[Inhoud]DERTIENDE HOOFDSTUK.Hoe de „kinderen” zich amuseerden.Het werd er onder het rijden niet vroolijker op. Defilevan rijtuigen joeg aanhoudend hooge stofwolken op, die voor de hoeven der paarden omhoog schietend, de menschen letterlijk poeierden.Toen Markens en z’n vrouw thuis kwamen, bevreemdde het hem en verontrustte het haar, dat zij niets van de kinderen zagen of hoorden.„Ze slapen,” zei een der bedienden.Dat was nu juist het gekke: ze sliepen anders nooit op zulk een tijd van den dag.Zij gingen nu even de slaapkamer binnen, en werkelijk de jongens snorkten achter de klamboe, dat het een lust was.„Zijn ze dan gisteravond laat naar bed gegaan?” vroeg mevrouw.„Neen.”„Zijn ze van ochtend al op geweest?”„Neen.”„Maar, mijn God! dan zijn ze ziek,” riep zij uit. „O, zulk gemeen, harteloos inlandsch volk! Ze zouden mijn arme kinderen zich nog liever dood laten slapen, dan om den dokter gaan!”Markens volgde haar terug naar de slaapkamer, waar ze de klamboe openden.Een stank van sterkendranken tabaksrook sloeg hen tegen. De jongens lagen daar met roode gezichten en opgezette oogleden in een zwaren slaap, gekleed, met hun schoenen aan, en vuil, vuil! Fred had een schram over zijn voorhoofd, en Ed, die uit zijn neus had gebloed, zag er ontoonbaar uit.De ouders keken een oogenblik stil toe, verslagen.Daarna jammerde zij, huilend, dat het zóó geen leven was; dat zij zóó geen oogenblik van huis kon! dat het geheele bediendenpersoneel[85]weg moest; zij wilde de meiden roepen, haar „standjes” geven en wegjagen; zij wilde de „kinderen” laten afwasschen en uitkleeden,—maar daar was Markens tegen.„Laat hen maar uitslapen,” zei hij onverschillig.En eigenlijk deed zij dat het liefste; nu, zoo vermoeid,weêrdadelijksoesahte hebben, was te erg!Zij was, meende zij, eigenlijk ook niet sterk genoeg van gestel voor de zorgen van een huisgezin; iemand van haar délicate constitutie moest zich met al die onaangename dingen nooit behoeven te bemoeien.Hij liet haar uitspreken, gewoon aan dat lied; hij had het al zooveel jaren gehoord!Zij ging gaarne uit; zij kon ’n goed glas wijn verdragen, meer en beter dan een der andere dames; zij dronk zelfs somtijds meer dan zij verdragen kon, thuis, in haar kamer alleen! Als hij naging wat er met zijn weten werd verbruikt in zijn huis aan Port en Madera, en hij vergeleek dat, bij de daarvoor op de rekeningen geschreven hoeveelheden … Bovendien maakte zij graag een partijtjewhist, en hoe laat het dan werd in den nacht was haar geheel onverschillig.Dat alles kon zij doen, voor dat alles was zij sterk genoeg van gestel; robuust genoeg van constitutie, maar voor de zorgen van een huishouden met ’n paar kinderen was zij altijd te zwak geweest, en klagend daarover, had zij het zoover gebracht, dat er verscheidene dames waren, die beweerden het te gelooven.Het maakte hem koud noch warm, geleerd als hij had het stilletjes aan te hooren; zich bewust, dat tegenspraak of berisping tot niets leidde.„Wat zouden ze hebben uitgevoerd?” vroeg zij eindelijk, uitgeklaagd over haarzelve.Daarover dacht hij reeds al dien tijd.„Dat weet God!” antwoordde hij met een zucht.„Geld heb ik hun niet gegeven, en alles is achter slot.”„We zullen er wel meer van hooren. Nu is er niets aan te doen.”Zij was ook dat volkomen met hem eens; zij ging naar bed en sliep dadelijk in; hij, schoon ook heelemaal op, kon niet slapen; het gezicht op de jeugdige beschonkenen, die zijn kinderen waren, maatschappelijke drenkelingen in de lange kleeren, vervolgde hem.Had hij schuld? Hij beproefde zijn verdediging tegen zichzelf. Het hielp niet. Zijn zwakheid.… die was geen verontschuldiging. Dat vulgaire woord van Jan-en-alleman voor elk schuldig zijn aan al wat leelijk was, mocht hij niet in het midden brengen; dáár was hij te verstandig voor.[86]Er was altamoe.Markens, pas in slaap, werd er boos om, maar toen hij hoorde, dat het een politie-ambtenaar was, dacht hij met schrik aan zijn jongens. Daar zou je het hebben!Net toen hij in de voorgalerij kwam, reed ook Uhlstra het erf op, met een sprong uit z’n wagen en in ’n zetje de galerij binnen.Toen hij de politie zag, zeide hij niets, en de ambtenaar keek vragend Markens aan, die daar stond in de hoogheid zijner ambtelijke betrekking.„Zeg maar op, wat u te zeggen hebt.”„De assistent-resident heeft mij opgedragen u mede te deelen, wat ik hem van ochtend heb gerapporteerd.”„’t Is goed. Ga uw gang; ik luister.”„Vannacht werd mijn hulp ingeroepen, omdat eenige jongeheeren, aangevoerd door een paar volwassenen en geholpen door inlandsche soldaten, bij een tokohouder in het chineesche kamp alles stuksloegen.”„Daar waren mijn zoontjes zeker ook bij.”„Twee rakkers van mij ook,” zuchtte Uhlstra.Het deed Markens goed, dat hij een lotgenoot had onder de notabelen, en wel een man als Uhlstra, die niet zwak was voor zijn kroost, althans niet erg.„En verder.”„Ze hebben een Chinees geslagen.”„Nu ja, dat is mogelijk,” zei Markens met een voornaam gezicht de schouders ophalend. „Dat zal zoo’n vaart wel niet geloopen hebben.”„Om de dit-en-dat wel!” riep Uhlstra zenuwachtig. „Ze hebben hem doodgeslagen!”Verwezen en bleek keek Markens hem aan.Daar kwamen zijn twee schuldigen aan uit de badkamer, proper nu, met schoone baadjes aan: hun knappe jonge gezichten met een uitdrukking erop van vroegrijpe gemeenheid, stonden heel leuk; ze kwamen kalmpjes naderbij geloopen, naast elkaar, en keken te gelijk op, de menschen brutaal in het gezicht.„Wat heb je vannacht uitgevoerd?” vroeg hun vader met een boos gezicht.„Ik weet het niet,” zei Freddy.„Ik weet het ook niet,” zei Eddy.„Hoe ben je uitgegaan?”„We zijn in den vooravond wat gaan wandelen met eenige vrindjes; met de jongens Uhlstra en Lugtens en anderen.”„Vervolgens?”„Toen zijn we voorbij de sociëteit gekomen. Er waren daar maar weinig menschen door de groote partij op Koeningan.”[87]„En toen?”„Daar zaten Cesar Jansen en andere jongelui. Ze hebben ons brendy gegeven met klontjes suiker; toen zijn ze met ons gaan wandelen.”„Waarheen?”Uhlstra zat bij die vraag van Markens in spanning; ’t was hetzelfde verhoor, dat hij zijn twee jongste kinderen had afgenomen en tot nog toe waren dat dezelfde antwoorden, die ze hadden gegeven, juist alsof het afgesproken werk was.„Ik weet het niet, pa,” zei Freddy.„Ik herinner me er ook niks van,” verzekerde Eddy. „Heusch pa, heelemaal niks.”De mannen keken elkaar aan. Mevrouw Markens, in angst over wat zij hoorde, was dichtbij gekomen, zonder iets te zeggen.„Het is duidelijk,” zei ze nu koel en uit de hoogte.—„De kinderen zijn door een paar volwassen deugnieten dronken gemaakt. Het is een schande.”Tot haar groote vreugde deelde de politie-ambtenaar haar meening.„Dat geloof ik ook, mevrouw.”Uhlstra en Markens knikten; het was, vonden ze, de eenige manier om tot een niet oneervolle oplossing te komen voor hun eigen kinderen.De jongens van Markens, nu gluiperig de blikken naar den grond, met arme-zondaarsgezichten, toonbeelden der vermoorde onnoozelheid, schuinoogden ongemerkt tegen elkaar, inwendig juichend, dat het zoo goed ging.Men beproefde maar niet er verder nog iets uit te krijgen.„Het is goed,” zei Markens. „Je kunt naar je kamer gaan.”En Eddy en Freddy, hun ondeugende gezichten als ervaren tooneelspelers rustig in bedwang, stapten naast elkaar naar binnen, als goed gedresseerde soldaten te gelijk, met de les in het hoofd, precies zooals ze dat met elkaar en Cesar hadden afgesproken.Maar toen ze binnen waren, buiten het gezicht en het gehoor, vlogen ze als dollemannen de trap op, gierend van pret, en boven op de galerij naar hun kamer, duikelden zij over hun kop, pakten een jonge baboe beet, die met schoon waschgoed beladen liep, trokken haar, vol baldadigheid het baadje haast van het lijf en rolden met haar over de vloermat, zonder iets te ontzien.„Het beste is, dat wij maar dadelijk aan het werk gaan,” meende Uhlstra. „Hoe gauwer er een eind aan het gezanik is, hoe beter.”„Die Cesar wordt toch ’n gemeen sujet,” meende Markens.„We moeten hem van de plaats zien te krijgen.”[88]„Ik wil er graag meê mijn best toe doen. Zoo’n jongen zou onze kinderen geheel bederven.”Hij wist wel, dat aan de zijnen niet veel meer te bederven viel, en tal van volwassenen gevangen zaten om minder dan deze knapen reeds op hun geweten hadden,—maar wat kon hij, als vader, doen?„Gemakkelijk zal het evenwel niet gaan. Mevrouw Jansen.…”Nu mengde zich de vrouw des huizes met verontwaardiging in het gesprek.„Mevrouw Jansen moet de keus maar gelaten worden tusschen de gevangenis voor dien gemeenen jongen of zijn verwijdering van de plaats. Zij is een oude vrouw, dat is waar, maar medelijden heb ik niet met haar, want dat die Cesar zoo geworden is, ishaarschuld; zij heeft hem heelemaal bedorven.”Markens was geen wijsgeer, maar hij dacht op dat moment toch heel wijsgeerig over het tegenstrijdige in een mensch, dat volkomen blind voor eigen schuld en gebreken, onbarmhartig oordeelt over geheel gelijke schuld en overeenkomstige gebreken bij anderen.Uhlstra keerde zich af om z’n gezicht niet te laten zien, dat zeer boos stond.Hij zweeg maar, want zijn neiging om mevrouw Markens eens op dit punt de waarheid te zeggen, was zoo groot, dat hij ertoe zou gekomen zijn als hij ’n woord had gesproken.Het was een heel praatje op de plaats. Iedereen had er een bijzonder verhaal over, dat aanvankelijk altijd nogweêrerg overdreven was.Lugtens was begonnen zijn twee zonen—van hem waren het de oudsten—met een hondenzweep te slaan, tot ze het uitgilden enamponvroegen; daarna sloot hij hen voorloopig in de wagenkamer.Toen ze de familie van den vermoorden Chinees door hun invloed en hun geld er toe hadden gebracht de zaak te laten voor wat die was, en ook de politie er zich verder niet mee zou inlaten, werden met vereende krachten contra-berichten verspreid; alle fatsoenlijke menschen colporteerden die in het openbaar. Er was in ’t geheel geen doode Chinees. De jongelui en de kinderen, die genoemd waren, hadden niets gedaan, dan staan kijken, toen eenige van die in garnizoen altijd zoo rampassende boegineesche soldaten een tokotje hadden geplunderd.Er waren er, die zelfs dat contra-verhaal hielpen verspreiden, verontwaardigd de vroegere leugenachtige en lasterlijke praatjes tegensprekend, en die toch zeer wel de waarheid wisten; de eenige, die onder deze wetenschap vreeselijk leed was Markens.Freddy had den Chinees met een stuk ijzer op het hoofd geslagen; hij was de moordenaar.[89]Dat was Markens te machtig. Al was hij van huis uit een proletariër, in zijn gezin en tegenover zijn vrouw van goeden huize altijd slechtsle marigeweestde sa femme,—hij had reeds eenmaal—te laat! getoond te kunnen optreden.Nu deed hij het, en het verwonderde hem, dat dit eigenlijk weinig meer bleek te zijn dan een goed doorgezette durf.„De jongens gaan naar Holland,” zei hij, nadat hij haar alles verteld had.„Dat is onmogelijk,” had zij geantwoord, volstrekt niet geïmpressionneerd door de mededeeling. „Ze kunnen niet alleen naar Holland gaan.”„Ik vraag niet, wat ge denkt, dat ze alleen kunnen doen of niet. Wat ze doen, alleen en hier, weet ik!”„Maar ik vond.… Mijn God, ik heb.…”„Het is niet de quaestie, wat je vindt en wat je hebt. De jongens gaan met de eerste boot weg; ik heb mijn maatregelen genomen, en daar is niets hoegenaamd aan te veranderen.”„Dus dat heb je alles beschikt zonder mij.”„Ja, dat heb ik zonder jou gedaan, en ik zal, zonder jou, nog veel meer beschikken. Veel te lang ben ik zoo dom en eigenlijk zoo slecht geweest om dingen aan jou over te laten, die ik zelf had moeten doen … Hoe je hierover denkt, doet er dus niet toe; het gebeurt! En wat je „hebt” geldt alleen in zoover het ’t uitzet betreft van de jongens, die in elk geval niet zonder kleeren op reis kunnen gaan.”Zij voelde waar het terrein onherroepelijk was verloren, maar te gelijk, waar zij het onder de voeten had, begrijpend hoe daarmee nog voordeel was te doen.Dienzelfden dag nog reed zij de toko’s af en kocht, kocht! Het was volmaakt of Freddy en Eddy voor vele jaren naar een onbewoond eiland gingen, met zoo ontzaglijk veel, deels in Europa geheel onbruikbaar goed, werden koffers en kisten volgepakt.De jongens waren blij.Het kon hun niets schelen, waarheen zij gingen; het was tegenwoordig overal plezieriger dan in Indië. Zij waren aan alle moeilijkheden en gevaren ontsnapt,—maar de eenige, die hen strafte en onbarmhartig ook, die geenkasianhad, volmaakt onomkoopbaar was en zich door niets liet vermurwen,—was de schooljeugd, waren de jongens uit de hoogste klasse, die de heele geschiedenis kenden, precies zooals zij was voorgevallen, en die, bovendien volkomen op de hoogte van ’t verdere zondenregister van Freddy en Eddy, nu tot de slotsom waren gekomen, dat het te erg was. En die conclusie, neêrgelegd in meer dan één pak slaag, in een dagelijksche bejegening, bestaande uit ’n variant[90]van geheimzinnige „opstoppers” en onaangename woorden, was veel erger dan wat ter wereld ook voor een jongen erg kan zijn.
[Inhoud]DERTIENDE HOOFDSTUK.Hoe de „kinderen” zich amuseerden.Het werd er onder het rijden niet vroolijker op. Defilevan rijtuigen joeg aanhoudend hooge stofwolken op, die voor de hoeven der paarden omhoog schietend, de menschen letterlijk poeierden.Toen Markens en z’n vrouw thuis kwamen, bevreemdde het hem en verontrustte het haar, dat zij niets van de kinderen zagen of hoorden.„Ze slapen,” zei een der bedienden.Dat was nu juist het gekke: ze sliepen anders nooit op zulk een tijd van den dag.Zij gingen nu even de slaapkamer binnen, en werkelijk de jongens snorkten achter de klamboe, dat het een lust was.„Zijn ze dan gisteravond laat naar bed gegaan?” vroeg mevrouw.„Neen.”„Zijn ze van ochtend al op geweest?”„Neen.”„Maar, mijn God! dan zijn ze ziek,” riep zij uit. „O, zulk gemeen, harteloos inlandsch volk! Ze zouden mijn arme kinderen zich nog liever dood laten slapen, dan om den dokter gaan!”Markens volgde haar terug naar de slaapkamer, waar ze de klamboe openden.Een stank van sterkendranken tabaksrook sloeg hen tegen. De jongens lagen daar met roode gezichten en opgezette oogleden in een zwaren slaap, gekleed, met hun schoenen aan, en vuil, vuil! Fred had een schram over zijn voorhoofd, en Ed, die uit zijn neus had gebloed, zag er ontoonbaar uit.De ouders keken een oogenblik stil toe, verslagen.Daarna jammerde zij, huilend, dat het zóó geen leven was; dat zij zóó geen oogenblik van huis kon! dat het geheele bediendenpersoneel[85]weg moest; zij wilde de meiden roepen, haar „standjes” geven en wegjagen; zij wilde de „kinderen” laten afwasschen en uitkleeden,—maar daar was Markens tegen.„Laat hen maar uitslapen,” zei hij onverschillig.En eigenlijk deed zij dat het liefste; nu, zoo vermoeid,weêrdadelijksoesahte hebben, was te erg!Zij was, meende zij, eigenlijk ook niet sterk genoeg van gestel voor de zorgen van een huisgezin; iemand van haar délicate constitutie moest zich met al die onaangename dingen nooit behoeven te bemoeien.Hij liet haar uitspreken, gewoon aan dat lied; hij had het al zooveel jaren gehoord!Zij ging gaarne uit; zij kon ’n goed glas wijn verdragen, meer en beter dan een der andere dames; zij dronk zelfs somtijds meer dan zij verdragen kon, thuis, in haar kamer alleen! Als hij naging wat er met zijn weten werd verbruikt in zijn huis aan Port en Madera, en hij vergeleek dat, bij de daarvoor op de rekeningen geschreven hoeveelheden … Bovendien maakte zij graag een partijtjewhist, en hoe laat het dan werd in den nacht was haar geheel onverschillig.Dat alles kon zij doen, voor dat alles was zij sterk genoeg van gestel; robuust genoeg van constitutie, maar voor de zorgen van een huishouden met ’n paar kinderen was zij altijd te zwak geweest, en klagend daarover, had zij het zoover gebracht, dat er verscheidene dames waren, die beweerden het te gelooven.Het maakte hem koud noch warm, geleerd als hij had het stilletjes aan te hooren; zich bewust, dat tegenspraak of berisping tot niets leidde.„Wat zouden ze hebben uitgevoerd?” vroeg zij eindelijk, uitgeklaagd over haarzelve.Daarover dacht hij reeds al dien tijd.„Dat weet God!” antwoordde hij met een zucht.„Geld heb ik hun niet gegeven, en alles is achter slot.”„We zullen er wel meer van hooren. Nu is er niets aan te doen.”Zij was ook dat volkomen met hem eens; zij ging naar bed en sliep dadelijk in; hij, schoon ook heelemaal op, kon niet slapen; het gezicht op de jeugdige beschonkenen, die zijn kinderen waren, maatschappelijke drenkelingen in de lange kleeren, vervolgde hem.Had hij schuld? Hij beproefde zijn verdediging tegen zichzelf. Het hielp niet. Zijn zwakheid.… die was geen verontschuldiging. Dat vulgaire woord van Jan-en-alleman voor elk schuldig zijn aan al wat leelijk was, mocht hij niet in het midden brengen; dáár was hij te verstandig voor.[86]Er was altamoe.Markens, pas in slaap, werd er boos om, maar toen hij hoorde, dat het een politie-ambtenaar was, dacht hij met schrik aan zijn jongens. Daar zou je het hebben!Net toen hij in de voorgalerij kwam, reed ook Uhlstra het erf op, met een sprong uit z’n wagen en in ’n zetje de galerij binnen.Toen hij de politie zag, zeide hij niets, en de ambtenaar keek vragend Markens aan, die daar stond in de hoogheid zijner ambtelijke betrekking.„Zeg maar op, wat u te zeggen hebt.”„De assistent-resident heeft mij opgedragen u mede te deelen, wat ik hem van ochtend heb gerapporteerd.”„’t Is goed. Ga uw gang; ik luister.”„Vannacht werd mijn hulp ingeroepen, omdat eenige jongeheeren, aangevoerd door een paar volwassenen en geholpen door inlandsche soldaten, bij een tokohouder in het chineesche kamp alles stuksloegen.”„Daar waren mijn zoontjes zeker ook bij.”„Twee rakkers van mij ook,” zuchtte Uhlstra.Het deed Markens goed, dat hij een lotgenoot had onder de notabelen, en wel een man als Uhlstra, die niet zwak was voor zijn kroost, althans niet erg.„En verder.”„Ze hebben een Chinees geslagen.”„Nu ja, dat is mogelijk,” zei Markens met een voornaam gezicht de schouders ophalend. „Dat zal zoo’n vaart wel niet geloopen hebben.”„Om de dit-en-dat wel!” riep Uhlstra zenuwachtig. „Ze hebben hem doodgeslagen!”Verwezen en bleek keek Markens hem aan.Daar kwamen zijn twee schuldigen aan uit de badkamer, proper nu, met schoone baadjes aan: hun knappe jonge gezichten met een uitdrukking erop van vroegrijpe gemeenheid, stonden heel leuk; ze kwamen kalmpjes naderbij geloopen, naast elkaar, en keken te gelijk op, de menschen brutaal in het gezicht.„Wat heb je vannacht uitgevoerd?” vroeg hun vader met een boos gezicht.„Ik weet het niet,” zei Freddy.„Ik weet het ook niet,” zei Eddy.„Hoe ben je uitgegaan?”„We zijn in den vooravond wat gaan wandelen met eenige vrindjes; met de jongens Uhlstra en Lugtens en anderen.”„Vervolgens?”„Toen zijn we voorbij de sociëteit gekomen. Er waren daar maar weinig menschen door de groote partij op Koeningan.”[87]„En toen?”„Daar zaten Cesar Jansen en andere jongelui. Ze hebben ons brendy gegeven met klontjes suiker; toen zijn ze met ons gaan wandelen.”„Waarheen?”Uhlstra zat bij die vraag van Markens in spanning; ’t was hetzelfde verhoor, dat hij zijn twee jongste kinderen had afgenomen en tot nog toe waren dat dezelfde antwoorden, die ze hadden gegeven, juist alsof het afgesproken werk was.„Ik weet het niet, pa,” zei Freddy.„Ik herinner me er ook niks van,” verzekerde Eddy. „Heusch pa, heelemaal niks.”De mannen keken elkaar aan. Mevrouw Markens, in angst over wat zij hoorde, was dichtbij gekomen, zonder iets te zeggen.„Het is duidelijk,” zei ze nu koel en uit de hoogte.—„De kinderen zijn door een paar volwassen deugnieten dronken gemaakt. Het is een schande.”Tot haar groote vreugde deelde de politie-ambtenaar haar meening.„Dat geloof ik ook, mevrouw.”Uhlstra en Markens knikten; het was, vonden ze, de eenige manier om tot een niet oneervolle oplossing te komen voor hun eigen kinderen.De jongens van Markens, nu gluiperig de blikken naar den grond, met arme-zondaarsgezichten, toonbeelden der vermoorde onnoozelheid, schuinoogden ongemerkt tegen elkaar, inwendig juichend, dat het zoo goed ging.Men beproefde maar niet er verder nog iets uit te krijgen.„Het is goed,” zei Markens. „Je kunt naar je kamer gaan.”En Eddy en Freddy, hun ondeugende gezichten als ervaren tooneelspelers rustig in bedwang, stapten naast elkaar naar binnen, als goed gedresseerde soldaten te gelijk, met de les in het hoofd, precies zooals ze dat met elkaar en Cesar hadden afgesproken.Maar toen ze binnen waren, buiten het gezicht en het gehoor, vlogen ze als dollemannen de trap op, gierend van pret, en boven op de galerij naar hun kamer, duikelden zij over hun kop, pakten een jonge baboe beet, die met schoon waschgoed beladen liep, trokken haar, vol baldadigheid het baadje haast van het lijf en rolden met haar over de vloermat, zonder iets te ontzien.„Het beste is, dat wij maar dadelijk aan het werk gaan,” meende Uhlstra. „Hoe gauwer er een eind aan het gezanik is, hoe beter.”„Die Cesar wordt toch ’n gemeen sujet,” meende Markens.„We moeten hem van de plaats zien te krijgen.”[88]„Ik wil er graag meê mijn best toe doen. Zoo’n jongen zou onze kinderen geheel bederven.”Hij wist wel, dat aan de zijnen niet veel meer te bederven viel, en tal van volwassenen gevangen zaten om minder dan deze knapen reeds op hun geweten hadden,—maar wat kon hij, als vader, doen?„Gemakkelijk zal het evenwel niet gaan. Mevrouw Jansen.…”Nu mengde zich de vrouw des huizes met verontwaardiging in het gesprek.„Mevrouw Jansen moet de keus maar gelaten worden tusschen de gevangenis voor dien gemeenen jongen of zijn verwijdering van de plaats. Zij is een oude vrouw, dat is waar, maar medelijden heb ik niet met haar, want dat die Cesar zoo geworden is, ishaarschuld; zij heeft hem heelemaal bedorven.”Markens was geen wijsgeer, maar hij dacht op dat moment toch heel wijsgeerig over het tegenstrijdige in een mensch, dat volkomen blind voor eigen schuld en gebreken, onbarmhartig oordeelt over geheel gelijke schuld en overeenkomstige gebreken bij anderen.Uhlstra keerde zich af om z’n gezicht niet te laten zien, dat zeer boos stond.Hij zweeg maar, want zijn neiging om mevrouw Markens eens op dit punt de waarheid te zeggen, was zoo groot, dat hij ertoe zou gekomen zijn als hij ’n woord had gesproken.Het was een heel praatje op de plaats. Iedereen had er een bijzonder verhaal over, dat aanvankelijk altijd nogweêrerg overdreven was.Lugtens was begonnen zijn twee zonen—van hem waren het de oudsten—met een hondenzweep te slaan, tot ze het uitgilden enamponvroegen; daarna sloot hij hen voorloopig in de wagenkamer.Toen ze de familie van den vermoorden Chinees door hun invloed en hun geld er toe hadden gebracht de zaak te laten voor wat die was, en ook de politie er zich verder niet mee zou inlaten, werden met vereende krachten contra-berichten verspreid; alle fatsoenlijke menschen colporteerden die in het openbaar. Er was in ’t geheel geen doode Chinees. De jongelui en de kinderen, die genoemd waren, hadden niets gedaan, dan staan kijken, toen eenige van die in garnizoen altijd zoo rampassende boegineesche soldaten een tokotje hadden geplunderd.Er waren er, die zelfs dat contra-verhaal hielpen verspreiden, verontwaardigd de vroegere leugenachtige en lasterlijke praatjes tegensprekend, en die toch zeer wel de waarheid wisten; de eenige, die onder deze wetenschap vreeselijk leed was Markens.Freddy had den Chinees met een stuk ijzer op het hoofd geslagen; hij was de moordenaar.[89]Dat was Markens te machtig. Al was hij van huis uit een proletariër, in zijn gezin en tegenover zijn vrouw van goeden huize altijd slechtsle marigeweestde sa femme,—hij had reeds eenmaal—te laat! getoond te kunnen optreden.Nu deed hij het, en het verwonderde hem, dat dit eigenlijk weinig meer bleek te zijn dan een goed doorgezette durf.„De jongens gaan naar Holland,” zei hij, nadat hij haar alles verteld had.„Dat is onmogelijk,” had zij geantwoord, volstrekt niet geïmpressionneerd door de mededeeling. „Ze kunnen niet alleen naar Holland gaan.”„Ik vraag niet, wat ge denkt, dat ze alleen kunnen doen of niet. Wat ze doen, alleen en hier, weet ik!”„Maar ik vond.… Mijn God, ik heb.…”„Het is niet de quaestie, wat je vindt en wat je hebt. De jongens gaan met de eerste boot weg; ik heb mijn maatregelen genomen, en daar is niets hoegenaamd aan te veranderen.”„Dus dat heb je alles beschikt zonder mij.”„Ja, dat heb ik zonder jou gedaan, en ik zal, zonder jou, nog veel meer beschikken. Veel te lang ben ik zoo dom en eigenlijk zoo slecht geweest om dingen aan jou over te laten, die ik zelf had moeten doen … Hoe je hierover denkt, doet er dus niet toe; het gebeurt! En wat je „hebt” geldt alleen in zoover het ’t uitzet betreft van de jongens, die in elk geval niet zonder kleeren op reis kunnen gaan.”Zij voelde waar het terrein onherroepelijk was verloren, maar te gelijk, waar zij het onder de voeten had, begrijpend hoe daarmee nog voordeel was te doen.Dienzelfden dag nog reed zij de toko’s af en kocht, kocht! Het was volmaakt of Freddy en Eddy voor vele jaren naar een onbewoond eiland gingen, met zoo ontzaglijk veel, deels in Europa geheel onbruikbaar goed, werden koffers en kisten volgepakt.De jongens waren blij.Het kon hun niets schelen, waarheen zij gingen; het was tegenwoordig overal plezieriger dan in Indië. Zij waren aan alle moeilijkheden en gevaren ontsnapt,—maar de eenige, die hen strafte en onbarmhartig ook, die geenkasianhad, volmaakt onomkoopbaar was en zich door niets liet vermurwen,—was de schooljeugd, waren de jongens uit de hoogste klasse, die de heele geschiedenis kenden, precies zooals zij was voorgevallen, en die, bovendien volkomen op de hoogte van ’t verdere zondenregister van Freddy en Eddy, nu tot de slotsom waren gekomen, dat het te erg was. En die conclusie, neêrgelegd in meer dan één pak slaag, in een dagelijksche bejegening, bestaande uit ’n variant[90]van geheimzinnige „opstoppers” en onaangename woorden, was veel erger dan wat ter wereld ook voor een jongen erg kan zijn.
DERTIENDE HOOFDSTUK.Hoe de „kinderen” zich amuseerden.
Het werd er onder het rijden niet vroolijker op. Defilevan rijtuigen joeg aanhoudend hooge stofwolken op, die voor de hoeven der paarden omhoog schietend, de menschen letterlijk poeierden.Toen Markens en z’n vrouw thuis kwamen, bevreemdde het hem en verontrustte het haar, dat zij niets van de kinderen zagen of hoorden.„Ze slapen,” zei een der bedienden.Dat was nu juist het gekke: ze sliepen anders nooit op zulk een tijd van den dag.Zij gingen nu even de slaapkamer binnen, en werkelijk de jongens snorkten achter de klamboe, dat het een lust was.„Zijn ze dan gisteravond laat naar bed gegaan?” vroeg mevrouw.„Neen.”„Zijn ze van ochtend al op geweest?”„Neen.”„Maar, mijn God! dan zijn ze ziek,” riep zij uit. „O, zulk gemeen, harteloos inlandsch volk! Ze zouden mijn arme kinderen zich nog liever dood laten slapen, dan om den dokter gaan!”Markens volgde haar terug naar de slaapkamer, waar ze de klamboe openden.Een stank van sterkendranken tabaksrook sloeg hen tegen. De jongens lagen daar met roode gezichten en opgezette oogleden in een zwaren slaap, gekleed, met hun schoenen aan, en vuil, vuil! Fred had een schram over zijn voorhoofd, en Ed, die uit zijn neus had gebloed, zag er ontoonbaar uit.De ouders keken een oogenblik stil toe, verslagen.Daarna jammerde zij, huilend, dat het zóó geen leven was; dat zij zóó geen oogenblik van huis kon! dat het geheele bediendenpersoneel[85]weg moest; zij wilde de meiden roepen, haar „standjes” geven en wegjagen; zij wilde de „kinderen” laten afwasschen en uitkleeden,—maar daar was Markens tegen.„Laat hen maar uitslapen,” zei hij onverschillig.En eigenlijk deed zij dat het liefste; nu, zoo vermoeid,weêrdadelijksoesahte hebben, was te erg!Zij was, meende zij, eigenlijk ook niet sterk genoeg van gestel voor de zorgen van een huisgezin; iemand van haar délicate constitutie moest zich met al die onaangename dingen nooit behoeven te bemoeien.Hij liet haar uitspreken, gewoon aan dat lied; hij had het al zooveel jaren gehoord!Zij ging gaarne uit; zij kon ’n goed glas wijn verdragen, meer en beter dan een der andere dames; zij dronk zelfs somtijds meer dan zij verdragen kon, thuis, in haar kamer alleen! Als hij naging wat er met zijn weten werd verbruikt in zijn huis aan Port en Madera, en hij vergeleek dat, bij de daarvoor op de rekeningen geschreven hoeveelheden … Bovendien maakte zij graag een partijtjewhist, en hoe laat het dan werd in den nacht was haar geheel onverschillig.Dat alles kon zij doen, voor dat alles was zij sterk genoeg van gestel; robuust genoeg van constitutie, maar voor de zorgen van een huishouden met ’n paar kinderen was zij altijd te zwak geweest, en klagend daarover, had zij het zoover gebracht, dat er verscheidene dames waren, die beweerden het te gelooven.Het maakte hem koud noch warm, geleerd als hij had het stilletjes aan te hooren; zich bewust, dat tegenspraak of berisping tot niets leidde.„Wat zouden ze hebben uitgevoerd?” vroeg zij eindelijk, uitgeklaagd over haarzelve.Daarover dacht hij reeds al dien tijd.„Dat weet God!” antwoordde hij met een zucht.„Geld heb ik hun niet gegeven, en alles is achter slot.”„We zullen er wel meer van hooren. Nu is er niets aan te doen.”Zij was ook dat volkomen met hem eens; zij ging naar bed en sliep dadelijk in; hij, schoon ook heelemaal op, kon niet slapen; het gezicht op de jeugdige beschonkenen, die zijn kinderen waren, maatschappelijke drenkelingen in de lange kleeren, vervolgde hem.Had hij schuld? Hij beproefde zijn verdediging tegen zichzelf. Het hielp niet. Zijn zwakheid.… die was geen verontschuldiging. Dat vulgaire woord van Jan-en-alleman voor elk schuldig zijn aan al wat leelijk was, mocht hij niet in het midden brengen; dáár was hij te verstandig voor.[86]Er was altamoe.Markens, pas in slaap, werd er boos om, maar toen hij hoorde, dat het een politie-ambtenaar was, dacht hij met schrik aan zijn jongens. Daar zou je het hebben!Net toen hij in de voorgalerij kwam, reed ook Uhlstra het erf op, met een sprong uit z’n wagen en in ’n zetje de galerij binnen.Toen hij de politie zag, zeide hij niets, en de ambtenaar keek vragend Markens aan, die daar stond in de hoogheid zijner ambtelijke betrekking.„Zeg maar op, wat u te zeggen hebt.”„De assistent-resident heeft mij opgedragen u mede te deelen, wat ik hem van ochtend heb gerapporteerd.”„’t Is goed. Ga uw gang; ik luister.”„Vannacht werd mijn hulp ingeroepen, omdat eenige jongeheeren, aangevoerd door een paar volwassenen en geholpen door inlandsche soldaten, bij een tokohouder in het chineesche kamp alles stuksloegen.”„Daar waren mijn zoontjes zeker ook bij.”„Twee rakkers van mij ook,” zuchtte Uhlstra.Het deed Markens goed, dat hij een lotgenoot had onder de notabelen, en wel een man als Uhlstra, die niet zwak was voor zijn kroost, althans niet erg.„En verder.”„Ze hebben een Chinees geslagen.”„Nu ja, dat is mogelijk,” zei Markens met een voornaam gezicht de schouders ophalend. „Dat zal zoo’n vaart wel niet geloopen hebben.”„Om de dit-en-dat wel!” riep Uhlstra zenuwachtig. „Ze hebben hem doodgeslagen!”Verwezen en bleek keek Markens hem aan.Daar kwamen zijn twee schuldigen aan uit de badkamer, proper nu, met schoone baadjes aan: hun knappe jonge gezichten met een uitdrukking erop van vroegrijpe gemeenheid, stonden heel leuk; ze kwamen kalmpjes naderbij geloopen, naast elkaar, en keken te gelijk op, de menschen brutaal in het gezicht.„Wat heb je vannacht uitgevoerd?” vroeg hun vader met een boos gezicht.„Ik weet het niet,” zei Freddy.„Ik weet het ook niet,” zei Eddy.„Hoe ben je uitgegaan?”„We zijn in den vooravond wat gaan wandelen met eenige vrindjes; met de jongens Uhlstra en Lugtens en anderen.”„Vervolgens?”„Toen zijn we voorbij de sociëteit gekomen. Er waren daar maar weinig menschen door de groote partij op Koeningan.”[87]„En toen?”„Daar zaten Cesar Jansen en andere jongelui. Ze hebben ons brendy gegeven met klontjes suiker; toen zijn ze met ons gaan wandelen.”„Waarheen?”Uhlstra zat bij die vraag van Markens in spanning; ’t was hetzelfde verhoor, dat hij zijn twee jongste kinderen had afgenomen en tot nog toe waren dat dezelfde antwoorden, die ze hadden gegeven, juist alsof het afgesproken werk was.„Ik weet het niet, pa,” zei Freddy.„Ik herinner me er ook niks van,” verzekerde Eddy. „Heusch pa, heelemaal niks.”De mannen keken elkaar aan. Mevrouw Markens, in angst over wat zij hoorde, was dichtbij gekomen, zonder iets te zeggen.„Het is duidelijk,” zei ze nu koel en uit de hoogte.—„De kinderen zijn door een paar volwassen deugnieten dronken gemaakt. Het is een schande.”Tot haar groote vreugde deelde de politie-ambtenaar haar meening.„Dat geloof ik ook, mevrouw.”Uhlstra en Markens knikten; het was, vonden ze, de eenige manier om tot een niet oneervolle oplossing te komen voor hun eigen kinderen.De jongens van Markens, nu gluiperig de blikken naar den grond, met arme-zondaarsgezichten, toonbeelden der vermoorde onnoozelheid, schuinoogden ongemerkt tegen elkaar, inwendig juichend, dat het zoo goed ging.Men beproefde maar niet er verder nog iets uit te krijgen.„Het is goed,” zei Markens. „Je kunt naar je kamer gaan.”En Eddy en Freddy, hun ondeugende gezichten als ervaren tooneelspelers rustig in bedwang, stapten naast elkaar naar binnen, als goed gedresseerde soldaten te gelijk, met de les in het hoofd, precies zooals ze dat met elkaar en Cesar hadden afgesproken.Maar toen ze binnen waren, buiten het gezicht en het gehoor, vlogen ze als dollemannen de trap op, gierend van pret, en boven op de galerij naar hun kamer, duikelden zij over hun kop, pakten een jonge baboe beet, die met schoon waschgoed beladen liep, trokken haar, vol baldadigheid het baadje haast van het lijf en rolden met haar over de vloermat, zonder iets te ontzien.„Het beste is, dat wij maar dadelijk aan het werk gaan,” meende Uhlstra. „Hoe gauwer er een eind aan het gezanik is, hoe beter.”„Die Cesar wordt toch ’n gemeen sujet,” meende Markens.„We moeten hem van de plaats zien te krijgen.”[88]„Ik wil er graag meê mijn best toe doen. Zoo’n jongen zou onze kinderen geheel bederven.”Hij wist wel, dat aan de zijnen niet veel meer te bederven viel, en tal van volwassenen gevangen zaten om minder dan deze knapen reeds op hun geweten hadden,—maar wat kon hij, als vader, doen?„Gemakkelijk zal het evenwel niet gaan. Mevrouw Jansen.…”Nu mengde zich de vrouw des huizes met verontwaardiging in het gesprek.„Mevrouw Jansen moet de keus maar gelaten worden tusschen de gevangenis voor dien gemeenen jongen of zijn verwijdering van de plaats. Zij is een oude vrouw, dat is waar, maar medelijden heb ik niet met haar, want dat die Cesar zoo geworden is, ishaarschuld; zij heeft hem heelemaal bedorven.”Markens was geen wijsgeer, maar hij dacht op dat moment toch heel wijsgeerig over het tegenstrijdige in een mensch, dat volkomen blind voor eigen schuld en gebreken, onbarmhartig oordeelt over geheel gelijke schuld en overeenkomstige gebreken bij anderen.Uhlstra keerde zich af om z’n gezicht niet te laten zien, dat zeer boos stond.Hij zweeg maar, want zijn neiging om mevrouw Markens eens op dit punt de waarheid te zeggen, was zoo groot, dat hij ertoe zou gekomen zijn als hij ’n woord had gesproken.Het was een heel praatje op de plaats. Iedereen had er een bijzonder verhaal over, dat aanvankelijk altijd nogweêrerg overdreven was.Lugtens was begonnen zijn twee zonen—van hem waren het de oudsten—met een hondenzweep te slaan, tot ze het uitgilden enamponvroegen; daarna sloot hij hen voorloopig in de wagenkamer.Toen ze de familie van den vermoorden Chinees door hun invloed en hun geld er toe hadden gebracht de zaak te laten voor wat die was, en ook de politie er zich verder niet mee zou inlaten, werden met vereende krachten contra-berichten verspreid; alle fatsoenlijke menschen colporteerden die in het openbaar. Er was in ’t geheel geen doode Chinees. De jongelui en de kinderen, die genoemd waren, hadden niets gedaan, dan staan kijken, toen eenige van die in garnizoen altijd zoo rampassende boegineesche soldaten een tokotje hadden geplunderd.Er waren er, die zelfs dat contra-verhaal hielpen verspreiden, verontwaardigd de vroegere leugenachtige en lasterlijke praatjes tegensprekend, en die toch zeer wel de waarheid wisten; de eenige, die onder deze wetenschap vreeselijk leed was Markens.Freddy had den Chinees met een stuk ijzer op het hoofd geslagen; hij was de moordenaar.[89]Dat was Markens te machtig. Al was hij van huis uit een proletariër, in zijn gezin en tegenover zijn vrouw van goeden huize altijd slechtsle marigeweestde sa femme,—hij had reeds eenmaal—te laat! getoond te kunnen optreden.Nu deed hij het, en het verwonderde hem, dat dit eigenlijk weinig meer bleek te zijn dan een goed doorgezette durf.„De jongens gaan naar Holland,” zei hij, nadat hij haar alles verteld had.„Dat is onmogelijk,” had zij geantwoord, volstrekt niet geïmpressionneerd door de mededeeling. „Ze kunnen niet alleen naar Holland gaan.”„Ik vraag niet, wat ge denkt, dat ze alleen kunnen doen of niet. Wat ze doen, alleen en hier, weet ik!”„Maar ik vond.… Mijn God, ik heb.…”„Het is niet de quaestie, wat je vindt en wat je hebt. De jongens gaan met de eerste boot weg; ik heb mijn maatregelen genomen, en daar is niets hoegenaamd aan te veranderen.”„Dus dat heb je alles beschikt zonder mij.”„Ja, dat heb ik zonder jou gedaan, en ik zal, zonder jou, nog veel meer beschikken. Veel te lang ben ik zoo dom en eigenlijk zoo slecht geweest om dingen aan jou over te laten, die ik zelf had moeten doen … Hoe je hierover denkt, doet er dus niet toe; het gebeurt! En wat je „hebt” geldt alleen in zoover het ’t uitzet betreft van de jongens, die in elk geval niet zonder kleeren op reis kunnen gaan.”Zij voelde waar het terrein onherroepelijk was verloren, maar te gelijk, waar zij het onder de voeten had, begrijpend hoe daarmee nog voordeel was te doen.Dienzelfden dag nog reed zij de toko’s af en kocht, kocht! Het was volmaakt of Freddy en Eddy voor vele jaren naar een onbewoond eiland gingen, met zoo ontzaglijk veel, deels in Europa geheel onbruikbaar goed, werden koffers en kisten volgepakt.De jongens waren blij.Het kon hun niets schelen, waarheen zij gingen; het was tegenwoordig overal plezieriger dan in Indië. Zij waren aan alle moeilijkheden en gevaren ontsnapt,—maar de eenige, die hen strafte en onbarmhartig ook, die geenkasianhad, volmaakt onomkoopbaar was en zich door niets liet vermurwen,—was de schooljeugd, waren de jongens uit de hoogste klasse, die de heele geschiedenis kenden, precies zooals zij was voorgevallen, en die, bovendien volkomen op de hoogte van ’t verdere zondenregister van Freddy en Eddy, nu tot de slotsom waren gekomen, dat het te erg was. En die conclusie, neêrgelegd in meer dan één pak slaag, in een dagelijksche bejegening, bestaande uit ’n variant[90]van geheimzinnige „opstoppers” en onaangename woorden, was veel erger dan wat ter wereld ook voor een jongen erg kan zijn.
Het werd er onder het rijden niet vroolijker op. Defilevan rijtuigen joeg aanhoudend hooge stofwolken op, die voor de hoeven der paarden omhoog schietend, de menschen letterlijk poeierden.
Toen Markens en z’n vrouw thuis kwamen, bevreemdde het hem en verontrustte het haar, dat zij niets van de kinderen zagen of hoorden.
„Ze slapen,” zei een der bedienden.
Dat was nu juist het gekke: ze sliepen anders nooit op zulk een tijd van den dag.
Zij gingen nu even de slaapkamer binnen, en werkelijk de jongens snorkten achter de klamboe, dat het een lust was.
„Zijn ze dan gisteravond laat naar bed gegaan?” vroeg mevrouw.
„Neen.”
„Zijn ze van ochtend al op geweest?”
„Neen.”
„Maar, mijn God! dan zijn ze ziek,” riep zij uit. „O, zulk gemeen, harteloos inlandsch volk! Ze zouden mijn arme kinderen zich nog liever dood laten slapen, dan om den dokter gaan!”
Markens volgde haar terug naar de slaapkamer, waar ze de klamboe openden.
Een stank van sterkendranken tabaksrook sloeg hen tegen. De jongens lagen daar met roode gezichten en opgezette oogleden in een zwaren slaap, gekleed, met hun schoenen aan, en vuil, vuil! Fred had een schram over zijn voorhoofd, en Ed, die uit zijn neus had gebloed, zag er ontoonbaar uit.
De ouders keken een oogenblik stil toe, verslagen.
Daarna jammerde zij, huilend, dat het zóó geen leven was; dat zij zóó geen oogenblik van huis kon! dat het geheele bediendenpersoneel[85]weg moest; zij wilde de meiden roepen, haar „standjes” geven en wegjagen; zij wilde de „kinderen” laten afwasschen en uitkleeden,—maar daar was Markens tegen.
„Laat hen maar uitslapen,” zei hij onverschillig.
En eigenlijk deed zij dat het liefste; nu, zoo vermoeid,weêrdadelijksoesahte hebben, was te erg!
Zij was, meende zij, eigenlijk ook niet sterk genoeg van gestel voor de zorgen van een huisgezin; iemand van haar délicate constitutie moest zich met al die onaangename dingen nooit behoeven te bemoeien.
Hij liet haar uitspreken, gewoon aan dat lied; hij had het al zooveel jaren gehoord!
Zij ging gaarne uit; zij kon ’n goed glas wijn verdragen, meer en beter dan een der andere dames; zij dronk zelfs somtijds meer dan zij verdragen kon, thuis, in haar kamer alleen! Als hij naging wat er met zijn weten werd verbruikt in zijn huis aan Port en Madera, en hij vergeleek dat, bij de daarvoor op de rekeningen geschreven hoeveelheden … Bovendien maakte zij graag een partijtjewhist, en hoe laat het dan werd in den nacht was haar geheel onverschillig.
Dat alles kon zij doen, voor dat alles was zij sterk genoeg van gestel; robuust genoeg van constitutie, maar voor de zorgen van een huishouden met ’n paar kinderen was zij altijd te zwak geweest, en klagend daarover, had zij het zoover gebracht, dat er verscheidene dames waren, die beweerden het te gelooven.
Het maakte hem koud noch warm, geleerd als hij had het stilletjes aan te hooren; zich bewust, dat tegenspraak of berisping tot niets leidde.
„Wat zouden ze hebben uitgevoerd?” vroeg zij eindelijk, uitgeklaagd over haarzelve.
Daarover dacht hij reeds al dien tijd.
„Dat weet God!” antwoordde hij met een zucht.
„Geld heb ik hun niet gegeven, en alles is achter slot.”
„We zullen er wel meer van hooren. Nu is er niets aan te doen.”
Zij was ook dat volkomen met hem eens; zij ging naar bed en sliep dadelijk in; hij, schoon ook heelemaal op, kon niet slapen; het gezicht op de jeugdige beschonkenen, die zijn kinderen waren, maatschappelijke drenkelingen in de lange kleeren, vervolgde hem.
Had hij schuld? Hij beproefde zijn verdediging tegen zichzelf. Het hielp niet. Zijn zwakheid.… die was geen verontschuldiging. Dat vulgaire woord van Jan-en-alleman voor elk schuldig zijn aan al wat leelijk was, mocht hij niet in het midden brengen; dáár was hij te verstandig voor.[86]
Er was altamoe.
Markens, pas in slaap, werd er boos om, maar toen hij hoorde, dat het een politie-ambtenaar was, dacht hij met schrik aan zijn jongens. Daar zou je het hebben!
Net toen hij in de voorgalerij kwam, reed ook Uhlstra het erf op, met een sprong uit z’n wagen en in ’n zetje de galerij binnen.
Toen hij de politie zag, zeide hij niets, en de ambtenaar keek vragend Markens aan, die daar stond in de hoogheid zijner ambtelijke betrekking.
„Zeg maar op, wat u te zeggen hebt.”
„De assistent-resident heeft mij opgedragen u mede te deelen, wat ik hem van ochtend heb gerapporteerd.”
„’t Is goed. Ga uw gang; ik luister.”
„Vannacht werd mijn hulp ingeroepen, omdat eenige jongeheeren, aangevoerd door een paar volwassenen en geholpen door inlandsche soldaten, bij een tokohouder in het chineesche kamp alles stuksloegen.”
„Daar waren mijn zoontjes zeker ook bij.”
„Twee rakkers van mij ook,” zuchtte Uhlstra.
Het deed Markens goed, dat hij een lotgenoot had onder de notabelen, en wel een man als Uhlstra, die niet zwak was voor zijn kroost, althans niet erg.
„En verder.”
„Ze hebben een Chinees geslagen.”
„Nu ja, dat is mogelijk,” zei Markens met een voornaam gezicht de schouders ophalend. „Dat zal zoo’n vaart wel niet geloopen hebben.”
„Om de dit-en-dat wel!” riep Uhlstra zenuwachtig. „Ze hebben hem doodgeslagen!”
Verwezen en bleek keek Markens hem aan.
Daar kwamen zijn twee schuldigen aan uit de badkamer, proper nu, met schoone baadjes aan: hun knappe jonge gezichten met een uitdrukking erop van vroegrijpe gemeenheid, stonden heel leuk; ze kwamen kalmpjes naderbij geloopen, naast elkaar, en keken te gelijk op, de menschen brutaal in het gezicht.
„Wat heb je vannacht uitgevoerd?” vroeg hun vader met een boos gezicht.
„Ik weet het niet,” zei Freddy.
„Ik weet het ook niet,” zei Eddy.
„Hoe ben je uitgegaan?”
„We zijn in den vooravond wat gaan wandelen met eenige vrindjes; met de jongens Uhlstra en Lugtens en anderen.”
„Vervolgens?”
„Toen zijn we voorbij de sociëteit gekomen. Er waren daar maar weinig menschen door de groote partij op Koeningan.”[87]
„En toen?”
„Daar zaten Cesar Jansen en andere jongelui. Ze hebben ons brendy gegeven met klontjes suiker; toen zijn ze met ons gaan wandelen.”
„Waarheen?”
Uhlstra zat bij die vraag van Markens in spanning; ’t was hetzelfde verhoor, dat hij zijn twee jongste kinderen had afgenomen en tot nog toe waren dat dezelfde antwoorden, die ze hadden gegeven, juist alsof het afgesproken werk was.
„Ik weet het niet, pa,” zei Freddy.
„Ik herinner me er ook niks van,” verzekerde Eddy. „Heusch pa, heelemaal niks.”
De mannen keken elkaar aan. Mevrouw Markens, in angst over wat zij hoorde, was dichtbij gekomen, zonder iets te zeggen.
„Het is duidelijk,” zei ze nu koel en uit de hoogte.—„De kinderen zijn door een paar volwassen deugnieten dronken gemaakt. Het is een schande.”
Tot haar groote vreugde deelde de politie-ambtenaar haar meening.
„Dat geloof ik ook, mevrouw.”
Uhlstra en Markens knikten; het was, vonden ze, de eenige manier om tot een niet oneervolle oplossing te komen voor hun eigen kinderen.
De jongens van Markens, nu gluiperig de blikken naar den grond, met arme-zondaarsgezichten, toonbeelden der vermoorde onnoozelheid, schuinoogden ongemerkt tegen elkaar, inwendig juichend, dat het zoo goed ging.
Men beproefde maar niet er verder nog iets uit te krijgen.
„Het is goed,” zei Markens. „Je kunt naar je kamer gaan.”
En Eddy en Freddy, hun ondeugende gezichten als ervaren tooneelspelers rustig in bedwang, stapten naast elkaar naar binnen, als goed gedresseerde soldaten te gelijk, met de les in het hoofd, precies zooals ze dat met elkaar en Cesar hadden afgesproken.
Maar toen ze binnen waren, buiten het gezicht en het gehoor, vlogen ze als dollemannen de trap op, gierend van pret, en boven op de galerij naar hun kamer, duikelden zij over hun kop, pakten een jonge baboe beet, die met schoon waschgoed beladen liep, trokken haar, vol baldadigheid het baadje haast van het lijf en rolden met haar over de vloermat, zonder iets te ontzien.
„Het beste is, dat wij maar dadelijk aan het werk gaan,” meende Uhlstra. „Hoe gauwer er een eind aan het gezanik is, hoe beter.”
„Die Cesar wordt toch ’n gemeen sujet,” meende Markens.
„We moeten hem van de plaats zien te krijgen.”[88]
„Ik wil er graag meê mijn best toe doen. Zoo’n jongen zou onze kinderen geheel bederven.”
Hij wist wel, dat aan de zijnen niet veel meer te bederven viel, en tal van volwassenen gevangen zaten om minder dan deze knapen reeds op hun geweten hadden,—maar wat kon hij, als vader, doen?
„Gemakkelijk zal het evenwel niet gaan. Mevrouw Jansen.…”
Nu mengde zich de vrouw des huizes met verontwaardiging in het gesprek.
„Mevrouw Jansen moet de keus maar gelaten worden tusschen de gevangenis voor dien gemeenen jongen of zijn verwijdering van de plaats. Zij is een oude vrouw, dat is waar, maar medelijden heb ik niet met haar, want dat die Cesar zoo geworden is, ishaarschuld; zij heeft hem heelemaal bedorven.”
Markens was geen wijsgeer, maar hij dacht op dat moment toch heel wijsgeerig over het tegenstrijdige in een mensch, dat volkomen blind voor eigen schuld en gebreken, onbarmhartig oordeelt over geheel gelijke schuld en overeenkomstige gebreken bij anderen.
Uhlstra keerde zich af om z’n gezicht niet te laten zien, dat zeer boos stond.
Hij zweeg maar, want zijn neiging om mevrouw Markens eens op dit punt de waarheid te zeggen, was zoo groot, dat hij ertoe zou gekomen zijn als hij ’n woord had gesproken.
Het was een heel praatje op de plaats. Iedereen had er een bijzonder verhaal over, dat aanvankelijk altijd nogweêrerg overdreven was.
Lugtens was begonnen zijn twee zonen—van hem waren het de oudsten—met een hondenzweep te slaan, tot ze het uitgilden enamponvroegen; daarna sloot hij hen voorloopig in de wagenkamer.
Toen ze de familie van den vermoorden Chinees door hun invloed en hun geld er toe hadden gebracht de zaak te laten voor wat die was, en ook de politie er zich verder niet mee zou inlaten, werden met vereende krachten contra-berichten verspreid; alle fatsoenlijke menschen colporteerden die in het openbaar. Er was in ’t geheel geen doode Chinees. De jongelui en de kinderen, die genoemd waren, hadden niets gedaan, dan staan kijken, toen eenige van die in garnizoen altijd zoo rampassende boegineesche soldaten een tokotje hadden geplunderd.
Er waren er, die zelfs dat contra-verhaal hielpen verspreiden, verontwaardigd de vroegere leugenachtige en lasterlijke praatjes tegensprekend, en die toch zeer wel de waarheid wisten; de eenige, die onder deze wetenschap vreeselijk leed was Markens.
Freddy had den Chinees met een stuk ijzer op het hoofd geslagen; hij was de moordenaar.[89]
Dat was Markens te machtig. Al was hij van huis uit een proletariër, in zijn gezin en tegenover zijn vrouw van goeden huize altijd slechtsle marigeweestde sa femme,—hij had reeds eenmaal—te laat! getoond te kunnen optreden.
Nu deed hij het, en het verwonderde hem, dat dit eigenlijk weinig meer bleek te zijn dan een goed doorgezette durf.
„De jongens gaan naar Holland,” zei hij, nadat hij haar alles verteld had.
„Dat is onmogelijk,” had zij geantwoord, volstrekt niet geïmpressionneerd door de mededeeling. „Ze kunnen niet alleen naar Holland gaan.”
„Ik vraag niet, wat ge denkt, dat ze alleen kunnen doen of niet. Wat ze doen, alleen en hier, weet ik!”
„Maar ik vond.… Mijn God, ik heb.…”
„Het is niet de quaestie, wat je vindt en wat je hebt. De jongens gaan met de eerste boot weg; ik heb mijn maatregelen genomen, en daar is niets hoegenaamd aan te veranderen.”
„Dus dat heb je alles beschikt zonder mij.”
„Ja, dat heb ik zonder jou gedaan, en ik zal, zonder jou, nog veel meer beschikken. Veel te lang ben ik zoo dom en eigenlijk zoo slecht geweest om dingen aan jou over te laten, die ik zelf had moeten doen … Hoe je hierover denkt, doet er dus niet toe; het gebeurt! En wat je „hebt” geldt alleen in zoover het ’t uitzet betreft van de jongens, die in elk geval niet zonder kleeren op reis kunnen gaan.”
Zij voelde waar het terrein onherroepelijk was verloren, maar te gelijk, waar zij het onder de voeten had, begrijpend hoe daarmee nog voordeel was te doen.
Dienzelfden dag nog reed zij de toko’s af en kocht, kocht! Het was volmaakt of Freddy en Eddy voor vele jaren naar een onbewoond eiland gingen, met zoo ontzaglijk veel, deels in Europa geheel onbruikbaar goed, werden koffers en kisten volgepakt.
De jongens waren blij.
Het kon hun niets schelen, waarheen zij gingen; het was tegenwoordig overal plezieriger dan in Indië. Zij waren aan alle moeilijkheden en gevaren ontsnapt,—maar de eenige, die hen strafte en onbarmhartig ook, die geenkasianhad, volmaakt onomkoopbaar was en zich door niets liet vermurwen,—was de schooljeugd, waren de jongens uit de hoogste klasse, die de heele geschiedenis kenden, precies zooals zij was voorgevallen, en die, bovendien volkomen op de hoogte van ’t verdere zondenregister van Freddy en Eddy, nu tot de slotsom waren gekomen, dat het te erg was. En die conclusie, neêrgelegd in meer dan één pak slaag, in een dagelijksche bejegening, bestaande uit ’n variant[90]van geheimzinnige „opstoppers” en onaangename woorden, was veel erger dan wat ter wereld ook voor een jongen erg kan zijn.