[Inhoud]EERSTE HOOFDSTUK.Kijkjes hier en daar.Achter het schutsel stond een nachtlampje, en op de fijne palembangsche mat lag, zonder kabaai aan, enkel in haarkoetangensarong, een meisje van omstreeks twintig jaren te lezen. Ze was eêr leelijk dan mooi. Ofschoon een blondine van zuiver europeesche afkomst, had ze geen wezenlijk blanke huid; er was iets onbevredigend groezeligs in. Haar groote lichte oogen stonden flets, met donkere ongezonde kringen er omheen. En onder de jongelui was haar volslagen gebrek aan weelderige vormen spreekwoordelijk. „Zoo mager als Lena Bruce”, zeiden ze. Toch zou ieder, die haar dáár zoo onverschillig op den grond had zien liggen, haar bewonderd hebben, om den rijkdom van prachtig blond hoofdhaar, dat bijna haar geheele tengere gestalte bedekte als een fijne mantel, in zacht genuanceerde tinten, hier en daar schitterend in het licht. Het was haar lust, maar ook haar last. Welk een verademing,[2]als ze dat ’s avonds kon losgooien! ’s avonds als ze in haar moeders kamer ging om er verder den nacht door te brengen; als ze zich voor niets en niemand meer behoefde te geneeren!’t Was al één uur in den regenachtigen nacht; buiten was het stil; niets weerklonk daar, dan het schel piepen der krekels, en in de verte het koor-gekwaak der kikvorschen in de rawahs, met diepe bassen, barytons en tenoren in een eindeloos lied van twee tonen.In de kamer, een bovenvertrek, hoorde men een geheel ander geluid, eentoniger nog, naarder, ziekelijker; dat van een zagende, zangerig steunende ademhaling, als benauwd klagend over de moeite, die het kostte om haar werk te doen, zóóveel keeren in de minuut in en uit.De oude mevrouw Bruce leed aan asthma; het was een verschrikkelijk lijden, dat al jaren duurde, eer erger werd dan beter, en nog heel lang duren kon. Vooral ’s nachts en in het bed had de zieke het kwaad. Liggen kon ze al maanden niet; ze zat rechtop tegen een stapel kussens, haast den heelen nacht wakker, tobbend met haar kwaal.„Leentje!”Ze was ingedommeld, met haar neus op het boek,—maar hoe zacht ook de toonlooze schorre stem harer moeder riep,—ze hoorde die dadelijk, en streek zich, wakker schrikkend, met beide handen de haren uit het gezicht.„Ja, ma!”„Leg m’n kussens eens goed.”Het behoefde niet eens gezegd te worden. Ze wist wel wat het was. Dáárvoor werd ze wel tienmaal geroepen[3]elken nacht tusschen elf en vijf uren. Ze was de eenige die het doen kon, naar den zin harer moeder, die niet geholpen wilde worden van iemand anders dan van Lena. Van een baboe mocht men zelfs niet spreken; die mocht niet op haar kamer komen, als zij er was.„Hoe gaat het nu, ma?”„Och, zoo! Is het nog geen tijd!”„Voor uw drankje? Neen, nog ’n half uur.”Het meisje dorst nu niet weêr in te slapen; een half uur was ook de moeite niet! Ze las verder in haar kinderlijk engelsch romannetje, tot beneden in de gesloten, holle achtergalerij de klok twee luid weêrklinkende diepe slagen sloeg.„Leentje!”Ze had even gewacht om nog tien regels te lezen tot het hoofdstuk uit was; maar de zieke waakte.„Ja, ma!”En zoo ging het nu elken nacht! Wat een gezonde slaap was van ’savondstot ’s ochtends, wist Lena Bruce niet meer; ze dacht er zelfs niet aan; zij meende dat men gewoon raakt aan alles, ook aan het gemis van een behoorlijke nachtrust.Eerst tegen ’n uur of vier viel haar moeder in een diepen, loodzwaren benauwden slaap vol akelig kreunen, met allerlei geluiden in de op allerlei wijze belemmerde ademhaling, van zwaar rochelende tot hooge flageolet-tonen. Dan sliep ook Lena, soms op de mat bij haar boek, soms op den divan, doodmoê in.Flauw grijsde het in de verte boven de rawahs; enkele[4]vogels vlogen op met schel gefluit tegen het dagend licht; één haan had ’t sein gegeven en de kraaiende gemeente barstte los van alle kanten; krakend over het grind van den weg rolden de grobaks langzaam naar de stad; de bamboezen pikolans, buigend onder het gewicht, voor en achter van groenten en vruchten, markeerden in zacht zwiepend koor den pas der inlandsche dragers, op een sukkeldrafje naar de pasar.Zacht, maar met zekeren drang werd op de deur geklopt; een mannenstem riep met ingehouden kracht:„Leen, Leen!”Zuchtend en slaapdronken stond ze op, waggelde naar het rekje, naast de waschtafel, nam er een handdoek af en verliet de kamer. Maar bij de trap ging ze op den grond zitten, met haar voeten op de bovenste trede, de puntige ellebogen op de magere knieën, de fijne handjes onder het hoofd, soezerig, slaperig.„Kom Leen!” zei achter haar dezelfde dringende mannenstem: „Ga daar niet zitten slapen.Ajo, ga baden!”„Jaa, Paa!” zei ze zich uitrekkend met een klagenden, langen geeuw, en zuchtend scharrelde ze naar beneden.Haar bedrijvig leven ving aan. De jongens, die naar school moesten, waren al lang wakker en hadden behoefte aan eten, drinken, schoone kleeren en nog meer. Ze had maar even den tijd om zich geheel wakker te baden. Papa liep met groote stappen de achtergalerij op en neer, snakkend naar een kop koffie en z’n morgenwandeling daarna; in afwachting de kinderen beknorrend. De een vroeg kaas, maar dat wilde papa niet, want zei hij, de jongen was al[5]zoo puistig; de ander, die eieren moest eten en melk drinken, lustte geen melk en geen eieren; hij wou koek, maar die zou hij nu, „om den donder” niet hebben, zei Papa, en de derde, die koek at en eten mocht, jammerde van de pijn toen een stukje in een half verwoest kiesje verdwaalde. Intusschen repte Lena zich, opgewonden en zenuwachtig van de drukte en het rumoer; zich haastend om in de eerste plaats haar vader de deur uit te krijgen; want die was de lastigste van allen.Toen eindelijk haar oudste broers naar hun kantoren en de jongste naar hun scholen waren, at ze een stuk brood met wat gelei en dronk ’n kop koffie. Daarna weer dadelijk in ’t gareel van de zorg voor dat groote huis en dat talrijke gezin, enkel rustend op haar tengere schouders, zonder dat er ooit iemand was, die in ernst vreesde, dat dit wel wat al te zwaar was.Want zij beklaagde zich nooit; zij was in gezelschap opgewekt en vroolijk; als er dames waren, die zelf den godganschen dag in luiheid doorbrachten, en dan haar beklaagden omdat ze zooveel te doen had, antwoordde ze vergoelijkend: „dat het nogal gemakkelijk ging.” Men had geen succes van meewarigheid bij Lena Bruce, en spaarde die dus reeds lang voor dankbaarder sujetten!Intusschen vervolgde haar vader de verre ochtendwandeling, zijn eenig dagelijksch werk. Op zijn veertigste jaar als ondergeschikt ambtenaar gepensionneerd, had hij zijn, geldelijk toen hoogst bescheiden, omstandigheden verbeterd door een rijke kinderlooze weduwe te trouwen. Dat was hem niet alleen gelukt,—hij was er zelfs in geslaagd[6]haar in een rijk met kinderen gezegende huismoeder te herscheppen, en hij zou ook kans hebben gezien haar arm te maken, als zij niet met groote geestkracht de hooge hand had gehouden over het huiselijk departement van financiën. Zijn pensioen mocht hij verteren in de sociëteit en aan sigaren; van dien plicht kweet hij zich nu reeds drie en twintig jaren met roerende nauwgezetheid. Maar daarbij bleef het. Zelfs nu, terwijl ze zoo ziek en zwak was, liet zij hem het geldelijk beheer niet. Hij was daar blij om en vroeg er niet naar. Wat zou hij nu op z’n ouden dag, na haast ’n kwart eeuw in een zalig nietsdoen te hebben doorgebracht, moeten aanvangen, als hij genoodzaakt werd iets.… te doen.Ondanks zijn nederig gewezen-ambtenaarschap en zijn nog nederiger positie als „man van zijn vrouw,” mocht Bruce zich verheugen in de algemeene sympathie. Met zijn witten krullebol en zijne witte bakkebaarden, zijn gezond uiterlijk en levendige oogen was hij het type van een knap, goed geconserveerd oud man. Men mocht hem graag, en daar hij gul en gastvrij was, en ’n mooi huis bewoonde op den besten stand, had hij veel bezoek; maar altijd in den vooravond; na het eten ging hij zijn partijtje maken in de sociëteit.’n Kwartiertje buiten de stad liep hij een niet al te best onderhouden erf op. De damp was opgetrokken, en de zon verguldde reeds de boomtoppen. Bruce had dapper loopen rooken. Al was de damp weg, toch stonk het altijd naar die gemeene moerassen, zoo ’s morgens vroeg; en tusschen dat zoete luchtje van rottende plantaardige bestanddeelen,[7]dat met elk windje overkwam, stegen links en rechts uit de kampong langs den weg de geuren van ranzige klapperolie, rookend vochtig hout, nangha’s en andere lieflijkheden.„Zeg, George!” riep hij, een jongen man bij den arm schuddend, die in een luierstoel in de voorgalerij zat te slapen, „zeg, ben je gek! Moet je hier nu zitten slapen!”„Laat me met rust!” was het onvriendelijk antwoord, met een knoop er op. „Biah!Koppi!”Met een goedigen glimlach zag Bruce op hem neer; een glimlach van vergoelijkende kameraadschappelijkheid.„Ben jullie nog lang gebleven?” vroeg hij.„Biah!Koppi!” schreeuwde George nog eens, altijd met de oogen dicht. „Och God. Ik weet het niet,” antwoordde hij toen Bruce met ’n diepen zucht. „Laat me met rust.”„Ik dacht wel dat jullie aan den draai zoudt raken. Toen ik te twaalf uren mijn partijtje had gemaakt en naar huis ging, scheen het lieve leventje bij jullie eerst recht te beginnen.”George had nu zijn oogen op een kier gezet; ze stonden alleronmogelijkst flauw; het wit zag rood. Eerst toen een baboe ’n kop koffie bracht, richtte hij zich op en dronk met groote slokken.„Ja, papa,” zei hij toen, zuchtend weêr in zijn luierstoel vallend, „dat was je nachtje wel! Jongens, jongens, wat heb ik ’n verschrikkelijken kater!”Bruce lachte luid, liep even op en neer, en keek eens naar binnen.[8]„Dat zal wel overgaan voor je een meisje wordt. Neem een „straf” bittertje en ga baden, dan frisch je heelemaal op.”Maar depatiëntrilde alleen bij de gedachte aan dat gerecommandeerde „straffe” bittertje.„Nu bonjour,” ging de oude heer voort, toen hij geen antwoord kreeg en George zich ertoe bepaalde hem droomerig aan te kijken. „Ik kom van middag nog wel ’reis aan.”George deed als iemand, die met het hoofd knikt en staarde wezenloos Bruce na, die kaarsrecht en met flinken, jeugdigen tred, het erf af en den grooten weg opging. Daarna vielen hem de oogen weer dicht; hij sliep niet in; dat ging niet, naar het scheen; maar z’n oogen open houden was hem te machtig. Droomerige, fantastische beelden en voorstellingen doemden bij hem op, de een al akeliger dan de andere; beelden en voorstellingen van zijn eigen dood; hoe hij ziek was en sterven zou; er werd een roerende redevoering op zijn graf gehouden, over al zijn goede hoedanigheden, en dat hij zoo jong was heengegaan, ontscheurd.…. Wel verduiveld! de tranen kwamen hem ervan in de lodderige oogen.Woedend stond hij op. Wel verduiveld wat was dat ’n gemeenen hypochondrischen „kater”! Zoo iets was hem nog nooit overkomen, en hij haastte zich naar achter, naar de badkamer, waar hij tegen alle indische badreglementen in, zich als ’t ware in de mandi kuip liet vallen, en er eerst ’n half uur later uitkwam.’n Weinig verkwikt, keek hij het achtererf eens rond,vóórhij naar binnen ging. ’t Was zonde, maar de boel zag er niet te best uit. Hij had wel twee tuinlui noodig,[9]indien hij alles wilde in orde hebben, en ’t kostte toch al zooveel.… Neen, aan geldzaken moest hij maar niet denken! Dat was vreeselijk! Voor hem was het een onomstootelijk dogma, dat hij gedoemd was ten eeuwigen dage diep in de beren te zitten. Er kwam eensklaps een uitdrukking over zijn gezicht van groote verwondering; zijn lange gestalte scheen langer te worden; zijn hoofd, dat moedeloos naar beneden was gezakt, hief zich op; zijn blauwe oogen kwamen nog meer naar voren dan gewoonlijk; de uitdrukking van verbazing werd onnoozel en dom; eenige seconden keek hij in het fijne dichte groen der boomen zonder te zien.… Waarachtig het was zoo! Nu herinnerde hij het zich weer duidelijk. Het was den vorigen middag geweest, toen hij van ’t kantoor kwam. Het was al bijna duister; hij had den ouden heer op den weg ontmoet, en ze waren samen opgewandeld. Toen was hij erover begonnen. Hoe hij het zoo maar had durven doen, snapte hij niet recht. Maar o neen, ’t was zeker, hij herinnerde het zich nu heel levendig in alle détails.… hij had Lena Bruce ten huwelijk gevraagd aan haar vader.„Te duivel,” dacht hij, zich de oogen wrijvend met den rug van zijn hand, „dat was gek! Hoe was ik daar ook weer toe gekomen? En het was serieus óók. De oude Bruce had er niets tegen; als zijn vrouw en Leentje het goed vonden was ’t hem wel, mits.… George zoo spoedig mogelijk zijn tegenwoordig huishouden opbrak.”Hij lachte om zichzelven, en schudde het hoofd over zichzelven. Zoo’n gekke vent als hij, dacht-ie, daarvan waren er ook geen dertien in ’n dozijn![10]Zoo George Vermey al op dat oogenblik buiten staat was ernstig na te denken,—de herinnering aan zijn huwelijksaanzoek verbande toch de weinige levensvreugde, die hem dien ochtend bezielde. En diezelfde herinnering deed hem binnenshuis de kamer mijden, waar Ypsilanti Nesnaj al ’n uur bezig was aan haar toilet.—De baboe Biah had in z’n slaapvertrek schoon linnengoed klaar gelegd en alles gereed gezet, wat hij noodig had voor zijn toilet. Tot zijn eigenaardigheden behoorde, dat hij, behalve een ouden, vuilen tuinjongen, nooit een mannelijken bediende hield; hij noemde dat „een principe”. Met de grootste zorg kleedde hij zich, verzorgde met teedere belangstelling zijn onbeduidend vlasblond kneveltje en liet zijn wagen inspannen om naar ’t kantoor te rijden.In de gang stond hij even stil, en riep luid met vriendelijke stemmodulatie:„Dag!”Er ging een deur open, en om den hoek keek een mooi donker kopje met een overvloed van dartele krulletjes op het voorhoofd, groote schitterende zwarte oogen, en een vroolijk lachenden mond met parelwitte tanden. ’t Was Ypsilanti Nesnaj, wier militaire vader haar zijn omgekeerden geslachtsnaam had gegeven en den mallen voornaam, dien hij had gelezen in een boek over een griekschen prins.’t Mooie schilderijtje ontroerde George. Hij kon niet nalaten er heen te gaan en Yps een zoen te geven. In de binnengalerij keek hij bij zijn vertrek eens rond. Wat zag alles er keurig uit! Ja, ’t was geen wonder! ’t Had[11]hem ook ’n handvol geld gekost, waarvan hij ’t grootste deel nog schuldig was. Hij zuchtte. Het zou ’n dingetje wezen, háár eruit te krijgen! Zij zat zoo graag op die mooie divans; zij hield zooveel van die fijne gravures; zij keek zoo graag in die groote spiegels,—het bloed steeg hem van benauwdheid naar het hoofd, bij de gedachte aan de scènes, die onvermijdelijk waren, als zij hoorde, dat ze terug moest naar de kampong. En dan dat oude, leelijke wijf, achter in de bijgebouwen, die zich thans zoo gemoedelijk zijn aardigheden liet welgevallen, als hij gezelschap had van vroolijke vrienden, en haar dan liet roepen om haar voor te stellen als zijn „schoonmama.” Wat zou die ’n kabaal maken, als zij vernam, dat ze „schoonmama af” was!Hij was niet zonder ervaring. Ofschoon hij er—zonder „kater”—jong, knap en frisch uitzag, waren de laatste twaalf zijner twee en dertig jaren erg wild geweest. Van zijn krachtig lichaam had hij veel gevergd, en hij had voor allerleimoeilijkeen onaangenameperkara’sgestaan. Maar het scheen hem toe, dat hij nog nooit in zoo’n lastig parket was geraakt, als thans met die huwelijks-aanvraag.Met ’n zeker air stapte hij voor ’t kantoor uit den wagen. Hij was eerste geëmployeerde bij een handelshuis en schoon niet ruw of onvriendelijk tegen het minder personeel, zag hij graag, dat het erg beleefd was tegen hem, en nam hij vanzelf een gemoedelijk genadigen toon aan. Nu, ze hadden respect voor hem op ’t kantoor, want hij was „knap” zeiden ze, en de chefs vonden dat ook wel,[12]maar hielden niet bijzonder veel van hem; hij was zoo’n rare kerel; soms was hij erg meêgaande, en een ander oogenblik kon men licht de grootste standjes met hem krijgen. Zijn werk overigens was uitstekend. Altijd even onberispelijk en net; zoo het al niet accurater was dan dat van anderen,—het had er voor ’t minst den schijn van.In zijn overhemd zittend voor z’n lessenaar en z’n boeken, scheurde hij het blaadje van den vorigen dag af op den scheurkalender. Onder den datum stond met potlood iets gekrabbeld.„God, God, ja!” zei hij „dat gezanik ook nog.”Hij liet een copiist roepen, een broodmagere, grauwbruine jonge man; een dier Indo-Europeanen, die nooit transpireeren en altijd koude handen hebben, maar meestal slim genoeg zijn.„Esreteip,” zei Vermey (’s mans grootvader had Pieterse geheeten) „je weet dat het vandaag de veertiende is.”„Ja meneer.”„Hier heb je een qualificatie. Maar eerst aan den vendumeester laten kijken of het in orde is, hoor!”„Altijd, meneer.”„Dus jij zorgt daar dan voor, hé?”„Ja, meneer.”Vermey was opgestaan, hij lei goedig en vertrouwelijk zijn hand op den schouder van den ondergeschikte, en zei zacht:„En je houdt den mond. Tegen niemand ’n woord! Ik zal het met jou wel goed maken. Dat weet je wel.”[13]De arme Esreteip knikte glimlachend. Hij was de man, die altijd de vele geheimzinnige boodschappen deed, die een celibatair van George’s soort vrij veelvuldig te doen heeft; maar dat „goed maken,”—nu daar wist hij alles van! Dat ging niet veel verder, dan nu en dan een voordeeltje voor rekening van de firma. Anders geen cent!Toch ging hij welgemoed naar de vendutie en gaf er zijn machtiging af om voor rekening van den heer Vermey te koopen tot een bedrag van duizend gulden. De vendumeester keek het stuk eens aan en knikte. Het was goed. Vermey wilde hij wel crediet geven, en Esreteip kende hij als employé op diens kantoor. De klerk stond te praten met ’n paar anderen, die erg veel op hem geleken. Zij zagen bij den verkoop der goederen onverschillig toe. Wat kon het hun schelen?Eerst toen de venduhouder een doosje met diamanten omhoog hield, en niet zonder ironie in den toon zijner stem uitschreeuwde: „Een verzameling prachtige diamanten!” riep Esreteip. „Tweehonderd.” Het drietal bood nu tegen elkaar op, en eindelijk bleef de klerk het laatst aan bod voor precies duizend gulden.Eenmaal.… andermaal.… voor de.… Niemand meer dan duizend gulden?.… Voor de derdemaal. Voor meneer.…?„Vermey,” zei de klerk.„Voor meneer G. Vermey!”De venduhouder nam glimlachend iets anders ter hand; de vendumeester streek glimlachend z’n knevels neer; twee Arabieren, zuiver semitische typen, keken elkaar veelbeteekenend[14]in de kleine slimme oogjes;bira!liet zich een dikke „brutale” Chinees ontvallen.Met het juweelen doosje in de hand ging de omgekeerde Pieterse terug naar het kantoor. Vermey had het heel druk; ’t was maildag, en daar het beste deel van den ochtend met praten en rondkijken was doorgebracht, lag er een stapel werk voor hem, dat af moest.„’t Is goed,” zei hij, „zet maar neer, en nu als de drommel aan het schrijven.”Daarmeê scheen de moeite beloond, want toen den volgenden ochtend Vermey bij den venduhouder kwam om, als verkooper van het doosje, ’t bedrag te innen van het vendu-accept, begon hij te rekenen, en zag, dat door de loonen, onkosten en percenten als kooper en verkooper, dit wel de duurste manier was om geld op te nemen, die men kon bedenken. Aan het geven van extra’s dacht hij niet langer.En den dag zelf had hij het zóó druk! Toch was hij met het eigenlijke werk al om halfzes klaar; doch dat baatte niet; op ’n maildag kon hij toch niet weg vóór zeven uren, halfacht. Zóólang bleef dan de chef van het concurreerend handelshuis aan den anderen kant der rivier ook op diens kantoor, en zoolang men dáár het rijtuig zag wachten, kon George’s chef onmogelijk besluiten naar huis te gaan. Men zou waarlijk wel gedacht hebben, dat er niets omging bij hem op ’t kantoor!Met zijn neus tegen ’t venster gedrukt, stond Vermey te turen naar buiten, naar de vallende duisternis, en hij dacht weêr aan dat voorgenomen huwelijk.—Lena Bruce zou een aardigen duit meêkrijgen; dat stond vast. Mooi was ze[15]niet, maar lief, fatsoenlijk en zeer elegant en smaakvol. Te drommel ja! Wat haar toiletten betreft—en men zei, dat ze die zelf maakte,—was zij op elke partij in de sociëteitla reine du bal. Hij zelf kwam op den leeftijd, vond hij, dat men trouwen moest; het ging niet langer aan ’n leventje te leiden van vroolijken Frans met het daaraan onafscheidelijk verbonden indisch concubinaat. Er was een tijd om geregeld te gaan leven; en die tijd was voor hem nu juist aangebroken. Mooi? Nu, wat gaf hij daarom!Een vrouw trouwde, en kreeg kinderen;danwas zij, naar zijn opvatting, niet mooi meer, al had ze ook een gezicht als een engel! Wat deed er dus dàt toe?En dan de pecunia! Hij had een goed tractement, maar het was gek: hoe meer hij verdiende, des te aanzienlijker werden zijn tekorten, en hij herinnerde zich heel goed, dat toen zijn inkomen half zoo groot was als thans, hij nauwelijks half zoo diep in de beren zat.Trouwen was onvermijdelijk, daarvan raakte hij meer en meer overtuigd. Hij haalde er al zijn maatschappelijke en zedelijke argumenten bij; al de goede conventioneele gevoelens over een gelukkig huiselijk leven, behoorlijk en wettig gesanctionneerd, riep hij op in zijn geest; hij liet zijn verbeelding werken, en zag als ’t ware het mooie coquette huisje, waarin hij zoo gezellig zou zitten met zijn vrouwtje, later ook met zijn kindje—maar dan kwam ineens daartusschen het vroolijke, onbezorgde donkere gezichtje van Yps.……[16]
[Inhoud]EERSTE HOOFDSTUK.Kijkjes hier en daar.Achter het schutsel stond een nachtlampje, en op de fijne palembangsche mat lag, zonder kabaai aan, enkel in haarkoetangensarong, een meisje van omstreeks twintig jaren te lezen. Ze was eêr leelijk dan mooi. Ofschoon een blondine van zuiver europeesche afkomst, had ze geen wezenlijk blanke huid; er was iets onbevredigend groezeligs in. Haar groote lichte oogen stonden flets, met donkere ongezonde kringen er omheen. En onder de jongelui was haar volslagen gebrek aan weelderige vormen spreekwoordelijk. „Zoo mager als Lena Bruce”, zeiden ze. Toch zou ieder, die haar dáár zoo onverschillig op den grond had zien liggen, haar bewonderd hebben, om den rijkdom van prachtig blond hoofdhaar, dat bijna haar geheele tengere gestalte bedekte als een fijne mantel, in zacht genuanceerde tinten, hier en daar schitterend in het licht. Het was haar lust, maar ook haar last. Welk een verademing,[2]als ze dat ’s avonds kon losgooien! ’s avonds als ze in haar moeders kamer ging om er verder den nacht door te brengen; als ze zich voor niets en niemand meer behoefde te geneeren!’t Was al één uur in den regenachtigen nacht; buiten was het stil; niets weerklonk daar, dan het schel piepen der krekels, en in de verte het koor-gekwaak der kikvorschen in de rawahs, met diepe bassen, barytons en tenoren in een eindeloos lied van twee tonen.In de kamer, een bovenvertrek, hoorde men een geheel ander geluid, eentoniger nog, naarder, ziekelijker; dat van een zagende, zangerig steunende ademhaling, als benauwd klagend over de moeite, die het kostte om haar werk te doen, zóóveel keeren in de minuut in en uit.De oude mevrouw Bruce leed aan asthma; het was een verschrikkelijk lijden, dat al jaren duurde, eer erger werd dan beter, en nog heel lang duren kon. Vooral ’s nachts en in het bed had de zieke het kwaad. Liggen kon ze al maanden niet; ze zat rechtop tegen een stapel kussens, haast den heelen nacht wakker, tobbend met haar kwaal.„Leentje!”Ze was ingedommeld, met haar neus op het boek,—maar hoe zacht ook de toonlooze schorre stem harer moeder riep,—ze hoorde die dadelijk, en streek zich, wakker schrikkend, met beide handen de haren uit het gezicht.„Ja, ma!”„Leg m’n kussens eens goed.”Het behoefde niet eens gezegd te worden. Ze wist wel wat het was. Dáárvoor werd ze wel tienmaal geroepen[3]elken nacht tusschen elf en vijf uren. Ze was de eenige die het doen kon, naar den zin harer moeder, die niet geholpen wilde worden van iemand anders dan van Lena. Van een baboe mocht men zelfs niet spreken; die mocht niet op haar kamer komen, als zij er was.„Hoe gaat het nu, ma?”„Och, zoo! Is het nog geen tijd!”„Voor uw drankje? Neen, nog ’n half uur.”Het meisje dorst nu niet weêr in te slapen; een half uur was ook de moeite niet! Ze las verder in haar kinderlijk engelsch romannetje, tot beneden in de gesloten, holle achtergalerij de klok twee luid weêrklinkende diepe slagen sloeg.„Leentje!”Ze had even gewacht om nog tien regels te lezen tot het hoofdstuk uit was; maar de zieke waakte.„Ja, ma!”En zoo ging het nu elken nacht! Wat een gezonde slaap was van ’savondstot ’s ochtends, wist Lena Bruce niet meer; ze dacht er zelfs niet aan; zij meende dat men gewoon raakt aan alles, ook aan het gemis van een behoorlijke nachtrust.Eerst tegen ’n uur of vier viel haar moeder in een diepen, loodzwaren benauwden slaap vol akelig kreunen, met allerlei geluiden in de op allerlei wijze belemmerde ademhaling, van zwaar rochelende tot hooge flageolet-tonen. Dan sliep ook Lena, soms op de mat bij haar boek, soms op den divan, doodmoê in.Flauw grijsde het in de verte boven de rawahs; enkele[4]vogels vlogen op met schel gefluit tegen het dagend licht; één haan had ’t sein gegeven en de kraaiende gemeente barstte los van alle kanten; krakend over het grind van den weg rolden de grobaks langzaam naar de stad; de bamboezen pikolans, buigend onder het gewicht, voor en achter van groenten en vruchten, markeerden in zacht zwiepend koor den pas der inlandsche dragers, op een sukkeldrafje naar de pasar.Zacht, maar met zekeren drang werd op de deur geklopt; een mannenstem riep met ingehouden kracht:„Leen, Leen!”Zuchtend en slaapdronken stond ze op, waggelde naar het rekje, naast de waschtafel, nam er een handdoek af en verliet de kamer. Maar bij de trap ging ze op den grond zitten, met haar voeten op de bovenste trede, de puntige ellebogen op de magere knieën, de fijne handjes onder het hoofd, soezerig, slaperig.„Kom Leen!” zei achter haar dezelfde dringende mannenstem: „Ga daar niet zitten slapen.Ajo, ga baden!”„Jaa, Paa!” zei ze zich uitrekkend met een klagenden, langen geeuw, en zuchtend scharrelde ze naar beneden.Haar bedrijvig leven ving aan. De jongens, die naar school moesten, waren al lang wakker en hadden behoefte aan eten, drinken, schoone kleeren en nog meer. Ze had maar even den tijd om zich geheel wakker te baden. Papa liep met groote stappen de achtergalerij op en neer, snakkend naar een kop koffie en z’n morgenwandeling daarna; in afwachting de kinderen beknorrend. De een vroeg kaas, maar dat wilde papa niet, want zei hij, de jongen was al[5]zoo puistig; de ander, die eieren moest eten en melk drinken, lustte geen melk en geen eieren; hij wou koek, maar die zou hij nu, „om den donder” niet hebben, zei Papa, en de derde, die koek at en eten mocht, jammerde van de pijn toen een stukje in een half verwoest kiesje verdwaalde. Intusschen repte Lena zich, opgewonden en zenuwachtig van de drukte en het rumoer; zich haastend om in de eerste plaats haar vader de deur uit te krijgen; want die was de lastigste van allen.Toen eindelijk haar oudste broers naar hun kantoren en de jongste naar hun scholen waren, at ze een stuk brood met wat gelei en dronk ’n kop koffie. Daarna weer dadelijk in ’t gareel van de zorg voor dat groote huis en dat talrijke gezin, enkel rustend op haar tengere schouders, zonder dat er ooit iemand was, die in ernst vreesde, dat dit wel wat al te zwaar was.Want zij beklaagde zich nooit; zij was in gezelschap opgewekt en vroolijk; als er dames waren, die zelf den godganschen dag in luiheid doorbrachten, en dan haar beklaagden omdat ze zooveel te doen had, antwoordde ze vergoelijkend: „dat het nogal gemakkelijk ging.” Men had geen succes van meewarigheid bij Lena Bruce, en spaarde die dus reeds lang voor dankbaarder sujetten!Intusschen vervolgde haar vader de verre ochtendwandeling, zijn eenig dagelijksch werk. Op zijn veertigste jaar als ondergeschikt ambtenaar gepensionneerd, had hij zijn, geldelijk toen hoogst bescheiden, omstandigheden verbeterd door een rijke kinderlooze weduwe te trouwen. Dat was hem niet alleen gelukt,—hij was er zelfs in geslaagd[6]haar in een rijk met kinderen gezegende huismoeder te herscheppen, en hij zou ook kans hebben gezien haar arm te maken, als zij niet met groote geestkracht de hooge hand had gehouden over het huiselijk departement van financiën. Zijn pensioen mocht hij verteren in de sociëteit en aan sigaren; van dien plicht kweet hij zich nu reeds drie en twintig jaren met roerende nauwgezetheid. Maar daarbij bleef het. Zelfs nu, terwijl ze zoo ziek en zwak was, liet zij hem het geldelijk beheer niet. Hij was daar blij om en vroeg er niet naar. Wat zou hij nu op z’n ouden dag, na haast ’n kwart eeuw in een zalig nietsdoen te hebben doorgebracht, moeten aanvangen, als hij genoodzaakt werd iets.… te doen.Ondanks zijn nederig gewezen-ambtenaarschap en zijn nog nederiger positie als „man van zijn vrouw,” mocht Bruce zich verheugen in de algemeene sympathie. Met zijn witten krullebol en zijne witte bakkebaarden, zijn gezond uiterlijk en levendige oogen was hij het type van een knap, goed geconserveerd oud man. Men mocht hem graag, en daar hij gul en gastvrij was, en ’n mooi huis bewoonde op den besten stand, had hij veel bezoek; maar altijd in den vooravond; na het eten ging hij zijn partijtje maken in de sociëteit.’n Kwartiertje buiten de stad liep hij een niet al te best onderhouden erf op. De damp was opgetrokken, en de zon verguldde reeds de boomtoppen. Bruce had dapper loopen rooken. Al was de damp weg, toch stonk het altijd naar die gemeene moerassen, zoo ’s morgens vroeg; en tusschen dat zoete luchtje van rottende plantaardige bestanddeelen,[7]dat met elk windje overkwam, stegen links en rechts uit de kampong langs den weg de geuren van ranzige klapperolie, rookend vochtig hout, nangha’s en andere lieflijkheden.„Zeg, George!” riep hij, een jongen man bij den arm schuddend, die in een luierstoel in de voorgalerij zat te slapen, „zeg, ben je gek! Moet je hier nu zitten slapen!”„Laat me met rust!” was het onvriendelijk antwoord, met een knoop er op. „Biah!Koppi!”Met een goedigen glimlach zag Bruce op hem neer; een glimlach van vergoelijkende kameraadschappelijkheid.„Ben jullie nog lang gebleven?” vroeg hij.„Biah!Koppi!” schreeuwde George nog eens, altijd met de oogen dicht. „Och God. Ik weet het niet,” antwoordde hij toen Bruce met ’n diepen zucht. „Laat me met rust.”„Ik dacht wel dat jullie aan den draai zoudt raken. Toen ik te twaalf uren mijn partijtje had gemaakt en naar huis ging, scheen het lieve leventje bij jullie eerst recht te beginnen.”George had nu zijn oogen op een kier gezet; ze stonden alleronmogelijkst flauw; het wit zag rood. Eerst toen een baboe ’n kop koffie bracht, richtte hij zich op en dronk met groote slokken.„Ja, papa,” zei hij toen, zuchtend weêr in zijn luierstoel vallend, „dat was je nachtje wel! Jongens, jongens, wat heb ik ’n verschrikkelijken kater!”Bruce lachte luid, liep even op en neer, en keek eens naar binnen.[8]„Dat zal wel overgaan voor je een meisje wordt. Neem een „straf” bittertje en ga baden, dan frisch je heelemaal op.”Maar depatiëntrilde alleen bij de gedachte aan dat gerecommandeerde „straffe” bittertje.„Nu bonjour,” ging de oude heer voort, toen hij geen antwoord kreeg en George zich ertoe bepaalde hem droomerig aan te kijken. „Ik kom van middag nog wel ’reis aan.”George deed als iemand, die met het hoofd knikt en staarde wezenloos Bruce na, die kaarsrecht en met flinken, jeugdigen tred, het erf af en den grooten weg opging. Daarna vielen hem de oogen weer dicht; hij sliep niet in; dat ging niet, naar het scheen; maar z’n oogen open houden was hem te machtig. Droomerige, fantastische beelden en voorstellingen doemden bij hem op, de een al akeliger dan de andere; beelden en voorstellingen van zijn eigen dood; hoe hij ziek was en sterven zou; er werd een roerende redevoering op zijn graf gehouden, over al zijn goede hoedanigheden, en dat hij zoo jong was heengegaan, ontscheurd.…. Wel verduiveld! de tranen kwamen hem ervan in de lodderige oogen.Woedend stond hij op. Wel verduiveld wat was dat ’n gemeenen hypochondrischen „kater”! Zoo iets was hem nog nooit overkomen, en hij haastte zich naar achter, naar de badkamer, waar hij tegen alle indische badreglementen in, zich als ’t ware in de mandi kuip liet vallen, en er eerst ’n half uur later uitkwam.’n Weinig verkwikt, keek hij het achtererf eens rond,vóórhij naar binnen ging. ’t Was zonde, maar de boel zag er niet te best uit. Hij had wel twee tuinlui noodig,[9]indien hij alles wilde in orde hebben, en ’t kostte toch al zooveel.… Neen, aan geldzaken moest hij maar niet denken! Dat was vreeselijk! Voor hem was het een onomstootelijk dogma, dat hij gedoemd was ten eeuwigen dage diep in de beren te zitten. Er kwam eensklaps een uitdrukking over zijn gezicht van groote verwondering; zijn lange gestalte scheen langer te worden; zijn hoofd, dat moedeloos naar beneden was gezakt, hief zich op; zijn blauwe oogen kwamen nog meer naar voren dan gewoonlijk; de uitdrukking van verbazing werd onnoozel en dom; eenige seconden keek hij in het fijne dichte groen der boomen zonder te zien.… Waarachtig het was zoo! Nu herinnerde hij het zich weer duidelijk. Het was den vorigen middag geweest, toen hij van ’t kantoor kwam. Het was al bijna duister; hij had den ouden heer op den weg ontmoet, en ze waren samen opgewandeld. Toen was hij erover begonnen. Hoe hij het zoo maar had durven doen, snapte hij niet recht. Maar o neen, ’t was zeker, hij herinnerde het zich nu heel levendig in alle détails.… hij had Lena Bruce ten huwelijk gevraagd aan haar vader.„Te duivel,” dacht hij, zich de oogen wrijvend met den rug van zijn hand, „dat was gek! Hoe was ik daar ook weer toe gekomen? En het was serieus óók. De oude Bruce had er niets tegen; als zijn vrouw en Leentje het goed vonden was ’t hem wel, mits.… George zoo spoedig mogelijk zijn tegenwoordig huishouden opbrak.”Hij lachte om zichzelven, en schudde het hoofd over zichzelven. Zoo’n gekke vent als hij, dacht-ie, daarvan waren er ook geen dertien in ’n dozijn![10]Zoo George Vermey al op dat oogenblik buiten staat was ernstig na te denken,—de herinnering aan zijn huwelijksaanzoek verbande toch de weinige levensvreugde, die hem dien ochtend bezielde. En diezelfde herinnering deed hem binnenshuis de kamer mijden, waar Ypsilanti Nesnaj al ’n uur bezig was aan haar toilet.—De baboe Biah had in z’n slaapvertrek schoon linnengoed klaar gelegd en alles gereed gezet, wat hij noodig had voor zijn toilet. Tot zijn eigenaardigheden behoorde, dat hij, behalve een ouden, vuilen tuinjongen, nooit een mannelijken bediende hield; hij noemde dat „een principe”. Met de grootste zorg kleedde hij zich, verzorgde met teedere belangstelling zijn onbeduidend vlasblond kneveltje en liet zijn wagen inspannen om naar ’t kantoor te rijden.In de gang stond hij even stil, en riep luid met vriendelijke stemmodulatie:„Dag!”Er ging een deur open, en om den hoek keek een mooi donker kopje met een overvloed van dartele krulletjes op het voorhoofd, groote schitterende zwarte oogen, en een vroolijk lachenden mond met parelwitte tanden. ’t Was Ypsilanti Nesnaj, wier militaire vader haar zijn omgekeerden geslachtsnaam had gegeven en den mallen voornaam, dien hij had gelezen in een boek over een griekschen prins.’t Mooie schilderijtje ontroerde George. Hij kon niet nalaten er heen te gaan en Yps een zoen te geven. In de binnengalerij keek hij bij zijn vertrek eens rond. Wat zag alles er keurig uit! Ja, ’t was geen wonder! ’t Had[11]hem ook ’n handvol geld gekost, waarvan hij ’t grootste deel nog schuldig was. Hij zuchtte. Het zou ’n dingetje wezen, háár eruit te krijgen! Zij zat zoo graag op die mooie divans; zij hield zooveel van die fijne gravures; zij keek zoo graag in die groote spiegels,—het bloed steeg hem van benauwdheid naar het hoofd, bij de gedachte aan de scènes, die onvermijdelijk waren, als zij hoorde, dat ze terug moest naar de kampong. En dan dat oude, leelijke wijf, achter in de bijgebouwen, die zich thans zoo gemoedelijk zijn aardigheden liet welgevallen, als hij gezelschap had van vroolijke vrienden, en haar dan liet roepen om haar voor te stellen als zijn „schoonmama.” Wat zou die ’n kabaal maken, als zij vernam, dat ze „schoonmama af” was!Hij was niet zonder ervaring. Ofschoon hij er—zonder „kater”—jong, knap en frisch uitzag, waren de laatste twaalf zijner twee en dertig jaren erg wild geweest. Van zijn krachtig lichaam had hij veel gevergd, en hij had voor allerleimoeilijkeen onaangenameperkara’sgestaan. Maar het scheen hem toe, dat hij nog nooit in zoo’n lastig parket was geraakt, als thans met die huwelijks-aanvraag.Met ’n zeker air stapte hij voor ’t kantoor uit den wagen. Hij was eerste geëmployeerde bij een handelshuis en schoon niet ruw of onvriendelijk tegen het minder personeel, zag hij graag, dat het erg beleefd was tegen hem, en nam hij vanzelf een gemoedelijk genadigen toon aan. Nu, ze hadden respect voor hem op ’t kantoor, want hij was „knap” zeiden ze, en de chefs vonden dat ook wel,[12]maar hielden niet bijzonder veel van hem; hij was zoo’n rare kerel; soms was hij erg meêgaande, en een ander oogenblik kon men licht de grootste standjes met hem krijgen. Zijn werk overigens was uitstekend. Altijd even onberispelijk en net; zoo het al niet accurater was dan dat van anderen,—het had er voor ’t minst den schijn van.In zijn overhemd zittend voor z’n lessenaar en z’n boeken, scheurde hij het blaadje van den vorigen dag af op den scheurkalender. Onder den datum stond met potlood iets gekrabbeld.„God, God, ja!” zei hij „dat gezanik ook nog.”Hij liet een copiist roepen, een broodmagere, grauwbruine jonge man; een dier Indo-Europeanen, die nooit transpireeren en altijd koude handen hebben, maar meestal slim genoeg zijn.„Esreteip,” zei Vermey (’s mans grootvader had Pieterse geheeten) „je weet dat het vandaag de veertiende is.”„Ja meneer.”„Hier heb je een qualificatie. Maar eerst aan den vendumeester laten kijken of het in orde is, hoor!”„Altijd, meneer.”„Dus jij zorgt daar dan voor, hé?”„Ja, meneer.”Vermey was opgestaan, hij lei goedig en vertrouwelijk zijn hand op den schouder van den ondergeschikte, en zei zacht:„En je houdt den mond. Tegen niemand ’n woord! Ik zal het met jou wel goed maken. Dat weet je wel.”[13]De arme Esreteip knikte glimlachend. Hij was de man, die altijd de vele geheimzinnige boodschappen deed, die een celibatair van George’s soort vrij veelvuldig te doen heeft; maar dat „goed maken,”—nu daar wist hij alles van! Dat ging niet veel verder, dan nu en dan een voordeeltje voor rekening van de firma. Anders geen cent!Toch ging hij welgemoed naar de vendutie en gaf er zijn machtiging af om voor rekening van den heer Vermey te koopen tot een bedrag van duizend gulden. De vendumeester keek het stuk eens aan en knikte. Het was goed. Vermey wilde hij wel crediet geven, en Esreteip kende hij als employé op diens kantoor. De klerk stond te praten met ’n paar anderen, die erg veel op hem geleken. Zij zagen bij den verkoop der goederen onverschillig toe. Wat kon het hun schelen?Eerst toen de venduhouder een doosje met diamanten omhoog hield, en niet zonder ironie in den toon zijner stem uitschreeuwde: „Een verzameling prachtige diamanten!” riep Esreteip. „Tweehonderd.” Het drietal bood nu tegen elkaar op, en eindelijk bleef de klerk het laatst aan bod voor precies duizend gulden.Eenmaal.… andermaal.… voor de.… Niemand meer dan duizend gulden?.… Voor de derdemaal. Voor meneer.…?„Vermey,” zei de klerk.„Voor meneer G. Vermey!”De venduhouder nam glimlachend iets anders ter hand; de vendumeester streek glimlachend z’n knevels neer; twee Arabieren, zuiver semitische typen, keken elkaar veelbeteekenend[14]in de kleine slimme oogjes;bira!liet zich een dikke „brutale” Chinees ontvallen.Met het juweelen doosje in de hand ging de omgekeerde Pieterse terug naar het kantoor. Vermey had het heel druk; ’t was maildag, en daar het beste deel van den ochtend met praten en rondkijken was doorgebracht, lag er een stapel werk voor hem, dat af moest.„’t Is goed,” zei hij, „zet maar neer, en nu als de drommel aan het schrijven.”Daarmeê scheen de moeite beloond, want toen den volgenden ochtend Vermey bij den venduhouder kwam om, als verkooper van het doosje, ’t bedrag te innen van het vendu-accept, begon hij te rekenen, en zag, dat door de loonen, onkosten en percenten als kooper en verkooper, dit wel de duurste manier was om geld op te nemen, die men kon bedenken. Aan het geven van extra’s dacht hij niet langer.En den dag zelf had hij het zóó druk! Toch was hij met het eigenlijke werk al om halfzes klaar; doch dat baatte niet; op ’n maildag kon hij toch niet weg vóór zeven uren, halfacht. Zóólang bleef dan de chef van het concurreerend handelshuis aan den anderen kant der rivier ook op diens kantoor, en zoolang men dáár het rijtuig zag wachten, kon George’s chef onmogelijk besluiten naar huis te gaan. Men zou waarlijk wel gedacht hebben, dat er niets omging bij hem op ’t kantoor!Met zijn neus tegen ’t venster gedrukt, stond Vermey te turen naar buiten, naar de vallende duisternis, en hij dacht weêr aan dat voorgenomen huwelijk.—Lena Bruce zou een aardigen duit meêkrijgen; dat stond vast. Mooi was ze[15]niet, maar lief, fatsoenlijk en zeer elegant en smaakvol. Te drommel ja! Wat haar toiletten betreft—en men zei, dat ze die zelf maakte,—was zij op elke partij in de sociëteitla reine du bal. Hij zelf kwam op den leeftijd, vond hij, dat men trouwen moest; het ging niet langer aan ’n leventje te leiden van vroolijken Frans met het daaraan onafscheidelijk verbonden indisch concubinaat. Er was een tijd om geregeld te gaan leven; en die tijd was voor hem nu juist aangebroken. Mooi? Nu, wat gaf hij daarom!Een vrouw trouwde, en kreeg kinderen;danwas zij, naar zijn opvatting, niet mooi meer, al had ze ook een gezicht als een engel! Wat deed er dus dàt toe?En dan de pecunia! Hij had een goed tractement, maar het was gek: hoe meer hij verdiende, des te aanzienlijker werden zijn tekorten, en hij herinnerde zich heel goed, dat toen zijn inkomen half zoo groot was als thans, hij nauwelijks half zoo diep in de beren zat.Trouwen was onvermijdelijk, daarvan raakte hij meer en meer overtuigd. Hij haalde er al zijn maatschappelijke en zedelijke argumenten bij; al de goede conventioneele gevoelens over een gelukkig huiselijk leven, behoorlijk en wettig gesanctionneerd, riep hij op in zijn geest; hij liet zijn verbeelding werken, en zag als ’t ware het mooie coquette huisje, waarin hij zoo gezellig zou zitten met zijn vrouwtje, later ook met zijn kindje—maar dan kwam ineens daartusschen het vroolijke, onbezorgde donkere gezichtje van Yps.……[16]
EERSTE HOOFDSTUK.Kijkjes hier en daar.
Achter het schutsel stond een nachtlampje, en op de fijne palembangsche mat lag, zonder kabaai aan, enkel in haarkoetangensarong, een meisje van omstreeks twintig jaren te lezen. Ze was eêr leelijk dan mooi. Ofschoon een blondine van zuiver europeesche afkomst, had ze geen wezenlijk blanke huid; er was iets onbevredigend groezeligs in. Haar groote lichte oogen stonden flets, met donkere ongezonde kringen er omheen. En onder de jongelui was haar volslagen gebrek aan weelderige vormen spreekwoordelijk. „Zoo mager als Lena Bruce”, zeiden ze. Toch zou ieder, die haar dáár zoo onverschillig op den grond had zien liggen, haar bewonderd hebben, om den rijkdom van prachtig blond hoofdhaar, dat bijna haar geheele tengere gestalte bedekte als een fijne mantel, in zacht genuanceerde tinten, hier en daar schitterend in het licht. Het was haar lust, maar ook haar last. Welk een verademing,[2]als ze dat ’s avonds kon losgooien! ’s avonds als ze in haar moeders kamer ging om er verder den nacht door te brengen; als ze zich voor niets en niemand meer behoefde te geneeren!’t Was al één uur in den regenachtigen nacht; buiten was het stil; niets weerklonk daar, dan het schel piepen der krekels, en in de verte het koor-gekwaak der kikvorschen in de rawahs, met diepe bassen, barytons en tenoren in een eindeloos lied van twee tonen.In de kamer, een bovenvertrek, hoorde men een geheel ander geluid, eentoniger nog, naarder, ziekelijker; dat van een zagende, zangerig steunende ademhaling, als benauwd klagend over de moeite, die het kostte om haar werk te doen, zóóveel keeren in de minuut in en uit.De oude mevrouw Bruce leed aan asthma; het was een verschrikkelijk lijden, dat al jaren duurde, eer erger werd dan beter, en nog heel lang duren kon. Vooral ’s nachts en in het bed had de zieke het kwaad. Liggen kon ze al maanden niet; ze zat rechtop tegen een stapel kussens, haast den heelen nacht wakker, tobbend met haar kwaal.„Leentje!”Ze was ingedommeld, met haar neus op het boek,—maar hoe zacht ook de toonlooze schorre stem harer moeder riep,—ze hoorde die dadelijk, en streek zich, wakker schrikkend, met beide handen de haren uit het gezicht.„Ja, ma!”„Leg m’n kussens eens goed.”Het behoefde niet eens gezegd te worden. Ze wist wel wat het was. Dáárvoor werd ze wel tienmaal geroepen[3]elken nacht tusschen elf en vijf uren. Ze was de eenige die het doen kon, naar den zin harer moeder, die niet geholpen wilde worden van iemand anders dan van Lena. Van een baboe mocht men zelfs niet spreken; die mocht niet op haar kamer komen, als zij er was.„Hoe gaat het nu, ma?”„Och, zoo! Is het nog geen tijd!”„Voor uw drankje? Neen, nog ’n half uur.”Het meisje dorst nu niet weêr in te slapen; een half uur was ook de moeite niet! Ze las verder in haar kinderlijk engelsch romannetje, tot beneden in de gesloten, holle achtergalerij de klok twee luid weêrklinkende diepe slagen sloeg.„Leentje!”Ze had even gewacht om nog tien regels te lezen tot het hoofdstuk uit was; maar de zieke waakte.„Ja, ma!”En zoo ging het nu elken nacht! Wat een gezonde slaap was van ’savondstot ’s ochtends, wist Lena Bruce niet meer; ze dacht er zelfs niet aan; zij meende dat men gewoon raakt aan alles, ook aan het gemis van een behoorlijke nachtrust.Eerst tegen ’n uur of vier viel haar moeder in een diepen, loodzwaren benauwden slaap vol akelig kreunen, met allerlei geluiden in de op allerlei wijze belemmerde ademhaling, van zwaar rochelende tot hooge flageolet-tonen. Dan sliep ook Lena, soms op de mat bij haar boek, soms op den divan, doodmoê in.Flauw grijsde het in de verte boven de rawahs; enkele[4]vogels vlogen op met schel gefluit tegen het dagend licht; één haan had ’t sein gegeven en de kraaiende gemeente barstte los van alle kanten; krakend over het grind van den weg rolden de grobaks langzaam naar de stad; de bamboezen pikolans, buigend onder het gewicht, voor en achter van groenten en vruchten, markeerden in zacht zwiepend koor den pas der inlandsche dragers, op een sukkeldrafje naar de pasar.Zacht, maar met zekeren drang werd op de deur geklopt; een mannenstem riep met ingehouden kracht:„Leen, Leen!”Zuchtend en slaapdronken stond ze op, waggelde naar het rekje, naast de waschtafel, nam er een handdoek af en verliet de kamer. Maar bij de trap ging ze op den grond zitten, met haar voeten op de bovenste trede, de puntige ellebogen op de magere knieën, de fijne handjes onder het hoofd, soezerig, slaperig.„Kom Leen!” zei achter haar dezelfde dringende mannenstem: „Ga daar niet zitten slapen.Ajo, ga baden!”„Jaa, Paa!” zei ze zich uitrekkend met een klagenden, langen geeuw, en zuchtend scharrelde ze naar beneden.Haar bedrijvig leven ving aan. De jongens, die naar school moesten, waren al lang wakker en hadden behoefte aan eten, drinken, schoone kleeren en nog meer. Ze had maar even den tijd om zich geheel wakker te baden. Papa liep met groote stappen de achtergalerij op en neer, snakkend naar een kop koffie en z’n morgenwandeling daarna; in afwachting de kinderen beknorrend. De een vroeg kaas, maar dat wilde papa niet, want zei hij, de jongen was al[5]zoo puistig; de ander, die eieren moest eten en melk drinken, lustte geen melk en geen eieren; hij wou koek, maar die zou hij nu, „om den donder” niet hebben, zei Papa, en de derde, die koek at en eten mocht, jammerde van de pijn toen een stukje in een half verwoest kiesje verdwaalde. Intusschen repte Lena zich, opgewonden en zenuwachtig van de drukte en het rumoer; zich haastend om in de eerste plaats haar vader de deur uit te krijgen; want die was de lastigste van allen.Toen eindelijk haar oudste broers naar hun kantoren en de jongste naar hun scholen waren, at ze een stuk brood met wat gelei en dronk ’n kop koffie. Daarna weer dadelijk in ’t gareel van de zorg voor dat groote huis en dat talrijke gezin, enkel rustend op haar tengere schouders, zonder dat er ooit iemand was, die in ernst vreesde, dat dit wel wat al te zwaar was.Want zij beklaagde zich nooit; zij was in gezelschap opgewekt en vroolijk; als er dames waren, die zelf den godganschen dag in luiheid doorbrachten, en dan haar beklaagden omdat ze zooveel te doen had, antwoordde ze vergoelijkend: „dat het nogal gemakkelijk ging.” Men had geen succes van meewarigheid bij Lena Bruce, en spaarde die dus reeds lang voor dankbaarder sujetten!Intusschen vervolgde haar vader de verre ochtendwandeling, zijn eenig dagelijksch werk. Op zijn veertigste jaar als ondergeschikt ambtenaar gepensionneerd, had hij zijn, geldelijk toen hoogst bescheiden, omstandigheden verbeterd door een rijke kinderlooze weduwe te trouwen. Dat was hem niet alleen gelukt,—hij was er zelfs in geslaagd[6]haar in een rijk met kinderen gezegende huismoeder te herscheppen, en hij zou ook kans hebben gezien haar arm te maken, als zij niet met groote geestkracht de hooge hand had gehouden over het huiselijk departement van financiën. Zijn pensioen mocht hij verteren in de sociëteit en aan sigaren; van dien plicht kweet hij zich nu reeds drie en twintig jaren met roerende nauwgezetheid. Maar daarbij bleef het. Zelfs nu, terwijl ze zoo ziek en zwak was, liet zij hem het geldelijk beheer niet. Hij was daar blij om en vroeg er niet naar. Wat zou hij nu op z’n ouden dag, na haast ’n kwart eeuw in een zalig nietsdoen te hebben doorgebracht, moeten aanvangen, als hij genoodzaakt werd iets.… te doen.Ondanks zijn nederig gewezen-ambtenaarschap en zijn nog nederiger positie als „man van zijn vrouw,” mocht Bruce zich verheugen in de algemeene sympathie. Met zijn witten krullebol en zijne witte bakkebaarden, zijn gezond uiterlijk en levendige oogen was hij het type van een knap, goed geconserveerd oud man. Men mocht hem graag, en daar hij gul en gastvrij was, en ’n mooi huis bewoonde op den besten stand, had hij veel bezoek; maar altijd in den vooravond; na het eten ging hij zijn partijtje maken in de sociëteit.’n Kwartiertje buiten de stad liep hij een niet al te best onderhouden erf op. De damp was opgetrokken, en de zon verguldde reeds de boomtoppen. Bruce had dapper loopen rooken. Al was de damp weg, toch stonk het altijd naar die gemeene moerassen, zoo ’s morgens vroeg; en tusschen dat zoete luchtje van rottende plantaardige bestanddeelen,[7]dat met elk windje overkwam, stegen links en rechts uit de kampong langs den weg de geuren van ranzige klapperolie, rookend vochtig hout, nangha’s en andere lieflijkheden.„Zeg, George!” riep hij, een jongen man bij den arm schuddend, die in een luierstoel in de voorgalerij zat te slapen, „zeg, ben je gek! Moet je hier nu zitten slapen!”„Laat me met rust!” was het onvriendelijk antwoord, met een knoop er op. „Biah!Koppi!”Met een goedigen glimlach zag Bruce op hem neer; een glimlach van vergoelijkende kameraadschappelijkheid.„Ben jullie nog lang gebleven?” vroeg hij.„Biah!Koppi!” schreeuwde George nog eens, altijd met de oogen dicht. „Och God. Ik weet het niet,” antwoordde hij toen Bruce met ’n diepen zucht. „Laat me met rust.”„Ik dacht wel dat jullie aan den draai zoudt raken. Toen ik te twaalf uren mijn partijtje had gemaakt en naar huis ging, scheen het lieve leventje bij jullie eerst recht te beginnen.”George had nu zijn oogen op een kier gezet; ze stonden alleronmogelijkst flauw; het wit zag rood. Eerst toen een baboe ’n kop koffie bracht, richtte hij zich op en dronk met groote slokken.„Ja, papa,” zei hij toen, zuchtend weêr in zijn luierstoel vallend, „dat was je nachtje wel! Jongens, jongens, wat heb ik ’n verschrikkelijken kater!”Bruce lachte luid, liep even op en neer, en keek eens naar binnen.[8]„Dat zal wel overgaan voor je een meisje wordt. Neem een „straf” bittertje en ga baden, dan frisch je heelemaal op.”Maar depatiëntrilde alleen bij de gedachte aan dat gerecommandeerde „straffe” bittertje.„Nu bonjour,” ging de oude heer voort, toen hij geen antwoord kreeg en George zich ertoe bepaalde hem droomerig aan te kijken. „Ik kom van middag nog wel ’reis aan.”George deed als iemand, die met het hoofd knikt en staarde wezenloos Bruce na, die kaarsrecht en met flinken, jeugdigen tred, het erf af en den grooten weg opging. Daarna vielen hem de oogen weer dicht; hij sliep niet in; dat ging niet, naar het scheen; maar z’n oogen open houden was hem te machtig. Droomerige, fantastische beelden en voorstellingen doemden bij hem op, de een al akeliger dan de andere; beelden en voorstellingen van zijn eigen dood; hoe hij ziek was en sterven zou; er werd een roerende redevoering op zijn graf gehouden, over al zijn goede hoedanigheden, en dat hij zoo jong was heengegaan, ontscheurd.…. Wel verduiveld! de tranen kwamen hem ervan in de lodderige oogen.Woedend stond hij op. Wel verduiveld wat was dat ’n gemeenen hypochondrischen „kater”! Zoo iets was hem nog nooit overkomen, en hij haastte zich naar achter, naar de badkamer, waar hij tegen alle indische badreglementen in, zich als ’t ware in de mandi kuip liet vallen, en er eerst ’n half uur later uitkwam.’n Weinig verkwikt, keek hij het achtererf eens rond,vóórhij naar binnen ging. ’t Was zonde, maar de boel zag er niet te best uit. Hij had wel twee tuinlui noodig,[9]indien hij alles wilde in orde hebben, en ’t kostte toch al zooveel.… Neen, aan geldzaken moest hij maar niet denken! Dat was vreeselijk! Voor hem was het een onomstootelijk dogma, dat hij gedoemd was ten eeuwigen dage diep in de beren te zitten. Er kwam eensklaps een uitdrukking over zijn gezicht van groote verwondering; zijn lange gestalte scheen langer te worden; zijn hoofd, dat moedeloos naar beneden was gezakt, hief zich op; zijn blauwe oogen kwamen nog meer naar voren dan gewoonlijk; de uitdrukking van verbazing werd onnoozel en dom; eenige seconden keek hij in het fijne dichte groen der boomen zonder te zien.… Waarachtig het was zoo! Nu herinnerde hij het zich weer duidelijk. Het was den vorigen middag geweest, toen hij van ’t kantoor kwam. Het was al bijna duister; hij had den ouden heer op den weg ontmoet, en ze waren samen opgewandeld. Toen was hij erover begonnen. Hoe hij het zoo maar had durven doen, snapte hij niet recht. Maar o neen, ’t was zeker, hij herinnerde het zich nu heel levendig in alle détails.… hij had Lena Bruce ten huwelijk gevraagd aan haar vader.„Te duivel,” dacht hij, zich de oogen wrijvend met den rug van zijn hand, „dat was gek! Hoe was ik daar ook weer toe gekomen? En het was serieus óók. De oude Bruce had er niets tegen; als zijn vrouw en Leentje het goed vonden was ’t hem wel, mits.… George zoo spoedig mogelijk zijn tegenwoordig huishouden opbrak.”Hij lachte om zichzelven, en schudde het hoofd over zichzelven. Zoo’n gekke vent als hij, dacht-ie, daarvan waren er ook geen dertien in ’n dozijn![10]Zoo George Vermey al op dat oogenblik buiten staat was ernstig na te denken,—de herinnering aan zijn huwelijksaanzoek verbande toch de weinige levensvreugde, die hem dien ochtend bezielde. En diezelfde herinnering deed hem binnenshuis de kamer mijden, waar Ypsilanti Nesnaj al ’n uur bezig was aan haar toilet.—De baboe Biah had in z’n slaapvertrek schoon linnengoed klaar gelegd en alles gereed gezet, wat hij noodig had voor zijn toilet. Tot zijn eigenaardigheden behoorde, dat hij, behalve een ouden, vuilen tuinjongen, nooit een mannelijken bediende hield; hij noemde dat „een principe”. Met de grootste zorg kleedde hij zich, verzorgde met teedere belangstelling zijn onbeduidend vlasblond kneveltje en liet zijn wagen inspannen om naar ’t kantoor te rijden.In de gang stond hij even stil, en riep luid met vriendelijke stemmodulatie:„Dag!”Er ging een deur open, en om den hoek keek een mooi donker kopje met een overvloed van dartele krulletjes op het voorhoofd, groote schitterende zwarte oogen, en een vroolijk lachenden mond met parelwitte tanden. ’t Was Ypsilanti Nesnaj, wier militaire vader haar zijn omgekeerden geslachtsnaam had gegeven en den mallen voornaam, dien hij had gelezen in een boek over een griekschen prins.’t Mooie schilderijtje ontroerde George. Hij kon niet nalaten er heen te gaan en Yps een zoen te geven. In de binnengalerij keek hij bij zijn vertrek eens rond. Wat zag alles er keurig uit! Ja, ’t was geen wonder! ’t Had[11]hem ook ’n handvol geld gekost, waarvan hij ’t grootste deel nog schuldig was. Hij zuchtte. Het zou ’n dingetje wezen, háár eruit te krijgen! Zij zat zoo graag op die mooie divans; zij hield zooveel van die fijne gravures; zij keek zoo graag in die groote spiegels,—het bloed steeg hem van benauwdheid naar het hoofd, bij de gedachte aan de scènes, die onvermijdelijk waren, als zij hoorde, dat ze terug moest naar de kampong. En dan dat oude, leelijke wijf, achter in de bijgebouwen, die zich thans zoo gemoedelijk zijn aardigheden liet welgevallen, als hij gezelschap had van vroolijke vrienden, en haar dan liet roepen om haar voor te stellen als zijn „schoonmama.” Wat zou die ’n kabaal maken, als zij vernam, dat ze „schoonmama af” was!Hij was niet zonder ervaring. Ofschoon hij er—zonder „kater”—jong, knap en frisch uitzag, waren de laatste twaalf zijner twee en dertig jaren erg wild geweest. Van zijn krachtig lichaam had hij veel gevergd, en hij had voor allerleimoeilijkeen onaangenameperkara’sgestaan. Maar het scheen hem toe, dat hij nog nooit in zoo’n lastig parket was geraakt, als thans met die huwelijks-aanvraag.Met ’n zeker air stapte hij voor ’t kantoor uit den wagen. Hij was eerste geëmployeerde bij een handelshuis en schoon niet ruw of onvriendelijk tegen het minder personeel, zag hij graag, dat het erg beleefd was tegen hem, en nam hij vanzelf een gemoedelijk genadigen toon aan. Nu, ze hadden respect voor hem op ’t kantoor, want hij was „knap” zeiden ze, en de chefs vonden dat ook wel,[12]maar hielden niet bijzonder veel van hem; hij was zoo’n rare kerel; soms was hij erg meêgaande, en een ander oogenblik kon men licht de grootste standjes met hem krijgen. Zijn werk overigens was uitstekend. Altijd even onberispelijk en net; zoo het al niet accurater was dan dat van anderen,—het had er voor ’t minst den schijn van.In zijn overhemd zittend voor z’n lessenaar en z’n boeken, scheurde hij het blaadje van den vorigen dag af op den scheurkalender. Onder den datum stond met potlood iets gekrabbeld.„God, God, ja!” zei hij „dat gezanik ook nog.”Hij liet een copiist roepen, een broodmagere, grauwbruine jonge man; een dier Indo-Europeanen, die nooit transpireeren en altijd koude handen hebben, maar meestal slim genoeg zijn.„Esreteip,” zei Vermey (’s mans grootvader had Pieterse geheeten) „je weet dat het vandaag de veertiende is.”„Ja meneer.”„Hier heb je een qualificatie. Maar eerst aan den vendumeester laten kijken of het in orde is, hoor!”„Altijd, meneer.”„Dus jij zorgt daar dan voor, hé?”„Ja, meneer.”Vermey was opgestaan, hij lei goedig en vertrouwelijk zijn hand op den schouder van den ondergeschikte, en zei zacht:„En je houdt den mond. Tegen niemand ’n woord! Ik zal het met jou wel goed maken. Dat weet je wel.”[13]De arme Esreteip knikte glimlachend. Hij was de man, die altijd de vele geheimzinnige boodschappen deed, die een celibatair van George’s soort vrij veelvuldig te doen heeft; maar dat „goed maken,”—nu daar wist hij alles van! Dat ging niet veel verder, dan nu en dan een voordeeltje voor rekening van de firma. Anders geen cent!Toch ging hij welgemoed naar de vendutie en gaf er zijn machtiging af om voor rekening van den heer Vermey te koopen tot een bedrag van duizend gulden. De vendumeester keek het stuk eens aan en knikte. Het was goed. Vermey wilde hij wel crediet geven, en Esreteip kende hij als employé op diens kantoor. De klerk stond te praten met ’n paar anderen, die erg veel op hem geleken. Zij zagen bij den verkoop der goederen onverschillig toe. Wat kon het hun schelen?Eerst toen de venduhouder een doosje met diamanten omhoog hield, en niet zonder ironie in den toon zijner stem uitschreeuwde: „Een verzameling prachtige diamanten!” riep Esreteip. „Tweehonderd.” Het drietal bood nu tegen elkaar op, en eindelijk bleef de klerk het laatst aan bod voor precies duizend gulden.Eenmaal.… andermaal.… voor de.… Niemand meer dan duizend gulden?.… Voor de derdemaal. Voor meneer.…?„Vermey,” zei de klerk.„Voor meneer G. Vermey!”De venduhouder nam glimlachend iets anders ter hand; de vendumeester streek glimlachend z’n knevels neer; twee Arabieren, zuiver semitische typen, keken elkaar veelbeteekenend[14]in de kleine slimme oogjes;bira!liet zich een dikke „brutale” Chinees ontvallen.Met het juweelen doosje in de hand ging de omgekeerde Pieterse terug naar het kantoor. Vermey had het heel druk; ’t was maildag, en daar het beste deel van den ochtend met praten en rondkijken was doorgebracht, lag er een stapel werk voor hem, dat af moest.„’t Is goed,” zei hij, „zet maar neer, en nu als de drommel aan het schrijven.”Daarmeê scheen de moeite beloond, want toen den volgenden ochtend Vermey bij den venduhouder kwam om, als verkooper van het doosje, ’t bedrag te innen van het vendu-accept, begon hij te rekenen, en zag, dat door de loonen, onkosten en percenten als kooper en verkooper, dit wel de duurste manier was om geld op te nemen, die men kon bedenken. Aan het geven van extra’s dacht hij niet langer.En den dag zelf had hij het zóó druk! Toch was hij met het eigenlijke werk al om halfzes klaar; doch dat baatte niet; op ’n maildag kon hij toch niet weg vóór zeven uren, halfacht. Zóólang bleef dan de chef van het concurreerend handelshuis aan den anderen kant der rivier ook op diens kantoor, en zoolang men dáár het rijtuig zag wachten, kon George’s chef onmogelijk besluiten naar huis te gaan. Men zou waarlijk wel gedacht hebben, dat er niets omging bij hem op ’t kantoor!Met zijn neus tegen ’t venster gedrukt, stond Vermey te turen naar buiten, naar de vallende duisternis, en hij dacht weêr aan dat voorgenomen huwelijk.—Lena Bruce zou een aardigen duit meêkrijgen; dat stond vast. Mooi was ze[15]niet, maar lief, fatsoenlijk en zeer elegant en smaakvol. Te drommel ja! Wat haar toiletten betreft—en men zei, dat ze die zelf maakte,—was zij op elke partij in de sociëteitla reine du bal. Hij zelf kwam op den leeftijd, vond hij, dat men trouwen moest; het ging niet langer aan ’n leventje te leiden van vroolijken Frans met het daaraan onafscheidelijk verbonden indisch concubinaat. Er was een tijd om geregeld te gaan leven; en die tijd was voor hem nu juist aangebroken. Mooi? Nu, wat gaf hij daarom!Een vrouw trouwde, en kreeg kinderen;danwas zij, naar zijn opvatting, niet mooi meer, al had ze ook een gezicht als een engel! Wat deed er dus dàt toe?En dan de pecunia! Hij had een goed tractement, maar het was gek: hoe meer hij verdiende, des te aanzienlijker werden zijn tekorten, en hij herinnerde zich heel goed, dat toen zijn inkomen half zoo groot was als thans, hij nauwelijks half zoo diep in de beren zat.Trouwen was onvermijdelijk, daarvan raakte hij meer en meer overtuigd. Hij haalde er al zijn maatschappelijke en zedelijke argumenten bij; al de goede conventioneele gevoelens over een gelukkig huiselijk leven, behoorlijk en wettig gesanctionneerd, riep hij op in zijn geest; hij liet zijn verbeelding werken, en zag als ’t ware het mooie coquette huisje, waarin hij zoo gezellig zou zitten met zijn vrouwtje, later ook met zijn kindje—maar dan kwam ineens daartusschen het vroolijke, onbezorgde donkere gezichtje van Yps.……[16]
Achter het schutsel stond een nachtlampje, en op de fijne palembangsche mat lag, zonder kabaai aan, enkel in haarkoetangensarong, een meisje van omstreeks twintig jaren te lezen. Ze was eêr leelijk dan mooi. Ofschoon een blondine van zuiver europeesche afkomst, had ze geen wezenlijk blanke huid; er was iets onbevredigend groezeligs in. Haar groote lichte oogen stonden flets, met donkere ongezonde kringen er omheen. En onder de jongelui was haar volslagen gebrek aan weelderige vormen spreekwoordelijk. „Zoo mager als Lena Bruce”, zeiden ze. Toch zou ieder, die haar dáár zoo onverschillig op den grond had zien liggen, haar bewonderd hebben, om den rijkdom van prachtig blond hoofdhaar, dat bijna haar geheele tengere gestalte bedekte als een fijne mantel, in zacht genuanceerde tinten, hier en daar schitterend in het licht. Het was haar lust, maar ook haar last. Welk een verademing,[2]als ze dat ’s avonds kon losgooien! ’s avonds als ze in haar moeders kamer ging om er verder den nacht door te brengen; als ze zich voor niets en niemand meer behoefde te geneeren!
’t Was al één uur in den regenachtigen nacht; buiten was het stil; niets weerklonk daar, dan het schel piepen der krekels, en in de verte het koor-gekwaak der kikvorschen in de rawahs, met diepe bassen, barytons en tenoren in een eindeloos lied van twee tonen.
In de kamer, een bovenvertrek, hoorde men een geheel ander geluid, eentoniger nog, naarder, ziekelijker; dat van een zagende, zangerig steunende ademhaling, als benauwd klagend over de moeite, die het kostte om haar werk te doen, zóóveel keeren in de minuut in en uit.
De oude mevrouw Bruce leed aan asthma; het was een verschrikkelijk lijden, dat al jaren duurde, eer erger werd dan beter, en nog heel lang duren kon. Vooral ’s nachts en in het bed had de zieke het kwaad. Liggen kon ze al maanden niet; ze zat rechtop tegen een stapel kussens, haast den heelen nacht wakker, tobbend met haar kwaal.
„Leentje!”
Ze was ingedommeld, met haar neus op het boek,—maar hoe zacht ook de toonlooze schorre stem harer moeder riep,—ze hoorde die dadelijk, en streek zich, wakker schrikkend, met beide handen de haren uit het gezicht.
„Ja, ma!”
„Leg m’n kussens eens goed.”
Het behoefde niet eens gezegd te worden. Ze wist wel wat het was. Dáárvoor werd ze wel tienmaal geroepen[3]elken nacht tusschen elf en vijf uren. Ze was de eenige die het doen kon, naar den zin harer moeder, die niet geholpen wilde worden van iemand anders dan van Lena. Van een baboe mocht men zelfs niet spreken; die mocht niet op haar kamer komen, als zij er was.
„Hoe gaat het nu, ma?”
„Och, zoo! Is het nog geen tijd!”
„Voor uw drankje? Neen, nog ’n half uur.”
Het meisje dorst nu niet weêr in te slapen; een half uur was ook de moeite niet! Ze las verder in haar kinderlijk engelsch romannetje, tot beneden in de gesloten, holle achtergalerij de klok twee luid weêrklinkende diepe slagen sloeg.
„Leentje!”
Ze had even gewacht om nog tien regels te lezen tot het hoofdstuk uit was; maar de zieke waakte.
„Ja, ma!”
En zoo ging het nu elken nacht! Wat een gezonde slaap was van ’savondstot ’s ochtends, wist Lena Bruce niet meer; ze dacht er zelfs niet aan; zij meende dat men gewoon raakt aan alles, ook aan het gemis van een behoorlijke nachtrust.
Eerst tegen ’n uur of vier viel haar moeder in een diepen, loodzwaren benauwden slaap vol akelig kreunen, met allerlei geluiden in de op allerlei wijze belemmerde ademhaling, van zwaar rochelende tot hooge flageolet-tonen. Dan sliep ook Lena, soms op de mat bij haar boek, soms op den divan, doodmoê in.
Flauw grijsde het in de verte boven de rawahs; enkele[4]vogels vlogen op met schel gefluit tegen het dagend licht; één haan had ’t sein gegeven en de kraaiende gemeente barstte los van alle kanten; krakend over het grind van den weg rolden de grobaks langzaam naar de stad; de bamboezen pikolans, buigend onder het gewicht, voor en achter van groenten en vruchten, markeerden in zacht zwiepend koor den pas der inlandsche dragers, op een sukkeldrafje naar de pasar.
Zacht, maar met zekeren drang werd op de deur geklopt; een mannenstem riep met ingehouden kracht:
„Leen, Leen!”
Zuchtend en slaapdronken stond ze op, waggelde naar het rekje, naast de waschtafel, nam er een handdoek af en verliet de kamer. Maar bij de trap ging ze op den grond zitten, met haar voeten op de bovenste trede, de puntige ellebogen op de magere knieën, de fijne handjes onder het hoofd, soezerig, slaperig.
„Kom Leen!” zei achter haar dezelfde dringende mannenstem: „Ga daar niet zitten slapen.Ajo, ga baden!”
„Jaa, Paa!” zei ze zich uitrekkend met een klagenden, langen geeuw, en zuchtend scharrelde ze naar beneden.
Haar bedrijvig leven ving aan. De jongens, die naar school moesten, waren al lang wakker en hadden behoefte aan eten, drinken, schoone kleeren en nog meer. Ze had maar even den tijd om zich geheel wakker te baden. Papa liep met groote stappen de achtergalerij op en neer, snakkend naar een kop koffie en z’n morgenwandeling daarna; in afwachting de kinderen beknorrend. De een vroeg kaas, maar dat wilde papa niet, want zei hij, de jongen was al[5]zoo puistig; de ander, die eieren moest eten en melk drinken, lustte geen melk en geen eieren; hij wou koek, maar die zou hij nu, „om den donder” niet hebben, zei Papa, en de derde, die koek at en eten mocht, jammerde van de pijn toen een stukje in een half verwoest kiesje verdwaalde. Intusschen repte Lena zich, opgewonden en zenuwachtig van de drukte en het rumoer; zich haastend om in de eerste plaats haar vader de deur uit te krijgen; want die was de lastigste van allen.
Toen eindelijk haar oudste broers naar hun kantoren en de jongste naar hun scholen waren, at ze een stuk brood met wat gelei en dronk ’n kop koffie. Daarna weer dadelijk in ’t gareel van de zorg voor dat groote huis en dat talrijke gezin, enkel rustend op haar tengere schouders, zonder dat er ooit iemand was, die in ernst vreesde, dat dit wel wat al te zwaar was.
Want zij beklaagde zich nooit; zij was in gezelschap opgewekt en vroolijk; als er dames waren, die zelf den godganschen dag in luiheid doorbrachten, en dan haar beklaagden omdat ze zooveel te doen had, antwoordde ze vergoelijkend: „dat het nogal gemakkelijk ging.” Men had geen succes van meewarigheid bij Lena Bruce, en spaarde die dus reeds lang voor dankbaarder sujetten!
Intusschen vervolgde haar vader de verre ochtendwandeling, zijn eenig dagelijksch werk. Op zijn veertigste jaar als ondergeschikt ambtenaar gepensionneerd, had hij zijn, geldelijk toen hoogst bescheiden, omstandigheden verbeterd door een rijke kinderlooze weduwe te trouwen. Dat was hem niet alleen gelukt,—hij was er zelfs in geslaagd[6]haar in een rijk met kinderen gezegende huismoeder te herscheppen, en hij zou ook kans hebben gezien haar arm te maken, als zij niet met groote geestkracht de hooge hand had gehouden over het huiselijk departement van financiën. Zijn pensioen mocht hij verteren in de sociëteit en aan sigaren; van dien plicht kweet hij zich nu reeds drie en twintig jaren met roerende nauwgezetheid. Maar daarbij bleef het. Zelfs nu, terwijl ze zoo ziek en zwak was, liet zij hem het geldelijk beheer niet. Hij was daar blij om en vroeg er niet naar. Wat zou hij nu op z’n ouden dag, na haast ’n kwart eeuw in een zalig nietsdoen te hebben doorgebracht, moeten aanvangen, als hij genoodzaakt werd iets.… te doen.
Ondanks zijn nederig gewezen-ambtenaarschap en zijn nog nederiger positie als „man van zijn vrouw,” mocht Bruce zich verheugen in de algemeene sympathie. Met zijn witten krullebol en zijne witte bakkebaarden, zijn gezond uiterlijk en levendige oogen was hij het type van een knap, goed geconserveerd oud man. Men mocht hem graag, en daar hij gul en gastvrij was, en ’n mooi huis bewoonde op den besten stand, had hij veel bezoek; maar altijd in den vooravond; na het eten ging hij zijn partijtje maken in de sociëteit.
’n Kwartiertje buiten de stad liep hij een niet al te best onderhouden erf op. De damp was opgetrokken, en de zon verguldde reeds de boomtoppen. Bruce had dapper loopen rooken. Al was de damp weg, toch stonk het altijd naar die gemeene moerassen, zoo ’s morgens vroeg; en tusschen dat zoete luchtje van rottende plantaardige bestanddeelen,[7]dat met elk windje overkwam, stegen links en rechts uit de kampong langs den weg de geuren van ranzige klapperolie, rookend vochtig hout, nangha’s en andere lieflijkheden.
„Zeg, George!” riep hij, een jongen man bij den arm schuddend, die in een luierstoel in de voorgalerij zat te slapen, „zeg, ben je gek! Moet je hier nu zitten slapen!”
„Laat me met rust!” was het onvriendelijk antwoord, met een knoop er op. „Biah!Koppi!”
Met een goedigen glimlach zag Bruce op hem neer; een glimlach van vergoelijkende kameraadschappelijkheid.
„Ben jullie nog lang gebleven?” vroeg hij.
„Biah!Koppi!” schreeuwde George nog eens, altijd met de oogen dicht. „Och God. Ik weet het niet,” antwoordde hij toen Bruce met ’n diepen zucht. „Laat me met rust.”
„Ik dacht wel dat jullie aan den draai zoudt raken. Toen ik te twaalf uren mijn partijtje had gemaakt en naar huis ging, scheen het lieve leventje bij jullie eerst recht te beginnen.”
George had nu zijn oogen op een kier gezet; ze stonden alleronmogelijkst flauw; het wit zag rood. Eerst toen een baboe ’n kop koffie bracht, richtte hij zich op en dronk met groote slokken.
„Ja, papa,” zei hij toen, zuchtend weêr in zijn luierstoel vallend, „dat was je nachtje wel! Jongens, jongens, wat heb ik ’n verschrikkelijken kater!”
Bruce lachte luid, liep even op en neer, en keek eens naar binnen.[8]
„Dat zal wel overgaan voor je een meisje wordt. Neem een „straf” bittertje en ga baden, dan frisch je heelemaal op.”
Maar depatiëntrilde alleen bij de gedachte aan dat gerecommandeerde „straffe” bittertje.
„Nu bonjour,” ging de oude heer voort, toen hij geen antwoord kreeg en George zich ertoe bepaalde hem droomerig aan te kijken. „Ik kom van middag nog wel ’reis aan.”
George deed als iemand, die met het hoofd knikt en staarde wezenloos Bruce na, die kaarsrecht en met flinken, jeugdigen tred, het erf af en den grooten weg opging. Daarna vielen hem de oogen weer dicht; hij sliep niet in; dat ging niet, naar het scheen; maar z’n oogen open houden was hem te machtig. Droomerige, fantastische beelden en voorstellingen doemden bij hem op, de een al akeliger dan de andere; beelden en voorstellingen van zijn eigen dood; hoe hij ziek was en sterven zou; er werd een roerende redevoering op zijn graf gehouden, over al zijn goede hoedanigheden, en dat hij zoo jong was heengegaan, ontscheurd.…. Wel verduiveld! de tranen kwamen hem ervan in de lodderige oogen.
Woedend stond hij op. Wel verduiveld wat was dat ’n gemeenen hypochondrischen „kater”! Zoo iets was hem nog nooit overkomen, en hij haastte zich naar achter, naar de badkamer, waar hij tegen alle indische badreglementen in, zich als ’t ware in de mandi kuip liet vallen, en er eerst ’n half uur later uitkwam.
’n Weinig verkwikt, keek hij het achtererf eens rond,vóórhij naar binnen ging. ’t Was zonde, maar de boel zag er niet te best uit. Hij had wel twee tuinlui noodig,[9]indien hij alles wilde in orde hebben, en ’t kostte toch al zooveel.… Neen, aan geldzaken moest hij maar niet denken! Dat was vreeselijk! Voor hem was het een onomstootelijk dogma, dat hij gedoemd was ten eeuwigen dage diep in de beren te zitten. Er kwam eensklaps een uitdrukking over zijn gezicht van groote verwondering; zijn lange gestalte scheen langer te worden; zijn hoofd, dat moedeloos naar beneden was gezakt, hief zich op; zijn blauwe oogen kwamen nog meer naar voren dan gewoonlijk; de uitdrukking van verbazing werd onnoozel en dom; eenige seconden keek hij in het fijne dichte groen der boomen zonder te zien.… Waarachtig het was zoo! Nu herinnerde hij het zich weer duidelijk. Het was den vorigen middag geweest, toen hij van ’t kantoor kwam. Het was al bijna duister; hij had den ouden heer op den weg ontmoet, en ze waren samen opgewandeld. Toen was hij erover begonnen. Hoe hij het zoo maar had durven doen, snapte hij niet recht. Maar o neen, ’t was zeker, hij herinnerde het zich nu heel levendig in alle détails.… hij had Lena Bruce ten huwelijk gevraagd aan haar vader.
„Te duivel,” dacht hij, zich de oogen wrijvend met den rug van zijn hand, „dat was gek! Hoe was ik daar ook weer toe gekomen? En het was serieus óók. De oude Bruce had er niets tegen; als zijn vrouw en Leentje het goed vonden was ’t hem wel, mits.… George zoo spoedig mogelijk zijn tegenwoordig huishouden opbrak.”
Hij lachte om zichzelven, en schudde het hoofd over zichzelven. Zoo’n gekke vent als hij, dacht-ie, daarvan waren er ook geen dertien in ’n dozijn![10]
Zoo George Vermey al op dat oogenblik buiten staat was ernstig na te denken,—de herinnering aan zijn huwelijksaanzoek verbande toch de weinige levensvreugde, die hem dien ochtend bezielde. En diezelfde herinnering deed hem binnenshuis de kamer mijden, waar Ypsilanti Nesnaj al ’n uur bezig was aan haar toilet.—De baboe Biah had in z’n slaapvertrek schoon linnengoed klaar gelegd en alles gereed gezet, wat hij noodig had voor zijn toilet. Tot zijn eigenaardigheden behoorde, dat hij, behalve een ouden, vuilen tuinjongen, nooit een mannelijken bediende hield; hij noemde dat „een principe”. Met de grootste zorg kleedde hij zich, verzorgde met teedere belangstelling zijn onbeduidend vlasblond kneveltje en liet zijn wagen inspannen om naar ’t kantoor te rijden.
In de gang stond hij even stil, en riep luid met vriendelijke stemmodulatie:
„Dag!”
Er ging een deur open, en om den hoek keek een mooi donker kopje met een overvloed van dartele krulletjes op het voorhoofd, groote schitterende zwarte oogen, en een vroolijk lachenden mond met parelwitte tanden. ’t Was Ypsilanti Nesnaj, wier militaire vader haar zijn omgekeerden geslachtsnaam had gegeven en den mallen voornaam, dien hij had gelezen in een boek over een griekschen prins.
’t Mooie schilderijtje ontroerde George. Hij kon niet nalaten er heen te gaan en Yps een zoen te geven. In de binnengalerij keek hij bij zijn vertrek eens rond. Wat zag alles er keurig uit! Ja, ’t was geen wonder! ’t Had[11]hem ook ’n handvol geld gekost, waarvan hij ’t grootste deel nog schuldig was. Hij zuchtte. Het zou ’n dingetje wezen, háár eruit te krijgen! Zij zat zoo graag op die mooie divans; zij hield zooveel van die fijne gravures; zij keek zoo graag in die groote spiegels,—het bloed steeg hem van benauwdheid naar het hoofd, bij de gedachte aan de scènes, die onvermijdelijk waren, als zij hoorde, dat ze terug moest naar de kampong. En dan dat oude, leelijke wijf, achter in de bijgebouwen, die zich thans zoo gemoedelijk zijn aardigheden liet welgevallen, als hij gezelschap had van vroolijke vrienden, en haar dan liet roepen om haar voor te stellen als zijn „schoonmama.” Wat zou die ’n kabaal maken, als zij vernam, dat ze „schoonmama af” was!
Hij was niet zonder ervaring. Ofschoon hij er—zonder „kater”—jong, knap en frisch uitzag, waren de laatste twaalf zijner twee en dertig jaren erg wild geweest. Van zijn krachtig lichaam had hij veel gevergd, en hij had voor allerleimoeilijkeen onaangenameperkara’sgestaan. Maar het scheen hem toe, dat hij nog nooit in zoo’n lastig parket was geraakt, als thans met die huwelijks-aanvraag.
Met ’n zeker air stapte hij voor ’t kantoor uit den wagen. Hij was eerste geëmployeerde bij een handelshuis en schoon niet ruw of onvriendelijk tegen het minder personeel, zag hij graag, dat het erg beleefd was tegen hem, en nam hij vanzelf een gemoedelijk genadigen toon aan. Nu, ze hadden respect voor hem op ’t kantoor, want hij was „knap” zeiden ze, en de chefs vonden dat ook wel,[12]maar hielden niet bijzonder veel van hem; hij was zoo’n rare kerel; soms was hij erg meêgaande, en een ander oogenblik kon men licht de grootste standjes met hem krijgen. Zijn werk overigens was uitstekend. Altijd even onberispelijk en net; zoo het al niet accurater was dan dat van anderen,—het had er voor ’t minst den schijn van.
In zijn overhemd zittend voor z’n lessenaar en z’n boeken, scheurde hij het blaadje van den vorigen dag af op den scheurkalender. Onder den datum stond met potlood iets gekrabbeld.
„God, God, ja!” zei hij „dat gezanik ook nog.”
Hij liet een copiist roepen, een broodmagere, grauwbruine jonge man; een dier Indo-Europeanen, die nooit transpireeren en altijd koude handen hebben, maar meestal slim genoeg zijn.
„Esreteip,” zei Vermey (’s mans grootvader had Pieterse geheeten) „je weet dat het vandaag de veertiende is.”
„Ja meneer.”
„Hier heb je een qualificatie. Maar eerst aan den vendumeester laten kijken of het in orde is, hoor!”
„Altijd, meneer.”
„Dus jij zorgt daar dan voor, hé?”
„Ja, meneer.”
Vermey was opgestaan, hij lei goedig en vertrouwelijk zijn hand op den schouder van den ondergeschikte, en zei zacht:
„En je houdt den mond. Tegen niemand ’n woord! Ik zal het met jou wel goed maken. Dat weet je wel.”[13]
De arme Esreteip knikte glimlachend. Hij was de man, die altijd de vele geheimzinnige boodschappen deed, die een celibatair van George’s soort vrij veelvuldig te doen heeft; maar dat „goed maken,”—nu daar wist hij alles van! Dat ging niet veel verder, dan nu en dan een voordeeltje voor rekening van de firma. Anders geen cent!
Toch ging hij welgemoed naar de vendutie en gaf er zijn machtiging af om voor rekening van den heer Vermey te koopen tot een bedrag van duizend gulden. De vendumeester keek het stuk eens aan en knikte. Het was goed. Vermey wilde hij wel crediet geven, en Esreteip kende hij als employé op diens kantoor. De klerk stond te praten met ’n paar anderen, die erg veel op hem geleken. Zij zagen bij den verkoop der goederen onverschillig toe. Wat kon het hun schelen?
Eerst toen de venduhouder een doosje met diamanten omhoog hield, en niet zonder ironie in den toon zijner stem uitschreeuwde: „Een verzameling prachtige diamanten!” riep Esreteip. „Tweehonderd.” Het drietal bood nu tegen elkaar op, en eindelijk bleef de klerk het laatst aan bod voor precies duizend gulden.
Eenmaal.… andermaal.… voor de.… Niemand meer dan duizend gulden?.… Voor de derdemaal. Voor meneer.…?
„Vermey,” zei de klerk.
„Voor meneer G. Vermey!”
De venduhouder nam glimlachend iets anders ter hand; de vendumeester streek glimlachend z’n knevels neer; twee Arabieren, zuiver semitische typen, keken elkaar veelbeteekenend[14]in de kleine slimme oogjes;bira!liet zich een dikke „brutale” Chinees ontvallen.
Met het juweelen doosje in de hand ging de omgekeerde Pieterse terug naar het kantoor. Vermey had het heel druk; ’t was maildag, en daar het beste deel van den ochtend met praten en rondkijken was doorgebracht, lag er een stapel werk voor hem, dat af moest.
„’t Is goed,” zei hij, „zet maar neer, en nu als de drommel aan het schrijven.”
Daarmeê scheen de moeite beloond, want toen den volgenden ochtend Vermey bij den venduhouder kwam om, als verkooper van het doosje, ’t bedrag te innen van het vendu-accept, begon hij te rekenen, en zag, dat door de loonen, onkosten en percenten als kooper en verkooper, dit wel de duurste manier was om geld op te nemen, die men kon bedenken. Aan het geven van extra’s dacht hij niet langer.
En den dag zelf had hij het zóó druk! Toch was hij met het eigenlijke werk al om halfzes klaar; doch dat baatte niet; op ’n maildag kon hij toch niet weg vóór zeven uren, halfacht. Zóólang bleef dan de chef van het concurreerend handelshuis aan den anderen kant der rivier ook op diens kantoor, en zoolang men dáár het rijtuig zag wachten, kon George’s chef onmogelijk besluiten naar huis te gaan. Men zou waarlijk wel gedacht hebben, dat er niets omging bij hem op ’t kantoor!
Met zijn neus tegen ’t venster gedrukt, stond Vermey te turen naar buiten, naar de vallende duisternis, en hij dacht weêr aan dat voorgenomen huwelijk.—Lena Bruce zou een aardigen duit meêkrijgen; dat stond vast. Mooi was ze[15]niet, maar lief, fatsoenlijk en zeer elegant en smaakvol. Te drommel ja! Wat haar toiletten betreft—en men zei, dat ze die zelf maakte,—was zij op elke partij in de sociëteitla reine du bal. Hij zelf kwam op den leeftijd, vond hij, dat men trouwen moest; het ging niet langer aan ’n leventje te leiden van vroolijken Frans met het daaraan onafscheidelijk verbonden indisch concubinaat. Er was een tijd om geregeld te gaan leven; en die tijd was voor hem nu juist aangebroken. Mooi? Nu, wat gaf hij daarom!
Een vrouw trouwde, en kreeg kinderen;danwas zij, naar zijn opvatting, niet mooi meer, al had ze ook een gezicht als een engel! Wat deed er dus dàt toe?
En dan de pecunia! Hij had een goed tractement, maar het was gek: hoe meer hij verdiende, des te aanzienlijker werden zijn tekorten, en hij herinnerde zich heel goed, dat toen zijn inkomen half zoo groot was als thans, hij nauwelijks half zoo diep in de beren zat.
Trouwen was onvermijdelijk, daarvan raakte hij meer en meer overtuigd. Hij haalde er al zijn maatschappelijke en zedelijke argumenten bij; al de goede conventioneele gevoelens over een gelukkig huiselijk leven, behoorlijk en wettig gesanctionneerd, riep hij op in zijn geest; hij liet zijn verbeelding werken, en zag als ’t ware het mooie coquette huisje, waarin hij zoo gezellig zou zitten met zijn vrouwtje, later ook met zijn kindje—maar dan kwam ineens daartusschen het vroolijke, onbezorgde donkere gezichtje van Yps.……[16]