TIENDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]TIENDE HOOFDSTUK.Pessimistische Overdenkingen.Het groote feest te Koeningan zou twee dagen duren. Eerst had men het op drie gesteld, om van oude gewoonten niet af te wijken; maar de „positie” van Roos werd in aanmerking genomen. Het zou, meende mama, veel te vermoeiend voor haar zijn. Er kwam toch nog na het feest een dag vanrameh-ramehvoor deboedjangs, en dan had zij toch nogweêrdrukte genoeg. Twee dagen en twee nachten,—het was toch al wèl! De heele familie was weken te voren in ’t getouw. Aan zaken kon haast niet gedacht worden. Eerst had de verzoening met tante Clara plaats gehad; zij en Roos hadden elkaar onder veel gehuil en zenuwachtigheid gezoend, links en rechts; toen, opdat het compleet zou zijn, had Geber, die, verlegen met z’n figuur, er tamelijk onbeholpen bijstond, ook een hand gekregen en een zoen; dat laatste vooral had hem bijzonder vreemd aangedaan. Hij vond het gek. Al de jaren, die hij tusschen zijn korte relatie met Clara en zijn huwelijk op het land had geleefd, op de gebruikelijke wijze, had hij daaraan zoo goed als nooit gedacht en gebeurde het—eer met schrik en tegenzin, dan met genoegen. Nu sedert hij wel en wettiglijk was getrouwd, en zelf de verplichtingen had, die hij ten volle besefte, en die hij vast van plan was na te komen, maalde het hem telkens door het hoofd, met een begin van begeerte, dat hij zijn best deed te onderdrukken, doch waarmeê hij meer moeite had dan hem lief was.Een der drukke dagen van het feest was weêr afgeloopen. Er was een onophoudelijk verkeer tusschen Koeningan en de stad, met de rijtuigen der Uhlstra’s en der Geber’s; met karretjes vol boodschappen-doende bedienden, met grobaks, beladen met dranken, eetwaren en bedden. Tweehonderd gasten zouden twee nachten logeeren! Al wat maar eenigszins beantwoordde aan het begrip „kamer” was in beslag genomen, en nog schoot er ruimte te kort, want het waren niet de eersten de besten, die te gast zouden komen; het waren, zoo ambtelijk als particulier, de meest notabelen, en nu kon men wel de jongelui, die men natuurlijk voor de vreugde had gevraagd, bij troepjes logeeren, de bokken bijeen, en de geitjes bij elkaar,—maar voor de gehuwde deftigheden stelde men zich vanzelf veel hoogere eischen; het was onmogelijk het stelsel van „samenpakking” op hen toe te passen. Daarom[67]had Uhlstra een groot bamboezen gebouw laten zetten, in twaalf kamers verdeeld, om het hoofdgebouw zooveel mogelijk vrij te hebben voor lieden als Markens, Lugtens en zoo.Mama logeerde nu al acht dagen op Koeningan. ’s Morgens klokke vier was het of haar zenuwgestel gelijk een uurwerk tot springens toe was opgewonden; het liep door den heelen dag, zorgend, beredderend, van de kamers naar degoedang, vandaar naar de aankomende grobaks, lijstjes makend van wat er nog noodig was; iedereen onder hoogen druk en in sterke spanning brengend door onophoudelijk gepraat, door opdrachten en bevelen, tot de aan rust en kalmte gewende inlandsche bedienden heelemaalbingoengwaren, en het Geber als dronken makend naar de hersenen steeg.„Goede God, Roos!” zei hij nu en dan. „Je ma, je ma!”Zij lachte er hartelijk om.„Ze zorgt maar lekker voor alles, weet-je. Als ik háár niet had, was het me niet mogelijk klaar te komen met den boel.”„Dat is waar. Ze zorgt voor alles, ze werkt zich op; maar ’t is soms verschrikkelijk om te zien en te hooren. Ik word er halfgek van.”Dat vond Roos allergrappigst. Zij was dit van haar moeder gewoon van kindsbeen af, en zij wist dus niet beter of ’t hoorde zoo. Zelf bleef zij er doodkalm onder, heel leukjes met haar als ’t ware elken dag toenemenden omvang door het huis loopend in een soort zeemansgangetje, de armen van het lijf, de handen min of meer bemorst met deeg voor taarten en gebakken, maar rustig en gemoedelijk haar gang gaand den heelen dag.Tot ’s avonds.Dan konden mevrouw Uhlstra en Roos nauwelijks den etenstijd afwachten, en gingen zij zoo vroeg mogelijk slapen om den volgenden ochtend de vertooning opnieuw te beginnen.Geber zat den heelen avond alleen met z’n sigaar; zoo erg alleen als men ’s avonds zit in de binnenlanden. Danpikirdehij ook al over het aanstaande feest en wat er voor noodig was; over zijn gasten, de manier om hen bij het logeeren te verdeelen, en ten slotte dacht hij dan vanzelf aan Clara, die met Lugtens de kamer naast de zijne zou betrekken. Hij drong het idee terug, maar het kwam na tien minuten of ’n kwartier als vanzelf weêr op den voorgrond.…Het maakte hem bang. Bij het halve licht der enkele lamp in de groote galerij, met de zwarte duisternis buiten den verflauwend uitstralenden kring, en in de stilte der eenzaamheid, had hij een gevoel, dat hem vrees aanjoeg en telkens weêr over hem kwam. Zou het de straf[68]zijn? Zou men niets kunnen doen buiten de lijn van het conventioneel goede, zonder dat het zich wreekte vroeg of laat? Sleepte elke verkeerde handeling altijd haar eigen noodlot achter den mensch aan, vroeg of laat, zijn leven lang? Stond het vast, dat hij, nu zoo rustig en gelukkig, weêr onverbiddelijk zou gedreven worden in de richting, waarin hij beloofd had niet te zullen gaan?Het was om te lachen! Men mocht dan eens ’n stommiteit doen, dacht-ie, maar daarmeê was het uit! Hij was niet ezelachtig genoeg zich tweemaal te stooten aan denzelfden steen. Eigenlijk was het toch een plezierige herinnering! Met het gewone spottende glimlachje op z’n gezicht, rookte hij welbehagelijk voort, den rook nakijkend, die opwaarts spiraalde. Als men altijd even behoorlijk en fatsoenlijk was geweest, moest het leven gruwelijk vervelend worden. Zoo’n enkele „grap” bleef altijd ’n goede herinnering; men denkt ten slotte meestal met meer sympathie terug aan z’n „stoutigheid”, dan z’n „braafheden”. Maar geen recidiven! Daar zou waarachtig niets van komen. Het zou hem belachelijk maken, zoo er nu nog iets bestond tusschen hem en Clara, die al ’n heel eind in de veertig was, terwijl hijzelf zoo’n jonge vrouw had, al was die wat ongracieus, vooral tegenwoordig.In de slaapkamer had mevrouw Uhlstra zijn plaats ingenomen naast haar dochter; Geber ging in de gewone logeerkamer, ongezellig, alleen.Hij mijmerde steeds voort.Voor het eerst vond hij, dat het huwelijk soms iets tegen had. Als hij enkel met Roos op Koeningan was, deed ieder zijn werk, en daarna praatten ze samen en amuseerden zich met elkaar. Nauwelijks was er een derde iemand, of dat was uit.Kwam er een mannelijk familielid of een vriend, dan had hij afleiding, en mocht zij het leven vervelend vinden; logeerde er een dame, dan kon hij zich als tijdelijk op stal gezet beschouwen.Nu kwam nog dat ophanden kinderen-krijgen erbij, waarover de heele famielje Uhlstra zoo in haar schik was. En eerst die vervelende partij! Tien duizend gulden zou hem dat grapje, ruw-weg gerekend, kosten. Het leven was duur, vreeselijk duur, en wat had men eraan? Moeiten en kosten met een minimum genot. Mocht men ergens plezier in hebben, dan liet men het meestal na om ’t onfatsoenlijke of desoesah!Roos, die nooit in Europa was geweest, kon niets in de krant geadverteerd zien of ze moest het hebben. Naar den prijs werd niet gevraagd. Het huis stond vol met nonsens-dingen, die duizenden gekost hadden, en waarnaar nooit iemand omzag. Nuweêrdie partij; straks de bevalling! Hijzelf kocht altijd de fijnste wijnen, de duurste sigaren;[69]de nieuwst-modische kleeren bij den voornaamsten kleermaker, die droeg hij enkel bij gelegenheid. Roos kon haast geen modejournaal zien of zij schreef naar Parijs om een nieuw toilet, en ze leefde maand in maand uit in sarong en kabaai! En zoo was het met alles. Terwijl zij haast nooit anders at dan rijst met sambal, een stukje gedroogd vleesch of zoo, en inlandsche vruchten, stond haar goedang volgepropt met de fijnste blikjes, die opeengestapeld geheele muurvakken bedekten, als in een toko.Zij zelf leefden feitelijk van zoo weinig, dat het uit een gewoon ambtenaarstractementje had bestreden kunnen worden, niettemin kostte het huishouden schatten; het zou hoe langer hoe meer gaan kosten, dat stond, bij het in aantocht zijnde kinderleger, vast als een muur. Hij, Geber, was niet jong meer, en kon zijn kans om voorgoed naar Europa te gaan, wel als verkeken afschrijven. In den eersten tijd van zijn huwelijk had hij daaraan heelemaal niet meer gedacht. Nu kwam het ineens bij hem op met een hevig verlangen. Nog vier, vijf jaren had hij tijd om prettig te kunnen gaan, wat in zijn, zooveel jaren door het old-bachelorschap vastgewoekerde begrippen, beteekende, dat hij zich nog te Parijs op bals en zoo kon vermaken. Dan was het uit. Dan kon hij er nog wel eens heengaan, maar ’t was het ware niet meer; hij zou aan zichzelf verplicht zijn zich tot de buitenkantsche genoegens te bepalen; hij kon dan evengoed ’n optrekje huren aan den Rijn bij Leiden en zich daar oefenen in ’t pooieren.…Geber vloekte, woelend met het hoofd in zijn kussens.—Wel Gévédé, dáár zat hij nu zóóveel jaren in een uithoek van een uithoek der wereld, met geen ander vooruitzicht dan dàt! Want over vier, vijf jaren kon hij aan zijn vijfde of zesde kind wezen? Wat het leven dan zou kosten, durfde hij niet berekenen!Om wanhopig te worden was het zeker! Het leven?Weêr ging hij in één zet van zijn pessimistische opvatting over tot zijn meer gewoon onverschillig en spotziek cynisme.Wat deed het er eigenlijk ook toe? Was het leven niet, in zijn geheel genomen, een enorme flauwiteit, waarin hij enkel den nar speelde, die het als ernst opvatte? Alle genot en levensvreugd waren immers tochweêrdadelijk voorbij.… Wat deed het er dus toe of men ze had genoten of niet. Men bleef toch altijd even wijs of even dom, en het verledene maakte alles weg, niets overlatend dan herinneringen, waarmeê men zich kon amuseeren als een hongerige maag met de schaduw van een boterham.—Wel, hij zou den „huwelijks-zegen” in kalmte aanvaarden, endaarmeêbasta![70]Hij sliep op dit besluit rustig in.Den volgenden morgen begon alweêr heel vroeg het bedrijvig leven.Geber mocht de boodschappenlijstjes opmaken, die zijn schoonmoeder opnieuw had uitgedacht, en wel honderdmaal haar stéréotype vraag beantwoorden, of zij nu niets had vergeten en of hij niet nog iets wist.’t Was eensoesah!

[Inhoud]TIENDE HOOFDSTUK.Pessimistische Overdenkingen.Het groote feest te Koeningan zou twee dagen duren. Eerst had men het op drie gesteld, om van oude gewoonten niet af te wijken; maar de „positie” van Roos werd in aanmerking genomen. Het zou, meende mama, veel te vermoeiend voor haar zijn. Er kwam toch nog na het feest een dag vanrameh-ramehvoor deboedjangs, en dan had zij toch nogweêrdrukte genoeg. Twee dagen en twee nachten,—het was toch al wèl! De heele familie was weken te voren in ’t getouw. Aan zaken kon haast niet gedacht worden. Eerst had de verzoening met tante Clara plaats gehad; zij en Roos hadden elkaar onder veel gehuil en zenuwachtigheid gezoend, links en rechts; toen, opdat het compleet zou zijn, had Geber, die, verlegen met z’n figuur, er tamelijk onbeholpen bijstond, ook een hand gekregen en een zoen; dat laatste vooral had hem bijzonder vreemd aangedaan. Hij vond het gek. Al de jaren, die hij tusschen zijn korte relatie met Clara en zijn huwelijk op het land had geleefd, op de gebruikelijke wijze, had hij daaraan zoo goed als nooit gedacht en gebeurde het—eer met schrik en tegenzin, dan met genoegen. Nu sedert hij wel en wettiglijk was getrouwd, en zelf de verplichtingen had, die hij ten volle besefte, en die hij vast van plan was na te komen, maalde het hem telkens door het hoofd, met een begin van begeerte, dat hij zijn best deed te onderdrukken, doch waarmeê hij meer moeite had dan hem lief was.Een der drukke dagen van het feest was weêr afgeloopen. Er was een onophoudelijk verkeer tusschen Koeningan en de stad, met de rijtuigen der Uhlstra’s en der Geber’s; met karretjes vol boodschappen-doende bedienden, met grobaks, beladen met dranken, eetwaren en bedden. Tweehonderd gasten zouden twee nachten logeeren! Al wat maar eenigszins beantwoordde aan het begrip „kamer” was in beslag genomen, en nog schoot er ruimte te kort, want het waren niet de eersten de besten, die te gast zouden komen; het waren, zoo ambtelijk als particulier, de meest notabelen, en nu kon men wel de jongelui, die men natuurlijk voor de vreugde had gevraagd, bij troepjes logeeren, de bokken bijeen, en de geitjes bij elkaar,—maar voor de gehuwde deftigheden stelde men zich vanzelf veel hoogere eischen; het was onmogelijk het stelsel van „samenpakking” op hen toe te passen. Daarom[67]had Uhlstra een groot bamboezen gebouw laten zetten, in twaalf kamers verdeeld, om het hoofdgebouw zooveel mogelijk vrij te hebben voor lieden als Markens, Lugtens en zoo.Mama logeerde nu al acht dagen op Koeningan. ’s Morgens klokke vier was het of haar zenuwgestel gelijk een uurwerk tot springens toe was opgewonden; het liep door den heelen dag, zorgend, beredderend, van de kamers naar degoedang, vandaar naar de aankomende grobaks, lijstjes makend van wat er nog noodig was; iedereen onder hoogen druk en in sterke spanning brengend door onophoudelijk gepraat, door opdrachten en bevelen, tot de aan rust en kalmte gewende inlandsche bedienden heelemaalbingoengwaren, en het Geber als dronken makend naar de hersenen steeg.„Goede God, Roos!” zei hij nu en dan. „Je ma, je ma!”Zij lachte er hartelijk om.„Ze zorgt maar lekker voor alles, weet-je. Als ik háár niet had, was het me niet mogelijk klaar te komen met den boel.”„Dat is waar. Ze zorgt voor alles, ze werkt zich op; maar ’t is soms verschrikkelijk om te zien en te hooren. Ik word er halfgek van.”Dat vond Roos allergrappigst. Zij was dit van haar moeder gewoon van kindsbeen af, en zij wist dus niet beter of ’t hoorde zoo. Zelf bleef zij er doodkalm onder, heel leukjes met haar als ’t ware elken dag toenemenden omvang door het huis loopend in een soort zeemansgangetje, de armen van het lijf, de handen min of meer bemorst met deeg voor taarten en gebakken, maar rustig en gemoedelijk haar gang gaand den heelen dag.Tot ’s avonds.Dan konden mevrouw Uhlstra en Roos nauwelijks den etenstijd afwachten, en gingen zij zoo vroeg mogelijk slapen om den volgenden ochtend de vertooning opnieuw te beginnen.Geber zat den heelen avond alleen met z’n sigaar; zoo erg alleen als men ’s avonds zit in de binnenlanden. Danpikirdehij ook al over het aanstaande feest en wat er voor noodig was; over zijn gasten, de manier om hen bij het logeeren te verdeelen, en ten slotte dacht hij dan vanzelf aan Clara, die met Lugtens de kamer naast de zijne zou betrekken. Hij drong het idee terug, maar het kwam na tien minuten of ’n kwartier als vanzelf weêr op den voorgrond.…Het maakte hem bang. Bij het halve licht der enkele lamp in de groote galerij, met de zwarte duisternis buiten den verflauwend uitstralenden kring, en in de stilte der eenzaamheid, had hij een gevoel, dat hem vrees aanjoeg en telkens weêr over hem kwam. Zou het de straf[68]zijn? Zou men niets kunnen doen buiten de lijn van het conventioneel goede, zonder dat het zich wreekte vroeg of laat? Sleepte elke verkeerde handeling altijd haar eigen noodlot achter den mensch aan, vroeg of laat, zijn leven lang? Stond het vast, dat hij, nu zoo rustig en gelukkig, weêr onverbiddelijk zou gedreven worden in de richting, waarin hij beloofd had niet te zullen gaan?Het was om te lachen! Men mocht dan eens ’n stommiteit doen, dacht-ie, maar daarmeê was het uit! Hij was niet ezelachtig genoeg zich tweemaal te stooten aan denzelfden steen. Eigenlijk was het toch een plezierige herinnering! Met het gewone spottende glimlachje op z’n gezicht, rookte hij welbehagelijk voort, den rook nakijkend, die opwaarts spiraalde. Als men altijd even behoorlijk en fatsoenlijk was geweest, moest het leven gruwelijk vervelend worden. Zoo’n enkele „grap” bleef altijd ’n goede herinnering; men denkt ten slotte meestal met meer sympathie terug aan z’n „stoutigheid”, dan z’n „braafheden”. Maar geen recidiven! Daar zou waarachtig niets van komen. Het zou hem belachelijk maken, zoo er nu nog iets bestond tusschen hem en Clara, die al ’n heel eind in de veertig was, terwijl hijzelf zoo’n jonge vrouw had, al was die wat ongracieus, vooral tegenwoordig.In de slaapkamer had mevrouw Uhlstra zijn plaats ingenomen naast haar dochter; Geber ging in de gewone logeerkamer, ongezellig, alleen.Hij mijmerde steeds voort.Voor het eerst vond hij, dat het huwelijk soms iets tegen had. Als hij enkel met Roos op Koeningan was, deed ieder zijn werk, en daarna praatten ze samen en amuseerden zich met elkaar. Nauwelijks was er een derde iemand, of dat was uit.Kwam er een mannelijk familielid of een vriend, dan had hij afleiding, en mocht zij het leven vervelend vinden; logeerde er een dame, dan kon hij zich als tijdelijk op stal gezet beschouwen.Nu kwam nog dat ophanden kinderen-krijgen erbij, waarover de heele famielje Uhlstra zoo in haar schik was. En eerst die vervelende partij! Tien duizend gulden zou hem dat grapje, ruw-weg gerekend, kosten. Het leven was duur, vreeselijk duur, en wat had men eraan? Moeiten en kosten met een minimum genot. Mocht men ergens plezier in hebben, dan liet men het meestal na om ’t onfatsoenlijke of desoesah!Roos, die nooit in Europa was geweest, kon niets in de krant geadverteerd zien of ze moest het hebben. Naar den prijs werd niet gevraagd. Het huis stond vol met nonsens-dingen, die duizenden gekost hadden, en waarnaar nooit iemand omzag. Nuweêrdie partij; straks de bevalling! Hijzelf kocht altijd de fijnste wijnen, de duurste sigaren;[69]de nieuwst-modische kleeren bij den voornaamsten kleermaker, die droeg hij enkel bij gelegenheid. Roos kon haast geen modejournaal zien of zij schreef naar Parijs om een nieuw toilet, en ze leefde maand in maand uit in sarong en kabaai! En zoo was het met alles. Terwijl zij haast nooit anders at dan rijst met sambal, een stukje gedroogd vleesch of zoo, en inlandsche vruchten, stond haar goedang volgepropt met de fijnste blikjes, die opeengestapeld geheele muurvakken bedekten, als in een toko.Zij zelf leefden feitelijk van zoo weinig, dat het uit een gewoon ambtenaarstractementje had bestreden kunnen worden, niettemin kostte het huishouden schatten; het zou hoe langer hoe meer gaan kosten, dat stond, bij het in aantocht zijnde kinderleger, vast als een muur. Hij, Geber, was niet jong meer, en kon zijn kans om voorgoed naar Europa te gaan, wel als verkeken afschrijven. In den eersten tijd van zijn huwelijk had hij daaraan heelemaal niet meer gedacht. Nu kwam het ineens bij hem op met een hevig verlangen. Nog vier, vijf jaren had hij tijd om prettig te kunnen gaan, wat in zijn, zooveel jaren door het old-bachelorschap vastgewoekerde begrippen, beteekende, dat hij zich nog te Parijs op bals en zoo kon vermaken. Dan was het uit. Dan kon hij er nog wel eens heengaan, maar ’t was het ware niet meer; hij zou aan zichzelf verplicht zijn zich tot de buitenkantsche genoegens te bepalen; hij kon dan evengoed ’n optrekje huren aan den Rijn bij Leiden en zich daar oefenen in ’t pooieren.…Geber vloekte, woelend met het hoofd in zijn kussens.—Wel Gévédé, dáár zat hij nu zóóveel jaren in een uithoek van een uithoek der wereld, met geen ander vooruitzicht dan dàt! Want over vier, vijf jaren kon hij aan zijn vijfde of zesde kind wezen? Wat het leven dan zou kosten, durfde hij niet berekenen!Om wanhopig te worden was het zeker! Het leven?Weêr ging hij in één zet van zijn pessimistische opvatting over tot zijn meer gewoon onverschillig en spotziek cynisme.Wat deed het er eigenlijk ook toe? Was het leven niet, in zijn geheel genomen, een enorme flauwiteit, waarin hij enkel den nar speelde, die het als ernst opvatte? Alle genot en levensvreugd waren immers tochweêrdadelijk voorbij.… Wat deed het er dus toe of men ze had genoten of niet. Men bleef toch altijd even wijs of even dom, en het verledene maakte alles weg, niets overlatend dan herinneringen, waarmeê men zich kon amuseeren als een hongerige maag met de schaduw van een boterham.—Wel, hij zou den „huwelijks-zegen” in kalmte aanvaarden, endaarmeêbasta![70]Hij sliep op dit besluit rustig in.Den volgenden morgen begon alweêr heel vroeg het bedrijvig leven.Geber mocht de boodschappenlijstjes opmaken, die zijn schoonmoeder opnieuw had uitgedacht, en wel honderdmaal haar stéréotype vraag beantwoorden, of zij nu niets had vergeten en of hij niet nog iets wist.’t Was eensoesah!

TIENDE HOOFDSTUK.Pessimistische Overdenkingen.

Het groote feest te Koeningan zou twee dagen duren. Eerst had men het op drie gesteld, om van oude gewoonten niet af te wijken; maar de „positie” van Roos werd in aanmerking genomen. Het zou, meende mama, veel te vermoeiend voor haar zijn. Er kwam toch nog na het feest een dag vanrameh-ramehvoor deboedjangs, en dan had zij toch nogweêrdrukte genoeg. Twee dagen en twee nachten,—het was toch al wèl! De heele familie was weken te voren in ’t getouw. Aan zaken kon haast niet gedacht worden. Eerst had de verzoening met tante Clara plaats gehad; zij en Roos hadden elkaar onder veel gehuil en zenuwachtigheid gezoend, links en rechts; toen, opdat het compleet zou zijn, had Geber, die, verlegen met z’n figuur, er tamelijk onbeholpen bijstond, ook een hand gekregen en een zoen; dat laatste vooral had hem bijzonder vreemd aangedaan. Hij vond het gek. Al de jaren, die hij tusschen zijn korte relatie met Clara en zijn huwelijk op het land had geleefd, op de gebruikelijke wijze, had hij daaraan zoo goed als nooit gedacht en gebeurde het—eer met schrik en tegenzin, dan met genoegen. Nu sedert hij wel en wettiglijk was getrouwd, en zelf de verplichtingen had, die hij ten volle besefte, en die hij vast van plan was na te komen, maalde het hem telkens door het hoofd, met een begin van begeerte, dat hij zijn best deed te onderdrukken, doch waarmeê hij meer moeite had dan hem lief was.Een der drukke dagen van het feest was weêr afgeloopen. Er was een onophoudelijk verkeer tusschen Koeningan en de stad, met de rijtuigen der Uhlstra’s en der Geber’s; met karretjes vol boodschappen-doende bedienden, met grobaks, beladen met dranken, eetwaren en bedden. Tweehonderd gasten zouden twee nachten logeeren! Al wat maar eenigszins beantwoordde aan het begrip „kamer” was in beslag genomen, en nog schoot er ruimte te kort, want het waren niet de eersten de besten, die te gast zouden komen; het waren, zoo ambtelijk als particulier, de meest notabelen, en nu kon men wel de jongelui, die men natuurlijk voor de vreugde had gevraagd, bij troepjes logeeren, de bokken bijeen, en de geitjes bij elkaar,—maar voor de gehuwde deftigheden stelde men zich vanzelf veel hoogere eischen; het was onmogelijk het stelsel van „samenpakking” op hen toe te passen. Daarom[67]had Uhlstra een groot bamboezen gebouw laten zetten, in twaalf kamers verdeeld, om het hoofdgebouw zooveel mogelijk vrij te hebben voor lieden als Markens, Lugtens en zoo.Mama logeerde nu al acht dagen op Koeningan. ’s Morgens klokke vier was het of haar zenuwgestel gelijk een uurwerk tot springens toe was opgewonden; het liep door den heelen dag, zorgend, beredderend, van de kamers naar degoedang, vandaar naar de aankomende grobaks, lijstjes makend van wat er nog noodig was; iedereen onder hoogen druk en in sterke spanning brengend door onophoudelijk gepraat, door opdrachten en bevelen, tot de aan rust en kalmte gewende inlandsche bedienden heelemaalbingoengwaren, en het Geber als dronken makend naar de hersenen steeg.„Goede God, Roos!” zei hij nu en dan. „Je ma, je ma!”Zij lachte er hartelijk om.„Ze zorgt maar lekker voor alles, weet-je. Als ik háár niet had, was het me niet mogelijk klaar te komen met den boel.”„Dat is waar. Ze zorgt voor alles, ze werkt zich op; maar ’t is soms verschrikkelijk om te zien en te hooren. Ik word er halfgek van.”Dat vond Roos allergrappigst. Zij was dit van haar moeder gewoon van kindsbeen af, en zij wist dus niet beter of ’t hoorde zoo. Zelf bleef zij er doodkalm onder, heel leukjes met haar als ’t ware elken dag toenemenden omvang door het huis loopend in een soort zeemansgangetje, de armen van het lijf, de handen min of meer bemorst met deeg voor taarten en gebakken, maar rustig en gemoedelijk haar gang gaand den heelen dag.Tot ’s avonds.Dan konden mevrouw Uhlstra en Roos nauwelijks den etenstijd afwachten, en gingen zij zoo vroeg mogelijk slapen om den volgenden ochtend de vertooning opnieuw te beginnen.Geber zat den heelen avond alleen met z’n sigaar; zoo erg alleen als men ’s avonds zit in de binnenlanden. Danpikirdehij ook al over het aanstaande feest en wat er voor noodig was; over zijn gasten, de manier om hen bij het logeeren te verdeelen, en ten slotte dacht hij dan vanzelf aan Clara, die met Lugtens de kamer naast de zijne zou betrekken. Hij drong het idee terug, maar het kwam na tien minuten of ’n kwartier als vanzelf weêr op den voorgrond.…Het maakte hem bang. Bij het halve licht der enkele lamp in de groote galerij, met de zwarte duisternis buiten den verflauwend uitstralenden kring, en in de stilte der eenzaamheid, had hij een gevoel, dat hem vrees aanjoeg en telkens weêr over hem kwam. Zou het de straf[68]zijn? Zou men niets kunnen doen buiten de lijn van het conventioneel goede, zonder dat het zich wreekte vroeg of laat? Sleepte elke verkeerde handeling altijd haar eigen noodlot achter den mensch aan, vroeg of laat, zijn leven lang? Stond het vast, dat hij, nu zoo rustig en gelukkig, weêr onverbiddelijk zou gedreven worden in de richting, waarin hij beloofd had niet te zullen gaan?Het was om te lachen! Men mocht dan eens ’n stommiteit doen, dacht-ie, maar daarmeê was het uit! Hij was niet ezelachtig genoeg zich tweemaal te stooten aan denzelfden steen. Eigenlijk was het toch een plezierige herinnering! Met het gewone spottende glimlachje op z’n gezicht, rookte hij welbehagelijk voort, den rook nakijkend, die opwaarts spiraalde. Als men altijd even behoorlijk en fatsoenlijk was geweest, moest het leven gruwelijk vervelend worden. Zoo’n enkele „grap” bleef altijd ’n goede herinnering; men denkt ten slotte meestal met meer sympathie terug aan z’n „stoutigheid”, dan z’n „braafheden”. Maar geen recidiven! Daar zou waarachtig niets van komen. Het zou hem belachelijk maken, zoo er nu nog iets bestond tusschen hem en Clara, die al ’n heel eind in de veertig was, terwijl hijzelf zoo’n jonge vrouw had, al was die wat ongracieus, vooral tegenwoordig.In de slaapkamer had mevrouw Uhlstra zijn plaats ingenomen naast haar dochter; Geber ging in de gewone logeerkamer, ongezellig, alleen.Hij mijmerde steeds voort.Voor het eerst vond hij, dat het huwelijk soms iets tegen had. Als hij enkel met Roos op Koeningan was, deed ieder zijn werk, en daarna praatten ze samen en amuseerden zich met elkaar. Nauwelijks was er een derde iemand, of dat was uit.Kwam er een mannelijk familielid of een vriend, dan had hij afleiding, en mocht zij het leven vervelend vinden; logeerde er een dame, dan kon hij zich als tijdelijk op stal gezet beschouwen.Nu kwam nog dat ophanden kinderen-krijgen erbij, waarover de heele famielje Uhlstra zoo in haar schik was. En eerst die vervelende partij! Tien duizend gulden zou hem dat grapje, ruw-weg gerekend, kosten. Het leven was duur, vreeselijk duur, en wat had men eraan? Moeiten en kosten met een minimum genot. Mocht men ergens plezier in hebben, dan liet men het meestal na om ’t onfatsoenlijke of desoesah!Roos, die nooit in Europa was geweest, kon niets in de krant geadverteerd zien of ze moest het hebben. Naar den prijs werd niet gevraagd. Het huis stond vol met nonsens-dingen, die duizenden gekost hadden, en waarnaar nooit iemand omzag. Nuweêrdie partij; straks de bevalling! Hijzelf kocht altijd de fijnste wijnen, de duurste sigaren;[69]de nieuwst-modische kleeren bij den voornaamsten kleermaker, die droeg hij enkel bij gelegenheid. Roos kon haast geen modejournaal zien of zij schreef naar Parijs om een nieuw toilet, en ze leefde maand in maand uit in sarong en kabaai! En zoo was het met alles. Terwijl zij haast nooit anders at dan rijst met sambal, een stukje gedroogd vleesch of zoo, en inlandsche vruchten, stond haar goedang volgepropt met de fijnste blikjes, die opeengestapeld geheele muurvakken bedekten, als in een toko.Zij zelf leefden feitelijk van zoo weinig, dat het uit een gewoon ambtenaarstractementje had bestreden kunnen worden, niettemin kostte het huishouden schatten; het zou hoe langer hoe meer gaan kosten, dat stond, bij het in aantocht zijnde kinderleger, vast als een muur. Hij, Geber, was niet jong meer, en kon zijn kans om voorgoed naar Europa te gaan, wel als verkeken afschrijven. In den eersten tijd van zijn huwelijk had hij daaraan heelemaal niet meer gedacht. Nu kwam het ineens bij hem op met een hevig verlangen. Nog vier, vijf jaren had hij tijd om prettig te kunnen gaan, wat in zijn, zooveel jaren door het old-bachelorschap vastgewoekerde begrippen, beteekende, dat hij zich nog te Parijs op bals en zoo kon vermaken. Dan was het uit. Dan kon hij er nog wel eens heengaan, maar ’t was het ware niet meer; hij zou aan zichzelf verplicht zijn zich tot de buitenkantsche genoegens te bepalen; hij kon dan evengoed ’n optrekje huren aan den Rijn bij Leiden en zich daar oefenen in ’t pooieren.…Geber vloekte, woelend met het hoofd in zijn kussens.—Wel Gévédé, dáár zat hij nu zóóveel jaren in een uithoek van een uithoek der wereld, met geen ander vooruitzicht dan dàt! Want over vier, vijf jaren kon hij aan zijn vijfde of zesde kind wezen? Wat het leven dan zou kosten, durfde hij niet berekenen!Om wanhopig te worden was het zeker! Het leven?Weêr ging hij in één zet van zijn pessimistische opvatting over tot zijn meer gewoon onverschillig en spotziek cynisme.Wat deed het er eigenlijk ook toe? Was het leven niet, in zijn geheel genomen, een enorme flauwiteit, waarin hij enkel den nar speelde, die het als ernst opvatte? Alle genot en levensvreugd waren immers tochweêrdadelijk voorbij.… Wat deed het er dus toe of men ze had genoten of niet. Men bleef toch altijd even wijs of even dom, en het verledene maakte alles weg, niets overlatend dan herinneringen, waarmeê men zich kon amuseeren als een hongerige maag met de schaduw van een boterham.—Wel, hij zou den „huwelijks-zegen” in kalmte aanvaarden, endaarmeêbasta![70]Hij sliep op dit besluit rustig in.Den volgenden morgen begon alweêr heel vroeg het bedrijvig leven.Geber mocht de boodschappenlijstjes opmaken, die zijn schoonmoeder opnieuw had uitgedacht, en wel honderdmaal haar stéréotype vraag beantwoorden, of zij nu niets had vergeten en of hij niet nog iets wist.’t Was eensoesah!

Het groote feest te Koeningan zou twee dagen duren. Eerst had men het op drie gesteld, om van oude gewoonten niet af te wijken; maar de „positie” van Roos werd in aanmerking genomen. Het zou, meende mama, veel te vermoeiend voor haar zijn. Er kwam toch nog na het feest een dag vanrameh-ramehvoor deboedjangs, en dan had zij toch nogweêrdrukte genoeg. Twee dagen en twee nachten,—het was toch al wèl! De heele familie was weken te voren in ’t getouw. Aan zaken kon haast niet gedacht worden. Eerst had de verzoening met tante Clara plaats gehad; zij en Roos hadden elkaar onder veel gehuil en zenuwachtigheid gezoend, links en rechts; toen, opdat het compleet zou zijn, had Geber, die, verlegen met z’n figuur, er tamelijk onbeholpen bijstond, ook een hand gekregen en een zoen; dat laatste vooral had hem bijzonder vreemd aangedaan. Hij vond het gek. Al de jaren, die hij tusschen zijn korte relatie met Clara en zijn huwelijk op het land had geleefd, op de gebruikelijke wijze, had hij daaraan zoo goed als nooit gedacht en gebeurde het—eer met schrik en tegenzin, dan met genoegen. Nu sedert hij wel en wettiglijk was getrouwd, en zelf de verplichtingen had, die hij ten volle besefte, en die hij vast van plan was na te komen, maalde het hem telkens door het hoofd, met een begin van begeerte, dat hij zijn best deed te onderdrukken, doch waarmeê hij meer moeite had dan hem lief was.

Een der drukke dagen van het feest was weêr afgeloopen. Er was een onophoudelijk verkeer tusschen Koeningan en de stad, met de rijtuigen der Uhlstra’s en der Geber’s; met karretjes vol boodschappen-doende bedienden, met grobaks, beladen met dranken, eetwaren en bedden. Tweehonderd gasten zouden twee nachten logeeren! Al wat maar eenigszins beantwoordde aan het begrip „kamer” was in beslag genomen, en nog schoot er ruimte te kort, want het waren niet de eersten de besten, die te gast zouden komen; het waren, zoo ambtelijk als particulier, de meest notabelen, en nu kon men wel de jongelui, die men natuurlijk voor de vreugde had gevraagd, bij troepjes logeeren, de bokken bijeen, en de geitjes bij elkaar,—maar voor de gehuwde deftigheden stelde men zich vanzelf veel hoogere eischen; het was onmogelijk het stelsel van „samenpakking” op hen toe te passen. Daarom[67]had Uhlstra een groot bamboezen gebouw laten zetten, in twaalf kamers verdeeld, om het hoofdgebouw zooveel mogelijk vrij te hebben voor lieden als Markens, Lugtens en zoo.

Mama logeerde nu al acht dagen op Koeningan. ’s Morgens klokke vier was het of haar zenuwgestel gelijk een uurwerk tot springens toe was opgewonden; het liep door den heelen dag, zorgend, beredderend, van de kamers naar degoedang, vandaar naar de aankomende grobaks, lijstjes makend van wat er nog noodig was; iedereen onder hoogen druk en in sterke spanning brengend door onophoudelijk gepraat, door opdrachten en bevelen, tot de aan rust en kalmte gewende inlandsche bedienden heelemaalbingoengwaren, en het Geber als dronken makend naar de hersenen steeg.

„Goede God, Roos!” zei hij nu en dan. „Je ma, je ma!”

Zij lachte er hartelijk om.

„Ze zorgt maar lekker voor alles, weet-je. Als ik háár niet had, was het me niet mogelijk klaar te komen met den boel.”

„Dat is waar. Ze zorgt voor alles, ze werkt zich op; maar ’t is soms verschrikkelijk om te zien en te hooren. Ik word er halfgek van.”

Dat vond Roos allergrappigst. Zij was dit van haar moeder gewoon van kindsbeen af, en zij wist dus niet beter of ’t hoorde zoo. Zelf bleef zij er doodkalm onder, heel leukjes met haar als ’t ware elken dag toenemenden omvang door het huis loopend in een soort zeemansgangetje, de armen van het lijf, de handen min of meer bemorst met deeg voor taarten en gebakken, maar rustig en gemoedelijk haar gang gaand den heelen dag.

Tot ’s avonds.

Dan konden mevrouw Uhlstra en Roos nauwelijks den etenstijd afwachten, en gingen zij zoo vroeg mogelijk slapen om den volgenden ochtend de vertooning opnieuw te beginnen.

Geber zat den heelen avond alleen met z’n sigaar; zoo erg alleen als men ’s avonds zit in de binnenlanden. Danpikirdehij ook al over het aanstaande feest en wat er voor noodig was; over zijn gasten, de manier om hen bij het logeeren te verdeelen, en ten slotte dacht hij dan vanzelf aan Clara, die met Lugtens de kamer naast de zijne zou betrekken. Hij drong het idee terug, maar het kwam na tien minuten of ’n kwartier als vanzelf weêr op den voorgrond.…

Het maakte hem bang. Bij het halve licht der enkele lamp in de groote galerij, met de zwarte duisternis buiten den verflauwend uitstralenden kring, en in de stilte der eenzaamheid, had hij een gevoel, dat hem vrees aanjoeg en telkens weêr over hem kwam. Zou het de straf[68]zijn? Zou men niets kunnen doen buiten de lijn van het conventioneel goede, zonder dat het zich wreekte vroeg of laat? Sleepte elke verkeerde handeling altijd haar eigen noodlot achter den mensch aan, vroeg of laat, zijn leven lang? Stond het vast, dat hij, nu zoo rustig en gelukkig, weêr onverbiddelijk zou gedreven worden in de richting, waarin hij beloofd had niet te zullen gaan?

Het was om te lachen! Men mocht dan eens ’n stommiteit doen, dacht-ie, maar daarmeê was het uit! Hij was niet ezelachtig genoeg zich tweemaal te stooten aan denzelfden steen. Eigenlijk was het toch een plezierige herinnering! Met het gewone spottende glimlachje op z’n gezicht, rookte hij welbehagelijk voort, den rook nakijkend, die opwaarts spiraalde. Als men altijd even behoorlijk en fatsoenlijk was geweest, moest het leven gruwelijk vervelend worden. Zoo’n enkele „grap” bleef altijd ’n goede herinnering; men denkt ten slotte meestal met meer sympathie terug aan z’n „stoutigheid”, dan z’n „braafheden”. Maar geen recidiven! Daar zou waarachtig niets van komen. Het zou hem belachelijk maken, zoo er nu nog iets bestond tusschen hem en Clara, die al ’n heel eind in de veertig was, terwijl hijzelf zoo’n jonge vrouw had, al was die wat ongracieus, vooral tegenwoordig.

In de slaapkamer had mevrouw Uhlstra zijn plaats ingenomen naast haar dochter; Geber ging in de gewone logeerkamer, ongezellig, alleen.

Hij mijmerde steeds voort.

Voor het eerst vond hij, dat het huwelijk soms iets tegen had. Als hij enkel met Roos op Koeningan was, deed ieder zijn werk, en daarna praatten ze samen en amuseerden zich met elkaar. Nauwelijks was er een derde iemand, of dat was uit.

Kwam er een mannelijk familielid of een vriend, dan had hij afleiding, en mocht zij het leven vervelend vinden; logeerde er een dame, dan kon hij zich als tijdelijk op stal gezet beschouwen.

Nu kwam nog dat ophanden kinderen-krijgen erbij, waarover de heele famielje Uhlstra zoo in haar schik was. En eerst die vervelende partij! Tien duizend gulden zou hem dat grapje, ruw-weg gerekend, kosten. Het leven was duur, vreeselijk duur, en wat had men eraan? Moeiten en kosten met een minimum genot. Mocht men ergens plezier in hebben, dan liet men het meestal na om ’t onfatsoenlijke of desoesah!

Roos, die nooit in Europa was geweest, kon niets in de krant geadverteerd zien of ze moest het hebben. Naar den prijs werd niet gevraagd. Het huis stond vol met nonsens-dingen, die duizenden gekost hadden, en waarnaar nooit iemand omzag. Nuweêrdie partij; straks de bevalling! Hijzelf kocht altijd de fijnste wijnen, de duurste sigaren;[69]de nieuwst-modische kleeren bij den voornaamsten kleermaker, die droeg hij enkel bij gelegenheid. Roos kon haast geen modejournaal zien of zij schreef naar Parijs om een nieuw toilet, en ze leefde maand in maand uit in sarong en kabaai! En zoo was het met alles. Terwijl zij haast nooit anders at dan rijst met sambal, een stukje gedroogd vleesch of zoo, en inlandsche vruchten, stond haar goedang volgepropt met de fijnste blikjes, die opeengestapeld geheele muurvakken bedekten, als in een toko.

Zij zelf leefden feitelijk van zoo weinig, dat het uit een gewoon ambtenaarstractementje had bestreden kunnen worden, niettemin kostte het huishouden schatten; het zou hoe langer hoe meer gaan kosten, dat stond, bij het in aantocht zijnde kinderleger, vast als een muur. Hij, Geber, was niet jong meer, en kon zijn kans om voorgoed naar Europa te gaan, wel als verkeken afschrijven. In den eersten tijd van zijn huwelijk had hij daaraan heelemaal niet meer gedacht. Nu kwam het ineens bij hem op met een hevig verlangen. Nog vier, vijf jaren had hij tijd om prettig te kunnen gaan, wat in zijn, zooveel jaren door het old-bachelorschap vastgewoekerde begrippen, beteekende, dat hij zich nog te Parijs op bals en zoo kon vermaken. Dan was het uit. Dan kon hij er nog wel eens heengaan, maar ’t was het ware niet meer; hij zou aan zichzelf verplicht zijn zich tot de buitenkantsche genoegens te bepalen; hij kon dan evengoed ’n optrekje huren aan den Rijn bij Leiden en zich daar oefenen in ’t pooieren.…

Geber vloekte, woelend met het hoofd in zijn kussens.—

Wel Gévédé, dáár zat hij nu zóóveel jaren in een uithoek van een uithoek der wereld, met geen ander vooruitzicht dan dàt! Want over vier, vijf jaren kon hij aan zijn vijfde of zesde kind wezen? Wat het leven dan zou kosten, durfde hij niet berekenen!

Om wanhopig te worden was het zeker! Het leven?

Weêr ging hij in één zet van zijn pessimistische opvatting over tot zijn meer gewoon onverschillig en spotziek cynisme.

Wat deed het er eigenlijk ook toe? Was het leven niet, in zijn geheel genomen, een enorme flauwiteit, waarin hij enkel den nar speelde, die het als ernst opvatte? Alle genot en levensvreugd waren immers tochweêrdadelijk voorbij.… Wat deed het er dus toe of men ze had genoten of niet. Men bleef toch altijd even wijs of even dom, en het verledene maakte alles weg, niets overlatend dan herinneringen, waarmeê men zich kon amuseeren als een hongerige maag met de schaduw van een boterham.—Wel, hij zou den „huwelijks-zegen” in kalmte aanvaarden, endaarmeêbasta![70]

Hij sliep op dit besluit rustig in.

Den volgenden morgen begon alweêr heel vroeg het bedrijvig leven.

Geber mocht de boodschappenlijstjes opmaken, die zijn schoonmoeder opnieuw had uitgedacht, en wel honderdmaal haar stéréotype vraag beantwoorden, of zij nu niets had vergeten en of hij niet nog iets wist.

’t Was eensoesah!


Back to IndexNext