IV.

[Inhoud]IV.Cornelis vleugellam.Onze student in de rechten was nu een week te Delmond bij zijn vader. Na de eerste woordenwisseling over »de zaak” waren er ettelijke andere gevolgd, alle kalm begonnen, alle hevighartstochtelijkgeëindigd, terwijl in alle zijn vader bedaard en onverzettelijk bleef. ’t Hersenloozeça ne se fait pas, uit den treure op denzelfden toon herhaald, had Cornelis op ’t laatst razend gemaakt. ’t Einde wasverklaardeoorlog met zijn levengever. Deze bleef lachen, spotten, schouderoptrekken.Cornelis lag in zijn bed. ’t Was drie uur in den nacht: hij kon net op zijn horloge kijken, want de maan scheen helder in zijn kamer. Deze kwam uit op den tuin achter en lag op de eerste verdieping vlak naast die van zijn vader.Hij lag al sinds elf uur in zijn bed … klaar wakker. Wanhopig was hij van ’t avondeten opgestaan na een laatste schermutseling met zijn vader.Hij was er nu mooi aan toe, waarlijk! Geen rooie cent om weg te komen, en dus genoodzaakt te Delmond te blijven, terwijl hij Clarine spreken moest,[51]moest, moest! Hij kon immers niet alles in een brief zetten … En zijn vader wilde hem nu dwingen voorloopig op de plaats te blijven, totdat hij wat gekalmeerd was en die »zottigheden” uit zijn hoofd gezet had.’t Was nu al een week, dat die arme Clarine op tijding wachtte, en dat in haar toestand! Och, ’t was zijn schuld niet: hij had alles in ’t werk willen stellen, om zijn vader tot toestemming over te halen. Moest hij nu nog langer aanhouden, de kans loopen, dat die lamme zaak nog een maand bleef sleepen? En haar ondertusschen schrijven, dat ’t nog wel gaan zou? En als ’tdan ’sniet ging … Nee, bah, dat wàs geen handelen! Maar wat dan? Of hij al wegging, haar opzocht, sprak, de zaak uitlegde en wat niet al, dat eene bleef als een paal boven water: ’t huwelijk was onmogelijk vóor volgend jaar Mei, als hij drie-en-twintig werd. En hoe dan nog nog, als zijn vader bleef weigeren! Idiote wetsbepalingen! Cornelis wenschte, dat hij in Engeland was; ’t scheen, dat hier in Holland iemand van zijn leeftijd nog als een kind werd beschouwd. Dan zeker omdat een Hollander lummelachtiger, minder »leersch” is dan een Engelschman? Dat burgerlijk wetboek haatte hij hardgrondig. »Een samenknoeisel van idioten!” mopperde hij half opgericht in zijn bed »vooral op ’t punt van ’t huwelijk.”De rechtsgeleerde overdenkingen waren spoedig weer verdrongen.Hij stond voor eenfeit: in zijn eigen land was[52]een huwelijk met Clarine Dauteville door zijn vaders houding voor hem onmogelijk.Maar in ’t buitenland dan? In Engeland? Hij zou met haar kunnen vluchten, en dan verder zien wat hij doen kon. Lukte het hem niet in Engeland of in Frankrijk spoedig te trouwen, dan kon hij in allen geval op ’t oogenblik wachten, zonder Clarine’s naam onder haar eigen landgenooten in gevaar te brengen.’t Eenige noodige was hier geld … En medewerking van den ouden Dauteville. Nu, die was wel te krijgen, of zelfs kon hij wel buiten die in ’t ergste geval … Als de man de overtuiging had, dat er niets anders op zat … Cornelis dacht een oogenblik aan de mogelijkheid, dat Dauteville zelf een poging zou wagen, om zijn vader te vermurwen. Zou de vent daartoe in staat zijn? Misschien wel, maar zijn vader zou hem niet willen ontvangen—dat wist hij zeker—en een brief zou immers niets uitwerken.Hoe ’t ook liep, naar den Haag moest hij. En zoo spoedig mogelijk. Dadelijk …Cornelis keek nog eens op zijn horloge, dat vlak vóor hem op ’t nachtkastje lag. Kwart over drie … De eerste trein naar ’t noorden vertrok om een uur of zes. Daar moest hij mee weg, hij mocht niet langer uitstellen.Weer valt hem te binnen, dat hij geen geld heeft. Hij grijpt naar zijn portemonnaie, ook op ’t nachtkastje. In vredesnaam dan maar derde klas,[53]als ’t moet. Cornelis Udoma, juris candidatus, student te Leiden derde klas! Maar zelfs daarvoor blijkt zijn zakgeld ontoereikend. Morgen ochtend geld gaan leenen bij iemand? Stel je voor, hij geldleenen, terwijl iedereen op de plaats wist, dat zijn vader schatrijk was! Wat zou dat een aanleiding tot praatjes wezen! En die wilde hij tot elken prijs vermijden … Bovendien zou dat weer uitstel wezen. Hij zoù met dien eersten trein vertrekken …Cornelis zat op den rand van zijn ledikant, met beide beenen buiten. Hij had een idee.Op zijn teenen sloop hij naar de deur van zijn slaapkamer. Die stond open, als gewoonlijk ’s zomers. Op ’t portaal zag hij dadelijk, dat ook zijn vaders kamerdeur op een kier stond.Wie waagt die wint, en zijn vaders geld was ’t zijne immers, althans dat wat hem toekwam … Hij moest zijn maandgeld hebben—’t was al bijna October. En wat hij nemen zou, was immers niet meer dan die som. Hij had tweehonderd in de maand, en zijn vader had hem nog geen cent gegeven … Maar neen, hij had meer noodig. Wat zou ’t nog?Daar op een tafeltje vóor ’t bed—’t groote welbekende bruinhouten bed met deprachtigeafhangende gordijnen—lagen twee sleutels bij de talrijke zaakjes, die notaris Udoma in zijn broek- en vest- en jaszakken placht te dragen. Cornelis kende ze: de eene moest die van het »kantoor”,[54]de andere die van de brandkast wezen. Er was een nachtlicht, en alles was vrij goed te zien.Hij aarzelde een oogenblik. Achter de zware gordijnen, even openhangend, hoorde hij duidelijk de bedaarde, regelmatige ademhaling zijns vaders: ook die was deftig, als alles van Notaris Udoma. ’t Groote bed deed herinneringen uit Cornelis’ kindsche jaren leven. Wat had hij vaak ’s morgens dien hoogen rand beklommen, om »nog eventjes bij mamaatje onder de wol te kruipen”. Wat had hij vaak binnen die weelderige gordijnen zijn kinderlach doen schateren, zijn onschuldig mondje geroerd …En nu sloop hij naar dat bed om sleutels weg te nemen, als een dief … Hij wàs in onmin met zijn vader, en waagde thans een daad, die hem misschien voor goed van hem zou vervreemden … Och kom, ’t zou zoo’n vaart niet nemen!Cornelis sloot zijn lippen vaster opeen, deed een paar passen vooruit, en strekte de hand naar de twee sleutels uit. Achter ’t gordijn klonk een zucht als van iemand, die ontwaakt. Ademloos stond de jongeman enkele seconden als een beeld in dezelfde houding, de eene hand aan de sleutels. Zijn vader draaide zich om, ’t bed kraakte … Buiten op ’t portaal hoorde hij in de overigens doodsche stilte een geritsel … Muizen, een stukje kalk dat van den wand losliet … Met éen greep had hij de beide sleutels in zijn hand. Een seconde later was hij op ’t portaal.[55]Hij bedacht zich, dat hij ongekleed was.Terug naar zijn kamer. In twee minuten had hij zich gedruischloos aangekleed. Hij deed er anders een half uur over, wasschen inbegrepen.Daar stond hij weer op ’t portaal, met de sleutels in zijn zak. In gedachten nam hij afscheid van zijn vader. Onwillekeurig draaide hij ’t hoofd om, toen hij zich boven aan de trap bevond. Zoo zag hij zijn vader liggen, door de deur had hij juist ’t gezicht op ’t bed. Misschien zag hij hem nooit weer. Toch een nare gedachte! Och, ’t was zijn schuld niet, dat ze zoo scheiden moesten. Waarom niet toegegeven?’t Was pikdonker boven aan de trap. Voorzichtig, stapje voor stapje gleed Cornelis naar beneden; met beide handen hield hij zich aan de gladde houten leuning vast. De bovenste trap had negen treden. ’t Kleine portaaltje over, en dan nog eens negen treden, dan was hij beneden in de ruime marmeren gang.Alles ging goed. De gang was vrij helder verlicht; de maan zond haar stralen door ’t gekleurde glas boven de tuindeur. Toch tastte Cornelis naar lucifers in zijn broekzak. Hij had ze bij zich, als naar gewoonte. Dat was een geruststelling. Met bonzend hart opende hij de zware kantoordeur. Wat was hij zenuwachtig! In ’t kantoor was ’t pikdonker: hij kon niets zien. Een duffe lucht van vocht en paperassen sloeg hem in ’t gelaat. Bevend[56]streek de jonge man een lucifer af. Een helle flikkering door de holle kamer: daar doemden de groote brandkasten met haar onvriendelijk dom voorkomen uit ’t duister op, rechts stond de kolossale secrétaire en de schrijftafel van zijn vader met de rij wetboeken er boven op, netjes geschikt, de duffe donkere stoelen met leeren zittingen, de schrijftafels van den candidaat-notaris en den klerk. Aan den wand kaarten, lijsten, onsmakelijke almanakken, alles duf en somber deftig over dag, in ’t flikkerend schijnsel grafkelderachtig.Daar stond een blaker met een eind kaars op zijn vaders schrijftafel. De eerste lucifer brandde op. Cornelis knipte ’t overgebleven stukje driftig weg: hij had zich in de vingers gebrand. Een tweede lucifer. Met den blaker naar de eene brandkast. Daarin lag papieren geld, dat wist hij. De brandkast gaapte, en toonde zijn dikke metalen lippen. Uit de grijnzende opening haalde Cornelis een handvol bankpapier.Even nageteld: alles bankbiljetten van vijf en twintig, tien stuks. Goed zoo, dat was genoeg. Zorgvuldig ’t logge ding weer gesloten. Hij moest er twee rukken aan geven. Wat beefde hij! En waarom meende hij niet te begrijpen.Ziezoo, nu de blaker weer op zijn plaats, de kaars uitgeblazen, een lucifer aangestoken. Deur van buiten weer gesloten. Een zucht van verlichting ontsnapte Cornelis’ borst. ’t Was gebeurd. Wat nu![57]»Ezel!” mompelde hij op eens. Hij had vergeten, dat het nog zoo vroeg was. Hij kon immers onmogelijk om half vier aan ’t station komen. Dan zou er zeker »gekletst” worden. Als hij ’t handig aanlegde, zou er anders wel niets bekend worden van zijn … toeëigening en vlucht: zijn vader zou fatsoenshalve alles wel geheim weten te houden—o, hij kende hem genoeg.Nu moest hij dus nog minstens twee en half uur wachten, voordat hij ’t huis uit kon. O, maar als dan een van de dienstboden eens op was … Die waren om zes uur al uit de veeren. Cornelis verwenschte ’t leven in een kleine stad: net als bij de boeren op ’t land—met de kippen naar bed en vóor dag en dauw op! Nu goed, wat zou ’t nog? Als hij een meid of den huisknecht ontmoette, zou hij eenvoudig doen, alsof hij een morgenwandeling ging maken. Dat deed hij immers wel meer. En als zijn vader van zulk een vroeg mensch vernam »dat dejongenheerwas gaan wandelen,” zou hij zich wel niet verwonderd toonen. En al was ’t, van ’t geld zou de oude heer toch nooit iets laten blijken …Cornelis was nog erg jong. ’t Vernis van wereldwijzige aanstellerijen eenmaal weg, bleef er zoo’n droevig beetje echte mannelijke vastberadenheid en handelende voortvarendheid over. Er was een goede kern, maar jong, teer, nog niet tot wasdom gekomen, lang belemmerd daarin door ’t eigenaardig[58]leven van weelde en gemak, de eigenaardigetrainingdie hij in de laatste jaren van zijn vader gehad had.Hij stond een oogenblik in aarzeling. Komaan, ’t beste was maar weer naar zijn kamer terug te gaan, en daar wat te gaan zitten lezen. Als hij dat kòn, lieve Hemel, in den zenuwachtigen toestand waarin hij verkeerde!Wat was die trap nu bizonder donker, zelfs onderaan! De maan scheen door een wolk bedekt, of achter boomen weg te schuilen. Hij zag geen voet vóor zich uit, en vond het noodig een lucifer aan te steken. In eenige luchtige sprongetjes, zonder gedruisch te maken, was hij weldra bij ’t portaal van zijn kamer. De lucifer was uit, en hij smeet ’t verkoolde stompje weg. Onwillekeurig keek hij om. Daar glinsterde een vonk op de tweede trede der bovenste trap. Hij moest nog even terug … als er eens brand kwam … zenuwachtig trapte hij herhaaldelijk op ’t vonkje, veel meer dan noodig was. God, wat was dat! Daar gleed zijn voet over de trede, hij verloor zijn evenwicht en met een geweldigen smak viel hij op ’t middenportaal. Hij voelde even een ontzettende pijn in een van zijn beenen. Daarop trokken vreemde lichtglanzen, groen, rood, paarsch, weer vuurrood voor zijn oogen. Hij duizelde … ’t werd alles pik pikdonker. Toen voelde hij niets meer.[59]

[Inhoud]IV.Cornelis vleugellam.Onze student in de rechten was nu een week te Delmond bij zijn vader. Na de eerste woordenwisseling over »de zaak” waren er ettelijke andere gevolgd, alle kalm begonnen, alle hevighartstochtelijkgeëindigd, terwijl in alle zijn vader bedaard en onverzettelijk bleef. ’t Hersenloozeça ne se fait pas, uit den treure op denzelfden toon herhaald, had Cornelis op ’t laatst razend gemaakt. ’t Einde wasverklaardeoorlog met zijn levengever. Deze bleef lachen, spotten, schouderoptrekken.Cornelis lag in zijn bed. ’t Was drie uur in den nacht: hij kon net op zijn horloge kijken, want de maan scheen helder in zijn kamer. Deze kwam uit op den tuin achter en lag op de eerste verdieping vlak naast die van zijn vader.Hij lag al sinds elf uur in zijn bed … klaar wakker. Wanhopig was hij van ’t avondeten opgestaan na een laatste schermutseling met zijn vader.Hij was er nu mooi aan toe, waarlijk! Geen rooie cent om weg te komen, en dus genoodzaakt te Delmond te blijven, terwijl hij Clarine spreken moest,[51]moest, moest! Hij kon immers niet alles in een brief zetten … En zijn vader wilde hem nu dwingen voorloopig op de plaats te blijven, totdat hij wat gekalmeerd was en die »zottigheden” uit zijn hoofd gezet had.’t Was nu al een week, dat die arme Clarine op tijding wachtte, en dat in haar toestand! Och, ’t was zijn schuld niet: hij had alles in ’t werk willen stellen, om zijn vader tot toestemming over te halen. Moest hij nu nog langer aanhouden, de kans loopen, dat die lamme zaak nog een maand bleef sleepen? En haar ondertusschen schrijven, dat ’t nog wel gaan zou? En als ’tdan ’sniet ging … Nee, bah, dat wàs geen handelen! Maar wat dan? Of hij al wegging, haar opzocht, sprak, de zaak uitlegde en wat niet al, dat eene bleef als een paal boven water: ’t huwelijk was onmogelijk vóor volgend jaar Mei, als hij drie-en-twintig werd. En hoe dan nog nog, als zijn vader bleef weigeren! Idiote wetsbepalingen! Cornelis wenschte, dat hij in Engeland was; ’t scheen, dat hier in Holland iemand van zijn leeftijd nog als een kind werd beschouwd. Dan zeker omdat een Hollander lummelachtiger, minder »leersch” is dan een Engelschman? Dat burgerlijk wetboek haatte hij hardgrondig. »Een samenknoeisel van idioten!” mopperde hij half opgericht in zijn bed »vooral op ’t punt van ’t huwelijk.”De rechtsgeleerde overdenkingen waren spoedig weer verdrongen.Hij stond voor eenfeit: in zijn eigen land was[52]een huwelijk met Clarine Dauteville door zijn vaders houding voor hem onmogelijk.Maar in ’t buitenland dan? In Engeland? Hij zou met haar kunnen vluchten, en dan verder zien wat hij doen kon. Lukte het hem niet in Engeland of in Frankrijk spoedig te trouwen, dan kon hij in allen geval op ’t oogenblik wachten, zonder Clarine’s naam onder haar eigen landgenooten in gevaar te brengen.’t Eenige noodige was hier geld … En medewerking van den ouden Dauteville. Nu, die was wel te krijgen, of zelfs kon hij wel buiten die in ’t ergste geval … Als de man de overtuiging had, dat er niets anders op zat … Cornelis dacht een oogenblik aan de mogelijkheid, dat Dauteville zelf een poging zou wagen, om zijn vader te vermurwen. Zou de vent daartoe in staat zijn? Misschien wel, maar zijn vader zou hem niet willen ontvangen—dat wist hij zeker—en een brief zou immers niets uitwerken.Hoe ’t ook liep, naar den Haag moest hij. En zoo spoedig mogelijk. Dadelijk …Cornelis keek nog eens op zijn horloge, dat vlak vóor hem op ’t nachtkastje lag. Kwart over drie … De eerste trein naar ’t noorden vertrok om een uur of zes. Daar moest hij mee weg, hij mocht niet langer uitstellen.Weer valt hem te binnen, dat hij geen geld heeft. Hij grijpt naar zijn portemonnaie, ook op ’t nachtkastje. In vredesnaam dan maar derde klas,[53]als ’t moet. Cornelis Udoma, juris candidatus, student te Leiden derde klas! Maar zelfs daarvoor blijkt zijn zakgeld ontoereikend. Morgen ochtend geld gaan leenen bij iemand? Stel je voor, hij geldleenen, terwijl iedereen op de plaats wist, dat zijn vader schatrijk was! Wat zou dat een aanleiding tot praatjes wezen! En die wilde hij tot elken prijs vermijden … Bovendien zou dat weer uitstel wezen. Hij zoù met dien eersten trein vertrekken …Cornelis zat op den rand van zijn ledikant, met beide beenen buiten. Hij had een idee.Op zijn teenen sloop hij naar de deur van zijn slaapkamer. Die stond open, als gewoonlijk ’s zomers. Op ’t portaal zag hij dadelijk, dat ook zijn vaders kamerdeur op een kier stond.Wie waagt die wint, en zijn vaders geld was ’t zijne immers, althans dat wat hem toekwam … Hij moest zijn maandgeld hebben—’t was al bijna October. En wat hij nemen zou, was immers niet meer dan die som. Hij had tweehonderd in de maand, en zijn vader had hem nog geen cent gegeven … Maar neen, hij had meer noodig. Wat zou ’t nog?Daar op een tafeltje vóor ’t bed—’t groote welbekende bruinhouten bed met deprachtigeafhangende gordijnen—lagen twee sleutels bij de talrijke zaakjes, die notaris Udoma in zijn broek- en vest- en jaszakken placht te dragen. Cornelis kende ze: de eene moest die van het »kantoor”,[54]de andere die van de brandkast wezen. Er was een nachtlicht, en alles was vrij goed te zien.Hij aarzelde een oogenblik. Achter de zware gordijnen, even openhangend, hoorde hij duidelijk de bedaarde, regelmatige ademhaling zijns vaders: ook die was deftig, als alles van Notaris Udoma. ’t Groote bed deed herinneringen uit Cornelis’ kindsche jaren leven. Wat had hij vaak ’s morgens dien hoogen rand beklommen, om »nog eventjes bij mamaatje onder de wol te kruipen”. Wat had hij vaak binnen die weelderige gordijnen zijn kinderlach doen schateren, zijn onschuldig mondje geroerd …En nu sloop hij naar dat bed om sleutels weg te nemen, als een dief … Hij wàs in onmin met zijn vader, en waagde thans een daad, die hem misschien voor goed van hem zou vervreemden … Och kom, ’t zou zoo’n vaart niet nemen!Cornelis sloot zijn lippen vaster opeen, deed een paar passen vooruit, en strekte de hand naar de twee sleutels uit. Achter ’t gordijn klonk een zucht als van iemand, die ontwaakt. Ademloos stond de jongeman enkele seconden als een beeld in dezelfde houding, de eene hand aan de sleutels. Zijn vader draaide zich om, ’t bed kraakte … Buiten op ’t portaal hoorde hij in de overigens doodsche stilte een geritsel … Muizen, een stukje kalk dat van den wand losliet … Met éen greep had hij de beide sleutels in zijn hand. Een seconde later was hij op ’t portaal.[55]Hij bedacht zich, dat hij ongekleed was.Terug naar zijn kamer. In twee minuten had hij zich gedruischloos aangekleed. Hij deed er anders een half uur over, wasschen inbegrepen.Daar stond hij weer op ’t portaal, met de sleutels in zijn zak. In gedachten nam hij afscheid van zijn vader. Onwillekeurig draaide hij ’t hoofd om, toen hij zich boven aan de trap bevond. Zoo zag hij zijn vader liggen, door de deur had hij juist ’t gezicht op ’t bed. Misschien zag hij hem nooit weer. Toch een nare gedachte! Och, ’t was zijn schuld niet, dat ze zoo scheiden moesten. Waarom niet toegegeven?’t Was pikdonker boven aan de trap. Voorzichtig, stapje voor stapje gleed Cornelis naar beneden; met beide handen hield hij zich aan de gladde houten leuning vast. De bovenste trap had negen treden. ’t Kleine portaaltje over, en dan nog eens negen treden, dan was hij beneden in de ruime marmeren gang.Alles ging goed. De gang was vrij helder verlicht; de maan zond haar stralen door ’t gekleurde glas boven de tuindeur. Toch tastte Cornelis naar lucifers in zijn broekzak. Hij had ze bij zich, als naar gewoonte. Dat was een geruststelling. Met bonzend hart opende hij de zware kantoordeur. Wat was hij zenuwachtig! In ’t kantoor was ’t pikdonker: hij kon niets zien. Een duffe lucht van vocht en paperassen sloeg hem in ’t gelaat. Bevend[56]streek de jonge man een lucifer af. Een helle flikkering door de holle kamer: daar doemden de groote brandkasten met haar onvriendelijk dom voorkomen uit ’t duister op, rechts stond de kolossale secrétaire en de schrijftafel van zijn vader met de rij wetboeken er boven op, netjes geschikt, de duffe donkere stoelen met leeren zittingen, de schrijftafels van den candidaat-notaris en den klerk. Aan den wand kaarten, lijsten, onsmakelijke almanakken, alles duf en somber deftig over dag, in ’t flikkerend schijnsel grafkelderachtig.Daar stond een blaker met een eind kaars op zijn vaders schrijftafel. De eerste lucifer brandde op. Cornelis knipte ’t overgebleven stukje driftig weg: hij had zich in de vingers gebrand. Een tweede lucifer. Met den blaker naar de eene brandkast. Daarin lag papieren geld, dat wist hij. De brandkast gaapte, en toonde zijn dikke metalen lippen. Uit de grijnzende opening haalde Cornelis een handvol bankpapier.Even nageteld: alles bankbiljetten van vijf en twintig, tien stuks. Goed zoo, dat was genoeg. Zorgvuldig ’t logge ding weer gesloten. Hij moest er twee rukken aan geven. Wat beefde hij! En waarom meende hij niet te begrijpen.Ziezoo, nu de blaker weer op zijn plaats, de kaars uitgeblazen, een lucifer aangestoken. Deur van buiten weer gesloten. Een zucht van verlichting ontsnapte Cornelis’ borst. ’t Was gebeurd. Wat nu![57]»Ezel!” mompelde hij op eens. Hij had vergeten, dat het nog zoo vroeg was. Hij kon immers onmogelijk om half vier aan ’t station komen. Dan zou er zeker »gekletst” worden. Als hij ’t handig aanlegde, zou er anders wel niets bekend worden van zijn … toeëigening en vlucht: zijn vader zou fatsoenshalve alles wel geheim weten te houden—o, hij kende hem genoeg.Nu moest hij dus nog minstens twee en half uur wachten, voordat hij ’t huis uit kon. O, maar als dan een van de dienstboden eens op was … Die waren om zes uur al uit de veeren. Cornelis verwenschte ’t leven in een kleine stad: net als bij de boeren op ’t land—met de kippen naar bed en vóor dag en dauw op! Nu goed, wat zou ’t nog? Als hij een meid of den huisknecht ontmoette, zou hij eenvoudig doen, alsof hij een morgenwandeling ging maken. Dat deed hij immers wel meer. En als zijn vader van zulk een vroeg mensch vernam »dat dejongenheerwas gaan wandelen,” zou hij zich wel niet verwonderd toonen. En al was ’t, van ’t geld zou de oude heer toch nooit iets laten blijken …Cornelis was nog erg jong. ’t Vernis van wereldwijzige aanstellerijen eenmaal weg, bleef er zoo’n droevig beetje echte mannelijke vastberadenheid en handelende voortvarendheid over. Er was een goede kern, maar jong, teer, nog niet tot wasdom gekomen, lang belemmerd daarin door ’t eigenaardig[58]leven van weelde en gemak, de eigenaardigetrainingdie hij in de laatste jaren van zijn vader gehad had.Hij stond een oogenblik in aarzeling. Komaan, ’t beste was maar weer naar zijn kamer terug te gaan, en daar wat te gaan zitten lezen. Als hij dat kòn, lieve Hemel, in den zenuwachtigen toestand waarin hij verkeerde!Wat was die trap nu bizonder donker, zelfs onderaan! De maan scheen door een wolk bedekt, of achter boomen weg te schuilen. Hij zag geen voet vóor zich uit, en vond het noodig een lucifer aan te steken. In eenige luchtige sprongetjes, zonder gedruisch te maken, was hij weldra bij ’t portaal van zijn kamer. De lucifer was uit, en hij smeet ’t verkoolde stompje weg. Onwillekeurig keek hij om. Daar glinsterde een vonk op de tweede trede der bovenste trap. Hij moest nog even terug … als er eens brand kwam … zenuwachtig trapte hij herhaaldelijk op ’t vonkje, veel meer dan noodig was. God, wat was dat! Daar gleed zijn voet over de trede, hij verloor zijn evenwicht en met een geweldigen smak viel hij op ’t middenportaal. Hij voelde even een ontzettende pijn in een van zijn beenen. Daarop trokken vreemde lichtglanzen, groen, rood, paarsch, weer vuurrood voor zijn oogen. Hij duizelde … ’t werd alles pik pikdonker. Toen voelde hij niets meer.[59]

IV.Cornelis vleugellam.

Onze student in de rechten was nu een week te Delmond bij zijn vader. Na de eerste woordenwisseling over »de zaak” waren er ettelijke andere gevolgd, alle kalm begonnen, alle hevighartstochtelijkgeëindigd, terwijl in alle zijn vader bedaard en onverzettelijk bleef. ’t Hersenloozeça ne se fait pas, uit den treure op denzelfden toon herhaald, had Cornelis op ’t laatst razend gemaakt. ’t Einde wasverklaardeoorlog met zijn levengever. Deze bleef lachen, spotten, schouderoptrekken.Cornelis lag in zijn bed. ’t Was drie uur in den nacht: hij kon net op zijn horloge kijken, want de maan scheen helder in zijn kamer. Deze kwam uit op den tuin achter en lag op de eerste verdieping vlak naast die van zijn vader.Hij lag al sinds elf uur in zijn bed … klaar wakker. Wanhopig was hij van ’t avondeten opgestaan na een laatste schermutseling met zijn vader.Hij was er nu mooi aan toe, waarlijk! Geen rooie cent om weg te komen, en dus genoodzaakt te Delmond te blijven, terwijl hij Clarine spreken moest,[51]moest, moest! Hij kon immers niet alles in een brief zetten … En zijn vader wilde hem nu dwingen voorloopig op de plaats te blijven, totdat hij wat gekalmeerd was en die »zottigheden” uit zijn hoofd gezet had.’t Was nu al een week, dat die arme Clarine op tijding wachtte, en dat in haar toestand! Och, ’t was zijn schuld niet: hij had alles in ’t werk willen stellen, om zijn vader tot toestemming over te halen. Moest hij nu nog langer aanhouden, de kans loopen, dat die lamme zaak nog een maand bleef sleepen? En haar ondertusschen schrijven, dat ’t nog wel gaan zou? En als ’tdan ’sniet ging … Nee, bah, dat wàs geen handelen! Maar wat dan? Of hij al wegging, haar opzocht, sprak, de zaak uitlegde en wat niet al, dat eene bleef als een paal boven water: ’t huwelijk was onmogelijk vóor volgend jaar Mei, als hij drie-en-twintig werd. En hoe dan nog nog, als zijn vader bleef weigeren! Idiote wetsbepalingen! Cornelis wenschte, dat hij in Engeland was; ’t scheen, dat hier in Holland iemand van zijn leeftijd nog als een kind werd beschouwd. Dan zeker omdat een Hollander lummelachtiger, minder »leersch” is dan een Engelschman? Dat burgerlijk wetboek haatte hij hardgrondig. »Een samenknoeisel van idioten!” mopperde hij half opgericht in zijn bed »vooral op ’t punt van ’t huwelijk.”De rechtsgeleerde overdenkingen waren spoedig weer verdrongen.Hij stond voor eenfeit: in zijn eigen land was[52]een huwelijk met Clarine Dauteville door zijn vaders houding voor hem onmogelijk.Maar in ’t buitenland dan? In Engeland? Hij zou met haar kunnen vluchten, en dan verder zien wat hij doen kon. Lukte het hem niet in Engeland of in Frankrijk spoedig te trouwen, dan kon hij in allen geval op ’t oogenblik wachten, zonder Clarine’s naam onder haar eigen landgenooten in gevaar te brengen.’t Eenige noodige was hier geld … En medewerking van den ouden Dauteville. Nu, die was wel te krijgen, of zelfs kon hij wel buiten die in ’t ergste geval … Als de man de overtuiging had, dat er niets anders op zat … Cornelis dacht een oogenblik aan de mogelijkheid, dat Dauteville zelf een poging zou wagen, om zijn vader te vermurwen. Zou de vent daartoe in staat zijn? Misschien wel, maar zijn vader zou hem niet willen ontvangen—dat wist hij zeker—en een brief zou immers niets uitwerken.Hoe ’t ook liep, naar den Haag moest hij. En zoo spoedig mogelijk. Dadelijk …Cornelis keek nog eens op zijn horloge, dat vlak vóor hem op ’t nachtkastje lag. Kwart over drie … De eerste trein naar ’t noorden vertrok om een uur of zes. Daar moest hij mee weg, hij mocht niet langer uitstellen.Weer valt hem te binnen, dat hij geen geld heeft. Hij grijpt naar zijn portemonnaie, ook op ’t nachtkastje. In vredesnaam dan maar derde klas,[53]als ’t moet. Cornelis Udoma, juris candidatus, student te Leiden derde klas! Maar zelfs daarvoor blijkt zijn zakgeld ontoereikend. Morgen ochtend geld gaan leenen bij iemand? Stel je voor, hij geldleenen, terwijl iedereen op de plaats wist, dat zijn vader schatrijk was! Wat zou dat een aanleiding tot praatjes wezen! En die wilde hij tot elken prijs vermijden … Bovendien zou dat weer uitstel wezen. Hij zoù met dien eersten trein vertrekken …Cornelis zat op den rand van zijn ledikant, met beide beenen buiten. Hij had een idee.Op zijn teenen sloop hij naar de deur van zijn slaapkamer. Die stond open, als gewoonlijk ’s zomers. Op ’t portaal zag hij dadelijk, dat ook zijn vaders kamerdeur op een kier stond.Wie waagt die wint, en zijn vaders geld was ’t zijne immers, althans dat wat hem toekwam … Hij moest zijn maandgeld hebben—’t was al bijna October. En wat hij nemen zou, was immers niet meer dan die som. Hij had tweehonderd in de maand, en zijn vader had hem nog geen cent gegeven … Maar neen, hij had meer noodig. Wat zou ’t nog?Daar op een tafeltje vóor ’t bed—’t groote welbekende bruinhouten bed met deprachtigeafhangende gordijnen—lagen twee sleutels bij de talrijke zaakjes, die notaris Udoma in zijn broek- en vest- en jaszakken placht te dragen. Cornelis kende ze: de eene moest die van het »kantoor”,[54]de andere die van de brandkast wezen. Er was een nachtlicht, en alles was vrij goed te zien.Hij aarzelde een oogenblik. Achter de zware gordijnen, even openhangend, hoorde hij duidelijk de bedaarde, regelmatige ademhaling zijns vaders: ook die was deftig, als alles van Notaris Udoma. ’t Groote bed deed herinneringen uit Cornelis’ kindsche jaren leven. Wat had hij vaak ’s morgens dien hoogen rand beklommen, om »nog eventjes bij mamaatje onder de wol te kruipen”. Wat had hij vaak binnen die weelderige gordijnen zijn kinderlach doen schateren, zijn onschuldig mondje geroerd …En nu sloop hij naar dat bed om sleutels weg te nemen, als een dief … Hij wàs in onmin met zijn vader, en waagde thans een daad, die hem misschien voor goed van hem zou vervreemden … Och kom, ’t zou zoo’n vaart niet nemen!Cornelis sloot zijn lippen vaster opeen, deed een paar passen vooruit, en strekte de hand naar de twee sleutels uit. Achter ’t gordijn klonk een zucht als van iemand, die ontwaakt. Ademloos stond de jongeman enkele seconden als een beeld in dezelfde houding, de eene hand aan de sleutels. Zijn vader draaide zich om, ’t bed kraakte … Buiten op ’t portaal hoorde hij in de overigens doodsche stilte een geritsel … Muizen, een stukje kalk dat van den wand losliet … Met éen greep had hij de beide sleutels in zijn hand. Een seconde later was hij op ’t portaal.[55]Hij bedacht zich, dat hij ongekleed was.Terug naar zijn kamer. In twee minuten had hij zich gedruischloos aangekleed. Hij deed er anders een half uur over, wasschen inbegrepen.Daar stond hij weer op ’t portaal, met de sleutels in zijn zak. In gedachten nam hij afscheid van zijn vader. Onwillekeurig draaide hij ’t hoofd om, toen hij zich boven aan de trap bevond. Zoo zag hij zijn vader liggen, door de deur had hij juist ’t gezicht op ’t bed. Misschien zag hij hem nooit weer. Toch een nare gedachte! Och, ’t was zijn schuld niet, dat ze zoo scheiden moesten. Waarom niet toegegeven?’t Was pikdonker boven aan de trap. Voorzichtig, stapje voor stapje gleed Cornelis naar beneden; met beide handen hield hij zich aan de gladde houten leuning vast. De bovenste trap had negen treden. ’t Kleine portaaltje over, en dan nog eens negen treden, dan was hij beneden in de ruime marmeren gang.Alles ging goed. De gang was vrij helder verlicht; de maan zond haar stralen door ’t gekleurde glas boven de tuindeur. Toch tastte Cornelis naar lucifers in zijn broekzak. Hij had ze bij zich, als naar gewoonte. Dat was een geruststelling. Met bonzend hart opende hij de zware kantoordeur. Wat was hij zenuwachtig! In ’t kantoor was ’t pikdonker: hij kon niets zien. Een duffe lucht van vocht en paperassen sloeg hem in ’t gelaat. Bevend[56]streek de jonge man een lucifer af. Een helle flikkering door de holle kamer: daar doemden de groote brandkasten met haar onvriendelijk dom voorkomen uit ’t duister op, rechts stond de kolossale secrétaire en de schrijftafel van zijn vader met de rij wetboeken er boven op, netjes geschikt, de duffe donkere stoelen met leeren zittingen, de schrijftafels van den candidaat-notaris en den klerk. Aan den wand kaarten, lijsten, onsmakelijke almanakken, alles duf en somber deftig over dag, in ’t flikkerend schijnsel grafkelderachtig.Daar stond een blaker met een eind kaars op zijn vaders schrijftafel. De eerste lucifer brandde op. Cornelis knipte ’t overgebleven stukje driftig weg: hij had zich in de vingers gebrand. Een tweede lucifer. Met den blaker naar de eene brandkast. Daarin lag papieren geld, dat wist hij. De brandkast gaapte, en toonde zijn dikke metalen lippen. Uit de grijnzende opening haalde Cornelis een handvol bankpapier.Even nageteld: alles bankbiljetten van vijf en twintig, tien stuks. Goed zoo, dat was genoeg. Zorgvuldig ’t logge ding weer gesloten. Hij moest er twee rukken aan geven. Wat beefde hij! En waarom meende hij niet te begrijpen.Ziezoo, nu de blaker weer op zijn plaats, de kaars uitgeblazen, een lucifer aangestoken. Deur van buiten weer gesloten. Een zucht van verlichting ontsnapte Cornelis’ borst. ’t Was gebeurd. Wat nu![57]»Ezel!” mompelde hij op eens. Hij had vergeten, dat het nog zoo vroeg was. Hij kon immers onmogelijk om half vier aan ’t station komen. Dan zou er zeker »gekletst” worden. Als hij ’t handig aanlegde, zou er anders wel niets bekend worden van zijn … toeëigening en vlucht: zijn vader zou fatsoenshalve alles wel geheim weten te houden—o, hij kende hem genoeg.Nu moest hij dus nog minstens twee en half uur wachten, voordat hij ’t huis uit kon. O, maar als dan een van de dienstboden eens op was … Die waren om zes uur al uit de veeren. Cornelis verwenschte ’t leven in een kleine stad: net als bij de boeren op ’t land—met de kippen naar bed en vóor dag en dauw op! Nu goed, wat zou ’t nog? Als hij een meid of den huisknecht ontmoette, zou hij eenvoudig doen, alsof hij een morgenwandeling ging maken. Dat deed hij immers wel meer. En als zijn vader van zulk een vroeg mensch vernam »dat dejongenheerwas gaan wandelen,” zou hij zich wel niet verwonderd toonen. En al was ’t, van ’t geld zou de oude heer toch nooit iets laten blijken …Cornelis was nog erg jong. ’t Vernis van wereldwijzige aanstellerijen eenmaal weg, bleef er zoo’n droevig beetje echte mannelijke vastberadenheid en handelende voortvarendheid over. Er was een goede kern, maar jong, teer, nog niet tot wasdom gekomen, lang belemmerd daarin door ’t eigenaardig[58]leven van weelde en gemak, de eigenaardigetrainingdie hij in de laatste jaren van zijn vader gehad had.Hij stond een oogenblik in aarzeling. Komaan, ’t beste was maar weer naar zijn kamer terug te gaan, en daar wat te gaan zitten lezen. Als hij dat kòn, lieve Hemel, in den zenuwachtigen toestand waarin hij verkeerde!Wat was die trap nu bizonder donker, zelfs onderaan! De maan scheen door een wolk bedekt, of achter boomen weg te schuilen. Hij zag geen voet vóor zich uit, en vond het noodig een lucifer aan te steken. In eenige luchtige sprongetjes, zonder gedruisch te maken, was hij weldra bij ’t portaal van zijn kamer. De lucifer was uit, en hij smeet ’t verkoolde stompje weg. Onwillekeurig keek hij om. Daar glinsterde een vonk op de tweede trede der bovenste trap. Hij moest nog even terug … als er eens brand kwam … zenuwachtig trapte hij herhaaldelijk op ’t vonkje, veel meer dan noodig was. God, wat was dat! Daar gleed zijn voet over de trede, hij verloor zijn evenwicht en met een geweldigen smak viel hij op ’t middenportaal. Hij voelde even een ontzettende pijn in een van zijn beenen. Daarop trokken vreemde lichtglanzen, groen, rood, paarsch, weer vuurrood voor zijn oogen. Hij duizelde … ’t werd alles pik pikdonker. Toen voelde hij niets meer.[59]

Onze student in de rechten was nu een week te Delmond bij zijn vader. Na de eerste woordenwisseling over »de zaak” waren er ettelijke andere gevolgd, alle kalm begonnen, alle hevighartstochtelijkgeëindigd, terwijl in alle zijn vader bedaard en onverzettelijk bleef. ’t Hersenloozeça ne se fait pas, uit den treure op denzelfden toon herhaald, had Cornelis op ’t laatst razend gemaakt. ’t Einde wasverklaardeoorlog met zijn levengever. Deze bleef lachen, spotten, schouderoptrekken.

Cornelis lag in zijn bed. ’t Was drie uur in den nacht: hij kon net op zijn horloge kijken, want de maan scheen helder in zijn kamer. Deze kwam uit op den tuin achter en lag op de eerste verdieping vlak naast die van zijn vader.

Hij lag al sinds elf uur in zijn bed … klaar wakker. Wanhopig was hij van ’t avondeten opgestaan na een laatste schermutseling met zijn vader.

Hij was er nu mooi aan toe, waarlijk! Geen rooie cent om weg te komen, en dus genoodzaakt te Delmond te blijven, terwijl hij Clarine spreken moest,[51]moest, moest! Hij kon immers niet alles in een brief zetten … En zijn vader wilde hem nu dwingen voorloopig op de plaats te blijven, totdat hij wat gekalmeerd was en die »zottigheden” uit zijn hoofd gezet had.

’t Was nu al een week, dat die arme Clarine op tijding wachtte, en dat in haar toestand! Och, ’t was zijn schuld niet: hij had alles in ’t werk willen stellen, om zijn vader tot toestemming over te halen. Moest hij nu nog langer aanhouden, de kans loopen, dat die lamme zaak nog een maand bleef sleepen? En haar ondertusschen schrijven, dat ’t nog wel gaan zou? En als ’tdan ’sniet ging … Nee, bah, dat wàs geen handelen! Maar wat dan? Of hij al wegging, haar opzocht, sprak, de zaak uitlegde en wat niet al, dat eene bleef als een paal boven water: ’t huwelijk was onmogelijk vóor volgend jaar Mei, als hij drie-en-twintig werd. En hoe dan nog nog, als zijn vader bleef weigeren! Idiote wetsbepalingen! Cornelis wenschte, dat hij in Engeland was; ’t scheen, dat hier in Holland iemand van zijn leeftijd nog als een kind werd beschouwd. Dan zeker omdat een Hollander lummelachtiger, minder »leersch” is dan een Engelschman? Dat burgerlijk wetboek haatte hij hardgrondig. »Een samenknoeisel van idioten!” mopperde hij half opgericht in zijn bed »vooral op ’t punt van ’t huwelijk.”

De rechtsgeleerde overdenkingen waren spoedig weer verdrongen.

Hij stond voor eenfeit: in zijn eigen land was[52]een huwelijk met Clarine Dauteville door zijn vaders houding voor hem onmogelijk.Maar in ’t buitenland dan? In Engeland? Hij zou met haar kunnen vluchten, en dan verder zien wat hij doen kon. Lukte het hem niet in Engeland of in Frankrijk spoedig te trouwen, dan kon hij in allen geval op ’t oogenblik wachten, zonder Clarine’s naam onder haar eigen landgenooten in gevaar te brengen.

’t Eenige noodige was hier geld … En medewerking van den ouden Dauteville. Nu, die was wel te krijgen, of zelfs kon hij wel buiten die in ’t ergste geval … Als de man de overtuiging had, dat er niets anders op zat … Cornelis dacht een oogenblik aan de mogelijkheid, dat Dauteville zelf een poging zou wagen, om zijn vader te vermurwen. Zou de vent daartoe in staat zijn? Misschien wel, maar zijn vader zou hem niet willen ontvangen—dat wist hij zeker—en een brief zou immers niets uitwerken.

Hoe ’t ook liep, naar den Haag moest hij. En zoo spoedig mogelijk. Dadelijk …

Cornelis keek nog eens op zijn horloge, dat vlak vóor hem op ’t nachtkastje lag. Kwart over drie … De eerste trein naar ’t noorden vertrok om een uur of zes. Daar moest hij mee weg, hij mocht niet langer uitstellen.

Weer valt hem te binnen, dat hij geen geld heeft. Hij grijpt naar zijn portemonnaie, ook op ’t nachtkastje. In vredesnaam dan maar derde klas,[53]als ’t moet. Cornelis Udoma, juris candidatus, student te Leiden derde klas! Maar zelfs daarvoor blijkt zijn zakgeld ontoereikend. Morgen ochtend geld gaan leenen bij iemand? Stel je voor, hij geldleenen, terwijl iedereen op de plaats wist, dat zijn vader schatrijk was! Wat zou dat een aanleiding tot praatjes wezen! En die wilde hij tot elken prijs vermijden … Bovendien zou dat weer uitstel wezen. Hij zoù met dien eersten trein vertrekken …

Cornelis zat op den rand van zijn ledikant, met beide beenen buiten. Hij had een idee.

Op zijn teenen sloop hij naar de deur van zijn slaapkamer. Die stond open, als gewoonlijk ’s zomers. Op ’t portaal zag hij dadelijk, dat ook zijn vaders kamerdeur op een kier stond.

Wie waagt die wint, en zijn vaders geld was ’t zijne immers, althans dat wat hem toekwam … Hij moest zijn maandgeld hebben—’t was al bijna October. En wat hij nemen zou, was immers niet meer dan die som. Hij had tweehonderd in de maand, en zijn vader had hem nog geen cent gegeven … Maar neen, hij had meer noodig. Wat zou ’t nog?

Daar op een tafeltje vóor ’t bed—’t groote welbekende bruinhouten bed met deprachtigeafhangende gordijnen—lagen twee sleutels bij de talrijke zaakjes, die notaris Udoma in zijn broek- en vest- en jaszakken placht te dragen. Cornelis kende ze: de eene moest die van het »kantoor”,[54]de andere die van de brandkast wezen. Er was een nachtlicht, en alles was vrij goed te zien.

Hij aarzelde een oogenblik. Achter de zware gordijnen, even openhangend, hoorde hij duidelijk de bedaarde, regelmatige ademhaling zijns vaders: ook die was deftig, als alles van Notaris Udoma. ’t Groote bed deed herinneringen uit Cornelis’ kindsche jaren leven. Wat had hij vaak ’s morgens dien hoogen rand beklommen, om »nog eventjes bij mamaatje onder de wol te kruipen”. Wat had hij vaak binnen die weelderige gordijnen zijn kinderlach doen schateren, zijn onschuldig mondje geroerd …

En nu sloop hij naar dat bed om sleutels weg te nemen, als een dief … Hij wàs in onmin met zijn vader, en waagde thans een daad, die hem misschien voor goed van hem zou vervreemden … Och kom, ’t zou zoo’n vaart niet nemen!

Cornelis sloot zijn lippen vaster opeen, deed een paar passen vooruit, en strekte de hand naar de twee sleutels uit. Achter ’t gordijn klonk een zucht als van iemand, die ontwaakt. Ademloos stond de jongeman enkele seconden als een beeld in dezelfde houding, de eene hand aan de sleutels. Zijn vader draaide zich om, ’t bed kraakte … Buiten op ’t portaal hoorde hij in de overigens doodsche stilte een geritsel … Muizen, een stukje kalk dat van den wand losliet … Met éen greep had hij de beide sleutels in zijn hand. Een seconde later was hij op ’t portaal.[55]

Hij bedacht zich, dat hij ongekleed was.

Terug naar zijn kamer. In twee minuten had hij zich gedruischloos aangekleed. Hij deed er anders een half uur over, wasschen inbegrepen.

Daar stond hij weer op ’t portaal, met de sleutels in zijn zak. In gedachten nam hij afscheid van zijn vader. Onwillekeurig draaide hij ’t hoofd om, toen hij zich boven aan de trap bevond. Zoo zag hij zijn vader liggen, door de deur had hij juist ’t gezicht op ’t bed. Misschien zag hij hem nooit weer. Toch een nare gedachte! Och, ’t was zijn schuld niet, dat ze zoo scheiden moesten. Waarom niet toegegeven?

’t Was pikdonker boven aan de trap. Voorzichtig, stapje voor stapje gleed Cornelis naar beneden; met beide handen hield hij zich aan de gladde houten leuning vast. De bovenste trap had negen treden. ’t Kleine portaaltje over, en dan nog eens negen treden, dan was hij beneden in de ruime marmeren gang.

Alles ging goed. De gang was vrij helder verlicht; de maan zond haar stralen door ’t gekleurde glas boven de tuindeur. Toch tastte Cornelis naar lucifers in zijn broekzak. Hij had ze bij zich, als naar gewoonte. Dat was een geruststelling. Met bonzend hart opende hij de zware kantoordeur. Wat was hij zenuwachtig! In ’t kantoor was ’t pikdonker: hij kon niets zien. Een duffe lucht van vocht en paperassen sloeg hem in ’t gelaat. Bevend[56]streek de jonge man een lucifer af. Een helle flikkering door de holle kamer: daar doemden de groote brandkasten met haar onvriendelijk dom voorkomen uit ’t duister op, rechts stond de kolossale secrétaire en de schrijftafel van zijn vader met de rij wetboeken er boven op, netjes geschikt, de duffe donkere stoelen met leeren zittingen, de schrijftafels van den candidaat-notaris en den klerk. Aan den wand kaarten, lijsten, onsmakelijke almanakken, alles duf en somber deftig over dag, in ’t flikkerend schijnsel grafkelderachtig.

Daar stond een blaker met een eind kaars op zijn vaders schrijftafel. De eerste lucifer brandde op. Cornelis knipte ’t overgebleven stukje driftig weg: hij had zich in de vingers gebrand. Een tweede lucifer. Met den blaker naar de eene brandkast. Daarin lag papieren geld, dat wist hij. De brandkast gaapte, en toonde zijn dikke metalen lippen. Uit de grijnzende opening haalde Cornelis een handvol bankpapier.

Even nageteld: alles bankbiljetten van vijf en twintig, tien stuks. Goed zoo, dat was genoeg. Zorgvuldig ’t logge ding weer gesloten. Hij moest er twee rukken aan geven. Wat beefde hij! En waarom meende hij niet te begrijpen.

Ziezoo, nu de blaker weer op zijn plaats, de kaars uitgeblazen, een lucifer aangestoken. Deur van buiten weer gesloten. Een zucht van verlichting ontsnapte Cornelis’ borst. ’t Was gebeurd. Wat nu![57]

»Ezel!” mompelde hij op eens. Hij had vergeten, dat het nog zoo vroeg was. Hij kon immers onmogelijk om half vier aan ’t station komen. Dan zou er zeker »gekletst” worden. Als hij ’t handig aanlegde, zou er anders wel niets bekend worden van zijn … toeëigening en vlucht: zijn vader zou fatsoenshalve alles wel geheim weten te houden—o, hij kende hem genoeg.

Nu moest hij dus nog minstens twee en half uur wachten, voordat hij ’t huis uit kon. O, maar als dan een van de dienstboden eens op was … Die waren om zes uur al uit de veeren. Cornelis verwenschte ’t leven in een kleine stad: net als bij de boeren op ’t land—met de kippen naar bed en vóor dag en dauw op! Nu goed, wat zou ’t nog? Als hij een meid of den huisknecht ontmoette, zou hij eenvoudig doen, alsof hij een morgenwandeling ging maken. Dat deed hij immers wel meer. En als zijn vader van zulk een vroeg mensch vernam »dat dejongenheerwas gaan wandelen,” zou hij zich wel niet verwonderd toonen. En al was ’t, van ’t geld zou de oude heer toch nooit iets laten blijken …

Cornelis was nog erg jong. ’t Vernis van wereldwijzige aanstellerijen eenmaal weg, bleef er zoo’n droevig beetje echte mannelijke vastberadenheid en handelende voortvarendheid over. Er was een goede kern, maar jong, teer, nog niet tot wasdom gekomen, lang belemmerd daarin door ’t eigenaardig[58]leven van weelde en gemak, de eigenaardigetrainingdie hij in de laatste jaren van zijn vader gehad had.

Hij stond een oogenblik in aarzeling. Komaan, ’t beste was maar weer naar zijn kamer terug te gaan, en daar wat te gaan zitten lezen. Als hij dat kòn, lieve Hemel, in den zenuwachtigen toestand waarin hij verkeerde!

Wat was die trap nu bizonder donker, zelfs onderaan! De maan scheen door een wolk bedekt, of achter boomen weg te schuilen. Hij zag geen voet vóor zich uit, en vond het noodig een lucifer aan te steken. In eenige luchtige sprongetjes, zonder gedruisch te maken, was hij weldra bij ’t portaal van zijn kamer. De lucifer was uit, en hij smeet ’t verkoolde stompje weg. Onwillekeurig keek hij om. Daar glinsterde een vonk op de tweede trede der bovenste trap. Hij moest nog even terug … als er eens brand kwam … zenuwachtig trapte hij herhaaldelijk op ’t vonkje, veel meer dan noodig was. God, wat was dat! Daar gleed zijn voet over de trede, hij verloor zijn evenwicht en met een geweldigen smak viel hij op ’t middenportaal. Hij voelde even een ontzettende pijn in een van zijn beenen. Daarop trokken vreemde lichtglanzen, groen, rood, paarsch, weer vuurrood voor zijn oogen. Hij duizelde … ’t werd alles pik pikdonker. Toen voelde hij niets meer.[59]


Back to IndexNext