VEERTIENDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]VEERTIENDE HOOFDSTUK.Lena en George.Het verschil tusschen „toen” en „nu” was groot voor Vermey; het was nu heel wat gemakkelijker, zeker als hij was van zijn zaak. Niettemin bloosde hij, telkens weêr, maar niemand zag het, want Lena keek vóór haar heen, terwijl ze voortwandelden, en ’t schemerde reeds.„Je zult wel begrijpen, wat het doel is van mijn komst,” zei hij zacht en het hoofd voorover buigend.Zij keek met een kalm glimlachje naar hem op.„Ik geloof het wel.”„Na je eerste weigering had ik het haast geheel opgegeven, ofschoon ik de hoop nooit geheel liet varen,” loog hij.„Niet?” vroeg ze verwonderd.„Neen, zeker niet. Ik heb het toch ook wel getoond.”„In den laatsten tijd, ja.”„Vroeger ook. Toen ik bij je kwam over dat geld.”„Och, zoo? Ik schreef dat aan andere redenen toe.”[175]„Terwijl ik wachtte aan den Boom.”„Dat was, meende ik, voor papa.”„In hoofdzaak was het uit liefde voor jou, Lena.”Het groote woord was eruit! En het streelde haar. Nu hij op gang raakte en niet meer onhandig was, kwam er klank in zijn stem; zij vond het aangenaam hem te hooren, en hij begreep dat heel goed. In de veeljarige school van half en heel inlandsche wilde samenlevingen, die hij had doorgemaakt, had hij een ondervinding opgedaan, die tegenover een meisje, dat pas uit Europa was gekomen, misschien niet in zijn voordeel zou geweest zijn, maar dat hem te pas kwam bij een creooltje als Lena Bruce.Zonder veel voor hem te gevoelen, hoorde zij hem aan met welgevallen, glimlachend in haar zelf om het idee, dat daar een man was die haar sprak van liefde en nogeens liefde, die haar herhaaldelijk hetzelfde zei in andere woorden.„Wel”, antwoordde ze op zijn zacht uitgesproken maar met een eigenaardigen bestudeerden inlandschen hartstocht voorgedragen verklaring en aanzoek. „Het is goed! Papa heeft het gewild.…”„O!” protesteerde hij tegen het argument, dat hij zelf had gebruikt tegen Voirey.„.… En ik wil het ook wel.”Hij nam haar linkerhand, die terzij afhing, drukte die teeder, en lei haar arm in den zijnen. ’t Publiek moest het nu maar zien; hoe eer hoe beter!Zoo wandelden zij samen zwijgend terug; zij bij haarzelf nadenkend en overwegend, veel in weinig oogenblikken, en tevens met een aangenaam gevoel van bevrediging; hij met[176]een totaal leêg hoofd niet wetend, wat nu nog meer te zeggen, nu hij de eenige daad had gedaan, die de omstandigheden veroorloofden; haar arm in den zijne leggen. En hij vond het bovendien nog zoo raar in zijn geheel, dat hij niet wist, waaraan hij eigenlijk had kunnen denken op dat oogenblik. Als zij maar binnenshuis waren geweest zou hij haar ’n zoen hebben gegeven,—maar nu op den weg!„Ik voel me zoo gelukkig,” zei hij om toch iets te zeggen.Lena scheen heel bedaard en heel goed bij haar zinnen; dat hoorde hij uit de zekerheid waarmee en den toon waarop ze sprak, en het hinderde hem, en het ergerde hem ’n beetje voor hij opnieuw er door gevoelen moest, dat zij geregeld beter wist, wat ze zei en deed, dan hij.„Daar ben ik heel blij om, George. Na al het verdriet, dat ik heb gehad …”„Heb je verdriet gehad?” vroeg hij denkend altijd maar aan liefdehistories.„Natuurlijk! De dood van mama …”„Ah! O, neem me niet kwalijk … ja, dat is waar … en van papa!Kasian, de oude heer! Ja, zie je, zoo zelfzuchtig is een mensch, dat hij het geluk in zijn eigen leven de arme dooden vergeet.”Lena boog een beetje haar hoofd, nadenkend over de woorden, die ze heel mooi vond en eigenlijk zoo gevoelvol niet van hem had verwacht. Hij, met voor zijn lange figuur grappige kleine schreden om met haar in den pas te blijven, richtte het hoofd op en draaide met de vrije linkerhand zijn kneveltjeen crocs, trotsch op de geslaagde tirade. Dat had hij „’m geleverd,” dacht hij.[177]Gearmd kwamen zij het erf op, terug bij de kinderen, die in het geheel niet op hen letten, en daar er niemand anders was, bleef het effect der demonstratie alleen bewaard voor den huisjongen, die op een groen bankje zat te suffen in zijn wit met hel-rood afgezet baadje.„Blijf je eten?” vroeg Lena.„Kan het?”„Natuurlijk,” zei ze. Ze had dadelijk een zeker air van beslistheid. Het bleek dat zij zich reeds lang dezen nieuwen toestand had ingedacht; het woord had eraan ontbroken en de persoonlijke gevolgen ontbraken nog, doch ook alleen wat de daad betrof. In haar lange, eenzame uren, als de kinderen sliepen, en zij alleen hadden gezeten den laatsten tijd, was er niets geweest, waaraan zij niet had gedacht in een toekomst, die zij verzekerd meende, en welke nu bezig was dat te bewijzen. Zij wist natuurlijk alles, gelijk allen, van het a. b. c. van het leven, en zij vond het kinderachtig en beneden haar, zichzelf een niet aanwezige onkunde en onnoozelheid op te dringen. Maar zij had haar moeiten en schaduwzijden, die eerlijke openhartigheid in gedachten; zij ging wel eens te ver; en eenmaal op hol, was het paard soms moeilijk tot staan te brengen!„Ik zal het even binnen gaan zeggen.”Zij wipte vlug het trapje af en liep naar het hoofdgebouw, waar de fatsoenlijke, schijn-deftige, hoogst ongezellige familie woonde, die Lena zoo’n beetje „duldde,” maar haar alleen onder haar dak behield met de kinderen om het lieve geld.Mama—want die imponeerde het meest,—papa en[178]een dikke, platneuzige dochter zaten zwijgend aan de marmeren tafel, toen zij hoorden van die juffrouw Bruce dat ze geëngageerd was.„Zoo! Ik feliciteer u,” zei papa.„Dat weet ik niet,” meende mevrouw, heel snibbig en haar waaier druk bewegend!De juffrouw met het hondenneusje zei niets, maar knikte alsof zij den twijfel harer moeder wilde cursiveeren.Lena was bleek van kwaadheid.„U hebt wel gelijk,” zei ze heel kalm. „Men weet nooit of men iemand wel ergens mee kan feliciteeren. De menschen, die er op het oog het best uitzien, blijken later dikwijls erg onhebbelijk te zijn.”De zet was raak, dat kon Lena zien, maar men liet die als onopgemerkt voorbijgaan.„Een man, die leeft zooalsdiemeneer Vermey, naar ik hoor, heeft gedaan, en die het nog niet verder wist te brengen op zijn leeftijd, dan eenvoudig employeetje op ’n kantoor, zou ik voor mijn dochter niet begeeren.”Het hondenneusje knikte mee, en Lena zei met ’n schamperen lach:„Men moet nooit toonen, dat de druiven zuur zijn.”Natuurlijk keerde zij zich om en ging heen, zonder te vragen of Vermey kon blijven meeëten; met tranen in de oogen, vertelde zij hem de onaangename scène, en daar zijn ijdelheid in hooge mate was gekwetst, werd hij om beurten bleek en rood; hij wou er heen om de lui eens de waarheid te zeggen, en hij zou het gedaan hebben, als Lena hem niet had tegengehouden.[179]Zij wilde het niet. Men zoumetde kinderen in het paviljoen eten; die zouden, zoo min als zij, bij dat onbeschofte mensch meer een voet over den vloer zetten; het is een wijf, meende Lena, als bewijs voor haar hooge minachting. Wat Vermey vreemd klonk, omdat hij gewoon was dat woord te hooren, als de gangbare uitdrukking in Indië, zonder diminutief, voor ’t vrouwtje van ’n djangkrik of zoo.De heer des huizes kwam ’n kwartiertje daarna verlegen en aarzelend zijn verontschuldigingen aanbieden. Juffrouw Lena moest het zoo kwalijk niet nemen en er niet zoo boos om zijn. Mevrouw was wel eens ’n beetje onaangenaam, maar zij meende het zoo niet; het was alleen een bijzondere mate van rondborstigheid; ze kon soms wat ruw wezen, maar het was als ’n ruwe diamant; metterdaad had zij eencoeur d’oren was de goedheid zelf. Zóó pleitte hij, als hoogst fatsoenlijk welopgevoed man op zachten, beschaafden toon, met een pijnlijken trek op zijn zeergentleman-likegezicht, en voortdurend Lena aankijkend met droefgeestige oogen.Maar Lena was op dat oogenblik zelfs dáárdoor niet te bewegen. Zij had al lang iets op het hart, dat zij zeggen moest, en dat ze nu zei.„Ik ken dat, meneer; ik heb dat praatje al dikwijls gehoord van dien ruwen diamant en datcoeur d’or. Zal ik u eens iets zeggen? Het is alleen omuwpositie, dat al die fraaie vergoelijkingen worden aangenomen. Het is van den kant van mevrouw gewone onbeschoftheid, niets anders. Als zij de vrouw was van een ondergeschikt persoon, zou men zeggen: zij hoort in de kampong[180]thuis. Maar nu heet het „ruwe diamant” en „coeur d’or”. Ik dank u dan hartelijk voor al dat fraais! Morgen zal ik met mijn neef Voirey spreken en zoo spoedig mogelijk ga ik heen.”Hij was bleek als ’n doek geworden, boog even en keerde zich om.Vermey, geroerd, zag hem hoofdschuddend na en zei: „Kasian!”Lena haalde de schouders op.„Het spijt me ook voor hem,” zei ze. „Maar ’t is toch metterdaad z’n eigen schuld.”De weinige aardigheid, die voor Vermey en Lena Bruce in hun eersten engagementsavond had kunnen liggen, was er, door de onaangenaamheden, voor haar geheel, voor hem ten deele, af. Toen het in een hotel gehaalde diner kwam, liet Lena, te zenuwachtig om te eten, de schotels onaangeroerd. Vermey, die het lekkerder vond, dan in zijn commensalenhuis, deed zich flink te goed, en ook de kinderen, die overigens van den prins geen kwaad wisten, vonden het erg plezierig, dat ze nu eens net zooveel konden eten, als zij wilden, zonder dat hun de brokjes met doodelijke angstvalligheid werden toegemeten.Het was reeds laat toen de geïmproviseerde maaltijd afgeloopenwasen de kinderen naar bed waren; veel later dan gewoonlijk. Zij zaten met hun tweeën in het voorgalerijtje bij het lamplicht; Lena, bezig in gedachten met den brief, dien zij nog denzelfden avond wilde schrijven aan neef Jan; George met een restantje wijn voor hem, een sigaar in den mond en een soeserig, slaperig gevoel in zijn hoofd. Want[181]Lena, die nooit iets dronk, had duren wijn laten halen, en George aan een dun en goedkoop tafelwijntje gewoon, had ’t lekker gevonden, en zoo ongemerkt haast ’n heele flesch „bij zich gestoken,” zooals hij het in gedachten noemde.Zich verzettend tegen de aanvechting van slaperigheid, vroeg hij, met tranen in de oogen van het onderdrukte geeuwen:„Zouden we niet nog ’n klein eindje opwandelen?”Ze glimlachte vriendelijk tegen hem, haar drang tot een spotlach verbergend. Ineens was het haar door ’t hoofd geschoten, hoe gek het was, dat hij altijd wandelen wou; het woord „loopvrijer” was in haar opgekomen, en dat deed haar lachen. Maar ze zag nu ook, hoe suf en lodderig hij eruit zag.„Och, het is van avond beter, dat je maar vroeg weggaat.”„Waarom?”„Om de praatjes te voorkomen van die lui, hier! Ik zou durven wedden, dat zij in het donker in hun voorgalerij zitten loeren.”„Wil ik eens gaan kijken?” vroeg hij, door het denkbeeld bespionneerd te worden, opeens helder van geest.„Volstrekt niet, George; ga jij nu naar huis, dan schrijf ik nog dadelijk naar neef Voirey. Hoe gauwer hier vandaan, hoe beter, natuurlijk.”Een oogenblik dacht hij na.’t Was waarlijk een koude geschiedenis op die manier pas geëngageerd te zijn! Het beloofde weinig voor de toekomst; maar dat zij dadelijk Voirey schreef vond hij uitstekend; van dien moest hij veel hebben, in de allereerste plaats een andere betrekking.[182]Met een zucht nam hij zijn hoed.Zij ging met hem meê, de paar treden af en bracht hem tot den uitgang van het erf; daar stonden zij ’n oogenblik te praten tot hij zich boog om haar een zoen te geven; hij voelde even iets, haast onmerkbaar zacht en heel vluchtig op z’n mond, toen werd zijn groote hand door kleine fijne vingers met zenuwachtige kracht gedrukt en klonk hem een aardig: „Nu, bonsoir, tot morgen,” in de ooren. Vermey, die op ’n meer nadrukkelijke engagements-daad had gerekend, zwaaide, verbluft en onwillekeurig, groetend zijn hoed met een:Au revoir, dat hij ten minste nog zoo melodieus mogelijk trachtte uit te brengen.Toen verdween hij in het driekwart duister van den weg, rondkijkend naar een voertuig, dat er toevallig niet was; hij zou er wel een tegenkomen, dacht hij, en wandelde op, telkens bij zichzelf mompelend, dat het „een weerlichtsch kouwe aardigheid” was op die manier, tot hij plotseling op een driesprong stilstond. Nu hij in beweging was in de koele avondlucht buiten, was het gevoel van loomheid en slaperigheid verdwenen; integendeel, hij was bijzonder wakker geworden en het scheen, dat de goede wijn thans geheel anders werkte dan te voren.De groote weg recht voor hem uit, die door het schijnsel der lantaarns bij stukjes en beetjes zich afteekende in lichtkringen om felle middelpunten binnen de donkere cirkeltjes van de lantaarnpalen, was breed en met zorg onderhouden.Het smalle weggetje rechts was vuil en donker, met[183]kuilen en gaten in den ongelijken bodem, en zonder andere verlichting dan hier en daar ’n petroleumlampje in een lantaarn, als ’n gloeiende spijker glimmend in de verte.Maar net andersom, dan volgens de traditie, was voor George Vermey de groote, breede, effen weg het pad der deugd, leidend naar het commensalenhuis en zijn eenzame kamer; het enge pad met vele bochten en kronkelingen voerde door een kampong, voorbij een kampong, tusschen twee kampongs door, ten slotte naar de kampong, waar Yps tegenwoordig zoowel haar wettig als haar onwettig domicilie hield.Een oogenblik stond hij in gedachten, zijn hand wrijvend over zijn gezicht tot zijn hoed hem achter op het hoofd stond.Toen ging hij den smallen weg op.En Lena was dadelijk zonder verder na te denken, op haar brief aan Voirey aangevallen, wien ze alles schreef en nog veel meer; het eene velletje gekleurd papier voor, het andere na kwam vol, met mooi fijn, vast schrift, dat men op het oog zou hebben toegeschreven aan een stoere, krachtig gebouwde vrouw, nooit aan zoo’n tenger popje. De klok sloeg de meeste slagen, die hij in het etmaal ooit achtereen slaat, vóór zij gereed was en het adres schreef op een enveloppe van dezelfde kleur. ’t Was nu te laat om den brief nog te bezorgen; maar den volgenden ochtend heel vroeg moest het gebeuren!Vermoeid van de inspanning en de agitatie ging zij te bed, maar ze kon den slaap niet vatten. Stil glimlachend tegen het nachtlichtje, dat door de klamboe schemerde,[184]weet zij haar slapeloosheid aan den indruk van haar pas gesloten verbintenis, en ze dacht aan George, die nu ook zeker den slaap niet vatten kon, en aan haar lag te denken.Toen Voirey ’s morgens vroeg den brief ontving, was hij erg uit zijn humeur. Niet omdat Lena nu bepaald ging trouwen met Vermey, maar omdat hij het tegenwoordig zoo verschrikkelijk druk had, meer en meer verward gerakend in allerlei zaken, waarin hij was betrokken en waarvoor hij werkte. Neen, trouwen was geen zaak voor hem, dat begreep hij thans. Hij was tot de slotsom gekomen, dat ertweeërleisoort mannen zijn: de beschouwende, wijsgeerige karakters en de practische mannen van toegepaste wetenschap en van zaken; de eerste soort voor huwelijk en huisgezin, de tweede voor coelibaat, handel en nijverheid.Wat zou hem dat huwelijk en al wat daaraan vast was weer een tijd kosten, als waarnemend vader nog meer dan als werkelijk voogd!Doch eenmaal in de richting gedreven, handelde hij ook maar dadelijk. Hij schreef aan Lena: „Wacht een paar dagen.” Zij zat erg teleurgesteld te turen op die vier woorden, wetend dat daar niet tegen te doen was; een paar uren later kwam Vermey, die ook ’n briefje had gekregen, waarin hij werd „aangeschreven,” kon men het wel noemen, met den meesten spoed te zorgen voor het ondertrouwen. Daar de stukken in orde waren kon dat dadelijk gebeuren, en hij deed het dadelijk.Twee dagen later kwam Voirey zijn nicht met zijn mylord met groote paarden afhalen; hij sprak met de vrouw des huizes, die voor het effect zijner fraaie equipage en[185]de reputatie zijner fortuin eerbiedig zwichtte en „het” bijlegde; daarna bracht hij Lena in een net huis, keurig ingericht. Zij keek als versuft.„Als er nu nog wat aan ontbreekt, zeg het dan?”„Maar Jan, dat kan ik zoo ineens niet zien.”„Zie het dan in tweeën, kind. Maar zanik er niet mee, want over twee weken trek je hier in.”„Het is alles erg mooi,” zei Lena, haar oogen over de meubels latende dwalen. „Voor het tractement van Vermey is het veel te mooi.”„Het is waar, dàt ook nog!”„Hoe bedoel je?”„Ik moet hem nog plaatsen, dat is waar ook.”„Wel hij is immers geplaatst.”„Nu ja?” antwoordde Voirey met minachting.„Het beste zal zijn,” ging hij nadenkend voort met een diepe verticale plooi tusschen zijn scherp gekromde wenkbrauwen, „dat hij op zijn eigen houtje iets gaat doen.”„Zou dat kunnen?”„Alles kan. Mits hij maar een man is, en geen oud wijf.”„Foei!”„Praat er niet van Lena! Vele menschen, hier, met wie ik in aanraking kom, zijn meer oud-wijf, dan man. Veel praats, weinig zaaks. Lui met namen, waarachter men heel wat zoeken zou, staan in zaken soms niet hooger, dan de ouwe nonna’s die tegen woekerrente geld uitleenen in de kampong; zij noemen dat „zaken doen,” God help!”„Ik heb er geen verstand van, maar ik geloof niet …”[186]„Natuurlijk geloof je dat niet, maar ik wel; en dat is het ergste niet, want voor hunzelven komen die lui er wel. Maar de ergste zijn de luilekkerlanders, die zich geen moeite geven, niet achter de zaken zitten, maar, schijnbaar hun best doend in schrijverij en klerkenwerk, wachtend tot hun de gebraden vogels in den mond vliegen.”Lena lachte, schoon ze er weinig meer van vatte, dan den algemeenen geest.„Ik hoop, dat George dan voor het minst niet zoo’n luilekkerlander wezen zal.”„Ik vrees van ja.”„Begin dan niets met hem! Laat hem dan maar wat hij is,” zei Lena geraakt. „Wij vragen er immers niet om.”„Maak je niet boos. Ik zeg maar mijn idee, want je vraagt daar met zooveel woorden naar. Men kan het met hem beproeven; wellicht valt hij meê in het gebruik!”De dagen gingen voorbij als in een droom van zenuwachtige gejaagde werkzaamheid, die zelfs Vermey aangreep, hem zich goed en kort van Yps deed afmaken ditmaal toen ze hem weêr uitschold, met een pak slaag alssouveniren geen duit schadeloosstelling, want hij bezat zelf niets en leefde van zijn crediet, dat, door het uitzicht op een rijk huwelijk, aanzienlijk grooter was geworden.Zij trouwden uit hun eigen huis. Dat had Voirey zoo bepaald. Hij zelf was daar den ganschen dag en hij behandelde de geheele plechtigheid qua zaak.Op de receptie liep het druk; het waren meest menschen, die Lena nooit had gezien en met wie Vermey nimmer een groet had gewisseld.[187]Ze kwamen om Voirey of liever om zijn zaken en zijn geld.Schuin door de voorgalerij kon men van buiten af het jonge paar zien staan. Vermey knap en kranig, Lena mooi als alle bruiden.Op het voorerf in de donkere schaduw buiten den kring van het uitstralend licht, stond een jonge inlandsche vrouw van slanke taille en hooge buste, met een kort groenachtig baadje aan, een oude flodderige kain en een slendang om; zij stond geleund tegen een boomstam, half er achter verborgen, met de beide handen op den rug, in een onverschillige houding, het buitenwaartsche been aan de knie ’n beetje naar binnen ingebogen, waardoor haar eene bloote voet zichtbaar was op het gras; bruin en de teenen wijd vaneen. Schuin keek ze uit haar ooghoeken naar het bruidspaar, dat ze maar nu en dan te zien kreeg in de afwisseling van langer en korter zwarte rokruggen, die bogen, even praatten en gingen, elkaar aflossend. In de duisternis achter den boom glom het helle wit der oogappels van de jonge vrouw groot en schel naast de gitzwarte pupillen.Yps kwam verkleed als inlandsche eens kijken. Door de hondsche behandeling, het pak slaag en het wegzendensans le sous, waren al de teedere gevoelens, die ze ooit voor Vermey gekoesterd had, met meer kracht dan in hun besten tijd boven gekomen.„Nanti, maar!” fluisterde ze woedend in haar zelve, haar handen achter haar rug samenknijpend. „Nantimaar!”[188]

[Inhoud]VEERTIENDE HOOFDSTUK.Lena en George.Het verschil tusschen „toen” en „nu” was groot voor Vermey; het was nu heel wat gemakkelijker, zeker als hij was van zijn zaak. Niettemin bloosde hij, telkens weêr, maar niemand zag het, want Lena keek vóór haar heen, terwijl ze voortwandelden, en ’t schemerde reeds.„Je zult wel begrijpen, wat het doel is van mijn komst,” zei hij zacht en het hoofd voorover buigend.Zij keek met een kalm glimlachje naar hem op.„Ik geloof het wel.”„Na je eerste weigering had ik het haast geheel opgegeven, ofschoon ik de hoop nooit geheel liet varen,” loog hij.„Niet?” vroeg ze verwonderd.„Neen, zeker niet. Ik heb het toch ook wel getoond.”„In den laatsten tijd, ja.”„Vroeger ook. Toen ik bij je kwam over dat geld.”„Och, zoo? Ik schreef dat aan andere redenen toe.”[175]„Terwijl ik wachtte aan den Boom.”„Dat was, meende ik, voor papa.”„In hoofdzaak was het uit liefde voor jou, Lena.”Het groote woord was eruit! En het streelde haar. Nu hij op gang raakte en niet meer onhandig was, kwam er klank in zijn stem; zij vond het aangenaam hem te hooren, en hij begreep dat heel goed. In de veeljarige school van half en heel inlandsche wilde samenlevingen, die hij had doorgemaakt, had hij een ondervinding opgedaan, die tegenover een meisje, dat pas uit Europa was gekomen, misschien niet in zijn voordeel zou geweest zijn, maar dat hem te pas kwam bij een creooltje als Lena Bruce.Zonder veel voor hem te gevoelen, hoorde zij hem aan met welgevallen, glimlachend in haar zelf om het idee, dat daar een man was die haar sprak van liefde en nogeens liefde, die haar herhaaldelijk hetzelfde zei in andere woorden.„Wel”, antwoordde ze op zijn zacht uitgesproken maar met een eigenaardigen bestudeerden inlandschen hartstocht voorgedragen verklaring en aanzoek. „Het is goed! Papa heeft het gewild.…”„O!” protesteerde hij tegen het argument, dat hij zelf had gebruikt tegen Voirey.„.… En ik wil het ook wel.”Hij nam haar linkerhand, die terzij afhing, drukte die teeder, en lei haar arm in den zijnen. ’t Publiek moest het nu maar zien; hoe eer hoe beter!Zoo wandelden zij samen zwijgend terug; zij bij haarzelf nadenkend en overwegend, veel in weinig oogenblikken, en tevens met een aangenaam gevoel van bevrediging; hij met[176]een totaal leêg hoofd niet wetend, wat nu nog meer te zeggen, nu hij de eenige daad had gedaan, die de omstandigheden veroorloofden; haar arm in den zijne leggen. En hij vond het bovendien nog zoo raar in zijn geheel, dat hij niet wist, waaraan hij eigenlijk had kunnen denken op dat oogenblik. Als zij maar binnenshuis waren geweest zou hij haar ’n zoen hebben gegeven,—maar nu op den weg!„Ik voel me zoo gelukkig,” zei hij om toch iets te zeggen.Lena scheen heel bedaard en heel goed bij haar zinnen; dat hoorde hij uit de zekerheid waarmee en den toon waarop ze sprak, en het hinderde hem, en het ergerde hem ’n beetje voor hij opnieuw er door gevoelen moest, dat zij geregeld beter wist, wat ze zei en deed, dan hij.„Daar ben ik heel blij om, George. Na al het verdriet, dat ik heb gehad …”„Heb je verdriet gehad?” vroeg hij denkend altijd maar aan liefdehistories.„Natuurlijk! De dood van mama …”„Ah! O, neem me niet kwalijk … ja, dat is waar … en van papa!Kasian, de oude heer! Ja, zie je, zoo zelfzuchtig is een mensch, dat hij het geluk in zijn eigen leven de arme dooden vergeet.”Lena boog een beetje haar hoofd, nadenkend over de woorden, die ze heel mooi vond en eigenlijk zoo gevoelvol niet van hem had verwacht. Hij, met voor zijn lange figuur grappige kleine schreden om met haar in den pas te blijven, richtte het hoofd op en draaide met de vrije linkerhand zijn kneveltjeen crocs, trotsch op de geslaagde tirade. Dat had hij „’m geleverd,” dacht hij.[177]Gearmd kwamen zij het erf op, terug bij de kinderen, die in het geheel niet op hen letten, en daar er niemand anders was, bleef het effect der demonstratie alleen bewaard voor den huisjongen, die op een groen bankje zat te suffen in zijn wit met hel-rood afgezet baadje.„Blijf je eten?” vroeg Lena.„Kan het?”„Natuurlijk,” zei ze. Ze had dadelijk een zeker air van beslistheid. Het bleek dat zij zich reeds lang dezen nieuwen toestand had ingedacht; het woord had eraan ontbroken en de persoonlijke gevolgen ontbraken nog, doch ook alleen wat de daad betrof. In haar lange, eenzame uren, als de kinderen sliepen, en zij alleen hadden gezeten den laatsten tijd, was er niets geweest, waaraan zij niet had gedacht in een toekomst, die zij verzekerd meende, en welke nu bezig was dat te bewijzen. Zij wist natuurlijk alles, gelijk allen, van het a. b. c. van het leven, en zij vond het kinderachtig en beneden haar, zichzelf een niet aanwezige onkunde en onnoozelheid op te dringen. Maar zij had haar moeiten en schaduwzijden, die eerlijke openhartigheid in gedachten; zij ging wel eens te ver; en eenmaal op hol, was het paard soms moeilijk tot staan te brengen!„Ik zal het even binnen gaan zeggen.”Zij wipte vlug het trapje af en liep naar het hoofdgebouw, waar de fatsoenlijke, schijn-deftige, hoogst ongezellige familie woonde, die Lena zoo’n beetje „duldde,” maar haar alleen onder haar dak behield met de kinderen om het lieve geld.Mama—want die imponeerde het meest,—papa en[178]een dikke, platneuzige dochter zaten zwijgend aan de marmeren tafel, toen zij hoorden van die juffrouw Bruce dat ze geëngageerd was.„Zoo! Ik feliciteer u,” zei papa.„Dat weet ik niet,” meende mevrouw, heel snibbig en haar waaier druk bewegend!De juffrouw met het hondenneusje zei niets, maar knikte alsof zij den twijfel harer moeder wilde cursiveeren.Lena was bleek van kwaadheid.„U hebt wel gelijk,” zei ze heel kalm. „Men weet nooit of men iemand wel ergens mee kan feliciteeren. De menschen, die er op het oog het best uitzien, blijken later dikwijls erg onhebbelijk te zijn.”De zet was raak, dat kon Lena zien, maar men liet die als onopgemerkt voorbijgaan.„Een man, die leeft zooalsdiemeneer Vermey, naar ik hoor, heeft gedaan, en die het nog niet verder wist te brengen op zijn leeftijd, dan eenvoudig employeetje op ’n kantoor, zou ik voor mijn dochter niet begeeren.”Het hondenneusje knikte mee, en Lena zei met ’n schamperen lach:„Men moet nooit toonen, dat de druiven zuur zijn.”Natuurlijk keerde zij zich om en ging heen, zonder te vragen of Vermey kon blijven meeëten; met tranen in de oogen, vertelde zij hem de onaangename scène, en daar zijn ijdelheid in hooge mate was gekwetst, werd hij om beurten bleek en rood; hij wou er heen om de lui eens de waarheid te zeggen, en hij zou het gedaan hebben, als Lena hem niet had tegengehouden.[179]Zij wilde het niet. Men zoumetde kinderen in het paviljoen eten; die zouden, zoo min als zij, bij dat onbeschofte mensch meer een voet over den vloer zetten; het is een wijf, meende Lena, als bewijs voor haar hooge minachting. Wat Vermey vreemd klonk, omdat hij gewoon was dat woord te hooren, als de gangbare uitdrukking in Indië, zonder diminutief, voor ’t vrouwtje van ’n djangkrik of zoo.De heer des huizes kwam ’n kwartiertje daarna verlegen en aarzelend zijn verontschuldigingen aanbieden. Juffrouw Lena moest het zoo kwalijk niet nemen en er niet zoo boos om zijn. Mevrouw was wel eens ’n beetje onaangenaam, maar zij meende het zoo niet; het was alleen een bijzondere mate van rondborstigheid; ze kon soms wat ruw wezen, maar het was als ’n ruwe diamant; metterdaad had zij eencoeur d’oren was de goedheid zelf. Zóó pleitte hij, als hoogst fatsoenlijk welopgevoed man op zachten, beschaafden toon, met een pijnlijken trek op zijn zeergentleman-likegezicht, en voortdurend Lena aankijkend met droefgeestige oogen.Maar Lena was op dat oogenblik zelfs dáárdoor niet te bewegen. Zij had al lang iets op het hart, dat zij zeggen moest, en dat ze nu zei.„Ik ken dat, meneer; ik heb dat praatje al dikwijls gehoord van dien ruwen diamant en datcoeur d’or. Zal ik u eens iets zeggen? Het is alleen omuwpositie, dat al die fraaie vergoelijkingen worden aangenomen. Het is van den kant van mevrouw gewone onbeschoftheid, niets anders. Als zij de vrouw was van een ondergeschikt persoon, zou men zeggen: zij hoort in de kampong[180]thuis. Maar nu heet het „ruwe diamant” en „coeur d’or”. Ik dank u dan hartelijk voor al dat fraais! Morgen zal ik met mijn neef Voirey spreken en zoo spoedig mogelijk ga ik heen.”Hij was bleek als ’n doek geworden, boog even en keerde zich om.Vermey, geroerd, zag hem hoofdschuddend na en zei: „Kasian!”Lena haalde de schouders op.„Het spijt me ook voor hem,” zei ze. „Maar ’t is toch metterdaad z’n eigen schuld.”De weinige aardigheid, die voor Vermey en Lena Bruce in hun eersten engagementsavond had kunnen liggen, was er, door de onaangenaamheden, voor haar geheel, voor hem ten deele, af. Toen het in een hotel gehaalde diner kwam, liet Lena, te zenuwachtig om te eten, de schotels onaangeroerd. Vermey, die het lekkerder vond, dan in zijn commensalenhuis, deed zich flink te goed, en ook de kinderen, die overigens van den prins geen kwaad wisten, vonden het erg plezierig, dat ze nu eens net zooveel konden eten, als zij wilden, zonder dat hun de brokjes met doodelijke angstvalligheid werden toegemeten.Het was reeds laat toen de geïmproviseerde maaltijd afgeloopenwasen de kinderen naar bed waren; veel later dan gewoonlijk. Zij zaten met hun tweeën in het voorgalerijtje bij het lamplicht; Lena, bezig in gedachten met den brief, dien zij nog denzelfden avond wilde schrijven aan neef Jan; George met een restantje wijn voor hem, een sigaar in den mond en een soeserig, slaperig gevoel in zijn hoofd. Want[181]Lena, die nooit iets dronk, had duren wijn laten halen, en George aan een dun en goedkoop tafelwijntje gewoon, had ’t lekker gevonden, en zoo ongemerkt haast ’n heele flesch „bij zich gestoken,” zooals hij het in gedachten noemde.Zich verzettend tegen de aanvechting van slaperigheid, vroeg hij, met tranen in de oogen van het onderdrukte geeuwen:„Zouden we niet nog ’n klein eindje opwandelen?”Ze glimlachte vriendelijk tegen hem, haar drang tot een spotlach verbergend. Ineens was het haar door ’t hoofd geschoten, hoe gek het was, dat hij altijd wandelen wou; het woord „loopvrijer” was in haar opgekomen, en dat deed haar lachen. Maar ze zag nu ook, hoe suf en lodderig hij eruit zag.„Och, het is van avond beter, dat je maar vroeg weggaat.”„Waarom?”„Om de praatjes te voorkomen van die lui, hier! Ik zou durven wedden, dat zij in het donker in hun voorgalerij zitten loeren.”„Wil ik eens gaan kijken?” vroeg hij, door het denkbeeld bespionneerd te worden, opeens helder van geest.„Volstrekt niet, George; ga jij nu naar huis, dan schrijf ik nog dadelijk naar neef Voirey. Hoe gauwer hier vandaan, hoe beter, natuurlijk.”Een oogenblik dacht hij na.’t Was waarlijk een koude geschiedenis op die manier pas geëngageerd te zijn! Het beloofde weinig voor de toekomst; maar dat zij dadelijk Voirey schreef vond hij uitstekend; van dien moest hij veel hebben, in de allereerste plaats een andere betrekking.[182]Met een zucht nam hij zijn hoed.Zij ging met hem meê, de paar treden af en bracht hem tot den uitgang van het erf; daar stonden zij ’n oogenblik te praten tot hij zich boog om haar een zoen te geven; hij voelde even iets, haast onmerkbaar zacht en heel vluchtig op z’n mond, toen werd zijn groote hand door kleine fijne vingers met zenuwachtige kracht gedrukt en klonk hem een aardig: „Nu, bonsoir, tot morgen,” in de ooren. Vermey, die op ’n meer nadrukkelijke engagements-daad had gerekend, zwaaide, verbluft en onwillekeurig, groetend zijn hoed met een:Au revoir, dat hij ten minste nog zoo melodieus mogelijk trachtte uit te brengen.Toen verdween hij in het driekwart duister van den weg, rondkijkend naar een voertuig, dat er toevallig niet was; hij zou er wel een tegenkomen, dacht hij, en wandelde op, telkens bij zichzelf mompelend, dat het „een weerlichtsch kouwe aardigheid” was op die manier, tot hij plotseling op een driesprong stilstond. Nu hij in beweging was in de koele avondlucht buiten, was het gevoel van loomheid en slaperigheid verdwenen; integendeel, hij was bijzonder wakker geworden en het scheen, dat de goede wijn thans geheel anders werkte dan te voren.De groote weg recht voor hem uit, die door het schijnsel der lantaarns bij stukjes en beetjes zich afteekende in lichtkringen om felle middelpunten binnen de donkere cirkeltjes van de lantaarnpalen, was breed en met zorg onderhouden.Het smalle weggetje rechts was vuil en donker, met[183]kuilen en gaten in den ongelijken bodem, en zonder andere verlichting dan hier en daar ’n petroleumlampje in een lantaarn, als ’n gloeiende spijker glimmend in de verte.Maar net andersom, dan volgens de traditie, was voor George Vermey de groote, breede, effen weg het pad der deugd, leidend naar het commensalenhuis en zijn eenzame kamer; het enge pad met vele bochten en kronkelingen voerde door een kampong, voorbij een kampong, tusschen twee kampongs door, ten slotte naar de kampong, waar Yps tegenwoordig zoowel haar wettig als haar onwettig domicilie hield.Een oogenblik stond hij in gedachten, zijn hand wrijvend over zijn gezicht tot zijn hoed hem achter op het hoofd stond.Toen ging hij den smallen weg op.En Lena was dadelijk zonder verder na te denken, op haar brief aan Voirey aangevallen, wien ze alles schreef en nog veel meer; het eene velletje gekleurd papier voor, het andere na kwam vol, met mooi fijn, vast schrift, dat men op het oog zou hebben toegeschreven aan een stoere, krachtig gebouwde vrouw, nooit aan zoo’n tenger popje. De klok sloeg de meeste slagen, die hij in het etmaal ooit achtereen slaat, vóór zij gereed was en het adres schreef op een enveloppe van dezelfde kleur. ’t Was nu te laat om den brief nog te bezorgen; maar den volgenden ochtend heel vroeg moest het gebeuren!Vermoeid van de inspanning en de agitatie ging zij te bed, maar ze kon den slaap niet vatten. Stil glimlachend tegen het nachtlichtje, dat door de klamboe schemerde,[184]weet zij haar slapeloosheid aan den indruk van haar pas gesloten verbintenis, en ze dacht aan George, die nu ook zeker den slaap niet vatten kon, en aan haar lag te denken.Toen Voirey ’s morgens vroeg den brief ontving, was hij erg uit zijn humeur. Niet omdat Lena nu bepaald ging trouwen met Vermey, maar omdat hij het tegenwoordig zoo verschrikkelijk druk had, meer en meer verward gerakend in allerlei zaken, waarin hij was betrokken en waarvoor hij werkte. Neen, trouwen was geen zaak voor hem, dat begreep hij thans. Hij was tot de slotsom gekomen, dat ertweeërleisoort mannen zijn: de beschouwende, wijsgeerige karakters en de practische mannen van toegepaste wetenschap en van zaken; de eerste soort voor huwelijk en huisgezin, de tweede voor coelibaat, handel en nijverheid.Wat zou hem dat huwelijk en al wat daaraan vast was weer een tijd kosten, als waarnemend vader nog meer dan als werkelijk voogd!Doch eenmaal in de richting gedreven, handelde hij ook maar dadelijk. Hij schreef aan Lena: „Wacht een paar dagen.” Zij zat erg teleurgesteld te turen op die vier woorden, wetend dat daar niet tegen te doen was; een paar uren later kwam Vermey, die ook ’n briefje had gekregen, waarin hij werd „aangeschreven,” kon men het wel noemen, met den meesten spoed te zorgen voor het ondertrouwen. Daar de stukken in orde waren kon dat dadelijk gebeuren, en hij deed het dadelijk.Twee dagen later kwam Voirey zijn nicht met zijn mylord met groote paarden afhalen; hij sprak met de vrouw des huizes, die voor het effect zijner fraaie equipage en[185]de reputatie zijner fortuin eerbiedig zwichtte en „het” bijlegde; daarna bracht hij Lena in een net huis, keurig ingericht. Zij keek als versuft.„Als er nu nog wat aan ontbreekt, zeg het dan?”„Maar Jan, dat kan ik zoo ineens niet zien.”„Zie het dan in tweeën, kind. Maar zanik er niet mee, want over twee weken trek je hier in.”„Het is alles erg mooi,” zei Lena, haar oogen over de meubels latende dwalen. „Voor het tractement van Vermey is het veel te mooi.”„Het is waar, dàt ook nog!”„Hoe bedoel je?”„Ik moet hem nog plaatsen, dat is waar ook.”„Wel hij is immers geplaatst.”„Nu ja?” antwoordde Voirey met minachting.„Het beste zal zijn,” ging hij nadenkend voort met een diepe verticale plooi tusschen zijn scherp gekromde wenkbrauwen, „dat hij op zijn eigen houtje iets gaat doen.”„Zou dat kunnen?”„Alles kan. Mits hij maar een man is, en geen oud wijf.”„Foei!”„Praat er niet van Lena! Vele menschen, hier, met wie ik in aanraking kom, zijn meer oud-wijf, dan man. Veel praats, weinig zaaks. Lui met namen, waarachter men heel wat zoeken zou, staan in zaken soms niet hooger, dan de ouwe nonna’s die tegen woekerrente geld uitleenen in de kampong; zij noemen dat „zaken doen,” God help!”„Ik heb er geen verstand van, maar ik geloof niet …”[186]„Natuurlijk geloof je dat niet, maar ik wel; en dat is het ergste niet, want voor hunzelven komen die lui er wel. Maar de ergste zijn de luilekkerlanders, die zich geen moeite geven, niet achter de zaken zitten, maar, schijnbaar hun best doend in schrijverij en klerkenwerk, wachtend tot hun de gebraden vogels in den mond vliegen.”Lena lachte, schoon ze er weinig meer van vatte, dan den algemeenen geest.„Ik hoop, dat George dan voor het minst niet zoo’n luilekkerlander wezen zal.”„Ik vrees van ja.”„Begin dan niets met hem! Laat hem dan maar wat hij is,” zei Lena geraakt. „Wij vragen er immers niet om.”„Maak je niet boos. Ik zeg maar mijn idee, want je vraagt daar met zooveel woorden naar. Men kan het met hem beproeven; wellicht valt hij meê in het gebruik!”De dagen gingen voorbij als in een droom van zenuwachtige gejaagde werkzaamheid, die zelfs Vermey aangreep, hem zich goed en kort van Yps deed afmaken ditmaal toen ze hem weêr uitschold, met een pak slaag alssouveniren geen duit schadeloosstelling, want hij bezat zelf niets en leefde van zijn crediet, dat, door het uitzicht op een rijk huwelijk, aanzienlijk grooter was geworden.Zij trouwden uit hun eigen huis. Dat had Voirey zoo bepaald. Hij zelf was daar den ganschen dag en hij behandelde de geheele plechtigheid qua zaak.Op de receptie liep het druk; het waren meest menschen, die Lena nooit had gezien en met wie Vermey nimmer een groet had gewisseld.[187]Ze kwamen om Voirey of liever om zijn zaken en zijn geld.Schuin door de voorgalerij kon men van buiten af het jonge paar zien staan. Vermey knap en kranig, Lena mooi als alle bruiden.Op het voorerf in de donkere schaduw buiten den kring van het uitstralend licht, stond een jonge inlandsche vrouw van slanke taille en hooge buste, met een kort groenachtig baadje aan, een oude flodderige kain en een slendang om; zij stond geleund tegen een boomstam, half er achter verborgen, met de beide handen op den rug, in een onverschillige houding, het buitenwaartsche been aan de knie ’n beetje naar binnen ingebogen, waardoor haar eene bloote voet zichtbaar was op het gras; bruin en de teenen wijd vaneen. Schuin keek ze uit haar ooghoeken naar het bruidspaar, dat ze maar nu en dan te zien kreeg in de afwisseling van langer en korter zwarte rokruggen, die bogen, even praatten en gingen, elkaar aflossend. In de duisternis achter den boom glom het helle wit der oogappels van de jonge vrouw groot en schel naast de gitzwarte pupillen.Yps kwam verkleed als inlandsche eens kijken. Door de hondsche behandeling, het pak slaag en het wegzendensans le sous, waren al de teedere gevoelens, die ze ooit voor Vermey gekoesterd had, met meer kracht dan in hun besten tijd boven gekomen.„Nanti, maar!” fluisterde ze woedend in haar zelve, haar handen achter haar rug samenknijpend. „Nantimaar!”[188]

VEERTIENDE HOOFDSTUK.Lena en George.

Het verschil tusschen „toen” en „nu” was groot voor Vermey; het was nu heel wat gemakkelijker, zeker als hij was van zijn zaak. Niettemin bloosde hij, telkens weêr, maar niemand zag het, want Lena keek vóór haar heen, terwijl ze voortwandelden, en ’t schemerde reeds.„Je zult wel begrijpen, wat het doel is van mijn komst,” zei hij zacht en het hoofd voorover buigend.Zij keek met een kalm glimlachje naar hem op.„Ik geloof het wel.”„Na je eerste weigering had ik het haast geheel opgegeven, ofschoon ik de hoop nooit geheel liet varen,” loog hij.„Niet?” vroeg ze verwonderd.„Neen, zeker niet. Ik heb het toch ook wel getoond.”„In den laatsten tijd, ja.”„Vroeger ook. Toen ik bij je kwam over dat geld.”„Och, zoo? Ik schreef dat aan andere redenen toe.”[175]„Terwijl ik wachtte aan den Boom.”„Dat was, meende ik, voor papa.”„In hoofdzaak was het uit liefde voor jou, Lena.”Het groote woord was eruit! En het streelde haar. Nu hij op gang raakte en niet meer onhandig was, kwam er klank in zijn stem; zij vond het aangenaam hem te hooren, en hij begreep dat heel goed. In de veeljarige school van half en heel inlandsche wilde samenlevingen, die hij had doorgemaakt, had hij een ondervinding opgedaan, die tegenover een meisje, dat pas uit Europa was gekomen, misschien niet in zijn voordeel zou geweest zijn, maar dat hem te pas kwam bij een creooltje als Lena Bruce.Zonder veel voor hem te gevoelen, hoorde zij hem aan met welgevallen, glimlachend in haar zelf om het idee, dat daar een man was die haar sprak van liefde en nogeens liefde, die haar herhaaldelijk hetzelfde zei in andere woorden.„Wel”, antwoordde ze op zijn zacht uitgesproken maar met een eigenaardigen bestudeerden inlandschen hartstocht voorgedragen verklaring en aanzoek. „Het is goed! Papa heeft het gewild.…”„O!” protesteerde hij tegen het argument, dat hij zelf had gebruikt tegen Voirey.„.… En ik wil het ook wel.”Hij nam haar linkerhand, die terzij afhing, drukte die teeder, en lei haar arm in den zijnen. ’t Publiek moest het nu maar zien; hoe eer hoe beter!Zoo wandelden zij samen zwijgend terug; zij bij haarzelf nadenkend en overwegend, veel in weinig oogenblikken, en tevens met een aangenaam gevoel van bevrediging; hij met[176]een totaal leêg hoofd niet wetend, wat nu nog meer te zeggen, nu hij de eenige daad had gedaan, die de omstandigheden veroorloofden; haar arm in den zijne leggen. En hij vond het bovendien nog zoo raar in zijn geheel, dat hij niet wist, waaraan hij eigenlijk had kunnen denken op dat oogenblik. Als zij maar binnenshuis waren geweest zou hij haar ’n zoen hebben gegeven,—maar nu op den weg!„Ik voel me zoo gelukkig,” zei hij om toch iets te zeggen.Lena scheen heel bedaard en heel goed bij haar zinnen; dat hoorde hij uit de zekerheid waarmee en den toon waarop ze sprak, en het hinderde hem, en het ergerde hem ’n beetje voor hij opnieuw er door gevoelen moest, dat zij geregeld beter wist, wat ze zei en deed, dan hij.„Daar ben ik heel blij om, George. Na al het verdriet, dat ik heb gehad …”„Heb je verdriet gehad?” vroeg hij denkend altijd maar aan liefdehistories.„Natuurlijk! De dood van mama …”„Ah! O, neem me niet kwalijk … ja, dat is waar … en van papa!Kasian, de oude heer! Ja, zie je, zoo zelfzuchtig is een mensch, dat hij het geluk in zijn eigen leven de arme dooden vergeet.”Lena boog een beetje haar hoofd, nadenkend over de woorden, die ze heel mooi vond en eigenlijk zoo gevoelvol niet van hem had verwacht. Hij, met voor zijn lange figuur grappige kleine schreden om met haar in den pas te blijven, richtte het hoofd op en draaide met de vrije linkerhand zijn kneveltjeen crocs, trotsch op de geslaagde tirade. Dat had hij „’m geleverd,” dacht hij.[177]Gearmd kwamen zij het erf op, terug bij de kinderen, die in het geheel niet op hen letten, en daar er niemand anders was, bleef het effect der demonstratie alleen bewaard voor den huisjongen, die op een groen bankje zat te suffen in zijn wit met hel-rood afgezet baadje.„Blijf je eten?” vroeg Lena.„Kan het?”„Natuurlijk,” zei ze. Ze had dadelijk een zeker air van beslistheid. Het bleek dat zij zich reeds lang dezen nieuwen toestand had ingedacht; het woord had eraan ontbroken en de persoonlijke gevolgen ontbraken nog, doch ook alleen wat de daad betrof. In haar lange, eenzame uren, als de kinderen sliepen, en zij alleen hadden gezeten den laatsten tijd, was er niets geweest, waaraan zij niet had gedacht in een toekomst, die zij verzekerd meende, en welke nu bezig was dat te bewijzen. Zij wist natuurlijk alles, gelijk allen, van het a. b. c. van het leven, en zij vond het kinderachtig en beneden haar, zichzelf een niet aanwezige onkunde en onnoozelheid op te dringen. Maar zij had haar moeiten en schaduwzijden, die eerlijke openhartigheid in gedachten; zij ging wel eens te ver; en eenmaal op hol, was het paard soms moeilijk tot staan te brengen!„Ik zal het even binnen gaan zeggen.”Zij wipte vlug het trapje af en liep naar het hoofdgebouw, waar de fatsoenlijke, schijn-deftige, hoogst ongezellige familie woonde, die Lena zoo’n beetje „duldde,” maar haar alleen onder haar dak behield met de kinderen om het lieve geld.Mama—want die imponeerde het meest,—papa en[178]een dikke, platneuzige dochter zaten zwijgend aan de marmeren tafel, toen zij hoorden van die juffrouw Bruce dat ze geëngageerd was.„Zoo! Ik feliciteer u,” zei papa.„Dat weet ik niet,” meende mevrouw, heel snibbig en haar waaier druk bewegend!De juffrouw met het hondenneusje zei niets, maar knikte alsof zij den twijfel harer moeder wilde cursiveeren.Lena was bleek van kwaadheid.„U hebt wel gelijk,” zei ze heel kalm. „Men weet nooit of men iemand wel ergens mee kan feliciteeren. De menschen, die er op het oog het best uitzien, blijken later dikwijls erg onhebbelijk te zijn.”De zet was raak, dat kon Lena zien, maar men liet die als onopgemerkt voorbijgaan.„Een man, die leeft zooalsdiemeneer Vermey, naar ik hoor, heeft gedaan, en die het nog niet verder wist te brengen op zijn leeftijd, dan eenvoudig employeetje op ’n kantoor, zou ik voor mijn dochter niet begeeren.”Het hondenneusje knikte mee, en Lena zei met ’n schamperen lach:„Men moet nooit toonen, dat de druiven zuur zijn.”Natuurlijk keerde zij zich om en ging heen, zonder te vragen of Vermey kon blijven meeëten; met tranen in de oogen, vertelde zij hem de onaangename scène, en daar zijn ijdelheid in hooge mate was gekwetst, werd hij om beurten bleek en rood; hij wou er heen om de lui eens de waarheid te zeggen, en hij zou het gedaan hebben, als Lena hem niet had tegengehouden.[179]Zij wilde het niet. Men zoumetde kinderen in het paviljoen eten; die zouden, zoo min als zij, bij dat onbeschofte mensch meer een voet over den vloer zetten; het is een wijf, meende Lena, als bewijs voor haar hooge minachting. Wat Vermey vreemd klonk, omdat hij gewoon was dat woord te hooren, als de gangbare uitdrukking in Indië, zonder diminutief, voor ’t vrouwtje van ’n djangkrik of zoo.De heer des huizes kwam ’n kwartiertje daarna verlegen en aarzelend zijn verontschuldigingen aanbieden. Juffrouw Lena moest het zoo kwalijk niet nemen en er niet zoo boos om zijn. Mevrouw was wel eens ’n beetje onaangenaam, maar zij meende het zoo niet; het was alleen een bijzondere mate van rondborstigheid; ze kon soms wat ruw wezen, maar het was als ’n ruwe diamant; metterdaad had zij eencoeur d’oren was de goedheid zelf. Zóó pleitte hij, als hoogst fatsoenlijk welopgevoed man op zachten, beschaafden toon, met een pijnlijken trek op zijn zeergentleman-likegezicht, en voortdurend Lena aankijkend met droefgeestige oogen.Maar Lena was op dat oogenblik zelfs dáárdoor niet te bewegen. Zij had al lang iets op het hart, dat zij zeggen moest, en dat ze nu zei.„Ik ken dat, meneer; ik heb dat praatje al dikwijls gehoord van dien ruwen diamant en datcoeur d’or. Zal ik u eens iets zeggen? Het is alleen omuwpositie, dat al die fraaie vergoelijkingen worden aangenomen. Het is van den kant van mevrouw gewone onbeschoftheid, niets anders. Als zij de vrouw was van een ondergeschikt persoon, zou men zeggen: zij hoort in de kampong[180]thuis. Maar nu heet het „ruwe diamant” en „coeur d’or”. Ik dank u dan hartelijk voor al dat fraais! Morgen zal ik met mijn neef Voirey spreken en zoo spoedig mogelijk ga ik heen.”Hij was bleek als ’n doek geworden, boog even en keerde zich om.Vermey, geroerd, zag hem hoofdschuddend na en zei: „Kasian!”Lena haalde de schouders op.„Het spijt me ook voor hem,” zei ze. „Maar ’t is toch metterdaad z’n eigen schuld.”De weinige aardigheid, die voor Vermey en Lena Bruce in hun eersten engagementsavond had kunnen liggen, was er, door de onaangenaamheden, voor haar geheel, voor hem ten deele, af. Toen het in een hotel gehaalde diner kwam, liet Lena, te zenuwachtig om te eten, de schotels onaangeroerd. Vermey, die het lekkerder vond, dan in zijn commensalenhuis, deed zich flink te goed, en ook de kinderen, die overigens van den prins geen kwaad wisten, vonden het erg plezierig, dat ze nu eens net zooveel konden eten, als zij wilden, zonder dat hun de brokjes met doodelijke angstvalligheid werden toegemeten.Het was reeds laat toen de geïmproviseerde maaltijd afgeloopenwasen de kinderen naar bed waren; veel later dan gewoonlijk. Zij zaten met hun tweeën in het voorgalerijtje bij het lamplicht; Lena, bezig in gedachten met den brief, dien zij nog denzelfden avond wilde schrijven aan neef Jan; George met een restantje wijn voor hem, een sigaar in den mond en een soeserig, slaperig gevoel in zijn hoofd. Want[181]Lena, die nooit iets dronk, had duren wijn laten halen, en George aan een dun en goedkoop tafelwijntje gewoon, had ’t lekker gevonden, en zoo ongemerkt haast ’n heele flesch „bij zich gestoken,” zooals hij het in gedachten noemde.Zich verzettend tegen de aanvechting van slaperigheid, vroeg hij, met tranen in de oogen van het onderdrukte geeuwen:„Zouden we niet nog ’n klein eindje opwandelen?”Ze glimlachte vriendelijk tegen hem, haar drang tot een spotlach verbergend. Ineens was het haar door ’t hoofd geschoten, hoe gek het was, dat hij altijd wandelen wou; het woord „loopvrijer” was in haar opgekomen, en dat deed haar lachen. Maar ze zag nu ook, hoe suf en lodderig hij eruit zag.„Och, het is van avond beter, dat je maar vroeg weggaat.”„Waarom?”„Om de praatjes te voorkomen van die lui, hier! Ik zou durven wedden, dat zij in het donker in hun voorgalerij zitten loeren.”„Wil ik eens gaan kijken?” vroeg hij, door het denkbeeld bespionneerd te worden, opeens helder van geest.„Volstrekt niet, George; ga jij nu naar huis, dan schrijf ik nog dadelijk naar neef Voirey. Hoe gauwer hier vandaan, hoe beter, natuurlijk.”Een oogenblik dacht hij na.’t Was waarlijk een koude geschiedenis op die manier pas geëngageerd te zijn! Het beloofde weinig voor de toekomst; maar dat zij dadelijk Voirey schreef vond hij uitstekend; van dien moest hij veel hebben, in de allereerste plaats een andere betrekking.[182]Met een zucht nam hij zijn hoed.Zij ging met hem meê, de paar treden af en bracht hem tot den uitgang van het erf; daar stonden zij ’n oogenblik te praten tot hij zich boog om haar een zoen te geven; hij voelde even iets, haast onmerkbaar zacht en heel vluchtig op z’n mond, toen werd zijn groote hand door kleine fijne vingers met zenuwachtige kracht gedrukt en klonk hem een aardig: „Nu, bonsoir, tot morgen,” in de ooren. Vermey, die op ’n meer nadrukkelijke engagements-daad had gerekend, zwaaide, verbluft en onwillekeurig, groetend zijn hoed met een:Au revoir, dat hij ten minste nog zoo melodieus mogelijk trachtte uit te brengen.Toen verdween hij in het driekwart duister van den weg, rondkijkend naar een voertuig, dat er toevallig niet was; hij zou er wel een tegenkomen, dacht hij, en wandelde op, telkens bij zichzelf mompelend, dat het „een weerlichtsch kouwe aardigheid” was op die manier, tot hij plotseling op een driesprong stilstond. Nu hij in beweging was in de koele avondlucht buiten, was het gevoel van loomheid en slaperigheid verdwenen; integendeel, hij was bijzonder wakker geworden en het scheen, dat de goede wijn thans geheel anders werkte dan te voren.De groote weg recht voor hem uit, die door het schijnsel der lantaarns bij stukjes en beetjes zich afteekende in lichtkringen om felle middelpunten binnen de donkere cirkeltjes van de lantaarnpalen, was breed en met zorg onderhouden.Het smalle weggetje rechts was vuil en donker, met[183]kuilen en gaten in den ongelijken bodem, en zonder andere verlichting dan hier en daar ’n petroleumlampje in een lantaarn, als ’n gloeiende spijker glimmend in de verte.Maar net andersom, dan volgens de traditie, was voor George Vermey de groote, breede, effen weg het pad der deugd, leidend naar het commensalenhuis en zijn eenzame kamer; het enge pad met vele bochten en kronkelingen voerde door een kampong, voorbij een kampong, tusschen twee kampongs door, ten slotte naar de kampong, waar Yps tegenwoordig zoowel haar wettig als haar onwettig domicilie hield.Een oogenblik stond hij in gedachten, zijn hand wrijvend over zijn gezicht tot zijn hoed hem achter op het hoofd stond.Toen ging hij den smallen weg op.En Lena was dadelijk zonder verder na te denken, op haar brief aan Voirey aangevallen, wien ze alles schreef en nog veel meer; het eene velletje gekleurd papier voor, het andere na kwam vol, met mooi fijn, vast schrift, dat men op het oog zou hebben toegeschreven aan een stoere, krachtig gebouwde vrouw, nooit aan zoo’n tenger popje. De klok sloeg de meeste slagen, die hij in het etmaal ooit achtereen slaat, vóór zij gereed was en het adres schreef op een enveloppe van dezelfde kleur. ’t Was nu te laat om den brief nog te bezorgen; maar den volgenden ochtend heel vroeg moest het gebeuren!Vermoeid van de inspanning en de agitatie ging zij te bed, maar ze kon den slaap niet vatten. Stil glimlachend tegen het nachtlichtje, dat door de klamboe schemerde,[184]weet zij haar slapeloosheid aan den indruk van haar pas gesloten verbintenis, en ze dacht aan George, die nu ook zeker den slaap niet vatten kon, en aan haar lag te denken.Toen Voirey ’s morgens vroeg den brief ontving, was hij erg uit zijn humeur. Niet omdat Lena nu bepaald ging trouwen met Vermey, maar omdat hij het tegenwoordig zoo verschrikkelijk druk had, meer en meer verward gerakend in allerlei zaken, waarin hij was betrokken en waarvoor hij werkte. Neen, trouwen was geen zaak voor hem, dat begreep hij thans. Hij was tot de slotsom gekomen, dat ertweeërleisoort mannen zijn: de beschouwende, wijsgeerige karakters en de practische mannen van toegepaste wetenschap en van zaken; de eerste soort voor huwelijk en huisgezin, de tweede voor coelibaat, handel en nijverheid.Wat zou hem dat huwelijk en al wat daaraan vast was weer een tijd kosten, als waarnemend vader nog meer dan als werkelijk voogd!Doch eenmaal in de richting gedreven, handelde hij ook maar dadelijk. Hij schreef aan Lena: „Wacht een paar dagen.” Zij zat erg teleurgesteld te turen op die vier woorden, wetend dat daar niet tegen te doen was; een paar uren later kwam Vermey, die ook ’n briefje had gekregen, waarin hij werd „aangeschreven,” kon men het wel noemen, met den meesten spoed te zorgen voor het ondertrouwen. Daar de stukken in orde waren kon dat dadelijk gebeuren, en hij deed het dadelijk.Twee dagen later kwam Voirey zijn nicht met zijn mylord met groote paarden afhalen; hij sprak met de vrouw des huizes, die voor het effect zijner fraaie equipage en[185]de reputatie zijner fortuin eerbiedig zwichtte en „het” bijlegde; daarna bracht hij Lena in een net huis, keurig ingericht. Zij keek als versuft.„Als er nu nog wat aan ontbreekt, zeg het dan?”„Maar Jan, dat kan ik zoo ineens niet zien.”„Zie het dan in tweeën, kind. Maar zanik er niet mee, want over twee weken trek je hier in.”„Het is alles erg mooi,” zei Lena, haar oogen over de meubels latende dwalen. „Voor het tractement van Vermey is het veel te mooi.”„Het is waar, dàt ook nog!”„Hoe bedoel je?”„Ik moet hem nog plaatsen, dat is waar ook.”„Wel hij is immers geplaatst.”„Nu ja?” antwoordde Voirey met minachting.„Het beste zal zijn,” ging hij nadenkend voort met een diepe verticale plooi tusschen zijn scherp gekromde wenkbrauwen, „dat hij op zijn eigen houtje iets gaat doen.”„Zou dat kunnen?”„Alles kan. Mits hij maar een man is, en geen oud wijf.”„Foei!”„Praat er niet van Lena! Vele menschen, hier, met wie ik in aanraking kom, zijn meer oud-wijf, dan man. Veel praats, weinig zaaks. Lui met namen, waarachter men heel wat zoeken zou, staan in zaken soms niet hooger, dan de ouwe nonna’s die tegen woekerrente geld uitleenen in de kampong; zij noemen dat „zaken doen,” God help!”„Ik heb er geen verstand van, maar ik geloof niet …”[186]„Natuurlijk geloof je dat niet, maar ik wel; en dat is het ergste niet, want voor hunzelven komen die lui er wel. Maar de ergste zijn de luilekkerlanders, die zich geen moeite geven, niet achter de zaken zitten, maar, schijnbaar hun best doend in schrijverij en klerkenwerk, wachtend tot hun de gebraden vogels in den mond vliegen.”Lena lachte, schoon ze er weinig meer van vatte, dan den algemeenen geest.„Ik hoop, dat George dan voor het minst niet zoo’n luilekkerlander wezen zal.”„Ik vrees van ja.”„Begin dan niets met hem! Laat hem dan maar wat hij is,” zei Lena geraakt. „Wij vragen er immers niet om.”„Maak je niet boos. Ik zeg maar mijn idee, want je vraagt daar met zooveel woorden naar. Men kan het met hem beproeven; wellicht valt hij meê in het gebruik!”De dagen gingen voorbij als in een droom van zenuwachtige gejaagde werkzaamheid, die zelfs Vermey aangreep, hem zich goed en kort van Yps deed afmaken ditmaal toen ze hem weêr uitschold, met een pak slaag alssouveniren geen duit schadeloosstelling, want hij bezat zelf niets en leefde van zijn crediet, dat, door het uitzicht op een rijk huwelijk, aanzienlijk grooter was geworden.Zij trouwden uit hun eigen huis. Dat had Voirey zoo bepaald. Hij zelf was daar den ganschen dag en hij behandelde de geheele plechtigheid qua zaak.Op de receptie liep het druk; het waren meest menschen, die Lena nooit had gezien en met wie Vermey nimmer een groet had gewisseld.[187]Ze kwamen om Voirey of liever om zijn zaken en zijn geld.Schuin door de voorgalerij kon men van buiten af het jonge paar zien staan. Vermey knap en kranig, Lena mooi als alle bruiden.Op het voorerf in de donkere schaduw buiten den kring van het uitstralend licht, stond een jonge inlandsche vrouw van slanke taille en hooge buste, met een kort groenachtig baadje aan, een oude flodderige kain en een slendang om; zij stond geleund tegen een boomstam, half er achter verborgen, met de beide handen op den rug, in een onverschillige houding, het buitenwaartsche been aan de knie ’n beetje naar binnen ingebogen, waardoor haar eene bloote voet zichtbaar was op het gras; bruin en de teenen wijd vaneen. Schuin keek ze uit haar ooghoeken naar het bruidspaar, dat ze maar nu en dan te zien kreeg in de afwisseling van langer en korter zwarte rokruggen, die bogen, even praatten en gingen, elkaar aflossend. In de duisternis achter den boom glom het helle wit der oogappels van de jonge vrouw groot en schel naast de gitzwarte pupillen.Yps kwam verkleed als inlandsche eens kijken. Door de hondsche behandeling, het pak slaag en het wegzendensans le sous, waren al de teedere gevoelens, die ze ooit voor Vermey gekoesterd had, met meer kracht dan in hun besten tijd boven gekomen.„Nanti, maar!” fluisterde ze woedend in haar zelve, haar handen achter haar rug samenknijpend. „Nantimaar!”[188]

Het verschil tusschen „toen” en „nu” was groot voor Vermey; het was nu heel wat gemakkelijker, zeker als hij was van zijn zaak. Niettemin bloosde hij, telkens weêr, maar niemand zag het, want Lena keek vóór haar heen, terwijl ze voortwandelden, en ’t schemerde reeds.

„Je zult wel begrijpen, wat het doel is van mijn komst,” zei hij zacht en het hoofd voorover buigend.

Zij keek met een kalm glimlachje naar hem op.

„Ik geloof het wel.”

„Na je eerste weigering had ik het haast geheel opgegeven, ofschoon ik de hoop nooit geheel liet varen,” loog hij.

„Niet?” vroeg ze verwonderd.

„Neen, zeker niet. Ik heb het toch ook wel getoond.”

„In den laatsten tijd, ja.”

„Vroeger ook. Toen ik bij je kwam over dat geld.”

„Och, zoo? Ik schreef dat aan andere redenen toe.”[175]

„Terwijl ik wachtte aan den Boom.”

„Dat was, meende ik, voor papa.”

„In hoofdzaak was het uit liefde voor jou, Lena.”

Het groote woord was eruit! En het streelde haar. Nu hij op gang raakte en niet meer onhandig was, kwam er klank in zijn stem; zij vond het aangenaam hem te hooren, en hij begreep dat heel goed. In de veeljarige school van half en heel inlandsche wilde samenlevingen, die hij had doorgemaakt, had hij een ondervinding opgedaan, die tegenover een meisje, dat pas uit Europa was gekomen, misschien niet in zijn voordeel zou geweest zijn, maar dat hem te pas kwam bij een creooltje als Lena Bruce.

Zonder veel voor hem te gevoelen, hoorde zij hem aan met welgevallen, glimlachend in haar zelf om het idee, dat daar een man was die haar sprak van liefde en nogeens liefde, die haar herhaaldelijk hetzelfde zei in andere woorden.

„Wel”, antwoordde ze op zijn zacht uitgesproken maar met een eigenaardigen bestudeerden inlandschen hartstocht voorgedragen verklaring en aanzoek. „Het is goed! Papa heeft het gewild.…”

„O!” protesteerde hij tegen het argument, dat hij zelf had gebruikt tegen Voirey.

„.… En ik wil het ook wel.”

Hij nam haar linkerhand, die terzij afhing, drukte die teeder, en lei haar arm in den zijnen. ’t Publiek moest het nu maar zien; hoe eer hoe beter!

Zoo wandelden zij samen zwijgend terug; zij bij haarzelf nadenkend en overwegend, veel in weinig oogenblikken, en tevens met een aangenaam gevoel van bevrediging; hij met[176]een totaal leêg hoofd niet wetend, wat nu nog meer te zeggen, nu hij de eenige daad had gedaan, die de omstandigheden veroorloofden; haar arm in den zijne leggen. En hij vond het bovendien nog zoo raar in zijn geheel, dat hij niet wist, waaraan hij eigenlijk had kunnen denken op dat oogenblik. Als zij maar binnenshuis waren geweest zou hij haar ’n zoen hebben gegeven,—maar nu op den weg!

„Ik voel me zoo gelukkig,” zei hij om toch iets te zeggen.

Lena scheen heel bedaard en heel goed bij haar zinnen; dat hoorde hij uit de zekerheid waarmee en den toon waarop ze sprak, en het hinderde hem, en het ergerde hem ’n beetje voor hij opnieuw er door gevoelen moest, dat zij geregeld beter wist, wat ze zei en deed, dan hij.

„Daar ben ik heel blij om, George. Na al het verdriet, dat ik heb gehad …”

„Heb je verdriet gehad?” vroeg hij denkend altijd maar aan liefdehistories.

„Natuurlijk! De dood van mama …”

„Ah! O, neem me niet kwalijk … ja, dat is waar … en van papa!Kasian, de oude heer! Ja, zie je, zoo zelfzuchtig is een mensch, dat hij het geluk in zijn eigen leven de arme dooden vergeet.”

Lena boog een beetje haar hoofd, nadenkend over de woorden, die ze heel mooi vond en eigenlijk zoo gevoelvol niet van hem had verwacht. Hij, met voor zijn lange figuur grappige kleine schreden om met haar in den pas te blijven, richtte het hoofd op en draaide met de vrije linkerhand zijn kneveltjeen crocs, trotsch op de geslaagde tirade. Dat had hij „’m geleverd,” dacht hij.[177]

Gearmd kwamen zij het erf op, terug bij de kinderen, die in het geheel niet op hen letten, en daar er niemand anders was, bleef het effect der demonstratie alleen bewaard voor den huisjongen, die op een groen bankje zat te suffen in zijn wit met hel-rood afgezet baadje.

„Blijf je eten?” vroeg Lena.

„Kan het?”

„Natuurlijk,” zei ze. Ze had dadelijk een zeker air van beslistheid. Het bleek dat zij zich reeds lang dezen nieuwen toestand had ingedacht; het woord had eraan ontbroken en de persoonlijke gevolgen ontbraken nog, doch ook alleen wat de daad betrof. In haar lange, eenzame uren, als de kinderen sliepen, en zij alleen hadden gezeten den laatsten tijd, was er niets geweest, waaraan zij niet had gedacht in een toekomst, die zij verzekerd meende, en welke nu bezig was dat te bewijzen. Zij wist natuurlijk alles, gelijk allen, van het a. b. c. van het leven, en zij vond het kinderachtig en beneden haar, zichzelf een niet aanwezige onkunde en onnoozelheid op te dringen. Maar zij had haar moeiten en schaduwzijden, die eerlijke openhartigheid in gedachten; zij ging wel eens te ver; en eenmaal op hol, was het paard soms moeilijk tot staan te brengen!

„Ik zal het even binnen gaan zeggen.”

Zij wipte vlug het trapje af en liep naar het hoofdgebouw, waar de fatsoenlijke, schijn-deftige, hoogst ongezellige familie woonde, die Lena zoo’n beetje „duldde,” maar haar alleen onder haar dak behield met de kinderen om het lieve geld.

Mama—want die imponeerde het meest,—papa en[178]een dikke, platneuzige dochter zaten zwijgend aan de marmeren tafel, toen zij hoorden van die juffrouw Bruce dat ze geëngageerd was.

„Zoo! Ik feliciteer u,” zei papa.

„Dat weet ik niet,” meende mevrouw, heel snibbig en haar waaier druk bewegend!

De juffrouw met het hondenneusje zei niets, maar knikte alsof zij den twijfel harer moeder wilde cursiveeren.

Lena was bleek van kwaadheid.

„U hebt wel gelijk,” zei ze heel kalm. „Men weet nooit of men iemand wel ergens mee kan feliciteeren. De menschen, die er op het oog het best uitzien, blijken later dikwijls erg onhebbelijk te zijn.”

De zet was raak, dat kon Lena zien, maar men liet die als onopgemerkt voorbijgaan.

„Een man, die leeft zooalsdiemeneer Vermey, naar ik hoor, heeft gedaan, en die het nog niet verder wist te brengen op zijn leeftijd, dan eenvoudig employeetje op ’n kantoor, zou ik voor mijn dochter niet begeeren.”

Het hondenneusje knikte mee, en Lena zei met ’n schamperen lach:

„Men moet nooit toonen, dat de druiven zuur zijn.”

Natuurlijk keerde zij zich om en ging heen, zonder te vragen of Vermey kon blijven meeëten; met tranen in de oogen, vertelde zij hem de onaangename scène, en daar zijn ijdelheid in hooge mate was gekwetst, werd hij om beurten bleek en rood; hij wou er heen om de lui eens de waarheid te zeggen, en hij zou het gedaan hebben, als Lena hem niet had tegengehouden.[179]

Zij wilde het niet. Men zoumetde kinderen in het paviljoen eten; die zouden, zoo min als zij, bij dat onbeschofte mensch meer een voet over den vloer zetten; het is een wijf, meende Lena, als bewijs voor haar hooge minachting. Wat Vermey vreemd klonk, omdat hij gewoon was dat woord te hooren, als de gangbare uitdrukking in Indië, zonder diminutief, voor ’t vrouwtje van ’n djangkrik of zoo.

De heer des huizes kwam ’n kwartiertje daarna verlegen en aarzelend zijn verontschuldigingen aanbieden. Juffrouw Lena moest het zoo kwalijk niet nemen en er niet zoo boos om zijn. Mevrouw was wel eens ’n beetje onaangenaam, maar zij meende het zoo niet; het was alleen een bijzondere mate van rondborstigheid; ze kon soms wat ruw wezen, maar het was als ’n ruwe diamant; metterdaad had zij eencoeur d’oren was de goedheid zelf. Zóó pleitte hij, als hoogst fatsoenlijk welopgevoed man op zachten, beschaafden toon, met een pijnlijken trek op zijn zeergentleman-likegezicht, en voortdurend Lena aankijkend met droefgeestige oogen.

Maar Lena was op dat oogenblik zelfs dáárdoor niet te bewegen. Zij had al lang iets op het hart, dat zij zeggen moest, en dat ze nu zei.

„Ik ken dat, meneer; ik heb dat praatje al dikwijls gehoord van dien ruwen diamant en datcoeur d’or. Zal ik u eens iets zeggen? Het is alleen omuwpositie, dat al die fraaie vergoelijkingen worden aangenomen. Het is van den kant van mevrouw gewone onbeschoftheid, niets anders. Als zij de vrouw was van een ondergeschikt persoon, zou men zeggen: zij hoort in de kampong[180]thuis. Maar nu heet het „ruwe diamant” en „coeur d’or”. Ik dank u dan hartelijk voor al dat fraais! Morgen zal ik met mijn neef Voirey spreken en zoo spoedig mogelijk ga ik heen.”

Hij was bleek als ’n doek geworden, boog even en keerde zich om.

Vermey, geroerd, zag hem hoofdschuddend na en zei: „Kasian!”

Lena haalde de schouders op.

„Het spijt me ook voor hem,” zei ze. „Maar ’t is toch metterdaad z’n eigen schuld.”

De weinige aardigheid, die voor Vermey en Lena Bruce in hun eersten engagementsavond had kunnen liggen, was er, door de onaangenaamheden, voor haar geheel, voor hem ten deele, af. Toen het in een hotel gehaalde diner kwam, liet Lena, te zenuwachtig om te eten, de schotels onaangeroerd. Vermey, die het lekkerder vond, dan in zijn commensalenhuis, deed zich flink te goed, en ook de kinderen, die overigens van den prins geen kwaad wisten, vonden het erg plezierig, dat ze nu eens net zooveel konden eten, als zij wilden, zonder dat hun de brokjes met doodelijke angstvalligheid werden toegemeten.

Het was reeds laat toen de geïmproviseerde maaltijd afgeloopenwasen de kinderen naar bed waren; veel later dan gewoonlijk. Zij zaten met hun tweeën in het voorgalerijtje bij het lamplicht; Lena, bezig in gedachten met den brief, dien zij nog denzelfden avond wilde schrijven aan neef Jan; George met een restantje wijn voor hem, een sigaar in den mond en een soeserig, slaperig gevoel in zijn hoofd. Want[181]Lena, die nooit iets dronk, had duren wijn laten halen, en George aan een dun en goedkoop tafelwijntje gewoon, had ’t lekker gevonden, en zoo ongemerkt haast ’n heele flesch „bij zich gestoken,” zooals hij het in gedachten noemde.

Zich verzettend tegen de aanvechting van slaperigheid, vroeg hij, met tranen in de oogen van het onderdrukte geeuwen:

„Zouden we niet nog ’n klein eindje opwandelen?”

Ze glimlachte vriendelijk tegen hem, haar drang tot een spotlach verbergend. Ineens was het haar door ’t hoofd geschoten, hoe gek het was, dat hij altijd wandelen wou; het woord „loopvrijer” was in haar opgekomen, en dat deed haar lachen. Maar ze zag nu ook, hoe suf en lodderig hij eruit zag.

„Och, het is van avond beter, dat je maar vroeg weggaat.”

„Waarom?”

„Om de praatjes te voorkomen van die lui, hier! Ik zou durven wedden, dat zij in het donker in hun voorgalerij zitten loeren.”

„Wil ik eens gaan kijken?” vroeg hij, door het denkbeeld bespionneerd te worden, opeens helder van geest.

„Volstrekt niet, George; ga jij nu naar huis, dan schrijf ik nog dadelijk naar neef Voirey. Hoe gauwer hier vandaan, hoe beter, natuurlijk.”

Een oogenblik dacht hij na.

’t Was waarlijk een koude geschiedenis op die manier pas geëngageerd te zijn! Het beloofde weinig voor de toekomst; maar dat zij dadelijk Voirey schreef vond hij uitstekend; van dien moest hij veel hebben, in de allereerste plaats een andere betrekking.[182]

Met een zucht nam hij zijn hoed.

Zij ging met hem meê, de paar treden af en bracht hem tot den uitgang van het erf; daar stonden zij ’n oogenblik te praten tot hij zich boog om haar een zoen te geven; hij voelde even iets, haast onmerkbaar zacht en heel vluchtig op z’n mond, toen werd zijn groote hand door kleine fijne vingers met zenuwachtige kracht gedrukt en klonk hem een aardig: „Nu, bonsoir, tot morgen,” in de ooren. Vermey, die op ’n meer nadrukkelijke engagements-daad had gerekend, zwaaide, verbluft en onwillekeurig, groetend zijn hoed met een:Au revoir, dat hij ten minste nog zoo melodieus mogelijk trachtte uit te brengen.

Toen verdween hij in het driekwart duister van den weg, rondkijkend naar een voertuig, dat er toevallig niet was; hij zou er wel een tegenkomen, dacht hij, en wandelde op, telkens bij zichzelf mompelend, dat het „een weerlichtsch kouwe aardigheid” was op die manier, tot hij plotseling op een driesprong stilstond. Nu hij in beweging was in de koele avondlucht buiten, was het gevoel van loomheid en slaperigheid verdwenen; integendeel, hij was bijzonder wakker geworden en het scheen, dat de goede wijn thans geheel anders werkte dan te voren.

De groote weg recht voor hem uit, die door het schijnsel der lantaarns bij stukjes en beetjes zich afteekende in lichtkringen om felle middelpunten binnen de donkere cirkeltjes van de lantaarnpalen, was breed en met zorg onderhouden.

Het smalle weggetje rechts was vuil en donker, met[183]kuilen en gaten in den ongelijken bodem, en zonder andere verlichting dan hier en daar ’n petroleumlampje in een lantaarn, als ’n gloeiende spijker glimmend in de verte.

Maar net andersom, dan volgens de traditie, was voor George Vermey de groote, breede, effen weg het pad der deugd, leidend naar het commensalenhuis en zijn eenzame kamer; het enge pad met vele bochten en kronkelingen voerde door een kampong, voorbij een kampong, tusschen twee kampongs door, ten slotte naar de kampong, waar Yps tegenwoordig zoowel haar wettig als haar onwettig domicilie hield.

Een oogenblik stond hij in gedachten, zijn hand wrijvend over zijn gezicht tot zijn hoed hem achter op het hoofd stond.

Toen ging hij den smallen weg op.

En Lena was dadelijk zonder verder na te denken, op haar brief aan Voirey aangevallen, wien ze alles schreef en nog veel meer; het eene velletje gekleurd papier voor, het andere na kwam vol, met mooi fijn, vast schrift, dat men op het oog zou hebben toegeschreven aan een stoere, krachtig gebouwde vrouw, nooit aan zoo’n tenger popje. De klok sloeg de meeste slagen, die hij in het etmaal ooit achtereen slaat, vóór zij gereed was en het adres schreef op een enveloppe van dezelfde kleur. ’t Was nu te laat om den brief nog te bezorgen; maar den volgenden ochtend heel vroeg moest het gebeuren!

Vermoeid van de inspanning en de agitatie ging zij te bed, maar ze kon den slaap niet vatten. Stil glimlachend tegen het nachtlichtje, dat door de klamboe schemerde,[184]weet zij haar slapeloosheid aan den indruk van haar pas gesloten verbintenis, en ze dacht aan George, die nu ook zeker den slaap niet vatten kon, en aan haar lag te denken.

Toen Voirey ’s morgens vroeg den brief ontving, was hij erg uit zijn humeur. Niet omdat Lena nu bepaald ging trouwen met Vermey, maar omdat hij het tegenwoordig zoo verschrikkelijk druk had, meer en meer verward gerakend in allerlei zaken, waarin hij was betrokken en waarvoor hij werkte. Neen, trouwen was geen zaak voor hem, dat begreep hij thans. Hij was tot de slotsom gekomen, dat ertweeërleisoort mannen zijn: de beschouwende, wijsgeerige karakters en de practische mannen van toegepaste wetenschap en van zaken; de eerste soort voor huwelijk en huisgezin, de tweede voor coelibaat, handel en nijverheid.

Wat zou hem dat huwelijk en al wat daaraan vast was weer een tijd kosten, als waarnemend vader nog meer dan als werkelijk voogd!

Doch eenmaal in de richting gedreven, handelde hij ook maar dadelijk. Hij schreef aan Lena: „Wacht een paar dagen.” Zij zat erg teleurgesteld te turen op die vier woorden, wetend dat daar niet tegen te doen was; een paar uren later kwam Vermey, die ook ’n briefje had gekregen, waarin hij werd „aangeschreven,” kon men het wel noemen, met den meesten spoed te zorgen voor het ondertrouwen. Daar de stukken in orde waren kon dat dadelijk gebeuren, en hij deed het dadelijk.

Twee dagen later kwam Voirey zijn nicht met zijn mylord met groote paarden afhalen; hij sprak met de vrouw des huizes, die voor het effect zijner fraaie equipage en[185]de reputatie zijner fortuin eerbiedig zwichtte en „het” bijlegde; daarna bracht hij Lena in een net huis, keurig ingericht. Zij keek als versuft.

„Als er nu nog wat aan ontbreekt, zeg het dan?”

„Maar Jan, dat kan ik zoo ineens niet zien.”

„Zie het dan in tweeën, kind. Maar zanik er niet mee, want over twee weken trek je hier in.”

„Het is alles erg mooi,” zei Lena, haar oogen over de meubels latende dwalen. „Voor het tractement van Vermey is het veel te mooi.”

„Het is waar, dàt ook nog!”

„Hoe bedoel je?”

„Ik moet hem nog plaatsen, dat is waar ook.”

„Wel hij is immers geplaatst.”

„Nu ja?” antwoordde Voirey met minachting.

„Het beste zal zijn,” ging hij nadenkend voort met een diepe verticale plooi tusschen zijn scherp gekromde wenkbrauwen, „dat hij op zijn eigen houtje iets gaat doen.”

„Zou dat kunnen?”

„Alles kan. Mits hij maar een man is, en geen oud wijf.”

„Foei!”

„Praat er niet van Lena! Vele menschen, hier, met wie ik in aanraking kom, zijn meer oud-wijf, dan man. Veel praats, weinig zaaks. Lui met namen, waarachter men heel wat zoeken zou, staan in zaken soms niet hooger, dan de ouwe nonna’s die tegen woekerrente geld uitleenen in de kampong; zij noemen dat „zaken doen,” God help!”

„Ik heb er geen verstand van, maar ik geloof niet …”[186]

„Natuurlijk geloof je dat niet, maar ik wel; en dat is het ergste niet, want voor hunzelven komen die lui er wel. Maar de ergste zijn de luilekkerlanders, die zich geen moeite geven, niet achter de zaken zitten, maar, schijnbaar hun best doend in schrijverij en klerkenwerk, wachtend tot hun de gebraden vogels in den mond vliegen.”

Lena lachte, schoon ze er weinig meer van vatte, dan den algemeenen geest.

„Ik hoop, dat George dan voor het minst niet zoo’n luilekkerlander wezen zal.”

„Ik vrees van ja.”

„Begin dan niets met hem! Laat hem dan maar wat hij is,” zei Lena geraakt. „Wij vragen er immers niet om.”

„Maak je niet boos. Ik zeg maar mijn idee, want je vraagt daar met zooveel woorden naar. Men kan het met hem beproeven; wellicht valt hij meê in het gebruik!”

De dagen gingen voorbij als in een droom van zenuwachtige gejaagde werkzaamheid, die zelfs Vermey aangreep, hem zich goed en kort van Yps deed afmaken ditmaal toen ze hem weêr uitschold, met een pak slaag alssouveniren geen duit schadeloosstelling, want hij bezat zelf niets en leefde van zijn crediet, dat, door het uitzicht op een rijk huwelijk, aanzienlijk grooter was geworden.

Zij trouwden uit hun eigen huis. Dat had Voirey zoo bepaald. Hij zelf was daar den ganschen dag en hij behandelde de geheele plechtigheid qua zaak.

Op de receptie liep het druk; het waren meest menschen, die Lena nooit had gezien en met wie Vermey nimmer een groet had gewisseld.[187]

Ze kwamen om Voirey of liever om zijn zaken en zijn geld.

Schuin door de voorgalerij kon men van buiten af het jonge paar zien staan. Vermey knap en kranig, Lena mooi als alle bruiden.

Op het voorerf in de donkere schaduw buiten den kring van het uitstralend licht, stond een jonge inlandsche vrouw van slanke taille en hooge buste, met een kort groenachtig baadje aan, een oude flodderige kain en een slendang om; zij stond geleund tegen een boomstam, half er achter verborgen, met de beide handen op den rug, in een onverschillige houding, het buitenwaartsche been aan de knie ’n beetje naar binnen ingebogen, waardoor haar eene bloote voet zichtbaar was op het gras; bruin en de teenen wijd vaneen. Schuin keek ze uit haar ooghoeken naar het bruidspaar, dat ze maar nu en dan te zien kreeg in de afwisseling van langer en korter zwarte rokruggen, die bogen, even praatten en gingen, elkaar aflossend. In de duisternis achter den boom glom het helle wit der oogappels van de jonge vrouw groot en schel naast de gitzwarte pupillen.

Yps kwam verkleed als inlandsche eens kijken. Door de hondsche behandeling, het pak slaag en het wegzendensans le sous, waren al de teedere gevoelens, die ze ooit voor Vermey gekoesterd had, met meer kracht dan in hun besten tijd boven gekomen.

„Nanti, maar!” fluisterde ze woedend in haar zelve, haar handen achter haar rug samenknijpend. „Nantimaar!”[188]


Back to IndexNext