TIENDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]TIENDE HOOFDSTUK.Hoe George aan tweehonderd gulden kwam.Jan Voirey zat vermoeid in den trein; hij was de eenige reiziger in den spoorweg-coupé, en lag languit op een bank; hij had de fabrieken eens rondgereisd, en gesproken met dezen en genen. Van een groote fabriek had hij afgezien, daar was geen plaats voor hier! Het eenige wat kon bestaan, was een reparatie-werkplaats maar daarin had hij weinig lust. Men kon enkele onderdeelen dan óók maken om versletene te vervangen; meer niet.Zijn tocht naar het oosten was nutteloos tijdverlies geweest. Telkens geeuwde hij van verveling, keek dan eens het raampje uit naar buiten, ergerde zich aan den aanblik van het land, dat zich uitstrekte in de brandende zon, de eentonige rijstvelden, nu en dan afgewisseld door sombere djatti-bosschen, en water dat door breede spleten in den grond wegholde, over steenen en tusschen steenen door, maar onbevaarbaar en dus in zijn oog niet de moeite waard.[116]Dat was dan, dacht de drie-kwart Amerikaan, het beroemde Java! Hij had er alles gevonden, anders dan volgens zijn begrippen goed was. Zelfs de fabrieken hinderden hem, als, nu er niet gemalen werd, levenlooze inrichtingen. Dat was geen land, waar hij thuis hoorde met zijn sterk ontwikkeld idee vanbusinessen nog eensbusiness. Het beste zou zijn, dat hij maar spoedig zijn biezen pakte, dacht hij.Hij was voor een portierraampje gaan zitten met den elleboog op den rand en de groote beenderige hand, waaruit werklust sprak en energie in het kort borstelig haar. En zijn heldere grijze oogen keken naar buiten, kalm rustigprozaïesch; hij zag niet naar de schoone lijnen van het blauw gebergte aan den horizon, noch naar de zachte nuanceeringen van geel tot groen der te veld staande padi, noch naar de boschjes van donker geboomte daartusschen als het ware neêrgeworpen of de eenzame waringin, oprijzend uit het lage rijstveld als een machtig alleenheerscher onder de lage massa.Voirey keek van den hoogen spoorweg-dijk omlaag naar de meestbewoonde streek, die hem met iederen slag der machine, voorbij „tjoepte.”Een stuk wildernis, een ravijn, sawahs, een desa; sawahs,een ravijn, een stuk wildernis, een desa, enz., uren achtereen. Hij had wel eens gehoord van de ideale „welvarende” desa; hij glimlachte met minachting en haalde in zijn eentje de schouders op. Daar hadt je er weêr een! Vuile, rieten stulpen zonder vloer op den kleigrond en driekwart naakte bewoners, zonder iets noemenswaardigs voor hun gerief of comfort. En dat was dan op ’n handjevol uitzonderingen[117]na, het type der een-en-twintig millioen menschen … Het was om te lachen, vond hij. Wie durfde toch die wezens, in zijn oog nog aapachtiger dan een tamme roodhuid, menschen noemen? Nu ja, zij gaven door woorden te kennen wat ze bedoelden, en ze bebouwden den grond. Maar geen zweem van eigen zucht naar ontwikkeling; dat had hij nu gemerkt. Zij lieten zich voor de rest maar leven, zoo goed en zoo kwaad het gaan wilde. Na eeuwen zouden ze nog precies wezen zooals ze nu zijn: geboren worden, padi planten, zich vermenigvuldigen en sterven. Zelfs waren ze niet in staat een vak dat ze geleerd hadden, goed in de hand te houden. In de steden vond men schoenmakers, die werkten naar modellen; doch naarmate zij voort imiteerden ging het werk achteruit, tot op het laatst ’t model daaruit bijna niet meer kenbaar was.Neen, dat was geen volk! Dat was een millioenenmassa, waarop een groote vloek rustte. Het hollandsche gouvernement had ten slotte gelijk met dien troep te laten werken en van dat werk te profiteeren; dat was het eenige waar hij goed voor was.Voor een halte hield de trein stil. Een trein, noemen ze dat! had Voirey al telkens bij zichzelf herhaald; ze mochten wel zeggen een ouderwetsche diligence. Maar dat kwam net goed bij elkaar! In zoo’n land, met zulke bewoners, kon men geen betere overheerschers hebben dan de flegmatieke, langzame Hollanders. Op het perronnetje stond een zestal inlanders, dicht opeen, schoon er wel plaats was voor vier-en-twintig.De scherpe blik van den veramerikaanschten ingenieur ging[118]met minachting over het vrij havelooze zestal met hun ongekamde haarbossen boven uit hun omgeknoopte hoofddoeken; met hun door het sirih-kauwen vuile en misvormde monden; met hun uniforme ronde, domme oogen in vermoeide gezichten zonder uitdrukking en die slechts verscheidenheid ontleenden aan verschil in vorm en meer of minder bruin.Neen, in zoo’n land was geen plaats voor menschen van zijn slag, zelfs niet onder de Europeanen. Hij had op fabrieken gelogeerd, en met zijn groote werktuigkundige kennis hier en daar wenken voor verbeteringen gegeven. De menschen waren royaal genoeg en wilden hem zelfs betalen, wat hij niet verkoos. Men was hem zeer dankbaar; men overstelpte hem met vriendelijke attentie’s; men drong er op aan, dat hij blijven zou op Java, waar hij veel geld zou verdienen alleen door het invoeren zijner methoden tot besparing van brandstof en vermindering van slijtage,—maar hij wilde niet; dat was immers in ’t geheel zijn bedoeling niet! Doch overigens waren het geen menschen, met wie hij verder kwam; zij konden heele avonden en halve nachten zitten kaartspelen en verschrikkelijk veel tijd zoek maken met wat hij „niemendal” noemde. Er waren er zelfs bij, die zich met allerlei beunhazerij inlieten op wijsgeerig en wetenschappelijk gebied.… zie, dat begreep hij niet. Een fabrikant was, naar zijn meening, ook niets anders; hij was de man van zaken, met ijver en ondernemingsgeest; die veel geld gaf voor iets, dat in het resultaat belangrijke voordeelen voor zijn zaak kon afwerpen, die „iets” toepaste, maar zich verder niet in den oorsprong[119]ervan verdiepte, overtuigd, dat dit toch slechts een werken was zonder onderlaag.„Wel?” vroeg Lena toen hij thuis kwam nieuwsgierig.Hij trok den neus op.„’t Is hier een akelig land, Leentje.”„Wel dat is in het geheel niet waar,” zei ze. „’t Is hier een heel goed land.”„Laat ik er maar geen namen voor zoeken.”„Och heer, ik weet wel Jan, wat je bedoelt: apenland, niet waar? Die uitdrukking ken ik.”„Onjuist is ze waarachtig niet.”„Dat is ze wel. Bij menschen die, zooals jij, ’t land eens doorvliegen en zich dan een opinie daarover aanmatigen, is dat nog zoo erg niet.”„Merci! Ik moet zeggen hij is zeerad rem!”„Van jou kan ik het nog aanhooren, omdat je maar oppervlakkig oordeelt en niet beter weet. Ik kan het je ook niet zeggen, wat het is; het goede in dit land moet men ondervinden, langzamerhand; juist dáárom is het zoo gemakkelijk te loochenen.”„Ik heb in dat „langzamerhand” geen zin, Leentje.”„Dat is jouw zaak, Jan. Ik hoop niet dat je me voor zoo aartsdom aanziet.…”„Wel neen, zeker niet. Het tegendeel is waar.”„Dan moet je me gelooven, als ik je zeg, dat het een goed land is en een goed volk ook. God Jan, zoo’n goed volk!”Hij zag dat zij tranen in haar oogen kreeg en keek haar aan met groote verwondering. Zij trok hem meê uit de[120]binnen- naar de voorgalerij en wees op een veertigtal inlanders, die bij troepjes achter elkaar langs den weg liepen.„Die menschen,” zei ze,„hebben geen werk. De koffie-ondernemingen hier vijftien paal vandaan zijn gesloten om de bladziekte; uren moeten ze ’s morgens loopen naar de stad om te zien of ze bij de kooplui en voor de toko’s een daggeldje van veertig cent of zoo kunnen verdienen met het sjouwen van balen en kisten den heelen dag. Maar daar zijn er zeker geen tien, die het gelukt dat werk te vinden. En daar komen ze nu terug tegen den avond, en uren moeten ze weêr loopen voor ze thuis zijn. De meesten hebben den heelen dag niet gegeten. Ze verdeelen het verdiende geld onder elkaar; ook die geen werk vond, krijgt zijn aandeel om rijst te koopen voor zijn vrouw en kinderen. Is dan dat volk bij jullie in Amerika zooveel meer mensch, wanneer het als er geen werk is, raast en tiert als een losgelaten bende bezetenen en met moord en doodslag dreigt?”Voirey zette zijn lorgnet op en keek aandachtig naar de voorbijgaande inlanders.„Ja,” zei hij, „ik geloof dat het volk bij ons meer mensch is.”Zij keek hem met verwonderde oogen aan.„Het is misschien heel aandoenlijk zoo’n lijdzaamheid aan den dag te leggen, als de inlander doet, maar wij redeneeren niet over zulke dingen met meisjes-gevoel.”„Misschien doe je beter te zeggen: zonder gevoel.”Hij lachte.[121]„Och, zóó gevoelloos zijn we niet. Wij helpen elkaar altijd, als we kunnen, in het ongeluk. Maar wij hebben een hekel aan al wat huichelachtig en sentimenteel is.”„Ik zie niets daarvan in de wijze waarop die arme menschen hun lot dragen.”„Dat komt van het bederf der oude maatschappij. Zulk volk zou zijn kinderen van honger zien sterven en er bij blijven toekijken, zuchtend dat God het zoo gewild heeft.”„Maar wat moeten ze dan doen, Jan?”„Zich verzetten, stelen, inbreken.…”„Goeje God, Jan, ben je heelemaal krankzinnig!”Weer lachte hij luid.„Het zou onplezierig wezen voor je, hè? Nu is het hier erg rustig, nu de kerels met hun eigen hongerige buiken en die van hun vrouwen en kinderen genoegen nemen. Anders zouden ze wel eens hier kunnen komen en nemen uit jegoedang, wat ze te kort kwamen.”„Ik geloof,” zei Lena met een verschrikt gezicht, „dat je een sociaal-democraat bent.”„Dat weet ik niet,” zei hij. „Van staatkundige theorieën en groote woorden heb ik altijd een afschuw gehad. Dat brengt mijn vak mee. Ik zeg alleen, dat een volk geheel of gedeeltelijk berustend in hongerlijden, geen verzameling menschen is, maar een collectie vervloekte wezens, niet anders waard dan galg en rad.”Voirey had zich voor het eerst opgewonden. Zijn radicalisme klonk door de kalme voorgalerij met de door geen windje bewogen plantjes en de tot rustigheid stemmende dikke pilaren, als een soort heiligschennis. Zijn heele figuur[122]in driftige groote stappen over het marmer op en neer, met de vierkante magere schouders en de weerbarstige steile haren, hoorde daar niet thuis. De avondzon ging lieflijk onder met duizenden lichtspelingen naar alle zijden in de lucht, een kleurenschat vol afwisseling, waaraan geen nuance ontbrak; onder de groote asem-boomen met hun fijn bladwerk en de waringins met hun zelf-draperieën viel de duisternis zacht-grijs schemerend in; en op den weg gingen de donkere figuren der inlanders onhoorbaar zacht in hun bijna naaktheid, moe en hongerig naar huis.Droomerig had Lena daar ’n oogenblik naar gekeken en toen weer naar haar vreemden neef met zijn huiveringwekkende stem.„De pendule gaat zes minuten achter,” zei Voirey, op zijn horloge kijkend.„Ik zal haar van avond gelijk zetten met het schot.”Hij keek haar medelijdend aan.„Laat mij dat maar eens doen zonder het schot. Dat is ook zoo typisch hier in Indië, dat schot!”„Wil je een kop thee?”„Als het Java is, dan ja.”„Zie je, Leentje,” ging hij voort met kleine teugjes drinkend, „het is zoo jammer, een volk zoo beroerd te zien, als je nagaat wat het wezen kon. Waarom leggen die lammelingen zich nu niet op wat anders toe, dan die kinderachtige rijstcultuur en nog zoo’n beetje onwaardig goed? Wat goede zaken kan niet de landbouw hier voortbrengen: mooie suiker, uitstekende koffie, prachtige thee, goede tabak, fraaie indigo,—maar dat werpt zich unaniem op[123]rijst en nog eens rijst,—het slechtst loonend product, en laat de rest maar aan vreemden over.”„Het helpt hun toch niet, Jan. Als ze wat meer deden en geld verdienden, werd het hun toch op de een of andere manier afhandig gemaakt.”„Juist, omdat.… ze zulke ellendelingen zijn. Zoo draait men in een cirkeltje. Neen, Leentje, je zult mij niet brengen tot ook maar een greintje genegenheid voor die menschen.”Doch zij gaf het niet op.„Zij zijn altijd onderdrukt geweest, Jan; eeuwenlang en het ergste onder het bestuur van hun vorsten in vroeger tijd.”„Dat is een argument,” zei hij na eenig nadenken. „Als de „fut” er zoolang achtereen is uitgehaald, ja.… het is ongelukkig voor een volk, maar het is en blijft een waarheid; elk volk heeft wat het verdient: niets meer, niets minder.”Zij gaven elkaar geen gelijk; zij hield nu eenmaal van de inlandsche bevolking, die hij minachtte. Maar het deed hem goed iemand te hebben thans om een verstandig woord mee te spreken, want zijn oom.… nu, hij begon haast blij te zijn, dat hij zijn tante niet bij levenden lijve gekend had. Hoe kon een vrouw zoo’n onbeduidenden man nemen en dan nog wel als tweede man! En Lena, die voor het eerst in haar leven zulke barre levensbeschouwingen hoorde, als die van haar neef, wist soms niet, hoe zij het had, maar deed in geen geval van haar eigen denkbeelden afstand.[124]Als de oude Bruce er bij zat, zweeg hij gewoonlijk en liet het gesprek over zulke dingen maar aan de jongelui over, van tijd tot tijd heel wijs glimlachend, als wist hij van al die zaken veel meer dan hij zeggen wou en dan zij beiden; maar het was niet waar, want hij had daarover nooit nagedacht toen het tijd was om met denken te beginnen, en nu kon hij het niet meer. Maar het verheugde hem erg. Die twee, dacht hij, zouden zeker wel een paar worden, en die waarschijnlijkheid lachte hem zoet-zalig toe. Welk een flinke steun zou hem die schoonzoon-millionnair zijn! Nu reeds was hij hem, Bruce, zoo’n steun! Want de oude heer had zich tot taak gesteld de lekkere sigaren te rooken van zijn neef, en zijn neefs bier en brendy te drinken. Lena was er woedend om, maar daar stoorde hij zich in het geheel niet aan, want, zei hij, het kon beter van een groote stad, dan van een nederig dorpje.Maar Lena dacht niet aan haar neef als aan een huwelijkscandidaat, noch hij aan haar als een meisje, dat hij wilde vragen. Het denkbeeld kwam zelfs niet bij hem op. Hij hield veel van haar, als van een zuster; hij zou haar met plezier een deel van zijn vermogen hebben afgestaan, als zij dat noodig had gehad, maar daaraan had zij immers geen behoefte; zij had geld.En ze werd in den laatsten tijd door anderen het hof gemaakt. Ineens was de aandacht op haar gevallen; dat alles had de reputatie van den neef-millionnair gedaan!Ze zaten in den vooravond met hun drieën bij elkaar en Voirey was aan het woord over zijn reis toen niemand anders dan George Vermey in ’n lange zwarte jas,tiré à[125]quatre épingles, de galerij op kwam. Hij zag ’n beetje bleek; hij groette ’n beetje stijf, maar hij was overigens glimlachend en goedsmoeds.„Ik kom u goeden dag zeggen,” zei hij.„Zoo!” zei Bruce, „ga je er van door?”„Ja, ik moet wel. Ik kan hier nergens ’n positie vinden.”Lena had medelijden met hem.„Hoe is het mogelijk?” zei ze om toch iets te zeggen. „Er wordt altijd zoo gevraagd naar geschikte menschen.”„Och, het is hier minder de quaestie van geschiktheid. Ik ben onmogelijk gemaakt; dat is alles.”Voirey lachte, stekelig hard.„Dat kan ik begrijpen,” zei hij. „Dat is, dunkt me, net iets voor ’n land als dit.”„En hoe is dat in z’n werk gegaan?”Een oogenblik aarzelde Vermey. Doch, dacht hij, wat deed het er ook toe! Waarom zou hij discreet wezen?Hij vertelde het met illustratie, natuurlijk. De gewone, droge werkelijkheid was iets, waartoe hij zich niet kon bepalen. Zijn chef was hem voor geweest bij ’t solliciteeren hier en daar; hij had alle andere chefs van kantoren en handelshuizen tegen hem in het harnas gejaagd.„Het is een gemeene streek,” vond Voirey.En Bruce bekrachtigde dat door te beweren dat het „verdomd” gemeen was, wat gemeener scheen dan gewoon gemeen.„Maar in zijn plaats had ik u ook ontslagen,” zei de ingenieur.Daar keken allen vreemd van op.„Zeker. Van laster en oude wijven-praatjes heb ik een[126]afkeer. Men doet onder mannen een zaak af, en daarmee uit. Doch een employé moet niet den spion spelen tegenover zijn chefs. Wat zij doen, raakt hem niet. Hij heeft slechts zijn werk te verrichten, en als daarbij niets onbehoorlijks wordt gevorderd, dan heeft hij enkel te doen wat hem wordt opgedragen.”„Het was de schuld van dien lammen kerel, dien Esreteip,” excuseerde Vermey. „Hij had me nieuwsgierig gemaakt.”„En waar gaat het nu heen?” vroeg Bruce.„Ik zal het te Batavia eens probeeren.”„U hebt nooit iets gedaan aan werktuigkunde of zoo?” vroeg Voirey.„Neen, dat ligt geheel buiten mijnline of business.”„Maar u spreekt engelsch naar het schijnt.”Op dat gebied was Vermey wezenlijk thuis; voor zijn talen stond hij in.„Ja; fransch en duitsch ook.”„Zoover heb ik ’t nooit kunnen brengen; fransch vind ik zoo’n gekke taal! Nu, als ’t u te Batavia niet mocht lukken, schrijf me dan maar eens. Mijn familie hier weet altijd mijn adres, en het zal u wel hetzelfde zijn hier op Java te wonen of elders.”Vermey was erg onderdanig en dankbaar, wat Lena nog meer medelijden met hem krijgen deed. Zij had wel het heele gewicht gevoeld van den superioriteit-toon, die sprak uit de beschermende woorden van Voirey.Bij het heengaan was zij erg hartelijk tegen George.„Ik hoop, dat het u goed mag gaan, meneer Vermey; als wij iets voor u kunnen doen, schrijf het dan, ja?”[127]Hij zag haar met een opwelling van oude donjuannerigheid, diep in de oogen, en zei:„Dankje, Lena.”Doch hij had ernstiger zaken te doen en daarvoor wenkte hij Bruce, die ’n eindje met hem meeliep het erf op.„Zeg, ouwe heer, je moet me zien te lappen. Ik kan er anders waarachtig niet komen.”„Als ik kon met plezier.”„Ik moet tweehonderd gulden hebben, hoog noodzakelijk. Anders kan ik onmogelijk weg en ikmoetweg; mijn passage is al genomen.”„Wezenlijk Vermey, ik heb het zelf niet. Waar zou ik het vandaan halen? Maar ik zal voor je probeeren. Morgenochtend zal ik je kabar sturen.”’s Avonds vertelde Bruce het aan Lena; haar eenmaal opgewekt medelijden kende nu geen grenzen meer.Kasian, zat hij zoo aan lager wal! Dàt was verschrikkelijk. Zij haalde het geld uit haar eigen trommel en gaf het haar vader.„Breng het hem morgen zelf pa, maar asjeblieft een bewijs op zegel.”„Vertrouw je me niet?” vroeg hij geraakt.„Welzeker; maar me dunkt, dat ik dat wel voor ’t minst mag vergen, waar het mijn geld betreft.”George Vermey had er niet op gerekend. Hij stond ervan te kijken.„Och,” zei Bruce tegenover hem gaande zitten en gezellig aanschuivend bij een knaapje in de achtergalerij.„Och, ze is nog zoo kwaad niet.”[128]Hij was opzettelijk tegen twaalf uren gekomen; vroeger wist men niet wat te gebruiken; tegen de rijsttafel was ’n bittertje geoorloofd.„Ik ben er verlegen mee,” zei Vermey met ’n kleur op z’n gezicht de bankbiljetten bij zich stekend.Bruce maakte een zijwaartsche beweging met zijn grijzen krullebol, die zoo ietsmoestbeduiden als: je bent ’n lieve jongen om verlegen te zijn.„Had je al eens dezen en genen aangepompt?”„Natuurlijk! Maar heel toevallig zaten ze allen op zwart zaad.”„Dat is altijd zoo. Als je geld noodig hebt, kun je ’t nooit krijgen; als je ’t niet meer noodig hebt, heeft iedereen het voor je.”„Jullie waart mijn laatste toevlucht, maar ik had heusch niet gedacht, dat het iets zou baten.”De oude lachte, dat het kraakte door de lucht in de kleine galerij; hij wreef zijn handen genoeglijk.„Zal ik je wat zeggen?”„Ga je gang,” antwoordde George met gelatenheid en achterover leunend in zijn stoel.Maar de oude antwoordde zoo dadelijk niet; daarvoor was hij aan een veel te ernstige bezigheid; langzaam druppelde hij, de witte wenkbrauwen saamgetrokken en met kennersblik, het bitterextract in een glaasje.„Je bent ’n stommeling.”Na deze ontboezeming schonk Bruce er jenever bij; bekeek zijn bittertje met ’n streelenden blik vol genot tegen het licht, dronk het langzaam leeg, bracht zijn mond in[129]een toetje naar voren, knipoogend tegen Vermey, die op- en neêrwippend eenigszins mismoedig nadacht over de groote waarheid, die zoo weinig vleiend was voor zijn geestelijke vermogens.„Pakt-ie?” vroeg hij haast onwillekeurig toen hij het gezicht zag van den ouden heer.Bruce knikte genoeglijk.„Kerel, hij pakt zoo!.… Zie je, dat kan ik nu thuis niet doen zoo’n gezelligpaitjedrinken. Vooreerst moet het bij Leen altijd fatsoenlijk wezen, en moet ik druppelsgewijze drinken alsof het iets van den apotheker is. En Jan Voirey houdt er niet van; hij kijkt met zijn eigenwijs millionnairs-bakkes naar ’n bittertje of het voor de ganzen is gebrouwen.… Jongens, jongens, Vermey je bent zoo’n stommeling.”„Ik zou er nog eentje nemen, als ik u was.”„Wel waarachtig, zal ik dat.… Je hadt het niet zoo dadelijk moeten opvatten als een afwijzing.”„Ik wou, dat je het maar eens hadt gehoord.”„Nou ja, daar weet ik alles van.… Maar je hadt geduld moeten hebben. Ze zijn zoo’n beetje sikkeneurig, weet je. Men moet zich niet zoo dadelijk daaraan storen.… De aanhouder wint, zie je, en Vader Cats zei.…”„Dus u denkt, dat als ik nog aanhield?”„Hè wat? Nog aanhouden? Nou nog?”„Ja, u zegt zelf.…”’t Was of de oude heer Bruce bevroor, en zijn witte bakkebaarden en haren een portie ijs vormden bij wijze van verband om een versteven gezicht gelegd.[130]„Dàt wil ik niet zeggen.… ik spreek van toen.Toenwastoenennuisnu.”„Ik zal te Batavia wel weer ’n betrekking krijgen.”„Best mogelijk Vermey, maar dat is ’t nog niet. Je.… je bent zoo schrikkelijk hard van hoofd.…”„Toch niet. Ik geloof, dat ik u heel goed begrijp. Die meneer Voirey hè?”„’n Man met een millioen; geen guldens,—dollars, meneer!”„Het is te gek.… haar eigen neef?”Bruce werd kwaad.„Haar eigen neef? Wat zou dat? Zeg, ben jij nou heelemaal van Lotje.…”Maar Vermey, die intusschen ook ’n bittertje had gedronken, gaf zich niet gewonnen.„Haar eigen neef,” herhaalde hij den neus optrekkend. „’t Is bloedschande!”Het was een woord, dat den ouden Bruce razend maakte van woede; zijn oogen werden rood.„Als je dat nog eens zegt,” riep hij met zijn dreunendste stem,„dan zal ik je er een op je oogen geven, die je lang zal heugen, hoor! Hier, hier in je eigen huis!”George was ervan geschrikt; dat was in ’t geheel zijn bedoeling niet. Hij deed zijn best den ouden heer tot bedaren te brengen. Maar het kostte geweldig veel moeite, want hij had hem in zijn lievelingsplan getast; het ideaal aangegrepen, dat hij in den laatsten tijd zoo streelde en koesterde: Voirey als schoonzoon en altijd vrij wijn, bier en sigaren![131]In vrede scheidden zij, maar Bruce was toen hij thuis kwam, toch nog opgewonden.„Waar is de schuldbekentenis?” vroeg Lena.Verlegen en ontsteld keek hij haar aan.Diehad hij heelemaal vergeten! Dat kwam van de ellendige praatjes, van dien Vermey, en omdat hij zich kwaad had gemaakt. Hij putte zich uit in verontschuldigingen, wierp alle schuld op George, en om haar van de waarheid te doordringen, herhaalde hij zoo goed en kwaad als het ging, hun gesprek. Zij luisterde met belangstelling. Dat zij zoo’n prijs stelde op de schuldbekentenis, was meer uit een begrip van orde en regel, zeer sterk bij haar ontwikkeld; om het geld zelf kon het haar weinig schelen en het interesseerde haar veel meer te hooren, dat Vermey den moed nog niet scheen op te geven, ondanks zijn treurige omstandigheden en zijn afhankelijkheid.„Vond hij het bloedschande?” vroeg ze. „Nu, misschien heeft hij gelijk; in elk geval ik heb in ’t minst geen plannen en Jan ook niet.”Een oogenblik keek hij haar aan verwonderd en ongerust. Bepaald, het kind scheelde iets, dacht hij. Er moest in haar gestel of in haar hersenkas een mikmak wezen, want, wat was dat nu weêr voor een onnatuurlijke uitval? Zij dacht aan geen huwelijk met Voirey, had ze gezegd; maar, voor den drommel, zoo redeneerde Bruce bij zich zelf, waar dacht zij dan eigenlijk aan? Ze had Vermey geweigerd, en ze zou waarachtig in staat zijn ook den neef-millionnair af te wijzen. Wat in ’s hemelsnaam moest hij aanvangen met een dochter, die zoo’n steenen maagdelijkheid beoefende?[132]

[Inhoud]TIENDE HOOFDSTUK.Hoe George aan tweehonderd gulden kwam.Jan Voirey zat vermoeid in den trein; hij was de eenige reiziger in den spoorweg-coupé, en lag languit op een bank; hij had de fabrieken eens rondgereisd, en gesproken met dezen en genen. Van een groote fabriek had hij afgezien, daar was geen plaats voor hier! Het eenige wat kon bestaan, was een reparatie-werkplaats maar daarin had hij weinig lust. Men kon enkele onderdeelen dan óók maken om versletene te vervangen; meer niet.Zijn tocht naar het oosten was nutteloos tijdverlies geweest. Telkens geeuwde hij van verveling, keek dan eens het raampje uit naar buiten, ergerde zich aan den aanblik van het land, dat zich uitstrekte in de brandende zon, de eentonige rijstvelden, nu en dan afgewisseld door sombere djatti-bosschen, en water dat door breede spleten in den grond wegholde, over steenen en tusschen steenen door, maar onbevaarbaar en dus in zijn oog niet de moeite waard.[116]Dat was dan, dacht de drie-kwart Amerikaan, het beroemde Java! Hij had er alles gevonden, anders dan volgens zijn begrippen goed was. Zelfs de fabrieken hinderden hem, als, nu er niet gemalen werd, levenlooze inrichtingen. Dat was geen land, waar hij thuis hoorde met zijn sterk ontwikkeld idee vanbusinessen nog eensbusiness. Het beste zou zijn, dat hij maar spoedig zijn biezen pakte, dacht hij.Hij was voor een portierraampje gaan zitten met den elleboog op den rand en de groote beenderige hand, waaruit werklust sprak en energie in het kort borstelig haar. En zijn heldere grijze oogen keken naar buiten, kalm rustigprozaïesch; hij zag niet naar de schoone lijnen van het blauw gebergte aan den horizon, noch naar de zachte nuanceeringen van geel tot groen der te veld staande padi, noch naar de boschjes van donker geboomte daartusschen als het ware neêrgeworpen of de eenzame waringin, oprijzend uit het lage rijstveld als een machtig alleenheerscher onder de lage massa.Voirey keek van den hoogen spoorweg-dijk omlaag naar de meestbewoonde streek, die hem met iederen slag der machine, voorbij „tjoepte.”Een stuk wildernis, een ravijn, sawahs, een desa; sawahs,een ravijn, een stuk wildernis, een desa, enz., uren achtereen. Hij had wel eens gehoord van de ideale „welvarende” desa; hij glimlachte met minachting en haalde in zijn eentje de schouders op. Daar hadt je er weêr een! Vuile, rieten stulpen zonder vloer op den kleigrond en driekwart naakte bewoners, zonder iets noemenswaardigs voor hun gerief of comfort. En dat was dan op ’n handjevol uitzonderingen[117]na, het type der een-en-twintig millioen menschen … Het was om te lachen, vond hij. Wie durfde toch die wezens, in zijn oog nog aapachtiger dan een tamme roodhuid, menschen noemen? Nu ja, zij gaven door woorden te kennen wat ze bedoelden, en ze bebouwden den grond. Maar geen zweem van eigen zucht naar ontwikkeling; dat had hij nu gemerkt. Zij lieten zich voor de rest maar leven, zoo goed en zoo kwaad het gaan wilde. Na eeuwen zouden ze nog precies wezen zooals ze nu zijn: geboren worden, padi planten, zich vermenigvuldigen en sterven. Zelfs waren ze niet in staat een vak dat ze geleerd hadden, goed in de hand te houden. In de steden vond men schoenmakers, die werkten naar modellen; doch naarmate zij voort imiteerden ging het werk achteruit, tot op het laatst ’t model daaruit bijna niet meer kenbaar was.Neen, dat was geen volk! Dat was een millioenenmassa, waarop een groote vloek rustte. Het hollandsche gouvernement had ten slotte gelijk met dien troep te laten werken en van dat werk te profiteeren; dat was het eenige waar hij goed voor was.Voor een halte hield de trein stil. Een trein, noemen ze dat! had Voirey al telkens bij zichzelf herhaald; ze mochten wel zeggen een ouderwetsche diligence. Maar dat kwam net goed bij elkaar! In zoo’n land, met zulke bewoners, kon men geen betere overheerschers hebben dan de flegmatieke, langzame Hollanders. Op het perronnetje stond een zestal inlanders, dicht opeen, schoon er wel plaats was voor vier-en-twintig.De scherpe blik van den veramerikaanschten ingenieur ging[118]met minachting over het vrij havelooze zestal met hun ongekamde haarbossen boven uit hun omgeknoopte hoofddoeken; met hun door het sirih-kauwen vuile en misvormde monden; met hun uniforme ronde, domme oogen in vermoeide gezichten zonder uitdrukking en die slechts verscheidenheid ontleenden aan verschil in vorm en meer of minder bruin.Neen, in zoo’n land was geen plaats voor menschen van zijn slag, zelfs niet onder de Europeanen. Hij had op fabrieken gelogeerd, en met zijn groote werktuigkundige kennis hier en daar wenken voor verbeteringen gegeven. De menschen waren royaal genoeg en wilden hem zelfs betalen, wat hij niet verkoos. Men was hem zeer dankbaar; men overstelpte hem met vriendelijke attentie’s; men drong er op aan, dat hij blijven zou op Java, waar hij veel geld zou verdienen alleen door het invoeren zijner methoden tot besparing van brandstof en vermindering van slijtage,—maar hij wilde niet; dat was immers in ’t geheel zijn bedoeling niet! Doch overigens waren het geen menschen, met wie hij verder kwam; zij konden heele avonden en halve nachten zitten kaartspelen en verschrikkelijk veel tijd zoek maken met wat hij „niemendal” noemde. Er waren er zelfs bij, die zich met allerlei beunhazerij inlieten op wijsgeerig en wetenschappelijk gebied.… zie, dat begreep hij niet. Een fabrikant was, naar zijn meening, ook niets anders; hij was de man van zaken, met ijver en ondernemingsgeest; die veel geld gaf voor iets, dat in het resultaat belangrijke voordeelen voor zijn zaak kon afwerpen, die „iets” toepaste, maar zich verder niet in den oorsprong[119]ervan verdiepte, overtuigd, dat dit toch slechts een werken was zonder onderlaag.„Wel?” vroeg Lena toen hij thuis kwam nieuwsgierig.Hij trok den neus op.„’t Is hier een akelig land, Leentje.”„Wel dat is in het geheel niet waar,” zei ze. „’t Is hier een heel goed land.”„Laat ik er maar geen namen voor zoeken.”„Och heer, ik weet wel Jan, wat je bedoelt: apenland, niet waar? Die uitdrukking ken ik.”„Onjuist is ze waarachtig niet.”„Dat is ze wel. Bij menschen die, zooals jij, ’t land eens doorvliegen en zich dan een opinie daarover aanmatigen, is dat nog zoo erg niet.”„Merci! Ik moet zeggen hij is zeerad rem!”„Van jou kan ik het nog aanhooren, omdat je maar oppervlakkig oordeelt en niet beter weet. Ik kan het je ook niet zeggen, wat het is; het goede in dit land moet men ondervinden, langzamerhand; juist dáárom is het zoo gemakkelijk te loochenen.”„Ik heb in dat „langzamerhand” geen zin, Leentje.”„Dat is jouw zaak, Jan. Ik hoop niet dat je me voor zoo aartsdom aanziet.…”„Wel neen, zeker niet. Het tegendeel is waar.”„Dan moet je me gelooven, als ik je zeg, dat het een goed land is en een goed volk ook. God Jan, zoo’n goed volk!”Hij zag dat zij tranen in haar oogen kreeg en keek haar aan met groote verwondering. Zij trok hem meê uit de[120]binnen- naar de voorgalerij en wees op een veertigtal inlanders, die bij troepjes achter elkaar langs den weg liepen.„Die menschen,” zei ze,„hebben geen werk. De koffie-ondernemingen hier vijftien paal vandaan zijn gesloten om de bladziekte; uren moeten ze ’s morgens loopen naar de stad om te zien of ze bij de kooplui en voor de toko’s een daggeldje van veertig cent of zoo kunnen verdienen met het sjouwen van balen en kisten den heelen dag. Maar daar zijn er zeker geen tien, die het gelukt dat werk te vinden. En daar komen ze nu terug tegen den avond, en uren moeten ze weêr loopen voor ze thuis zijn. De meesten hebben den heelen dag niet gegeten. Ze verdeelen het verdiende geld onder elkaar; ook die geen werk vond, krijgt zijn aandeel om rijst te koopen voor zijn vrouw en kinderen. Is dan dat volk bij jullie in Amerika zooveel meer mensch, wanneer het als er geen werk is, raast en tiert als een losgelaten bende bezetenen en met moord en doodslag dreigt?”Voirey zette zijn lorgnet op en keek aandachtig naar de voorbijgaande inlanders.„Ja,” zei hij, „ik geloof dat het volk bij ons meer mensch is.”Zij keek hem met verwonderde oogen aan.„Het is misschien heel aandoenlijk zoo’n lijdzaamheid aan den dag te leggen, als de inlander doet, maar wij redeneeren niet over zulke dingen met meisjes-gevoel.”„Misschien doe je beter te zeggen: zonder gevoel.”Hij lachte.[121]„Och, zóó gevoelloos zijn we niet. Wij helpen elkaar altijd, als we kunnen, in het ongeluk. Maar wij hebben een hekel aan al wat huichelachtig en sentimenteel is.”„Ik zie niets daarvan in de wijze waarop die arme menschen hun lot dragen.”„Dat komt van het bederf der oude maatschappij. Zulk volk zou zijn kinderen van honger zien sterven en er bij blijven toekijken, zuchtend dat God het zoo gewild heeft.”„Maar wat moeten ze dan doen, Jan?”„Zich verzetten, stelen, inbreken.…”„Goeje God, Jan, ben je heelemaal krankzinnig!”Weer lachte hij luid.„Het zou onplezierig wezen voor je, hè? Nu is het hier erg rustig, nu de kerels met hun eigen hongerige buiken en die van hun vrouwen en kinderen genoegen nemen. Anders zouden ze wel eens hier kunnen komen en nemen uit jegoedang, wat ze te kort kwamen.”„Ik geloof,” zei Lena met een verschrikt gezicht, „dat je een sociaal-democraat bent.”„Dat weet ik niet,” zei hij. „Van staatkundige theorieën en groote woorden heb ik altijd een afschuw gehad. Dat brengt mijn vak mee. Ik zeg alleen, dat een volk geheel of gedeeltelijk berustend in hongerlijden, geen verzameling menschen is, maar een collectie vervloekte wezens, niet anders waard dan galg en rad.”Voirey had zich voor het eerst opgewonden. Zijn radicalisme klonk door de kalme voorgalerij met de door geen windje bewogen plantjes en de tot rustigheid stemmende dikke pilaren, als een soort heiligschennis. Zijn heele figuur[122]in driftige groote stappen over het marmer op en neer, met de vierkante magere schouders en de weerbarstige steile haren, hoorde daar niet thuis. De avondzon ging lieflijk onder met duizenden lichtspelingen naar alle zijden in de lucht, een kleurenschat vol afwisseling, waaraan geen nuance ontbrak; onder de groote asem-boomen met hun fijn bladwerk en de waringins met hun zelf-draperieën viel de duisternis zacht-grijs schemerend in; en op den weg gingen de donkere figuren der inlanders onhoorbaar zacht in hun bijna naaktheid, moe en hongerig naar huis.Droomerig had Lena daar ’n oogenblik naar gekeken en toen weer naar haar vreemden neef met zijn huiveringwekkende stem.„De pendule gaat zes minuten achter,” zei Voirey, op zijn horloge kijkend.„Ik zal haar van avond gelijk zetten met het schot.”Hij keek haar medelijdend aan.„Laat mij dat maar eens doen zonder het schot. Dat is ook zoo typisch hier in Indië, dat schot!”„Wil je een kop thee?”„Als het Java is, dan ja.”„Zie je, Leentje,” ging hij voort met kleine teugjes drinkend, „het is zoo jammer, een volk zoo beroerd te zien, als je nagaat wat het wezen kon. Waarom leggen die lammelingen zich nu niet op wat anders toe, dan die kinderachtige rijstcultuur en nog zoo’n beetje onwaardig goed? Wat goede zaken kan niet de landbouw hier voortbrengen: mooie suiker, uitstekende koffie, prachtige thee, goede tabak, fraaie indigo,—maar dat werpt zich unaniem op[123]rijst en nog eens rijst,—het slechtst loonend product, en laat de rest maar aan vreemden over.”„Het helpt hun toch niet, Jan. Als ze wat meer deden en geld verdienden, werd het hun toch op de een of andere manier afhandig gemaakt.”„Juist, omdat.… ze zulke ellendelingen zijn. Zoo draait men in een cirkeltje. Neen, Leentje, je zult mij niet brengen tot ook maar een greintje genegenheid voor die menschen.”Doch zij gaf het niet op.„Zij zijn altijd onderdrukt geweest, Jan; eeuwenlang en het ergste onder het bestuur van hun vorsten in vroeger tijd.”„Dat is een argument,” zei hij na eenig nadenken. „Als de „fut” er zoolang achtereen is uitgehaald, ja.… het is ongelukkig voor een volk, maar het is en blijft een waarheid; elk volk heeft wat het verdient: niets meer, niets minder.”Zij gaven elkaar geen gelijk; zij hield nu eenmaal van de inlandsche bevolking, die hij minachtte. Maar het deed hem goed iemand te hebben thans om een verstandig woord mee te spreken, want zijn oom.… nu, hij begon haast blij te zijn, dat hij zijn tante niet bij levenden lijve gekend had. Hoe kon een vrouw zoo’n onbeduidenden man nemen en dan nog wel als tweede man! En Lena, die voor het eerst in haar leven zulke barre levensbeschouwingen hoorde, als die van haar neef, wist soms niet, hoe zij het had, maar deed in geen geval van haar eigen denkbeelden afstand.[124]Als de oude Bruce er bij zat, zweeg hij gewoonlijk en liet het gesprek over zulke dingen maar aan de jongelui over, van tijd tot tijd heel wijs glimlachend, als wist hij van al die zaken veel meer dan hij zeggen wou en dan zij beiden; maar het was niet waar, want hij had daarover nooit nagedacht toen het tijd was om met denken te beginnen, en nu kon hij het niet meer. Maar het verheugde hem erg. Die twee, dacht hij, zouden zeker wel een paar worden, en die waarschijnlijkheid lachte hem zoet-zalig toe. Welk een flinke steun zou hem die schoonzoon-millionnair zijn! Nu reeds was hij hem, Bruce, zoo’n steun! Want de oude heer had zich tot taak gesteld de lekkere sigaren te rooken van zijn neef, en zijn neefs bier en brendy te drinken. Lena was er woedend om, maar daar stoorde hij zich in het geheel niet aan, want, zei hij, het kon beter van een groote stad, dan van een nederig dorpje.Maar Lena dacht niet aan haar neef als aan een huwelijkscandidaat, noch hij aan haar als een meisje, dat hij wilde vragen. Het denkbeeld kwam zelfs niet bij hem op. Hij hield veel van haar, als van een zuster; hij zou haar met plezier een deel van zijn vermogen hebben afgestaan, als zij dat noodig had gehad, maar daaraan had zij immers geen behoefte; zij had geld.En ze werd in den laatsten tijd door anderen het hof gemaakt. Ineens was de aandacht op haar gevallen; dat alles had de reputatie van den neef-millionnair gedaan!Ze zaten in den vooravond met hun drieën bij elkaar en Voirey was aan het woord over zijn reis toen niemand anders dan George Vermey in ’n lange zwarte jas,tiré à[125]quatre épingles, de galerij op kwam. Hij zag ’n beetje bleek; hij groette ’n beetje stijf, maar hij was overigens glimlachend en goedsmoeds.„Ik kom u goeden dag zeggen,” zei hij.„Zoo!” zei Bruce, „ga je er van door?”„Ja, ik moet wel. Ik kan hier nergens ’n positie vinden.”Lena had medelijden met hem.„Hoe is het mogelijk?” zei ze om toch iets te zeggen. „Er wordt altijd zoo gevraagd naar geschikte menschen.”„Och, het is hier minder de quaestie van geschiktheid. Ik ben onmogelijk gemaakt; dat is alles.”Voirey lachte, stekelig hard.„Dat kan ik begrijpen,” zei hij. „Dat is, dunkt me, net iets voor ’n land als dit.”„En hoe is dat in z’n werk gegaan?”Een oogenblik aarzelde Vermey. Doch, dacht hij, wat deed het er ook toe! Waarom zou hij discreet wezen?Hij vertelde het met illustratie, natuurlijk. De gewone, droge werkelijkheid was iets, waartoe hij zich niet kon bepalen. Zijn chef was hem voor geweest bij ’t solliciteeren hier en daar; hij had alle andere chefs van kantoren en handelshuizen tegen hem in het harnas gejaagd.„Het is een gemeene streek,” vond Voirey.En Bruce bekrachtigde dat door te beweren dat het „verdomd” gemeen was, wat gemeener scheen dan gewoon gemeen.„Maar in zijn plaats had ik u ook ontslagen,” zei de ingenieur.Daar keken allen vreemd van op.„Zeker. Van laster en oude wijven-praatjes heb ik een[126]afkeer. Men doet onder mannen een zaak af, en daarmee uit. Doch een employé moet niet den spion spelen tegenover zijn chefs. Wat zij doen, raakt hem niet. Hij heeft slechts zijn werk te verrichten, en als daarbij niets onbehoorlijks wordt gevorderd, dan heeft hij enkel te doen wat hem wordt opgedragen.”„Het was de schuld van dien lammen kerel, dien Esreteip,” excuseerde Vermey. „Hij had me nieuwsgierig gemaakt.”„En waar gaat het nu heen?” vroeg Bruce.„Ik zal het te Batavia eens probeeren.”„U hebt nooit iets gedaan aan werktuigkunde of zoo?” vroeg Voirey.„Neen, dat ligt geheel buiten mijnline of business.”„Maar u spreekt engelsch naar het schijnt.”Op dat gebied was Vermey wezenlijk thuis; voor zijn talen stond hij in.„Ja; fransch en duitsch ook.”„Zoover heb ik ’t nooit kunnen brengen; fransch vind ik zoo’n gekke taal! Nu, als ’t u te Batavia niet mocht lukken, schrijf me dan maar eens. Mijn familie hier weet altijd mijn adres, en het zal u wel hetzelfde zijn hier op Java te wonen of elders.”Vermey was erg onderdanig en dankbaar, wat Lena nog meer medelijden met hem krijgen deed. Zij had wel het heele gewicht gevoeld van den superioriteit-toon, die sprak uit de beschermende woorden van Voirey.Bij het heengaan was zij erg hartelijk tegen George.„Ik hoop, dat het u goed mag gaan, meneer Vermey; als wij iets voor u kunnen doen, schrijf het dan, ja?”[127]Hij zag haar met een opwelling van oude donjuannerigheid, diep in de oogen, en zei:„Dankje, Lena.”Doch hij had ernstiger zaken te doen en daarvoor wenkte hij Bruce, die ’n eindje met hem meeliep het erf op.„Zeg, ouwe heer, je moet me zien te lappen. Ik kan er anders waarachtig niet komen.”„Als ik kon met plezier.”„Ik moet tweehonderd gulden hebben, hoog noodzakelijk. Anders kan ik onmogelijk weg en ikmoetweg; mijn passage is al genomen.”„Wezenlijk Vermey, ik heb het zelf niet. Waar zou ik het vandaan halen? Maar ik zal voor je probeeren. Morgenochtend zal ik je kabar sturen.”’s Avonds vertelde Bruce het aan Lena; haar eenmaal opgewekt medelijden kende nu geen grenzen meer.Kasian, zat hij zoo aan lager wal! Dàt was verschrikkelijk. Zij haalde het geld uit haar eigen trommel en gaf het haar vader.„Breng het hem morgen zelf pa, maar asjeblieft een bewijs op zegel.”„Vertrouw je me niet?” vroeg hij geraakt.„Welzeker; maar me dunkt, dat ik dat wel voor ’t minst mag vergen, waar het mijn geld betreft.”George Vermey had er niet op gerekend. Hij stond ervan te kijken.„Och,” zei Bruce tegenover hem gaande zitten en gezellig aanschuivend bij een knaapje in de achtergalerij.„Och, ze is nog zoo kwaad niet.”[128]Hij was opzettelijk tegen twaalf uren gekomen; vroeger wist men niet wat te gebruiken; tegen de rijsttafel was ’n bittertje geoorloofd.„Ik ben er verlegen mee,” zei Vermey met ’n kleur op z’n gezicht de bankbiljetten bij zich stekend.Bruce maakte een zijwaartsche beweging met zijn grijzen krullebol, die zoo ietsmoestbeduiden als: je bent ’n lieve jongen om verlegen te zijn.„Had je al eens dezen en genen aangepompt?”„Natuurlijk! Maar heel toevallig zaten ze allen op zwart zaad.”„Dat is altijd zoo. Als je geld noodig hebt, kun je ’t nooit krijgen; als je ’t niet meer noodig hebt, heeft iedereen het voor je.”„Jullie waart mijn laatste toevlucht, maar ik had heusch niet gedacht, dat het iets zou baten.”De oude lachte, dat het kraakte door de lucht in de kleine galerij; hij wreef zijn handen genoeglijk.„Zal ik je wat zeggen?”„Ga je gang,” antwoordde George met gelatenheid en achterover leunend in zijn stoel.Maar de oude antwoordde zoo dadelijk niet; daarvoor was hij aan een veel te ernstige bezigheid; langzaam druppelde hij, de witte wenkbrauwen saamgetrokken en met kennersblik, het bitterextract in een glaasje.„Je bent ’n stommeling.”Na deze ontboezeming schonk Bruce er jenever bij; bekeek zijn bittertje met ’n streelenden blik vol genot tegen het licht, dronk het langzaam leeg, bracht zijn mond in[129]een toetje naar voren, knipoogend tegen Vermey, die op- en neêrwippend eenigszins mismoedig nadacht over de groote waarheid, die zoo weinig vleiend was voor zijn geestelijke vermogens.„Pakt-ie?” vroeg hij haast onwillekeurig toen hij het gezicht zag van den ouden heer.Bruce knikte genoeglijk.„Kerel, hij pakt zoo!.… Zie je, dat kan ik nu thuis niet doen zoo’n gezelligpaitjedrinken. Vooreerst moet het bij Leen altijd fatsoenlijk wezen, en moet ik druppelsgewijze drinken alsof het iets van den apotheker is. En Jan Voirey houdt er niet van; hij kijkt met zijn eigenwijs millionnairs-bakkes naar ’n bittertje of het voor de ganzen is gebrouwen.… Jongens, jongens, Vermey je bent zoo’n stommeling.”„Ik zou er nog eentje nemen, als ik u was.”„Wel waarachtig, zal ik dat.… Je hadt het niet zoo dadelijk moeten opvatten als een afwijzing.”„Ik wou, dat je het maar eens hadt gehoord.”„Nou ja, daar weet ik alles van.… Maar je hadt geduld moeten hebben. Ze zijn zoo’n beetje sikkeneurig, weet je. Men moet zich niet zoo dadelijk daaraan storen.… De aanhouder wint, zie je, en Vader Cats zei.…”„Dus u denkt, dat als ik nog aanhield?”„Hè wat? Nog aanhouden? Nou nog?”„Ja, u zegt zelf.…”’t Was of de oude heer Bruce bevroor, en zijn witte bakkebaarden en haren een portie ijs vormden bij wijze van verband om een versteven gezicht gelegd.[130]„Dàt wil ik niet zeggen.… ik spreek van toen.Toenwastoenennuisnu.”„Ik zal te Batavia wel weer ’n betrekking krijgen.”„Best mogelijk Vermey, maar dat is ’t nog niet. Je.… je bent zoo schrikkelijk hard van hoofd.…”„Toch niet. Ik geloof, dat ik u heel goed begrijp. Die meneer Voirey hè?”„’n Man met een millioen; geen guldens,—dollars, meneer!”„Het is te gek.… haar eigen neef?”Bruce werd kwaad.„Haar eigen neef? Wat zou dat? Zeg, ben jij nou heelemaal van Lotje.…”Maar Vermey, die intusschen ook ’n bittertje had gedronken, gaf zich niet gewonnen.„Haar eigen neef,” herhaalde hij den neus optrekkend. „’t Is bloedschande!”Het was een woord, dat den ouden Bruce razend maakte van woede; zijn oogen werden rood.„Als je dat nog eens zegt,” riep hij met zijn dreunendste stem,„dan zal ik je er een op je oogen geven, die je lang zal heugen, hoor! Hier, hier in je eigen huis!”George was ervan geschrikt; dat was in ’t geheel zijn bedoeling niet. Hij deed zijn best den ouden heer tot bedaren te brengen. Maar het kostte geweldig veel moeite, want hij had hem in zijn lievelingsplan getast; het ideaal aangegrepen, dat hij in den laatsten tijd zoo streelde en koesterde: Voirey als schoonzoon en altijd vrij wijn, bier en sigaren![131]In vrede scheidden zij, maar Bruce was toen hij thuis kwam, toch nog opgewonden.„Waar is de schuldbekentenis?” vroeg Lena.Verlegen en ontsteld keek hij haar aan.Diehad hij heelemaal vergeten! Dat kwam van de ellendige praatjes, van dien Vermey, en omdat hij zich kwaad had gemaakt. Hij putte zich uit in verontschuldigingen, wierp alle schuld op George, en om haar van de waarheid te doordringen, herhaalde hij zoo goed en kwaad als het ging, hun gesprek. Zij luisterde met belangstelling. Dat zij zoo’n prijs stelde op de schuldbekentenis, was meer uit een begrip van orde en regel, zeer sterk bij haar ontwikkeld; om het geld zelf kon het haar weinig schelen en het interesseerde haar veel meer te hooren, dat Vermey den moed nog niet scheen op te geven, ondanks zijn treurige omstandigheden en zijn afhankelijkheid.„Vond hij het bloedschande?” vroeg ze. „Nu, misschien heeft hij gelijk; in elk geval ik heb in ’t minst geen plannen en Jan ook niet.”Een oogenblik keek hij haar aan verwonderd en ongerust. Bepaald, het kind scheelde iets, dacht hij. Er moest in haar gestel of in haar hersenkas een mikmak wezen, want, wat was dat nu weêr voor een onnatuurlijke uitval? Zij dacht aan geen huwelijk met Voirey, had ze gezegd; maar, voor den drommel, zoo redeneerde Bruce bij zich zelf, waar dacht zij dan eigenlijk aan? Ze had Vermey geweigerd, en ze zou waarachtig in staat zijn ook den neef-millionnair af te wijzen. Wat in ’s hemelsnaam moest hij aanvangen met een dochter, die zoo’n steenen maagdelijkheid beoefende?[132]

TIENDE HOOFDSTUK.Hoe George aan tweehonderd gulden kwam.

Jan Voirey zat vermoeid in den trein; hij was de eenige reiziger in den spoorweg-coupé, en lag languit op een bank; hij had de fabrieken eens rondgereisd, en gesproken met dezen en genen. Van een groote fabriek had hij afgezien, daar was geen plaats voor hier! Het eenige wat kon bestaan, was een reparatie-werkplaats maar daarin had hij weinig lust. Men kon enkele onderdeelen dan óók maken om versletene te vervangen; meer niet.Zijn tocht naar het oosten was nutteloos tijdverlies geweest. Telkens geeuwde hij van verveling, keek dan eens het raampje uit naar buiten, ergerde zich aan den aanblik van het land, dat zich uitstrekte in de brandende zon, de eentonige rijstvelden, nu en dan afgewisseld door sombere djatti-bosschen, en water dat door breede spleten in den grond wegholde, over steenen en tusschen steenen door, maar onbevaarbaar en dus in zijn oog niet de moeite waard.[116]Dat was dan, dacht de drie-kwart Amerikaan, het beroemde Java! Hij had er alles gevonden, anders dan volgens zijn begrippen goed was. Zelfs de fabrieken hinderden hem, als, nu er niet gemalen werd, levenlooze inrichtingen. Dat was geen land, waar hij thuis hoorde met zijn sterk ontwikkeld idee vanbusinessen nog eensbusiness. Het beste zou zijn, dat hij maar spoedig zijn biezen pakte, dacht hij.Hij was voor een portierraampje gaan zitten met den elleboog op den rand en de groote beenderige hand, waaruit werklust sprak en energie in het kort borstelig haar. En zijn heldere grijze oogen keken naar buiten, kalm rustigprozaïesch; hij zag niet naar de schoone lijnen van het blauw gebergte aan den horizon, noch naar de zachte nuanceeringen van geel tot groen der te veld staande padi, noch naar de boschjes van donker geboomte daartusschen als het ware neêrgeworpen of de eenzame waringin, oprijzend uit het lage rijstveld als een machtig alleenheerscher onder de lage massa.Voirey keek van den hoogen spoorweg-dijk omlaag naar de meestbewoonde streek, die hem met iederen slag der machine, voorbij „tjoepte.”Een stuk wildernis, een ravijn, sawahs, een desa; sawahs,een ravijn, een stuk wildernis, een desa, enz., uren achtereen. Hij had wel eens gehoord van de ideale „welvarende” desa; hij glimlachte met minachting en haalde in zijn eentje de schouders op. Daar hadt je er weêr een! Vuile, rieten stulpen zonder vloer op den kleigrond en driekwart naakte bewoners, zonder iets noemenswaardigs voor hun gerief of comfort. En dat was dan op ’n handjevol uitzonderingen[117]na, het type der een-en-twintig millioen menschen … Het was om te lachen, vond hij. Wie durfde toch die wezens, in zijn oog nog aapachtiger dan een tamme roodhuid, menschen noemen? Nu ja, zij gaven door woorden te kennen wat ze bedoelden, en ze bebouwden den grond. Maar geen zweem van eigen zucht naar ontwikkeling; dat had hij nu gemerkt. Zij lieten zich voor de rest maar leven, zoo goed en zoo kwaad het gaan wilde. Na eeuwen zouden ze nog precies wezen zooals ze nu zijn: geboren worden, padi planten, zich vermenigvuldigen en sterven. Zelfs waren ze niet in staat een vak dat ze geleerd hadden, goed in de hand te houden. In de steden vond men schoenmakers, die werkten naar modellen; doch naarmate zij voort imiteerden ging het werk achteruit, tot op het laatst ’t model daaruit bijna niet meer kenbaar was.Neen, dat was geen volk! Dat was een millioenenmassa, waarop een groote vloek rustte. Het hollandsche gouvernement had ten slotte gelijk met dien troep te laten werken en van dat werk te profiteeren; dat was het eenige waar hij goed voor was.Voor een halte hield de trein stil. Een trein, noemen ze dat! had Voirey al telkens bij zichzelf herhaald; ze mochten wel zeggen een ouderwetsche diligence. Maar dat kwam net goed bij elkaar! In zoo’n land, met zulke bewoners, kon men geen betere overheerschers hebben dan de flegmatieke, langzame Hollanders. Op het perronnetje stond een zestal inlanders, dicht opeen, schoon er wel plaats was voor vier-en-twintig.De scherpe blik van den veramerikaanschten ingenieur ging[118]met minachting over het vrij havelooze zestal met hun ongekamde haarbossen boven uit hun omgeknoopte hoofddoeken; met hun door het sirih-kauwen vuile en misvormde monden; met hun uniforme ronde, domme oogen in vermoeide gezichten zonder uitdrukking en die slechts verscheidenheid ontleenden aan verschil in vorm en meer of minder bruin.Neen, in zoo’n land was geen plaats voor menschen van zijn slag, zelfs niet onder de Europeanen. Hij had op fabrieken gelogeerd, en met zijn groote werktuigkundige kennis hier en daar wenken voor verbeteringen gegeven. De menschen waren royaal genoeg en wilden hem zelfs betalen, wat hij niet verkoos. Men was hem zeer dankbaar; men overstelpte hem met vriendelijke attentie’s; men drong er op aan, dat hij blijven zou op Java, waar hij veel geld zou verdienen alleen door het invoeren zijner methoden tot besparing van brandstof en vermindering van slijtage,—maar hij wilde niet; dat was immers in ’t geheel zijn bedoeling niet! Doch overigens waren het geen menschen, met wie hij verder kwam; zij konden heele avonden en halve nachten zitten kaartspelen en verschrikkelijk veel tijd zoek maken met wat hij „niemendal” noemde. Er waren er zelfs bij, die zich met allerlei beunhazerij inlieten op wijsgeerig en wetenschappelijk gebied.… zie, dat begreep hij niet. Een fabrikant was, naar zijn meening, ook niets anders; hij was de man van zaken, met ijver en ondernemingsgeest; die veel geld gaf voor iets, dat in het resultaat belangrijke voordeelen voor zijn zaak kon afwerpen, die „iets” toepaste, maar zich verder niet in den oorsprong[119]ervan verdiepte, overtuigd, dat dit toch slechts een werken was zonder onderlaag.„Wel?” vroeg Lena toen hij thuis kwam nieuwsgierig.Hij trok den neus op.„’t Is hier een akelig land, Leentje.”„Wel dat is in het geheel niet waar,” zei ze. „’t Is hier een heel goed land.”„Laat ik er maar geen namen voor zoeken.”„Och heer, ik weet wel Jan, wat je bedoelt: apenland, niet waar? Die uitdrukking ken ik.”„Onjuist is ze waarachtig niet.”„Dat is ze wel. Bij menschen die, zooals jij, ’t land eens doorvliegen en zich dan een opinie daarover aanmatigen, is dat nog zoo erg niet.”„Merci! Ik moet zeggen hij is zeerad rem!”„Van jou kan ik het nog aanhooren, omdat je maar oppervlakkig oordeelt en niet beter weet. Ik kan het je ook niet zeggen, wat het is; het goede in dit land moet men ondervinden, langzamerhand; juist dáárom is het zoo gemakkelijk te loochenen.”„Ik heb in dat „langzamerhand” geen zin, Leentje.”„Dat is jouw zaak, Jan. Ik hoop niet dat je me voor zoo aartsdom aanziet.…”„Wel neen, zeker niet. Het tegendeel is waar.”„Dan moet je me gelooven, als ik je zeg, dat het een goed land is en een goed volk ook. God Jan, zoo’n goed volk!”Hij zag dat zij tranen in haar oogen kreeg en keek haar aan met groote verwondering. Zij trok hem meê uit de[120]binnen- naar de voorgalerij en wees op een veertigtal inlanders, die bij troepjes achter elkaar langs den weg liepen.„Die menschen,” zei ze,„hebben geen werk. De koffie-ondernemingen hier vijftien paal vandaan zijn gesloten om de bladziekte; uren moeten ze ’s morgens loopen naar de stad om te zien of ze bij de kooplui en voor de toko’s een daggeldje van veertig cent of zoo kunnen verdienen met het sjouwen van balen en kisten den heelen dag. Maar daar zijn er zeker geen tien, die het gelukt dat werk te vinden. En daar komen ze nu terug tegen den avond, en uren moeten ze weêr loopen voor ze thuis zijn. De meesten hebben den heelen dag niet gegeten. Ze verdeelen het verdiende geld onder elkaar; ook die geen werk vond, krijgt zijn aandeel om rijst te koopen voor zijn vrouw en kinderen. Is dan dat volk bij jullie in Amerika zooveel meer mensch, wanneer het als er geen werk is, raast en tiert als een losgelaten bende bezetenen en met moord en doodslag dreigt?”Voirey zette zijn lorgnet op en keek aandachtig naar de voorbijgaande inlanders.„Ja,” zei hij, „ik geloof dat het volk bij ons meer mensch is.”Zij keek hem met verwonderde oogen aan.„Het is misschien heel aandoenlijk zoo’n lijdzaamheid aan den dag te leggen, als de inlander doet, maar wij redeneeren niet over zulke dingen met meisjes-gevoel.”„Misschien doe je beter te zeggen: zonder gevoel.”Hij lachte.[121]„Och, zóó gevoelloos zijn we niet. Wij helpen elkaar altijd, als we kunnen, in het ongeluk. Maar wij hebben een hekel aan al wat huichelachtig en sentimenteel is.”„Ik zie niets daarvan in de wijze waarop die arme menschen hun lot dragen.”„Dat komt van het bederf der oude maatschappij. Zulk volk zou zijn kinderen van honger zien sterven en er bij blijven toekijken, zuchtend dat God het zoo gewild heeft.”„Maar wat moeten ze dan doen, Jan?”„Zich verzetten, stelen, inbreken.…”„Goeje God, Jan, ben je heelemaal krankzinnig!”Weer lachte hij luid.„Het zou onplezierig wezen voor je, hè? Nu is het hier erg rustig, nu de kerels met hun eigen hongerige buiken en die van hun vrouwen en kinderen genoegen nemen. Anders zouden ze wel eens hier kunnen komen en nemen uit jegoedang, wat ze te kort kwamen.”„Ik geloof,” zei Lena met een verschrikt gezicht, „dat je een sociaal-democraat bent.”„Dat weet ik niet,” zei hij. „Van staatkundige theorieën en groote woorden heb ik altijd een afschuw gehad. Dat brengt mijn vak mee. Ik zeg alleen, dat een volk geheel of gedeeltelijk berustend in hongerlijden, geen verzameling menschen is, maar een collectie vervloekte wezens, niet anders waard dan galg en rad.”Voirey had zich voor het eerst opgewonden. Zijn radicalisme klonk door de kalme voorgalerij met de door geen windje bewogen plantjes en de tot rustigheid stemmende dikke pilaren, als een soort heiligschennis. Zijn heele figuur[122]in driftige groote stappen over het marmer op en neer, met de vierkante magere schouders en de weerbarstige steile haren, hoorde daar niet thuis. De avondzon ging lieflijk onder met duizenden lichtspelingen naar alle zijden in de lucht, een kleurenschat vol afwisseling, waaraan geen nuance ontbrak; onder de groote asem-boomen met hun fijn bladwerk en de waringins met hun zelf-draperieën viel de duisternis zacht-grijs schemerend in; en op den weg gingen de donkere figuren der inlanders onhoorbaar zacht in hun bijna naaktheid, moe en hongerig naar huis.Droomerig had Lena daar ’n oogenblik naar gekeken en toen weer naar haar vreemden neef met zijn huiveringwekkende stem.„De pendule gaat zes minuten achter,” zei Voirey, op zijn horloge kijkend.„Ik zal haar van avond gelijk zetten met het schot.”Hij keek haar medelijdend aan.„Laat mij dat maar eens doen zonder het schot. Dat is ook zoo typisch hier in Indië, dat schot!”„Wil je een kop thee?”„Als het Java is, dan ja.”„Zie je, Leentje,” ging hij voort met kleine teugjes drinkend, „het is zoo jammer, een volk zoo beroerd te zien, als je nagaat wat het wezen kon. Waarom leggen die lammelingen zich nu niet op wat anders toe, dan die kinderachtige rijstcultuur en nog zoo’n beetje onwaardig goed? Wat goede zaken kan niet de landbouw hier voortbrengen: mooie suiker, uitstekende koffie, prachtige thee, goede tabak, fraaie indigo,—maar dat werpt zich unaniem op[123]rijst en nog eens rijst,—het slechtst loonend product, en laat de rest maar aan vreemden over.”„Het helpt hun toch niet, Jan. Als ze wat meer deden en geld verdienden, werd het hun toch op de een of andere manier afhandig gemaakt.”„Juist, omdat.… ze zulke ellendelingen zijn. Zoo draait men in een cirkeltje. Neen, Leentje, je zult mij niet brengen tot ook maar een greintje genegenheid voor die menschen.”Doch zij gaf het niet op.„Zij zijn altijd onderdrukt geweest, Jan; eeuwenlang en het ergste onder het bestuur van hun vorsten in vroeger tijd.”„Dat is een argument,” zei hij na eenig nadenken. „Als de „fut” er zoolang achtereen is uitgehaald, ja.… het is ongelukkig voor een volk, maar het is en blijft een waarheid; elk volk heeft wat het verdient: niets meer, niets minder.”Zij gaven elkaar geen gelijk; zij hield nu eenmaal van de inlandsche bevolking, die hij minachtte. Maar het deed hem goed iemand te hebben thans om een verstandig woord mee te spreken, want zijn oom.… nu, hij begon haast blij te zijn, dat hij zijn tante niet bij levenden lijve gekend had. Hoe kon een vrouw zoo’n onbeduidenden man nemen en dan nog wel als tweede man! En Lena, die voor het eerst in haar leven zulke barre levensbeschouwingen hoorde, als die van haar neef, wist soms niet, hoe zij het had, maar deed in geen geval van haar eigen denkbeelden afstand.[124]Als de oude Bruce er bij zat, zweeg hij gewoonlijk en liet het gesprek over zulke dingen maar aan de jongelui over, van tijd tot tijd heel wijs glimlachend, als wist hij van al die zaken veel meer dan hij zeggen wou en dan zij beiden; maar het was niet waar, want hij had daarover nooit nagedacht toen het tijd was om met denken te beginnen, en nu kon hij het niet meer. Maar het verheugde hem erg. Die twee, dacht hij, zouden zeker wel een paar worden, en die waarschijnlijkheid lachte hem zoet-zalig toe. Welk een flinke steun zou hem die schoonzoon-millionnair zijn! Nu reeds was hij hem, Bruce, zoo’n steun! Want de oude heer had zich tot taak gesteld de lekkere sigaren te rooken van zijn neef, en zijn neefs bier en brendy te drinken. Lena was er woedend om, maar daar stoorde hij zich in het geheel niet aan, want, zei hij, het kon beter van een groote stad, dan van een nederig dorpje.Maar Lena dacht niet aan haar neef als aan een huwelijkscandidaat, noch hij aan haar als een meisje, dat hij wilde vragen. Het denkbeeld kwam zelfs niet bij hem op. Hij hield veel van haar, als van een zuster; hij zou haar met plezier een deel van zijn vermogen hebben afgestaan, als zij dat noodig had gehad, maar daaraan had zij immers geen behoefte; zij had geld.En ze werd in den laatsten tijd door anderen het hof gemaakt. Ineens was de aandacht op haar gevallen; dat alles had de reputatie van den neef-millionnair gedaan!Ze zaten in den vooravond met hun drieën bij elkaar en Voirey was aan het woord over zijn reis toen niemand anders dan George Vermey in ’n lange zwarte jas,tiré à[125]quatre épingles, de galerij op kwam. Hij zag ’n beetje bleek; hij groette ’n beetje stijf, maar hij was overigens glimlachend en goedsmoeds.„Ik kom u goeden dag zeggen,” zei hij.„Zoo!” zei Bruce, „ga je er van door?”„Ja, ik moet wel. Ik kan hier nergens ’n positie vinden.”Lena had medelijden met hem.„Hoe is het mogelijk?” zei ze om toch iets te zeggen. „Er wordt altijd zoo gevraagd naar geschikte menschen.”„Och, het is hier minder de quaestie van geschiktheid. Ik ben onmogelijk gemaakt; dat is alles.”Voirey lachte, stekelig hard.„Dat kan ik begrijpen,” zei hij. „Dat is, dunkt me, net iets voor ’n land als dit.”„En hoe is dat in z’n werk gegaan?”Een oogenblik aarzelde Vermey. Doch, dacht hij, wat deed het er ook toe! Waarom zou hij discreet wezen?Hij vertelde het met illustratie, natuurlijk. De gewone, droge werkelijkheid was iets, waartoe hij zich niet kon bepalen. Zijn chef was hem voor geweest bij ’t solliciteeren hier en daar; hij had alle andere chefs van kantoren en handelshuizen tegen hem in het harnas gejaagd.„Het is een gemeene streek,” vond Voirey.En Bruce bekrachtigde dat door te beweren dat het „verdomd” gemeen was, wat gemeener scheen dan gewoon gemeen.„Maar in zijn plaats had ik u ook ontslagen,” zei de ingenieur.Daar keken allen vreemd van op.„Zeker. Van laster en oude wijven-praatjes heb ik een[126]afkeer. Men doet onder mannen een zaak af, en daarmee uit. Doch een employé moet niet den spion spelen tegenover zijn chefs. Wat zij doen, raakt hem niet. Hij heeft slechts zijn werk te verrichten, en als daarbij niets onbehoorlijks wordt gevorderd, dan heeft hij enkel te doen wat hem wordt opgedragen.”„Het was de schuld van dien lammen kerel, dien Esreteip,” excuseerde Vermey. „Hij had me nieuwsgierig gemaakt.”„En waar gaat het nu heen?” vroeg Bruce.„Ik zal het te Batavia eens probeeren.”„U hebt nooit iets gedaan aan werktuigkunde of zoo?” vroeg Voirey.„Neen, dat ligt geheel buiten mijnline of business.”„Maar u spreekt engelsch naar het schijnt.”Op dat gebied was Vermey wezenlijk thuis; voor zijn talen stond hij in.„Ja; fransch en duitsch ook.”„Zoover heb ik ’t nooit kunnen brengen; fransch vind ik zoo’n gekke taal! Nu, als ’t u te Batavia niet mocht lukken, schrijf me dan maar eens. Mijn familie hier weet altijd mijn adres, en het zal u wel hetzelfde zijn hier op Java te wonen of elders.”Vermey was erg onderdanig en dankbaar, wat Lena nog meer medelijden met hem krijgen deed. Zij had wel het heele gewicht gevoeld van den superioriteit-toon, die sprak uit de beschermende woorden van Voirey.Bij het heengaan was zij erg hartelijk tegen George.„Ik hoop, dat het u goed mag gaan, meneer Vermey; als wij iets voor u kunnen doen, schrijf het dan, ja?”[127]Hij zag haar met een opwelling van oude donjuannerigheid, diep in de oogen, en zei:„Dankje, Lena.”Doch hij had ernstiger zaken te doen en daarvoor wenkte hij Bruce, die ’n eindje met hem meeliep het erf op.„Zeg, ouwe heer, je moet me zien te lappen. Ik kan er anders waarachtig niet komen.”„Als ik kon met plezier.”„Ik moet tweehonderd gulden hebben, hoog noodzakelijk. Anders kan ik onmogelijk weg en ikmoetweg; mijn passage is al genomen.”„Wezenlijk Vermey, ik heb het zelf niet. Waar zou ik het vandaan halen? Maar ik zal voor je probeeren. Morgenochtend zal ik je kabar sturen.”’s Avonds vertelde Bruce het aan Lena; haar eenmaal opgewekt medelijden kende nu geen grenzen meer.Kasian, zat hij zoo aan lager wal! Dàt was verschrikkelijk. Zij haalde het geld uit haar eigen trommel en gaf het haar vader.„Breng het hem morgen zelf pa, maar asjeblieft een bewijs op zegel.”„Vertrouw je me niet?” vroeg hij geraakt.„Welzeker; maar me dunkt, dat ik dat wel voor ’t minst mag vergen, waar het mijn geld betreft.”George Vermey had er niet op gerekend. Hij stond ervan te kijken.„Och,” zei Bruce tegenover hem gaande zitten en gezellig aanschuivend bij een knaapje in de achtergalerij.„Och, ze is nog zoo kwaad niet.”[128]Hij was opzettelijk tegen twaalf uren gekomen; vroeger wist men niet wat te gebruiken; tegen de rijsttafel was ’n bittertje geoorloofd.„Ik ben er verlegen mee,” zei Vermey met ’n kleur op z’n gezicht de bankbiljetten bij zich stekend.Bruce maakte een zijwaartsche beweging met zijn grijzen krullebol, die zoo ietsmoestbeduiden als: je bent ’n lieve jongen om verlegen te zijn.„Had je al eens dezen en genen aangepompt?”„Natuurlijk! Maar heel toevallig zaten ze allen op zwart zaad.”„Dat is altijd zoo. Als je geld noodig hebt, kun je ’t nooit krijgen; als je ’t niet meer noodig hebt, heeft iedereen het voor je.”„Jullie waart mijn laatste toevlucht, maar ik had heusch niet gedacht, dat het iets zou baten.”De oude lachte, dat het kraakte door de lucht in de kleine galerij; hij wreef zijn handen genoeglijk.„Zal ik je wat zeggen?”„Ga je gang,” antwoordde George met gelatenheid en achterover leunend in zijn stoel.Maar de oude antwoordde zoo dadelijk niet; daarvoor was hij aan een veel te ernstige bezigheid; langzaam druppelde hij, de witte wenkbrauwen saamgetrokken en met kennersblik, het bitterextract in een glaasje.„Je bent ’n stommeling.”Na deze ontboezeming schonk Bruce er jenever bij; bekeek zijn bittertje met ’n streelenden blik vol genot tegen het licht, dronk het langzaam leeg, bracht zijn mond in[129]een toetje naar voren, knipoogend tegen Vermey, die op- en neêrwippend eenigszins mismoedig nadacht over de groote waarheid, die zoo weinig vleiend was voor zijn geestelijke vermogens.„Pakt-ie?” vroeg hij haast onwillekeurig toen hij het gezicht zag van den ouden heer.Bruce knikte genoeglijk.„Kerel, hij pakt zoo!.… Zie je, dat kan ik nu thuis niet doen zoo’n gezelligpaitjedrinken. Vooreerst moet het bij Leen altijd fatsoenlijk wezen, en moet ik druppelsgewijze drinken alsof het iets van den apotheker is. En Jan Voirey houdt er niet van; hij kijkt met zijn eigenwijs millionnairs-bakkes naar ’n bittertje of het voor de ganzen is gebrouwen.… Jongens, jongens, Vermey je bent zoo’n stommeling.”„Ik zou er nog eentje nemen, als ik u was.”„Wel waarachtig, zal ik dat.… Je hadt het niet zoo dadelijk moeten opvatten als een afwijzing.”„Ik wou, dat je het maar eens hadt gehoord.”„Nou ja, daar weet ik alles van.… Maar je hadt geduld moeten hebben. Ze zijn zoo’n beetje sikkeneurig, weet je. Men moet zich niet zoo dadelijk daaraan storen.… De aanhouder wint, zie je, en Vader Cats zei.…”„Dus u denkt, dat als ik nog aanhield?”„Hè wat? Nog aanhouden? Nou nog?”„Ja, u zegt zelf.…”’t Was of de oude heer Bruce bevroor, en zijn witte bakkebaarden en haren een portie ijs vormden bij wijze van verband om een versteven gezicht gelegd.[130]„Dàt wil ik niet zeggen.… ik spreek van toen.Toenwastoenennuisnu.”„Ik zal te Batavia wel weer ’n betrekking krijgen.”„Best mogelijk Vermey, maar dat is ’t nog niet. Je.… je bent zoo schrikkelijk hard van hoofd.…”„Toch niet. Ik geloof, dat ik u heel goed begrijp. Die meneer Voirey hè?”„’n Man met een millioen; geen guldens,—dollars, meneer!”„Het is te gek.… haar eigen neef?”Bruce werd kwaad.„Haar eigen neef? Wat zou dat? Zeg, ben jij nou heelemaal van Lotje.…”Maar Vermey, die intusschen ook ’n bittertje had gedronken, gaf zich niet gewonnen.„Haar eigen neef,” herhaalde hij den neus optrekkend. „’t Is bloedschande!”Het was een woord, dat den ouden Bruce razend maakte van woede; zijn oogen werden rood.„Als je dat nog eens zegt,” riep hij met zijn dreunendste stem,„dan zal ik je er een op je oogen geven, die je lang zal heugen, hoor! Hier, hier in je eigen huis!”George was ervan geschrikt; dat was in ’t geheel zijn bedoeling niet. Hij deed zijn best den ouden heer tot bedaren te brengen. Maar het kostte geweldig veel moeite, want hij had hem in zijn lievelingsplan getast; het ideaal aangegrepen, dat hij in den laatsten tijd zoo streelde en koesterde: Voirey als schoonzoon en altijd vrij wijn, bier en sigaren![131]In vrede scheidden zij, maar Bruce was toen hij thuis kwam, toch nog opgewonden.„Waar is de schuldbekentenis?” vroeg Lena.Verlegen en ontsteld keek hij haar aan.Diehad hij heelemaal vergeten! Dat kwam van de ellendige praatjes, van dien Vermey, en omdat hij zich kwaad had gemaakt. Hij putte zich uit in verontschuldigingen, wierp alle schuld op George, en om haar van de waarheid te doordringen, herhaalde hij zoo goed en kwaad als het ging, hun gesprek. Zij luisterde met belangstelling. Dat zij zoo’n prijs stelde op de schuldbekentenis, was meer uit een begrip van orde en regel, zeer sterk bij haar ontwikkeld; om het geld zelf kon het haar weinig schelen en het interesseerde haar veel meer te hooren, dat Vermey den moed nog niet scheen op te geven, ondanks zijn treurige omstandigheden en zijn afhankelijkheid.„Vond hij het bloedschande?” vroeg ze. „Nu, misschien heeft hij gelijk; in elk geval ik heb in ’t minst geen plannen en Jan ook niet.”Een oogenblik keek hij haar aan verwonderd en ongerust. Bepaald, het kind scheelde iets, dacht hij. Er moest in haar gestel of in haar hersenkas een mikmak wezen, want, wat was dat nu weêr voor een onnatuurlijke uitval? Zij dacht aan geen huwelijk met Voirey, had ze gezegd; maar, voor den drommel, zoo redeneerde Bruce bij zich zelf, waar dacht zij dan eigenlijk aan? Ze had Vermey geweigerd, en ze zou waarachtig in staat zijn ook den neef-millionnair af te wijzen. Wat in ’s hemelsnaam moest hij aanvangen met een dochter, die zoo’n steenen maagdelijkheid beoefende?[132]

Jan Voirey zat vermoeid in den trein; hij was de eenige reiziger in den spoorweg-coupé, en lag languit op een bank; hij had de fabrieken eens rondgereisd, en gesproken met dezen en genen. Van een groote fabriek had hij afgezien, daar was geen plaats voor hier! Het eenige wat kon bestaan, was een reparatie-werkplaats maar daarin had hij weinig lust. Men kon enkele onderdeelen dan óók maken om versletene te vervangen; meer niet.

Zijn tocht naar het oosten was nutteloos tijdverlies geweest. Telkens geeuwde hij van verveling, keek dan eens het raampje uit naar buiten, ergerde zich aan den aanblik van het land, dat zich uitstrekte in de brandende zon, de eentonige rijstvelden, nu en dan afgewisseld door sombere djatti-bosschen, en water dat door breede spleten in den grond wegholde, over steenen en tusschen steenen door, maar onbevaarbaar en dus in zijn oog niet de moeite waard.[116]Dat was dan, dacht de drie-kwart Amerikaan, het beroemde Java! Hij had er alles gevonden, anders dan volgens zijn begrippen goed was. Zelfs de fabrieken hinderden hem, als, nu er niet gemalen werd, levenlooze inrichtingen. Dat was geen land, waar hij thuis hoorde met zijn sterk ontwikkeld idee vanbusinessen nog eensbusiness. Het beste zou zijn, dat hij maar spoedig zijn biezen pakte, dacht hij.

Hij was voor een portierraampje gaan zitten met den elleboog op den rand en de groote beenderige hand, waaruit werklust sprak en energie in het kort borstelig haar. En zijn heldere grijze oogen keken naar buiten, kalm rustigprozaïesch; hij zag niet naar de schoone lijnen van het blauw gebergte aan den horizon, noch naar de zachte nuanceeringen van geel tot groen der te veld staande padi, noch naar de boschjes van donker geboomte daartusschen als het ware neêrgeworpen of de eenzame waringin, oprijzend uit het lage rijstveld als een machtig alleenheerscher onder de lage massa.

Voirey keek van den hoogen spoorweg-dijk omlaag naar de meestbewoonde streek, die hem met iederen slag der machine, voorbij „tjoepte.”

Een stuk wildernis, een ravijn, sawahs, een desa; sawahs,een ravijn, een stuk wildernis, een desa, enz., uren achtereen. Hij had wel eens gehoord van de ideale „welvarende” desa; hij glimlachte met minachting en haalde in zijn eentje de schouders op. Daar hadt je er weêr een! Vuile, rieten stulpen zonder vloer op den kleigrond en driekwart naakte bewoners, zonder iets noemenswaardigs voor hun gerief of comfort. En dat was dan op ’n handjevol uitzonderingen[117]na, het type der een-en-twintig millioen menschen … Het was om te lachen, vond hij. Wie durfde toch die wezens, in zijn oog nog aapachtiger dan een tamme roodhuid, menschen noemen? Nu ja, zij gaven door woorden te kennen wat ze bedoelden, en ze bebouwden den grond. Maar geen zweem van eigen zucht naar ontwikkeling; dat had hij nu gemerkt. Zij lieten zich voor de rest maar leven, zoo goed en zoo kwaad het gaan wilde. Na eeuwen zouden ze nog precies wezen zooals ze nu zijn: geboren worden, padi planten, zich vermenigvuldigen en sterven. Zelfs waren ze niet in staat een vak dat ze geleerd hadden, goed in de hand te houden. In de steden vond men schoenmakers, die werkten naar modellen; doch naarmate zij voort imiteerden ging het werk achteruit, tot op het laatst ’t model daaruit bijna niet meer kenbaar was.

Neen, dat was geen volk! Dat was een millioenenmassa, waarop een groote vloek rustte. Het hollandsche gouvernement had ten slotte gelijk met dien troep te laten werken en van dat werk te profiteeren; dat was het eenige waar hij goed voor was.

Voor een halte hield de trein stil. Een trein, noemen ze dat! had Voirey al telkens bij zichzelf herhaald; ze mochten wel zeggen een ouderwetsche diligence. Maar dat kwam net goed bij elkaar! In zoo’n land, met zulke bewoners, kon men geen betere overheerschers hebben dan de flegmatieke, langzame Hollanders. Op het perronnetje stond een zestal inlanders, dicht opeen, schoon er wel plaats was voor vier-en-twintig.

De scherpe blik van den veramerikaanschten ingenieur ging[118]met minachting over het vrij havelooze zestal met hun ongekamde haarbossen boven uit hun omgeknoopte hoofddoeken; met hun door het sirih-kauwen vuile en misvormde monden; met hun uniforme ronde, domme oogen in vermoeide gezichten zonder uitdrukking en die slechts verscheidenheid ontleenden aan verschil in vorm en meer of minder bruin.

Neen, in zoo’n land was geen plaats voor menschen van zijn slag, zelfs niet onder de Europeanen. Hij had op fabrieken gelogeerd, en met zijn groote werktuigkundige kennis hier en daar wenken voor verbeteringen gegeven. De menschen waren royaal genoeg en wilden hem zelfs betalen, wat hij niet verkoos. Men was hem zeer dankbaar; men overstelpte hem met vriendelijke attentie’s; men drong er op aan, dat hij blijven zou op Java, waar hij veel geld zou verdienen alleen door het invoeren zijner methoden tot besparing van brandstof en vermindering van slijtage,—maar hij wilde niet; dat was immers in ’t geheel zijn bedoeling niet! Doch overigens waren het geen menschen, met wie hij verder kwam; zij konden heele avonden en halve nachten zitten kaartspelen en verschrikkelijk veel tijd zoek maken met wat hij „niemendal” noemde. Er waren er zelfs bij, die zich met allerlei beunhazerij inlieten op wijsgeerig en wetenschappelijk gebied.… zie, dat begreep hij niet. Een fabrikant was, naar zijn meening, ook niets anders; hij was de man van zaken, met ijver en ondernemingsgeest; die veel geld gaf voor iets, dat in het resultaat belangrijke voordeelen voor zijn zaak kon afwerpen, die „iets” toepaste, maar zich verder niet in den oorsprong[119]ervan verdiepte, overtuigd, dat dit toch slechts een werken was zonder onderlaag.

„Wel?” vroeg Lena toen hij thuis kwam nieuwsgierig.

Hij trok den neus op.

„’t Is hier een akelig land, Leentje.”

„Wel dat is in het geheel niet waar,” zei ze. „’t Is hier een heel goed land.”

„Laat ik er maar geen namen voor zoeken.”

„Och heer, ik weet wel Jan, wat je bedoelt: apenland, niet waar? Die uitdrukking ken ik.”

„Onjuist is ze waarachtig niet.”

„Dat is ze wel. Bij menschen die, zooals jij, ’t land eens doorvliegen en zich dan een opinie daarover aanmatigen, is dat nog zoo erg niet.”

„Merci! Ik moet zeggen hij is zeerad rem!”

„Van jou kan ik het nog aanhooren, omdat je maar oppervlakkig oordeelt en niet beter weet. Ik kan het je ook niet zeggen, wat het is; het goede in dit land moet men ondervinden, langzamerhand; juist dáárom is het zoo gemakkelijk te loochenen.”

„Ik heb in dat „langzamerhand” geen zin, Leentje.”

„Dat is jouw zaak, Jan. Ik hoop niet dat je me voor zoo aartsdom aanziet.…”

„Wel neen, zeker niet. Het tegendeel is waar.”

„Dan moet je me gelooven, als ik je zeg, dat het een goed land is en een goed volk ook. God Jan, zoo’n goed volk!”

Hij zag dat zij tranen in haar oogen kreeg en keek haar aan met groote verwondering. Zij trok hem meê uit de[120]binnen- naar de voorgalerij en wees op een veertigtal inlanders, die bij troepjes achter elkaar langs den weg liepen.

„Die menschen,” zei ze,„hebben geen werk. De koffie-ondernemingen hier vijftien paal vandaan zijn gesloten om de bladziekte; uren moeten ze ’s morgens loopen naar de stad om te zien of ze bij de kooplui en voor de toko’s een daggeldje van veertig cent of zoo kunnen verdienen met het sjouwen van balen en kisten den heelen dag. Maar daar zijn er zeker geen tien, die het gelukt dat werk te vinden. En daar komen ze nu terug tegen den avond, en uren moeten ze weêr loopen voor ze thuis zijn. De meesten hebben den heelen dag niet gegeten. Ze verdeelen het verdiende geld onder elkaar; ook die geen werk vond, krijgt zijn aandeel om rijst te koopen voor zijn vrouw en kinderen. Is dan dat volk bij jullie in Amerika zooveel meer mensch, wanneer het als er geen werk is, raast en tiert als een losgelaten bende bezetenen en met moord en doodslag dreigt?”

Voirey zette zijn lorgnet op en keek aandachtig naar de voorbijgaande inlanders.

„Ja,” zei hij, „ik geloof dat het volk bij ons meer mensch is.”

Zij keek hem met verwonderde oogen aan.

„Het is misschien heel aandoenlijk zoo’n lijdzaamheid aan den dag te leggen, als de inlander doet, maar wij redeneeren niet over zulke dingen met meisjes-gevoel.”

„Misschien doe je beter te zeggen: zonder gevoel.”

Hij lachte.[121]

„Och, zóó gevoelloos zijn we niet. Wij helpen elkaar altijd, als we kunnen, in het ongeluk. Maar wij hebben een hekel aan al wat huichelachtig en sentimenteel is.”

„Ik zie niets daarvan in de wijze waarop die arme menschen hun lot dragen.”

„Dat komt van het bederf der oude maatschappij. Zulk volk zou zijn kinderen van honger zien sterven en er bij blijven toekijken, zuchtend dat God het zoo gewild heeft.”

„Maar wat moeten ze dan doen, Jan?”

„Zich verzetten, stelen, inbreken.…”

„Goeje God, Jan, ben je heelemaal krankzinnig!”

Weer lachte hij luid.

„Het zou onplezierig wezen voor je, hè? Nu is het hier erg rustig, nu de kerels met hun eigen hongerige buiken en die van hun vrouwen en kinderen genoegen nemen. Anders zouden ze wel eens hier kunnen komen en nemen uit jegoedang, wat ze te kort kwamen.”

„Ik geloof,” zei Lena met een verschrikt gezicht, „dat je een sociaal-democraat bent.”

„Dat weet ik niet,” zei hij. „Van staatkundige theorieën en groote woorden heb ik altijd een afschuw gehad. Dat brengt mijn vak mee. Ik zeg alleen, dat een volk geheel of gedeeltelijk berustend in hongerlijden, geen verzameling menschen is, maar een collectie vervloekte wezens, niet anders waard dan galg en rad.”

Voirey had zich voor het eerst opgewonden. Zijn radicalisme klonk door de kalme voorgalerij met de door geen windje bewogen plantjes en de tot rustigheid stemmende dikke pilaren, als een soort heiligschennis. Zijn heele figuur[122]in driftige groote stappen over het marmer op en neer, met de vierkante magere schouders en de weerbarstige steile haren, hoorde daar niet thuis. De avondzon ging lieflijk onder met duizenden lichtspelingen naar alle zijden in de lucht, een kleurenschat vol afwisseling, waaraan geen nuance ontbrak; onder de groote asem-boomen met hun fijn bladwerk en de waringins met hun zelf-draperieën viel de duisternis zacht-grijs schemerend in; en op den weg gingen de donkere figuren der inlanders onhoorbaar zacht in hun bijna naaktheid, moe en hongerig naar huis.

Droomerig had Lena daar ’n oogenblik naar gekeken en toen weer naar haar vreemden neef met zijn huiveringwekkende stem.

„De pendule gaat zes minuten achter,” zei Voirey, op zijn horloge kijkend.

„Ik zal haar van avond gelijk zetten met het schot.”

Hij keek haar medelijdend aan.

„Laat mij dat maar eens doen zonder het schot. Dat is ook zoo typisch hier in Indië, dat schot!”

„Wil je een kop thee?”

„Als het Java is, dan ja.”

„Zie je, Leentje,” ging hij voort met kleine teugjes drinkend, „het is zoo jammer, een volk zoo beroerd te zien, als je nagaat wat het wezen kon. Waarom leggen die lammelingen zich nu niet op wat anders toe, dan die kinderachtige rijstcultuur en nog zoo’n beetje onwaardig goed? Wat goede zaken kan niet de landbouw hier voortbrengen: mooie suiker, uitstekende koffie, prachtige thee, goede tabak, fraaie indigo,—maar dat werpt zich unaniem op[123]rijst en nog eens rijst,—het slechtst loonend product, en laat de rest maar aan vreemden over.”

„Het helpt hun toch niet, Jan. Als ze wat meer deden en geld verdienden, werd het hun toch op de een of andere manier afhandig gemaakt.”

„Juist, omdat.… ze zulke ellendelingen zijn. Zoo draait men in een cirkeltje. Neen, Leentje, je zult mij niet brengen tot ook maar een greintje genegenheid voor die menschen.”

Doch zij gaf het niet op.

„Zij zijn altijd onderdrukt geweest, Jan; eeuwenlang en het ergste onder het bestuur van hun vorsten in vroeger tijd.”

„Dat is een argument,” zei hij na eenig nadenken. „Als de „fut” er zoolang achtereen is uitgehaald, ja.… het is ongelukkig voor een volk, maar het is en blijft een waarheid; elk volk heeft wat het verdient: niets meer, niets minder.”

Zij gaven elkaar geen gelijk; zij hield nu eenmaal van de inlandsche bevolking, die hij minachtte. Maar het deed hem goed iemand te hebben thans om een verstandig woord mee te spreken, want zijn oom.… nu, hij begon haast blij te zijn, dat hij zijn tante niet bij levenden lijve gekend had. Hoe kon een vrouw zoo’n onbeduidenden man nemen en dan nog wel als tweede man! En Lena, die voor het eerst in haar leven zulke barre levensbeschouwingen hoorde, als die van haar neef, wist soms niet, hoe zij het had, maar deed in geen geval van haar eigen denkbeelden afstand.[124]

Als de oude Bruce er bij zat, zweeg hij gewoonlijk en liet het gesprek over zulke dingen maar aan de jongelui over, van tijd tot tijd heel wijs glimlachend, als wist hij van al die zaken veel meer dan hij zeggen wou en dan zij beiden; maar het was niet waar, want hij had daarover nooit nagedacht toen het tijd was om met denken te beginnen, en nu kon hij het niet meer. Maar het verheugde hem erg. Die twee, dacht hij, zouden zeker wel een paar worden, en die waarschijnlijkheid lachte hem zoet-zalig toe. Welk een flinke steun zou hem die schoonzoon-millionnair zijn! Nu reeds was hij hem, Bruce, zoo’n steun! Want de oude heer had zich tot taak gesteld de lekkere sigaren te rooken van zijn neef, en zijn neefs bier en brendy te drinken. Lena was er woedend om, maar daar stoorde hij zich in het geheel niet aan, want, zei hij, het kon beter van een groote stad, dan van een nederig dorpje.

Maar Lena dacht niet aan haar neef als aan een huwelijkscandidaat, noch hij aan haar als een meisje, dat hij wilde vragen. Het denkbeeld kwam zelfs niet bij hem op. Hij hield veel van haar, als van een zuster; hij zou haar met plezier een deel van zijn vermogen hebben afgestaan, als zij dat noodig had gehad, maar daaraan had zij immers geen behoefte; zij had geld.

En ze werd in den laatsten tijd door anderen het hof gemaakt. Ineens was de aandacht op haar gevallen; dat alles had de reputatie van den neef-millionnair gedaan!

Ze zaten in den vooravond met hun drieën bij elkaar en Voirey was aan het woord over zijn reis toen niemand anders dan George Vermey in ’n lange zwarte jas,tiré à[125]quatre épingles, de galerij op kwam. Hij zag ’n beetje bleek; hij groette ’n beetje stijf, maar hij was overigens glimlachend en goedsmoeds.

„Ik kom u goeden dag zeggen,” zei hij.

„Zoo!” zei Bruce, „ga je er van door?”

„Ja, ik moet wel. Ik kan hier nergens ’n positie vinden.”

Lena had medelijden met hem.

„Hoe is het mogelijk?” zei ze om toch iets te zeggen. „Er wordt altijd zoo gevraagd naar geschikte menschen.”

„Och, het is hier minder de quaestie van geschiktheid. Ik ben onmogelijk gemaakt; dat is alles.”

Voirey lachte, stekelig hard.

„Dat kan ik begrijpen,” zei hij. „Dat is, dunkt me, net iets voor ’n land als dit.”

„En hoe is dat in z’n werk gegaan?”

Een oogenblik aarzelde Vermey. Doch, dacht hij, wat deed het er ook toe! Waarom zou hij discreet wezen?

Hij vertelde het met illustratie, natuurlijk. De gewone, droge werkelijkheid was iets, waartoe hij zich niet kon bepalen. Zijn chef was hem voor geweest bij ’t solliciteeren hier en daar; hij had alle andere chefs van kantoren en handelshuizen tegen hem in het harnas gejaagd.

„Het is een gemeene streek,” vond Voirey.

En Bruce bekrachtigde dat door te beweren dat het „verdomd” gemeen was, wat gemeener scheen dan gewoon gemeen.

„Maar in zijn plaats had ik u ook ontslagen,” zei de ingenieur.

Daar keken allen vreemd van op.

„Zeker. Van laster en oude wijven-praatjes heb ik een[126]afkeer. Men doet onder mannen een zaak af, en daarmee uit. Doch een employé moet niet den spion spelen tegenover zijn chefs. Wat zij doen, raakt hem niet. Hij heeft slechts zijn werk te verrichten, en als daarbij niets onbehoorlijks wordt gevorderd, dan heeft hij enkel te doen wat hem wordt opgedragen.”

„Het was de schuld van dien lammen kerel, dien Esreteip,” excuseerde Vermey. „Hij had me nieuwsgierig gemaakt.”

„En waar gaat het nu heen?” vroeg Bruce.

„Ik zal het te Batavia eens probeeren.”

„U hebt nooit iets gedaan aan werktuigkunde of zoo?” vroeg Voirey.

„Neen, dat ligt geheel buiten mijnline of business.”

„Maar u spreekt engelsch naar het schijnt.”

Op dat gebied was Vermey wezenlijk thuis; voor zijn talen stond hij in.

„Ja; fransch en duitsch ook.”

„Zoover heb ik ’t nooit kunnen brengen; fransch vind ik zoo’n gekke taal! Nu, als ’t u te Batavia niet mocht lukken, schrijf me dan maar eens. Mijn familie hier weet altijd mijn adres, en het zal u wel hetzelfde zijn hier op Java te wonen of elders.”

Vermey was erg onderdanig en dankbaar, wat Lena nog meer medelijden met hem krijgen deed. Zij had wel het heele gewicht gevoeld van den superioriteit-toon, die sprak uit de beschermende woorden van Voirey.

Bij het heengaan was zij erg hartelijk tegen George.

„Ik hoop, dat het u goed mag gaan, meneer Vermey; als wij iets voor u kunnen doen, schrijf het dan, ja?”[127]

Hij zag haar met een opwelling van oude donjuannerigheid, diep in de oogen, en zei:

„Dankje, Lena.”

Doch hij had ernstiger zaken te doen en daarvoor wenkte hij Bruce, die ’n eindje met hem meeliep het erf op.

„Zeg, ouwe heer, je moet me zien te lappen. Ik kan er anders waarachtig niet komen.”

„Als ik kon met plezier.”

„Ik moet tweehonderd gulden hebben, hoog noodzakelijk. Anders kan ik onmogelijk weg en ikmoetweg; mijn passage is al genomen.”

„Wezenlijk Vermey, ik heb het zelf niet. Waar zou ik het vandaan halen? Maar ik zal voor je probeeren. Morgenochtend zal ik je kabar sturen.”

’s Avonds vertelde Bruce het aan Lena; haar eenmaal opgewekt medelijden kende nu geen grenzen meer.Kasian, zat hij zoo aan lager wal! Dàt was verschrikkelijk. Zij haalde het geld uit haar eigen trommel en gaf het haar vader.

„Breng het hem morgen zelf pa, maar asjeblieft een bewijs op zegel.”

„Vertrouw je me niet?” vroeg hij geraakt.

„Welzeker; maar me dunkt, dat ik dat wel voor ’t minst mag vergen, waar het mijn geld betreft.”

George Vermey had er niet op gerekend. Hij stond ervan te kijken.

„Och,” zei Bruce tegenover hem gaande zitten en gezellig aanschuivend bij een knaapje in de achtergalerij.

„Och, ze is nog zoo kwaad niet.”[128]

Hij was opzettelijk tegen twaalf uren gekomen; vroeger wist men niet wat te gebruiken; tegen de rijsttafel was ’n bittertje geoorloofd.

„Ik ben er verlegen mee,” zei Vermey met ’n kleur op z’n gezicht de bankbiljetten bij zich stekend.

Bruce maakte een zijwaartsche beweging met zijn grijzen krullebol, die zoo ietsmoestbeduiden als: je bent ’n lieve jongen om verlegen te zijn.

„Had je al eens dezen en genen aangepompt?”

„Natuurlijk! Maar heel toevallig zaten ze allen op zwart zaad.”

„Dat is altijd zoo. Als je geld noodig hebt, kun je ’t nooit krijgen; als je ’t niet meer noodig hebt, heeft iedereen het voor je.”

„Jullie waart mijn laatste toevlucht, maar ik had heusch niet gedacht, dat het iets zou baten.”

De oude lachte, dat het kraakte door de lucht in de kleine galerij; hij wreef zijn handen genoeglijk.

„Zal ik je wat zeggen?”

„Ga je gang,” antwoordde George met gelatenheid en achterover leunend in zijn stoel.

Maar de oude antwoordde zoo dadelijk niet; daarvoor was hij aan een veel te ernstige bezigheid; langzaam druppelde hij, de witte wenkbrauwen saamgetrokken en met kennersblik, het bitterextract in een glaasje.

„Je bent ’n stommeling.”

Na deze ontboezeming schonk Bruce er jenever bij; bekeek zijn bittertje met ’n streelenden blik vol genot tegen het licht, dronk het langzaam leeg, bracht zijn mond in[129]een toetje naar voren, knipoogend tegen Vermey, die op- en neêrwippend eenigszins mismoedig nadacht over de groote waarheid, die zoo weinig vleiend was voor zijn geestelijke vermogens.

„Pakt-ie?” vroeg hij haast onwillekeurig toen hij het gezicht zag van den ouden heer.

Bruce knikte genoeglijk.

„Kerel, hij pakt zoo!.… Zie je, dat kan ik nu thuis niet doen zoo’n gezelligpaitjedrinken. Vooreerst moet het bij Leen altijd fatsoenlijk wezen, en moet ik druppelsgewijze drinken alsof het iets van den apotheker is. En Jan Voirey houdt er niet van; hij kijkt met zijn eigenwijs millionnairs-bakkes naar ’n bittertje of het voor de ganzen is gebrouwen.… Jongens, jongens, Vermey je bent zoo’n stommeling.”

„Ik zou er nog eentje nemen, als ik u was.”

„Wel waarachtig, zal ik dat.… Je hadt het niet zoo dadelijk moeten opvatten als een afwijzing.”

„Ik wou, dat je het maar eens hadt gehoord.”

„Nou ja, daar weet ik alles van.… Maar je hadt geduld moeten hebben. Ze zijn zoo’n beetje sikkeneurig, weet je. Men moet zich niet zoo dadelijk daaraan storen.… De aanhouder wint, zie je, en Vader Cats zei.…”

„Dus u denkt, dat als ik nog aanhield?”

„Hè wat? Nog aanhouden? Nou nog?”

„Ja, u zegt zelf.…”

’t Was of de oude heer Bruce bevroor, en zijn witte bakkebaarden en haren een portie ijs vormden bij wijze van verband om een versteven gezicht gelegd.[130]

„Dàt wil ik niet zeggen.… ik spreek van toen.Toenwastoenennuisnu.”

„Ik zal te Batavia wel weer ’n betrekking krijgen.”

„Best mogelijk Vermey, maar dat is ’t nog niet. Je.… je bent zoo schrikkelijk hard van hoofd.…”

„Toch niet. Ik geloof, dat ik u heel goed begrijp. Die meneer Voirey hè?”

„’n Man met een millioen; geen guldens,—dollars, meneer!”

„Het is te gek.… haar eigen neef?”

Bruce werd kwaad.

„Haar eigen neef? Wat zou dat? Zeg, ben jij nou heelemaal van Lotje.…”

Maar Vermey, die intusschen ook ’n bittertje had gedronken, gaf zich niet gewonnen.

„Haar eigen neef,” herhaalde hij den neus optrekkend. „’t Is bloedschande!”

Het was een woord, dat den ouden Bruce razend maakte van woede; zijn oogen werden rood.

„Als je dat nog eens zegt,” riep hij met zijn dreunendste stem,„dan zal ik je er een op je oogen geven, die je lang zal heugen, hoor! Hier, hier in je eigen huis!”

George was ervan geschrikt; dat was in ’t geheel zijn bedoeling niet. Hij deed zijn best den ouden heer tot bedaren te brengen. Maar het kostte geweldig veel moeite, want hij had hem in zijn lievelingsplan getast; het ideaal aangegrepen, dat hij in den laatsten tijd zoo streelde en koesterde: Voirey als schoonzoon en altijd vrij wijn, bier en sigaren![131]

In vrede scheidden zij, maar Bruce was toen hij thuis kwam, toch nog opgewonden.

„Waar is de schuldbekentenis?” vroeg Lena.

Verlegen en ontsteld keek hij haar aan.Diehad hij heelemaal vergeten! Dat kwam van de ellendige praatjes, van dien Vermey, en omdat hij zich kwaad had gemaakt. Hij putte zich uit in verontschuldigingen, wierp alle schuld op George, en om haar van de waarheid te doordringen, herhaalde hij zoo goed en kwaad als het ging, hun gesprek. Zij luisterde met belangstelling. Dat zij zoo’n prijs stelde op de schuldbekentenis, was meer uit een begrip van orde en regel, zeer sterk bij haar ontwikkeld; om het geld zelf kon het haar weinig schelen en het interesseerde haar veel meer te hooren, dat Vermey den moed nog niet scheen op te geven, ondanks zijn treurige omstandigheden en zijn afhankelijkheid.

„Vond hij het bloedschande?” vroeg ze. „Nu, misschien heeft hij gelijk; in elk geval ik heb in ’t minst geen plannen en Jan ook niet.”

Een oogenblik keek hij haar aan verwonderd en ongerust. Bepaald, het kind scheelde iets, dacht hij. Er moest in haar gestel of in haar hersenkas een mikmak wezen, want, wat was dat nu weêr voor een onnatuurlijke uitval? Zij dacht aan geen huwelijk met Voirey, had ze gezegd; maar, voor den drommel, zoo redeneerde Bruce bij zich zelf, waar dacht zij dan eigenlijk aan? Ze had Vermey geweigerd, en ze zou waarachtig in staat zijn ook den neef-millionnair af te wijzen. Wat in ’s hemelsnaam moest hij aanvangen met een dochter, die zoo’n steenen maagdelijkheid beoefende?[132]


Back to IndexNext