VIJFDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]VIJFDE HOOFDSTUK.Lena’s moeder.Lena was nauwelijks in de voorgalerij, of haar vader kwam haar tegemoet, met een gezicht vol uitdrukking van plezier en lustigheid; hij riep haar niets toe, dan een „Wel?” met een stemintonatie waaruit de verwachting van ’n aangename tijding sprak. Hij schrikte toen hij in ’t licht der lamp, die juist ontstoken werd, haar gezicht zag; nu bleek en boos; zoo boos als hij niet gemeend had dat het ooit had kunnen staan. Zij deed hem verwijten, harde ernstige verwijten; zij sprak fatsoenlijk en zonder op meer te zinspelen dan strikt noodzakelijk was, maar even scherp en onbewimpeld als zij het gedaan had tegen Vermey: en hij had er al even weinig tegen in te brengen, nu hij alles hoorde, zooals het was. Hij kon alleen zeggen, dat hij het goed had bedoeld, wat hij verder zeggen wou, verzweeg hij maar, omdat ze zoo boos was en hij haar opgewondenheid bijna aangenaam begon te vinden, wijl die licht bracht in[62]haar fletse oogen en gloed op haar matbleeke wangen; wijl hij, voor het eerst van z’n leven den vleienden indruk kreeg dat hij ’n dochter had, die mooikonwezen ook al was ’t dan maar in sommige juist niet verkieslijke oogenblikken.Lena ging nu haar eigen kamer binnen, waarin zij niet sliep, maar die ze als ’n soortboudoirhad ingericht, niet erg kostbaar, want dat strookte noch met de ideeën van mama, noch met haar eigen wenschen,—maar netjes en met goeden smaak.—Zij was er neêrgevallen op een laag stoeltje, en had zóó ’n heelen tijd stil gezeten, turend in het schemerlicht der laag neêrgedraaide lamp, met een krachtig pogen om bedaard te zijn, om haar zenuwen te bedwingen, om de groote beweging te onderdrukken, die met geweld in haar was opgekomen, die haar ademhaling versnelde en verdiepte en haar borst onder ’t licht grijs kleedje hoog op en neer deed gaan; die een gevoel over haar had gebracht alsof er iets ontzettends was gebeurd, een groot feit, dat een ongeluk was of ermeê gelijk stond. Zij vocht tegen dat dwaas oppermachtig gevoel. Wat zij gedaan had was goed, en verder beteekende het heele voorval niets; het praatje dat volgen zou, moest geheel in haar voordeel zijn, en zou binnen korten tijd doodbloeden, als alle praatjes, verdrongen door opvolgers. Zij had immers gelijk; zij had immers gehandeld, als een meisje, dat door opvoeding, door persoonlijk karakter, door levensgedrag aanspraak heeft op fatsoenlijke bejegening; dat niet behandeld wil worden als de aanstaande materieele andere helft zonder meer, maar dat een hoog standpunt vraagt van onderscheiding,[63]van liefde en toewijding, om later haar volle, groote plaats te bekleeden in het gezin; om er meer te zijn dan een levend werktuig met wettig patent. En al drukte zij het niet uit in haar zelve door woorden, zoodat elke gedachte een denkbeeld werd, zij dacht het toch en ze streed met dat wapen tegen die sterke onverklaarbare aandoening, tot ze haar hoofd liet zinken op haar arm en huilde, alsof ze diep, diep ongelukkig was. Er kwam geen ongewenschte inmenging: Geen stumperd van ’n vader of moeder of broer of zuster kwam haar kamer binnen met een welgemeende poging tot troosten; zij kon gerust uithuilen zonder tekst of uitleg; zonder dat men haar aan het verstand wilde brengen hoe goed het was, dat de zon scheen, het water stroomde en de mensch leed. In het verhakte en onverschilligemilieuvan dit huisgezin had ze ten minste geen overlast van misplaatste deelneming.Het was haar voorbijgegaan, het had zich aangeboden! De groote gelegenheid om den anderen kant van het leven te leeren kennen langs den geoorloofden weg, had zich opgedaan; zij had haar kunnen grijpen; het had slechts de moeite gekost één woordje te zeggen; en iedereen had het natuurlijk gevonden en goed als zij ’t had gezegd; geen sterveling had er zich een aanmerking op veroorloofd; zij had geld, Vermey had een positie; er was geen beletsel, geen hindernis, noch maatschappelijk, noch huishoudelijk.… Zij had het geweigerd, zij had uit hoogheid van opvatting de natuur versmaad, de ruwe machtige, wreede natuur, die zijn plompe vuist binnen in den mensch houdt als een onweerstaanbare motor, en hem schudt.…[64]Toen ze haar gezicht droogde met haar zakdoek, stond er een scherpe trek op, die er òf niet geweest òf althans niet zoo uitgedrukt. Zij draaide de lamp op, keek in een handspiegel, en zag hem, dien trek. Ze kende hem niet; zóó goed had ze de menschen nooit bekeken; ze kende hem niet als het onderdeel van een samenstel, dat een taal spreekt op zichzelf, tot.… de ambtenaar van den burgerlijken stand er de spons over haalt en hem wegveegt!—De tafelschel boven had al tweemaal zijn rinkelenden metaalklank door kamers en galerijen gezonden. Lena had ’t wel gehoord, doch zij was niet gegaan; het zou dacht ze, wel niet anders wezen, dan een herkauwen van dat geval met Vermey. Dáárvoor was nog tijd genoeg! Het kon wel niet anders zijn, want nauwelijks was ze in haar kamer of ze hoorde den harden stap van haar vader op de houten trap naar boven. Nu, nu ze bedaard was, en zich in haar huiskleeding had gestoken, in sarong en kabaai, zocht ze haar moeder op, die reeds weêr in ’t bed zat tegen den stapel kussens en om het felle licht te weren, het lampje ook achter het schutsel had laten zetten.„Heb je het toch gedaan?” vroeg de doffe, vermoeide stem haast onverstaanbaar zacht.„Zeker ma?”„En wat zeid-ie wel?”Het was, vond Lena, verwonderlijk. Er toonde in de vraag iets door van groote vrouwelijke nieuwsgierigheid. Zoo ziek haar moeder was, zoo moeilijk haar de ademhaling[65]viel, zoo schor en bijna klankloos de benauwde stem was—toch scheen het dat bij dit belangwekkend geval de oude mensch naar de oppervlakte kwam dringen, geprikkeld door hetbijzonderpikante, en dol nieuwsgierig om te hooren, hoe een man, die zich van achter brandt, zich houdt bij het zitten op de blaren.„O, hij was erg afgebluft, geloof ik. Hij heeft eerst nog zoo wat geprotesteerd. Verbeeld u, dat hij brutaal genoeg was om me: lieve Lena! te noemen. Dat heb ik hem anders verteld. Daarna wilde hij zich nog verdedigen toen ik hem verweet, dat hij me alleen vroeg om ons geld.”Mevrouw Bruce zweeg en keek rechtuit naar het donker ornament van ’t ijzeren ledikant. Haar zwak lichaam bleef al de bewegingen meêmaken van het moeilijk spel harer longen; zij was meer dan ooit ingezonken en luider klonk het klagend geluid der piepende ademhaling. Maar op haar smal, afgetobd gezicht kwam een uitdrukking van weemoed en teerhartigheid. Had hij dat gezegd? dacht ze. O, ze herinnerde zich zoo goed dien knappen, netten jongen, bon-vivant, ’n beetje scharrelaar, wat heel erg zelfs, maar toch zoo’n gezonden kranigenboy, altijd even in de puntjes. En ze glimlachte tegen de figuur in haar herinnering, die ze niet meer had gezien de vele maanden dat ze boven zat, ziek opgesloten in haar kamer. Hij had haar Leentje „lieve” genoemd; dat trof haar. Zou hij ’t misschien toch gemeend hebben? Zou hij.… wie weet of hij niet werkelijk veel van ’t meisje had gehouden.Kasian![66]„Hield je heusch niet van hem, Leentje?” vroeg ze, haar droge warme hand op die van haar dochter leggend.„O neen, ma!” zei Lena met ’n diepen zucht, „als dat waar was geweest.…”„Zou je geen „neen” hebben gezegd.”„Dat niet. Maar dan zou ik hier niet zoo rustig staan. Ik ga nu naar beneden, ma. Het is tijd voor de kinderen. Zal ik u iets sturen?”Met ’n afwerend gebaar stak haar moeder de knokkels op. „’n Bordje soep, Leentje. Anders niet.”In het hoofd der zieke spookte nog het beeld van Vermey, in de gratie thans omdat hij Lena „lieve” had genoemd; en ze schudde in haar eentje weer meêlijdend het hoofd en zei nog eens zachtjes: „Kasian!”Lena sliep dien nacht, zooals ze het in langen tijd niet had gedaan. Zij werd wakker op den vasten tijd en was verbaasd over haar uitgeslapenheid in den gewonen zin van het woord. Maar dadelijk zag zij om naar haar moeder, in wier reusachtig groote bed zij thans lag. Mevrouw Bruce sliep nog; zij was, bij haar zittende houding, onderuitgegleden, en scheen daar geen hinder van te hebben; zij sliep rustig en ademde met minder moeite en geluid dan anders. Zachtjes streek Lena het bed uit, en ging baden. Ook toen ze terugkwam om ’n stukje toilet te makenen ’n schoone kabaja aan te doen, sliep haar moeder. Zij „deed” het huishouden als altijd. Papa, erg uit zijn humeur sprak geen woord tegen haar, beknorde de kinderen, en had op alles aanmerkingen, tot hij Goddank! de deur uitging. Tegen acht uren reed de coupé van den dokter het erf op.[67]„Hoe is het?” vroeg hij rechtuit naar achter komend: „Nog altijd hetzelfde?”„Ik geloof dat mama wat beter is.”Hij hief het hoofd ietwat omhoog met ’n kort, snel rukje, en dacht er ’t zijne van.„Hoe is het vannacht gegaan?”„Juist dáárom. Mama heeft vannacht zoo goed geslapen, als ze in geen tijd heeft gedaan.”„En een van ons tweeën ook! Je zoudt er ’n boel beter uitzien, als je zelf wat meer en geregelder nachtrust hadt.”Ze had een bui van grappigheid; dat kon wel tegenover den dokter, die er al zooveel jaren practiseerende en onder de moeilijkste en intiemste omstandigheden er gekomen was juist door zijn positie als geneesheer.„Ik begin anders te gelooven, dat ik er tegenwoordig nog zoo slecht niet uitzie.”De dokter, die er niet over had willen beginnen, maar nu dadelijk het appeltje opving, zei met ’n glimlach, waarin zich verwondering uitdrukte:„Dat hoor ik! Maar ik begrijp niet, waarom je hem den bons hebt gegeven; hij is toch ’n.… geschikte vent.”„Weet u het dan nu al?”„Jullie leeft niet achter ’n chineeschen muur!” zei hij luid lachend om haar verwondering. „Vannacht om twaalf uren werd ik geroepen bij de Prakke’s—ze hebben tusschen haakjes weêr ’n jongen!—en toen hoorde ik al, dat je hem in den vooravond hadt afgewezen.”„Hoe is ’t mogelijk!”„En hij strooit nu rond, dat hij ervan afziet je te vragen.[68]Maar het aardigste is, dat niemand hem gelooft. Nu ga ik eens even naar mama kijken. Heeft ze haar drank op tijd gehad?”„Natuurlijk niet; zij heeft geslapen en ik durfde haar niet wakker maken.”„Hm!”Terwijl hij naar boven ging, in stilte indische huizen met trappen verwenschend, stond Lena met de handen op haar machine-tafeltje geleund in gedachten rechtuit te turen. Van den gang dier geruchten kon zij zich geen idee maken. Hoe was dat toch mogelijk. Hoe kon het zijn, dat nu in den vroegen ochtend reeds iedereen alles wist; meer zelfs dan zij?„Bent u nog beneden?” riep een stem van boven over de trapleuning.„Ja dokter, wat is er?”„O niets! Als u maar niet weggaat. Ik wou u even spreken.”Toen de dokter de kamer binnenkwam sliep mevrouw Bruce nog. Hij had haar bekeken en bij zichzelf ’t gezicht getrokken van iemand, die gebeuren ziet, wat hij verwacht had. Hij had zacht de sarong weggeschoven en de voeten en beenen onderzocht; hij had nauwlettend geluisterd met ’t zwarte toestelletje aan zijn oor op de borst van de slapende. Daar was zij wakker van geworden. Hij had even Lena toegeroepen; kwam weer binnen, vroeg naar het een en ander, en behandelde verder zijn patiënte.Het had ’t meisje aangegrepen, zonder dat ze wist waarom. ’t Was of haar hart ophield te kloppen, zoo schrikte zij van de enkele meêdeeling, dat dokter haar nog wilde spreken vóór hij wegging. Zij stond reeds op de[69]trap om naar boven te gaan, maar ze keerde weer terug. Het was te gek. Wie weet of ’t niet een kleinigheid was over de medicijn of zoo. Ze hoorde hem aankomen, en ’t verwonderde haar niet, dat hij langzaam afdalend langs de breede bruingeverfde treden, met zijnfachmässigezwarte jas en dito vest en zijn ernstig gezicht, volkomen den indruk maakte van een jobsbode.En terwijl zij hem aanzag met angstige oogen, lag de vraag op haar gezicht, die hij kwam beantwoorden.„Het is me erg tegengevallen.”Lena beet op haar onderlip om zich goed te houden.„Er is toch geen gevaar?” zei ze, niet ontsnappend aan de gewone frase van menschen, die overtuigd zijn dat er wel gevaar is.„Voor het oogenblik niet. Maar ik vrees toch, dat we staan voor het begin van het einde.”„Waarom, dokter?”„Ik wil het u nu wel zeggen, en ’t zal bovendien heel gauw erger blijken. Spreek er nog maar alleen met den ouden heer over. Er is waterzucht ingetreden.”Zij keek hem aan en begreep het niet. Er doemden in haar hoofd flauwe herinneringen op van verhalen, die ze wel eens had gehoord, maar die haar geen andere voorstelling konden geven, dan van menschen, die naar het scheen door ziekte in ’n soort van artesische putten ontaardden, die periodiek van groote hoeveelheden water bevrijd moesten worden.„Wat is het eigenlijk?” vroeg ze.Uit de korte inlichtingen begreep ze genoeg. Dat was[70]wezenlijk, zooals hij gezegd had, in zoo’n geval het begin van het einde. Ze had altijd nog hoop gehad. Ze had haar arme moeder tusschen de medicijnen van den dokter door, allerlei inlandsche poespas laten slikken, soms zoo verwerkt in ander eten of drinken, dat de zieke het niet eens merkte. Het had alles niets gebaat en nu kwam onverbiddelijk de dood.Haast alle gemeenschap met de buitenwereld hield voor Lena Bruce op. Haar moeder had nog slechts weinig vriendinnen; de oude waren naar elders gegaan of gestorven, en nieuwe had ze in de laatste jaren niet gemaakt. Op de tijding van het onheilspellend verschijnsel, dat zich bij de zieke had voorgedaan, was Bruce twee dagen thuis gebleven, zonder zijn partijtje te maken; toen zijn vrouw den derden dag nog niet dood was, ging hij naar de sociëteit, en leefde verder op zijn gewone manier voort; de jongens ook, toen de eerste schrik voor den naderenden dood bedaard was, maar het feit niet volgde, kwamen zij weêr in hunoudedoen. Enkel Lena bleef haarzelf gelijk, zij wist, wat zij wist; zij zag het doodelijk verschijnsel opkomen, naar boven; zij kon haast den dag berekenen, die de sterfdag moest zijn van haar moeder. Soms bad zij God er een eind aan te maken. Als er weer zoo’n groote benauwdheid was geweest, waarbij het leven in dat afgetobde lijf een martelenden strijd om het bestaan had gevoerd, verschrikkelijk om aan te zien, en als zij het onmogelijke had beproefd tot hulp en verlichting, viel ze soms, terwijl haar moeder uitgeput in stille verdooving neerlag, voor een stoel op de knieën, schreiend, zachtjes biddend om verlossing voor dat arme afgebeulde schepsel, dat altijd zoo alles voor haar[71]was geweest; waaraan haar heele herinnering hing van kind tot volwassen meisje; dat alleen altijd voor haar had gezorgd, met zoo’n groote moederliefde, wie niets te veel is; die eigen dienstbaarheid nooit zag of voelde tegenover haar kind; die haar naaister was geweest, haar kindermeid, haar meesteres en haar slavin: haar moeder.En het bidden hielp ook Lena niet. Wat stoorde zich „de” ziekte in haar verloop en haar verschijnselen dááraan? Die deed zooals in geneeskundige boeken geschreven stond, dat zij behoorde te doen om als een regelmatig physisch proces te mogen aangemerkt worden. De dokter kon er niet veel meer aan doen, dan de ziekte waarnemen met haar verschijnselen; de oorzaak viel niet meer te bestrijden; dáár was geen denken aan. En wat baatte eigenlijk de rest! Toch deed hij het overige, omdat het moest en gaf hij de zieke verlichting door haar van aanmerkelijke ophooping van vloeistof te ontlasten, eerst op natuurlijke, maar toen dat niet meer hielp, op kunstmatige manier. Soms had zij rust en was vrij van pijn en benauwdheid; dan sprak ze met Lena en gaf orders voor, tijdens en na haar dood; dan moest het meisje die opschrijven al beefde haar hand en al kon ze niet zien door haar tranen. En eens moest de notaris worden gehaald. Toen kwam Bruce, die anders zich bepaalde tot een korte informatie ’s morgens en ’s avonds, met groote belangstelling voor het oog, en egoïstische ongerustheid in het hart naar boven; maar de notaris die den toestand en de verhoudingen kende, verzocht hem heel beleefd heen te gaan, wat hij deed onder stil protest tegen zulk een schending van zijn huismansrecht.[72]

[Inhoud]VIJFDE HOOFDSTUK.Lena’s moeder.Lena was nauwelijks in de voorgalerij, of haar vader kwam haar tegemoet, met een gezicht vol uitdrukking van plezier en lustigheid; hij riep haar niets toe, dan een „Wel?” met een stemintonatie waaruit de verwachting van ’n aangename tijding sprak. Hij schrikte toen hij in ’t licht der lamp, die juist ontstoken werd, haar gezicht zag; nu bleek en boos; zoo boos als hij niet gemeend had dat het ooit had kunnen staan. Zij deed hem verwijten, harde ernstige verwijten; zij sprak fatsoenlijk en zonder op meer te zinspelen dan strikt noodzakelijk was, maar even scherp en onbewimpeld als zij het gedaan had tegen Vermey: en hij had er al even weinig tegen in te brengen, nu hij alles hoorde, zooals het was. Hij kon alleen zeggen, dat hij het goed had bedoeld, wat hij verder zeggen wou, verzweeg hij maar, omdat ze zoo boos was en hij haar opgewondenheid bijna aangenaam begon te vinden, wijl die licht bracht in[62]haar fletse oogen en gloed op haar matbleeke wangen; wijl hij, voor het eerst van z’n leven den vleienden indruk kreeg dat hij ’n dochter had, die mooikonwezen ook al was ’t dan maar in sommige juist niet verkieslijke oogenblikken.Lena ging nu haar eigen kamer binnen, waarin zij niet sliep, maar die ze als ’n soortboudoirhad ingericht, niet erg kostbaar, want dat strookte noch met de ideeën van mama, noch met haar eigen wenschen,—maar netjes en met goeden smaak.—Zij was er neêrgevallen op een laag stoeltje, en had zóó ’n heelen tijd stil gezeten, turend in het schemerlicht der laag neêrgedraaide lamp, met een krachtig pogen om bedaard te zijn, om haar zenuwen te bedwingen, om de groote beweging te onderdrukken, die met geweld in haar was opgekomen, die haar ademhaling versnelde en verdiepte en haar borst onder ’t licht grijs kleedje hoog op en neer deed gaan; die een gevoel over haar had gebracht alsof er iets ontzettends was gebeurd, een groot feit, dat een ongeluk was of ermeê gelijk stond. Zij vocht tegen dat dwaas oppermachtig gevoel. Wat zij gedaan had was goed, en verder beteekende het heele voorval niets; het praatje dat volgen zou, moest geheel in haar voordeel zijn, en zou binnen korten tijd doodbloeden, als alle praatjes, verdrongen door opvolgers. Zij had immers gelijk; zij had immers gehandeld, als een meisje, dat door opvoeding, door persoonlijk karakter, door levensgedrag aanspraak heeft op fatsoenlijke bejegening; dat niet behandeld wil worden als de aanstaande materieele andere helft zonder meer, maar dat een hoog standpunt vraagt van onderscheiding,[63]van liefde en toewijding, om later haar volle, groote plaats te bekleeden in het gezin; om er meer te zijn dan een levend werktuig met wettig patent. En al drukte zij het niet uit in haar zelve door woorden, zoodat elke gedachte een denkbeeld werd, zij dacht het toch en ze streed met dat wapen tegen die sterke onverklaarbare aandoening, tot ze haar hoofd liet zinken op haar arm en huilde, alsof ze diep, diep ongelukkig was. Er kwam geen ongewenschte inmenging: Geen stumperd van ’n vader of moeder of broer of zuster kwam haar kamer binnen met een welgemeende poging tot troosten; zij kon gerust uithuilen zonder tekst of uitleg; zonder dat men haar aan het verstand wilde brengen hoe goed het was, dat de zon scheen, het water stroomde en de mensch leed. In het verhakte en onverschilligemilieuvan dit huisgezin had ze ten minste geen overlast van misplaatste deelneming.Het was haar voorbijgegaan, het had zich aangeboden! De groote gelegenheid om den anderen kant van het leven te leeren kennen langs den geoorloofden weg, had zich opgedaan; zij had haar kunnen grijpen; het had slechts de moeite gekost één woordje te zeggen; en iedereen had het natuurlijk gevonden en goed als zij ’t had gezegd; geen sterveling had er zich een aanmerking op veroorloofd; zij had geld, Vermey had een positie; er was geen beletsel, geen hindernis, noch maatschappelijk, noch huishoudelijk.… Zij had het geweigerd, zij had uit hoogheid van opvatting de natuur versmaad, de ruwe machtige, wreede natuur, die zijn plompe vuist binnen in den mensch houdt als een onweerstaanbare motor, en hem schudt.…[64]Toen ze haar gezicht droogde met haar zakdoek, stond er een scherpe trek op, die er òf niet geweest òf althans niet zoo uitgedrukt. Zij draaide de lamp op, keek in een handspiegel, en zag hem, dien trek. Ze kende hem niet; zóó goed had ze de menschen nooit bekeken; ze kende hem niet als het onderdeel van een samenstel, dat een taal spreekt op zichzelf, tot.… de ambtenaar van den burgerlijken stand er de spons over haalt en hem wegveegt!—De tafelschel boven had al tweemaal zijn rinkelenden metaalklank door kamers en galerijen gezonden. Lena had ’t wel gehoord, doch zij was niet gegaan; het zou dacht ze, wel niet anders wezen, dan een herkauwen van dat geval met Vermey. Dáárvoor was nog tijd genoeg! Het kon wel niet anders zijn, want nauwelijks was ze in haar kamer of ze hoorde den harden stap van haar vader op de houten trap naar boven. Nu, nu ze bedaard was, en zich in haar huiskleeding had gestoken, in sarong en kabaai, zocht ze haar moeder op, die reeds weêr in ’t bed zat tegen den stapel kussens en om het felle licht te weren, het lampje ook achter het schutsel had laten zetten.„Heb je het toch gedaan?” vroeg de doffe, vermoeide stem haast onverstaanbaar zacht.„Zeker ma?”„En wat zeid-ie wel?”Het was, vond Lena, verwonderlijk. Er toonde in de vraag iets door van groote vrouwelijke nieuwsgierigheid. Zoo ziek haar moeder was, zoo moeilijk haar de ademhaling[65]viel, zoo schor en bijna klankloos de benauwde stem was—toch scheen het dat bij dit belangwekkend geval de oude mensch naar de oppervlakte kwam dringen, geprikkeld door hetbijzonderpikante, en dol nieuwsgierig om te hooren, hoe een man, die zich van achter brandt, zich houdt bij het zitten op de blaren.„O, hij was erg afgebluft, geloof ik. Hij heeft eerst nog zoo wat geprotesteerd. Verbeeld u, dat hij brutaal genoeg was om me: lieve Lena! te noemen. Dat heb ik hem anders verteld. Daarna wilde hij zich nog verdedigen toen ik hem verweet, dat hij me alleen vroeg om ons geld.”Mevrouw Bruce zweeg en keek rechtuit naar het donker ornament van ’t ijzeren ledikant. Haar zwak lichaam bleef al de bewegingen meêmaken van het moeilijk spel harer longen; zij was meer dan ooit ingezonken en luider klonk het klagend geluid der piepende ademhaling. Maar op haar smal, afgetobd gezicht kwam een uitdrukking van weemoed en teerhartigheid. Had hij dat gezegd? dacht ze. O, ze herinnerde zich zoo goed dien knappen, netten jongen, bon-vivant, ’n beetje scharrelaar, wat heel erg zelfs, maar toch zoo’n gezonden kranigenboy, altijd even in de puntjes. En ze glimlachte tegen de figuur in haar herinnering, die ze niet meer had gezien de vele maanden dat ze boven zat, ziek opgesloten in haar kamer. Hij had haar Leentje „lieve” genoemd; dat trof haar. Zou hij ’t misschien toch gemeend hebben? Zou hij.… wie weet of hij niet werkelijk veel van ’t meisje had gehouden.Kasian![66]„Hield je heusch niet van hem, Leentje?” vroeg ze, haar droge warme hand op die van haar dochter leggend.„O neen, ma!” zei Lena met ’n diepen zucht, „als dat waar was geweest.…”„Zou je geen „neen” hebben gezegd.”„Dat niet. Maar dan zou ik hier niet zoo rustig staan. Ik ga nu naar beneden, ma. Het is tijd voor de kinderen. Zal ik u iets sturen?”Met ’n afwerend gebaar stak haar moeder de knokkels op. „’n Bordje soep, Leentje. Anders niet.”In het hoofd der zieke spookte nog het beeld van Vermey, in de gratie thans omdat hij Lena „lieve” had genoemd; en ze schudde in haar eentje weer meêlijdend het hoofd en zei nog eens zachtjes: „Kasian!”Lena sliep dien nacht, zooals ze het in langen tijd niet had gedaan. Zij werd wakker op den vasten tijd en was verbaasd over haar uitgeslapenheid in den gewonen zin van het woord. Maar dadelijk zag zij om naar haar moeder, in wier reusachtig groote bed zij thans lag. Mevrouw Bruce sliep nog; zij was, bij haar zittende houding, onderuitgegleden, en scheen daar geen hinder van te hebben; zij sliep rustig en ademde met minder moeite en geluid dan anders. Zachtjes streek Lena het bed uit, en ging baden. Ook toen ze terugkwam om ’n stukje toilet te makenen ’n schoone kabaja aan te doen, sliep haar moeder. Zij „deed” het huishouden als altijd. Papa, erg uit zijn humeur sprak geen woord tegen haar, beknorde de kinderen, en had op alles aanmerkingen, tot hij Goddank! de deur uitging. Tegen acht uren reed de coupé van den dokter het erf op.[67]„Hoe is het?” vroeg hij rechtuit naar achter komend: „Nog altijd hetzelfde?”„Ik geloof dat mama wat beter is.”Hij hief het hoofd ietwat omhoog met ’n kort, snel rukje, en dacht er ’t zijne van.„Hoe is het vannacht gegaan?”„Juist dáárom. Mama heeft vannacht zoo goed geslapen, als ze in geen tijd heeft gedaan.”„En een van ons tweeën ook! Je zoudt er ’n boel beter uitzien, als je zelf wat meer en geregelder nachtrust hadt.”Ze had een bui van grappigheid; dat kon wel tegenover den dokter, die er al zooveel jaren practiseerende en onder de moeilijkste en intiemste omstandigheden er gekomen was juist door zijn positie als geneesheer.„Ik begin anders te gelooven, dat ik er tegenwoordig nog zoo slecht niet uitzie.”De dokter, die er niet over had willen beginnen, maar nu dadelijk het appeltje opving, zei met ’n glimlach, waarin zich verwondering uitdrukte:„Dat hoor ik! Maar ik begrijp niet, waarom je hem den bons hebt gegeven; hij is toch ’n.… geschikte vent.”„Weet u het dan nu al?”„Jullie leeft niet achter ’n chineeschen muur!” zei hij luid lachend om haar verwondering. „Vannacht om twaalf uren werd ik geroepen bij de Prakke’s—ze hebben tusschen haakjes weêr ’n jongen!—en toen hoorde ik al, dat je hem in den vooravond hadt afgewezen.”„Hoe is ’t mogelijk!”„En hij strooit nu rond, dat hij ervan afziet je te vragen.[68]Maar het aardigste is, dat niemand hem gelooft. Nu ga ik eens even naar mama kijken. Heeft ze haar drank op tijd gehad?”„Natuurlijk niet; zij heeft geslapen en ik durfde haar niet wakker maken.”„Hm!”Terwijl hij naar boven ging, in stilte indische huizen met trappen verwenschend, stond Lena met de handen op haar machine-tafeltje geleund in gedachten rechtuit te turen. Van den gang dier geruchten kon zij zich geen idee maken. Hoe was dat toch mogelijk. Hoe kon het zijn, dat nu in den vroegen ochtend reeds iedereen alles wist; meer zelfs dan zij?„Bent u nog beneden?” riep een stem van boven over de trapleuning.„Ja dokter, wat is er?”„O niets! Als u maar niet weggaat. Ik wou u even spreken.”Toen de dokter de kamer binnenkwam sliep mevrouw Bruce nog. Hij had haar bekeken en bij zichzelf ’t gezicht getrokken van iemand, die gebeuren ziet, wat hij verwacht had. Hij had zacht de sarong weggeschoven en de voeten en beenen onderzocht; hij had nauwlettend geluisterd met ’t zwarte toestelletje aan zijn oor op de borst van de slapende. Daar was zij wakker van geworden. Hij had even Lena toegeroepen; kwam weer binnen, vroeg naar het een en ander, en behandelde verder zijn patiënte.Het had ’t meisje aangegrepen, zonder dat ze wist waarom. ’t Was of haar hart ophield te kloppen, zoo schrikte zij van de enkele meêdeeling, dat dokter haar nog wilde spreken vóór hij wegging. Zij stond reeds op de[69]trap om naar boven te gaan, maar ze keerde weer terug. Het was te gek. Wie weet of ’t niet een kleinigheid was over de medicijn of zoo. Ze hoorde hem aankomen, en ’t verwonderde haar niet, dat hij langzaam afdalend langs de breede bruingeverfde treden, met zijnfachmässigezwarte jas en dito vest en zijn ernstig gezicht, volkomen den indruk maakte van een jobsbode.En terwijl zij hem aanzag met angstige oogen, lag de vraag op haar gezicht, die hij kwam beantwoorden.„Het is me erg tegengevallen.”Lena beet op haar onderlip om zich goed te houden.„Er is toch geen gevaar?” zei ze, niet ontsnappend aan de gewone frase van menschen, die overtuigd zijn dat er wel gevaar is.„Voor het oogenblik niet. Maar ik vrees toch, dat we staan voor het begin van het einde.”„Waarom, dokter?”„Ik wil het u nu wel zeggen, en ’t zal bovendien heel gauw erger blijken. Spreek er nog maar alleen met den ouden heer over. Er is waterzucht ingetreden.”Zij keek hem aan en begreep het niet. Er doemden in haar hoofd flauwe herinneringen op van verhalen, die ze wel eens had gehoord, maar die haar geen andere voorstelling konden geven, dan van menschen, die naar het scheen door ziekte in ’n soort van artesische putten ontaardden, die periodiek van groote hoeveelheden water bevrijd moesten worden.„Wat is het eigenlijk?” vroeg ze.Uit de korte inlichtingen begreep ze genoeg. Dat was[70]wezenlijk, zooals hij gezegd had, in zoo’n geval het begin van het einde. Ze had altijd nog hoop gehad. Ze had haar arme moeder tusschen de medicijnen van den dokter door, allerlei inlandsche poespas laten slikken, soms zoo verwerkt in ander eten of drinken, dat de zieke het niet eens merkte. Het had alles niets gebaat en nu kwam onverbiddelijk de dood.Haast alle gemeenschap met de buitenwereld hield voor Lena Bruce op. Haar moeder had nog slechts weinig vriendinnen; de oude waren naar elders gegaan of gestorven, en nieuwe had ze in de laatste jaren niet gemaakt. Op de tijding van het onheilspellend verschijnsel, dat zich bij de zieke had voorgedaan, was Bruce twee dagen thuis gebleven, zonder zijn partijtje te maken; toen zijn vrouw den derden dag nog niet dood was, ging hij naar de sociëteit, en leefde verder op zijn gewone manier voort; de jongens ook, toen de eerste schrik voor den naderenden dood bedaard was, maar het feit niet volgde, kwamen zij weêr in hunoudedoen. Enkel Lena bleef haarzelf gelijk, zij wist, wat zij wist; zij zag het doodelijk verschijnsel opkomen, naar boven; zij kon haast den dag berekenen, die de sterfdag moest zijn van haar moeder. Soms bad zij God er een eind aan te maken. Als er weer zoo’n groote benauwdheid was geweest, waarbij het leven in dat afgetobde lijf een martelenden strijd om het bestaan had gevoerd, verschrikkelijk om aan te zien, en als zij het onmogelijke had beproefd tot hulp en verlichting, viel ze soms, terwijl haar moeder uitgeput in stille verdooving neerlag, voor een stoel op de knieën, schreiend, zachtjes biddend om verlossing voor dat arme afgebeulde schepsel, dat altijd zoo alles voor haar[71]was geweest; waaraan haar heele herinnering hing van kind tot volwassen meisje; dat alleen altijd voor haar had gezorgd, met zoo’n groote moederliefde, wie niets te veel is; die eigen dienstbaarheid nooit zag of voelde tegenover haar kind; die haar naaister was geweest, haar kindermeid, haar meesteres en haar slavin: haar moeder.En het bidden hielp ook Lena niet. Wat stoorde zich „de” ziekte in haar verloop en haar verschijnselen dááraan? Die deed zooals in geneeskundige boeken geschreven stond, dat zij behoorde te doen om als een regelmatig physisch proces te mogen aangemerkt worden. De dokter kon er niet veel meer aan doen, dan de ziekte waarnemen met haar verschijnselen; de oorzaak viel niet meer te bestrijden; dáár was geen denken aan. En wat baatte eigenlijk de rest! Toch deed hij het overige, omdat het moest en gaf hij de zieke verlichting door haar van aanmerkelijke ophooping van vloeistof te ontlasten, eerst op natuurlijke, maar toen dat niet meer hielp, op kunstmatige manier. Soms had zij rust en was vrij van pijn en benauwdheid; dan sprak ze met Lena en gaf orders voor, tijdens en na haar dood; dan moest het meisje die opschrijven al beefde haar hand en al kon ze niet zien door haar tranen. En eens moest de notaris worden gehaald. Toen kwam Bruce, die anders zich bepaalde tot een korte informatie ’s morgens en ’s avonds, met groote belangstelling voor het oog, en egoïstische ongerustheid in het hart naar boven; maar de notaris die den toestand en de verhoudingen kende, verzocht hem heel beleefd heen te gaan, wat hij deed onder stil protest tegen zulk een schending van zijn huismansrecht.[72]

VIJFDE HOOFDSTUK.Lena’s moeder.

Lena was nauwelijks in de voorgalerij, of haar vader kwam haar tegemoet, met een gezicht vol uitdrukking van plezier en lustigheid; hij riep haar niets toe, dan een „Wel?” met een stemintonatie waaruit de verwachting van ’n aangename tijding sprak. Hij schrikte toen hij in ’t licht der lamp, die juist ontstoken werd, haar gezicht zag; nu bleek en boos; zoo boos als hij niet gemeend had dat het ooit had kunnen staan. Zij deed hem verwijten, harde ernstige verwijten; zij sprak fatsoenlijk en zonder op meer te zinspelen dan strikt noodzakelijk was, maar even scherp en onbewimpeld als zij het gedaan had tegen Vermey: en hij had er al even weinig tegen in te brengen, nu hij alles hoorde, zooals het was. Hij kon alleen zeggen, dat hij het goed had bedoeld, wat hij verder zeggen wou, verzweeg hij maar, omdat ze zoo boos was en hij haar opgewondenheid bijna aangenaam begon te vinden, wijl die licht bracht in[62]haar fletse oogen en gloed op haar matbleeke wangen; wijl hij, voor het eerst van z’n leven den vleienden indruk kreeg dat hij ’n dochter had, die mooikonwezen ook al was ’t dan maar in sommige juist niet verkieslijke oogenblikken.Lena ging nu haar eigen kamer binnen, waarin zij niet sliep, maar die ze als ’n soortboudoirhad ingericht, niet erg kostbaar, want dat strookte noch met de ideeën van mama, noch met haar eigen wenschen,—maar netjes en met goeden smaak.—Zij was er neêrgevallen op een laag stoeltje, en had zóó ’n heelen tijd stil gezeten, turend in het schemerlicht der laag neêrgedraaide lamp, met een krachtig pogen om bedaard te zijn, om haar zenuwen te bedwingen, om de groote beweging te onderdrukken, die met geweld in haar was opgekomen, die haar ademhaling versnelde en verdiepte en haar borst onder ’t licht grijs kleedje hoog op en neer deed gaan; die een gevoel over haar had gebracht alsof er iets ontzettends was gebeurd, een groot feit, dat een ongeluk was of ermeê gelijk stond. Zij vocht tegen dat dwaas oppermachtig gevoel. Wat zij gedaan had was goed, en verder beteekende het heele voorval niets; het praatje dat volgen zou, moest geheel in haar voordeel zijn, en zou binnen korten tijd doodbloeden, als alle praatjes, verdrongen door opvolgers. Zij had immers gelijk; zij had immers gehandeld, als een meisje, dat door opvoeding, door persoonlijk karakter, door levensgedrag aanspraak heeft op fatsoenlijke bejegening; dat niet behandeld wil worden als de aanstaande materieele andere helft zonder meer, maar dat een hoog standpunt vraagt van onderscheiding,[63]van liefde en toewijding, om later haar volle, groote plaats te bekleeden in het gezin; om er meer te zijn dan een levend werktuig met wettig patent. En al drukte zij het niet uit in haar zelve door woorden, zoodat elke gedachte een denkbeeld werd, zij dacht het toch en ze streed met dat wapen tegen die sterke onverklaarbare aandoening, tot ze haar hoofd liet zinken op haar arm en huilde, alsof ze diep, diep ongelukkig was. Er kwam geen ongewenschte inmenging: Geen stumperd van ’n vader of moeder of broer of zuster kwam haar kamer binnen met een welgemeende poging tot troosten; zij kon gerust uithuilen zonder tekst of uitleg; zonder dat men haar aan het verstand wilde brengen hoe goed het was, dat de zon scheen, het water stroomde en de mensch leed. In het verhakte en onverschilligemilieuvan dit huisgezin had ze ten minste geen overlast van misplaatste deelneming.Het was haar voorbijgegaan, het had zich aangeboden! De groote gelegenheid om den anderen kant van het leven te leeren kennen langs den geoorloofden weg, had zich opgedaan; zij had haar kunnen grijpen; het had slechts de moeite gekost één woordje te zeggen; en iedereen had het natuurlijk gevonden en goed als zij ’t had gezegd; geen sterveling had er zich een aanmerking op veroorloofd; zij had geld, Vermey had een positie; er was geen beletsel, geen hindernis, noch maatschappelijk, noch huishoudelijk.… Zij had het geweigerd, zij had uit hoogheid van opvatting de natuur versmaad, de ruwe machtige, wreede natuur, die zijn plompe vuist binnen in den mensch houdt als een onweerstaanbare motor, en hem schudt.…[64]Toen ze haar gezicht droogde met haar zakdoek, stond er een scherpe trek op, die er òf niet geweest òf althans niet zoo uitgedrukt. Zij draaide de lamp op, keek in een handspiegel, en zag hem, dien trek. Ze kende hem niet; zóó goed had ze de menschen nooit bekeken; ze kende hem niet als het onderdeel van een samenstel, dat een taal spreekt op zichzelf, tot.… de ambtenaar van den burgerlijken stand er de spons over haalt en hem wegveegt!—De tafelschel boven had al tweemaal zijn rinkelenden metaalklank door kamers en galerijen gezonden. Lena had ’t wel gehoord, doch zij was niet gegaan; het zou dacht ze, wel niet anders wezen, dan een herkauwen van dat geval met Vermey. Dáárvoor was nog tijd genoeg! Het kon wel niet anders zijn, want nauwelijks was ze in haar kamer of ze hoorde den harden stap van haar vader op de houten trap naar boven. Nu, nu ze bedaard was, en zich in haar huiskleeding had gestoken, in sarong en kabaai, zocht ze haar moeder op, die reeds weêr in ’t bed zat tegen den stapel kussens en om het felle licht te weren, het lampje ook achter het schutsel had laten zetten.„Heb je het toch gedaan?” vroeg de doffe, vermoeide stem haast onverstaanbaar zacht.„Zeker ma?”„En wat zeid-ie wel?”Het was, vond Lena, verwonderlijk. Er toonde in de vraag iets door van groote vrouwelijke nieuwsgierigheid. Zoo ziek haar moeder was, zoo moeilijk haar de ademhaling[65]viel, zoo schor en bijna klankloos de benauwde stem was—toch scheen het dat bij dit belangwekkend geval de oude mensch naar de oppervlakte kwam dringen, geprikkeld door hetbijzonderpikante, en dol nieuwsgierig om te hooren, hoe een man, die zich van achter brandt, zich houdt bij het zitten op de blaren.„O, hij was erg afgebluft, geloof ik. Hij heeft eerst nog zoo wat geprotesteerd. Verbeeld u, dat hij brutaal genoeg was om me: lieve Lena! te noemen. Dat heb ik hem anders verteld. Daarna wilde hij zich nog verdedigen toen ik hem verweet, dat hij me alleen vroeg om ons geld.”Mevrouw Bruce zweeg en keek rechtuit naar het donker ornament van ’t ijzeren ledikant. Haar zwak lichaam bleef al de bewegingen meêmaken van het moeilijk spel harer longen; zij was meer dan ooit ingezonken en luider klonk het klagend geluid der piepende ademhaling. Maar op haar smal, afgetobd gezicht kwam een uitdrukking van weemoed en teerhartigheid. Had hij dat gezegd? dacht ze. O, ze herinnerde zich zoo goed dien knappen, netten jongen, bon-vivant, ’n beetje scharrelaar, wat heel erg zelfs, maar toch zoo’n gezonden kranigenboy, altijd even in de puntjes. En ze glimlachte tegen de figuur in haar herinnering, die ze niet meer had gezien de vele maanden dat ze boven zat, ziek opgesloten in haar kamer. Hij had haar Leentje „lieve” genoemd; dat trof haar. Zou hij ’t misschien toch gemeend hebben? Zou hij.… wie weet of hij niet werkelijk veel van ’t meisje had gehouden.Kasian![66]„Hield je heusch niet van hem, Leentje?” vroeg ze, haar droge warme hand op die van haar dochter leggend.„O neen, ma!” zei Lena met ’n diepen zucht, „als dat waar was geweest.…”„Zou je geen „neen” hebben gezegd.”„Dat niet. Maar dan zou ik hier niet zoo rustig staan. Ik ga nu naar beneden, ma. Het is tijd voor de kinderen. Zal ik u iets sturen?”Met ’n afwerend gebaar stak haar moeder de knokkels op. „’n Bordje soep, Leentje. Anders niet.”In het hoofd der zieke spookte nog het beeld van Vermey, in de gratie thans omdat hij Lena „lieve” had genoemd; en ze schudde in haar eentje weer meêlijdend het hoofd en zei nog eens zachtjes: „Kasian!”Lena sliep dien nacht, zooals ze het in langen tijd niet had gedaan. Zij werd wakker op den vasten tijd en was verbaasd over haar uitgeslapenheid in den gewonen zin van het woord. Maar dadelijk zag zij om naar haar moeder, in wier reusachtig groote bed zij thans lag. Mevrouw Bruce sliep nog; zij was, bij haar zittende houding, onderuitgegleden, en scheen daar geen hinder van te hebben; zij sliep rustig en ademde met minder moeite en geluid dan anders. Zachtjes streek Lena het bed uit, en ging baden. Ook toen ze terugkwam om ’n stukje toilet te makenen ’n schoone kabaja aan te doen, sliep haar moeder. Zij „deed” het huishouden als altijd. Papa, erg uit zijn humeur sprak geen woord tegen haar, beknorde de kinderen, en had op alles aanmerkingen, tot hij Goddank! de deur uitging. Tegen acht uren reed de coupé van den dokter het erf op.[67]„Hoe is het?” vroeg hij rechtuit naar achter komend: „Nog altijd hetzelfde?”„Ik geloof dat mama wat beter is.”Hij hief het hoofd ietwat omhoog met ’n kort, snel rukje, en dacht er ’t zijne van.„Hoe is het vannacht gegaan?”„Juist dáárom. Mama heeft vannacht zoo goed geslapen, als ze in geen tijd heeft gedaan.”„En een van ons tweeën ook! Je zoudt er ’n boel beter uitzien, als je zelf wat meer en geregelder nachtrust hadt.”Ze had een bui van grappigheid; dat kon wel tegenover den dokter, die er al zooveel jaren practiseerende en onder de moeilijkste en intiemste omstandigheden er gekomen was juist door zijn positie als geneesheer.„Ik begin anders te gelooven, dat ik er tegenwoordig nog zoo slecht niet uitzie.”De dokter, die er niet over had willen beginnen, maar nu dadelijk het appeltje opving, zei met ’n glimlach, waarin zich verwondering uitdrukte:„Dat hoor ik! Maar ik begrijp niet, waarom je hem den bons hebt gegeven; hij is toch ’n.… geschikte vent.”„Weet u het dan nu al?”„Jullie leeft niet achter ’n chineeschen muur!” zei hij luid lachend om haar verwondering. „Vannacht om twaalf uren werd ik geroepen bij de Prakke’s—ze hebben tusschen haakjes weêr ’n jongen!—en toen hoorde ik al, dat je hem in den vooravond hadt afgewezen.”„Hoe is ’t mogelijk!”„En hij strooit nu rond, dat hij ervan afziet je te vragen.[68]Maar het aardigste is, dat niemand hem gelooft. Nu ga ik eens even naar mama kijken. Heeft ze haar drank op tijd gehad?”„Natuurlijk niet; zij heeft geslapen en ik durfde haar niet wakker maken.”„Hm!”Terwijl hij naar boven ging, in stilte indische huizen met trappen verwenschend, stond Lena met de handen op haar machine-tafeltje geleund in gedachten rechtuit te turen. Van den gang dier geruchten kon zij zich geen idee maken. Hoe was dat toch mogelijk. Hoe kon het zijn, dat nu in den vroegen ochtend reeds iedereen alles wist; meer zelfs dan zij?„Bent u nog beneden?” riep een stem van boven over de trapleuning.„Ja dokter, wat is er?”„O niets! Als u maar niet weggaat. Ik wou u even spreken.”Toen de dokter de kamer binnenkwam sliep mevrouw Bruce nog. Hij had haar bekeken en bij zichzelf ’t gezicht getrokken van iemand, die gebeuren ziet, wat hij verwacht had. Hij had zacht de sarong weggeschoven en de voeten en beenen onderzocht; hij had nauwlettend geluisterd met ’t zwarte toestelletje aan zijn oor op de borst van de slapende. Daar was zij wakker van geworden. Hij had even Lena toegeroepen; kwam weer binnen, vroeg naar het een en ander, en behandelde verder zijn patiënte.Het had ’t meisje aangegrepen, zonder dat ze wist waarom. ’t Was of haar hart ophield te kloppen, zoo schrikte zij van de enkele meêdeeling, dat dokter haar nog wilde spreken vóór hij wegging. Zij stond reeds op de[69]trap om naar boven te gaan, maar ze keerde weer terug. Het was te gek. Wie weet of ’t niet een kleinigheid was over de medicijn of zoo. Ze hoorde hem aankomen, en ’t verwonderde haar niet, dat hij langzaam afdalend langs de breede bruingeverfde treden, met zijnfachmässigezwarte jas en dito vest en zijn ernstig gezicht, volkomen den indruk maakte van een jobsbode.En terwijl zij hem aanzag met angstige oogen, lag de vraag op haar gezicht, die hij kwam beantwoorden.„Het is me erg tegengevallen.”Lena beet op haar onderlip om zich goed te houden.„Er is toch geen gevaar?” zei ze, niet ontsnappend aan de gewone frase van menschen, die overtuigd zijn dat er wel gevaar is.„Voor het oogenblik niet. Maar ik vrees toch, dat we staan voor het begin van het einde.”„Waarom, dokter?”„Ik wil het u nu wel zeggen, en ’t zal bovendien heel gauw erger blijken. Spreek er nog maar alleen met den ouden heer over. Er is waterzucht ingetreden.”Zij keek hem aan en begreep het niet. Er doemden in haar hoofd flauwe herinneringen op van verhalen, die ze wel eens had gehoord, maar die haar geen andere voorstelling konden geven, dan van menschen, die naar het scheen door ziekte in ’n soort van artesische putten ontaardden, die periodiek van groote hoeveelheden water bevrijd moesten worden.„Wat is het eigenlijk?” vroeg ze.Uit de korte inlichtingen begreep ze genoeg. Dat was[70]wezenlijk, zooals hij gezegd had, in zoo’n geval het begin van het einde. Ze had altijd nog hoop gehad. Ze had haar arme moeder tusschen de medicijnen van den dokter door, allerlei inlandsche poespas laten slikken, soms zoo verwerkt in ander eten of drinken, dat de zieke het niet eens merkte. Het had alles niets gebaat en nu kwam onverbiddelijk de dood.Haast alle gemeenschap met de buitenwereld hield voor Lena Bruce op. Haar moeder had nog slechts weinig vriendinnen; de oude waren naar elders gegaan of gestorven, en nieuwe had ze in de laatste jaren niet gemaakt. Op de tijding van het onheilspellend verschijnsel, dat zich bij de zieke had voorgedaan, was Bruce twee dagen thuis gebleven, zonder zijn partijtje te maken; toen zijn vrouw den derden dag nog niet dood was, ging hij naar de sociëteit, en leefde verder op zijn gewone manier voort; de jongens ook, toen de eerste schrik voor den naderenden dood bedaard was, maar het feit niet volgde, kwamen zij weêr in hunoudedoen. Enkel Lena bleef haarzelf gelijk, zij wist, wat zij wist; zij zag het doodelijk verschijnsel opkomen, naar boven; zij kon haast den dag berekenen, die de sterfdag moest zijn van haar moeder. Soms bad zij God er een eind aan te maken. Als er weer zoo’n groote benauwdheid was geweest, waarbij het leven in dat afgetobde lijf een martelenden strijd om het bestaan had gevoerd, verschrikkelijk om aan te zien, en als zij het onmogelijke had beproefd tot hulp en verlichting, viel ze soms, terwijl haar moeder uitgeput in stille verdooving neerlag, voor een stoel op de knieën, schreiend, zachtjes biddend om verlossing voor dat arme afgebeulde schepsel, dat altijd zoo alles voor haar[71]was geweest; waaraan haar heele herinnering hing van kind tot volwassen meisje; dat alleen altijd voor haar had gezorgd, met zoo’n groote moederliefde, wie niets te veel is; die eigen dienstbaarheid nooit zag of voelde tegenover haar kind; die haar naaister was geweest, haar kindermeid, haar meesteres en haar slavin: haar moeder.En het bidden hielp ook Lena niet. Wat stoorde zich „de” ziekte in haar verloop en haar verschijnselen dááraan? Die deed zooals in geneeskundige boeken geschreven stond, dat zij behoorde te doen om als een regelmatig physisch proces te mogen aangemerkt worden. De dokter kon er niet veel meer aan doen, dan de ziekte waarnemen met haar verschijnselen; de oorzaak viel niet meer te bestrijden; dáár was geen denken aan. En wat baatte eigenlijk de rest! Toch deed hij het overige, omdat het moest en gaf hij de zieke verlichting door haar van aanmerkelijke ophooping van vloeistof te ontlasten, eerst op natuurlijke, maar toen dat niet meer hielp, op kunstmatige manier. Soms had zij rust en was vrij van pijn en benauwdheid; dan sprak ze met Lena en gaf orders voor, tijdens en na haar dood; dan moest het meisje die opschrijven al beefde haar hand en al kon ze niet zien door haar tranen. En eens moest de notaris worden gehaald. Toen kwam Bruce, die anders zich bepaalde tot een korte informatie ’s morgens en ’s avonds, met groote belangstelling voor het oog, en egoïstische ongerustheid in het hart naar boven; maar de notaris die den toestand en de verhoudingen kende, verzocht hem heel beleefd heen te gaan, wat hij deed onder stil protest tegen zulk een schending van zijn huismansrecht.[72]

Lena was nauwelijks in de voorgalerij, of haar vader kwam haar tegemoet, met een gezicht vol uitdrukking van plezier en lustigheid; hij riep haar niets toe, dan een „Wel?” met een stemintonatie waaruit de verwachting van ’n aangename tijding sprak. Hij schrikte toen hij in ’t licht der lamp, die juist ontstoken werd, haar gezicht zag; nu bleek en boos; zoo boos als hij niet gemeend had dat het ooit had kunnen staan. Zij deed hem verwijten, harde ernstige verwijten; zij sprak fatsoenlijk en zonder op meer te zinspelen dan strikt noodzakelijk was, maar even scherp en onbewimpeld als zij het gedaan had tegen Vermey: en hij had er al even weinig tegen in te brengen, nu hij alles hoorde, zooals het was. Hij kon alleen zeggen, dat hij het goed had bedoeld, wat hij verder zeggen wou, verzweeg hij maar, omdat ze zoo boos was en hij haar opgewondenheid bijna aangenaam begon te vinden, wijl die licht bracht in[62]haar fletse oogen en gloed op haar matbleeke wangen; wijl hij, voor het eerst van z’n leven den vleienden indruk kreeg dat hij ’n dochter had, die mooikonwezen ook al was ’t dan maar in sommige juist niet verkieslijke oogenblikken.

Lena ging nu haar eigen kamer binnen, waarin zij niet sliep, maar die ze als ’n soortboudoirhad ingericht, niet erg kostbaar, want dat strookte noch met de ideeën van mama, noch met haar eigen wenschen,—maar netjes en met goeden smaak.—Zij was er neêrgevallen op een laag stoeltje, en had zóó ’n heelen tijd stil gezeten, turend in het schemerlicht der laag neêrgedraaide lamp, met een krachtig pogen om bedaard te zijn, om haar zenuwen te bedwingen, om de groote beweging te onderdrukken, die met geweld in haar was opgekomen, die haar ademhaling versnelde en verdiepte en haar borst onder ’t licht grijs kleedje hoog op en neer deed gaan; die een gevoel over haar had gebracht alsof er iets ontzettends was gebeurd, een groot feit, dat een ongeluk was of ermeê gelijk stond. Zij vocht tegen dat dwaas oppermachtig gevoel. Wat zij gedaan had was goed, en verder beteekende het heele voorval niets; het praatje dat volgen zou, moest geheel in haar voordeel zijn, en zou binnen korten tijd doodbloeden, als alle praatjes, verdrongen door opvolgers. Zij had immers gelijk; zij had immers gehandeld, als een meisje, dat door opvoeding, door persoonlijk karakter, door levensgedrag aanspraak heeft op fatsoenlijke bejegening; dat niet behandeld wil worden als de aanstaande materieele andere helft zonder meer, maar dat een hoog standpunt vraagt van onderscheiding,[63]van liefde en toewijding, om later haar volle, groote plaats te bekleeden in het gezin; om er meer te zijn dan een levend werktuig met wettig patent. En al drukte zij het niet uit in haar zelve door woorden, zoodat elke gedachte een denkbeeld werd, zij dacht het toch en ze streed met dat wapen tegen die sterke onverklaarbare aandoening, tot ze haar hoofd liet zinken op haar arm en huilde, alsof ze diep, diep ongelukkig was. Er kwam geen ongewenschte inmenging: Geen stumperd van ’n vader of moeder of broer of zuster kwam haar kamer binnen met een welgemeende poging tot troosten; zij kon gerust uithuilen zonder tekst of uitleg; zonder dat men haar aan het verstand wilde brengen hoe goed het was, dat de zon scheen, het water stroomde en de mensch leed. In het verhakte en onverschilligemilieuvan dit huisgezin had ze ten minste geen overlast van misplaatste deelneming.

Het was haar voorbijgegaan, het had zich aangeboden! De groote gelegenheid om den anderen kant van het leven te leeren kennen langs den geoorloofden weg, had zich opgedaan; zij had haar kunnen grijpen; het had slechts de moeite gekost één woordje te zeggen; en iedereen had het natuurlijk gevonden en goed als zij ’t had gezegd; geen sterveling had er zich een aanmerking op veroorloofd; zij had geld, Vermey had een positie; er was geen beletsel, geen hindernis, noch maatschappelijk, noch huishoudelijk.… Zij had het geweigerd, zij had uit hoogheid van opvatting de natuur versmaad, de ruwe machtige, wreede natuur, die zijn plompe vuist binnen in den mensch houdt als een onweerstaanbare motor, en hem schudt.…[64]

Toen ze haar gezicht droogde met haar zakdoek, stond er een scherpe trek op, die er òf niet geweest òf althans niet zoo uitgedrukt. Zij draaide de lamp op, keek in een handspiegel, en zag hem, dien trek. Ze kende hem niet; zóó goed had ze de menschen nooit bekeken; ze kende hem niet als het onderdeel van een samenstel, dat een taal spreekt op zichzelf, tot.… de ambtenaar van den burgerlijken stand er de spons over haalt en hem wegveegt!—

De tafelschel boven had al tweemaal zijn rinkelenden metaalklank door kamers en galerijen gezonden. Lena had ’t wel gehoord, doch zij was niet gegaan; het zou dacht ze, wel niet anders wezen, dan een herkauwen van dat geval met Vermey. Dáárvoor was nog tijd genoeg! Het kon wel niet anders zijn, want nauwelijks was ze in haar kamer of ze hoorde den harden stap van haar vader op de houten trap naar boven. Nu, nu ze bedaard was, en zich in haar huiskleeding had gestoken, in sarong en kabaai, zocht ze haar moeder op, die reeds weêr in ’t bed zat tegen den stapel kussens en om het felle licht te weren, het lampje ook achter het schutsel had laten zetten.

„Heb je het toch gedaan?” vroeg de doffe, vermoeide stem haast onverstaanbaar zacht.

„Zeker ma?”

„En wat zeid-ie wel?”

Het was, vond Lena, verwonderlijk. Er toonde in de vraag iets door van groote vrouwelijke nieuwsgierigheid. Zoo ziek haar moeder was, zoo moeilijk haar de ademhaling[65]viel, zoo schor en bijna klankloos de benauwde stem was—toch scheen het dat bij dit belangwekkend geval de oude mensch naar de oppervlakte kwam dringen, geprikkeld door hetbijzonderpikante, en dol nieuwsgierig om te hooren, hoe een man, die zich van achter brandt, zich houdt bij het zitten op de blaren.

„O, hij was erg afgebluft, geloof ik. Hij heeft eerst nog zoo wat geprotesteerd. Verbeeld u, dat hij brutaal genoeg was om me: lieve Lena! te noemen. Dat heb ik hem anders verteld. Daarna wilde hij zich nog verdedigen toen ik hem verweet, dat hij me alleen vroeg om ons geld.”

Mevrouw Bruce zweeg en keek rechtuit naar het donker ornament van ’t ijzeren ledikant. Haar zwak lichaam bleef al de bewegingen meêmaken van het moeilijk spel harer longen; zij was meer dan ooit ingezonken en luider klonk het klagend geluid der piepende ademhaling. Maar op haar smal, afgetobd gezicht kwam een uitdrukking van weemoed en teerhartigheid. Had hij dat gezegd? dacht ze. O, ze herinnerde zich zoo goed dien knappen, netten jongen, bon-vivant, ’n beetje scharrelaar, wat heel erg zelfs, maar toch zoo’n gezonden kranigenboy, altijd even in de puntjes. En ze glimlachte tegen de figuur in haar herinnering, die ze niet meer had gezien de vele maanden dat ze boven zat, ziek opgesloten in haar kamer. Hij had haar Leentje „lieve” genoemd; dat trof haar. Zou hij ’t misschien toch gemeend hebben? Zou hij.… wie weet of hij niet werkelijk veel van ’t meisje had gehouden.Kasian![66]

„Hield je heusch niet van hem, Leentje?” vroeg ze, haar droge warme hand op die van haar dochter leggend.

„O neen, ma!” zei Lena met ’n diepen zucht, „als dat waar was geweest.…”

„Zou je geen „neen” hebben gezegd.”

„Dat niet. Maar dan zou ik hier niet zoo rustig staan. Ik ga nu naar beneden, ma. Het is tijd voor de kinderen. Zal ik u iets sturen?”

Met ’n afwerend gebaar stak haar moeder de knokkels op. „’n Bordje soep, Leentje. Anders niet.”

In het hoofd der zieke spookte nog het beeld van Vermey, in de gratie thans omdat hij Lena „lieve” had genoemd; en ze schudde in haar eentje weer meêlijdend het hoofd en zei nog eens zachtjes: „Kasian!”

Lena sliep dien nacht, zooals ze het in langen tijd niet had gedaan. Zij werd wakker op den vasten tijd en was verbaasd over haar uitgeslapenheid in den gewonen zin van het woord. Maar dadelijk zag zij om naar haar moeder, in wier reusachtig groote bed zij thans lag. Mevrouw Bruce sliep nog; zij was, bij haar zittende houding, onderuitgegleden, en scheen daar geen hinder van te hebben; zij sliep rustig en ademde met minder moeite en geluid dan anders. Zachtjes streek Lena het bed uit, en ging baden. Ook toen ze terugkwam om ’n stukje toilet te makenen ’n schoone kabaja aan te doen, sliep haar moeder. Zij „deed” het huishouden als altijd. Papa, erg uit zijn humeur sprak geen woord tegen haar, beknorde de kinderen, en had op alles aanmerkingen, tot hij Goddank! de deur uitging. Tegen acht uren reed de coupé van den dokter het erf op.[67]

„Hoe is het?” vroeg hij rechtuit naar achter komend: „Nog altijd hetzelfde?”

„Ik geloof dat mama wat beter is.”

Hij hief het hoofd ietwat omhoog met ’n kort, snel rukje, en dacht er ’t zijne van.

„Hoe is het vannacht gegaan?”

„Juist dáárom. Mama heeft vannacht zoo goed geslapen, als ze in geen tijd heeft gedaan.”

„En een van ons tweeën ook! Je zoudt er ’n boel beter uitzien, als je zelf wat meer en geregelder nachtrust hadt.”

Ze had een bui van grappigheid; dat kon wel tegenover den dokter, die er al zooveel jaren practiseerende en onder de moeilijkste en intiemste omstandigheden er gekomen was juist door zijn positie als geneesheer.

„Ik begin anders te gelooven, dat ik er tegenwoordig nog zoo slecht niet uitzie.”

De dokter, die er niet over had willen beginnen, maar nu dadelijk het appeltje opving, zei met ’n glimlach, waarin zich verwondering uitdrukte:

„Dat hoor ik! Maar ik begrijp niet, waarom je hem den bons hebt gegeven; hij is toch ’n.… geschikte vent.”

„Weet u het dan nu al?”

„Jullie leeft niet achter ’n chineeschen muur!” zei hij luid lachend om haar verwondering. „Vannacht om twaalf uren werd ik geroepen bij de Prakke’s—ze hebben tusschen haakjes weêr ’n jongen!—en toen hoorde ik al, dat je hem in den vooravond hadt afgewezen.”

„Hoe is ’t mogelijk!”

„En hij strooit nu rond, dat hij ervan afziet je te vragen.[68]Maar het aardigste is, dat niemand hem gelooft. Nu ga ik eens even naar mama kijken. Heeft ze haar drank op tijd gehad?”

„Natuurlijk niet; zij heeft geslapen en ik durfde haar niet wakker maken.”

„Hm!”

Terwijl hij naar boven ging, in stilte indische huizen met trappen verwenschend, stond Lena met de handen op haar machine-tafeltje geleund in gedachten rechtuit te turen. Van den gang dier geruchten kon zij zich geen idee maken. Hoe was dat toch mogelijk. Hoe kon het zijn, dat nu in den vroegen ochtend reeds iedereen alles wist; meer zelfs dan zij?

„Bent u nog beneden?” riep een stem van boven over de trapleuning.

„Ja dokter, wat is er?”

„O niets! Als u maar niet weggaat. Ik wou u even spreken.”

Toen de dokter de kamer binnenkwam sliep mevrouw Bruce nog. Hij had haar bekeken en bij zichzelf ’t gezicht getrokken van iemand, die gebeuren ziet, wat hij verwacht had. Hij had zacht de sarong weggeschoven en de voeten en beenen onderzocht; hij had nauwlettend geluisterd met ’t zwarte toestelletje aan zijn oor op de borst van de slapende. Daar was zij wakker van geworden. Hij had even Lena toegeroepen; kwam weer binnen, vroeg naar het een en ander, en behandelde verder zijn patiënte.

Het had ’t meisje aangegrepen, zonder dat ze wist waarom. ’t Was of haar hart ophield te kloppen, zoo schrikte zij van de enkele meêdeeling, dat dokter haar nog wilde spreken vóór hij wegging. Zij stond reeds op de[69]trap om naar boven te gaan, maar ze keerde weer terug. Het was te gek. Wie weet of ’t niet een kleinigheid was over de medicijn of zoo. Ze hoorde hem aankomen, en ’t verwonderde haar niet, dat hij langzaam afdalend langs de breede bruingeverfde treden, met zijnfachmässigezwarte jas en dito vest en zijn ernstig gezicht, volkomen den indruk maakte van een jobsbode.

En terwijl zij hem aanzag met angstige oogen, lag de vraag op haar gezicht, die hij kwam beantwoorden.

„Het is me erg tegengevallen.”

Lena beet op haar onderlip om zich goed te houden.

„Er is toch geen gevaar?” zei ze, niet ontsnappend aan de gewone frase van menschen, die overtuigd zijn dat er wel gevaar is.

„Voor het oogenblik niet. Maar ik vrees toch, dat we staan voor het begin van het einde.”

„Waarom, dokter?”

„Ik wil het u nu wel zeggen, en ’t zal bovendien heel gauw erger blijken. Spreek er nog maar alleen met den ouden heer over. Er is waterzucht ingetreden.”

Zij keek hem aan en begreep het niet. Er doemden in haar hoofd flauwe herinneringen op van verhalen, die ze wel eens had gehoord, maar die haar geen andere voorstelling konden geven, dan van menschen, die naar het scheen door ziekte in ’n soort van artesische putten ontaardden, die periodiek van groote hoeveelheden water bevrijd moesten worden.

„Wat is het eigenlijk?” vroeg ze.

Uit de korte inlichtingen begreep ze genoeg. Dat was[70]wezenlijk, zooals hij gezegd had, in zoo’n geval het begin van het einde. Ze had altijd nog hoop gehad. Ze had haar arme moeder tusschen de medicijnen van den dokter door, allerlei inlandsche poespas laten slikken, soms zoo verwerkt in ander eten of drinken, dat de zieke het niet eens merkte. Het had alles niets gebaat en nu kwam onverbiddelijk de dood.

Haast alle gemeenschap met de buitenwereld hield voor Lena Bruce op. Haar moeder had nog slechts weinig vriendinnen; de oude waren naar elders gegaan of gestorven, en nieuwe had ze in de laatste jaren niet gemaakt. Op de tijding van het onheilspellend verschijnsel, dat zich bij de zieke had voorgedaan, was Bruce twee dagen thuis gebleven, zonder zijn partijtje te maken; toen zijn vrouw den derden dag nog niet dood was, ging hij naar de sociëteit, en leefde verder op zijn gewone manier voort; de jongens ook, toen de eerste schrik voor den naderenden dood bedaard was, maar het feit niet volgde, kwamen zij weêr in hunoudedoen. Enkel Lena bleef haarzelf gelijk, zij wist, wat zij wist; zij zag het doodelijk verschijnsel opkomen, naar boven; zij kon haast den dag berekenen, die de sterfdag moest zijn van haar moeder. Soms bad zij God er een eind aan te maken. Als er weer zoo’n groote benauwdheid was geweest, waarbij het leven in dat afgetobde lijf een martelenden strijd om het bestaan had gevoerd, verschrikkelijk om aan te zien, en als zij het onmogelijke had beproefd tot hulp en verlichting, viel ze soms, terwijl haar moeder uitgeput in stille verdooving neerlag, voor een stoel op de knieën, schreiend, zachtjes biddend om verlossing voor dat arme afgebeulde schepsel, dat altijd zoo alles voor haar[71]was geweest; waaraan haar heele herinnering hing van kind tot volwassen meisje; dat alleen altijd voor haar had gezorgd, met zoo’n groote moederliefde, wie niets te veel is; die eigen dienstbaarheid nooit zag of voelde tegenover haar kind; die haar naaister was geweest, haar kindermeid, haar meesteres en haar slavin: haar moeder.

En het bidden hielp ook Lena niet. Wat stoorde zich „de” ziekte in haar verloop en haar verschijnselen dááraan? Die deed zooals in geneeskundige boeken geschreven stond, dat zij behoorde te doen om als een regelmatig physisch proces te mogen aangemerkt worden. De dokter kon er niet veel meer aan doen, dan de ziekte waarnemen met haar verschijnselen; de oorzaak viel niet meer te bestrijden; dáár was geen denken aan. En wat baatte eigenlijk de rest! Toch deed hij het overige, omdat het moest en gaf hij de zieke verlichting door haar van aanmerkelijke ophooping van vloeistof te ontlasten, eerst op natuurlijke, maar toen dat niet meer hielp, op kunstmatige manier. Soms had zij rust en was vrij van pijn en benauwdheid; dan sprak ze met Lena en gaf orders voor, tijdens en na haar dood; dan moest het meisje die opschrijven al beefde haar hand en al kon ze niet zien door haar tranen. En eens moest de notaris worden gehaald. Toen kwam Bruce, die anders zich bepaalde tot een korte informatie ’s morgens en ’s avonds, met groote belangstelling voor het oog, en egoïstische ongerustheid in het hart naar boven; maar de notaris die den toestand en de verhoudingen kende, verzocht hem heel beleefd heen te gaan, wat hij deed onder stil protest tegen zulk een schending van zijn huismansrecht.[72]


Back to IndexNext