[Inhoud]TWAALFDE HOOFDSTUK.Doodgaan en begraven worden.Voirey kwam niet weg van Indië.Hij schold altijd op het land en het volk; hij noemde Java een kinderachtig stuk grond, en de bevolking een troep ellendelingen; hij herhaalde, dat hij wel spoedig afreizen zou; intusschen bleef hij.Hij had het noodlot niet kunnen ontgaan; hij had geld gestoken in landerijen en fabrieken, waar het erg secuur vast zat, zóó vast, dat het niet los was te krijgen.Intusschen had hij voor zijn neefs gezorgd; ze warenallebeiuitstekend geplaatst; één in het binnenland en een te Soerabaia; hij speelde den papa in huis, surveilleerde de lessen van de kinderen en was de zielevreugd van zijn oom, dien hij ongestoord liet putten uit zijn sigarenkisten en zijn buffet met dranken.Er was een jaar voorbijgegaan, zonder dat ze iets hoorden van Vermey.[145]Het leven liep dood in eentonigheid. Het huisgezin was stiller geworden. De partijen in de sociëteit danste Lena regelmatig af. Overigens geleek de eene dag precies op den anderen, behalve dat Voirey nu eens op reis, dan thuis was, altijd geheel onverwacht en als toevalligerwijze. Als hij thuis was kwam er ’n soort van drukte en beweging; het scheen dat er dan ’n stuk buitenwereld in huis sloeg, dat ook weer even stellig met hem verdween en niets achterliet, dan een doodsche stilte.Ditmaal was hij terug met bijzonder nieuws. Hij had weêr geld in een op te richten maatschappij gestoken; men wilde hem directeur maken; maar dan moest hij zich te Batavia vestigen: hij had er wel ooren naar, doch hij wilde eerst weten of oom en Lena en de kinderen meêgingen.Bruce had er heel veel tegen; machtig veel. Hij was gewoon al zooveel jaar aan z’n heele omgeving; hij was er meê oud geworden, en kon zich niet voorstellen hoe het hem gaan zou, als hij er eens uit was. Doch aan den anderen kant was hij even gewoon aan het goede en royale van Voirey en moest hij er niet aan denken dat diens verleidelijke bronnen geheel voor hem zouden opdrogen.„’t Kan mij niet „schelen,”” had Lena gezegd. „Ik wil hier ook wel vandaan.”De kinderen hadden elkaar aangezien met glinsterende oogen vol vreugde. Verhuizen! Zij waren nooit verhuisd, en andere jongens deden dat zoo dikwijls! Met een boot gaan!—het was hun nog nooit overkomen, en daar hadden ze nu kans op.„Kom oom, ik zou me er maar overheen zetten.”[146]Bruce zuchtte diep. Hij zou de soos niet meer zien; de goede oude soos!„Wie weet of ik er wel eens ’n partijtje bij mekaar krijg.”„Waarom niet? Ze spelen te Batavia zeker net zoo graag als hier.”Maar de oude heer schudde het hoofd. Hij wist wel beter. Voor hem was het een zaak van wikken en wegen; eenvoudig de vraag, wat het zwaarste was. En dat bleek toch ten slotte de samenleving met dien zonderlingen neef; toen Bruce dat eenmaal met zichzelven eens was, hechtte hij eigenlijk aan niets meer.Lena ging den laatsten dag erg bleek door het huis. Hoe had ze zoo lichtvaardig er in kunnen toestemmen het te verlaten! Mooi was het niet, en thans minder dan ooit. En toch was elke steen een herinnering; riep haast elke kamer getuigen op uit haar verleden. Het ging haar alles weêr door het hoofd, die laatste dagen in het oude huis. Zij zag er haar moeder toen die nog gezond en wel was, weer doordwalen van voor naar achter, van achter naar voren, altijd zorgend voor het huishouden en de kinderen. Zij huilde als ’n kind toen ze heenging en het rijtuig voor het laatst het bekende erf afreed, waar geen plant stond, die ze niet zelf in den grond had gestoken, waar geen groote boom zijn kruin verhief, of ze had hem gekend toen hij nog klein was, en zij ook!„Wees niet kinderachtig, Leen;” zei Bruce korzelig. „Eerst wou je zelf zoo graag weg, en nou zit je te grienen.”En toen ze geen antwoord gaf, maar nog eens over de[147]neêrgeslagen kap met oogen vol tranen omzag naar de bovenvensters van het oude huis, waarachter haar goede moeder zooveel leed had gedragen, ging hij voort:„Neem een voorbeeld aan mij, Leen. Ik heb zoo dadelijk niet toegestemd. Niet dan na rijp overleg. Maar nu het er eenmaal door is, trek ik me ook niets meer aan.”Het was stampvol aan den Boom; de meeste menschen kwamen er om Voirey den millionnair, den deelnemer in tal van ondernemingen, den directeur eener opgerichte maatschappij, de opgaande zon, het gouden kalf!De Bruce’s, nu ja, dat waren maar eenvoudige luidjes; ze hadden heel lang op de plaats gewoond, iedereen kende hen,—maar Voirey was een man van geld en van zaken, en dus had al wat op zaken aast en op geld, zich naar den Boom gespoed om hem de hand te drukken met profusie van hartelijkheid en een groot vertoon van sympathie. Men kon nooit weten hoe men hem nog eens in zaken kon noodig hebben. Eenige zeer oppervlakkige kennisjes van Lena, die ze vaak in geen maanden ontmoette en met wie ze nooit bijzonder hartelijk of vertrouwelijk was, legden nu bij deze gelegenheid, een aandoening aan den dag, die niet grooter had kunnen zijn als haar bloed-eigen zusters een levensgevaarlijke reis naar de poolstreken ondernamen.De oude Bruce was bij het zien van zooveel belangstelling ook erg zenuwachtig geworden, en dat nam niet weinig toe, bij de komst van zijn oude partners aan de ombre-tafel.Hij gaf iedereen ’n hand, sommigen, die zich eigenlijk wel wat te hoog voor hem achtten, glimlachten genadiglijk[148]en zeiden beschermend: „Dag meneer Bruce, het ga u wel;” anderen, die zich in hun nederige positie heel vereerd gevoelden door ’n familiaren handdruk van den ouden heer, knepen zijn vingers met groote hartelijkheid en kregen haast tranen in hun oogen bij de verrassende ontdekking, welk een best mensch hij toch was.Geheel onder den indruk van dit afscheid, kwam de oude Bruce aan boord, en terwijl de boot onder stoom ging, Voirey op het achterdek met een onverschillig gezicht ’n sigaar zat te rooken in een rotanstoel, en Lena naar beneden was gegaan om voor haar broertjes te zorgen,—keek hij naar dat punt der als voorbij schuivende kust waar witte silhouetten van hem zoo welbekende gebouwen zich afteekenden tegen de staalblauwe lucht.Ze werden al kleiner en kleiner en zonken weg in het verschiet, tot hij ze door z’n brilleglazen niet meer zien kon. Toen pas voelde hij met verwondering, dat hij onlekker was, en de vrees voor zeeziekte bekroop hem. Zou hij, zoo’n krasse oude kerel, aan boord van een boot en bij zoo’n kalm zeetje, zich nu gaan aanstellen als een jonge juffrouw? Dat was een verschrikkelijk denkbeeld. Hij liep het dek met groote schreden op en neer, den hoed achterover, om zijn voorhoofd te verfrisschen, de grijze bakkebaarden opwaaiend naar achter over zijn schouders.„U ziet bleek,” zei Voirey, toen Bruce hem passeerde.„Dat komt van die aandoenlijkheid. Daar heb ik nooit tegen gekend. Ik heb nu zoo’n onaangenaam gevoel in m’n keel, of er iets in zit.”[149]Het was in ’t geheel niet waar; hij voelde volstrekt niets in z’n keel, maar hij zei het alleen om elke gedachte van zeeziekte te niet te doen.„De zenuwen,” meende Voirey.Bruce glimlachte met minachting.„Dan komt bij mij de ouderdom ook al met gebreken.”„Dat is zoo erg niet, oom. De meeste jongelui van den tegenwoordigen tijd hebben last van de zenuwen ook zonder een aandoenlijk afscheid.”„Het zijn er dan ook kerels naar!”„Och.… Intusschen moest u ’n droppel brendy nemen; dat zal u goed doen.”Dat lachte den ouden heer toe en hij deed het.„Jij bent nog eens ’n kerel met goede idee’s.”Het hielp ’n oogenblik, al trok hij ’n vies gezicht tegen de inferieure qualiteit van dezen drank, dien hij aan boord per heele flesch tot hoogen prijs moest koopen. Doch het hielp niet op den duur. Tegen het derde glaasje rilde de oude heer en hij wierp den halven inhoud over boord; zijn gezicht zagakeligbleekblauw en het weeke, onvaste van den ouderdom, met de gele en grijsgroene tinten in den omtrek der oogen, kwam scherper uit.„Misschien bent u wel zeeziek, pa,” meende Lena, die intusschen in een eenvoudige grijze matinée naar boven was gekomen.Doch juist daarmeê moest men bij hem niet aankomen.„Ik geloof dat jij heelemaal gek bent,” snauwde hij haar toe. „Ik ben geen kind.”„Ga een uurtje in de hut liggen, oom,” zei Voirey;[150]„probeer eens wat te slapen; het zal u goed doen.”„Mijn handen zijn zoo koud als ijs geworden: ze zien blauw,” antwoordde hij, ze naar voren stekend. Ze zagen ook grauwbleek, en de knokkige vingers met de sterke huidplooien op de gewrichtsbuigingen, beefden.„U hebt koorts. Wezenlijk Jan heeft gelijk. Wil ik u naar beneden brengen?”„Zeg toch niet zulke malligheid, Leen. Denk je nou dat ik niet alleen naar beneden kan komen? Tot straks dan.”Hij stond op en waggelde weg in de richting van het hokje dat de kajuitstrap overdekte. Lena, ongerust, ging hem toch achterna, en in zijn hut, waar hij met zware zuchten,neêrzonkop de bank, liet hij ziek en willoos toe, dat zij z’n schoenen en sokken uitdeed en hem verder hielp in ’t verkleeden.„Wat ik in mijn hoofd heb,” mompelde hij, „weet ik niet.”„Wilt u iets verkoelends? IJscompressen?”„Neen,dankie. Laat me maar stil, Voirey heeft gelijk. Ik moet wat slapen.”Ze ging heen. Ze dacht ook, net als neef Jan en als iedereen, die den ouden heer naar beneden had zien waggelen, dat Neptunus hem te pakken had gekregen.Na een uur ging Lena eens kijken; hij sliep nog, maar praatte hardop, met ’n vuurroode kleur in het gezicht en brandend hoofd. Zij riep Voirey erbij, die een bedenkelijk gezicht trok en met den kapitein sprak. Er was een officier van gezondheid als passagier aan boord, bereid eens naar[151]den ouden heer te zien, en die niet minder bedenkelijk keek dan Voirey.„Zware koorts; zeker meer dan veertig graden; ’n leelijk geval,” zei hij tegen den ingenieur. „Er moet voortdurend bij gewaakt worden.”„Zoudt u dat niet willen doen?”De jonge dokter keek hem aan alsof hij wilde vragen: Ben je niet wijs? Maar de kapitein knikte dringend den dokter toe, zóó dringend, dat deze niet wist wat te zeggen.„Ik zou het graag zien,” vervolgde Voirey, „en het komt er niet op aan wat het kost, dokter. De oude heer moet goed verzorgd worden, en wie kan dat beter, dan een geneesheer.”Aarzelend stemde de dokter toe.„Wat is dat toch?” vroeg hij den kapitein, toen hij met dezen alleen was.„Hij is millionnair. Waarachtig, meneer. Al rekent u hem duizend gulden, het doet er niets toe.”Te Batavia moest de oude Bruce in een draagstoel aan den wal. Onwillekeurig keek Lena in die vreemde omgeving eens rond en ’t verheugde haar een bekend gezicht te zien: dat van George Vermey.Hij had uit de courant gezien, dat de Bruce’s met hun neef naar Batavia kwamen met deze boot, hij had dadelijk het plan gevormd hen af te halen van den Boom, en hij stond er bijster vreemd te kijken over de ziekte van den ouden heer. Hij boog zijn lange gestalte over den rotanstoel en zei met de gewone gemeenzame bonhomie:„Zeg, oudste, wat is dat nou voor gekheid?”[152]„Dag Vermey,” antwoordde Bruce, erg afgevallen in die enkele dagen van de reis, met een zwakke stem, „het ziet er beroerd uit.”„Je mot je goed houwen, hoor! We zullen je wel opknappen hier in de parel van Insulinde; ’t is anders je pareltje wel!”Een glimlach gleed over het gezicht van Bruce; het was zoo gebruikelijk en gewoon kwaad te hooren spreken van Batavia, dat het ’t gewicht had gekregen onder elders in Indië wonenden van een heuschelijke aardigheid.Vermey was heel druk in de weer; hij zorgde voor alles; voor de koffers en verdere goederen; voor rijtuigen en grobaks en voor het transport van den ouden heer. Met een gewichtig gezicht vol bedrijvigheid, een hoofd uitstekend boven de omstanders, inlanders bevelend en zwaaiend met zijn lange armen had hij zich ineens als het ware aan het hoofd gesteld der expeditie.Lena was hem stil dankbaar. Zij was aan al die hurrie niet gewoon. En Voirey, die het ook wel prettig vond op de vreemde plaats iemand te hebben, die alles op zich nam, keek met stille glimlachen naar het air van gewicht, dat over Vermey was gekomen nu hij zulk een grootheid aan den dag kon leggen, in kleinigheden.„Gaat maar vast in het rijtuig,” zei hij tegen Voirey en Lena, „en rijdt maar met de jongens naar het hotel. De grobaks met het goed rijden al af, en ik zal wel voor papa zorgen; laat dat maar aan mij over.”Bruce keek hem uit de geïmproviseerde tandoe aan met ’n soort teedere vriendschap.[153]„Ga jij ook maar in ’n rijtuig,” zei hij.„Waarachtig niet, ouwe heer! Ik blijf bij je, hoor! ’t Is wel niet naast de deur, maar we zullen er wel komen.”Met zorg en onder toezicht van Vermey spanden de koelies voor de gelijke dracht de touwen hunner bamboes. Bruce zweefde in zijn draagstoel een halven meter boven den beganen grond, en op een langzaam sukkeldrafje ging het naar Weltevreden; Vermey er naast, den neus in den wind, zijn lange beenen in groote stappen vooruit werpend.„Lig je wel goed, papa?”„Ja, Vermey, ’t gaat nog al.”„Willen we niet even halt houden, ouwe heer?”„Neen, Vermey, laat ze maar liever doorloopen.”„Heb je geen dorst? Schokken ze niet te veel onder het loopen?”Zóó waren onderweg de vragen en antwoorden, waarbij Bruce alweer diep de overtuiging kreeg, dat hij veel meer gevoelde voor Vermey, dan voor zijn eigen familieleden.O, hij vond Voirey ’n best mensch, erg knap, erg wijs, bijzonder verstandig, maar dat alles hield hem, Bruce, juist op een afstand en was het tegendeel van een aanleiding tot toenadering. Hij had veel aan Voirey te danken, doch dat droeg ook al niet bij tot meer genegenheid. Dien Vermey vond hij zoo’n gewonen goeien vent. Die was niet zoo knap en zoo geleerd; die behoorde meer tot zijn, Bruce’s soort menschen, en daarom hield hij zooveel van hem.In zijn tandoe op en neer en heen en weer wiegend met opkomende koorts, en warm hoofd en verhoogd hersenleven,[154]bedacht hij dit, half dommelend, zoo duidelijk, als hij in normalen toestand zelden of nooit dacht.Het had wel anderhalf uur geduurd.Lena zond intusschen om den dokter, en die was reeds gekomen toen de optocht met den zieke arriveerde.De dokter meende, dat het malaria was en ordonneerde een bovenvertrek, waarheen Bruce in een hevige koorts met groote moeite werd opgeheschen.Er moest ook nu bij hem gewaakt worden, en dadelijk bood George zich aan. Hij zou even naar ’t kantoor rijden, om verlof te vragen voor ’n dag of wat.Niet zonder moeite kreeg hij het. ’t Was hem gelukt een betrekking te vinden, en hij voldeed daarin als bekwaam en geroutineerd geëmployeerde zeer goed, maar het was een inferieure positie; er was geen vooruitzicht, ten minste voorloopig niet.Voirey moest al de eerste dagen naar de stad om zijn nieuwe maatschappij te zetelen en had het erg druk. Lena zag dadelijk, dat men aan zekeren stand te Batavia bijzondere eischen stelt; dat haar broertjes anders gekleed moesten gaan, en zij zelf ook; zij vond het onpractisch, stijf, saai en vervelend,—maar het was niet anders.Een week lang paste Vermey den zieke op.Toen behoefde het niet meer, want Bruce stierf.De geneesheer had de koorts er niet onder kunnen krijgen en aan transporteeren van den zieke naar het gebergte viel niet te denken. Het was een week geweest, waarin Vermey haast niet tot slapen kwam. De kamer, die een galerijtje had, sloop hij soms uit des nachts, en liet zich buiten[155]neer in een luierstoel, maar vijf minuten later riep hem Bruce om drinken; water, ijswater, dat was al wat hij gebruikte.Ze stonden allemaal om zijn bed, want de dokter had gezegd, dat het dien nacht zou afloopen; er was een overweldigende zwakte ingetreden, die herhaaldelijk den lijder in flauwte vallen deed. Hij was onherkenbaar; in zijn buitengewoon witten baard dook zijn bleek uitgeteerd gezicht weg als een onbeduidende grauwe vlek; het was nooit een krachtige kop geweest door sterke beenvorming, maar een dikke met veel vleesch en haar. Nu ’t vleesch was weggeteerd schoot er haast niets over dan de haarmassa, die groeide en woekerde tegen alle omstandigheden in.Bruce was een oogenblik heel kalm. Hij hield de hand van Lena in de zijne, maar zij hield vast, want hij had er geen kracht voor. Hij zocht iets in flauwe bewegingen met zijn andere knobbels over de sprei; Vermey, die huilde, nam de andere dwalende hand en toen probeerde de stervende oude man, die niet spreken kon, de handen van Lena en van Vermey op elkaar te brengen, wat hem gelukte omdat George zoo heel erg meêgaf. En Bruce keek hem daarbij aan met een verzoek in z’n brekende oogen.Het was een korte begrafenisstoet. De kleine jongens zaten in een groot rijtuig, onmiddellijk achter de lijkkoets; dan volgden Voirey en Vermey, die opzettelijk maar elk een afzonderlijk vehikel hadden genomen om wat luister bij de zaak te zetten.Alleen Vermey trok aan het graf een bedroefd gezicht; hij, de eenige vreemde, was tevens de eenige die iets toonde[156]te gevoelen voor den ouden kroeg-vriend. De gezichten der jongens stonden strak. Nooit had hij hen toegesproken dan om op hen te brommen en te knorren; nooit een hand naar hen uitgestoken, dan met boosaardige bedoelingen ten opzichte hunner ooren. Het was den ouden Bruce, in zijn overweldigende zelfzucht nimmer in het hoofd gekomen eens vriendelijk te zijn tegen zijn kinderen of hen iets te schenken: geen cadeautje, geen cent! Nooit had hij hen ergens meê heen genomen, waar iets aardigs voor hen te zien was; hij had zich naar het scheen ingebeeld, dat de plichten van zijn vaderschap hoofdzakelijk bestonden in een dwingen van het jonge volkje om te doen wat ze niet graag deden.De jongens huichelden nu ook niet. Ze keken onverschillig naar de kist, waarin hun huistyran werd neêrgelaten in de kuil; het feit zelf trof hen niet.Voirey stond te verlangen dat het maar zoo gauw mogelijk zou afloopen; met zijn amerikaansche begrippen had hij een bar prozaïschen afkeer van plechtige langzaamheid van begrafenissen, welke hij heel oneerbiedig aanstellerij noemde. Hij keek maar links en rechts het kerkhof over en vond het zonde, dat hier zooveel marmer lag. En welk een volte op zoo’n begraafplaats, het leek wel een uitdragerij van graftomben! Hoe goed was toch een oven voor de lijkverbranding!Langzaam gingen zij weêr terug; de jongens links en rechts grafschriften en namen lezend; Voirey verontwaardigd over de smalle paden en de malle coquetterie van sommige grafversiersels.„’t Was toch ’n goede vent,” zeide Vermey met ’n zucht. Voirey keek hem schuin aan.[157]„Och ja; dat ging nogal.”Het was zeker niet aanmoedigend voor een lofrede op den overledene.„Ja,” veranderde Vermey van onderwerp, met nog een zucht, „zoo gaan we allen op onze beurt; de een vroeg, de ander laat.”„Dat zal wel zoo zijn,” meende Voirey.Buiten aan de poort bij de wachtende rijtuigen, reikte de ingenieur Vermey de hand.„U moet dezer dagen bij ons eens oploopen. We hebben nog wat te bespreken.”„Gaarne. Ik zou wel ’n kleinsouvenirvan den ouden heer willen hebben.”„Zoo! Nou dat is goed? U kunt het zelf uitkiezen; daarover zal Lena het wel met me eens zijn.”„Als ik danmorgenavondkom, in den vooravond.”„Goed, maar niet later dan morgen. U begrijpt, dat ik met mijn nichtje en haar broertjes niet in het hotel kan blijven.”„Neen,” zei Vermeyzijn kneveltjeopdraaiend, „dat is waar; dat gaat niet.”„Ik zal voor hen wel een onderkomen vinden bij een nette familie. Dat komt van zelf terecht. Adieu, tot morgen dus!”Vermey liet zich naar zijn huis rijden, een nederige woning ver buiten de voorstad, waar hij met Yps heel gemoedelijk en eenvoudig leefde; zijn tractement was voor de vroegere betrekkelijke weelde nu niet groot genoeg.Hij had meer dan ooit vues op Lena of liever op haar[158]vermogen. Yps hield hij uit gewoonte. De aardigheid was er tegenwoordig totaal af te meer nu hij haar sterk verdacht van familiariteiten in zijn afwezigheid met arabische kooplui, wat hem soms vies van haar maakte. Hij dacht aan de dramatische scène bij het sterfbed van Bruce, terwijl hij zijn zwarten rok uittrok en aan de baboe gaf om uit te hangen over het lijntje en het benieuwde hem hoe Voirey en Lena het zouden opnemen en wat er de gevolgen van zouden zijn.Het kon toch haast niet anders dan zoo gebeuren, meende hij, zich een bittertje schenkend tegen de ingeademde graflucht, alleen.… die Voirey. Aan dien had hij het land; hij wist niet wat hij aan hem had, en terwijl hij het noodige respect gevoelde voor zijn kunde, maar vooral voor zijn geld, was hij tevens ’n beetje bang voor de abrupte manieren en spreekwijzen van den amerikaanschen ingenieur.[159]
[Inhoud]TWAALFDE HOOFDSTUK.Doodgaan en begraven worden.Voirey kwam niet weg van Indië.Hij schold altijd op het land en het volk; hij noemde Java een kinderachtig stuk grond, en de bevolking een troep ellendelingen; hij herhaalde, dat hij wel spoedig afreizen zou; intusschen bleef hij.Hij had het noodlot niet kunnen ontgaan; hij had geld gestoken in landerijen en fabrieken, waar het erg secuur vast zat, zóó vast, dat het niet los was te krijgen.Intusschen had hij voor zijn neefs gezorgd; ze warenallebeiuitstekend geplaatst; één in het binnenland en een te Soerabaia; hij speelde den papa in huis, surveilleerde de lessen van de kinderen en was de zielevreugd van zijn oom, dien hij ongestoord liet putten uit zijn sigarenkisten en zijn buffet met dranken.Er was een jaar voorbijgegaan, zonder dat ze iets hoorden van Vermey.[145]Het leven liep dood in eentonigheid. Het huisgezin was stiller geworden. De partijen in de sociëteit danste Lena regelmatig af. Overigens geleek de eene dag precies op den anderen, behalve dat Voirey nu eens op reis, dan thuis was, altijd geheel onverwacht en als toevalligerwijze. Als hij thuis was kwam er ’n soort van drukte en beweging; het scheen dat er dan ’n stuk buitenwereld in huis sloeg, dat ook weer even stellig met hem verdween en niets achterliet, dan een doodsche stilte.Ditmaal was hij terug met bijzonder nieuws. Hij had weêr geld in een op te richten maatschappij gestoken; men wilde hem directeur maken; maar dan moest hij zich te Batavia vestigen: hij had er wel ooren naar, doch hij wilde eerst weten of oom en Lena en de kinderen meêgingen.Bruce had er heel veel tegen; machtig veel. Hij was gewoon al zooveel jaar aan z’n heele omgeving; hij was er meê oud geworden, en kon zich niet voorstellen hoe het hem gaan zou, als hij er eens uit was. Doch aan den anderen kant was hij even gewoon aan het goede en royale van Voirey en moest hij er niet aan denken dat diens verleidelijke bronnen geheel voor hem zouden opdrogen.„’t Kan mij niet „schelen,”” had Lena gezegd. „Ik wil hier ook wel vandaan.”De kinderen hadden elkaar aangezien met glinsterende oogen vol vreugde. Verhuizen! Zij waren nooit verhuisd, en andere jongens deden dat zoo dikwijls! Met een boot gaan!—het was hun nog nooit overkomen, en daar hadden ze nu kans op.„Kom oom, ik zou me er maar overheen zetten.”[146]Bruce zuchtte diep. Hij zou de soos niet meer zien; de goede oude soos!„Wie weet of ik er wel eens ’n partijtje bij mekaar krijg.”„Waarom niet? Ze spelen te Batavia zeker net zoo graag als hier.”Maar de oude heer schudde het hoofd. Hij wist wel beter. Voor hem was het een zaak van wikken en wegen; eenvoudig de vraag, wat het zwaarste was. En dat bleek toch ten slotte de samenleving met dien zonderlingen neef; toen Bruce dat eenmaal met zichzelven eens was, hechtte hij eigenlijk aan niets meer.Lena ging den laatsten dag erg bleek door het huis. Hoe had ze zoo lichtvaardig er in kunnen toestemmen het te verlaten! Mooi was het niet, en thans minder dan ooit. En toch was elke steen een herinnering; riep haast elke kamer getuigen op uit haar verleden. Het ging haar alles weêr door het hoofd, die laatste dagen in het oude huis. Zij zag er haar moeder toen die nog gezond en wel was, weer doordwalen van voor naar achter, van achter naar voren, altijd zorgend voor het huishouden en de kinderen. Zij huilde als ’n kind toen ze heenging en het rijtuig voor het laatst het bekende erf afreed, waar geen plant stond, die ze niet zelf in den grond had gestoken, waar geen groote boom zijn kruin verhief, of ze had hem gekend toen hij nog klein was, en zij ook!„Wees niet kinderachtig, Leen;” zei Bruce korzelig. „Eerst wou je zelf zoo graag weg, en nou zit je te grienen.”En toen ze geen antwoord gaf, maar nog eens over de[147]neêrgeslagen kap met oogen vol tranen omzag naar de bovenvensters van het oude huis, waarachter haar goede moeder zooveel leed had gedragen, ging hij voort:„Neem een voorbeeld aan mij, Leen. Ik heb zoo dadelijk niet toegestemd. Niet dan na rijp overleg. Maar nu het er eenmaal door is, trek ik me ook niets meer aan.”Het was stampvol aan den Boom; de meeste menschen kwamen er om Voirey den millionnair, den deelnemer in tal van ondernemingen, den directeur eener opgerichte maatschappij, de opgaande zon, het gouden kalf!De Bruce’s, nu ja, dat waren maar eenvoudige luidjes; ze hadden heel lang op de plaats gewoond, iedereen kende hen,—maar Voirey was een man van geld en van zaken, en dus had al wat op zaken aast en op geld, zich naar den Boom gespoed om hem de hand te drukken met profusie van hartelijkheid en een groot vertoon van sympathie. Men kon nooit weten hoe men hem nog eens in zaken kon noodig hebben. Eenige zeer oppervlakkige kennisjes van Lena, die ze vaak in geen maanden ontmoette en met wie ze nooit bijzonder hartelijk of vertrouwelijk was, legden nu bij deze gelegenheid, een aandoening aan den dag, die niet grooter had kunnen zijn als haar bloed-eigen zusters een levensgevaarlijke reis naar de poolstreken ondernamen.De oude Bruce was bij het zien van zooveel belangstelling ook erg zenuwachtig geworden, en dat nam niet weinig toe, bij de komst van zijn oude partners aan de ombre-tafel.Hij gaf iedereen ’n hand, sommigen, die zich eigenlijk wel wat te hoog voor hem achtten, glimlachten genadiglijk[148]en zeiden beschermend: „Dag meneer Bruce, het ga u wel;” anderen, die zich in hun nederige positie heel vereerd gevoelden door ’n familiaren handdruk van den ouden heer, knepen zijn vingers met groote hartelijkheid en kregen haast tranen in hun oogen bij de verrassende ontdekking, welk een best mensch hij toch was.Geheel onder den indruk van dit afscheid, kwam de oude Bruce aan boord, en terwijl de boot onder stoom ging, Voirey op het achterdek met een onverschillig gezicht ’n sigaar zat te rooken in een rotanstoel, en Lena naar beneden was gegaan om voor haar broertjes te zorgen,—keek hij naar dat punt der als voorbij schuivende kust waar witte silhouetten van hem zoo welbekende gebouwen zich afteekenden tegen de staalblauwe lucht.Ze werden al kleiner en kleiner en zonken weg in het verschiet, tot hij ze door z’n brilleglazen niet meer zien kon. Toen pas voelde hij met verwondering, dat hij onlekker was, en de vrees voor zeeziekte bekroop hem. Zou hij, zoo’n krasse oude kerel, aan boord van een boot en bij zoo’n kalm zeetje, zich nu gaan aanstellen als een jonge juffrouw? Dat was een verschrikkelijk denkbeeld. Hij liep het dek met groote schreden op en neer, den hoed achterover, om zijn voorhoofd te verfrisschen, de grijze bakkebaarden opwaaiend naar achter over zijn schouders.„U ziet bleek,” zei Voirey, toen Bruce hem passeerde.„Dat komt van die aandoenlijkheid. Daar heb ik nooit tegen gekend. Ik heb nu zoo’n onaangenaam gevoel in m’n keel, of er iets in zit.”[149]Het was in ’t geheel niet waar; hij voelde volstrekt niets in z’n keel, maar hij zei het alleen om elke gedachte van zeeziekte te niet te doen.„De zenuwen,” meende Voirey.Bruce glimlachte met minachting.„Dan komt bij mij de ouderdom ook al met gebreken.”„Dat is zoo erg niet, oom. De meeste jongelui van den tegenwoordigen tijd hebben last van de zenuwen ook zonder een aandoenlijk afscheid.”„Het zijn er dan ook kerels naar!”„Och.… Intusschen moest u ’n droppel brendy nemen; dat zal u goed doen.”Dat lachte den ouden heer toe en hij deed het.„Jij bent nog eens ’n kerel met goede idee’s.”Het hielp ’n oogenblik, al trok hij ’n vies gezicht tegen de inferieure qualiteit van dezen drank, dien hij aan boord per heele flesch tot hoogen prijs moest koopen. Doch het hielp niet op den duur. Tegen het derde glaasje rilde de oude heer en hij wierp den halven inhoud over boord; zijn gezicht zagakeligbleekblauw en het weeke, onvaste van den ouderdom, met de gele en grijsgroene tinten in den omtrek der oogen, kwam scherper uit.„Misschien bent u wel zeeziek, pa,” meende Lena, die intusschen in een eenvoudige grijze matinée naar boven was gekomen.Doch juist daarmeê moest men bij hem niet aankomen.„Ik geloof dat jij heelemaal gek bent,” snauwde hij haar toe. „Ik ben geen kind.”„Ga een uurtje in de hut liggen, oom,” zei Voirey;[150]„probeer eens wat te slapen; het zal u goed doen.”„Mijn handen zijn zoo koud als ijs geworden: ze zien blauw,” antwoordde hij, ze naar voren stekend. Ze zagen ook grauwbleek, en de knokkige vingers met de sterke huidplooien op de gewrichtsbuigingen, beefden.„U hebt koorts. Wezenlijk Jan heeft gelijk. Wil ik u naar beneden brengen?”„Zeg toch niet zulke malligheid, Leen. Denk je nou dat ik niet alleen naar beneden kan komen? Tot straks dan.”Hij stond op en waggelde weg in de richting van het hokje dat de kajuitstrap overdekte. Lena, ongerust, ging hem toch achterna, en in zijn hut, waar hij met zware zuchten,neêrzonkop de bank, liet hij ziek en willoos toe, dat zij z’n schoenen en sokken uitdeed en hem verder hielp in ’t verkleeden.„Wat ik in mijn hoofd heb,” mompelde hij, „weet ik niet.”„Wilt u iets verkoelends? IJscompressen?”„Neen,dankie. Laat me maar stil, Voirey heeft gelijk. Ik moet wat slapen.”Ze ging heen. Ze dacht ook, net als neef Jan en als iedereen, die den ouden heer naar beneden had zien waggelen, dat Neptunus hem te pakken had gekregen.Na een uur ging Lena eens kijken; hij sliep nog, maar praatte hardop, met ’n vuurroode kleur in het gezicht en brandend hoofd. Zij riep Voirey erbij, die een bedenkelijk gezicht trok en met den kapitein sprak. Er was een officier van gezondheid als passagier aan boord, bereid eens naar[151]den ouden heer te zien, en die niet minder bedenkelijk keek dan Voirey.„Zware koorts; zeker meer dan veertig graden; ’n leelijk geval,” zei hij tegen den ingenieur. „Er moet voortdurend bij gewaakt worden.”„Zoudt u dat niet willen doen?”De jonge dokter keek hem aan alsof hij wilde vragen: Ben je niet wijs? Maar de kapitein knikte dringend den dokter toe, zóó dringend, dat deze niet wist wat te zeggen.„Ik zou het graag zien,” vervolgde Voirey, „en het komt er niet op aan wat het kost, dokter. De oude heer moet goed verzorgd worden, en wie kan dat beter, dan een geneesheer.”Aarzelend stemde de dokter toe.„Wat is dat toch?” vroeg hij den kapitein, toen hij met dezen alleen was.„Hij is millionnair. Waarachtig, meneer. Al rekent u hem duizend gulden, het doet er niets toe.”Te Batavia moest de oude Bruce in een draagstoel aan den wal. Onwillekeurig keek Lena in die vreemde omgeving eens rond en ’t verheugde haar een bekend gezicht te zien: dat van George Vermey.Hij had uit de courant gezien, dat de Bruce’s met hun neef naar Batavia kwamen met deze boot, hij had dadelijk het plan gevormd hen af te halen van den Boom, en hij stond er bijster vreemd te kijken over de ziekte van den ouden heer. Hij boog zijn lange gestalte over den rotanstoel en zei met de gewone gemeenzame bonhomie:„Zeg, oudste, wat is dat nou voor gekheid?”[152]„Dag Vermey,” antwoordde Bruce, erg afgevallen in die enkele dagen van de reis, met een zwakke stem, „het ziet er beroerd uit.”„Je mot je goed houwen, hoor! We zullen je wel opknappen hier in de parel van Insulinde; ’t is anders je pareltje wel!”Een glimlach gleed over het gezicht van Bruce; het was zoo gebruikelijk en gewoon kwaad te hooren spreken van Batavia, dat het ’t gewicht had gekregen onder elders in Indië wonenden van een heuschelijke aardigheid.Vermey was heel druk in de weer; hij zorgde voor alles; voor de koffers en verdere goederen; voor rijtuigen en grobaks en voor het transport van den ouden heer. Met een gewichtig gezicht vol bedrijvigheid, een hoofd uitstekend boven de omstanders, inlanders bevelend en zwaaiend met zijn lange armen had hij zich ineens als het ware aan het hoofd gesteld der expeditie.Lena was hem stil dankbaar. Zij was aan al die hurrie niet gewoon. En Voirey, die het ook wel prettig vond op de vreemde plaats iemand te hebben, die alles op zich nam, keek met stille glimlachen naar het air van gewicht, dat over Vermey was gekomen nu hij zulk een grootheid aan den dag kon leggen, in kleinigheden.„Gaat maar vast in het rijtuig,” zei hij tegen Voirey en Lena, „en rijdt maar met de jongens naar het hotel. De grobaks met het goed rijden al af, en ik zal wel voor papa zorgen; laat dat maar aan mij over.”Bruce keek hem uit de geïmproviseerde tandoe aan met ’n soort teedere vriendschap.[153]„Ga jij ook maar in ’n rijtuig,” zei hij.„Waarachtig niet, ouwe heer! Ik blijf bij je, hoor! ’t Is wel niet naast de deur, maar we zullen er wel komen.”Met zorg en onder toezicht van Vermey spanden de koelies voor de gelijke dracht de touwen hunner bamboes. Bruce zweefde in zijn draagstoel een halven meter boven den beganen grond, en op een langzaam sukkeldrafje ging het naar Weltevreden; Vermey er naast, den neus in den wind, zijn lange beenen in groote stappen vooruit werpend.„Lig je wel goed, papa?”„Ja, Vermey, ’t gaat nog al.”„Willen we niet even halt houden, ouwe heer?”„Neen, Vermey, laat ze maar liever doorloopen.”„Heb je geen dorst? Schokken ze niet te veel onder het loopen?”Zóó waren onderweg de vragen en antwoorden, waarbij Bruce alweer diep de overtuiging kreeg, dat hij veel meer gevoelde voor Vermey, dan voor zijn eigen familieleden.O, hij vond Voirey ’n best mensch, erg knap, erg wijs, bijzonder verstandig, maar dat alles hield hem, Bruce, juist op een afstand en was het tegendeel van een aanleiding tot toenadering. Hij had veel aan Voirey te danken, doch dat droeg ook al niet bij tot meer genegenheid. Dien Vermey vond hij zoo’n gewonen goeien vent. Die was niet zoo knap en zoo geleerd; die behoorde meer tot zijn, Bruce’s soort menschen, en daarom hield hij zooveel van hem.In zijn tandoe op en neer en heen en weer wiegend met opkomende koorts, en warm hoofd en verhoogd hersenleven,[154]bedacht hij dit, half dommelend, zoo duidelijk, als hij in normalen toestand zelden of nooit dacht.Het had wel anderhalf uur geduurd.Lena zond intusschen om den dokter, en die was reeds gekomen toen de optocht met den zieke arriveerde.De dokter meende, dat het malaria was en ordonneerde een bovenvertrek, waarheen Bruce in een hevige koorts met groote moeite werd opgeheschen.Er moest ook nu bij hem gewaakt worden, en dadelijk bood George zich aan. Hij zou even naar ’t kantoor rijden, om verlof te vragen voor ’n dag of wat.Niet zonder moeite kreeg hij het. ’t Was hem gelukt een betrekking te vinden, en hij voldeed daarin als bekwaam en geroutineerd geëmployeerde zeer goed, maar het was een inferieure positie; er was geen vooruitzicht, ten minste voorloopig niet.Voirey moest al de eerste dagen naar de stad om zijn nieuwe maatschappij te zetelen en had het erg druk. Lena zag dadelijk, dat men aan zekeren stand te Batavia bijzondere eischen stelt; dat haar broertjes anders gekleed moesten gaan, en zij zelf ook; zij vond het onpractisch, stijf, saai en vervelend,—maar het was niet anders.Een week lang paste Vermey den zieke op.Toen behoefde het niet meer, want Bruce stierf.De geneesheer had de koorts er niet onder kunnen krijgen en aan transporteeren van den zieke naar het gebergte viel niet te denken. Het was een week geweest, waarin Vermey haast niet tot slapen kwam. De kamer, die een galerijtje had, sloop hij soms uit des nachts, en liet zich buiten[155]neer in een luierstoel, maar vijf minuten later riep hem Bruce om drinken; water, ijswater, dat was al wat hij gebruikte.Ze stonden allemaal om zijn bed, want de dokter had gezegd, dat het dien nacht zou afloopen; er was een overweldigende zwakte ingetreden, die herhaaldelijk den lijder in flauwte vallen deed. Hij was onherkenbaar; in zijn buitengewoon witten baard dook zijn bleek uitgeteerd gezicht weg als een onbeduidende grauwe vlek; het was nooit een krachtige kop geweest door sterke beenvorming, maar een dikke met veel vleesch en haar. Nu ’t vleesch was weggeteerd schoot er haast niets over dan de haarmassa, die groeide en woekerde tegen alle omstandigheden in.Bruce was een oogenblik heel kalm. Hij hield de hand van Lena in de zijne, maar zij hield vast, want hij had er geen kracht voor. Hij zocht iets in flauwe bewegingen met zijn andere knobbels over de sprei; Vermey, die huilde, nam de andere dwalende hand en toen probeerde de stervende oude man, die niet spreken kon, de handen van Lena en van Vermey op elkaar te brengen, wat hem gelukte omdat George zoo heel erg meêgaf. En Bruce keek hem daarbij aan met een verzoek in z’n brekende oogen.Het was een korte begrafenisstoet. De kleine jongens zaten in een groot rijtuig, onmiddellijk achter de lijkkoets; dan volgden Voirey en Vermey, die opzettelijk maar elk een afzonderlijk vehikel hadden genomen om wat luister bij de zaak te zetten.Alleen Vermey trok aan het graf een bedroefd gezicht; hij, de eenige vreemde, was tevens de eenige die iets toonde[156]te gevoelen voor den ouden kroeg-vriend. De gezichten der jongens stonden strak. Nooit had hij hen toegesproken dan om op hen te brommen en te knorren; nooit een hand naar hen uitgestoken, dan met boosaardige bedoelingen ten opzichte hunner ooren. Het was den ouden Bruce, in zijn overweldigende zelfzucht nimmer in het hoofd gekomen eens vriendelijk te zijn tegen zijn kinderen of hen iets te schenken: geen cadeautje, geen cent! Nooit had hij hen ergens meê heen genomen, waar iets aardigs voor hen te zien was; hij had zich naar het scheen ingebeeld, dat de plichten van zijn vaderschap hoofdzakelijk bestonden in een dwingen van het jonge volkje om te doen wat ze niet graag deden.De jongens huichelden nu ook niet. Ze keken onverschillig naar de kist, waarin hun huistyran werd neêrgelaten in de kuil; het feit zelf trof hen niet.Voirey stond te verlangen dat het maar zoo gauw mogelijk zou afloopen; met zijn amerikaansche begrippen had hij een bar prozaïschen afkeer van plechtige langzaamheid van begrafenissen, welke hij heel oneerbiedig aanstellerij noemde. Hij keek maar links en rechts het kerkhof over en vond het zonde, dat hier zooveel marmer lag. En welk een volte op zoo’n begraafplaats, het leek wel een uitdragerij van graftomben! Hoe goed was toch een oven voor de lijkverbranding!Langzaam gingen zij weêr terug; de jongens links en rechts grafschriften en namen lezend; Voirey verontwaardigd over de smalle paden en de malle coquetterie van sommige grafversiersels.„’t Was toch ’n goede vent,” zeide Vermey met ’n zucht. Voirey keek hem schuin aan.[157]„Och ja; dat ging nogal.”Het was zeker niet aanmoedigend voor een lofrede op den overledene.„Ja,” veranderde Vermey van onderwerp, met nog een zucht, „zoo gaan we allen op onze beurt; de een vroeg, de ander laat.”„Dat zal wel zoo zijn,” meende Voirey.Buiten aan de poort bij de wachtende rijtuigen, reikte de ingenieur Vermey de hand.„U moet dezer dagen bij ons eens oploopen. We hebben nog wat te bespreken.”„Gaarne. Ik zou wel ’n kleinsouvenirvan den ouden heer willen hebben.”„Zoo! Nou dat is goed? U kunt het zelf uitkiezen; daarover zal Lena het wel met me eens zijn.”„Als ik danmorgenavondkom, in den vooravond.”„Goed, maar niet later dan morgen. U begrijpt, dat ik met mijn nichtje en haar broertjes niet in het hotel kan blijven.”„Neen,” zei Vermeyzijn kneveltjeopdraaiend, „dat is waar; dat gaat niet.”„Ik zal voor hen wel een onderkomen vinden bij een nette familie. Dat komt van zelf terecht. Adieu, tot morgen dus!”Vermey liet zich naar zijn huis rijden, een nederige woning ver buiten de voorstad, waar hij met Yps heel gemoedelijk en eenvoudig leefde; zijn tractement was voor de vroegere betrekkelijke weelde nu niet groot genoeg.Hij had meer dan ooit vues op Lena of liever op haar[158]vermogen. Yps hield hij uit gewoonte. De aardigheid was er tegenwoordig totaal af te meer nu hij haar sterk verdacht van familiariteiten in zijn afwezigheid met arabische kooplui, wat hem soms vies van haar maakte. Hij dacht aan de dramatische scène bij het sterfbed van Bruce, terwijl hij zijn zwarten rok uittrok en aan de baboe gaf om uit te hangen over het lijntje en het benieuwde hem hoe Voirey en Lena het zouden opnemen en wat er de gevolgen van zouden zijn.Het kon toch haast niet anders dan zoo gebeuren, meende hij, zich een bittertje schenkend tegen de ingeademde graflucht, alleen.… die Voirey. Aan dien had hij het land; hij wist niet wat hij aan hem had, en terwijl hij het noodige respect gevoelde voor zijn kunde, maar vooral voor zijn geld, was hij tevens ’n beetje bang voor de abrupte manieren en spreekwijzen van den amerikaanschen ingenieur.[159]
TWAALFDE HOOFDSTUK.Doodgaan en begraven worden.
Voirey kwam niet weg van Indië.Hij schold altijd op het land en het volk; hij noemde Java een kinderachtig stuk grond, en de bevolking een troep ellendelingen; hij herhaalde, dat hij wel spoedig afreizen zou; intusschen bleef hij.Hij had het noodlot niet kunnen ontgaan; hij had geld gestoken in landerijen en fabrieken, waar het erg secuur vast zat, zóó vast, dat het niet los was te krijgen.Intusschen had hij voor zijn neefs gezorgd; ze warenallebeiuitstekend geplaatst; één in het binnenland en een te Soerabaia; hij speelde den papa in huis, surveilleerde de lessen van de kinderen en was de zielevreugd van zijn oom, dien hij ongestoord liet putten uit zijn sigarenkisten en zijn buffet met dranken.Er was een jaar voorbijgegaan, zonder dat ze iets hoorden van Vermey.[145]Het leven liep dood in eentonigheid. Het huisgezin was stiller geworden. De partijen in de sociëteit danste Lena regelmatig af. Overigens geleek de eene dag precies op den anderen, behalve dat Voirey nu eens op reis, dan thuis was, altijd geheel onverwacht en als toevalligerwijze. Als hij thuis was kwam er ’n soort van drukte en beweging; het scheen dat er dan ’n stuk buitenwereld in huis sloeg, dat ook weer even stellig met hem verdween en niets achterliet, dan een doodsche stilte.Ditmaal was hij terug met bijzonder nieuws. Hij had weêr geld in een op te richten maatschappij gestoken; men wilde hem directeur maken; maar dan moest hij zich te Batavia vestigen: hij had er wel ooren naar, doch hij wilde eerst weten of oom en Lena en de kinderen meêgingen.Bruce had er heel veel tegen; machtig veel. Hij was gewoon al zooveel jaar aan z’n heele omgeving; hij was er meê oud geworden, en kon zich niet voorstellen hoe het hem gaan zou, als hij er eens uit was. Doch aan den anderen kant was hij even gewoon aan het goede en royale van Voirey en moest hij er niet aan denken dat diens verleidelijke bronnen geheel voor hem zouden opdrogen.„’t Kan mij niet „schelen,”” had Lena gezegd. „Ik wil hier ook wel vandaan.”De kinderen hadden elkaar aangezien met glinsterende oogen vol vreugde. Verhuizen! Zij waren nooit verhuisd, en andere jongens deden dat zoo dikwijls! Met een boot gaan!—het was hun nog nooit overkomen, en daar hadden ze nu kans op.„Kom oom, ik zou me er maar overheen zetten.”[146]Bruce zuchtte diep. Hij zou de soos niet meer zien; de goede oude soos!„Wie weet of ik er wel eens ’n partijtje bij mekaar krijg.”„Waarom niet? Ze spelen te Batavia zeker net zoo graag als hier.”Maar de oude heer schudde het hoofd. Hij wist wel beter. Voor hem was het een zaak van wikken en wegen; eenvoudig de vraag, wat het zwaarste was. En dat bleek toch ten slotte de samenleving met dien zonderlingen neef; toen Bruce dat eenmaal met zichzelven eens was, hechtte hij eigenlijk aan niets meer.Lena ging den laatsten dag erg bleek door het huis. Hoe had ze zoo lichtvaardig er in kunnen toestemmen het te verlaten! Mooi was het niet, en thans minder dan ooit. En toch was elke steen een herinnering; riep haast elke kamer getuigen op uit haar verleden. Het ging haar alles weêr door het hoofd, die laatste dagen in het oude huis. Zij zag er haar moeder toen die nog gezond en wel was, weer doordwalen van voor naar achter, van achter naar voren, altijd zorgend voor het huishouden en de kinderen. Zij huilde als ’n kind toen ze heenging en het rijtuig voor het laatst het bekende erf afreed, waar geen plant stond, die ze niet zelf in den grond had gestoken, waar geen groote boom zijn kruin verhief, of ze had hem gekend toen hij nog klein was, en zij ook!„Wees niet kinderachtig, Leen;” zei Bruce korzelig. „Eerst wou je zelf zoo graag weg, en nou zit je te grienen.”En toen ze geen antwoord gaf, maar nog eens over de[147]neêrgeslagen kap met oogen vol tranen omzag naar de bovenvensters van het oude huis, waarachter haar goede moeder zooveel leed had gedragen, ging hij voort:„Neem een voorbeeld aan mij, Leen. Ik heb zoo dadelijk niet toegestemd. Niet dan na rijp overleg. Maar nu het er eenmaal door is, trek ik me ook niets meer aan.”Het was stampvol aan den Boom; de meeste menschen kwamen er om Voirey den millionnair, den deelnemer in tal van ondernemingen, den directeur eener opgerichte maatschappij, de opgaande zon, het gouden kalf!De Bruce’s, nu ja, dat waren maar eenvoudige luidjes; ze hadden heel lang op de plaats gewoond, iedereen kende hen,—maar Voirey was een man van geld en van zaken, en dus had al wat op zaken aast en op geld, zich naar den Boom gespoed om hem de hand te drukken met profusie van hartelijkheid en een groot vertoon van sympathie. Men kon nooit weten hoe men hem nog eens in zaken kon noodig hebben. Eenige zeer oppervlakkige kennisjes van Lena, die ze vaak in geen maanden ontmoette en met wie ze nooit bijzonder hartelijk of vertrouwelijk was, legden nu bij deze gelegenheid, een aandoening aan den dag, die niet grooter had kunnen zijn als haar bloed-eigen zusters een levensgevaarlijke reis naar de poolstreken ondernamen.De oude Bruce was bij het zien van zooveel belangstelling ook erg zenuwachtig geworden, en dat nam niet weinig toe, bij de komst van zijn oude partners aan de ombre-tafel.Hij gaf iedereen ’n hand, sommigen, die zich eigenlijk wel wat te hoog voor hem achtten, glimlachten genadiglijk[148]en zeiden beschermend: „Dag meneer Bruce, het ga u wel;” anderen, die zich in hun nederige positie heel vereerd gevoelden door ’n familiaren handdruk van den ouden heer, knepen zijn vingers met groote hartelijkheid en kregen haast tranen in hun oogen bij de verrassende ontdekking, welk een best mensch hij toch was.Geheel onder den indruk van dit afscheid, kwam de oude Bruce aan boord, en terwijl de boot onder stoom ging, Voirey op het achterdek met een onverschillig gezicht ’n sigaar zat te rooken in een rotanstoel, en Lena naar beneden was gegaan om voor haar broertjes te zorgen,—keek hij naar dat punt der als voorbij schuivende kust waar witte silhouetten van hem zoo welbekende gebouwen zich afteekenden tegen de staalblauwe lucht.Ze werden al kleiner en kleiner en zonken weg in het verschiet, tot hij ze door z’n brilleglazen niet meer zien kon. Toen pas voelde hij met verwondering, dat hij onlekker was, en de vrees voor zeeziekte bekroop hem. Zou hij, zoo’n krasse oude kerel, aan boord van een boot en bij zoo’n kalm zeetje, zich nu gaan aanstellen als een jonge juffrouw? Dat was een verschrikkelijk denkbeeld. Hij liep het dek met groote schreden op en neer, den hoed achterover, om zijn voorhoofd te verfrisschen, de grijze bakkebaarden opwaaiend naar achter over zijn schouders.„U ziet bleek,” zei Voirey, toen Bruce hem passeerde.„Dat komt van die aandoenlijkheid. Daar heb ik nooit tegen gekend. Ik heb nu zoo’n onaangenaam gevoel in m’n keel, of er iets in zit.”[149]Het was in ’t geheel niet waar; hij voelde volstrekt niets in z’n keel, maar hij zei het alleen om elke gedachte van zeeziekte te niet te doen.„De zenuwen,” meende Voirey.Bruce glimlachte met minachting.„Dan komt bij mij de ouderdom ook al met gebreken.”„Dat is zoo erg niet, oom. De meeste jongelui van den tegenwoordigen tijd hebben last van de zenuwen ook zonder een aandoenlijk afscheid.”„Het zijn er dan ook kerels naar!”„Och.… Intusschen moest u ’n droppel brendy nemen; dat zal u goed doen.”Dat lachte den ouden heer toe en hij deed het.„Jij bent nog eens ’n kerel met goede idee’s.”Het hielp ’n oogenblik, al trok hij ’n vies gezicht tegen de inferieure qualiteit van dezen drank, dien hij aan boord per heele flesch tot hoogen prijs moest koopen. Doch het hielp niet op den duur. Tegen het derde glaasje rilde de oude heer en hij wierp den halven inhoud over boord; zijn gezicht zagakeligbleekblauw en het weeke, onvaste van den ouderdom, met de gele en grijsgroene tinten in den omtrek der oogen, kwam scherper uit.„Misschien bent u wel zeeziek, pa,” meende Lena, die intusschen in een eenvoudige grijze matinée naar boven was gekomen.Doch juist daarmeê moest men bij hem niet aankomen.„Ik geloof dat jij heelemaal gek bent,” snauwde hij haar toe. „Ik ben geen kind.”„Ga een uurtje in de hut liggen, oom,” zei Voirey;[150]„probeer eens wat te slapen; het zal u goed doen.”„Mijn handen zijn zoo koud als ijs geworden: ze zien blauw,” antwoordde hij, ze naar voren stekend. Ze zagen ook grauwbleek, en de knokkige vingers met de sterke huidplooien op de gewrichtsbuigingen, beefden.„U hebt koorts. Wezenlijk Jan heeft gelijk. Wil ik u naar beneden brengen?”„Zeg toch niet zulke malligheid, Leen. Denk je nou dat ik niet alleen naar beneden kan komen? Tot straks dan.”Hij stond op en waggelde weg in de richting van het hokje dat de kajuitstrap overdekte. Lena, ongerust, ging hem toch achterna, en in zijn hut, waar hij met zware zuchten,neêrzonkop de bank, liet hij ziek en willoos toe, dat zij z’n schoenen en sokken uitdeed en hem verder hielp in ’t verkleeden.„Wat ik in mijn hoofd heb,” mompelde hij, „weet ik niet.”„Wilt u iets verkoelends? IJscompressen?”„Neen,dankie. Laat me maar stil, Voirey heeft gelijk. Ik moet wat slapen.”Ze ging heen. Ze dacht ook, net als neef Jan en als iedereen, die den ouden heer naar beneden had zien waggelen, dat Neptunus hem te pakken had gekregen.Na een uur ging Lena eens kijken; hij sliep nog, maar praatte hardop, met ’n vuurroode kleur in het gezicht en brandend hoofd. Zij riep Voirey erbij, die een bedenkelijk gezicht trok en met den kapitein sprak. Er was een officier van gezondheid als passagier aan boord, bereid eens naar[151]den ouden heer te zien, en die niet minder bedenkelijk keek dan Voirey.„Zware koorts; zeker meer dan veertig graden; ’n leelijk geval,” zei hij tegen den ingenieur. „Er moet voortdurend bij gewaakt worden.”„Zoudt u dat niet willen doen?”De jonge dokter keek hem aan alsof hij wilde vragen: Ben je niet wijs? Maar de kapitein knikte dringend den dokter toe, zóó dringend, dat deze niet wist wat te zeggen.„Ik zou het graag zien,” vervolgde Voirey, „en het komt er niet op aan wat het kost, dokter. De oude heer moet goed verzorgd worden, en wie kan dat beter, dan een geneesheer.”Aarzelend stemde de dokter toe.„Wat is dat toch?” vroeg hij den kapitein, toen hij met dezen alleen was.„Hij is millionnair. Waarachtig, meneer. Al rekent u hem duizend gulden, het doet er niets toe.”Te Batavia moest de oude Bruce in een draagstoel aan den wal. Onwillekeurig keek Lena in die vreemde omgeving eens rond en ’t verheugde haar een bekend gezicht te zien: dat van George Vermey.Hij had uit de courant gezien, dat de Bruce’s met hun neef naar Batavia kwamen met deze boot, hij had dadelijk het plan gevormd hen af te halen van den Boom, en hij stond er bijster vreemd te kijken over de ziekte van den ouden heer. Hij boog zijn lange gestalte over den rotanstoel en zei met de gewone gemeenzame bonhomie:„Zeg, oudste, wat is dat nou voor gekheid?”[152]„Dag Vermey,” antwoordde Bruce, erg afgevallen in die enkele dagen van de reis, met een zwakke stem, „het ziet er beroerd uit.”„Je mot je goed houwen, hoor! We zullen je wel opknappen hier in de parel van Insulinde; ’t is anders je pareltje wel!”Een glimlach gleed over het gezicht van Bruce; het was zoo gebruikelijk en gewoon kwaad te hooren spreken van Batavia, dat het ’t gewicht had gekregen onder elders in Indië wonenden van een heuschelijke aardigheid.Vermey was heel druk in de weer; hij zorgde voor alles; voor de koffers en verdere goederen; voor rijtuigen en grobaks en voor het transport van den ouden heer. Met een gewichtig gezicht vol bedrijvigheid, een hoofd uitstekend boven de omstanders, inlanders bevelend en zwaaiend met zijn lange armen had hij zich ineens als het ware aan het hoofd gesteld der expeditie.Lena was hem stil dankbaar. Zij was aan al die hurrie niet gewoon. En Voirey, die het ook wel prettig vond op de vreemde plaats iemand te hebben, die alles op zich nam, keek met stille glimlachen naar het air van gewicht, dat over Vermey was gekomen nu hij zulk een grootheid aan den dag kon leggen, in kleinigheden.„Gaat maar vast in het rijtuig,” zei hij tegen Voirey en Lena, „en rijdt maar met de jongens naar het hotel. De grobaks met het goed rijden al af, en ik zal wel voor papa zorgen; laat dat maar aan mij over.”Bruce keek hem uit de geïmproviseerde tandoe aan met ’n soort teedere vriendschap.[153]„Ga jij ook maar in ’n rijtuig,” zei hij.„Waarachtig niet, ouwe heer! Ik blijf bij je, hoor! ’t Is wel niet naast de deur, maar we zullen er wel komen.”Met zorg en onder toezicht van Vermey spanden de koelies voor de gelijke dracht de touwen hunner bamboes. Bruce zweefde in zijn draagstoel een halven meter boven den beganen grond, en op een langzaam sukkeldrafje ging het naar Weltevreden; Vermey er naast, den neus in den wind, zijn lange beenen in groote stappen vooruit werpend.„Lig je wel goed, papa?”„Ja, Vermey, ’t gaat nog al.”„Willen we niet even halt houden, ouwe heer?”„Neen, Vermey, laat ze maar liever doorloopen.”„Heb je geen dorst? Schokken ze niet te veel onder het loopen?”Zóó waren onderweg de vragen en antwoorden, waarbij Bruce alweer diep de overtuiging kreeg, dat hij veel meer gevoelde voor Vermey, dan voor zijn eigen familieleden.O, hij vond Voirey ’n best mensch, erg knap, erg wijs, bijzonder verstandig, maar dat alles hield hem, Bruce, juist op een afstand en was het tegendeel van een aanleiding tot toenadering. Hij had veel aan Voirey te danken, doch dat droeg ook al niet bij tot meer genegenheid. Dien Vermey vond hij zoo’n gewonen goeien vent. Die was niet zoo knap en zoo geleerd; die behoorde meer tot zijn, Bruce’s soort menschen, en daarom hield hij zooveel van hem.In zijn tandoe op en neer en heen en weer wiegend met opkomende koorts, en warm hoofd en verhoogd hersenleven,[154]bedacht hij dit, half dommelend, zoo duidelijk, als hij in normalen toestand zelden of nooit dacht.Het had wel anderhalf uur geduurd.Lena zond intusschen om den dokter, en die was reeds gekomen toen de optocht met den zieke arriveerde.De dokter meende, dat het malaria was en ordonneerde een bovenvertrek, waarheen Bruce in een hevige koorts met groote moeite werd opgeheschen.Er moest ook nu bij hem gewaakt worden, en dadelijk bood George zich aan. Hij zou even naar ’t kantoor rijden, om verlof te vragen voor ’n dag of wat.Niet zonder moeite kreeg hij het. ’t Was hem gelukt een betrekking te vinden, en hij voldeed daarin als bekwaam en geroutineerd geëmployeerde zeer goed, maar het was een inferieure positie; er was geen vooruitzicht, ten minste voorloopig niet.Voirey moest al de eerste dagen naar de stad om zijn nieuwe maatschappij te zetelen en had het erg druk. Lena zag dadelijk, dat men aan zekeren stand te Batavia bijzondere eischen stelt; dat haar broertjes anders gekleed moesten gaan, en zij zelf ook; zij vond het onpractisch, stijf, saai en vervelend,—maar het was niet anders.Een week lang paste Vermey den zieke op.Toen behoefde het niet meer, want Bruce stierf.De geneesheer had de koorts er niet onder kunnen krijgen en aan transporteeren van den zieke naar het gebergte viel niet te denken. Het was een week geweest, waarin Vermey haast niet tot slapen kwam. De kamer, die een galerijtje had, sloop hij soms uit des nachts, en liet zich buiten[155]neer in een luierstoel, maar vijf minuten later riep hem Bruce om drinken; water, ijswater, dat was al wat hij gebruikte.Ze stonden allemaal om zijn bed, want de dokter had gezegd, dat het dien nacht zou afloopen; er was een overweldigende zwakte ingetreden, die herhaaldelijk den lijder in flauwte vallen deed. Hij was onherkenbaar; in zijn buitengewoon witten baard dook zijn bleek uitgeteerd gezicht weg als een onbeduidende grauwe vlek; het was nooit een krachtige kop geweest door sterke beenvorming, maar een dikke met veel vleesch en haar. Nu ’t vleesch was weggeteerd schoot er haast niets over dan de haarmassa, die groeide en woekerde tegen alle omstandigheden in.Bruce was een oogenblik heel kalm. Hij hield de hand van Lena in de zijne, maar zij hield vast, want hij had er geen kracht voor. Hij zocht iets in flauwe bewegingen met zijn andere knobbels over de sprei; Vermey, die huilde, nam de andere dwalende hand en toen probeerde de stervende oude man, die niet spreken kon, de handen van Lena en van Vermey op elkaar te brengen, wat hem gelukte omdat George zoo heel erg meêgaf. En Bruce keek hem daarbij aan met een verzoek in z’n brekende oogen.Het was een korte begrafenisstoet. De kleine jongens zaten in een groot rijtuig, onmiddellijk achter de lijkkoets; dan volgden Voirey en Vermey, die opzettelijk maar elk een afzonderlijk vehikel hadden genomen om wat luister bij de zaak te zetten.Alleen Vermey trok aan het graf een bedroefd gezicht; hij, de eenige vreemde, was tevens de eenige die iets toonde[156]te gevoelen voor den ouden kroeg-vriend. De gezichten der jongens stonden strak. Nooit had hij hen toegesproken dan om op hen te brommen en te knorren; nooit een hand naar hen uitgestoken, dan met boosaardige bedoelingen ten opzichte hunner ooren. Het was den ouden Bruce, in zijn overweldigende zelfzucht nimmer in het hoofd gekomen eens vriendelijk te zijn tegen zijn kinderen of hen iets te schenken: geen cadeautje, geen cent! Nooit had hij hen ergens meê heen genomen, waar iets aardigs voor hen te zien was; hij had zich naar het scheen ingebeeld, dat de plichten van zijn vaderschap hoofdzakelijk bestonden in een dwingen van het jonge volkje om te doen wat ze niet graag deden.De jongens huichelden nu ook niet. Ze keken onverschillig naar de kist, waarin hun huistyran werd neêrgelaten in de kuil; het feit zelf trof hen niet.Voirey stond te verlangen dat het maar zoo gauw mogelijk zou afloopen; met zijn amerikaansche begrippen had hij een bar prozaïschen afkeer van plechtige langzaamheid van begrafenissen, welke hij heel oneerbiedig aanstellerij noemde. Hij keek maar links en rechts het kerkhof over en vond het zonde, dat hier zooveel marmer lag. En welk een volte op zoo’n begraafplaats, het leek wel een uitdragerij van graftomben! Hoe goed was toch een oven voor de lijkverbranding!Langzaam gingen zij weêr terug; de jongens links en rechts grafschriften en namen lezend; Voirey verontwaardigd over de smalle paden en de malle coquetterie van sommige grafversiersels.„’t Was toch ’n goede vent,” zeide Vermey met ’n zucht. Voirey keek hem schuin aan.[157]„Och ja; dat ging nogal.”Het was zeker niet aanmoedigend voor een lofrede op den overledene.„Ja,” veranderde Vermey van onderwerp, met nog een zucht, „zoo gaan we allen op onze beurt; de een vroeg, de ander laat.”„Dat zal wel zoo zijn,” meende Voirey.Buiten aan de poort bij de wachtende rijtuigen, reikte de ingenieur Vermey de hand.„U moet dezer dagen bij ons eens oploopen. We hebben nog wat te bespreken.”„Gaarne. Ik zou wel ’n kleinsouvenirvan den ouden heer willen hebben.”„Zoo! Nou dat is goed? U kunt het zelf uitkiezen; daarover zal Lena het wel met me eens zijn.”„Als ik danmorgenavondkom, in den vooravond.”„Goed, maar niet later dan morgen. U begrijpt, dat ik met mijn nichtje en haar broertjes niet in het hotel kan blijven.”„Neen,” zei Vermeyzijn kneveltjeopdraaiend, „dat is waar; dat gaat niet.”„Ik zal voor hen wel een onderkomen vinden bij een nette familie. Dat komt van zelf terecht. Adieu, tot morgen dus!”Vermey liet zich naar zijn huis rijden, een nederige woning ver buiten de voorstad, waar hij met Yps heel gemoedelijk en eenvoudig leefde; zijn tractement was voor de vroegere betrekkelijke weelde nu niet groot genoeg.Hij had meer dan ooit vues op Lena of liever op haar[158]vermogen. Yps hield hij uit gewoonte. De aardigheid was er tegenwoordig totaal af te meer nu hij haar sterk verdacht van familiariteiten in zijn afwezigheid met arabische kooplui, wat hem soms vies van haar maakte. Hij dacht aan de dramatische scène bij het sterfbed van Bruce, terwijl hij zijn zwarten rok uittrok en aan de baboe gaf om uit te hangen over het lijntje en het benieuwde hem hoe Voirey en Lena het zouden opnemen en wat er de gevolgen van zouden zijn.Het kon toch haast niet anders dan zoo gebeuren, meende hij, zich een bittertje schenkend tegen de ingeademde graflucht, alleen.… die Voirey. Aan dien had hij het land; hij wist niet wat hij aan hem had, en terwijl hij het noodige respect gevoelde voor zijn kunde, maar vooral voor zijn geld, was hij tevens ’n beetje bang voor de abrupte manieren en spreekwijzen van den amerikaanschen ingenieur.[159]
Voirey kwam niet weg van Indië.
Hij schold altijd op het land en het volk; hij noemde Java een kinderachtig stuk grond, en de bevolking een troep ellendelingen; hij herhaalde, dat hij wel spoedig afreizen zou; intusschen bleef hij.
Hij had het noodlot niet kunnen ontgaan; hij had geld gestoken in landerijen en fabrieken, waar het erg secuur vast zat, zóó vast, dat het niet los was te krijgen.
Intusschen had hij voor zijn neefs gezorgd; ze warenallebeiuitstekend geplaatst; één in het binnenland en een te Soerabaia; hij speelde den papa in huis, surveilleerde de lessen van de kinderen en was de zielevreugd van zijn oom, dien hij ongestoord liet putten uit zijn sigarenkisten en zijn buffet met dranken.
Er was een jaar voorbijgegaan, zonder dat ze iets hoorden van Vermey.[145]
Het leven liep dood in eentonigheid. Het huisgezin was stiller geworden. De partijen in de sociëteit danste Lena regelmatig af. Overigens geleek de eene dag precies op den anderen, behalve dat Voirey nu eens op reis, dan thuis was, altijd geheel onverwacht en als toevalligerwijze. Als hij thuis was kwam er ’n soort van drukte en beweging; het scheen dat er dan ’n stuk buitenwereld in huis sloeg, dat ook weer even stellig met hem verdween en niets achterliet, dan een doodsche stilte.
Ditmaal was hij terug met bijzonder nieuws. Hij had weêr geld in een op te richten maatschappij gestoken; men wilde hem directeur maken; maar dan moest hij zich te Batavia vestigen: hij had er wel ooren naar, doch hij wilde eerst weten of oom en Lena en de kinderen meêgingen.
Bruce had er heel veel tegen; machtig veel. Hij was gewoon al zooveel jaar aan z’n heele omgeving; hij was er meê oud geworden, en kon zich niet voorstellen hoe het hem gaan zou, als hij er eens uit was. Doch aan den anderen kant was hij even gewoon aan het goede en royale van Voirey en moest hij er niet aan denken dat diens verleidelijke bronnen geheel voor hem zouden opdrogen.
„’t Kan mij niet „schelen,”” had Lena gezegd. „Ik wil hier ook wel vandaan.”
De kinderen hadden elkaar aangezien met glinsterende oogen vol vreugde. Verhuizen! Zij waren nooit verhuisd, en andere jongens deden dat zoo dikwijls! Met een boot gaan!—het was hun nog nooit overkomen, en daar hadden ze nu kans op.
„Kom oom, ik zou me er maar overheen zetten.”[146]
Bruce zuchtte diep. Hij zou de soos niet meer zien; de goede oude soos!
„Wie weet of ik er wel eens ’n partijtje bij mekaar krijg.”
„Waarom niet? Ze spelen te Batavia zeker net zoo graag als hier.”
Maar de oude heer schudde het hoofd. Hij wist wel beter. Voor hem was het een zaak van wikken en wegen; eenvoudig de vraag, wat het zwaarste was. En dat bleek toch ten slotte de samenleving met dien zonderlingen neef; toen Bruce dat eenmaal met zichzelven eens was, hechtte hij eigenlijk aan niets meer.
Lena ging den laatsten dag erg bleek door het huis. Hoe had ze zoo lichtvaardig er in kunnen toestemmen het te verlaten! Mooi was het niet, en thans minder dan ooit. En toch was elke steen een herinnering; riep haast elke kamer getuigen op uit haar verleden. Het ging haar alles weêr door het hoofd, die laatste dagen in het oude huis. Zij zag er haar moeder toen die nog gezond en wel was, weer doordwalen van voor naar achter, van achter naar voren, altijd zorgend voor het huishouden en de kinderen. Zij huilde als ’n kind toen ze heenging en het rijtuig voor het laatst het bekende erf afreed, waar geen plant stond, die ze niet zelf in den grond had gestoken, waar geen groote boom zijn kruin verhief, of ze had hem gekend toen hij nog klein was, en zij ook!
„Wees niet kinderachtig, Leen;” zei Bruce korzelig. „Eerst wou je zelf zoo graag weg, en nou zit je te grienen.”
En toen ze geen antwoord gaf, maar nog eens over de[147]neêrgeslagen kap met oogen vol tranen omzag naar de bovenvensters van het oude huis, waarachter haar goede moeder zooveel leed had gedragen, ging hij voort:
„Neem een voorbeeld aan mij, Leen. Ik heb zoo dadelijk niet toegestemd. Niet dan na rijp overleg. Maar nu het er eenmaal door is, trek ik me ook niets meer aan.”
Het was stampvol aan den Boom; de meeste menschen kwamen er om Voirey den millionnair, den deelnemer in tal van ondernemingen, den directeur eener opgerichte maatschappij, de opgaande zon, het gouden kalf!
De Bruce’s, nu ja, dat waren maar eenvoudige luidjes; ze hadden heel lang op de plaats gewoond, iedereen kende hen,—maar Voirey was een man van geld en van zaken, en dus had al wat op zaken aast en op geld, zich naar den Boom gespoed om hem de hand te drukken met profusie van hartelijkheid en een groot vertoon van sympathie. Men kon nooit weten hoe men hem nog eens in zaken kon noodig hebben. Eenige zeer oppervlakkige kennisjes van Lena, die ze vaak in geen maanden ontmoette en met wie ze nooit bijzonder hartelijk of vertrouwelijk was, legden nu bij deze gelegenheid, een aandoening aan den dag, die niet grooter had kunnen zijn als haar bloed-eigen zusters een levensgevaarlijke reis naar de poolstreken ondernamen.
De oude Bruce was bij het zien van zooveel belangstelling ook erg zenuwachtig geworden, en dat nam niet weinig toe, bij de komst van zijn oude partners aan de ombre-tafel.
Hij gaf iedereen ’n hand, sommigen, die zich eigenlijk wel wat te hoog voor hem achtten, glimlachten genadiglijk[148]en zeiden beschermend: „Dag meneer Bruce, het ga u wel;” anderen, die zich in hun nederige positie heel vereerd gevoelden door ’n familiaren handdruk van den ouden heer, knepen zijn vingers met groote hartelijkheid en kregen haast tranen in hun oogen bij de verrassende ontdekking, welk een best mensch hij toch was.
Geheel onder den indruk van dit afscheid, kwam de oude Bruce aan boord, en terwijl de boot onder stoom ging, Voirey op het achterdek met een onverschillig gezicht ’n sigaar zat te rooken in een rotanstoel, en Lena naar beneden was gegaan om voor haar broertjes te zorgen,—keek hij naar dat punt der als voorbij schuivende kust waar witte silhouetten van hem zoo welbekende gebouwen zich afteekenden tegen de staalblauwe lucht.
Ze werden al kleiner en kleiner en zonken weg in het verschiet, tot hij ze door z’n brilleglazen niet meer zien kon. Toen pas voelde hij met verwondering, dat hij onlekker was, en de vrees voor zeeziekte bekroop hem. Zou hij, zoo’n krasse oude kerel, aan boord van een boot en bij zoo’n kalm zeetje, zich nu gaan aanstellen als een jonge juffrouw? Dat was een verschrikkelijk denkbeeld. Hij liep het dek met groote schreden op en neer, den hoed achterover, om zijn voorhoofd te verfrisschen, de grijze bakkebaarden opwaaiend naar achter over zijn schouders.
„U ziet bleek,” zei Voirey, toen Bruce hem passeerde.
„Dat komt van die aandoenlijkheid. Daar heb ik nooit tegen gekend. Ik heb nu zoo’n onaangenaam gevoel in m’n keel, of er iets in zit.”[149]
Het was in ’t geheel niet waar; hij voelde volstrekt niets in z’n keel, maar hij zei het alleen om elke gedachte van zeeziekte te niet te doen.
„De zenuwen,” meende Voirey.
Bruce glimlachte met minachting.
„Dan komt bij mij de ouderdom ook al met gebreken.”
„Dat is zoo erg niet, oom. De meeste jongelui van den tegenwoordigen tijd hebben last van de zenuwen ook zonder een aandoenlijk afscheid.”
„Het zijn er dan ook kerels naar!”
„Och.… Intusschen moest u ’n droppel brendy nemen; dat zal u goed doen.”
Dat lachte den ouden heer toe en hij deed het.
„Jij bent nog eens ’n kerel met goede idee’s.”
Het hielp ’n oogenblik, al trok hij ’n vies gezicht tegen de inferieure qualiteit van dezen drank, dien hij aan boord per heele flesch tot hoogen prijs moest koopen. Doch het hielp niet op den duur. Tegen het derde glaasje rilde de oude heer en hij wierp den halven inhoud over boord; zijn gezicht zagakeligbleekblauw en het weeke, onvaste van den ouderdom, met de gele en grijsgroene tinten in den omtrek der oogen, kwam scherper uit.
„Misschien bent u wel zeeziek, pa,” meende Lena, die intusschen in een eenvoudige grijze matinée naar boven was gekomen.
Doch juist daarmeê moest men bij hem niet aankomen.
„Ik geloof dat jij heelemaal gek bent,” snauwde hij haar toe. „Ik ben geen kind.”
„Ga een uurtje in de hut liggen, oom,” zei Voirey;[150]„probeer eens wat te slapen; het zal u goed doen.”
„Mijn handen zijn zoo koud als ijs geworden: ze zien blauw,” antwoordde hij, ze naar voren stekend. Ze zagen ook grauwbleek, en de knokkige vingers met de sterke huidplooien op de gewrichtsbuigingen, beefden.
„U hebt koorts. Wezenlijk Jan heeft gelijk. Wil ik u naar beneden brengen?”
„Zeg toch niet zulke malligheid, Leen. Denk je nou dat ik niet alleen naar beneden kan komen? Tot straks dan.”
Hij stond op en waggelde weg in de richting van het hokje dat de kajuitstrap overdekte. Lena, ongerust, ging hem toch achterna, en in zijn hut, waar hij met zware zuchten,neêrzonkop de bank, liet hij ziek en willoos toe, dat zij z’n schoenen en sokken uitdeed en hem verder hielp in ’t verkleeden.
„Wat ik in mijn hoofd heb,” mompelde hij, „weet ik niet.”
„Wilt u iets verkoelends? IJscompressen?”
„Neen,dankie. Laat me maar stil, Voirey heeft gelijk. Ik moet wat slapen.”
Ze ging heen. Ze dacht ook, net als neef Jan en als iedereen, die den ouden heer naar beneden had zien waggelen, dat Neptunus hem te pakken had gekregen.
Na een uur ging Lena eens kijken; hij sliep nog, maar praatte hardop, met ’n vuurroode kleur in het gezicht en brandend hoofd. Zij riep Voirey erbij, die een bedenkelijk gezicht trok en met den kapitein sprak. Er was een officier van gezondheid als passagier aan boord, bereid eens naar[151]den ouden heer te zien, en die niet minder bedenkelijk keek dan Voirey.
„Zware koorts; zeker meer dan veertig graden; ’n leelijk geval,” zei hij tegen den ingenieur. „Er moet voortdurend bij gewaakt worden.”
„Zoudt u dat niet willen doen?”
De jonge dokter keek hem aan alsof hij wilde vragen: Ben je niet wijs? Maar de kapitein knikte dringend den dokter toe, zóó dringend, dat deze niet wist wat te zeggen.
„Ik zou het graag zien,” vervolgde Voirey, „en het komt er niet op aan wat het kost, dokter. De oude heer moet goed verzorgd worden, en wie kan dat beter, dan een geneesheer.”
Aarzelend stemde de dokter toe.
„Wat is dat toch?” vroeg hij den kapitein, toen hij met dezen alleen was.
„Hij is millionnair. Waarachtig, meneer. Al rekent u hem duizend gulden, het doet er niets toe.”
Te Batavia moest de oude Bruce in een draagstoel aan den wal. Onwillekeurig keek Lena in die vreemde omgeving eens rond en ’t verheugde haar een bekend gezicht te zien: dat van George Vermey.
Hij had uit de courant gezien, dat de Bruce’s met hun neef naar Batavia kwamen met deze boot, hij had dadelijk het plan gevormd hen af te halen van den Boom, en hij stond er bijster vreemd te kijken over de ziekte van den ouden heer. Hij boog zijn lange gestalte over den rotanstoel en zei met de gewone gemeenzame bonhomie:
„Zeg, oudste, wat is dat nou voor gekheid?”[152]
„Dag Vermey,” antwoordde Bruce, erg afgevallen in die enkele dagen van de reis, met een zwakke stem, „het ziet er beroerd uit.”
„Je mot je goed houwen, hoor! We zullen je wel opknappen hier in de parel van Insulinde; ’t is anders je pareltje wel!”
Een glimlach gleed over het gezicht van Bruce; het was zoo gebruikelijk en gewoon kwaad te hooren spreken van Batavia, dat het ’t gewicht had gekregen onder elders in Indië wonenden van een heuschelijke aardigheid.
Vermey was heel druk in de weer; hij zorgde voor alles; voor de koffers en verdere goederen; voor rijtuigen en grobaks en voor het transport van den ouden heer. Met een gewichtig gezicht vol bedrijvigheid, een hoofd uitstekend boven de omstanders, inlanders bevelend en zwaaiend met zijn lange armen had hij zich ineens als het ware aan het hoofd gesteld der expeditie.
Lena was hem stil dankbaar. Zij was aan al die hurrie niet gewoon. En Voirey, die het ook wel prettig vond op de vreemde plaats iemand te hebben, die alles op zich nam, keek met stille glimlachen naar het air van gewicht, dat over Vermey was gekomen nu hij zulk een grootheid aan den dag kon leggen, in kleinigheden.
„Gaat maar vast in het rijtuig,” zei hij tegen Voirey en Lena, „en rijdt maar met de jongens naar het hotel. De grobaks met het goed rijden al af, en ik zal wel voor papa zorgen; laat dat maar aan mij over.”
Bruce keek hem uit de geïmproviseerde tandoe aan met ’n soort teedere vriendschap.[153]
„Ga jij ook maar in ’n rijtuig,” zei hij.
„Waarachtig niet, ouwe heer! Ik blijf bij je, hoor! ’t Is wel niet naast de deur, maar we zullen er wel komen.”
Met zorg en onder toezicht van Vermey spanden de koelies voor de gelijke dracht de touwen hunner bamboes. Bruce zweefde in zijn draagstoel een halven meter boven den beganen grond, en op een langzaam sukkeldrafje ging het naar Weltevreden; Vermey er naast, den neus in den wind, zijn lange beenen in groote stappen vooruit werpend.
„Lig je wel goed, papa?”
„Ja, Vermey, ’t gaat nog al.”
„Willen we niet even halt houden, ouwe heer?”
„Neen, Vermey, laat ze maar liever doorloopen.”
„Heb je geen dorst? Schokken ze niet te veel onder het loopen?”
Zóó waren onderweg de vragen en antwoorden, waarbij Bruce alweer diep de overtuiging kreeg, dat hij veel meer gevoelde voor Vermey, dan voor zijn eigen familieleden.
O, hij vond Voirey ’n best mensch, erg knap, erg wijs, bijzonder verstandig, maar dat alles hield hem, Bruce, juist op een afstand en was het tegendeel van een aanleiding tot toenadering. Hij had veel aan Voirey te danken, doch dat droeg ook al niet bij tot meer genegenheid. Dien Vermey vond hij zoo’n gewonen goeien vent. Die was niet zoo knap en zoo geleerd; die behoorde meer tot zijn, Bruce’s soort menschen, en daarom hield hij zooveel van hem.
In zijn tandoe op en neer en heen en weer wiegend met opkomende koorts, en warm hoofd en verhoogd hersenleven,[154]bedacht hij dit, half dommelend, zoo duidelijk, als hij in normalen toestand zelden of nooit dacht.
Het had wel anderhalf uur geduurd.
Lena zond intusschen om den dokter, en die was reeds gekomen toen de optocht met den zieke arriveerde.
De dokter meende, dat het malaria was en ordonneerde een bovenvertrek, waarheen Bruce in een hevige koorts met groote moeite werd opgeheschen.
Er moest ook nu bij hem gewaakt worden, en dadelijk bood George zich aan. Hij zou even naar ’t kantoor rijden, om verlof te vragen voor ’n dag of wat.
Niet zonder moeite kreeg hij het. ’t Was hem gelukt een betrekking te vinden, en hij voldeed daarin als bekwaam en geroutineerd geëmployeerde zeer goed, maar het was een inferieure positie; er was geen vooruitzicht, ten minste voorloopig niet.
Voirey moest al de eerste dagen naar de stad om zijn nieuwe maatschappij te zetelen en had het erg druk. Lena zag dadelijk, dat men aan zekeren stand te Batavia bijzondere eischen stelt; dat haar broertjes anders gekleed moesten gaan, en zij zelf ook; zij vond het onpractisch, stijf, saai en vervelend,—maar het was niet anders.
Een week lang paste Vermey den zieke op.
Toen behoefde het niet meer, want Bruce stierf.
De geneesheer had de koorts er niet onder kunnen krijgen en aan transporteeren van den zieke naar het gebergte viel niet te denken. Het was een week geweest, waarin Vermey haast niet tot slapen kwam. De kamer, die een galerijtje had, sloop hij soms uit des nachts, en liet zich buiten[155]neer in een luierstoel, maar vijf minuten later riep hem Bruce om drinken; water, ijswater, dat was al wat hij gebruikte.
Ze stonden allemaal om zijn bed, want de dokter had gezegd, dat het dien nacht zou afloopen; er was een overweldigende zwakte ingetreden, die herhaaldelijk den lijder in flauwte vallen deed. Hij was onherkenbaar; in zijn buitengewoon witten baard dook zijn bleek uitgeteerd gezicht weg als een onbeduidende grauwe vlek; het was nooit een krachtige kop geweest door sterke beenvorming, maar een dikke met veel vleesch en haar. Nu ’t vleesch was weggeteerd schoot er haast niets over dan de haarmassa, die groeide en woekerde tegen alle omstandigheden in.
Bruce was een oogenblik heel kalm. Hij hield de hand van Lena in de zijne, maar zij hield vast, want hij had er geen kracht voor. Hij zocht iets in flauwe bewegingen met zijn andere knobbels over de sprei; Vermey, die huilde, nam de andere dwalende hand en toen probeerde de stervende oude man, die niet spreken kon, de handen van Lena en van Vermey op elkaar te brengen, wat hem gelukte omdat George zoo heel erg meêgaf. En Bruce keek hem daarbij aan met een verzoek in z’n brekende oogen.
Het was een korte begrafenisstoet. De kleine jongens zaten in een groot rijtuig, onmiddellijk achter de lijkkoets; dan volgden Voirey en Vermey, die opzettelijk maar elk een afzonderlijk vehikel hadden genomen om wat luister bij de zaak te zetten.
Alleen Vermey trok aan het graf een bedroefd gezicht; hij, de eenige vreemde, was tevens de eenige die iets toonde[156]te gevoelen voor den ouden kroeg-vriend. De gezichten der jongens stonden strak. Nooit had hij hen toegesproken dan om op hen te brommen en te knorren; nooit een hand naar hen uitgestoken, dan met boosaardige bedoelingen ten opzichte hunner ooren. Het was den ouden Bruce, in zijn overweldigende zelfzucht nimmer in het hoofd gekomen eens vriendelijk te zijn tegen zijn kinderen of hen iets te schenken: geen cadeautje, geen cent! Nooit had hij hen ergens meê heen genomen, waar iets aardigs voor hen te zien was; hij had zich naar het scheen ingebeeld, dat de plichten van zijn vaderschap hoofdzakelijk bestonden in een dwingen van het jonge volkje om te doen wat ze niet graag deden.
De jongens huichelden nu ook niet. Ze keken onverschillig naar de kist, waarin hun huistyran werd neêrgelaten in de kuil; het feit zelf trof hen niet.
Voirey stond te verlangen dat het maar zoo gauw mogelijk zou afloopen; met zijn amerikaansche begrippen had hij een bar prozaïschen afkeer van plechtige langzaamheid van begrafenissen, welke hij heel oneerbiedig aanstellerij noemde. Hij keek maar links en rechts het kerkhof over en vond het zonde, dat hier zooveel marmer lag. En welk een volte op zoo’n begraafplaats, het leek wel een uitdragerij van graftomben! Hoe goed was toch een oven voor de lijkverbranding!
Langzaam gingen zij weêr terug; de jongens links en rechts grafschriften en namen lezend; Voirey verontwaardigd over de smalle paden en de malle coquetterie van sommige grafversiersels.
„’t Was toch ’n goede vent,” zeide Vermey met ’n zucht. Voirey keek hem schuin aan.[157]
„Och ja; dat ging nogal.”
Het was zeker niet aanmoedigend voor een lofrede op den overledene.
„Ja,” veranderde Vermey van onderwerp, met nog een zucht, „zoo gaan we allen op onze beurt; de een vroeg, de ander laat.”
„Dat zal wel zoo zijn,” meende Voirey.
Buiten aan de poort bij de wachtende rijtuigen, reikte de ingenieur Vermey de hand.
„U moet dezer dagen bij ons eens oploopen. We hebben nog wat te bespreken.”
„Gaarne. Ik zou wel ’n kleinsouvenirvan den ouden heer willen hebben.”
„Zoo! Nou dat is goed? U kunt het zelf uitkiezen; daarover zal Lena het wel met me eens zijn.”
„Als ik danmorgenavondkom, in den vooravond.”
„Goed, maar niet later dan morgen. U begrijpt, dat ik met mijn nichtje en haar broertjes niet in het hotel kan blijven.”
„Neen,” zei Vermeyzijn kneveltjeopdraaiend, „dat is waar; dat gaat niet.”
„Ik zal voor hen wel een onderkomen vinden bij een nette familie. Dat komt van zelf terecht. Adieu, tot morgen dus!”
Vermey liet zich naar zijn huis rijden, een nederige woning ver buiten de voorstad, waar hij met Yps heel gemoedelijk en eenvoudig leefde; zijn tractement was voor de vroegere betrekkelijke weelde nu niet groot genoeg.
Hij had meer dan ooit vues op Lena of liever op haar[158]vermogen. Yps hield hij uit gewoonte. De aardigheid was er tegenwoordig totaal af te meer nu hij haar sterk verdacht van familiariteiten in zijn afwezigheid met arabische kooplui, wat hem soms vies van haar maakte. Hij dacht aan de dramatische scène bij het sterfbed van Bruce, terwijl hij zijn zwarten rok uittrok en aan de baboe gaf om uit te hangen over het lijntje en het benieuwde hem hoe Voirey en Lena het zouden opnemen en wat er de gevolgen van zouden zijn.
Het kon toch haast niet anders dan zoo gebeuren, meende hij, zich een bittertje schenkend tegen de ingeademde graflucht, alleen.… die Voirey. Aan dien had hij het land; hij wist niet wat hij aan hem had, en terwijl hij het noodige respect gevoelde voor zijn kunde, maar vooral voor zijn geld, was hij tevens ’n beetje bang voor de abrupte manieren en spreekwijzen van den amerikaanschen ingenieur.[159]