TWEEDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]TWEEDE HOOFDSTUK.Jozef en zijne vijanden.De rijstoogst op Koeningan was al binnen, en bij het dalend licht van den ondergaanden dag zagen de nu dorre en stoppelige velden, zich ver uitstrekkend naar alle zijden, er somber en eentonig uit. Slechts van den kant der groote weiden, waar een mooie kudde bengaalsche koeien haar avondmaal deed in ’t welig gras, was het een frisch en levendig gezicht: het lichtvale der opkomende schemering, gebroken door de roodbonte en zwart-wit gevlekte robes van het zacht bewegend vee, tegen den groenen achtergrond van hellend boschterrein.Op een der smalle wegjes, die het land doorkruisten, wandelde Geber’sfactotum, de hoofdmandoor, Jozef, een dikken koffiestok over de schouders, de beide handen over de einden bengelend, rustig zijn strootje rookend. Hij had het vèr gebracht. Wie hij eigenlijk was en waar hij vandaan kwam, toen hij voor jaren in dienst van Geber trad, kon niemand zeggen. Zijn europeesche voornaam, die hem tevens tot geslachtsnaam diende, mocht doen denken aan een christen, maar daarvan was nooit iets gebleken.Zijn kloeke, vierkante gestalte, zijn vrije houding, zijn knappe kop met gitzwarte knevel en kort geknipt baardje boven langs de ooren, wezen wel uit dat hij geen maleier of javaan was, zelfs niet iemand van inlandsche herkomst, maar meer ook niet; hij kon even goed afkomstig zijn uit Arabië als uit Bengalen.Nu Geber er niet was, berustte het beheer van het land geheel in zijn handen en hij gaf daarbij, althans op het papier, blijk van een administratieve geschiktheid, die voor zulk een man, wat werken betrof in alle opzichten eenself-made-man, zeer bijzonder was.[8]Ja, hijhadhet ver gebracht; niemand was meer overtuigd van zijn verdiensten dan hij zelf. Nu en dan stond hij eens stil en liet zijn groote blinkende, zwarte oogen over den omtrek gaan met hetairvan een heer en meester.Hij zou het nog wel verder brengen, dacht hij; om daartoe te komen, was hij naar zijn oordeel op den goeden weg.Reeds toen Geber nog zelf het land bestuurde, en hij metterdaad niet veel meer was danmandoor, had hij zich bijverdiensten weten te bezorgen. Nooit ten nadeele van den heer Geber, dáár zou hij zich niet aan gewaagd hebben; die kreeg altijd wat hem toekwam; maar ten koste der bevolking, die hem vreesde, meer dan den eigenaar van het land. Nu hij in de laatste maanden haast onbeperkte vrijheid van handelen had gehad, was zijn spaarpot buitengewoon zwaar geworden.Hij had op zijn wijze de duimschroeven eens aangezet, met de diepste minachting voor de inlandsche bevolking en haar wel en wee; zonder zich in het minst te bekommeren om de milde wijze, waarop Geber steeds tegenover den kleinen man liet handelen, of om hetgeen, in dat opzicht, bij de wet was bepaald. Hij hield er huis onder op zijn manier, nu inderdaad het „hek van den dam” was, en in zijn hevigen lust zooveel geld bijeen te brengen tot hij zelf een landje kon koopen, entoewan tanahworden, deinsde hij voor niets terug.Geber en de Uhlstra’s minachtte hij in stilte om hun gemoedelijkheid tegenover het volk, en hun goedheid en royaliteit, die hen lang niet zooveel deden heffen, als waarop zij het striktste recht hadden, ja, die hen tot de dwaasheid brachten belangstelling te toonen voor dat leugenachtig en kruipend slavenvolk, dat ze met geld en vee bijsprongen en zelfs gratis dokterden, als er ziekte heerschte.Zoo het volk van Koeningan Jozef haatte als de pest, omdat hij het afzette en onbeschaamd bestal op zijn producten, op zijn arbeid en op zijn geld,—dat alles was nog het ergste niet. Het volk was al zooveel eeuwen lang door parasieten, inlandsche of anderen, geperst en geknepen, dat wat meer of minder wel een groot verschil maakte, maar ieder toch zijn lot in stilte droeg. En waren er soms, die mopperden en tegenstribbelden, dan maakte al heel gauw de dikke stok van Jozef kennis met hun schouderbladen, en voelden ze nog dagen lang, dat het maar beter was te zwijgen.Eén ding echter verdroegen ze niet, en dat ééne had hun haat opgevoerd tot wraakzucht. Sedert Jozef naar willekeur op het land den baas speelde, vierde hij zijn lusten den teugel. Vroeger kneep hij wel de kat in het donker en haalde stukjes uit, die minder te pas[9]kwamen, maar hij deed dat, uit vrees voor Geber, met groote omzichtigheid en in alle stilte. Tegenwoordig kon hij in de kampongs en op ’t veld letterlijk geen vrouw met rust laten.Openlijk permitteerde hij zich allerlei vrijheden en valsche handgrepen, en om ze naar zijn wil te krijgen beproefde hij van alles, list en geweld.Door die middelen kreeg hij haast altijd gedaan wat hij verlangde; zijn gunstig uiterlijk van mooien oosterling deed het overige. Dàt was zijn onvergeeflijke misdaad in de oogen van veel jonge mannen onder ’t volk, die er achterkwamen door welke handen hun vrouwen gepasseerd waren; van vaders, die hun aankomende dochtertjes thuis kregen op erbarmlijke manier.Het broeide en broeide al weken achtereen. Stilletjes kwamen ze ’s avonds hier of daar ver van het landhuis bij elkaar,quasiom een strootje te rooken en een praatje te houden, feitelijk om elkaar op te hitsen tegen den bruinen geweldenaar, die niets ontzag. En Jozef, die anders zoo goed wist, wat er gebeurde op ’t land, was dáármee geheel onbekend gebleven. Zijn ijdelheid, als over ’t paard getilde knecht, en zijn diepe minachting voor ’t „slavenvolk” maakten het hem onmogelijk zich zoo iets voor te stellen; zoo iets als verzet tegenhem.Hij wandelde terug naar huis, terwijl hij zag, dat de koehoeders het vee uit de weide terugdreven naar de kralen; en toen de duisternis geheel was gevallen, alles in orde was gerapporteerd door den inlander, die onder hem alsdjoeragandiende, sloot hij het voorgedeelte zijner woning, een afzonderlijk houten gebouwtje, half overdekt met klimplanten, waartusschen groote trossen bruidstranen hingen, zoo schilderachtig en lief, dat het overdag in ’tzonlicht eenlandelijke idylle was.Daarbinnen, bij zijn nu brandende koperen lamp, heel ouderwetsch van vorm, afkomstig nog van landheeren uittempo doeloe, ging Jozef rustig aan z’n administratie, aandachtig, voor elke letter die hij schreef, elk cijfer dat hij zette: eerst de boeken van z’n baas, daarna het bescheiden notitieboekje van hemzelf. Toen hij ermee klaar was en de trommel zou krijgen uit een kleine brandkast, om het geld te tellen, zond hij zijn jongen weg naar de kampong en sloot z’n huis ook achter; niet uit vrees, maar uit wantrouwen.Nauwkeurig telde hij alles met welgevallen na en sorteerde het geld in de vakjes van de trommel met zorg en liefde, tot hij het, na lange aanschouwing en stille berekening, weêr wegsloot, zijn eenvoudig maal deed met wat rijst en visch, doorgespoeld met een glas water; zijn lamp uitblies en zóó als hij was, zich met welbehagen uitstrekte in zijn niet zeer frisch en niet zeer zuiver ledikant.[10]’t Was donkere maan. De wachter tusschen het huis van den landheer en de woning van Jozef sloeg ten naasten bij op tijd met de groote bel onder de loods het geheele en halve uur.Juist stapte hij, huiverend van de koude nachtlucht, schurkend onder de over z’n naakte schouders geslagensarong, van de baleh-baleh, waarop hij had zitten soezen, naar den paal waar de bel hing aan een dwarshout,—toen hij ineens lang uit op den grond lag, in een ommezien gekneveld en gebonden, zonder dat hij iets gezien had of iets anders gehoord dan den doffen val van z’n eigen lichaam; maar voelen deed hij het des te beter. Het was een bejaard man. Men had hem overal buiten gelaten; hij wist rechtstreeks van niets en bemoeide zich met niets; maar niettemin begreep hij nu volkomen wat op het land zou gebeuren. Angstig, met wijd geopende oogen, keek hij in den donkeren nacht; hij zag schimmen flauw in het zwart der duisternis heen en weer bewegen; hij hoorde het zachte treden van de bloote voeten over den grond en het schuifelen van voortgaande lichamen tegen elkaar; en hoe weinig aanwijzing dit ook gaf, toch kon hij wel gissen wie het waren en vanwaar ze kwamen. In een dichte groep schoven ze nu, bijna niet hoorbaar, verder tot voor de woning van Jozef.Minuten en minuten was toen alles doodstil, met de gewone geluiden van den nacht, het kwaken der kikvorschen in de poelen, het geroep van den nachtuil in het hoog geboomte en het suizend gefluister der krekels in het groen.In eens sprong Jozef uit z’n bed en tegen een stoel aan, die met een harden slag omviel tegen den houten vloer; opgeschrikt, half slapend nog en in ’t minst zich geen rekenschap kunnende geven van wat er gebeurde en wat het doffe bonzen beduidde, dat zijn heele woning deed trillen. Maar ook ineens wist hij het, en begreep of kon zich ten minste voorstellen, wat de juiste toedracht was, en dat de zware djati-houten deur, door twee grendels en eenpalang pintoevan binnen gesloten, met een boomstam van buiten werd gerammeid. Voor het dreigend doodsgevaar, waarvan hij nu het volle gevoel had, stond Jozef in beraad wat te doen, zijn geladen jachtgeweer, dat hij op den tast van den muur gegrepen had, in de hand.Met een opwelling van woede en drift wilde hij de voordeur openen en er direct op los schieten; maar glurend door de reten van het vensterluik, zag hij het buiten stikdonker, zonder geluid van stemmen, die eenige aanwijzing gaven; en, die duisternis, onzekerheid en stilte deden zijn toorn weer vallen; angst ervoor in de plaats treden. Hij had lucifers bij de hand, maar durfde geen licht maken, en onder[11]de dof dreunende, regelmatige slagen van den boomstam kraakte en knarste de deur op haar hengsels, op ’t punt te bezwijken. Toen wendde hij zich naar den anderen kant, voelde en greep depalang pintoevan de achterdeur, schoof die zacht weg en de grendels terug, rukte haar met forschen greep ineens wijd open en deed een grooten sprong naar buiten, den vinger aan den trekker van zijn geweer.Het schot ging af, loos in de lucht, en als een gedolde os sloeg Jozef neêr, zonder een kreet, haast zonder eenig geluid. Een wild geschreeuw en geroep, schor en woest, van dozijnen stemmen klonk brullend, als van wilde dieren, over het veld en langs de boomen omhoog.De doffe slagen van den boomstam hielden op; de een na de ander ontbrandden deoborsin de handen van halfnaakte inlanders met zwart en wit bestreepte onherkenbaar gemaakte gezichten. Zij kwamen allen om het lichaam van Jozef staan, een oogenblik stil. Hij lag plat op den rug tusschen de struiken op het achtererf en uit zijn baadje stak, breed omzoomd door een grooter wordende bloedvlek, het lichtbruin, in het geschemer der toortsen fraai blinkend gevest van een kris, midden door het hart gestoken.De een, die het gedaan had, wees er op, triomfantelijk, met z’n wijsvinger, dansend van plezier; maar de anderen waren teleurgesteld in hun wraak. Ze hadden ieder hun aandeel willen hebben in zijn dood; elk hunner had zijn stil idee gehad over een toe te brengen slag of stoot. Nu was hij dadelijk gestorven aan den meesterlijken krissteek, in de duisternis toegebracht met de zekerheid en de vastheid van hand van den toréador, die zijn degen plant tusschen de horens van den stier en hem doet knielen. De eens opgekomen moordlust van onderdrukten en lafhartigen nam daarmee geen genoegen. Ze staken met hun lansen, ze hakten met hunarietsenparangswaar ze het doode lichaam slechts konden raken; ze sneden er stukken en ledematen af op de gruwelijkste manier, wel een half uur achtereen, tot ze er zelfbosènvan waren en het vormlooze lijk als ’t ware over den pagger jonasten, naar buiten. Het omwonende volk en het dienstpersoneel van het landhuis, door het rumoer en het aanslaan der honden ontwaakt, was eerst naar buiten geloopen, loerend in de duisternis, maar toen ze zagen, of althans begrepen, wat er voorviel, en dat er geketjoed werd, had ieder zich zoo gauw mogelijk teruggetrokken, z’n huisje gesloten en dat, bevend van angst en zoo goed en zoo kwaad het ging, van binnen gebarricadeerd.In de woning van Jozef was het nu een plunderen en rampassen,[12]uren lang. Met de grootste moeite en ten koste van veel wapenen, werd de kleine brandkast geforceerd, want de sleutel, dien Jozef altijd op een bepaalde plaats verborg, was niet te vinden.De trommel werd opengebroken; van het geld greep ieder in de ruwte wat hij machtig kon worden; onder luid en verward geschreeuw en als krankzinnigen sprongen ze rond, alles stukslaande met de grootste woede, tot er niets meer was om te vernielen.Een hooge vlam, het geboomte der omgeving van onder verlichtend met heldere rozeroode tinten, en mooi goudrood in de toppen, steeg toen op uit een dikke rookwolk, die snel omhoog trok als een grijze zuil; deoborswaren gedoofd, de daders van het gruwelstuk links en rechts over de donkere, smalle wegen en in de velden verdwenen, en alsof het afgesproken werk was, had toen een der bedienden van het landhuis in eens den moed naar buiten te komen om het brandsignaal op detongtongluid en akelig te doen weergalmen door de lucht.Was het homberpartijtje bij Uhlstra laat begonnen,—het duurde daarom niet minder lang, en Twissels had zijn eigenaardig woord gehouden of het een evangelie was.Hij speelde groote spellen van allerlei soort, maar of het „ossen” waren dan wel „snippertjes”,—hij haalde ze erdoor, het eene zoo goed als het andere. Toen het drie uur sloeg in den nacht, meende Geber, een beetje uit zijn humeur over zijn aanhoudendedéveine, dat men wel den laatstensans prendrebepalen kon.Twissels wou er drie in plaats van één, maar zijn partners hadden er geen zin in en stemden als naar gewoonte enkel toe, dat een verloren spel niet meetellen zou.Geber annonceerde het eerst „een kleintje” dat hij codille verloor.„Heb je nu ooit zoo’n weerlichtschenPechgezien?” riep hij kwaad met z’n vuist op de speeltafel slaande. „Dat’s nou de tweede keer in een half uur.”„Ja, het loopt je niet mee,” troostte Uhlstra, „maar ’t kan verkeeren.”En Twissels, spottend, met een zacht, fijn dameslachje, terwijl hij de fiches opstreek:„Alle goede dingen bestaan in drieën.”Hij had de woorden nauwelijks gesproken of de bediende van Uhlstra, die aan den ingang van het voorerf zat, kwam met een verschrikt gezicht naar binnen, en ging staan aan ’t hoekje van de speeltafel, tusschen Geber en z’n meester.[13]„Wat is er?” vroeg Uhlstra in ’t maleisch en eenigszins ruw, verstoord over zoo’n ongewone vrijpostigheid.De huisjongen wees met z’n duim over den rooden kraag van zijn dienstbaadje naar buiten.„Er is eenboedjangvan Koeningan.”„Wat mot hij?” vroeg Geber, z’n nieuwe spel, door Twissels uitgegeven, weer neêrleggend.„Hij zegt dat ertjilakais.”„Wat dan!” riepen Uhlstra en Geber allebei ongeduldig.„Hij zegt,” ging de Maleier met groote kalmte voort, „dat er geketjoed is bij mijnheer; dat het huis in brand staat entoeanJoop al dood is.”Verwezen keken zij elkaâr aan, alle drie. Geber zeer bleek en ontsteld, Uhlstra met een rooden gloed op z’n bruin gezicht; de eerste sprong driftig op en riep denboedjang, die voor aan ’t erf was blijven staan, met uitgestrekten arm hem wenkend, naar binnen. De arme inlander kwam op zijn doorgeloopen voeten en tot de knieën grijs van ’t stof van den weg, half kruipend, naar de breede marmeren galerij, neêrhurkend op de onderste trede.—Wat hij vertelde was niet meer dan hij had meêgedeeld aan den huisjongen; hij wist er zelf niet meer van.Het luide spreken, de uitroepen en vloeken der mannen, verward klinkend door de binnengalerij het huis in, hadden mevrouw Uhlstra uit den slaap gewekt. Uit haar kamer liep ze haastig naar voren, de dikke figuur in een wijde slobberkabaai, het haar onder ’t loopen draaiend in een kondé. Toen ze hoorde wat er gebeurd was, ontsteld, vol vrees voor het lot van haar eigen kinderen op hun eigen daaraan grenzend land, trachtte zij in een luiden woordenstroom meer van den boodschapper te weten te komen, den armen drommel dooreen schuddend als kon ze uit hem strooien, wat zij meende dat er in zat. Maar het maakte hem zoobingoeng, dat hij ten sjotte heelemaal niets wist. Toen waren ook Roos en de andere meisjes verschenen, allen op het noodlottig bericht door vrees en schrik overmand, bleek, met tranen in de oogen, jammerend door elkaar. Het werd erger toen Uhlstra last gaf den koetsier te wekken, om dadelijk z’naméricainete laten voorkomen met z’n beste paarden. Ze wilden hem met geweld terughouden, bevreesd voor zijn veiligheid. In den donkeren nacht namen de ideeën van moord en brandstichting reusachtige verbindingen aan; alleen Twissels, die op zijn winst een extra-grogje had genomen en nu tegen een pilaar leunde, zijn groot zwart vest vooruit als een kolossale inktvlek, onderging dien invloed niet; hij lachte fijntjes en kleintjes, doch niemand keek naar hem onder het zenuwachtig rumoer, en met ’n zoet stemmetje[14]zei hij bij zichzelf, heel hoog: „Die vrouwen, die vrouwen!”Uhlstra, zoo goedhartig als hij was, viel niet af te brengen van z’n besluit. Hij kende het volk, en zijn geweten was volkomen zuiver. Als er iets aan de hand was, moest hij erbij zijn; er kon van komen wat er wou.„Ik ga met je mee,” zei Geber aarzelend, als iemand die fatsoenshalve niet anders zeggen kan, maar flauwtjes en zonder enthousiasme. Eigenlijk was hij, schoon voor den vorm nog wat aandringend, blij, dat Uhlstra het beslist weigerde. Het was maar beter dat hij achterbleef; wat gedaan was, was gedaan en viel niet meer te verhelpen.De paarden vlogen over den weg: toch ging het Uhlstra veel te langzaam. Toen het even begon te dagen, naderde hij de grenzen van z’n land. Alles was stil en rustig als naar gewoonte, wat hij in z’n opgewondenheid haast onbegrijpelijk vond, en toen hij een half uur later in den grijzen schemer de laan opreed naar zijn oude landhuis, en zag hoe reeds enkele lieden er vroeg bij waren om hun gras te pikollen voor het vee in zijn stallen, ontgleed hem een diepe zucht van verlichting. Hier althans was niets gebeurd; dáár had hij nu op durven zweren.Met een verwonderd maar blij gezicht kwam z’n zoon Henri, volmaakt zijn jongere individualiteit, hem op het erf tegemoet.„Dag pa, dat is verduiveld vlug!”„Is het waar?” vroeg Uhlstra, uit het rijtuig springend, blij en ontroerd den zoon de hand drukkend, die zoo gaaf en ongerept nu voor hem stond.Henri knikte met een gewichtig, bedenkelijk gezicht.„Akelig waar,” bevestigde hij met kwalijk verborgenSchadenfreude. „Het is voor Geber een leelijk gevalletje.”„En is Joop dood?”„Naar ik hoor, zoo dood als een pier; ze moeten hem verschrikkelijk hebben gehavend! Enfin, het is mijnheer Geber’s eigen schuld. Waarom laat hij zoo’n smeerlap heer en meester op het land?”De vader antwoordde er niet op. Wat gaf het?„Laat maar even verspannen,” zei hij met een blik op z’n dampende paarden, die werden afgewreven.Maar daar wou Henri niet van hooren en zijn jonge vrouw evenmin. Ze brachten den vader nu weêr aan ’t verstand, dat het heele geval eigenlijk weinig om het lijf had; dat de vermoorde absoluut niets had dan zijn verdiend loon. Als Europeanen zich niet ontzagen hun zaken door zulk gemeen en laag volk te doen beheeren, was het beneden de waardigheid van een fatsoenlijk landeigenaar of administrateur zich met de gevolgen daarvan in te laten.[15]Uhlstra, voorloopig gerustgesteld en hongerig na den slapeloozen nacht en den langen rit in de frissche ochtendlucht, liet hen maar praten en ging mee het landhuis binnen, met een geweldigen trek in een kop sterke koffie, die hij ook dadelijk van z’n schoondochter kreeg. Nu het inderdaad niet erger bleek te zijn dan de inlander had geboodschapt, had hij zoo’n groote haast niet, en wilde wel eens vooraf Henri en Lize uithooren.Dat ging gemakkelijk genoeg; hij had slechts te luisteren naar het relaas der geweldenarijen van den vermoorden hoofdmandoor op Koeningan. Henri kwam daarbij altijdweêrterug op hetzelfde uitgangspunt: het was alles de schuld van Geber. Een europeesch landheer moest fatsoenlijke europeesche jongelui en niet zulke vreemde schooiers in dienst nemen, herhaalde hij voor de zooveelste maal.Een uur later moest er toch voor Uhlstra worden ingespannen. Hij had Geber beloofd alles te onderzoeken; belofte maakt schuld, en hoewel Henri nu weêr beweerde dat het gevaarlijk en bovendien onnoodig was, wijl men den assistent-resident had kennis gegeven, reed Uhlstra naar Koeningan, en zijn zoon,à fondnieuwsgierig om te zien hoe ze dien smeerlapgetjientjangdhadden, ging mee.

[Inhoud]TWEEDE HOOFDSTUK.Jozef en zijne vijanden.De rijstoogst op Koeningan was al binnen, en bij het dalend licht van den ondergaanden dag zagen de nu dorre en stoppelige velden, zich ver uitstrekkend naar alle zijden, er somber en eentonig uit. Slechts van den kant der groote weiden, waar een mooie kudde bengaalsche koeien haar avondmaal deed in ’t welig gras, was het een frisch en levendig gezicht: het lichtvale der opkomende schemering, gebroken door de roodbonte en zwart-wit gevlekte robes van het zacht bewegend vee, tegen den groenen achtergrond van hellend boschterrein.Op een der smalle wegjes, die het land doorkruisten, wandelde Geber’sfactotum, de hoofdmandoor, Jozef, een dikken koffiestok over de schouders, de beide handen over de einden bengelend, rustig zijn strootje rookend. Hij had het vèr gebracht. Wie hij eigenlijk was en waar hij vandaan kwam, toen hij voor jaren in dienst van Geber trad, kon niemand zeggen. Zijn europeesche voornaam, die hem tevens tot geslachtsnaam diende, mocht doen denken aan een christen, maar daarvan was nooit iets gebleken.Zijn kloeke, vierkante gestalte, zijn vrije houding, zijn knappe kop met gitzwarte knevel en kort geknipt baardje boven langs de ooren, wezen wel uit dat hij geen maleier of javaan was, zelfs niet iemand van inlandsche herkomst, maar meer ook niet; hij kon even goed afkomstig zijn uit Arabië als uit Bengalen.Nu Geber er niet was, berustte het beheer van het land geheel in zijn handen en hij gaf daarbij, althans op het papier, blijk van een administratieve geschiktheid, die voor zulk een man, wat werken betrof in alle opzichten eenself-made-man, zeer bijzonder was.[8]Ja, hijhadhet ver gebracht; niemand was meer overtuigd van zijn verdiensten dan hij zelf. Nu en dan stond hij eens stil en liet zijn groote blinkende, zwarte oogen over den omtrek gaan met hetairvan een heer en meester.Hij zou het nog wel verder brengen, dacht hij; om daartoe te komen, was hij naar zijn oordeel op den goeden weg.Reeds toen Geber nog zelf het land bestuurde, en hij metterdaad niet veel meer was danmandoor, had hij zich bijverdiensten weten te bezorgen. Nooit ten nadeele van den heer Geber, dáár zou hij zich niet aan gewaagd hebben; die kreeg altijd wat hem toekwam; maar ten koste der bevolking, die hem vreesde, meer dan den eigenaar van het land. Nu hij in de laatste maanden haast onbeperkte vrijheid van handelen had gehad, was zijn spaarpot buitengewoon zwaar geworden.Hij had op zijn wijze de duimschroeven eens aangezet, met de diepste minachting voor de inlandsche bevolking en haar wel en wee; zonder zich in het minst te bekommeren om de milde wijze, waarop Geber steeds tegenover den kleinen man liet handelen, of om hetgeen, in dat opzicht, bij de wet was bepaald. Hij hield er huis onder op zijn manier, nu inderdaad het „hek van den dam” was, en in zijn hevigen lust zooveel geld bijeen te brengen tot hij zelf een landje kon koopen, entoewan tanahworden, deinsde hij voor niets terug.Geber en de Uhlstra’s minachtte hij in stilte om hun gemoedelijkheid tegenover het volk, en hun goedheid en royaliteit, die hen lang niet zooveel deden heffen, als waarop zij het striktste recht hadden, ja, die hen tot de dwaasheid brachten belangstelling te toonen voor dat leugenachtig en kruipend slavenvolk, dat ze met geld en vee bijsprongen en zelfs gratis dokterden, als er ziekte heerschte.Zoo het volk van Koeningan Jozef haatte als de pest, omdat hij het afzette en onbeschaamd bestal op zijn producten, op zijn arbeid en op zijn geld,—dat alles was nog het ergste niet. Het volk was al zooveel eeuwen lang door parasieten, inlandsche of anderen, geperst en geknepen, dat wat meer of minder wel een groot verschil maakte, maar ieder toch zijn lot in stilte droeg. En waren er soms, die mopperden en tegenstribbelden, dan maakte al heel gauw de dikke stok van Jozef kennis met hun schouderbladen, en voelden ze nog dagen lang, dat het maar beter was te zwijgen.Eén ding echter verdroegen ze niet, en dat ééne had hun haat opgevoerd tot wraakzucht. Sedert Jozef naar willekeur op het land den baas speelde, vierde hij zijn lusten den teugel. Vroeger kneep hij wel de kat in het donker en haalde stukjes uit, die minder te pas[9]kwamen, maar hij deed dat, uit vrees voor Geber, met groote omzichtigheid en in alle stilte. Tegenwoordig kon hij in de kampongs en op ’t veld letterlijk geen vrouw met rust laten.Openlijk permitteerde hij zich allerlei vrijheden en valsche handgrepen, en om ze naar zijn wil te krijgen beproefde hij van alles, list en geweld.Door die middelen kreeg hij haast altijd gedaan wat hij verlangde; zijn gunstig uiterlijk van mooien oosterling deed het overige. Dàt was zijn onvergeeflijke misdaad in de oogen van veel jonge mannen onder ’t volk, die er achterkwamen door welke handen hun vrouwen gepasseerd waren; van vaders, die hun aankomende dochtertjes thuis kregen op erbarmlijke manier.Het broeide en broeide al weken achtereen. Stilletjes kwamen ze ’s avonds hier of daar ver van het landhuis bij elkaar,quasiom een strootje te rooken en een praatje te houden, feitelijk om elkaar op te hitsen tegen den bruinen geweldenaar, die niets ontzag. En Jozef, die anders zoo goed wist, wat er gebeurde op ’t land, was dáármee geheel onbekend gebleven. Zijn ijdelheid, als over ’t paard getilde knecht, en zijn diepe minachting voor ’t „slavenvolk” maakten het hem onmogelijk zich zoo iets voor te stellen; zoo iets als verzet tegenhem.Hij wandelde terug naar huis, terwijl hij zag, dat de koehoeders het vee uit de weide terugdreven naar de kralen; en toen de duisternis geheel was gevallen, alles in orde was gerapporteerd door den inlander, die onder hem alsdjoeragandiende, sloot hij het voorgedeelte zijner woning, een afzonderlijk houten gebouwtje, half overdekt met klimplanten, waartusschen groote trossen bruidstranen hingen, zoo schilderachtig en lief, dat het overdag in ’tzonlicht eenlandelijke idylle was.Daarbinnen, bij zijn nu brandende koperen lamp, heel ouderwetsch van vorm, afkomstig nog van landheeren uittempo doeloe, ging Jozef rustig aan z’n administratie, aandachtig, voor elke letter die hij schreef, elk cijfer dat hij zette: eerst de boeken van z’n baas, daarna het bescheiden notitieboekje van hemzelf. Toen hij ermee klaar was en de trommel zou krijgen uit een kleine brandkast, om het geld te tellen, zond hij zijn jongen weg naar de kampong en sloot z’n huis ook achter; niet uit vrees, maar uit wantrouwen.Nauwkeurig telde hij alles met welgevallen na en sorteerde het geld in de vakjes van de trommel met zorg en liefde, tot hij het, na lange aanschouwing en stille berekening, weêr wegsloot, zijn eenvoudig maal deed met wat rijst en visch, doorgespoeld met een glas water; zijn lamp uitblies en zóó als hij was, zich met welbehagen uitstrekte in zijn niet zeer frisch en niet zeer zuiver ledikant.[10]’t Was donkere maan. De wachter tusschen het huis van den landheer en de woning van Jozef sloeg ten naasten bij op tijd met de groote bel onder de loods het geheele en halve uur.Juist stapte hij, huiverend van de koude nachtlucht, schurkend onder de over z’n naakte schouders geslagensarong, van de baleh-baleh, waarop hij had zitten soezen, naar den paal waar de bel hing aan een dwarshout,—toen hij ineens lang uit op den grond lag, in een ommezien gekneveld en gebonden, zonder dat hij iets gezien had of iets anders gehoord dan den doffen val van z’n eigen lichaam; maar voelen deed hij het des te beter. Het was een bejaard man. Men had hem overal buiten gelaten; hij wist rechtstreeks van niets en bemoeide zich met niets; maar niettemin begreep hij nu volkomen wat op het land zou gebeuren. Angstig, met wijd geopende oogen, keek hij in den donkeren nacht; hij zag schimmen flauw in het zwart der duisternis heen en weer bewegen; hij hoorde het zachte treden van de bloote voeten over den grond en het schuifelen van voortgaande lichamen tegen elkaar; en hoe weinig aanwijzing dit ook gaf, toch kon hij wel gissen wie het waren en vanwaar ze kwamen. In een dichte groep schoven ze nu, bijna niet hoorbaar, verder tot voor de woning van Jozef.Minuten en minuten was toen alles doodstil, met de gewone geluiden van den nacht, het kwaken der kikvorschen in de poelen, het geroep van den nachtuil in het hoog geboomte en het suizend gefluister der krekels in het groen.In eens sprong Jozef uit z’n bed en tegen een stoel aan, die met een harden slag omviel tegen den houten vloer; opgeschrikt, half slapend nog en in ’t minst zich geen rekenschap kunnende geven van wat er gebeurde en wat het doffe bonzen beduidde, dat zijn heele woning deed trillen. Maar ook ineens wist hij het, en begreep of kon zich ten minste voorstellen, wat de juiste toedracht was, en dat de zware djati-houten deur, door twee grendels en eenpalang pintoevan binnen gesloten, met een boomstam van buiten werd gerammeid. Voor het dreigend doodsgevaar, waarvan hij nu het volle gevoel had, stond Jozef in beraad wat te doen, zijn geladen jachtgeweer, dat hij op den tast van den muur gegrepen had, in de hand.Met een opwelling van woede en drift wilde hij de voordeur openen en er direct op los schieten; maar glurend door de reten van het vensterluik, zag hij het buiten stikdonker, zonder geluid van stemmen, die eenige aanwijzing gaven; en, die duisternis, onzekerheid en stilte deden zijn toorn weer vallen; angst ervoor in de plaats treden. Hij had lucifers bij de hand, maar durfde geen licht maken, en onder[11]de dof dreunende, regelmatige slagen van den boomstam kraakte en knarste de deur op haar hengsels, op ’t punt te bezwijken. Toen wendde hij zich naar den anderen kant, voelde en greep depalang pintoevan de achterdeur, schoof die zacht weg en de grendels terug, rukte haar met forschen greep ineens wijd open en deed een grooten sprong naar buiten, den vinger aan den trekker van zijn geweer.Het schot ging af, loos in de lucht, en als een gedolde os sloeg Jozef neêr, zonder een kreet, haast zonder eenig geluid. Een wild geschreeuw en geroep, schor en woest, van dozijnen stemmen klonk brullend, als van wilde dieren, over het veld en langs de boomen omhoog.De doffe slagen van den boomstam hielden op; de een na de ander ontbrandden deoborsin de handen van halfnaakte inlanders met zwart en wit bestreepte onherkenbaar gemaakte gezichten. Zij kwamen allen om het lichaam van Jozef staan, een oogenblik stil. Hij lag plat op den rug tusschen de struiken op het achtererf en uit zijn baadje stak, breed omzoomd door een grooter wordende bloedvlek, het lichtbruin, in het geschemer der toortsen fraai blinkend gevest van een kris, midden door het hart gestoken.De een, die het gedaan had, wees er op, triomfantelijk, met z’n wijsvinger, dansend van plezier; maar de anderen waren teleurgesteld in hun wraak. Ze hadden ieder hun aandeel willen hebben in zijn dood; elk hunner had zijn stil idee gehad over een toe te brengen slag of stoot. Nu was hij dadelijk gestorven aan den meesterlijken krissteek, in de duisternis toegebracht met de zekerheid en de vastheid van hand van den toréador, die zijn degen plant tusschen de horens van den stier en hem doet knielen. De eens opgekomen moordlust van onderdrukten en lafhartigen nam daarmee geen genoegen. Ze staken met hun lansen, ze hakten met hunarietsenparangswaar ze het doode lichaam slechts konden raken; ze sneden er stukken en ledematen af op de gruwelijkste manier, wel een half uur achtereen, tot ze er zelfbosènvan waren en het vormlooze lijk als ’t ware over den pagger jonasten, naar buiten. Het omwonende volk en het dienstpersoneel van het landhuis, door het rumoer en het aanslaan der honden ontwaakt, was eerst naar buiten geloopen, loerend in de duisternis, maar toen ze zagen, of althans begrepen, wat er voorviel, en dat er geketjoed werd, had ieder zich zoo gauw mogelijk teruggetrokken, z’n huisje gesloten en dat, bevend van angst en zoo goed en zoo kwaad het ging, van binnen gebarricadeerd.In de woning van Jozef was het nu een plunderen en rampassen,[12]uren lang. Met de grootste moeite en ten koste van veel wapenen, werd de kleine brandkast geforceerd, want de sleutel, dien Jozef altijd op een bepaalde plaats verborg, was niet te vinden.De trommel werd opengebroken; van het geld greep ieder in de ruwte wat hij machtig kon worden; onder luid en verward geschreeuw en als krankzinnigen sprongen ze rond, alles stukslaande met de grootste woede, tot er niets meer was om te vernielen.Een hooge vlam, het geboomte der omgeving van onder verlichtend met heldere rozeroode tinten, en mooi goudrood in de toppen, steeg toen op uit een dikke rookwolk, die snel omhoog trok als een grijze zuil; deoborswaren gedoofd, de daders van het gruwelstuk links en rechts over de donkere, smalle wegen en in de velden verdwenen, en alsof het afgesproken werk was, had toen een der bedienden van het landhuis in eens den moed naar buiten te komen om het brandsignaal op detongtongluid en akelig te doen weergalmen door de lucht.Was het homberpartijtje bij Uhlstra laat begonnen,—het duurde daarom niet minder lang, en Twissels had zijn eigenaardig woord gehouden of het een evangelie was.Hij speelde groote spellen van allerlei soort, maar of het „ossen” waren dan wel „snippertjes”,—hij haalde ze erdoor, het eene zoo goed als het andere. Toen het drie uur sloeg in den nacht, meende Geber, een beetje uit zijn humeur over zijn aanhoudendedéveine, dat men wel den laatstensans prendrebepalen kon.Twissels wou er drie in plaats van één, maar zijn partners hadden er geen zin in en stemden als naar gewoonte enkel toe, dat een verloren spel niet meetellen zou.Geber annonceerde het eerst „een kleintje” dat hij codille verloor.„Heb je nu ooit zoo’n weerlichtschenPechgezien?” riep hij kwaad met z’n vuist op de speeltafel slaande. „Dat’s nou de tweede keer in een half uur.”„Ja, het loopt je niet mee,” troostte Uhlstra, „maar ’t kan verkeeren.”En Twissels, spottend, met een zacht, fijn dameslachje, terwijl hij de fiches opstreek:„Alle goede dingen bestaan in drieën.”Hij had de woorden nauwelijks gesproken of de bediende van Uhlstra, die aan den ingang van het voorerf zat, kwam met een verschrikt gezicht naar binnen, en ging staan aan ’t hoekje van de speeltafel, tusschen Geber en z’n meester.[13]„Wat is er?” vroeg Uhlstra in ’t maleisch en eenigszins ruw, verstoord over zoo’n ongewone vrijpostigheid.De huisjongen wees met z’n duim over den rooden kraag van zijn dienstbaadje naar buiten.„Er is eenboedjangvan Koeningan.”„Wat mot hij?” vroeg Geber, z’n nieuwe spel, door Twissels uitgegeven, weer neêrleggend.„Hij zegt dat ertjilakais.”„Wat dan!” riepen Uhlstra en Geber allebei ongeduldig.„Hij zegt,” ging de Maleier met groote kalmte voort, „dat er geketjoed is bij mijnheer; dat het huis in brand staat entoeanJoop al dood is.”Verwezen keken zij elkaâr aan, alle drie. Geber zeer bleek en ontsteld, Uhlstra met een rooden gloed op z’n bruin gezicht; de eerste sprong driftig op en riep denboedjang, die voor aan ’t erf was blijven staan, met uitgestrekten arm hem wenkend, naar binnen. De arme inlander kwam op zijn doorgeloopen voeten en tot de knieën grijs van ’t stof van den weg, half kruipend, naar de breede marmeren galerij, neêrhurkend op de onderste trede.—Wat hij vertelde was niet meer dan hij had meêgedeeld aan den huisjongen; hij wist er zelf niet meer van.Het luide spreken, de uitroepen en vloeken der mannen, verward klinkend door de binnengalerij het huis in, hadden mevrouw Uhlstra uit den slaap gewekt. Uit haar kamer liep ze haastig naar voren, de dikke figuur in een wijde slobberkabaai, het haar onder ’t loopen draaiend in een kondé. Toen ze hoorde wat er gebeurd was, ontsteld, vol vrees voor het lot van haar eigen kinderen op hun eigen daaraan grenzend land, trachtte zij in een luiden woordenstroom meer van den boodschapper te weten te komen, den armen drommel dooreen schuddend als kon ze uit hem strooien, wat zij meende dat er in zat. Maar het maakte hem zoobingoeng, dat hij ten sjotte heelemaal niets wist. Toen waren ook Roos en de andere meisjes verschenen, allen op het noodlottig bericht door vrees en schrik overmand, bleek, met tranen in de oogen, jammerend door elkaar. Het werd erger toen Uhlstra last gaf den koetsier te wekken, om dadelijk z’naméricainete laten voorkomen met z’n beste paarden. Ze wilden hem met geweld terughouden, bevreesd voor zijn veiligheid. In den donkeren nacht namen de ideeën van moord en brandstichting reusachtige verbindingen aan; alleen Twissels, die op zijn winst een extra-grogje had genomen en nu tegen een pilaar leunde, zijn groot zwart vest vooruit als een kolossale inktvlek, onderging dien invloed niet; hij lachte fijntjes en kleintjes, doch niemand keek naar hem onder het zenuwachtig rumoer, en met ’n zoet stemmetje[14]zei hij bij zichzelf, heel hoog: „Die vrouwen, die vrouwen!”Uhlstra, zoo goedhartig als hij was, viel niet af te brengen van z’n besluit. Hij kende het volk, en zijn geweten was volkomen zuiver. Als er iets aan de hand was, moest hij erbij zijn; er kon van komen wat er wou.„Ik ga met je mee,” zei Geber aarzelend, als iemand die fatsoenshalve niet anders zeggen kan, maar flauwtjes en zonder enthousiasme. Eigenlijk was hij, schoon voor den vorm nog wat aandringend, blij, dat Uhlstra het beslist weigerde. Het was maar beter dat hij achterbleef; wat gedaan was, was gedaan en viel niet meer te verhelpen.De paarden vlogen over den weg: toch ging het Uhlstra veel te langzaam. Toen het even begon te dagen, naderde hij de grenzen van z’n land. Alles was stil en rustig als naar gewoonte, wat hij in z’n opgewondenheid haast onbegrijpelijk vond, en toen hij een half uur later in den grijzen schemer de laan opreed naar zijn oude landhuis, en zag hoe reeds enkele lieden er vroeg bij waren om hun gras te pikollen voor het vee in zijn stallen, ontgleed hem een diepe zucht van verlichting. Hier althans was niets gebeurd; dáár had hij nu op durven zweren.Met een verwonderd maar blij gezicht kwam z’n zoon Henri, volmaakt zijn jongere individualiteit, hem op het erf tegemoet.„Dag pa, dat is verduiveld vlug!”„Is het waar?” vroeg Uhlstra, uit het rijtuig springend, blij en ontroerd den zoon de hand drukkend, die zoo gaaf en ongerept nu voor hem stond.Henri knikte met een gewichtig, bedenkelijk gezicht.„Akelig waar,” bevestigde hij met kwalijk verborgenSchadenfreude. „Het is voor Geber een leelijk gevalletje.”„En is Joop dood?”„Naar ik hoor, zoo dood als een pier; ze moeten hem verschrikkelijk hebben gehavend! Enfin, het is mijnheer Geber’s eigen schuld. Waarom laat hij zoo’n smeerlap heer en meester op het land?”De vader antwoordde er niet op. Wat gaf het?„Laat maar even verspannen,” zei hij met een blik op z’n dampende paarden, die werden afgewreven.Maar daar wou Henri niet van hooren en zijn jonge vrouw evenmin. Ze brachten den vader nu weêr aan ’t verstand, dat het heele geval eigenlijk weinig om het lijf had; dat de vermoorde absoluut niets had dan zijn verdiend loon. Als Europeanen zich niet ontzagen hun zaken door zulk gemeen en laag volk te doen beheeren, was het beneden de waardigheid van een fatsoenlijk landeigenaar of administrateur zich met de gevolgen daarvan in te laten.[15]Uhlstra, voorloopig gerustgesteld en hongerig na den slapeloozen nacht en den langen rit in de frissche ochtendlucht, liet hen maar praten en ging mee het landhuis binnen, met een geweldigen trek in een kop sterke koffie, die hij ook dadelijk van z’n schoondochter kreeg. Nu het inderdaad niet erger bleek te zijn dan de inlander had geboodschapt, had hij zoo’n groote haast niet, en wilde wel eens vooraf Henri en Lize uithooren.Dat ging gemakkelijk genoeg; hij had slechts te luisteren naar het relaas der geweldenarijen van den vermoorden hoofdmandoor op Koeningan. Henri kwam daarbij altijdweêrterug op hetzelfde uitgangspunt: het was alles de schuld van Geber. Een europeesch landheer moest fatsoenlijke europeesche jongelui en niet zulke vreemde schooiers in dienst nemen, herhaalde hij voor de zooveelste maal.Een uur later moest er toch voor Uhlstra worden ingespannen. Hij had Geber beloofd alles te onderzoeken; belofte maakt schuld, en hoewel Henri nu weêr beweerde dat het gevaarlijk en bovendien onnoodig was, wijl men den assistent-resident had kennis gegeven, reed Uhlstra naar Koeningan, en zijn zoon,à fondnieuwsgierig om te zien hoe ze dien smeerlapgetjientjangdhadden, ging mee.

TWEEDE HOOFDSTUK.Jozef en zijne vijanden.

De rijstoogst op Koeningan was al binnen, en bij het dalend licht van den ondergaanden dag zagen de nu dorre en stoppelige velden, zich ver uitstrekkend naar alle zijden, er somber en eentonig uit. Slechts van den kant der groote weiden, waar een mooie kudde bengaalsche koeien haar avondmaal deed in ’t welig gras, was het een frisch en levendig gezicht: het lichtvale der opkomende schemering, gebroken door de roodbonte en zwart-wit gevlekte robes van het zacht bewegend vee, tegen den groenen achtergrond van hellend boschterrein.Op een der smalle wegjes, die het land doorkruisten, wandelde Geber’sfactotum, de hoofdmandoor, Jozef, een dikken koffiestok over de schouders, de beide handen over de einden bengelend, rustig zijn strootje rookend. Hij had het vèr gebracht. Wie hij eigenlijk was en waar hij vandaan kwam, toen hij voor jaren in dienst van Geber trad, kon niemand zeggen. Zijn europeesche voornaam, die hem tevens tot geslachtsnaam diende, mocht doen denken aan een christen, maar daarvan was nooit iets gebleken.Zijn kloeke, vierkante gestalte, zijn vrije houding, zijn knappe kop met gitzwarte knevel en kort geknipt baardje boven langs de ooren, wezen wel uit dat hij geen maleier of javaan was, zelfs niet iemand van inlandsche herkomst, maar meer ook niet; hij kon even goed afkomstig zijn uit Arabië als uit Bengalen.Nu Geber er niet was, berustte het beheer van het land geheel in zijn handen en hij gaf daarbij, althans op het papier, blijk van een administratieve geschiktheid, die voor zulk een man, wat werken betrof in alle opzichten eenself-made-man, zeer bijzonder was.[8]Ja, hijhadhet ver gebracht; niemand was meer overtuigd van zijn verdiensten dan hij zelf. Nu en dan stond hij eens stil en liet zijn groote blinkende, zwarte oogen over den omtrek gaan met hetairvan een heer en meester.Hij zou het nog wel verder brengen, dacht hij; om daartoe te komen, was hij naar zijn oordeel op den goeden weg.Reeds toen Geber nog zelf het land bestuurde, en hij metterdaad niet veel meer was danmandoor, had hij zich bijverdiensten weten te bezorgen. Nooit ten nadeele van den heer Geber, dáár zou hij zich niet aan gewaagd hebben; die kreeg altijd wat hem toekwam; maar ten koste der bevolking, die hem vreesde, meer dan den eigenaar van het land. Nu hij in de laatste maanden haast onbeperkte vrijheid van handelen had gehad, was zijn spaarpot buitengewoon zwaar geworden.Hij had op zijn wijze de duimschroeven eens aangezet, met de diepste minachting voor de inlandsche bevolking en haar wel en wee; zonder zich in het minst te bekommeren om de milde wijze, waarop Geber steeds tegenover den kleinen man liet handelen, of om hetgeen, in dat opzicht, bij de wet was bepaald. Hij hield er huis onder op zijn manier, nu inderdaad het „hek van den dam” was, en in zijn hevigen lust zooveel geld bijeen te brengen tot hij zelf een landje kon koopen, entoewan tanahworden, deinsde hij voor niets terug.Geber en de Uhlstra’s minachtte hij in stilte om hun gemoedelijkheid tegenover het volk, en hun goedheid en royaliteit, die hen lang niet zooveel deden heffen, als waarop zij het striktste recht hadden, ja, die hen tot de dwaasheid brachten belangstelling te toonen voor dat leugenachtig en kruipend slavenvolk, dat ze met geld en vee bijsprongen en zelfs gratis dokterden, als er ziekte heerschte.Zoo het volk van Koeningan Jozef haatte als de pest, omdat hij het afzette en onbeschaamd bestal op zijn producten, op zijn arbeid en op zijn geld,—dat alles was nog het ergste niet. Het volk was al zooveel eeuwen lang door parasieten, inlandsche of anderen, geperst en geknepen, dat wat meer of minder wel een groot verschil maakte, maar ieder toch zijn lot in stilte droeg. En waren er soms, die mopperden en tegenstribbelden, dan maakte al heel gauw de dikke stok van Jozef kennis met hun schouderbladen, en voelden ze nog dagen lang, dat het maar beter was te zwijgen.Eén ding echter verdroegen ze niet, en dat ééne had hun haat opgevoerd tot wraakzucht. Sedert Jozef naar willekeur op het land den baas speelde, vierde hij zijn lusten den teugel. Vroeger kneep hij wel de kat in het donker en haalde stukjes uit, die minder te pas[9]kwamen, maar hij deed dat, uit vrees voor Geber, met groote omzichtigheid en in alle stilte. Tegenwoordig kon hij in de kampongs en op ’t veld letterlijk geen vrouw met rust laten.Openlijk permitteerde hij zich allerlei vrijheden en valsche handgrepen, en om ze naar zijn wil te krijgen beproefde hij van alles, list en geweld.Door die middelen kreeg hij haast altijd gedaan wat hij verlangde; zijn gunstig uiterlijk van mooien oosterling deed het overige. Dàt was zijn onvergeeflijke misdaad in de oogen van veel jonge mannen onder ’t volk, die er achterkwamen door welke handen hun vrouwen gepasseerd waren; van vaders, die hun aankomende dochtertjes thuis kregen op erbarmlijke manier.Het broeide en broeide al weken achtereen. Stilletjes kwamen ze ’s avonds hier of daar ver van het landhuis bij elkaar,quasiom een strootje te rooken en een praatje te houden, feitelijk om elkaar op te hitsen tegen den bruinen geweldenaar, die niets ontzag. En Jozef, die anders zoo goed wist, wat er gebeurde op ’t land, was dáármee geheel onbekend gebleven. Zijn ijdelheid, als over ’t paard getilde knecht, en zijn diepe minachting voor ’t „slavenvolk” maakten het hem onmogelijk zich zoo iets voor te stellen; zoo iets als verzet tegenhem.Hij wandelde terug naar huis, terwijl hij zag, dat de koehoeders het vee uit de weide terugdreven naar de kralen; en toen de duisternis geheel was gevallen, alles in orde was gerapporteerd door den inlander, die onder hem alsdjoeragandiende, sloot hij het voorgedeelte zijner woning, een afzonderlijk houten gebouwtje, half overdekt met klimplanten, waartusschen groote trossen bruidstranen hingen, zoo schilderachtig en lief, dat het overdag in ’tzonlicht eenlandelijke idylle was.Daarbinnen, bij zijn nu brandende koperen lamp, heel ouderwetsch van vorm, afkomstig nog van landheeren uittempo doeloe, ging Jozef rustig aan z’n administratie, aandachtig, voor elke letter die hij schreef, elk cijfer dat hij zette: eerst de boeken van z’n baas, daarna het bescheiden notitieboekje van hemzelf. Toen hij ermee klaar was en de trommel zou krijgen uit een kleine brandkast, om het geld te tellen, zond hij zijn jongen weg naar de kampong en sloot z’n huis ook achter; niet uit vrees, maar uit wantrouwen.Nauwkeurig telde hij alles met welgevallen na en sorteerde het geld in de vakjes van de trommel met zorg en liefde, tot hij het, na lange aanschouwing en stille berekening, weêr wegsloot, zijn eenvoudig maal deed met wat rijst en visch, doorgespoeld met een glas water; zijn lamp uitblies en zóó als hij was, zich met welbehagen uitstrekte in zijn niet zeer frisch en niet zeer zuiver ledikant.[10]’t Was donkere maan. De wachter tusschen het huis van den landheer en de woning van Jozef sloeg ten naasten bij op tijd met de groote bel onder de loods het geheele en halve uur.Juist stapte hij, huiverend van de koude nachtlucht, schurkend onder de over z’n naakte schouders geslagensarong, van de baleh-baleh, waarop hij had zitten soezen, naar den paal waar de bel hing aan een dwarshout,—toen hij ineens lang uit op den grond lag, in een ommezien gekneveld en gebonden, zonder dat hij iets gezien had of iets anders gehoord dan den doffen val van z’n eigen lichaam; maar voelen deed hij het des te beter. Het was een bejaard man. Men had hem overal buiten gelaten; hij wist rechtstreeks van niets en bemoeide zich met niets; maar niettemin begreep hij nu volkomen wat op het land zou gebeuren. Angstig, met wijd geopende oogen, keek hij in den donkeren nacht; hij zag schimmen flauw in het zwart der duisternis heen en weer bewegen; hij hoorde het zachte treden van de bloote voeten over den grond en het schuifelen van voortgaande lichamen tegen elkaar; en hoe weinig aanwijzing dit ook gaf, toch kon hij wel gissen wie het waren en vanwaar ze kwamen. In een dichte groep schoven ze nu, bijna niet hoorbaar, verder tot voor de woning van Jozef.Minuten en minuten was toen alles doodstil, met de gewone geluiden van den nacht, het kwaken der kikvorschen in de poelen, het geroep van den nachtuil in het hoog geboomte en het suizend gefluister der krekels in het groen.In eens sprong Jozef uit z’n bed en tegen een stoel aan, die met een harden slag omviel tegen den houten vloer; opgeschrikt, half slapend nog en in ’t minst zich geen rekenschap kunnende geven van wat er gebeurde en wat het doffe bonzen beduidde, dat zijn heele woning deed trillen. Maar ook ineens wist hij het, en begreep of kon zich ten minste voorstellen, wat de juiste toedracht was, en dat de zware djati-houten deur, door twee grendels en eenpalang pintoevan binnen gesloten, met een boomstam van buiten werd gerammeid. Voor het dreigend doodsgevaar, waarvan hij nu het volle gevoel had, stond Jozef in beraad wat te doen, zijn geladen jachtgeweer, dat hij op den tast van den muur gegrepen had, in de hand.Met een opwelling van woede en drift wilde hij de voordeur openen en er direct op los schieten; maar glurend door de reten van het vensterluik, zag hij het buiten stikdonker, zonder geluid van stemmen, die eenige aanwijzing gaven; en, die duisternis, onzekerheid en stilte deden zijn toorn weer vallen; angst ervoor in de plaats treden. Hij had lucifers bij de hand, maar durfde geen licht maken, en onder[11]de dof dreunende, regelmatige slagen van den boomstam kraakte en knarste de deur op haar hengsels, op ’t punt te bezwijken. Toen wendde hij zich naar den anderen kant, voelde en greep depalang pintoevan de achterdeur, schoof die zacht weg en de grendels terug, rukte haar met forschen greep ineens wijd open en deed een grooten sprong naar buiten, den vinger aan den trekker van zijn geweer.Het schot ging af, loos in de lucht, en als een gedolde os sloeg Jozef neêr, zonder een kreet, haast zonder eenig geluid. Een wild geschreeuw en geroep, schor en woest, van dozijnen stemmen klonk brullend, als van wilde dieren, over het veld en langs de boomen omhoog.De doffe slagen van den boomstam hielden op; de een na de ander ontbrandden deoborsin de handen van halfnaakte inlanders met zwart en wit bestreepte onherkenbaar gemaakte gezichten. Zij kwamen allen om het lichaam van Jozef staan, een oogenblik stil. Hij lag plat op den rug tusschen de struiken op het achtererf en uit zijn baadje stak, breed omzoomd door een grooter wordende bloedvlek, het lichtbruin, in het geschemer der toortsen fraai blinkend gevest van een kris, midden door het hart gestoken.De een, die het gedaan had, wees er op, triomfantelijk, met z’n wijsvinger, dansend van plezier; maar de anderen waren teleurgesteld in hun wraak. Ze hadden ieder hun aandeel willen hebben in zijn dood; elk hunner had zijn stil idee gehad over een toe te brengen slag of stoot. Nu was hij dadelijk gestorven aan den meesterlijken krissteek, in de duisternis toegebracht met de zekerheid en de vastheid van hand van den toréador, die zijn degen plant tusschen de horens van den stier en hem doet knielen. De eens opgekomen moordlust van onderdrukten en lafhartigen nam daarmee geen genoegen. Ze staken met hun lansen, ze hakten met hunarietsenparangswaar ze het doode lichaam slechts konden raken; ze sneden er stukken en ledematen af op de gruwelijkste manier, wel een half uur achtereen, tot ze er zelfbosènvan waren en het vormlooze lijk als ’t ware over den pagger jonasten, naar buiten. Het omwonende volk en het dienstpersoneel van het landhuis, door het rumoer en het aanslaan der honden ontwaakt, was eerst naar buiten geloopen, loerend in de duisternis, maar toen ze zagen, of althans begrepen, wat er voorviel, en dat er geketjoed werd, had ieder zich zoo gauw mogelijk teruggetrokken, z’n huisje gesloten en dat, bevend van angst en zoo goed en zoo kwaad het ging, van binnen gebarricadeerd.In de woning van Jozef was het nu een plunderen en rampassen,[12]uren lang. Met de grootste moeite en ten koste van veel wapenen, werd de kleine brandkast geforceerd, want de sleutel, dien Jozef altijd op een bepaalde plaats verborg, was niet te vinden.De trommel werd opengebroken; van het geld greep ieder in de ruwte wat hij machtig kon worden; onder luid en verward geschreeuw en als krankzinnigen sprongen ze rond, alles stukslaande met de grootste woede, tot er niets meer was om te vernielen.Een hooge vlam, het geboomte der omgeving van onder verlichtend met heldere rozeroode tinten, en mooi goudrood in de toppen, steeg toen op uit een dikke rookwolk, die snel omhoog trok als een grijze zuil; deoborswaren gedoofd, de daders van het gruwelstuk links en rechts over de donkere, smalle wegen en in de velden verdwenen, en alsof het afgesproken werk was, had toen een der bedienden van het landhuis in eens den moed naar buiten te komen om het brandsignaal op detongtongluid en akelig te doen weergalmen door de lucht.Was het homberpartijtje bij Uhlstra laat begonnen,—het duurde daarom niet minder lang, en Twissels had zijn eigenaardig woord gehouden of het een evangelie was.Hij speelde groote spellen van allerlei soort, maar of het „ossen” waren dan wel „snippertjes”,—hij haalde ze erdoor, het eene zoo goed als het andere. Toen het drie uur sloeg in den nacht, meende Geber, een beetje uit zijn humeur over zijn aanhoudendedéveine, dat men wel den laatstensans prendrebepalen kon.Twissels wou er drie in plaats van één, maar zijn partners hadden er geen zin in en stemden als naar gewoonte enkel toe, dat een verloren spel niet meetellen zou.Geber annonceerde het eerst „een kleintje” dat hij codille verloor.„Heb je nu ooit zoo’n weerlichtschenPechgezien?” riep hij kwaad met z’n vuist op de speeltafel slaande. „Dat’s nou de tweede keer in een half uur.”„Ja, het loopt je niet mee,” troostte Uhlstra, „maar ’t kan verkeeren.”En Twissels, spottend, met een zacht, fijn dameslachje, terwijl hij de fiches opstreek:„Alle goede dingen bestaan in drieën.”Hij had de woorden nauwelijks gesproken of de bediende van Uhlstra, die aan den ingang van het voorerf zat, kwam met een verschrikt gezicht naar binnen, en ging staan aan ’t hoekje van de speeltafel, tusschen Geber en z’n meester.[13]„Wat is er?” vroeg Uhlstra in ’t maleisch en eenigszins ruw, verstoord over zoo’n ongewone vrijpostigheid.De huisjongen wees met z’n duim over den rooden kraag van zijn dienstbaadje naar buiten.„Er is eenboedjangvan Koeningan.”„Wat mot hij?” vroeg Geber, z’n nieuwe spel, door Twissels uitgegeven, weer neêrleggend.„Hij zegt dat ertjilakais.”„Wat dan!” riepen Uhlstra en Geber allebei ongeduldig.„Hij zegt,” ging de Maleier met groote kalmte voort, „dat er geketjoed is bij mijnheer; dat het huis in brand staat entoeanJoop al dood is.”Verwezen keken zij elkaâr aan, alle drie. Geber zeer bleek en ontsteld, Uhlstra met een rooden gloed op z’n bruin gezicht; de eerste sprong driftig op en riep denboedjang, die voor aan ’t erf was blijven staan, met uitgestrekten arm hem wenkend, naar binnen. De arme inlander kwam op zijn doorgeloopen voeten en tot de knieën grijs van ’t stof van den weg, half kruipend, naar de breede marmeren galerij, neêrhurkend op de onderste trede.—Wat hij vertelde was niet meer dan hij had meêgedeeld aan den huisjongen; hij wist er zelf niet meer van.Het luide spreken, de uitroepen en vloeken der mannen, verward klinkend door de binnengalerij het huis in, hadden mevrouw Uhlstra uit den slaap gewekt. Uit haar kamer liep ze haastig naar voren, de dikke figuur in een wijde slobberkabaai, het haar onder ’t loopen draaiend in een kondé. Toen ze hoorde wat er gebeurd was, ontsteld, vol vrees voor het lot van haar eigen kinderen op hun eigen daaraan grenzend land, trachtte zij in een luiden woordenstroom meer van den boodschapper te weten te komen, den armen drommel dooreen schuddend als kon ze uit hem strooien, wat zij meende dat er in zat. Maar het maakte hem zoobingoeng, dat hij ten sjotte heelemaal niets wist. Toen waren ook Roos en de andere meisjes verschenen, allen op het noodlottig bericht door vrees en schrik overmand, bleek, met tranen in de oogen, jammerend door elkaar. Het werd erger toen Uhlstra last gaf den koetsier te wekken, om dadelijk z’naméricainete laten voorkomen met z’n beste paarden. Ze wilden hem met geweld terughouden, bevreesd voor zijn veiligheid. In den donkeren nacht namen de ideeën van moord en brandstichting reusachtige verbindingen aan; alleen Twissels, die op zijn winst een extra-grogje had genomen en nu tegen een pilaar leunde, zijn groot zwart vest vooruit als een kolossale inktvlek, onderging dien invloed niet; hij lachte fijntjes en kleintjes, doch niemand keek naar hem onder het zenuwachtig rumoer, en met ’n zoet stemmetje[14]zei hij bij zichzelf, heel hoog: „Die vrouwen, die vrouwen!”Uhlstra, zoo goedhartig als hij was, viel niet af te brengen van z’n besluit. Hij kende het volk, en zijn geweten was volkomen zuiver. Als er iets aan de hand was, moest hij erbij zijn; er kon van komen wat er wou.„Ik ga met je mee,” zei Geber aarzelend, als iemand die fatsoenshalve niet anders zeggen kan, maar flauwtjes en zonder enthousiasme. Eigenlijk was hij, schoon voor den vorm nog wat aandringend, blij, dat Uhlstra het beslist weigerde. Het was maar beter dat hij achterbleef; wat gedaan was, was gedaan en viel niet meer te verhelpen.De paarden vlogen over den weg: toch ging het Uhlstra veel te langzaam. Toen het even begon te dagen, naderde hij de grenzen van z’n land. Alles was stil en rustig als naar gewoonte, wat hij in z’n opgewondenheid haast onbegrijpelijk vond, en toen hij een half uur later in den grijzen schemer de laan opreed naar zijn oude landhuis, en zag hoe reeds enkele lieden er vroeg bij waren om hun gras te pikollen voor het vee in zijn stallen, ontgleed hem een diepe zucht van verlichting. Hier althans was niets gebeurd; dáár had hij nu op durven zweren.Met een verwonderd maar blij gezicht kwam z’n zoon Henri, volmaakt zijn jongere individualiteit, hem op het erf tegemoet.„Dag pa, dat is verduiveld vlug!”„Is het waar?” vroeg Uhlstra, uit het rijtuig springend, blij en ontroerd den zoon de hand drukkend, die zoo gaaf en ongerept nu voor hem stond.Henri knikte met een gewichtig, bedenkelijk gezicht.„Akelig waar,” bevestigde hij met kwalijk verborgenSchadenfreude. „Het is voor Geber een leelijk gevalletje.”„En is Joop dood?”„Naar ik hoor, zoo dood als een pier; ze moeten hem verschrikkelijk hebben gehavend! Enfin, het is mijnheer Geber’s eigen schuld. Waarom laat hij zoo’n smeerlap heer en meester op het land?”De vader antwoordde er niet op. Wat gaf het?„Laat maar even verspannen,” zei hij met een blik op z’n dampende paarden, die werden afgewreven.Maar daar wou Henri niet van hooren en zijn jonge vrouw evenmin. Ze brachten den vader nu weêr aan ’t verstand, dat het heele geval eigenlijk weinig om het lijf had; dat de vermoorde absoluut niets had dan zijn verdiend loon. Als Europeanen zich niet ontzagen hun zaken door zulk gemeen en laag volk te doen beheeren, was het beneden de waardigheid van een fatsoenlijk landeigenaar of administrateur zich met de gevolgen daarvan in te laten.[15]Uhlstra, voorloopig gerustgesteld en hongerig na den slapeloozen nacht en den langen rit in de frissche ochtendlucht, liet hen maar praten en ging mee het landhuis binnen, met een geweldigen trek in een kop sterke koffie, die hij ook dadelijk van z’n schoondochter kreeg. Nu het inderdaad niet erger bleek te zijn dan de inlander had geboodschapt, had hij zoo’n groote haast niet, en wilde wel eens vooraf Henri en Lize uithooren.Dat ging gemakkelijk genoeg; hij had slechts te luisteren naar het relaas der geweldenarijen van den vermoorden hoofdmandoor op Koeningan. Henri kwam daarbij altijdweêrterug op hetzelfde uitgangspunt: het was alles de schuld van Geber. Een europeesch landheer moest fatsoenlijke europeesche jongelui en niet zulke vreemde schooiers in dienst nemen, herhaalde hij voor de zooveelste maal.Een uur later moest er toch voor Uhlstra worden ingespannen. Hij had Geber beloofd alles te onderzoeken; belofte maakt schuld, en hoewel Henri nu weêr beweerde dat het gevaarlijk en bovendien onnoodig was, wijl men den assistent-resident had kennis gegeven, reed Uhlstra naar Koeningan, en zijn zoon,à fondnieuwsgierig om te zien hoe ze dien smeerlapgetjientjangdhadden, ging mee.

De rijstoogst op Koeningan was al binnen, en bij het dalend licht van den ondergaanden dag zagen de nu dorre en stoppelige velden, zich ver uitstrekkend naar alle zijden, er somber en eentonig uit. Slechts van den kant der groote weiden, waar een mooie kudde bengaalsche koeien haar avondmaal deed in ’t welig gras, was het een frisch en levendig gezicht: het lichtvale der opkomende schemering, gebroken door de roodbonte en zwart-wit gevlekte robes van het zacht bewegend vee, tegen den groenen achtergrond van hellend boschterrein.

Op een der smalle wegjes, die het land doorkruisten, wandelde Geber’sfactotum, de hoofdmandoor, Jozef, een dikken koffiestok over de schouders, de beide handen over de einden bengelend, rustig zijn strootje rookend. Hij had het vèr gebracht. Wie hij eigenlijk was en waar hij vandaan kwam, toen hij voor jaren in dienst van Geber trad, kon niemand zeggen. Zijn europeesche voornaam, die hem tevens tot geslachtsnaam diende, mocht doen denken aan een christen, maar daarvan was nooit iets gebleken.

Zijn kloeke, vierkante gestalte, zijn vrije houding, zijn knappe kop met gitzwarte knevel en kort geknipt baardje boven langs de ooren, wezen wel uit dat hij geen maleier of javaan was, zelfs niet iemand van inlandsche herkomst, maar meer ook niet; hij kon even goed afkomstig zijn uit Arabië als uit Bengalen.

Nu Geber er niet was, berustte het beheer van het land geheel in zijn handen en hij gaf daarbij, althans op het papier, blijk van een administratieve geschiktheid, die voor zulk een man, wat werken betrof in alle opzichten eenself-made-man, zeer bijzonder was.[8]

Ja, hijhadhet ver gebracht; niemand was meer overtuigd van zijn verdiensten dan hij zelf. Nu en dan stond hij eens stil en liet zijn groote blinkende, zwarte oogen over den omtrek gaan met hetairvan een heer en meester.

Hij zou het nog wel verder brengen, dacht hij; om daartoe te komen, was hij naar zijn oordeel op den goeden weg.

Reeds toen Geber nog zelf het land bestuurde, en hij metterdaad niet veel meer was danmandoor, had hij zich bijverdiensten weten te bezorgen. Nooit ten nadeele van den heer Geber, dáár zou hij zich niet aan gewaagd hebben; die kreeg altijd wat hem toekwam; maar ten koste der bevolking, die hem vreesde, meer dan den eigenaar van het land. Nu hij in de laatste maanden haast onbeperkte vrijheid van handelen had gehad, was zijn spaarpot buitengewoon zwaar geworden.

Hij had op zijn wijze de duimschroeven eens aangezet, met de diepste minachting voor de inlandsche bevolking en haar wel en wee; zonder zich in het minst te bekommeren om de milde wijze, waarop Geber steeds tegenover den kleinen man liet handelen, of om hetgeen, in dat opzicht, bij de wet was bepaald. Hij hield er huis onder op zijn manier, nu inderdaad het „hek van den dam” was, en in zijn hevigen lust zooveel geld bijeen te brengen tot hij zelf een landje kon koopen, entoewan tanahworden, deinsde hij voor niets terug.

Geber en de Uhlstra’s minachtte hij in stilte om hun gemoedelijkheid tegenover het volk, en hun goedheid en royaliteit, die hen lang niet zooveel deden heffen, als waarop zij het striktste recht hadden, ja, die hen tot de dwaasheid brachten belangstelling te toonen voor dat leugenachtig en kruipend slavenvolk, dat ze met geld en vee bijsprongen en zelfs gratis dokterden, als er ziekte heerschte.

Zoo het volk van Koeningan Jozef haatte als de pest, omdat hij het afzette en onbeschaamd bestal op zijn producten, op zijn arbeid en op zijn geld,—dat alles was nog het ergste niet. Het volk was al zooveel eeuwen lang door parasieten, inlandsche of anderen, geperst en geknepen, dat wat meer of minder wel een groot verschil maakte, maar ieder toch zijn lot in stilte droeg. En waren er soms, die mopperden en tegenstribbelden, dan maakte al heel gauw de dikke stok van Jozef kennis met hun schouderbladen, en voelden ze nog dagen lang, dat het maar beter was te zwijgen.

Eén ding echter verdroegen ze niet, en dat ééne had hun haat opgevoerd tot wraakzucht. Sedert Jozef naar willekeur op het land den baas speelde, vierde hij zijn lusten den teugel. Vroeger kneep hij wel de kat in het donker en haalde stukjes uit, die minder te pas[9]kwamen, maar hij deed dat, uit vrees voor Geber, met groote omzichtigheid en in alle stilte. Tegenwoordig kon hij in de kampongs en op ’t veld letterlijk geen vrouw met rust laten.

Openlijk permitteerde hij zich allerlei vrijheden en valsche handgrepen, en om ze naar zijn wil te krijgen beproefde hij van alles, list en geweld.

Door die middelen kreeg hij haast altijd gedaan wat hij verlangde; zijn gunstig uiterlijk van mooien oosterling deed het overige. Dàt was zijn onvergeeflijke misdaad in de oogen van veel jonge mannen onder ’t volk, die er achterkwamen door welke handen hun vrouwen gepasseerd waren; van vaders, die hun aankomende dochtertjes thuis kregen op erbarmlijke manier.

Het broeide en broeide al weken achtereen. Stilletjes kwamen ze ’s avonds hier of daar ver van het landhuis bij elkaar,quasiom een strootje te rooken en een praatje te houden, feitelijk om elkaar op te hitsen tegen den bruinen geweldenaar, die niets ontzag. En Jozef, die anders zoo goed wist, wat er gebeurde op ’t land, was dáármee geheel onbekend gebleven. Zijn ijdelheid, als over ’t paard getilde knecht, en zijn diepe minachting voor ’t „slavenvolk” maakten het hem onmogelijk zich zoo iets voor te stellen; zoo iets als verzet tegenhem.

Hij wandelde terug naar huis, terwijl hij zag, dat de koehoeders het vee uit de weide terugdreven naar de kralen; en toen de duisternis geheel was gevallen, alles in orde was gerapporteerd door den inlander, die onder hem alsdjoeragandiende, sloot hij het voorgedeelte zijner woning, een afzonderlijk houten gebouwtje, half overdekt met klimplanten, waartusschen groote trossen bruidstranen hingen, zoo schilderachtig en lief, dat het overdag in ’tzonlicht eenlandelijke idylle was.

Daarbinnen, bij zijn nu brandende koperen lamp, heel ouderwetsch van vorm, afkomstig nog van landheeren uittempo doeloe, ging Jozef rustig aan z’n administratie, aandachtig, voor elke letter die hij schreef, elk cijfer dat hij zette: eerst de boeken van z’n baas, daarna het bescheiden notitieboekje van hemzelf. Toen hij ermee klaar was en de trommel zou krijgen uit een kleine brandkast, om het geld te tellen, zond hij zijn jongen weg naar de kampong en sloot z’n huis ook achter; niet uit vrees, maar uit wantrouwen.

Nauwkeurig telde hij alles met welgevallen na en sorteerde het geld in de vakjes van de trommel met zorg en liefde, tot hij het, na lange aanschouwing en stille berekening, weêr wegsloot, zijn eenvoudig maal deed met wat rijst en visch, doorgespoeld met een glas water; zijn lamp uitblies en zóó als hij was, zich met welbehagen uitstrekte in zijn niet zeer frisch en niet zeer zuiver ledikant.[10]

’t Was donkere maan. De wachter tusschen het huis van den landheer en de woning van Jozef sloeg ten naasten bij op tijd met de groote bel onder de loods het geheele en halve uur.

Juist stapte hij, huiverend van de koude nachtlucht, schurkend onder de over z’n naakte schouders geslagensarong, van de baleh-baleh, waarop hij had zitten soezen, naar den paal waar de bel hing aan een dwarshout,—toen hij ineens lang uit op den grond lag, in een ommezien gekneveld en gebonden, zonder dat hij iets gezien had of iets anders gehoord dan den doffen val van z’n eigen lichaam; maar voelen deed hij het des te beter. Het was een bejaard man. Men had hem overal buiten gelaten; hij wist rechtstreeks van niets en bemoeide zich met niets; maar niettemin begreep hij nu volkomen wat op het land zou gebeuren. Angstig, met wijd geopende oogen, keek hij in den donkeren nacht; hij zag schimmen flauw in het zwart der duisternis heen en weer bewegen; hij hoorde het zachte treden van de bloote voeten over den grond en het schuifelen van voortgaande lichamen tegen elkaar; en hoe weinig aanwijzing dit ook gaf, toch kon hij wel gissen wie het waren en vanwaar ze kwamen. In een dichte groep schoven ze nu, bijna niet hoorbaar, verder tot voor de woning van Jozef.

Minuten en minuten was toen alles doodstil, met de gewone geluiden van den nacht, het kwaken der kikvorschen in de poelen, het geroep van den nachtuil in het hoog geboomte en het suizend gefluister der krekels in het groen.

In eens sprong Jozef uit z’n bed en tegen een stoel aan, die met een harden slag omviel tegen den houten vloer; opgeschrikt, half slapend nog en in ’t minst zich geen rekenschap kunnende geven van wat er gebeurde en wat het doffe bonzen beduidde, dat zijn heele woning deed trillen. Maar ook ineens wist hij het, en begreep of kon zich ten minste voorstellen, wat de juiste toedracht was, en dat de zware djati-houten deur, door twee grendels en eenpalang pintoevan binnen gesloten, met een boomstam van buiten werd gerammeid. Voor het dreigend doodsgevaar, waarvan hij nu het volle gevoel had, stond Jozef in beraad wat te doen, zijn geladen jachtgeweer, dat hij op den tast van den muur gegrepen had, in de hand.

Met een opwelling van woede en drift wilde hij de voordeur openen en er direct op los schieten; maar glurend door de reten van het vensterluik, zag hij het buiten stikdonker, zonder geluid van stemmen, die eenige aanwijzing gaven; en, die duisternis, onzekerheid en stilte deden zijn toorn weer vallen; angst ervoor in de plaats treden. Hij had lucifers bij de hand, maar durfde geen licht maken, en onder[11]de dof dreunende, regelmatige slagen van den boomstam kraakte en knarste de deur op haar hengsels, op ’t punt te bezwijken. Toen wendde hij zich naar den anderen kant, voelde en greep depalang pintoevan de achterdeur, schoof die zacht weg en de grendels terug, rukte haar met forschen greep ineens wijd open en deed een grooten sprong naar buiten, den vinger aan den trekker van zijn geweer.

Het schot ging af, loos in de lucht, en als een gedolde os sloeg Jozef neêr, zonder een kreet, haast zonder eenig geluid. Een wild geschreeuw en geroep, schor en woest, van dozijnen stemmen klonk brullend, als van wilde dieren, over het veld en langs de boomen omhoog.

De doffe slagen van den boomstam hielden op; de een na de ander ontbrandden deoborsin de handen van halfnaakte inlanders met zwart en wit bestreepte onherkenbaar gemaakte gezichten. Zij kwamen allen om het lichaam van Jozef staan, een oogenblik stil. Hij lag plat op den rug tusschen de struiken op het achtererf en uit zijn baadje stak, breed omzoomd door een grooter wordende bloedvlek, het lichtbruin, in het geschemer der toortsen fraai blinkend gevest van een kris, midden door het hart gestoken.

De een, die het gedaan had, wees er op, triomfantelijk, met z’n wijsvinger, dansend van plezier; maar de anderen waren teleurgesteld in hun wraak. Ze hadden ieder hun aandeel willen hebben in zijn dood; elk hunner had zijn stil idee gehad over een toe te brengen slag of stoot. Nu was hij dadelijk gestorven aan den meesterlijken krissteek, in de duisternis toegebracht met de zekerheid en de vastheid van hand van den toréador, die zijn degen plant tusschen de horens van den stier en hem doet knielen. De eens opgekomen moordlust van onderdrukten en lafhartigen nam daarmee geen genoegen. Ze staken met hun lansen, ze hakten met hunarietsenparangswaar ze het doode lichaam slechts konden raken; ze sneden er stukken en ledematen af op de gruwelijkste manier, wel een half uur achtereen, tot ze er zelfbosènvan waren en het vormlooze lijk als ’t ware over den pagger jonasten, naar buiten. Het omwonende volk en het dienstpersoneel van het landhuis, door het rumoer en het aanslaan der honden ontwaakt, was eerst naar buiten geloopen, loerend in de duisternis, maar toen ze zagen, of althans begrepen, wat er voorviel, en dat er geketjoed werd, had ieder zich zoo gauw mogelijk teruggetrokken, z’n huisje gesloten en dat, bevend van angst en zoo goed en zoo kwaad het ging, van binnen gebarricadeerd.

In de woning van Jozef was het nu een plunderen en rampassen,[12]uren lang. Met de grootste moeite en ten koste van veel wapenen, werd de kleine brandkast geforceerd, want de sleutel, dien Jozef altijd op een bepaalde plaats verborg, was niet te vinden.

De trommel werd opengebroken; van het geld greep ieder in de ruwte wat hij machtig kon worden; onder luid en verward geschreeuw en als krankzinnigen sprongen ze rond, alles stukslaande met de grootste woede, tot er niets meer was om te vernielen.

Een hooge vlam, het geboomte der omgeving van onder verlichtend met heldere rozeroode tinten, en mooi goudrood in de toppen, steeg toen op uit een dikke rookwolk, die snel omhoog trok als een grijze zuil; deoborswaren gedoofd, de daders van het gruwelstuk links en rechts over de donkere, smalle wegen en in de velden verdwenen, en alsof het afgesproken werk was, had toen een der bedienden van het landhuis in eens den moed naar buiten te komen om het brandsignaal op detongtongluid en akelig te doen weergalmen door de lucht.

Was het homberpartijtje bij Uhlstra laat begonnen,—het duurde daarom niet minder lang, en Twissels had zijn eigenaardig woord gehouden of het een evangelie was.

Hij speelde groote spellen van allerlei soort, maar of het „ossen” waren dan wel „snippertjes”,—hij haalde ze erdoor, het eene zoo goed als het andere. Toen het drie uur sloeg in den nacht, meende Geber, een beetje uit zijn humeur over zijn aanhoudendedéveine, dat men wel den laatstensans prendrebepalen kon.

Twissels wou er drie in plaats van één, maar zijn partners hadden er geen zin in en stemden als naar gewoonte enkel toe, dat een verloren spel niet meetellen zou.

Geber annonceerde het eerst „een kleintje” dat hij codille verloor.

„Heb je nu ooit zoo’n weerlichtschenPechgezien?” riep hij kwaad met z’n vuist op de speeltafel slaande. „Dat’s nou de tweede keer in een half uur.”

„Ja, het loopt je niet mee,” troostte Uhlstra, „maar ’t kan verkeeren.”

En Twissels, spottend, met een zacht, fijn dameslachje, terwijl hij de fiches opstreek:

„Alle goede dingen bestaan in drieën.”

Hij had de woorden nauwelijks gesproken of de bediende van Uhlstra, die aan den ingang van het voorerf zat, kwam met een verschrikt gezicht naar binnen, en ging staan aan ’t hoekje van de speeltafel, tusschen Geber en z’n meester.[13]

„Wat is er?” vroeg Uhlstra in ’t maleisch en eenigszins ruw, verstoord over zoo’n ongewone vrijpostigheid.

De huisjongen wees met z’n duim over den rooden kraag van zijn dienstbaadje naar buiten.

„Er is eenboedjangvan Koeningan.”

„Wat mot hij?” vroeg Geber, z’n nieuwe spel, door Twissels uitgegeven, weer neêrleggend.

„Hij zegt dat ertjilakais.”

„Wat dan!” riepen Uhlstra en Geber allebei ongeduldig.

„Hij zegt,” ging de Maleier met groote kalmte voort, „dat er geketjoed is bij mijnheer; dat het huis in brand staat entoeanJoop al dood is.”

Verwezen keken zij elkaâr aan, alle drie. Geber zeer bleek en ontsteld, Uhlstra met een rooden gloed op z’n bruin gezicht; de eerste sprong driftig op en riep denboedjang, die voor aan ’t erf was blijven staan, met uitgestrekten arm hem wenkend, naar binnen. De arme inlander kwam op zijn doorgeloopen voeten en tot de knieën grijs van ’t stof van den weg, half kruipend, naar de breede marmeren galerij, neêrhurkend op de onderste trede.—Wat hij vertelde was niet meer dan hij had meêgedeeld aan den huisjongen; hij wist er zelf niet meer van.

Het luide spreken, de uitroepen en vloeken der mannen, verward klinkend door de binnengalerij het huis in, hadden mevrouw Uhlstra uit den slaap gewekt. Uit haar kamer liep ze haastig naar voren, de dikke figuur in een wijde slobberkabaai, het haar onder ’t loopen draaiend in een kondé. Toen ze hoorde wat er gebeurd was, ontsteld, vol vrees voor het lot van haar eigen kinderen op hun eigen daaraan grenzend land, trachtte zij in een luiden woordenstroom meer van den boodschapper te weten te komen, den armen drommel dooreen schuddend als kon ze uit hem strooien, wat zij meende dat er in zat. Maar het maakte hem zoobingoeng, dat hij ten sjotte heelemaal niets wist. Toen waren ook Roos en de andere meisjes verschenen, allen op het noodlottig bericht door vrees en schrik overmand, bleek, met tranen in de oogen, jammerend door elkaar. Het werd erger toen Uhlstra last gaf den koetsier te wekken, om dadelijk z’naméricainete laten voorkomen met z’n beste paarden. Ze wilden hem met geweld terughouden, bevreesd voor zijn veiligheid. In den donkeren nacht namen de ideeën van moord en brandstichting reusachtige verbindingen aan; alleen Twissels, die op zijn winst een extra-grogje had genomen en nu tegen een pilaar leunde, zijn groot zwart vest vooruit als een kolossale inktvlek, onderging dien invloed niet; hij lachte fijntjes en kleintjes, doch niemand keek naar hem onder het zenuwachtig rumoer, en met ’n zoet stemmetje[14]zei hij bij zichzelf, heel hoog: „Die vrouwen, die vrouwen!”

Uhlstra, zoo goedhartig als hij was, viel niet af te brengen van z’n besluit. Hij kende het volk, en zijn geweten was volkomen zuiver. Als er iets aan de hand was, moest hij erbij zijn; er kon van komen wat er wou.

„Ik ga met je mee,” zei Geber aarzelend, als iemand die fatsoenshalve niet anders zeggen kan, maar flauwtjes en zonder enthousiasme. Eigenlijk was hij, schoon voor den vorm nog wat aandringend, blij, dat Uhlstra het beslist weigerde. Het was maar beter dat hij achterbleef; wat gedaan was, was gedaan en viel niet meer te verhelpen.

De paarden vlogen over den weg: toch ging het Uhlstra veel te langzaam. Toen het even begon te dagen, naderde hij de grenzen van z’n land. Alles was stil en rustig als naar gewoonte, wat hij in z’n opgewondenheid haast onbegrijpelijk vond, en toen hij een half uur later in den grijzen schemer de laan opreed naar zijn oude landhuis, en zag hoe reeds enkele lieden er vroeg bij waren om hun gras te pikollen voor het vee in zijn stallen, ontgleed hem een diepe zucht van verlichting. Hier althans was niets gebeurd; dáár had hij nu op durven zweren.

Met een verwonderd maar blij gezicht kwam z’n zoon Henri, volmaakt zijn jongere individualiteit, hem op het erf tegemoet.

„Dag pa, dat is verduiveld vlug!”

„Is het waar?” vroeg Uhlstra, uit het rijtuig springend, blij en ontroerd den zoon de hand drukkend, die zoo gaaf en ongerept nu voor hem stond.

Henri knikte met een gewichtig, bedenkelijk gezicht.

„Akelig waar,” bevestigde hij met kwalijk verborgenSchadenfreude. „Het is voor Geber een leelijk gevalletje.”

„En is Joop dood?”

„Naar ik hoor, zoo dood als een pier; ze moeten hem verschrikkelijk hebben gehavend! Enfin, het is mijnheer Geber’s eigen schuld. Waarom laat hij zoo’n smeerlap heer en meester op het land?”

De vader antwoordde er niet op. Wat gaf het?

„Laat maar even verspannen,” zei hij met een blik op z’n dampende paarden, die werden afgewreven.

Maar daar wou Henri niet van hooren en zijn jonge vrouw evenmin. Ze brachten den vader nu weêr aan ’t verstand, dat het heele geval eigenlijk weinig om het lijf had; dat de vermoorde absoluut niets had dan zijn verdiend loon. Als Europeanen zich niet ontzagen hun zaken door zulk gemeen en laag volk te doen beheeren, was het beneden de waardigheid van een fatsoenlijk landeigenaar of administrateur zich met de gevolgen daarvan in te laten.[15]

Uhlstra, voorloopig gerustgesteld en hongerig na den slapeloozen nacht en den langen rit in de frissche ochtendlucht, liet hen maar praten en ging mee het landhuis binnen, met een geweldigen trek in een kop sterke koffie, die hij ook dadelijk van z’n schoondochter kreeg. Nu het inderdaad niet erger bleek te zijn dan de inlander had geboodschapt, had hij zoo’n groote haast niet, en wilde wel eens vooraf Henri en Lize uithooren.

Dat ging gemakkelijk genoeg; hij had slechts te luisteren naar het relaas der geweldenarijen van den vermoorden hoofdmandoor op Koeningan. Henri kwam daarbij altijdweêrterug op hetzelfde uitgangspunt: het was alles de schuld van Geber. Een europeesch landheer moest fatsoenlijke europeesche jongelui en niet zulke vreemde schooiers in dienst nemen, herhaalde hij voor de zooveelste maal.

Een uur later moest er toch voor Uhlstra worden ingespannen. Hij had Geber beloofd alles te onderzoeken; belofte maakt schuld, en hoewel Henri nu weêr beweerde dat het gevaarlijk en bovendien onnoodig was, wijl men den assistent-resident had kennis gegeven, reed Uhlstra naar Koeningan, en zijn zoon,à fondnieuwsgierig om te zien hoe ze dien smeerlapgetjientjangdhadden, ging mee.


Back to IndexNext