ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.„Hij lijkt sprekend op zijn vader.”„Ik heb mijn middel toegepast,” zei Voirey ’n paar dagen later, terwijl hij weêr heel plotseling voor George en Lena stond. George kreeg ’n kleur als vuur en gesticuleerde heftig achter den rug zijner vrouw om toch den mond te houden.„Welk middel?” vroeg Lena nieuwsgierig, terwijl ze hem de hand gaf.„Och ik sprak laatst met George over het beste middel van geldbelegging.”„O, zoo,” zei ze onverschillig. Dat liet haar nu geheel koud! Maar George klaarde op.„En tot welke conclusie ben je gekomen?” vroeg hij. Voirey haalde met geringschatting de schouders op.„Niet veel zaaks. Vooral niets nieuws. Het beste is nog zooals de ouwe lui doen.”„En dat is?”[213]„Mijn God, weet je dat niet? O. n. r. o. e. r. e. n. d. e. goederen. Huizen, meneer. Goede huizen op goeden stand. Ik heb het perceel hiernaast gekocht.”„Wat blief?” riep Vermey ten uiterste verwonderd.„Waarom niet.Qui veut le finenz. Nu wie huizen wil hebben, dient ze te koopen of te bouwen.”„En ga je er wonen?”„Precies geraden, Lena.”„Je eigen huis is veel mooier en grooter. Je vermindert dus. De lui zullen het vreemd vinden.”„Ik houd mijn andere huis ook aan.”„Maar dat is pure geldverspilling,” riep Lena boos. „Wat ’n idee om zooveel geld weg te gooien.”Doch Vermey knikte goedkeurend met het hoofd en zei:„Maak jij je er niet noodeloos druk om, Lena; hij heeft er natuurlijk iets meê voor, dat hij ons nog niet zeggen wil.”Hij voor zich vond het inderdaad een mal idee; een amerikaansche buitensporigheid, alleen te verwachten van lieden, die eigenlijk met hun geld geen raad wisten.„Wel, wat zeg je van mijn wondermiddel?” vroeg Voirey, toen ze samen alleen waren.„Een paardenmiddel is het zeker.”„Het schijnt je niet erg te bevallen.”„Ik vind het overdreven. Het is alsof men een paard koopt om een hoefijzer te hebben.”„Jij wist toch geen ander middel om de meid weg te krijgen.”„Neen, maar.…”[214]„Welnu, zanik dan niet. Ik heb het huis gekocht en de jongelui de huur opgezegd.”„Tegen wanneer?”„Als ze toch verhuizen moesten, zeiden ze, dan maar zoo gauw mogelijk. Ik zei, dat ze op staanden voet konden gaan als ze wilden. Over een paar dagen komt het huis leeg.”„En dan?”„Dan ben ik van idee veranderd. Ik houd het niet voor me zelven maar verhuur het aan.… soliede, getrouwde menschen.”Hij dreef met het gevalletje weer den spot; dat hoorde Vermey duidelijk aan zijn stem, en het hinderde ook nu. Wat drommel, als hij het zoo bespottelijk onbeduidend vond, waarom kocht hij er dan een heel huis voor?Ze zaten een oogenblik zwijgend bij elkaar.Toen zei Vermey:„Ik begrijp nog niet, dat je er zooveel moeite en geld aan hebt besteed.”„Niet?”„Neen! Als je er over spreekt is het altijd op ’n ironische manier, net of je die pogingen van mijn vroegere snaar ’n kinderspelletje vindt, dat niets te beduiden heeft.”„Het is, waarachtig, ook niet anders.”„En om het te beletten.…”„Zeker, zeker, ik koop om het te beletten een huis van achttien mille, dat ik niet noodig heb en waarvan ik me zoo gauw mogelijk denk te ontdoen.”„Maar dat is dan toch verduiveld gek.”„Toch niet.Ikvind het gebeurde ’n kinderspelletje,[215]maar ik ben overtuigd, dat het op ernst zou uitdraaien en dan werd het een ernst die Lena ongelukkig zou maken.”Vermey kreeg ’n kleur als vuur.„Dat is een beleedigende vooronderstelling.”„Dan moet je me maar uitdagen; twee pilletjes en de zaak is gereed. Ik zeg je mijn overtuiging.”„Die geheel valsch is.”„Die volkomen gegrond is. Jij bent geen man om lang voor zulke vuurtjes te staan. Nu gaat het nog goed. Maar laat Lena haar bed eens moeten houden weken achtereen.”„Och, maar zou je dan denken, dat ik.…?”„Waarom zou ik dat niet denken? Je bent wel bij die oude vlam van je geweest, den avond van je engagement.”Bleek keek Vermey voor zich, zóó trof hem dit onomwonden standje, en verlegen beet hij zich op de lippen.Toen hij niets zei, stak Voirey heel bedaard ’n versche sigaar op en vervolgde:„Je moet je maar niks aantrekken,old fellow! Je bent nu eenmaal niet anders. Wil je het tegendeel bewijzen, mij goed! Voorhands wantrouw ik de aanhoudende kracht van je weerstandsvermogen.”„Ik zou het toch waarachtig niet hebben gedaan,” zei Vermey met overtuiging.„Het is mogelijk, maar ik durfde het er niet op te laten aankomen. Ik wil Lena niet ongelukkig zien.”Hij zei dat laatste met zooveel kracht en doordrijvende overtuiging, dat Vermey verwonderd opkeek en toen op het gezicht van Voirey een haast dreigende uitdrukking zag, die[216]hem verraste en ergerde tegelijk; die zooveel scheen te zeggen als: wanneer jij haar ongelukkig mocht maken, krijg je met mij te doen. Een boos woord lag hem op de lippen, en achter dat woord stak het verlangen neef Jan eens te vertellen, dat het geluk van Lena een zaak was, waarmede deze zich niet had in te laten.Doch George kon met Voirey niet gaan twisten; hun zaken lieten geen slechte verhouding toe.„Enfin,” zei hij zuchtend, „het is nu in elk geval gedaan. Dat is althans één vervelende omstandigheid minder in de wereld.”Ze gingen van elkaar af of er niets was gebeurd, en wat Voirey aangaat, was dat zoo; maar bij Vermey bleef een onaangenaam gevoel achter, dat hem bitter stemde en veel terug deed keeren van den vroegeren reeds lang verdwenen onpleizierigen indruk, dien de persoon van Voirey vroeger op hem maakte.Yps was er overbluft van.Zij wist wat er was gebeurd; haartoeanhad het haar verteld.Het huis moesten zij over een paar dagen uit; het was gekocht door den neef van Vermey’s vrouw!Nu was zij erachter! Nu wist ze, waarom hij niet wilde met haar! Hij wilde wel, maar hij durfde niet! Het was die vrouw, die hem in bedwang hield; voor wie hij bang was; die vrouw met haar geld en haar familie hielden „Sors” vast, en dáárom was hij nietbranigeweest met[217]haar meê te gaan, en dáárom durfde hij zelfs niet uit de verte naar haar kijken. Zij zocht zich een plaatsje achter den pagger, waar zij ongezien door een kier tusschen de bamboe kon gluren over het achtererf van Vermey. Ze zag er Lena heen en weêr dribbelend, haar huiselijke bezigheden doende en nu en dan onderhandelend met kippenkooplui, vruchten- en groentenverkoopers, Chineezen met allerlei goederen enz.Rustigjes, nu en dan een woord wisselend met haar naaister, die op den grond huishoudengoed zat te verstellen, deed Lena haar zaakjes met ’n gemoedelijken zeemansgang als gevolg van haar gevorderde zwangerschap; haar ontzaglijke blonde haardos was slechts aan het hoofd met ’n blauw lintje saamgebonden; ze zag er zoo gezond uit nu weer, als ooit te voren, en ze voelde zich heel opgewekt van humeur; heel gelukkig en tevreden over het heden en de toekomst.Wel een kwartier lang zat Yps onbeweeglijk aan den anderen kant van den pagger; de oogen, door den kier glurend, blonken als karbonkels in het donker gezicht. Dat was dus haar vijandin; de vrouw, die haar den man onthield op wien zij Yps, volgens haar begrippen alle rechten had, althans in de omstandigheden, welke de andere, de wettig gehuwde doorleefde.Maar dat gunde zoo’nnjonja blandahaar niet. Nog liever liet zij het huis onder haar wegkoopen, zoodat ze als een hond haar eigen deur werd uitgejaagd!Verwonderlijk gauw, naar het Vermey toescheen, werd hij van zijn buurvrouw verlost. Op een ochtend toen hij naar zijn kantoor ging zag hij, dat er in het huis van Voirey aanstalten werden gemaakt tot het opladen van goed.[218]Bij zijn terugkomst in den namiddag vond hij zijn vrouw niet, als gewoonlijk, aan de theetafel.„Mana njonjah?” vroeg hij.Maar geen der bedienden wist het, tot eindelijk een het vermoeden opperde, dat mevrouwbrangkali di seblahwas.Vermey keek over den pagger, zag Lena werkelijk in het leêge huis en riep haar goeden dag.Zij hief haar handen omhoog, zonder eens zijn groet te beantwoorden, geheel onder den indruk van een schandaal, dat ze ontdekt had.„Het is verschrikkelijk!” riep ze hem toe.„Wat?”„Wel, zooals ze dit huis hebben verwaarloosd en uitgewoond.”„Ja, als menen garçonleeft.”„Maar zóó smerig behoeft niemand een huis te bewonen en dan die bijgebouwen! Ik ben in de kamer van de meid ook geweest. Dat is me ’n boeltje! Je moet voor de grap eens komen kijken.”„Weet je wat?” riep Vermey lachend terug, „kom jij maar liever hier en schenk me een kop thee. Ik ben er niets nieuwsgierig naar.”„Voor de aardigheid moet je ’reis komen.”„Ik ga me lekker maken voor de aardigheid,” bleef hij weigeren en liep hard naar binnen.Het stuitte hem tegen de borst met zijn vrouw de kamer binnen te gaan waar Yps had gewoond. Het was nu uit en het was heel goed zoo, eigenlijk.Maar toen hij ’n uur later op het erf naar zijn planten[219]keek, was het hem net of hij iets miste; hij zag nu vrij rond over het erf van het naaste huis; er was niemand; er werd niet gekucht en gehemd noch zachtjes gezongen; hij behoefde niet op te passen dat zijn blikken niet in een onbewaakt moment daarheen dwaalden; het was niet noodig zich erg trotsch en ongenaakbaar te houden, want het gevaar bestond niet meer; het achtererf was leeg en verlaten.Bij al zijn goede voornemens om trouw te blijven aan … zijn positie en zijn vrouw, had het toch in stilte zijn ijdelheid gestreeld, dat „die meid” zich nu zooveel moeite voor hem gaf en niet afhield, hoe ruw hij haar ook had bejegend.Er was over hem een gevoel gekomen van spijt en teleurstelling, waarover hij zich te goeder trouw verwonderde, en dat zijn zelfvertrouwen een harder stoot toebracht, dan de woorden van Voirey hadden gedaan. Dan moest hij dus neef Jan weer als gewoonlijk dankbaar zijn!Later begon hij daaraan weer te twijfelen. Indrukken gingen bij hem niet diep. Hij was er te oppervlakkig en te egoïstisch voor. Na een dag of wat waren spijt en teleurstelling verdwenen en nu zou hij het weêr met alle kracht hebben ontkend, dat die ooit bestaan hadden.Het was verbeelding geweest, anders niet; een zaak van gewoonte, dacht hij, die op z’n hoogst bewees, dat men ook aan het onaangename en vervelende gewennen kan.Van Yps hoorde of zag hij niets, en na een maand, toen het huis aan de ideale menschen, die Voirey zich had gedroomd, verhuurd was, dacht hij ook in het geheel niet meer aan haar.Zoo leefden zij weer rustig en gelukkig, met zorg en teederheid voor Lena en haar positie, voor George en de zijne.[220]Tot hij op ’n middag van zijn kantoor werd geroepen.Hij wist al wat het was: Reeds ’n dag of wat te voren was ze onwel geweest, en de dokter had gezegd, dat „het” komen kon als het wilde; maar dat ’t nog wel eenige dagen duren kon ook.Nu zou „het” dan wel komen!Uit de verte zag hij het coupeetje van den dokter op zijn erf staan en den huurwagen van de vroedvrouw, die het eigenlijke werk zou doen; den dokter had men erpour acquit de consciencebij, ook omdat het netjes stond, vond Vermey, en vooral, „omdat men toch nooit kon weten.”„U komt juist op tijd,” zei de dokter, lachend toen Vermey, die het huis was omgeloopen, de achtergalerij zachtjes binnentrad.„Hoedat?” vroeg hij met domme verbazing en de oude uitpuiling van zijn groote blauwe oogen.„Ik feliciteer je, gelukkige vader!”Vermey bespeurde niets hoegenaamd van de ironie, die uit den toon klonk. Hij kreeg een erge kleur, en vroeg zoo mogelijk nog verbaasder:„Is het er dan al?”„O jé! ’t is al haast jarig!”„Maak geen gekheid dokter! Wat is het?”„Een jongen, en een flinke jongen ook, met een stevig corpus en een paar goede longen. Daar hebt u alle eer van.”Op zijn teenen sloop Vermey naar de kamer. Allerlei lauwe, gemengde luchtjes kwamen hem te gemoet, waaronder één overheerschend van slappen brandewijn met suiker; zoo’n zoetig spiritualiënluchtje![221]Hij gaf Lena dadelijk een hartelijken zoen, ze glimlachte en schold hem liefdevol uit voor „leelijkert,” met een uitgedrukte neiging tot de grootste vergevingsgezindheid op haar gezicht.Zijn zoon werd hem voorgesteld, en het verwonderde hem, dat dit zoo’n geringen indruk op hem maakte. Hij had zich dezen Jan Vermey den Eersten heel anders gedacht; veel „menschelijker” en verstandiger.Maar hij zoende met plichtmatige vaderliefde op de sterk rose vleeschbobbeltjes der dikke wangen, en half vragend, half bluffend zei hij tegen de vroedvrouw, die hem zachtjes had geluk gewenscht:„Het is ’n ferme kerel, hé?”„’n Wolk,” zei ze. „Hij lijkt sprekend op zijn vader.”Vermey keek haar wantrouwend aan, en scheen niet gevleid. Zóó weinig ontwikkeld was de jonggeborene niet of zijn oude heer had wel gemerkt, dat de neus van Lena, van Voirey en van wijlen de oude mevrouw Bruce op z’n klein gezicht ’n miniatuurtje hadden, en er geen sprake was van een der basterd-wipneuzen, die sinds onheugelijke tijden het echte kenmerk waren der Vermey’s.Er was in de eerste dagen een phase van stille drukte en groote teederheid ingetreden.Voirey was ook gekomen om zijn petekind te zien. Hij had het geen zoen gegeven; daar liet hij zich alleen mee in als het volwassen en dragelijke exemplaren van het vrouwelijk geslacht betrof.„Dat is nu mijn jongen!” had hij, om te plagen, tegen Vermey gezegd, die hardop gelachen had, maar bij zichzelven[222]hoogst ontevreden was over zoo’n verregaande aanmatiging van gezag.Hij nam daarom dadelijk wraak en vroeg:„Moet ik hem nu aangeven als Johannes,” en daarbij sprak hij den naam zoo lijzig lang uit, dat Voirey kwaad riep:„Ben je dwaas! Ik heet Jan, en daarmeê basta. Waar is nu zijn spaarpot?”Vermey haalde z’n eigen portefeuille voor den dag.„Voorloopig hier,” zei hij.Eenigszins aarzelend, ook weer om te plagen, gaf oom Jan de vijf mille.„Maar dadelijk bij de Bank brengen!”En toen hij in dat opzicht was gerustgesteld ging hij heen en liet zich in geen weken zien, schoon hij in den eersten tijd geregeld naar de gezondheid van Lena liet vragen.Onder den indruk van zijn nieuwe huiselijke omstandigheden was Vermey in de eerste dagen thuis geheel vervuld van voorkomende zorgen voor Lena en belangstelling in het kind.Het was hem in het eerst alles vreemd en nieuw; hij woonde alles bij met de grootste belangstelling; hij kwam kijken als onder luid en driftig krijschen het kind verzet aanteekende tegen de reinigingskuren, waaraan het onderworpen werd; hij zat met belangstelling de eerste pogingen om met het zuigen op streek te raken gade te slaan, en keek met verbazing en eerbied naar zijn tengere vrouwtje, die zoo „volop” had, en, zonder dat hij er iets van bespeurd[223]had op zoo’n onverklaarbaar geheimzinnige manier in een ware melkfontein was omgetooverd. Het wonder van het water uit de rots was, dacht hij, daarbij vergeleken een kleinigheid!Doch heel gauw was hij aan dat alles gewoon, en toen acht dagen later Lena, die nogal geleden had, langzamerhand op de been kwam, was het Vermey alsof hij zijn leven lang met het vaderschap eigen was geweest. Zijn overmatige belangstelling week; hij bemoeide zich nog slechts matigjes met wat zijn kind betrof, en terwijl de liefde en toewijding van Lena als het ware met den dag in evenredigheid toenamen, begon Vermey het bezit van een kind als de meest gewone zaak ter wereld te beschouwen. Doch voor Lena bleef hij vol attentie. Hij vond, dat ze iets bijzonders over haar had gekregen, iets wat hij vroeger nooit had opgemerkt, reiner en fijner; vooral haar tint was opgeblankt, maar het was juist, vond hij, altemaal zeer te bejammeren.In de gegeven omstandigheden was hij immers tijdelijk een neutrale mogendheid, en als zoodanig waren alle ontdekkingen van dien aard voor hem van geen practisch belang; integendeel!„Verveelt het je niet, zoo altijd ’s avonds thuis te zitten?” vroeg hem Lena.„Wel neen!” zei hij met overtuiging.„Ik begrijp toch wel, dat het erg saai voor je is.”„Och!.…”„Neen, spreek het maar niet tegen. Ik ben zoo vroeg moe ’s avonds.”[224]„En dan ga je naar bed; dat is goed ook.”„Maar niks prettig voor jou.”„Ik lees de couranten, en ’n boek en zoo.”„Ga ook vroeg naar bed en sta dan vroeg op.”Maar daarin had hij geen lust. Hij bleef liefst zoo laat mogelijk zijn cognacje zitten drinken, tot hij verschrikkelijk slaperig werd. Als hij dat niet deed, dwaalden zijn gedachten te veel en te vervelend af.„Of ga eens naar de sociëteit.”„Ik zal ’reis kijken.… misschien.…”„Zie je, ik kan je onmogelijk ’s avonds gezelschap houden. Het licht hindert me dan zoo!… En ik slaap soms zoo weinig ’s nachts.”Ernstig protesteerde hij tegen elke gedachte aan opoffering van haar kant. Dàt mocht in ’t geheel niet gebeuren. Hij zou wel eens kijken! Misschien ging hij dezer dagen wel eens ’n avond uit. In geen geval moest Lena zich om hem bekommeren.Zij kuste hem en ging naar haar kamer, terwijl hij ’n versche sigaar ontstak en zuchtend over de tijdelijke schorsing van een deel zijner maatschappelijke positie zich uitstrekte in zijn luierstoel.[225]

[Inhoud]ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.„Hij lijkt sprekend op zijn vader.”„Ik heb mijn middel toegepast,” zei Voirey ’n paar dagen later, terwijl hij weêr heel plotseling voor George en Lena stond. George kreeg ’n kleur als vuur en gesticuleerde heftig achter den rug zijner vrouw om toch den mond te houden.„Welk middel?” vroeg Lena nieuwsgierig, terwijl ze hem de hand gaf.„Och ik sprak laatst met George over het beste middel van geldbelegging.”„O, zoo,” zei ze onverschillig. Dat liet haar nu geheel koud! Maar George klaarde op.„En tot welke conclusie ben je gekomen?” vroeg hij. Voirey haalde met geringschatting de schouders op.„Niet veel zaaks. Vooral niets nieuws. Het beste is nog zooals de ouwe lui doen.”„En dat is?”[213]„Mijn God, weet je dat niet? O. n. r. o. e. r. e. n. d. e. goederen. Huizen, meneer. Goede huizen op goeden stand. Ik heb het perceel hiernaast gekocht.”„Wat blief?” riep Vermey ten uiterste verwonderd.„Waarom niet.Qui veut le finenz. Nu wie huizen wil hebben, dient ze te koopen of te bouwen.”„En ga je er wonen?”„Precies geraden, Lena.”„Je eigen huis is veel mooier en grooter. Je vermindert dus. De lui zullen het vreemd vinden.”„Ik houd mijn andere huis ook aan.”„Maar dat is pure geldverspilling,” riep Lena boos. „Wat ’n idee om zooveel geld weg te gooien.”Doch Vermey knikte goedkeurend met het hoofd en zei:„Maak jij je er niet noodeloos druk om, Lena; hij heeft er natuurlijk iets meê voor, dat hij ons nog niet zeggen wil.”Hij voor zich vond het inderdaad een mal idee; een amerikaansche buitensporigheid, alleen te verwachten van lieden, die eigenlijk met hun geld geen raad wisten.„Wel, wat zeg je van mijn wondermiddel?” vroeg Voirey, toen ze samen alleen waren.„Een paardenmiddel is het zeker.”„Het schijnt je niet erg te bevallen.”„Ik vind het overdreven. Het is alsof men een paard koopt om een hoefijzer te hebben.”„Jij wist toch geen ander middel om de meid weg te krijgen.”„Neen, maar.…”[214]„Welnu, zanik dan niet. Ik heb het huis gekocht en de jongelui de huur opgezegd.”„Tegen wanneer?”„Als ze toch verhuizen moesten, zeiden ze, dan maar zoo gauw mogelijk. Ik zei, dat ze op staanden voet konden gaan als ze wilden. Over een paar dagen komt het huis leeg.”„En dan?”„Dan ben ik van idee veranderd. Ik houd het niet voor me zelven maar verhuur het aan.… soliede, getrouwde menschen.”Hij dreef met het gevalletje weer den spot; dat hoorde Vermey duidelijk aan zijn stem, en het hinderde ook nu. Wat drommel, als hij het zoo bespottelijk onbeduidend vond, waarom kocht hij er dan een heel huis voor?Ze zaten een oogenblik zwijgend bij elkaar.Toen zei Vermey:„Ik begrijp nog niet, dat je er zooveel moeite en geld aan hebt besteed.”„Niet?”„Neen! Als je er over spreekt is het altijd op ’n ironische manier, net of je die pogingen van mijn vroegere snaar ’n kinderspelletje vindt, dat niets te beduiden heeft.”„Het is, waarachtig, ook niet anders.”„En om het te beletten.…”„Zeker, zeker, ik koop om het te beletten een huis van achttien mille, dat ik niet noodig heb en waarvan ik me zoo gauw mogelijk denk te ontdoen.”„Maar dat is dan toch verduiveld gek.”„Toch niet.Ikvind het gebeurde ’n kinderspelletje,[215]maar ik ben overtuigd, dat het op ernst zou uitdraaien en dan werd het een ernst die Lena ongelukkig zou maken.”Vermey kreeg ’n kleur als vuur.„Dat is een beleedigende vooronderstelling.”„Dan moet je me maar uitdagen; twee pilletjes en de zaak is gereed. Ik zeg je mijn overtuiging.”„Die geheel valsch is.”„Die volkomen gegrond is. Jij bent geen man om lang voor zulke vuurtjes te staan. Nu gaat het nog goed. Maar laat Lena haar bed eens moeten houden weken achtereen.”„Och, maar zou je dan denken, dat ik.…?”„Waarom zou ik dat niet denken? Je bent wel bij die oude vlam van je geweest, den avond van je engagement.”Bleek keek Vermey voor zich, zóó trof hem dit onomwonden standje, en verlegen beet hij zich op de lippen.Toen hij niets zei, stak Voirey heel bedaard ’n versche sigaar op en vervolgde:„Je moet je maar niks aantrekken,old fellow! Je bent nu eenmaal niet anders. Wil je het tegendeel bewijzen, mij goed! Voorhands wantrouw ik de aanhoudende kracht van je weerstandsvermogen.”„Ik zou het toch waarachtig niet hebben gedaan,” zei Vermey met overtuiging.„Het is mogelijk, maar ik durfde het er niet op te laten aankomen. Ik wil Lena niet ongelukkig zien.”Hij zei dat laatste met zooveel kracht en doordrijvende overtuiging, dat Vermey verwonderd opkeek en toen op het gezicht van Voirey een haast dreigende uitdrukking zag, die[216]hem verraste en ergerde tegelijk; die zooveel scheen te zeggen als: wanneer jij haar ongelukkig mocht maken, krijg je met mij te doen. Een boos woord lag hem op de lippen, en achter dat woord stak het verlangen neef Jan eens te vertellen, dat het geluk van Lena een zaak was, waarmede deze zich niet had in te laten.Doch George kon met Voirey niet gaan twisten; hun zaken lieten geen slechte verhouding toe.„Enfin,” zei hij zuchtend, „het is nu in elk geval gedaan. Dat is althans één vervelende omstandigheid minder in de wereld.”Ze gingen van elkaar af of er niets was gebeurd, en wat Voirey aangaat, was dat zoo; maar bij Vermey bleef een onaangenaam gevoel achter, dat hem bitter stemde en veel terug deed keeren van den vroegeren reeds lang verdwenen onpleizierigen indruk, dien de persoon van Voirey vroeger op hem maakte.Yps was er overbluft van.Zij wist wat er was gebeurd; haartoeanhad het haar verteld.Het huis moesten zij over een paar dagen uit; het was gekocht door den neef van Vermey’s vrouw!Nu was zij erachter! Nu wist ze, waarom hij niet wilde met haar! Hij wilde wel, maar hij durfde niet! Het was die vrouw, die hem in bedwang hield; voor wie hij bang was; die vrouw met haar geld en haar familie hielden „Sors” vast, en dáárom was hij nietbranigeweest met[217]haar meê te gaan, en dáárom durfde hij zelfs niet uit de verte naar haar kijken. Zij zocht zich een plaatsje achter den pagger, waar zij ongezien door een kier tusschen de bamboe kon gluren over het achtererf van Vermey. Ze zag er Lena heen en weêr dribbelend, haar huiselijke bezigheden doende en nu en dan onderhandelend met kippenkooplui, vruchten- en groentenverkoopers, Chineezen met allerlei goederen enz.Rustigjes, nu en dan een woord wisselend met haar naaister, die op den grond huishoudengoed zat te verstellen, deed Lena haar zaakjes met ’n gemoedelijken zeemansgang als gevolg van haar gevorderde zwangerschap; haar ontzaglijke blonde haardos was slechts aan het hoofd met ’n blauw lintje saamgebonden; ze zag er zoo gezond uit nu weer, als ooit te voren, en ze voelde zich heel opgewekt van humeur; heel gelukkig en tevreden over het heden en de toekomst.Wel een kwartier lang zat Yps onbeweeglijk aan den anderen kant van den pagger; de oogen, door den kier glurend, blonken als karbonkels in het donker gezicht. Dat was dus haar vijandin; de vrouw, die haar den man onthield op wien zij Yps, volgens haar begrippen alle rechten had, althans in de omstandigheden, welke de andere, de wettig gehuwde doorleefde.Maar dat gunde zoo’nnjonja blandahaar niet. Nog liever liet zij het huis onder haar wegkoopen, zoodat ze als een hond haar eigen deur werd uitgejaagd!Verwonderlijk gauw, naar het Vermey toescheen, werd hij van zijn buurvrouw verlost. Op een ochtend toen hij naar zijn kantoor ging zag hij, dat er in het huis van Voirey aanstalten werden gemaakt tot het opladen van goed.[218]Bij zijn terugkomst in den namiddag vond hij zijn vrouw niet, als gewoonlijk, aan de theetafel.„Mana njonjah?” vroeg hij.Maar geen der bedienden wist het, tot eindelijk een het vermoeden opperde, dat mevrouwbrangkali di seblahwas.Vermey keek over den pagger, zag Lena werkelijk in het leêge huis en riep haar goeden dag.Zij hief haar handen omhoog, zonder eens zijn groet te beantwoorden, geheel onder den indruk van een schandaal, dat ze ontdekt had.„Het is verschrikkelijk!” riep ze hem toe.„Wat?”„Wel, zooals ze dit huis hebben verwaarloosd en uitgewoond.”„Ja, als menen garçonleeft.”„Maar zóó smerig behoeft niemand een huis te bewonen en dan die bijgebouwen! Ik ben in de kamer van de meid ook geweest. Dat is me ’n boeltje! Je moet voor de grap eens komen kijken.”„Weet je wat?” riep Vermey lachend terug, „kom jij maar liever hier en schenk me een kop thee. Ik ben er niets nieuwsgierig naar.”„Voor de aardigheid moet je ’reis komen.”„Ik ga me lekker maken voor de aardigheid,” bleef hij weigeren en liep hard naar binnen.Het stuitte hem tegen de borst met zijn vrouw de kamer binnen te gaan waar Yps had gewoond. Het was nu uit en het was heel goed zoo, eigenlijk.Maar toen hij ’n uur later op het erf naar zijn planten[219]keek, was het hem net of hij iets miste; hij zag nu vrij rond over het erf van het naaste huis; er was niemand; er werd niet gekucht en gehemd noch zachtjes gezongen; hij behoefde niet op te passen dat zijn blikken niet in een onbewaakt moment daarheen dwaalden; het was niet noodig zich erg trotsch en ongenaakbaar te houden, want het gevaar bestond niet meer; het achtererf was leeg en verlaten.Bij al zijn goede voornemens om trouw te blijven aan … zijn positie en zijn vrouw, had het toch in stilte zijn ijdelheid gestreeld, dat „die meid” zich nu zooveel moeite voor hem gaf en niet afhield, hoe ruw hij haar ook had bejegend.Er was over hem een gevoel gekomen van spijt en teleurstelling, waarover hij zich te goeder trouw verwonderde, en dat zijn zelfvertrouwen een harder stoot toebracht, dan de woorden van Voirey hadden gedaan. Dan moest hij dus neef Jan weer als gewoonlijk dankbaar zijn!Later begon hij daaraan weer te twijfelen. Indrukken gingen bij hem niet diep. Hij was er te oppervlakkig en te egoïstisch voor. Na een dag of wat waren spijt en teleurstelling verdwenen en nu zou hij het weêr met alle kracht hebben ontkend, dat die ooit bestaan hadden.Het was verbeelding geweest, anders niet; een zaak van gewoonte, dacht hij, die op z’n hoogst bewees, dat men ook aan het onaangename en vervelende gewennen kan.Van Yps hoorde of zag hij niets, en na een maand, toen het huis aan de ideale menschen, die Voirey zich had gedroomd, verhuurd was, dacht hij ook in het geheel niet meer aan haar.Zoo leefden zij weer rustig en gelukkig, met zorg en teederheid voor Lena en haar positie, voor George en de zijne.[220]Tot hij op ’n middag van zijn kantoor werd geroepen.Hij wist al wat het was: Reeds ’n dag of wat te voren was ze onwel geweest, en de dokter had gezegd, dat „het” komen kon als het wilde; maar dat ’t nog wel eenige dagen duren kon ook.Nu zou „het” dan wel komen!Uit de verte zag hij het coupeetje van den dokter op zijn erf staan en den huurwagen van de vroedvrouw, die het eigenlijke werk zou doen; den dokter had men erpour acquit de consciencebij, ook omdat het netjes stond, vond Vermey, en vooral, „omdat men toch nooit kon weten.”„U komt juist op tijd,” zei de dokter, lachend toen Vermey, die het huis was omgeloopen, de achtergalerij zachtjes binnentrad.„Hoedat?” vroeg hij met domme verbazing en de oude uitpuiling van zijn groote blauwe oogen.„Ik feliciteer je, gelukkige vader!”Vermey bespeurde niets hoegenaamd van de ironie, die uit den toon klonk. Hij kreeg een erge kleur, en vroeg zoo mogelijk nog verbaasder:„Is het er dan al?”„O jé! ’t is al haast jarig!”„Maak geen gekheid dokter! Wat is het?”„Een jongen, en een flinke jongen ook, met een stevig corpus en een paar goede longen. Daar hebt u alle eer van.”Op zijn teenen sloop Vermey naar de kamer. Allerlei lauwe, gemengde luchtjes kwamen hem te gemoet, waaronder één overheerschend van slappen brandewijn met suiker; zoo’n zoetig spiritualiënluchtje![221]Hij gaf Lena dadelijk een hartelijken zoen, ze glimlachte en schold hem liefdevol uit voor „leelijkert,” met een uitgedrukte neiging tot de grootste vergevingsgezindheid op haar gezicht.Zijn zoon werd hem voorgesteld, en het verwonderde hem, dat dit zoo’n geringen indruk op hem maakte. Hij had zich dezen Jan Vermey den Eersten heel anders gedacht; veel „menschelijker” en verstandiger.Maar hij zoende met plichtmatige vaderliefde op de sterk rose vleeschbobbeltjes der dikke wangen, en half vragend, half bluffend zei hij tegen de vroedvrouw, die hem zachtjes had geluk gewenscht:„Het is ’n ferme kerel, hé?”„’n Wolk,” zei ze. „Hij lijkt sprekend op zijn vader.”Vermey keek haar wantrouwend aan, en scheen niet gevleid. Zóó weinig ontwikkeld was de jonggeborene niet of zijn oude heer had wel gemerkt, dat de neus van Lena, van Voirey en van wijlen de oude mevrouw Bruce op z’n klein gezicht ’n miniatuurtje hadden, en er geen sprake was van een der basterd-wipneuzen, die sinds onheugelijke tijden het echte kenmerk waren der Vermey’s.Er was in de eerste dagen een phase van stille drukte en groote teederheid ingetreden.Voirey was ook gekomen om zijn petekind te zien. Hij had het geen zoen gegeven; daar liet hij zich alleen mee in als het volwassen en dragelijke exemplaren van het vrouwelijk geslacht betrof.„Dat is nu mijn jongen!” had hij, om te plagen, tegen Vermey gezegd, die hardop gelachen had, maar bij zichzelven[222]hoogst ontevreden was over zoo’n verregaande aanmatiging van gezag.Hij nam daarom dadelijk wraak en vroeg:„Moet ik hem nu aangeven als Johannes,” en daarbij sprak hij den naam zoo lijzig lang uit, dat Voirey kwaad riep:„Ben je dwaas! Ik heet Jan, en daarmeê basta. Waar is nu zijn spaarpot?”Vermey haalde z’n eigen portefeuille voor den dag.„Voorloopig hier,” zei hij.Eenigszins aarzelend, ook weer om te plagen, gaf oom Jan de vijf mille.„Maar dadelijk bij de Bank brengen!”En toen hij in dat opzicht was gerustgesteld ging hij heen en liet zich in geen weken zien, schoon hij in den eersten tijd geregeld naar de gezondheid van Lena liet vragen.Onder den indruk van zijn nieuwe huiselijke omstandigheden was Vermey in de eerste dagen thuis geheel vervuld van voorkomende zorgen voor Lena en belangstelling in het kind.Het was hem in het eerst alles vreemd en nieuw; hij woonde alles bij met de grootste belangstelling; hij kwam kijken als onder luid en driftig krijschen het kind verzet aanteekende tegen de reinigingskuren, waaraan het onderworpen werd; hij zat met belangstelling de eerste pogingen om met het zuigen op streek te raken gade te slaan, en keek met verbazing en eerbied naar zijn tengere vrouwtje, die zoo „volop” had, en, zonder dat hij er iets van bespeurd[223]had op zoo’n onverklaarbaar geheimzinnige manier in een ware melkfontein was omgetooverd. Het wonder van het water uit de rots was, dacht hij, daarbij vergeleken een kleinigheid!Doch heel gauw was hij aan dat alles gewoon, en toen acht dagen later Lena, die nogal geleden had, langzamerhand op de been kwam, was het Vermey alsof hij zijn leven lang met het vaderschap eigen was geweest. Zijn overmatige belangstelling week; hij bemoeide zich nog slechts matigjes met wat zijn kind betrof, en terwijl de liefde en toewijding van Lena als het ware met den dag in evenredigheid toenamen, begon Vermey het bezit van een kind als de meest gewone zaak ter wereld te beschouwen. Doch voor Lena bleef hij vol attentie. Hij vond, dat ze iets bijzonders over haar had gekregen, iets wat hij vroeger nooit had opgemerkt, reiner en fijner; vooral haar tint was opgeblankt, maar het was juist, vond hij, altemaal zeer te bejammeren.In de gegeven omstandigheden was hij immers tijdelijk een neutrale mogendheid, en als zoodanig waren alle ontdekkingen van dien aard voor hem van geen practisch belang; integendeel!„Verveelt het je niet, zoo altijd ’s avonds thuis te zitten?” vroeg hem Lena.„Wel neen!” zei hij met overtuiging.„Ik begrijp toch wel, dat het erg saai voor je is.”„Och!.…”„Neen, spreek het maar niet tegen. Ik ben zoo vroeg moe ’s avonds.”[224]„En dan ga je naar bed; dat is goed ook.”„Maar niks prettig voor jou.”„Ik lees de couranten, en ’n boek en zoo.”„Ga ook vroeg naar bed en sta dan vroeg op.”Maar daarin had hij geen lust. Hij bleef liefst zoo laat mogelijk zijn cognacje zitten drinken, tot hij verschrikkelijk slaperig werd. Als hij dat niet deed, dwaalden zijn gedachten te veel en te vervelend af.„Of ga eens naar de sociëteit.”„Ik zal ’reis kijken.… misschien.…”„Zie je, ik kan je onmogelijk ’s avonds gezelschap houden. Het licht hindert me dan zoo!… En ik slaap soms zoo weinig ’s nachts.”Ernstig protesteerde hij tegen elke gedachte aan opoffering van haar kant. Dàt mocht in ’t geheel niet gebeuren. Hij zou wel eens kijken! Misschien ging hij dezer dagen wel eens ’n avond uit. In geen geval moest Lena zich om hem bekommeren.Zij kuste hem en ging naar haar kamer, terwijl hij ’n versche sigaar ontstak en zuchtend over de tijdelijke schorsing van een deel zijner maatschappelijke positie zich uitstrekte in zijn luierstoel.[225]

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.„Hij lijkt sprekend op zijn vader.”

„Ik heb mijn middel toegepast,” zei Voirey ’n paar dagen later, terwijl hij weêr heel plotseling voor George en Lena stond. George kreeg ’n kleur als vuur en gesticuleerde heftig achter den rug zijner vrouw om toch den mond te houden.„Welk middel?” vroeg Lena nieuwsgierig, terwijl ze hem de hand gaf.„Och ik sprak laatst met George over het beste middel van geldbelegging.”„O, zoo,” zei ze onverschillig. Dat liet haar nu geheel koud! Maar George klaarde op.„En tot welke conclusie ben je gekomen?” vroeg hij. Voirey haalde met geringschatting de schouders op.„Niet veel zaaks. Vooral niets nieuws. Het beste is nog zooals de ouwe lui doen.”„En dat is?”[213]„Mijn God, weet je dat niet? O. n. r. o. e. r. e. n. d. e. goederen. Huizen, meneer. Goede huizen op goeden stand. Ik heb het perceel hiernaast gekocht.”„Wat blief?” riep Vermey ten uiterste verwonderd.„Waarom niet.Qui veut le finenz. Nu wie huizen wil hebben, dient ze te koopen of te bouwen.”„En ga je er wonen?”„Precies geraden, Lena.”„Je eigen huis is veel mooier en grooter. Je vermindert dus. De lui zullen het vreemd vinden.”„Ik houd mijn andere huis ook aan.”„Maar dat is pure geldverspilling,” riep Lena boos. „Wat ’n idee om zooveel geld weg te gooien.”Doch Vermey knikte goedkeurend met het hoofd en zei:„Maak jij je er niet noodeloos druk om, Lena; hij heeft er natuurlijk iets meê voor, dat hij ons nog niet zeggen wil.”Hij voor zich vond het inderdaad een mal idee; een amerikaansche buitensporigheid, alleen te verwachten van lieden, die eigenlijk met hun geld geen raad wisten.„Wel, wat zeg je van mijn wondermiddel?” vroeg Voirey, toen ze samen alleen waren.„Een paardenmiddel is het zeker.”„Het schijnt je niet erg te bevallen.”„Ik vind het overdreven. Het is alsof men een paard koopt om een hoefijzer te hebben.”„Jij wist toch geen ander middel om de meid weg te krijgen.”„Neen, maar.…”[214]„Welnu, zanik dan niet. Ik heb het huis gekocht en de jongelui de huur opgezegd.”„Tegen wanneer?”„Als ze toch verhuizen moesten, zeiden ze, dan maar zoo gauw mogelijk. Ik zei, dat ze op staanden voet konden gaan als ze wilden. Over een paar dagen komt het huis leeg.”„En dan?”„Dan ben ik van idee veranderd. Ik houd het niet voor me zelven maar verhuur het aan.… soliede, getrouwde menschen.”Hij dreef met het gevalletje weer den spot; dat hoorde Vermey duidelijk aan zijn stem, en het hinderde ook nu. Wat drommel, als hij het zoo bespottelijk onbeduidend vond, waarom kocht hij er dan een heel huis voor?Ze zaten een oogenblik zwijgend bij elkaar.Toen zei Vermey:„Ik begrijp nog niet, dat je er zooveel moeite en geld aan hebt besteed.”„Niet?”„Neen! Als je er over spreekt is het altijd op ’n ironische manier, net of je die pogingen van mijn vroegere snaar ’n kinderspelletje vindt, dat niets te beduiden heeft.”„Het is, waarachtig, ook niet anders.”„En om het te beletten.…”„Zeker, zeker, ik koop om het te beletten een huis van achttien mille, dat ik niet noodig heb en waarvan ik me zoo gauw mogelijk denk te ontdoen.”„Maar dat is dan toch verduiveld gek.”„Toch niet.Ikvind het gebeurde ’n kinderspelletje,[215]maar ik ben overtuigd, dat het op ernst zou uitdraaien en dan werd het een ernst die Lena ongelukkig zou maken.”Vermey kreeg ’n kleur als vuur.„Dat is een beleedigende vooronderstelling.”„Dan moet je me maar uitdagen; twee pilletjes en de zaak is gereed. Ik zeg je mijn overtuiging.”„Die geheel valsch is.”„Die volkomen gegrond is. Jij bent geen man om lang voor zulke vuurtjes te staan. Nu gaat het nog goed. Maar laat Lena haar bed eens moeten houden weken achtereen.”„Och, maar zou je dan denken, dat ik.…?”„Waarom zou ik dat niet denken? Je bent wel bij die oude vlam van je geweest, den avond van je engagement.”Bleek keek Vermey voor zich, zóó trof hem dit onomwonden standje, en verlegen beet hij zich op de lippen.Toen hij niets zei, stak Voirey heel bedaard ’n versche sigaar op en vervolgde:„Je moet je maar niks aantrekken,old fellow! Je bent nu eenmaal niet anders. Wil je het tegendeel bewijzen, mij goed! Voorhands wantrouw ik de aanhoudende kracht van je weerstandsvermogen.”„Ik zou het toch waarachtig niet hebben gedaan,” zei Vermey met overtuiging.„Het is mogelijk, maar ik durfde het er niet op te laten aankomen. Ik wil Lena niet ongelukkig zien.”Hij zei dat laatste met zooveel kracht en doordrijvende overtuiging, dat Vermey verwonderd opkeek en toen op het gezicht van Voirey een haast dreigende uitdrukking zag, die[216]hem verraste en ergerde tegelijk; die zooveel scheen te zeggen als: wanneer jij haar ongelukkig mocht maken, krijg je met mij te doen. Een boos woord lag hem op de lippen, en achter dat woord stak het verlangen neef Jan eens te vertellen, dat het geluk van Lena een zaak was, waarmede deze zich niet had in te laten.Doch George kon met Voirey niet gaan twisten; hun zaken lieten geen slechte verhouding toe.„Enfin,” zei hij zuchtend, „het is nu in elk geval gedaan. Dat is althans één vervelende omstandigheid minder in de wereld.”Ze gingen van elkaar af of er niets was gebeurd, en wat Voirey aangaat, was dat zoo; maar bij Vermey bleef een onaangenaam gevoel achter, dat hem bitter stemde en veel terug deed keeren van den vroegeren reeds lang verdwenen onpleizierigen indruk, dien de persoon van Voirey vroeger op hem maakte.Yps was er overbluft van.Zij wist wat er was gebeurd; haartoeanhad het haar verteld.Het huis moesten zij over een paar dagen uit; het was gekocht door den neef van Vermey’s vrouw!Nu was zij erachter! Nu wist ze, waarom hij niet wilde met haar! Hij wilde wel, maar hij durfde niet! Het was die vrouw, die hem in bedwang hield; voor wie hij bang was; die vrouw met haar geld en haar familie hielden „Sors” vast, en dáárom was hij nietbranigeweest met[217]haar meê te gaan, en dáárom durfde hij zelfs niet uit de verte naar haar kijken. Zij zocht zich een plaatsje achter den pagger, waar zij ongezien door een kier tusschen de bamboe kon gluren over het achtererf van Vermey. Ze zag er Lena heen en weêr dribbelend, haar huiselijke bezigheden doende en nu en dan onderhandelend met kippenkooplui, vruchten- en groentenverkoopers, Chineezen met allerlei goederen enz.Rustigjes, nu en dan een woord wisselend met haar naaister, die op den grond huishoudengoed zat te verstellen, deed Lena haar zaakjes met ’n gemoedelijken zeemansgang als gevolg van haar gevorderde zwangerschap; haar ontzaglijke blonde haardos was slechts aan het hoofd met ’n blauw lintje saamgebonden; ze zag er zoo gezond uit nu weer, als ooit te voren, en ze voelde zich heel opgewekt van humeur; heel gelukkig en tevreden over het heden en de toekomst.Wel een kwartier lang zat Yps onbeweeglijk aan den anderen kant van den pagger; de oogen, door den kier glurend, blonken als karbonkels in het donker gezicht. Dat was dus haar vijandin; de vrouw, die haar den man onthield op wien zij Yps, volgens haar begrippen alle rechten had, althans in de omstandigheden, welke de andere, de wettig gehuwde doorleefde.Maar dat gunde zoo’nnjonja blandahaar niet. Nog liever liet zij het huis onder haar wegkoopen, zoodat ze als een hond haar eigen deur werd uitgejaagd!Verwonderlijk gauw, naar het Vermey toescheen, werd hij van zijn buurvrouw verlost. Op een ochtend toen hij naar zijn kantoor ging zag hij, dat er in het huis van Voirey aanstalten werden gemaakt tot het opladen van goed.[218]Bij zijn terugkomst in den namiddag vond hij zijn vrouw niet, als gewoonlijk, aan de theetafel.„Mana njonjah?” vroeg hij.Maar geen der bedienden wist het, tot eindelijk een het vermoeden opperde, dat mevrouwbrangkali di seblahwas.Vermey keek over den pagger, zag Lena werkelijk in het leêge huis en riep haar goeden dag.Zij hief haar handen omhoog, zonder eens zijn groet te beantwoorden, geheel onder den indruk van een schandaal, dat ze ontdekt had.„Het is verschrikkelijk!” riep ze hem toe.„Wat?”„Wel, zooals ze dit huis hebben verwaarloosd en uitgewoond.”„Ja, als menen garçonleeft.”„Maar zóó smerig behoeft niemand een huis te bewonen en dan die bijgebouwen! Ik ben in de kamer van de meid ook geweest. Dat is me ’n boeltje! Je moet voor de grap eens komen kijken.”„Weet je wat?” riep Vermey lachend terug, „kom jij maar liever hier en schenk me een kop thee. Ik ben er niets nieuwsgierig naar.”„Voor de aardigheid moet je ’reis komen.”„Ik ga me lekker maken voor de aardigheid,” bleef hij weigeren en liep hard naar binnen.Het stuitte hem tegen de borst met zijn vrouw de kamer binnen te gaan waar Yps had gewoond. Het was nu uit en het was heel goed zoo, eigenlijk.Maar toen hij ’n uur later op het erf naar zijn planten[219]keek, was het hem net of hij iets miste; hij zag nu vrij rond over het erf van het naaste huis; er was niemand; er werd niet gekucht en gehemd noch zachtjes gezongen; hij behoefde niet op te passen dat zijn blikken niet in een onbewaakt moment daarheen dwaalden; het was niet noodig zich erg trotsch en ongenaakbaar te houden, want het gevaar bestond niet meer; het achtererf was leeg en verlaten.Bij al zijn goede voornemens om trouw te blijven aan … zijn positie en zijn vrouw, had het toch in stilte zijn ijdelheid gestreeld, dat „die meid” zich nu zooveel moeite voor hem gaf en niet afhield, hoe ruw hij haar ook had bejegend.Er was over hem een gevoel gekomen van spijt en teleurstelling, waarover hij zich te goeder trouw verwonderde, en dat zijn zelfvertrouwen een harder stoot toebracht, dan de woorden van Voirey hadden gedaan. Dan moest hij dus neef Jan weer als gewoonlijk dankbaar zijn!Later begon hij daaraan weer te twijfelen. Indrukken gingen bij hem niet diep. Hij was er te oppervlakkig en te egoïstisch voor. Na een dag of wat waren spijt en teleurstelling verdwenen en nu zou hij het weêr met alle kracht hebben ontkend, dat die ooit bestaan hadden.Het was verbeelding geweest, anders niet; een zaak van gewoonte, dacht hij, die op z’n hoogst bewees, dat men ook aan het onaangename en vervelende gewennen kan.Van Yps hoorde of zag hij niets, en na een maand, toen het huis aan de ideale menschen, die Voirey zich had gedroomd, verhuurd was, dacht hij ook in het geheel niet meer aan haar.Zoo leefden zij weer rustig en gelukkig, met zorg en teederheid voor Lena en haar positie, voor George en de zijne.[220]Tot hij op ’n middag van zijn kantoor werd geroepen.Hij wist al wat het was: Reeds ’n dag of wat te voren was ze onwel geweest, en de dokter had gezegd, dat „het” komen kon als het wilde; maar dat ’t nog wel eenige dagen duren kon ook.Nu zou „het” dan wel komen!Uit de verte zag hij het coupeetje van den dokter op zijn erf staan en den huurwagen van de vroedvrouw, die het eigenlijke werk zou doen; den dokter had men erpour acquit de consciencebij, ook omdat het netjes stond, vond Vermey, en vooral, „omdat men toch nooit kon weten.”„U komt juist op tijd,” zei de dokter, lachend toen Vermey, die het huis was omgeloopen, de achtergalerij zachtjes binnentrad.„Hoedat?” vroeg hij met domme verbazing en de oude uitpuiling van zijn groote blauwe oogen.„Ik feliciteer je, gelukkige vader!”Vermey bespeurde niets hoegenaamd van de ironie, die uit den toon klonk. Hij kreeg een erge kleur, en vroeg zoo mogelijk nog verbaasder:„Is het er dan al?”„O jé! ’t is al haast jarig!”„Maak geen gekheid dokter! Wat is het?”„Een jongen, en een flinke jongen ook, met een stevig corpus en een paar goede longen. Daar hebt u alle eer van.”Op zijn teenen sloop Vermey naar de kamer. Allerlei lauwe, gemengde luchtjes kwamen hem te gemoet, waaronder één overheerschend van slappen brandewijn met suiker; zoo’n zoetig spiritualiënluchtje![221]Hij gaf Lena dadelijk een hartelijken zoen, ze glimlachte en schold hem liefdevol uit voor „leelijkert,” met een uitgedrukte neiging tot de grootste vergevingsgezindheid op haar gezicht.Zijn zoon werd hem voorgesteld, en het verwonderde hem, dat dit zoo’n geringen indruk op hem maakte. Hij had zich dezen Jan Vermey den Eersten heel anders gedacht; veel „menschelijker” en verstandiger.Maar hij zoende met plichtmatige vaderliefde op de sterk rose vleeschbobbeltjes der dikke wangen, en half vragend, half bluffend zei hij tegen de vroedvrouw, die hem zachtjes had geluk gewenscht:„Het is ’n ferme kerel, hé?”„’n Wolk,” zei ze. „Hij lijkt sprekend op zijn vader.”Vermey keek haar wantrouwend aan, en scheen niet gevleid. Zóó weinig ontwikkeld was de jonggeborene niet of zijn oude heer had wel gemerkt, dat de neus van Lena, van Voirey en van wijlen de oude mevrouw Bruce op z’n klein gezicht ’n miniatuurtje hadden, en er geen sprake was van een der basterd-wipneuzen, die sinds onheugelijke tijden het echte kenmerk waren der Vermey’s.Er was in de eerste dagen een phase van stille drukte en groote teederheid ingetreden.Voirey was ook gekomen om zijn petekind te zien. Hij had het geen zoen gegeven; daar liet hij zich alleen mee in als het volwassen en dragelijke exemplaren van het vrouwelijk geslacht betrof.„Dat is nu mijn jongen!” had hij, om te plagen, tegen Vermey gezegd, die hardop gelachen had, maar bij zichzelven[222]hoogst ontevreden was over zoo’n verregaande aanmatiging van gezag.Hij nam daarom dadelijk wraak en vroeg:„Moet ik hem nu aangeven als Johannes,” en daarbij sprak hij den naam zoo lijzig lang uit, dat Voirey kwaad riep:„Ben je dwaas! Ik heet Jan, en daarmeê basta. Waar is nu zijn spaarpot?”Vermey haalde z’n eigen portefeuille voor den dag.„Voorloopig hier,” zei hij.Eenigszins aarzelend, ook weer om te plagen, gaf oom Jan de vijf mille.„Maar dadelijk bij de Bank brengen!”En toen hij in dat opzicht was gerustgesteld ging hij heen en liet zich in geen weken zien, schoon hij in den eersten tijd geregeld naar de gezondheid van Lena liet vragen.Onder den indruk van zijn nieuwe huiselijke omstandigheden was Vermey in de eerste dagen thuis geheel vervuld van voorkomende zorgen voor Lena en belangstelling in het kind.Het was hem in het eerst alles vreemd en nieuw; hij woonde alles bij met de grootste belangstelling; hij kwam kijken als onder luid en driftig krijschen het kind verzet aanteekende tegen de reinigingskuren, waaraan het onderworpen werd; hij zat met belangstelling de eerste pogingen om met het zuigen op streek te raken gade te slaan, en keek met verbazing en eerbied naar zijn tengere vrouwtje, die zoo „volop” had, en, zonder dat hij er iets van bespeurd[223]had op zoo’n onverklaarbaar geheimzinnige manier in een ware melkfontein was omgetooverd. Het wonder van het water uit de rots was, dacht hij, daarbij vergeleken een kleinigheid!Doch heel gauw was hij aan dat alles gewoon, en toen acht dagen later Lena, die nogal geleden had, langzamerhand op de been kwam, was het Vermey alsof hij zijn leven lang met het vaderschap eigen was geweest. Zijn overmatige belangstelling week; hij bemoeide zich nog slechts matigjes met wat zijn kind betrof, en terwijl de liefde en toewijding van Lena als het ware met den dag in evenredigheid toenamen, begon Vermey het bezit van een kind als de meest gewone zaak ter wereld te beschouwen. Doch voor Lena bleef hij vol attentie. Hij vond, dat ze iets bijzonders over haar had gekregen, iets wat hij vroeger nooit had opgemerkt, reiner en fijner; vooral haar tint was opgeblankt, maar het was juist, vond hij, altemaal zeer te bejammeren.In de gegeven omstandigheden was hij immers tijdelijk een neutrale mogendheid, en als zoodanig waren alle ontdekkingen van dien aard voor hem van geen practisch belang; integendeel!„Verveelt het je niet, zoo altijd ’s avonds thuis te zitten?” vroeg hem Lena.„Wel neen!” zei hij met overtuiging.„Ik begrijp toch wel, dat het erg saai voor je is.”„Och!.…”„Neen, spreek het maar niet tegen. Ik ben zoo vroeg moe ’s avonds.”[224]„En dan ga je naar bed; dat is goed ook.”„Maar niks prettig voor jou.”„Ik lees de couranten, en ’n boek en zoo.”„Ga ook vroeg naar bed en sta dan vroeg op.”Maar daarin had hij geen lust. Hij bleef liefst zoo laat mogelijk zijn cognacje zitten drinken, tot hij verschrikkelijk slaperig werd. Als hij dat niet deed, dwaalden zijn gedachten te veel en te vervelend af.„Of ga eens naar de sociëteit.”„Ik zal ’reis kijken.… misschien.…”„Zie je, ik kan je onmogelijk ’s avonds gezelschap houden. Het licht hindert me dan zoo!… En ik slaap soms zoo weinig ’s nachts.”Ernstig protesteerde hij tegen elke gedachte aan opoffering van haar kant. Dàt mocht in ’t geheel niet gebeuren. Hij zou wel eens kijken! Misschien ging hij dezer dagen wel eens ’n avond uit. In geen geval moest Lena zich om hem bekommeren.Zij kuste hem en ging naar haar kamer, terwijl hij ’n versche sigaar ontstak en zuchtend over de tijdelijke schorsing van een deel zijner maatschappelijke positie zich uitstrekte in zijn luierstoel.[225]

„Ik heb mijn middel toegepast,” zei Voirey ’n paar dagen later, terwijl hij weêr heel plotseling voor George en Lena stond. George kreeg ’n kleur als vuur en gesticuleerde heftig achter den rug zijner vrouw om toch den mond te houden.

„Welk middel?” vroeg Lena nieuwsgierig, terwijl ze hem de hand gaf.

„Och ik sprak laatst met George over het beste middel van geldbelegging.”

„O, zoo,” zei ze onverschillig. Dat liet haar nu geheel koud! Maar George klaarde op.

„En tot welke conclusie ben je gekomen?” vroeg hij. Voirey haalde met geringschatting de schouders op.

„Niet veel zaaks. Vooral niets nieuws. Het beste is nog zooals de ouwe lui doen.”

„En dat is?”[213]

„Mijn God, weet je dat niet? O. n. r. o. e. r. e. n. d. e. goederen. Huizen, meneer. Goede huizen op goeden stand. Ik heb het perceel hiernaast gekocht.”

„Wat blief?” riep Vermey ten uiterste verwonderd.

„Waarom niet.Qui veut le finenz. Nu wie huizen wil hebben, dient ze te koopen of te bouwen.”

„En ga je er wonen?”

„Precies geraden, Lena.”

„Je eigen huis is veel mooier en grooter. Je vermindert dus. De lui zullen het vreemd vinden.”

„Ik houd mijn andere huis ook aan.”

„Maar dat is pure geldverspilling,” riep Lena boos. „Wat ’n idee om zooveel geld weg te gooien.”

Doch Vermey knikte goedkeurend met het hoofd en zei:

„Maak jij je er niet noodeloos druk om, Lena; hij heeft er natuurlijk iets meê voor, dat hij ons nog niet zeggen wil.”

Hij voor zich vond het inderdaad een mal idee; een amerikaansche buitensporigheid, alleen te verwachten van lieden, die eigenlijk met hun geld geen raad wisten.

„Wel, wat zeg je van mijn wondermiddel?” vroeg Voirey, toen ze samen alleen waren.

„Een paardenmiddel is het zeker.”

„Het schijnt je niet erg te bevallen.”

„Ik vind het overdreven. Het is alsof men een paard koopt om een hoefijzer te hebben.”

„Jij wist toch geen ander middel om de meid weg te krijgen.”

„Neen, maar.…”[214]

„Welnu, zanik dan niet. Ik heb het huis gekocht en de jongelui de huur opgezegd.”

„Tegen wanneer?”

„Als ze toch verhuizen moesten, zeiden ze, dan maar zoo gauw mogelijk. Ik zei, dat ze op staanden voet konden gaan als ze wilden. Over een paar dagen komt het huis leeg.”

„En dan?”

„Dan ben ik van idee veranderd. Ik houd het niet voor me zelven maar verhuur het aan.… soliede, getrouwde menschen.”

Hij dreef met het gevalletje weer den spot; dat hoorde Vermey duidelijk aan zijn stem, en het hinderde ook nu. Wat drommel, als hij het zoo bespottelijk onbeduidend vond, waarom kocht hij er dan een heel huis voor?

Ze zaten een oogenblik zwijgend bij elkaar.

Toen zei Vermey:

„Ik begrijp nog niet, dat je er zooveel moeite en geld aan hebt besteed.”

„Niet?”

„Neen! Als je er over spreekt is het altijd op ’n ironische manier, net of je die pogingen van mijn vroegere snaar ’n kinderspelletje vindt, dat niets te beduiden heeft.”

„Het is, waarachtig, ook niet anders.”

„En om het te beletten.…”

„Zeker, zeker, ik koop om het te beletten een huis van achttien mille, dat ik niet noodig heb en waarvan ik me zoo gauw mogelijk denk te ontdoen.”

„Maar dat is dan toch verduiveld gek.”

„Toch niet.Ikvind het gebeurde ’n kinderspelletje,[215]maar ik ben overtuigd, dat het op ernst zou uitdraaien en dan werd het een ernst die Lena ongelukkig zou maken.”

Vermey kreeg ’n kleur als vuur.

„Dat is een beleedigende vooronderstelling.”

„Dan moet je me maar uitdagen; twee pilletjes en de zaak is gereed. Ik zeg je mijn overtuiging.”

„Die geheel valsch is.”

„Die volkomen gegrond is. Jij bent geen man om lang voor zulke vuurtjes te staan. Nu gaat het nog goed. Maar laat Lena haar bed eens moeten houden weken achtereen.”

„Och, maar zou je dan denken, dat ik.…?”

„Waarom zou ik dat niet denken? Je bent wel bij die oude vlam van je geweest, den avond van je engagement.”

Bleek keek Vermey voor zich, zóó trof hem dit onomwonden standje, en verlegen beet hij zich op de lippen.

Toen hij niets zei, stak Voirey heel bedaard ’n versche sigaar op en vervolgde:

„Je moet je maar niks aantrekken,old fellow! Je bent nu eenmaal niet anders. Wil je het tegendeel bewijzen, mij goed! Voorhands wantrouw ik de aanhoudende kracht van je weerstandsvermogen.”

„Ik zou het toch waarachtig niet hebben gedaan,” zei Vermey met overtuiging.

„Het is mogelijk, maar ik durfde het er niet op te laten aankomen. Ik wil Lena niet ongelukkig zien.”

Hij zei dat laatste met zooveel kracht en doordrijvende overtuiging, dat Vermey verwonderd opkeek en toen op het gezicht van Voirey een haast dreigende uitdrukking zag, die[216]hem verraste en ergerde tegelijk; die zooveel scheen te zeggen als: wanneer jij haar ongelukkig mocht maken, krijg je met mij te doen. Een boos woord lag hem op de lippen, en achter dat woord stak het verlangen neef Jan eens te vertellen, dat het geluk van Lena een zaak was, waarmede deze zich niet had in te laten.

Doch George kon met Voirey niet gaan twisten; hun zaken lieten geen slechte verhouding toe.

„Enfin,” zei hij zuchtend, „het is nu in elk geval gedaan. Dat is althans één vervelende omstandigheid minder in de wereld.”

Ze gingen van elkaar af of er niets was gebeurd, en wat Voirey aangaat, was dat zoo; maar bij Vermey bleef een onaangenaam gevoel achter, dat hem bitter stemde en veel terug deed keeren van den vroegeren reeds lang verdwenen onpleizierigen indruk, dien de persoon van Voirey vroeger op hem maakte.

Yps was er overbluft van.

Zij wist wat er was gebeurd; haartoeanhad het haar verteld.

Het huis moesten zij over een paar dagen uit; het was gekocht door den neef van Vermey’s vrouw!

Nu was zij erachter! Nu wist ze, waarom hij niet wilde met haar! Hij wilde wel, maar hij durfde niet! Het was die vrouw, die hem in bedwang hield; voor wie hij bang was; die vrouw met haar geld en haar familie hielden „Sors” vast, en dáárom was hij nietbranigeweest met[217]haar meê te gaan, en dáárom durfde hij zelfs niet uit de verte naar haar kijken. Zij zocht zich een plaatsje achter den pagger, waar zij ongezien door een kier tusschen de bamboe kon gluren over het achtererf van Vermey. Ze zag er Lena heen en weêr dribbelend, haar huiselijke bezigheden doende en nu en dan onderhandelend met kippenkooplui, vruchten- en groentenverkoopers, Chineezen met allerlei goederen enz.

Rustigjes, nu en dan een woord wisselend met haar naaister, die op den grond huishoudengoed zat te verstellen, deed Lena haar zaakjes met ’n gemoedelijken zeemansgang als gevolg van haar gevorderde zwangerschap; haar ontzaglijke blonde haardos was slechts aan het hoofd met ’n blauw lintje saamgebonden; ze zag er zoo gezond uit nu weer, als ooit te voren, en ze voelde zich heel opgewekt van humeur; heel gelukkig en tevreden over het heden en de toekomst.

Wel een kwartier lang zat Yps onbeweeglijk aan den anderen kant van den pagger; de oogen, door den kier glurend, blonken als karbonkels in het donker gezicht. Dat was dus haar vijandin; de vrouw, die haar den man onthield op wien zij Yps, volgens haar begrippen alle rechten had, althans in de omstandigheden, welke de andere, de wettig gehuwde doorleefde.

Maar dat gunde zoo’nnjonja blandahaar niet. Nog liever liet zij het huis onder haar wegkoopen, zoodat ze als een hond haar eigen deur werd uitgejaagd!

Verwonderlijk gauw, naar het Vermey toescheen, werd hij van zijn buurvrouw verlost. Op een ochtend toen hij naar zijn kantoor ging zag hij, dat er in het huis van Voirey aanstalten werden gemaakt tot het opladen van goed.[218]Bij zijn terugkomst in den namiddag vond hij zijn vrouw niet, als gewoonlijk, aan de theetafel.

„Mana njonjah?” vroeg hij.

Maar geen der bedienden wist het, tot eindelijk een het vermoeden opperde, dat mevrouwbrangkali di seblahwas.

Vermey keek over den pagger, zag Lena werkelijk in het leêge huis en riep haar goeden dag.

Zij hief haar handen omhoog, zonder eens zijn groet te beantwoorden, geheel onder den indruk van een schandaal, dat ze ontdekt had.

„Het is verschrikkelijk!” riep ze hem toe.

„Wat?”

„Wel, zooals ze dit huis hebben verwaarloosd en uitgewoond.”

„Ja, als menen garçonleeft.”

„Maar zóó smerig behoeft niemand een huis te bewonen en dan die bijgebouwen! Ik ben in de kamer van de meid ook geweest. Dat is me ’n boeltje! Je moet voor de grap eens komen kijken.”

„Weet je wat?” riep Vermey lachend terug, „kom jij maar liever hier en schenk me een kop thee. Ik ben er niets nieuwsgierig naar.”

„Voor de aardigheid moet je ’reis komen.”

„Ik ga me lekker maken voor de aardigheid,” bleef hij weigeren en liep hard naar binnen.

Het stuitte hem tegen de borst met zijn vrouw de kamer binnen te gaan waar Yps had gewoond. Het was nu uit en het was heel goed zoo, eigenlijk.

Maar toen hij ’n uur later op het erf naar zijn planten[219]keek, was het hem net of hij iets miste; hij zag nu vrij rond over het erf van het naaste huis; er was niemand; er werd niet gekucht en gehemd noch zachtjes gezongen; hij behoefde niet op te passen dat zijn blikken niet in een onbewaakt moment daarheen dwaalden; het was niet noodig zich erg trotsch en ongenaakbaar te houden, want het gevaar bestond niet meer; het achtererf was leeg en verlaten.

Bij al zijn goede voornemens om trouw te blijven aan … zijn positie en zijn vrouw, had het toch in stilte zijn ijdelheid gestreeld, dat „die meid” zich nu zooveel moeite voor hem gaf en niet afhield, hoe ruw hij haar ook had bejegend.

Er was over hem een gevoel gekomen van spijt en teleurstelling, waarover hij zich te goeder trouw verwonderde, en dat zijn zelfvertrouwen een harder stoot toebracht, dan de woorden van Voirey hadden gedaan. Dan moest hij dus neef Jan weer als gewoonlijk dankbaar zijn!

Later begon hij daaraan weer te twijfelen. Indrukken gingen bij hem niet diep. Hij was er te oppervlakkig en te egoïstisch voor. Na een dag of wat waren spijt en teleurstelling verdwenen en nu zou hij het weêr met alle kracht hebben ontkend, dat die ooit bestaan hadden.

Het was verbeelding geweest, anders niet; een zaak van gewoonte, dacht hij, die op z’n hoogst bewees, dat men ook aan het onaangename en vervelende gewennen kan.

Van Yps hoorde of zag hij niets, en na een maand, toen het huis aan de ideale menschen, die Voirey zich had gedroomd, verhuurd was, dacht hij ook in het geheel niet meer aan haar.

Zoo leefden zij weer rustig en gelukkig, met zorg en teederheid voor Lena en haar positie, voor George en de zijne.[220]

Tot hij op ’n middag van zijn kantoor werd geroepen.

Hij wist al wat het was: Reeds ’n dag of wat te voren was ze onwel geweest, en de dokter had gezegd, dat „het” komen kon als het wilde; maar dat ’t nog wel eenige dagen duren kon ook.

Nu zou „het” dan wel komen!

Uit de verte zag hij het coupeetje van den dokter op zijn erf staan en den huurwagen van de vroedvrouw, die het eigenlijke werk zou doen; den dokter had men erpour acquit de consciencebij, ook omdat het netjes stond, vond Vermey, en vooral, „omdat men toch nooit kon weten.”

„U komt juist op tijd,” zei de dokter, lachend toen Vermey, die het huis was omgeloopen, de achtergalerij zachtjes binnentrad.

„Hoedat?” vroeg hij met domme verbazing en de oude uitpuiling van zijn groote blauwe oogen.

„Ik feliciteer je, gelukkige vader!”

Vermey bespeurde niets hoegenaamd van de ironie, die uit den toon klonk. Hij kreeg een erge kleur, en vroeg zoo mogelijk nog verbaasder:

„Is het er dan al?”

„O jé! ’t is al haast jarig!”

„Maak geen gekheid dokter! Wat is het?”

„Een jongen, en een flinke jongen ook, met een stevig corpus en een paar goede longen. Daar hebt u alle eer van.”

Op zijn teenen sloop Vermey naar de kamer. Allerlei lauwe, gemengde luchtjes kwamen hem te gemoet, waaronder één overheerschend van slappen brandewijn met suiker; zoo’n zoetig spiritualiënluchtje![221]

Hij gaf Lena dadelijk een hartelijken zoen, ze glimlachte en schold hem liefdevol uit voor „leelijkert,” met een uitgedrukte neiging tot de grootste vergevingsgezindheid op haar gezicht.

Zijn zoon werd hem voorgesteld, en het verwonderde hem, dat dit zoo’n geringen indruk op hem maakte. Hij had zich dezen Jan Vermey den Eersten heel anders gedacht; veel „menschelijker” en verstandiger.

Maar hij zoende met plichtmatige vaderliefde op de sterk rose vleeschbobbeltjes der dikke wangen, en half vragend, half bluffend zei hij tegen de vroedvrouw, die hem zachtjes had geluk gewenscht:

„Het is ’n ferme kerel, hé?”

„’n Wolk,” zei ze. „Hij lijkt sprekend op zijn vader.”

Vermey keek haar wantrouwend aan, en scheen niet gevleid. Zóó weinig ontwikkeld was de jonggeborene niet of zijn oude heer had wel gemerkt, dat de neus van Lena, van Voirey en van wijlen de oude mevrouw Bruce op z’n klein gezicht ’n miniatuurtje hadden, en er geen sprake was van een der basterd-wipneuzen, die sinds onheugelijke tijden het echte kenmerk waren der Vermey’s.

Er was in de eerste dagen een phase van stille drukte en groote teederheid ingetreden.

Voirey was ook gekomen om zijn petekind te zien. Hij had het geen zoen gegeven; daar liet hij zich alleen mee in als het volwassen en dragelijke exemplaren van het vrouwelijk geslacht betrof.

„Dat is nu mijn jongen!” had hij, om te plagen, tegen Vermey gezegd, die hardop gelachen had, maar bij zichzelven[222]hoogst ontevreden was over zoo’n verregaande aanmatiging van gezag.

Hij nam daarom dadelijk wraak en vroeg:

„Moet ik hem nu aangeven als Johannes,” en daarbij sprak hij den naam zoo lijzig lang uit, dat Voirey kwaad riep:

„Ben je dwaas! Ik heet Jan, en daarmeê basta. Waar is nu zijn spaarpot?”

Vermey haalde z’n eigen portefeuille voor den dag.

„Voorloopig hier,” zei hij.

Eenigszins aarzelend, ook weer om te plagen, gaf oom Jan de vijf mille.

„Maar dadelijk bij de Bank brengen!”

En toen hij in dat opzicht was gerustgesteld ging hij heen en liet zich in geen weken zien, schoon hij in den eersten tijd geregeld naar de gezondheid van Lena liet vragen.

Onder den indruk van zijn nieuwe huiselijke omstandigheden was Vermey in de eerste dagen thuis geheel vervuld van voorkomende zorgen voor Lena en belangstelling in het kind.

Het was hem in het eerst alles vreemd en nieuw; hij woonde alles bij met de grootste belangstelling; hij kwam kijken als onder luid en driftig krijschen het kind verzet aanteekende tegen de reinigingskuren, waaraan het onderworpen werd; hij zat met belangstelling de eerste pogingen om met het zuigen op streek te raken gade te slaan, en keek met verbazing en eerbied naar zijn tengere vrouwtje, die zoo „volop” had, en, zonder dat hij er iets van bespeurd[223]had op zoo’n onverklaarbaar geheimzinnige manier in een ware melkfontein was omgetooverd. Het wonder van het water uit de rots was, dacht hij, daarbij vergeleken een kleinigheid!

Doch heel gauw was hij aan dat alles gewoon, en toen acht dagen later Lena, die nogal geleden had, langzamerhand op de been kwam, was het Vermey alsof hij zijn leven lang met het vaderschap eigen was geweest. Zijn overmatige belangstelling week; hij bemoeide zich nog slechts matigjes met wat zijn kind betrof, en terwijl de liefde en toewijding van Lena als het ware met den dag in evenredigheid toenamen, begon Vermey het bezit van een kind als de meest gewone zaak ter wereld te beschouwen. Doch voor Lena bleef hij vol attentie. Hij vond, dat ze iets bijzonders over haar had gekregen, iets wat hij vroeger nooit had opgemerkt, reiner en fijner; vooral haar tint was opgeblankt, maar het was juist, vond hij, altemaal zeer te bejammeren.

In de gegeven omstandigheden was hij immers tijdelijk een neutrale mogendheid, en als zoodanig waren alle ontdekkingen van dien aard voor hem van geen practisch belang; integendeel!

„Verveelt het je niet, zoo altijd ’s avonds thuis te zitten?” vroeg hem Lena.

„Wel neen!” zei hij met overtuiging.

„Ik begrijp toch wel, dat het erg saai voor je is.”

„Och!.…”

„Neen, spreek het maar niet tegen. Ik ben zoo vroeg moe ’s avonds.”[224]

„En dan ga je naar bed; dat is goed ook.”

„Maar niks prettig voor jou.”

„Ik lees de couranten, en ’n boek en zoo.”

„Ga ook vroeg naar bed en sta dan vroeg op.”

Maar daarin had hij geen lust. Hij bleef liefst zoo laat mogelijk zijn cognacje zitten drinken, tot hij verschrikkelijk slaperig werd. Als hij dat niet deed, dwaalden zijn gedachten te veel en te vervelend af.

„Of ga eens naar de sociëteit.”

„Ik zal ’reis kijken.… misschien.…”

„Zie je, ik kan je onmogelijk ’s avonds gezelschap houden. Het licht hindert me dan zoo!… En ik slaap soms zoo weinig ’s nachts.”

Ernstig protesteerde hij tegen elke gedachte aan opoffering van haar kant. Dàt mocht in ’t geheel niet gebeuren. Hij zou wel eens kijken! Misschien ging hij dezer dagen wel eens ’n avond uit. In geen geval moest Lena zich om hem bekommeren.

Zij kuste hem en ging naar haar kamer, terwijl hij ’n versche sigaar ontstak en zuchtend over de tijdelijke schorsing van een deel zijner maatschappelijke positie zich uitstrekte in zijn luierstoel.[225]


Back to IndexNext