[Inhoud]DERTIENDE HOOFDSTUK.De nuchtere man van zaken.Voirey vond, toen hij van de begrafenis in het hotel terugkwam, tot zijn groote verwondering Lena zeer bedroefd.„Och,” zei ze met een medelijdende zijwaartsche beweging van het hoofd. „Hij was toch zoo’n goeie, ouwe man.”Voirey begreep er niets van, daarom zei hij ook niets.„Wij hebben het altijd zoo goed kunnen vinden samen.”Hij trok een leelijk, onwillig gezicht; hij had wel kunnen uitvaren, zeggend: „Je liegt het, hij was geen goeie man en jullie hadt altijd ruzie,” maar dat kon hij niet; dat was onmogelijk voor eengentlemantegenover een dame, al was die nu ook zijn volle nicht.Lena was toch anders ’n zeer ontwikkeld meisje, met een helder oordeel, een goed verstand en die wat had geleerd. Al twistte hij vaak met haar uit verschil van opvatting, toch moest hij in stilte dikwerf hulde brengen aan haar scherpzinnigheid en oprechtheid. Thans begreep[160]hij noch haar tranen, noch haar woorden. Van die sterke inwerking van den dood op het gemoed eener vrouw had hij geen flauw besef. Hij wist niets hoegenaamd van dat snel werkend idealiseerings-proces, dat alle vlekken uit de herinnering wegwischt; dat alle scherpe kanten dadelijk afrondt; dat, als het lichaam ten grave is gedaald, de vroegere persoonlijkheid meer geeft, zooals men hem graag zou gehad hebben, dan zooals hij in werkelijkheid is geweest.Voirey nam zijn maatregelen gauw en goed.Een paar dagen later woonde Lena met haar broertjes bij een nette familie; hij zelf was in het hotel gebleven; familie-leven was zijn zwak niet; het kon hem niet schelen of alles altijd zoo precies en netjes in orde was, als onder het bestuur eener goede huisvrouw.Vermey had hen bezocht, den avond voor Lena’s vertrek uit het hotel; hij had van niets bijzonders gesproken, maar gevraagd of hij nu en dan eens naar haar gezondheid mocht komen vernemen, wat zij goed vond.Het leven ging voort. Voirey wiens belangen aanhoudend meer gecompliceerd raakten, kwam zelden, hij was soms weken lang op reis en bemoeide zich met het nichtje en de neefjes hoe langer hoe minder, naarmate zijn andere relaties zich uitbreidden.Tot hij op een goeden dag, ’n maand of vier na den dood van Bruce, ’n brief kreeg van de dame in wier huis Lena haar intrek had.Hij was er kwaad om. Vermey kwam daar tegenwoordig haast elken dag, en het scheen wel, dat er eenige plannen bestonden van den kant der jongelui, maar mevrouw was[161]van oordeel dat zij Voirey, die het geld beheerde en de „kost en inwoning” betaalde, niet onkundig moest laten.Nu, dat vond Voirey ook.’s Avonds ging hij er heen en vond Lena in het galerijtje van het paviljoen zitten lezen, terwijl de jongens in de kamer hun huiswerk maakten.„Ik wou je wel eens spreken!” zei hij.Zij kreeg een kleur.„Alleen?”„Liever, ja! Zend, als je wilt, de kinderen maar een oogenblik naar achter.”Zij deed het met een kloppend hart; niet, dat ze bang was voor Voirey of verplicht hem rekening en verantwoording af te leggen van haar doen en laten,—maar zij beschouwde hem als oudste, als om zoo te zeggen: „eerst-aanwezend” lid der familie met een onbeschreven gezag bekleed, dat tot zekere hoogte kon uitgeoefend en in allen geval ontzien moest worden.„Is het waar, dat Vermey hier zoo dikwijls komt?”„Ja,” antwoordde Lena zeer bedaard, „hij komt nogal veel hier. Haast elken dag.”„Dat is zeer ongepast van hem.”„Och waarom?”„Je hebt te veel verstand, Lena, om zoo’n vraag te doen,” zei hij kwaad. „Je weet heel goed, waarom het niet te pas komt, dat ’n jong man haast dagelijks bezoeken aflegt bij een jonge dame, die als het ware alleen staat.”„Maar met hem is dat toch ’n ander geval.”[162]Voirey keek haar aan als twijfelde hij aan de helderheid van haar geest.„Met hem?” herhaalde hij in een langen vraagtoon.„Ja, natuurlijk,” zei Lena geraakt, „met hem.”„Ik wist niet, dat er met Vermey iets bijzonders was; wees zoo goed mij in te lichten.”„Moet ik me daarover verklaren, Jan?” vroeg nu Lena op haar beurt verwonderd, „je weet het toch zoo goed als ik.”„Vooruit ermee, asjeblieft. Ik weet niets.”„Papa heeft toch duidelijk genoeg op zijn sterfbed getoond, dat het zijn laatste wensch was.”Hij liep, zooals hij bij zulke gelegenheden gewoon was, peinzend ’n paar schreden heen en weer, niet wetend wat daarop direct te antwoorden. Zeker, hij had de laatste bedoeling van den ouden heer volkomen gesnapt; ’t was waarachtig duidelijk genoeg geweest!Maar dááraan hechtte hij nu niet de minste waarde. Bruce was in zijn oogen een man, die eigenlijk nooit recht had geweten, wat hij deed: een onverantwoordelijke individualiteit, geestelijk tot geringe hoogte slechts toerekenbaar, en die allerminst in zijn laatste oogenblikken begrepen had wat hij deed.„Het is niet goed, Lena,” zei hij na eenige oogenblikken en kalmer dan te voren, „zooveel waarde te hechten aan dat blijkbaar verlangen van je papa.”„Is dat niet goed?”„Zeker niet. Vooreerst had hij het recht niet, levend, stervend of dood op zoo’n manier in de bestemming van jouw leven, dat hem niet behoorde, te grijpen.”[163]„Dat deed hij niet,” protesteerde zij. „Hij greep in niets;kasian, hij kon niet eens meer ’n woord spreken! Maar hij verzocht het met zijn zwakke handen en zijn brekende oogen, die ik nog altijd vóór me zie,” eindigde zij snikkend.Voirey haalde met ’n zucht zijn magere, breede schouders op.„Hoe hij zijn verlangen te kennen gaf, doet niets ter zake; men doet dat naar macht en gelegenheid; als men gezond is, dan zegt men, wat men wil; als men stervende is en niet meer praten kan, geeft men het te kennen zoo goed het gaat, op ’n andere manier. Maar dat heeft met de zaak van een huwelijk tusschen jou en Vermey niets hoegenaamd te maken.”„Ik moet den laatsten wensch van mijn stervenden vader eerbiedigen,” hield zij vol.„Beste Lena, dat moet je niet. Het is een der krankzinnige begrippen in deze oude, half verloopen samenleving.”„Ik zou rust noch duur hebben, als ik het niet deed.”„Dat zou je wel, kind. Geloof me dat zijn zinsbegoochelingen, anders niet. Het betreft hier jouw eigen levensgeluk, en daar mag je op die manier niet mee te werk gaan. Als het ’n ondergeschikt iets was, ’n cadeau of legaat, wel dan zou ik zeggen, doe het maar; dàt maakt niet uit. Nu is hetnonsense, en je ouwe heer.…”„Ik verzoek u geen kwaad van mijn overleden vader te spreken.”„Het komt niet bij me op, dat weet je heel goed. Maar ik wil de eenvoudige waarheid in zulke zaken.”„Welnu, de waarheid is, dat hij me met Vermey getrouwd wilde zien.”[164]„Och!” riep hij ongeduldig. „Ik bedoel de waarheid ook over gestorven menschen. Datmoet. ’t Is als ware het ’n verdienste dood te gaan!”„Dat geloof ik niet, maar het is vol beteekenis voor hen die achterblijven.”„Nonsense, kind! Allemaal ongezonde romantiek. De waarheid is, dat de ouwe heer ’n heel gewoon mensch was, zelfs niet eens zooveel. Ik weet, dat hij zich nooit veel aan tante liet gelegen liggen; en dat hij het weinig deed aan zijn kinderen, heb ik bijgewoond. Je kunt me daarover niets wijs maken.”„Ik wil dat niet, maar.…”„Nu dan,” vervolgde hij, vrij heftig, „wees dan ook verstandig. Heb je zin in Vermey, zeg het ronduit. Maar haal er niet die ongemotiveerde caprice van je papa op zijn sterfbed bij; dat veel ik niet.”„Dat je zoo’n hekel aan mijn vader had wist ik niet.…”„God, God!” viel hij haar wederom in de rede, zijn knokkige handen met komieke wanhoop door zijn steile haren strijkend, „wat is het moeilijk ditmaal ’n verstandig woord met je te spreken! Had ik ’n hekel aan hem! Heb ik hem bij zijn leven slecht of maar onaangenaam bejegend?”Zij schrok ervan. Neen, dat was waar. Integendeel, Jan was erg meegaand geweest. Hij had zelfs meer toegegeven dikwerf dan zij zelf. Ze kon dat alles niet ontkennen en was er verlegen mee.„O neen! je bent altijd erg goed voor papa geweest. Maar daarom,” ging ze voort met bevende stem,„begrijp ik nu ook te minder hoe je zoo hard kunt zijn tegenover z’n nagedachtenis.”[165]„Kindlief, ik ben niet hard. Laat er toch geen verder misverstand bestaan! Bij zijn leven, heb ik altijd den ouden heer laten doen, wat hij niet kon nalaten. Goed! Hij was, die hij was. Hij had zichzelf niet geschapen. Men kon hem dus niet alles zoo nauw toemeten, als jijzelf dat dikwijls deed. Maar nu hij, stervend, nog een dwaas idee had, gaat het niet aan dat uit piëteit als een bevel te beschouwen, waarvoor zich iemand, desnoods zou moeten opofferen.”Zij stampte driftig op den grond, met tranen in de oogen.„Jan, ik wil niet, dat je zoo spreekt over papa’s laatste oogenblikken. Wat weet je dan toch met al je wijsheid? Hoe weet je, wat hem toen bezielde, en of het niet meer de ingeving was van een hooger macht, dan de werking van zijn zwakken geest? Ik geloof dat het stervensuur heilig is; dat het niet aan ons staat te beslissen, wat een eenvoudig mensch op zoo’n gewichtig oogenblik, als hij afscheid neemt uit dit leven, dringt tot handelen.”Een oogenblik zweeg Voirey; hij had die wending niet voorzien en keek stil naar het dunne rookspiraaltje, dat opkronkelde uit de asch van z’n sigaar.„Als er metaphysica bij komt,” zei hij zoo ijskoud als hij spreken kon over dingen, die hij minachtte, „zal ik niet beproeven iets aan je verstand te brengen. Je bent natuurlijk geheel vrij. Ik heb geen ander recht, dan je van raad te dienen als bloedverwant en goed vriend. Wil je daarvan niet gediend zijn.…”Lena had haar fijne handjes gevouwen en haast angstig viel ze hem in de rede, zeer bleek:„Spreek toch niet op die manier, Jan. Het hindert me[166]zoo, dat we het hierover nooit eens zullen zijn. Ik houd veel van je; als ik een oudere broer had, zou ik niet meer van hem kunnen houden. Doch de laatste wil van mijn vader is mij heilig, en als het aan mij ligt zal die worden uitgevoerd.”„Enfin, ik weet het nu; het moet dus maar gebeuren, en dan zoo gauw mogelijk.”„Er is geen haast bij.”„Zeker! dat is er wel. Laat het verder maar aan mij over. Ik had je een andere partij toegedacht, maar als de zaken zóó staan, zullen wij ze in die richting sturen. Dat is alles!”„Ben je niet boos op me?” vroeg Lena, gelukkig, dat zij het in zoover had gewonnen.„Volstrekt niet. Wij hebben immers zonder dat wel meer verschil van meening gehad. Vrijheid, blijheid! Alleen betreft het nu een heel ernstige zaak. Ten slotte, echter, moet je het zelf weten; je bent er het naast aan toe.”Hij riep de jongens, keek uit oude gewoonte hun cahiers eens in, wees hun op fouten, sprak over hun school en over nog een en ander van dagelijkschen aard; vroeg of het eten goed was en zoo, en ging na deze soort van inspectie, heel welgemoed de roodsteenen trapjes af van het galerijtje, naar zijn rijtuig, dat voor op het erf wachtte.„Poelang!” had hij den koetsier toegeroepen, maar buiten veranderde hij den last en gaf het adres op van het commensalenhuis, waar Vermey woonde, want die was weêr van domicilie veranderd, met het oog op zijn plannen en toen hij uit de houding van Lena vermeend had te mogen afleiden, dat zij het ditmaal daarmeê eens zou zijn.[167]Het was wel etenstijd; hij verliep zijn diner en zou Vermey ook aan tafel vinden, doch dat waren ondergeschikte zaken, waarmeê Voirey zich het hoofd niet brak.Inderdaad had Vermey nauwelijks zijn soep genuttigd of een jongen bracht hem een kaartje.„Dat is lastige visite,” zei een van de jongelui, die meê aanzaten.Maar Vermey stond op met een gewichtig gezicht.„Ik kan dien meneer niet laten wachten,” zei hij, het kaartje naast zijn bord latend, uit een soort bluf, dat Voirey, die reeds ’n naam had te Batavia als man van zaken en man van geld, hem zooperloemoest spreken.Inwendig was hij niet erg gerust, wel begrijpend dat dit bezoek niet voor niet was en onbekend met de te wachten resultaten.Het kwam bij Voirey niet op zijn verontschuldigingen te maken over zijn ongelegen bezoek. Hij was op een wipstoel gaan zitten in de voorgalerij aan de groote zwart gepolitoerde tafel waarop de grijs uitgebeten kringetjes van de bitterglaasjes in den vooravond geledigd, nog vochtig glinsterden in het schijnsel der kroonlamp.„A propos,” viel hij met de deur in ’t huis, „je herinnert je nog wel de manoeuvre van den ouden Bruce?”Vermey dacht: daarhebje het al. Hij kreeg een kleur, trok zijn dunne, lichtkleurige wenkbrauwen hoog op en zette een ernstig gezicht.„Welke manoeuvre?”„Och! zanik nu niet!.… met die handen van jullie.… ’n Flauwe aardigheid!”[168]„Ik heb er geen aardigheid in gevonden, meneer Voirey?”„Je wilt toch niet zeggen, dat je daarin wezenlijk een aanwijzing hebt gezien? Dat het iets is wat opgevolgd moet worden.”„Als het aan mij ligt, ja. Ik heb altijd gehoord.…”„Jawel, ik weet het.… je hebt altijd gehoord dat de wil van een stervende.… hoe is het ook weer?”„Een heilige zaak is,” vulde Vermey aan.Ze keken elkaar over tafel een oogenblik aan.Voirey met groote spottende trekken om zijn lippen; Vermey met kleine nippertjes van glimlachen bij zijn mondhoeken, die hij vruchteloos trachtte in bedwang te houden.Maar in eens werd Voirey heel ernstig.„Zeg eens Vermey, houd je van haar?”„Zeker doe ik dat.”„Maar je bent toch niet, zooals men dat noemt, op haar verliefd.”Vermey kreeg weêr ’n kleur en draaide met wanhopige verlegenheid over de gevergde openhartigheid aan zijn geel kneveltje.„Dat is te zeggen.… ziet u, ik ben geen jongen van achttien jaren meer.”„En wat wil je daarmee zeggen?”„Wel, ik zou er b.v. niet ziek van worden, als het eens misliep; ik kijk niet naar de maan en zit niet te zuchten; en ik schrijf ook geen malle brieven.…”„Je bedoelt dus: een kalme genegenheid.”„Juist, van menschen van onzen leeftijd. Wij weten, wat er te koop is in de wereld, en wij doen geen dwaasheden meer.”[169]Hij had zijn geheeleairaangenomen van vol man wataffaires de femmesaanging. Voirey lachte hem in stilte uit, en vond hem grooter kwast, dan ooit te voren.„Dus je stelt je voor opnieuw aanzoek te doen om de hand van mijn nicht, omdat haar vader op zijn sterfbed getoond heeft dat te verlangen.”Vermey knikte beslist toestemmend met het hoofd, en zei bovendien nog: „Ja.”„En uw financieele positie is toch niet van dien aard, dat u haar kunt geven wat ze gewoon is.”„Zij heeft immers zelf de middelen.”„Het zou beter zijn als zij de vruchten daarvan tijdelijk afstond voor de opvoeding van haar broers.”Dat was een leelijke streep door de rekening.„Maar dat is immers niet noodig, meneer Voirey,” riep George met kennelijken angst. „We zouden als we getrouwd waren best de jongens bij ons in huis kunnen nemen.”„Hm! Nu, maak het maar zoo gauw mogelijk in orde; tracht het eens te worden met Lena, en meld me dat dan zoo spoedig mogelijk.”Voirey stond op en ging heen. Vermey vergezelde hem tot buiten aan zijn wagen en keerde glinsterend van genoegen naar achter terug, waar men reeds aan de vruchten was.„Wat zie je er zalig uit,” zei een van de jongelui.„Heb je door dien meneer Voirey een mooi baantje veroverd?”Doch George lachte stil voor zich heen en vroeg nog wat van het koud geworden eten, dat hij langzaam als tusschen zijn tanden oppeuzelde. Hij merkte wel, dat er[170]een gerucht liep langs de tafel, maar hij zou ditmaal wijzer zijn dan vroeger en zich geen woord laten ontglippen. Men zou hem thans niet kunnen verwijten, dat hij de huid van den beer had verkocht voor hij het beest geschoten had.Eindelijk vroeg er een:„Mogen we je feliciteeren?”Maar Vermey werd boos en zei heel effen: „Asjeblieft geen gekheid, meneeren! Als ik u iets heb mede te deelen, zal ik dat wel doen. Thans heb ik u niets te zeggen.”Hij had, als oudere, eenige prestige onder de jongelui in het commensalenhuis, en niet alleen om z’n leeftijd, maar ook door zijn reputatie van fameus scharrelaar, die alle loopjes kende.„Maak je er niet druk om!” zeiden ze. „Het is maar voor de ui.”In zijn logement liet Voirey brood halen en door zijn bediende op een petroleum-toestel ham en eieren bakken, die hij bij groote brokken en met amerikaanschen spoed naar binnen werkte.Daarbij dacht hij aan wat hem soms nu en dan in het hoofd was gekomen. Hij hield heel veel van Lena op zijn wijze, en meer dan eens had hij er aan gedacht haar te vragen. Maar hij had het altijd te druk of zoo, en bovendien scheen het hem toe, dat de gelegenheid nooit goed was en men voor zulke dingen een zee van tijd had. Dat was een misrekening geweest.Het leed thans geen twijfel of Lena zou trouwen met dien Vermey. Jammer, eeuwig jammer! dacht hij. Haar moeder had zulk een nul tot man gehad en nu zou zij[171]zich ook verslingeren aan een hoogst onbeduidend individu!Het speet hem nu, dat hij zoo zorgeloos was geweest. Wie weet of zij al niet lang samen getrouwd waren, als hij het haar had gevraagd toen Bruce nog leefde. Maar aan den anderen kant, dacht hij aan zijn chineeschenonna, die ook meê was gegaan, en die hij om den drommel niet graag geheel liet varen. Neen, ’t was ten slotte beter zoo!Hij sloeg zijn hand langs zijn oogen, als deed hij iets weg, dat hem daar hinderde, en een paar minuten later zat hij voor zijn schrijftafel, aanteekeningen, ontwerpen en schetsen van fabriekswerktuigen te bekijken en zijn korte aanteekeningen te schrijven op eenblocknotes.Van veel schrijverij was hij afkeerig; zoowel thuis als op ’t kantoor was zijn lessenaar altijdclean; het zag eruit of er niets werd gedaan; aan brieven en zulke dingen, die anderen zelf zaten te peuteren, alsof daarin de verdienste stak van het zaken doen, had hij een hekel; dáár hield hij zijn menschen voor.De conventioneele tijd, die verstrijken moet voor men een meisje mag vragen, wier vader gestorven is, deed als tijd zijn eenige plicht: hij verstreek.Toen hij om was, kwam op een goeden dag George een bezoek brengen bij Lena; dat deed hij heel dikwijls, en toch wist ze thans, dat hij haar voor de tweede maal kwam vragen zijn vrouw te worden. Zij zag het aan zijn oploopen, aan zijn gezicht, ofschoon zij de eenige was, want niemand zou daar iets bijzonders aan gezien hebben.Hij was europeescher gekleed dan ooit te voren en met zijn klein licht kneveltje, zijn ondanks alle nachtelijke[172]excursies onverwoestbaar frisch gezicht, droeg hij zijnzes-en-dertigjaren alsof hij er tien minder telde.Maar toen hij het schabelletje opkwam kreeg hij weer zoo’n verwenschte kleur, en Lena, die wit werd om haar neusje, begon te beven.„Hoe gaat het?” vroeg hij.„Zoo.…. ’t gaat nog al,” zei ze nauw hoorbaar.Hij liet de oogen eens gaan over de broertjes, die hem met de noodige drukte als een oude kennis handen kwamen geven.„Dag jongens.… dag! Nou, niet zoo wild!”waarschuwde hij lachend, toen een hem aan ’n mouw van zijn blauw-zwart jasje trok.„Kom weest bedaard,” vermaande Lena ook. „Je zult nog het goed van meneer Vermey bederven.”„Het is de dartele jeugd,” meende hij.„Ja,” zei ze zuchtend.„Heb je lust ’n eindje op te wandelen?”Haar oogen dwaalden ’n oogenblik doelloos rond.„Ja,.… het is goed.… Ik ga even oploopen met meneer Vermey,” zei ze tegen de broertjes. „Geen leven maken, hoor!”De kinderen keken hen na, toen ze het erf afliepen.„Zouden ze samen gaan trouwen?” vroeg er een.„Och wat, zij heeft vroeger al niet gewild,” zei de oudste heel wijs.„Als ik Leen was, nam ik een officier.”„Ik ook. Maar niet een met dat rood en dat zilver. Als ik een meisje was, zou ik er een willen hebben met goud en die op een paard rijdt.”[173]„Poeh!” riep de oudste weêr met zijn wijsheid. „Wat kletsen jullie toch? Zij heeft wat te nemen! Zij moet ook maar wachten tot er een komt, net als alle meisjes! En als er nu geen officier om haar komt, wat dan?”De anderen zwegen.„Nou zie je wel! Misschien heeft ze vroeger wel gedacht, dat er nog een zou komen, en daarom Vermey eerst niet willen hebben.”Dit denkbeeld vond een zwijgende instemming, als iets dat verontschuldigend was voor Lena om wie geen officier gekomen was met goud en een paard. Toen ging de hinderlijke conversatie over op een minder gewichtig onderwerp.[174]
[Inhoud]DERTIENDE HOOFDSTUK.De nuchtere man van zaken.Voirey vond, toen hij van de begrafenis in het hotel terugkwam, tot zijn groote verwondering Lena zeer bedroefd.„Och,” zei ze met een medelijdende zijwaartsche beweging van het hoofd. „Hij was toch zoo’n goeie, ouwe man.”Voirey begreep er niets van, daarom zei hij ook niets.„Wij hebben het altijd zoo goed kunnen vinden samen.”Hij trok een leelijk, onwillig gezicht; hij had wel kunnen uitvaren, zeggend: „Je liegt het, hij was geen goeie man en jullie hadt altijd ruzie,” maar dat kon hij niet; dat was onmogelijk voor eengentlemantegenover een dame, al was die nu ook zijn volle nicht.Lena was toch anders ’n zeer ontwikkeld meisje, met een helder oordeel, een goed verstand en die wat had geleerd. Al twistte hij vaak met haar uit verschil van opvatting, toch moest hij in stilte dikwerf hulde brengen aan haar scherpzinnigheid en oprechtheid. Thans begreep[160]hij noch haar tranen, noch haar woorden. Van die sterke inwerking van den dood op het gemoed eener vrouw had hij geen flauw besef. Hij wist niets hoegenaamd van dat snel werkend idealiseerings-proces, dat alle vlekken uit de herinnering wegwischt; dat alle scherpe kanten dadelijk afrondt; dat, als het lichaam ten grave is gedaald, de vroegere persoonlijkheid meer geeft, zooals men hem graag zou gehad hebben, dan zooals hij in werkelijkheid is geweest.Voirey nam zijn maatregelen gauw en goed.Een paar dagen later woonde Lena met haar broertjes bij een nette familie; hij zelf was in het hotel gebleven; familie-leven was zijn zwak niet; het kon hem niet schelen of alles altijd zoo precies en netjes in orde was, als onder het bestuur eener goede huisvrouw.Vermey had hen bezocht, den avond voor Lena’s vertrek uit het hotel; hij had van niets bijzonders gesproken, maar gevraagd of hij nu en dan eens naar haar gezondheid mocht komen vernemen, wat zij goed vond.Het leven ging voort. Voirey wiens belangen aanhoudend meer gecompliceerd raakten, kwam zelden, hij was soms weken lang op reis en bemoeide zich met het nichtje en de neefjes hoe langer hoe minder, naarmate zijn andere relaties zich uitbreidden.Tot hij op een goeden dag, ’n maand of vier na den dood van Bruce, ’n brief kreeg van de dame in wier huis Lena haar intrek had.Hij was er kwaad om. Vermey kwam daar tegenwoordig haast elken dag, en het scheen wel, dat er eenige plannen bestonden van den kant der jongelui, maar mevrouw was[161]van oordeel dat zij Voirey, die het geld beheerde en de „kost en inwoning” betaalde, niet onkundig moest laten.Nu, dat vond Voirey ook.’s Avonds ging hij er heen en vond Lena in het galerijtje van het paviljoen zitten lezen, terwijl de jongens in de kamer hun huiswerk maakten.„Ik wou je wel eens spreken!” zei hij.Zij kreeg een kleur.„Alleen?”„Liever, ja! Zend, als je wilt, de kinderen maar een oogenblik naar achter.”Zij deed het met een kloppend hart; niet, dat ze bang was voor Voirey of verplicht hem rekening en verantwoording af te leggen van haar doen en laten,—maar zij beschouwde hem als oudste, als om zoo te zeggen: „eerst-aanwezend” lid der familie met een onbeschreven gezag bekleed, dat tot zekere hoogte kon uitgeoefend en in allen geval ontzien moest worden.„Is het waar, dat Vermey hier zoo dikwijls komt?”„Ja,” antwoordde Lena zeer bedaard, „hij komt nogal veel hier. Haast elken dag.”„Dat is zeer ongepast van hem.”„Och waarom?”„Je hebt te veel verstand, Lena, om zoo’n vraag te doen,” zei hij kwaad. „Je weet heel goed, waarom het niet te pas komt, dat ’n jong man haast dagelijks bezoeken aflegt bij een jonge dame, die als het ware alleen staat.”„Maar met hem is dat toch ’n ander geval.”[162]Voirey keek haar aan als twijfelde hij aan de helderheid van haar geest.„Met hem?” herhaalde hij in een langen vraagtoon.„Ja, natuurlijk,” zei Lena geraakt, „met hem.”„Ik wist niet, dat er met Vermey iets bijzonders was; wees zoo goed mij in te lichten.”„Moet ik me daarover verklaren, Jan?” vroeg nu Lena op haar beurt verwonderd, „je weet het toch zoo goed als ik.”„Vooruit ermee, asjeblieft. Ik weet niets.”„Papa heeft toch duidelijk genoeg op zijn sterfbed getoond, dat het zijn laatste wensch was.”Hij liep, zooals hij bij zulke gelegenheden gewoon was, peinzend ’n paar schreden heen en weer, niet wetend wat daarop direct te antwoorden. Zeker, hij had de laatste bedoeling van den ouden heer volkomen gesnapt; ’t was waarachtig duidelijk genoeg geweest!Maar dááraan hechtte hij nu niet de minste waarde. Bruce was in zijn oogen een man, die eigenlijk nooit recht had geweten, wat hij deed: een onverantwoordelijke individualiteit, geestelijk tot geringe hoogte slechts toerekenbaar, en die allerminst in zijn laatste oogenblikken begrepen had wat hij deed.„Het is niet goed, Lena,” zei hij na eenige oogenblikken en kalmer dan te voren, „zooveel waarde te hechten aan dat blijkbaar verlangen van je papa.”„Is dat niet goed?”„Zeker niet. Vooreerst had hij het recht niet, levend, stervend of dood op zoo’n manier in de bestemming van jouw leven, dat hem niet behoorde, te grijpen.”[163]„Dat deed hij niet,” protesteerde zij. „Hij greep in niets;kasian, hij kon niet eens meer ’n woord spreken! Maar hij verzocht het met zijn zwakke handen en zijn brekende oogen, die ik nog altijd vóór me zie,” eindigde zij snikkend.Voirey haalde met ’n zucht zijn magere, breede schouders op.„Hoe hij zijn verlangen te kennen gaf, doet niets ter zake; men doet dat naar macht en gelegenheid; als men gezond is, dan zegt men, wat men wil; als men stervende is en niet meer praten kan, geeft men het te kennen zoo goed het gaat, op ’n andere manier. Maar dat heeft met de zaak van een huwelijk tusschen jou en Vermey niets hoegenaamd te maken.”„Ik moet den laatsten wensch van mijn stervenden vader eerbiedigen,” hield zij vol.„Beste Lena, dat moet je niet. Het is een der krankzinnige begrippen in deze oude, half verloopen samenleving.”„Ik zou rust noch duur hebben, als ik het niet deed.”„Dat zou je wel, kind. Geloof me dat zijn zinsbegoochelingen, anders niet. Het betreft hier jouw eigen levensgeluk, en daar mag je op die manier niet mee te werk gaan. Als het ’n ondergeschikt iets was, ’n cadeau of legaat, wel dan zou ik zeggen, doe het maar; dàt maakt niet uit. Nu is hetnonsense, en je ouwe heer.…”„Ik verzoek u geen kwaad van mijn overleden vader te spreken.”„Het komt niet bij me op, dat weet je heel goed. Maar ik wil de eenvoudige waarheid in zulke zaken.”„Welnu, de waarheid is, dat hij me met Vermey getrouwd wilde zien.”[164]„Och!” riep hij ongeduldig. „Ik bedoel de waarheid ook over gestorven menschen. Datmoet. ’t Is als ware het ’n verdienste dood te gaan!”„Dat geloof ik niet, maar het is vol beteekenis voor hen die achterblijven.”„Nonsense, kind! Allemaal ongezonde romantiek. De waarheid is, dat de ouwe heer ’n heel gewoon mensch was, zelfs niet eens zooveel. Ik weet, dat hij zich nooit veel aan tante liet gelegen liggen; en dat hij het weinig deed aan zijn kinderen, heb ik bijgewoond. Je kunt me daarover niets wijs maken.”„Ik wil dat niet, maar.…”„Nu dan,” vervolgde hij, vrij heftig, „wees dan ook verstandig. Heb je zin in Vermey, zeg het ronduit. Maar haal er niet die ongemotiveerde caprice van je papa op zijn sterfbed bij; dat veel ik niet.”„Dat je zoo’n hekel aan mijn vader had wist ik niet.…”„God, God!” viel hij haar wederom in de rede, zijn knokkige handen met komieke wanhoop door zijn steile haren strijkend, „wat is het moeilijk ditmaal ’n verstandig woord met je te spreken! Had ik ’n hekel aan hem! Heb ik hem bij zijn leven slecht of maar onaangenaam bejegend?”Zij schrok ervan. Neen, dat was waar. Integendeel, Jan was erg meegaand geweest. Hij had zelfs meer toegegeven dikwerf dan zij zelf. Ze kon dat alles niet ontkennen en was er verlegen mee.„O neen! je bent altijd erg goed voor papa geweest. Maar daarom,” ging ze voort met bevende stem,„begrijp ik nu ook te minder hoe je zoo hard kunt zijn tegenover z’n nagedachtenis.”[165]„Kindlief, ik ben niet hard. Laat er toch geen verder misverstand bestaan! Bij zijn leven, heb ik altijd den ouden heer laten doen, wat hij niet kon nalaten. Goed! Hij was, die hij was. Hij had zichzelf niet geschapen. Men kon hem dus niet alles zoo nauw toemeten, als jijzelf dat dikwijls deed. Maar nu hij, stervend, nog een dwaas idee had, gaat het niet aan dat uit piëteit als een bevel te beschouwen, waarvoor zich iemand, desnoods zou moeten opofferen.”Zij stampte driftig op den grond, met tranen in de oogen.„Jan, ik wil niet, dat je zoo spreekt over papa’s laatste oogenblikken. Wat weet je dan toch met al je wijsheid? Hoe weet je, wat hem toen bezielde, en of het niet meer de ingeving was van een hooger macht, dan de werking van zijn zwakken geest? Ik geloof dat het stervensuur heilig is; dat het niet aan ons staat te beslissen, wat een eenvoudig mensch op zoo’n gewichtig oogenblik, als hij afscheid neemt uit dit leven, dringt tot handelen.”Een oogenblik zweeg Voirey; hij had die wending niet voorzien en keek stil naar het dunne rookspiraaltje, dat opkronkelde uit de asch van z’n sigaar.„Als er metaphysica bij komt,” zei hij zoo ijskoud als hij spreken kon over dingen, die hij minachtte, „zal ik niet beproeven iets aan je verstand te brengen. Je bent natuurlijk geheel vrij. Ik heb geen ander recht, dan je van raad te dienen als bloedverwant en goed vriend. Wil je daarvan niet gediend zijn.…”Lena had haar fijne handjes gevouwen en haast angstig viel ze hem in de rede, zeer bleek:„Spreek toch niet op die manier, Jan. Het hindert me[166]zoo, dat we het hierover nooit eens zullen zijn. Ik houd veel van je; als ik een oudere broer had, zou ik niet meer van hem kunnen houden. Doch de laatste wil van mijn vader is mij heilig, en als het aan mij ligt zal die worden uitgevoerd.”„Enfin, ik weet het nu; het moet dus maar gebeuren, en dan zoo gauw mogelijk.”„Er is geen haast bij.”„Zeker! dat is er wel. Laat het verder maar aan mij over. Ik had je een andere partij toegedacht, maar als de zaken zóó staan, zullen wij ze in die richting sturen. Dat is alles!”„Ben je niet boos op me?” vroeg Lena, gelukkig, dat zij het in zoover had gewonnen.„Volstrekt niet. Wij hebben immers zonder dat wel meer verschil van meening gehad. Vrijheid, blijheid! Alleen betreft het nu een heel ernstige zaak. Ten slotte, echter, moet je het zelf weten; je bent er het naast aan toe.”Hij riep de jongens, keek uit oude gewoonte hun cahiers eens in, wees hun op fouten, sprak over hun school en over nog een en ander van dagelijkschen aard; vroeg of het eten goed was en zoo, en ging na deze soort van inspectie, heel welgemoed de roodsteenen trapjes af van het galerijtje, naar zijn rijtuig, dat voor op het erf wachtte.„Poelang!” had hij den koetsier toegeroepen, maar buiten veranderde hij den last en gaf het adres op van het commensalenhuis, waar Vermey woonde, want die was weêr van domicilie veranderd, met het oog op zijn plannen en toen hij uit de houding van Lena vermeend had te mogen afleiden, dat zij het ditmaal daarmeê eens zou zijn.[167]Het was wel etenstijd; hij verliep zijn diner en zou Vermey ook aan tafel vinden, doch dat waren ondergeschikte zaken, waarmeê Voirey zich het hoofd niet brak.Inderdaad had Vermey nauwelijks zijn soep genuttigd of een jongen bracht hem een kaartje.„Dat is lastige visite,” zei een van de jongelui, die meê aanzaten.Maar Vermey stond op met een gewichtig gezicht.„Ik kan dien meneer niet laten wachten,” zei hij, het kaartje naast zijn bord latend, uit een soort bluf, dat Voirey, die reeds ’n naam had te Batavia als man van zaken en man van geld, hem zooperloemoest spreken.Inwendig was hij niet erg gerust, wel begrijpend dat dit bezoek niet voor niet was en onbekend met de te wachten resultaten.Het kwam bij Voirey niet op zijn verontschuldigingen te maken over zijn ongelegen bezoek. Hij was op een wipstoel gaan zitten in de voorgalerij aan de groote zwart gepolitoerde tafel waarop de grijs uitgebeten kringetjes van de bitterglaasjes in den vooravond geledigd, nog vochtig glinsterden in het schijnsel der kroonlamp.„A propos,” viel hij met de deur in ’t huis, „je herinnert je nog wel de manoeuvre van den ouden Bruce?”Vermey dacht: daarhebje het al. Hij kreeg een kleur, trok zijn dunne, lichtkleurige wenkbrauwen hoog op en zette een ernstig gezicht.„Welke manoeuvre?”„Och! zanik nu niet!.… met die handen van jullie.… ’n Flauwe aardigheid!”[168]„Ik heb er geen aardigheid in gevonden, meneer Voirey?”„Je wilt toch niet zeggen, dat je daarin wezenlijk een aanwijzing hebt gezien? Dat het iets is wat opgevolgd moet worden.”„Als het aan mij ligt, ja. Ik heb altijd gehoord.…”„Jawel, ik weet het.… je hebt altijd gehoord dat de wil van een stervende.… hoe is het ook weer?”„Een heilige zaak is,” vulde Vermey aan.Ze keken elkaar over tafel een oogenblik aan.Voirey met groote spottende trekken om zijn lippen; Vermey met kleine nippertjes van glimlachen bij zijn mondhoeken, die hij vruchteloos trachtte in bedwang te houden.Maar in eens werd Voirey heel ernstig.„Zeg eens Vermey, houd je van haar?”„Zeker doe ik dat.”„Maar je bent toch niet, zooals men dat noemt, op haar verliefd.”Vermey kreeg weêr ’n kleur en draaide met wanhopige verlegenheid over de gevergde openhartigheid aan zijn geel kneveltje.„Dat is te zeggen.… ziet u, ik ben geen jongen van achttien jaren meer.”„En wat wil je daarmee zeggen?”„Wel, ik zou er b.v. niet ziek van worden, als het eens misliep; ik kijk niet naar de maan en zit niet te zuchten; en ik schrijf ook geen malle brieven.…”„Je bedoelt dus: een kalme genegenheid.”„Juist, van menschen van onzen leeftijd. Wij weten, wat er te koop is in de wereld, en wij doen geen dwaasheden meer.”[169]Hij had zijn geheeleairaangenomen van vol man wataffaires de femmesaanging. Voirey lachte hem in stilte uit, en vond hem grooter kwast, dan ooit te voren.„Dus je stelt je voor opnieuw aanzoek te doen om de hand van mijn nicht, omdat haar vader op zijn sterfbed getoond heeft dat te verlangen.”Vermey knikte beslist toestemmend met het hoofd, en zei bovendien nog: „Ja.”„En uw financieele positie is toch niet van dien aard, dat u haar kunt geven wat ze gewoon is.”„Zij heeft immers zelf de middelen.”„Het zou beter zijn als zij de vruchten daarvan tijdelijk afstond voor de opvoeding van haar broers.”Dat was een leelijke streep door de rekening.„Maar dat is immers niet noodig, meneer Voirey,” riep George met kennelijken angst. „We zouden als we getrouwd waren best de jongens bij ons in huis kunnen nemen.”„Hm! Nu, maak het maar zoo gauw mogelijk in orde; tracht het eens te worden met Lena, en meld me dat dan zoo spoedig mogelijk.”Voirey stond op en ging heen. Vermey vergezelde hem tot buiten aan zijn wagen en keerde glinsterend van genoegen naar achter terug, waar men reeds aan de vruchten was.„Wat zie je er zalig uit,” zei een van de jongelui.„Heb je door dien meneer Voirey een mooi baantje veroverd?”Doch George lachte stil voor zich heen en vroeg nog wat van het koud geworden eten, dat hij langzaam als tusschen zijn tanden oppeuzelde. Hij merkte wel, dat er[170]een gerucht liep langs de tafel, maar hij zou ditmaal wijzer zijn dan vroeger en zich geen woord laten ontglippen. Men zou hem thans niet kunnen verwijten, dat hij de huid van den beer had verkocht voor hij het beest geschoten had.Eindelijk vroeg er een:„Mogen we je feliciteeren?”Maar Vermey werd boos en zei heel effen: „Asjeblieft geen gekheid, meneeren! Als ik u iets heb mede te deelen, zal ik dat wel doen. Thans heb ik u niets te zeggen.”Hij had, als oudere, eenige prestige onder de jongelui in het commensalenhuis, en niet alleen om z’n leeftijd, maar ook door zijn reputatie van fameus scharrelaar, die alle loopjes kende.„Maak je er niet druk om!” zeiden ze. „Het is maar voor de ui.”In zijn logement liet Voirey brood halen en door zijn bediende op een petroleum-toestel ham en eieren bakken, die hij bij groote brokken en met amerikaanschen spoed naar binnen werkte.Daarbij dacht hij aan wat hem soms nu en dan in het hoofd was gekomen. Hij hield heel veel van Lena op zijn wijze, en meer dan eens had hij er aan gedacht haar te vragen. Maar hij had het altijd te druk of zoo, en bovendien scheen het hem toe, dat de gelegenheid nooit goed was en men voor zulke dingen een zee van tijd had. Dat was een misrekening geweest.Het leed thans geen twijfel of Lena zou trouwen met dien Vermey. Jammer, eeuwig jammer! dacht hij. Haar moeder had zulk een nul tot man gehad en nu zou zij[171]zich ook verslingeren aan een hoogst onbeduidend individu!Het speet hem nu, dat hij zoo zorgeloos was geweest. Wie weet of zij al niet lang samen getrouwd waren, als hij het haar had gevraagd toen Bruce nog leefde. Maar aan den anderen kant, dacht hij aan zijn chineeschenonna, die ook meê was gegaan, en die hij om den drommel niet graag geheel liet varen. Neen, ’t was ten slotte beter zoo!Hij sloeg zijn hand langs zijn oogen, als deed hij iets weg, dat hem daar hinderde, en een paar minuten later zat hij voor zijn schrijftafel, aanteekeningen, ontwerpen en schetsen van fabriekswerktuigen te bekijken en zijn korte aanteekeningen te schrijven op eenblocknotes.Van veel schrijverij was hij afkeerig; zoowel thuis als op ’t kantoor was zijn lessenaar altijdclean; het zag eruit of er niets werd gedaan; aan brieven en zulke dingen, die anderen zelf zaten te peuteren, alsof daarin de verdienste stak van het zaken doen, had hij een hekel; dáár hield hij zijn menschen voor.De conventioneele tijd, die verstrijken moet voor men een meisje mag vragen, wier vader gestorven is, deed als tijd zijn eenige plicht: hij verstreek.Toen hij om was, kwam op een goeden dag George een bezoek brengen bij Lena; dat deed hij heel dikwijls, en toch wist ze thans, dat hij haar voor de tweede maal kwam vragen zijn vrouw te worden. Zij zag het aan zijn oploopen, aan zijn gezicht, ofschoon zij de eenige was, want niemand zou daar iets bijzonders aan gezien hebben.Hij was europeescher gekleed dan ooit te voren en met zijn klein licht kneveltje, zijn ondanks alle nachtelijke[172]excursies onverwoestbaar frisch gezicht, droeg hij zijnzes-en-dertigjaren alsof hij er tien minder telde.Maar toen hij het schabelletje opkwam kreeg hij weer zoo’n verwenschte kleur, en Lena, die wit werd om haar neusje, begon te beven.„Hoe gaat het?” vroeg hij.„Zoo.…. ’t gaat nog al,” zei ze nauw hoorbaar.Hij liet de oogen eens gaan over de broertjes, die hem met de noodige drukte als een oude kennis handen kwamen geven.„Dag jongens.… dag! Nou, niet zoo wild!”waarschuwde hij lachend, toen een hem aan ’n mouw van zijn blauw-zwart jasje trok.„Kom weest bedaard,” vermaande Lena ook. „Je zult nog het goed van meneer Vermey bederven.”„Het is de dartele jeugd,” meende hij.„Ja,” zei ze zuchtend.„Heb je lust ’n eindje op te wandelen?”Haar oogen dwaalden ’n oogenblik doelloos rond.„Ja,.… het is goed.… Ik ga even oploopen met meneer Vermey,” zei ze tegen de broertjes. „Geen leven maken, hoor!”De kinderen keken hen na, toen ze het erf afliepen.„Zouden ze samen gaan trouwen?” vroeg er een.„Och wat, zij heeft vroeger al niet gewild,” zei de oudste heel wijs.„Als ik Leen was, nam ik een officier.”„Ik ook. Maar niet een met dat rood en dat zilver. Als ik een meisje was, zou ik er een willen hebben met goud en die op een paard rijdt.”[173]„Poeh!” riep de oudste weêr met zijn wijsheid. „Wat kletsen jullie toch? Zij heeft wat te nemen! Zij moet ook maar wachten tot er een komt, net als alle meisjes! En als er nu geen officier om haar komt, wat dan?”De anderen zwegen.„Nou zie je wel! Misschien heeft ze vroeger wel gedacht, dat er nog een zou komen, en daarom Vermey eerst niet willen hebben.”Dit denkbeeld vond een zwijgende instemming, als iets dat verontschuldigend was voor Lena om wie geen officier gekomen was met goud en een paard. Toen ging de hinderlijke conversatie over op een minder gewichtig onderwerp.[174]
DERTIENDE HOOFDSTUK.De nuchtere man van zaken.
Voirey vond, toen hij van de begrafenis in het hotel terugkwam, tot zijn groote verwondering Lena zeer bedroefd.„Och,” zei ze met een medelijdende zijwaartsche beweging van het hoofd. „Hij was toch zoo’n goeie, ouwe man.”Voirey begreep er niets van, daarom zei hij ook niets.„Wij hebben het altijd zoo goed kunnen vinden samen.”Hij trok een leelijk, onwillig gezicht; hij had wel kunnen uitvaren, zeggend: „Je liegt het, hij was geen goeie man en jullie hadt altijd ruzie,” maar dat kon hij niet; dat was onmogelijk voor eengentlemantegenover een dame, al was die nu ook zijn volle nicht.Lena was toch anders ’n zeer ontwikkeld meisje, met een helder oordeel, een goed verstand en die wat had geleerd. Al twistte hij vaak met haar uit verschil van opvatting, toch moest hij in stilte dikwerf hulde brengen aan haar scherpzinnigheid en oprechtheid. Thans begreep[160]hij noch haar tranen, noch haar woorden. Van die sterke inwerking van den dood op het gemoed eener vrouw had hij geen flauw besef. Hij wist niets hoegenaamd van dat snel werkend idealiseerings-proces, dat alle vlekken uit de herinnering wegwischt; dat alle scherpe kanten dadelijk afrondt; dat, als het lichaam ten grave is gedaald, de vroegere persoonlijkheid meer geeft, zooals men hem graag zou gehad hebben, dan zooals hij in werkelijkheid is geweest.Voirey nam zijn maatregelen gauw en goed.Een paar dagen later woonde Lena met haar broertjes bij een nette familie; hij zelf was in het hotel gebleven; familie-leven was zijn zwak niet; het kon hem niet schelen of alles altijd zoo precies en netjes in orde was, als onder het bestuur eener goede huisvrouw.Vermey had hen bezocht, den avond voor Lena’s vertrek uit het hotel; hij had van niets bijzonders gesproken, maar gevraagd of hij nu en dan eens naar haar gezondheid mocht komen vernemen, wat zij goed vond.Het leven ging voort. Voirey wiens belangen aanhoudend meer gecompliceerd raakten, kwam zelden, hij was soms weken lang op reis en bemoeide zich met het nichtje en de neefjes hoe langer hoe minder, naarmate zijn andere relaties zich uitbreidden.Tot hij op een goeden dag, ’n maand of vier na den dood van Bruce, ’n brief kreeg van de dame in wier huis Lena haar intrek had.Hij was er kwaad om. Vermey kwam daar tegenwoordig haast elken dag, en het scheen wel, dat er eenige plannen bestonden van den kant der jongelui, maar mevrouw was[161]van oordeel dat zij Voirey, die het geld beheerde en de „kost en inwoning” betaalde, niet onkundig moest laten.Nu, dat vond Voirey ook.’s Avonds ging hij er heen en vond Lena in het galerijtje van het paviljoen zitten lezen, terwijl de jongens in de kamer hun huiswerk maakten.„Ik wou je wel eens spreken!” zei hij.Zij kreeg een kleur.„Alleen?”„Liever, ja! Zend, als je wilt, de kinderen maar een oogenblik naar achter.”Zij deed het met een kloppend hart; niet, dat ze bang was voor Voirey of verplicht hem rekening en verantwoording af te leggen van haar doen en laten,—maar zij beschouwde hem als oudste, als om zoo te zeggen: „eerst-aanwezend” lid der familie met een onbeschreven gezag bekleed, dat tot zekere hoogte kon uitgeoefend en in allen geval ontzien moest worden.„Is het waar, dat Vermey hier zoo dikwijls komt?”„Ja,” antwoordde Lena zeer bedaard, „hij komt nogal veel hier. Haast elken dag.”„Dat is zeer ongepast van hem.”„Och waarom?”„Je hebt te veel verstand, Lena, om zoo’n vraag te doen,” zei hij kwaad. „Je weet heel goed, waarom het niet te pas komt, dat ’n jong man haast dagelijks bezoeken aflegt bij een jonge dame, die als het ware alleen staat.”„Maar met hem is dat toch ’n ander geval.”[162]Voirey keek haar aan als twijfelde hij aan de helderheid van haar geest.„Met hem?” herhaalde hij in een langen vraagtoon.„Ja, natuurlijk,” zei Lena geraakt, „met hem.”„Ik wist niet, dat er met Vermey iets bijzonders was; wees zoo goed mij in te lichten.”„Moet ik me daarover verklaren, Jan?” vroeg nu Lena op haar beurt verwonderd, „je weet het toch zoo goed als ik.”„Vooruit ermee, asjeblieft. Ik weet niets.”„Papa heeft toch duidelijk genoeg op zijn sterfbed getoond, dat het zijn laatste wensch was.”Hij liep, zooals hij bij zulke gelegenheden gewoon was, peinzend ’n paar schreden heen en weer, niet wetend wat daarop direct te antwoorden. Zeker, hij had de laatste bedoeling van den ouden heer volkomen gesnapt; ’t was waarachtig duidelijk genoeg geweest!Maar dááraan hechtte hij nu niet de minste waarde. Bruce was in zijn oogen een man, die eigenlijk nooit recht had geweten, wat hij deed: een onverantwoordelijke individualiteit, geestelijk tot geringe hoogte slechts toerekenbaar, en die allerminst in zijn laatste oogenblikken begrepen had wat hij deed.„Het is niet goed, Lena,” zei hij na eenige oogenblikken en kalmer dan te voren, „zooveel waarde te hechten aan dat blijkbaar verlangen van je papa.”„Is dat niet goed?”„Zeker niet. Vooreerst had hij het recht niet, levend, stervend of dood op zoo’n manier in de bestemming van jouw leven, dat hem niet behoorde, te grijpen.”[163]„Dat deed hij niet,” protesteerde zij. „Hij greep in niets;kasian, hij kon niet eens meer ’n woord spreken! Maar hij verzocht het met zijn zwakke handen en zijn brekende oogen, die ik nog altijd vóór me zie,” eindigde zij snikkend.Voirey haalde met ’n zucht zijn magere, breede schouders op.„Hoe hij zijn verlangen te kennen gaf, doet niets ter zake; men doet dat naar macht en gelegenheid; als men gezond is, dan zegt men, wat men wil; als men stervende is en niet meer praten kan, geeft men het te kennen zoo goed het gaat, op ’n andere manier. Maar dat heeft met de zaak van een huwelijk tusschen jou en Vermey niets hoegenaamd te maken.”„Ik moet den laatsten wensch van mijn stervenden vader eerbiedigen,” hield zij vol.„Beste Lena, dat moet je niet. Het is een der krankzinnige begrippen in deze oude, half verloopen samenleving.”„Ik zou rust noch duur hebben, als ik het niet deed.”„Dat zou je wel, kind. Geloof me dat zijn zinsbegoochelingen, anders niet. Het betreft hier jouw eigen levensgeluk, en daar mag je op die manier niet mee te werk gaan. Als het ’n ondergeschikt iets was, ’n cadeau of legaat, wel dan zou ik zeggen, doe het maar; dàt maakt niet uit. Nu is hetnonsense, en je ouwe heer.…”„Ik verzoek u geen kwaad van mijn overleden vader te spreken.”„Het komt niet bij me op, dat weet je heel goed. Maar ik wil de eenvoudige waarheid in zulke zaken.”„Welnu, de waarheid is, dat hij me met Vermey getrouwd wilde zien.”[164]„Och!” riep hij ongeduldig. „Ik bedoel de waarheid ook over gestorven menschen. Datmoet. ’t Is als ware het ’n verdienste dood te gaan!”„Dat geloof ik niet, maar het is vol beteekenis voor hen die achterblijven.”„Nonsense, kind! Allemaal ongezonde romantiek. De waarheid is, dat de ouwe heer ’n heel gewoon mensch was, zelfs niet eens zooveel. Ik weet, dat hij zich nooit veel aan tante liet gelegen liggen; en dat hij het weinig deed aan zijn kinderen, heb ik bijgewoond. Je kunt me daarover niets wijs maken.”„Ik wil dat niet, maar.…”„Nu dan,” vervolgde hij, vrij heftig, „wees dan ook verstandig. Heb je zin in Vermey, zeg het ronduit. Maar haal er niet die ongemotiveerde caprice van je papa op zijn sterfbed bij; dat veel ik niet.”„Dat je zoo’n hekel aan mijn vader had wist ik niet.…”„God, God!” viel hij haar wederom in de rede, zijn knokkige handen met komieke wanhoop door zijn steile haren strijkend, „wat is het moeilijk ditmaal ’n verstandig woord met je te spreken! Had ik ’n hekel aan hem! Heb ik hem bij zijn leven slecht of maar onaangenaam bejegend?”Zij schrok ervan. Neen, dat was waar. Integendeel, Jan was erg meegaand geweest. Hij had zelfs meer toegegeven dikwerf dan zij zelf. Ze kon dat alles niet ontkennen en was er verlegen mee.„O neen! je bent altijd erg goed voor papa geweest. Maar daarom,” ging ze voort met bevende stem,„begrijp ik nu ook te minder hoe je zoo hard kunt zijn tegenover z’n nagedachtenis.”[165]„Kindlief, ik ben niet hard. Laat er toch geen verder misverstand bestaan! Bij zijn leven, heb ik altijd den ouden heer laten doen, wat hij niet kon nalaten. Goed! Hij was, die hij was. Hij had zichzelf niet geschapen. Men kon hem dus niet alles zoo nauw toemeten, als jijzelf dat dikwijls deed. Maar nu hij, stervend, nog een dwaas idee had, gaat het niet aan dat uit piëteit als een bevel te beschouwen, waarvoor zich iemand, desnoods zou moeten opofferen.”Zij stampte driftig op den grond, met tranen in de oogen.„Jan, ik wil niet, dat je zoo spreekt over papa’s laatste oogenblikken. Wat weet je dan toch met al je wijsheid? Hoe weet je, wat hem toen bezielde, en of het niet meer de ingeving was van een hooger macht, dan de werking van zijn zwakken geest? Ik geloof dat het stervensuur heilig is; dat het niet aan ons staat te beslissen, wat een eenvoudig mensch op zoo’n gewichtig oogenblik, als hij afscheid neemt uit dit leven, dringt tot handelen.”Een oogenblik zweeg Voirey; hij had die wending niet voorzien en keek stil naar het dunne rookspiraaltje, dat opkronkelde uit de asch van z’n sigaar.„Als er metaphysica bij komt,” zei hij zoo ijskoud als hij spreken kon over dingen, die hij minachtte, „zal ik niet beproeven iets aan je verstand te brengen. Je bent natuurlijk geheel vrij. Ik heb geen ander recht, dan je van raad te dienen als bloedverwant en goed vriend. Wil je daarvan niet gediend zijn.…”Lena had haar fijne handjes gevouwen en haast angstig viel ze hem in de rede, zeer bleek:„Spreek toch niet op die manier, Jan. Het hindert me[166]zoo, dat we het hierover nooit eens zullen zijn. Ik houd veel van je; als ik een oudere broer had, zou ik niet meer van hem kunnen houden. Doch de laatste wil van mijn vader is mij heilig, en als het aan mij ligt zal die worden uitgevoerd.”„Enfin, ik weet het nu; het moet dus maar gebeuren, en dan zoo gauw mogelijk.”„Er is geen haast bij.”„Zeker! dat is er wel. Laat het verder maar aan mij over. Ik had je een andere partij toegedacht, maar als de zaken zóó staan, zullen wij ze in die richting sturen. Dat is alles!”„Ben je niet boos op me?” vroeg Lena, gelukkig, dat zij het in zoover had gewonnen.„Volstrekt niet. Wij hebben immers zonder dat wel meer verschil van meening gehad. Vrijheid, blijheid! Alleen betreft het nu een heel ernstige zaak. Ten slotte, echter, moet je het zelf weten; je bent er het naast aan toe.”Hij riep de jongens, keek uit oude gewoonte hun cahiers eens in, wees hun op fouten, sprak over hun school en over nog een en ander van dagelijkschen aard; vroeg of het eten goed was en zoo, en ging na deze soort van inspectie, heel welgemoed de roodsteenen trapjes af van het galerijtje, naar zijn rijtuig, dat voor op het erf wachtte.„Poelang!” had hij den koetsier toegeroepen, maar buiten veranderde hij den last en gaf het adres op van het commensalenhuis, waar Vermey woonde, want die was weêr van domicilie veranderd, met het oog op zijn plannen en toen hij uit de houding van Lena vermeend had te mogen afleiden, dat zij het ditmaal daarmeê eens zou zijn.[167]Het was wel etenstijd; hij verliep zijn diner en zou Vermey ook aan tafel vinden, doch dat waren ondergeschikte zaken, waarmeê Voirey zich het hoofd niet brak.Inderdaad had Vermey nauwelijks zijn soep genuttigd of een jongen bracht hem een kaartje.„Dat is lastige visite,” zei een van de jongelui, die meê aanzaten.Maar Vermey stond op met een gewichtig gezicht.„Ik kan dien meneer niet laten wachten,” zei hij, het kaartje naast zijn bord latend, uit een soort bluf, dat Voirey, die reeds ’n naam had te Batavia als man van zaken en man van geld, hem zooperloemoest spreken.Inwendig was hij niet erg gerust, wel begrijpend dat dit bezoek niet voor niet was en onbekend met de te wachten resultaten.Het kwam bij Voirey niet op zijn verontschuldigingen te maken over zijn ongelegen bezoek. Hij was op een wipstoel gaan zitten in de voorgalerij aan de groote zwart gepolitoerde tafel waarop de grijs uitgebeten kringetjes van de bitterglaasjes in den vooravond geledigd, nog vochtig glinsterden in het schijnsel der kroonlamp.„A propos,” viel hij met de deur in ’t huis, „je herinnert je nog wel de manoeuvre van den ouden Bruce?”Vermey dacht: daarhebje het al. Hij kreeg een kleur, trok zijn dunne, lichtkleurige wenkbrauwen hoog op en zette een ernstig gezicht.„Welke manoeuvre?”„Och! zanik nu niet!.… met die handen van jullie.… ’n Flauwe aardigheid!”[168]„Ik heb er geen aardigheid in gevonden, meneer Voirey?”„Je wilt toch niet zeggen, dat je daarin wezenlijk een aanwijzing hebt gezien? Dat het iets is wat opgevolgd moet worden.”„Als het aan mij ligt, ja. Ik heb altijd gehoord.…”„Jawel, ik weet het.… je hebt altijd gehoord dat de wil van een stervende.… hoe is het ook weer?”„Een heilige zaak is,” vulde Vermey aan.Ze keken elkaar over tafel een oogenblik aan.Voirey met groote spottende trekken om zijn lippen; Vermey met kleine nippertjes van glimlachen bij zijn mondhoeken, die hij vruchteloos trachtte in bedwang te houden.Maar in eens werd Voirey heel ernstig.„Zeg eens Vermey, houd je van haar?”„Zeker doe ik dat.”„Maar je bent toch niet, zooals men dat noemt, op haar verliefd.”Vermey kreeg weêr ’n kleur en draaide met wanhopige verlegenheid over de gevergde openhartigheid aan zijn geel kneveltje.„Dat is te zeggen.… ziet u, ik ben geen jongen van achttien jaren meer.”„En wat wil je daarmee zeggen?”„Wel, ik zou er b.v. niet ziek van worden, als het eens misliep; ik kijk niet naar de maan en zit niet te zuchten; en ik schrijf ook geen malle brieven.…”„Je bedoelt dus: een kalme genegenheid.”„Juist, van menschen van onzen leeftijd. Wij weten, wat er te koop is in de wereld, en wij doen geen dwaasheden meer.”[169]Hij had zijn geheeleairaangenomen van vol man wataffaires de femmesaanging. Voirey lachte hem in stilte uit, en vond hem grooter kwast, dan ooit te voren.„Dus je stelt je voor opnieuw aanzoek te doen om de hand van mijn nicht, omdat haar vader op zijn sterfbed getoond heeft dat te verlangen.”Vermey knikte beslist toestemmend met het hoofd, en zei bovendien nog: „Ja.”„En uw financieele positie is toch niet van dien aard, dat u haar kunt geven wat ze gewoon is.”„Zij heeft immers zelf de middelen.”„Het zou beter zijn als zij de vruchten daarvan tijdelijk afstond voor de opvoeding van haar broers.”Dat was een leelijke streep door de rekening.„Maar dat is immers niet noodig, meneer Voirey,” riep George met kennelijken angst. „We zouden als we getrouwd waren best de jongens bij ons in huis kunnen nemen.”„Hm! Nu, maak het maar zoo gauw mogelijk in orde; tracht het eens te worden met Lena, en meld me dat dan zoo spoedig mogelijk.”Voirey stond op en ging heen. Vermey vergezelde hem tot buiten aan zijn wagen en keerde glinsterend van genoegen naar achter terug, waar men reeds aan de vruchten was.„Wat zie je er zalig uit,” zei een van de jongelui.„Heb je door dien meneer Voirey een mooi baantje veroverd?”Doch George lachte stil voor zich heen en vroeg nog wat van het koud geworden eten, dat hij langzaam als tusschen zijn tanden oppeuzelde. Hij merkte wel, dat er[170]een gerucht liep langs de tafel, maar hij zou ditmaal wijzer zijn dan vroeger en zich geen woord laten ontglippen. Men zou hem thans niet kunnen verwijten, dat hij de huid van den beer had verkocht voor hij het beest geschoten had.Eindelijk vroeg er een:„Mogen we je feliciteeren?”Maar Vermey werd boos en zei heel effen: „Asjeblieft geen gekheid, meneeren! Als ik u iets heb mede te deelen, zal ik dat wel doen. Thans heb ik u niets te zeggen.”Hij had, als oudere, eenige prestige onder de jongelui in het commensalenhuis, en niet alleen om z’n leeftijd, maar ook door zijn reputatie van fameus scharrelaar, die alle loopjes kende.„Maak je er niet druk om!” zeiden ze. „Het is maar voor de ui.”In zijn logement liet Voirey brood halen en door zijn bediende op een petroleum-toestel ham en eieren bakken, die hij bij groote brokken en met amerikaanschen spoed naar binnen werkte.Daarbij dacht hij aan wat hem soms nu en dan in het hoofd was gekomen. Hij hield heel veel van Lena op zijn wijze, en meer dan eens had hij er aan gedacht haar te vragen. Maar hij had het altijd te druk of zoo, en bovendien scheen het hem toe, dat de gelegenheid nooit goed was en men voor zulke dingen een zee van tijd had. Dat was een misrekening geweest.Het leed thans geen twijfel of Lena zou trouwen met dien Vermey. Jammer, eeuwig jammer! dacht hij. Haar moeder had zulk een nul tot man gehad en nu zou zij[171]zich ook verslingeren aan een hoogst onbeduidend individu!Het speet hem nu, dat hij zoo zorgeloos was geweest. Wie weet of zij al niet lang samen getrouwd waren, als hij het haar had gevraagd toen Bruce nog leefde. Maar aan den anderen kant, dacht hij aan zijn chineeschenonna, die ook meê was gegaan, en die hij om den drommel niet graag geheel liet varen. Neen, ’t was ten slotte beter zoo!Hij sloeg zijn hand langs zijn oogen, als deed hij iets weg, dat hem daar hinderde, en een paar minuten later zat hij voor zijn schrijftafel, aanteekeningen, ontwerpen en schetsen van fabriekswerktuigen te bekijken en zijn korte aanteekeningen te schrijven op eenblocknotes.Van veel schrijverij was hij afkeerig; zoowel thuis als op ’t kantoor was zijn lessenaar altijdclean; het zag eruit of er niets werd gedaan; aan brieven en zulke dingen, die anderen zelf zaten te peuteren, alsof daarin de verdienste stak van het zaken doen, had hij een hekel; dáár hield hij zijn menschen voor.De conventioneele tijd, die verstrijken moet voor men een meisje mag vragen, wier vader gestorven is, deed als tijd zijn eenige plicht: hij verstreek.Toen hij om was, kwam op een goeden dag George een bezoek brengen bij Lena; dat deed hij heel dikwijls, en toch wist ze thans, dat hij haar voor de tweede maal kwam vragen zijn vrouw te worden. Zij zag het aan zijn oploopen, aan zijn gezicht, ofschoon zij de eenige was, want niemand zou daar iets bijzonders aan gezien hebben.Hij was europeescher gekleed dan ooit te voren en met zijn klein licht kneveltje, zijn ondanks alle nachtelijke[172]excursies onverwoestbaar frisch gezicht, droeg hij zijnzes-en-dertigjaren alsof hij er tien minder telde.Maar toen hij het schabelletje opkwam kreeg hij weer zoo’n verwenschte kleur, en Lena, die wit werd om haar neusje, begon te beven.„Hoe gaat het?” vroeg hij.„Zoo.…. ’t gaat nog al,” zei ze nauw hoorbaar.Hij liet de oogen eens gaan over de broertjes, die hem met de noodige drukte als een oude kennis handen kwamen geven.„Dag jongens.… dag! Nou, niet zoo wild!”waarschuwde hij lachend, toen een hem aan ’n mouw van zijn blauw-zwart jasje trok.„Kom weest bedaard,” vermaande Lena ook. „Je zult nog het goed van meneer Vermey bederven.”„Het is de dartele jeugd,” meende hij.„Ja,” zei ze zuchtend.„Heb je lust ’n eindje op te wandelen?”Haar oogen dwaalden ’n oogenblik doelloos rond.„Ja,.… het is goed.… Ik ga even oploopen met meneer Vermey,” zei ze tegen de broertjes. „Geen leven maken, hoor!”De kinderen keken hen na, toen ze het erf afliepen.„Zouden ze samen gaan trouwen?” vroeg er een.„Och wat, zij heeft vroeger al niet gewild,” zei de oudste heel wijs.„Als ik Leen was, nam ik een officier.”„Ik ook. Maar niet een met dat rood en dat zilver. Als ik een meisje was, zou ik er een willen hebben met goud en die op een paard rijdt.”[173]„Poeh!” riep de oudste weêr met zijn wijsheid. „Wat kletsen jullie toch? Zij heeft wat te nemen! Zij moet ook maar wachten tot er een komt, net als alle meisjes! En als er nu geen officier om haar komt, wat dan?”De anderen zwegen.„Nou zie je wel! Misschien heeft ze vroeger wel gedacht, dat er nog een zou komen, en daarom Vermey eerst niet willen hebben.”Dit denkbeeld vond een zwijgende instemming, als iets dat verontschuldigend was voor Lena om wie geen officier gekomen was met goud en een paard. Toen ging de hinderlijke conversatie over op een minder gewichtig onderwerp.[174]
Voirey vond, toen hij van de begrafenis in het hotel terugkwam, tot zijn groote verwondering Lena zeer bedroefd.
„Och,” zei ze met een medelijdende zijwaartsche beweging van het hoofd. „Hij was toch zoo’n goeie, ouwe man.”
Voirey begreep er niets van, daarom zei hij ook niets.
„Wij hebben het altijd zoo goed kunnen vinden samen.”
Hij trok een leelijk, onwillig gezicht; hij had wel kunnen uitvaren, zeggend: „Je liegt het, hij was geen goeie man en jullie hadt altijd ruzie,” maar dat kon hij niet; dat was onmogelijk voor eengentlemantegenover een dame, al was die nu ook zijn volle nicht.
Lena was toch anders ’n zeer ontwikkeld meisje, met een helder oordeel, een goed verstand en die wat had geleerd. Al twistte hij vaak met haar uit verschil van opvatting, toch moest hij in stilte dikwerf hulde brengen aan haar scherpzinnigheid en oprechtheid. Thans begreep[160]hij noch haar tranen, noch haar woorden. Van die sterke inwerking van den dood op het gemoed eener vrouw had hij geen flauw besef. Hij wist niets hoegenaamd van dat snel werkend idealiseerings-proces, dat alle vlekken uit de herinnering wegwischt; dat alle scherpe kanten dadelijk afrondt; dat, als het lichaam ten grave is gedaald, de vroegere persoonlijkheid meer geeft, zooals men hem graag zou gehad hebben, dan zooals hij in werkelijkheid is geweest.
Voirey nam zijn maatregelen gauw en goed.
Een paar dagen later woonde Lena met haar broertjes bij een nette familie; hij zelf was in het hotel gebleven; familie-leven was zijn zwak niet; het kon hem niet schelen of alles altijd zoo precies en netjes in orde was, als onder het bestuur eener goede huisvrouw.
Vermey had hen bezocht, den avond voor Lena’s vertrek uit het hotel; hij had van niets bijzonders gesproken, maar gevraagd of hij nu en dan eens naar haar gezondheid mocht komen vernemen, wat zij goed vond.
Het leven ging voort. Voirey wiens belangen aanhoudend meer gecompliceerd raakten, kwam zelden, hij was soms weken lang op reis en bemoeide zich met het nichtje en de neefjes hoe langer hoe minder, naarmate zijn andere relaties zich uitbreidden.
Tot hij op een goeden dag, ’n maand of vier na den dood van Bruce, ’n brief kreeg van de dame in wier huis Lena haar intrek had.
Hij was er kwaad om. Vermey kwam daar tegenwoordig haast elken dag, en het scheen wel, dat er eenige plannen bestonden van den kant der jongelui, maar mevrouw was[161]van oordeel dat zij Voirey, die het geld beheerde en de „kost en inwoning” betaalde, niet onkundig moest laten.
Nu, dat vond Voirey ook.
’s Avonds ging hij er heen en vond Lena in het galerijtje van het paviljoen zitten lezen, terwijl de jongens in de kamer hun huiswerk maakten.
„Ik wou je wel eens spreken!” zei hij.
Zij kreeg een kleur.
„Alleen?”
„Liever, ja! Zend, als je wilt, de kinderen maar een oogenblik naar achter.”
Zij deed het met een kloppend hart; niet, dat ze bang was voor Voirey of verplicht hem rekening en verantwoording af te leggen van haar doen en laten,—maar zij beschouwde hem als oudste, als om zoo te zeggen: „eerst-aanwezend” lid der familie met een onbeschreven gezag bekleed, dat tot zekere hoogte kon uitgeoefend en in allen geval ontzien moest worden.
„Is het waar, dat Vermey hier zoo dikwijls komt?”
„Ja,” antwoordde Lena zeer bedaard, „hij komt nogal veel hier. Haast elken dag.”
„Dat is zeer ongepast van hem.”
„Och waarom?”
„Je hebt te veel verstand, Lena, om zoo’n vraag te doen,” zei hij kwaad. „Je weet heel goed, waarom het niet te pas komt, dat ’n jong man haast dagelijks bezoeken aflegt bij een jonge dame, die als het ware alleen staat.”
„Maar met hem is dat toch ’n ander geval.”[162]
Voirey keek haar aan als twijfelde hij aan de helderheid van haar geest.
„Met hem?” herhaalde hij in een langen vraagtoon.
„Ja, natuurlijk,” zei Lena geraakt, „met hem.”
„Ik wist niet, dat er met Vermey iets bijzonders was; wees zoo goed mij in te lichten.”
„Moet ik me daarover verklaren, Jan?” vroeg nu Lena op haar beurt verwonderd, „je weet het toch zoo goed als ik.”
„Vooruit ermee, asjeblieft. Ik weet niets.”
„Papa heeft toch duidelijk genoeg op zijn sterfbed getoond, dat het zijn laatste wensch was.”
Hij liep, zooals hij bij zulke gelegenheden gewoon was, peinzend ’n paar schreden heen en weer, niet wetend wat daarop direct te antwoorden. Zeker, hij had de laatste bedoeling van den ouden heer volkomen gesnapt; ’t was waarachtig duidelijk genoeg geweest!
Maar dááraan hechtte hij nu niet de minste waarde. Bruce was in zijn oogen een man, die eigenlijk nooit recht had geweten, wat hij deed: een onverantwoordelijke individualiteit, geestelijk tot geringe hoogte slechts toerekenbaar, en die allerminst in zijn laatste oogenblikken begrepen had wat hij deed.
„Het is niet goed, Lena,” zei hij na eenige oogenblikken en kalmer dan te voren, „zooveel waarde te hechten aan dat blijkbaar verlangen van je papa.”
„Is dat niet goed?”
„Zeker niet. Vooreerst had hij het recht niet, levend, stervend of dood op zoo’n manier in de bestemming van jouw leven, dat hem niet behoorde, te grijpen.”[163]
„Dat deed hij niet,” protesteerde zij. „Hij greep in niets;kasian, hij kon niet eens meer ’n woord spreken! Maar hij verzocht het met zijn zwakke handen en zijn brekende oogen, die ik nog altijd vóór me zie,” eindigde zij snikkend.
Voirey haalde met ’n zucht zijn magere, breede schouders op.
„Hoe hij zijn verlangen te kennen gaf, doet niets ter zake; men doet dat naar macht en gelegenheid; als men gezond is, dan zegt men, wat men wil; als men stervende is en niet meer praten kan, geeft men het te kennen zoo goed het gaat, op ’n andere manier. Maar dat heeft met de zaak van een huwelijk tusschen jou en Vermey niets hoegenaamd te maken.”
„Ik moet den laatsten wensch van mijn stervenden vader eerbiedigen,” hield zij vol.
„Beste Lena, dat moet je niet. Het is een der krankzinnige begrippen in deze oude, half verloopen samenleving.”
„Ik zou rust noch duur hebben, als ik het niet deed.”
„Dat zou je wel, kind. Geloof me dat zijn zinsbegoochelingen, anders niet. Het betreft hier jouw eigen levensgeluk, en daar mag je op die manier niet mee te werk gaan. Als het ’n ondergeschikt iets was, ’n cadeau of legaat, wel dan zou ik zeggen, doe het maar; dàt maakt niet uit. Nu is hetnonsense, en je ouwe heer.…”
„Ik verzoek u geen kwaad van mijn overleden vader te spreken.”
„Het komt niet bij me op, dat weet je heel goed. Maar ik wil de eenvoudige waarheid in zulke zaken.”
„Welnu, de waarheid is, dat hij me met Vermey getrouwd wilde zien.”[164]
„Och!” riep hij ongeduldig. „Ik bedoel de waarheid ook over gestorven menschen. Datmoet. ’t Is als ware het ’n verdienste dood te gaan!”
„Dat geloof ik niet, maar het is vol beteekenis voor hen die achterblijven.”
„Nonsense, kind! Allemaal ongezonde romantiek. De waarheid is, dat de ouwe heer ’n heel gewoon mensch was, zelfs niet eens zooveel. Ik weet, dat hij zich nooit veel aan tante liet gelegen liggen; en dat hij het weinig deed aan zijn kinderen, heb ik bijgewoond. Je kunt me daarover niets wijs maken.”
„Ik wil dat niet, maar.…”
„Nu dan,” vervolgde hij, vrij heftig, „wees dan ook verstandig. Heb je zin in Vermey, zeg het ronduit. Maar haal er niet die ongemotiveerde caprice van je papa op zijn sterfbed bij; dat veel ik niet.”
„Dat je zoo’n hekel aan mijn vader had wist ik niet.…”
„God, God!” viel hij haar wederom in de rede, zijn knokkige handen met komieke wanhoop door zijn steile haren strijkend, „wat is het moeilijk ditmaal ’n verstandig woord met je te spreken! Had ik ’n hekel aan hem! Heb ik hem bij zijn leven slecht of maar onaangenaam bejegend?”
Zij schrok ervan. Neen, dat was waar. Integendeel, Jan was erg meegaand geweest. Hij had zelfs meer toegegeven dikwerf dan zij zelf. Ze kon dat alles niet ontkennen en was er verlegen mee.
„O neen! je bent altijd erg goed voor papa geweest. Maar daarom,” ging ze voort met bevende stem,„begrijp ik nu ook te minder hoe je zoo hard kunt zijn tegenover z’n nagedachtenis.”[165]
„Kindlief, ik ben niet hard. Laat er toch geen verder misverstand bestaan! Bij zijn leven, heb ik altijd den ouden heer laten doen, wat hij niet kon nalaten. Goed! Hij was, die hij was. Hij had zichzelf niet geschapen. Men kon hem dus niet alles zoo nauw toemeten, als jijzelf dat dikwijls deed. Maar nu hij, stervend, nog een dwaas idee had, gaat het niet aan dat uit piëteit als een bevel te beschouwen, waarvoor zich iemand, desnoods zou moeten opofferen.”
Zij stampte driftig op den grond, met tranen in de oogen.
„Jan, ik wil niet, dat je zoo spreekt over papa’s laatste oogenblikken. Wat weet je dan toch met al je wijsheid? Hoe weet je, wat hem toen bezielde, en of het niet meer de ingeving was van een hooger macht, dan de werking van zijn zwakken geest? Ik geloof dat het stervensuur heilig is; dat het niet aan ons staat te beslissen, wat een eenvoudig mensch op zoo’n gewichtig oogenblik, als hij afscheid neemt uit dit leven, dringt tot handelen.”
Een oogenblik zweeg Voirey; hij had die wending niet voorzien en keek stil naar het dunne rookspiraaltje, dat opkronkelde uit de asch van z’n sigaar.
„Als er metaphysica bij komt,” zei hij zoo ijskoud als hij spreken kon over dingen, die hij minachtte, „zal ik niet beproeven iets aan je verstand te brengen. Je bent natuurlijk geheel vrij. Ik heb geen ander recht, dan je van raad te dienen als bloedverwant en goed vriend. Wil je daarvan niet gediend zijn.…”
Lena had haar fijne handjes gevouwen en haast angstig viel ze hem in de rede, zeer bleek:
„Spreek toch niet op die manier, Jan. Het hindert me[166]zoo, dat we het hierover nooit eens zullen zijn. Ik houd veel van je; als ik een oudere broer had, zou ik niet meer van hem kunnen houden. Doch de laatste wil van mijn vader is mij heilig, en als het aan mij ligt zal die worden uitgevoerd.”
„Enfin, ik weet het nu; het moet dus maar gebeuren, en dan zoo gauw mogelijk.”
„Er is geen haast bij.”
„Zeker! dat is er wel. Laat het verder maar aan mij over. Ik had je een andere partij toegedacht, maar als de zaken zóó staan, zullen wij ze in die richting sturen. Dat is alles!”
„Ben je niet boos op me?” vroeg Lena, gelukkig, dat zij het in zoover had gewonnen.
„Volstrekt niet. Wij hebben immers zonder dat wel meer verschil van meening gehad. Vrijheid, blijheid! Alleen betreft het nu een heel ernstige zaak. Ten slotte, echter, moet je het zelf weten; je bent er het naast aan toe.”
Hij riep de jongens, keek uit oude gewoonte hun cahiers eens in, wees hun op fouten, sprak over hun school en over nog een en ander van dagelijkschen aard; vroeg of het eten goed was en zoo, en ging na deze soort van inspectie, heel welgemoed de roodsteenen trapjes af van het galerijtje, naar zijn rijtuig, dat voor op het erf wachtte.
„Poelang!” had hij den koetsier toegeroepen, maar buiten veranderde hij den last en gaf het adres op van het commensalenhuis, waar Vermey woonde, want die was weêr van domicilie veranderd, met het oog op zijn plannen en toen hij uit de houding van Lena vermeend had te mogen afleiden, dat zij het ditmaal daarmeê eens zou zijn.[167]
Het was wel etenstijd; hij verliep zijn diner en zou Vermey ook aan tafel vinden, doch dat waren ondergeschikte zaken, waarmeê Voirey zich het hoofd niet brak.
Inderdaad had Vermey nauwelijks zijn soep genuttigd of een jongen bracht hem een kaartje.
„Dat is lastige visite,” zei een van de jongelui, die meê aanzaten.
Maar Vermey stond op met een gewichtig gezicht.
„Ik kan dien meneer niet laten wachten,” zei hij, het kaartje naast zijn bord latend, uit een soort bluf, dat Voirey, die reeds ’n naam had te Batavia als man van zaken en man van geld, hem zooperloemoest spreken.
Inwendig was hij niet erg gerust, wel begrijpend dat dit bezoek niet voor niet was en onbekend met de te wachten resultaten.
Het kwam bij Voirey niet op zijn verontschuldigingen te maken over zijn ongelegen bezoek. Hij was op een wipstoel gaan zitten in de voorgalerij aan de groote zwart gepolitoerde tafel waarop de grijs uitgebeten kringetjes van de bitterglaasjes in den vooravond geledigd, nog vochtig glinsterden in het schijnsel der kroonlamp.
„A propos,” viel hij met de deur in ’t huis, „je herinnert je nog wel de manoeuvre van den ouden Bruce?”
Vermey dacht: daarhebje het al. Hij kreeg een kleur, trok zijn dunne, lichtkleurige wenkbrauwen hoog op en zette een ernstig gezicht.
„Welke manoeuvre?”
„Och! zanik nu niet!.… met die handen van jullie.… ’n Flauwe aardigheid!”[168]
„Ik heb er geen aardigheid in gevonden, meneer Voirey?”
„Je wilt toch niet zeggen, dat je daarin wezenlijk een aanwijzing hebt gezien? Dat het iets is wat opgevolgd moet worden.”
„Als het aan mij ligt, ja. Ik heb altijd gehoord.…”
„Jawel, ik weet het.… je hebt altijd gehoord dat de wil van een stervende.… hoe is het ook weer?”
„Een heilige zaak is,” vulde Vermey aan.
Ze keken elkaar over tafel een oogenblik aan.
Voirey met groote spottende trekken om zijn lippen; Vermey met kleine nippertjes van glimlachen bij zijn mondhoeken, die hij vruchteloos trachtte in bedwang te houden.
Maar in eens werd Voirey heel ernstig.
„Zeg eens Vermey, houd je van haar?”
„Zeker doe ik dat.”
„Maar je bent toch niet, zooals men dat noemt, op haar verliefd.”
Vermey kreeg weêr ’n kleur en draaide met wanhopige verlegenheid over de gevergde openhartigheid aan zijn geel kneveltje.
„Dat is te zeggen.… ziet u, ik ben geen jongen van achttien jaren meer.”
„En wat wil je daarmee zeggen?”
„Wel, ik zou er b.v. niet ziek van worden, als het eens misliep; ik kijk niet naar de maan en zit niet te zuchten; en ik schrijf ook geen malle brieven.…”
„Je bedoelt dus: een kalme genegenheid.”
„Juist, van menschen van onzen leeftijd. Wij weten, wat er te koop is in de wereld, en wij doen geen dwaasheden meer.”[169]
Hij had zijn geheeleairaangenomen van vol man wataffaires de femmesaanging. Voirey lachte hem in stilte uit, en vond hem grooter kwast, dan ooit te voren.
„Dus je stelt je voor opnieuw aanzoek te doen om de hand van mijn nicht, omdat haar vader op zijn sterfbed getoond heeft dat te verlangen.”
Vermey knikte beslist toestemmend met het hoofd, en zei bovendien nog: „Ja.”
„En uw financieele positie is toch niet van dien aard, dat u haar kunt geven wat ze gewoon is.”
„Zij heeft immers zelf de middelen.”
„Het zou beter zijn als zij de vruchten daarvan tijdelijk afstond voor de opvoeding van haar broers.”
Dat was een leelijke streep door de rekening.
„Maar dat is immers niet noodig, meneer Voirey,” riep George met kennelijken angst. „We zouden als we getrouwd waren best de jongens bij ons in huis kunnen nemen.”
„Hm! Nu, maak het maar zoo gauw mogelijk in orde; tracht het eens te worden met Lena, en meld me dat dan zoo spoedig mogelijk.”
Voirey stond op en ging heen. Vermey vergezelde hem tot buiten aan zijn wagen en keerde glinsterend van genoegen naar achter terug, waar men reeds aan de vruchten was.
„Wat zie je er zalig uit,” zei een van de jongelui.
„Heb je door dien meneer Voirey een mooi baantje veroverd?”
Doch George lachte stil voor zich heen en vroeg nog wat van het koud geworden eten, dat hij langzaam als tusschen zijn tanden oppeuzelde. Hij merkte wel, dat er[170]een gerucht liep langs de tafel, maar hij zou ditmaal wijzer zijn dan vroeger en zich geen woord laten ontglippen. Men zou hem thans niet kunnen verwijten, dat hij de huid van den beer had verkocht voor hij het beest geschoten had.
Eindelijk vroeg er een:
„Mogen we je feliciteeren?”
Maar Vermey werd boos en zei heel effen: „Asjeblieft geen gekheid, meneeren! Als ik u iets heb mede te deelen, zal ik dat wel doen. Thans heb ik u niets te zeggen.”
Hij had, als oudere, eenige prestige onder de jongelui in het commensalenhuis, en niet alleen om z’n leeftijd, maar ook door zijn reputatie van fameus scharrelaar, die alle loopjes kende.
„Maak je er niet druk om!” zeiden ze. „Het is maar voor de ui.”
In zijn logement liet Voirey brood halen en door zijn bediende op een petroleum-toestel ham en eieren bakken, die hij bij groote brokken en met amerikaanschen spoed naar binnen werkte.
Daarbij dacht hij aan wat hem soms nu en dan in het hoofd was gekomen. Hij hield heel veel van Lena op zijn wijze, en meer dan eens had hij er aan gedacht haar te vragen. Maar hij had het altijd te druk of zoo, en bovendien scheen het hem toe, dat de gelegenheid nooit goed was en men voor zulke dingen een zee van tijd had. Dat was een misrekening geweest.
Het leed thans geen twijfel of Lena zou trouwen met dien Vermey. Jammer, eeuwig jammer! dacht hij. Haar moeder had zulk een nul tot man gehad en nu zou zij[171]zich ook verslingeren aan een hoogst onbeduidend individu!
Het speet hem nu, dat hij zoo zorgeloos was geweest. Wie weet of zij al niet lang samen getrouwd waren, als hij het haar had gevraagd toen Bruce nog leefde. Maar aan den anderen kant, dacht hij aan zijn chineeschenonna, die ook meê was gegaan, en die hij om den drommel niet graag geheel liet varen. Neen, ’t was ten slotte beter zoo!
Hij sloeg zijn hand langs zijn oogen, als deed hij iets weg, dat hem daar hinderde, en een paar minuten later zat hij voor zijn schrijftafel, aanteekeningen, ontwerpen en schetsen van fabriekswerktuigen te bekijken en zijn korte aanteekeningen te schrijven op eenblocknotes.
Van veel schrijverij was hij afkeerig; zoowel thuis als op ’t kantoor was zijn lessenaar altijdclean; het zag eruit of er niets werd gedaan; aan brieven en zulke dingen, die anderen zelf zaten te peuteren, alsof daarin de verdienste stak van het zaken doen, had hij een hekel; dáár hield hij zijn menschen voor.
De conventioneele tijd, die verstrijken moet voor men een meisje mag vragen, wier vader gestorven is, deed als tijd zijn eenige plicht: hij verstreek.
Toen hij om was, kwam op een goeden dag George een bezoek brengen bij Lena; dat deed hij heel dikwijls, en toch wist ze thans, dat hij haar voor de tweede maal kwam vragen zijn vrouw te worden. Zij zag het aan zijn oploopen, aan zijn gezicht, ofschoon zij de eenige was, want niemand zou daar iets bijzonders aan gezien hebben.
Hij was europeescher gekleed dan ooit te voren en met zijn klein licht kneveltje, zijn ondanks alle nachtelijke[172]excursies onverwoestbaar frisch gezicht, droeg hij zijnzes-en-dertigjaren alsof hij er tien minder telde.
Maar toen hij het schabelletje opkwam kreeg hij weer zoo’n verwenschte kleur, en Lena, die wit werd om haar neusje, begon te beven.
„Hoe gaat het?” vroeg hij.
„Zoo.…. ’t gaat nog al,” zei ze nauw hoorbaar.
Hij liet de oogen eens gaan over de broertjes, die hem met de noodige drukte als een oude kennis handen kwamen geven.
„Dag jongens.… dag! Nou, niet zoo wild!”waarschuwde hij lachend, toen een hem aan ’n mouw van zijn blauw-zwart jasje trok.
„Kom weest bedaard,” vermaande Lena ook. „Je zult nog het goed van meneer Vermey bederven.”
„Het is de dartele jeugd,” meende hij.
„Ja,” zei ze zuchtend.
„Heb je lust ’n eindje op te wandelen?”
Haar oogen dwaalden ’n oogenblik doelloos rond.
„Ja,.… het is goed.… Ik ga even oploopen met meneer Vermey,” zei ze tegen de broertjes. „Geen leven maken, hoor!”
De kinderen keken hen na, toen ze het erf afliepen.
„Zouden ze samen gaan trouwen?” vroeg er een.
„Och wat, zij heeft vroeger al niet gewild,” zei de oudste heel wijs.
„Als ik Leen was, nam ik een officier.”
„Ik ook. Maar niet een met dat rood en dat zilver. Als ik een meisje was, zou ik er een willen hebben met goud en die op een paard rijdt.”[173]
„Poeh!” riep de oudste weêr met zijn wijsheid. „Wat kletsen jullie toch? Zij heeft wat te nemen! Zij moet ook maar wachten tot er een komt, net als alle meisjes! En als er nu geen officier om haar komt, wat dan?”
De anderen zwegen.
„Nou zie je wel! Misschien heeft ze vroeger wel gedacht, dat er nog een zou komen, en daarom Vermey eerst niet willen hebben.”
Dit denkbeeld vond een zwijgende instemming, als iets dat verontschuldigend was voor Lena om wie geen officier gekomen was met goud en een paard. Toen ging de hinderlijke conversatie over op een minder gewichtig onderwerp.[174]