VEERTIENDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]VEERTIENDE HOOFDSTUK.Komen en gaan.Toen dit eigenaardig staartje van het feest op Koeningan gelukkig achter den rug was, ging voorloopig alles weêr zijn gewonen gang. Maar toch anders dan vroeger, drukker en gewichtiger.Uhlstra was voor langen tijd op reis naar de buitenbezittingen; Lugtens was op een inspectiereis langs de kust.Geber zat elders op Java om voor de belangen van het tot stand gekomen houtcontract te zorgen, terwijl zijn land zoolang beheerd werd door zijn zwager vanTji-Ori, die de brug over de kali weêr in orde had laten maken, maar slechts van bamboe en tijdelijk.Alleen Twissels ging dag aan dag, als een machine, naar zijn kantoor, tot laat, heel laat in den namiddag, en dan snakte hij ’s avonds naar een partijtje; hij had nu drie „vaste” en een Zaterdag-’s avonds in de Sociëteit, maar wat moest hij nu met die drie ongelukkige avonden beginnen, die er bovendien nog waren in een heele week?Roos was naar beneden gekomen, hoezeer haar toenemende omvang het zeer bezwaarlijk maakte.Mama tjangzou nu bepaald dood gaan, en het zou, vond zij, toch „te erg” wezen, als zij daar niet bij kon zijn.Zij warenweêrallen in de kamer, net als vroeger, en de oude vrouw, meer verschrompeld nog en ingevallen, lag onbeweeglijk op haarbaleh-balehmet mooie klamboes, nieuwsgierig aangegaapt door de kinderen, en nu enkel met kleine Lena, haar kind, zooals zij altijd zei, vlak bij haar. Het oudemenschademde moeielijk; zij stierf toch nog met een zwaren strijd om het bestaan blijven: en ze was volkomen bij haar kennis. Nu en dan zei ze iets.„Ik zie hen gaan; allemaal gaan!”„Wat zegt ze, Clara?” vroeg mevrouw Uhlstra.„Zij ziet ons gaan,kasian!”„Ik zie hen allen gaan naar den grooten put.… een.… twee.… drie.… vier.…”„Zij ziet ons naar een put gaan,” expliceerde mevrouw Lugtens, en ofschoon dat nu op zichzelf niets had te beduiden, rilden zij allen[91]van de akeligheid, met koude vingertoppen, zoo zenuwachtig. Het sterfbed en het gepraat vanmama tjangmaakten haar angstig, maar ze wilden het nu nog niet voor elkaar weten.„Wat telt ze toch?” vroeg fluisterend Roos, die een ander leven voelde in het hare, en nog veel banger was voor den dood, dan een der anderen, even bijgeloovig bevreesd als zij, voor wat zoo’n stervend mensch nog zegt.„Wat zeg-je ma?” vroeg kleine Lena om nicht Roos genoegen te doen. „Wat reken-je uit?”„Allen.… allen.… Ze gaan erin.… twee.… Lugtens nu.… dat is goed.… zeven.… mijn kind niet.… zij gaat er over.… God houdt haar vast.”Verschrikt keken zij elkaar aan; ze konden het elkaar niet meer verzwijgen, dat ze nu vreeselijk bang begonnen te worden.Het was donker in de kamer. Er brandde een klein flikkerend lichtje, dat de schaduwen fantastisch liet dansen op de witte muren en de klamboe.Roos, anders zoo kalm, kon het niet langer uithouden; zij sloop stil weg, ze kon niet langer aanhooren die akelige woorden over hen allen in dien put.Langzamerhand kwamen de anderen ook, en de kinderen liepen onverschillig meê, onder elkaar fluisterend en gekheid makend over het heelemaal in een put gaan, met hoofd en handen gichelend aanwijzend hoe ze daar zouden inschieten, den kop vooruit.Enkel bleef de kleine Lena achter, met haar groote oogen kijkend naar het leelijke oudemasque, waarmeê ze altijd zoo vertrouwd was, en dat ze niet leelijk vond, in het geheel niet; met groote belangstelling luisterend naar de woord-herhalingen, tot vervelens toe, uit den tandeloozen mond, die bij het krampachtig ademen, half samengetrokken, als ’t ware uit- en inging als een zuignap, die telkens pakt en weêr loslaat. Eens nog gingen de nu doffe zwarte oogen open; zij keek naar haar kind, met een poging haar hand te leggen op het blonde krullende haar, wat Lena deed, toen ze zag watmama tjangwoû, en dat ze het zelf niet meer kon.Buiten in den helderen zonneschijn op het gezellig achtererf, waar in devolièresdeglatiksen andere vogeltjes vlug op enneêrwipten, debadjingskrijgertje speelden door het glinsterend groen der klappers, deperkoetoetsde tien of twaalf volle tonen van hun roep zacht en droomerig lieten wegvloeien, was de vrees der dames gauw geweken; ze griezelden nog een oogenblik, maar waren toen direct in druk gepraat over wat er in den laatsten tijd gebeurd was en niet gebeurd, over de toko’s en dengoedang.[92]De kinderen waren weggeloopen naar de paarden, die trappelden in den stal; naar de apen, die, verschrikt en bang, krijschend in de stijlen vlogen, met opgetrokken wenkbrauwen, en bij het zenuwachtig telkens opkijken de witte tanden toonend. ’t Was het leven van elken dag. Kleine Lena kwam uit de kamer, misschien tien minuten later, met ’n bleek bedroefd gezichtje, tranen in haar groote blauwe oogen en ’n bevende onderlip, die weêr op schreien stond.Mevrouw Lugtens zag het; ze zagen het dadelijk allemaal, opschrikkend uit het onverschillige gerammel van hun dagelijksch praatje, met korte uitroepen van schrik. Nu drongen ze de kamer binnen, naar debaleh-balehmet de mooie klamboes, waarmama tjanglag, zoo droog, zoo beenig en dor, zoo strak en stijf als een reeds bij het leven gemummificeerde, pas gestorvene. Een oogenblik volgde ’n luidruchtig vertoon van droefheid, in eens overslaand op twee baboes, die tegen den muur gingen leunen, het gezicht op een omhoog gestoken arm, luid huilend, jammerend onverstaanbare woorden, waartusschen enkel duidelijk nu en dan „mati”, met langgerekte i’s in eentonige cadence drie-, viermaal.Er kwam gauw een eind aan. Eigenlijk was er geen smart om het verlies. Het oude inlandsche mensch, dat al zoo dikwijls den schijn van te zullen sterven had aangenomen, was alleen dáárdoor reeds „afgeschreven.”Lugtens was er blij om. Toen zijn vrouw hem ’n week of wat later bij zijn terugkomst vertelde, datmama tjangdood was en begraven, zei hij ronduit:„Des te beter! dan zijn we eindelijk van dat gezanik af.”Hij had, toen hij het zei, de hand van kleine Lena in de zijne, alleen verheugd, dat hij er weêr was om het kind, het eenige in huis, dat hij graag zag. Zij trok zich kwaad los, hem aankijkend met een gezicht vol verwijt. Het ging hem nu ineens door het hoofd: dat was waar ook! En te gelijk vreesde hij, dat zij weêr iets zoo onaangenaams mocht zeggen, als een vorige maal, toen ze sprak over zijn eigen moeder.„Nu ja, ik wil maar zeggen,” ging hij voort, schijnbaar onverschillig het hoofd achteruit trekkend, „dat het voor ’t mensch beter is.”„Ja,” stemde zijn vrouw toe, „ze was altijd ziek.”„Maar ze had toch ook wel plezier,” zei kleine Lena, denkend aan de tevredenheid der oude vrouw bij haar verhaaltjes in ’t maleisch.Lugtens en Clara zwegen.Het was geen onderwerp om op terug te komen, als het kind erbij was; dat kind oefende al een invloed uit grooter dan zij beseften. Ze hadden van alles gedurfd waar de andere kinderen bij waren; die telden in zoover niet mee! Het aanwezig zijn van Leentje deed dat wel.[93]„Roos heeft een meisje,” vertelde mevrouw Lugtens verder.„Dat heb ik gehoord.”„Alles is heel goed gegaan. Geber is op Koeningan.”„Ik heb bericht van hem. De zaken komen flink in orde. Verder niets?”„Lena zegt dat hij er slecht uitziet. Een dag of wat geleden ben ik er geweest, toen was hij nog niet thuis.”Lugtens haalde de robuste schouders op.„’t Zal wel weêr over gaan,” antwoordde hij onverschillig naar zijn kamer gaande.Het kind van Roos droeg het onverwoestbaar cachet vanmama tjang; de jonge moeder vond dat niets aangenaam. Dat het geen jongen was, viel haar al geweldig tegen; zij had daar vast op gerekend, want alledoekoens, die zij had geraadpleegd in de laatste drie maanden, hadden bij hoog en laag verzekerd, dat het een jongen wezen zou, nu was het toch slechts een meisje! ’t Was om er in ’t geheel niets meer van te begrijpen! Had het nu nog maar een blanke huid gehad of ten minste ’n beetje blank, met blond haar, zooals de kinderen van tante Clara, dan had ze zich over de teleurstelling kunnen troosten. De kleine Lena,—ook dit kind moest heeten naar mevrouw Uhlstra,—was al vrij donker bij de geboorte en donkerde als ’t ware met den dag op! Roos had daarover gepikerd, mismoedig! Zij was zoo dol niet op Willem,—heer neen!—maar tante Clara hield zeer zeker nog veel, veel minder van Lugtens.Dàt was dus alles maar gekheid. Dááraan kon het niet liggen, en aan een verschil in vatbaarheid, samenstelling of gevoeligheid voor indrukken tusschen haar en haar moeders zuster, een verschil in haar nadeel dus,—wel, zij kon er niet aan denken.Het moest zijn, Gebers, schuld wezen, meende zij; hij was geen krachtige persoonlijkheid genoeg, geen man, die zijn nakomelingschaptjapte. Dat zou het wezen!Zij was als ’t ware weêr kant en klaar toen Geber terugkeerde.Hij zag er wezenlijk vermagerd en bleek uit, maar daar lette zij minder op. Wat haar meer trof was zijn grootere opgewektheid en vroolijkheid. Die troffen ook zijn schoonmoeder, tijdelijk op Koeningan om het huishouden te doen. Hij sprak over de zaken met veel levendigheid; alles ging uitstekend! Hij legde een groot en plichtmatig vertoon van vaderliefde aan den dag; nam zijn kind in de armen, kuste het, vond het mooi en flink, zoende Roos bij wijze van bedank-je voor het levend geschenk,—gedroeg zich naar de gevoelens van mevrouw[94]Uhlstra volmaakt zooals het behoorde en rees in haar schatting.Misschien lette zij daarom meer in het bijzonder op hem en zag, dat hij veranderd was in z’n gezicht.„Weet-je,” zei ze ’s avonds bij het naar bed gaan tegen Roos, assisteerend bij het „helpen” van de kleine. „Ik vind dat Willem er niet goed uitziet.”Roos antwoordde er niet op, bezig met haar kind, dat onrustig worstelde met de moeielijkheid, om de beste methode te pakken, voor het tot zich nemen van z’n eerste middel van bestaan; zij knikte bevestigend tegen haar moeder, maar zonder groote belangstelling of overtuiging, ook in haar gedachten met het kind bezig en niet willende spreken, omdat de kleine zich dan verslikte.En mevrouw Uhlstra, van die laatste omstandigheid, door veelvuldige persoonlijke ervaring, geheel op de hoogte, gaf maar zelf het antwoord:„Hij zal vermoeid zijn van de reis.”Maar den volgenden morgen zag Geber er niet uit als iemand, die van de vermoeienis is uitgerust; het teekende nu scherper op zijn gezicht en Roos had wel blind moeten zijn om ’t niet zelf te zien. Zij vroeg hem of hij zich ongesteld gevoelde, en hij antwoordde heel gewoon:„’n Beetje koortsig soms. Overigens scheelt me niks.”„Het is toch beter ’n dokter te raadplegen,” meende mevrouw Uhlstra.„Misschien wel. Ik slaap slecht.”„Daar moet je bepaald den dokter over spreken. Het is een lastig iets.”’t Wasweêrmevrouw Uhlstra, die het zei, maar zonder overtuiging, zoo losjesweg als om het gesprek aan de ontbijttafel aan den gang te houden. In haar verstand van getrouwde vrouw met een man als Uhlstra, bracht ze bijzonder veel in het leven terug tot een algemeene oorzaak.„Willem ziet erbetoelslecht uit,” zei nu ook Roos, toen Geber weg was naar zijn werk. „Ik weet niet wat slecht slapen is, want ik slaap altijd kostelijk. Het is toch niet erg, ma?”„Wel neen,” zei mevrouw Uhlstra met een geheimzinnigen lach. „Het is volstrekt niks! Dat heeft je pa ook wel eens gehad in vroeger tijd.”En Roos in haar eenvoud:„Hé ma! daar heb ik nooit iets van gehoord.”Haar moeder amuseerde zich ermeê; zij lachte, dat zij er zacht van schudde, zoo grappig vond zij het.„Wacht maar,” zei ze, „tot je heelemaal beter bent; dan zal je zien, dat hijweêrgoed zal kunnen slapen.”[95]

[Inhoud]VEERTIENDE HOOFDSTUK.Komen en gaan.Toen dit eigenaardig staartje van het feest op Koeningan gelukkig achter den rug was, ging voorloopig alles weêr zijn gewonen gang. Maar toch anders dan vroeger, drukker en gewichtiger.Uhlstra was voor langen tijd op reis naar de buitenbezittingen; Lugtens was op een inspectiereis langs de kust.Geber zat elders op Java om voor de belangen van het tot stand gekomen houtcontract te zorgen, terwijl zijn land zoolang beheerd werd door zijn zwager vanTji-Ori, die de brug over de kali weêr in orde had laten maken, maar slechts van bamboe en tijdelijk.Alleen Twissels ging dag aan dag, als een machine, naar zijn kantoor, tot laat, heel laat in den namiddag, en dan snakte hij ’s avonds naar een partijtje; hij had nu drie „vaste” en een Zaterdag-’s avonds in de Sociëteit, maar wat moest hij nu met die drie ongelukkige avonden beginnen, die er bovendien nog waren in een heele week?Roos was naar beneden gekomen, hoezeer haar toenemende omvang het zeer bezwaarlijk maakte.Mama tjangzou nu bepaald dood gaan, en het zou, vond zij, toch „te erg” wezen, als zij daar niet bij kon zijn.Zij warenweêrallen in de kamer, net als vroeger, en de oude vrouw, meer verschrompeld nog en ingevallen, lag onbeweeglijk op haarbaleh-balehmet mooie klamboes, nieuwsgierig aangegaapt door de kinderen, en nu enkel met kleine Lena, haar kind, zooals zij altijd zei, vlak bij haar. Het oudemenschademde moeielijk; zij stierf toch nog met een zwaren strijd om het bestaan blijven: en ze was volkomen bij haar kennis. Nu en dan zei ze iets.„Ik zie hen gaan; allemaal gaan!”„Wat zegt ze, Clara?” vroeg mevrouw Uhlstra.„Zij ziet ons gaan,kasian!”„Ik zie hen allen gaan naar den grooten put.… een.… twee.… drie.… vier.…”„Zij ziet ons naar een put gaan,” expliceerde mevrouw Lugtens, en ofschoon dat nu op zichzelf niets had te beduiden, rilden zij allen[91]van de akeligheid, met koude vingertoppen, zoo zenuwachtig. Het sterfbed en het gepraat vanmama tjangmaakten haar angstig, maar ze wilden het nu nog niet voor elkaar weten.„Wat telt ze toch?” vroeg fluisterend Roos, die een ander leven voelde in het hare, en nog veel banger was voor den dood, dan een der anderen, even bijgeloovig bevreesd als zij, voor wat zoo’n stervend mensch nog zegt.„Wat zeg-je ma?” vroeg kleine Lena om nicht Roos genoegen te doen. „Wat reken-je uit?”„Allen.… allen.… Ze gaan erin.… twee.… Lugtens nu.… dat is goed.… zeven.… mijn kind niet.… zij gaat er over.… God houdt haar vast.”Verschrikt keken zij elkaar aan; ze konden het elkaar niet meer verzwijgen, dat ze nu vreeselijk bang begonnen te worden.Het was donker in de kamer. Er brandde een klein flikkerend lichtje, dat de schaduwen fantastisch liet dansen op de witte muren en de klamboe.Roos, anders zoo kalm, kon het niet langer uithouden; zij sloop stil weg, ze kon niet langer aanhooren die akelige woorden over hen allen in dien put.Langzamerhand kwamen de anderen ook, en de kinderen liepen onverschillig meê, onder elkaar fluisterend en gekheid makend over het heelemaal in een put gaan, met hoofd en handen gichelend aanwijzend hoe ze daar zouden inschieten, den kop vooruit.Enkel bleef de kleine Lena achter, met haar groote oogen kijkend naar het leelijke oudemasque, waarmeê ze altijd zoo vertrouwd was, en dat ze niet leelijk vond, in het geheel niet; met groote belangstelling luisterend naar de woord-herhalingen, tot vervelens toe, uit den tandeloozen mond, die bij het krampachtig ademen, half samengetrokken, als ’t ware uit- en inging als een zuignap, die telkens pakt en weêr loslaat. Eens nog gingen de nu doffe zwarte oogen open; zij keek naar haar kind, met een poging haar hand te leggen op het blonde krullende haar, wat Lena deed, toen ze zag watmama tjangwoû, en dat ze het zelf niet meer kon.Buiten in den helderen zonneschijn op het gezellig achtererf, waar in devolièresdeglatiksen andere vogeltjes vlug op enneêrwipten, debadjingskrijgertje speelden door het glinsterend groen der klappers, deperkoetoetsde tien of twaalf volle tonen van hun roep zacht en droomerig lieten wegvloeien, was de vrees der dames gauw geweken; ze griezelden nog een oogenblik, maar waren toen direct in druk gepraat over wat er in den laatsten tijd gebeurd was en niet gebeurd, over de toko’s en dengoedang.[92]De kinderen waren weggeloopen naar de paarden, die trappelden in den stal; naar de apen, die, verschrikt en bang, krijschend in de stijlen vlogen, met opgetrokken wenkbrauwen, en bij het zenuwachtig telkens opkijken de witte tanden toonend. ’t Was het leven van elken dag. Kleine Lena kwam uit de kamer, misschien tien minuten later, met ’n bleek bedroefd gezichtje, tranen in haar groote blauwe oogen en ’n bevende onderlip, die weêr op schreien stond.Mevrouw Lugtens zag het; ze zagen het dadelijk allemaal, opschrikkend uit het onverschillige gerammel van hun dagelijksch praatje, met korte uitroepen van schrik. Nu drongen ze de kamer binnen, naar debaleh-balehmet de mooie klamboes, waarmama tjanglag, zoo droog, zoo beenig en dor, zoo strak en stijf als een reeds bij het leven gemummificeerde, pas gestorvene. Een oogenblik volgde ’n luidruchtig vertoon van droefheid, in eens overslaand op twee baboes, die tegen den muur gingen leunen, het gezicht op een omhoog gestoken arm, luid huilend, jammerend onverstaanbare woorden, waartusschen enkel duidelijk nu en dan „mati”, met langgerekte i’s in eentonige cadence drie-, viermaal.Er kwam gauw een eind aan. Eigenlijk was er geen smart om het verlies. Het oude inlandsche mensch, dat al zoo dikwijls den schijn van te zullen sterven had aangenomen, was alleen dáárdoor reeds „afgeschreven.”Lugtens was er blij om. Toen zijn vrouw hem ’n week of wat later bij zijn terugkomst vertelde, datmama tjangdood was en begraven, zei hij ronduit:„Des te beter! dan zijn we eindelijk van dat gezanik af.”Hij had, toen hij het zei, de hand van kleine Lena in de zijne, alleen verheugd, dat hij er weêr was om het kind, het eenige in huis, dat hij graag zag. Zij trok zich kwaad los, hem aankijkend met een gezicht vol verwijt. Het ging hem nu ineens door het hoofd: dat was waar ook! En te gelijk vreesde hij, dat zij weêr iets zoo onaangenaams mocht zeggen, als een vorige maal, toen ze sprak over zijn eigen moeder.„Nu ja, ik wil maar zeggen,” ging hij voort, schijnbaar onverschillig het hoofd achteruit trekkend, „dat het voor ’t mensch beter is.”„Ja,” stemde zijn vrouw toe, „ze was altijd ziek.”„Maar ze had toch ook wel plezier,” zei kleine Lena, denkend aan de tevredenheid der oude vrouw bij haar verhaaltjes in ’t maleisch.Lugtens en Clara zwegen.Het was geen onderwerp om op terug te komen, als het kind erbij was; dat kind oefende al een invloed uit grooter dan zij beseften. Ze hadden van alles gedurfd waar de andere kinderen bij waren; die telden in zoover niet mee! Het aanwezig zijn van Leentje deed dat wel.[93]„Roos heeft een meisje,” vertelde mevrouw Lugtens verder.„Dat heb ik gehoord.”„Alles is heel goed gegaan. Geber is op Koeningan.”„Ik heb bericht van hem. De zaken komen flink in orde. Verder niets?”„Lena zegt dat hij er slecht uitziet. Een dag of wat geleden ben ik er geweest, toen was hij nog niet thuis.”Lugtens haalde de robuste schouders op.„’t Zal wel weêr over gaan,” antwoordde hij onverschillig naar zijn kamer gaande.Het kind van Roos droeg het onverwoestbaar cachet vanmama tjang; de jonge moeder vond dat niets aangenaam. Dat het geen jongen was, viel haar al geweldig tegen; zij had daar vast op gerekend, want alledoekoens, die zij had geraadpleegd in de laatste drie maanden, hadden bij hoog en laag verzekerd, dat het een jongen wezen zou, nu was het toch slechts een meisje! ’t Was om er in ’t geheel niets meer van te begrijpen! Had het nu nog maar een blanke huid gehad of ten minste ’n beetje blank, met blond haar, zooals de kinderen van tante Clara, dan had ze zich over de teleurstelling kunnen troosten. De kleine Lena,—ook dit kind moest heeten naar mevrouw Uhlstra,—was al vrij donker bij de geboorte en donkerde als ’t ware met den dag op! Roos had daarover gepikerd, mismoedig! Zij was zoo dol niet op Willem,—heer neen!—maar tante Clara hield zeer zeker nog veel, veel minder van Lugtens.Dàt was dus alles maar gekheid. Dááraan kon het niet liggen, en aan een verschil in vatbaarheid, samenstelling of gevoeligheid voor indrukken tusschen haar en haar moeders zuster, een verschil in haar nadeel dus,—wel, zij kon er niet aan denken.Het moest zijn, Gebers, schuld wezen, meende zij; hij was geen krachtige persoonlijkheid genoeg, geen man, die zijn nakomelingschaptjapte. Dat zou het wezen!Zij was als ’t ware weêr kant en klaar toen Geber terugkeerde.Hij zag er wezenlijk vermagerd en bleek uit, maar daar lette zij minder op. Wat haar meer trof was zijn grootere opgewektheid en vroolijkheid. Die troffen ook zijn schoonmoeder, tijdelijk op Koeningan om het huishouden te doen. Hij sprak over de zaken met veel levendigheid; alles ging uitstekend! Hij legde een groot en plichtmatig vertoon van vaderliefde aan den dag; nam zijn kind in de armen, kuste het, vond het mooi en flink, zoende Roos bij wijze van bedank-je voor het levend geschenk,—gedroeg zich naar de gevoelens van mevrouw[94]Uhlstra volmaakt zooals het behoorde en rees in haar schatting.Misschien lette zij daarom meer in het bijzonder op hem en zag, dat hij veranderd was in z’n gezicht.„Weet-je,” zei ze ’s avonds bij het naar bed gaan tegen Roos, assisteerend bij het „helpen” van de kleine. „Ik vind dat Willem er niet goed uitziet.”Roos antwoordde er niet op, bezig met haar kind, dat onrustig worstelde met de moeielijkheid, om de beste methode te pakken, voor het tot zich nemen van z’n eerste middel van bestaan; zij knikte bevestigend tegen haar moeder, maar zonder groote belangstelling of overtuiging, ook in haar gedachten met het kind bezig en niet willende spreken, omdat de kleine zich dan verslikte.En mevrouw Uhlstra, van die laatste omstandigheid, door veelvuldige persoonlijke ervaring, geheel op de hoogte, gaf maar zelf het antwoord:„Hij zal vermoeid zijn van de reis.”Maar den volgenden morgen zag Geber er niet uit als iemand, die van de vermoeienis is uitgerust; het teekende nu scherper op zijn gezicht en Roos had wel blind moeten zijn om ’t niet zelf te zien. Zij vroeg hem of hij zich ongesteld gevoelde, en hij antwoordde heel gewoon:„’n Beetje koortsig soms. Overigens scheelt me niks.”„Het is toch beter ’n dokter te raadplegen,” meende mevrouw Uhlstra.„Misschien wel. Ik slaap slecht.”„Daar moet je bepaald den dokter over spreken. Het is een lastig iets.”’t Wasweêrmevrouw Uhlstra, die het zei, maar zonder overtuiging, zoo losjesweg als om het gesprek aan de ontbijttafel aan den gang te houden. In haar verstand van getrouwde vrouw met een man als Uhlstra, bracht ze bijzonder veel in het leven terug tot een algemeene oorzaak.„Willem ziet erbetoelslecht uit,” zei nu ook Roos, toen Geber weg was naar zijn werk. „Ik weet niet wat slecht slapen is, want ik slaap altijd kostelijk. Het is toch niet erg, ma?”„Wel neen,” zei mevrouw Uhlstra met een geheimzinnigen lach. „Het is volstrekt niks! Dat heeft je pa ook wel eens gehad in vroeger tijd.”En Roos in haar eenvoud:„Hé ma! daar heb ik nooit iets van gehoord.”Haar moeder amuseerde zich ermeê; zij lachte, dat zij er zacht van schudde, zoo grappig vond zij het.„Wacht maar,” zei ze, „tot je heelemaal beter bent; dan zal je zien, dat hijweêrgoed zal kunnen slapen.”[95]

VEERTIENDE HOOFDSTUK.Komen en gaan.

Toen dit eigenaardig staartje van het feest op Koeningan gelukkig achter den rug was, ging voorloopig alles weêr zijn gewonen gang. Maar toch anders dan vroeger, drukker en gewichtiger.Uhlstra was voor langen tijd op reis naar de buitenbezittingen; Lugtens was op een inspectiereis langs de kust.Geber zat elders op Java om voor de belangen van het tot stand gekomen houtcontract te zorgen, terwijl zijn land zoolang beheerd werd door zijn zwager vanTji-Ori, die de brug over de kali weêr in orde had laten maken, maar slechts van bamboe en tijdelijk.Alleen Twissels ging dag aan dag, als een machine, naar zijn kantoor, tot laat, heel laat in den namiddag, en dan snakte hij ’s avonds naar een partijtje; hij had nu drie „vaste” en een Zaterdag-’s avonds in de Sociëteit, maar wat moest hij nu met die drie ongelukkige avonden beginnen, die er bovendien nog waren in een heele week?Roos was naar beneden gekomen, hoezeer haar toenemende omvang het zeer bezwaarlijk maakte.Mama tjangzou nu bepaald dood gaan, en het zou, vond zij, toch „te erg” wezen, als zij daar niet bij kon zijn.Zij warenweêrallen in de kamer, net als vroeger, en de oude vrouw, meer verschrompeld nog en ingevallen, lag onbeweeglijk op haarbaleh-balehmet mooie klamboes, nieuwsgierig aangegaapt door de kinderen, en nu enkel met kleine Lena, haar kind, zooals zij altijd zei, vlak bij haar. Het oudemenschademde moeielijk; zij stierf toch nog met een zwaren strijd om het bestaan blijven: en ze was volkomen bij haar kennis. Nu en dan zei ze iets.„Ik zie hen gaan; allemaal gaan!”„Wat zegt ze, Clara?” vroeg mevrouw Uhlstra.„Zij ziet ons gaan,kasian!”„Ik zie hen allen gaan naar den grooten put.… een.… twee.… drie.… vier.…”„Zij ziet ons naar een put gaan,” expliceerde mevrouw Lugtens, en ofschoon dat nu op zichzelf niets had te beduiden, rilden zij allen[91]van de akeligheid, met koude vingertoppen, zoo zenuwachtig. Het sterfbed en het gepraat vanmama tjangmaakten haar angstig, maar ze wilden het nu nog niet voor elkaar weten.„Wat telt ze toch?” vroeg fluisterend Roos, die een ander leven voelde in het hare, en nog veel banger was voor den dood, dan een der anderen, even bijgeloovig bevreesd als zij, voor wat zoo’n stervend mensch nog zegt.„Wat zeg-je ma?” vroeg kleine Lena om nicht Roos genoegen te doen. „Wat reken-je uit?”„Allen.… allen.… Ze gaan erin.… twee.… Lugtens nu.… dat is goed.… zeven.… mijn kind niet.… zij gaat er over.… God houdt haar vast.”Verschrikt keken zij elkaar aan; ze konden het elkaar niet meer verzwijgen, dat ze nu vreeselijk bang begonnen te worden.Het was donker in de kamer. Er brandde een klein flikkerend lichtje, dat de schaduwen fantastisch liet dansen op de witte muren en de klamboe.Roos, anders zoo kalm, kon het niet langer uithouden; zij sloop stil weg, ze kon niet langer aanhooren die akelige woorden over hen allen in dien put.Langzamerhand kwamen de anderen ook, en de kinderen liepen onverschillig meê, onder elkaar fluisterend en gekheid makend over het heelemaal in een put gaan, met hoofd en handen gichelend aanwijzend hoe ze daar zouden inschieten, den kop vooruit.Enkel bleef de kleine Lena achter, met haar groote oogen kijkend naar het leelijke oudemasque, waarmeê ze altijd zoo vertrouwd was, en dat ze niet leelijk vond, in het geheel niet; met groote belangstelling luisterend naar de woord-herhalingen, tot vervelens toe, uit den tandeloozen mond, die bij het krampachtig ademen, half samengetrokken, als ’t ware uit- en inging als een zuignap, die telkens pakt en weêr loslaat. Eens nog gingen de nu doffe zwarte oogen open; zij keek naar haar kind, met een poging haar hand te leggen op het blonde krullende haar, wat Lena deed, toen ze zag watmama tjangwoû, en dat ze het zelf niet meer kon.Buiten in den helderen zonneschijn op het gezellig achtererf, waar in devolièresdeglatiksen andere vogeltjes vlug op enneêrwipten, debadjingskrijgertje speelden door het glinsterend groen der klappers, deperkoetoetsde tien of twaalf volle tonen van hun roep zacht en droomerig lieten wegvloeien, was de vrees der dames gauw geweken; ze griezelden nog een oogenblik, maar waren toen direct in druk gepraat over wat er in den laatsten tijd gebeurd was en niet gebeurd, over de toko’s en dengoedang.[92]De kinderen waren weggeloopen naar de paarden, die trappelden in den stal; naar de apen, die, verschrikt en bang, krijschend in de stijlen vlogen, met opgetrokken wenkbrauwen, en bij het zenuwachtig telkens opkijken de witte tanden toonend. ’t Was het leven van elken dag. Kleine Lena kwam uit de kamer, misschien tien minuten later, met ’n bleek bedroefd gezichtje, tranen in haar groote blauwe oogen en ’n bevende onderlip, die weêr op schreien stond.Mevrouw Lugtens zag het; ze zagen het dadelijk allemaal, opschrikkend uit het onverschillige gerammel van hun dagelijksch praatje, met korte uitroepen van schrik. Nu drongen ze de kamer binnen, naar debaleh-balehmet de mooie klamboes, waarmama tjanglag, zoo droog, zoo beenig en dor, zoo strak en stijf als een reeds bij het leven gemummificeerde, pas gestorvene. Een oogenblik volgde ’n luidruchtig vertoon van droefheid, in eens overslaand op twee baboes, die tegen den muur gingen leunen, het gezicht op een omhoog gestoken arm, luid huilend, jammerend onverstaanbare woorden, waartusschen enkel duidelijk nu en dan „mati”, met langgerekte i’s in eentonige cadence drie-, viermaal.Er kwam gauw een eind aan. Eigenlijk was er geen smart om het verlies. Het oude inlandsche mensch, dat al zoo dikwijls den schijn van te zullen sterven had aangenomen, was alleen dáárdoor reeds „afgeschreven.”Lugtens was er blij om. Toen zijn vrouw hem ’n week of wat later bij zijn terugkomst vertelde, datmama tjangdood was en begraven, zei hij ronduit:„Des te beter! dan zijn we eindelijk van dat gezanik af.”Hij had, toen hij het zei, de hand van kleine Lena in de zijne, alleen verheugd, dat hij er weêr was om het kind, het eenige in huis, dat hij graag zag. Zij trok zich kwaad los, hem aankijkend met een gezicht vol verwijt. Het ging hem nu ineens door het hoofd: dat was waar ook! En te gelijk vreesde hij, dat zij weêr iets zoo onaangenaams mocht zeggen, als een vorige maal, toen ze sprak over zijn eigen moeder.„Nu ja, ik wil maar zeggen,” ging hij voort, schijnbaar onverschillig het hoofd achteruit trekkend, „dat het voor ’t mensch beter is.”„Ja,” stemde zijn vrouw toe, „ze was altijd ziek.”„Maar ze had toch ook wel plezier,” zei kleine Lena, denkend aan de tevredenheid der oude vrouw bij haar verhaaltjes in ’t maleisch.Lugtens en Clara zwegen.Het was geen onderwerp om op terug te komen, als het kind erbij was; dat kind oefende al een invloed uit grooter dan zij beseften. Ze hadden van alles gedurfd waar de andere kinderen bij waren; die telden in zoover niet mee! Het aanwezig zijn van Leentje deed dat wel.[93]„Roos heeft een meisje,” vertelde mevrouw Lugtens verder.„Dat heb ik gehoord.”„Alles is heel goed gegaan. Geber is op Koeningan.”„Ik heb bericht van hem. De zaken komen flink in orde. Verder niets?”„Lena zegt dat hij er slecht uitziet. Een dag of wat geleden ben ik er geweest, toen was hij nog niet thuis.”Lugtens haalde de robuste schouders op.„’t Zal wel weêr over gaan,” antwoordde hij onverschillig naar zijn kamer gaande.Het kind van Roos droeg het onverwoestbaar cachet vanmama tjang; de jonge moeder vond dat niets aangenaam. Dat het geen jongen was, viel haar al geweldig tegen; zij had daar vast op gerekend, want alledoekoens, die zij had geraadpleegd in de laatste drie maanden, hadden bij hoog en laag verzekerd, dat het een jongen wezen zou, nu was het toch slechts een meisje! ’t Was om er in ’t geheel niets meer van te begrijpen! Had het nu nog maar een blanke huid gehad of ten minste ’n beetje blank, met blond haar, zooals de kinderen van tante Clara, dan had ze zich over de teleurstelling kunnen troosten. De kleine Lena,—ook dit kind moest heeten naar mevrouw Uhlstra,—was al vrij donker bij de geboorte en donkerde als ’t ware met den dag op! Roos had daarover gepikerd, mismoedig! Zij was zoo dol niet op Willem,—heer neen!—maar tante Clara hield zeer zeker nog veel, veel minder van Lugtens.Dàt was dus alles maar gekheid. Dááraan kon het niet liggen, en aan een verschil in vatbaarheid, samenstelling of gevoeligheid voor indrukken tusschen haar en haar moeders zuster, een verschil in haar nadeel dus,—wel, zij kon er niet aan denken.Het moest zijn, Gebers, schuld wezen, meende zij; hij was geen krachtige persoonlijkheid genoeg, geen man, die zijn nakomelingschaptjapte. Dat zou het wezen!Zij was als ’t ware weêr kant en klaar toen Geber terugkeerde.Hij zag er wezenlijk vermagerd en bleek uit, maar daar lette zij minder op. Wat haar meer trof was zijn grootere opgewektheid en vroolijkheid. Die troffen ook zijn schoonmoeder, tijdelijk op Koeningan om het huishouden te doen. Hij sprak over de zaken met veel levendigheid; alles ging uitstekend! Hij legde een groot en plichtmatig vertoon van vaderliefde aan den dag; nam zijn kind in de armen, kuste het, vond het mooi en flink, zoende Roos bij wijze van bedank-je voor het levend geschenk,—gedroeg zich naar de gevoelens van mevrouw[94]Uhlstra volmaakt zooals het behoorde en rees in haar schatting.Misschien lette zij daarom meer in het bijzonder op hem en zag, dat hij veranderd was in z’n gezicht.„Weet-je,” zei ze ’s avonds bij het naar bed gaan tegen Roos, assisteerend bij het „helpen” van de kleine. „Ik vind dat Willem er niet goed uitziet.”Roos antwoordde er niet op, bezig met haar kind, dat onrustig worstelde met de moeielijkheid, om de beste methode te pakken, voor het tot zich nemen van z’n eerste middel van bestaan; zij knikte bevestigend tegen haar moeder, maar zonder groote belangstelling of overtuiging, ook in haar gedachten met het kind bezig en niet willende spreken, omdat de kleine zich dan verslikte.En mevrouw Uhlstra, van die laatste omstandigheid, door veelvuldige persoonlijke ervaring, geheel op de hoogte, gaf maar zelf het antwoord:„Hij zal vermoeid zijn van de reis.”Maar den volgenden morgen zag Geber er niet uit als iemand, die van de vermoeienis is uitgerust; het teekende nu scherper op zijn gezicht en Roos had wel blind moeten zijn om ’t niet zelf te zien. Zij vroeg hem of hij zich ongesteld gevoelde, en hij antwoordde heel gewoon:„’n Beetje koortsig soms. Overigens scheelt me niks.”„Het is toch beter ’n dokter te raadplegen,” meende mevrouw Uhlstra.„Misschien wel. Ik slaap slecht.”„Daar moet je bepaald den dokter over spreken. Het is een lastig iets.”’t Wasweêrmevrouw Uhlstra, die het zei, maar zonder overtuiging, zoo losjesweg als om het gesprek aan de ontbijttafel aan den gang te houden. In haar verstand van getrouwde vrouw met een man als Uhlstra, bracht ze bijzonder veel in het leven terug tot een algemeene oorzaak.„Willem ziet erbetoelslecht uit,” zei nu ook Roos, toen Geber weg was naar zijn werk. „Ik weet niet wat slecht slapen is, want ik slaap altijd kostelijk. Het is toch niet erg, ma?”„Wel neen,” zei mevrouw Uhlstra met een geheimzinnigen lach. „Het is volstrekt niks! Dat heeft je pa ook wel eens gehad in vroeger tijd.”En Roos in haar eenvoud:„Hé ma! daar heb ik nooit iets van gehoord.”Haar moeder amuseerde zich ermeê; zij lachte, dat zij er zacht van schudde, zoo grappig vond zij het.„Wacht maar,” zei ze, „tot je heelemaal beter bent; dan zal je zien, dat hijweêrgoed zal kunnen slapen.”[95]

Toen dit eigenaardig staartje van het feest op Koeningan gelukkig achter den rug was, ging voorloopig alles weêr zijn gewonen gang. Maar toch anders dan vroeger, drukker en gewichtiger.

Uhlstra was voor langen tijd op reis naar de buitenbezittingen; Lugtens was op een inspectiereis langs de kust.

Geber zat elders op Java om voor de belangen van het tot stand gekomen houtcontract te zorgen, terwijl zijn land zoolang beheerd werd door zijn zwager vanTji-Ori, die de brug over de kali weêr in orde had laten maken, maar slechts van bamboe en tijdelijk.

Alleen Twissels ging dag aan dag, als een machine, naar zijn kantoor, tot laat, heel laat in den namiddag, en dan snakte hij ’s avonds naar een partijtje; hij had nu drie „vaste” en een Zaterdag-’s avonds in de Sociëteit, maar wat moest hij nu met die drie ongelukkige avonden beginnen, die er bovendien nog waren in een heele week?

Roos was naar beneden gekomen, hoezeer haar toenemende omvang het zeer bezwaarlijk maakte.Mama tjangzou nu bepaald dood gaan, en het zou, vond zij, toch „te erg” wezen, als zij daar niet bij kon zijn.

Zij warenweêrallen in de kamer, net als vroeger, en de oude vrouw, meer verschrompeld nog en ingevallen, lag onbeweeglijk op haarbaleh-balehmet mooie klamboes, nieuwsgierig aangegaapt door de kinderen, en nu enkel met kleine Lena, haar kind, zooals zij altijd zei, vlak bij haar. Het oudemenschademde moeielijk; zij stierf toch nog met een zwaren strijd om het bestaan blijven: en ze was volkomen bij haar kennis. Nu en dan zei ze iets.

„Ik zie hen gaan; allemaal gaan!”

„Wat zegt ze, Clara?” vroeg mevrouw Uhlstra.

„Zij ziet ons gaan,kasian!”

„Ik zie hen allen gaan naar den grooten put.… een.… twee.… drie.… vier.…”

„Zij ziet ons naar een put gaan,” expliceerde mevrouw Lugtens, en ofschoon dat nu op zichzelf niets had te beduiden, rilden zij allen[91]van de akeligheid, met koude vingertoppen, zoo zenuwachtig. Het sterfbed en het gepraat vanmama tjangmaakten haar angstig, maar ze wilden het nu nog niet voor elkaar weten.

„Wat telt ze toch?” vroeg fluisterend Roos, die een ander leven voelde in het hare, en nog veel banger was voor den dood, dan een der anderen, even bijgeloovig bevreesd als zij, voor wat zoo’n stervend mensch nog zegt.

„Wat zeg-je ma?” vroeg kleine Lena om nicht Roos genoegen te doen. „Wat reken-je uit?”

„Allen.… allen.… Ze gaan erin.… twee.… Lugtens nu.… dat is goed.… zeven.… mijn kind niet.… zij gaat er over.… God houdt haar vast.”

Verschrikt keken zij elkaar aan; ze konden het elkaar niet meer verzwijgen, dat ze nu vreeselijk bang begonnen te worden.

Het was donker in de kamer. Er brandde een klein flikkerend lichtje, dat de schaduwen fantastisch liet dansen op de witte muren en de klamboe.

Roos, anders zoo kalm, kon het niet langer uithouden; zij sloop stil weg, ze kon niet langer aanhooren die akelige woorden over hen allen in dien put.

Langzamerhand kwamen de anderen ook, en de kinderen liepen onverschillig meê, onder elkaar fluisterend en gekheid makend over het heelemaal in een put gaan, met hoofd en handen gichelend aanwijzend hoe ze daar zouden inschieten, den kop vooruit.

Enkel bleef de kleine Lena achter, met haar groote oogen kijkend naar het leelijke oudemasque, waarmeê ze altijd zoo vertrouwd was, en dat ze niet leelijk vond, in het geheel niet; met groote belangstelling luisterend naar de woord-herhalingen, tot vervelens toe, uit den tandeloozen mond, die bij het krampachtig ademen, half samengetrokken, als ’t ware uit- en inging als een zuignap, die telkens pakt en weêr loslaat. Eens nog gingen de nu doffe zwarte oogen open; zij keek naar haar kind, met een poging haar hand te leggen op het blonde krullende haar, wat Lena deed, toen ze zag watmama tjangwoû, en dat ze het zelf niet meer kon.

Buiten in den helderen zonneschijn op het gezellig achtererf, waar in devolièresdeglatiksen andere vogeltjes vlug op enneêrwipten, debadjingskrijgertje speelden door het glinsterend groen der klappers, deperkoetoetsde tien of twaalf volle tonen van hun roep zacht en droomerig lieten wegvloeien, was de vrees der dames gauw geweken; ze griezelden nog een oogenblik, maar waren toen direct in druk gepraat over wat er in den laatsten tijd gebeurd was en niet gebeurd, over de toko’s en dengoedang.[92]

De kinderen waren weggeloopen naar de paarden, die trappelden in den stal; naar de apen, die, verschrikt en bang, krijschend in de stijlen vlogen, met opgetrokken wenkbrauwen, en bij het zenuwachtig telkens opkijken de witte tanden toonend. ’t Was het leven van elken dag. Kleine Lena kwam uit de kamer, misschien tien minuten later, met ’n bleek bedroefd gezichtje, tranen in haar groote blauwe oogen en ’n bevende onderlip, die weêr op schreien stond.

Mevrouw Lugtens zag het; ze zagen het dadelijk allemaal, opschrikkend uit het onverschillige gerammel van hun dagelijksch praatje, met korte uitroepen van schrik. Nu drongen ze de kamer binnen, naar debaleh-balehmet de mooie klamboes, waarmama tjanglag, zoo droog, zoo beenig en dor, zoo strak en stijf als een reeds bij het leven gemummificeerde, pas gestorvene. Een oogenblik volgde ’n luidruchtig vertoon van droefheid, in eens overslaand op twee baboes, die tegen den muur gingen leunen, het gezicht op een omhoog gestoken arm, luid huilend, jammerend onverstaanbare woorden, waartusschen enkel duidelijk nu en dan „mati”, met langgerekte i’s in eentonige cadence drie-, viermaal.

Er kwam gauw een eind aan. Eigenlijk was er geen smart om het verlies. Het oude inlandsche mensch, dat al zoo dikwijls den schijn van te zullen sterven had aangenomen, was alleen dáárdoor reeds „afgeschreven.”

Lugtens was er blij om. Toen zijn vrouw hem ’n week of wat later bij zijn terugkomst vertelde, datmama tjangdood was en begraven, zei hij ronduit:

„Des te beter! dan zijn we eindelijk van dat gezanik af.”

Hij had, toen hij het zei, de hand van kleine Lena in de zijne, alleen verheugd, dat hij er weêr was om het kind, het eenige in huis, dat hij graag zag. Zij trok zich kwaad los, hem aankijkend met een gezicht vol verwijt. Het ging hem nu ineens door het hoofd: dat was waar ook! En te gelijk vreesde hij, dat zij weêr iets zoo onaangenaams mocht zeggen, als een vorige maal, toen ze sprak over zijn eigen moeder.

„Nu ja, ik wil maar zeggen,” ging hij voort, schijnbaar onverschillig het hoofd achteruit trekkend, „dat het voor ’t mensch beter is.”

„Ja,” stemde zijn vrouw toe, „ze was altijd ziek.”

„Maar ze had toch ook wel plezier,” zei kleine Lena, denkend aan de tevredenheid der oude vrouw bij haar verhaaltjes in ’t maleisch.

Lugtens en Clara zwegen.

Het was geen onderwerp om op terug te komen, als het kind erbij was; dat kind oefende al een invloed uit grooter dan zij beseften. Ze hadden van alles gedurfd waar de andere kinderen bij waren; die telden in zoover niet mee! Het aanwezig zijn van Leentje deed dat wel.[93]

„Roos heeft een meisje,” vertelde mevrouw Lugtens verder.

„Dat heb ik gehoord.”

„Alles is heel goed gegaan. Geber is op Koeningan.”

„Ik heb bericht van hem. De zaken komen flink in orde. Verder niets?”

„Lena zegt dat hij er slecht uitziet. Een dag of wat geleden ben ik er geweest, toen was hij nog niet thuis.”

Lugtens haalde de robuste schouders op.

„’t Zal wel weêr over gaan,” antwoordde hij onverschillig naar zijn kamer gaande.

Het kind van Roos droeg het onverwoestbaar cachet vanmama tjang; de jonge moeder vond dat niets aangenaam. Dat het geen jongen was, viel haar al geweldig tegen; zij had daar vast op gerekend, want alledoekoens, die zij had geraadpleegd in de laatste drie maanden, hadden bij hoog en laag verzekerd, dat het een jongen wezen zou, nu was het toch slechts een meisje! ’t Was om er in ’t geheel niets meer van te begrijpen! Had het nu nog maar een blanke huid gehad of ten minste ’n beetje blank, met blond haar, zooals de kinderen van tante Clara, dan had ze zich over de teleurstelling kunnen troosten. De kleine Lena,—ook dit kind moest heeten naar mevrouw Uhlstra,—was al vrij donker bij de geboorte en donkerde als ’t ware met den dag op! Roos had daarover gepikerd, mismoedig! Zij was zoo dol niet op Willem,—heer neen!—maar tante Clara hield zeer zeker nog veel, veel minder van Lugtens.

Dàt was dus alles maar gekheid. Dááraan kon het niet liggen, en aan een verschil in vatbaarheid, samenstelling of gevoeligheid voor indrukken tusschen haar en haar moeders zuster, een verschil in haar nadeel dus,—wel, zij kon er niet aan denken.

Het moest zijn, Gebers, schuld wezen, meende zij; hij was geen krachtige persoonlijkheid genoeg, geen man, die zijn nakomelingschaptjapte. Dat zou het wezen!

Zij was als ’t ware weêr kant en klaar toen Geber terugkeerde.

Hij zag er wezenlijk vermagerd en bleek uit, maar daar lette zij minder op. Wat haar meer trof was zijn grootere opgewektheid en vroolijkheid. Die troffen ook zijn schoonmoeder, tijdelijk op Koeningan om het huishouden te doen. Hij sprak over de zaken met veel levendigheid; alles ging uitstekend! Hij legde een groot en plichtmatig vertoon van vaderliefde aan den dag; nam zijn kind in de armen, kuste het, vond het mooi en flink, zoende Roos bij wijze van bedank-je voor het levend geschenk,—gedroeg zich naar de gevoelens van mevrouw[94]Uhlstra volmaakt zooals het behoorde en rees in haar schatting.

Misschien lette zij daarom meer in het bijzonder op hem en zag, dat hij veranderd was in z’n gezicht.

„Weet-je,” zei ze ’s avonds bij het naar bed gaan tegen Roos, assisteerend bij het „helpen” van de kleine. „Ik vind dat Willem er niet goed uitziet.”

Roos antwoordde er niet op, bezig met haar kind, dat onrustig worstelde met de moeielijkheid, om de beste methode te pakken, voor het tot zich nemen van z’n eerste middel van bestaan; zij knikte bevestigend tegen haar moeder, maar zonder groote belangstelling of overtuiging, ook in haar gedachten met het kind bezig en niet willende spreken, omdat de kleine zich dan verslikte.

En mevrouw Uhlstra, van die laatste omstandigheid, door veelvuldige persoonlijke ervaring, geheel op de hoogte, gaf maar zelf het antwoord:

„Hij zal vermoeid zijn van de reis.”

Maar den volgenden morgen zag Geber er niet uit als iemand, die van de vermoeienis is uitgerust; het teekende nu scherper op zijn gezicht en Roos had wel blind moeten zijn om ’t niet zelf te zien. Zij vroeg hem of hij zich ongesteld gevoelde, en hij antwoordde heel gewoon:

„’n Beetje koortsig soms. Overigens scheelt me niks.”

„Het is toch beter ’n dokter te raadplegen,” meende mevrouw Uhlstra.

„Misschien wel. Ik slaap slecht.”

„Daar moet je bepaald den dokter over spreken. Het is een lastig iets.”

’t Wasweêrmevrouw Uhlstra, die het zei, maar zonder overtuiging, zoo losjesweg als om het gesprek aan de ontbijttafel aan den gang te houden. In haar verstand van getrouwde vrouw met een man als Uhlstra, bracht ze bijzonder veel in het leven terug tot een algemeene oorzaak.

„Willem ziet erbetoelslecht uit,” zei nu ook Roos, toen Geber weg was naar zijn werk. „Ik weet niet wat slecht slapen is, want ik slaap altijd kostelijk. Het is toch niet erg, ma?”

„Wel neen,” zei mevrouw Uhlstra met een geheimzinnigen lach. „Het is volstrekt niks! Dat heeft je pa ook wel eens gehad in vroeger tijd.”

En Roos in haar eenvoud:

„Hé ma! daar heb ik nooit iets van gehoord.”

Haar moeder amuseerde zich ermeê; zij lachte, dat zij er zacht van schudde, zoo grappig vond zij het.

„Wacht maar,” zei ze, „tot je heelemaal beter bent; dan zal je zien, dat hijweêrgoed zal kunnen slapen.”[95]


Back to IndexNext