gehad. In den dagelijkschen gemeenzamen omgang bleek Udoma een correcte nul. Hij begreep niets van haar rijk gemoedsleven; haar zin voor ’t schoone, haar godsdienstigheid, haar fijn ontwikkelde kieschheid verveelden hem, zoodra effectbejag er aan vreemd moest blijven. En hij kon alleen effect maken, als zijn vrouw zich de smaakvolle, fijn gevoelende en godsdienstige toonde tegenover derden. In den verlovingstijd was daarom dat alles volkomen naar zijn zin geweest; toen waren er meestal derden. En in dien tijd had hij die »zaakjes” ook heel anders opgevat. Hij zag nu dat ’t »allemaal ernst” bij haar was: geen spoor van effectbejag. En zij zag, dat ’t bij hem allemaal effectbejag was: geen spoor van ernst. Onder ernst verstond zij ’t innige, ’t oprechte.[36]En ze voelde zich ongelukkig, toen ze allengs bespeurde, dat haar liefde minder werd, dat hun huwelijk op weg was een lichaamsecht te worden. Een stille diepe weemoed drong meer en meer in haar hart. Moedervreugde gaf daarop afleiding. Ze was verrukt, haar gemoed was tot berstens toe vervuld van dankbaarheid voor ’t onverwachte geluk, ze aanbad haar jongen, ze zag de wereld weer zoo anders, ze voelde zich in warmen edelmoed tot hartelijke toenadering geneigd. Zou ze tòch van dien man, nu den vader van haar kind, kunnen houden, zou ze hem nòg kunnen liefhebben: omdat ze hem verkeerd beoordeeld had? De zoete begoocheling hield eenige maanden aan. Haar echtgenoot was bizonder attent en lief geweest. Zijn ijdelheid was daaraan niet vreemd: hij had een zoon en was vader, rees daardoor in »deftigheid,” meende hij.Udoma was nààr deftig, had zijn vrouws jongste broer gezegd, iemand die »voor schilder studeerde”—zoo’n brutaal, onvormelijk individu van twintig jaar, die maar alles zeide wat hem voor den mond kwam, en vreeselijk »proleetig” deed met zijn losse kleeding en losse manieren en losse haren.In Delmond vonden de notabelen Udoma onberispelijk. Hij was dan ook een van die menschen, die steeds in alle werelsche zaken het juiste midden weten te bewaren, die nooit door hartstocht verblind of door aandoeningen van de wijs schijnen te[37]raken. Verder leefde hij geregeld, was matig, deed zijn werk in de puntjes, was beleefd tegen een ieder—hartelijk tegen niemand—ging stipt iederen Zondag naar de kerk en ook op de feestdagen, vastte op Vrijdag, steunde de Katholieke armen, bracht de »Pieterspenning” op—en royaal, dat wist men—zat in den gemeenteraad. Voor ’t overige nam hij deel aan ’t »gezellige leven der hoogere kringen,” vertoonde zich geregeld in de heeren-societeit, zoowel als ’s avonds met zijn vrouw op de deftige concerten en op de dineetjes en avondpartijtjes; terwijl hij zelf nu en dan zijn huis openzette voor de Delmondsche »menschen.” Natuurlijk waren dit uitsluitend de Roomsch-Katholieke notabelen. Zijn vrouw was van ’t zelfde geloof. Ze vond echter dit exclusivisme wat ver gedreven. Onder de enkele Protestanten ter plaatse waren er tot wie zij zich getrokken voelde.Maar men deed ten huize Udoma slechts wat »behoorlijk” was tegenover de toongevende buitenwereld, en de heer des huizes maakte dat uit.De verwijdering tusschen man en vrouw werd weer met den dag grooter. Hevige tooneelen hadden echter niet plaats: zij was er te zachtzinnig voor, hij te deftig, te hartstochteloos. Toch ontbraken de uitbarstingen niet, hoe kalm ze ook afliepen. Hij kon kalm grof zijn, cynisch en dom wreed. In ’t eerst eindigde zulk een woordenwisseling met een krampachtig gesnik van de zwakkere partij, later[38]hield dit op. Als hij sarrend bedaard, met onnoozel meerderheidsvertoon, schouderophalend en lachend, heenging met een: »Je bent een eend!” zweeg zij, bleek bevend, ineengedoken op een stoel. En ze wierp hem een langen blik na, waarin smartelijke minachting lag. Ze schreide niet meer in zijn bijzijn: haar tranen achtte ze te heilig om besmet te worden door zijn gemeenen spot. Een uur later stak hij haar de hand toe, met een minzamen lach en een gemaakt hartelijk »kom, kom,” zwaar gebromd. Mat nam ze dan ’t vredesteeken aan. En hij achtte zich onweerstaanbaar. Haar geweten plaagde haar, ’t vertelde van vredesluiten, vergeten en vergeven. Ze zwichtte dan voor die stem, om weldra weer om te slaan. Ze ging naar de kerk, dagelijks, en bad om kracht, om bijstand, om zuiver inzicht: mocht ze den vader van haar kind minachten? Was ’t geen zonde de liefkozingen te dulden van een man, dien ze minachtte? En met angst dacht ze aan de komende gebeurtenis, haar tweede bevalling, ’t Kind kwam, een zwak meisje, geboren uit een zwakke moeder. Bij ’t zielelijden der moeder voegde zich thans lichamelijk lijden, sleepend, slopend.’t Meisje werd twee jaar oud en stierf. De moeder volgde een half jaar later. Aan ’t sterfbed was Udoma bizonder effectvol geweest. In ’t bijzijn van den priester had zijn vrouw hem vergiffenis gevraagd voor ’t verdriet hem aangedaan. »Van harte, m’n lieve,” had hij waardig geantwoord. Ze was tevreden gestorven.[39]Cornelis, toen zeventien, voelde den slag vreeselijk. Hij was steeds de lieveling van zijn moeder geweest, haar trots ook, haar hoop, haar troost. Hij had een fijngevoelig hart als zij, hij begreep haar neigingen, haar smaak. In zijn gezelschap vond ze afleiding voor haar zorgen. En hij genoot van de uurtjes van intiem samenzijn met haar, zonder zijn vader. Voor dezen had hij een soort schuwen eerbied, zonder innigheid. Hij keek tegen hem op als tegen een autoriteit, zijn moeder was een oudere vriendin, een vertrouwelinge voor hem geweest. Hij was zóo innig, zóo teeder in dien omgang, dat zijn vrienden op school hem »moederskindje” noemden; omdat hij ’t altijd over zijn moeder had, over »wat moeder zei” en »wat moeder vond.” ’t Nadeel, was een zekere verweekelijking in zijn gevoelsleven, maar ’t voordeel, dat hij vrij bleef van veel besmetting, waaraan men op dien jeugdigen leeftijd door omgang met kameraadjes en kameraden blootstaat. Ook had Cornelis niet veel tijd voor dien omgang: veel uren buiten de school werden in beslag genomen door privaat-onderwijs in de klassieke talen. Een priester kwam die lessen geven: vader Udoma zond zijn zoon liever niet naar ’t gymnasium in den Bosch of dat te Venlo. De avonduren sleet Cornelis in ’t bijzijn zijner moeder; bij haar zittend maakte hij zijn werk. En als hij vroeg daarmee klaar was, speelde zij een stukje op de piano, soms zong zij, meest weemoedige liederen, met zwakke stem, maar[40]vol innigheid voorgedragen. Vaak moest het lied afgebroken worden, vóor het einde, omdat de tranen haar stem verstikten. Moeder en zoon vielen elkaar dan in de armen, ’t Was een leerschool voor gevoeligheid—»gevoelerigheid” was een woord van Udoma Senior—die omgang met zijn moeder. Cornelis werd een stille ernstige jongen, soms droomerig—»suf,” zei zijn vader. Hij hield veel van lezen, van muziek—speelde viool, bewonderde alle kunst. Een paar maal waren ze naar Brussel geweest—vader, moeder en zoon—en ook »de musea” waren in vaders correct reisplan begrepen. Cornelis had genoten, vader Udoma vond, dat z’n jongen daar ook verstand van moest hebben: dat hoorde zoo bij zijn stand.Na zijn moeders dood was ’t een heel ander leven. Vader en zoon waren veel meer samen. Udoma Senior miste ’t gezelschap der anders onvermijdelijke, maar ook slecht ontbeerbare derde persoonlijkheid in huis, en zocht nu méer ’t gezelschap van zijn zoon. En hij kreeg ’t in zijn hoofd den jongen naar zijn model te vormen, hem te scholen in al »de maatschappelijke en intieme deugden”—zooals hij ’t noemde—waarin hij zichzelf zoo volleerd vond. De overgang voor Cornelis was onmerkbaar. Allengs groeide er een korst van wereldsche ploertenwijsheid om de blanke teedere kern zijner ziel; voor ’t uiterlijk werd hij een tweede notaris Udoma, uitgave in kleiner formaat,[41]wat fijner omslag, maar overigens een reproductie. De oude heer vond de verandering bizonder naar zijn zin: hij had zooveel kneedbaarheid, zooveel aannemendheid niet verwacht.Toen Cornelis naar Leiden ging, was ’s vaders ongerustheid dan ook voornamelijk, dat hij zich »compromiteeren” zou. Dat had Udoma Senior nooit gedaan. Hij had als student—want hij was gepromoveerd in de rechten—éen, zeggeeenliefdesbetrekking gehad. Die had drie jaar geduurd, niemand had er van geweten, behalve ’t meisje en haar moeder, ’t was alles »contractueel” gegaan, zonder horten en stooten, zonder zich te compromiteeren—ook ’t afscheid: hij had haar vijf honderd gulden gegeven, en haar moeder, een weduwe, in een zaakje gezet. Alles correct.Cornelis compromiteerde zich te Leiden ook niet, ofschoon hij zich ver hield van alle betrekkingen van teederen aard—tot op dien noodlottigen dag. Hij maakte kennis met Clarine bij gemeenschappelijke vrienden in den Haag, op een avondpartijtje …En thans die ommekeer, dat plotseling afbrokkelen en wegvallen van die buitenlaag van zijn wezen, die ontdekking, dat het zijn wezen niet was, de verbijstering van ’t schijnbaar nieuwe, waarin vreugde, verrassing, ergernis en afschuw dooreenwarrelden!De schok der laatste gebeurtenissen had hem[42]dan wel door elkaar geschud, om zoo iets te bewerken! En als hij zichzelf niet geweest was, maar een ander, rijper en ouder dan hij, en die zielsrevolutie had kunnen beoordeelen, dan zou hij gejuicht hebben. De schok was beslissend voor zijn leven: de mensch, de edele oprechte mensch was gered, behoed voor verwording …Cornelis verwenschte voor de zooveelste maal zijn vorig wezen, zijn »mooidoenerij.” Hij had er een walg van. En hij dacht aan zijn moeder, aan den tijd toen hij als kleine jongen ’s avonds naar beneden sloop, stilletjes de trap af, naar de voorkamer, waar moeder zat piano te spelen en te neuriën, droomerig zacht. Hoe hij kans zag achter de piano te kruipen, zonder dat zij ’t merkte, en daar soms slapende gevonden werd, een half uur later. Een lied dat ze veel zong ruischte hem door ’t hoofd, aanhoudend, weemoedig streelend: »Bleibe nur fein geduldig …” Zijn moeder zong dat wiegelied zoo vaak. ’t Werkte nu als een wiegelied op hem. Hij had een uur zitten peinzen met de oogen dicht, en dat na al de aandoeningen … hij sliep in.Te Boxtel werd hij met schrik wakker, meende reeds aangekomen te zijn. Verder bleef hij gedrukt, verward, slechts de eene zekerheid, die hij had—dat hij zijn vader alles zeggen, Clarine redden moest—met grooter ongerustheid onder de oogen ziende naarmate de ontmoeting met zijn vader[43]nader kwam. Toch was hij iets kalmer en op dat éene punt vastberaden.Aan ’t station stond Udoma Senior zijn zoon af te wachten. ’t Trof hem alleen, dat hij stil was, bizonder stil en ongewoon.’t Was ongeveer etenstijd. Na het maal excuseerde Cornelis zich, nog vóor de sigaar, en ging naar zijn kamer. Van de zaak had hij niets gezegd: hij wilde tot den volgenden morgen wachten.»Vreemd!” mompelde Udoma Senior, met zijn groote ronde oogen starende op ’t bandje van zijn »after-dinner.”»De jongen heeft iets bizonders …” peinsde hij.»Zou hij zich gecompromiteerd hebben? Niet best mogelijk: hij is solide en verstandig.” En groot-formaat Udoma streelde zelfgenoegzaam zijn gladgeschoren vette kin. Hij dacht aan ’t kleine formaat, en was ten slotte innig tevreden.»Ja, ja” mompelde hij, zwaar en dik van toon, stond van zijn stoel op en slenterde met de sigaar tusschen zijn tanden, de duimen boven aan zijn vest, bedaard en schommelend naar de ruime veranda, achter de naaste kamer.’t Was een mooie avond in den vroegen herfst.Een zonnestraal, een der laatste, viel lachend op zijn glanzigen deftigen schedel.»Ja, ja …” klonk ’t nog eens als uit een hol vat.Udoma Senior zette zich neer in een tuinstoel,[44]strekte zijn korte beenen uit, leî zijn sigaar op een aschbakje en sloot de oogen. »Ja, ja …”Den volgenden ochtend omstreeks half negen was Cornelis Udoma alleen met zijn geweten in den grooten tuin achter zijn vaders huis. ’t Was een bizonder groote tuin, een van de grootste in de stad. Bovendien bizonder mooi en goed onderhouden. Achterin waren lommerrijke paadjes en heerlijke plekjes, die den droomer de begoocheling der eenzaamheid schonken.Cornelis wandelde op en neer, sinds bijna een uur in dat zelfde achterdeel van den tuin, de handen in de jaszakken van zijn flanellen zomerpakje, zóo dat die een eind vooruitstaken, de kin op de borst. Om hem heen een geurige, weelderige, zinnenwiegende morgen. Hij had zijn vader nòg niet gesproken! Die was niet aan ’t ontbijt om half acht. Hij had zich een uur vergist—hij wist dat zijn vader om half negen ontbeet—Na een vrijwel slapeloozen nacht was hij maar opgestaan, denkende, dat het al heel laat was. Waarom hij zijn vader niet afgewacht had, wist hij zelf niet best. Hij geloofde, dat het was omdat hij nog ’s goed bedenken moest, hoe hij de zaak in zou kleeden.»Zoo, ben je daar?” klonk op eens een zware stem.»Cornelis, jongen, wat scheelt je? Hoe kom je zoo vroeg uit de veeren? Je bent anders zoo matineus niet. Zeg?”[45]Udoma Senior was den tuin ingegaan om zijn zoon te zoeken en was weldra op hem gestuit bij ’t omslaan van een laantje achterin. Hij was nu overtuigd, dat »’m wat scheelde”, dat was duidelijk.Cornelis kijkt verrast op, bloost en stamelt:»Mij? Mij scheelt niets, Papa …”»Kom!” Papa steekt zijn arm fideel onder den linkerarm van ’t jonge mensch en wandelt met hem op. »Woû je mij wijsmaken, dat je volkomen normaal was? Nee, m’n baasje, wij kennen onze wereld zoo’n beetje.” Dit zelfvoldaan en met strakken lachenden blik op Cornelis.Deze zwijgt en beantwoordt den blik niet.»Zeg ’s … Cornelis … ronduit, hoor. »La femme?”»Och!” zegt Cornelis met schouderschok, alsof hij een vuile veronderstelling ver van zich af wil gooien. Nog steeds houdt hij zijn oogen naar de fijne kiezelsteentjes in ’t laantje gericht.»Tu en as l’âge, mon ami. Rien d’extraordinaire!” gaat de vader voort, die gaarne Fransch spreekt en Fransch geurt en Fransche levensbeginselen te koop hangt.»’t Is immers zoo? Zeg ’t nu maar, dan kunnen we ’s praten”.De oudere man staat hier stil, Cornelis breekt onwillekeurig ook zijn wandeling af. Hij kijkt even op. De luchtige toon van zijn vader hindert hem geweldig.[46]»Er is niets van wat u vermoedt, Papa,” zegt hij snel, met afgewend hoofd morrelend in de kiezelsteentjes met zijn eenen hak. »Ikscharrelniet.” Dit met innige minachting in zijn toon, en korzelig.»Natuurlijk niet, dat laat je aanprolenover, nietwaar?”Zij hervatten hun wandeling. »Jij doet ondertusschen aan hofmaken en zoo. En nu ben je tegen de lamp geloopen. Hoe is ’t: ziet ze er goed uit? En kun je niet van ’r afkomen? Toch geen »conséquences”, wil ik hopen? Jongen, jongen, je weet wat ik je daaromtrent gezegd heb:Sauvez les apparences, en als je ’t te ver laat komen, is dat bliksems lastig.”Cornelis bijt zich op de lippen. Dan draait hij zich plotseling half om, en zegt hard en duidelijk:»Ik heb een meisje van mijn stand …”»Verleid wil je zeggen? valt Udoma Senior lachend en doodkalm in, »of zij jou! Ha, ha!”»Vader, ik verzoek u me niet in de rede te vallen!” roept Cornelis woedend.Zonder erop te letten gaat de ander onmiddellijk daarop voort: »De gewone roman. Je wilt ’r nu trouwen. Erg edelmoedig …Ça ne se fait pas, m’n jongen. Ik had je voor verstandiger gehouden …”»Papa, gaat u in Gods naam niet op die toon voort …”Er komen tranen in Cornelis’ oogen. De ander[47]ziet ’t, vertrekt even een mondhoek, en vraagt quasi belangstellend:»Hoe heet ze, komaan?” Cornelis aarzelt even.»Dauteville.”»Zoo”, met zekere voldaanheid. Dan, nieuwsgierig: »Wat is de vader?”»Predikant!”»Domine. Protestant dus. Zoo. Hm … Geld?”»Ja.”Cornelis antwoordtvoortdurendop gedempten, onwilligen toon.»Al ’n ouwe geschiedenis?”»Ik ken ’r een jaar ongeveer.”»Ik bedoel die … eigenlijkeamourette?”»Och, wat bedoelt u toch? Begint u weer? Als u zóo spreekt zwijg ik liever …”Vader Udoma herkent zijn zoon niet. Wat bezielt die’ jongen? Zouden de oude sentimentaliteiten weer terugkomen?»Ik wil zeggen, wanneer je de jobstijding kreeg?” gaat Udoma Senior rustig voort.»Nog pas een paar dagen geleden. Daarom ben ik hier.” Er is iets in Cornelis’ toon, dat te kennen geeft: hoe kan u anders denken?»Zoo, zoo, je laat ’r geen gras over groeien. En nu wil je zeker mijn toestemming voor ’t huwelijk?”»Natuurlijk, vader.”De hooge ernst op ’t bleeke, regelmatige, fijne gezicht van den jongen Udoma vormt een schril[48]tegenbeeld met de hoogroode tronie van zijn vader, pafferig en luchtig zelfvoldaan. Bij al de overeenkomst hunner trekken—dezelfde soort oogen, dezelfde vorm van neus, dezelfde snit van mond, dezelfde bakkebaardjes, dezelfde kortgehouden knevel—viel ’t onderscheid dadelijk op. Udoma Junior was fijn, de ander grof, de een aristocratisch van lijnen, de ander poenig.»Cornelis, dat doet men niet” antwoordt ’t poenig individu.»Men, men … wat kan mijmenschelen!!” roept Cornelis, zich niet meer kunnende inhouden.»Ik acht ’t mijn plicht dat huwelijk door te zetten.” De jonge man bedenkt zich, dat hij zijn vader niet beleedigen mag, datzijntoestemming onontbeerlijk is; dat Clarine, als hij die niet krijgt, verloren is, want hij wordt eerst in Mei meerderjarig, en ’t is September.»Papa, u geeft uw toestemming, nietwaar?” gaat hij op heel anderen toon voort, nu met smeeking en vleiing; hoe hij ook inwendig trilt van verontwaardiging.»Kom, kom, kom. Hou je nu maar kalm. We spreken er nog wel nader over. Ik moet naar kantoor.” Bedaard zijn horloge weer in den zak stekend, zegt hij onder ’t heengaan: »Nu tot ziens. Onthoû nu voorloopig dit alleen: je krijgt mijn toestemming niet, he. Adieu!”Cornelis oogt zijn vader na. Zijnvader!Een gesmoorde vloek barst van zijn lippen; ’t was[49]de tweede keer in zijn leven, dat hij zich zóo onbeschaafd uitdrukte.Hij voelt zich rampzalig. Vol zelfverwijt over zijn gebrek aan zelfbedwang slentert de jonge man naar een bank, daar vlak bij onder een hoogen kastanje. Daar zet hij zich neer, en klemt ’t hoofd tusschen de handen, de ellebogen op de knieën.[50]
III.Hard tegen hard.
Cornelis Udoma was niet slecht. Men is trouwens zelden slecht op zijn twee-en-twintigste jaar. Goed in den zin van »deugdzaam,” op de wijze zooals de traktaatjes dat opvatten, was hij ook niet. Beginselen had hij maar enkele, en die behoorden niet tot het deugdzame soort. Een daarvan, het voornaamste zeker, was: men moet netjes zijn vóor alles. Nauw hing hiermee samen: de schijn is alles hier in de wereld. Cornelis was steeds »netjes” geweest. Zijn vader had het hem zóo dikwijls ingeprent, en hij was steeds zóo volgzaam geweest, dat ’t haast niet anders kon. Hij was netjes in zijn spreken—zelfs toen hij thuis gebracht werd van de ontgroeningsjool op de »kroeg” te Leiden—netjes in zijn gang—regelmatig, bedaard—netjes in zijn kleeren—steeds onberispelijk, maar stemmig—netjes in zijn omgang—hij »zat” in club van »aristo’s” zooals ze zich gaarne noemden—en netjes in zijn gedrag … tot voor kort. En de »schijn” was steeds vóor hem geweest … zou die nu tegen hem worden?[30]Dat had Cornelis ellendig gemaakt, die gedachte, dat hij nu belachelijk zou worden.En nu?… Hij zat in den trein, eenzaam in een hoekje gedoken. Hij had een goeden nacht gehad en was vrij laat opgestaan. Even had hij eenige woorden aan Clarine geschreven, om haar zijn vertrek mede te deelen, en toen was hij naar ’t station gestapt. Daar gekomen, had hij naar huis geseind, dat hij tegen den avond verschijnen zou.Wat voelde hij zich anders dan vier-en-twintig uren te voren! Wat was er toch met hem gebeurd? Hoe kwam ’t dat hij »’t land aan zichzelf had,” en ’t zoo uitdrukte, bij zichzelf mompelend, hij, die altijd zoo tevreden en zelfgenoegzaam en correct geweest was? Hij wist het niet. Hij wist, dat hij zich ongelukkig voelde, dat hij Domine Dauteville een ploert vond en zichzelf een zwakkeling. En Clarine? Hij dacht aan haar met een gevoel van schaamte, maar koel, zonder hartelijkheid. En ’t besef van ’t ontbreken van liefde in ’t heele geval—althans zijnerzijds—maakte zijn ontevredenheid over zichzelf, zijn ergernis nog grooter.Met een rukbeweging verzet hij zich. Hij moet … moet … daar is geen redeneeren tegen. En hij wil er ook niet tegen redeneeren. Hij is ’t met zich zelf eens, al lang. Lang? Ruim vier en twintig uur, en ’t schijnt hem een jaar op zijn minst! Hij moet dat huwelijk bespoedigen … om zijn eigen fatsoen … Bah! wat gaf hij daar nù om! Wat waren zijn[31]denkbeelden, ook op dat punt veranderd in die korte uren! Om haar, om ’t onrecht goed te maken, om haar eer te redden. Zij hield van hem, o, daar was hij zeker van. En hij zou haar, hij moest haar trouwen. En hij zou haar nog gelukkig kunnen maken … Een fraai geluk met een echtgenoot, die haar huwde uit medelijden …Cornelis had bijna gevloekt.Dat deed er niet toe: hij zou zijn plicht doen, en hij zou zich schikken. Zij kon wel tevreden zijn, en niets bespeuren van de verkoeling bij hem. Verkoeling! Van liefde zeker niet. God, die had nooit bestaan bij hem, nooit, neen nooit! Hij besefte het nu ten volle. En hij zag zijn toekomst … gekluisterd aan een vrouw als Clarine. Al ’t oppervlakkige, banale, wufte van haar persoonlijkheid werd hem nu klaar. Waarom niet eerder, groote God, voordat hij de dwaasheid beging zich te verbeelden, dat hij dat kind liefhad!Och, hij wist niet wat liefde was … Dat moest iets anders, iets beters, heiligers wezen. Had ze dan niet verdiend, dat hij haar in den steek liet …? De jonge man huiverde bij de gedachte, en wierp ze ver van zich af. ’t Wilde er bij hem niet in, dat in zijn noodlottig avontuur ook zij schuld had, de schuld van haar roekelooze, bandelooze dartelheid en weelderigheid. Hij kende ’t leven nog zoo weinig …Hoe meer hij aan ’t jonge meisje dacht in ’t nieuwe licht van zijn toekomstige vrouw, hoe ontstemder[32]hij werd; maar ook hoe wanhopiger vast zijn besluit werd. Hij voelde zich als iemand die, vervolgd door woedende roofdieren geen anderen uitweg ziet dan een bruischende breede rivier vóor zich, waarin hij moedig neer moest springen, vastberaden en kalm het gevaar onder de oogen ziende, om ’t veege lijf te redden.Cornelis dacht aan al de uren van samenzijn met de aantrekkelijke predikantsdochter. Aantrekkelijk was ze …beauté du diable! Hij zag haar aan de piano zitten ’s avonds bij haar thuis een vroolijke deun aframmelend. Washington-post en onmiddellijk daarnaOuvre tes yeux bleus, ma mignonne!van Massenet, om te eindigen met een paar woedende accoorden, uit louter dolligheid. Dan sprong ze op en liep op hem toe, die aandachtig had staan luisteren naar haar aardig stemmetje, greep hem bij zijn schouders en duwde hem achterover op de canapé. Schaterlachend riep ze met de kleine handjes op zijn oogen gedrukt:Ouvre tes yeux bleus, mon mignon, voici la nuit!Was ’t wonder, dat hij haar in zijn armen nam en haar hartelijk kuste? ’t Was zoo’n aardige vroolijke meid! En in »de Batavier”… die uitspanningsplaats in de duinen … Wat ’n tooneeltjes van echte pret, uitgelaten, dolle, zorgelooze pret.Wat speelde ze daar handig en sierlijktennisachter ’t gebouw! Hoe lenig bewegen zich haar leden in de smaakvolle kleeding—toch zoo eenvoudig.[33]O, hij ziet denweelderigeboezem rijzen en dalen, de oogen schitteren, de haren glanzen in ’t zonlicht, als ze zich voorover buigt bij ’t hanteeren van haar raket. Een sierlijke verschijning … Een en al dartelheid, en smaak en vuur en leven! En gedachteloosheid … Hij had medelijden, want hij mocht haar toch wel … En ze was gul, goedhartig, eerlijk … Toch, neen, hij had haar niet lief, hij kòn haar niet liefhebben. Hij zag niet tegen haar op … had geen achting voor haar, en zelfs dolle verliefdheid, die niet denkt aan achting, die gemoedstoestand, door velen liefde genoemd, kwam bij hem niet meer voor …Hij dankte God voor zijn inzicht met bittere erkentelijkheid. Hij was nu ten minste gevrijwaard voor latere ontgoochelingen. Hij kende Clarine—te laat om zijn geluk te redden, maar bij tijds genoeg om hem misschien voor wanhoop te behoeden.De ontwaking van zijn gemoedsleven ging gepaard met een opleving van godsdienstig gevoel. En dit laatste mengde zich met weemoedige herinneringen. Hij dacht aan zijn moeder, en haar beeld was hem in de korte spanne tijds sinds de ongelukstijding meermalen vóor den geest gekomen dan wellicht in de laatste drie jaren. Hij voelde zich vreemd, vreemd te moede, begreep zichzelven niet; ’t was hem alleen duidelijk, dat er een nieuw leven voor hem begon, dat hij een ander mensch zou worden van stonde af aan …[34]’t Zielsproces, dat bij hem plaats gehad had, was inderdaad eenvoudiger dan ’t hèm leek. ’t Was een ommekeer, maar een herstel van veel ouds bij aanwinst van weinig nieuws. ’t Oude was zijn eigenlijke aard, ’t eenige nieuwe de meerdere innigheid, de diepere grondvesting zijner eigenschappen. De schok van Clarine’s openbaring en ’t gevolgde bezoek van haar vader had gewerkt als een storm, die het zwakke plantendek van een rotsige klip had afgerukt. Hij was weer wat hij was vóor den dood zijner moeder, iets rijper alleen …Zijn moeder vertegenwoordigde het dichterlijke, sentimenteele element in Notaris Udoma’s huiselijken kring. Die kring bestond korten tijd uit vier personen; maar Cornelis’ jongere zuster was zeer jong gestorven. Zijn herinneringen bereikten nauwelijks dien tijd. Hij wist alleen, dat hij een zusje gehad had, en hij wist heel goed, dat zijn moeder getreurd had, tot haar dood getreurd had om ’t zusje. Zoo althans stelde hij ’t zich voor. Hij besefte niet, welk ander leed haar ondermijnde, en nu zelfs, na zijn ontwaking, zou hij slechts langzaam leeren beseffen wat haar zoo vroeg deed wegkwijnen.Zij had een huwelijk »van liefde” gesloten, dat wil zeggen, zij had den knappen, beleefden, geestigen jongen man lief, toen ze met hem ’t leven inging. ’t Was te Amsterdam. Udoma was toen candidaat-notaris en een goede dertiger. Hij had geld en zij had geld. En de wederzijdsche ouders[35]zagen ’t huwelijk zoo gaarne. Alles liep van een leien dakje, alles was keurig, deftig, tot algemeene tevredenheid gegaan. Hij was knap, zij zag er lief uit, en ’t geluk maakte beiden nog stralender dan gezondheid en jeugd en al ’t andere goeds, dat ze reeds hadden, hen konden gemaakt hebben. Het huwelijk was een schitterend huwelijk geweest, een huwelijk waar veel over gepraat was, dat veel jaloezie en veel bewondering had opgewekt. Twee jaar later werd Udoma notaris—’t ging vlugger in dien tijd dan tegenwoordig—en ’t paar trok naar Delmond. Intusschen had voor de arme Elizabeth, Cornelis’ moeder, de ontgoocheling reeds lang plaats gehad. In den dagelijkschen gemeenzamen omgang bleek Udoma een correcte nul. Hij begreep niets van haar rijk gemoedsleven; haar zin voor ’t schoone, haar godsdienstigheid, haar fijn ontwikkelde kieschheid verveelden hem, zoodra effectbejag er aan vreemd moest blijven. En hij kon alleen effect maken, als zijn vrouw zich de smaakvolle, fijn gevoelende en godsdienstige toonde tegenover derden. In den verlovingstijd was daarom dat alles volkomen naar zijn zin geweest; toen waren er meestal derden. En in dien tijd had hij die »zaakjes” ook heel anders opgevat. Hij zag nu dat ’t »allemaal ernst” bij haar was: geen spoor van effectbejag. En zij zag, dat ’t bij hem allemaal effectbejag was: geen spoor van ernst. Onder ernst verstond zij ’t innige, ’t oprechte.[36]En ze voelde zich ongelukkig, toen ze allengs bespeurde, dat haar liefde minder werd, dat hun huwelijk op weg was een lichaamsecht te worden. Een stille diepe weemoed drong meer en meer in haar hart. Moedervreugde gaf daarop afleiding. Ze was verrukt, haar gemoed was tot berstens toe vervuld van dankbaarheid voor ’t onverwachte geluk, ze aanbad haar jongen, ze zag de wereld weer zoo anders, ze voelde zich in warmen edelmoed tot hartelijke toenadering geneigd. Zou ze tòch van dien man, nu den vader van haar kind, kunnen houden, zou ze hem nòg kunnen liefhebben: omdat ze hem verkeerd beoordeeld had? De zoete begoocheling hield eenige maanden aan. Haar echtgenoot was bizonder attent en lief geweest. Zijn ijdelheid was daaraan niet vreemd: hij had een zoon en was vader, rees daardoor in »deftigheid,” meende hij.Udoma was nààr deftig, had zijn vrouws jongste broer gezegd, iemand die »voor schilder studeerde”—zoo’n brutaal, onvormelijk individu van twintig jaar, die maar alles zeide wat hem voor den mond kwam, en vreeselijk »proleetig” deed met zijn losse kleeding en losse manieren en losse haren.In Delmond vonden de notabelen Udoma onberispelijk. Hij was dan ook een van die menschen, die steeds in alle werelsche zaken het juiste midden weten te bewaren, die nooit door hartstocht verblind of door aandoeningen van de wijs schijnen te[37]raken. Verder leefde hij geregeld, was matig, deed zijn werk in de puntjes, was beleefd tegen een ieder—hartelijk tegen niemand—ging stipt iederen Zondag naar de kerk en ook op de feestdagen, vastte op Vrijdag, steunde de Katholieke armen, bracht de »Pieterspenning” op—en royaal, dat wist men—zat in den gemeenteraad. Voor ’t overige nam hij deel aan ’t »gezellige leven der hoogere kringen,” vertoonde zich geregeld in de heeren-societeit, zoowel als ’s avonds met zijn vrouw op de deftige concerten en op de dineetjes en avondpartijtjes; terwijl hij zelf nu en dan zijn huis openzette voor de Delmondsche »menschen.” Natuurlijk waren dit uitsluitend de Roomsch-Katholieke notabelen. Zijn vrouw was van ’t zelfde geloof. Ze vond echter dit exclusivisme wat ver gedreven. Onder de enkele Protestanten ter plaatse waren er tot wie zij zich getrokken voelde.Maar men deed ten huize Udoma slechts wat »behoorlijk” was tegenover de toongevende buitenwereld, en de heer des huizes maakte dat uit.De verwijdering tusschen man en vrouw werd weer met den dag grooter. Hevige tooneelen hadden echter niet plaats: zij was er te zachtzinnig voor, hij te deftig, te hartstochteloos. Toch ontbraken de uitbarstingen niet, hoe kalm ze ook afliepen. Hij kon kalm grof zijn, cynisch en dom wreed. In ’t eerst eindigde zulk een woordenwisseling met een krampachtig gesnik van de zwakkere partij, later[38]hield dit op. Als hij sarrend bedaard, met onnoozel meerderheidsvertoon, schouderophalend en lachend, heenging met een: »Je bent een eend!” zweeg zij, bleek bevend, ineengedoken op een stoel. En ze wierp hem een langen blik na, waarin smartelijke minachting lag. Ze schreide niet meer in zijn bijzijn: haar tranen achtte ze te heilig om besmet te worden door zijn gemeenen spot. Een uur later stak hij haar de hand toe, met een minzamen lach en een gemaakt hartelijk »kom, kom,” zwaar gebromd. Mat nam ze dan ’t vredesteeken aan. En hij achtte zich onweerstaanbaar. Haar geweten plaagde haar, ’t vertelde van vredesluiten, vergeten en vergeven. Ze zwichtte dan voor die stem, om weldra weer om te slaan. Ze ging naar de kerk, dagelijks, en bad om kracht, om bijstand, om zuiver inzicht: mocht ze den vader van haar kind minachten? Was ’t geen zonde de liefkozingen te dulden van een man, dien ze minachtte? En met angst dacht ze aan de komende gebeurtenis, haar tweede bevalling, ’t Kind kwam, een zwak meisje, geboren uit een zwakke moeder. Bij ’t zielelijden der moeder voegde zich thans lichamelijk lijden, sleepend, slopend.’t Meisje werd twee jaar oud en stierf. De moeder volgde een half jaar later. Aan ’t sterfbed was Udoma bizonder effectvol geweest. In ’t bijzijn van den priester had zijn vrouw hem vergiffenis gevraagd voor ’t verdriet hem aangedaan. »Van harte, m’n lieve,” had hij waardig geantwoord. Ze was tevreden gestorven.[39]Cornelis, toen zeventien, voelde den slag vreeselijk. Hij was steeds de lieveling van zijn moeder geweest, haar trots ook, haar hoop, haar troost. Hij had een fijngevoelig hart als zij, hij begreep haar neigingen, haar smaak. In zijn gezelschap vond ze afleiding voor haar zorgen. En hij genoot van de uurtjes van intiem samenzijn met haar, zonder zijn vader. Voor dezen had hij een soort schuwen eerbied, zonder innigheid. Hij keek tegen hem op als tegen een autoriteit, zijn moeder was een oudere vriendin, een vertrouwelinge voor hem geweest. Hij was zóo innig, zóo teeder in dien omgang, dat zijn vrienden op school hem »moederskindje” noemden; omdat hij ’t altijd over zijn moeder had, over »wat moeder zei” en »wat moeder vond.” ’t Nadeel, was een zekere verweekelijking in zijn gevoelsleven, maar ’t voordeel, dat hij vrij bleef van veel besmetting, waaraan men op dien jeugdigen leeftijd door omgang met kameraadjes en kameraden blootstaat. Ook had Cornelis niet veel tijd voor dien omgang: veel uren buiten de school werden in beslag genomen door privaat-onderwijs in de klassieke talen. Een priester kwam die lessen geven: vader Udoma zond zijn zoon liever niet naar ’t gymnasium in den Bosch of dat te Venlo. De avonduren sleet Cornelis in ’t bijzijn zijner moeder; bij haar zittend maakte hij zijn werk. En als hij vroeg daarmee klaar was, speelde zij een stukje op de piano, soms zong zij, meest weemoedige liederen, met zwakke stem, maar[40]vol innigheid voorgedragen. Vaak moest het lied afgebroken worden, vóor het einde, omdat de tranen haar stem verstikten. Moeder en zoon vielen elkaar dan in de armen, ’t Was een leerschool voor gevoeligheid—»gevoelerigheid” was een woord van Udoma Senior—die omgang met zijn moeder. Cornelis werd een stille ernstige jongen, soms droomerig—»suf,” zei zijn vader. Hij hield veel van lezen, van muziek—speelde viool, bewonderde alle kunst. Een paar maal waren ze naar Brussel geweest—vader, moeder en zoon—en ook »de musea” waren in vaders correct reisplan begrepen. Cornelis had genoten, vader Udoma vond, dat z’n jongen daar ook verstand van moest hebben: dat hoorde zoo bij zijn stand.Na zijn moeders dood was ’t een heel ander leven. Vader en zoon waren veel meer samen. Udoma Senior miste ’t gezelschap der anders onvermijdelijke, maar ook slecht ontbeerbare derde persoonlijkheid in huis, en zocht nu méer ’t gezelschap van zijn zoon. En hij kreeg ’t in zijn hoofd den jongen naar zijn model te vormen, hem te scholen in al »de maatschappelijke en intieme deugden”—zooals hij ’t noemde—waarin hij zichzelf zoo volleerd vond. De overgang voor Cornelis was onmerkbaar. Allengs groeide er een korst van wereldsche ploertenwijsheid om de blanke teedere kern zijner ziel; voor ’t uiterlijk werd hij een tweede notaris Udoma, uitgave in kleiner formaat,[41]wat fijner omslag, maar overigens een reproductie. De oude heer vond de verandering bizonder naar zijn zin: hij had zooveel kneedbaarheid, zooveel aannemendheid niet verwacht.Toen Cornelis naar Leiden ging, was ’s vaders ongerustheid dan ook voornamelijk, dat hij zich »compromiteeren” zou. Dat had Udoma Senior nooit gedaan. Hij had als student—want hij was gepromoveerd in de rechten—éen, zeggeeenliefdesbetrekking gehad. Die had drie jaar geduurd, niemand had er van geweten, behalve ’t meisje en haar moeder, ’t was alles »contractueel” gegaan, zonder horten en stooten, zonder zich te compromiteeren—ook ’t afscheid: hij had haar vijf honderd gulden gegeven, en haar moeder, een weduwe, in een zaakje gezet. Alles correct.Cornelis compromiteerde zich te Leiden ook niet, ofschoon hij zich ver hield van alle betrekkingen van teederen aard—tot op dien noodlottigen dag. Hij maakte kennis met Clarine bij gemeenschappelijke vrienden in den Haag, op een avondpartijtje …En thans die ommekeer, dat plotseling afbrokkelen en wegvallen van die buitenlaag van zijn wezen, die ontdekking, dat het zijn wezen niet was, de verbijstering van ’t schijnbaar nieuwe, waarin vreugde, verrassing, ergernis en afschuw dooreenwarrelden!De schok der laatste gebeurtenissen had hem[42]dan wel door elkaar geschud, om zoo iets te bewerken! En als hij zichzelf niet geweest was, maar een ander, rijper en ouder dan hij, en die zielsrevolutie had kunnen beoordeelen, dan zou hij gejuicht hebben. De schok was beslissend voor zijn leven: de mensch, de edele oprechte mensch was gered, behoed voor verwording …Cornelis verwenschte voor de zooveelste maal zijn vorig wezen, zijn »mooidoenerij.” Hij had er een walg van. En hij dacht aan zijn moeder, aan den tijd toen hij als kleine jongen ’s avonds naar beneden sloop, stilletjes de trap af, naar de voorkamer, waar moeder zat piano te spelen en te neuriën, droomerig zacht. Hoe hij kans zag achter de piano te kruipen, zonder dat zij ’t merkte, en daar soms slapende gevonden werd, een half uur later. Een lied dat ze veel zong ruischte hem door ’t hoofd, aanhoudend, weemoedig streelend: »Bleibe nur fein geduldig …” Zijn moeder zong dat wiegelied zoo vaak. ’t Werkte nu als een wiegelied op hem. Hij had een uur zitten peinzen met de oogen dicht, en dat na al de aandoeningen … hij sliep in.Te Boxtel werd hij met schrik wakker, meende reeds aangekomen te zijn. Verder bleef hij gedrukt, verward, slechts de eene zekerheid, die hij had—dat hij zijn vader alles zeggen, Clarine redden moest—met grooter ongerustheid onder de oogen ziende naarmate de ontmoeting met zijn vader[43]nader kwam. Toch was hij iets kalmer en op dat éene punt vastberaden.Aan ’t station stond Udoma Senior zijn zoon af te wachten. ’t Trof hem alleen, dat hij stil was, bizonder stil en ongewoon.’t Was ongeveer etenstijd. Na het maal excuseerde Cornelis zich, nog vóor de sigaar, en ging naar zijn kamer. Van de zaak had hij niets gezegd: hij wilde tot den volgenden morgen wachten.»Vreemd!” mompelde Udoma Senior, met zijn groote ronde oogen starende op ’t bandje van zijn »after-dinner.”»De jongen heeft iets bizonders …” peinsde hij.»Zou hij zich gecompromiteerd hebben? Niet best mogelijk: hij is solide en verstandig.” En groot-formaat Udoma streelde zelfgenoegzaam zijn gladgeschoren vette kin. Hij dacht aan ’t kleine formaat, en was ten slotte innig tevreden.»Ja, ja” mompelde hij, zwaar en dik van toon, stond van zijn stoel op en slenterde met de sigaar tusschen zijn tanden, de duimen boven aan zijn vest, bedaard en schommelend naar de ruime veranda, achter de naaste kamer.’t Was een mooie avond in den vroegen herfst.Een zonnestraal, een der laatste, viel lachend op zijn glanzigen deftigen schedel.»Ja, ja …” klonk ’t nog eens als uit een hol vat.Udoma Senior zette zich neer in een tuinstoel,[44]strekte zijn korte beenen uit, leî zijn sigaar op een aschbakje en sloot de oogen. »Ja, ja …”Den volgenden ochtend omstreeks half negen was Cornelis Udoma alleen met zijn geweten in den grooten tuin achter zijn vaders huis. ’t Was een bizonder groote tuin, een van de grootste in de stad. Bovendien bizonder mooi en goed onderhouden. Achterin waren lommerrijke paadjes en heerlijke plekjes, die den droomer de begoocheling der eenzaamheid schonken.Cornelis wandelde op en neer, sinds bijna een uur in dat zelfde achterdeel van den tuin, de handen in de jaszakken van zijn flanellen zomerpakje, zóo dat die een eind vooruitstaken, de kin op de borst. Om hem heen een geurige, weelderige, zinnenwiegende morgen. Hij had zijn vader nòg niet gesproken! Die was niet aan ’t ontbijt om half acht. Hij had zich een uur vergist—hij wist dat zijn vader om half negen ontbeet—Na een vrijwel slapeloozen nacht was hij maar opgestaan, denkende, dat het al heel laat was. Waarom hij zijn vader niet afgewacht had, wist hij zelf niet best. Hij geloofde, dat het was omdat hij nog ’s goed bedenken moest, hoe hij de zaak in zou kleeden.»Zoo, ben je daar?” klonk op eens een zware stem.»Cornelis, jongen, wat scheelt je? Hoe kom je zoo vroeg uit de veeren? Je bent anders zoo matineus niet. Zeg?”[45]Udoma Senior was den tuin ingegaan om zijn zoon te zoeken en was weldra op hem gestuit bij ’t omslaan van een laantje achterin. Hij was nu overtuigd, dat »’m wat scheelde”, dat was duidelijk.Cornelis kijkt verrast op, bloost en stamelt:»Mij? Mij scheelt niets, Papa …”»Kom!” Papa steekt zijn arm fideel onder den linkerarm van ’t jonge mensch en wandelt met hem op. »Woû je mij wijsmaken, dat je volkomen normaal was? Nee, m’n baasje, wij kennen onze wereld zoo’n beetje.” Dit zelfvoldaan en met strakken lachenden blik op Cornelis.Deze zwijgt en beantwoordt den blik niet.»Zeg ’s … Cornelis … ronduit, hoor. »La femme?”»Och!” zegt Cornelis met schouderschok, alsof hij een vuile veronderstelling ver van zich af wil gooien. Nog steeds houdt hij zijn oogen naar de fijne kiezelsteentjes in ’t laantje gericht.»Tu en as l’âge, mon ami. Rien d’extraordinaire!” gaat de vader voort, die gaarne Fransch spreekt en Fransch geurt en Fransche levensbeginselen te koop hangt.»’t Is immers zoo? Zeg ’t nu maar, dan kunnen we ’s praten”.De oudere man staat hier stil, Cornelis breekt onwillekeurig ook zijn wandeling af. Hij kijkt even op. De luchtige toon van zijn vader hindert hem geweldig.[46]»Er is niets van wat u vermoedt, Papa,” zegt hij snel, met afgewend hoofd morrelend in de kiezelsteentjes met zijn eenen hak. »Ikscharrelniet.” Dit met innige minachting in zijn toon, en korzelig.»Natuurlijk niet, dat laat je aanprolenover, nietwaar?”Zij hervatten hun wandeling. »Jij doet ondertusschen aan hofmaken en zoo. En nu ben je tegen de lamp geloopen. Hoe is ’t: ziet ze er goed uit? En kun je niet van ’r afkomen? Toch geen »conséquences”, wil ik hopen? Jongen, jongen, je weet wat ik je daaromtrent gezegd heb:Sauvez les apparences, en als je ’t te ver laat komen, is dat bliksems lastig.”Cornelis bijt zich op de lippen. Dan draait hij zich plotseling half om, en zegt hard en duidelijk:»Ik heb een meisje van mijn stand …”»Verleid wil je zeggen? valt Udoma Senior lachend en doodkalm in, »of zij jou! Ha, ha!”»Vader, ik verzoek u me niet in de rede te vallen!” roept Cornelis woedend.Zonder erop te letten gaat de ander onmiddellijk daarop voort: »De gewone roman. Je wilt ’r nu trouwen. Erg edelmoedig …Ça ne se fait pas, m’n jongen. Ik had je voor verstandiger gehouden …”»Papa, gaat u in Gods naam niet op die toon voort …”Er komen tranen in Cornelis’ oogen. De ander[47]ziet ’t, vertrekt even een mondhoek, en vraagt quasi belangstellend:»Hoe heet ze, komaan?” Cornelis aarzelt even.»Dauteville.”»Zoo”, met zekere voldaanheid. Dan, nieuwsgierig: »Wat is de vader?”»Predikant!”»Domine. Protestant dus. Zoo. Hm … Geld?”»Ja.”Cornelis antwoordtvoortdurendop gedempten, onwilligen toon.»Al ’n ouwe geschiedenis?”»Ik ken ’r een jaar ongeveer.”»Ik bedoel die … eigenlijkeamourette?”»Och, wat bedoelt u toch? Begint u weer? Als u zóo spreekt zwijg ik liever …”Vader Udoma herkent zijn zoon niet. Wat bezielt die’ jongen? Zouden de oude sentimentaliteiten weer terugkomen?»Ik wil zeggen, wanneer je de jobstijding kreeg?” gaat Udoma Senior rustig voort.»Nog pas een paar dagen geleden. Daarom ben ik hier.” Er is iets in Cornelis’ toon, dat te kennen geeft: hoe kan u anders denken?»Zoo, zoo, je laat ’r geen gras over groeien. En nu wil je zeker mijn toestemming voor ’t huwelijk?”»Natuurlijk, vader.”De hooge ernst op ’t bleeke, regelmatige, fijne gezicht van den jongen Udoma vormt een schril[48]tegenbeeld met de hoogroode tronie van zijn vader, pafferig en luchtig zelfvoldaan. Bij al de overeenkomst hunner trekken—dezelfde soort oogen, dezelfde vorm van neus, dezelfde snit van mond, dezelfde bakkebaardjes, dezelfde kortgehouden knevel—viel ’t onderscheid dadelijk op. Udoma Junior was fijn, de ander grof, de een aristocratisch van lijnen, de ander poenig.»Cornelis, dat doet men niet” antwoordt ’t poenig individu.»Men, men … wat kan mijmenschelen!!” roept Cornelis, zich niet meer kunnende inhouden.»Ik acht ’t mijn plicht dat huwelijk door te zetten.” De jonge man bedenkt zich, dat hij zijn vader niet beleedigen mag, datzijntoestemming onontbeerlijk is; dat Clarine, als hij die niet krijgt, verloren is, want hij wordt eerst in Mei meerderjarig, en ’t is September.»Papa, u geeft uw toestemming, nietwaar?” gaat hij op heel anderen toon voort, nu met smeeking en vleiing; hoe hij ook inwendig trilt van verontwaardiging.»Kom, kom, kom. Hou je nu maar kalm. We spreken er nog wel nader over. Ik moet naar kantoor.” Bedaard zijn horloge weer in den zak stekend, zegt hij onder ’t heengaan: »Nu tot ziens. Onthoû nu voorloopig dit alleen: je krijgt mijn toestemming niet, he. Adieu!”Cornelis oogt zijn vader na. Zijnvader!Een gesmoorde vloek barst van zijn lippen; ’t was[49]de tweede keer in zijn leven, dat hij zich zóo onbeschaafd uitdrukte.Hij voelt zich rampzalig. Vol zelfverwijt over zijn gebrek aan zelfbedwang slentert de jonge man naar een bank, daar vlak bij onder een hoogen kastanje. Daar zet hij zich neer, en klemt ’t hoofd tusschen de handen, de ellebogen op de knieën.[50]
Cornelis Udoma was niet slecht. Men is trouwens zelden slecht op zijn twee-en-twintigste jaar. Goed in den zin van »deugdzaam,” op de wijze zooals de traktaatjes dat opvatten, was hij ook niet. Beginselen had hij maar enkele, en die behoorden niet tot het deugdzame soort. Een daarvan, het voornaamste zeker, was: men moet netjes zijn vóor alles. Nauw hing hiermee samen: de schijn is alles hier in de wereld. Cornelis was steeds »netjes” geweest. Zijn vader had het hem zóo dikwijls ingeprent, en hij was steeds zóo volgzaam geweest, dat ’t haast niet anders kon. Hij was netjes in zijn spreken—zelfs toen hij thuis gebracht werd van de ontgroeningsjool op de »kroeg” te Leiden—netjes in zijn gang—regelmatig, bedaard—netjes in zijn kleeren—steeds onberispelijk, maar stemmig—netjes in zijn omgang—hij »zat” in club van »aristo’s” zooals ze zich gaarne noemden—en netjes in zijn gedrag … tot voor kort. En de »schijn” was steeds vóor hem geweest … zou die nu tegen hem worden?[30]
Dat had Cornelis ellendig gemaakt, die gedachte, dat hij nu belachelijk zou worden.
En nu?… Hij zat in den trein, eenzaam in een hoekje gedoken. Hij had een goeden nacht gehad en was vrij laat opgestaan. Even had hij eenige woorden aan Clarine geschreven, om haar zijn vertrek mede te deelen, en toen was hij naar ’t station gestapt. Daar gekomen, had hij naar huis geseind, dat hij tegen den avond verschijnen zou.
Wat voelde hij zich anders dan vier-en-twintig uren te voren! Wat was er toch met hem gebeurd? Hoe kwam ’t dat hij »’t land aan zichzelf had,” en ’t zoo uitdrukte, bij zichzelf mompelend, hij, die altijd zoo tevreden en zelfgenoegzaam en correct geweest was? Hij wist het niet. Hij wist, dat hij zich ongelukkig voelde, dat hij Domine Dauteville een ploert vond en zichzelf een zwakkeling. En Clarine? Hij dacht aan haar met een gevoel van schaamte, maar koel, zonder hartelijkheid. En ’t besef van ’t ontbreken van liefde in ’t heele geval—althans zijnerzijds—maakte zijn ontevredenheid over zichzelf, zijn ergernis nog grooter.
Met een rukbeweging verzet hij zich. Hij moet … moet … daar is geen redeneeren tegen. En hij wil er ook niet tegen redeneeren. Hij is ’t met zich zelf eens, al lang. Lang? Ruim vier en twintig uur, en ’t schijnt hem een jaar op zijn minst! Hij moet dat huwelijk bespoedigen … om zijn eigen fatsoen … Bah! wat gaf hij daar nù om! Wat waren zijn[31]denkbeelden, ook op dat punt veranderd in die korte uren! Om haar, om ’t onrecht goed te maken, om haar eer te redden. Zij hield van hem, o, daar was hij zeker van. En hij zou haar, hij moest haar trouwen. En hij zou haar nog gelukkig kunnen maken … Een fraai geluk met een echtgenoot, die haar huwde uit medelijden …
Cornelis had bijna gevloekt.
Dat deed er niet toe: hij zou zijn plicht doen, en hij zou zich schikken. Zij kon wel tevreden zijn, en niets bespeuren van de verkoeling bij hem. Verkoeling! Van liefde zeker niet. God, die had nooit bestaan bij hem, nooit, neen nooit! Hij besefte het nu ten volle. En hij zag zijn toekomst … gekluisterd aan een vrouw als Clarine. Al ’t oppervlakkige, banale, wufte van haar persoonlijkheid werd hem nu klaar. Waarom niet eerder, groote God, voordat hij de dwaasheid beging zich te verbeelden, dat hij dat kind liefhad!
Och, hij wist niet wat liefde was … Dat moest iets anders, iets beters, heiligers wezen. Had ze dan niet verdiend, dat hij haar in den steek liet …? De jonge man huiverde bij de gedachte, en wierp ze ver van zich af. ’t Wilde er bij hem niet in, dat in zijn noodlottig avontuur ook zij schuld had, de schuld van haar roekelooze, bandelooze dartelheid en weelderigheid. Hij kende ’t leven nog zoo weinig …
Hoe meer hij aan ’t jonge meisje dacht in ’t nieuwe licht van zijn toekomstige vrouw, hoe ontstemder[32]hij werd; maar ook hoe wanhopiger vast zijn besluit werd. Hij voelde zich als iemand die, vervolgd door woedende roofdieren geen anderen uitweg ziet dan een bruischende breede rivier vóor zich, waarin hij moedig neer moest springen, vastberaden en kalm het gevaar onder de oogen ziende, om ’t veege lijf te redden.
Cornelis dacht aan al de uren van samenzijn met de aantrekkelijke predikantsdochter. Aantrekkelijk was ze …beauté du diable! Hij zag haar aan de piano zitten ’s avonds bij haar thuis een vroolijke deun aframmelend. Washington-post en onmiddellijk daarnaOuvre tes yeux bleus, ma mignonne!van Massenet, om te eindigen met een paar woedende accoorden, uit louter dolligheid. Dan sprong ze op en liep op hem toe, die aandachtig had staan luisteren naar haar aardig stemmetje, greep hem bij zijn schouders en duwde hem achterover op de canapé. Schaterlachend riep ze met de kleine handjes op zijn oogen gedrukt:Ouvre tes yeux bleus, mon mignon, voici la nuit!Was ’t wonder, dat hij haar in zijn armen nam en haar hartelijk kuste? ’t Was zoo’n aardige vroolijke meid! En in »de Batavier”… die uitspanningsplaats in de duinen … Wat ’n tooneeltjes van echte pret, uitgelaten, dolle, zorgelooze pret.
Wat speelde ze daar handig en sierlijktennisachter ’t gebouw! Hoe lenig bewegen zich haar leden in de smaakvolle kleeding—toch zoo eenvoudig.[33]O, hij ziet denweelderigeboezem rijzen en dalen, de oogen schitteren, de haren glanzen in ’t zonlicht, als ze zich voorover buigt bij ’t hanteeren van haar raket. Een sierlijke verschijning … Een en al dartelheid, en smaak en vuur en leven! En gedachteloosheid … Hij had medelijden, want hij mocht haar toch wel … En ze was gul, goedhartig, eerlijk … Toch, neen, hij had haar niet lief, hij kòn haar niet liefhebben. Hij zag niet tegen haar op … had geen achting voor haar, en zelfs dolle verliefdheid, die niet denkt aan achting, die gemoedstoestand, door velen liefde genoemd, kwam bij hem niet meer voor …
Hij dankte God voor zijn inzicht met bittere erkentelijkheid. Hij was nu ten minste gevrijwaard voor latere ontgoochelingen. Hij kende Clarine—te laat om zijn geluk te redden, maar bij tijds genoeg om hem misschien voor wanhoop te behoeden.
De ontwaking van zijn gemoedsleven ging gepaard met een opleving van godsdienstig gevoel. En dit laatste mengde zich met weemoedige herinneringen. Hij dacht aan zijn moeder, en haar beeld was hem in de korte spanne tijds sinds de ongelukstijding meermalen vóor den geest gekomen dan wellicht in de laatste drie jaren. Hij voelde zich vreemd, vreemd te moede, begreep zichzelven niet; ’t was hem alleen duidelijk, dat er een nieuw leven voor hem begon, dat hij een ander mensch zou worden van stonde af aan …[34]
’t Zielsproces, dat bij hem plaats gehad had, was inderdaad eenvoudiger dan ’t hèm leek. ’t Was een ommekeer, maar een herstel van veel ouds bij aanwinst van weinig nieuws. ’t Oude was zijn eigenlijke aard, ’t eenige nieuwe de meerdere innigheid, de diepere grondvesting zijner eigenschappen. De schok van Clarine’s openbaring en ’t gevolgde bezoek van haar vader had gewerkt als een storm, die het zwakke plantendek van een rotsige klip had afgerukt. Hij was weer wat hij was vóor den dood zijner moeder, iets rijper alleen …
Zijn moeder vertegenwoordigde het dichterlijke, sentimenteele element in Notaris Udoma’s huiselijken kring. Die kring bestond korten tijd uit vier personen; maar Cornelis’ jongere zuster was zeer jong gestorven. Zijn herinneringen bereikten nauwelijks dien tijd. Hij wist alleen, dat hij een zusje gehad had, en hij wist heel goed, dat zijn moeder getreurd had, tot haar dood getreurd had om ’t zusje. Zoo althans stelde hij ’t zich voor. Hij besefte niet, welk ander leed haar ondermijnde, en nu zelfs, na zijn ontwaking, zou hij slechts langzaam leeren beseffen wat haar zoo vroeg deed wegkwijnen.
Zij had een huwelijk »van liefde” gesloten, dat wil zeggen, zij had den knappen, beleefden, geestigen jongen man lief, toen ze met hem ’t leven inging. ’t Was te Amsterdam. Udoma was toen candidaat-notaris en een goede dertiger. Hij had geld en zij had geld. En de wederzijdsche ouders[35]zagen ’t huwelijk zoo gaarne. Alles liep van een leien dakje, alles was keurig, deftig, tot algemeene tevredenheid gegaan. Hij was knap, zij zag er lief uit, en ’t geluk maakte beiden nog stralender dan gezondheid en jeugd en al ’t andere goeds, dat ze reeds hadden, hen konden gemaakt hebben. Het huwelijk was een schitterend huwelijk geweest, een huwelijk waar veel over gepraat was, dat veel jaloezie en veel bewondering had opgewekt. Twee jaar later werd Udoma notaris—’t ging vlugger in dien tijd dan tegenwoordig—en ’t paar trok naar Delmond. Intusschen had voor de arme Elizabeth, Cornelis’ moeder, de ontgoocheling reeds lang plaats gehad. In den dagelijkschen gemeenzamen omgang bleek Udoma een correcte nul. Hij begreep niets van haar rijk gemoedsleven; haar zin voor ’t schoone, haar godsdienstigheid, haar fijn ontwikkelde kieschheid verveelden hem, zoodra effectbejag er aan vreemd moest blijven. En hij kon alleen effect maken, als zijn vrouw zich de smaakvolle, fijn gevoelende en godsdienstige toonde tegenover derden. In den verlovingstijd was daarom dat alles volkomen naar zijn zin geweest; toen waren er meestal derden. En in dien tijd had hij die »zaakjes” ook heel anders opgevat. Hij zag nu dat ’t »allemaal ernst” bij haar was: geen spoor van effectbejag. En zij zag, dat ’t bij hem allemaal effectbejag was: geen spoor van ernst. Onder ernst verstond zij ’t innige, ’t oprechte.[36]
En ze voelde zich ongelukkig, toen ze allengs bespeurde, dat haar liefde minder werd, dat hun huwelijk op weg was een lichaamsecht te worden. Een stille diepe weemoed drong meer en meer in haar hart. Moedervreugde gaf daarop afleiding. Ze was verrukt, haar gemoed was tot berstens toe vervuld van dankbaarheid voor ’t onverwachte geluk, ze aanbad haar jongen, ze zag de wereld weer zoo anders, ze voelde zich in warmen edelmoed tot hartelijke toenadering geneigd. Zou ze tòch van dien man, nu den vader van haar kind, kunnen houden, zou ze hem nòg kunnen liefhebben: omdat ze hem verkeerd beoordeeld had? De zoete begoocheling hield eenige maanden aan. Haar echtgenoot was bizonder attent en lief geweest. Zijn ijdelheid was daaraan niet vreemd: hij had een zoon en was vader, rees daardoor in »deftigheid,” meende hij.
Udoma was nààr deftig, had zijn vrouws jongste broer gezegd, iemand die »voor schilder studeerde”—zoo’n brutaal, onvormelijk individu van twintig jaar, die maar alles zeide wat hem voor den mond kwam, en vreeselijk »proleetig” deed met zijn losse kleeding en losse manieren en losse haren.
In Delmond vonden de notabelen Udoma onberispelijk. Hij was dan ook een van die menschen, die steeds in alle werelsche zaken het juiste midden weten te bewaren, die nooit door hartstocht verblind of door aandoeningen van de wijs schijnen te[37]raken. Verder leefde hij geregeld, was matig, deed zijn werk in de puntjes, was beleefd tegen een ieder—hartelijk tegen niemand—ging stipt iederen Zondag naar de kerk en ook op de feestdagen, vastte op Vrijdag, steunde de Katholieke armen, bracht de »Pieterspenning” op—en royaal, dat wist men—zat in den gemeenteraad. Voor ’t overige nam hij deel aan ’t »gezellige leven der hoogere kringen,” vertoonde zich geregeld in de heeren-societeit, zoowel als ’s avonds met zijn vrouw op de deftige concerten en op de dineetjes en avondpartijtjes; terwijl hij zelf nu en dan zijn huis openzette voor de Delmondsche »menschen.” Natuurlijk waren dit uitsluitend de Roomsch-Katholieke notabelen. Zijn vrouw was van ’t zelfde geloof. Ze vond echter dit exclusivisme wat ver gedreven. Onder de enkele Protestanten ter plaatse waren er tot wie zij zich getrokken voelde.
Maar men deed ten huize Udoma slechts wat »behoorlijk” was tegenover de toongevende buitenwereld, en de heer des huizes maakte dat uit.
De verwijdering tusschen man en vrouw werd weer met den dag grooter. Hevige tooneelen hadden echter niet plaats: zij was er te zachtzinnig voor, hij te deftig, te hartstochteloos. Toch ontbraken de uitbarstingen niet, hoe kalm ze ook afliepen. Hij kon kalm grof zijn, cynisch en dom wreed. In ’t eerst eindigde zulk een woordenwisseling met een krampachtig gesnik van de zwakkere partij, later[38]hield dit op. Als hij sarrend bedaard, met onnoozel meerderheidsvertoon, schouderophalend en lachend, heenging met een: »Je bent een eend!” zweeg zij, bleek bevend, ineengedoken op een stoel. En ze wierp hem een langen blik na, waarin smartelijke minachting lag. Ze schreide niet meer in zijn bijzijn: haar tranen achtte ze te heilig om besmet te worden door zijn gemeenen spot. Een uur later stak hij haar de hand toe, met een minzamen lach en een gemaakt hartelijk »kom, kom,” zwaar gebromd. Mat nam ze dan ’t vredesteeken aan. En hij achtte zich onweerstaanbaar. Haar geweten plaagde haar, ’t vertelde van vredesluiten, vergeten en vergeven. Ze zwichtte dan voor die stem, om weldra weer om te slaan. Ze ging naar de kerk, dagelijks, en bad om kracht, om bijstand, om zuiver inzicht: mocht ze den vader van haar kind minachten? Was ’t geen zonde de liefkozingen te dulden van een man, dien ze minachtte? En met angst dacht ze aan de komende gebeurtenis, haar tweede bevalling, ’t Kind kwam, een zwak meisje, geboren uit een zwakke moeder. Bij ’t zielelijden der moeder voegde zich thans lichamelijk lijden, sleepend, slopend.
’t Meisje werd twee jaar oud en stierf. De moeder volgde een half jaar later. Aan ’t sterfbed was Udoma bizonder effectvol geweest. In ’t bijzijn van den priester had zijn vrouw hem vergiffenis gevraagd voor ’t verdriet hem aangedaan. »Van harte, m’n lieve,” had hij waardig geantwoord. Ze was tevreden gestorven.[39]
Cornelis, toen zeventien, voelde den slag vreeselijk. Hij was steeds de lieveling van zijn moeder geweest, haar trots ook, haar hoop, haar troost. Hij had een fijngevoelig hart als zij, hij begreep haar neigingen, haar smaak. In zijn gezelschap vond ze afleiding voor haar zorgen. En hij genoot van de uurtjes van intiem samenzijn met haar, zonder zijn vader. Voor dezen had hij een soort schuwen eerbied, zonder innigheid. Hij keek tegen hem op als tegen een autoriteit, zijn moeder was een oudere vriendin, een vertrouwelinge voor hem geweest. Hij was zóo innig, zóo teeder in dien omgang, dat zijn vrienden op school hem »moederskindje” noemden; omdat hij ’t altijd over zijn moeder had, over »wat moeder zei” en »wat moeder vond.” ’t Nadeel, was een zekere verweekelijking in zijn gevoelsleven, maar ’t voordeel, dat hij vrij bleef van veel besmetting, waaraan men op dien jeugdigen leeftijd door omgang met kameraadjes en kameraden blootstaat. Ook had Cornelis niet veel tijd voor dien omgang: veel uren buiten de school werden in beslag genomen door privaat-onderwijs in de klassieke talen. Een priester kwam die lessen geven: vader Udoma zond zijn zoon liever niet naar ’t gymnasium in den Bosch of dat te Venlo. De avonduren sleet Cornelis in ’t bijzijn zijner moeder; bij haar zittend maakte hij zijn werk. En als hij vroeg daarmee klaar was, speelde zij een stukje op de piano, soms zong zij, meest weemoedige liederen, met zwakke stem, maar[40]vol innigheid voorgedragen. Vaak moest het lied afgebroken worden, vóor het einde, omdat de tranen haar stem verstikten. Moeder en zoon vielen elkaar dan in de armen, ’t Was een leerschool voor gevoeligheid—»gevoelerigheid” was een woord van Udoma Senior—die omgang met zijn moeder. Cornelis werd een stille ernstige jongen, soms droomerig—»suf,” zei zijn vader. Hij hield veel van lezen, van muziek—speelde viool, bewonderde alle kunst. Een paar maal waren ze naar Brussel geweest—vader, moeder en zoon—en ook »de musea” waren in vaders correct reisplan begrepen. Cornelis had genoten, vader Udoma vond, dat z’n jongen daar ook verstand van moest hebben: dat hoorde zoo bij zijn stand.
Na zijn moeders dood was ’t een heel ander leven. Vader en zoon waren veel meer samen. Udoma Senior miste ’t gezelschap der anders onvermijdelijke, maar ook slecht ontbeerbare derde persoonlijkheid in huis, en zocht nu méer ’t gezelschap van zijn zoon. En hij kreeg ’t in zijn hoofd den jongen naar zijn model te vormen, hem te scholen in al »de maatschappelijke en intieme deugden”—zooals hij ’t noemde—waarin hij zichzelf zoo volleerd vond. De overgang voor Cornelis was onmerkbaar. Allengs groeide er een korst van wereldsche ploertenwijsheid om de blanke teedere kern zijner ziel; voor ’t uiterlijk werd hij een tweede notaris Udoma, uitgave in kleiner formaat,[41]wat fijner omslag, maar overigens een reproductie. De oude heer vond de verandering bizonder naar zijn zin: hij had zooveel kneedbaarheid, zooveel aannemendheid niet verwacht.
Toen Cornelis naar Leiden ging, was ’s vaders ongerustheid dan ook voornamelijk, dat hij zich »compromiteeren” zou. Dat had Udoma Senior nooit gedaan. Hij had als student—want hij was gepromoveerd in de rechten—éen, zeggeeenliefdesbetrekking gehad. Die had drie jaar geduurd, niemand had er van geweten, behalve ’t meisje en haar moeder, ’t was alles »contractueel” gegaan, zonder horten en stooten, zonder zich te compromiteeren—ook ’t afscheid: hij had haar vijf honderd gulden gegeven, en haar moeder, een weduwe, in een zaakje gezet. Alles correct.
Cornelis compromiteerde zich te Leiden ook niet, ofschoon hij zich ver hield van alle betrekkingen van teederen aard—tot op dien noodlottigen dag. Hij maakte kennis met Clarine bij gemeenschappelijke vrienden in den Haag, op een avondpartijtje …
En thans die ommekeer, dat plotseling afbrokkelen en wegvallen van die buitenlaag van zijn wezen, die ontdekking, dat het zijn wezen niet was, de verbijstering van ’t schijnbaar nieuwe, waarin vreugde, verrassing, ergernis en afschuw dooreenwarrelden!
De schok der laatste gebeurtenissen had hem[42]dan wel door elkaar geschud, om zoo iets te bewerken! En als hij zichzelf niet geweest was, maar een ander, rijper en ouder dan hij, en die zielsrevolutie had kunnen beoordeelen, dan zou hij gejuicht hebben. De schok was beslissend voor zijn leven: de mensch, de edele oprechte mensch was gered, behoed voor verwording …
Cornelis verwenschte voor de zooveelste maal zijn vorig wezen, zijn »mooidoenerij.” Hij had er een walg van. En hij dacht aan zijn moeder, aan den tijd toen hij als kleine jongen ’s avonds naar beneden sloop, stilletjes de trap af, naar de voorkamer, waar moeder zat piano te spelen en te neuriën, droomerig zacht. Hoe hij kans zag achter de piano te kruipen, zonder dat zij ’t merkte, en daar soms slapende gevonden werd, een half uur later. Een lied dat ze veel zong ruischte hem door ’t hoofd, aanhoudend, weemoedig streelend: »Bleibe nur fein geduldig …” Zijn moeder zong dat wiegelied zoo vaak. ’t Werkte nu als een wiegelied op hem. Hij had een uur zitten peinzen met de oogen dicht, en dat na al de aandoeningen … hij sliep in.
Te Boxtel werd hij met schrik wakker, meende reeds aangekomen te zijn. Verder bleef hij gedrukt, verward, slechts de eene zekerheid, die hij had—dat hij zijn vader alles zeggen, Clarine redden moest—met grooter ongerustheid onder de oogen ziende naarmate de ontmoeting met zijn vader[43]nader kwam. Toch was hij iets kalmer en op dat éene punt vastberaden.
Aan ’t station stond Udoma Senior zijn zoon af te wachten. ’t Trof hem alleen, dat hij stil was, bizonder stil en ongewoon.
’t Was ongeveer etenstijd. Na het maal excuseerde Cornelis zich, nog vóor de sigaar, en ging naar zijn kamer. Van de zaak had hij niets gezegd: hij wilde tot den volgenden morgen wachten.
»Vreemd!” mompelde Udoma Senior, met zijn groote ronde oogen starende op ’t bandje van zijn »after-dinner.”
»De jongen heeft iets bizonders …” peinsde hij.»Zou hij zich gecompromiteerd hebben? Niet best mogelijk: hij is solide en verstandig.” En groot-formaat Udoma streelde zelfgenoegzaam zijn gladgeschoren vette kin. Hij dacht aan ’t kleine formaat, en was ten slotte innig tevreden.
»Ja, ja” mompelde hij, zwaar en dik van toon, stond van zijn stoel op en slenterde met de sigaar tusschen zijn tanden, de duimen boven aan zijn vest, bedaard en schommelend naar de ruime veranda, achter de naaste kamer.
’t Was een mooie avond in den vroegen herfst.
Een zonnestraal, een der laatste, viel lachend op zijn glanzigen deftigen schedel.
»Ja, ja …” klonk ’t nog eens als uit een hol vat.
Udoma Senior zette zich neer in een tuinstoel,[44]strekte zijn korte beenen uit, leî zijn sigaar op een aschbakje en sloot de oogen. »Ja, ja …”
Den volgenden ochtend omstreeks half negen was Cornelis Udoma alleen met zijn geweten in den grooten tuin achter zijn vaders huis. ’t Was een bizonder groote tuin, een van de grootste in de stad. Bovendien bizonder mooi en goed onderhouden. Achterin waren lommerrijke paadjes en heerlijke plekjes, die den droomer de begoocheling der eenzaamheid schonken.
Cornelis wandelde op en neer, sinds bijna een uur in dat zelfde achterdeel van den tuin, de handen in de jaszakken van zijn flanellen zomerpakje, zóo dat die een eind vooruitstaken, de kin op de borst. Om hem heen een geurige, weelderige, zinnenwiegende morgen. Hij had zijn vader nòg niet gesproken! Die was niet aan ’t ontbijt om half acht. Hij had zich een uur vergist—hij wist dat zijn vader om half negen ontbeet—Na een vrijwel slapeloozen nacht was hij maar opgestaan, denkende, dat het al heel laat was. Waarom hij zijn vader niet afgewacht had, wist hij zelf niet best. Hij geloofde, dat het was omdat hij nog ’s goed bedenken moest, hoe hij de zaak in zou kleeden.
»Zoo, ben je daar?” klonk op eens een zware stem.
»Cornelis, jongen, wat scheelt je? Hoe kom je zoo vroeg uit de veeren? Je bent anders zoo matineus niet. Zeg?”[45]
Udoma Senior was den tuin ingegaan om zijn zoon te zoeken en was weldra op hem gestuit bij ’t omslaan van een laantje achterin. Hij was nu overtuigd, dat »’m wat scheelde”, dat was duidelijk.
Cornelis kijkt verrast op, bloost en stamelt:
»Mij? Mij scheelt niets, Papa …”
»Kom!” Papa steekt zijn arm fideel onder den linkerarm van ’t jonge mensch en wandelt met hem op. »Woû je mij wijsmaken, dat je volkomen normaal was? Nee, m’n baasje, wij kennen onze wereld zoo’n beetje.” Dit zelfvoldaan en met strakken lachenden blik op Cornelis.
Deze zwijgt en beantwoordt den blik niet.
»Zeg ’s … Cornelis … ronduit, hoor. »La femme?”
»Och!” zegt Cornelis met schouderschok, alsof hij een vuile veronderstelling ver van zich af wil gooien. Nog steeds houdt hij zijn oogen naar de fijne kiezelsteentjes in ’t laantje gericht.
»Tu en as l’âge, mon ami. Rien d’extraordinaire!” gaat de vader voort, die gaarne Fransch spreekt en Fransch geurt en Fransche levensbeginselen te koop hangt.
»’t Is immers zoo? Zeg ’t nu maar, dan kunnen we ’s praten”.
De oudere man staat hier stil, Cornelis breekt onwillekeurig ook zijn wandeling af. Hij kijkt even op. De luchtige toon van zijn vader hindert hem geweldig.[46]
»Er is niets van wat u vermoedt, Papa,” zegt hij snel, met afgewend hoofd morrelend in de kiezelsteentjes met zijn eenen hak. »Ikscharrelniet.” Dit met innige minachting in zijn toon, en korzelig.
»Natuurlijk niet, dat laat je aanprolenover, nietwaar?”
Zij hervatten hun wandeling. »Jij doet ondertusschen aan hofmaken en zoo. En nu ben je tegen de lamp geloopen. Hoe is ’t: ziet ze er goed uit? En kun je niet van ’r afkomen? Toch geen »conséquences”, wil ik hopen? Jongen, jongen, je weet wat ik je daaromtrent gezegd heb:Sauvez les apparences, en als je ’t te ver laat komen, is dat bliksems lastig.”
Cornelis bijt zich op de lippen. Dan draait hij zich plotseling half om, en zegt hard en duidelijk:
»Ik heb een meisje van mijn stand …”
»Verleid wil je zeggen? valt Udoma Senior lachend en doodkalm in, »of zij jou! Ha, ha!”
»Vader, ik verzoek u me niet in de rede te vallen!” roept Cornelis woedend.
Zonder erop te letten gaat de ander onmiddellijk daarop voort: »De gewone roman. Je wilt ’r nu trouwen. Erg edelmoedig …Ça ne se fait pas, m’n jongen. Ik had je voor verstandiger gehouden …”
»Papa, gaat u in Gods naam niet op die toon voort …”
Er komen tranen in Cornelis’ oogen. De ander[47]ziet ’t, vertrekt even een mondhoek, en vraagt quasi belangstellend:
»Hoe heet ze, komaan?” Cornelis aarzelt even.
»Dauteville.”
»Zoo”, met zekere voldaanheid. Dan, nieuwsgierig: »Wat is de vader?”
»Predikant!”
»Domine. Protestant dus. Zoo. Hm … Geld?”
»Ja.”
Cornelis antwoordtvoortdurendop gedempten, onwilligen toon.
»Al ’n ouwe geschiedenis?”
»Ik ken ’r een jaar ongeveer.”
»Ik bedoel die … eigenlijkeamourette?”
»Och, wat bedoelt u toch? Begint u weer? Als u zóo spreekt zwijg ik liever …”
Vader Udoma herkent zijn zoon niet. Wat bezielt die’ jongen? Zouden de oude sentimentaliteiten weer terugkomen?
»Ik wil zeggen, wanneer je de jobstijding kreeg?” gaat Udoma Senior rustig voort.
»Nog pas een paar dagen geleden. Daarom ben ik hier.” Er is iets in Cornelis’ toon, dat te kennen geeft: hoe kan u anders denken?
»Zoo, zoo, je laat ’r geen gras over groeien. En nu wil je zeker mijn toestemming voor ’t huwelijk?”
»Natuurlijk, vader.”
De hooge ernst op ’t bleeke, regelmatige, fijne gezicht van den jongen Udoma vormt een schril[48]tegenbeeld met de hoogroode tronie van zijn vader, pafferig en luchtig zelfvoldaan. Bij al de overeenkomst hunner trekken—dezelfde soort oogen, dezelfde vorm van neus, dezelfde snit van mond, dezelfde bakkebaardjes, dezelfde kortgehouden knevel—viel ’t onderscheid dadelijk op. Udoma Junior was fijn, de ander grof, de een aristocratisch van lijnen, de ander poenig.
»Cornelis, dat doet men niet” antwoordt ’t poenig individu.
»Men, men … wat kan mijmenschelen!!” roept Cornelis, zich niet meer kunnende inhouden.»Ik acht ’t mijn plicht dat huwelijk door te zetten.” De jonge man bedenkt zich, dat hij zijn vader niet beleedigen mag, datzijntoestemming onontbeerlijk is; dat Clarine, als hij die niet krijgt, verloren is, want hij wordt eerst in Mei meerderjarig, en ’t is September.
»Papa, u geeft uw toestemming, nietwaar?” gaat hij op heel anderen toon voort, nu met smeeking en vleiing; hoe hij ook inwendig trilt van verontwaardiging.
»Kom, kom, kom. Hou je nu maar kalm. We spreken er nog wel nader over. Ik moet naar kantoor.” Bedaard zijn horloge weer in den zak stekend, zegt hij onder ’t heengaan: »Nu tot ziens. Onthoû nu voorloopig dit alleen: je krijgt mijn toestemming niet, he. Adieu!”
Cornelis oogt zijn vader na. Zijnvader!
Een gesmoorde vloek barst van zijn lippen; ’t was[49]de tweede keer in zijn leven, dat hij zich zóo onbeschaafd uitdrukte.
Hij voelt zich rampzalig. Vol zelfverwijt over zijn gebrek aan zelfbedwang slentert de jonge man naar een bank, daar vlak bij onder een hoogen kastanje. Daar zet hij zich neer, en klemt ’t hoofd tusschen de handen, de ellebogen op de knieën.[50]