NEGENDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]NEGENDE HOOFDSTUK.Door een gaatje kijken en de gevolgen ervan.Ook de diamant, deed in de publieke verbeelding zeer vergroot, de ronde.’t Was een ware roman; haast ongelooflijk!’t Zal wel een mop wezen, zei George Vermey, toen hij het wonderlijk verhaal van den millioenen ingenieur hoorde in de sociëteit; maar daartegen protesteerde de heele gemeente zóó sterk en met zooveel verhalen over de enorme credieten, die Voirey bij de agentschappen der banken geopendhad, dat Vermey ten slotte alles geloofde, en een innig verdriet voelde over zijn anders nooit diep gevoelde blauwtje. Wie weet, dacht hij, vraagt hij haar niet! Nu,hemzal ze dan wel nemen uit.… liefde. Zoo zijn die nobele, fatsoenlijke meisjes!Hij zou er graag het zijne van gehad hebben, maar dat was moeilijk. Wel was hij op de begrafenis van mevrouw geweest en had ook Lena gezien en gecondoleerd, en had[104]niemand ook slechts in het minst getoond, dat er aan de oude vriendschappelijke verhouding iets haperde, maar toch kon hij geen familiaar bezoek brengen, en kreeg hij in z’n eentje een kleur als hij eraan dacht.In het „huisje” woonde Yps niet meer, en hij niet langer in het logement. Hij was, zeker voor de twintigste maal, verhuisd; altijd inboedels koopend en verkoopend, soms op venduties, soms onder de hand, steeds met vermeerdering zijner beren.Nu had hij een lief steenen huis, klein maar goed onderhouden, het maakte een allergunstigste uitzondering op de meeste indische huizen; voor een smakeloos „erf” had het een lief tuintje, door vroegere bewoners europeesch aangelegd; er waren nergens scheuren of barsten in de muren; zelfs geen wonden van afgebrokkelde stukken kalk; er zat verf, goede, glimmende grijze verf op de balken en het verder houtwerk; er was aan de deuren behoorlijke sluiting; zelfs de latjes der jaloeziën waren in orde en men kon zonder geweld te plegen de ramen sluiten van binnen. Dit wonderlijk huisje had hij erg goedkoop gehuurd, omdat er pas ’n oude juffrouw in was gestorven, en aspirant-huurders zich niet voordeden, niet omdat zij bijgeloovig waren, in ’t geheel niet! maar omdat het zoo „griezelig” was.Dáárboven was hij verheven. Een vrouw kon voor hem niets afkeerwekkends hebben, had hij lachend gezegd; ook niet als zij oud was, en in dat geval het allerminst na haar dood.Yps was met hem meegegaan; zij had geen semi-europeesche begrippen, maar echt inlandsche.[105]„Tra perdoeli,” had ze gezegd met een onverschilligen halven draai harer heupen van links naar rechts, toen Vermey, om naderhand geensoesahte hebben, haar verteld had, dat die oude juffrouw in het aardige huisje dood was gegaan. Wat kon het haar schelen? Een mensch sterft, als het zijn tijd is, had ze van haar moeder geleerd, en dat geloofde zij ook. Ze was er zelfs erg meê in haar schik.Tobat!had ze verwonderd uitgeroepen. „Lekker hier! Alles mooi, ja!” En toen ze in de slaapkamer kwam, en zag dat George een groot ouderwetsch houten ledikant had gekocht en daar een rooden hemel op had laten maken met verguld, toen werd ze heelemaal verteederd, en zich als ’n kat dicht tegen hem aanvleiend, zei ze met van genoegen en trots schitterende oogen: „Zooenak, Sors!”In dat huisje nu, leefde Vermey zonder grooter ongenoegen dan hij altijd had gedaan met een of andere „huishoudster”; vroeger ging hij veel uit naar de „kroeg”, en dan volgden er nogal eens nachtelijke uitstapjes met vrienden, van wie de kampongs gewaagden; toen wist hij ook wel dat zijn „huisgenooten” zooals hij ze met zekere ironische deftigheid noemde, hem achtereenvolgens bedrogen; maar het kon hem niet schelen; hijzelf was ook niet eenkennig, en … als ’t maar buiten hem omging.Doch in dat opzicht veranderde hij zeer. De sociëteit werd minder aantrekkelijk. Hij ging er nog wel heen, ’n paar malen in de week, maar het was eigenlijk nog slechts half van harte; want de eigenlijke liefhebberij was eruit; finaal eruit, en hij ging meer om zich eens te vertoonen, dan om het genoegen te zoeken, dat vroeger[106]zijn doel was. Met den dag werd hij meer verkikkerd op Yps; zij had hem heelemaal onder de plak gekregen, sedert hij haar betrapt haden flagrant délit; het was of zijn hartstocht voor deze driekwart-inlandsche jonge vrouw met haar fraaie, veerkrachtige vormen en de slangachtige bewegingen harer slanke figuur, met haar koolzwarte oogen en schitterend witte tanden zich eigenlijk pas recht deed gelden nadat hij een ander bij haar had aangetroffen! met een soort van wilde woede, vlamde die hartstocht op, telkens, als hij dacht aan dat incident; dan werkte zijn verbeeldingskracht, die in normalen toestand verflauwde en verzwakte, weêr met jeugdig vuur, en het was of hij Yps, nu hij haar niet om haar bedrog op straat had gezet, om datzelfde bedrog te liever had.—Terwijl hij op zijn bureau zat, en zijn administratie voerde, keurig en accuraat, dacht hij in ’t geheel niet aan dat alles; hij was bij zijn werk, heelemaal; het werd al laat, en hij moest om zonder kunstlicht te zien, zijn gouden lorgnet opzetten.„Wat is er?” vroeg hij barsch, toen iemand hem aan den arm stootte.’t Was de omgekeerde Pieterse, die zachtjes sprak, en liep als op vilten zoolen, maar zooveel te sterker gesticuleerde.„Kom eens mee meneer! Ze zijn weêr beneden.”„Och, wat kan het mij schelen!”„U kan alles zien door het gaatje.”Het maakte hem toch nieuwsgierig; nu, hij wilde wel ’reis kijken, hoe dat in zijn werk ging. Oók zachtjes op[107]de teenen loopend, volgde hij den klerk die in een hoek een oude krant op den grond openvouwde, waarop Vermey knielde, wat hem pijn deed; door het gaatje zag hij, als hij recht naar beneden keek, binnen een bepaalden cirkel, die zich een weinig uitbreidde in de richting tegenovergesteld aan die van den stand van zijn oog en dan evenveel inkromp aan de daarmeê gelijke zijde; zoo heen en weêr draaiend met zijn hoofd trachtte hij te zien, wat zijn chef deed daar beneden in het pakhuis met dien inlandschen mandoer.Het was waar, wat Esreteip had gezegd: ze scharrelden in wijnkisten; wat ze eigenlijk deden kon hij niet zien; daarvoor was het kijkgat te klein en het licht beneden, dat bovendien op den grond stond, te flauw. Maar zooveel merkte hij wel, dat het niet in den haak was.„Ik kan niet zien wat ze eigenlijk doen,” zei hij opstaande.Een inlander trok zich achter het schutsel terug, aan het andere einde in het halfduister vertrek. Toen allen naar huis waren, en ook de chef op het punt stond heen te gaan, kwam die inlander bij den mandoer en sprak met hem. En de mandoer sprak met den chef, en samen keken ze bij het licht eener bougie naar het gaatje.Bleek en vloekend ging de chef terug. Het had hem zeer aangegrepen. Zoo iets had hij nooit gedacht! Zulke brutale smeerlappen! Die durfden hem beloeren, hèm!Den volgenden dag woei er een orkaan van ongenoegen door het kantoor.Nauwelijks zat Vermey achter zijn lessenaar, of zijn chef vroeg hem naar een loopend werkje, dat zoo nu en dan[108]bij gelegenheid werd bijgehouden, maar op dit oogenblik niet gereed was.„Waarom houd-je dat niet geregeld bij?”„Het is nooit gebeurd. Het wordt zoo eens of tweemaal in de maand bijgeschreven, als er niets beters te doen is.”„Ja, dat kan me niet schelen, maar het zijn slordigheden, die niet te pas komen. ’t Moet dadelijk in orde gemaakt worden!”De chef wierp het boek neêr met een harden slag, draaide Vermey den rug toe en ging naar zijn eigen kamer.—George, bleek van kwaadheid, keek hem na met hoog opgetrokken wenkbrauwen.„Ik geloof datdievan morgen met het verkeerde been uit bed is gestapt,” zei hij in het algemeen, enlegdehet boek op zij om het in den loop van den dag bij te schrijven.Maar een kwartier later kwam zijn chef met groote drukte en beweging weer terug.„Is het klaar?”„Klaar, wel neen! Ik heb mijn gewone werk dat af moet, en dat ding kan toch dáár wel op wachten.”„Dat staat u niet te beoordeelen,” zei z’n chef met gemaakte kalmte en, het „je” en „jij” vermijdend, heel beleefd. „Ik had u opgedragen, dat te doen, en daaraan hadt u dadelijk gevolg moeten geven.”„Maar meneer.…”„Er valt niet bij te redeneeren, meneer. U hadt het moeten doen, zeg ik u. Nu gelast ik u het dadelijk te doen en zonder praatjes.”[109]„Praatjes!” zei Vermey met nijdigen spot. „Alsofikpraatjes maak!”Maar hij begon, zijn liniaal over de schrijftafel gooiend, hard schuivend met zijn stoel en smijtend met boeken en papieren, aan het bewuste werkje.Geen uur daarna werd hij geroepen. Er was een kleine fout in een rente-berekening. Het stuk werd hem als ’t ware toegeworpen.„Daar is alweer zoo’n stommiteit.”„Dat hebt u me gister al laten zien.”„Laat maar overschrijven. Het is een schande!”Vermey haalde de schouders op met een diep: Hè hè! en ging de kamer uit.Zoo ging het voort den ganschen dag. Het heele kantoor raakte den kop kwijt. Het was een aaneenschakeling van standjes, die de chef gaf aan Vermey, en die van dezen terugwerkten op zijn ondergeschikten.’s Middags tegen vijf uren had George een kleur als vuur van woede en agitatie.Rrring! daar ging de bel weer, en hij werd voor de zooveelste maal binnen geroepen. In zichzelven vloekend ging hij; ’t was natuurlijk weer een standje om ’n kleinigheid. Het was de laatste druppel.„Dat is hier op die manier niet uit te houden,” zei hij.„Neen, dat vind ik ook. Er gebeuren hier zooveel onaangename dingen, dat …”„Wat woudt u zeggen?” vroeg Vermey thans plotseling heel bedaard.„Dat het beter is een andere betrekking te zoeken.”[110]De employé was bleek geworden; het viel hem wel ’n beetje als de donder op het lijf! zijn handen trilden, en een oogenblik bekroop den chef een heel onaangenaam gevoel, toen hij dien pootigen jongen kerel zoo naast zijn lessenaar zag staan.„Ik zal je drie maanden tractement laten uitbetalen … en op mijn aanbeveling.…”Maar nu barstte Vermey los.„Uwaanbeveling?” riep hij, zonder zich in ’t minst te geneeren. „Uwaanbeveling!” en hij kraste met den achterlap van zijn schoen over den grond. „Dat geef ik omUwaanbeveling.”Het was zulk een toon van geringschatting en een manuaal van verachting, dat de andere er doodsbleek onder werd. Zoo iets was hij niet gewoon. Hij, president van dit, directie-lid van dat, mede-bestuurder van zus, commissaris van zoo, hij werden petit comitésteeds bewonderd en ééns in het jaar openbaar in couranten en verslagen.„Ik verzoek u fatsoenlijk en niet brutaal te zijn.”„Magikmijn tractement verzoeken?” vroeg Vermey zich kalm houdend.De chef, om hem zoo spoedig mogelijk weg te hebben, haalde zelf het geld van den kassier en schreef zwijgend een quitantie, die de ander even zwijgend onderteekende.„En nu zal ik je eens wat zeggen,” zei Vermey, terwijl hij het geld in z’n zak stak. „Je bent ’n verdomde ploert. Wat je toeleg is geweest, sedert van ochtend weet ik, en waarom die zoo was, is me ook duidelijk. Maar één ding zeg ik je: onthoud den dag van heden. We spreken[111]mekaar nog nader, en dan.…rira bien qui rira le dernier!”Met afgewend gezicht, kijkend uit het venster en met de vingers trommelend op den lessenaar, scheen de andere niet te luisteren.„Als u klaar bent, kunt u gaan,” zei hij in schijn rustig en uit de hoogte.Vermey ging; in de deur keek hij hem nog even aan, en zei smalend: „Tot ziens!”Op straat was het hem alsof alles was veranderd, en de geheele wereld er vreemd uitzag in een schel, valsch licht. Daar stond hij weêr zonder betrekking, wel met een aardigen duit in den zak, momenteel, maar overigens zonder iets.Hij ging ineens door naar huis, opgewonden nog en boos; stilletjes razend en tierend, en bij zichzelf herhalend, wat hij hem nog hadkunnenzeggen, wat hij hem nog hadmoetentoevoegen en wat hij hem ongetwijfeld onder den neuszouduwen, als hij nog op ’t kantoor stond in plaats langs den weg te loopen. En de mosterd van dezen gram, schoon na den maaltijd komend, prikkelde hem tot nieuwe woede.Yps trok er zich niets van aan. Toen hij haar alles had verteld, gaf zij alle maleische scheldwoorden, te harer beschikking, ten beste aan het adres van den chef, die George had weggejaagd. Voor het overige, dacht ze, moest deze maar wat anders zoeken; zij kon zich niet voorstellen, dat dit moeilijker was, dan voor een huisjongen een anderen dienst te krijgen. Hij zei daar niets op. Wat moest[112]hij zeggen? Er viel met zoo’n schepsel niet te redeneeren!Doch hij gevoelde, dat het ditmaal heel moeilijk zou gaan, nu hij een machtigen en doodelijken vijand had, die wel zou maken, dat elk kantoor ter plaatse voor hem gesloten bleef. Er zou weinig anders voor hem opzitten, dan heengaan, de plaats verlaten, en elders een betrekking zoeken. En dat moest drommels vlug gebeuren ook, want de drie maanden tractement zouden anders heel gauw op zijn.Terwijl hij in de voorgalerij alleen zat, z’n kop thee drinkend, en pikerend over ’t geen hem te doen stond, kwam de omgekeerde Pieterse het erf op, met ’n slimmen lach op z’n donker gezicht.„Wel?” vroeg Vermey. „Wat heb je aan de hand?”„Ik heb mijn ontslag.”„Zoo, heeft hij jou ook den bons gegeven?”„Neen meneer; ik heb mijn ontslag gevraagd. Ik zag wel wat het was gister.”„Dat is nog zoo dom niet. En wat zei hij?”„Hij was woedend, dat kon ik wel merken.”„En?”„Ik zal wel ’n ander baantje zoeken. Zoo erg heb ik het kantoor niet noodig. Ik verhuur dos-a-dos; mijn vrouw handelt inbatik,—soedah, ik moet wàt doen!”Gelukkige kerel! dacht Vermey; die had zooveel snaren op zijn boog, dat er wel een springen kon!„Maar hoe zou hij het te weten zijn gekomen?”„Door Samidin. Maar die krijgt van avond een pak! Ik zal mijn broers op hem afsturen.”„Je broers?”[113]„Ja ziet u meneer, zij zijn inlanders. Toen mijn vader dood was, is mijn moeder weêr getrouwd met een Javaan. Daar zijn die jongens van; zij wonen bij mij; ik ben het hoofd van het gezin!”„O, zoo! dat heb ik niet geweten.”„Die Samidin heeft achter het schutsel gestaan, toen u door het gaatje keek; hij heeft het aan den mandoer verteld, en die weer aan meneer. Maar hij zal een rammeling hebben, daar kan hijop aan!”Vermey moest erom lachen, zoo verkneuterde Esreteip zich in het pak slaag, dat voor dien inlander, die hem verraden had, was weggelegd; dat liet hem nu zoo onverschillig!„Wat gaatudoen, meneer?” vroeg de bezoeker.„Dat weet ik nog niet.”Verrast keek Vermey hem aan.„Hoe dat zoo?”„Ach, meneer! hij zal u overal zwart maken en u belasteren hier op de plaats. Geloof mij, hier is niets meer voor u. Maar ik zal hem wel krijgen!”Het was, meende George, hoogst opmerkelijk, zoo goed als die soort van menschen hun medemenschen wisten te beoordeelen in het minder goede.Toen hij den volgenden dag ’s avonds de courant las schrikte hij. Daar stond een bericht over een.…. moord. De inlander Samidin, bediende op dit en dat kantoor, was door andere inlanders aangevallen, en zóó met knuppels geslagen, dat hij voor dood was blijven liggen. De ronde die hem vond, bracht hem naar het stadsverband, waar hij in den nacht overleed, zonder tot bewustzijn te zijn gekomen. Daders onbekend.[114]De chef van het kantoor had den mandoer laten roepen, en vertelde dezen, wat in de courant stond; demandoerknikte; hij wist het al.„Het zijn de broers van meneer Esreteip,” zei hij.„Ik zou maar daarover zwijgen. Zorg liever, dat je ’s avonds niet dan gewapend uitgaat.”„Dat is niet noodig, meneer. Men zal mij geen letsel doen, en u ook niet.”„Ik zou er maar niet te veel op vertrouwen.”„Zooals meneer verlangt.”En Vermey, angstig, zei den volgenden dag toen Esreteip bij hem kwam, met zijn vloek:„Dat is ’n mooi zaakje!”„Wat meneer?”„Houd je nu maar niet zoo dom, zeg! Je weet heel goed, dat ze Samidin gemold hebben.”„Dat heb ik gehoord, meneer. Maar mijn broers weten van niets; die heb ik er nog niet eens over gesproken. Het is toevallig, maar nu hoeft het niet meer. Ik wil nou voor de aardigheid maar eens weten, wat er in die kisten zit.”[115]

[Inhoud]NEGENDE HOOFDSTUK.Door een gaatje kijken en de gevolgen ervan.Ook de diamant, deed in de publieke verbeelding zeer vergroot, de ronde.’t Was een ware roman; haast ongelooflijk!’t Zal wel een mop wezen, zei George Vermey, toen hij het wonderlijk verhaal van den millioenen ingenieur hoorde in de sociëteit; maar daartegen protesteerde de heele gemeente zóó sterk en met zooveel verhalen over de enorme credieten, die Voirey bij de agentschappen der banken geopendhad, dat Vermey ten slotte alles geloofde, en een innig verdriet voelde over zijn anders nooit diep gevoelde blauwtje. Wie weet, dacht hij, vraagt hij haar niet! Nu,hemzal ze dan wel nemen uit.… liefde. Zoo zijn die nobele, fatsoenlijke meisjes!Hij zou er graag het zijne van gehad hebben, maar dat was moeilijk. Wel was hij op de begrafenis van mevrouw geweest en had ook Lena gezien en gecondoleerd, en had[104]niemand ook slechts in het minst getoond, dat er aan de oude vriendschappelijke verhouding iets haperde, maar toch kon hij geen familiaar bezoek brengen, en kreeg hij in z’n eentje een kleur als hij eraan dacht.In het „huisje” woonde Yps niet meer, en hij niet langer in het logement. Hij was, zeker voor de twintigste maal, verhuisd; altijd inboedels koopend en verkoopend, soms op venduties, soms onder de hand, steeds met vermeerdering zijner beren.Nu had hij een lief steenen huis, klein maar goed onderhouden, het maakte een allergunstigste uitzondering op de meeste indische huizen; voor een smakeloos „erf” had het een lief tuintje, door vroegere bewoners europeesch aangelegd; er waren nergens scheuren of barsten in de muren; zelfs geen wonden van afgebrokkelde stukken kalk; er zat verf, goede, glimmende grijze verf op de balken en het verder houtwerk; er was aan de deuren behoorlijke sluiting; zelfs de latjes der jaloeziën waren in orde en men kon zonder geweld te plegen de ramen sluiten van binnen. Dit wonderlijk huisje had hij erg goedkoop gehuurd, omdat er pas ’n oude juffrouw in was gestorven, en aspirant-huurders zich niet voordeden, niet omdat zij bijgeloovig waren, in ’t geheel niet! maar omdat het zoo „griezelig” was.Dáárboven was hij verheven. Een vrouw kon voor hem niets afkeerwekkends hebben, had hij lachend gezegd; ook niet als zij oud was, en in dat geval het allerminst na haar dood.Yps was met hem meegegaan; zij had geen semi-europeesche begrippen, maar echt inlandsche.[105]„Tra perdoeli,” had ze gezegd met een onverschilligen halven draai harer heupen van links naar rechts, toen Vermey, om naderhand geensoesahte hebben, haar verteld had, dat die oude juffrouw in het aardige huisje dood was gegaan. Wat kon het haar schelen? Een mensch sterft, als het zijn tijd is, had ze van haar moeder geleerd, en dat geloofde zij ook. Ze was er zelfs erg meê in haar schik.Tobat!had ze verwonderd uitgeroepen. „Lekker hier! Alles mooi, ja!” En toen ze in de slaapkamer kwam, en zag dat George een groot ouderwetsch houten ledikant had gekocht en daar een rooden hemel op had laten maken met verguld, toen werd ze heelemaal verteederd, en zich als ’n kat dicht tegen hem aanvleiend, zei ze met van genoegen en trots schitterende oogen: „Zooenak, Sors!”In dat huisje nu, leefde Vermey zonder grooter ongenoegen dan hij altijd had gedaan met een of andere „huishoudster”; vroeger ging hij veel uit naar de „kroeg”, en dan volgden er nogal eens nachtelijke uitstapjes met vrienden, van wie de kampongs gewaagden; toen wist hij ook wel dat zijn „huisgenooten” zooals hij ze met zekere ironische deftigheid noemde, hem achtereenvolgens bedrogen; maar het kon hem niet schelen; hijzelf was ook niet eenkennig, en … als ’t maar buiten hem omging.Doch in dat opzicht veranderde hij zeer. De sociëteit werd minder aantrekkelijk. Hij ging er nog wel heen, ’n paar malen in de week, maar het was eigenlijk nog slechts half van harte; want de eigenlijke liefhebberij was eruit; finaal eruit, en hij ging meer om zich eens te vertoonen, dan om het genoegen te zoeken, dat vroeger[106]zijn doel was. Met den dag werd hij meer verkikkerd op Yps; zij had hem heelemaal onder de plak gekregen, sedert hij haar betrapt haden flagrant délit; het was of zijn hartstocht voor deze driekwart-inlandsche jonge vrouw met haar fraaie, veerkrachtige vormen en de slangachtige bewegingen harer slanke figuur, met haar koolzwarte oogen en schitterend witte tanden zich eigenlijk pas recht deed gelden nadat hij een ander bij haar had aangetroffen! met een soort van wilde woede, vlamde die hartstocht op, telkens, als hij dacht aan dat incident; dan werkte zijn verbeeldingskracht, die in normalen toestand verflauwde en verzwakte, weêr met jeugdig vuur, en het was of hij Yps, nu hij haar niet om haar bedrog op straat had gezet, om datzelfde bedrog te liever had.—Terwijl hij op zijn bureau zat, en zijn administratie voerde, keurig en accuraat, dacht hij in ’t geheel niet aan dat alles; hij was bij zijn werk, heelemaal; het werd al laat, en hij moest om zonder kunstlicht te zien, zijn gouden lorgnet opzetten.„Wat is er?” vroeg hij barsch, toen iemand hem aan den arm stootte.’t Was de omgekeerde Pieterse, die zachtjes sprak, en liep als op vilten zoolen, maar zooveel te sterker gesticuleerde.„Kom eens mee meneer! Ze zijn weêr beneden.”„Och, wat kan het mij schelen!”„U kan alles zien door het gaatje.”Het maakte hem toch nieuwsgierig; nu, hij wilde wel ’reis kijken, hoe dat in zijn werk ging. Oók zachtjes op[107]de teenen loopend, volgde hij den klerk die in een hoek een oude krant op den grond openvouwde, waarop Vermey knielde, wat hem pijn deed; door het gaatje zag hij, als hij recht naar beneden keek, binnen een bepaalden cirkel, die zich een weinig uitbreidde in de richting tegenovergesteld aan die van den stand van zijn oog en dan evenveel inkromp aan de daarmeê gelijke zijde; zoo heen en weêr draaiend met zijn hoofd trachtte hij te zien, wat zijn chef deed daar beneden in het pakhuis met dien inlandschen mandoer.Het was waar, wat Esreteip had gezegd: ze scharrelden in wijnkisten; wat ze eigenlijk deden kon hij niet zien; daarvoor was het kijkgat te klein en het licht beneden, dat bovendien op den grond stond, te flauw. Maar zooveel merkte hij wel, dat het niet in den haak was.„Ik kan niet zien wat ze eigenlijk doen,” zei hij opstaande.Een inlander trok zich achter het schutsel terug, aan het andere einde in het halfduister vertrek. Toen allen naar huis waren, en ook de chef op het punt stond heen te gaan, kwam die inlander bij den mandoer en sprak met hem. En de mandoer sprak met den chef, en samen keken ze bij het licht eener bougie naar het gaatje.Bleek en vloekend ging de chef terug. Het had hem zeer aangegrepen. Zoo iets had hij nooit gedacht! Zulke brutale smeerlappen! Die durfden hem beloeren, hèm!Den volgenden dag woei er een orkaan van ongenoegen door het kantoor.Nauwelijks zat Vermey achter zijn lessenaar, of zijn chef vroeg hem naar een loopend werkje, dat zoo nu en dan[108]bij gelegenheid werd bijgehouden, maar op dit oogenblik niet gereed was.„Waarom houd-je dat niet geregeld bij?”„Het is nooit gebeurd. Het wordt zoo eens of tweemaal in de maand bijgeschreven, als er niets beters te doen is.”„Ja, dat kan me niet schelen, maar het zijn slordigheden, die niet te pas komen. ’t Moet dadelijk in orde gemaakt worden!”De chef wierp het boek neêr met een harden slag, draaide Vermey den rug toe en ging naar zijn eigen kamer.—George, bleek van kwaadheid, keek hem na met hoog opgetrokken wenkbrauwen.„Ik geloof datdievan morgen met het verkeerde been uit bed is gestapt,” zei hij in het algemeen, enlegdehet boek op zij om het in den loop van den dag bij te schrijven.Maar een kwartier later kwam zijn chef met groote drukte en beweging weer terug.„Is het klaar?”„Klaar, wel neen! Ik heb mijn gewone werk dat af moet, en dat ding kan toch dáár wel op wachten.”„Dat staat u niet te beoordeelen,” zei z’n chef met gemaakte kalmte en, het „je” en „jij” vermijdend, heel beleefd. „Ik had u opgedragen, dat te doen, en daaraan hadt u dadelijk gevolg moeten geven.”„Maar meneer.…”„Er valt niet bij te redeneeren, meneer. U hadt het moeten doen, zeg ik u. Nu gelast ik u het dadelijk te doen en zonder praatjes.”[109]„Praatjes!” zei Vermey met nijdigen spot. „Alsofikpraatjes maak!”Maar hij begon, zijn liniaal over de schrijftafel gooiend, hard schuivend met zijn stoel en smijtend met boeken en papieren, aan het bewuste werkje.Geen uur daarna werd hij geroepen. Er was een kleine fout in een rente-berekening. Het stuk werd hem als ’t ware toegeworpen.„Daar is alweer zoo’n stommiteit.”„Dat hebt u me gister al laten zien.”„Laat maar overschrijven. Het is een schande!”Vermey haalde de schouders op met een diep: Hè hè! en ging de kamer uit.Zoo ging het voort den ganschen dag. Het heele kantoor raakte den kop kwijt. Het was een aaneenschakeling van standjes, die de chef gaf aan Vermey, en die van dezen terugwerkten op zijn ondergeschikten.’s Middags tegen vijf uren had George een kleur als vuur van woede en agitatie.Rrring! daar ging de bel weer, en hij werd voor de zooveelste maal binnen geroepen. In zichzelven vloekend ging hij; ’t was natuurlijk weer een standje om ’n kleinigheid. Het was de laatste druppel.„Dat is hier op die manier niet uit te houden,” zei hij.„Neen, dat vind ik ook. Er gebeuren hier zooveel onaangename dingen, dat …”„Wat woudt u zeggen?” vroeg Vermey thans plotseling heel bedaard.„Dat het beter is een andere betrekking te zoeken.”[110]De employé was bleek geworden; het viel hem wel ’n beetje als de donder op het lijf! zijn handen trilden, en een oogenblik bekroop den chef een heel onaangenaam gevoel, toen hij dien pootigen jongen kerel zoo naast zijn lessenaar zag staan.„Ik zal je drie maanden tractement laten uitbetalen … en op mijn aanbeveling.…”Maar nu barstte Vermey los.„Uwaanbeveling?” riep hij, zonder zich in ’t minst te geneeren. „Uwaanbeveling!” en hij kraste met den achterlap van zijn schoen over den grond. „Dat geef ik omUwaanbeveling.”Het was zulk een toon van geringschatting en een manuaal van verachting, dat de andere er doodsbleek onder werd. Zoo iets was hij niet gewoon. Hij, president van dit, directie-lid van dat, mede-bestuurder van zus, commissaris van zoo, hij werden petit comitésteeds bewonderd en ééns in het jaar openbaar in couranten en verslagen.„Ik verzoek u fatsoenlijk en niet brutaal te zijn.”„Magikmijn tractement verzoeken?” vroeg Vermey zich kalm houdend.De chef, om hem zoo spoedig mogelijk weg te hebben, haalde zelf het geld van den kassier en schreef zwijgend een quitantie, die de ander even zwijgend onderteekende.„En nu zal ik je eens wat zeggen,” zei Vermey, terwijl hij het geld in z’n zak stak. „Je bent ’n verdomde ploert. Wat je toeleg is geweest, sedert van ochtend weet ik, en waarom die zoo was, is me ook duidelijk. Maar één ding zeg ik je: onthoud den dag van heden. We spreken[111]mekaar nog nader, en dan.…rira bien qui rira le dernier!”Met afgewend gezicht, kijkend uit het venster en met de vingers trommelend op den lessenaar, scheen de andere niet te luisteren.„Als u klaar bent, kunt u gaan,” zei hij in schijn rustig en uit de hoogte.Vermey ging; in de deur keek hij hem nog even aan, en zei smalend: „Tot ziens!”Op straat was het hem alsof alles was veranderd, en de geheele wereld er vreemd uitzag in een schel, valsch licht. Daar stond hij weêr zonder betrekking, wel met een aardigen duit in den zak, momenteel, maar overigens zonder iets.Hij ging ineens door naar huis, opgewonden nog en boos; stilletjes razend en tierend, en bij zichzelf herhalend, wat hij hem nog hadkunnenzeggen, wat hij hem nog hadmoetentoevoegen en wat hij hem ongetwijfeld onder den neuszouduwen, als hij nog op ’t kantoor stond in plaats langs den weg te loopen. En de mosterd van dezen gram, schoon na den maaltijd komend, prikkelde hem tot nieuwe woede.Yps trok er zich niets van aan. Toen hij haar alles had verteld, gaf zij alle maleische scheldwoorden, te harer beschikking, ten beste aan het adres van den chef, die George had weggejaagd. Voor het overige, dacht ze, moest deze maar wat anders zoeken; zij kon zich niet voorstellen, dat dit moeilijker was, dan voor een huisjongen een anderen dienst te krijgen. Hij zei daar niets op. Wat moest[112]hij zeggen? Er viel met zoo’n schepsel niet te redeneeren!Doch hij gevoelde, dat het ditmaal heel moeilijk zou gaan, nu hij een machtigen en doodelijken vijand had, die wel zou maken, dat elk kantoor ter plaatse voor hem gesloten bleef. Er zou weinig anders voor hem opzitten, dan heengaan, de plaats verlaten, en elders een betrekking zoeken. En dat moest drommels vlug gebeuren ook, want de drie maanden tractement zouden anders heel gauw op zijn.Terwijl hij in de voorgalerij alleen zat, z’n kop thee drinkend, en pikerend over ’t geen hem te doen stond, kwam de omgekeerde Pieterse het erf op, met ’n slimmen lach op z’n donker gezicht.„Wel?” vroeg Vermey. „Wat heb je aan de hand?”„Ik heb mijn ontslag.”„Zoo, heeft hij jou ook den bons gegeven?”„Neen meneer; ik heb mijn ontslag gevraagd. Ik zag wel wat het was gister.”„Dat is nog zoo dom niet. En wat zei hij?”„Hij was woedend, dat kon ik wel merken.”„En?”„Ik zal wel ’n ander baantje zoeken. Zoo erg heb ik het kantoor niet noodig. Ik verhuur dos-a-dos; mijn vrouw handelt inbatik,—soedah, ik moet wàt doen!”Gelukkige kerel! dacht Vermey; die had zooveel snaren op zijn boog, dat er wel een springen kon!„Maar hoe zou hij het te weten zijn gekomen?”„Door Samidin. Maar die krijgt van avond een pak! Ik zal mijn broers op hem afsturen.”„Je broers?”[113]„Ja ziet u meneer, zij zijn inlanders. Toen mijn vader dood was, is mijn moeder weêr getrouwd met een Javaan. Daar zijn die jongens van; zij wonen bij mij; ik ben het hoofd van het gezin!”„O, zoo! dat heb ik niet geweten.”„Die Samidin heeft achter het schutsel gestaan, toen u door het gaatje keek; hij heeft het aan den mandoer verteld, en die weer aan meneer. Maar hij zal een rammeling hebben, daar kan hijop aan!”Vermey moest erom lachen, zoo verkneuterde Esreteip zich in het pak slaag, dat voor dien inlander, die hem verraden had, was weggelegd; dat liet hem nu zoo onverschillig!„Wat gaatudoen, meneer?” vroeg de bezoeker.„Dat weet ik nog niet.”Verrast keek Vermey hem aan.„Hoe dat zoo?”„Ach, meneer! hij zal u overal zwart maken en u belasteren hier op de plaats. Geloof mij, hier is niets meer voor u. Maar ik zal hem wel krijgen!”Het was, meende George, hoogst opmerkelijk, zoo goed als die soort van menschen hun medemenschen wisten te beoordeelen in het minder goede.Toen hij den volgenden dag ’s avonds de courant las schrikte hij. Daar stond een bericht over een.…. moord. De inlander Samidin, bediende op dit en dat kantoor, was door andere inlanders aangevallen, en zóó met knuppels geslagen, dat hij voor dood was blijven liggen. De ronde die hem vond, bracht hem naar het stadsverband, waar hij in den nacht overleed, zonder tot bewustzijn te zijn gekomen. Daders onbekend.[114]De chef van het kantoor had den mandoer laten roepen, en vertelde dezen, wat in de courant stond; demandoerknikte; hij wist het al.„Het zijn de broers van meneer Esreteip,” zei hij.„Ik zou maar daarover zwijgen. Zorg liever, dat je ’s avonds niet dan gewapend uitgaat.”„Dat is niet noodig, meneer. Men zal mij geen letsel doen, en u ook niet.”„Ik zou er maar niet te veel op vertrouwen.”„Zooals meneer verlangt.”En Vermey, angstig, zei den volgenden dag toen Esreteip bij hem kwam, met zijn vloek:„Dat is ’n mooi zaakje!”„Wat meneer?”„Houd je nu maar niet zoo dom, zeg! Je weet heel goed, dat ze Samidin gemold hebben.”„Dat heb ik gehoord, meneer. Maar mijn broers weten van niets; die heb ik er nog niet eens over gesproken. Het is toevallig, maar nu hoeft het niet meer. Ik wil nou voor de aardigheid maar eens weten, wat er in die kisten zit.”[115]

NEGENDE HOOFDSTUK.Door een gaatje kijken en de gevolgen ervan.

Ook de diamant, deed in de publieke verbeelding zeer vergroot, de ronde.’t Was een ware roman; haast ongelooflijk!’t Zal wel een mop wezen, zei George Vermey, toen hij het wonderlijk verhaal van den millioenen ingenieur hoorde in de sociëteit; maar daartegen protesteerde de heele gemeente zóó sterk en met zooveel verhalen over de enorme credieten, die Voirey bij de agentschappen der banken geopendhad, dat Vermey ten slotte alles geloofde, en een innig verdriet voelde over zijn anders nooit diep gevoelde blauwtje. Wie weet, dacht hij, vraagt hij haar niet! Nu,hemzal ze dan wel nemen uit.… liefde. Zoo zijn die nobele, fatsoenlijke meisjes!Hij zou er graag het zijne van gehad hebben, maar dat was moeilijk. Wel was hij op de begrafenis van mevrouw geweest en had ook Lena gezien en gecondoleerd, en had[104]niemand ook slechts in het minst getoond, dat er aan de oude vriendschappelijke verhouding iets haperde, maar toch kon hij geen familiaar bezoek brengen, en kreeg hij in z’n eentje een kleur als hij eraan dacht.In het „huisje” woonde Yps niet meer, en hij niet langer in het logement. Hij was, zeker voor de twintigste maal, verhuisd; altijd inboedels koopend en verkoopend, soms op venduties, soms onder de hand, steeds met vermeerdering zijner beren.Nu had hij een lief steenen huis, klein maar goed onderhouden, het maakte een allergunstigste uitzondering op de meeste indische huizen; voor een smakeloos „erf” had het een lief tuintje, door vroegere bewoners europeesch aangelegd; er waren nergens scheuren of barsten in de muren; zelfs geen wonden van afgebrokkelde stukken kalk; er zat verf, goede, glimmende grijze verf op de balken en het verder houtwerk; er was aan de deuren behoorlijke sluiting; zelfs de latjes der jaloeziën waren in orde en men kon zonder geweld te plegen de ramen sluiten van binnen. Dit wonderlijk huisje had hij erg goedkoop gehuurd, omdat er pas ’n oude juffrouw in was gestorven, en aspirant-huurders zich niet voordeden, niet omdat zij bijgeloovig waren, in ’t geheel niet! maar omdat het zoo „griezelig” was.Dáárboven was hij verheven. Een vrouw kon voor hem niets afkeerwekkends hebben, had hij lachend gezegd; ook niet als zij oud was, en in dat geval het allerminst na haar dood.Yps was met hem meegegaan; zij had geen semi-europeesche begrippen, maar echt inlandsche.[105]„Tra perdoeli,” had ze gezegd met een onverschilligen halven draai harer heupen van links naar rechts, toen Vermey, om naderhand geensoesahte hebben, haar verteld had, dat die oude juffrouw in het aardige huisje dood was gegaan. Wat kon het haar schelen? Een mensch sterft, als het zijn tijd is, had ze van haar moeder geleerd, en dat geloofde zij ook. Ze was er zelfs erg meê in haar schik.Tobat!had ze verwonderd uitgeroepen. „Lekker hier! Alles mooi, ja!” En toen ze in de slaapkamer kwam, en zag dat George een groot ouderwetsch houten ledikant had gekocht en daar een rooden hemel op had laten maken met verguld, toen werd ze heelemaal verteederd, en zich als ’n kat dicht tegen hem aanvleiend, zei ze met van genoegen en trots schitterende oogen: „Zooenak, Sors!”In dat huisje nu, leefde Vermey zonder grooter ongenoegen dan hij altijd had gedaan met een of andere „huishoudster”; vroeger ging hij veel uit naar de „kroeg”, en dan volgden er nogal eens nachtelijke uitstapjes met vrienden, van wie de kampongs gewaagden; toen wist hij ook wel dat zijn „huisgenooten” zooals hij ze met zekere ironische deftigheid noemde, hem achtereenvolgens bedrogen; maar het kon hem niet schelen; hijzelf was ook niet eenkennig, en … als ’t maar buiten hem omging.Doch in dat opzicht veranderde hij zeer. De sociëteit werd minder aantrekkelijk. Hij ging er nog wel heen, ’n paar malen in de week, maar het was eigenlijk nog slechts half van harte; want de eigenlijke liefhebberij was eruit; finaal eruit, en hij ging meer om zich eens te vertoonen, dan om het genoegen te zoeken, dat vroeger[106]zijn doel was. Met den dag werd hij meer verkikkerd op Yps; zij had hem heelemaal onder de plak gekregen, sedert hij haar betrapt haden flagrant délit; het was of zijn hartstocht voor deze driekwart-inlandsche jonge vrouw met haar fraaie, veerkrachtige vormen en de slangachtige bewegingen harer slanke figuur, met haar koolzwarte oogen en schitterend witte tanden zich eigenlijk pas recht deed gelden nadat hij een ander bij haar had aangetroffen! met een soort van wilde woede, vlamde die hartstocht op, telkens, als hij dacht aan dat incident; dan werkte zijn verbeeldingskracht, die in normalen toestand verflauwde en verzwakte, weêr met jeugdig vuur, en het was of hij Yps, nu hij haar niet om haar bedrog op straat had gezet, om datzelfde bedrog te liever had.—Terwijl hij op zijn bureau zat, en zijn administratie voerde, keurig en accuraat, dacht hij in ’t geheel niet aan dat alles; hij was bij zijn werk, heelemaal; het werd al laat, en hij moest om zonder kunstlicht te zien, zijn gouden lorgnet opzetten.„Wat is er?” vroeg hij barsch, toen iemand hem aan den arm stootte.’t Was de omgekeerde Pieterse, die zachtjes sprak, en liep als op vilten zoolen, maar zooveel te sterker gesticuleerde.„Kom eens mee meneer! Ze zijn weêr beneden.”„Och, wat kan het mij schelen!”„U kan alles zien door het gaatje.”Het maakte hem toch nieuwsgierig; nu, hij wilde wel ’reis kijken, hoe dat in zijn werk ging. Oók zachtjes op[107]de teenen loopend, volgde hij den klerk die in een hoek een oude krant op den grond openvouwde, waarop Vermey knielde, wat hem pijn deed; door het gaatje zag hij, als hij recht naar beneden keek, binnen een bepaalden cirkel, die zich een weinig uitbreidde in de richting tegenovergesteld aan die van den stand van zijn oog en dan evenveel inkromp aan de daarmeê gelijke zijde; zoo heen en weêr draaiend met zijn hoofd trachtte hij te zien, wat zijn chef deed daar beneden in het pakhuis met dien inlandschen mandoer.Het was waar, wat Esreteip had gezegd: ze scharrelden in wijnkisten; wat ze eigenlijk deden kon hij niet zien; daarvoor was het kijkgat te klein en het licht beneden, dat bovendien op den grond stond, te flauw. Maar zooveel merkte hij wel, dat het niet in den haak was.„Ik kan niet zien wat ze eigenlijk doen,” zei hij opstaande.Een inlander trok zich achter het schutsel terug, aan het andere einde in het halfduister vertrek. Toen allen naar huis waren, en ook de chef op het punt stond heen te gaan, kwam die inlander bij den mandoer en sprak met hem. En de mandoer sprak met den chef, en samen keken ze bij het licht eener bougie naar het gaatje.Bleek en vloekend ging de chef terug. Het had hem zeer aangegrepen. Zoo iets had hij nooit gedacht! Zulke brutale smeerlappen! Die durfden hem beloeren, hèm!Den volgenden dag woei er een orkaan van ongenoegen door het kantoor.Nauwelijks zat Vermey achter zijn lessenaar, of zijn chef vroeg hem naar een loopend werkje, dat zoo nu en dan[108]bij gelegenheid werd bijgehouden, maar op dit oogenblik niet gereed was.„Waarom houd-je dat niet geregeld bij?”„Het is nooit gebeurd. Het wordt zoo eens of tweemaal in de maand bijgeschreven, als er niets beters te doen is.”„Ja, dat kan me niet schelen, maar het zijn slordigheden, die niet te pas komen. ’t Moet dadelijk in orde gemaakt worden!”De chef wierp het boek neêr met een harden slag, draaide Vermey den rug toe en ging naar zijn eigen kamer.—George, bleek van kwaadheid, keek hem na met hoog opgetrokken wenkbrauwen.„Ik geloof datdievan morgen met het verkeerde been uit bed is gestapt,” zei hij in het algemeen, enlegdehet boek op zij om het in den loop van den dag bij te schrijven.Maar een kwartier later kwam zijn chef met groote drukte en beweging weer terug.„Is het klaar?”„Klaar, wel neen! Ik heb mijn gewone werk dat af moet, en dat ding kan toch dáár wel op wachten.”„Dat staat u niet te beoordeelen,” zei z’n chef met gemaakte kalmte en, het „je” en „jij” vermijdend, heel beleefd. „Ik had u opgedragen, dat te doen, en daaraan hadt u dadelijk gevolg moeten geven.”„Maar meneer.…”„Er valt niet bij te redeneeren, meneer. U hadt het moeten doen, zeg ik u. Nu gelast ik u het dadelijk te doen en zonder praatjes.”[109]„Praatjes!” zei Vermey met nijdigen spot. „Alsofikpraatjes maak!”Maar hij begon, zijn liniaal over de schrijftafel gooiend, hard schuivend met zijn stoel en smijtend met boeken en papieren, aan het bewuste werkje.Geen uur daarna werd hij geroepen. Er was een kleine fout in een rente-berekening. Het stuk werd hem als ’t ware toegeworpen.„Daar is alweer zoo’n stommiteit.”„Dat hebt u me gister al laten zien.”„Laat maar overschrijven. Het is een schande!”Vermey haalde de schouders op met een diep: Hè hè! en ging de kamer uit.Zoo ging het voort den ganschen dag. Het heele kantoor raakte den kop kwijt. Het was een aaneenschakeling van standjes, die de chef gaf aan Vermey, en die van dezen terugwerkten op zijn ondergeschikten.’s Middags tegen vijf uren had George een kleur als vuur van woede en agitatie.Rrring! daar ging de bel weer, en hij werd voor de zooveelste maal binnen geroepen. In zichzelven vloekend ging hij; ’t was natuurlijk weer een standje om ’n kleinigheid. Het was de laatste druppel.„Dat is hier op die manier niet uit te houden,” zei hij.„Neen, dat vind ik ook. Er gebeuren hier zooveel onaangename dingen, dat …”„Wat woudt u zeggen?” vroeg Vermey thans plotseling heel bedaard.„Dat het beter is een andere betrekking te zoeken.”[110]De employé was bleek geworden; het viel hem wel ’n beetje als de donder op het lijf! zijn handen trilden, en een oogenblik bekroop den chef een heel onaangenaam gevoel, toen hij dien pootigen jongen kerel zoo naast zijn lessenaar zag staan.„Ik zal je drie maanden tractement laten uitbetalen … en op mijn aanbeveling.…”Maar nu barstte Vermey los.„Uwaanbeveling?” riep hij, zonder zich in ’t minst te geneeren. „Uwaanbeveling!” en hij kraste met den achterlap van zijn schoen over den grond. „Dat geef ik omUwaanbeveling.”Het was zulk een toon van geringschatting en een manuaal van verachting, dat de andere er doodsbleek onder werd. Zoo iets was hij niet gewoon. Hij, president van dit, directie-lid van dat, mede-bestuurder van zus, commissaris van zoo, hij werden petit comitésteeds bewonderd en ééns in het jaar openbaar in couranten en verslagen.„Ik verzoek u fatsoenlijk en niet brutaal te zijn.”„Magikmijn tractement verzoeken?” vroeg Vermey zich kalm houdend.De chef, om hem zoo spoedig mogelijk weg te hebben, haalde zelf het geld van den kassier en schreef zwijgend een quitantie, die de ander even zwijgend onderteekende.„En nu zal ik je eens wat zeggen,” zei Vermey, terwijl hij het geld in z’n zak stak. „Je bent ’n verdomde ploert. Wat je toeleg is geweest, sedert van ochtend weet ik, en waarom die zoo was, is me ook duidelijk. Maar één ding zeg ik je: onthoud den dag van heden. We spreken[111]mekaar nog nader, en dan.…rira bien qui rira le dernier!”Met afgewend gezicht, kijkend uit het venster en met de vingers trommelend op den lessenaar, scheen de andere niet te luisteren.„Als u klaar bent, kunt u gaan,” zei hij in schijn rustig en uit de hoogte.Vermey ging; in de deur keek hij hem nog even aan, en zei smalend: „Tot ziens!”Op straat was het hem alsof alles was veranderd, en de geheele wereld er vreemd uitzag in een schel, valsch licht. Daar stond hij weêr zonder betrekking, wel met een aardigen duit in den zak, momenteel, maar overigens zonder iets.Hij ging ineens door naar huis, opgewonden nog en boos; stilletjes razend en tierend, en bij zichzelf herhalend, wat hij hem nog hadkunnenzeggen, wat hij hem nog hadmoetentoevoegen en wat hij hem ongetwijfeld onder den neuszouduwen, als hij nog op ’t kantoor stond in plaats langs den weg te loopen. En de mosterd van dezen gram, schoon na den maaltijd komend, prikkelde hem tot nieuwe woede.Yps trok er zich niets van aan. Toen hij haar alles had verteld, gaf zij alle maleische scheldwoorden, te harer beschikking, ten beste aan het adres van den chef, die George had weggejaagd. Voor het overige, dacht ze, moest deze maar wat anders zoeken; zij kon zich niet voorstellen, dat dit moeilijker was, dan voor een huisjongen een anderen dienst te krijgen. Hij zei daar niets op. Wat moest[112]hij zeggen? Er viel met zoo’n schepsel niet te redeneeren!Doch hij gevoelde, dat het ditmaal heel moeilijk zou gaan, nu hij een machtigen en doodelijken vijand had, die wel zou maken, dat elk kantoor ter plaatse voor hem gesloten bleef. Er zou weinig anders voor hem opzitten, dan heengaan, de plaats verlaten, en elders een betrekking zoeken. En dat moest drommels vlug gebeuren ook, want de drie maanden tractement zouden anders heel gauw op zijn.Terwijl hij in de voorgalerij alleen zat, z’n kop thee drinkend, en pikerend over ’t geen hem te doen stond, kwam de omgekeerde Pieterse het erf op, met ’n slimmen lach op z’n donker gezicht.„Wel?” vroeg Vermey. „Wat heb je aan de hand?”„Ik heb mijn ontslag.”„Zoo, heeft hij jou ook den bons gegeven?”„Neen meneer; ik heb mijn ontslag gevraagd. Ik zag wel wat het was gister.”„Dat is nog zoo dom niet. En wat zei hij?”„Hij was woedend, dat kon ik wel merken.”„En?”„Ik zal wel ’n ander baantje zoeken. Zoo erg heb ik het kantoor niet noodig. Ik verhuur dos-a-dos; mijn vrouw handelt inbatik,—soedah, ik moet wàt doen!”Gelukkige kerel! dacht Vermey; die had zooveel snaren op zijn boog, dat er wel een springen kon!„Maar hoe zou hij het te weten zijn gekomen?”„Door Samidin. Maar die krijgt van avond een pak! Ik zal mijn broers op hem afsturen.”„Je broers?”[113]„Ja ziet u meneer, zij zijn inlanders. Toen mijn vader dood was, is mijn moeder weêr getrouwd met een Javaan. Daar zijn die jongens van; zij wonen bij mij; ik ben het hoofd van het gezin!”„O, zoo! dat heb ik niet geweten.”„Die Samidin heeft achter het schutsel gestaan, toen u door het gaatje keek; hij heeft het aan den mandoer verteld, en die weer aan meneer. Maar hij zal een rammeling hebben, daar kan hijop aan!”Vermey moest erom lachen, zoo verkneuterde Esreteip zich in het pak slaag, dat voor dien inlander, die hem verraden had, was weggelegd; dat liet hem nu zoo onverschillig!„Wat gaatudoen, meneer?” vroeg de bezoeker.„Dat weet ik nog niet.”Verrast keek Vermey hem aan.„Hoe dat zoo?”„Ach, meneer! hij zal u overal zwart maken en u belasteren hier op de plaats. Geloof mij, hier is niets meer voor u. Maar ik zal hem wel krijgen!”Het was, meende George, hoogst opmerkelijk, zoo goed als die soort van menschen hun medemenschen wisten te beoordeelen in het minder goede.Toen hij den volgenden dag ’s avonds de courant las schrikte hij. Daar stond een bericht over een.…. moord. De inlander Samidin, bediende op dit en dat kantoor, was door andere inlanders aangevallen, en zóó met knuppels geslagen, dat hij voor dood was blijven liggen. De ronde die hem vond, bracht hem naar het stadsverband, waar hij in den nacht overleed, zonder tot bewustzijn te zijn gekomen. Daders onbekend.[114]De chef van het kantoor had den mandoer laten roepen, en vertelde dezen, wat in de courant stond; demandoerknikte; hij wist het al.„Het zijn de broers van meneer Esreteip,” zei hij.„Ik zou maar daarover zwijgen. Zorg liever, dat je ’s avonds niet dan gewapend uitgaat.”„Dat is niet noodig, meneer. Men zal mij geen letsel doen, en u ook niet.”„Ik zou er maar niet te veel op vertrouwen.”„Zooals meneer verlangt.”En Vermey, angstig, zei den volgenden dag toen Esreteip bij hem kwam, met zijn vloek:„Dat is ’n mooi zaakje!”„Wat meneer?”„Houd je nu maar niet zoo dom, zeg! Je weet heel goed, dat ze Samidin gemold hebben.”„Dat heb ik gehoord, meneer. Maar mijn broers weten van niets; die heb ik er nog niet eens over gesproken. Het is toevallig, maar nu hoeft het niet meer. Ik wil nou voor de aardigheid maar eens weten, wat er in die kisten zit.”[115]

Ook de diamant, deed in de publieke verbeelding zeer vergroot, de ronde.

’t Was een ware roman; haast ongelooflijk!

’t Zal wel een mop wezen, zei George Vermey, toen hij het wonderlijk verhaal van den millioenen ingenieur hoorde in de sociëteit; maar daartegen protesteerde de heele gemeente zóó sterk en met zooveel verhalen over de enorme credieten, die Voirey bij de agentschappen der banken geopendhad, dat Vermey ten slotte alles geloofde, en een innig verdriet voelde over zijn anders nooit diep gevoelde blauwtje. Wie weet, dacht hij, vraagt hij haar niet! Nu,hemzal ze dan wel nemen uit.… liefde. Zoo zijn die nobele, fatsoenlijke meisjes!

Hij zou er graag het zijne van gehad hebben, maar dat was moeilijk. Wel was hij op de begrafenis van mevrouw geweest en had ook Lena gezien en gecondoleerd, en had[104]niemand ook slechts in het minst getoond, dat er aan de oude vriendschappelijke verhouding iets haperde, maar toch kon hij geen familiaar bezoek brengen, en kreeg hij in z’n eentje een kleur als hij eraan dacht.

In het „huisje” woonde Yps niet meer, en hij niet langer in het logement. Hij was, zeker voor de twintigste maal, verhuisd; altijd inboedels koopend en verkoopend, soms op venduties, soms onder de hand, steeds met vermeerdering zijner beren.

Nu had hij een lief steenen huis, klein maar goed onderhouden, het maakte een allergunstigste uitzondering op de meeste indische huizen; voor een smakeloos „erf” had het een lief tuintje, door vroegere bewoners europeesch aangelegd; er waren nergens scheuren of barsten in de muren; zelfs geen wonden van afgebrokkelde stukken kalk; er zat verf, goede, glimmende grijze verf op de balken en het verder houtwerk; er was aan de deuren behoorlijke sluiting; zelfs de latjes der jaloeziën waren in orde en men kon zonder geweld te plegen de ramen sluiten van binnen. Dit wonderlijk huisje had hij erg goedkoop gehuurd, omdat er pas ’n oude juffrouw in was gestorven, en aspirant-huurders zich niet voordeden, niet omdat zij bijgeloovig waren, in ’t geheel niet! maar omdat het zoo „griezelig” was.

Dáárboven was hij verheven. Een vrouw kon voor hem niets afkeerwekkends hebben, had hij lachend gezegd; ook niet als zij oud was, en in dat geval het allerminst na haar dood.

Yps was met hem meegegaan; zij had geen semi-europeesche begrippen, maar echt inlandsche.[105]

„Tra perdoeli,” had ze gezegd met een onverschilligen halven draai harer heupen van links naar rechts, toen Vermey, om naderhand geensoesahte hebben, haar verteld had, dat die oude juffrouw in het aardige huisje dood was gegaan. Wat kon het haar schelen? Een mensch sterft, als het zijn tijd is, had ze van haar moeder geleerd, en dat geloofde zij ook. Ze was er zelfs erg meê in haar schik.Tobat!had ze verwonderd uitgeroepen. „Lekker hier! Alles mooi, ja!” En toen ze in de slaapkamer kwam, en zag dat George een groot ouderwetsch houten ledikant had gekocht en daar een rooden hemel op had laten maken met verguld, toen werd ze heelemaal verteederd, en zich als ’n kat dicht tegen hem aanvleiend, zei ze met van genoegen en trots schitterende oogen: „Zooenak, Sors!”

In dat huisje nu, leefde Vermey zonder grooter ongenoegen dan hij altijd had gedaan met een of andere „huishoudster”; vroeger ging hij veel uit naar de „kroeg”, en dan volgden er nogal eens nachtelijke uitstapjes met vrienden, van wie de kampongs gewaagden; toen wist hij ook wel dat zijn „huisgenooten” zooals hij ze met zekere ironische deftigheid noemde, hem achtereenvolgens bedrogen; maar het kon hem niet schelen; hijzelf was ook niet eenkennig, en … als ’t maar buiten hem omging.

Doch in dat opzicht veranderde hij zeer. De sociëteit werd minder aantrekkelijk. Hij ging er nog wel heen, ’n paar malen in de week, maar het was eigenlijk nog slechts half van harte; want de eigenlijke liefhebberij was eruit; finaal eruit, en hij ging meer om zich eens te vertoonen, dan om het genoegen te zoeken, dat vroeger[106]zijn doel was. Met den dag werd hij meer verkikkerd op Yps; zij had hem heelemaal onder de plak gekregen, sedert hij haar betrapt haden flagrant délit; het was of zijn hartstocht voor deze driekwart-inlandsche jonge vrouw met haar fraaie, veerkrachtige vormen en de slangachtige bewegingen harer slanke figuur, met haar koolzwarte oogen en schitterend witte tanden zich eigenlijk pas recht deed gelden nadat hij een ander bij haar had aangetroffen! met een soort van wilde woede, vlamde die hartstocht op, telkens, als hij dacht aan dat incident; dan werkte zijn verbeeldingskracht, die in normalen toestand verflauwde en verzwakte, weêr met jeugdig vuur, en het was of hij Yps, nu hij haar niet om haar bedrog op straat had gezet, om datzelfde bedrog te liever had.—

Terwijl hij op zijn bureau zat, en zijn administratie voerde, keurig en accuraat, dacht hij in ’t geheel niet aan dat alles; hij was bij zijn werk, heelemaal; het werd al laat, en hij moest om zonder kunstlicht te zien, zijn gouden lorgnet opzetten.

„Wat is er?” vroeg hij barsch, toen iemand hem aan den arm stootte.

’t Was de omgekeerde Pieterse, die zachtjes sprak, en liep als op vilten zoolen, maar zooveel te sterker gesticuleerde.

„Kom eens mee meneer! Ze zijn weêr beneden.”

„Och, wat kan het mij schelen!”

„U kan alles zien door het gaatje.”

Het maakte hem toch nieuwsgierig; nu, hij wilde wel ’reis kijken, hoe dat in zijn werk ging. Oók zachtjes op[107]de teenen loopend, volgde hij den klerk die in een hoek een oude krant op den grond openvouwde, waarop Vermey knielde, wat hem pijn deed; door het gaatje zag hij, als hij recht naar beneden keek, binnen een bepaalden cirkel, die zich een weinig uitbreidde in de richting tegenovergesteld aan die van den stand van zijn oog en dan evenveel inkromp aan de daarmeê gelijke zijde; zoo heen en weêr draaiend met zijn hoofd trachtte hij te zien, wat zijn chef deed daar beneden in het pakhuis met dien inlandschen mandoer.

Het was waar, wat Esreteip had gezegd: ze scharrelden in wijnkisten; wat ze eigenlijk deden kon hij niet zien; daarvoor was het kijkgat te klein en het licht beneden, dat bovendien op den grond stond, te flauw. Maar zooveel merkte hij wel, dat het niet in den haak was.

„Ik kan niet zien wat ze eigenlijk doen,” zei hij opstaande.

Een inlander trok zich achter het schutsel terug, aan het andere einde in het halfduister vertrek. Toen allen naar huis waren, en ook de chef op het punt stond heen te gaan, kwam die inlander bij den mandoer en sprak met hem. En de mandoer sprak met den chef, en samen keken ze bij het licht eener bougie naar het gaatje.

Bleek en vloekend ging de chef terug. Het had hem zeer aangegrepen. Zoo iets had hij nooit gedacht! Zulke brutale smeerlappen! Die durfden hem beloeren, hèm!

Den volgenden dag woei er een orkaan van ongenoegen door het kantoor.

Nauwelijks zat Vermey achter zijn lessenaar, of zijn chef vroeg hem naar een loopend werkje, dat zoo nu en dan[108]bij gelegenheid werd bijgehouden, maar op dit oogenblik niet gereed was.

„Waarom houd-je dat niet geregeld bij?”

„Het is nooit gebeurd. Het wordt zoo eens of tweemaal in de maand bijgeschreven, als er niets beters te doen is.”

„Ja, dat kan me niet schelen, maar het zijn slordigheden, die niet te pas komen. ’t Moet dadelijk in orde gemaakt worden!”

De chef wierp het boek neêr met een harden slag, draaide Vermey den rug toe en ging naar zijn eigen kamer.—George, bleek van kwaadheid, keek hem na met hoog opgetrokken wenkbrauwen.

„Ik geloof datdievan morgen met het verkeerde been uit bed is gestapt,” zei hij in het algemeen, enlegdehet boek op zij om het in den loop van den dag bij te schrijven.

Maar een kwartier later kwam zijn chef met groote drukte en beweging weer terug.

„Is het klaar?”

„Klaar, wel neen! Ik heb mijn gewone werk dat af moet, en dat ding kan toch dáár wel op wachten.”

„Dat staat u niet te beoordeelen,” zei z’n chef met gemaakte kalmte en, het „je” en „jij” vermijdend, heel beleefd. „Ik had u opgedragen, dat te doen, en daaraan hadt u dadelijk gevolg moeten geven.”

„Maar meneer.…”

„Er valt niet bij te redeneeren, meneer. U hadt het moeten doen, zeg ik u. Nu gelast ik u het dadelijk te doen en zonder praatjes.”[109]

„Praatjes!” zei Vermey met nijdigen spot. „Alsofikpraatjes maak!”

Maar hij begon, zijn liniaal over de schrijftafel gooiend, hard schuivend met zijn stoel en smijtend met boeken en papieren, aan het bewuste werkje.

Geen uur daarna werd hij geroepen. Er was een kleine fout in een rente-berekening. Het stuk werd hem als ’t ware toegeworpen.

„Daar is alweer zoo’n stommiteit.”

„Dat hebt u me gister al laten zien.”

„Laat maar overschrijven. Het is een schande!”

Vermey haalde de schouders op met een diep: Hè hè! en ging de kamer uit.

Zoo ging het voort den ganschen dag. Het heele kantoor raakte den kop kwijt. Het was een aaneenschakeling van standjes, die de chef gaf aan Vermey, en die van dezen terugwerkten op zijn ondergeschikten.

’s Middags tegen vijf uren had George een kleur als vuur van woede en agitatie.

Rrring! daar ging de bel weer, en hij werd voor de zooveelste maal binnen geroepen. In zichzelven vloekend ging hij; ’t was natuurlijk weer een standje om ’n kleinigheid. Het was de laatste druppel.

„Dat is hier op die manier niet uit te houden,” zei hij.

„Neen, dat vind ik ook. Er gebeuren hier zooveel onaangename dingen, dat …”

„Wat woudt u zeggen?” vroeg Vermey thans plotseling heel bedaard.

„Dat het beter is een andere betrekking te zoeken.”[110]

De employé was bleek geworden; het viel hem wel ’n beetje als de donder op het lijf! zijn handen trilden, en een oogenblik bekroop den chef een heel onaangenaam gevoel, toen hij dien pootigen jongen kerel zoo naast zijn lessenaar zag staan.

„Ik zal je drie maanden tractement laten uitbetalen … en op mijn aanbeveling.…”

Maar nu barstte Vermey los.

„Uwaanbeveling?” riep hij, zonder zich in ’t minst te geneeren. „Uwaanbeveling!” en hij kraste met den achterlap van zijn schoen over den grond. „Dat geef ik omUwaanbeveling.”

Het was zulk een toon van geringschatting en een manuaal van verachting, dat de andere er doodsbleek onder werd. Zoo iets was hij niet gewoon. Hij, president van dit, directie-lid van dat, mede-bestuurder van zus, commissaris van zoo, hij werden petit comitésteeds bewonderd en ééns in het jaar openbaar in couranten en verslagen.

„Ik verzoek u fatsoenlijk en niet brutaal te zijn.”

„Magikmijn tractement verzoeken?” vroeg Vermey zich kalm houdend.

De chef, om hem zoo spoedig mogelijk weg te hebben, haalde zelf het geld van den kassier en schreef zwijgend een quitantie, die de ander even zwijgend onderteekende.

„En nu zal ik je eens wat zeggen,” zei Vermey, terwijl hij het geld in z’n zak stak. „Je bent ’n verdomde ploert. Wat je toeleg is geweest, sedert van ochtend weet ik, en waarom die zoo was, is me ook duidelijk. Maar één ding zeg ik je: onthoud den dag van heden. We spreken[111]mekaar nog nader, en dan.…rira bien qui rira le dernier!”

Met afgewend gezicht, kijkend uit het venster en met de vingers trommelend op den lessenaar, scheen de andere niet te luisteren.

„Als u klaar bent, kunt u gaan,” zei hij in schijn rustig en uit de hoogte.

Vermey ging; in de deur keek hij hem nog even aan, en zei smalend: „Tot ziens!”

Op straat was het hem alsof alles was veranderd, en de geheele wereld er vreemd uitzag in een schel, valsch licht. Daar stond hij weêr zonder betrekking, wel met een aardigen duit in den zak, momenteel, maar overigens zonder iets.

Hij ging ineens door naar huis, opgewonden nog en boos; stilletjes razend en tierend, en bij zichzelf herhalend, wat hij hem nog hadkunnenzeggen, wat hij hem nog hadmoetentoevoegen en wat hij hem ongetwijfeld onder den neuszouduwen, als hij nog op ’t kantoor stond in plaats langs den weg te loopen. En de mosterd van dezen gram, schoon na den maaltijd komend, prikkelde hem tot nieuwe woede.

Yps trok er zich niets van aan. Toen hij haar alles had verteld, gaf zij alle maleische scheldwoorden, te harer beschikking, ten beste aan het adres van den chef, die George had weggejaagd. Voor het overige, dacht ze, moest deze maar wat anders zoeken; zij kon zich niet voorstellen, dat dit moeilijker was, dan voor een huisjongen een anderen dienst te krijgen. Hij zei daar niets op. Wat moest[112]hij zeggen? Er viel met zoo’n schepsel niet te redeneeren!

Doch hij gevoelde, dat het ditmaal heel moeilijk zou gaan, nu hij een machtigen en doodelijken vijand had, die wel zou maken, dat elk kantoor ter plaatse voor hem gesloten bleef. Er zou weinig anders voor hem opzitten, dan heengaan, de plaats verlaten, en elders een betrekking zoeken. En dat moest drommels vlug gebeuren ook, want de drie maanden tractement zouden anders heel gauw op zijn.

Terwijl hij in de voorgalerij alleen zat, z’n kop thee drinkend, en pikerend over ’t geen hem te doen stond, kwam de omgekeerde Pieterse het erf op, met ’n slimmen lach op z’n donker gezicht.

„Wel?” vroeg Vermey. „Wat heb je aan de hand?”

„Ik heb mijn ontslag.”

„Zoo, heeft hij jou ook den bons gegeven?”

„Neen meneer; ik heb mijn ontslag gevraagd. Ik zag wel wat het was gister.”

„Dat is nog zoo dom niet. En wat zei hij?”

„Hij was woedend, dat kon ik wel merken.”

„En?”

„Ik zal wel ’n ander baantje zoeken. Zoo erg heb ik het kantoor niet noodig. Ik verhuur dos-a-dos; mijn vrouw handelt inbatik,—soedah, ik moet wàt doen!”

Gelukkige kerel! dacht Vermey; die had zooveel snaren op zijn boog, dat er wel een springen kon!

„Maar hoe zou hij het te weten zijn gekomen?”

„Door Samidin. Maar die krijgt van avond een pak! Ik zal mijn broers op hem afsturen.”

„Je broers?”[113]

„Ja ziet u meneer, zij zijn inlanders. Toen mijn vader dood was, is mijn moeder weêr getrouwd met een Javaan. Daar zijn die jongens van; zij wonen bij mij; ik ben het hoofd van het gezin!”

„O, zoo! dat heb ik niet geweten.”

„Die Samidin heeft achter het schutsel gestaan, toen u door het gaatje keek; hij heeft het aan den mandoer verteld, en die weer aan meneer. Maar hij zal een rammeling hebben, daar kan hijop aan!”

Vermey moest erom lachen, zoo verkneuterde Esreteip zich in het pak slaag, dat voor dien inlander, die hem verraden had, was weggelegd; dat liet hem nu zoo onverschillig!

„Wat gaatudoen, meneer?” vroeg de bezoeker.

„Dat weet ik nog niet.”

Verrast keek Vermey hem aan.

„Hoe dat zoo?”

„Ach, meneer! hij zal u overal zwart maken en u belasteren hier op de plaats. Geloof mij, hier is niets meer voor u. Maar ik zal hem wel krijgen!”

Het was, meende George, hoogst opmerkelijk, zoo goed als die soort van menschen hun medemenschen wisten te beoordeelen in het minder goede.

Toen hij den volgenden dag ’s avonds de courant las schrikte hij. Daar stond een bericht over een.…. moord. De inlander Samidin, bediende op dit en dat kantoor, was door andere inlanders aangevallen, en zóó met knuppels geslagen, dat hij voor dood was blijven liggen. De ronde die hem vond, bracht hem naar het stadsverband, waar hij in den nacht overleed, zonder tot bewustzijn te zijn gekomen. Daders onbekend.[114]

De chef van het kantoor had den mandoer laten roepen, en vertelde dezen, wat in de courant stond; demandoerknikte; hij wist het al.

„Het zijn de broers van meneer Esreteip,” zei hij.

„Ik zou maar daarover zwijgen. Zorg liever, dat je ’s avonds niet dan gewapend uitgaat.”

„Dat is niet noodig, meneer. Men zal mij geen letsel doen, en u ook niet.”

„Ik zou er maar niet te veel op vertrouwen.”

„Zooals meneer verlangt.”

En Vermey, angstig, zei den volgenden dag toen Esreteip bij hem kwam, met zijn vloek:

„Dat is ’n mooi zaakje!”

„Wat meneer?”

„Houd je nu maar niet zoo dom, zeg! Je weet heel goed, dat ze Samidin gemold hebben.”

„Dat heb ik gehoord, meneer. Maar mijn broers weten van niets; die heb ik er nog niet eens over gesproken. Het is toevallig, maar nu hoeft het niet meer. Ik wil nou voor de aardigheid maar eens weten, wat er in die kisten zit.”[115]


Back to IndexNext