[Inhoud]ZESTIENDE HOOFDSTUK.Yps duikt weer op.Een paar dagen later was Lena door het geregeld wandelen al veel beter; zij had geen hoofdpijnen meer en voelde zich flinker.„Zeg,” zei ze zachtjes, terwijl ze ’s avonds aan tafel zaten, „nu heb ik toch nog vergeten je iets te vertellen.”„Wat dan?” vroeg hij maar half belangstellend.„Je weet wel, dat hiernaast die twee heeren wonen.”„Jawel, de jongelui, die onlangs ’n visite hebben gemaakt.”„Nu ja, en herinner je je wel, dat we voor ’n paar dagen toen we wandelden, zoo’n mooie nonna ontmoetten?”„En wat is daarmee?” vroeg hij haast angstig.„Die is hiernaast in huis!”„Wel gévédé!” vloekte Vermey onwillekeurig, en verschrikt en verbaasd keek Lena hem aan; dat had hij nog nooit gedaan!„Wat mankeert je toch, George? Is dàt nu tegen me uitvallen!”„Och, kind, het is immers niet tegen jou.”[201]„Ik zou niet weten tegen wie anders.”„Wel natuurlijk tegen die kerels. Het is geen manier van doen.”Lena wist niet wat ze hoorde. Zij had een uitstekend herinneringsvermogen, en wist meestal wat iemand vroeger gezegd had; ze onthield dat gewoonlijk beter, dan de „iemand” zelf. Hoe kon hij nu zoo vloeken over de omstandigheid dat anderen precies deden, wat hijzelf ook had gedaan en aan haar had voorgesteld als iets dat om zoo te zeggen onvermijdelijk was; als ’n soort noodzakelijk kwaad. Ze zei het hem ook, ronduit.„Och, dat is het niet, Lena,” repliceerde hij, „ik sprak toen in het algemeen. Natuurlijk, dan blijft dat waar!”„Waarom is er dan nu iets zoo bijzonders in?”„Ze moeten haar achterbaks houden! Het komt niet te pas, dat ze overal rondloopt en jij haar ziet.”Mevrouw Vermey haalde de schouders op; zij vond haar man onbegrijpelijk en overdreven. Die jongelui waren óók ’s morgens naar hun kantoren, en ze konden zoo’n mensch toch gedurende dien tijd niet vastbinden of opsluiten! Ze sprak er niet verder over en dacht er evenmin aan; het interesseerde haar in het geheel niet. Maar George zooveel te meer. Wat moest hij daartegen doen? was de vraag, die hem bezighield. Wat kon hij ertegen doen, heette het eigenlijk, en het antwoord was: niets. Hij stond er machteloos tegenover. Hij kon zelfs niet verhuizen, want dat zou krankzinnig hebben geschenen, zoo pas in het nette huis, dat hij altijd zoo roemde, en waarmeê zijn vrouw zoo in haar schik was.[202]Aanvankelijk had hij gedacht, dat het een toeleg was van Yps, maar langzamerhand ontgaf hij zich dat. Ze begreep toch wel, meende hij, dat er van hem niets meer te halen viel, en zoo ze misschien gedacht had, dat hij gek genoeg was om zijn tegenwoordige positie voor haar te vergooien, zou ze wel gauw merken, dat ze het mis had.—Want zijnpositiemet al wat daaraan vast was, huis, vrouw, rust, vrede,—kortom zijn heel geregeld comfortabel bestaan, was hem boven alles lief en dierbaar. Hij overdacht dit bij stukjes en beetjes in den loop van dien avond. Geen oogenblik kwam het idee daarbij ooit weer iets met Yps te doen te hebben; hij was zóó boos, dat hij haar in stilte alle kwaads toewenschte, en in gedachten met alle denkbare scheldnamen overlaadde. Ten slotte meende hij, zou het verstandigste wezen in het geheel geen notitie van haar te nemen, en als het toeval wilde, dat hij haar zag of ontmoette, net te doen of hij haar nooit had gezien. Mocht zij het hem op de een of andere manier lastig maken, dan zou hij in stilte de hulp der politie inroepen. Een oogenblik had zich het denkbeeld aan hem voorgedaan open kaart te spelen tegen Lena, maar hij had het verworpen. Als hij haar alles vertelde, kon dat een bron vansoesahen onaangenaamheden worden; het geval rechtvaardigde als ’t ware haar vroegere weigering zijn vrouw te worden, wat zeer onplezierig voor hem was. Zoo’n jong, braaf, fatsoenlijk vrouwtje, voor de eerste maal in „omstandigheden”, mocht men, vond hij, met zulke dingen niet lastig vallen; kwam ze er zonder zijn toedoen achter, dan was het al beroerd genoeg.[203]Natuurlijk gebeurde het, dat hij „haar” zag. Hij had op zijn achtererf een collectie fraaie planten laten zetten, waarnaar hij ’s ochtends vroeg en in den namiddag, als hij thuis kwam, zoo ’reis kijken ging, soms met Lena samen, soms alleen; ze haalden dan hier en daar dorre blaadjes af en praatten over dechevelures, die de een goed, de ander minder gelukten. Onwillekeurig keek hij dan schuin over de pagger, en als hij alleen was, zag hij meermalen Yps op het aangrenzende erf. Hij deed dan alsof hij haar in ’t geheel niet had bespeurd, en keek ’n anderen kant uit, wat haar niet naar den zin scheen, want dan zong ze zacht, maar hard genoeg, dat hij het hooren kon, of kuchte en hemde om zijn aandacht te trekken. Vermey bleef onvermurwbaar; alleen maakte hij zich inwendig nijdig. Wat verbeeldde zich zoo’n dit en dat wel! Dacht ze misschien, dat hij ’n kwajongen was, en zich nu aan haar zou verslingeren?Intusschen kwamen in den toestand van Lena de gebruikelijke vorderingen. Het begon haar nu werkelijk langzamerhand moeilijk te vallen zich te kleeden, ondanks het verwijdingsproces harer kleederen en het eene „gemakkelijke” lijf, dat ze op aanraden van een ondervindingrijke vriendin voor de geheele campagne had laten maken.Voirey begon meer en meer belang te stellen in het kleine huisgezin, en in de werkzaamheid van zijn aangetrouwden neef, die bepaald erg zijn best deed in de stad, en die zelfstandig werkende, veel meer energie aan den dag legde en coulanter in zaken was, dan hij van hem verwacht had.[204]Zoo nu en dan viel neef Jan als ’n bom ’s avonds met de deur in huis en bleef tot heel laat. Daar was Vermey erg lekker mee; hij maakte zelf met zorg het amerikaansche grogje klaar en het streelde hem, dat die man, die in zooveel zaken zat en daarvan zooveel wist, zich dikwijls vertrouwelijk tegen hem uitliet. Lena was dan al naar bed gegaan; die „zaken” interesseerden haar niet; ze was moe; ze had slaap en de heeren drongen er ook op aan, dat zij op tijd naar bed zou gaan.Het was haast twee uur in een nacht van Zaterdag op Zondag toen Voirey opstond om heen te gaan; het was een der onvergelijkelijk fraaie indische nachten met maneschijn; rustig gleed het licht tusschen het fijne groen vanasementjemara, den weg teekenend als een in het verschiet verloopende witte lijn, grillig uitgehakt door de donkere schaduwen der boomen aan één kant.„Het is het eenige, wat me met dit beroerde land verzoent; ’t is nu wezenlijk lekker.”„Ja,” antwoordde Vermey. „’t Zijn prachtige avonden.”En stil rookend liepen ze samen een eindje op, Vermey in slaapbroek en kabaja en op sloffen, beiden genietend van de koelte door de uitstraling van den bodem in den vollen oost-mousson.„Kom, ik stap maar in mijn rijtuig,” zei Voirey, toen de gardoes twee slagen sloegen, „’t is al laat.”De paarden, met vurig verlangen naar huis, waren achter hen nauwelijks te bedwingen geweest en Voirey kon alleen met ’n vluggen sprong in de mylord komen; van stilstaan wilden ze niet weten.[205]Op zijn dooie gemak wandelde Vermey terug. Hij was gelukkig en tevreden; hij was een voldaan man; hij genoot van het leven, volop. Ruimte van middelen, een jonge, goede vrouw, het vaderschap in het verschiet, een keurig huis, lekker eten en drinken, fijne sigaren,—wat ter wereld, dacht hij, zou ’n mensch op deze booze aarde meer verlangen? Als de zaken zoo bleven gaan, was hij over ’n jaar of tien op zijn vijf, zes en veertigste jaar een manin bonus; dan kon hij naar Europa gaan met een aardig fortuin, waarbij nog dat van zijn vrouw kwam, en dan was hij nog jong genoeg om van de genoegens der centra van beschaving te genieten. Welk een benijdenswaardige positie, dacht hij, vergeleken bij.… Doch hij wilde niet denken aan vroeger. Zelfs in gedachten wilde hij niet terug naar dien boheemschen tijd; het eenige wat hij niet begreep, was, dat hij het daarbij zoolang had uitgehouden. Enfin, het was een slimme zet van hem geweest dien ochtend naar den Boom te gaan om de familie af te halen, en als ooit wat belangstelling en eenige opoffering beloond waren geweest, dan waren het wel die door hem voor den ouden Bruce aan den dag gelegd. Het was heel leuk geweest, waarachtig, en hij glimlachte in de donkere schaduw der boomen tegen die leukheid, welke hem van een maatschappelijkpas grand chosetot een „mensch” had gemaakt.Zoo slenterde hij voort op zijn sloffen, genietend van het mooie frissche weer en van de gedachten aan al de voortreffelijkheden zijner tegenwoordige positie, toen hij schrikte van het besef, dat er iemand naast hem liep.Het was erg zwart in de dikke schaduw, zoodat men er[206]niet zoo gemakkelijk kon onderscheiden; daarbij waren zijn oogen er niet krachtiger op geworden en had hij tegenwoordig een lorgnet noodig, dat hij nu juist niet bij zich had.„Siapa itoe?” vroeg hij heftig, zich zijwaarts buigend om te kunnen zien.„Dag Sors! Jij schrik van mijn? Tobat, zoo komiek toch, ja!”Yps lachte weêr met ’n rolslagje en liep nu dicht tegen hem aan, haar zijden baadje tegen zijn kabaja schuifelend. Het was of hem een straal koud water langs de ruggegraat ging. Nu was hij werkelijk geschrikt, nu daar te midden van zijn bevredigende droomen over het lieve van het heden, als het ware de incarnatie van het ellendige, vieze verleden in alle stilte voor hem was verrezen. Doch de schrik duurde niet lang en ging heel gauw in toorn over.„Zeg ’reis,” zei hij heel uit de hoogte. „Wat mot jij?”„Jij gaat mee, ja Sors? Jij wilt weer goed worden? Zij zijn uit naar de Soos. Je kunt gerust. Ze komen nooit thuis dan tegen het schot.”Was het mogelijk? Dat wilde hem, den heer Vermey, chef van de firma enz. meê hebben op ’n clandestiene manier in het huis van ’n paar ongetrouwdeemployé’s…„Ajo, donder op!” zei hij zacht maar gloeiend kwaadaardig om de beleedigende propositie.„Toe Sors,” zei ze nu smeekend, half huilend. „Kan niet schelen waar, maar gaat meê met mijn, ja! Ik wil met jou, heelemaal met jou!”Zij had met beide handen zijn arm gegrepen, en klemde[207]er zich aan vast met zenuwachtige kracht; hij slingerde haar weg met één zwaai zoo forsch, dat hij er een kerel mee omver geworpen zou hebben. Yps viel op een hoop grind langs den weg met een onderdruktAdoe!en Vermey stapte voort met groote schreden, zoo snel zijn lange beenen en zijn sloffen ’t hem veroorloofden.Bevend van opgewondenheid, ongerust en vol vrees kwam hij terug in zijn achtergalerij. Hij greep de flesch cognac, maar kon het glaasje haast niet volschenken. Als zij nu eens een ongeluk had gekregen! Of, wat nog erger was, ook woedend werd en hem achterna kwam om op haar gemeene manier standjes te maken. Het angstzweet brak hem uit. Hij moest wachten; hij kon niet naar binnen gaan, meende hij, en in de onaangenaamste gemoedsstemming, hem in lang overkomen, wachtte hij, onrustig, glaasjes cognac drinkend om zich te kalmeeren.Yps had zich maar ’n heel klein beetje bezeerd; zij was ook werkelijk zoo kwaad geworden, dat ze tot alles in staat zou geweest zijn, maar ze zag bij de naaste gardoe beweging; wellicht hadden de kerels iets gezien en kwamen erop af. Nu had ze in ’t minst geen lust door de nachtpolitie opgepakt te worden, en daarom liep ze hard haar tijdelijk en onwettighomebinnen.In haar kamer in de bijgebouwen ging ze in alle stilte te keer, meer verlangend naar Vermey dan ooit; voor een oogenblik razend om de manier, waarop hij haar had teruggestooten. Zij koelde haar woede aan een ouden stroohoed met linten, dien ze vroeger eens zoo dwaas was geweest te koopen, dien ze nooit droeg, maar die, als een onmisbaar[208]meubel, altijd op haar tafel lag, vol stof en verkleurd. Zij vernielde dien totaal, wat haar aanmerkelijk opluchtte en haar kalm maakte. Eerst had ze stil gezeten ’n oogenblik met gloeiende starende oogen; toen dwaalde haar blik door het met een kleine petroleumlamp verlichte vertrek; zij zag den hoed en nam hem voorzichtig op; zachtjes trok ze het naaisel van het lint los, doch naarmate het hield en weerstand bood, trok en rukte ze heviger, tot ze de laatste gevlochten reepen stroo uit elkaar haalde en met eentèrr! tèrr!wat: daar! daar!, moest beduiden tegen den grond smeet.Zij ging naar buiten en loerde over den pagger. Daar zat hij, de gemeene vent! dacht ze. Maar ze zou hem wel krijgen!Ze had er haar zinnen op gezet; hij zou weer bij haar komen, net als vroeger. Daar moest zij haar wil in hebben! Zachtjes begon ze te neuriën. Haar oude pantoen, de eenige die ze kende, van een meisje, dat in de kali sprong, omdat haar meneer haar had verlaten. Vermey hoorde het met een diepen zucht van verademing. Zij was dus niet verwond en had ook niets brutaals in den zin.„Zoo’n slet,” dacht hij, stond op, draaide het licht uit en ging naar zijn kamer.Het bezorgde hem een rusteloozen nacht. In den laatsten tijd sliep hij in de logeerkamer, en vermoeid, ’s avonds, van den langen, warmen arbeidsdag, rustte hij lekker uit en ontwaakte ’s morgens frisch en uitgeslapen. Dien nacht scheen het bed hem bijzonder hard en ongemakkelijk; de nacht benauwd en onfrisch. Hij deed als het ware een reis door het ledikant, nu eens aan het boven-, dan aan het[209]voeteneinde. Zijn gedachten dwaalden in halve sluimeringen telkens terug naar de genoegens, die Yps hem in haar beste momenten had aangeboden. Dan was hij kwaad op zichzelven, ging „om” liggen, fronste in de duisternis achter de klamboe de wenkbrauwen en beproefde aan iets anders te denken.„Ben je niet lekker, George?” vroeg Lena den volgenden ochtend.„Niet erg.”„Dan zou ik rust nemen vandaag … Het is toch Zondag … Je ziet bleek. Heb je koorts gehad?”„Misschien wel … vannacht … ’n beetje. Ik heb ten minste haast geen oog dicht kunnen doen.”Lena maakte zich ongerust; hij was zoo sterk en gezond altijd; hoe kwam het dat hij er nu in eens zoo bleek en vermoeid uitzag?Hij nam ’t kopje koffie van haar aan, en genoot ervan met kleine teugjes. Terwijl keek hij naar haar stille, huiselijke bedrijvigheid en in het rond naar het net geheel van zijn interieur. Neen, dacht hij, dat nooit! Als ik er eens meê begin, wordt het donderen! Neen, dàt nooit!Zij ging op zijn knie zitten en lei haar hand op zijn voorhoofd.„Je bent niet warm, nu?”„Wel neen, ’t is niets. Ik heb misschien gisteravond met Jan m’n grogje wat te sterk gemaakt.”Lena begon te lachen.„Neen, dat zal het wel niet zijn geweest. Daar kan je, geloof ik, goed tegen en Jan ook. Maar zonder gekheid nu, zal ik om den dokter zenden?”[210]„Wel neen kind, ben je mal.”„En als je nu ziek wordt morgen op ’t kantoor?”„Dan kom ik naar huis, dat spreekt. Maar je behoeft je niet ongerust te maken; het beteekent hoegenaamd niets.”Tot een besluit was Vermey ook den dag daarna nog niet gekomen. Wel stond het bij hem vast, dat hij het er niet bij kon laten. Terwijl hij aan zijn zaken was, hield ’t hem nu en dan bezig. ’s Middags kwam Voirey praten over een contract, dat hij zou sluiten met het Gouvernement, maar waarover zij het niet eens konden worden. Ze zaten alleen in Vermey’s kantoor, en toen het gesprek over zaken was afgeloopen, kreeg deze een inval.„Er is me,” zei hij, „Zaterdagavond iets onaangenaams gebeurd.”„Toen je terug naar huis gingt?”Vermey knikte met een gewichtig gewicht.„Was er gestolen toen je thuis kwam?”„Mij dunkt erger.”En hij vertelde het heele zaakje in geuren en kleuren.„Maak je je daar bezorgd over?” vroeg Voirey overmoedig.Vermey glimlachte, als had hij medelijden met zooveel onbekendheid met hetintiemeleven in Indië.„Je weet niet hoe gevaarlijk die lui zijn, en welke middelen ze soms bezigen.”„Toovermiddelen?” vroeg Voirey spottend.„Steek er net zoo hard den draak mee als je wilt,—ik vind het een verduiveld beroerde historie.”„Koop de meid uit.”[211]„Dank je, daar ben ik niet mee geholpen; dan laat ze mij m’n heele leven niet meer met rust.”„Nu, weet je wat,” zei Voirey, altijd eenigszins spottend, „ik heb een toovermiddel.”„Jij?”„Waarachtig. Let maar eens op en je zult zien hoe het werkt. Bonjour, je zult er wel meer van hooren.”Vermey vond het niet aardig, dat hij over deze nare historie voor den gek werd gehouden; aan den anderen kant luchtte het hem op, dat hij alles eens had kunnen vertellen.[212]
[Inhoud]ZESTIENDE HOOFDSTUK.Yps duikt weer op.Een paar dagen later was Lena door het geregeld wandelen al veel beter; zij had geen hoofdpijnen meer en voelde zich flinker.„Zeg,” zei ze zachtjes, terwijl ze ’s avonds aan tafel zaten, „nu heb ik toch nog vergeten je iets te vertellen.”„Wat dan?” vroeg hij maar half belangstellend.„Je weet wel, dat hiernaast die twee heeren wonen.”„Jawel, de jongelui, die onlangs ’n visite hebben gemaakt.”„Nu ja, en herinner je je wel, dat we voor ’n paar dagen toen we wandelden, zoo’n mooie nonna ontmoetten?”„En wat is daarmee?” vroeg hij haast angstig.„Die is hiernaast in huis!”„Wel gévédé!” vloekte Vermey onwillekeurig, en verschrikt en verbaasd keek Lena hem aan; dat had hij nog nooit gedaan!„Wat mankeert je toch, George? Is dàt nu tegen me uitvallen!”„Och, kind, het is immers niet tegen jou.”[201]„Ik zou niet weten tegen wie anders.”„Wel natuurlijk tegen die kerels. Het is geen manier van doen.”Lena wist niet wat ze hoorde. Zij had een uitstekend herinneringsvermogen, en wist meestal wat iemand vroeger gezegd had; ze onthield dat gewoonlijk beter, dan de „iemand” zelf. Hoe kon hij nu zoo vloeken over de omstandigheid dat anderen precies deden, wat hijzelf ook had gedaan en aan haar had voorgesteld als iets dat om zoo te zeggen onvermijdelijk was; als ’n soort noodzakelijk kwaad. Ze zei het hem ook, ronduit.„Och, dat is het niet, Lena,” repliceerde hij, „ik sprak toen in het algemeen. Natuurlijk, dan blijft dat waar!”„Waarom is er dan nu iets zoo bijzonders in?”„Ze moeten haar achterbaks houden! Het komt niet te pas, dat ze overal rondloopt en jij haar ziet.”Mevrouw Vermey haalde de schouders op; zij vond haar man onbegrijpelijk en overdreven. Die jongelui waren óók ’s morgens naar hun kantoren, en ze konden zoo’n mensch toch gedurende dien tijd niet vastbinden of opsluiten! Ze sprak er niet verder over en dacht er evenmin aan; het interesseerde haar in het geheel niet. Maar George zooveel te meer. Wat moest hij daartegen doen? was de vraag, die hem bezighield. Wat kon hij ertegen doen, heette het eigenlijk, en het antwoord was: niets. Hij stond er machteloos tegenover. Hij kon zelfs niet verhuizen, want dat zou krankzinnig hebben geschenen, zoo pas in het nette huis, dat hij altijd zoo roemde, en waarmeê zijn vrouw zoo in haar schik was.[202]Aanvankelijk had hij gedacht, dat het een toeleg was van Yps, maar langzamerhand ontgaf hij zich dat. Ze begreep toch wel, meende hij, dat er van hem niets meer te halen viel, en zoo ze misschien gedacht had, dat hij gek genoeg was om zijn tegenwoordige positie voor haar te vergooien, zou ze wel gauw merken, dat ze het mis had.—Want zijnpositiemet al wat daaraan vast was, huis, vrouw, rust, vrede,—kortom zijn heel geregeld comfortabel bestaan, was hem boven alles lief en dierbaar. Hij overdacht dit bij stukjes en beetjes in den loop van dien avond. Geen oogenblik kwam het idee daarbij ooit weer iets met Yps te doen te hebben; hij was zóó boos, dat hij haar in stilte alle kwaads toewenschte, en in gedachten met alle denkbare scheldnamen overlaadde. Ten slotte meende hij, zou het verstandigste wezen in het geheel geen notitie van haar te nemen, en als het toeval wilde, dat hij haar zag of ontmoette, net te doen of hij haar nooit had gezien. Mocht zij het hem op de een of andere manier lastig maken, dan zou hij in stilte de hulp der politie inroepen. Een oogenblik had zich het denkbeeld aan hem voorgedaan open kaart te spelen tegen Lena, maar hij had het verworpen. Als hij haar alles vertelde, kon dat een bron vansoesahen onaangenaamheden worden; het geval rechtvaardigde als ’t ware haar vroegere weigering zijn vrouw te worden, wat zeer onplezierig voor hem was. Zoo’n jong, braaf, fatsoenlijk vrouwtje, voor de eerste maal in „omstandigheden”, mocht men, vond hij, met zulke dingen niet lastig vallen; kwam ze er zonder zijn toedoen achter, dan was het al beroerd genoeg.[203]Natuurlijk gebeurde het, dat hij „haar” zag. Hij had op zijn achtererf een collectie fraaie planten laten zetten, waarnaar hij ’s ochtends vroeg en in den namiddag, als hij thuis kwam, zoo ’reis kijken ging, soms met Lena samen, soms alleen; ze haalden dan hier en daar dorre blaadjes af en praatten over dechevelures, die de een goed, de ander minder gelukten. Onwillekeurig keek hij dan schuin over de pagger, en als hij alleen was, zag hij meermalen Yps op het aangrenzende erf. Hij deed dan alsof hij haar in ’t geheel niet had bespeurd, en keek ’n anderen kant uit, wat haar niet naar den zin scheen, want dan zong ze zacht, maar hard genoeg, dat hij het hooren kon, of kuchte en hemde om zijn aandacht te trekken. Vermey bleef onvermurwbaar; alleen maakte hij zich inwendig nijdig. Wat verbeeldde zich zoo’n dit en dat wel! Dacht ze misschien, dat hij ’n kwajongen was, en zich nu aan haar zou verslingeren?Intusschen kwamen in den toestand van Lena de gebruikelijke vorderingen. Het begon haar nu werkelijk langzamerhand moeilijk te vallen zich te kleeden, ondanks het verwijdingsproces harer kleederen en het eene „gemakkelijke” lijf, dat ze op aanraden van een ondervindingrijke vriendin voor de geheele campagne had laten maken.Voirey begon meer en meer belang te stellen in het kleine huisgezin, en in de werkzaamheid van zijn aangetrouwden neef, die bepaald erg zijn best deed in de stad, en die zelfstandig werkende, veel meer energie aan den dag legde en coulanter in zaken was, dan hij van hem verwacht had.[204]Zoo nu en dan viel neef Jan als ’n bom ’s avonds met de deur in huis en bleef tot heel laat. Daar was Vermey erg lekker mee; hij maakte zelf met zorg het amerikaansche grogje klaar en het streelde hem, dat die man, die in zooveel zaken zat en daarvan zooveel wist, zich dikwijls vertrouwelijk tegen hem uitliet. Lena was dan al naar bed gegaan; die „zaken” interesseerden haar niet; ze was moe; ze had slaap en de heeren drongen er ook op aan, dat zij op tijd naar bed zou gaan.Het was haast twee uur in een nacht van Zaterdag op Zondag toen Voirey opstond om heen te gaan; het was een der onvergelijkelijk fraaie indische nachten met maneschijn; rustig gleed het licht tusschen het fijne groen vanasementjemara, den weg teekenend als een in het verschiet verloopende witte lijn, grillig uitgehakt door de donkere schaduwen der boomen aan één kant.„Het is het eenige, wat me met dit beroerde land verzoent; ’t is nu wezenlijk lekker.”„Ja,” antwoordde Vermey. „’t Zijn prachtige avonden.”En stil rookend liepen ze samen een eindje op, Vermey in slaapbroek en kabaja en op sloffen, beiden genietend van de koelte door de uitstraling van den bodem in den vollen oost-mousson.„Kom, ik stap maar in mijn rijtuig,” zei Voirey, toen de gardoes twee slagen sloegen, „’t is al laat.”De paarden, met vurig verlangen naar huis, waren achter hen nauwelijks te bedwingen geweest en Voirey kon alleen met ’n vluggen sprong in de mylord komen; van stilstaan wilden ze niet weten.[205]Op zijn dooie gemak wandelde Vermey terug. Hij was gelukkig en tevreden; hij was een voldaan man; hij genoot van het leven, volop. Ruimte van middelen, een jonge, goede vrouw, het vaderschap in het verschiet, een keurig huis, lekker eten en drinken, fijne sigaren,—wat ter wereld, dacht hij, zou ’n mensch op deze booze aarde meer verlangen? Als de zaken zoo bleven gaan, was hij over ’n jaar of tien op zijn vijf, zes en veertigste jaar een manin bonus; dan kon hij naar Europa gaan met een aardig fortuin, waarbij nog dat van zijn vrouw kwam, en dan was hij nog jong genoeg om van de genoegens der centra van beschaving te genieten. Welk een benijdenswaardige positie, dacht hij, vergeleken bij.… Doch hij wilde niet denken aan vroeger. Zelfs in gedachten wilde hij niet terug naar dien boheemschen tijd; het eenige wat hij niet begreep, was, dat hij het daarbij zoolang had uitgehouden. Enfin, het was een slimme zet van hem geweest dien ochtend naar den Boom te gaan om de familie af te halen, en als ooit wat belangstelling en eenige opoffering beloond waren geweest, dan waren het wel die door hem voor den ouden Bruce aan den dag gelegd. Het was heel leuk geweest, waarachtig, en hij glimlachte in de donkere schaduw der boomen tegen die leukheid, welke hem van een maatschappelijkpas grand chosetot een „mensch” had gemaakt.Zoo slenterde hij voort op zijn sloffen, genietend van het mooie frissche weer en van de gedachten aan al de voortreffelijkheden zijner tegenwoordige positie, toen hij schrikte van het besef, dat er iemand naast hem liep.Het was erg zwart in de dikke schaduw, zoodat men er[206]niet zoo gemakkelijk kon onderscheiden; daarbij waren zijn oogen er niet krachtiger op geworden en had hij tegenwoordig een lorgnet noodig, dat hij nu juist niet bij zich had.„Siapa itoe?” vroeg hij heftig, zich zijwaarts buigend om te kunnen zien.„Dag Sors! Jij schrik van mijn? Tobat, zoo komiek toch, ja!”Yps lachte weêr met ’n rolslagje en liep nu dicht tegen hem aan, haar zijden baadje tegen zijn kabaja schuifelend. Het was of hem een straal koud water langs de ruggegraat ging. Nu was hij werkelijk geschrikt, nu daar te midden van zijn bevredigende droomen over het lieve van het heden, als het ware de incarnatie van het ellendige, vieze verleden in alle stilte voor hem was verrezen. Doch de schrik duurde niet lang en ging heel gauw in toorn over.„Zeg ’reis,” zei hij heel uit de hoogte. „Wat mot jij?”„Jij gaat mee, ja Sors? Jij wilt weer goed worden? Zij zijn uit naar de Soos. Je kunt gerust. Ze komen nooit thuis dan tegen het schot.”Was het mogelijk? Dat wilde hem, den heer Vermey, chef van de firma enz. meê hebben op ’n clandestiene manier in het huis van ’n paar ongetrouwdeemployé’s…„Ajo, donder op!” zei hij zacht maar gloeiend kwaadaardig om de beleedigende propositie.„Toe Sors,” zei ze nu smeekend, half huilend. „Kan niet schelen waar, maar gaat meê met mijn, ja! Ik wil met jou, heelemaal met jou!”Zij had met beide handen zijn arm gegrepen, en klemde[207]er zich aan vast met zenuwachtige kracht; hij slingerde haar weg met één zwaai zoo forsch, dat hij er een kerel mee omver geworpen zou hebben. Yps viel op een hoop grind langs den weg met een onderdruktAdoe!en Vermey stapte voort met groote schreden, zoo snel zijn lange beenen en zijn sloffen ’t hem veroorloofden.Bevend van opgewondenheid, ongerust en vol vrees kwam hij terug in zijn achtergalerij. Hij greep de flesch cognac, maar kon het glaasje haast niet volschenken. Als zij nu eens een ongeluk had gekregen! Of, wat nog erger was, ook woedend werd en hem achterna kwam om op haar gemeene manier standjes te maken. Het angstzweet brak hem uit. Hij moest wachten; hij kon niet naar binnen gaan, meende hij, en in de onaangenaamste gemoedsstemming, hem in lang overkomen, wachtte hij, onrustig, glaasjes cognac drinkend om zich te kalmeeren.Yps had zich maar ’n heel klein beetje bezeerd; zij was ook werkelijk zoo kwaad geworden, dat ze tot alles in staat zou geweest zijn, maar ze zag bij de naaste gardoe beweging; wellicht hadden de kerels iets gezien en kwamen erop af. Nu had ze in ’t minst geen lust door de nachtpolitie opgepakt te worden, en daarom liep ze hard haar tijdelijk en onwettighomebinnen.In haar kamer in de bijgebouwen ging ze in alle stilte te keer, meer verlangend naar Vermey dan ooit; voor een oogenblik razend om de manier, waarop hij haar had teruggestooten. Zij koelde haar woede aan een ouden stroohoed met linten, dien ze vroeger eens zoo dwaas was geweest te koopen, dien ze nooit droeg, maar die, als een onmisbaar[208]meubel, altijd op haar tafel lag, vol stof en verkleurd. Zij vernielde dien totaal, wat haar aanmerkelijk opluchtte en haar kalm maakte. Eerst had ze stil gezeten ’n oogenblik met gloeiende starende oogen; toen dwaalde haar blik door het met een kleine petroleumlamp verlichte vertrek; zij zag den hoed en nam hem voorzichtig op; zachtjes trok ze het naaisel van het lint los, doch naarmate het hield en weerstand bood, trok en rukte ze heviger, tot ze de laatste gevlochten reepen stroo uit elkaar haalde en met eentèrr! tèrr!wat: daar! daar!, moest beduiden tegen den grond smeet.Zij ging naar buiten en loerde over den pagger. Daar zat hij, de gemeene vent! dacht ze. Maar ze zou hem wel krijgen!Ze had er haar zinnen op gezet; hij zou weer bij haar komen, net als vroeger. Daar moest zij haar wil in hebben! Zachtjes begon ze te neuriën. Haar oude pantoen, de eenige die ze kende, van een meisje, dat in de kali sprong, omdat haar meneer haar had verlaten. Vermey hoorde het met een diepen zucht van verademing. Zij was dus niet verwond en had ook niets brutaals in den zin.„Zoo’n slet,” dacht hij, stond op, draaide het licht uit en ging naar zijn kamer.Het bezorgde hem een rusteloozen nacht. In den laatsten tijd sliep hij in de logeerkamer, en vermoeid, ’s avonds, van den langen, warmen arbeidsdag, rustte hij lekker uit en ontwaakte ’s morgens frisch en uitgeslapen. Dien nacht scheen het bed hem bijzonder hard en ongemakkelijk; de nacht benauwd en onfrisch. Hij deed als het ware een reis door het ledikant, nu eens aan het boven-, dan aan het[209]voeteneinde. Zijn gedachten dwaalden in halve sluimeringen telkens terug naar de genoegens, die Yps hem in haar beste momenten had aangeboden. Dan was hij kwaad op zichzelven, ging „om” liggen, fronste in de duisternis achter de klamboe de wenkbrauwen en beproefde aan iets anders te denken.„Ben je niet lekker, George?” vroeg Lena den volgenden ochtend.„Niet erg.”„Dan zou ik rust nemen vandaag … Het is toch Zondag … Je ziet bleek. Heb je koorts gehad?”„Misschien wel … vannacht … ’n beetje. Ik heb ten minste haast geen oog dicht kunnen doen.”Lena maakte zich ongerust; hij was zoo sterk en gezond altijd; hoe kwam het dat hij er nu in eens zoo bleek en vermoeid uitzag?Hij nam ’t kopje koffie van haar aan, en genoot ervan met kleine teugjes. Terwijl keek hij naar haar stille, huiselijke bedrijvigheid en in het rond naar het net geheel van zijn interieur. Neen, dacht hij, dat nooit! Als ik er eens meê begin, wordt het donderen! Neen, dàt nooit!Zij ging op zijn knie zitten en lei haar hand op zijn voorhoofd.„Je bent niet warm, nu?”„Wel neen, ’t is niets. Ik heb misschien gisteravond met Jan m’n grogje wat te sterk gemaakt.”Lena begon te lachen.„Neen, dat zal het wel niet zijn geweest. Daar kan je, geloof ik, goed tegen en Jan ook. Maar zonder gekheid nu, zal ik om den dokter zenden?”[210]„Wel neen kind, ben je mal.”„En als je nu ziek wordt morgen op ’t kantoor?”„Dan kom ik naar huis, dat spreekt. Maar je behoeft je niet ongerust te maken; het beteekent hoegenaamd niets.”Tot een besluit was Vermey ook den dag daarna nog niet gekomen. Wel stond het bij hem vast, dat hij het er niet bij kon laten. Terwijl hij aan zijn zaken was, hield ’t hem nu en dan bezig. ’s Middags kwam Voirey praten over een contract, dat hij zou sluiten met het Gouvernement, maar waarover zij het niet eens konden worden. Ze zaten alleen in Vermey’s kantoor, en toen het gesprek over zaken was afgeloopen, kreeg deze een inval.„Er is me,” zei hij, „Zaterdagavond iets onaangenaams gebeurd.”„Toen je terug naar huis gingt?”Vermey knikte met een gewichtig gewicht.„Was er gestolen toen je thuis kwam?”„Mij dunkt erger.”En hij vertelde het heele zaakje in geuren en kleuren.„Maak je je daar bezorgd over?” vroeg Voirey overmoedig.Vermey glimlachte, als had hij medelijden met zooveel onbekendheid met hetintiemeleven in Indië.„Je weet niet hoe gevaarlijk die lui zijn, en welke middelen ze soms bezigen.”„Toovermiddelen?” vroeg Voirey spottend.„Steek er net zoo hard den draak mee als je wilt,—ik vind het een verduiveld beroerde historie.”„Koop de meid uit.”[211]„Dank je, daar ben ik niet mee geholpen; dan laat ze mij m’n heele leven niet meer met rust.”„Nu, weet je wat,” zei Voirey, altijd eenigszins spottend, „ik heb een toovermiddel.”„Jij?”„Waarachtig. Let maar eens op en je zult zien hoe het werkt. Bonjour, je zult er wel meer van hooren.”Vermey vond het niet aardig, dat hij over deze nare historie voor den gek werd gehouden; aan den anderen kant luchtte het hem op, dat hij alles eens had kunnen vertellen.[212]
ZESTIENDE HOOFDSTUK.Yps duikt weer op.
Een paar dagen later was Lena door het geregeld wandelen al veel beter; zij had geen hoofdpijnen meer en voelde zich flinker.„Zeg,” zei ze zachtjes, terwijl ze ’s avonds aan tafel zaten, „nu heb ik toch nog vergeten je iets te vertellen.”„Wat dan?” vroeg hij maar half belangstellend.„Je weet wel, dat hiernaast die twee heeren wonen.”„Jawel, de jongelui, die onlangs ’n visite hebben gemaakt.”„Nu ja, en herinner je je wel, dat we voor ’n paar dagen toen we wandelden, zoo’n mooie nonna ontmoetten?”„En wat is daarmee?” vroeg hij haast angstig.„Die is hiernaast in huis!”„Wel gévédé!” vloekte Vermey onwillekeurig, en verschrikt en verbaasd keek Lena hem aan; dat had hij nog nooit gedaan!„Wat mankeert je toch, George? Is dàt nu tegen me uitvallen!”„Och, kind, het is immers niet tegen jou.”[201]„Ik zou niet weten tegen wie anders.”„Wel natuurlijk tegen die kerels. Het is geen manier van doen.”Lena wist niet wat ze hoorde. Zij had een uitstekend herinneringsvermogen, en wist meestal wat iemand vroeger gezegd had; ze onthield dat gewoonlijk beter, dan de „iemand” zelf. Hoe kon hij nu zoo vloeken over de omstandigheid dat anderen precies deden, wat hijzelf ook had gedaan en aan haar had voorgesteld als iets dat om zoo te zeggen onvermijdelijk was; als ’n soort noodzakelijk kwaad. Ze zei het hem ook, ronduit.„Och, dat is het niet, Lena,” repliceerde hij, „ik sprak toen in het algemeen. Natuurlijk, dan blijft dat waar!”„Waarom is er dan nu iets zoo bijzonders in?”„Ze moeten haar achterbaks houden! Het komt niet te pas, dat ze overal rondloopt en jij haar ziet.”Mevrouw Vermey haalde de schouders op; zij vond haar man onbegrijpelijk en overdreven. Die jongelui waren óók ’s morgens naar hun kantoren, en ze konden zoo’n mensch toch gedurende dien tijd niet vastbinden of opsluiten! Ze sprak er niet verder over en dacht er evenmin aan; het interesseerde haar in het geheel niet. Maar George zooveel te meer. Wat moest hij daartegen doen? was de vraag, die hem bezighield. Wat kon hij ertegen doen, heette het eigenlijk, en het antwoord was: niets. Hij stond er machteloos tegenover. Hij kon zelfs niet verhuizen, want dat zou krankzinnig hebben geschenen, zoo pas in het nette huis, dat hij altijd zoo roemde, en waarmeê zijn vrouw zoo in haar schik was.[202]Aanvankelijk had hij gedacht, dat het een toeleg was van Yps, maar langzamerhand ontgaf hij zich dat. Ze begreep toch wel, meende hij, dat er van hem niets meer te halen viel, en zoo ze misschien gedacht had, dat hij gek genoeg was om zijn tegenwoordige positie voor haar te vergooien, zou ze wel gauw merken, dat ze het mis had.—Want zijnpositiemet al wat daaraan vast was, huis, vrouw, rust, vrede,—kortom zijn heel geregeld comfortabel bestaan, was hem boven alles lief en dierbaar. Hij overdacht dit bij stukjes en beetjes in den loop van dien avond. Geen oogenblik kwam het idee daarbij ooit weer iets met Yps te doen te hebben; hij was zóó boos, dat hij haar in stilte alle kwaads toewenschte, en in gedachten met alle denkbare scheldnamen overlaadde. Ten slotte meende hij, zou het verstandigste wezen in het geheel geen notitie van haar te nemen, en als het toeval wilde, dat hij haar zag of ontmoette, net te doen of hij haar nooit had gezien. Mocht zij het hem op de een of andere manier lastig maken, dan zou hij in stilte de hulp der politie inroepen. Een oogenblik had zich het denkbeeld aan hem voorgedaan open kaart te spelen tegen Lena, maar hij had het verworpen. Als hij haar alles vertelde, kon dat een bron vansoesahen onaangenaamheden worden; het geval rechtvaardigde als ’t ware haar vroegere weigering zijn vrouw te worden, wat zeer onplezierig voor hem was. Zoo’n jong, braaf, fatsoenlijk vrouwtje, voor de eerste maal in „omstandigheden”, mocht men, vond hij, met zulke dingen niet lastig vallen; kwam ze er zonder zijn toedoen achter, dan was het al beroerd genoeg.[203]Natuurlijk gebeurde het, dat hij „haar” zag. Hij had op zijn achtererf een collectie fraaie planten laten zetten, waarnaar hij ’s ochtends vroeg en in den namiddag, als hij thuis kwam, zoo ’reis kijken ging, soms met Lena samen, soms alleen; ze haalden dan hier en daar dorre blaadjes af en praatten over dechevelures, die de een goed, de ander minder gelukten. Onwillekeurig keek hij dan schuin over de pagger, en als hij alleen was, zag hij meermalen Yps op het aangrenzende erf. Hij deed dan alsof hij haar in ’t geheel niet had bespeurd, en keek ’n anderen kant uit, wat haar niet naar den zin scheen, want dan zong ze zacht, maar hard genoeg, dat hij het hooren kon, of kuchte en hemde om zijn aandacht te trekken. Vermey bleef onvermurwbaar; alleen maakte hij zich inwendig nijdig. Wat verbeeldde zich zoo’n dit en dat wel! Dacht ze misschien, dat hij ’n kwajongen was, en zich nu aan haar zou verslingeren?Intusschen kwamen in den toestand van Lena de gebruikelijke vorderingen. Het begon haar nu werkelijk langzamerhand moeilijk te vallen zich te kleeden, ondanks het verwijdingsproces harer kleederen en het eene „gemakkelijke” lijf, dat ze op aanraden van een ondervindingrijke vriendin voor de geheele campagne had laten maken.Voirey begon meer en meer belang te stellen in het kleine huisgezin, en in de werkzaamheid van zijn aangetrouwden neef, die bepaald erg zijn best deed in de stad, en die zelfstandig werkende, veel meer energie aan den dag legde en coulanter in zaken was, dan hij van hem verwacht had.[204]Zoo nu en dan viel neef Jan als ’n bom ’s avonds met de deur in huis en bleef tot heel laat. Daar was Vermey erg lekker mee; hij maakte zelf met zorg het amerikaansche grogje klaar en het streelde hem, dat die man, die in zooveel zaken zat en daarvan zooveel wist, zich dikwijls vertrouwelijk tegen hem uitliet. Lena was dan al naar bed gegaan; die „zaken” interesseerden haar niet; ze was moe; ze had slaap en de heeren drongen er ook op aan, dat zij op tijd naar bed zou gaan.Het was haast twee uur in een nacht van Zaterdag op Zondag toen Voirey opstond om heen te gaan; het was een der onvergelijkelijk fraaie indische nachten met maneschijn; rustig gleed het licht tusschen het fijne groen vanasementjemara, den weg teekenend als een in het verschiet verloopende witte lijn, grillig uitgehakt door de donkere schaduwen der boomen aan één kant.„Het is het eenige, wat me met dit beroerde land verzoent; ’t is nu wezenlijk lekker.”„Ja,” antwoordde Vermey. „’t Zijn prachtige avonden.”En stil rookend liepen ze samen een eindje op, Vermey in slaapbroek en kabaja en op sloffen, beiden genietend van de koelte door de uitstraling van den bodem in den vollen oost-mousson.„Kom, ik stap maar in mijn rijtuig,” zei Voirey, toen de gardoes twee slagen sloegen, „’t is al laat.”De paarden, met vurig verlangen naar huis, waren achter hen nauwelijks te bedwingen geweest en Voirey kon alleen met ’n vluggen sprong in de mylord komen; van stilstaan wilden ze niet weten.[205]Op zijn dooie gemak wandelde Vermey terug. Hij was gelukkig en tevreden; hij was een voldaan man; hij genoot van het leven, volop. Ruimte van middelen, een jonge, goede vrouw, het vaderschap in het verschiet, een keurig huis, lekker eten en drinken, fijne sigaren,—wat ter wereld, dacht hij, zou ’n mensch op deze booze aarde meer verlangen? Als de zaken zoo bleven gaan, was hij over ’n jaar of tien op zijn vijf, zes en veertigste jaar een manin bonus; dan kon hij naar Europa gaan met een aardig fortuin, waarbij nog dat van zijn vrouw kwam, en dan was hij nog jong genoeg om van de genoegens der centra van beschaving te genieten. Welk een benijdenswaardige positie, dacht hij, vergeleken bij.… Doch hij wilde niet denken aan vroeger. Zelfs in gedachten wilde hij niet terug naar dien boheemschen tijd; het eenige wat hij niet begreep, was, dat hij het daarbij zoolang had uitgehouden. Enfin, het was een slimme zet van hem geweest dien ochtend naar den Boom te gaan om de familie af te halen, en als ooit wat belangstelling en eenige opoffering beloond waren geweest, dan waren het wel die door hem voor den ouden Bruce aan den dag gelegd. Het was heel leuk geweest, waarachtig, en hij glimlachte in de donkere schaduw der boomen tegen die leukheid, welke hem van een maatschappelijkpas grand chosetot een „mensch” had gemaakt.Zoo slenterde hij voort op zijn sloffen, genietend van het mooie frissche weer en van de gedachten aan al de voortreffelijkheden zijner tegenwoordige positie, toen hij schrikte van het besef, dat er iemand naast hem liep.Het was erg zwart in de dikke schaduw, zoodat men er[206]niet zoo gemakkelijk kon onderscheiden; daarbij waren zijn oogen er niet krachtiger op geworden en had hij tegenwoordig een lorgnet noodig, dat hij nu juist niet bij zich had.„Siapa itoe?” vroeg hij heftig, zich zijwaarts buigend om te kunnen zien.„Dag Sors! Jij schrik van mijn? Tobat, zoo komiek toch, ja!”Yps lachte weêr met ’n rolslagje en liep nu dicht tegen hem aan, haar zijden baadje tegen zijn kabaja schuifelend. Het was of hem een straal koud water langs de ruggegraat ging. Nu was hij werkelijk geschrikt, nu daar te midden van zijn bevredigende droomen over het lieve van het heden, als het ware de incarnatie van het ellendige, vieze verleden in alle stilte voor hem was verrezen. Doch de schrik duurde niet lang en ging heel gauw in toorn over.„Zeg ’reis,” zei hij heel uit de hoogte. „Wat mot jij?”„Jij gaat mee, ja Sors? Jij wilt weer goed worden? Zij zijn uit naar de Soos. Je kunt gerust. Ze komen nooit thuis dan tegen het schot.”Was het mogelijk? Dat wilde hem, den heer Vermey, chef van de firma enz. meê hebben op ’n clandestiene manier in het huis van ’n paar ongetrouwdeemployé’s…„Ajo, donder op!” zei hij zacht maar gloeiend kwaadaardig om de beleedigende propositie.„Toe Sors,” zei ze nu smeekend, half huilend. „Kan niet schelen waar, maar gaat meê met mijn, ja! Ik wil met jou, heelemaal met jou!”Zij had met beide handen zijn arm gegrepen, en klemde[207]er zich aan vast met zenuwachtige kracht; hij slingerde haar weg met één zwaai zoo forsch, dat hij er een kerel mee omver geworpen zou hebben. Yps viel op een hoop grind langs den weg met een onderdruktAdoe!en Vermey stapte voort met groote schreden, zoo snel zijn lange beenen en zijn sloffen ’t hem veroorloofden.Bevend van opgewondenheid, ongerust en vol vrees kwam hij terug in zijn achtergalerij. Hij greep de flesch cognac, maar kon het glaasje haast niet volschenken. Als zij nu eens een ongeluk had gekregen! Of, wat nog erger was, ook woedend werd en hem achterna kwam om op haar gemeene manier standjes te maken. Het angstzweet brak hem uit. Hij moest wachten; hij kon niet naar binnen gaan, meende hij, en in de onaangenaamste gemoedsstemming, hem in lang overkomen, wachtte hij, onrustig, glaasjes cognac drinkend om zich te kalmeeren.Yps had zich maar ’n heel klein beetje bezeerd; zij was ook werkelijk zoo kwaad geworden, dat ze tot alles in staat zou geweest zijn, maar ze zag bij de naaste gardoe beweging; wellicht hadden de kerels iets gezien en kwamen erop af. Nu had ze in ’t minst geen lust door de nachtpolitie opgepakt te worden, en daarom liep ze hard haar tijdelijk en onwettighomebinnen.In haar kamer in de bijgebouwen ging ze in alle stilte te keer, meer verlangend naar Vermey dan ooit; voor een oogenblik razend om de manier, waarop hij haar had teruggestooten. Zij koelde haar woede aan een ouden stroohoed met linten, dien ze vroeger eens zoo dwaas was geweest te koopen, dien ze nooit droeg, maar die, als een onmisbaar[208]meubel, altijd op haar tafel lag, vol stof en verkleurd. Zij vernielde dien totaal, wat haar aanmerkelijk opluchtte en haar kalm maakte. Eerst had ze stil gezeten ’n oogenblik met gloeiende starende oogen; toen dwaalde haar blik door het met een kleine petroleumlamp verlichte vertrek; zij zag den hoed en nam hem voorzichtig op; zachtjes trok ze het naaisel van het lint los, doch naarmate het hield en weerstand bood, trok en rukte ze heviger, tot ze de laatste gevlochten reepen stroo uit elkaar haalde en met eentèrr! tèrr!wat: daar! daar!, moest beduiden tegen den grond smeet.Zij ging naar buiten en loerde over den pagger. Daar zat hij, de gemeene vent! dacht ze. Maar ze zou hem wel krijgen!Ze had er haar zinnen op gezet; hij zou weer bij haar komen, net als vroeger. Daar moest zij haar wil in hebben! Zachtjes begon ze te neuriën. Haar oude pantoen, de eenige die ze kende, van een meisje, dat in de kali sprong, omdat haar meneer haar had verlaten. Vermey hoorde het met een diepen zucht van verademing. Zij was dus niet verwond en had ook niets brutaals in den zin.„Zoo’n slet,” dacht hij, stond op, draaide het licht uit en ging naar zijn kamer.Het bezorgde hem een rusteloozen nacht. In den laatsten tijd sliep hij in de logeerkamer, en vermoeid, ’s avonds, van den langen, warmen arbeidsdag, rustte hij lekker uit en ontwaakte ’s morgens frisch en uitgeslapen. Dien nacht scheen het bed hem bijzonder hard en ongemakkelijk; de nacht benauwd en onfrisch. Hij deed als het ware een reis door het ledikant, nu eens aan het boven-, dan aan het[209]voeteneinde. Zijn gedachten dwaalden in halve sluimeringen telkens terug naar de genoegens, die Yps hem in haar beste momenten had aangeboden. Dan was hij kwaad op zichzelven, ging „om” liggen, fronste in de duisternis achter de klamboe de wenkbrauwen en beproefde aan iets anders te denken.„Ben je niet lekker, George?” vroeg Lena den volgenden ochtend.„Niet erg.”„Dan zou ik rust nemen vandaag … Het is toch Zondag … Je ziet bleek. Heb je koorts gehad?”„Misschien wel … vannacht … ’n beetje. Ik heb ten minste haast geen oog dicht kunnen doen.”Lena maakte zich ongerust; hij was zoo sterk en gezond altijd; hoe kwam het dat hij er nu in eens zoo bleek en vermoeid uitzag?Hij nam ’t kopje koffie van haar aan, en genoot ervan met kleine teugjes. Terwijl keek hij naar haar stille, huiselijke bedrijvigheid en in het rond naar het net geheel van zijn interieur. Neen, dacht hij, dat nooit! Als ik er eens meê begin, wordt het donderen! Neen, dàt nooit!Zij ging op zijn knie zitten en lei haar hand op zijn voorhoofd.„Je bent niet warm, nu?”„Wel neen, ’t is niets. Ik heb misschien gisteravond met Jan m’n grogje wat te sterk gemaakt.”Lena begon te lachen.„Neen, dat zal het wel niet zijn geweest. Daar kan je, geloof ik, goed tegen en Jan ook. Maar zonder gekheid nu, zal ik om den dokter zenden?”[210]„Wel neen kind, ben je mal.”„En als je nu ziek wordt morgen op ’t kantoor?”„Dan kom ik naar huis, dat spreekt. Maar je behoeft je niet ongerust te maken; het beteekent hoegenaamd niets.”Tot een besluit was Vermey ook den dag daarna nog niet gekomen. Wel stond het bij hem vast, dat hij het er niet bij kon laten. Terwijl hij aan zijn zaken was, hield ’t hem nu en dan bezig. ’s Middags kwam Voirey praten over een contract, dat hij zou sluiten met het Gouvernement, maar waarover zij het niet eens konden worden. Ze zaten alleen in Vermey’s kantoor, en toen het gesprek over zaken was afgeloopen, kreeg deze een inval.„Er is me,” zei hij, „Zaterdagavond iets onaangenaams gebeurd.”„Toen je terug naar huis gingt?”Vermey knikte met een gewichtig gewicht.„Was er gestolen toen je thuis kwam?”„Mij dunkt erger.”En hij vertelde het heele zaakje in geuren en kleuren.„Maak je je daar bezorgd over?” vroeg Voirey overmoedig.Vermey glimlachte, als had hij medelijden met zooveel onbekendheid met hetintiemeleven in Indië.„Je weet niet hoe gevaarlijk die lui zijn, en welke middelen ze soms bezigen.”„Toovermiddelen?” vroeg Voirey spottend.„Steek er net zoo hard den draak mee als je wilt,—ik vind het een verduiveld beroerde historie.”„Koop de meid uit.”[211]„Dank je, daar ben ik niet mee geholpen; dan laat ze mij m’n heele leven niet meer met rust.”„Nu, weet je wat,” zei Voirey, altijd eenigszins spottend, „ik heb een toovermiddel.”„Jij?”„Waarachtig. Let maar eens op en je zult zien hoe het werkt. Bonjour, je zult er wel meer van hooren.”Vermey vond het niet aardig, dat hij over deze nare historie voor den gek werd gehouden; aan den anderen kant luchtte het hem op, dat hij alles eens had kunnen vertellen.[212]
Een paar dagen later was Lena door het geregeld wandelen al veel beter; zij had geen hoofdpijnen meer en voelde zich flinker.
„Zeg,” zei ze zachtjes, terwijl ze ’s avonds aan tafel zaten, „nu heb ik toch nog vergeten je iets te vertellen.”
„Wat dan?” vroeg hij maar half belangstellend.
„Je weet wel, dat hiernaast die twee heeren wonen.”
„Jawel, de jongelui, die onlangs ’n visite hebben gemaakt.”
„Nu ja, en herinner je je wel, dat we voor ’n paar dagen toen we wandelden, zoo’n mooie nonna ontmoetten?”
„En wat is daarmee?” vroeg hij haast angstig.
„Die is hiernaast in huis!”
„Wel gévédé!” vloekte Vermey onwillekeurig, en verschrikt en verbaasd keek Lena hem aan; dat had hij nog nooit gedaan!
„Wat mankeert je toch, George? Is dàt nu tegen me uitvallen!”
„Och, kind, het is immers niet tegen jou.”[201]
„Ik zou niet weten tegen wie anders.”
„Wel natuurlijk tegen die kerels. Het is geen manier van doen.”
Lena wist niet wat ze hoorde. Zij had een uitstekend herinneringsvermogen, en wist meestal wat iemand vroeger gezegd had; ze onthield dat gewoonlijk beter, dan de „iemand” zelf. Hoe kon hij nu zoo vloeken over de omstandigheid dat anderen precies deden, wat hijzelf ook had gedaan en aan haar had voorgesteld als iets dat om zoo te zeggen onvermijdelijk was; als ’n soort noodzakelijk kwaad. Ze zei het hem ook, ronduit.
„Och, dat is het niet, Lena,” repliceerde hij, „ik sprak toen in het algemeen. Natuurlijk, dan blijft dat waar!”
„Waarom is er dan nu iets zoo bijzonders in?”
„Ze moeten haar achterbaks houden! Het komt niet te pas, dat ze overal rondloopt en jij haar ziet.”
Mevrouw Vermey haalde de schouders op; zij vond haar man onbegrijpelijk en overdreven. Die jongelui waren óók ’s morgens naar hun kantoren, en ze konden zoo’n mensch toch gedurende dien tijd niet vastbinden of opsluiten! Ze sprak er niet verder over en dacht er evenmin aan; het interesseerde haar in het geheel niet. Maar George zooveel te meer. Wat moest hij daartegen doen? was de vraag, die hem bezighield. Wat kon hij ertegen doen, heette het eigenlijk, en het antwoord was: niets. Hij stond er machteloos tegenover. Hij kon zelfs niet verhuizen, want dat zou krankzinnig hebben geschenen, zoo pas in het nette huis, dat hij altijd zoo roemde, en waarmeê zijn vrouw zoo in haar schik was.[202]
Aanvankelijk had hij gedacht, dat het een toeleg was van Yps, maar langzamerhand ontgaf hij zich dat. Ze begreep toch wel, meende hij, dat er van hem niets meer te halen viel, en zoo ze misschien gedacht had, dat hij gek genoeg was om zijn tegenwoordige positie voor haar te vergooien, zou ze wel gauw merken, dat ze het mis had.—Want zijnpositiemet al wat daaraan vast was, huis, vrouw, rust, vrede,—kortom zijn heel geregeld comfortabel bestaan, was hem boven alles lief en dierbaar. Hij overdacht dit bij stukjes en beetjes in den loop van dien avond. Geen oogenblik kwam het idee daarbij ooit weer iets met Yps te doen te hebben; hij was zóó boos, dat hij haar in stilte alle kwaads toewenschte, en in gedachten met alle denkbare scheldnamen overlaadde. Ten slotte meende hij, zou het verstandigste wezen in het geheel geen notitie van haar te nemen, en als het toeval wilde, dat hij haar zag of ontmoette, net te doen of hij haar nooit had gezien. Mocht zij het hem op de een of andere manier lastig maken, dan zou hij in stilte de hulp der politie inroepen. Een oogenblik had zich het denkbeeld aan hem voorgedaan open kaart te spelen tegen Lena, maar hij had het verworpen. Als hij haar alles vertelde, kon dat een bron vansoesahen onaangenaamheden worden; het geval rechtvaardigde als ’t ware haar vroegere weigering zijn vrouw te worden, wat zeer onplezierig voor hem was. Zoo’n jong, braaf, fatsoenlijk vrouwtje, voor de eerste maal in „omstandigheden”, mocht men, vond hij, met zulke dingen niet lastig vallen; kwam ze er zonder zijn toedoen achter, dan was het al beroerd genoeg.[203]
Natuurlijk gebeurde het, dat hij „haar” zag. Hij had op zijn achtererf een collectie fraaie planten laten zetten, waarnaar hij ’s ochtends vroeg en in den namiddag, als hij thuis kwam, zoo ’reis kijken ging, soms met Lena samen, soms alleen; ze haalden dan hier en daar dorre blaadjes af en praatten over dechevelures, die de een goed, de ander minder gelukten. Onwillekeurig keek hij dan schuin over de pagger, en als hij alleen was, zag hij meermalen Yps op het aangrenzende erf. Hij deed dan alsof hij haar in ’t geheel niet had bespeurd, en keek ’n anderen kant uit, wat haar niet naar den zin scheen, want dan zong ze zacht, maar hard genoeg, dat hij het hooren kon, of kuchte en hemde om zijn aandacht te trekken. Vermey bleef onvermurwbaar; alleen maakte hij zich inwendig nijdig. Wat verbeeldde zich zoo’n dit en dat wel! Dacht ze misschien, dat hij ’n kwajongen was, en zich nu aan haar zou verslingeren?
Intusschen kwamen in den toestand van Lena de gebruikelijke vorderingen. Het begon haar nu werkelijk langzamerhand moeilijk te vallen zich te kleeden, ondanks het verwijdingsproces harer kleederen en het eene „gemakkelijke” lijf, dat ze op aanraden van een ondervindingrijke vriendin voor de geheele campagne had laten maken.
Voirey begon meer en meer belang te stellen in het kleine huisgezin, en in de werkzaamheid van zijn aangetrouwden neef, die bepaald erg zijn best deed in de stad, en die zelfstandig werkende, veel meer energie aan den dag legde en coulanter in zaken was, dan hij van hem verwacht had.[204]
Zoo nu en dan viel neef Jan als ’n bom ’s avonds met de deur in huis en bleef tot heel laat. Daar was Vermey erg lekker mee; hij maakte zelf met zorg het amerikaansche grogje klaar en het streelde hem, dat die man, die in zooveel zaken zat en daarvan zooveel wist, zich dikwijls vertrouwelijk tegen hem uitliet. Lena was dan al naar bed gegaan; die „zaken” interesseerden haar niet; ze was moe; ze had slaap en de heeren drongen er ook op aan, dat zij op tijd naar bed zou gaan.
Het was haast twee uur in een nacht van Zaterdag op Zondag toen Voirey opstond om heen te gaan; het was een der onvergelijkelijk fraaie indische nachten met maneschijn; rustig gleed het licht tusschen het fijne groen vanasementjemara, den weg teekenend als een in het verschiet verloopende witte lijn, grillig uitgehakt door de donkere schaduwen der boomen aan één kant.
„Het is het eenige, wat me met dit beroerde land verzoent; ’t is nu wezenlijk lekker.”
„Ja,” antwoordde Vermey. „’t Zijn prachtige avonden.”
En stil rookend liepen ze samen een eindje op, Vermey in slaapbroek en kabaja en op sloffen, beiden genietend van de koelte door de uitstraling van den bodem in den vollen oost-mousson.
„Kom, ik stap maar in mijn rijtuig,” zei Voirey, toen de gardoes twee slagen sloegen, „’t is al laat.”
De paarden, met vurig verlangen naar huis, waren achter hen nauwelijks te bedwingen geweest en Voirey kon alleen met ’n vluggen sprong in de mylord komen; van stilstaan wilden ze niet weten.[205]
Op zijn dooie gemak wandelde Vermey terug. Hij was gelukkig en tevreden; hij was een voldaan man; hij genoot van het leven, volop. Ruimte van middelen, een jonge, goede vrouw, het vaderschap in het verschiet, een keurig huis, lekker eten en drinken, fijne sigaren,—wat ter wereld, dacht hij, zou ’n mensch op deze booze aarde meer verlangen? Als de zaken zoo bleven gaan, was hij over ’n jaar of tien op zijn vijf, zes en veertigste jaar een manin bonus; dan kon hij naar Europa gaan met een aardig fortuin, waarbij nog dat van zijn vrouw kwam, en dan was hij nog jong genoeg om van de genoegens der centra van beschaving te genieten. Welk een benijdenswaardige positie, dacht hij, vergeleken bij.… Doch hij wilde niet denken aan vroeger. Zelfs in gedachten wilde hij niet terug naar dien boheemschen tijd; het eenige wat hij niet begreep, was, dat hij het daarbij zoolang had uitgehouden. Enfin, het was een slimme zet van hem geweest dien ochtend naar den Boom te gaan om de familie af te halen, en als ooit wat belangstelling en eenige opoffering beloond waren geweest, dan waren het wel die door hem voor den ouden Bruce aan den dag gelegd. Het was heel leuk geweest, waarachtig, en hij glimlachte in de donkere schaduw der boomen tegen die leukheid, welke hem van een maatschappelijkpas grand chosetot een „mensch” had gemaakt.
Zoo slenterde hij voort op zijn sloffen, genietend van het mooie frissche weer en van de gedachten aan al de voortreffelijkheden zijner tegenwoordige positie, toen hij schrikte van het besef, dat er iemand naast hem liep.
Het was erg zwart in de dikke schaduw, zoodat men er[206]niet zoo gemakkelijk kon onderscheiden; daarbij waren zijn oogen er niet krachtiger op geworden en had hij tegenwoordig een lorgnet noodig, dat hij nu juist niet bij zich had.
„Siapa itoe?” vroeg hij heftig, zich zijwaarts buigend om te kunnen zien.
„Dag Sors! Jij schrik van mijn? Tobat, zoo komiek toch, ja!”
Yps lachte weêr met ’n rolslagje en liep nu dicht tegen hem aan, haar zijden baadje tegen zijn kabaja schuifelend. Het was of hem een straal koud water langs de ruggegraat ging. Nu was hij werkelijk geschrikt, nu daar te midden van zijn bevredigende droomen over het lieve van het heden, als het ware de incarnatie van het ellendige, vieze verleden in alle stilte voor hem was verrezen. Doch de schrik duurde niet lang en ging heel gauw in toorn over.
„Zeg ’reis,” zei hij heel uit de hoogte. „Wat mot jij?”
„Jij gaat mee, ja Sors? Jij wilt weer goed worden? Zij zijn uit naar de Soos. Je kunt gerust. Ze komen nooit thuis dan tegen het schot.”
Was het mogelijk? Dat wilde hem, den heer Vermey, chef van de firma enz. meê hebben op ’n clandestiene manier in het huis van ’n paar ongetrouwdeemployé’s…
„Ajo, donder op!” zei hij zacht maar gloeiend kwaadaardig om de beleedigende propositie.
„Toe Sors,” zei ze nu smeekend, half huilend. „Kan niet schelen waar, maar gaat meê met mijn, ja! Ik wil met jou, heelemaal met jou!”
Zij had met beide handen zijn arm gegrepen, en klemde[207]er zich aan vast met zenuwachtige kracht; hij slingerde haar weg met één zwaai zoo forsch, dat hij er een kerel mee omver geworpen zou hebben. Yps viel op een hoop grind langs den weg met een onderdruktAdoe!en Vermey stapte voort met groote schreden, zoo snel zijn lange beenen en zijn sloffen ’t hem veroorloofden.
Bevend van opgewondenheid, ongerust en vol vrees kwam hij terug in zijn achtergalerij. Hij greep de flesch cognac, maar kon het glaasje haast niet volschenken. Als zij nu eens een ongeluk had gekregen! Of, wat nog erger was, ook woedend werd en hem achterna kwam om op haar gemeene manier standjes te maken. Het angstzweet brak hem uit. Hij moest wachten; hij kon niet naar binnen gaan, meende hij, en in de onaangenaamste gemoedsstemming, hem in lang overkomen, wachtte hij, onrustig, glaasjes cognac drinkend om zich te kalmeeren.
Yps had zich maar ’n heel klein beetje bezeerd; zij was ook werkelijk zoo kwaad geworden, dat ze tot alles in staat zou geweest zijn, maar ze zag bij de naaste gardoe beweging; wellicht hadden de kerels iets gezien en kwamen erop af. Nu had ze in ’t minst geen lust door de nachtpolitie opgepakt te worden, en daarom liep ze hard haar tijdelijk en onwettighomebinnen.
In haar kamer in de bijgebouwen ging ze in alle stilte te keer, meer verlangend naar Vermey dan ooit; voor een oogenblik razend om de manier, waarop hij haar had teruggestooten. Zij koelde haar woede aan een ouden stroohoed met linten, dien ze vroeger eens zoo dwaas was geweest te koopen, dien ze nooit droeg, maar die, als een onmisbaar[208]meubel, altijd op haar tafel lag, vol stof en verkleurd. Zij vernielde dien totaal, wat haar aanmerkelijk opluchtte en haar kalm maakte. Eerst had ze stil gezeten ’n oogenblik met gloeiende starende oogen; toen dwaalde haar blik door het met een kleine petroleumlamp verlichte vertrek; zij zag den hoed en nam hem voorzichtig op; zachtjes trok ze het naaisel van het lint los, doch naarmate het hield en weerstand bood, trok en rukte ze heviger, tot ze de laatste gevlochten reepen stroo uit elkaar haalde en met eentèrr! tèrr!wat: daar! daar!, moest beduiden tegen den grond smeet.
Zij ging naar buiten en loerde over den pagger. Daar zat hij, de gemeene vent! dacht ze. Maar ze zou hem wel krijgen!Ze had er haar zinnen op gezet; hij zou weer bij haar komen, net als vroeger. Daar moest zij haar wil in hebben! Zachtjes begon ze te neuriën. Haar oude pantoen, de eenige die ze kende, van een meisje, dat in de kali sprong, omdat haar meneer haar had verlaten. Vermey hoorde het met een diepen zucht van verademing. Zij was dus niet verwond en had ook niets brutaals in den zin.
„Zoo’n slet,” dacht hij, stond op, draaide het licht uit en ging naar zijn kamer.
Het bezorgde hem een rusteloozen nacht. In den laatsten tijd sliep hij in de logeerkamer, en vermoeid, ’s avonds, van den langen, warmen arbeidsdag, rustte hij lekker uit en ontwaakte ’s morgens frisch en uitgeslapen. Dien nacht scheen het bed hem bijzonder hard en ongemakkelijk; de nacht benauwd en onfrisch. Hij deed als het ware een reis door het ledikant, nu eens aan het boven-, dan aan het[209]voeteneinde. Zijn gedachten dwaalden in halve sluimeringen telkens terug naar de genoegens, die Yps hem in haar beste momenten had aangeboden. Dan was hij kwaad op zichzelven, ging „om” liggen, fronste in de duisternis achter de klamboe de wenkbrauwen en beproefde aan iets anders te denken.
„Ben je niet lekker, George?” vroeg Lena den volgenden ochtend.
„Niet erg.”
„Dan zou ik rust nemen vandaag … Het is toch Zondag … Je ziet bleek. Heb je koorts gehad?”
„Misschien wel … vannacht … ’n beetje. Ik heb ten minste haast geen oog dicht kunnen doen.”
Lena maakte zich ongerust; hij was zoo sterk en gezond altijd; hoe kwam het dat hij er nu in eens zoo bleek en vermoeid uitzag?
Hij nam ’t kopje koffie van haar aan, en genoot ervan met kleine teugjes. Terwijl keek hij naar haar stille, huiselijke bedrijvigheid en in het rond naar het net geheel van zijn interieur. Neen, dacht hij, dat nooit! Als ik er eens meê begin, wordt het donderen! Neen, dàt nooit!
Zij ging op zijn knie zitten en lei haar hand op zijn voorhoofd.
„Je bent niet warm, nu?”
„Wel neen, ’t is niets. Ik heb misschien gisteravond met Jan m’n grogje wat te sterk gemaakt.”
Lena begon te lachen.
„Neen, dat zal het wel niet zijn geweest. Daar kan je, geloof ik, goed tegen en Jan ook. Maar zonder gekheid nu, zal ik om den dokter zenden?”[210]
„Wel neen kind, ben je mal.”
„En als je nu ziek wordt morgen op ’t kantoor?”
„Dan kom ik naar huis, dat spreekt. Maar je behoeft je niet ongerust te maken; het beteekent hoegenaamd niets.”
Tot een besluit was Vermey ook den dag daarna nog niet gekomen. Wel stond het bij hem vast, dat hij het er niet bij kon laten. Terwijl hij aan zijn zaken was, hield ’t hem nu en dan bezig. ’s Middags kwam Voirey praten over een contract, dat hij zou sluiten met het Gouvernement, maar waarover zij het niet eens konden worden. Ze zaten alleen in Vermey’s kantoor, en toen het gesprek over zaken was afgeloopen, kreeg deze een inval.
„Er is me,” zei hij, „Zaterdagavond iets onaangenaams gebeurd.”
„Toen je terug naar huis gingt?”
Vermey knikte met een gewichtig gewicht.
„Was er gestolen toen je thuis kwam?”
„Mij dunkt erger.”
En hij vertelde het heele zaakje in geuren en kleuren.
„Maak je je daar bezorgd over?” vroeg Voirey overmoedig.
Vermey glimlachte, als had hij medelijden met zooveel onbekendheid met hetintiemeleven in Indië.
„Je weet niet hoe gevaarlijk die lui zijn, en welke middelen ze soms bezigen.”
„Toovermiddelen?” vroeg Voirey spottend.
„Steek er net zoo hard den draak mee als je wilt,—ik vind het een verduiveld beroerde historie.”
„Koop de meid uit.”[211]
„Dank je, daar ben ik niet mee geholpen; dan laat ze mij m’n heele leven niet meer met rust.”
„Nu, weet je wat,” zei Voirey, altijd eenigszins spottend, „ik heb een toovermiddel.”
„Jij?”
„Waarachtig. Let maar eens op en je zult zien hoe het werkt. Bonjour, je zult er wel meer van hooren.”
Vermey vond het niet aardig, dat hij over deze nare historie voor den gek werd gehouden; aan den anderen kant luchtte het hem op, dat hij alles eens had kunnen vertellen.[212]