ELFDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]ELFDE HOOFDSTUK.Lena’s overdenkingen in zake zedelijkheid.Het was ’n mooie vendutie. Men begreep niet, waar de menschen vandaan kwamen, maar ze waren er. ’s Morgens vroeg was Yps uit het huis gegaan; zij moest meê naar Batavia, en dat vooruitzicht had haar heel vroolijk en levenslustig gestemd.Juist had Vermey zijn koffertje gepakt en stond hij op ’t punt óók te vertrekken uit het voor de vendutie gereed gemaakte huis, dat zoo proper was als nooit te voren, met een profusie van politoer glimmend en glinsterend op stoelen en banken—toen een dos-a-dos stilhield met ’n dame, die nogal besproken werd op de plaats.„Wat komt die zoo vroeg jagen?” dacht Vermey glurend door de jaloeziën, naar de jonge, knappe vrouw in sarong en kabaai, die in de voorgalerij de bloemen liep te bekijken. Er kwam nog een voertuig het erf op en daaruit stapte een onbekende meneer alleen, die de dame scheen te kennen.[133]Maar Vermey maakte zich inwendig boos. „Ja, dat kan jullie begrijpen!” mopperde hij bij zichzelf. „Daar zullen jullie weinig plezier van hebben!” En hij begon luid om de bedienden te roepen, hardop pratend van „menschen, die maar liever in den nacht moesten komen,” gooiend en smijtend, zoodat de bezoekers, onaangenaam door zijn tegenwoordigheid verrast, weêr gauw heengingen.„Zulk vee!” schold Vermey hen hoofdschuddend nakijkend.Toen er langzamerhand kijkers kwamenpour le vrai motifging Vermey heen. Nog een blik in ’t rond. Wie weet hoe drommels weinig zijn net boeltje zou opbrengen! Een appel en een ei, dat zou ook hier wel ’t resultaat wezen!Doch het ging, zonder dat hij ’t wist, uitstekend. Het scheen, dat men op de plaatskasianmet hem en zijn schuldeischers had, en hem een ouderwetsche vendutie wilde bezorgen. Er werden heel wat grappen bij verkocht door de koopers,—allemaal aardigheden op Yps, wat den kooplust scheen aan te vuren.Opgetogen hoorde Vermey, dat de opbrengst driemaal hooger was, dan hij had geschat. De tweehonderd gulden van Lena Bruce had hij nu in ’t geheel niet noodig, hij hield ’n duizend gulden vrij in de hand en daarmeê zou hij het voorloopig te Batavia wel stellen.Lena keek vreemd op, toen ze hem dien namiddag in haar voorgalerij zag staan.„Ik kom u dat geld terug brengen,” zei hij blozend als altijd. „Ik heb zoo’n magnifique vendutie gemaakt! Het is ongedacht goed gegaan.”[134]„Het doet me erg veel genoegen voor u. Geneer u overigens niet voor dat geld. Dat komt wel terecht.”„Ik wil het liever teruggeven, nu ik het niet noodig heb. Intusschen ben ik u zeer dankbaar.”„’t Is niet de moeite waard.”„Nu niet, neen, en voor u in ’t geheel niet, maar ik was er zeer meê geholpen.”„Het blijft tot uw dispositie. Als het u soms te Batavia niet gauw mocht gelukken.…”„Dank u.”Vermey aarzelde; hij had nu eigenlijk niets meer te zeggen en toch wilde hij wat zeggen; hij nam er den ouden toon van vriend des huizes voor aan, vertrouwelijk.„Je hebt intusschen maar heel verstandig gedaan laatst.”Zij keek hem strak aan met haar heldere lichte oogen.„Toen ik u bedankte?”Vermey knikte toestemmend.„Dat weet ik niet. Of ik er verstandig of dom aan deed, acht ik geen uitgemaakte zaak.”„Zelfs nu niet, nu ik zonder betrekking ben en als een beginner moet zoeken naar ’n baantje?”„Neen, zelfs nu niet. Het was voor mij geen vraag van min of meer vérstand; ik deed zooals behoorde, zooals ik doen moest!”„Ja,” zei hij met een zucht. „Ik weet, wat je bedoelt, Lena; enfin,ikvoor mij ben nu blij, dat het zóó is afgeloopen. Ik zou niet graag van een vrouw financieel afhankelijk zijn. Dat ligt niet in mijn aard. En overigens.… ik kan over zulke zaken heel moeilijk openhartig spreken.”[135]„Over welke zaken?”„Wel.… over.… hetchâpitre, huishoudsters van jongelui. Dat gaat nu eenmaal niet,” ging hij voort, vuurrood tot in zijn nek, „maar geloof me, het is niet anders. Ik ben de eenige niet. Alle jongelui doen het.… hier in Indië.… en die het niet doen.… nu ja.… dat is nog erger, zie je.”Hij zag haast violet van verschrikkelijke verlegenheid en ook van ergernis dáárover. Lena keek niet vriendelijk; zij was bleek van kwaadheid om wat hij zei.„U behoeft geen excuses te maken tegen mij,” zei ze verstoord, „en evenmin iedereen van slecht gedrag of ongepaste dingen beschuldigen.”„Geloof me toch,” hield hij vol. „Ik lieg waarachtig niet.”„Dat is wèl waar. Mijn neef Voirey.…”Er glinsterde ’n scherpe triomf op zijn gezicht en in zijn eenigszins uitpuilende blauwe oogen.„Maakt op den regel geen uitzondering.”„Het is een leugen,” zei ze verontwaardigd, maar ze zag wel aan zijn houding, dat het geen leugen was; ze begreep nu ook wel, dat zijn geheele gesprek ten doel had gehad dáárop neer te komen, en zij eigenlijk, door den naam van haar neef onvoorzichtig te noemen in den strik was geloopen.„Ik hoop niet,” zei hij, „dat je het me kwalijk neemt.”Zij keek hem donker aan; onderuit, met een voorwaartsche lippenbeweging.„Zeker neem ik het kwalijk.”[136]„Het spijt me razend; maar mijn schuld is het niet.”„Dat is het wèl. Je hebt het met opzet gedaan.”„In zoover ja. Ik moest me toch ’n beetje verdedigen. Laatst bracht ik het er zoo slecht af.”„Toch niet. Toen beter als nu.… fatsoenlijker.”„Maar heel kaaltjes. Ik was.… beteuterd, en het scheen wel, dat ik beladen met al de zonden van al de jonge mannen in Indië naar de woestijn werd gestuurd.”„Ik heb me enkel gehouden bij wat u persoonlijk betrof.… en mij.”„Dat was het juist. In dit geval betrof het mij, zooals het.…”„Ik had alleen metditgeval te maken.” .…. „Zooals het in negentig van de honderd gevallen ieder-ander zou hebben betroffen.”„Daar heb ik niets mee noodig.”„Maar ik wel, Lena. Ik moest me rechtvaardigen. Het is waar,—ik ben nu eenmaal niet wat je in een man schijnt te verlangen; ik ben niet goed genoeg voor je; dat stem ik allemaal toe; een meisje als jij moet een man hebben, die zedelijk hooger staat dan ik.”Hij zweeg een oogenblik, en zij, getroffen en ontwapend door die bekentenis, zweeg ook. Of het kwam door de champagne, die hij had gedronken op den goeden afloop van zijn vendutie, dan wel door de weeke gelukstemming uit dien afloop voortvloeiend, wist hij niet; wèl, dat hij als het ware dichterlijke aanvechtingen kreeg met aandoenlijkheidsvisioenen, gelijk hij die hebben kon op kater-ochtenden na kwart of halve nachten. En eenmaal op dreef in[137]die richting, kwam hij heelemaal los, met droevige stemmodulaties vol welgemeendheid, hardnekkig zichzelf beschuldigend en verdedigend te gelijk.„Niemand behoeft mij mezelven te leeren kennen, zelf ken ik het best mijn groote tekortkomingen. Als ik mij verdedig, zoo goed en zoo kwaad ik kan, verontschuldig ik mij niet. Integendeel.”Zij stond op het punt hem in die verdediging ’n handje te helpen, nu haar medelijden boven begon te komen, maar zij hield zich goed.„Ik zal niet spreken van het verdriet, dat ik heb gehad. Dat geloof je toch niet. Maar wat ik wel aanvoeren wil, is mijn ongelukkige toestand al zooveel jaar. Ik was nog maar een kwa-jongen toen ik hier in Indië kwam, en ik had hier vriend noch maag. Als men geen fortuin heeft en geen relaties hier, maar eenvoudig jongste geëmployeerde is op een handelskantoor, wat moet men dan aanvangen in dit eentonige land zonder iets voor jongelui om zich te vermaken,—dan.… je begrijpt de rest!” eindigde hij met een diepen zucht. En toen weêr voortgaande:„Het wordt ten slotte een poel van ordinairheid, waarin een jonge man alle moeite heeft niet te verzinken. Ik ben ten minste niet verinlandscht. Dat is op zichzelf waarachtig al een kunststuk. Maar er komt toch een oogenblik, dat men ernstig vreest; dat de invloed dreigt te sterk te worden. Dan, als men dan zoo gelukkig is een goede, fatsoenlijke vrouw te trouwen voor wie men achting gevoelt en liefde.…”Zijn stem beefde, zoo aangedaan werd hij over zichzelf.[138]„Dan?” vroeg ze op zacht spottenden toon.„Dan is men gered,” zei hij met plechtigheid.„En de goede, fatsoenlijke vrouw, wat is die?”„Hm?” vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen vol verbazing. „De vrouw?”„Ja zeker! Hoe is haar positie?”„Zij is een reddende engel.”Lena moest hem in dat antwoord toch bewonderen; zij vond het zeer gepast en treffend, en ze dacht erover na, voor het eerst gevoelend, dat zoo’n fraaie rol voor haar aan zelfopoffering gewoon karakter nog zoo slecht niet was.„Ik hoop,” zei Vermey, „dat je een beetje beter over me denken zult; dat is alles; ik heb mijn best gedaan je duidelijk te maken hoe de omstandigheden in mijn nadeel zijn geweest; altijd!”„Dat geef ik toe; het is zeer moeilijk jong op eigen beenen te staan.”„Je kunt erover oordeelen, niet waar? Dáárvoor heb ik je altijd bepaald bewonderd. En daarom wou ik nu ook niet zoo’n bijzondere verworpeling zijn in je oogen.”Zij stak hem, gevleid en glimlachend, de hand toe, die hij drukte met grooter innigheid dan noodig was, en toen hij heenging, bleef ze in de voorgalerij staan, hem stil nakijkend; tot zij nog slechts nu en dan zijn lange witte figuur tusschen de naar de verte opdringende boomen zag heen schemeren, en toen hij weg was, heelemaal weg, zoodat zij hem niet meer zou terugzien, daar hij den volgenden dag heenging,—vroeg zij haarzelf waarom ze hem dan toch eigenlijk had bedankt? Welke verdienste er in[139]haar houding stak tegenover zijn positie, die ze nu zoo erg ongelukkig vond in alle opzichten.Hij was de eenige, die haar ooit tot vrouw had gevraagd; menig meisje had hem aangenomen met beide handen; hij was een knap man van uiterlijk, veel kraniger dan Voirey, al kon hij wat capaciteit aangaat niet in diens schaduw staan. Zij zag in haar afwijzing, die haar toen zoo’n goede daad had geschenen, thans niets verdienstelijks meer hoegenaamd. Wat moest er nu van hem worden? Hij zou hoogstwaarschijnlijk een goede man voor haar zijn geweest, en ook voor zijn huishouden. En zij zelf zou zielsrust hebben gevonden en bevrediging; in haar eigen lief huishoudentje …Zenuwachtig en haar tranen bedwingend beet zij op haar onderlip.Het was te laat!Er was niets meer aan te doen! Wat zou er trouwens aan te doen zijn geweest? Zij was immers niet eens op dien man verliefd! Zij stond stil bij die quaestie en vroeg zich af of zij eigenlijk welietsgevoelde voor Vermey, en wat dat was. Maar ze kreeg op die vragen geen antwoord. Eén ding wist ze: ze zou hem althans niet zóó afwijzen, als ze gedaan had, wanneer hij haar nog eens vroeg. Zij hoorde de stem van Voirey, luid sprekend binnen met haar broers, die hijen passantals het ware engelsche conversatie-les gaf, en ze dacht aan wat Vermey van hem had gezegd; onwillig schudde zij het hoofd; dat had hij toch zeker gelogen en dan was hij toch een onwaardig sujet! Zij zou het te weten komen; zij wilde en zij zou; het was beneden haar de meiden uit te hooren, maar zij[140]zou het toch doen. En ze deed het dadelijk; ze riep een der baboes in de goedang, en vroeg of die ook iets wist. Van zich geneeren voor die meid, was bij haar geen quaestie; zij kon zich desnoods voor haarzelf geneeren, maar voor ’n inlandsche baboe! En de meid wist er alles van: o zeker, dietoean ingris, zooals de bedienden hem noemden, omdat hij engelsch sprak met de jongelui en ook wel met Lena, wel ja, die had een chineesche nonna in de kampong achter het huis; ze wees de woning in de verte aan; het pannen dak met witte kalkranden erlangs keek brutaal-rood tusschen de atappen daken door.Een nieuwsgierige woede maakte zich van haar meester; zij wilde nu ineens alles weten, wat men te weten komen kon, en geregeld hoorde zij de meid uit, die niets liever deed, dan over zulke dingen praten, en alles vertellen wat ze wist.Lena voelde, dat ze er half suf van werd! Haar vader, haar broers, haar neef, allen leefden alsof wat men verstond onder zedelijkheid en kuischheid niet geschreven stond voor hen. Zij alleen was fatsoenlijk; haar geheele omgeving tot den minsten bediende, was ontuchtig en bedorven. Ze dacht weer aan Vermey, dien ze had afgewezen omdat hij zich onfatsoenlijk gedragen had, naar haar opinie. En terwijl zij zoo kieschkeurig was, leefde de rest als ’n troep wilde beesten; terwijl men haar van kind af had geleerd hoogst fatsoenlijk en rein te zijn, deed haar heele omgeving met de grootste gemoedelijkheid en alsof dat zoo behoorde juist het tegenovergestelde!Wat was het dan voor een soort zedenleer, die haar[141]slechts van één kant scheen bekend te zijn, en die voor andere menschen, voor mannen blijkbaar ook een anderen kant had; een geheel tegenovergestelde!„Ga je mee van avond?” vroeg Voirey, die in de achtergalerij een tijdschrift zat te doorbladeren.„Neen,” zei ze bits.„Niet in je humeur, nichtje?”Zij haalde zwijgend de schouders op.„Vermey is afscheid komen nemen,” plaagde een derbroerslachend.Lena wierp hem een donkeren blik vol minachting toe, die hem met een verbaasd gezicht deed rondkijken, alsof hij iedereen tot getuige wilde nemen, dat hij toch zooveel niet had miszegd.Maar Voirey was ernstig geworden.„Het spijt mij voor dien Vermey; ik zou hem graag hebben geholpen, niet omdat ik geloof, dat Lena belang in hem stelt, maar omdat hij me ’n geschikt man lijkt.”„Dat is hij ook,” zei Bruce, die met z’n bril op het voorhoofd en een roodflanellen kabaai aan ’n kop thee stond te slurpen.„Ik vergis me daar niet licht in, oom; hij is geen man om aan het hoofd te staan; daar heeft hij geen uiterlijk naar, maar hij is zonder twijfel ’n voortreffelijk employé.”„Wil je nog thee?” vroeg Lena.„Dankje,” antwoordde Voirey opnieuw verwonderd over den vinnigen toon.„U nog, pa?”„Neen,” zei de oude heer, ook verbaasd.[142]„Jullie daar?” vroeg ze haar broers die haar met groote oogen aankeken en in duo: „merci!” zeiden.Zij liet dadelijk het theegoed wegnemen en liep naar haar kamer, woedend, zenuwachtig opgewonden.Welk een collectie gemeene huichelaars! Wat zaten ze daar gemoedelijk, thee te drinken, en hoe fatsoenlijk alle vier in hun spreken! Zou men niet gezegdhebben, dat het waar was, wat zij altijd geloofd had, dat hun werken en woorden verband hielden? Bah! welk een slechte menschen! Als het geen zonde was, dacht ze in haar verontwaardiging, zou men zelfmoord plegen om niet gedrongen te zijn in zoo’n gemeene wereld te leven.„Wat had je toch vanmiddag;” vroeg ’s avonds Voirey toen ze wat gekalmeerd was.„Ik? niets!”„Gekheid! Ik wil me niet in je hartsgeheimen dringen, Lena, maar als je wellicht verdrietig bent om Vermey, kom er dan voor uit tegen mij;ikkan hem helpen als ik wil, en als jij het gaarne hebt, zal ik het ook doen.”„Dankje, Jan. Laat Vermey zijn fortuin maar gerust te Batavia beproeven. Als mij wat hindert; dàt was het niet.”„Zoo.… wij dachten het.”„Ik kan je in ’t geheel niet zeggen wat het was. Het is nu voorbij, ik hoop voor goed.”„Was het zoo erg?”„Neen! Het was, zou jij en pa en iedereen zeggen, om te lachen, schoon ik het vond om te huilen. Doch nu is het geheel voorbij.”„Je bent een raar meisje, Leen,” zei hij na eenig[143]nadenken. „Ik geloof dat je ’n goede amerikaansche zoudt zijn.”„Waarom?”„Wel, die zijnandersdan gewone meisjes, en dat ben jij ook.”„Het zal wel overgaan,” zei ze bitter. „Alles op de wereld is maar een zaak van gewoonte. Ik ben me al aan zooveel in gedachten gewoon geraakt, dat als Vermey me voor de tweede maal vroeg, ik hem althans niet om dezelfde redenen zou afwijzen.”[144]

[Inhoud]ELFDE HOOFDSTUK.Lena’s overdenkingen in zake zedelijkheid.Het was ’n mooie vendutie. Men begreep niet, waar de menschen vandaan kwamen, maar ze waren er. ’s Morgens vroeg was Yps uit het huis gegaan; zij moest meê naar Batavia, en dat vooruitzicht had haar heel vroolijk en levenslustig gestemd.Juist had Vermey zijn koffertje gepakt en stond hij op ’t punt óók te vertrekken uit het voor de vendutie gereed gemaakte huis, dat zoo proper was als nooit te voren, met een profusie van politoer glimmend en glinsterend op stoelen en banken—toen een dos-a-dos stilhield met ’n dame, die nogal besproken werd op de plaats.„Wat komt die zoo vroeg jagen?” dacht Vermey glurend door de jaloeziën, naar de jonge, knappe vrouw in sarong en kabaai, die in de voorgalerij de bloemen liep te bekijken. Er kwam nog een voertuig het erf op en daaruit stapte een onbekende meneer alleen, die de dame scheen te kennen.[133]Maar Vermey maakte zich inwendig boos. „Ja, dat kan jullie begrijpen!” mopperde hij bij zichzelf. „Daar zullen jullie weinig plezier van hebben!” En hij begon luid om de bedienden te roepen, hardop pratend van „menschen, die maar liever in den nacht moesten komen,” gooiend en smijtend, zoodat de bezoekers, onaangenaam door zijn tegenwoordigheid verrast, weêr gauw heengingen.„Zulk vee!” schold Vermey hen hoofdschuddend nakijkend.Toen er langzamerhand kijkers kwamenpour le vrai motifging Vermey heen. Nog een blik in ’t rond. Wie weet hoe drommels weinig zijn net boeltje zou opbrengen! Een appel en een ei, dat zou ook hier wel ’t resultaat wezen!Doch het ging, zonder dat hij ’t wist, uitstekend. Het scheen, dat men op de plaatskasianmet hem en zijn schuldeischers had, en hem een ouderwetsche vendutie wilde bezorgen. Er werden heel wat grappen bij verkocht door de koopers,—allemaal aardigheden op Yps, wat den kooplust scheen aan te vuren.Opgetogen hoorde Vermey, dat de opbrengst driemaal hooger was, dan hij had geschat. De tweehonderd gulden van Lena Bruce had hij nu in ’t geheel niet noodig, hij hield ’n duizend gulden vrij in de hand en daarmeê zou hij het voorloopig te Batavia wel stellen.Lena keek vreemd op, toen ze hem dien namiddag in haar voorgalerij zag staan.„Ik kom u dat geld terug brengen,” zei hij blozend als altijd. „Ik heb zoo’n magnifique vendutie gemaakt! Het is ongedacht goed gegaan.”[134]„Het doet me erg veel genoegen voor u. Geneer u overigens niet voor dat geld. Dat komt wel terecht.”„Ik wil het liever teruggeven, nu ik het niet noodig heb. Intusschen ben ik u zeer dankbaar.”„’t Is niet de moeite waard.”„Nu niet, neen, en voor u in ’t geheel niet, maar ik was er zeer meê geholpen.”„Het blijft tot uw dispositie. Als het u soms te Batavia niet gauw mocht gelukken.…”„Dank u.”Vermey aarzelde; hij had nu eigenlijk niets meer te zeggen en toch wilde hij wat zeggen; hij nam er den ouden toon van vriend des huizes voor aan, vertrouwelijk.„Je hebt intusschen maar heel verstandig gedaan laatst.”Zij keek hem strak aan met haar heldere lichte oogen.„Toen ik u bedankte?”Vermey knikte toestemmend.„Dat weet ik niet. Of ik er verstandig of dom aan deed, acht ik geen uitgemaakte zaak.”„Zelfs nu niet, nu ik zonder betrekking ben en als een beginner moet zoeken naar ’n baantje?”„Neen, zelfs nu niet. Het was voor mij geen vraag van min of meer vérstand; ik deed zooals behoorde, zooals ik doen moest!”„Ja,” zei hij met een zucht. „Ik weet, wat je bedoelt, Lena; enfin,ikvoor mij ben nu blij, dat het zóó is afgeloopen. Ik zou niet graag van een vrouw financieel afhankelijk zijn. Dat ligt niet in mijn aard. En overigens.… ik kan over zulke zaken heel moeilijk openhartig spreken.”[135]„Over welke zaken?”„Wel.… over.… hetchâpitre, huishoudsters van jongelui. Dat gaat nu eenmaal niet,” ging hij voort, vuurrood tot in zijn nek, „maar geloof me, het is niet anders. Ik ben de eenige niet. Alle jongelui doen het.… hier in Indië.… en die het niet doen.… nu ja.… dat is nog erger, zie je.”Hij zag haast violet van verschrikkelijke verlegenheid en ook van ergernis dáárover. Lena keek niet vriendelijk; zij was bleek van kwaadheid om wat hij zei.„U behoeft geen excuses te maken tegen mij,” zei ze verstoord, „en evenmin iedereen van slecht gedrag of ongepaste dingen beschuldigen.”„Geloof me toch,” hield hij vol. „Ik lieg waarachtig niet.”„Dat is wèl waar. Mijn neef Voirey.…”Er glinsterde ’n scherpe triomf op zijn gezicht en in zijn eenigszins uitpuilende blauwe oogen.„Maakt op den regel geen uitzondering.”„Het is een leugen,” zei ze verontwaardigd, maar ze zag wel aan zijn houding, dat het geen leugen was; ze begreep nu ook wel, dat zijn geheele gesprek ten doel had gehad dáárop neer te komen, en zij eigenlijk, door den naam van haar neef onvoorzichtig te noemen in den strik was geloopen.„Ik hoop niet,” zei hij, „dat je het me kwalijk neemt.”Zij keek hem donker aan; onderuit, met een voorwaartsche lippenbeweging.„Zeker neem ik het kwalijk.”[136]„Het spijt me razend; maar mijn schuld is het niet.”„Dat is het wèl. Je hebt het met opzet gedaan.”„In zoover ja. Ik moest me toch ’n beetje verdedigen. Laatst bracht ik het er zoo slecht af.”„Toch niet. Toen beter als nu.… fatsoenlijker.”„Maar heel kaaltjes. Ik was.… beteuterd, en het scheen wel, dat ik beladen met al de zonden van al de jonge mannen in Indië naar de woestijn werd gestuurd.”„Ik heb me enkel gehouden bij wat u persoonlijk betrof.… en mij.”„Dat was het juist. In dit geval betrof het mij, zooals het.…”„Ik had alleen metditgeval te maken.” .…. „Zooals het in negentig van de honderd gevallen ieder-ander zou hebben betroffen.”„Daar heb ik niets mee noodig.”„Maar ik wel, Lena. Ik moest me rechtvaardigen. Het is waar,—ik ben nu eenmaal niet wat je in een man schijnt te verlangen; ik ben niet goed genoeg voor je; dat stem ik allemaal toe; een meisje als jij moet een man hebben, die zedelijk hooger staat dan ik.”Hij zweeg een oogenblik, en zij, getroffen en ontwapend door die bekentenis, zweeg ook. Of het kwam door de champagne, die hij had gedronken op den goeden afloop van zijn vendutie, dan wel door de weeke gelukstemming uit dien afloop voortvloeiend, wist hij niet; wèl, dat hij als het ware dichterlijke aanvechtingen kreeg met aandoenlijkheidsvisioenen, gelijk hij die hebben kon op kater-ochtenden na kwart of halve nachten. En eenmaal op dreef in[137]die richting, kwam hij heelemaal los, met droevige stemmodulaties vol welgemeendheid, hardnekkig zichzelf beschuldigend en verdedigend te gelijk.„Niemand behoeft mij mezelven te leeren kennen, zelf ken ik het best mijn groote tekortkomingen. Als ik mij verdedig, zoo goed en zoo kwaad ik kan, verontschuldig ik mij niet. Integendeel.”Zij stond op het punt hem in die verdediging ’n handje te helpen, nu haar medelijden boven begon te komen, maar zij hield zich goed.„Ik zal niet spreken van het verdriet, dat ik heb gehad. Dat geloof je toch niet. Maar wat ik wel aanvoeren wil, is mijn ongelukkige toestand al zooveel jaar. Ik was nog maar een kwa-jongen toen ik hier in Indië kwam, en ik had hier vriend noch maag. Als men geen fortuin heeft en geen relaties hier, maar eenvoudig jongste geëmployeerde is op een handelskantoor, wat moet men dan aanvangen in dit eentonige land zonder iets voor jongelui om zich te vermaken,—dan.… je begrijpt de rest!” eindigde hij met een diepen zucht. En toen weêr voortgaande:„Het wordt ten slotte een poel van ordinairheid, waarin een jonge man alle moeite heeft niet te verzinken. Ik ben ten minste niet verinlandscht. Dat is op zichzelf waarachtig al een kunststuk. Maar er komt toch een oogenblik, dat men ernstig vreest; dat de invloed dreigt te sterk te worden. Dan, als men dan zoo gelukkig is een goede, fatsoenlijke vrouw te trouwen voor wie men achting gevoelt en liefde.…”Zijn stem beefde, zoo aangedaan werd hij over zichzelf.[138]„Dan?” vroeg ze op zacht spottenden toon.„Dan is men gered,” zei hij met plechtigheid.„En de goede, fatsoenlijke vrouw, wat is die?”„Hm?” vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen vol verbazing. „De vrouw?”„Ja zeker! Hoe is haar positie?”„Zij is een reddende engel.”Lena moest hem in dat antwoord toch bewonderen; zij vond het zeer gepast en treffend, en ze dacht erover na, voor het eerst gevoelend, dat zoo’n fraaie rol voor haar aan zelfopoffering gewoon karakter nog zoo slecht niet was.„Ik hoop,” zei Vermey, „dat je een beetje beter over me denken zult; dat is alles; ik heb mijn best gedaan je duidelijk te maken hoe de omstandigheden in mijn nadeel zijn geweest; altijd!”„Dat geef ik toe; het is zeer moeilijk jong op eigen beenen te staan.”„Je kunt erover oordeelen, niet waar? Dáárvoor heb ik je altijd bepaald bewonderd. En daarom wou ik nu ook niet zoo’n bijzondere verworpeling zijn in je oogen.”Zij stak hem, gevleid en glimlachend, de hand toe, die hij drukte met grooter innigheid dan noodig was, en toen hij heenging, bleef ze in de voorgalerij staan, hem stil nakijkend; tot zij nog slechts nu en dan zijn lange witte figuur tusschen de naar de verte opdringende boomen zag heen schemeren, en toen hij weg was, heelemaal weg, zoodat zij hem niet meer zou terugzien, daar hij den volgenden dag heenging,—vroeg zij haarzelf waarom ze hem dan toch eigenlijk had bedankt? Welke verdienste er in[139]haar houding stak tegenover zijn positie, die ze nu zoo erg ongelukkig vond in alle opzichten.Hij was de eenige, die haar ooit tot vrouw had gevraagd; menig meisje had hem aangenomen met beide handen; hij was een knap man van uiterlijk, veel kraniger dan Voirey, al kon hij wat capaciteit aangaat niet in diens schaduw staan. Zij zag in haar afwijzing, die haar toen zoo’n goede daad had geschenen, thans niets verdienstelijks meer hoegenaamd. Wat moest er nu van hem worden? Hij zou hoogstwaarschijnlijk een goede man voor haar zijn geweest, en ook voor zijn huishouden. En zij zelf zou zielsrust hebben gevonden en bevrediging; in haar eigen lief huishoudentje …Zenuwachtig en haar tranen bedwingend beet zij op haar onderlip.Het was te laat!Er was niets meer aan te doen! Wat zou er trouwens aan te doen zijn geweest? Zij was immers niet eens op dien man verliefd! Zij stond stil bij die quaestie en vroeg zich af of zij eigenlijk welietsgevoelde voor Vermey, en wat dat was. Maar ze kreeg op die vragen geen antwoord. Eén ding wist ze: ze zou hem althans niet zóó afwijzen, als ze gedaan had, wanneer hij haar nog eens vroeg. Zij hoorde de stem van Voirey, luid sprekend binnen met haar broers, die hijen passantals het ware engelsche conversatie-les gaf, en ze dacht aan wat Vermey van hem had gezegd; onwillig schudde zij het hoofd; dat had hij toch zeker gelogen en dan was hij toch een onwaardig sujet! Zij zou het te weten komen; zij wilde en zij zou; het was beneden haar de meiden uit te hooren, maar zij[140]zou het toch doen. En ze deed het dadelijk; ze riep een der baboes in de goedang, en vroeg of die ook iets wist. Van zich geneeren voor die meid, was bij haar geen quaestie; zij kon zich desnoods voor haarzelf geneeren, maar voor ’n inlandsche baboe! En de meid wist er alles van: o zeker, dietoean ingris, zooals de bedienden hem noemden, omdat hij engelsch sprak met de jongelui en ook wel met Lena, wel ja, die had een chineesche nonna in de kampong achter het huis; ze wees de woning in de verte aan; het pannen dak met witte kalkranden erlangs keek brutaal-rood tusschen de atappen daken door.Een nieuwsgierige woede maakte zich van haar meester; zij wilde nu ineens alles weten, wat men te weten komen kon, en geregeld hoorde zij de meid uit, die niets liever deed, dan over zulke dingen praten, en alles vertellen wat ze wist.Lena voelde, dat ze er half suf van werd! Haar vader, haar broers, haar neef, allen leefden alsof wat men verstond onder zedelijkheid en kuischheid niet geschreven stond voor hen. Zij alleen was fatsoenlijk; haar geheele omgeving tot den minsten bediende, was ontuchtig en bedorven. Ze dacht weer aan Vermey, dien ze had afgewezen omdat hij zich onfatsoenlijk gedragen had, naar haar opinie. En terwijl zij zoo kieschkeurig was, leefde de rest als ’n troep wilde beesten; terwijl men haar van kind af had geleerd hoogst fatsoenlijk en rein te zijn, deed haar heele omgeving met de grootste gemoedelijkheid en alsof dat zoo behoorde juist het tegenovergestelde!Wat was het dan voor een soort zedenleer, die haar[141]slechts van één kant scheen bekend te zijn, en die voor andere menschen, voor mannen blijkbaar ook een anderen kant had; een geheel tegenovergestelde!„Ga je mee van avond?” vroeg Voirey, die in de achtergalerij een tijdschrift zat te doorbladeren.„Neen,” zei ze bits.„Niet in je humeur, nichtje?”Zij haalde zwijgend de schouders op.„Vermey is afscheid komen nemen,” plaagde een derbroerslachend.Lena wierp hem een donkeren blik vol minachting toe, die hem met een verbaasd gezicht deed rondkijken, alsof hij iedereen tot getuige wilde nemen, dat hij toch zooveel niet had miszegd.Maar Voirey was ernstig geworden.„Het spijt mij voor dien Vermey; ik zou hem graag hebben geholpen, niet omdat ik geloof, dat Lena belang in hem stelt, maar omdat hij me ’n geschikt man lijkt.”„Dat is hij ook,” zei Bruce, die met z’n bril op het voorhoofd en een roodflanellen kabaai aan ’n kop thee stond te slurpen.„Ik vergis me daar niet licht in, oom; hij is geen man om aan het hoofd te staan; daar heeft hij geen uiterlijk naar, maar hij is zonder twijfel ’n voortreffelijk employé.”„Wil je nog thee?” vroeg Lena.„Dankje,” antwoordde Voirey opnieuw verwonderd over den vinnigen toon.„U nog, pa?”„Neen,” zei de oude heer, ook verbaasd.[142]„Jullie daar?” vroeg ze haar broers die haar met groote oogen aankeken en in duo: „merci!” zeiden.Zij liet dadelijk het theegoed wegnemen en liep naar haar kamer, woedend, zenuwachtig opgewonden.Welk een collectie gemeene huichelaars! Wat zaten ze daar gemoedelijk, thee te drinken, en hoe fatsoenlijk alle vier in hun spreken! Zou men niet gezegdhebben, dat het waar was, wat zij altijd geloofd had, dat hun werken en woorden verband hielden? Bah! welk een slechte menschen! Als het geen zonde was, dacht ze in haar verontwaardiging, zou men zelfmoord plegen om niet gedrongen te zijn in zoo’n gemeene wereld te leven.„Wat had je toch vanmiddag;” vroeg ’s avonds Voirey toen ze wat gekalmeerd was.„Ik? niets!”„Gekheid! Ik wil me niet in je hartsgeheimen dringen, Lena, maar als je wellicht verdrietig bent om Vermey, kom er dan voor uit tegen mij;ikkan hem helpen als ik wil, en als jij het gaarne hebt, zal ik het ook doen.”„Dankje, Jan. Laat Vermey zijn fortuin maar gerust te Batavia beproeven. Als mij wat hindert; dàt was het niet.”„Zoo.… wij dachten het.”„Ik kan je in ’t geheel niet zeggen wat het was. Het is nu voorbij, ik hoop voor goed.”„Was het zoo erg?”„Neen! Het was, zou jij en pa en iedereen zeggen, om te lachen, schoon ik het vond om te huilen. Doch nu is het geheel voorbij.”„Je bent een raar meisje, Leen,” zei hij na eenig[143]nadenken. „Ik geloof dat je ’n goede amerikaansche zoudt zijn.”„Waarom?”„Wel, die zijnandersdan gewone meisjes, en dat ben jij ook.”„Het zal wel overgaan,” zei ze bitter. „Alles op de wereld is maar een zaak van gewoonte. Ik ben me al aan zooveel in gedachten gewoon geraakt, dat als Vermey me voor de tweede maal vroeg, ik hem althans niet om dezelfde redenen zou afwijzen.”[144]

ELFDE HOOFDSTUK.Lena’s overdenkingen in zake zedelijkheid.

Het was ’n mooie vendutie. Men begreep niet, waar de menschen vandaan kwamen, maar ze waren er. ’s Morgens vroeg was Yps uit het huis gegaan; zij moest meê naar Batavia, en dat vooruitzicht had haar heel vroolijk en levenslustig gestemd.Juist had Vermey zijn koffertje gepakt en stond hij op ’t punt óók te vertrekken uit het voor de vendutie gereed gemaakte huis, dat zoo proper was als nooit te voren, met een profusie van politoer glimmend en glinsterend op stoelen en banken—toen een dos-a-dos stilhield met ’n dame, die nogal besproken werd op de plaats.„Wat komt die zoo vroeg jagen?” dacht Vermey glurend door de jaloeziën, naar de jonge, knappe vrouw in sarong en kabaai, die in de voorgalerij de bloemen liep te bekijken. Er kwam nog een voertuig het erf op en daaruit stapte een onbekende meneer alleen, die de dame scheen te kennen.[133]Maar Vermey maakte zich inwendig boos. „Ja, dat kan jullie begrijpen!” mopperde hij bij zichzelf. „Daar zullen jullie weinig plezier van hebben!” En hij begon luid om de bedienden te roepen, hardop pratend van „menschen, die maar liever in den nacht moesten komen,” gooiend en smijtend, zoodat de bezoekers, onaangenaam door zijn tegenwoordigheid verrast, weêr gauw heengingen.„Zulk vee!” schold Vermey hen hoofdschuddend nakijkend.Toen er langzamerhand kijkers kwamenpour le vrai motifging Vermey heen. Nog een blik in ’t rond. Wie weet hoe drommels weinig zijn net boeltje zou opbrengen! Een appel en een ei, dat zou ook hier wel ’t resultaat wezen!Doch het ging, zonder dat hij ’t wist, uitstekend. Het scheen, dat men op de plaatskasianmet hem en zijn schuldeischers had, en hem een ouderwetsche vendutie wilde bezorgen. Er werden heel wat grappen bij verkocht door de koopers,—allemaal aardigheden op Yps, wat den kooplust scheen aan te vuren.Opgetogen hoorde Vermey, dat de opbrengst driemaal hooger was, dan hij had geschat. De tweehonderd gulden van Lena Bruce had hij nu in ’t geheel niet noodig, hij hield ’n duizend gulden vrij in de hand en daarmeê zou hij het voorloopig te Batavia wel stellen.Lena keek vreemd op, toen ze hem dien namiddag in haar voorgalerij zag staan.„Ik kom u dat geld terug brengen,” zei hij blozend als altijd. „Ik heb zoo’n magnifique vendutie gemaakt! Het is ongedacht goed gegaan.”[134]„Het doet me erg veel genoegen voor u. Geneer u overigens niet voor dat geld. Dat komt wel terecht.”„Ik wil het liever teruggeven, nu ik het niet noodig heb. Intusschen ben ik u zeer dankbaar.”„’t Is niet de moeite waard.”„Nu niet, neen, en voor u in ’t geheel niet, maar ik was er zeer meê geholpen.”„Het blijft tot uw dispositie. Als het u soms te Batavia niet gauw mocht gelukken.…”„Dank u.”Vermey aarzelde; hij had nu eigenlijk niets meer te zeggen en toch wilde hij wat zeggen; hij nam er den ouden toon van vriend des huizes voor aan, vertrouwelijk.„Je hebt intusschen maar heel verstandig gedaan laatst.”Zij keek hem strak aan met haar heldere lichte oogen.„Toen ik u bedankte?”Vermey knikte toestemmend.„Dat weet ik niet. Of ik er verstandig of dom aan deed, acht ik geen uitgemaakte zaak.”„Zelfs nu niet, nu ik zonder betrekking ben en als een beginner moet zoeken naar ’n baantje?”„Neen, zelfs nu niet. Het was voor mij geen vraag van min of meer vérstand; ik deed zooals behoorde, zooals ik doen moest!”„Ja,” zei hij met een zucht. „Ik weet, wat je bedoelt, Lena; enfin,ikvoor mij ben nu blij, dat het zóó is afgeloopen. Ik zou niet graag van een vrouw financieel afhankelijk zijn. Dat ligt niet in mijn aard. En overigens.… ik kan over zulke zaken heel moeilijk openhartig spreken.”[135]„Over welke zaken?”„Wel.… over.… hetchâpitre, huishoudsters van jongelui. Dat gaat nu eenmaal niet,” ging hij voort, vuurrood tot in zijn nek, „maar geloof me, het is niet anders. Ik ben de eenige niet. Alle jongelui doen het.… hier in Indië.… en die het niet doen.… nu ja.… dat is nog erger, zie je.”Hij zag haast violet van verschrikkelijke verlegenheid en ook van ergernis dáárover. Lena keek niet vriendelijk; zij was bleek van kwaadheid om wat hij zei.„U behoeft geen excuses te maken tegen mij,” zei ze verstoord, „en evenmin iedereen van slecht gedrag of ongepaste dingen beschuldigen.”„Geloof me toch,” hield hij vol. „Ik lieg waarachtig niet.”„Dat is wèl waar. Mijn neef Voirey.…”Er glinsterde ’n scherpe triomf op zijn gezicht en in zijn eenigszins uitpuilende blauwe oogen.„Maakt op den regel geen uitzondering.”„Het is een leugen,” zei ze verontwaardigd, maar ze zag wel aan zijn houding, dat het geen leugen was; ze begreep nu ook wel, dat zijn geheele gesprek ten doel had gehad dáárop neer te komen, en zij eigenlijk, door den naam van haar neef onvoorzichtig te noemen in den strik was geloopen.„Ik hoop niet,” zei hij, „dat je het me kwalijk neemt.”Zij keek hem donker aan; onderuit, met een voorwaartsche lippenbeweging.„Zeker neem ik het kwalijk.”[136]„Het spijt me razend; maar mijn schuld is het niet.”„Dat is het wèl. Je hebt het met opzet gedaan.”„In zoover ja. Ik moest me toch ’n beetje verdedigen. Laatst bracht ik het er zoo slecht af.”„Toch niet. Toen beter als nu.… fatsoenlijker.”„Maar heel kaaltjes. Ik was.… beteuterd, en het scheen wel, dat ik beladen met al de zonden van al de jonge mannen in Indië naar de woestijn werd gestuurd.”„Ik heb me enkel gehouden bij wat u persoonlijk betrof.… en mij.”„Dat was het juist. In dit geval betrof het mij, zooals het.…”„Ik had alleen metditgeval te maken.” .…. „Zooals het in negentig van de honderd gevallen ieder-ander zou hebben betroffen.”„Daar heb ik niets mee noodig.”„Maar ik wel, Lena. Ik moest me rechtvaardigen. Het is waar,—ik ben nu eenmaal niet wat je in een man schijnt te verlangen; ik ben niet goed genoeg voor je; dat stem ik allemaal toe; een meisje als jij moet een man hebben, die zedelijk hooger staat dan ik.”Hij zweeg een oogenblik, en zij, getroffen en ontwapend door die bekentenis, zweeg ook. Of het kwam door de champagne, die hij had gedronken op den goeden afloop van zijn vendutie, dan wel door de weeke gelukstemming uit dien afloop voortvloeiend, wist hij niet; wèl, dat hij als het ware dichterlijke aanvechtingen kreeg met aandoenlijkheidsvisioenen, gelijk hij die hebben kon op kater-ochtenden na kwart of halve nachten. En eenmaal op dreef in[137]die richting, kwam hij heelemaal los, met droevige stemmodulaties vol welgemeendheid, hardnekkig zichzelf beschuldigend en verdedigend te gelijk.„Niemand behoeft mij mezelven te leeren kennen, zelf ken ik het best mijn groote tekortkomingen. Als ik mij verdedig, zoo goed en zoo kwaad ik kan, verontschuldig ik mij niet. Integendeel.”Zij stond op het punt hem in die verdediging ’n handje te helpen, nu haar medelijden boven begon te komen, maar zij hield zich goed.„Ik zal niet spreken van het verdriet, dat ik heb gehad. Dat geloof je toch niet. Maar wat ik wel aanvoeren wil, is mijn ongelukkige toestand al zooveel jaar. Ik was nog maar een kwa-jongen toen ik hier in Indië kwam, en ik had hier vriend noch maag. Als men geen fortuin heeft en geen relaties hier, maar eenvoudig jongste geëmployeerde is op een handelskantoor, wat moet men dan aanvangen in dit eentonige land zonder iets voor jongelui om zich te vermaken,—dan.… je begrijpt de rest!” eindigde hij met een diepen zucht. En toen weêr voortgaande:„Het wordt ten slotte een poel van ordinairheid, waarin een jonge man alle moeite heeft niet te verzinken. Ik ben ten minste niet verinlandscht. Dat is op zichzelf waarachtig al een kunststuk. Maar er komt toch een oogenblik, dat men ernstig vreest; dat de invloed dreigt te sterk te worden. Dan, als men dan zoo gelukkig is een goede, fatsoenlijke vrouw te trouwen voor wie men achting gevoelt en liefde.…”Zijn stem beefde, zoo aangedaan werd hij over zichzelf.[138]„Dan?” vroeg ze op zacht spottenden toon.„Dan is men gered,” zei hij met plechtigheid.„En de goede, fatsoenlijke vrouw, wat is die?”„Hm?” vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen vol verbazing. „De vrouw?”„Ja zeker! Hoe is haar positie?”„Zij is een reddende engel.”Lena moest hem in dat antwoord toch bewonderen; zij vond het zeer gepast en treffend, en ze dacht erover na, voor het eerst gevoelend, dat zoo’n fraaie rol voor haar aan zelfopoffering gewoon karakter nog zoo slecht niet was.„Ik hoop,” zei Vermey, „dat je een beetje beter over me denken zult; dat is alles; ik heb mijn best gedaan je duidelijk te maken hoe de omstandigheden in mijn nadeel zijn geweest; altijd!”„Dat geef ik toe; het is zeer moeilijk jong op eigen beenen te staan.”„Je kunt erover oordeelen, niet waar? Dáárvoor heb ik je altijd bepaald bewonderd. En daarom wou ik nu ook niet zoo’n bijzondere verworpeling zijn in je oogen.”Zij stak hem, gevleid en glimlachend, de hand toe, die hij drukte met grooter innigheid dan noodig was, en toen hij heenging, bleef ze in de voorgalerij staan, hem stil nakijkend; tot zij nog slechts nu en dan zijn lange witte figuur tusschen de naar de verte opdringende boomen zag heen schemeren, en toen hij weg was, heelemaal weg, zoodat zij hem niet meer zou terugzien, daar hij den volgenden dag heenging,—vroeg zij haarzelf waarom ze hem dan toch eigenlijk had bedankt? Welke verdienste er in[139]haar houding stak tegenover zijn positie, die ze nu zoo erg ongelukkig vond in alle opzichten.Hij was de eenige, die haar ooit tot vrouw had gevraagd; menig meisje had hem aangenomen met beide handen; hij was een knap man van uiterlijk, veel kraniger dan Voirey, al kon hij wat capaciteit aangaat niet in diens schaduw staan. Zij zag in haar afwijzing, die haar toen zoo’n goede daad had geschenen, thans niets verdienstelijks meer hoegenaamd. Wat moest er nu van hem worden? Hij zou hoogstwaarschijnlijk een goede man voor haar zijn geweest, en ook voor zijn huishouden. En zij zelf zou zielsrust hebben gevonden en bevrediging; in haar eigen lief huishoudentje …Zenuwachtig en haar tranen bedwingend beet zij op haar onderlip.Het was te laat!Er was niets meer aan te doen! Wat zou er trouwens aan te doen zijn geweest? Zij was immers niet eens op dien man verliefd! Zij stond stil bij die quaestie en vroeg zich af of zij eigenlijk welietsgevoelde voor Vermey, en wat dat was. Maar ze kreeg op die vragen geen antwoord. Eén ding wist ze: ze zou hem althans niet zóó afwijzen, als ze gedaan had, wanneer hij haar nog eens vroeg. Zij hoorde de stem van Voirey, luid sprekend binnen met haar broers, die hijen passantals het ware engelsche conversatie-les gaf, en ze dacht aan wat Vermey van hem had gezegd; onwillig schudde zij het hoofd; dat had hij toch zeker gelogen en dan was hij toch een onwaardig sujet! Zij zou het te weten komen; zij wilde en zij zou; het was beneden haar de meiden uit te hooren, maar zij[140]zou het toch doen. En ze deed het dadelijk; ze riep een der baboes in de goedang, en vroeg of die ook iets wist. Van zich geneeren voor die meid, was bij haar geen quaestie; zij kon zich desnoods voor haarzelf geneeren, maar voor ’n inlandsche baboe! En de meid wist er alles van: o zeker, dietoean ingris, zooals de bedienden hem noemden, omdat hij engelsch sprak met de jongelui en ook wel met Lena, wel ja, die had een chineesche nonna in de kampong achter het huis; ze wees de woning in de verte aan; het pannen dak met witte kalkranden erlangs keek brutaal-rood tusschen de atappen daken door.Een nieuwsgierige woede maakte zich van haar meester; zij wilde nu ineens alles weten, wat men te weten komen kon, en geregeld hoorde zij de meid uit, die niets liever deed, dan over zulke dingen praten, en alles vertellen wat ze wist.Lena voelde, dat ze er half suf van werd! Haar vader, haar broers, haar neef, allen leefden alsof wat men verstond onder zedelijkheid en kuischheid niet geschreven stond voor hen. Zij alleen was fatsoenlijk; haar geheele omgeving tot den minsten bediende, was ontuchtig en bedorven. Ze dacht weer aan Vermey, dien ze had afgewezen omdat hij zich onfatsoenlijk gedragen had, naar haar opinie. En terwijl zij zoo kieschkeurig was, leefde de rest als ’n troep wilde beesten; terwijl men haar van kind af had geleerd hoogst fatsoenlijk en rein te zijn, deed haar heele omgeving met de grootste gemoedelijkheid en alsof dat zoo behoorde juist het tegenovergestelde!Wat was het dan voor een soort zedenleer, die haar[141]slechts van één kant scheen bekend te zijn, en die voor andere menschen, voor mannen blijkbaar ook een anderen kant had; een geheel tegenovergestelde!„Ga je mee van avond?” vroeg Voirey, die in de achtergalerij een tijdschrift zat te doorbladeren.„Neen,” zei ze bits.„Niet in je humeur, nichtje?”Zij haalde zwijgend de schouders op.„Vermey is afscheid komen nemen,” plaagde een derbroerslachend.Lena wierp hem een donkeren blik vol minachting toe, die hem met een verbaasd gezicht deed rondkijken, alsof hij iedereen tot getuige wilde nemen, dat hij toch zooveel niet had miszegd.Maar Voirey was ernstig geworden.„Het spijt mij voor dien Vermey; ik zou hem graag hebben geholpen, niet omdat ik geloof, dat Lena belang in hem stelt, maar omdat hij me ’n geschikt man lijkt.”„Dat is hij ook,” zei Bruce, die met z’n bril op het voorhoofd en een roodflanellen kabaai aan ’n kop thee stond te slurpen.„Ik vergis me daar niet licht in, oom; hij is geen man om aan het hoofd te staan; daar heeft hij geen uiterlijk naar, maar hij is zonder twijfel ’n voortreffelijk employé.”„Wil je nog thee?” vroeg Lena.„Dankje,” antwoordde Voirey opnieuw verwonderd over den vinnigen toon.„U nog, pa?”„Neen,” zei de oude heer, ook verbaasd.[142]„Jullie daar?” vroeg ze haar broers die haar met groote oogen aankeken en in duo: „merci!” zeiden.Zij liet dadelijk het theegoed wegnemen en liep naar haar kamer, woedend, zenuwachtig opgewonden.Welk een collectie gemeene huichelaars! Wat zaten ze daar gemoedelijk, thee te drinken, en hoe fatsoenlijk alle vier in hun spreken! Zou men niet gezegdhebben, dat het waar was, wat zij altijd geloofd had, dat hun werken en woorden verband hielden? Bah! welk een slechte menschen! Als het geen zonde was, dacht ze in haar verontwaardiging, zou men zelfmoord plegen om niet gedrongen te zijn in zoo’n gemeene wereld te leven.„Wat had je toch vanmiddag;” vroeg ’s avonds Voirey toen ze wat gekalmeerd was.„Ik? niets!”„Gekheid! Ik wil me niet in je hartsgeheimen dringen, Lena, maar als je wellicht verdrietig bent om Vermey, kom er dan voor uit tegen mij;ikkan hem helpen als ik wil, en als jij het gaarne hebt, zal ik het ook doen.”„Dankje, Jan. Laat Vermey zijn fortuin maar gerust te Batavia beproeven. Als mij wat hindert; dàt was het niet.”„Zoo.… wij dachten het.”„Ik kan je in ’t geheel niet zeggen wat het was. Het is nu voorbij, ik hoop voor goed.”„Was het zoo erg?”„Neen! Het was, zou jij en pa en iedereen zeggen, om te lachen, schoon ik het vond om te huilen. Doch nu is het geheel voorbij.”„Je bent een raar meisje, Leen,” zei hij na eenig[143]nadenken. „Ik geloof dat je ’n goede amerikaansche zoudt zijn.”„Waarom?”„Wel, die zijnandersdan gewone meisjes, en dat ben jij ook.”„Het zal wel overgaan,” zei ze bitter. „Alles op de wereld is maar een zaak van gewoonte. Ik ben me al aan zooveel in gedachten gewoon geraakt, dat als Vermey me voor de tweede maal vroeg, ik hem althans niet om dezelfde redenen zou afwijzen.”[144]

Het was ’n mooie vendutie. Men begreep niet, waar de menschen vandaan kwamen, maar ze waren er. ’s Morgens vroeg was Yps uit het huis gegaan; zij moest meê naar Batavia, en dat vooruitzicht had haar heel vroolijk en levenslustig gestemd.

Juist had Vermey zijn koffertje gepakt en stond hij op ’t punt óók te vertrekken uit het voor de vendutie gereed gemaakte huis, dat zoo proper was als nooit te voren, met een profusie van politoer glimmend en glinsterend op stoelen en banken—toen een dos-a-dos stilhield met ’n dame, die nogal besproken werd op de plaats.

„Wat komt die zoo vroeg jagen?” dacht Vermey glurend door de jaloeziën, naar de jonge, knappe vrouw in sarong en kabaai, die in de voorgalerij de bloemen liep te bekijken. Er kwam nog een voertuig het erf op en daaruit stapte een onbekende meneer alleen, die de dame scheen te kennen.[133]

Maar Vermey maakte zich inwendig boos. „Ja, dat kan jullie begrijpen!” mopperde hij bij zichzelf. „Daar zullen jullie weinig plezier van hebben!” En hij begon luid om de bedienden te roepen, hardop pratend van „menschen, die maar liever in den nacht moesten komen,” gooiend en smijtend, zoodat de bezoekers, onaangenaam door zijn tegenwoordigheid verrast, weêr gauw heengingen.

„Zulk vee!” schold Vermey hen hoofdschuddend nakijkend.

Toen er langzamerhand kijkers kwamenpour le vrai motifging Vermey heen. Nog een blik in ’t rond. Wie weet hoe drommels weinig zijn net boeltje zou opbrengen! Een appel en een ei, dat zou ook hier wel ’t resultaat wezen!

Doch het ging, zonder dat hij ’t wist, uitstekend. Het scheen, dat men op de plaatskasianmet hem en zijn schuldeischers had, en hem een ouderwetsche vendutie wilde bezorgen. Er werden heel wat grappen bij verkocht door de koopers,—allemaal aardigheden op Yps, wat den kooplust scheen aan te vuren.

Opgetogen hoorde Vermey, dat de opbrengst driemaal hooger was, dan hij had geschat. De tweehonderd gulden van Lena Bruce had hij nu in ’t geheel niet noodig, hij hield ’n duizend gulden vrij in de hand en daarmeê zou hij het voorloopig te Batavia wel stellen.

Lena keek vreemd op, toen ze hem dien namiddag in haar voorgalerij zag staan.

„Ik kom u dat geld terug brengen,” zei hij blozend als altijd. „Ik heb zoo’n magnifique vendutie gemaakt! Het is ongedacht goed gegaan.”[134]

„Het doet me erg veel genoegen voor u. Geneer u overigens niet voor dat geld. Dat komt wel terecht.”

„Ik wil het liever teruggeven, nu ik het niet noodig heb. Intusschen ben ik u zeer dankbaar.”

„’t Is niet de moeite waard.”

„Nu niet, neen, en voor u in ’t geheel niet, maar ik was er zeer meê geholpen.”

„Het blijft tot uw dispositie. Als het u soms te Batavia niet gauw mocht gelukken.…”

„Dank u.”

Vermey aarzelde; hij had nu eigenlijk niets meer te zeggen en toch wilde hij wat zeggen; hij nam er den ouden toon van vriend des huizes voor aan, vertrouwelijk.

„Je hebt intusschen maar heel verstandig gedaan laatst.”

Zij keek hem strak aan met haar heldere lichte oogen.

„Toen ik u bedankte?”

Vermey knikte toestemmend.

„Dat weet ik niet. Of ik er verstandig of dom aan deed, acht ik geen uitgemaakte zaak.”

„Zelfs nu niet, nu ik zonder betrekking ben en als een beginner moet zoeken naar ’n baantje?”

„Neen, zelfs nu niet. Het was voor mij geen vraag van min of meer vérstand; ik deed zooals behoorde, zooals ik doen moest!”

„Ja,” zei hij met een zucht. „Ik weet, wat je bedoelt, Lena; enfin,ikvoor mij ben nu blij, dat het zóó is afgeloopen. Ik zou niet graag van een vrouw financieel afhankelijk zijn. Dat ligt niet in mijn aard. En overigens.… ik kan over zulke zaken heel moeilijk openhartig spreken.”[135]

„Over welke zaken?”

„Wel.… over.… hetchâpitre, huishoudsters van jongelui. Dat gaat nu eenmaal niet,” ging hij voort, vuurrood tot in zijn nek, „maar geloof me, het is niet anders. Ik ben de eenige niet. Alle jongelui doen het.… hier in Indië.… en die het niet doen.… nu ja.… dat is nog erger, zie je.”

Hij zag haast violet van verschrikkelijke verlegenheid en ook van ergernis dáárover. Lena keek niet vriendelijk; zij was bleek van kwaadheid om wat hij zei.

„U behoeft geen excuses te maken tegen mij,” zei ze verstoord, „en evenmin iedereen van slecht gedrag of ongepaste dingen beschuldigen.”

„Geloof me toch,” hield hij vol. „Ik lieg waarachtig niet.”

„Dat is wèl waar. Mijn neef Voirey.…”

Er glinsterde ’n scherpe triomf op zijn gezicht en in zijn eenigszins uitpuilende blauwe oogen.

„Maakt op den regel geen uitzondering.”

„Het is een leugen,” zei ze verontwaardigd, maar ze zag wel aan zijn houding, dat het geen leugen was; ze begreep nu ook wel, dat zijn geheele gesprek ten doel had gehad dáárop neer te komen, en zij eigenlijk, door den naam van haar neef onvoorzichtig te noemen in den strik was geloopen.

„Ik hoop niet,” zei hij, „dat je het me kwalijk neemt.”

Zij keek hem donker aan; onderuit, met een voorwaartsche lippenbeweging.

„Zeker neem ik het kwalijk.”[136]

„Het spijt me razend; maar mijn schuld is het niet.”

„Dat is het wèl. Je hebt het met opzet gedaan.”

„In zoover ja. Ik moest me toch ’n beetje verdedigen. Laatst bracht ik het er zoo slecht af.”

„Toch niet. Toen beter als nu.… fatsoenlijker.”

„Maar heel kaaltjes. Ik was.… beteuterd, en het scheen wel, dat ik beladen met al de zonden van al de jonge mannen in Indië naar de woestijn werd gestuurd.”

„Ik heb me enkel gehouden bij wat u persoonlijk betrof.… en mij.”

„Dat was het juist. In dit geval betrof het mij, zooals het.…”

„Ik had alleen metditgeval te maken.” .…. „Zooals het in negentig van de honderd gevallen ieder-ander zou hebben betroffen.”

„Daar heb ik niets mee noodig.”

„Maar ik wel, Lena. Ik moest me rechtvaardigen. Het is waar,—ik ben nu eenmaal niet wat je in een man schijnt te verlangen; ik ben niet goed genoeg voor je; dat stem ik allemaal toe; een meisje als jij moet een man hebben, die zedelijk hooger staat dan ik.”

Hij zweeg een oogenblik, en zij, getroffen en ontwapend door die bekentenis, zweeg ook. Of het kwam door de champagne, die hij had gedronken op den goeden afloop van zijn vendutie, dan wel door de weeke gelukstemming uit dien afloop voortvloeiend, wist hij niet; wèl, dat hij als het ware dichterlijke aanvechtingen kreeg met aandoenlijkheidsvisioenen, gelijk hij die hebben kon op kater-ochtenden na kwart of halve nachten. En eenmaal op dreef in[137]die richting, kwam hij heelemaal los, met droevige stemmodulaties vol welgemeendheid, hardnekkig zichzelf beschuldigend en verdedigend te gelijk.

„Niemand behoeft mij mezelven te leeren kennen, zelf ken ik het best mijn groote tekortkomingen. Als ik mij verdedig, zoo goed en zoo kwaad ik kan, verontschuldig ik mij niet. Integendeel.”

Zij stond op het punt hem in die verdediging ’n handje te helpen, nu haar medelijden boven begon te komen, maar zij hield zich goed.

„Ik zal niet spreken van het verdriet, dat ik heb gehad. Dat geloof je toch niet. Maar wat ik wel aanvoeren wil, is mijn ongelukkige toestand al zooveel jaar. Ik was nog maar een kwa-jongen toen ik hier in Indië kwam, en ik had hier vriend noch maag. Als men geen fortuin heeft en geen relaties hier, maar eenvoudig jongste geëmployeerde is op een handelskantoor, wat moet men dan aanvangen in dit eentonige land zonder iets voor jongelui om zich te vermaken,—dan.… je begrijpt de rest!” eindigde hij met een diepen zucht. En toen weêr voortgaande:

„Het wordt ten slotte een poel van ordinairheid, waarin een jonge man alle moeite heeft niet te verzinken. Ik ben ten minste niet verinlandscht. Dat is op zichzelf waarachtig al een kunststuk. Maar er komt toch een oogenblik, dat men ernstig vreest; dat de invloed dreigt te sterk te worden. Dan, als men dan zoo gelukkig is een goede, fatsoenlijke vrouw te trouwen voor wie men achting gevoelt en liefde.…”

Zijn stem beefde, zoo aangedaan werd hij over zichzelf.[138]

„Dan?” vroeg ze op zacht spottenden toon.

„Dan is men gered,” zei hij met plechtigheid.

„En de goede, fatsoenlijke vrouw, wat is die?”

„Hm?” vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen vol verbazing. „De vrouw?”

„Ja zeker! Hoe is haar positie?”

„Zij is een reddende engel.”

Lena moest hem in dat antwoord toch bewonderen; zij vond het zeer gepast en treffend, en ze dacht erover na, voor het eerst gevoelend, dat zoo’n fraaie rol voor haar aan zelfopoffering gewoon karakter nog zoo slecht niet was.

„Ik hoop,” zei Vermey, „dat je een beetje beter over me denken zult; dat is alles; ik heb mijn best gedaan je duidelijk te maken hoe de omstandigheden in mijn nadeel zijn geweest; altijd!”

„Dat geef ik toe; het is zeer moeilijk jong op eigen beenen te staan.”

„Je kunt erover oordeelen, niet waar? Dáárvoor heb ik je altijd bepaald bewonderd. En daarom wou ik nu ook niet zoo’n bijzondere verworpeling zijn in je oogen.”

Zij stak hem, gevleid en glimlachend, de hand toe, die hij drukte met grooter innigheid dan noodig was, en toen hij heenging, bleef ze in de voorgalerij staan, hem stil nakijkend; tot zij nog slechts nu en dan zijn lange witte figuur tusschen de naar de verte opdringende boomen zag heen schemeren, en toen hij weg was, heelemaal weg, zoodat zij hem niet meer zou terugzien, daar hij den volgenden dag heenging,—vroeg zij haarzelf waarom ze hem dan toch eigenlijk had bedankt? Welke verdienste er in[139]haar houding stak tegenover zijn positie, die ze nu zoo erg ongelukkig vond in alle opzichten.

Hij was de eenige, die haar ooit tot vrouw had gevraagd; menig meisje had hem aangenomen met beide handen; hij was een knap man van uiterlijk, veel kraniger dan Voirey, al kon hij wat capaciteit aangaat niet in diens schaduw staan. Zij zag in haar afwijzing, die haar toen zoo’n goede daad had geschenen, thans niets verdienstelijks meer hoegenaamd. Wat moest er nu van hem worden? Hij zou hoogstwaarschijnlijk een goede man voor haar zijn geweest, en ook voor zijn huishouden. En zij zelf zou zielsrust hebben gevonden en bevrediging; in haar eigen lief huishoudentje …

Zenuwachtig en haar tranen bedwingend beet zij op haar onderlip.

Het was te laat!

Er was niets meer aan te doen! Wat zou er trouwens aan te doen zijn geweest? Zij was immers niet eens op dien man verliefd! Zij stond stil bij die quaestie en vroeg zich af of zij eigenlijk welietsgevoelde voor Vermey, en wat dat was. Maar ze kreeg op die vragen geen antwoord. Eén ding wist ze: ze zou hem althans niet zóó afwijzen, als ze gedaan had, wanneer hij haar nog eens vroeg. Zij hoorde de stem van Voirey, luid sprekend binnen met haar broers, die hijen passantals het ware engelsche conversatie-les gaf, en ze dacht aan wat Vermey van hem had gezegd; onwillig schudde zij het hoofd; dat had hij toch zeker gelogen en dan was hij toch een onwaardig sujet! Zij zou het te weten komen; zij wilde en zij zou; het was beneden haar de meiden uit te hooren, maar zij[140]zou het toch doen. En ze deed het dadelijk; ze riep een der baboes in de goedang, en vroeg of die ook iets wist. Van zich geneeren voor die meid, was bij haar geen quaestie; zij kon zich desnoods voor haarzelf geneeren, maar voor ’n inlandsche baboe! En de meid wist er alles van: o zeker, dietoean ingris, zooals de bedienden hem noemden, omdat hij engelsch sprak met de jongelui en ook wel met Lena, wel ja, die had een chineesche nonna in de kampong achter het huis; ze wees de woning in de verte aan; het pannen dak met witte kalkranden erlangs keek brutaal-rood tusschen de atappen daken door.

Een nieuwsgierige woede maakte zich van haar meester; zij wilde nu ineens alles weten, wat men te weten komen kon, en geregeld hoorde zij de meid uit, die niets liever deed, dan over zulke dingen praten, en alles vertellen wat ze wist.

Lena voelde, dat ze er half suf van werd! Haar vader, haar broers, haar neef, allen leefden alsof wat men verstond onder zedelijkheid en kuischheid niet geschreven stond voor hen. Zij alleen was fatsoenlijk; haar geheele omgeving tot den minsten bediende, was ontuchtig en bedorven. Ze dacht weer aan Vermey, dien ze had afgewezen omdat hij zich onfatsoenlijk gedragen had, naar haar opinie. En terwijl zij zoo kieschkeurig was, leefde de rest als ’n troep wilde beesten; terwijl men haar van kind af had geleerd hoogst fatsoenlijk en rein te zijn, deed haar heele omgeving met de grootste gemoedelijkheid en alsof dat zoo behoorde juist het tegenovergestelde!

Wat was het dan voor een soort zedenleer, die haar[141]slechts van één kant scheen bekend te zijn, en die voor andere menschen, voor mannen blijkbaar ook een anderen kant had; een geheel tegenovergestelde!

„Ga je mee van avond?” vroeg Voirey, die in de achtergalerij een tijdschrift zat te doorbladeren.

„Neen,” zei ze bits.

„Niet in je humeur, nichtje?”

Zij haalde zwijgend de schouders op.

„Vermey is afscheid komen nemen,” plaagde een derbroerslachend.

Lena wierp hem een donkeren blik vol minachting toe, die hem met een verbaasd gezicht deed rondkijken, alsof hij iedereen tot getuige wilde nemen, dat hij toch zooveel niet had miszegd.

Maar Voirey was ernstig geworden.

„Het spijt mij voor dien Vermey; ik zou hem graag hebben geholpen, niet omdat ik geloof, dat Lena belang in hem stelt, maar omdat hij me ’n geschikt man lijkt.”

„Dat is hij ook,” zei Bruce, die met z’n bril op het voorhoofd en een roodflanellen kabaai aan ’n kop thee stond te slurpen.

„Ik vergis me daar niet licht in, oom; hij is geen man om aan het hoofd te staan; daar heeft hij geen uiterlijk naar, maar hij is zonder twijfel ’n voortreffelijk employé.”

„Wil je nog thee?” vroeg Lena.

„Dankje,” antwoordde Voirey opnieuw verwonderd over den vinnigen toon.

„U nog, pa?”

„Neen,” zei de oude heer, ook verbaasd.[142]

„Jullie daar?” vroeg ze haar broers die haar met groote oogen aankeken en in duo: „merci!” zeiden.

Zij liet dadelijk het theegoed wegnemen en liep naar haar kamer, woedend, zenuwachtig opgewonden.

Welk een collectie gemeene huichelaars! Wat zaten ze daar gemoedelijk, thee te drinken, en hoe fatsoenlijk alle vier in hun spreken! Zou men niet gezegdhebben, dat het waar was, wat zij altijd geloofd had, dat hun werken en woorden verband hielden? Bah! welk een slechte menschen! Als het geen zonde was, dacht ze in haar verontwaardiging, zou men zelfmoord plegen om niet gedrongen te zijn in zoo’n gemeene wereld te leven.

„Wat had je toch vanmiddag;” vroeg ’s avonds Voirey toen ze wat gekalmeerd was.

„Ik? niets!”

„Gekheid! Ik wil me niet in je hartsgeheimen dringen, Lena, maar als je wellicht verdrietig bent om Vermey, kom er dan voor uit tegen mij;ikkan hem helpen als ik wil, en als jij het gaarne hebt, zal ik het ook doen.”

„Dankje, Jan. Laat Vermey zijn fortuin maar gerust te Batavia beproeven. Als mij wat hindert; dàt was het niet.”

„Zoo.… wij dachten het.”

„Ik kan je in ’t geheel niet zeggen wat het was. Het is nu voorbij, ik hoop voor goed.”

„Was het zoo erg?”

„Neen! Het was, zou jij en pa en iedereen zeggen, om te lachen, schoon ik het vond om te huilen. Doch nu is het geheel voorbij.”

„Je bent een raar meisje, Leen,” zei hij na eenig[143]nadenken. „Ik geloof dat je ’n goede amerikaansche zoudt zijn.”

„Waarom?”

„Wel, die zijnandersdan gewone meisjes, en dat ben jij ook.”

„Het zal wel overgaan,” zei ze bitter. „Alles op de wereld is maar een zaak van gewoonte. Ik ben me al aan zooveel in gedachten gewoon geraakt, dat als Vermey me voor de tweede maal vroeg, ik hem althans niet om dezelfde redenen zou afwijzen.”[144]


Back to IndexNext