[Inhoud]ACHTSTE HOOFDSTUK.De ontvangst bij de Bruce’s.’s Avonds kleedde zich Voirey, nam een wagen en reed naar de Bruce’s.Het was donker voor. De oude heer liep heen en weêr in zijn kamer en zuchtte. Welk een soesah! ’t Was om er gek van te worden! Wat zat hem die Weeskamer dwars! Die maalde hem aan het hoofd over inventarissen en andere paperassen, en dááraan was hij geheel ontwend. Hij werd bleek van schrik, als hij iemand het erf zag opkomen met een portefeuille onder den arm. „Dat is er zeker weêr een van de Weeskamer,” dacht hij dan; het denkbeeld occupeerde hem zoo sterk, dat hij den dood van zijn vrouw er geheel door vergat. En dat alles, zoo redeneerde zijn onvergankelijk egoïsme, voor niemendal. Want hijzelf was weêr gewoon teruggebracht tot zijn pensioentje; geen duit kreeg hij, en nu mocht hij het werk doen! Een ware schande!Leentje was boven op haar moeders kamer. Zij had een[93]kast opengemaakt en snuffelde er zoo’n beetje in. En terwijl ze keek in oude, geel geworden stukjes papier, in geheimzinnige pakjes, tusschen sachets zonder geur, en zilveren doosjes zonder glans, met fijne haarvlokjes hier en eerst gewisselde kindertandjes dáár,—was het of haar ’n beeld van het goed en eenzaam leven harer moeder langs de oogen gleed; het leven vol liefde; zorg en opoffering voor haar huisgezin en haar kinderen; het leven, zoo goed geweest, en onder zoo’n schrikkelijk lijden geëindigd! Nu en dan, terwijl ze bezig was een haar bekend of onbekend souvenir onder het schijnsel der lamp te bekijken, schrikte ze plotseling op; dan kreeg haar de macht der gewoonte, en was het voor haar gehoor ’n oogenblik alsof door de kamer nog het klagend, fluitend geluid zweefde van de steunende ademhaling harer moeder.Beneden in de achtergalerij leerden de kinderen hun les voor school, alsof er niets was gebeurd. Nu en dan babbelden zij over de begrafenis; ze hadden verschil over het aantal rijtuigen, en zij zouden er om gevochten hebben, als ze hadden gedurfd. Nu durfden ze niet, maar keken elkaar aan met woedende blikken, en trapten elkaar stilletjes onder de tafel met hun bloote voeten.De groote jongens zaten in het kleine galerijtje voor het paviljoen, dat ze bewoonden, samen, in het donker in nachtbroek en kabaai, de voeten hoog op het hekje, een pijp te rooken.Zij bespraken wat hun te doen stond, zij hielden in ’t geheel niet van hun vader. Sedert zij zelf een tractement verdienden op hun kantoren, en dat met goedige eerlijkheid[94]trouw aan Lena verantwoordden, was hun afkeer van den vader toegenomen. Ze kwamen wel niet tegen hem in opstand, maar ze behandelden hem met de grootste onverschilligheid en wisselden haast geen woord met hem. Doch onder elkaar praatten zij over hem en ze waren reeds zóóver, dat ze hem dan aanduidden met den hoogst oneerbiedigen naam van „opvreter.” Zij hielden nu een ernstige discussie, zachtjes, de stoelen dicht bij elkaar; en ze kwamen tot de slotsom, dat ze bij den opvreter niet wilden blijven. Maar Leen dan? Daar zwegen ze op: ze wilden het voor elkaar niet weten; ze waren nooit heel lief voor Lena, er was geen zweem van vertoon of aanstellerij, integendeel. Doch de gedachte aan haar verdreef toch ineens alle plannen voor een vrije levenswijze in de naaste toekomst.De bediende had bij Bruce aan de deur getikt; er wastamoe.„Zijn het dames?”„Neen, een heer alleen.”„Is het een bekende heer?”„Neen een vreemde meneer, met ’n zwarte jas aan.”Een naar gevoel overviel Bruce; wie weet of dat weer niet zoo’n beroerde kerel van de Weeskamer was! Dat dreigde zijn cauchemar te worden.Maar een van de kinderen, die iets had gehoord, was naar naar voren geloopen en bracht nu een kaartje met „Jan Voirey, ingenieur” er op.Stil bekeek Bruce het. Hij vertrouwde het niet. Iedereen kan wel ’t woord „ingenieur” op ’n kaartje laten drukken; hij, oud-ambtenaar, erkende geen ingenieurs, dan die behoorlijk[95]van Regeeringswege waren aangesteld. De rest was maar larie. Wat kan me die vent schelen. Het was er waarschijnlijk een die kwam om te halen; daarvoor toch alleen kwam iedereen naar de-n-Oost.„Laat maar ’n lamp aansteken,” zei hij zuchtend, en ging terug in zijn kamer om zich te kleeden. Doch hij bedacht zich. Waarom zooveel complimenten tegenover een neef van de vrouw, die hem niet eens haar vermogen of een deel daarvan had nagelaten? Bij die gedachte smeet hij met kracht zijn schoonen witten pantalon weer in de kast, en zijn gekreukte kabaja wat recht trekkend ging hij naar voren.„Je bent ’n neef van mijn overleden vrouw, hè?” zei Bruce op een toon alsof hij dat kwalijk nam.„Ja. Ik kom hier onder ongunstige omstandigheden.”Daar heb je het gedonder al! dacht Bruce die, nu hij er zoo kaal was afgekomen, aan niets kon denken dan aan geld; en knorrig zei hij, met ’n onbeleefde halve omwending en driftig, ’n beetje stotterend:„Ja, hoor eens; u moet me niet kwalijk nemen, maar ik kan daar niets aan doen.”„Neen, dat begrijp ik,” zei Voirey, verbaasd, niet wetend wat die onvriendelijke uitval beduiden moest.„Als je dat dan maar begrijpt. Het is hier ook niet alles!”Maar dat begreep de ingenieur nu weer niet.„Hoe bedoelt u dat?” vroeg hij.„Me dunkt, dat het nogal duidelijk is; ik houd er niet van de menschen te doen gelooven, dat ze van ons iets te wachten hebben.”[96]Voirey begon nu te begrijpen; hij lachte weer stilletjes op zijn bijzondere manier, zijn mond van den eenen kant naar den anderen trekkend als stond hij wijn te proeven als een keurder van het vak.„Ik had gedacht,” zei hij, „dat u me uit de verlegenheid zoudt kunnen helpen.”„Daar is geen quaestie van. Waarom ben je niet in Holland gebleven of in Amerika?… Je hadt ergens anders wel een betrekking kunnen zoeken. Je hebt zeker gedacht, dat het hier de „zoete inval” was.”„Ja, dat dacht ik zoo.”Daar stond Bruce gek van te kijken. In elke richting was er boven zekere grens iets, waardoor hij overbluft werd. Deze verregaande onbeschaamdheid zette hem schaakmat, en hij was blij, dat Lena in de voorgalerij kwam om hem te verlossen van eentête à têtemet dien jongen man, wiens blinkende staalgrijze oogen hem nog zenuwachtiger maakten.„M’n dochter Lena,” zei hij voorstellend. „Meneer Voirey, een neef van wijlen mama.”Zij reikte hem de hand.„Welkom in Indië, neef. Het is erg treurig dat ma u niet meer heeft kunnen zien.”„Ik had er op gehoopt, maar ik wist, dat tante ernstig ziek was.”„Blijf niet staan hier! Waar is uw goed?”„In het logement.”„Waarom?”„Wel het is heel eenvoudig,” zei Bruce net alsof het[97]’n aardigheid was, „waar iemand logeert, daar is zijn goed.”„Ik ben van ochtend aangekomen,” antwoordde Voirey, „en ik hoorde aan den Boom, dat tante gister was overleden. Heeft ze veel geleden?”„Verschrikkelijk! Je kunt me gerust gelooven Jan—ik zal maar Jan zeggen,” interrompeerde zij zich, ’n beetje verlegen over zooveel familiariteit, bij zoo weinig bekendheid—„dat ik dikwijls God gebeden heb haar te verlossen; haar doodiseen verlossing geweest, ik was daar zoo diep van overtuigd.….”„Je hebt haar zeker opgepast?” vroeg Voirey met deelneming in z’n stem, toen Lena in haar tranen bleef steken.Zij knikte met het hoofd.„Maanden lang. Ik ben blij, dat ik haar niet aan vreemden heb overgelaten; ik weet dat het haar aan geen zorg heeft ontbroken.”Jan Voirey troostte haar; zij spraken samen over de overledene, alsof zij oude bekenden waren; hij wist van zijn vader bijzonderheden uit de jeugd harer moeder, die zij ook wist, geheel of ten deele; zij behoorden tot één familie, dat stond vast; dat bleek uit alles; ook de jongens kwamen naar voren, vriendelijk en met ingenomenheid voor dezen neef, die net heette als mama had geheeten; die op henallemaalgeleek alsof hij ’n broer was, en die ’n ingenieurstitel op z’n kaartje had staan. En Bruce zelf, woedend inwendig, nu en dan zijn forsche gestalte oprichtend en zijn bakkebaarden strijkend, wierp om geen gek figuur te maken er nu en dan een woordje tusschen, zonder dat daar eigenlijk notitie van werd genomen.[98]„Je komt toch zeker bij ons logeeren?” vroeg tot zijn ergernis, Lena haar neef.„Dat is niet mogelijk,” zei Bruce. „Het staat niet voor het publiek, als er geen vrouw des huizes is.”Lena haalde de schouders op en zei snel:„Nonsense, pa. In hetpaviljoenis nog een heel goeie kamer; ik zal die in orde laten maken. Daar kan neef Jan best logeeren.”„Dank je wel,” zei deze. „Het is heel vriendelijk, maar ik zal er geen gebruik van maken.”„Maar waarom niet?”„Heusch niet! Het is beter, dat ik in het logement blijf.”Bruce dacht een oogenblik na. Het scheen, dat deze neef een onbeschaamde berenmaker was. Dat bezat geensous, verkeerde in „treurige” omstandigheden, zooals hij zelf had verklaard, en bleef „maar liever” in het logement!„Mama zou het niet gewild hebben. Je bent de eenige bloedverwant, dien we ooit in Indië hebben gekend.”„Weet je,” zei Voirey, thans op zijn beurt een beetje verlegen. „Ik wil het wel doen, maar onder een voorwaarde. Ik ben lang in Amerika geweest, en daar zijn we zakelijk openhartig. Uit oom’s woorden heb ik opgemaakt, dat.…enfin, dat het niet rooskleurig gesteld is met de financiën. Laat mij dan het mijne bijdragen; het hindert mij in ’t geheel niet. Integendeel. Anders zou ik niet kunnen komen.”Bruce was vuurrood geworden; Lena zoo wit als ’n doek; de broers keken woedend en verlegen.Met haar scherp voorstellings-vermogen dadelijk begrijpend[99]wat er zoo ongeveer was voorgevallen tusschen die twee, vóór zij erbij was gekomen, voelde zij te gelijk welk een mal figuur haar vader maakte. Zij kon hem daar niet in zoo’n verlegenheid laten zitten.„Nu, dat zullen we wel vinden!” zei ze snel. „Dat komt vanzelf terecht. Het is dus afgesproken, dat ik morgen de logeerkamer in orde laat maken.”„Wel zeker,” zei Bruce, zonder precies te weten, wat hij zei. „Wel zeker, dat komt vanzelf in orde.”Voirey had wel gezien, dat iets niet in den haak was. Het had hem trouwens verwonderd, dat deze stief-oom zoo spoedig, zoo ongevraagd en geheel tegen de regelen van de altijd hoog-geroemde indische gastvrijheid, zijn leege portemonnaie omhoog had gehouden.„Het zal misschien niet voor lang zijn,” zei hij. „Ik ga heel gauw een reisje maken in de binnenlanden.”„Natuurlijk,” stemde Bruce toe, „hoe gauwer onder dak, hoe beter.”„Misschien wel; het zal ervan afhangen.”„Waarvan?”„Van de omstandigheden. Vallen die meê, dan blijf ik; zoo niet dan ga ik weer terug.”„Als je geen betrekking kunt krijgen.…”„Toch niet. Als ik zie, dat er geen plaats is voor ’nmachinefabriek.”„Een fabriek! Wou jij een fabriek oprichten, hier in Indië,” riep Bruce met een spotlach. „Waarschuw me dan, als het een naamlooze vennootschap wordt; dan neem ik er geen aandeelen in.”[100]„Het zal niet noodig zijn. Als ik het doe, gaat het uit eigen middelen; anders doe ik het niet.”De jongelui keken hem aan met bewondering; de oude heer glimlachte met op zijn manier een erg slim gezicht.„Eet je ’n bordje soep mee?”Maar neef Voirey bedankte en ging naar het hotel terug.’n Paar dagen nadat hij zijn intrek had genomen in de buiten-logeerkamer der Bruce’s, was het ’n heel praatje op de plaats. Er werd niet weinig overdreven. Een neef van de pas gestorven mevrouw Bruce; onverwacht overgekomen; millionnair; ingenieur van beroep en fabrieken-oprichter uit liefhebberij! Men deed moeite om hem te zien te krijgen. Het regende bezoeken van rouwbeklag, zelfs van families, die men maar heel oppervlakkig kende. Dames en heeren kwamen, gingen zitten, en keken Bruce aan en Lena, eigenlijk niet goed wetend, welke gezichten ze moesten zetten om een deelneming te betuigen die gehuicheld was uit nieuwsgierigheid. Slechts als Voirey kwam en was voorgesteld, ontspon zich een gesprek, waarin men met vragen zoover ging als fatsoenshalve maar mogelijk was, en waarop hij zoo weinig antwoordde, als de beleefdheid veroorloofde. Men vond hem „gesloten.”„Wil ik je eens wat zeggen?” zei Bruce, toen ze alleen waren, tegen zijn dochter. „Die Jan is een slimme rakker.”„Waarom?” vroeg ze, weinig gesticht over de qualificatie.„Hij weet op alles te antwoorden, en toch zegt hij geen woord meer dan hij kwijt wil wezen.”„Daarin heeft hij groot gelijk.”[101]„Apropos.Leen, het is toch maar gekheid, hé? Je zult hem niets laten betalen.”„Zeker niet. Ik heb het hem al aan ’t verstand gebracht van middag. Wat hadt u toch gezegd?”„Och, zie je, ik was niet in mijn humeur, en ik dacht, dat hij ook al.… zoo’n presentkaasje was.”Voirey kwam nog even terug uit zijn kamer in de achtergalerij. Bruce zat dwars op de groote eettafel met zijn pijp in den mond, terwijl Lena haar huishoudboekje bijschreef.„Ik ben bezig mijn koffers te ontpakken, en ik heb nu gevonden, wat ik uit New-York voor je heb meegebracht.”Hij gaf haar een bruinleeren doos, en zij schrikte toen ze die open deed, zoo fonkelde in het licht der lamp een groote diamant op de sluiting van een fijn bewerkten maar eenvoudigen gouden halsketting haar tegen.„Is dat voor mij?” vroeg ze met groote verwonderde oogen.Voirey knikte glimlachend.„Als het je bevalt. Anders is er wel wat anders te krijgen.”„Het is te gek,” zei Bruce. „Wat ’n pracht van een steen!”„Ja,” meende ook Lena. „’t Is zoo’n groot cadeau.”„Nu, voor het eenige petekind van mijn moeder mag het wel in orde wezen. Als het je erg aanstaat, geef me er dan een zoen voor.”Met ’n kleur als vuur, deed ze het, terwijl haar vader met den collier om de hand, den steen liet draaien onder het licht en bij elk verschieten der kleuren en lichten bij zichzelf herhaalde.„’t Is kolossaal, ’t is kolossaal!”En toen Voirey, die gauw weêr naar zijn half ontpakte[102]koffers ging, weg was, zei hij heel ernstig en niet zonder vrees.„Berg hem vooral goed op: ik taxeer hem op twee mille.”Zij ging naar haar kamer met ’n kloppend hart; niet, dat ze zooveel gaf om kostbare sieraden,—dat niet; ze wist zelf niet hoe het kwam, dat ze zoo zenuwachtig was geworden, door dat geschenk. Misschien was het door dien kus. Maar dat kon toch haast niet, dacht ze; hij was immers haar eigen neef. Toch kon ze er niet van slapen, en het was niet onmogelijk, dat ze, toen ze eindelijk insliep, dáárdoor droomde; maar geen aangename droomen; nare benauwde nachtmerrie’s, die haar telkens weer deden wakker schrikken, geagiteerd, met bevende handen.[103]
[Inhoud]ACHTSTE HOOFDSTUK.De ontvangst bij de Bruce’s.’s Avonds kleedde zich Voirey, nam een wagen en reed naar de Bruce’s.Het was donker voor. De oude heer liep heen en weêr in zijn kamer en zuchtte. Welk een soesah! ’t Was om er gek van te worden! Wat zat hem die Weeskamer dwars! Die maalde hem aan het hoofd over inventarissen en andere paperassen, en dááraan was hij geheel ontwend. Hij werd bleek van schrik, als hij iemand het erf zag opkomen met een portefeuille onder den arm. „Dat is er zeker weêr een van de Weeskamer,” dacht hij dan; het denkbeeld occupeerde hem zoo sterk, dat hij den dood van zijn vrouw er geheel door vergat. En dat alles, zoo redeneerde zijn onvergankelijk egoïsme, voor niemendal. Want hijzelf was weêr gewoon teruggebracht tot zijn pensioentje; geen duit kreeg hij, en nu mocht hij het werk doen! Een ware schande!Leentje was boven op haar moeders kamer. Zij had een[93]kast opengemaakt en snuffelde er zoo’n beetje in. En terwijl ze keek in oude, geel geworden stukjes papier, in geheimzinnige pakjes, tusschen sachets zonder geur, en zilveren doosjes zonder glans, met fijne haarvlokjes hier en eerst gewisselde kindertandjes dáár,—was het of haar ’n beeld van het goed en eenzaam leven harer moeder langs de oogen gleed; het leven vol liefde; zorg en opoffering voor haar huisgezin en haar kinderen; het leven, zoo goed geweest, en onder zoo’n schrikkelijk lijden geëindigd! Nu en dan, terwijl ze bezig was een haar bekend of onbekend souvenir onder het schijnsel der lamp te bekijken, schrikte ze plotseling op; dan kreeg haar de macht der gewoonte, en was het voor haar gehoor ’n oogenblik alsof door de kamer nog het klagend, fluitend geluid zweefde van de steunende ademhaling harer moeder.Beneden in de achtergalerij leerden de kinderen hun les voor school, alsof er niets was gebeurd. Nu en dan babbelden zij over de begrafenis; ze hadden verschil over het aantal rijtuigen, en zij zouden er om gevochten hebben, als ze hadden gedurfd. Nu durfden ze niet, maar keken elkaar aan met woedende blikken, en trapten elkaar stilletjes onder de tafel met hun bloote voeten.De groote jongens zaten in het kleine galerijtje voor het paviljoen, dat ze bewoonden, samen, in het donker in nachtbroek en kabaai, de voeten hoog op het hekje, een pijp te rooken.Zij bespraken wat hun te doen stond, zij hielden in ’t geheel niet van hun vader. Sedert zij zelf een tractement verdienden op hun kantoren, en dat met goedige eerlijkheid[94]trouw aan Lena verantwoordden, was hun afkeer van den vader toegenomen. Ze kwamen wel niet tegen hem in opstand, maar ze behandelden hem met de grootste onverschilligheid en wisselden haast geen woord met hem. Doch onder elkaar praatten zij over hem en ze waren reeds zóóver, dat ze hem dan aanduidden met den hoogst oneerbiedigen naam van „opvreter.” Zij hielden nu een ernstige discussie, zachtjes, de stoelen dicht bij elkaar; en ze kwamen tot de slotsom, dat ze bij den opvreter niet wilden blijven. Maar Leen dan? Daar zwegen ze op: ze wilden het voor elkaar niet weten; ze waren nooit heel lief voor Lena, er was geen zweem van vertoon of aanstellerij, integendeel. Doch de gedachte aan haar verdreef toch ineens alle plannen voor een vrije levenswijze in de naaste toekomst.De bediende had bij Bruce aan de deur getikt; er wastamoe.„Zijn het dames?”„Neen, een heer alleen.”„Is het een bekende heer?”„Neen een vreemde meneer, met ’n zwarte jas aan.”Een naar gevoel overviel Bruce; wie weet of dat weer niet zoo’n beroerde kerel van de Weeskamer was! Dat dreigde zijn cauchemar te worden.Maar een van de kinderen, die iets had gehoord, was naar naar voren geloopen en bracht nu een kaartje met „Jan Voirey, ingenieur” er op.Stil bekeek Bruce het. Hij vertrouwde het niet. Iedereen kan wel ’t woord „ingenieur” op ’n kaartje laten drukken; hij, oud-ambtenaar, erkende geen ingenieurs, dan die behoorlijk[95]van Regeeringswege waren aangesteld. De rest was maar larie. Wat kan me die vent schelen. Het was er waarschijnlijk een die kwam om te halen; daarvoor toch alleen kwam iedereen naar de-n-Oost.„Laat maar ’n lamp aansteken,” zei hij zuchtend, en ging terug in zijn kamer om zich te kleeden. Doch hij bedacht zich. Waarom zooveel complimenten tegenover een neef van de vrouw, die hem niet eens haar vermogen of een deel daarvan had nagelaten? Bij die gedachte smeet hij met kracht zijn schoonen witten pantalon weer in de kast, en zijn gekreukte kabaja wat recht trekkend ging hij naar voren.„Je bent ’n neef van mijn overleden vrouw, hè?” zei Bruce op een toon alsof hij dat kwalijk nam.„Ja. Ik kom hier onder ongunstige omstandigheden.”Daar heb je het gedonder al! dacht Bruce die, nu hij er zoo kaal was afgekomen, aan niets kon denken dan aan geld; en knorrig zei hij, met ’n onbeleefde halve omwending en driftig, ’n beetje stotterend:„Ja, hoor eens; u moet me niet kwalijk nemen, maar ik kan daar niets aan doen.”„Neen, dat begrijp ik,” zei Voirey, verbaasd, niet wetend wat die onvriendelijke uitval beduiden moest.„Als je dat dan maar begrijpt. Het is hier ook niet alles!”Maar dat begreep de ingenieur nu weer niet.„Hoe bedoelt u dat?” vroeg hij.„Me dunkt, dat het nogal duidelijk is; ik houd er niet van de menschen te doen gelooven, dat ze van ons iets te wachten hebben.”[96]Voirey begon nu te begrijpen; hij lachte weer stilletjes op zijn bijzondere manier, zijn mond van den eenen kant naar den anderen trekkend als stond hij wijn te proeven als een keurder van het vak.„Ik had gedacht,” zei hij, „dat u me uit de verlegenheid zoudt kunnen helpen.”„Daar is geen quaestie van. Waarom ben je niet in Holland gebleven of in Amerika?… Je hadt ergens anders wel een betrekking kunnen zoeken. Je hebt zeker gedacht, dat het hier de „zoete inval” was.”„Ja, dat dacht ik zoo.”Daar stond Bruce gek van te kijken. In elke richting was er boven zekere grens iets, waardoor hij overbluft werd. Deze verregaande onbeschaamdheid zette hem schaakmat, en hij was blij, dat Lena in de voorgalerij kwam om hem te verlossen van eentête à têtemet dien jongen man, wiens blinkende staalgrijze oogen hem nog zenuwachtiger maakten.„M’n dochter Lena,” zei hij voorstellend. „Meneer Voirey, een neef van wijlen mama.”Zij reikte hem de hand.„Welkom in Indië, neef. Het is erg treurig dat ma u niet meer heeft kunnen zien.”„Ik had er op gehoopt, maar ik wist, dat tante ernstig ziek was.”„Blijf niet staan hier! Waar is uw goed?”„In het logement.”„Waarom?”„Wel het is heel eenvoudig,” zei Bruce net alsof het[97]’n aardigheid was, „waar iemand logeert, daar is zijn goed.”„Ik ben van ochtend aangekomen,” antwoordde Voirey, „en ik hoorde aan den Boom, dat tante gister was overleden. Heeft ze veel geleden?”„Verschrikkelijk! Je kunt me gerust gelooven Jan—ik zal maar Jan zeggen,” interrompeerde zij zich, ’n beetje verlegen over zooveel familiariteit, bij zoo weinig bekendheid—„dat ik dikwijls God gebeden heb haar te verlossen; haar doodiseen verlossing geweest, ik was daar zoo diep van overtuigd.….”„Je hebt haar zeker opgepast?” vroeg Voirey met deelneming in z’n stem, toen Lena in haar tranen bleef steken.Zij knikte met het hoofd.„Maanden lang. Ik ben blij, dat ik haar niet aan vreemden heb overgelaten; ik weet dat het haar aan geen zorg heeft ontbroken.”Jan Voirey troostte haar; zij spraken samen over de overledene, alsof zij oude bekenden waren; hij wist van zijn vader bijzonderheden uit de jeugd harer moeder, die zij ook wist, geheel of ten deele; zij behoorden tot één familie, dat stond vast; dat bleek uit alles; ook de jongens kwamen naar voren, vriendelijk en met ingenomenheid voor dezen neef, die net heette als mama had geheeten; die op henallemaalgeleek alsof hij ’n broer was, en die ’n ingenieurstitel op z’n kaartje had staan. En Bruce zelf, woedend inwendig, nu en dan zijn forsche gestalte oprichtend en zijn bakkebaarden strijkend, wierp om geen gek figuur te maken er nu en dan een woordje tusschen, zonder dat daar eigenlijk notitie van werd genomen.[98]„Je komt toch zeker bij ons logeeren?” vroeg tot zijn ergernis, Lena haar neef.„Dat is niet mogelijk,” zei Bruce. „Het staat niet voor het publiek, als er geen vrouw des huizes is.”Lena haalde de schouders op en zei snel:„Nonsense, pa. In hetpaviljoenis nog een heel goeie kamer; ik zal die in orde laten maken. Daar kan neef Jan best logeeren.”„Dank je wel,” zei deze. „Het is heel vriendelijk, maar ik zal er geen gebruik van maken.”„Maar waarom niet?”„Heusch niet! Het is beter, dat ik in het logement blijf.”Bruce dacht een oogenblik na. Het scheen, dat deze neef een onbeschaamde berenmaker was. Dat bezat geensous, verkeerde in „treurige” omstandigheden, zooals hij zelf had verklaard, en bleef „maar liever” in het logement!„Mama zou het niet gewild hebben. Je bent de eenige bloedverwant, dien we ooit in Indië hebben gekend.”„Weet je,” zei Voirey, thans op zijn beurt een beetje verlegen. „Ik wil het wel doen, maar onder een voorwaarde. Ik ben lang in Amerika geweest, en daar zijn we zakelijk openhartig. Uit oom’s woorden heb ik opgemaakt, dat.…enfin, dat het niet rooskleurig gesteld is met de financiën. Laat mij dan het mijne bijdragen; het hindert mij in ’t geheel niet. Integendeel. Anders zou ik niet kunnen komen.”Bruce was vuurrood geworden; Lena zoo wit als ’n doek; de broers keken woedend en verlegen.Met haar scherp voorstellings-vermogen dadelijk begrijpend[99]wat er zoo ongeveer was voorgevallen tusschen die twee, vóór zij erbij was gekomen, voelde zij te gelijk welk een mal figuur haar vader maakte. Zij kon hem daar niet in zoo’n verlegenheid laten zitten.„Nu, dat zullen we wel vinden!” zei ze snel. „Dat komt vanzelf terecht. Het is dus afgesproken, dat ik morgen de logeerkamer in orde laat maken.”„Wel zeker,” zei Bruce, zonder precies te weten, wat hij zei. „Wel zeker, dat komt vanzelf in orde.”Voirey had wel gezien, dat iets niet in den haak was. Het had hem trouwens verwonderd, dat deze stief-oom zoo spoedig, zoo ongevraagd en geheel tegen de regelen van de altijd hoog-geroemde indische gastvrijheid, zijn leege portemonnaie omhoog had gehouden.„Het zal misschien niet voor lang zijn,” zei hij. „Ik ga heel gauw een reisje maken in de binnenlanden.”„Natuurlijk,” stemde Bruce toe, „hoe gauwer onder dak, hoe beter.”„Misschien wel; het zal ervan afhangen.”„Waarvan?”„Van de omstandigheden. Vallen die meê, dan blijf ik; zoo niet dan ga ik weer terug.”„Als je geen betrekking kunt krijgen.…”„Toch niet. Als ik zie, dat er geen plaats is voor ’nmachinefabriek.”„Een fabriek! Wou jij een fabriek oprichten, hier in Indië,” riep Bruce met een spotlach. „Waarschuw me dan, als het een naamlooze vennootschap wordt; dan neem ik er geen aandeelen in.”[100]„Het zal niet noodig zijn. Als ik het doe, gaat het uit eigen middelen; anders doe ik het niet.”De jongelui keken hem aan met bewondering; de oude heer glimlachte met op zijn manier een erg slim gezicht.„Eet je ’n bordje soep mee?”Maar neef Voirey bedankte en ging naar het hotel terug.’n Paar dagen nadat hij zijn intrek had genomen in de buiten-logeerkamer der Bruce’s, was het ’n heel praatje op de plaats. Er werd niet weinig overdreven. Een neef van de pas gestorven mevrouw Bruce; onverwacht overgekomen; millionnair; ingenieur van beroep en fabrieken-oprichter uit liefhebberij! Men deed moeite om hem te zien te krijgen. Het regende bezoeken van rouwbeklag, zelfs van families, die men maar heel oppervlakkig kende. Dames en heeren kwamen, gingen zitten, en keken Bruce aan en Lena, eigenlijk niet goed wetend, welke gezichten ze moesten zetten om een deelneming te betuigen die gehuicheld was uit nieuwsgierigheid. Slechts als Voirey kwam en was voorgesteld, ontspon zich een gesprek, waarin men met vragen zoover ging als fatsoenshalve maar mogelijk was, en waarop hij zoo weinig antwoordde, als de beleefdheid veroorloofde. Men vond hem „gesloten.”„Wil ik je eens wat zeggen?” zei Bruce, toen ze alleen waren, tegen zijn dochter. „Die Jan is een slimme rakker.”„Waarom?” vroeg ze, weinig gesticht over de qualificatie.„Hij weet op alles te antwoorden, en toch zegt hij geen woord meer dan hij kwijt wil wezen.”„Daarin heeft hij groot gelijk.”[101]„Apropos.Leen, het is toch maar gekheid, hé? Je zult hem niets laten betalen.”„Zeker niet. Ik heb het hem al aan ’t verstand gebracht van middag. Wat hadt u toch gezegd?”„Och, zie je, ik was niet in mijn humeur, en ik dacht, dat hij ook al.… zoo’n presentkaasje was.”Voirey kwam nog even terug uit zijn kamer in de achtergalerij. Bruce zat dwars op de groote eettafel met zijn pijp in den mond, terwijl Lena haar huishoudboekje bijschreef.„Ik ben bezig mijn koffers te ontpakken, en ik heb nu gevonden, wat ik uit New-York voor je heb meegebracht.”Hij gaf haar een bruinleeren doos, en zij schrikte toen ze die open deed, zoo fonkelde in het licht der lamp een groote diamant op de sluiting van een fijn bewerkten maar eenvoudigen gouden halsketting haar tegen.„Is dat voor mij?” vroeg ze met groote verwonderde oogen.Voirey knikte glimlachend.„Als het je bevalt. Anders is er wel wat anders te krijgen.”„Het is te gek,” zei Bruce. „Wat ’n pracht van een steen!”„Ja,” meende ook Lena. „’t Is zoo’n groot cadeau.”„Nu, voor het eenige petekind van mijn moeder mag het wel in orde wezen. Als het je erg aanstaat, geef me er dan een zoen voor.”Met ’n kleur als vuur, deed ze het, terwijl haar vader met den collier om de hand, den steen liet draaien onder het licht en bij elk verschieten der kleuren en lichten bij zichzelf herhaalde.„’t Is kolossaal, ’t is kolossaal!”En toen Voirey, die gauw weêr naar zijn half ontpakte[102]koffers ging, weg was, zei hij heel ernstig en niet zonder vrees.„Berg hem vooral goed op: ik taxeer hem op twee mille.”Zij ging naar haar kamer met ’n kloppend hart; niet, dat ze zooveel gaf om kostbare sieraden,—dat niet; ze wist zelf niet hoe het kwam, dat ze zoo zenuwachtig was geworden, door dat geschenk. Misschien was het door dien kus. Maar dat kon toch haast niet, dacht ze; hij was immers haar eigen neef. Toch kon ze er niet van slapen, en het was niet onmogelijk, dat ze, toen ze eindelijk insliep, dáárdoor droomde; maar geen aangename droomen; nare benauwde nachtmerrie’s, die haar telkens weer deden wakker schrikken, geagiteerd, met bevende handen.[103]
ACHTSTE HOOFDSTUK.De ontvangst bij de Bruce’s.
’s Avonds kleedde zich Voirey, nam een wagen en reed naar de Bruce’s.Het was donker voor. De oude heer liep heen en weêr in zijn kamer en zuchtte. Welk een soesah! ’t Was om er gek van te worden! Wat zat hem die Weeskamer dwars! Die maalde hem aan het hoofd over inventarissen en andere paperassen, en dááraan was hij geheel ontwend. Hij werd bleek van schrik, als hij iemand het erf zag opkomen met een portefeuille onder den arm. „Dat is er zeker weêr een van de Weeskamer,” dacht hij dan; het denkbeeld occupeerde hem zoo sterk, dat hij den dood van zijn vrouw er geheel door vergat. En dat alles, zoo redeneerde zijn onvergankelijk egoïsme, voor niemendal. Want hijzelf was weêr gewoon teruggebracht tot zijn pensioentje; geen duit kreeg hij, en nu mocht hij het werk doen! Een ware schande!Leentje was boven op haar moeders kamer. Zij had een[93]kast opengemaakt en snuffelde er zoo’n beetje in. En terwijl ze keek in oude, geel geworden stukjes papier, in geheimzinnige pakjes, tusschen sachets zonder geur, en zilveren doosjes zonder glans, met fijne haarvlokjes hier en eerst gewisselde kindertandjes dáár,—was het of haar ’n beeld van het goed en eenzaam leven harer moeder langs de oogen gleed; het leven vol liefde; zorg en opoffering voor haar huisgezin en haar kinderen; het leven, zoo goed geweest, en onder zoo’n schrikkelijk lijden geëindigd! Nu en dan, terwijl ze bezig was een haar bekend of onbekend souvenir onder het schijnsel der lamp te bekijken, schrikte ze plotseling op; dan kreeg haar de macht der gewoonte, en was het voor haar gehoor ’n oogenblik alsof door de kamer nog het klagend, fluitend geluid zweefde van de steunende ademhaling harer moeder.Beneden in de achtergalerij leerden de kinderen hun les voor school, alsof er niets was gebeurd. Nu en dan babbelden zij over de begrafenis; ze hadden verschil over het aantal rijtuigen, en zij zouden er om gevochten hebben, als ze hadden gedurfd. Nu durfden ze niet, maar keken elkaar aan met woedende blikken, en trapten elkaar stilletjes onder de tafel met hun bloote voeten.De groote jongens zaten in het kleine galerijtje voor het paviljoen, dat ze bewoonden, samen, in het donker in nachtbroek en kabaai, de voeten hoog op het hekje, een pijp te rooken.Zij bespraken wat hun te doen stond, zij hielden in ’t geheel niet van hun vader. Sedert zij zelf een tractement verdienden op hun kantoren, en dat met goedige eerlijkheid[94]trouw aan Lena verantwoordden, was hun afkeer van den vader toegenomen. Ze kwamen wel niet tegen hem in opstand, maar ze behandelden hem met de grootste onverschilligheid en wisselden haast geen woord met hem. Doch onder elkaar praatten zij over hem en ze waren reeds zóóver, dat ze hem dan aanduidden met den hoogst oneerbiedigen naam van „opvreter.” Zij hielden nu een ernstige discussie, zachtjes, de stoelen dicht bij elkaar; en ze kwamen tot de slotsom, dat ze bij den opvreter niet wilden blijven. Maar Leen dan? Daar zwegen ze op: ze wilden het voor elkaar niet weten; ze waren nooit heel lief voor Lena, er was geen zweem van vertoon of aanstellerij, integendeel. Doch de gedachte aan haar verdreef toch ineens alle plannen voor een vrije levenswijze in de naaste toekomst.De bediende had bij Bruce aan de deur getikt; er wastamoe.„Zijn het dames?”„Neen, een heer alleen.”„Is het een bekende heer?”„Neen een vreemde meneer, met ’n zwarte jas aan.”Een naar gevoel overviel Bruce; wie weet of dat weer niet zoo’n beroerde kerel van de Weeskamer was! Dat dreigde zijn cauchemar te worden.Maar een van de kinderen, die iets had gehoord, was naar naar voren geloopen en bracht nu een kaartje met „Jan Voirey, ingenieur” er op.Stil bekeek Bruce het. Hij vertrouwde het niet. Iedereen kan wel ’t woord „ingenieur” op ’n kaartje laten drukken; hij, oud-ambtenaar, erkende geen ingenieurs, dan die behoorlijk[95]van Regeeringswege waren aangesteld. De rest was maar larie. Wat kan me die vent schelen. Het was er waarschijnlijk een die kwam om te halen; daarvoor toch alleen kwam iedereen naar de-n-Oost.„Laat maar ’n lamp aansteken,” zei hij zuchtend, en ging terug in zijn kamer om zich te kleeden. Doch hij bedacht zich. Waarom zooveel complimenten tegenover een neef van de vrouw, die hem niet eens haar vermogen of een deel daarvan had nagelaten? Bij die gedachte smeet hij met kracht zijn schoonen witten pantalon weer in de kast, en zijn gekreukte kabaja wat recht trekkend ging hij naar voren.„Je bent ’n neef van mijn overleden vrouw, hè?” zei Bruce op een toon alsof hij dat kwalijk nam.„Ja. Ik kom hier onder ongunstige omstandigheden.”Daar heb je het gedonder al! dacht Bruce die, nu hij er zoo kaal was afgekomen, aan niets kon denken dan aan geld; en knorrig zei hij, met ’n onbeleefde halve omwending en driftig, ’n beetje stotterend:„Ja, hoor eens; u moet me niet kwalijk nemen, maar ik kan daar niets aan doen.”„Neen, dat begrijp ik,” zei Voirey, verbaasd, niet wetend wat die onvriendelijke uitval beduiden moest.„Als je dat dan maar begrijpt. Het is hier ook niet alles!”Maar dat begreep de ingenieur nu weer niet.„Hoe bedoelt u dat?” vroeg hij.„Me dunkt, dat het nogal duidelijk is; ik houd er niet van de menschen te doen gelooven, dat ze van ons iets te wachten hebben.”[96]Voirey begon nu te begrijpen; hij lachte weer stilletjes op zijn bijzondere manier, zijn mond van den eenen kant naar den anderen trekkend als stond hij wijn te proeven als een keurder van het vak.„Ik had gedacht,” zei hij, „dat u me uit de verlegenheid zoudt kunnen helpen.”„Daar is geen quaestie van. Waarom ben je niet in Holland gebleven of in Amerika?… Je hadt ergens anders wel een betrekking kunnen zoeken. Je hebt zeker gedacht, dat het hier de „zoete inval” was.”„Ja, dat dacht ik zoo.”Daar stond Bruce gek van te kijken. In elke richting was er boven zekere grens iets, waardoor hij overbluft werd. Deze verregaande onbeschaamdheid zette hem schaakmat, en hij was blij, dat Lena in de voorgalerij kwam om hem te verlossen van eentête à têtemet dien jongen man, wiens blinkende staalgrijze oogen hem nog zenuwachtiger maakten.„M’n dochter Lena,” zei hij voorstellend. „Meneer Voirey, een neef van wijlen mama.”Zij reikte hem de hand.„Welkom in Indië, neef. Het is erg treurig dat ma u niet meer heeft kunnen zien.”„Ik had er op gehoopt, maar ik wist, dat tante ernstig ziek was.”„Blijf niet staan hier! Waar is uw goed?”„In het logement.”„Waarom?”„Wel het is heel eenvoudig,” zei Bruce net alsof het[97]’n aardigheid was, „waar iemand logeert, daar is zijn goed.”„Ik ben van ochtend aangekomen,” antwoordde Voirey, „en ik hoorde aan den Boom, dat tante gister was overleden. Heeft ze veel geleden?”„Verschrikkelijk! Je kunt me gerust gelooven Jan—ik zal maar Jan zeggen,” interrompeerde zij zich, ’n beetje verlegen over zooveel familiariteit, bij zoo weinig bekendheid—„dat ik dikwijls God gebeden heb haar te verlossen; haar doodiseen verlossing geweest, ik was daar zoo diep van overtuigd.….”„Je hebt haar zeker opgepast?” vroeg Voirey met deelneming in z’n stem, toen Lena in haar tranen bleef steken.Zij knikte met het hoofd.„Maanden lang. Ik ben blij, dat ik haar niet aan vreemden heb overgelaten; ik weet dat het haar aan geen zorg heeft ontbroken.”Jan Voirey troostte haar; zij spraken samen over de overledene, alsof zij oude bekenden waren; hij wist van zijn vader bijzonderheden uit de jeugd harer moeder, die zij ook wist, geheel of ten deele; zij behoorden tot één familie, dat stond vast; dat bleek uit alles; ook de jongens kwamen naar voren, vriendelijk en met ingenomenheid voor dezen neef, die net heette als mama had geheeten; die op henallemaalgeleek alsof hij ’n broer was, en die ’n ingenieurstitel op z’n kaartje had staan. En Bruce zelf, woedend inwendig, nu en dan zijn forsche gestalte oprichtend en zijn bakkebaarden strijkend, wierp om geen gek figuur te maken er nu en dan een woordje tusschen, zonder dat daar eigenlijk notitie van werd genomen.[98]„Je komt toch zeker bij ons logeeren?” vroeg tot zijn ergernis, Lena haar neef.„Dat is niet mogelijk,” zei Bruce. „Het staat niet voor het publiek, als er geen vrouw des huizes is.”Lena haalde de schouders op en zei snel:„Nonsense, pa. In hetpaviljoenis nog een heel goeie kamer; ik zal die in orde laten maken. Daar kan neef Jan best logeeren.”„Dank je wel,” zei deze. „Het is heel vriendelijk, maar ik zal er geen gebruik van maken.”„Maar waarom niet?”„Heusch niet! Het is beter, dat ik in het logement blijf.”Bruce dacht een oogenblik na. Het scheen, dat deze neef een onbeschaamde berenmaker was. Dat bezat geensous, verkeerde in „treurige” omstandigheden, zooals hij zelf had verklaard, en bleef „maar liever” in het logement!„Mama zou het niet gewild hebben. Je bent de eenige bloedverwant, dien we ooit in Indië hebben gekend.”„Weet je,” zei Voirey, thans op zijn beurt een beetje verlegen. „Ik wil het wel doen, maar onder een voorwaarde. Ik ben lang in Amerika geweest, en daar zijn we zakelijk openhartig. Uit oom’s woorden heb ik opgemaakt, dat.…enfin, dat het niet rooskleurig gesteld is met de financiën. Laat mij dan het mijne bijdragen; het hindert mij in ’t geheel niet. Integendeel. Anders zou ik niet kunnen komen.”Bruce was vuurrood geworden; Lena zoo wit als ’n doek; de broers keken woedend en verlegen.Met haar scherp voorstellings-vermogen dadelijk begrijpend[99]wat er zoo ongeveer was voorgevallen tusschen die twee, vóór zij erbij was gekomen, voelde zij te gelijk welk een mal figuur haar vader maakte. Zij kon hem daar niet in zoo’n verlegenheid laten zitten.„Nu, dat zullen we wel vinden!” zei ze snel. „Dat komt vanzelf terecht. Het is dus afgesproken, dat ik morgen de logeerkamer in orde laat maken.”„Wel zeker,” zei Bruce, zonder precies te weten, wat hij zei. „Wel zeker, dat komt vanzelf in orde.”Voirey had wel gezien, dat iets niet in den haak was. Het had hem trouwens verwonderd, dat deze stief-oom zoo spoedig, zoo ongevraagd en geheel tegen de regelen van de altijd hoog-geroemde indische gastvrijheid, zijn leege portemonnaie omhoog had gehouden.„Het zal misschien niet voor lang zijn,” zei hij. „Ik ga heel gauw een reisje maken in de binnenlanden.”„Natuurlijk,” stemde Bruce toe, „hoe gauwer onder dak, hoe beter.”„Misschien wel; het zal ervan afhangen.”„Waarvan?”„Van de omstandigheden. Vallen die meê, dan blijf ik; zoo niet dan ga ik weer terug.”„Als je geen betrekking kunt krijgen.…”„Toch niet. Als ik zie, dat er geen plaats is voor ’nmachinefabriek.”„Een fabriek! Wou jij een fabriek oprichten, hier in Indië,” riep Bruce met een spotlach. „Waarschuw me dan, als het een naamlooze vennootschap wordt; dan neem ik er geen aandeelen in.”[100]„Het zal niet noodig zijn. Als ik het doe, gaat het uit eigen middelen; anders doe ik het niet.”De jongelui keken hem aan met bewondering; de oude heer glimlachte met op zijn manier een erg slim gezicht.„Eet je ’n bordje soep mee?”Maar neef Voirey bedankte en ging naar het hotel terug.’n Paar dagen nadat hij zijn intrek had genomen in de buiten-logeerkamer der Bruce’s, was het ’n heel praatje op de plaats. Er werd niet weinig overdreven. Een neef van de pas gestorven mevrouw Bruce; onverwacht overgekomen; millionnair; ingenieur van beroep en fabrieken-oprichter uit liefhebberij! Men deed moeite om hem te zien te krijgen. Het regende bezoeken van rouwbeklag, zelfs van families, die men maar heel oppervlakkig kende. Dames en heeren kwamen, gingen zitten, en keken Bruce aan en Lena, eigenlijk niet goed wetend, welke gezichten ze moesten zetten om een deelneming te betuigen die gehuicheld was uit nieuwsgierigheid. Slechts als Voirey kwam en was voorgesteld, ontspon zich een gesprek, waarin men met vragen zoover ging als fatsoenshalve maar mogelijk was, en waarop hij zoo weinig antwoordde, als de beleefdheid veroorloofde. Men vond hem „gesloten.”„Wil ik je eens wat zeggen?” zei Bruce, toen ze alleen waren, tegen zijn dochter. „Die Jan is een slimme rakker.”„Waarom?” vroeg ze, weinig gesticht over de qualificatie.„Hij weet op alles te antwoorden, en toch zegt hij geen woord meer dan hij kwijt wil wezen.”„Daarin heeft hij groot gelijk.”[101]„Apropos.Leen, het is toch maar gekheid, hé? Je zult hem niets laten betalen.”„Zeker niet. Ik heb het hem al aan ’t verstand gebracht van middag. Wat hadt u toch gezegd?”„Och, zie je, ik was niet in mijn humeur, en ik dacht, dat hij ook al.… zoo’n presentkaasje was.”Voirey kwam nog even terug uit zijn kamer in de achtergalerij. Bruce zat dwars op de groote eettafel met zijn pijp in den mond, terwijl Lena haar huishoudboekje bijschreef.„Ik ben bezig mijn koffers te ontpakken, en ik heb nu gevonden, wat ik uit New-York voor je heb meegebracht.”Hij gaf haar een bruinleeren doos, en zij schrikte toen ze die open deed, zoo fonkelde in het licht der lamp een groote diamant op de sluiting van een fijn bewerkten maar eenvoudigen gouden halsketting haar tegen.„Is dat voor mij?” vroeg ze met groote verwonderde oogen.Voirey knikte glimlachend.„Als het je bevalt. Anders is er wel wat anders te krijgen.”„Het is te gek,” zei Bruce. „Wat ’n pracht van een steen!”„Ja,” meende ook Lena. „’t Is zoo’n groot cadeau.”„Nu, voor het eenige petekind van mijn moeder mag het wel in orde wezen. Als het je erg aanstaat, geef me er dan een zoen voor.”Met ’n kleur als vuur, deed ze het, terwijl haar vader met den collier om de hand, den steen liet draaien onder het licht en bij elk verschieten der kleuren en lichten bij zichzelf herhaalde.„’t Is kolossaal, ’t is kolossaal!”En toen Voirey, die gauw weêr naar zijn half ontpakte[102]koffers ging, weg was, zei hij heel ernstig en niet zonder vrees.„Berg hem vooral goed op: ik taxeer hem op twee mille.”Zij ging naar haar kamer met ’n kloppend hart; niet, dat ze zooveel gaf om kostbare sieraden,—dat niet; ze wist zelf niet hoe het kwam, dat ze zoo zenuwachtig was geworden, door dat geschenk. Misschien was het door dien kus. Maar dat kon toch haast niet, dacht ze; hij was immers haar eigen neef. Toch kon ze er niet van slapen, en het was niet onmogelijk, dat ze, toen ze eindelijk insliep, dáárdoor droomde; maar geen aangename droomen; nare benauwde nachtmerrie’s, die haar telkens weer deden wakker schrikken, geagiteerd, met bevende handen.[103]
’s Avonds kleedde zich Voirey, nam een wagen en reed naar de Bruce’s.
Het was donker voor. De oude heer liep heen en weêr in zijn kamer en zuchtte. Welk een soesah! ’t Was om er gek van te worden! Wat zat hem die Weeskamer dwars! Die maalde hem aan het hoofd over inventarissen en andere paperassen, en dááraan was hij geheel ontwend. Hij werd bleek van schrik, als hij iemand het erf zag opkomen met een portefeuille onder den arm. „Dat is er zeker weêr een van de Weeskamer,” dacht hij dan; het denkbeeld occupeerde hem zoo sterk, dat hij den dood van zijn vrouw er geheel door vergat. En dat alles, zoo redeneerde zijn onvergankelijk egoïsme, voor niemendal. Want hijzelf was weêr gewoon teruggebracht tot zijn pensioentje; geen duit kreeg hij, en nu mocht hij het werk doen! Een ware schande!
Leentje was boven op haar moeders kamer. Zij had een[93]kast opengemaakt en snuffelde er zoo’n beetje in. En terwijl ze keek in oude, geel geworden stukjes papier, in geheimzinnige pakjes, tusschen sachets zonder geur, en zilveren doosjes zonder glans, met fijne haarvlokjes hier en eerst gewisselde kindertandjes dáár,—was het of haar ’n beeld van het goed en eenzaam leven harer moeder langs de oogen gleed; het leven vol liefde; zorg en opoffering voor haar huisgezin en haar kinderen; het leven, zoo goed geweest, en onder zoo’n schrikkelijk lijden geëindigd! Nu en dan, terwijl ze bezig was een haar bekend of onbekend souvenir onder het schijnsel der lamp te bekijken, schrikte ze plotseling op; dan kreeg haar de macht der gewoonte, en was het voor haar gehoor ’n oogenblik alsof door de kamer nog het klagend, fluitend geluid zweefde van de steunende ademhaling harer moeder.
Beneden in de achtergalerij leerden de kinderen hun les voor school, alsof er niets was gebeurd. Nu en dan babbelden zij over de begrafenis; ze hadden verschil over het aantal rijtuigen, en zij zouden er om gevochten hebben, als ze hadden gedurfd. Nu durfden ze niet, maar keken elkaar aan met woedende blikken, en trapten elkaar stilletjes onder de tafel met hun bloote voeten.
De groote jongens zaten in het kleine galerijtje voor het paviljoen, dat ze bewoonden, samen, in het donker in nachtbroek en kabaai, de voeten hoog op het hekje, een pijp te rooken.
Zij bespraken wat hun te doen stond, zij hielden in ’t geheel niet van hun vader. Sedert zij zelf een tractement verdienden op hun kantoren, en dat met goedige eerlijkheid[94]trouw aan Lena verantwoordden, was hun afkeer van den vader toegenomen. Ze kwamen wel niet tegen hem in opstand, maar ze behandelden hem met de grootste onverschilligheid en wisselden haast geen woord met hem. Doch onder elkaar praatten zij over hem en ze waren reeds zóóver, dat ze hem dan aanduidden met den hoogst oneerbiedigen naam van „opvreter.” Zij hielden nu een ernstige discussie, zachtjes, de stoelen dicht bij elkaar; en ze kwamen tot de slotsom, dat ze bij den opvreter niet wilden blijven. Maar Leen dan? Daar zwegen ze op: ze wilden het voor elkaar niet weten; ze waren nooit heel lief voor Lena, er was geen zweem van vertoon of aanstellerij, integendeel. Doch de gedachte aan haar verdreef toch ineens alle plannen voor een vrije levenswijze in de naaste toekomst.
De bediende had bij Bruce aan de deur getikt; er wastamoe.
„Zijn het dames?”
„Neen, een heer alleen.”
„Is het een bekende heer?”
„Neen een vreemde meneer, met ’n zwarte jas aan.”
Een naar gevoel overviel Bruce; wie weet of dat weer niet zoo’n beroerde kerel van de Weeskamer was! Dat dreigde zijn cauchemar te worden.
Maar een van de kinderen, die iets had gehoord, was naar naar voren geloopen en bracht nu een kaartje met „Jan Voirey, ingenieur” er op.
Stil bekeek Bruce het. Hij vertrouwde het niet. Iedereen kan wel ’t woord „ingenieur” op ’n kaartje laten drukken; hij, oud-ambtenaar, erkende geen ingenieurs, dan die behoorlijk[95]van Regeeringswege waren aangesteld. De rest was maar larie. Wat kan me die vent schelen. Het was er waarschijnlijk een die kwam om te halen; daarvoor toch alleen kwam iedereen naar de-n-Oost.
„Laat maar ’n lamp aansteken,” zei hij zuchtend, en ging terug in zijn kamer om zich te kleeden. Doch hij bedacht zich. Waarom zooveel complimenten tegenover een neef van de vrouw, die hem niet eens haar vermogen of een deel daarvan had nagelaten? Bij die gedachte smeet hij met kracht zijn schoonen witten pantalon weer in de kast, en zijn gekreukte kabaja wat recht trekkend ging hij naar voren.
„Je bent ’n neef van mijn overleden vrouw, hè?” zei Bruce op een toon alsof hij dat kwalijk nam.
„Ja. Ik kom hier onder ongunstige omstandigheden.”
Daar heb je het gedonder al! dacht Bruce die, nu hij er zoo kaal was afgekomen, aan niets kon denken dan aan geld; en knorrig zei hij, met ’n onbeleefde halve omwending en driftig, ’n beetje stotterend:
„Ja, hoor eens; u moet me niet kwalijk nemen, maar ik kan daar niets aan doen.”
„Neen, dat begrijp ik,” zei Voirey, verbaasd, niet wetend wat die onvriendelijke uitval beduiden moest.
„Als je dat dan maar begrijpt. Het is hier ook niet alles!”
Maar dat begreep de ingenieur nu weer niet.
„Hoe bedoelt u dat?” vroeg hij.
„Me dunkt, dat het nogal duidelijk is; ik houd er niet van de menschen te doen gelooven, dat ze van ons iets te wachten hebben.”[96]
Voirey begon nu te begrijpen; hij lachte weer stilletjes op zijn bijzondere manier, zijn mond van den eenen kant naar den anderen trekkend als stond hij wijn te proeven als een keurder van het vak.
„Ik had gedacht,” zei hij, „dat u me uit de verlegenheid zoudt kunnen helpen.”
„Daar is geen quaestie van. Waarom ben je niet in Holland gebleven of in Amerika?… Je hadt ergens anders wel een betrekking kunnen zoeken. Je hebt zeker gedacht, dat het hier de „zoete inval” was.”
„Ja, dat dacht ik zoo.”
Daar stond Bruce gek van te kijken. In elke richting was er boven zekere grens iets, waardoor hij overbluft werd. Deze verregaande onbeschaamdheid zette hem schaakmat, en hij was blij, dat Lena in de voorgalerij kwam om hem te verlossen van eentête à têtemet dien jongen man, wiens blinkende staalgrijze oogen hem nog zenuwachtiger maakten.
„M’n dochter Lena,” zei hij voorstellend. „Meneer Voirey, een neef van wijlen mama.”
Zij reikte hem de hand.
„Welkom in Indië, neef. Het is erg treurig dat ma u niet meer heeft kunnen zien.”
„Ik had er op gehoopt, maar ik wist, dat tante ernstig ziek was.”
„Blijf niet staan hier! Waar is uw goed?”
„In het logement.”
„Waarom?”
„Wel het is heel eenvoudig,” zei Bruce net alsof het[97]’n aardigheid was, „waar iemand logeert, daar is zijn goed.”
„Ik ben van ochtend aangekomen,” antwoordde Voirey, „en ik hoorde aan den Boom, dat tante gister was overleden. Heeft ze veel geleden?”
„Verschrikkelijk! Je kunt me gerust gelooven Jan—ik zal maar Jan zeggen,” interrompeerde zij zich, ’n beetje verlegen over zooveel familiariteit, bij zoo weinig bekendheid—„dat ik dikwijls God gebeden heb haar te verlossen; haar doodiseen verlossing geweest, ik was daar zoo diep van overtuigd.….”
„Je hebt haar zeker opgepast?” vroeg Voirey met deelneming in z’n stem, toen Lena in haar tranen bleef steken.
Zij knikte met het hoofd.
„Maanden lang. Ik ben blij, dat ik haar niet aan vreemden heb overgelaten; ik weet dat het haar aan geen zorg heeft ontbroken.”
Jan Voirey troostte haar; zij spraken samen over de overledene, alsof zij oude bekenden waren; hij wist van zijn vader bijzonderheden uit de jeugd harer moeder, die zij ook wist, geheel of ten deele; zij behoorden tot één familie, dat stond vast; dat bleek uit alles; ook de jongens kwamen naar voren, vriendelijk en met ingenomenheid voor dezen neef, die net heette als mama had geheeten; die op henallemaalgeleek alsof hij ’n broer was, en die ’n ingenieurstitel op z’n kaartje had staan. En Bruce zelf, woedend inwendig, nu en dan zijn forsche gestalte oprichtend en zijn bakkebaarden strijkend, wierp om geen gek figuur te maken er nu en dan een woordje tusschen, zonder dat daar eigenlijk notitie van werd genomen.[98]
„Je komt toch zeker bij ons logeeren?” vroeg tot zijn ergernis, Lena haar neef.
„Dat is niet mogelijk,” zei Bruce. „Het staat niet voor het publiek, als er geen vrouw des huizes is.”
Lena haalde de schouders op en zei snel:
„Nonsense, pa. In hetpaviljoenis nog een heel goeie kamer; ik zal die in orde laten maken. Daar kan neef Jan best logeeren.”
„Dank je wel,” zei deze. „Het is heel vriendelijk, maar ik zal er geen gebruik van maken.”
„Maar waarom niet?”
„Heusch niet! Het is beter, dat ik in het logement blijf.”
Bruce dacht een oogenblik na. Het scheen, dat deze neef een onbeschaamde berenmaker was. Dat bezat geensous, verkeerde in „treurige” omstandigheden, zooals hij zelf had verklaard, en bleef „maar liever” in het logement!
„Mama zou het niet gewild hebben. Je bent de eenige bloedverwant, dien we ooit in Indië hebben gekend.”
„Weet je,” zei Voirey, thans op zijn beurt een beetje verlegen. „Ik wil het wel doen, maar onder een voorwaarde. Ik ben lang in Amerika geweest, en daar zijn we zakelijk openhartig. Uit oom’s woorden heb ik opgemaakt, dat.…enfin, dat het niet rooskleurig gesteld is met de financiën. Laat mij dan het mijne bijdragen; het hindert mij in ’t geheel niet. Integendeel. Anders zou ik niet kunnen komen.”
Bruce was vuurrood geworden; Lena zoo wit als ’n doek; de broers keken woedend en verlegen.
Met haar scherp voorstellings-vermogen dadelijk begrijpend[99]wat er zoo ongeveer was voorgevallen tusschen die twee, vóór zij erbij was gekomen, voelde zij te gelijk welk een mal figuur haar vader maakte. Zij kon hem daar niet in zoo’n verlegenheid laten zitten.
„Nu, dat zullen we wel vinden!” zei ze snel. „Dat komt vanzelf terecht. Het is dus afgesproken, dat ik morgen de logeerkamer in orde laat maken.”
„Wel zeker,” zei Bruce, zonder precies te weten, wat hij zei. „Wel zeker, dat komt vanzelf in orde.”
Voirey had wel gezien, dat iets niet in den haak was. Het had hem trouwens verwonderd, dat deze stief-oom zoo spoedig, zoo ongevraagd en geheel tegen de regelen van de altijd hoog-geroemde indische gastvrijheid, zijn leege portemonnaie omhoog had gehouden.
„Het zal misschien niet voor lang zijn,” zei hij. „Ik ga heel gauw een reisje maken in de binnenlanden.”
„Natuurlijk,” stemde Bruce toe, „hoe gauwer onder dak, hoe beter.”
„Misschien wel; het zal ervan afhangen.”
„Waarvan?”
„Van de omstandigheden. Vallen die meê, dan blijf ik; zoo niet dan ga ik weer terug.”
„Als je geen betrekking kunt krijgen.…”
„Toch niet. Als ik zie, dat er geen plaats is voor ’nmachinefabriek.”
„Een fabriek! Wou jij een fabriek oprichten, hier in Indië,” riep Bruce met een spotlach. „Waarschuw me dan, als het een naamlooze vennootschap wordt; dan neem ik er geen aandeelen in.”[100]
„Het zal niet noodig zijn. Als ik het doe, gaat het uit eigen middelen; anders doe ik het niet.”
De jongelui keken hem aan met bewondering; de oude heer glimlachte met op zijn manier een erg slim gezicht.
„Eet je ’n bordje soep mee?”
Maar neef Voirey bedankte en ging naar het hotel terug.
’n Paar dagen nadat hij zijn intrek had genomen in de buiten-logeerkamer der Bruce’s, was het ’n heel praatje op de plaats. Er werd niet weinig overdreven. Een neef van de pas gestorven mevrouw Bruce; onverwacht overgekomen; millionnair; ingenieur van beroep en fabrieken-oprichter uit liefhebberij! Men deed moeite om hem te zien te krijgen. Het regende bezoeken van rouwbeklag, zelfs van families, die men maar heel oppervlakkig kende. Dames en heeren kwamen, gingen zitten, en keken Bruce aan en Lena, eigenlijk niet goed wetend, welke gezichten ze moesten zetten om een deelneming te betuigen die gehuicheld was uit nieuwsgierigheid. Slechts als Voirey kwam en was voorgesteld, ontspon zich een gesprek, waarin men met vragen zoover ging als fatsoenshalve maar mogelijk was, en waarop hij zoo weinig antwoordde, als de beleefdheid veroorloofde. Men vond hem „gesloten.”
„Wil ik je eens wat zeggen?” zei Bruce, toen ze alleen waren, tegen zijn dochter. „Die Jan is een slimme rakker.”
„Waarom?” vroeg ze, weinig gesticht over de qualificatie.
„Hij weet op alles te antwoorden, en toch zegt hij geen woord meer dan hij kwijt wil wezen.”
„Daarin heeft hij groot gelijk.”[101]
„Apropos.Leen, het is toch maar gekheid, hé? Je zult hem niets laten betalen.”
„Zeker niet. Ik heb het hem al aan ’t verstand gebracht van middag. Wat hadt u toch gezegd?”
„Och, zie je, ik was niet in mijn humeur, en ik dacht, dat hij ook al.… zoo’n presentkaasje was.”
Voirey kwam nog even terug uit zijn kamer in de achtergalerij. Bruce zat dwars op de groote eettafel met zijn pijp in den mond, terwijl Lena haar huishoudboekje bijschreef.
„Ik ben bezig mijn koffers te ontpakken, en ik heb nu gevonden, wat ik uit New-York voor je heb meegebracht.”
Hij gaf haar een bruinleeren doos, en zij schrikte toen ze die open deed, zoo fonkelde in het licht der lamp een groote diamant op de sluiting van een fijn bewerkten maar eenvoudigen gouden halsketting haar tegen.
„Is dat voor mij?” vroeg ze met groote verwonderde oogen.
Voirey knikte glimlachend.
„Als het je bevalt. Anders is er wel wat anders te krijgen.”
„Het is te gek,” zei Bruce. „Wat ’n pracht van een steen!”
„Ja,” meende ook Lena. „’t Is zoo’n groot cadeau.”
„Nu, voor het eenige petekind van mijn moeder mag het wel in orde wezen. Als het je erg aanstaat, geef me er dan een zoen voor.”
Met ’n kleur als vuur, deed ze het, terwijl haar vader met den collier om de hand, den steen liet draaien onder het licht en bij elk verschieten der kleuren en lichten bij zichzelf herhaalde.
„’t Is kolossaal, ’t is kolossaal!”
En toen Voirey, die gauw weêr naar zijn half ontpakte[102]koffers ging, weg was, zei hij heel ernstig en niet zonder vrees.
„Berg hem vooral goed op: ik taxeer hem op twee mille.”
Zij ging naar haar kamer met ’n kloppend hart; niet, dat ze zooveel gaf om kostbare sieraden,—dat niet; ze wist zelf niet hoe het kwam, dat ze zoo zenuwachtig was geworden, door dat geschenk. Misschien was het door dien kus. Maar dat kon toch haast niet, dacht ze; hij was immers haar eigen neef. Toch kon ze er niet van slapen, en het was niet onmogelijk, dat ze, toen ze eindelijk insliep, dáárdoor droomde; maar geen aangename droomen; nare benauwde nachtmerrie’s, die haar telkens weer deden wakker schrikken, geagiteerd, met bevende handen.[103]