[Inhoud]VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Getrouwd zijn.Het scheen een gelukkig huwelijk te zullen worden; een heel gelukkig huwelijk. Voirey had George in een goede zaak weten te krijgen, als deelgenoot, het was geen groot huis, maar zeer net en behoorlijk winstgevend, wat nog beter werd door de relaties die Voirey dadelijk aanbracht. Vermey kende zichzelven niet. Nu was hij een chef! Het is waar, dat het niet van zooveel beteekenis was, als de kantoren, waarop hij had gewerkt als employé, maar Keulen en Aken, dacht hij, enz. Wat niet was kon komen.Nog rechter liep hij, dan vroeger; hij had ineens ’n heel ander air over zich gekregen, en liet vroegere bekenden zooveel mogelijk „links” liggen.De zaakjes marcheerden en het huwelijksleven met Lena was hem meêgevallen. Over alles lag nu zoo’n echt fatsoenlijk waas. Hij ging ’s morgens naar zijn kantoor op tijd, en als hij ’s middags thuis kwam, dronken ze zamen[189]een kopje thee in de achtergalerij; alles was nieuw en frisch om hen heen en keurig netjes. Het genot van huiselijk comfort glom hem tegen en deed zich bij hem gevoelen, van de vingerdoekjes ’s morgens bij het ontbijt tot de zilveren couverts ’s avonds aan tafel.En ook hetce qu’on ne voit pashad zijne verwachtingen overtroffen; het schikte dus alles beter dan hij had gedacht; want hij was erg bang geweest voor zichzelven. Hij had wel eens gehoord dat juist jonge mannen zooals hij, die veel in de buitenlucht hadden geleefd, bij zekere gelegenheid een bijster mal figuur maakten door psychologische oorzaken. Maar dat was niet erg geweest! Hij had zoo gemakkelijk a gezegd, als een professor in .….het alphabet.Ze leefden nu al drie maanden, heel net en rustig, heel gezelligjes, en ze verheugden zich er ook reeds over, dat ze na een zeker aantal maanden nog wel even gezellig en net, maar niet meer zoo rustig zouden samen wonen.„Wat zal dat grappig zijn,” meende Vermey. En Lena keek hem nu aan met oogen vol liefde, doch die eerst dáárvan zoo vol geraakt warennahaar huwelijksdag; zij zag er kostelijk uit, dikker dan ze ooit geweest was, en dat stond haar goed; blanker ook dan vroeger in haar gezicht en hals; opgehelderd als groezelig indisch blondinetje door het fameuse huwelijk!„’t Zal heerlijk wezen,” zei ze.Hij lag in een langen Weener stoel z’n sigaar te rooken en pikirde over het geval. Wat was het toch gek met ’n mensch! Zestien jaren had hij inlandsche huishoudsters[190]gehad, en altijd onder de voorwaarde, dat er nimmer „ergens” quaestie van mocht wezen of anders gingen ze op staanden voet de deur uit. Men zei—en hij geloofde het—dat er niettemin onder de atappendaken van kamponghuizen bewijzen leefden van zijn—Vermey’s—afdwalingen op zoogenoemde „vroolijke avonden” en zoo. Hij gruwde van het idee, en had zich er ook nooit mee willen bemoeien; er nooit van willen hooren. Maar nu overviel hem een gevoel van groote teederheid, als hij dacht aan wat zou gebeuren in zijn huis, wanneer de tijd dáár was.„Hindert je het gekleed zijn niet?” vroeg hij toen Lena naar binnenging om haar toilet te maken, want zij zouden uitgaan.„Niet erg.”„We moeten vooral niet dwaas zijn. Als het je hindert, blijf je ongekleed en we gaan niet uit.”„Neen, zoover is het nog niet, George!”„Ik meen het in ernst!”„Dat zie ik wel. Maar verbeeld-je, dat we nu het vooruitzicht hadden in zooveel tijd geen enkele visite te maken!”„Wat zou het?”„En niet naar de muziekavonden te kunnen gaan in de sociëteit.”„Ook zoo erg niet.”„En ’s Zondags middags geen toertje rijden; niet naar de muziek op ’t plein.”„Kind, het zou mij waarachtig niet kunnen schelen.”Ze kwam achter hem en zoende hem. Het was toch vleiend voor haar, dat hij zoo absoluut niet gaf om uitgaan,[191]en volkomen genoegen nam met haar gezelschap alleen.„Al die opofferingen zijn niet noodig, vent. Het gekleed zijn hindert mij niets, en ik denk dat het vóór den laatsten tijd zoo erg ook niet worden zal.”„Goed! Als je je maar niet geneert voor mij; dàt vooral niet.”„Ik beloof het je. Als het zóóver is, kan je toch ’n paar malen in de week hetzij met kennissen ’n partijtje hier maken, hetzij naar hen toegaan.”„We zullen zien,” zei hij. Maar in gedachten stonden hem die partijtjes maar half aan. Hij ging heelemaal op thuis in een genotvol luieren. Lena had zich vergist. Het was niet in de eerste plaats de waardeering harer persoonlijkheid, die hem zoo bond aan zijn huis. Het was ’t lekkere eener weelderige onbezorgheid, dat hem nu bekoorde en innam. Dáár genoot hij van en dat was een zelfstandig genot, waarbij hij verder kon ontberen, wat hem niet dadelijk ter beschikking stond.Wat gaf hij om toertjes in een rijtuig, wat om de stafmuziek en de sociëteit? Hij was veel ouder dan zij, hield niet veel van muziek en zat in het gewoon dagelijksch dienstleven al meer „tusschen de wielen” dan hem aangenaam was. Thuis in zijn nette woning, die hij voortdurend verfraaide, waar hij zijn eigen fijne sigaren rookte, zijn eigen goede dranken dronk, en lekker kon zitten in nachtbroek en kabaai,—dáár was hij graag; dáár was hij het liefst met Lena, en hij zou er óók het liefst zijn geweest … zonder Lena. Hij was echter wel zoo wijs, dat niet te zeggen; maarhijdacht eraan toen ze naar binnen ging om[192]zich te kleeden, en hij glimlachte tegen de groote chineesche pullen, de fraaie japansche vazen, de kunstige bronzen beeldjes op voetstukken en de mooie schilderijen aan den muur.Ook Voirey was ermeê ingenomen. Wel vond hij, dat ze ’n beetje overdreven waren, met hun popperig volproppen van het huis met fraaiigheden en hun overdreven vertoon van welgedaanheid, maar het nam niet weg, dat Vermey hem meeviel in diens zaakje.„Ik ben er blij om,” zei Lena, en haar heele gezicht toonde dat.George was nog in de stad, toen Voirey zoo onverwacht binnen kwam en ’n kop thee vroeg.Hij liep rusteloos als altijd op en neer in de achtergalerij, blazend in de heete thee, die hij zonder suiker of melk dronk.„Het doet me plezier,” zei hij „pff! dat George nog niet zoo’n grauwen, pafferigen hollander is, als de meesten, die lang hier zijn; pff! hijlooptsoms nog.”„Je lijkt wel mal!” riep Lena lachend.Voirey keek schuin naar haar figuurtje, dat aardig begon te teekenen.„Wezenlijk Lena, hij wandelt niet altijd, dàt bedoel ik; hij haast zich soms en gooit dan flink zijn lange beenen uit, juist als iemand, die meent dat tijd ook geld is.”„Doen de andere heeren dat dan niet?”„Wel neen. De meesten wandelen met een begrafenispas, alsof het leven duizend jaren duurt. Ze doen me altijd denken aan haagsche ambtenaren in de Veenestraat.”„Nu, ik ben blij, dat je in de zaak over George niet te klagen hebt.”[193]„A propos, er is iets op til, hé?”„Hoe bedoel je dat?” vroeg zij verwonderd; ze dacht er wezenlijk in het geheel niet aan.„Nu je bent toch ook niet mevrouw Vermey geworden voor de aardigheid alleen,” schertste hij familiaar.Ze keerde zich om en kleurde.„Hè, dat is gemeen!”„Ben je dwaas kind? ’t Is heel eenvoudig.”„Ik vind het heel ongepast van George, en ik zal het hem straks ongemakkelijk zeggen.”„Waarom van George?” vroeg hij met een komiek gezicht, „waarom van hem zoo in ’t bijzonder?”„Wel, hij had daar niet over moeten spreken.”„O, is het dat? Nu maar, stel je dan gerust; hij heeft er niet over gesproken, hoor!”„’t Is wel waar!”„Ik verzeker je.…”„Hoe zou je het anders weten?”„Maar beste Lena, ik ben geen kind en ik heb gewoonlijk de oogen niet in den zak.”Boos keerde zij zich.„Jan, je bent ’n nare man.”Hij had ’n pret van belang en lachte zooals hij maar zelden deed; de chineesche mandarijntjes op de étagère knikten met hun licht beweegbare kopjes; ’t was of de luide klank van zijn stem, hard door het vroeger veelvuldig spreken in de open lucht, ze aan den gang had gemaakt.„De thee is goed, Lena; alleen wat warm; geef me nog ’n kopje.”[194]„Je drinkt ze af voor George,” zei ze hem half lachend, half verwijtend aanziende.„Da’s niks; dan doe je er maar wat bij; intusschen wou ik je iets ernstigs zeggen.”„’t Zal wat wezen!” pruilde ze, de thee schenkend.„Als het ’n jongen is.…”„Schei je nu haast uit!”„Wees toch niet dwaas; het is geen ijs en ’t zal niet smelten. Als het ’n jongen is, dan heet hij Jan en op zijn geboortedag doe ik vijf duizend gulden in zijn spaarpot.”Het viel Lena als een bom op het hart. Dat was nu wel haar laatste wensch, dat haar eerste zoon zoo’n ordinairen hollandschen naam zou dragen. Zij had hem al in stilte en zonder met haar man erover te spreken, George genoemd; dat vond ze ’n prachtigen naam. Nu ja, die vijf duizend gulden konden haar zooveel niet schelen. Voirey was er ook net een, die dacht, dat alles voor geld te koop was; zelfs de klank van een kindernaam voor een moederoor!Zij wilde het niet weigeren, maar ze hield zich toch goed en liet dat niet blijken.„Ja,” zei ze, nadenkend over het gewichtig voorstel, „daar moet ik eerst met George over spreken; hij heeft ook ’n stem in het kapittel.”„Hm! Dat is waar; nu, doe het dan.”Het scheen Voirey teleur te stellen, dat het niet dadelijk ging, zooals hij ’t wilde; maar hij moest erkennen, dat ze gelijk had, en hij deed het.[195]Zij had een zoete hoop op verzet tegen Voirey’s voorstel door haar man; zij zou hem dan ongetwijfeld hebben gesecondeerd. Maar toenhij’t hoorde, dadelijk bij zijn thuiskomst, zette hij ’n vroolijk gezicht en scheen zeer verheugd; hij vond het „prachtig,” en dat verdroot haar.„Ben je er dan niet op gesteld, dat ons oudste kind naar jou heet?”„Dat is te zeggen.… al was dat nou zoo.… We hebben groote verplichtingen aan neef Jan. Hij heeft ons altijd geholpen en wij zijn er nu geheel boven op. Zonder hem wasiknooit in de zaak gekomen, en dus hebben wij, en zullen later onze kinderen, hem veel te danken hebben. Hij is zeer rijk en ongetrouwd. Het is waarachtig een buitenkansje, voor ons, dat hij zelf vraagt peet te worden voor ons oudste kind.”„Dus jij ziet er van af,” vroeg ze teleurgesteld.„In dit geval, natuurlijk! Een volgend maal is het mijn beurt.”„Maar er kon wel eens geen volgend maal komen,” zei ze sentimenteel.Vermey lachte binnensmonds.„Laat dat maar loopen!” zei hij.Ze gaf hem een klap en lachte mee; en ze kusten elkaar in de binnengalerij dat het klapte.„Neen, heusch Lena,” zei hij daarna ernstiger. „Wij moeten er „lekker” meê zijn. Geen beter bewijs, dat hij ons bijzonder genegen is dan dát. Ik zie er meteen het teeken in, dat onze zaken ook naar zijn zin gaan.”Ze had er zich aan onderworpen, maar met grooten[196]tegenzin, en ze kon er zich niet aan gewennen. Ze dacht veel aan die naaste toekomst, maar het deed haar geen goed; het gaf haar iets, wat ze nooit had gehad vroeger: een sterke neiging tot te bed liggen en in luierstoelen zitten; ze kon dat zoo drie kwart dagen doen zonder noemenswaardige beweging; dan las ze heel veel in populair geneeskundige boeken over bevallingen en al wat daaraan gepaard kon gaan, en er uit kon voortvloeien.Altijd was ze gewoon geweest aan een werkzaam bewegelijk leven, en nu daar zoo lui en moedeloos toe te geven aan een neiging tot droomerijen, bracht haar gestel in de war.„Scheelt er wat aan?” vroeg George op een middag, terwijl hij haar met bezorgdheid aanzag.„Ik heb hoofdpijn.”„Je moet rust houden.”„Neen,” zei ze met een glimlach, „dat is het niet. Integendeel, ik houd te veel rust.”„Nu ja, ik weet hoe bedrijvig je altijd geweest bent over dag en in huis.”„Geloof me, dat is heelemaal over. Ik kan tegenwoordig uren achtereen zitten luieren.”„De meeste jonge vrouwen zien er in hun zwangerschap heel goed uit, heb ik weleens gehoord,” meende George aarzelend.„Ja zie je, ik heb gelezen, dat veel wandelen goed is. Ga je straks meê?”Natuurlijk ging hij meê; met het grootste genoegen; en zij, leunend aldoor, ’n beetje vermoeid, zwaar op zijn arm; hij rechtop den neus in den wind, zijn lange beenen[197]dwingend tot kleine stapjes, zoodat ze in schijn erg geaffecteerd langs den weg tripten, zonder eenig streven van dien aard.Op eens schrikte hij. Tien pas voor hen uit zag hij Yps aankomen; Yps die hij haast vergeten had; dat levendsouveniruit een afgesloten tijdperk in zijn leven; Yps die in zijn herinnering even veel jaren uit zijn tegenwoordig bestaan scheen te zijn gebannen, als het metterdaad maanden waren!Waarom hij schrikte wist hij niet. Hij had niets met die vrouw te maken. Wat deed het er toe of hij destijds met haar had geleefd? Dat was voorbij, en voor goed, want zijn positie was, door zijn wettig huwelijk geregeld, zoo heel anders geworden. Zij had niets van hem te vorderen; hij niet van haar.Hij keek haar niet aan, maar zag rechtuit over haar hoofd heen in de blauwe lucht. Of zij keek of niet, wist hij niet, en ’t kon hem niet schelen. Maar zij deed dat evenmin. Langzaam kwam ze hen te gemoet, onder den strakken sarong, die haar heupen afteekende, de beenen als het ware om elkaar heen naar voren schuivend; het was een mooie solosche sarong, die hij onwillekeurig met een oogopslag had herkend; hij had haar die cadeau gegeven toen hij eens ’n goede bui en ’n volle geldbeurs had; met haar sneeuwwitte korte kabaja met breede uit de hand geborduurde strooken, haar gouden en bloedkoralen armbanden en halsketting en den zwaren opbollenden rand poney-haar op het voorhoofd, was zij volmaakt dezelfde Yps van voor twee, drie jaren.[198]„Wat ’n mooie nonna is dat!” zei Lena, toen ze voorbij was.Zij zou dat vroeger nooit gezegd hebben, al had ze het gedacht; nu was ze getrouwd en haar oordeel over de soort van vrouwen, waaruit het meest zij voortkomen, die indische huwelijken in den weg staan, was zachter geworden.Nu ze zelf „een huishouden” had, zag ze ontzaglijk veel gebreken in de huishoudens van andere dames, waarop ze vroeger nooit zoo had gelet, al „deed” ze toen ook het huishouden harer moeder.„Zou dat er nu ook zoo een zijn?” vroeg ze voort.„Misschien wel,” antwoordde George. „Waarom vraag je dat zoo? wat kan het je schelen?”„Och, zoo maar! Ik zou het zonde vinden. ’t Is zoo’n net meisje.”Heer bewaar ons! dacht hij in z’n eigen, wat een net perceeltje! Maar hij mocht natuurlijk niets laten blijken. Verbeeld-je, dat hij daar eens zei.…!„Nu ja, in sarong en kabaai!”„Och, ze zien er anders ook zoo kwaad niet uit! In een donkere japon.…”„’n Zwarte, moet je zeggen,” zei hij lachend, blij dat hij van het bijzondere in het algemeene kon overgaan. „’n Zwarte japon, dat is de ware kleur vantempo doeloe. Toen had elk harer ’n kast vol sarongs en kabaja’s en één japon; ’n zwarte!”Lachend zei Lena:„Het schijnt, dat jij heel veel in zulke kasten hebt gekeken.”[199]„’t Was vóór mijn tijd, kind! Er is nu veel veranderd, maar beter is het er niet op geworden.”Hij praatte druk door over de tegenwoordige modes en hoe bespottelijk sommige indische meisjes die droegen, met reusachtige tournures, die bij haar draaienden gang van bakboord naar stuurboord sloegen enzoovoort, en zoo pratend kwam hij op de heeren, hun allures en hun kleeding, enkel maar om ver, heel ver af te dwalen van dat erg hinderlijke onderwerp: Yps.[200]
[Inhoud]VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Getrouwd zijn.Het scheen een gelukkig huwelijk te zullen worden; een heel gelukkig huwelijk. Voirey had George in een goede zaak weten te krijgen, als deelgenoot, het was geen groot huis, maar zeer net en behoorlijk winstgevend, wat nog beter werd door de relaties die Voirey dadelijk aanbracht. Vermey kende zichzelven niet. Nu was hij een chef! Het is waar, dat het niet van zooveel beteekenis was, als de kantoren, waarop hij had gewerkt als employé, maar Keulen en Aken, dacht hij, enz. Wat niet was kon komen.Nog rechter liep hij, dan vroeger; hij had ineens ’n heel ander air over zich gekregen, en liet vroegere bekenden zooveel mogelijk „links” liggen.De zaakjes marcheerden en het huwelijksleven met Lena was hem meêgevallen. Over alles lag nu zoo’n echt fatsoenlijk waas. Hij ging ’s morgens naar zijn kantoor op tijd, en als hij ’s middags thuis kwam, dronken ze zamen[189]een kopje thee in de achtergalerij; alles was nieuw en frisch om hen heen en keurig netjes. Het genot van huiselijk comfort glom hem tegen en deed zich bij hem gevoelen, van de vingerdoekjes ’s morgens bij het ontbijt tot de zilveren couverts ’s avonds aan tafel.En ook hetce qu’on ne voit pashad zijne verwachtingen overtroffen; het schikte dus alles beter dan hij had gedacht; want hij was erg bang geweest voor zichzelven. Hij had wel eens gehoord dat juist jonge mannen zooals hij, die veel in de buitenlucht hadden geleefd, bij zekere gelegenheid een bijster mal figuur maakten door psychologische oorzaken. Maar dat was niet erg geweest! Hij had zoo gemakkelijk a gezegd, als een professor in .….het alphabet.Ze leefden nu al drie maanden, heel net en rustig, heel gezelligjes, en ze verheugden zich er ook reeds over, dat ze na een zeker aantal maanden nog wel even gezellig en net, maar niet meer zoo rustig zouden samen wonen.„Wat zal dat grappig zijn,” meende Vermey. En Lena keek hem nu aan met oogen vol liefde, doch die eerst dáárvan zoo vol geraakt warennahaar huwelijksdag; zij zag er kostelijk uit, dikker dan ze ooit geweest was, en dat stond haar goed; blanker ook dan vroeger in haar gezicht en hals; opgehelderd als groezelig indisch blondinetje door het fameuse huwelijk!„’t Zal heerlijk wezen,” zei ze.Hij lag in een langen Weener stoel z’n sigaar te rooken en pikirde over het geval. Wat was het toch gek met ’n mensch! Zestien jaren had hij inlandsche huishoudsters[190]gehad, en altijd onder de voorwaarde, dat er nimmer „ergens” quaestie van mocht wezen of anders gingen ze op staanden voet de deur uit. Men zei—en hij geloofde het—dat er niettemin onder de atappendaken van kamponghuizen bewijzen leefden van zijn—Vermey’s—afdwalingen op zoogenoemde „vroolijke avonden” en zoo. Hij gruwde van het idee, en had zich er ook nooit mee willen bemoeien; er nooit van willen hooren. Maar nu overviel hem een gevoel van groote teederheid, als hij dacht aan wat zou gebeuren in zijn huis, wanneer de tijd dáár was.„Hindert je het gekleed zijn niet?” vroeg hij toen Lena naar binnenging om haar toilet te maken, want zij zouden uitgaan.„Niet erg.”„We moeten vooral niet dwaas zijn. Als het je hindert, blijf je ongekleed en we gaan niet uit.”„Neen, zoover is het nog niet, George!”„Ik meen het in ernst!”„Dat zie ik wel. Maar verbeeld-je, dat we nu het vooruitzicht hadden in zooveel tijd geen enkele visite te maken!”„Wat zou het?”„En niet naar de muziekavonden te kunnen gaan in de sociëteit.”„Ook zoo erg niet.”„En ’s Zondags middags geen toertje rijden; niet naar de muziek op ’t plein.”„Kind, het zou mij waarachtig niet kunnen schelen.”Ze kwam achter hem en zoende hem. Het was toch vleiend voor haar, dat hij zoo absoluut niet gaf om uitgaan,[191]en volkomen genoegen nam met haar gezelschap alleen.„Al die opofferingen zijn niet noodig, vent. Het gekleed zijn hindert mij niets, en ik denk dat het vóór den laatsten tijd zoo erg ook niet worden zal.”„Goed! Als je je maar niet geneert voor mij; dàt vooral niet.”„Ik beloof het je. Als het zóóver is, kan je toch ’n paar malen in de week hetzij met kennissen ’n partijtje hier maken, hetzij naar hen toegaan.”„We zullen zien,” zei hij. Maar in gedachten stonden hem die partijtjes maar half aan. Hij ging heelemaal op thuis in een genotvol luieren. Lena had zich vergist. Het was niet in de eerste plaats de waardeering harer persoonlijkheid, die hem zoo bond aan zijn huis. Het was ’t lekkere eener weelderige onbezorgheid, dat hem nu bekoorde en innam. Dáár genoot hij van en dat was een zelfstandig genot, waarbij hij verder kon ontberen, wat hem niet dadelijk ter beschikking stond.Wat gaf hij om toertjes in een rijtuig, wat om de stafmuziek en de sociëteit? Hij was veel ouder dan zij, hield niet veel van muziek en zat in het gewoon dagelijksch dienstleven al meer „tusschen de wielen” dan hem aangenaam was. Thuis in zijn nette woning, die hij voortdurend verfraaide, waar hij zijn eigen fijne sigaren rookte, zijn eigen goede dranken dronk, en lekker kon zitten in nachtbroek en kabaai,—dáár was hij graag; dáár was hij het liefst met Lena, en hij zou er óók het liefst zijn geweest … zonder Lena. Hij was echter wel zoo wijs, dat niet te zeggen; maarhijdacht eraan toen ze naar binnen ging om[192]zich te kleeden, en hij glimlachte tegen de groote chineesche pullen, de fraaie japansche vazen, de kunstige bronzen beeldjes op voetstukken en de mooie schilderijen aan den muur.Ook Voirey was ermeê ingenomen. Wel vond hij, dat ze ’n beetje overdreven waren, met hun popperig volproppen van het huis met fraaiigheden en hun overdreven vertoon van welgedaanheid, maar het nam niet weg, dat Vermey hem meeviel in diens zaakje.„Ik ben er blij om,” zei Lena, en haar heele gezicht toonde dat.George was nog in de stad, toen Voirey zoo onverwacht binnen kwam en ’n kop thee vroeg.Hij liep rusteloos als altijd op en neer in de achtergalerij, blazend in de heete thee, die hij zonder suiker of melk dronk.„Het doet me plezier,” zei hij „pff! dat George nog niet zoo’n grauwen, pafferigen hollander is, als de meesten, die lang hier zijn; pff! hijlooptsoms nog.”„Je lijkt wel mal!” riep Lena lachend.Voirey keek schuin naar haar figuurtje, dat aardig begon te teekenen.„Wezenlijk Lena, hij wandelt niet altijd, dàt bedoel ik; hij haast zich soms en gooit dan flink zijn lange beenen uit, juist als iemand, die meent dat tijd ook geld is.”„Doen de andere heeren dat dan niet?”„Wel neen. De meesten wandelen met een begrafenispas, alsof het leven duizend jaren duurt. Ze doen me altijd denken aan haagsche ambtenaren in de Veenestraat.”„Nu, ik ben blij, dat je in de zaak over George niet te klagen hebt.”[193]„A propos, er is iets op til, hé?”„Hoe bedoel je dat?” vroeg zij verwonderd; ze dacht er wezenlijk in het geheel niet aan.„Nu je bent toch ook niet mevrouw Vermey geworden voor de aardigheid alleen,” schertste hij familiaar.Ze keerde zich om en kleurde.„Hè, dat is gemeen!”„Ben je dwaas kind? ’t Is heel eenvoudig.”„Ik vind het heel ongepast van George, en ik zal het hem straks ongemakkelijk zeggen.”„Waarom van George?” vroeg hij met een komiek gezicht, „waarom van hem zoo in ’t bijzonder?”„Wel, hij had daar niet over moeten spreken.”„O, is het dat? Nu maar, stel je dan gerust; hij heeft er niet over gesproken, hoor!”„’t Is wel waar!”„Ik verzeker je.…”„Hoe zou je het anders weten?”„Maar beste Lena, ik ben geen kind en ik heb gewoonlijk de oogen niet in den zak.”Boos keerde zij zich.„Jan, je bent ’n nare man.”Hij had ’n pret van belang en lachte zooals hij maar zelden deed; de chineesche mandarijntjes op de étagère knikten met hun licht beweegbare kopjes; ’t was of de luide klank van zijn stem, hard door het vroeger veelvuldig spreken in de open lucht, ze aan den gang had gemaakt.„De thee is goed, Lena; alleen wat warm; geef me nog ’n kopje.”[194]„Je drinkt ze af voor George,” zei ze hem half lachend, half verwijtend aanziende.„Da’s niks; dan doe je er maar wat bij; intusschen wou ik je iets ernstigs zeggen.”„’t Zal wat wezen!” pruilde ze, de thee schenkend.„Als het ’n jongen is.…”„Schei je nu haast uit!”„Wees toch niet dwaas; het is geen ijs en ’t zal niet smelten. Als het ’n jongen is, dan heet hij Jan en op zijn geboortedag doe ik vijf duizend gulden in zijn spaarpot.”Het viel Lena als een bom op het hart. Dat was nu wel haar laatste wensch, dat haar eerste zoon zoo’n ordinairen hollandschen naam zou dragen. Zij had hem al in stilte en zonder met haar man erover te spreken, George genoemd; dat vond ze ’n prachtigen naam. Nu ja, die vijf duizend gulden konden haar zooveel niet schelen. Voirey was er ook net een, die dacht, dat alles voor geld te koop was; zelfs de klank van een kindernaam voor een moederoor!Zij wilde het niet weigeren, maar ze hield zich toch goed en liet dat niet blijken.„Ja,” zei ze, nadenkend over het gewichtig voorstel, „daar moet ik eerst met George over spreken; hij heeft ook ’n stem in het kapittel.”„Hm! Dat is waar; nu, doe het dan.”Het scheen Voirey teleur te stellen, dat het niet dadelijk ging, zooals hij ’t wilde; maar hij moest erkennen, dat ze gelijk had, en hij deed het.[195]Zij had een zoete hoop op verzet tegen Voirey’s voorstel door haar man; zij zou hem dan ongetwijfeld hebben gesecondeerd. Maar toenhij’t hoorde, dadelijk bij zijn thuiskomst, zette hij ’n vroolijk gezicht en scheen zeer verheugd; hij vond het „prachtig,” en dat verdroot haar.„Ben je er dan niet op gesteld, dat ons oudste kind naar jou heet?”„Dat is te zeggen.… al was dat nou zoo.… We hebben groote verplichtingen aan neef Jan. Hij heeft ons altijd geholpen en wij zijn er nu geheel boven op. Zonder hem wasiknooit in de zaak gekomen, en dus hebben wij, en zullen later onze kinderen, hem veel te danken hebben. Hij is zeer rijk en ongetrouwd. Het is waarachtig een buitenkansje, voor ons, dat hij zelf vraagt peet te worden voor ons oudste kind.”„Dus jij ziet er van af,” vroeg ze teleurgesteld.„In dit geval, natuurlijk! Een volgend maal is het mijn beurt.”„Maar er kon wel eens geen volgend maal komen,” zei ze sentimenteel.Vermey lachte binnensmonds.„Laat dat maar loopen!” zei hij.Ze gaf hem een klap en lachte mee; en ze kusten elkaar in de binnengalerij dat het klapte.„Neen, heusch Lena,” zei hij daarna ernstiger. „Wij moeten er „lekker” meê zijn. Geen beter bewijs, dat hij ons bijzonder genegen is dan dát. Ik zie er meteen het teeken in, dat onze zaken ook naar zijn zin gaan.”Ze had er zich aan onderworpen, maar met grooten[196]tegenzin, en ze kon er zich niet aan gewennen. Ze dacht veel aan die naaste toekomst, maar het deed haar geen goed; het gaf haar iets, wat ze nooit had gehad vroeger: een sterke neiging tot te bed liggen en in luierstoelen zitten; ze kon dat zoo drie kwart dagen doen zonder noemenswaardige beweging; dan las ze heel veel in populair geneeskundige boeken over bevallingen en al wat daaraan gepaard kon gaan, en er uit kon voortvloeien.Altijd was ze gewoon geweest aan een werkzaam bewegelijk leven, en nu daar zoo lui en moedeloos toe te geven aan een neiging tot droomerijen, bracht haar gestel in de war.„Scheelt er wat aan?” vroeg George op een middag, terwijl hij haar met bezorgdheid aanzag.„Ik heb hoofdpijn.”„Je moet rust houden.”„Neen,” zei ze met een glimlach, „dat is het niet. Integendeel, ik houd te veel rust.”„Nu ja, ik weet hoe bedrijvig je altijd geweest bent over dag en in huis.”„Geloof me, dat is heelemaal over. Ik kan tegenwoordig uren achtereen zitten luieren.”„De meeste jonge vrouwen zien er in hun zwangerschap heel goed uit, heb ik weleens gehoord,” meende George aarzelend.„Ja zie je, ik heb gelezen, dat veel wandelen goed is. Ga je straks meê?”Natuurlijk ging hij meê; met het grootste genoegen; en zij, leunend aldoor, ’n beetje vermoeid, zwaar op zijn arm; hij rechtop den neus in den wind, zijn lange beenen[197]dwingend tot kleine stapjes, zoodat ze in schijn erg geaffecteerd langs den weg tripten, zonder eenig streven van dien aard.Op eens schrikte hij. Tien pas voor hen uit zag hij Yps aankomen; Yps die hij haast vergeten had; dat levendsouveniruit een afgesloten tijdperk in zijn leven; Yps die in zijn herinnering even veel jaren uit zijn tegenwoordig bestaan scheen te zijn gebannen, als het metterdaad maanden waren!Waarom hij schrikte wist hij niet. Hij had niets met die vrouw te maken. Wat deed het er toe of hij destijds met haar had geleefd? Dat was voorbij, en voor goed, want zijn positie was, door zijn wettig huwelijk geregeld, zoo heel anders geworden. Zij had niets van hem te vorderen; hij niet van haar.Hij keek haar niet aan, maar zag rechtuit over haar hoofd heen in de blauwe lucht. Of zij keek of niet, wist hij niet, en ’t kon hem niet schelen. Maar zij deed dat evenmin. Langzaam kwam ze hen te gemoet, onder den strakken sarong, die haar heupen afteekende, de beenen als het ware om elkaar heen naar voren schuivend; het was een mooie solosche sarong, die hij onwillekeurig met een oogopslag had herkend; hij had haar die cadeau gegeven toen hij eens ’n goede bui en ’n volle geldbeurs had; met haar sneeuwwitte korte kabaja met breede uit de hand geborduurde strooken, haar gouden en bloedkoralen armbanden en halsketting en den zwaren opbollenden rand poney-haar op het voorhoofd, was zij volmaakt dezelfde Yps van voor twee, drie jaren.[198]„Wat ’n mooie nonna is dat!” zei Lena, toen ze voorbij was.Zij zou dat vroeger nooit gezegd hebben, al had ze het gedacht; nu was ze getrouwd en haar oordeel over de soort van vrouwen, waaruit het meest zij voortkomen, die indische huwelijken in den weg staan, was zachter geworden.Nu ze zelf „een huishouden” had, zag ze ontzaglijk veel gebreken in de huishoudens van andere dames, waarop ze vroeger nooit zoo had gelet, al „deed” ze toen ook het huishouden harer moeder.„Zou dat er nu ook zoo een zijn?” vroeg ze voort.„Misschien wel,” antwoordde George. „Waarom vraag je dat zoo? wat kan het je schelen?”„Och, zoo maar! Ik zou het zonde vinden. ’t Is zoo’n net meisje.”Heer bewaar ons! dacht hij in z’n eigen, wat een net perceeltje! Maar hij mocht natuurlijk niets laten blijken. Verbeeld-je, dat hij daar eens zei.…!„Nu ja, in sarong en kabaai!”„Och, ze zien er anders ook zoo kwaad niet uit! In een donkere japon.…”„’n Zwarte, moet je zeggen,” zei hij lachend, blij dat hij van het bijzondere in het algemeene kon overgaan. „’n Zwarte japon, dat is de ware kleur vantempo doeloe. Toen had elk harer ’n kast vol sarongs en kabaja’s en één japon; ’n zwarte!”Lachend zei Lena:„Het schijnt, dat jij heel veel in zulke kasten hebt gekeken.”[199]„’t Was vóór mijn tijd, kind! Er is nu veel veranderd, maar beter is het er niet op geworden.”Hij praatte druk door over de tegenwoordige modes en hoe bespottelijk sommige indische meisjes die droegen, met reusachtige tournures, die bij haar draaienden gang van bakboord naar stuurboord sloegen enzoovoort, en zoo pratend kwam hij op de heeren, hun allures en hun kleeding, enkel maar om ver, heel ver af te dwalen van dat erg hinderlijke onderwerp: Yps.[200]
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Getrouwd zijn.
Het scheen een gelukkig huwelijk te zullen worden; een heel gelukkig huwelijk. Voirey had George in een goede zaak weten te krijgen, als deelgenoot, het was geen groot huis, maar zeer net en behoorlijk winstgevend, wat nog beter werd door de relaties die Voirey dadelijk aanbracht. Vermey kende zichzelven niet. Nu was hij een chef! Het is waar, dat het niet van zooveel beteekenis was, als de kantoren, waarop hij had gewerkt als employé, maar Keulen en Aken, dacht hij, enz. Wat niet was kon komen.Nog rechter liep hij, dan vroeger; hij had ineens ’n heel ander air over zich gekregen, en liet vroegere bekenden zooveel mogelijk „links” liggen.De zaakjes marcheerden en het huwelijksleven met Lena was hem meêgevallen. Over alles lag nu zoo’n echt fatsoenlijk waas. Hij ging ’s morgens naar zijn kantoor op tijd, en als hij ’s middags thuis kwam, dronken ze zamen[189]een kopje thee in de achtergalerij; alles was nieuw en frisch om hen heen en keurig netjes. Het genot van huiselijk comfort glom hem tegen en deed zich bij hem gevoelen, van de vingerdoekjes ’s morgens bij het ontbijt tot de zilveren couverts ’s avonds aan tafel.En ook hetce qu’on ne voit pashad zijne verwachtingen overtroffen; het schikte dus alles beter dan hij had gedacht; want hij was erg bang geweest voor zichzelven. Hij had wel eens gehoord dat juist jonge mannen zooals hij, die veel in de buitenlucht hadden geleefd, bij zekere gelegenheid een bijster mal figuur maakten door psychologische oorzaken. Maar dat was niet erg geweest! Hij had zoo gemakkelijk a gezegd, als een professor in .….het alphabet.Ze leefden nu al drie maanden, heel net en rustig, heel gezelligjes, en ze verheugden zich er ook reeds over, dat ze na een zeker aantal maanden nog wel even gezellig en net, maar niet meer zoo rustig zouden samen wonen.„Wat zal dat grappig zijn,” meende Vermey. En Lena keek hem nu aan met oogen vol liefde, doch die eerst dáárvan zoo vol geraakt warennahaar huwelijksdag; zij zag er kostelijk uit, dikker dan ze ooit geweest was, en dat stond haar goed; blanker ook dan vroeger in haar gezicht en hals; opgehelderd als groezelig indisch blondinetje door het fameuse huwelijk!„’t Zal heerlijk wezen,” zei ze.Hij lag in een langen Weener stoel z’n sigaar te rooken en pikirde over het geval. Wat was het toch gek met ’n mensch! Zestien jaren had hij inlandsche huishoudsters[190]gehad, en altijd onder de voorwaarde, dat er nimmer „ergens” quaestie van mocht wezen of anders gingen ze op staanden voet de deur uit. Men zei—en hij geloofde het—dat er niettemin onder de atappendaken van kamponghuizen bewijzen leefden van zijn—Vermey’s—afdwalingen op zoogenoemde „vroolijke avonden” en zoo. Hij gruwde van het idee, en had zich er ook nooit mee willen bemoeien; er nooit van willen hooren. Maar nu overviel hem een gevoel van groote teederheid, als hij dacht aan wat zou gebeuren in zijn huis, wanneer de tijd dáár was.„Hindert je het gekleed zijn niet?” vroeg hij toen Lena naar binnenging om haar toilet te maken, want zij zouden uitgaan.„Niet erg.”„We moeten vooral niet dwaas zijn. Als het je hindert, blijf je ongekleed en we gaan niet uit.”„Neen, zoover is het nog niet, George!”„Ik meen het in ernst!”„Dat zie ik wel. Maar verbeeld-je, dat we nu het vooruitzicht hadden in zooveel tijd geen enkele visite te maken!”„Wat zou het?”„En niet naar de muziekavonden te kunnen gaan in de sociëteit.”„Ook zoo erg niet.”„En ’s Zondags middags geen toertje rijden; niet naar de muziek op ’t plein.”„Kind, het zou mij waarachtig niet kunnen schelen.”Ze kwam achter hem en zoende hem. Het was toch vleiend voor haar, dat hij zoo absoluut niet gaf om uitgaan,[191]en volkomen genoegen nam met haar gezelschap alleen.„Al die opofferingen zijn niet noodig, vent. Het gekleed zijn hindert mij niets, en ik denk dat het vóór den laatsten tijd zoo erg ook niet worden zal.”„Goed! Als je je maar niet geneert voor mij; dàt vooral niet.”„Ik beloof het je. Als het zóóver is, kan je toch ’n paar malen in de week hetzij met kennissen ’n partijtje hier maken, hetzij naar hen toegaan.”„We zullen zien,” zei hij. Maar in gedachten stonden hem die partijtjes maar half aan. Hij ging heelemaal op thuis in een genotvol luieren. Lena had zich vergist. Het was niet in de eerste plaats de waardeering harer persoonlijkheid, die hem zoo bond aan zijn huis. Het was ’t lekkere eener weelderige onbezorgheid, dat hem nu bekoorde en innam. Dáár genoot hij van en dat was een zelfstandig genot, waarbij hij verder kon ontberen, wat hem niet dadelijk ter beschikking stond.Wat gaf hij om toertjes in een rijtuig, wat om de stafmuziek en de sociëteit? Hij was veel ouder dan zij, hield niet veel van muziek en zat in het gewoon dagelijksch dienstleven al meer „tusschen de wielen” dan hem aangenaam was. Thuis in zijn nette woning, die hij voortdurend verfraaide, waar hij zijn eigen fijne sigaren rookte, zijn eigen goede dranken dronk, en lekker kon zitten in nachtbroek en kabaai,—dáár was hij graag; dáár was hij het liefst met Lena, en hij zou er óók het liefst zijn geweest … zonder Lena. Hij was echter wel zoo wijs, dat niet te zeggen; maarhijdacht eraan toen ze naar binnen ging om[192]zich te kleeden, en hij glimlachte tegen de groote chineesche pullen, de fraaie japansche vazen, de kunstige bronzen beeldjes op voetstukken en de mooie schilderijen aan den muur.Ook Voirey was ermeê ingenomen. Wel vond hij, dat ze ’n beetje overdreven waren, met hun popperig volproppen van het huis met fraaiigheden en hun overdreven vertoon van welgedaanheid, maar het nam niet weg, dat Vermey hem meeviel in diens zaakje.„Ik ben er blij om,” zei Lena, en haar heele gezicht toonde dat.George was nog in de stad, toen Voirey zoo onverwacht binnen kwam en ’n kop thee vroeg.Hij liep rusteloos als altijd op en neer in de achtergalerij, blazend in de heete thee, die hij zonder suiker of melk dronk.„Het doet me plezier,” zei hij „pff! dat George nog niet zoo’n grauwen, pafferigen hollander is, als de meesten, die lang hier zijn; pff! hijlooptsoms nog.”„Je lijkt wel mal!” riep Lena lachend.Voirey keek schuin naar haar figuurtje, dat aardig begon te teekenen.„Wezenlijk Lena, hij wandelt niet altijd, dàt bedoel ik; hij haast zich soms en gooit dan flink zijn lange beenen uit, juist als iemand, die meent dat tijd ook geld is.”„Doen de andere heeren dat dan niet?”„Wel neen. De meesten wandelen met een begrafenispas, alsof het leven duizend jaren duurt. Ze doen me altijd denken aan haagsche ambtenaren in de Veenestraat.”„Nu, ik ben blij, dat je in de zaak over George niet te klagen hebt.”[193]„A propos, er is iets op til, hé?”„Hoe bedoel je dat?” vroeg zij verwonderd; ze dacht er wezenlijk in het geheel niet aan.„Nu je bent toch ook niet mevrouw Vermey geworden voor de aardigheid alleen,” schertste hij familiaar.Ze keerde zich om en kleurde.„Hè, dat is gemeen!”„Ben je dwaas kind? ’t Is heel eenvoudig.”„Ik vind het heel ongepast van George, en ik zal het hem straks ongemakkelijk zeggen.”„Waarom van George?” vroeg hij met een komiek gezicht, „waarom van hem zoo in ’t bijzonder?”„Wel, hij had daar niet over moeten spreken.”„O, is het dat? Nu maar, stel je dan gerust; hij heeft er niet over gesproken, hoor!”„’t Is wel waar!”„Ik verzeker je.…”„Hoe zou je het anders weten?”„Maar beste Lena, ik ben geen kind en ik heb gewoonlijk de oogen niet in den zak.”Boos keerde zij zich.„Jan, je bent ’n nare man.”Hij had ’n pret van belang en lachte zooals hij maar zelden deed; de chineesche mandarijntjes op de étagère knikten met hun licht beweegbare kopjes; ’t was of de luide klank van zijn stem, hard door het vroeger veelvuldig spreken in de open lucht, ze aan den gang had gemaakt.„De thee is goed, Lena; alleen wat warm; geef me nog ’n kopje.”[194]„Je drinkt ze af voor George,” zei ze hem half lachend, half verwijtend aanziende.„Da’s niks; dan doe je er maar wat bij; intusschen wou ik je iets ernstigs zeggen.”„’t Zal wat wezen!” pruilde ze, de thee schenkend.„Als het ’n jongen is.…”„Schei je nu haast uit!”„Wees toch niet dwaas; het is geen ijs en ’t zal niet smelten. Als het ’n jongen is, dan heet hij Jan en op zijn geboortedag doe ik vijf duizend gulden in zijn spaarpot.”Het viel Lena als een bom op het hart. Dat was nu wel haar laatste wensch, dat haar eerste zoon zoo’n ordinairen hollandschen naam zou dragen. Zij had hem al in stilte en zonder met haar man erover te spreken, George genoemd; dat vond ze ’n prachtigen naam. Nu ja, die vijf duizend gulden konden haar zooveel niet schelen. Voirey was er ook net een, die dacht, dat alles voor geld te koop was; zelfs de klank van een kindernaam voor een moederoor!Zij wilde het niet weigeren, maar ze hield zich toch goed en liet dat niet blijken.„Ja,” zei ze, nadenkend over het gewichtig voorstel, „daar moet ik eerst met George over spreken; hij heeft ook ’n stem in het kapittel.”„Hm! Dat is waar; nu, doe het dan.”Het scheen Voirey teleur te stellen, dat het niet dadelijk ging, zooals hij ’t wilde; maar hij moest erkennen, dat ze gelijk had, en hij deed het.[195]Zij had een zoete hoop op verzet tegen Voirey’s voorstel door haar man; zij zou hem dan ongetwijfeld hebben gesecondeerd. Maar toenhij’t hoorde, dadelijk bij zijn thuiskomst, zette hij ’n vroolijk gezicht en scheen zeer verheugd; hij vond het „prachtig,” en dat verdroot haar.„Ben je er dan niet op gesteld, dat ons oudste kind naar jou heet?”„Dat is te zeggen.… al was dat nou zoo.… We hebben groote verplichtingen aan neef Jan. Hij heeft ons altijd geholpen en wij zijn er nu geheel boven op. Zonder hem wasiknooit in de zaak gekomen, en dus hebben wij, en zullen later onze kinderen, hem veel te danken hebben. Hij is zeer rijk en ongetrouwd. Het is waarachtig een buitenkansje, voor ons, dat hij zelf vraagt peet te worden voor ons oudste kind.”„Dus jij ziet er van af,” vroeg ze teleurgesteld.„In dit geval, natuurlijk! Een volgend maal is het mijn beurt.”„Maar er kon wel eens geen volgend maal komen,” zei ze sentimenteel.Vermey lachte binnensmonds.„Laat dat maar loopen!” zei hij.Ze gaf hem een klap en lachte mee; en ze kusten elkaar in de binnengalerij dat het klapte.„Neen, heusch Lena,” zei hij daarna ernstiger. „Wij moeten er „lekker” meê zijn. Geen beter bewijs, dat hij ons bijzonder genegen is dan dát. Ik zie er meteen het teeken in, dat onze zaken ook naar zijn zin gaan.”Ze had er zich aan onderworpen, maar met grooten[196]tegenzin, en ze kon er zich niet aan gewennen. Ze dacht veel aan die naaste toekomst, maar het deed haar geen goed; het gaf haar iets, wat ze nooit had gehad vroeger: een sterke neiging tot te bed liggen en in luierstoelen zitten; ze kon dat zoo drie kwart dagen doen zonder noemenswaardige beweging; dan las ze heel veel in populair geneeskundige boeken over bevallingen en al wat daaraan gepaard kon gaan, en er uit kon voortvloeien.Altijd was ze gewoon geweest aan een werkzaam bewegelijk leven, en nu daar zoo lui en moedeloos toe te geven aan een neiging tot droomerijen, bracht haar gestel in de war.„Scheelt er wat aan?” vroeg George op een middag, terwijl hij haar met bezorgdheid aanzag.„Ik heb hoofdpijn.”„Je moet rust houden.”„Neen,” zei ze met een glimlach, „dat is het niet. Integendeel, ik houd te veel rust.”„Nu ja, ik weet hoe bedrijvig je altijd geweest bent over dag en in huis.”„Geloof me, dat is heelemaal over. Ik kan tegenwoordig uren achtereen zitten luieren.”„De meeste jonge vrouwen zien er in hun zwangerschap heel goed uit, heb ik weleens gehoord,” meende George aarzelend.„Ja zie je, ik heb gelezen, dat veel wandelen goed is. Ga je straks meê?”Natuurlijk ging hij meê; met het grootste genoegen; en zij, leunend aldoor, ’n beetje vermoeid, zwaar op zijn arm; hij rechtop den neus in den wind, zijn lange beenen[197]dwingend tot kleine stapjes, zoodat ze in schijn erg geaffecteerd langs den weg tripten, zonder eenig streven van dien aard.Op eens schrikte hij. Tien pas voor hen uit zag hij Yps aankomen; Yps die hij haast vergeten had; dat levendsouveniruit een afgesloten tijdperk in zijn leven; Yps die in zijn herinnering even veel jaren uit zijn tegenwoordig bestaan scheen te zijn gebannen, als het metterdaad maanden waren!Waarom hij schrikte wist hij niet. Hij had niets met die vrouw te maken. Wat deed het er toe of hij destijds met haar had geleefd? Dat was voorbij, en voor goed, want zijn positie was, door zijn wettig huwelijk geregeld, zoo heel anders geworden. Zij had niets van hem te vorderen; hij niet van haar.Hij keek haar niet aan, maar zag rechtuit over haar hoofd heen in de blauwe lucht. Of zij keek of niet, wist hij niet, en ’t kon hem niet schelen. Maar zij deed dat evenmin. Langzaam kwam ze hen te gemoet, onder den strakken sarong, die haar heupen afteekende, de beenen als het ware om elkaar heen naar voren schuivend; het was een mooie solosche sarong, die hij onwillekeurig met een oogopslag had herkend; hij had haar die cadeau gegeven toen hij eens ’n goede bui en ’n volle geldbeurs had; met haar sneeuwwitte korte kabaja met breede uit de hand geborduurde strooken, haar gouden en bloedkoralen armbanden en halsketting en den zwaren opbollenden rand poney-haar op het voorhoofd, was zij volmaakt dezelfde Yps van voor twee, drie jaren.[198]„Wat ’n mooie nonna is dat!” zei Lena, toen ze voorbij was.Zij zou dat vroeger nooit gezegd hebben, al had ze het gedacht; nu was ze getrouwd en haar oordeel over de soort van vrouwen, waaruit het meest zij voortkomen, die indische huwelijken in den weg staan, was zachter geworden.Nu ze zelf „een huishouden” had, zag ze ontzaglijk veel gebreken in de huishoudens van andere dames, waarop ze vroeger nooit zoo had gelet, al „deed” ze toen ook het huishouden harer moeder.„Zou dat er nu ook zoo een zijn?” vroeg ze voort.„Misschien wel,” antwoordde George. „Waarom vraag je dat zoo? wat kan het je schelen?”„Och, zoo maar! Ik zou het zonde vinden. ’t Is zoo’n net meisje.”Heer bewaar ons! dacht hij in z’n eigen, wat een net perceeltje! Maar hij mocht natuurlijk niets laten blijken. Verbeeld-je, dat hij daar eens zei.…!„Nu ja, in sarong en kabaai!”„Och, ze zien er anders ook zoo kwaad niet uit! In een donkere japon.…”„’n Zwarte, moet je zeggen,” zei hij lachend, blij dat hij van het bijzondere in het algemeene kon overgaan. „’n Zwarte japon, dat is de ware kleur vantempo doeloe. Toen had elk harer ’n kast vol sarongs en kabaja’s en één japon; ’n zwarte!”Lachend zei Lena:„Het schijnt, dat jij heel veel in zulke kasten hebt gekeken.”[199]„’t Was vóór mijn tijd, kind! Er is nu veel veranderd, maar beter is het er niet op geworden.”Hij praatte druk door over de tegenwoordige modes en hoe bespottelijk sommige indische meisjes die droegen, met reusachtige tournures, die bij haar draaienden gang van bakboord naar stuurboord sloegen enzoovoort, en zoo pratend kwam hij op de heeren, hun allures en hun kleeding, enkel maar om ver, heel ver af te dwalen van dat erg hinderlijke onderwerp: Yps.[200]
Het scheen een gelukkig huwelijk te zullen worden; een heel gelukkig huwelijk. Voirey had George in een goede zaak weten te krijgen, als deelgenoot, het was geen groot huis, maar zeer net en behoorlijk winstgevend, wat nog beter werd door de relaties die Voirey dadelijk aanbracht. Vermey kende zichzelven niet. Nu was hij een chef! Het is waar, dat het niet van zooveel beteekenis was, als de kantoren, waarop hij had gewerkt als employé, maar Keulen en Aken, dacht hij, enz. Wat niet was kon komen.
Nog rechter liep hij, dan vroeger; hij had ineens ’n heel ander air over zich gekregen, en liet vroegere bekenden zooveel mogelijk „links” liggen.
De zaakjes marcheerden en het huwelijksleven met Lena was hem meêgevallen. Over alles lag nu zoo’n echt fatsoenlijk waas. Hij ging ’s morgens naar zijn kantoor op tijd, en als hij ’s middags thuis kwam, dronken ze zamen[189]een kopje thee in de achtergalerij; alles was nieuw en frisch om hen heen en keurig netjes. Het genot van huiselijk comfort glom hem tegen en deed zich bij hem gevoelen, van de vingerdoekjes ’s morgens bij het ontbijt tot de zilveren couverts ’s avonds aan tafel.
En ook hetce qu’on ne voit pashad zijne verwachtingen overtroffen; het schikte dus alles beter dan hij had gedacht; want hij was erg bang geweest voor zichzelven. Hij had wel eens gehoord dat juist jonge mannen zooals hij, die veel in de buitenlucht hadden geleefd, bij zekere gelegenheid een bijster mal figuur maakten door psychologische oorzaken. Maar dat was niet erg geweest! Hij had zoo gemakkelijk a gezegd, als een professor in .….het alphabet.
Ze leefden nu al drie maanden, heel net en rustig, heel gezelligjes, en ze verheugden zich er ook reeds over, dat ze na een zeker aantal maanden nog wel even gezellig en net, maar niet meer zoo rustig zouden samen wonen.
„Wat zal dat grappig zijn,” meende Vermey. En Lena keek hem nu aan met oogen vol liefde, doch die eerst dáárvan zoo vol geraakt warennahaar huwelijksdag; zij zag er kostelijk uit, dikker dan ze ooit geweest was, en dat stond haar goed; blanker ook dan vroeger in haar gezicht en hals; opgehelderd als groezelig indisch blondinetje door het fameuse huwelijk!
„’t Zal heerlijk wezen,” zei ze.
Hij lag in een langen Weener stoel z’n sigaar te rooken en pikirde over het geval. Wat was het toch gek met ’n mensch! Zestien jaren had hij inlandsche huishoudsters[190]gehad, en altijd onder de voorwaarde, dat er nimmer „ergens” quaestie van mocht wezen of anders gingen ze op staanden voet de deur uit. Men zei—en hij geloofde het—dat er niettemin onder de atappendaken van kamponghuizen bewijzen leefden van zijn—Vermey’s—afdwalingen op zoogenoemde „vroolijke avonden” en zoo. Hij gruwde van het idee, en had zich er ook nooit mee willen bemoeien; er nooit van willen hooren. Maar nu overviel hem een gevoel van groote teederheid, als hij dacht aan wat zou gebeuren in zijn huis, wanneer de tijd dáár was.
„Hindert je het gekleed zijn niet?” vroeg hij toen Lena naar binnenging om haar toilet te maken, want zij zouden uitgaan.
„Niet erg.”
„We moeten vooral niet dwaas zijn. Als het je hindert, blijf je ongekleed en we gaan niet uit.”
„Neen, zoover is het nog niet, George!”
„Ik meen het in ernst!”
„Dat zie ik wel. Maar verbeeld-je, dat we nu het vooruitzicht hadden in zooveel tijd geen enkele visite te maken!”
„Wat zou het?”
„En niet naar de muziekavonden te kunnen gaan in de sociëteit.”
„Ook zoo erg niet.”
„En ’s Zondags middags geen toertje rijden; niet naar de muziek op ’t plein.”
„Kind, het zou mij waarachtig niet kunnen schelen.”
Ze kwam achter hem en zoende hem. Het was toch vleiend voor haar, dat hij zoo absoluut niet gaf om uitgaan,[191]en volkomen genoegen nam met haar gezelschap alleen.
„Al die opofferingen zijn niet noodig, vent. Het gekleed zijn hindert mij niets, en ik denk dat het vóór den laatsten tijd zoo erg ook niet worden zal.”
„Goed! Als je je maar niet geneert voor mij; dàt vooral niet.”
„Ik beloof het je. Als het zóóver is, kan je toch ’n paar malen in de week hetzij met kennissen ’n partijtje hier maken, hetzij naar hen toegaan.”
„We zullen zien,” zei hij. Maar in gedachten stonden hem die partijtjes maar half aan. Hij ging heelemaal op thuis in een genotvol luieren. Lena had zich vergist. Het was niet in de eerste plaats de waardeering harer persoonlijkheid, die hem zoo bond aan zijn huis. Het was ’t lekkere eener weelderige onbezorgheid, dat hem nu bekoorde en innam. Dáár genoot hij van en dat was een zelfstandig genot, waarbij hij verder kon ontberen, wat hem niet dadelijk ter beschikking stond.
Wat gaf hij om toertjes in een rijtuig, wat om de stafmuziek en de sociëteit? Hij was veel ouder dan zij, hield niet veel van muziek en zat in het gewoon dagelijksch dienstleven al meer „tusschen de wielen” dan hem aangenaam was. Thuis in zijn nette woning, die hij voortdurend verfraaide, waar hij zijn eigen fijne sigaren rookte, zijn eigen goede dranken dronk, en lekker kon zitten in nachtbroek en kabaai,—dáár was hij graag; dáár was hij het liefst met Lena, en hij zou er óók het liefst zijn geweest … zonder Lena. Hij was echter wel zoo wijs, dat niet te zeggen; maarhijdacht eraan toen ze naar binnen ging om[192]zich te kleeden, en hij glimlachte tegen de groote chineesche pullen, de fraaie japansche vazen, de kunstige bronzen beeldjes op voetstukken en de mooie schilderijen aan den muur.
Ook Voirey was ermeê ingenomen. Wel vond hij, dat ze ’n beetje overdreven waren, met hun popperig volproppen van het huis met fraaiigheden en hun overdreven vertoon van welgedaanheid, maar het nam niet weg, dat Vermey hem meeviel in diens zaakje.
„Ik ben er blij om,” zei Lena, en haar heele gezicht toonde dat.
George was nog in de stad, toen Voirey zoo onverwacht binnen kwam en ’n kop thee vroeg.
Hij liep rusteloos als altijd op en neer in de achtergalerij, blazend in de heete thee, die hij zonder suiker of melk dronk.
„Het doet me plezier,” zei hij „pff! dat George nog niet zoo’n grauwen, pafferigen hollander is, als de meesten, die lang hier zijn; pff! hijlooptsoms nog.”
„Je lijkt wel mal!” riep Lena lachend.
Voirey keek schuin naar haar figuurtje, dat aardig begon te teekenen.
„Wezenlijk Lena, hij wandelt niet altijd, dàt bedoel ik; hij haast zich soms en gooit dan flink zijn lange beenen uit, juist als iemand, die meent dat tijd ook geld is.”
„Doen de andere heeren dat dan niet?”
„Wel neen. De meesten wandelen met een begrafenispas, alsof het leven duizend jaren duurt. Ze doen me altijd denken aan haagsche ambtenaren in de Veenestraat.”
„Nu, ik ben blij, dat je in de zaak over George niet te klagen hebt.”[193]
„A propos, er is iets op til, hé?”
„Hoe bedoel je dat?” vroeg zij verwonderd; ze dacht er wezenlijk in het geheel niet aan.
„Nu je bent toch ook niet mevrouw Vermey geworden voor de aardigheid alleen,” schertste hij familiaar.
Ze keerde zich om en kleurde.
„Hè, dat is gemeen!”
„Ben je dwaas kind? ’t Is heel eenvoudig.”
„Ik vind het heel ongepast van George, en ik zal het hem straks ongemakkelijk zeggen.”
„Waarom van George?” vroeg hij met een komiek gezicht, „waarom van hem zoo in ’t bijzonder?”
„Wel, hij had daar niet over moeten spreken.”
„O, is het dat? Nu maar, stel je dan gerust; hij heeft er niet over gesproken, hoor!”
„’t Is wel waar!”
„Ik verzeker je.…”
„Hoe zou je het anders weten?”
„Maar beste Lena, ik ben geen kind en ik heb gewoonlijk de oogen niet in den zak.”
Boos keerde zij zich.
„Jan, je bent ’n nare man.”
Hij had ’n pret van belang en lachte zooals hij maar zelden deed; de chineesche mandarijntjes op de étagère knikten met hun licht beweegbare kopjes; ’t was of de luide klank van zijn stem, hard door het vroeger veelvuldig spreken in de open lucht, ze aan den gang had gemaakt.
„De thee is goed, Lena; alleen wat warm; geef me nog ’n kopje.”[194]
„Je drinkt ze af voor George,” zei ze hem half lachend, half verwijtend aanziende.
„Da’s niks; dan doe je er maar wat bij; intusschen wou ik je iets ernstigs zeggen.”
„’t Zal wat wezen!” pruilde ze, de thee schenkend.
„Als het ’n jongen is.…”
„Schei je nu haast uit!”
„Wees toch niet dwaas; het is geen ijs en ’t zal niet smelten. Als het ’n jongen is, dan heet hij Jan en op zijn geboortedag doe ik vijf duizend gulden in zijn spaarpot.”
Het viel Lena als een bom op het hart. Dat was nu wel haar laatste wensch, dat haar eerste zoon zoo’n ordinairen hollandschen naam zou dragen. Zij had hem al in stilte en zonder met haar man erover te spreken, George genoemd; dat vond ze ’n prachtigen naam. Nu ja, die vijf duizend gulden konden haar zooveel niet schelen. Voirey was er ook net een, die dacht, dat alles voor geld te koop was; zelfs de klank van een kindernaam voor een moederoor!
Zij wilde het niet weigeren, maar ze hield zich toch goed en liet dat niet blijken.
„Ja,” zei ze, nadenkend over het gewichtig voorstel, „daar moet ik eerst met George over spreken; hij heeft ook ’n stem in het kapittel.”
„Hm! Dat is waar; nu, doe het dan.”
Het scheen Voirey teleur te stellen, dat het niet dadelijk ging, zooals hij ’t wilde; maar hij moest erkennen, dat ze gelijk had, en hij deed het.[195]
Zij had een zoete hoop op verzet tegen Voirey’s voorstel door haar man; zij zou hem dan ongetwijfeld hebben gesecondeerd. Maar toenhij’t hoorde, dadelijk bij zijn thuiskomst, zette hij ’n vroolijk gezicht en scheen zeer verheugd; hij vond het „prachtig,” en dat verdroot haar.
„Ben je er dan niet op gesteld, dat ons oudste kind naar jou heet?”
„Dat is te zeggen.… al was dat nou zoo.… We hebben groote verplichtingen aan neef Jan. Hij heeft ons altijd geholpen en wij zijn er nu geheel boven op. Zonder hem wasiknooit in de zaak gekomen, en dus hebben wij, en zullen later onze kinderen, hem veel te danken hebben. Hij is zeer rijk en ongetrouwd. Het is waarachtig een buitenkansje, voor ons, dat hij zelf vraagt peet te worden voor ons oudste kind.”
„Dus jij ziet er van af,” vroeg ze teleurgesteld.
„In dit geval, natuurlijk! Een volgend maal is het mijn beurt.”
„Maar er kon wel eens geen volgend maal komen,” zei ze sentimenteel.
Vermey lachte binnensmonds.
„Laat dat maar loopen!” zei hij.
Ze gaf hem een klap en lachte mee; en ze kusten elkaar in de binnengalerij dat het klapte.
„Neen, heusch Lena,” zei hij daarna ernstiger. „Wij moeten er „lekker” meê zijn. Geen beter bewijs, dat hij ons bijzonder genegen is dan dát. Ik zie er meteen het teeken in, dat onze zaken ook naar zijn zin gaan.”
Ze had er zich aan onderworpen, maar met grooten[196]tegenzin, en ze kon er zich niet aan gewennen. Ze dacht veel aan die naaste toekomst, maar het deed haar geen goed; het gaf haar iets, wat ze nooit had gehad vroeger: een sterke neiging tot te bed liggen en in luierstoelen zitten; ze kon dat zoo drie kwart dagen doen zonder noemenswaardige beweging; dan las ze heel veel in populair geneeskundige boeken over bevallingen en al wat daaraan gepaard kon gaan, en er uit kon voortvloeien.
Altijd was ze gewoon geweest aan een werkzaam bewegelijk leven, en nu daar zoo lui en moedeloos toe te geven aan een neiging tot droomerijen, bracht haar gestel in de war.
„Scheelt er wat aan?” vroeg George op een middag, terwijl hij haar met bezorgdheid aanzag.
„Ik heb hoofdpijn.”
„Je moet rust houden.”
„Neen,” zei ze met een glimlach, „dat is het niet. Integendeel, ik houd te veel rust.”
„Nu ja, ik weet hoe bedrijvig je altijd geweest bent over dag en in huis.”
„Geloof me, dat is heelemaal over. Ik kan tegenwoordig uren achtereen zitten luieren.”
„De meeste jonge vrouwen zien er in hun zwangerschap heel goed uit, heb ik weleens gehoord,” meende George aarzelend.
„Ja zie je, ik heb gelezen, dat veel wandelen goed is. Ga je straks meê?”
Natuurlijk ging hij meê; met het grootste genoegen; en zij, leunend aldoor, ’n beetje vermoeid, zwaar op zijn arm; hij rechtop den neus in den wind, zijn lange beenen[197]dwingend tot kleine stapjes, zoodat ze in schijn erg geaffecteerd langs den weg tripten, zonder eenig streven van dien aard.
Op eens schrikte hij. Tien pas voor hen uit zag hij Yps aankomen; Yps die hij haast vergeten had; dat levendsouveniruit een afgesloten tijdperk in zijn leven; Yps die in zijn herinnering even veel jaren uit zijn tegenwoordig bestaan scheen te zijn gebannen, als het metterdaad maanden waren!
Waarom hij schrikte wist hij niet. Hij had niets met die vrouw te maken. Wat deed het er toe of hij destijds met haar had geleefd? Dat was voorbij, en voor goed, want zijn positie was, door zijn wettig huwelijk geregeld, zoo heel anders geworden. Zij had niets van hem te vorderen; hij niet van haar.
Hij keek haar niet aan, maar zag rechtuit over haar hoofd heen in de blauwe lucht. Of zij keek of niet, wist hij niet, en ’t kon hem niet schelen. Maar zij deed dat evenmin. Langzaam kwam ze hen te gemoet, onder den strakken sarong, die haar heupen afteekende, de beenen als het ware om elkaar heen naar voren schuivend; het was een mooie solosche sarong, die hij onwillekeurig met een oogopslag had herkend; hij had haar die cadeau gegeven toen hij eens ’n goede bui en ’n volle geldbeurs had; met haar sneeuwwitte korte kabaja met breede uit de hand geborduurde strooken, haar gouden en bloedkoralen armbanden en halsketting en den zwaren opbollenden rand poney-haar op het voorhoofd, was zij volmaakt dezelfde Yps van voor twee, drie jaren.[198]
„Wat ’n mooie nonna is dat!” zei Lena, toen ze voorbij was.
Zij zou dat vroeger nooit gezegd hebben, al had ze het gedacht; nu was ze getrouwd en haar oordeel over de soort van vrouwen, waaruit het meest zij voortkomen, die indische huwelijken in den weg staan, was zachter geworden.
Nu ze zelf „een huishouden” had, zag ze ontzaglijk veel gebreken in de huishoudens van andere dames, waarop ze vroeger nooit zoo had gelet, al „deed” ze toen ook het huishouden harer moeder.
„Zou dat er nu ook zoo een zijn?” vroeg ze voort.
„Misschien wel,” antwoordde George. „Waarom vraag je dat zoo? wat kan het je schelen?”
„Och, zoo maar! Ik zou het zonde vinden. ’t Is zoo’n net meisje.”
Heer bewaar ons! dacht hij in z’n eigen, wat een net perceeltje! Maar hij mocht natuurlijk niets laten blijken. Verbeeld-je, dat hij daar eens zei.…!
„Nu ja, in sarong en kabaai!”
„Och, ze zien er anders ook zoo kwaad niet uit! In een donkere japon.…”
„’n Zwarte, moet je zeggen,” zei hij lachend, blij dat hij van het bijzondere in het algemeene kon overgaan. „’n Zwarte japon, dat is de ware kleur vantempo doeloe. Toen had elk harer ’n kast vol sarongs en kabaja’s en één japon; ’n zwarte!”
Lachend zei Lena:
„Het schijnt, dat jij heel veel in zulke kasten hebt gekeken.”[199]
„’t Was vóór mijn tijd, kind! Er is nu veel veranderd, maar beter is het er niet op geworden.”
Hij praatte druk door over de tegenwoordige modes en hoe bespottelijk sommige indische meisjes die droegen, met reusachtige tournures, die bij haar draaienden gang van bakboord naar stuurboord sloegen enzoovoort, en zoo pratend kwam hij op de heeren, hun allures en hun kleeding, enkel maar om ver, heel ver af te dwalen van dat erg hinderlijke onderwerp: Yps.[200]