ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]ACHTTIENDE HOOFDSTUK.George vergeet voor ’n oogenblik zijne positie.Den volgenden ochtend was er op ’t kantoor onder zijn brieven één, dien hij met gefronste wenkbrauwen open maakte. Een aankomend jongmensch, erg donker, in een kaal jasje en met een witte broek aan, waarvan de pijpen een franje-garnituur van rafels vertoonden, was de „brenger”. Dat jonge mensch, schreef Yps, in het briefje, dat beter gesteld en gespeld was dan men haar hoorende praten, ooit zou voorondersteld hebben, was haar neef. Zij verzocht heel onderdanig mijnheer of hij dien jongeling niet aan een betrekking kon helpen; mijnheer zou haar dan een heel groot genoegen doen. Aan den bovenhoek der eerste bladzijde, links, stond met vette letters, haar tegenwoordig adres en daaronder tusschen haakjes: „Ik ben den heelen dag thuis.”Vermey las dat alles met saamgeknepen lippen, niet wetend hoe het zaakje te behandelen. Die neef,—nu ja. Dat was ook maarpoera-poera![226]Het feit, dat zij weer op haar zelve woonde en waar, was natuurlijk de zaak. En ofschoon hij dat besefte, zei hij niet ineens, kort en bondig, tot den jongen, dat hij hem niet kon helpen en verscheurde hij ook den brief niet.„Ik zal ’reis kijken. Op ’t oogenblik is er niets. Kom ’n volgende week maar eens terug.”Als een stomme knecht in een blijspel, boog het mannetje diep, zonder een woord te spreken, en vertrok met ongemotiveerden spoed, alleen omdat hij bang was, dat die totok-meneer hem soms in ’t hollandsch vragen zou doen, die hij zou moeten beantwoorden, zonder maleisch er bij.Vermey bleef laat op ’t kantoor, dien dag. Toen hij naar huis reed en eenigszins in de buurt kwam van het gangetje, dat men moest ingaan om in de kampong te komen, waar Yps woonde, keek hij er met belangstelling naar, schoon er niets aan te zien was; het was curieus, dacht hij, hoe goed dat briefje was geschreven. Ja, dat had ze in haar jeugd op school geleerd, doch als haar mond openging.… hij glimlachte. Het was me ’n taaltje! Maar hij dacht aan haar thans, zonder boosheid en zonder vrees voor zijn positie; hij dacht aan haar op ’n heel andere manier! Het trof hem niet, dat verschil, en hij verdiepte zich ook niet in wijsgeerige bespiegelingen over de macht der sexueelebehoefte, bij haar toename strijdend tegen alle consideratie en moraal. Daar was hij de man niet naar; in ’t geheel niet! Zij stond hem nu voor oogen in de weelderigheid harer veerkrachtige vormen, met al het aangename bekende en familiare daarvan, en hij trachtte zich niet te onttrekken aan de bekoring van dat beeld; hij bleef[227]ernaar kijken met de oogen zijner verbeelding, bijtend op z’n sigaar alsof hij die pruimen in plaats van rooken moest.Toch vormde hij geen plannen van uithuizigheid; hij zou en wilde het nog altijd niet doen, maar hij drong zich dat niet meer zoo krachtig op met ’n soort van kwaadaardig verzet. Hij dacht nu meer, dat zijn onthouding een fataliteit was, waaraan men zich onderwierp omdat … enfin, omdat het netjes was en behoorlijk.Ten slotte vond hij het vervelend, dat hij zoo bezeten werd door zijn hersenwerking in die richting en de gevolgen van dien.Hij was toch niet te jong getrouwd, meende hij, en hoe drommel kon hij dan nu zoo ongeduldig zijn en dagen lang zoo’n last hebben en zoo geplaagd worden door de fantastische beelden van zijn geest?De heele week liet hem dat niet los, en toen hij Zaterdagsmiddags thuis kwam, zag hij zuchtend op tegen den luien Zondag, die met haar ledigheid en haar extra-halfje champagne, dat hij ’s ochtends altijd „pakte”, in zijn omstandigheden een waar oorkussen van den duivel was.Met Lena vorderde het niet hard. Zij bleef zwak en sukkelend. Het was zoo jammer, vond hij, dat ze zoofrèlewas! Drommels, als hij dacht aan die vrouwen van anderen met haar volle schouders en krachtig ontwikkelde busten, dan vond hij, dat, hoe voordeelig zijn huwelijk ook had gewerkt op zijn sociale positie, hij van den anderen kant veel te kort kwam. Mismoedig slurpte hij zijn kop thee. Die gedachten deden hem weer geen goed! En hij wilde[228]voor geen geld Lena met aanhaligheid lastig vallen. Dat had hij zóó ignobel gevonden, zoo onbehoorlijk en onkiesch, dat het denkbeeld alleen hem ’n kleur deed krijgen van schaamte over zichzelven.„Ga je niet eens naar de Sociëteit vanavond?” vroeg Lena, terwijl zij zijn thee schonk.„Och wat moet ik er doen?”„Nu, dat wist je toch in vroeger jaren heel goed.”„Ja,… toen! Maar dat is nu heel anders.”„Je zoudt er toch wel ’n partijtje kunnen maken, dat doen zooveel heeren!”„Wil je me zoo graag uit het huis hebben?”„Dat weet je wel beter George! Maar ik vind het zoo’n naar idee dat je om mijnentwille je hier zoo gruwelijk zit te vervelen elken avond. Ik heb dan nog veel liever, dat je eens uitgaat nu en dan.”Wat was ze toch goed en lief voor hem, dacht hij, en hij glimlachte tegen haar.„Naderhand,” zei ze „als ik weêr heelemaal beter ben, gaan we samen naar de muziek luisteren.”„Of we blijven,” zei hij, opzettelijk dubbelzinnig „samen thuis.”Ze lachte omdat hij het ook deed, maar ze voelde zich niet, zooals ze meende, dat ze zijn moest. Slechts uiterst langzaam sterkte ze aan. Ze gebruikte melk, eieren, bouillon en al wat maar eenigszins tot de gewone „versterkende middelen” wordt gerekend; het hielp niet. Het verdroot haar, want ze was heel graag spoedig hersteld geweest, hoofdzakelijk voor George, die ze wel begreep, dat zeer daarmee gebaat zou zijn geweest.[229]Dan, wat kon ze er aan doen?„Nu,” zei hij verder, „we zullen eens zien. Misschien ga ik een uurtje.”„Doe het.… wezenlijk!”„Ik heb geen plezier zoo alleen naar de muziek te gaan luisteren. Misschien vind ik in de Harmonie wel lui. Zoo niet dan kom ik heel gauw weer naar huis.”Het deed haar goed, dat hij ging en ze keek hem tevreden na, toen hij haar gekust had en uit de galerij met een stap zijner lange beenen in den wachtenden mylord zat.Doch in de Sociëteit vond hij geen partners en in zijn eentje liet hij zich neer op een der stoelen, en achter het ijzeren hek om de smalle omloopende galerij, zijn ponsje drinkend keek hij naar den overkant. Daar was het gangetje! Wat zou het hem nu weinig moeite kosten. Er waren geen lui op den weg, ten minste haast niet dan inlanders! En geen lantaarns aan buiten, terwijl de maan, die volgens den kalender voor de verlichting behoorde te zorgen, zich listiglijk achter de wolken hield verscholen. Hij zou het echter niet doen, hoe groot ook zijn lust was, en om zich te verzetten ging hij naar de biljartzaal, die ook maar matigjes was bezocht, maar waar toch werd gespeeld. Eindelijk kwamen eenige bezoekers; het gelukte Vermey er drie onder te vinden, waarmede hij, die nu nogal kieschkeurig was om zijn „positie,” meende een partijtje te kunnen maken.Het ging tegen hoog tarief en het duurde tot laat.Vermey, die in langen tijd niet had gespeeld, genoot van een hardnekkigeveineen kreeg toen het uit was, van[230]iedereen een betaling, die een eerzaam Nederlander gewoon te omberen tegen een halven stuiver hetfiche, gevaar had doen loopen een beroerte van ergernis te doen krijgen over zulk „grof” spel.Het had hem prettig gestemd. Niet om het geld, dat had hij niet noodig, maar om het succes; hij was slechts een hoogst middelmatig speler, die nogal eens deed, wat hij niet doen moest.„Rijdt ge mee?” vroeg een zijner partners.„Dankje, ik heb mijn wagen hier.”„Blijf je dan nog?”„Ik ga eens naar het biljarten kijken; ik ben zoo stijf in m’n beenen.”’t Was thans drukker in de biljartzaal; er werd pot gespeeld, poule, carambole,—van alles. Het was onder het helle licht der gaslampen een aanhoudend vooroverbuigen van bovenlijven in overhemden boven het grasgroene laken met zijn bestorven tintje, dat zich grijs afteekende langs de banden.Vermey stond bij een groot biljart waar engelsche officieren van een oorlogschip, dat op de reede lag, ’n partijtje maakten. Er keken veel lui toe, allen eenigszins verwonderd over het feit, dat die vreemde heeren iets zoo veel meer schepeling-achtigs over zich hadden dan hollandsche marine-officieren, ja er zelfs een bij was, diebretellesdroeg en een blauw anker op den rug van z’n rechterhand.Zonder eenig plan, dan om z’n beenen, die stijf waren van het zitten ’n beetje uit te rekken, was Vermey naar het biljarten gaan kijken, doch het verveelde hem al heel[231]gauw; hij ging opzij van de zaal op het galerijtje staan en keek eens naar de lucht, die geheel was opgeklaard. Er ging een frisch koeltje over den weg, en George die om ervan te profiteeren zijn hoed een oogenblik in de hand hield, vond het erg lekker. Hij rekte zich eens uit, met een gevoel van gezondheid en kracht in zijn leden; hij trommelde met z’n stok op het ijzeren hek en floot er zacht ’n deuntje bij. Langzaam flaneerde hij naar den achterkant van het gebouw en vandaar den weg op.Zijn koetsier, die vóór het gebouw wachtte met het rijtuig, sliep als een os; hij liet hem slapen; hij wandelde verder naar den overkant; eerst dacht hij er haast niet bij, schoon hij heel goed wist, welke magneet hem dien kant uittrok. Toen had hij een gek gevoel in hem, alsof zich bezwaren op bezwaren stapelden, die zich met kracht en macht verzetten, tegen hetgeen hij ging doen. Het was of er twee menschen in hem levend waren, twee afzonderlijke menschen. De een die redeneerde en heftig uitvoer tegen elke gedachte om naar zijn oude huishoudster te gaan; die hem al de ellende opsomde, waartoe het leiden kon; al het onvergeeflijk gemeene van de daad voor oogen hield; al het tegenstrijdige toonde tusschen zijn tegenwoordige maatschappelijke omstandigheden en dien tocht; de andere, die hem bestormde met eene groote zucht naar voldoening van lusten, en die hem als machinaal de lange beenen bewoog, het een voor het ander, in de richting van het gangetje. De eene mensch zonder steun in zijn tegenstreven op godsdienst of afzonderlijke zedenleer; de ander onder een krachtigen physiologischen invloed.[232]In het gangetje was het nog licht, maar in de kampong brandde enkel hier en daar een „gloeiende spijker.” Aan terugkeeren dacht hij nu niet meer; wel kwam de gedachte bij hem op: als daar eens iemand anders was. En dat denkbeeld deed hem huiveren, waarom wist hij zelf niet, maar zeker niet omdat de verwezenlijking ervan hem reëel verdriet zou doen.Een inlander, die nog aan een altijd gereed zijnde warong zat, wees hem op zijn navraag den weg. Men kende haar goed naar het scheen, en ver was het ook niet. Het viel hem niet mee. ’t Was een houten huisje van gewitte planken; veel plekken van het hout waren van de witkalk ontbloot, die er in groote duimkoeken was afgevallen.Vermey lichtte de groene krees op en trad in een voorgalerijtje met den aardbodem tot vloer, een bruin rond tafeltje geflankeerd door twee oude wipstoelen totpièce de milieu, en anders niets.Zachtjes tikte hij tegen de deur; toen er antwoord kwam, zei hij zijn naam en dadelijk werd opengedaan met dat bekende zacht rollende lachje.„Wat woon je hier beroerd,” mopperde Vermey.„Heb op jou gewacht.”„Nou ja!”„Soengoe matie, Sors!” riep ze zich op de bloote borst slaande, ofschoon de waarheid was, dat zij juist dien dag een nieuwe tijdelijke gezelligheidsovereenkomst had aangegaan. Hij bekeek haar nieuwsgierig onder het licht van het kleine lampje en vond glimlachend, dat ze haast alles had behouden; dat ze nog zeer veel aantrekkelijks had[233]en dat hij toch maar wijs had gedaan van deze gelegenheid gebruik te maken, het zou krankzinnig zijn geweest dat niet te doen!Een half uur later scheen zij hem een vuil, smerig vrouwspersoon, schaamde hij zich voor zichzelf, dat hij, aan zoo’n nette, gesoigneerde omgeving gewoon, niet te vies was geweest om een voet te zetten in dit krot; dat hij, die een eerzaam huwelijksleven leidde in den laatsten tijd, zoo incomfortabel en proper zich had kunnen verlagen tot die inlandsche deerne van Jan-en-alleman. Nu rook hij weêr dat het er letterlijk stonk! Nu zag hij het ongedierte, dat opwandelde tegen de klamboe, en bij het schijnsel van het lichtje zag hij het bed met smerig ongewasschen linnengoed, met sporen van beoliede hoofden en beslijkte hielen. Een rilling van afschuw en schaamte liep hem door het lijf. Hoe was het in godsnaam mogelijk, dat hij zoo iets had ondernomen! Woedend op zichzelven, walgend van Yps en haar omgeving greep hij in zijn portemonnaie, gaf haar een groot deel van zijn winst, en ging haastig heen. Buiten nam zijn spijt nog toe. Hij had veel willen geven, als het niet was gebeurd! Doch toen hij zijn rijtuig weêr had opgezocht en naar huis reed, was hij er kalm onder geworden. Het was immers gepasseerd! Geen haan kraaide ernaar; en nu zou hij weer rustig kunnen slapen zonder visioenen en kwellingen, tot Lena geheel was hersteld. Dat was dan althans de goede zijde, vond hij.Met haar loshangenden overvloed van blauw-zwart, grof haar op den rug en de bloote beenen, donkerder dan van een gewone inlandsche, heen en weer bengelend, was Yps,[234]toen hij heen ging, blijven zitten op den rand van het vieze ledikant. Zij had in het geheel geen acht geslagen op het gezicht van Vermey, noch op zijn teruggetrokken afkeerigheid bij het heengaan. Zij had hem met eenig vertoon omarmd en gezoend; hij had geen repliek gegeven, en dat verheugde haar; zij hield er niet van; zij wist, dat het zoo hoorde bij europeesche menschen; maar ze vond het vies. Nu keek ze met wellust naar het geld in haar hand. Wat was hij royaal geweest, en hoe erg lief was dat van hem! Hij moest toch wel heel rijk zijn! En hij zou zeker terugkomen, zooals hij nu, ondanks zijn tegenspartelen, teruggekomen was. Het was nu de eerste stap geweest, en die, dat wist ze reeds als kind, is de eenige, die kost; de rest gaat vanzelf. „Sleem” geweest van haar, dacht ze, dat briefje te schrijven! Wat had hij haar adres goed onthouden! Hij vond het zoo’n armoedig krot, en daarin had hij gelijk. Voor een heer als hij, ging het niet in zoo’n kamponghuisje te komen. Zij zou den volgenden dag dadelijk gaan verhuizen en wat afbetalen van haar schuld aan den Chinees, dan had ze weer crediet voor meubels. Haar pas aangegane overeenkomst met een ander zou ze breken. Wilde die in stilte eens bij haar ’n bezoek brengen, dat moest hij weten, maar in hoofdzaak zou zij zich nu weer aan Vermey houden, aan „Sors”, die oude, royale relatie, die nu weer was gekomen en met zooveel geld in den zak.Toen ze haar gedragslijn dus had vastgesteld liet zij heel gemoedelijk haar hoofd neer op het groezelige, vettige kussen en sliep in een paar minuten, zoo volkomen vrij van elke verdere gedachte over haar leven en gedrag, dat[235]de bekende slaap des rechtvaardigen er een onrustige sluimering bij was.Vermey was heel zachtjes thuis gekomen, maar toch was Lena ervan wakker geworden; toen hij op zijn teenen haar kamer passeerde, schrikte hij; zij deed de deur op een kier open en keek hem aan.„Zoo, ben je daar?”„Ja,.… het is wat laat geworden.”„’t Komt er niet op aan. Morgen is het Zondag, dan kan je uitslapen.”„Ben je vroeg naar bed gegaan?”„Heel vroeg; ik voel me lekker uitgerust.”„Ik niet; ik ben moe.”„Ga dan maar gauw naar je kamer. Wel te rusten!”Zij stak haar hoofd ’n eindje buiten de deuropening, met de blijkbare bedoeling, dat hij haar goenacht zou kussen.Vermey kreeg er een kleur van, en een oogenblik aarzelde hij, beschaamd door de gedachte, dat hij dit reine, fatsoenlijke vrouwtje zou zoenen met den mond, waarop nog geen kwartier geleden de vieze deerne haar lippen had gedrukt.„Nu?” vroeg Lena verwonderd glimlachend.Hij boog zich naar haar voorover.„Het is maar,” zei hij, toen hij haar had gekust, „dat iemand, die om vier uren ’s nachts uit de kroeg komt, nu juist geen frissche geuren mee naar huis brengt.”„Neen,” zei Lena lachend, „je ruikt verschrikkelijk naar brendy en tabak.”„Waarom wou je het ook?” antwoordde hij, vroolijk op[236]z’n beurt, dat er, hoe ondenkbaar het ook was, geen viezer, verdachter luchtjes waren getrokken in z’n haar en z’n kleeren.„Het komt er immers niet op aan. Ga nu maar gauw slapen.”Hij ging naar z’n kamer en naar bed, maar slapen kon hij niet. Een ding nam hij zich met groote zekerheid voor: het was voor de eerste maal geweest, doch ook voor de laatste. Als Lena nu in ’s hemelsnaam maar spoedig ’n beetje vooruitging! Maar als ze dan eens vlug vooruitging, en het geval deed zich eens voor, dat die nachtelijke excursie voor hem noodlottige gevolgen bleek te hebben! Daaraan had hij nog geen oogenblik eer gedacht! Hij kreeg het plotseling verschrikkelijk warm in z’n bed, schoon het een bij uitzondering frissche nacht was. Hij bloosde diep donkerrood in zijn eenzaamheid; het zweet begon hem, naarmate hij zich in dit gedeelte der quaestie verdiepte, met groote droppels langs het voorhoofd te vloeien; hij ging het bed uit en stelde zich, zonder erop te letten, ten prooi aan een geduchten aanval der muskieten; hij keek rond naar middelen, die ook maar eenigszins konden voorkomen, wat hem daar als een ontzettend schrikbeeld voor den geest was gekomen, en hij nam wat hij vond.Het schot viel; er kwam leven in de lucht en op de aarde; de vogels floten in de waringins; bedienden kwamen uit hun vertrekken en baadden aan de put; sapoe’s krauwelden vegend over de steenen; het kind schreeuwde, de meid opende met gedruisch de binnendeur; het werd dag, voordat Vermey, doodmoe, in slaap viel. Doch hij was zulke[237]staaltjes van leven niet meer gewoon. In vroeger jaren kwam dat heel dikwijls voor, en dan kon hij daarna slapen, slapen! Nu,—het was gek, maar hij hoorde alles, sluimerde licht en onrustig, en was een paar uren later, tegen kantoortijd weêr klaar wakker; maar landerig en onlekker.—Waarom rust je niet nog wat uit? had Lena gevraagd, maar hij wilde niet.Toen hij eenige dagen later, in veel opzichten reeds gerustgesteld, een briefje kreeg op z’n kantoor, dat door Yps was geschreven, werd hij woedend. Ditmaal kwam het per post; zij schreef heel beleefd en zonder eenige woordspeling, dat zij zoo vrij was meneer te herinneren aan het verzoek haar te willen helpen om haar neef als klerk geplaatst te krijgen. Iedereen had dat briefje kunnen lezen, zonder tot eenige kwade gedachten te komen.Alleen aan den bovenhoek links stond haar nieuw adres.Dat kan je begrijpen! zei Vermey bij zichzelven, en met een triomfantelijken glimlach. Lena was in de laatste dagen zoo in krachten toegenomen, en ze gevoelde zich zóó bijzonder wel, dat de dokter had gezegd niet weer terug te komen, en aan Vermey had hij eenige wenken gegeven, die dezen eventjes ’n kleur hadden doen krijgen en hem hadden doen glimlachen met toestemmende hoofdknikjes.Het had hem opgevroolijkt. Duivels, dat was zoo ook geen leven geweest; hij werd grappig en vertelde aardigheden; en hij trok Lena op z’n schoot en kuste haar; dat durfde hij nu wel doen. En daar kwam dat.…. die.…. zoo’n.…., de eene uitdrukking, die hij in[238]gedachten Yps naar het hoofd wierp, was al smadelijker dan de andere! Neen, zij mocht in haar nieuwe woning zien, dien ze wilde,—zijn, Vermey’s, voetstappen zouden er nooit in gezet worden![239]

[Inhoud]ACHTTIENDE HOOFDSTUK.George vergeet voor ’n oogenblik zijne positie.Den volgenden ochtend was er op ’t kantoor onder zijn brieven één, dien hij met gefronste wenkbrauwen open maakte. Een aankomend jongmensch, erg donker, in een kaal jasje en met een witte broek aan, waarvan de pijpen een franje-garnituur van rafels vertoonden, was de „brenger”. Dat jonge mensch, schreef Yps, in het briefje, dat beter gesteld en gespeld was dan men haar hoorende praten, ooit zou voorondersteld hebben, was haar neef. Zij verzocht heel onderdanig mijnheer of hij dien jongeling niet aan een betrekking kon helpen; mijnheer zou haar dan een heel groot genoegen doen. Aan den bovenhoek der eerste bladzijde, links, stond met vette letters, haar tegenwoordig adres en daaronder tusschen haakjes: „Ik ben den heelen dag thuis.”Vermey las dat alles met saamgeknepen lippen, niet wetend hoe het zaakje te behandelen. Die neef,—nu ja. Dat was ook maarpoera-poera![226]Het feit, dat zij weer op haar zelve woonde en waar, was natuurlijk de zaak. En ofschoon hij dat besefte, zei hij niet ineens, kort en bondig, tot den jongen, dat hij hem niet kon helpen en verscheurde hij ook den brief niet.„Ik zal ’reis kijken. Op ’t oogenblik is er niets. Kom ’n volgende week maar eens terug.”Als een stomme knecht in een blijspel, boog het mannetje diep, zonder een woord te spreken, en vertrok met ongemotiveerden spoed, alleen omdat hij bang was, dat die totok-meneer hem soms in ’t hollandsch vragen zou doen, die hij zou moeten beantwoorden, zonder maleisch er bij.Vermey bleef laat op ’t kantoor, dien dag. Toen hij naar huis reed en eenigszins in de buurt kwam van het gangetje, dat men moest ingaan om in de kampong te komen, waar Yps woonde, keek hij er met belangstelling naar, schoon er niets aan te zien was; het was curieus, dacht hij, hoe goed dat briefje was geschreven. Ja, dat had ze in haar jeugd op school geleerd, doch als haar mond openging.… hij glimlachte. Het was me ’n taaltje! Maar hij dacht aan haar thans, zonder boosheid en zonder vrees voor zijn positie; hij dacht aan haar op ’n heel andere manier! Het trof hem niet, dat verschil, en hij verdiepte zich ook niet in wijsgeerige bespiegelingen over de macht der sexueelebehoefte, bij haar toename strijdend tegen alle consideratie en moraal. Daar was hij de man niet naar; in ’t geheel niet! Zij stond hem nu voor oogen in de weelderigheid harer veerkrachtige vormen, met al het aangename bekende en familiare daarvan, en hij trachtte zich niet te onttrekken aan de bekoring van dat beeld; hij bleef[227]ernaar kijken met de oogen zijner verbeelding, bijtend op z’n sigaar alsof hij die pruimen in plaats van rooken moest.Toch vormde hij geen plannen van uithuizigheid; hij zou en wilde het nog altijd niet doen, maar hij drong zich dat niet meer zoo krachtig op met ’n soort van kwaadaardig verzet. Hij dacht nu meer, dat zijn onthouding een fataliteit was, waaraan men zich onderwierp omdat … enfin, omdat het netjes was en behoorlijk.Ten slotte vond hij het vervelend, dat hij zoo bezeten werd door zijn hersenwerking in die richting en de gevolgen van dien.Hij was toch niet te jong getrouwd, meende hij, en hoe drommel kon hij dan nu zoo ongeduldig zijn en dagen lang zoo’n last hebben en zoo geplaagd worden door de fantastische beelden van zijn geest?De heele week liet hem dat niet los, en toen hij Zaterdagsmiddags thuis kwam, zag hij zuchtend op tegen den luien Zondag, die met haar ledigheid en haar extra-halfje champagne, dat hij ’s ochtends altijd „pakte”, in zijn omstandigheden een waar oorkussen van den duivel was.Met Lena vorderde het niet hard. Zij bleef zwak en sukkelend. Het was zoo jammer, vond hij, dat ze zoofrèlewas! Drommels, als hij dacht aan die vrouwen van anderen met haar volle schouders en krachtig ontwikkelde busten, dan vond hij, dat, hoe voordeelig zijn huwelijk ook had gewerkt op zijn sociale positie, hij van den anderen kant veel te kort kwam. Mismoedig slurpte hij zijn kop thee. Die gedachten deden hem weer geen goed! En hij wilde[228]voor geen geld Lena met aanhaligheid lastig vallen. Dat had hij zóó ignobel gevonden, zoo onbehoorlijk en onkiesch, dat het denkbeeld alleen hem ’n kleur deed krijgen van schaamte over zichzelven.„Ga je niet eens naar de Sociëteit vanavond?” vroeg Lena, terwijl zij zijn thee schonk.„Och wat moet ik er doen?”„Nu, dat wist je toch in vroeger jaren heel goed.”„Ja,… toen! Maar dat is nu heel anders.”„Je zoudt er toch wel ’n partijtje kunnen maken, dat doen zooveel heeren!”„Wil je me zoo graag uit het huis hebben?”„Dat weet je wel beter George! Maar ik vind het zoo’n naar idee dat je om mijnentwille je hier zoo gruwelijk zit te vervelen elken avond. Ik heb dan nog veel liever, dat je eens uitgaat nu en dan.”Wat was ze toch goed en lief voor hem, dacht hij, en hij glimlachte tegen haar.„Naderhand,” zei ze „als ik weêr heelemaal beter ben, gaan we samen naar de muziek luisteren.”„Of we blijven,” zei hij, opzettelijk dubbelzinnig „samen thuis.”Ze lachte omdat hij het ook deed, maar ze voelde zich niet, zooals ze meende, dat ze zijn moest. Slechts uiterst langzaam sterkte ze aan. Ze gebruikte melk, eieren, bouillon en al wat maar eenigszins tot de gewone „versterkende middelen” wordt gerekend; het hielp niet. Het verdroot haar, want ze was heel graag spoedig hersteld geweest, hoofdzakelijk voor George, die ze wel begreep, dat zeer daarmee gebaat zou zijn geweest.[229]Dan, wat kon ze er aan doen?„Nu,” zei hij verder, „we zullen eens zien. Misschien ga ik een uurtje.”„Doe het.… wezenlijk!”„Ik heb geen plezier zoo alleen naar de muziek te gaan luisteren. Misschien vind ik in de Harmonie wel lui. Zoo niet dan kom ik heel gauw weer naar huis.”Het deed haar goed, dat hij ging en ze keek hem tevreden na, toen hij haar gekust had en uit de galerij met een stap zijner lange beenen in den wachtenden mylord zat.Doch in de Sociëteit vond hij geen partners en in zijn eentje liet hij zich neer op een der stoelen, en achter het ijzeren hek om de smalle omloopende galerij, zijn ponsje drinkend keek hij naar den overkant. Daar was het gangetje! Wat zou het hem nu weinig moeite kosten. Er waren geen lui op den weg, ten minste haast niet dan inlanders! En geen lantaarns aan buiten, terwijl de maan, die volgens den kalender voor de verlichting behoorde te zorgen, zich listiglijk achter de wolken hield verscholen. Hij zou het echter niet doen, hoe groot ook zijn lust was, en om zich te verzetten ging hij naar de biljartzaal, die ook maar matigjes was bezocht, maar waar toch werd gespeeld. Eindelijk kwamen eenige bezoekers; het gelukte Vermey er drie onder te vinden, waarmede hij, die nu nogal kieschkeurig was om zijn „positie,” meende een partijtje te kunnen maken.Het ging tegen hoog tarief en het duurde tot laat.Vermey, die in langen tijd niet had gespeeld, genoot van een hardnekkigeveineen kreeg toen het uit was, van[230]iedereen een betaling, die een eerzaam Nederlander gewoon te omberen tegen een halven stuiver hetfiche, gevaar had doen loopen een beroerte van ergernis te doen krijgen over zulk „grof” spel.Het had hem prettig gestemd. Niet om het geld, dat had hij niet noodig, maar om het succes; hij was slechts een hoogst middelmatig speler, die nogal eens deed, wat hij niet doen moest.„Rijdt ge mee?” vroeg een zijner partners.„Dankje, ik heb mijn wagen hier.”„Blijf je dan nog?”„Ik ga eens naar het biljarten kijken; ik ben zoo stijf in m’n beenen.”’t Was thans drukker in de biljartzaal; er werd pot gespeeld, poule, carambole,—van alles. Het was onder het helle licht der gaslampen een aanhoudend vooroverbuigen van bovenlijven in overhemden boven het grasgroene laken met zijn bestorven tintje, dat zich grijs afteekende langs de banden.Vermey stond bij een groot biljart waar engelsche officieren van een oorlogschip, dat op de reede lag, ’n partijtje maakten. Er keken veel lui toe, allen eenigszins verwonderd over het feit, dat die vreemde heeren iets zoo veel meer schepeling-achtigs over zich hadden dan hollandsche marine-officieren, ja er zelfs een bij was, diebretellesdroeg en een blauw anker op den rug van z’n rechterhand.Zonder eenig plan, dan om z’n beenen, die stijf waren van het zitten ’n beetje uit te rekken, was Vermey naar het biljarten gaan kijken, doch het verveelde hem al heel[231]gauw; hij ging opzij van de zaal op het galerijtje staan en keek eens naar de lucht, die geheel was opgeklaard. Er ging een frisch koeltje over den weg, en George die om ervan te profiteeren zijn hoed een oogenblik in de hand hield, vond het erg lekker. Hij rekte zich eens uit, met een gevoel van gezondheid en kracht in zijn leden; hij trommelde met z’n stok op het ijzeren hek en floot er zacht ’n deuntje bij. Langzaam flaneerde hij naar den achterkant van het gebouw en vandaar den weg op.Zijn koetsier, die vóór het gebouw wachtte met het rijtuig, sliep als een os; hij liet hem slapen; hij wandelde verder naar den overkant; eerst dacht hij er haast niet bij, schoon hij heel goed wist, welke magneet hem dien kant uittrok. Toen had hij een gek gevoel in hem, alsof zich bezwaren op bezwaren stapelden, die zich met kracht en macht verzetten, tegen hetgeen hij ging doen. Het was of er twee menschen in hem levend waren, twee afzonderlijke menschen. De een die redeneerde en heftig uitvoer tegen elke gedachte om naar zijn oude huishoudster te gaan; die hem al de ellende opsomde, waartoe het leiden kon; al het onvergeeflijk gemeene van de daad voor oogen hield; al het tegenstrijdige toonde tusschen zijn tegenwoordige maatschappelijke omstandigheden en dien tocht; de andere, die hem bestormde met eene groote zucht naar voldoening van lusten, en die hem als machinaal de lange beenen bewoog, het een voor het ander, in de richting van het gangetje. De eene mensch zonder steun in zijn tegenstreven op godsdienst of afzonderlijke zedenleer; de ander onder een krachtigen physiologischen invloed.[232]In het gangetje was het nog licht, maar in de kampong brandde enkel hier en daar een „gloeiende spijker.” Aan terugkeeren dacht hij nu niet meer; wel kwam de gedachte bij hem op: als daar eens iemand anders was. En dat denkbeeld deed hem huiveren, waarom wist hij zelf niet, maar zeker niet omdat de verwezenlijking ervan hem reëel verdriet zou doen.Een inlander, die nog aan een altijd gereed zijnde warong zat, wees hem op zijn navraag den weg. Men kende haar goed naar het scheen, en ver was het ook niet. Het viel hem niet mee. ’t Was een houten huisje van gewitte planken; veel plekken van het hout waren van de witkalk ontbloot, die er in groote duimkoeken was afgevallen.Vermey lichtte de groene krees op en trad in een voorgalerijtje met den aardbodem tot vloer, een bruin rond tafeltje geflankeerd door twee oude wipstoelen totpièce de milieu, en anders niets.Zachtjes tikte hij tegen de deur; toen er antwoord kwam, zei hij zijn naam en dadelijk werd opengedaan met dat bekende zacht rollende lachje.„Wat woon je hier beroerd,” mopperde Vermey.„Heb op jou gewacht.”„Nou ja!”„Soengoe matie, Sors!” riep ze zich op de bloote borst slaande, ofschoon de waarheid was, dat zij juist dien dag een nieuwe tijdelijke gezelligheidsovereenkomst had aangegaan. Hij bekeek haar nieuwsgierig onder het licht van het kleine lampje en vond glimlachend, dat ze haast alles had behouden; dat ze nog zeer veel aantrekkelijks had[233]en dat hij toch maar wijs had gedaan van deze gelegenheid gebruik te maken, het zou krankzinnig zijn geweest dat niet te doen!Een half uur later scheen zij hem een vuil, smerig vrouwspersoon, schaamde hij zich voor zichzelf, dat hij, aan zoo’n nette, gesoigneerde omgeving gewoon, niet te vies was geweest om een voet te zetten in dit krot; dat hij, die een eerzaam huwelijksleven leidde in den laatsten tijd, zoo incomfortabel en proper zich had kunnen verlagen tot die inlandsche deerne van Jan-en-alleman. Nu rook hij weêr dat het er letterlijk stonk! Nu zag hij het ongedierte, dat opwandelde tegen de klamboe, en bij het schijnsel van het lichtje zag hij het bed met smerig ongewasschen linnengoed, met sporen van beoliede hoofden en beslijkte hielen. Een rilling van afschuw en schaamte liep hem door het lijf. Hoe was het in godsnaam mogelijk, dat hij zoo iets had ondernomen! Woedend op zichzelven, walgend van Yps en haar omgeving greep hij in zijn portemonnaie, gaf haar een groot deel van zijn winst, en ging haastig heen. Buiten nam zijn spijt nog toe. Hij had veel willen geven, als het niet was gebeurd! Doch toen hij zijn rijtuig weêr had opgezocht en naar huis reed, was hij er kalm onder geworden. Het was immers gepasseerd! Geen haan kraaide ernaar; en nu zou hij weer rustig kunnen slapen zonder visioenen en kwellingen, tot Lena geheel was hersteld. Dat was dan althans de goede zijde, vond hij.Met haar loshangenden overvloed van blauw-zwart, grof haar op den rug en de bloote beenen, donkerder dan van een gewone inlandsche, heen en weer bengelend, was Yps,[234]toen hij heen ging, blijven zitten op den rand van het vieze ledikant. Zij had in het geheel geen acht geslagen op het gezicht van Vermey, noch op zijn teruggetrokken afkeerigheid bij het heengaan. Zij had hem met eenig vertoon omarmd en gezoend; hij had geen repliek gegeven, en dat verheugde haar; zij hield er niet van; zij wist, dat het zoo hoorde bij europeesche menschen; maar ze vond het vies. Nu keek ze met wellust naar het geld in haar hand. Wat was hij royaal geweest, en hoe erg lief was dat van hem! Hij moest toch wel heel rijk zijn! En hij zou zeker terugkomen, zooals hij nu, ondanks zijn tegenspartelen, teruggekomen was. Het was nu de eerste stap geweest, en die, dat wist ze reeds als kind, is de eenige, die kost; de rest gaat vanzelf. „Sleem” geweest van haar, dacht ze, dat briefje te schrijven! Wat had hij haar adres goed onthouden! Hij vond het zoo’n armoedig krot, en daarin had hij gelijk. Voor een heer als hij, ging het niet in zoo’n kamponghuisje te komen. Zij zou den volgenden dag dadelijk gaan verhuizen en wat afbetalen van haar schuld aan den Chinees, dan had ze weer crediet voor meubels. Haar pas aangegane overeenkomst met een ander zou ze breken. Wilde die in stilte eens bij haar ’n bezoek brengen, dat moest hij weten, maar in hoofdzaak zou zij zich nu weer aan Vermey houden, aan „Sors”, die oude, royale relatie, die nu weer was gekomen en met zooveel geld in den zak.Toen ze haar gedragslijn dus had vastgesteld liet zij heel gemoedelijk haar hoofd neer op het groezelige, vettige kussen en sliep in een paar minuten, zoo volkomen vrij van elke verdere gedachte over haar leven en gedrag, dat[235]de bekende slaap des rechtvaardigen er een onrustige sluimering bij was.Vermey was heel zachtjes thuis gekomen, maar toch was Lena ervan wakker geworden; toen hij op zijn teenen haar kamer passeerde, schrikte hij; zij deed de deur op een kier open en keek hem aan.„Zoo, ben je daar?”„Ja,.… het is wat laat geworden.”„’t Komt er niet op aan. Morgen is het Zondag, dan kan je uitslapen.”„Ben je vroeg naar bed gegaan?”„Heel vroeg; ik voel me lekker uitgerust.”„Ik niet; ik ben moe.”„Ga dan maar gauw naar je kamer. Wel te rusten!”Zij stak haar hoofd ’n eindje buiten de deuropening, met de blijkbare bedoeling, dat hij haar goenacht zou kussen.Vermey kreeg er een kleur van, en een oogenblik aarzelde hij, beschaamd door de gedachte, dat hij dit reine, fatsoenlijke vrouwtje zou zoenen met den mond, waarop nog geen kwartier geleden de vieze deerne haar lippen had gedrukt.„Nu?” vroeg Lena verwonderd glimlachend.Hij boog zich naar haar voorover.„Het is maar,” zei hij, toen hij haar had gekust, „dat iemand, die om vier uren ’s nachts uit de kroeg komt, nu juist geen frissche geuren mee naar huis brengt.”„Neen,” zei Lena lachend, „je ruikt verschrikkelijk naar brendy en tabak.”„Waarom wou je het ook?” antwoordde hij, vroolijk op[236]z’n beurt, dat er, hoe ondenkbaar het ook was, geen viezer, verdachter luchtjes waren getrokken in z’n haar en z’n kleeren.„Het komt er immers niet op aan. Ga nu maar gauw slapen.”Hij ging naar z’n kamer en naar bed, maar slapen kon hij niet. Een ding nam hij zich met groote zekerheid voor: het was voor de eerste maal geweest, doch ook voor de laatste. Als Lena nu in ’s hemelsnaam maar spoedig ’n beetje vooruitging! Maar als ze dan eens vlug vooruitging, en het geval deed zich eens voor, dat die nachtelijke excursie voor hem noodlottige gevolgen bleek te hebben! Daaraan had hij nog geen oogenblik eer gedacht! Hij kreeg het plotseling verschrikkelijk warm in z’n bed, schoon het een bij uitzondering frissche nacht was. Hij bloosde diep donkerrood in zijn eenzaamheid; het zweet begon hem, naarmate hij zich in dit gedeelte der quaestie verdiepte, met groote droppels langs het voorhoofd te vloeien; hij ging het bed uit en stelde zich, zonder erop te letten, ten prooi aan een geduchten aanval der muskieten; hij keek rond naar middelen, die ook maar eenigszins konden voorkomen, wat hem daar als een ontzettend schrikbeeld voor den geest was gekomen, en hij nam wat hij vond.Het schot viel; er kwam leven in de lucht en op de aarde; de vogels floten in de waringins; bedienden kwamen uit hun vertrekken en baadden aan de put; sapoe’s krauwelden vegend over de steenen; het kind schreeuwde, de meid opende met gedruisch de binnendeur; het werd dag, voordat Vermey, doodmoe, in slaap viel. Doch hij was zulke[237]staaltjes van leven niet meer gewoon. In vroeger jaren kwam dat heel dikwijls voor, en dan kon hij daarna slapen, slapen! Nu,—het was gek, maar hij hoorde alles, sluimerde licht en onrustig, en was een paar uren later, tegen kantoortijd weêr klaar wakker; maar landerig en onlekker.—Waarom rust je niet nog wat uit? had Lena gevraagd, maar hij wilde niet.Toen hij eenige dagen later, in veel opzichten reeds gerustgesteld, een briefje kreeg op z’n kantoor, dat door Yps was geschreven, werd hij woedend. Ditmaal kwam het per post; zij schreef heel beleefd en zonder eenige woordspeling, dat zij zoo vrij was meneer te herinneren aan het verzoek haar te willen helpen om haar neef als klerk geplaatst te krijgen. Iedereen had dat briefje kunnen lezen, zonder tot eenige kwade gedachten te komen.Alleen aan den bovenhoek links stond haar nieuw adres.Dat kan je begrijpen! zei Vermey bij zichzelven, en met een triomfantelijken glimlach. Lena was in de laatste dagen zoo in krachten toegenomen, en ze gevoelde zich zóó bijzonder wel, dat de dokter had gezegd niet weer terug te komen, en aan Vermey had hij eenige wenken gegeven, die dezen eventjes ’n kleur hadden doen krijgen en hem hadden doen glimlachen met toestemmende hoofdknikjes.Het had hem opgevroolijkt. Duivels, dat was zoo ook geen leven geweest; hij werd grappig en vertelde aardigheden; en hij trok Lena op z’n schoot en kuste haar; dat durfde hij nu wel doen. En daar kwam dat.…. die.…. zoo’n.…., de eene uitdrukking, die hij in[238]gedachten Yps naar het hoofd wierp, was al smadelijker dan de andere! Neen, zij mocht in haar nieuwe woning zien, dien ze wilde,—zijn, Vermey’s, voetstappen zouden er nooit in gezet worden![239]

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.George vergeet voor ’n oogenblik zijne positie.

Den volgenden ochtend was er op ’t kantoor onder zijn brieven één, dien hij met gefronste wenkbrauwen open maakte. Een aankomend jongmensch, erg donker, in een kaal jasje en met een witte broek aan, waarvan de pijpen een franje-garnituur van rafels vertoonden, was de „brenger”. Dat jonge mensch, schreef Yps, in het briefje, dat beter gesteld en gespeld was dan men haar hoorende praten, ooit zou voorondersteld hebben, was haar neef. Zij verzocht heel onderdanig mijnheer of hij dien jongeling niet aan een betrekking kon helpen; mijnheer zou haar dan een heel groot genoegen doen. Aan den bovenhoek der eerste bladzijde, links, stond met vette letters, haar tegenwoordig adres en daaronder tusschen haakjes: „Ik ben den heelen dag thuis.”Vermey las dat alles met saamgeknepen lippen, niet wetend hoe het zaakje te behandelen. Die neef,—nu ja. Dat was ook maarpoera-poera![226]Het feit, dat zij weer op haar zelve woonde en waar, was natuurlijk de zaak. En ofschoon hij dat besefte, zei hij niet ineens, kort en bondig, tot den jongen, dat hij hem niet kon helpen en verscheurde hij ook den brief niet.„Ik zal ’reis kijken. Op ’t oogenblik is er niets. Kom ’n volgende week maar eens terug.”Als een stomme knecht in een blijspel, boog het mannetje diep, zonder een woord te spreken, en vertrok met ongemotiveerden spoed, alleen omdat hij bang was, dat die totok-meneer hem soms in ’t hollandsch vragen zou doen, die hij zou moeten beantwoorden, zonder maleisch er bij.Vermey bleef laat op ’t kantoor, dien dag. Toen hij naar huis reed en eenigszins in de buurt kwam van het gangetje, dat men moest ingaan om in de kampong te komen, waar Yps woonde, keek hij er met belangstelling naar, schoon er niets aan te zien was; het was curieus, dacht hij, hoe goed dat briefje was geschreven. Ja, dat had ze in haar jeugd op school geleerd, doch als haar mond openging.… hij glimlachte. Het was me ’n taaltje! Maar hij dacht aan haar thans, zonder boosheid en zonder vrees voor zijn positie; hij dacht aan haar op ’n heel andere manier! Het trof hem niet, dat verschil, en hij verdiepte zich ook niet in wijsgeerige bespiegelingen over de macht der sexueelebehoefte, bij haar toename strijdend tegen alle consideratie en moraal. Daar was hij de man niet naar; in ’t geheel niet! Zij stond hem nu voor oogen in de weelderigheid harer veerkrachtige vormen, met al het aangename bekende en familiare daarvan, en hij trachtte zich niet te onttrekken aan de bekoring van dat beeld; hij bleef[227]ernaar kijken met de oogen zijner verbeelding, bijtend op z’n sigaar alsof hij die pruimen in plaats van rooken moest.Toch vormde hij geen plannen van uithuizigheid; hij zou en wilde het nog altijd niet doen, maar hij drong zich dat niet meer zoo krachtig op met ’n soort van kwaadaardig verzet. Hij dacht nu meer, dat zijn onthouding een fataliteit was, waaraan men zich onderwierp omdat … enfin, omdat het netjes was en behoorlijk.Ten slotte vond hij het vervelend, dat hij zoo bezeten werd door zijn hersenwerking in die richting en de gevolgen van dien.Hij was toch niet te jong getrouwd, meende hij, en hoe drommel kon hij dan nu zoo ongeduldig zijn en dagen lang zoo’n last hebben en zoo geplaagd worden door de fantastische beelden van zijn geest?De heele week liet hem dat niet los, en toen hij Zaterdagsmiddags thuis kwam, zag hij zuchtend op tegen den luien Zondag, die met haar ledigheid en haar extra-halfje champagne, dat hij ’s ochtends altijd „pakte”, in zijn omstandigheden een waar oorkussen van den duivel was.Met Lena vorderde het niet hard. Zij bleef zwak en sukkelend. Het was zoo jammer, vond hij, dat ze zoofrèlewas! Drommels, als hij dacht aan die vrouwen van anderen met haar volle schouders en krachtig ontwikkelde busten, dan vond hij, dat, hoe voordeelig zijn huwelijk ook had gewerkt op zijn sociale positie, hij van den anderen kant veel te kort kwam. Mismoedig slurpte hij zijn kop thee. Die gedachten deden hem weer geen goed! En hij wilde[228]voor geen geld Lena met aanhaligheid lastig vallen. Dat had hij zóó ignobel gevonden, zoo onbehoorlijk en onkiesch, dat het denkbeeld alleen hem ’n kleur deed krijgen van schaamte over zichzelven.„Ga je niet eens naar de Sociëteit vanavond?” vroeg Lena, terwijl zij zijn thee schonk.„Och wat moet ik er doen?”„Nu, dat wist je toch in vroeger jaren heel goed.”„Ja,… toen! Maar dat is nu heel anders.”„Je zoudt er toch wel ’n partijtje kunnen maken, dat doen zooveel heeren!”„Wil je me zoo graag uit het huis hebben?”„Dat weet je wel beter George! Maar ik vind het zoo’n naar idee dat je om mijnentwille je hier zoo gruwelijk zit te vervelen elken avond. Ik heb dan nog veel liever, dat je eens uitgaat nu en dan.”Wat was ze toch goed en lief voor hem, dacht hij, en hij glimlachte tegen haar.„Naderhand,” zei ze „als ik weêr heelemaal beter ben, gaan we samen naar de muziek luisteren.”„Of we blijven,” zei hij, opzettelijk dubbelzinnig „samen thuis.”Ze lachte omdat hij het ook deed, maar ze voelde zich niet, zooals ze meende, dat ze zijn moest. Slechts uiterst langzaam sterkte ze aan. Ze gebruikte melk, eieren, bouillon en al wat maar eenigszins tot de gewone „versterkende middelen” wordt gerekend; het hielp niet. Het verdroot haar, want ze was heel graag spoedig hersteld geweest, hoofdzakelijk voor George, die ze wel begreep, dat zeer daarmee gebaat zou zijn geweest.[229]Dan, wat kon ze er aan doen?„Nu,” zei hij verder, „we zullen eens zien. Misschien ga ik een uurtje.”„Doe het.… wezenlijk!”„Ik heb geen plezier zoo alleen naar de muziek te gaan luisteren. Misschien vind ik in de Harmonie wel lui. Zoo niet dan kom ik heel gauw weer naar huis.”Het deed haar goed, dat hij ging en ze keek hem tevreden na, toen hij haar gekust had en uit de galerij met een stap zijner lange beenen in den wachtenden mylord zat.Doch in de Sociëteit vond hij geen partners en in zijn eentje liet hij zich neer op een der stoelen, en achter het ijzeren hek om de smalle omloopende galerij, zijn ponsje drinkend keek hij naar den overkant. Daar was het gangetje! Wat zou het hem nu weinig moeite kosten. Er waren geen lui op den weg, ten minste haast niet dan inlanders! En geen lantaarns aan buiten, terwijl de maan, die volgens den kalender voor de verlichting behoorde te zorgen, zich listiglijk achter de wolken hield verscholen. Hij zou het echter niet doen, hoe groot ook zijn lust was, en om zich te verzetten ging hij naar de biljartzaal, die ook maar matigjes was bezocht, maar waar toch werd gespeeld. Eindelijk kwamen eenige bezoekers; het gelukte Vermey er drie onder te vinden, waarmede hij, die nu nogal kieschkeurig was om zijn „positie,” meende een partijtje te kunnen maken.Het ging tegen hoog tarief en het duurde tot laat.Vermey, die in langen tijd niet had gespeeld, genoot van een hardnekkigeveineen kreeg toen het uit was, van[230]iedereen een betaling, die een eerzaam Nederlander gewoon te omberen tegen een halven stuiver hetfiche, gevaar had doen loopen een beroerte van ergernis te doen krijgen over zulk „grof” spel.Het had hem prettig gestemd. Niet om het geld, dat had hij niet noodig, maar om het succes; hij was slechts een hoogst middelmatig speler, die nogal eens deed, wat hij niet doen moest.„Rijdt ge mee?” vroeg een zijner partners.„Dankje, ik heb mijn wagen hier.”„Blijf je dan nog?”„Ik ga eens naar het biljarten kijken; ik ben zoo stijf in m’n beenen.”’t Was thans drukker in de biljartzaal; er werd pot gespeeld, poule, carambole,—van alles. Het was onder het helle licht der gaslampen een aanhoudend vooroverbuigen van bovenlijven in overhemden boven het grasgroene laken met zijn bestorven tintje, dat zich grijs afteekende langs de banden.Vermey stond bij een groot biljart waar engelsche officieren van een oorlogschip, dat op de reede lag, ’n partijtje maakten. Er keken veel lui toe, allen eenigszins verwonderd over het feit, dat die vreemde heeren iets zoo veel meer schepeling-achtigs over zich hadden dan hollandsche marine-officieren, ja er zelfs een bij was, diebretellesdroeg en een blauw anker op den rug van z’n rechterhand.Zonder eenig plan, dan om z’n beenen, die stijf waren van het zitten ’n beetje uit te rekken, was Vermey naar het biljarten gaan kijken, doch het verveelde hem al heel[231]gauw; hij ging opzij van de zaal op het galerijtje staan en keek eens naar de lucht, die geheel was opgeklaard. Er ging een frisch koeltje over den weg, en George die om ervan te profiteeren zijn hoed een oogenblik in de hand hield, vond het erg lekker. Hij rekte zich eens uit, met een gevoel van gezondheid en kracht in zijn leden; hij trommelde met z’n stok op het ijzeren hek en floot er zacht ’n deuntje bij. Langzaam flaneerde hij naar den achterkant van het gebouw en vandaar den weg op.Zijn koetsier, die vóór het gebouw wachtte met het rijtuig, sliep als een os; hij liet hem slapen; hij wandelde verder naar den overkant; eerst dacht hij er haast niet bij, schoon hij heel goed wist, welke magneet hem dien kant uittrok. Toen had hij een gek gevoel in hem, alsof zich bezwaren op bezwaren stapelden, die zich met kracht en macht verzetten, tegen hetgeen hij ging doen. Het was of er twee menschen in hem levend waren, twee afzonderlijke menschen. De een die redeneerde en heftig uitvoer tegen elke gedachte om naar zijn oude huishoudster te gaan; die hem al de ellende opsomde, waartoe het leiden kon; al het onvergeeflijk gemeene van de daad voor oogen hield; al het tegenstrijdige toonde tusschen zijn tegenwoordige maatschappelijke omstandigheden en dien tocht; de andere, die hem bestormde met eene groote zucht naar voldoening van lusten, en die hem als machinaal de lange beenen bewoog, het een voor het ander, in de richting van het gangetje. De eene mensch zonder steun in zijn tegenstreven op godsdienst of afzonderlijke zedenleer; de ander onder een krachtigen physiologischen invloed.[232]In het gangetje was het nog licht, maar in de kampong brandde enkel hier en daar een „gloeiende spijker.” Aan terugkeeren dacht hij nu niet meer; wel kwam de gedachte bij hem op: als daar eens iemand anders was. En dat denkbeeld deed hem huiveren, waarom wist hij zelf niet, maar zeker niet omdat de verwezenlijking ervan hem reëel verdriet zou doen.Een inlander, die nog aan een altijd gereed zijnde warong zat, wees hem op zijn navraag den weg. Men kende haar goed naar het scheen, en ver was het ook niet. Het viel hem niet mee. ’t Was een houten huisje van gewitte planken; veel plekken van het hout waren van de witkalk ontbloot, die er in groote duimkoeken was afgevallen.Vermey lichtte de groene krees op en trad in een voorgalerijtje met den aardbodem tot vloer, een bruin rond tafeltje geflankeerd door twee oude wipstoelen totpièce de milieu, en anders niets.Zachtjes tikte hij tegen de deur; toen er antwoord kwam, zei hij zijn naam en dadelijk werd opengedaan met dat bekende zacht rollende lachje.„Wat woon je hier beroerd,” mopperde Vermey.„Heb op jou gewacht.”„Nou ja!”„Soengoe matie, Sors!” riep ze zich op de bloote borst slaande, ofschoon de waarheid was, dat zij juist dien dag een nieuwe tijdelijke gezelligheidsovereenkomst had aangegaan. Hij bekeek haar nieuwsgierig onder het licht van het kleine lampje en vond glimlachend, dat ze haast alles had behouden; dat ze nog zeer veel aantrekkelijks had[233]en dat hij toch maar wijs had gedaan van deze gelegenheid gebruik te maken, het zou krankzinnig zijn geweest dat niet te doen!Een half uur later scheen zij hem een vuil, smerig vrouwspersoon, schaamde hij zich voor zichzelf, dat hij, aan zoo’n nette, gesoigneerde omgeving gewoon, niet te vies was geweest om een voet te zetten in dit krot; dat hij, die een eerzaam huwelijksleven leidde in den laatsten tijd, zoo incomfortabel en proper zich had kunnen verlagen tot die inlandsche deerne van Jan-en-alleman. Nu rook hij weêr dat het er letterlijk stonk! Nu zag hij het ongedierte, dat opwandelde tegen de klamboe, en bij het schijnsel van het lichtje zag hij het bed met smerig ongewasschen linnengoed, met sporen van beoliede hoofden en beslijkte hielen. Een rilling van afschuw en schaamte liep hem door het lijf. Hoe was het in godsnaam mogelijk, dat hij zoo iets had ondernomen! Woedend op zichzelven, walgend van Yps en haar omgeving greep hij in zijn portemonnaie, gaf haar een groot deel van zijn winst, en ging haastig heen. Buiten nam zijn spijt nog toe. Hij had veel willen geven, als het niet was gebeurd! Doch toen hij zijn rijtuig weêr had opgezocht en naar huis reed, was hij er kalm onder geworden. Het was immers gepasseerd! Geen haan kraaide ernaar; en nu zou hij weer rustig kunnen slapen zonder visioenen en kwellingen, tot Lena geheel was hersteld. Dat was dan althans de goede zijde, vond hij.Met haar loshangenden overvloed van blauw-zwart, grof haar op den rug en de bloote beenen, donkerder dan van een gewone inlandsche, heen en weer bengelend, was Yps,[234]toen hij heen ging, blijven zitten op den rand van het vieze ledikant. Zij had in het geheel geen acht geslagen op het gezicht van Vermey, noch op zijn teruggetrokken afkeerigheid bij het heengaan. Zij had hem met eenig vertoon omarmd en gezoend; hij had geen repliek gegeven, en dat verheugde haar; zij hield er niet van; zij wist, dat het zoo hoorde bij europeesche menschen; maar ze vond het vies. Nu keek ze met wellust naar het geld in haar hand. Wat was hij royaal geweest, en hoe erg lief was dat van hem! Hij moest toch wel heel rijk zijn! En hij zou zeker terugkomen, zooals hij nu, ondanks zijn tegenspartelen, teruggekomen was. Het was nu de eerste stap geweest, en die, dat wist ze reeds als kind, is de eenige, die kost; de rest gaat vanzelf. „Sleem” geweest van haar, dacht ze, dat briefje te schrijven! Wat had hij haar adres goed onthouden! Hij vond het zoo’n armoedig krot, en daarin had hij gelijk. Voor een heer als hij, ging het niet in zoo’n kamponghuisje te komen. Zij zou den volgenden dag dadelijk gaan verhuizen en wat afbetalen van haar schuld aan den Chinees, dan had ze weer crediet voor meubels. Haar pas aangegane overeenkomst met een ander zou ze breken. Wilde die in stilte eens bij haar ’n bezoek brengen, dat moest hij weten, maar in hoofdzaak zou zij zich nu weer aan Vermey houden, aan „Sors”, die oude, royale relatie, die nu weer was gekomen en met zooveel geld in den zak.Toen ze haar gedragslijn dus had vastgesteld liet zij heel gemoedelijk haar hoofd neer op het groezelige, vettige kussen en sliep in een paar minuten, zoo volkomen vrij van elke verdere gedachte over haar leven en gedrag, dat[235]de bekende slaap des rechtvaardigen er een onrustige sluimering bij was.Vermey was heel zachtjes thuis gekomen, maar toch was Lena ervan wakker geworden; toen hij op zijn teenen haar kamer passeerde, schrikte hij; zij deed de deur op een kier open en keek hem aan.„Zoo, ben je daar?”„Ja,.… het is wat laat geworden.”„’t Komt er niet op aan. Morgen is het Zondag, dan kan je uitslapen.”„Ben je vroeg naar bed gegaan?”„Heel vroeg; ik voel me lekker uitgerust.”„Ik niet; ik ben moe.”„Ga dan maar gauw naar je kamer. Wel te rusten!”Zij stak haar hoofd ’n eindje buiten de deuropening, met de blijkbare bedoeling, dat hij haar goenacht zou kussen.Vermey kreeg er een kleur van, en een oogenblik aarzelde hij, beschaamd door de gedachte, dat hij dit reine, fatsoenlijke vrouwtje zou zoenen met den mond, waarop nog geen kwartier geleden de vieze deerne haar lippen had gedrukt.„Nu?” vroeg Lena verwonderd glimlachend.Hij boog zich naar haar voorover.„Het is maar,” zei hij, toen hij haar had gekust, „dat iemand, die om vier uren ’s nachts uit de kroeg komt, nu juist geen frissche geuren mee naar huis brengt.”„Neen,” zei Lena lachend, „je ruikt verschrikkelijk naar brendy en tabak.”„Waarom wou je het ook?” antwoordde hij, vroolijk op[236]z’n beurt, dat er, hoe ondenkbaar het ook was, geen viezer, verdachter luchtjes waren getrokken in z’n haar en z’n kleeren.„Het komt er immers niet op aan. Ga nu maar gauw slapen.”Hij ging naar z’n kamer en naar bed, maar slapen kon hij niet. Een ding nam hij zich met groote zekerheid voor: het was voor de eerste maal geweest, doch ook voor de laatste. Als Lena nu in ’s hemelsnaam maar spoedig ’n beetje vooruitging! Maar als ze dan eens vlug vooruitging, en het geval deed zich eens voor, dat die nachtelijke excursie voor hem noodlottige gevolgen bleek te hebben! Daaraan had hij nog geen oogenblik eer gedacht! Hij kreeg het plotseling verschrikkelijk warm in z’n bed, schoon het een bij uitzondering frissche nacht was. Hij bloosde diep donkerrood in zijn eenzaamheid; het zweet begon hem, naarmate hij zich in dit gedeelte der quaestie verdiepte, met groote droppels langs het voorhoofd te vloeien; hij ging het bed uit en stelde zich, zonder erop te letten, ten prooi aan een geduchten aanval der muskieten; hij keek rond naar middelen, die ook maar eenigszins konden voorkomen, wat hem daar als een ontzettend schrikbeeld voor den geest was gekomen, en hij nam wat hij vond.Het schot viel; er kwam leven in de lucht en op de aarde; de vogels floten in de waringins; bedienden kwamen uit hun vertrekken en baadden aan de put; sapoe’s krauwelden vegend over de steenen; het kind schreeuwde, de meid opende met gedruisch de binnendeur; het werd dag, voordat Vermey, doodmoe, in slaap viel. Doch hij was zulke[237]staaltjes van leven niet meer gewoon. In vroeger jaren kwam dat heel dikwijls voor, en dan kon hij daarna slapen, slapen! Nu,—het was gek, maar hij hoorde alles, sluimerde licht en onrustig, en was een paar uren later, tegen kantoortijd weêr klaar wakker; maar landerig en onlekker.—Waarom rust je niet nog wat uit? had Lena gevraagd, maar hij wilde niet.Toen hij eenige dagen later, in veel opzichten reeds gerustgesteld, een briefje kreeg op z’n kantoor, dat door Yps was geschreven, werd hij woedend. Ditmaal kwam het per post; zij schreef heel beleefd en zonder eenige woordspeling, dat zij zoo vrij was meneer te herinneren aan het verzoek haar te willen helpen om haar neef als klerk geplaatst te krijgen. Iedereen had dat briefje kunnen lezen, zonder tot eenige kwade gedachten te komen.Alleen aan den bovenhoek links stond haar nieuw adres.Dat kan je begrijpen! zei Vermey bij zichzelven, en met een triomfantelijken glimlach. Lena was in de laatste dagen zoo in krachten toegenomen, en ze gevoelde zich zóó bijzonder wel, dat de dokter had gezegd niet weer terug te komen, en aan Vermey had hij eenige wenken gegeven, die dezen eventjes ’n kleur hadden doen krijgen en hem hadden doen glimlachen met toestemmende hoofdknikjes.Het had hem opgevroolijkt. Duivels, dat was zoo ook geen leven geweest; hij werd grappig en vertelde aardigheden; en hij trok Lena op z’n schoot en kuste haar; dat durfde hij nu wel doen. En daar kwam dat.…. die.…. zoo’n.…., de eene uitdrukking, die hij in[238]gedachten Yps naar het hoofd wierp, was al smadelijker dan de andere! Neen, zij mocht in haar nieuwe woning zien, dien ze wilde,—zijn, Vermey’s, voetstappen zouden er nooit in gezet worden![239]

Den volgenden ochtend was er op ’t kantoor onder zijn brieven één, dien hij met gefronste wenkbrauwen open maakte. Een aankomend jongmensch, erg donker, in een kaal jasje en met een witte broek aan, waarvan de pijpen een franje-garnituur van rafels vertoonden, was de „brenger”. Dat jonge mensch, schreef Yps, in het briefje, dat beter gesteld en gespeld was dan men haar hoorende praten, ooit zou voorondersteld hebben, was haar neef. Zij verzocht heel onderdanig mijnheer of hij dien jongeling niet aan een betrekking kon helpen; mijnheer zou haar dan een heel groot genoegen doen. Aan den bovenhoek der eerste bladzijde, links, stond met vette letters, haar tegenwoordig adres en daaronder tusschen haakjes: „Ik ben den heelen dag thuis.”

Vermey las dat alles met saamgeknepen lippen, niet wetend hoe het zaakje te behandelen. Die neef,—nu ja. Dat was ook maarpoera-poera![226]

Het feit, dat zij weer op haar zelve woonde en waar, was natuurlijk de zaak. En ofschoon hij dat besefte, zei hij niet ineens, kort en bondig, tot den jongen, dat hij hem niet kon helpen en verscheurde hij ook den brief niet.

„Ik zal ’reis kijken. Op ’t oogenblik is er niets. Kom ’n volgende week maar eens terug.”

Als een stomme knecht in een blijspel, boog het mannetje diep, zonder een woord te spreken, en vertrok met ongemotiveerden spoed, alleen omdat hij bang was, dat die totok-meneer hem soms in ’t hollandsch vragen zou doen, die hij zou moeten beantwoorden, zonder maleisch er bij.

Vermey bleef laat op ’t kantoor, dien dag. Toen hij naar huis reed en eenigszins in de buurt kwam van het gangetje, dat men moest ingaan om in de kampong te komen, waar Yps woonde, keek hij er met belangstelling naar, schoon er niets aan te zien was; het was curieus, dacht hij, hoe goed dat briefje was geschreven. Ja, dat had ze in haar jeugd op school geleerd, doch als haar mond openging.… hij glimlachte. Het was me ’n taaltje! Maar hij dacht aan haar thans, zonder boosheid en zonder vrees voor zijn positie; hij dacht aan haar op ’n heel andere manier! Het trof hem niet, dat verschil, en hij verdiepte zich ook niet in wijsgeerige bespiegelingen over de macht der sexueelebehoefte, bij haar toename strijdend tegen alle consideratie en moraal. Daar was hij de man niet naar; in ’t geheel niet! Zij stond hem nu voor oogen in de weelderigheid harer veerkrachtige vormen, met al het aangename bekende en familiare daarvan, en hij trachtte zich niet te onttrekken aan de bekoring van dat beeld; hij bleef[227]ernaar kijken met de oogen zijner verbeelding, bijtend op z’n sigaar alsof hij die pruimen in plaats van rooken moest.

Toch vormde hij geen plannen van uithuizigheid; hij zou en wilde het nog altijd niet doen, maar hij drong zich dat niet meer zoo krachtig op met ’n soort van kwaadaardig verzet. Hij dacht nu meer, dat zijn onthouding een fataliteit was, waaraan men zich onderwierp omdat … enfin, omdat het netjes was en behoorlijk.

Ten slotte vond hij het vervelend, dat hij zoo bezeten werd door zijn hersenwerking in die richting en de gevolgen van dien.

Hij was toch niet te jong getrouwd, meende hij, en hoe drommel kon hij dan nu zoo ongeduldig zijn en dagen lang zoo’n last hebben en zoo geplaagd worden door de fantastische beelden van zijn geest?

De heele week liet hem dat niet los, en toen hij Zaterdagsmiddags thuis kwam, zag hij zuchtend op tegen den luien Zondag, die met haar ledigheid en haar extra-halfje champagne, dat hij ’s ochtends altijd „pakte”, in zijn omstandigheden een waar oorkussen van den duivel was.

Met Lena vorderde het niet hard. Zij bleef zwak en sukkelend. Het was zoo jammer, vond hij, dat ze zoofrèlewas! Drommels, als hij dacht aan die vrouwen van anderen met haar volle schouders en krachtig ontwikkelde busten, dan vond hij, dat, hoe voordeelig zijn huwelijk ook had gewerkt op zijn sociale positie, hij van den anderen kant veel te kort kwam. Mismoedig slurpte hij zijn kop thee. Die gedachten deden hem weer geen goed! En hij wilde[228]voor geen geld Lena met aanhaligheid lastig vallen. Dat had hij zóó ignobel gevonden, zoo onbehoorlijk en onkiesch, dat het denkbeeld alleen hem ’n kleur deed krijgen van schaamte over zichzelven.

„Ga je niet eens naar de Sociëteit vanavond?” vroeg Lena, terwijl zij zijn thee schonk.

„Och wat moet ik er doen?”

„Nu, dat wist je toch in vroeger jaren heel goed.”

„Ja,… toen! Maar dat is nu heel anders.”

„Je zoudt er toch wel ’n partijtje kunnen maken, dat doen zooveel heeren!”

„Wil je me zoo graag uit het huis hebben?”

„Dat weet je wel beter George! Maar ik vind het zoo’n naar idee dat je om mijnentwille je hier zoo gruwelijk zit te vervelen elken avond. Ik heb dan nog veel liever, dat je eens uitgaat nu en dan.”

Wat was ze toch goed en lief voor hem, dacht hij, en hij glimlachte tegen haar.

„Naderhand,” zei ze „als ik weêr heelemaal beter ben, gaan we samen naar de muziek luisteren.”

„Of we blijven,” zei hij, opzettelijk dubbelzinnig „samen thuis.”

Ze lachte omdat hij het ook deed, maar ze voelde zich niet, zooals ze meende, dat ze zijn moest. Slechts uiterst langzaam sterkte ze aan. Ze gebruikte melk, eieren, bouillon en al wat maar eenigszins tot de gewone „versterkende middelen” wordt gerekend; het hielp niet. Het verdroot haar, want ze was heel graag spoedig hersteld geweest, hoofdzakelijk voor George, die ze wel begreep, dat zeer daarmee gebaat zou zijn geweest.[229]

Dan, wat kon ze er aan doen?

„Nu,” zei hij verder, „we zullen eens zien. Misschien ga ik een uurtje.”

„Doe het.… wezenlijk!”

„Ik heb geen plezier zoo alleen naar de muziek te gaan luisteren. Misschien vind ik in de Harmonie wel lui. Zoo niet dan kom ik heel gauw weer naar huis.”

Het deed haar goed, dat hij ging en ze keek hem tevreden na, toen hij haar gekust had en uit de galerij met een stap zijner lange beenen in den wachtenden mylord zat.

Doch in de Sociëteit vond hij geen partners en in zijn eentje liet hij zich neer op een der stoelen, en achter het ijzeren hek om de smalle omloopende galerij, zijn ponsje drinkend keek hij naar den overkant. Daar was het gangetje! Wat zou het hem nu weinig moeite kosten. Er waren geen lui op den weg, ten minste haast niet dan inlanders! En geen lantaarns aan buiten, terwijl de maan, die volgens den kalender voor de verlichting behoorde te zorgen, zich listiglijk achter de wolken hield verscholen. Hij zou het echter niet doen, hoe groot ook zijn lust was, en om zich te verzetten ging hij naar de biljartzaal, die ook maar matigjes was bezocht, maar waar toch werd gespeeld. Eindelijk kwamen eenige bezoekers; het gelukte Vermey er drie onder te vinden, waarmede hij, die nu nogal kieschkeurig was om zijn „positie,” meende een partijtje te kunnen maken.

Het ging tegen hoog tarief en het duurde tot laat.

Vermey, die in langen tijd niet had gespeeld, genoot van een hardnekkigeveineen kreeg toen het uit was, van[230]iedereen een betaling, die een eerzaam Nederlander gewoon te omberen tegen een halven stuiver hetfiche, gevaar had doen loopen een beroerte van ergernis te doen krijgen over zulk „grof” spel.

Het had hem prettig gestemd. Niet om het geld, dat had hij niet noodig, maar om het succes; hij was slechts een hoogst middelmatig speler, die nogal eens deed, wat hij niet doen moest.

„Rijdt ge mee?” vroeg een zijner partners.

„Dankje, ik heb mijn wagen hier.”

„Blijf je dan nog?”

„Ik ga eens naar het biljarten kijken; ik ben zoo stijf in m’n beenen.”

’t Was thans drukker in de biljartzaal; er werd pot gespeeld, poule, carambole,—van alles. Het was onder het helle licht der gaslampen een aanhoudend vooroverbuigen van bovenlijven in overhemden boven het grasgroene laken met zijn bestorven tintje, dat zich grijs afteekende langs de banden.

Vermey stond bij een groot biljart waar engelsche officieren van een oorlogschip, dat op de reede lag, ’n partijtje maakten. Er keken veel lui toe, allen eenigszins verwonderd over het feit, dat die vreemde heeren iets zoo veel meer schepeling-achtigs over zich hadden dan hollandsche marine-officieren, ja er zelfs een bij was, diebretellesdroeg en een blauw anker op den rug van z’n rechterhand.

Zonder eenig plan, dan om z’n beenen, die stijf waren van het zitten ’n beetje uit te rekken, was Vermey naar het biljarten gaan kijken, doch het verveelde hem al heel[231]gauw; hij ging opzij van de zaal op het galerijtje staan en keek eens naar de lucht, die geheel was opgeklaard. Er ging een frisch koeltje over den weg, en George die om ervan te profiteeren zijn hoed een oogenblik in de hand hield, vond het erg lekker. Hij rekte zich eens uit, met een gevoel van gezondheid en kracht in zijn leden; hij trommelde met z’n stok op het ijzeren hek en floot er zacht ’n deuntje bij. Langzaam flaneerde hij naar den achterkant van het gebouw en vandaar den weg op.

Zijn koetsier, die vóór het gebouw wachtte met het rijtuig, sliep als een os; hij liet hem slapen; hij wandelde verder naar den overkant; eerst dacht hij er haast niet bij, schoon hij heel goed wist, welke magneet hem dien kant uittrok. Toen had hij een gek gevoel in hem, alsof zich bezwaren op bezwaren stapelden, die zich met kracht en macht verzetten, tegen hetgeen hij ging doen. Het was of er twee menschen in hem levend waren, twee afzonderlijke menschen. De een die redeneerde en heftig uitvoer tegen elke gedachte om naar zijn oude huishoudster te gaan; die hem al de ellende opsomde, waartoe het leiden kon; al het onvergeeflijk gemeene van de daad voor oogen hield; al het tegenstrijdige toonde tusschen zijn tegenwoordige maatschappelijke omstandigheden en dien tocht; de andere, die hem bestormde met eene groote zucht naar voldoening van lusten, en die hem als machinaal de lange beenen bewoog, het een voor het ander, in de richting van het gangetje. De eene mensch zonder steun in zijn tegenstreven op godsdienst of afzonderlijke zedenleer; de ander onder een krachtigen physiologischen invloed.[232]

In het gangetje was het nog licht, maar in de kampong brandde enkel hier en daar een „gloeiende spijker.” Aan terugkeeren dacht hij nu niet meer; wel kwam de gedachte bij hem op: als daar eens iemand anders was. En dat denkbeeld deed hem huiveren, waarom wist hij zelf niet, maar zeker niet omdat de verwezenlijking ervan hem reëel verdriet zou doen.

Een inlander, die nog aan een altijd gereed zijnde warong zat, wees hem op zijn navraag den weg. Men kende haar goed naar het scheen, en ver was het ook niet. Het viel hem niet mee. ’t Was een houten huisje van gewitte planken; veel plekken van het hout waren van de witkalk ontbloot, die er in groote duimkoeken was afgevallen.

Vermey lichtte de groene krees op en trad in een voorgalerijtje met den aardbodem tot vloer, een bruin rond tafeltje geflankeerd door twee oude wipstoelen totpièce de milieu, en anders niets.

Zachtjes tikte hij tegen de deur; toen er antwoord kwam, zei hij zijn naam en dadelijk werd opengedaan met dat bekende zacht rollende lachje.

„Wat woon je hier beroerd,” mopperde Vermey.

„Heb op jou gewacht.”

„Nou ja!”

„Soengoe matie, Sors!” riep ze zich op de bloote borst slaande, ofschoon de waarheid was, dat zij juist dien dag een nieuwe tijdelijke gezelligheidsovereenkomst had aangegaan. Hij bekeek haar nieuwsgierig onder het licht van het kleine lampje en vond glimlachend, dat ze haast alles had behouden; dat ze nog zeer veel aantrekkelijks had[233]en dat hij toch maar wijs had gedaan van deze gelegenheid gebruik te maken, het zou krankzinnig zijn geweest dat niet te doen!

Een half uur later scheen zij hem een vuil, smerig vrouwspersoon, schaamde hij zich voor zichzelf, dat hij, aan zoo’n nette, gesoigneerde omgeving gewoon, niet te vies was geweest om een voet te zetten in dit krot; dat hij, die een eerzaam huwelijksleven leidde in den laatsten tijd, zoo incomfortabel en proper zich had kunnen verlagen tot die inlandsche deerne van Jan-en-alleman. Nu rook hij weêr dat het er letterlijk stonk! Nu zag hij het ongedierte, dat opwandelde tegen de klamboe, en bij het schijnsel van het lichtje zag hij het bed met smerig ongewasschen linnengoed, met sporen van beoliede hoofden en beslijkte hielen. Een rilling van afschuw en schaamte liep hem door het lijf. Hoe was het in godsnaam mogelijk, dat hij zoo iets had ondernomen! Woedend op zichzelven, walgend van Yps en haar omgeving greep hij in zijn portemonnaie, gaf haar een groot deel van zijn winst, en ging haastig heen. Buiten nam zijn spijt nog toe. Hij had veel willen geven, als het niet was gebeurd! Doch toen hij zijn rijtuig weêr had opgezocht en naar huis reed, was hij er kalm onder geworden. Het was immers gepasseerd! Geen haan kraaide ernaar; en nu zou hij weer rustig kunnen slapen zonder visioenen en kwellingen, tot Lena geheel was hersteld. Dat was dan althans de goede zijde, vond hij.

Met haar loshangenden overvloed van blauw-zwart, grof haar op den rug en de bloote beenen, donkerder dan van een gewone inlandsche, heen en weer bengelend, was Yps,[234]toen hij heen ging, blijven zitten op den rand van het vieze ledikant. Zij had in het geheel geen acht geslagen op het gezicht van Vermey, noch op zijn teruggetrokken afkeerigheid bij het heengaan. Zij had hem met eenig vertoon omarmd en gezoend; hij had geen repliek gegeven, en dat verheugde haar; zij hield er niet van; zij wist, dat het zoo hoorde bij europeesche menschen; maar ze vond het vies. Nu keek ze met wellust naar het geld in haar hand. Wat was hij royaal geweest, en hoe erg lief was dat van hem! Hij moest toch wel heel rijk zijn! En hij zou zeker terugkomen, zooals hij nu, ondanks zijn tegenspartelen, teruggekomen was. Het was nu de eerste stap geweest, en die, dat wist ze reeds als kind, is de eenige, die kost; de rest gaat vanzelf. „Sleem” geweest van haar, dacht ze, dat briefje te schrijven! Wat had hij haar adres goed onthouden! Hij vond het zoo’n armoedig krot, en daarin had hij gelijk. Voor een heer als hij, ging het niet in zoo’n kamponghuisje te komen. Zij zou den volgenden dag dadelijk gaan verhuizen en wat afbetalen van haar schuld aan den Chinees, dan had ze weer crediet voor meubels. Haar pas aangegane overeenkomst met een ander zou ze breken. Wilde die in stilte eens bij haar ’n bezoek brengen, dat moest hij weten, maar in hoofdzaak zou zij zich nu weer aan Vermey houden, aan „Sors”, die oude, royale relatie, die nu weer was gekomen en met zooveel geld in den zak.

Toen ze haar gedragslijn dus had vastgesteld liet zij heel gemoedelijk haar hoofd neer op het groezelige, vettige kussen en sliep in een paar minuten, zoo volkomen vrij van elke verdere gedachte over haar leven en gedrag, dat[235]de bekende slaap des rechtvaardigen er een onrustige sluimering bij was.

Vermey was heel zachtjes thuis gekomen, maar toch was Lena ervan wakker geworden; toen hij op zijn teenen haar kamer passeerde, schrikte hij; zij deed de deur op een kier open en keek hem aan.

„Zoo, ben je daar?”

„Ja,.… het is wat laat geworden.”

„’t Komt er niet op aan. Morgen is het Zondag, dan kan je uitslapen.”

„Ben je vroeg naar bed gegaan?”

„Heel vroeg; ik voel me lekker uitgerust.”

„Ik niet; ik ben moe.”

„Ga dan maar gauw naar je kamer. Wel te rusten!”

Zij stak haar hoofd ’n eindje buiten de deuropening, met de blijkbare bedoeling, dat hij haar goenacht zou kussen.

Vermey kreeg er een kleur van, en een oogenblik aarzelde hij, beschaamd door de gedachte, dat hij dit reine, fatsoenlijke vrouwtje zou zoenen met den mond, waarop nog geen kwartier geleden de vieze deerne haar lippen had gedrukt.

„Nu?” vroeg Lena verwonderd glimlachend.

Hij boog zich naar haar voorover.

„Het is maar,” zei hij, toen hij haar had gekust, „dat iemand, die om vier uren ’s nachts uit de kroeg komt, nu juist geen frissche geuren mee naar huis brengt.”

„Neen,” zei Lena lachend, „je ruikt verschrikkelijk naar brendy en tabak.”

„Waarom wou je het ook?” antwoordde hij, vroolijk op[236]z’n beurt, dat er, hoe ondenkbaar het ook was, geen viezer, verdachter luchtjes waren getrokken in z’n haar en z’n kleeren.

„Het komt er immers niet op aan. Ga nu maar gauw slapen.”

Hij ging naar z’n kamer en naar bed, maar slapen kon hij niet. Een ding nam hij zich met groote zekerheid voor: het was voor de eerste maal geweest, doch ook voor de laatste. Als Lena nu in ’s hemelsnaam maar spoedig ’n beetje vooruitging! Maar als ze dan eens vlug vooruitging, en het geval deed zich eens voor, dat die nachtelijke excursie voor hem noodlottige gevolgen bleek te hebben! Daaraan had hij nog geen oogenblik eer gedacht! Hij kreeg het plotseling verschrikkelijk warm in z’n bed, schoon het een bij uitzondering frissche nacht was. Hij bloosde diep donkerrood in zijn eenzaamheid; het zweet begon hem, naarmate hij zich in dit gedeelte der quaestie verdiepte, met groote droppels langs het voorhoofd te vloeien; hij ging het bed uit en stelde zich, zonder erop te letten, ten prooi aan een geduchten aanval der muskieten; hij keek rond naar middelen, die ook maar eenigszins konden voorkomen, wat hem daar als een ontzettend schrikbeeld voor den geest was gekomen, en hij nam wat hij vond.

Het schot viel; er kwam leven in de lucht en op de aarde; de vogels floten in de waringins; bedienden kwamen uit hun vertrekken en baadden aan de put; sapoe’s krauwelden vegend over de steenen; het kind schreeuwde, de meid opende met gedruisch de binnendeur; het werd dag, voordat Vermey, doodmoe, in slaap viel. Doch hij was zulke[237]staaltjes van leven niet meer gewoon. In vroeger jaren kwam dat heel dikwijls voor, en dan kon hij daarna slapen, slapen! Nu,—het was gek, maar hij hoorde alles, sluimerde licht en onrustig, en was een paar uren later, tegen kantoortijd weêr klaar wakker; maar landerig en onlekker.—Waarom rust je niet nog wat uit? had Lena gevraagd, maar hij wilde niet.

Toen hij eenige dagen later, in veel opzichten reeds gerustgesteld, een briefje kreeg op z’n kantoor, dat door Yps was geschreven, werd hij woedend. Ditmaal kwam het per post; zij schreef heel beleefd en zonder eenige woordspeling, dat zij zoo vrij was meneer te herinneren aan het verzoek haar te willen helpen om haar neef als klerk geplaatst te krijgen. Iedereen had dat briefje kunnen lezen, zonder tot eenige kwade gedachten te komen.

Alleen aan den bovenhoek links stond haar nieuw adres.

Dat kan je begrijpen! zei Vermey bij zichzelven, en met een triomfantelijken glimlach. Lena was in de laatste dagen zoo in krachten toegenomen, en ze gevoelde zich zóó bijzonder wel, dat de dokter had gezegd niet weer terug te komen, en aan Vermey had hij eenige wenken gegeven, die dezen eventjes ’n kleur hadden doen krijgen en hem hadden doen glimlachen met toestemmende hoofdknikjes.

Het had hem opgevroolijkt. Duivels, dat was zoo ook geen leven geweest; hij werd grappig en vertelde aardigheden; en hij trok Lena op z’n schoot en kuste haar; dat durfde hij nu wel doen. En daar kwam dat.…. die.…. zoo’n.…., de eene uitdrukking, die hij in[238]gedachten Yps naar het hoofd wierp, was al smadelijker dan de andere! Neen, zij mocht in haar nieuwe woning zien, dien ze wilde,—zijn, Vermey’s, voetstappen zouden er nooit in gezet worden![239]


Back to IndexNext