[Inhoud]VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Zelfmoord-Phantasieën.Een paar dagen later ging Geber naar de stad voor zaken. Twissels ontving hem op z’n kantoor. Hij zat in een kamer alleen, afgeschoten van een groote zaalruimte door schutsels, en met nog drie overoude lessenaars in zijn naaste omgeving, blijvende herinneringen aan zijn voorgangers, die niemand gebruikte en ook niemand mocht wegnemen; die daar verlaten stonden te vervallen en te vergaan, zooals ook de zijne eens zou staan, als hij zich uit de zaken der firma voorgoed terugtrok.De landheer, gewoon aan zijn leven in de frissche lucht, vond dat het er stonk, naar stof en oud papier, naar vocht en vagebondeerende katten, naar alles wat vies was.Twissels vond dat niet; hij voelde zich in die atmosfeer eerst recht lekker. Dáár had hij jarenlang de meeste uren van den dag doorgebracht; dáár was hij begonnen als gewoon employé en opgeklommen tot chef; dáár was hij van een armen drommel een rijk man geworden. Hij zat er met genoegen, met wellust, en als hij ’s morgens binnenkwam, dan rook hij met meer welgevallen de stankmixtuur, dan een ander het bij mogelijkheid de fijnste geuren zou kunnen doen.„Ga zitten,” zei hij tegen Geber, hem een stoel wijzend naast zijn lessenaar. „Ik ben dadelijk klaar.”En met zijn neus op het papier, zijn bril haast over de regels en langs de cijferkolommen schuivend, keek hij een rekening-courant door, nu en dan ’n aanteekening makend op ’n stukje papier of met ’n hooge stem een employé roepend, die aan den anderen kant der schutsels zat, om een inlichting.„Hoe gaat het thuis?” was, toen hij met zijn stuk gereed was, welstaanshalve zijn eerste vraag.„Heel goed! Je kunt best eens voor ’n paar dagen overkomen.”„Te druk!” piepte Twissels, zijn kuifje opstrijkend en met twee handen zijn bril rechtzettend. „Veel te druk tegenwoordig. Blijf jij vandaag hier, dan maken we samen van avond ’n partijtje.”Maar Geber had beloofd thuis te komen, en toen er dus geen mogelijkheid was op het gaan van den een en het blijven van den ander, bespraken zij de zaken, waarvoor Geber gekomen was. Al de paperassen kwamen daarbij voor den dag, met een heen enweêrrekenen van belang.[96]Het eene uur verliep na het andere; en al voortwerkend rees en rees het cijfer hunner winsten door de samenvoeging der resultaten, deels werkelijk, deels geraamd, der gecombineerde zaken, landbouwcontracten, transporten, productenverkoop, en al wat ze al zoo deden in kongsi, hier en daar en waar ze samen belang bij hadden.„Mooi, hè?” zei Twissels met z’n zachten meisjeslach, zijn lange droge handen tusschen de knokkige hooge knieën wrijvend. „Verdomd mooi, hè?”„Ja,” zei Geber ervan zuchtend. „’t Is prachtig, dat moet ik zeggen.”„Blijf hier bij mij rijsttafelen op ’t kantoor.”„Ik heb nog zaken.”Voor geen geld had hij het gedaan!In die onmogelijke atmosfeer had hij niet kunnen eten, nu reeds misselijk van het erin vertoeven.Inderdaad ging Geber naar den dokter, dien hij thuis vond op het etensuur.„Hebt u er vroeger last van gehad?” werd hem gevraagd.„Neen, eerst in den laatsten tijd.”„Is er iets, dat u bijzonder bezighoudt?”„Er is niets, dokter.”Dat was een onwaarheid, en hij was er zich van bewust, dat nu ook de dokter hem niet kon helpen. Waarom zei hij niet de waarheid? Waarom vertelde hij niet, dat telkens hem dat ellendige denkbeeld aan zelfmoord vervolgde? Het was op reis voor het eerstweêrbij hem opgekomen, op een avond, dat hij aan boord zat van de kustboot. De omgeving kon het niet geweest zijn, want bij den zilverblanken maneschijn en zachte, verfrisschende bries, was het verrukkelijk op zee. Hij, landman, vond het bijzonder mooi, en zoo ineens, zonder transitie, overviel hem dat vervloekte ideeweêr, met als ’t ware zijn voor- en achterrijders van pessimistische opvattingen en verdwaasde gemoedelijkheid.Dat dit denkbeeld zoo onverwacht terugkwam, had hem diep getroffen.De verdere dagen van zijn reis dacht hij daar telkens aan.Wat kon van zoo’n redelooze herhaling de oorzaak zijn? Hij had veel te doen; den heelen dag was hij op de been geweest in de bosschen om den boel op te nemen, te schatten en zoo; ’s namiddags was hij zeer vermoeid naar de stad gereden, dertig paal in een reiswagen! Hij had er ’n biefstuk gegeten en ’n glas grog gedronken; ’t was toen tien uren en zeer stil in het logement, want er werd in den schouwburg een concert gegeven. Geber vond, dat hij nog wel ’n oogenblik[97]kon gaan luisteren, kleedde zich en ging naar de komedie; hij trof er vrienden en kennissen aan; hij ging in de loges hun dames groeten en een praatje maken; in de pauze werd hij als ’t ware omringd, niet enkel wijl hij rijk was, maar men mocht hem graag, vond hem een goede, sympathieke persoonlijkheid. Heel oudesobatsvan twintig jaren en meer geleden, kwamen met vriendschappelijk glimlachende herkennings-gezichten en toegestoken handen op hem af, met „Zoo!” ’s en „Wel kerel!” ’s en amicale „Gévédé” ’s, maar allen met vertoon van gemeende hartelijkheid.„Kom,” zei de plaatselijke commandant, die als tweede luitenant Geber gekend had, „ga nog ’n uurtje na het concert met me mee naar m’n huis.”Als altijd licht te „lijmen”, deed hij het.En twee anderen gingen ook mee, omdat, zeiden ze, Geber ging, en zoo raakten zeweêraan ’t homber-partijtje, tot te twee uren Geber in zijn wagen stapte, zóó totaal op, dat hij al sliep vóór het rijtuig stil stond. Hij sliep om zoo te zeggen door naar zijn kamer gaande, zich ontkleedende met het gevoel, de zekerheid, waaraan hij nog dacht voor hij heelemaal insliep, dat hij wel tegen alle gewoonte in niet vroeg zou opstaan den volgenden dag.Het was alsof iemand hem wakker had gemaakt; ineens klaar wakker, zonder eenig overblijfsel van slaperig zijn of soesen; vrij helder van oog en hoofd; en werktuigelijk keek hij rond in het vreemde logementsbed, als met aandrift om te onderzoeken wie of wat hem zóó had doen ontwaken midden in zijn slaap. Er was niets te zien; aan de eene zijde het beeld van het kamerscherm tusschen hem en het flauw schijnend nachtlichtje, aan de andere de lichte doorschijnende schaduw van de klamboe op den witten muur. Op straat sloeg de gardoe vier slagen; alles was stil en rustig.Gek vond hij het, dat hij nu uit zichzelven wakker werd, na zoo’n zwaren dag en terwijl hij daareven zoo’n geweldigen slaap had.’t Beste was maar te beproeven weêr in te slapen; hij sloot de oogen, doch deed ze snelweêropen … Daar had jeweêrdat idee! Het toonde zich nu belichaamd; hij zag zichzelven en de oude plek en het pistool, dat hij in de hand hield, en te gelijk zag hij zijn lichaam, den arm uitgestrekt, dood. Toen hij de oogen sloot, doemde het ineens op, als een mooie geïdealiseerde schilderij, vol licht en kleur, maar met buitengewone, phantastische, scherpe tinten, tot hem komend gelijk de monsterachtige mannetjes en de vreemdsoortige dieren voor de ongeregelde verbeelding van kinderen, als ze de oogen sluiten voor ze inslapen.Hij was waarlijk geen kind, en het was ook niet, dat hij voor zulke[98]kleinigheden bevreesd was of uit bijgeloovigheid; alleen vond hij die herhaling vreemd en onrustwekkend.Waarom kwam dat denkbeeld aan zelfmoord zoo herhaaldelijk bij hem op?Hij was het toch niet van plan! In vollen ernst: hij dacht er niet aan. Als erover werd gesproken in gezelschap, keurde hij het altijd af. Vooral menschen die vrouw en kinderen hadden, zei hij dan, waren schuldig als zij zoo iets deden; zij kwamen dan hun verplichtingen niet na. Maar zelfs al hadden zij geen gezin, dan was en bleef het nog een onverantwoordelijke daad.Nu deed hij de oogen weêr dicht, zag het weêr, keek ernaar en glimlachte ertegen; want het was mooi; zoo artistiek van teekening, zoo fijn en diep van zacht wijkend perspectief, en vooral zóó schitterend rijk van toon.….. zoo iets was haast ondenkbaar; had hij nooit gezien in de werkelijkheid; ’t nam al het nare weg van de voorgestelde handeling en van de uitgevoerde, in een omtrek samen opgenomen; de vorm won het op ’t wezen. En al wat om die voorstelling heen scheen te liggen, zonk weg in een vage droefgeestige tint, vuilgrijs en dofgeel. Was dat het leven, was het andere de dood? Het ging in zijn hoofd weêr den ouden weg op. Wat had hij aan het leven? Daar tobde hij nu zijn lichaam af in moerassige, stinkende en benauwde bosschen, om … wat meer geld dan hij bezat. En waartoe dat geld? Wat had hij eraan? Thuis een machinaal onverschillig leven; een vrouw, die hem altijd vreemd zou blijven als mensch, al kreeg ze ook nog twintig kinderen bij hem. Hij kon zoo’n leven doorsjokken als een ander soort van koelie, beschaafd en welgesteld! Net als vroegere keeren en heelemaal in strijd met zijn oude denkbeelden, kwam hij weêr terug tot de theorie, het leven te beschouwen als een huis, dat men verlaat, als het niet langer bevalt. En het beviel hem niet, nu niet! Zooals hij het zag was het een gruwel van vervelende overbodigheid, van noodelooze en onnutte ellende. Hij had Roos willen ruilen voor Clara, maar of het dat was wat hem ontbrak? ’t Scheen hem onwaarschijnlijk.Want dan zou hij ook van dezelfde conditie zijn als nu, misschien met wat meer opgewektheid als man, maar anders ook niet.Overigens dezelfdemisère; de mierenarbeid van menschen! Hij keek weêr naar de voorstelling van het beeld, dat als iets wezenlijks voor zijn geest was blijven staan, stralend van mooiheid en licht, nu zacht vervloeiend.[99]Het kanonschot van vijven, dadelijk gevolgd door de slagen der gardoes op hun blokken, deed hem opspringen. Het was nu ineens alles weg; maar toen hij de hand over ’t voorhoofd streek en over zijn kaal hoofd, voelde hij dat ’t klamme zweet erop parelde. Dat was weer een nacht geweest! dacht hij geeuwend en de vensters opengooiend.Op den weg en het erf van het logement ving in het donker de bedrijvigheid aan; hij leunde op het vensterkozijn en keek ernaar, telkens geeuwend dat hij ervan rilde. Nog geen twee uren geslapen, na zulk een dag!Het zou hem in vroeger tijd nooit zijn gebeurd. Wat scheelde hem dan? Waren zijn zenuwen in de war? Ontbrak hem een normale digestie?Het denken aan zelfmoord en het niet kunnen slapen zou wel een en dezelfde oorzaak hebben. Het was niet anders te verklaren, dacht hij, want de menschen spraken wel van erfelijkheid en zijn moeders-broer had zich vele jaren geleden voor ’t hoofd geschoten, maar dat vond hij toch te gek om van te spreken.Hij had van den onaangenamen nacht geen last, was integendeel opgewekter en vroolijker dan anders, met neiging om een goed glas wijn te drinken en een stevig bittertje.Toch vroeg men hem overal of hij ziek was, waarop hij dan lachend antwoordde, dat bij hem vergeleken, een vischje in het water een teringlijder was. Maar hij had de overtuiging van ziekte, van een vreemde, onverklaarbare ongesteldheid, waaruit alles voortkwam wat hij onderging in den laatsten tijd, tot zelfs zijn bijzondere opgewondenheid en het extra spraakzame in vreemd gezelschap, hem anders niet eigen.Daar zat hij nu ook over te denken, teruggekeerd van zijn zakenbezoek aan Twissels. Hij kon dien dokter toch niet alles vertellen over de aanvechtingen tot zelfmoord!Dan zou hem misschien ook nooit een geneesheer kunnen helpen.In godsnaam! zuchtte hij. Er moest maar van komen wat er wilde.
[Inhoud]VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Zelfmoord-Phantasieën.Een paar dagen later ging Geber naar de stad voor zaken. Twissels ontving hem op z’n kantoor. Hij zat in een kamer alleen, afgeschoten van een groote zaalruimte door schutsels, en met nog drie overoude lessenaars in zijn naaste omgeving, blijvende herinneringen aan zijn voorgangers, die niemand gebruikte en ook niemand mocht wegnemen; die daar verlaten stonden te vervallen en te vergaan, zooals ook de zijne eens zou staan, als hij zich uit de zaken der firma voorgoed terugtrok.De landheer, gewoon aan zijn leven in de frissche lucht, vond dat het er stonk, naar stof en oud papier, naar vocht en vagebondeerende katten, naar alles wat vies was.Twissels vond dat niet; hij voelde zich in die atmosfeer eerst recht lekker. Dáár had hij jarenlang de meeste uren van den dag doorgebracht; dáár was hij begonnen als gewoon employé en opgeklommen tot chef; dáár was hij van een armen drommel een rijk man geworden. Hij zat er met genoegen, met wellust, en als hij ’s morgens binnenkwam, dan rook hij met meer welgevallen de stankmixtuur, dan een ander het bij mogelijkheid de fijnste geuren zou kunnen doen.„Ga zitten,” zei hij tegen Geber, hem een stoel wijzend naast zijn lessenaar. „Ik ben dadelijk klaar.”En met zijn neus op het papier, zijn bril haast over de regels en langs de cijferkolommen schuivend, keek hij een rekening-courant door, nu en dan ’n aanteekening makend op ’n stukje papier of met ’n hooge stem een employé roepend, die aan den anderen kant der schutsels zat, om een inlichting.„Hoe gaat het thuis?” was, toen hij met zijn stuk gereed was, welstaanshalve zijn eerste vraag.„Heel goed! Je kunt best eens voor ’n paar dagen overkomen.”„Te druk!” piepte Twissels, zijn kuifje opstrijkend en met twee handen zijn bril rechtzettend. „Veel te druk tegenwoordig. Blijf jij vandaag hier, dan maken we samen van avond ’n partijtje.”Maar Geber had beloofd thuis te komen, en toen er dus geen mogelijkheid was op het gaan van den een en het blijven van den ander, bespraken zij de zaken, waarvoor Geber gekomen was. Al de paperassen kwamen daarbij voor den dag, met een heen enweêrrekenen van belang.[96]Het eene uur verliep na het andere; en al voortwerkend rees en rees het cijfer hunner winsten door de samenvoeging der resultaten, deels werkelijk, deels geraamd, der gecombineerde zaken, landbouwcontracten, transporten, productenverkoop, en al wat ze al zoo deden in kongsi, hier en daar en waar ze samen belang bij hadden.„Mooi, hè?” zei Twissels met z’n zachten meisjeslach, zijn lange droge handen tusschen de knokkige hooge knieën wrijvend. „Verdomd mooi, hè?”„Ja,” zei Geber ervan zuchtend. „’t Is prachtig, dat moet ik zeggen.”„Blijf hier bij mij rijsttafelen op ’t kantoor.”„Ik heb nog zaken.”Voor geen geld had hij het gedaan!In die onmogelijke atmosfeer had hij niet kunnen eten, nu reeds misselijk van het erin vertoeven.Inderdaad ging Geber naar den dokter, dien hij thuis vond op het etensuur.„Hebt u er vroeger last van gehad?” werd hem gevraagd.„Neen, eerst in den laatsten tijd.”„Is er iets, dat u bijzonder bezighoudt?”„Er is niets, dokter.”Dat was een onwaarheid, en hij was er zich van bewust, dat nu ook de dokter hem niet kon helpen. Waarom zei hij niet de waarheid? Waarom vertelde hij niet, dat telkens hem dat ellendige denkbeeld aan zelfmoord vervolgde? Het was op reis voor het eerstweêrbij hem opgekomen, op een avond, dat hij aan boord zat van de kustboot. De omgeving kon het niet geweest zijn, want bij den zilverblanken maneschijn en zachte, verfrisschende bries, was het verrukkelijk op zee. Hij, landman, vond het bijzonder mooi, en zoo ineens, zonder transitie, overviel hem dat vervloekte ideeweêr, met als ’t ware zijn voor- en achterrijders van pessimistische opvattingen en verdwaasde gemoedelijkheid.Dat dit denkbeeld zoo onverwacht terugkwam, had hem diep getroffen.De verdere dagen van zijn reis dacht hij daar telkens aan.Wat kon van zoo’n redelooze herhaling de oorzaak zijn? Hij had veel te doen; den heelen dag was hij op de been geweest in de bosschen om den boel op te nemen, te schatten en zoo; ’s namiddags was hij zeer vermoeid naar de stad gereden, dertig paal in een reiswagen! Hij had er ’n biefstuk gegeten en ’n glas grog gedronken; ’t was toen tien uren en zeer stil in het logement, want er werd in den schouwburg een concert gegeven. Geber vond, dat hij nog wel ’n oogenblik[97]kon gaan luisteren, kleedde zich en ging naar de komedie; hij trof er vrienden en kennissen aan; hij ging in de loges hun dames groeten en een praatje maken; in de pauze werd hij als ’t ware omringd, niet enkel wijl hij rijk was, maar men mocht hem graag, vond hem een goede, sympathieke persoonlijkheid. Heel oudesobatsvan twintig jaren en meer geleden, kwamen met vriendschappelijk glimlachende herkennings-gezichten en toegestoken handen op hem af, met „Zoo!” ’s en „Wel kerel!” ’s en amicale „Gévédé” ’s, maar allen met vertoon van gemeende hartelijkheid.„Kom,” zei de plaatselijke commandant, die als tweede luitenant Geber gekend had, „ga nog ’n uurtje na het concert met me mee naar m’n huis.”Als altijd licht te „lijmen”, deed hij het.En twee anderen gingen ook mee, omdat, zeiden ze, Geber ging, en zoo raakten zeweêraan ’t homber-partijtje, tot te twee uren Geber in zijn wagen stapte, zóó totaal op, dat hij al sliep vóór het rijtuig stil stond. Hij sliep om zoo te zeggen door naar zijn kamer gaande, zich ontkleedende met het gevoel, de zekerheid, waaraan hij nog dacht voor hij heelemaal insliep, dat hij wel tegen alle gewoonte in niet vroeg zou opstaan den volgenden dag.Het was alsof iemand hem wakker had gemaakt; ineens klaar wakker, zonder eenig overblijfsel van slaperig zijn of soesen; vrij helder van oog en hoofd; en werktuigelijk keek hij rond in het vreemde logementsbed, als met aandrift om te onderzoeken wie of wat hem zóó had doen ontwaken midden in zijn slaap. Er was niets te zien; aan de eene zijde het beeld van het kamerscherm tusschen hem en het flauw schijnend nachtlichtje, aan de andere de lichte doorschijnende schaduw van de klamboe op den witten muur. Op straat sloeg de gardoe vier slagen; alles was stil en rustig.Gek vond hij het, dat hij nu uit zichzelven wakker werd, na zoo’n zwaren dag en terwijl hij daareven zoo’n geweldigen slaap had.’t Beste was maar te beproeven weêr in te slapen; hij sloot de oogen, doch deed ze snelweêropen … Daar had jeweêrdat idee! Het toonde zich nu belichaamd; hij zag zichzelven en de oude plek en het pistool, dat hij in de hand hield, en te gelijk zag hij zijn lichaam, den arm uitgestrekt, dood. Toen hij de oogen sloot, doemde het ineens op, als een mooie geïdealiseerde schilderij, vol licht en kleur, maar met buitengewone, phantastische, scherpe tinten, tot hem komend gelijk de monsterachtige mannetjes en de vreemdsoortige dieren voor de ongeregelde verbeelding van kinderen, als ze de oogen sluiten voor ze inslapen.Hij was waarlijk geen kind, en het was ook niet, dat hij voor zulke[98]kleinigheden bevreesd was of uit bijgeloovigheid; alleen vond hij die herhaling vreemd en onrustwekkend.Waarom kwam dat denkbeeld aan zelfmoord zoo herhaaldelijk bij hem op?Hij was het toch niet van plan! In vollen ernst: hij dacht er niet aan. Als erover werd gesproken in gezelschap, keurde hij het altijd af. Vooral menschen die vrouw en kinderen hadden, zei hij dan, waren schuldig als zij zoo iets deden; zij kwamen dan hun verplichtingen niet na. Maar zelfs al hadden zij geen gezin, dan was en bleef het nog een onverantwoordelijke daad.Nu deed hij de oogen weêr dicht, zag het weêr, keek ernaar en glimlachte ertegen; want het was mooi; zoo artistiek van teekening, zoo fijn en diep van zacht wijkend perspectief, en vooral zóó schitterend rijk van toon.….. zoo iets was haast ondenkbaar; had hij nooit gezien in de werkelijkheid; ’t nam al het nare weg van de voorgestelde handeling en van de uitgevoerde, in een omtrek samen opgenomen; de vorm won het op ’t wezen. En al wat om die voorstelling heen scheen te liggen, zonk weg in een vage droefgeestige tint, vuilgrijs en dofgeel. Was dat het leven, was het andere de dood? Het ging in zijn hoofd weêr den ouden weg op. Wat had hij aan het leven? Daar tobde hij nu zijn lichaam af in moerassige, stinkende en benauwde bosschen, om … wat meer geld dan hij bezat. En waartoe dat geld? Wat had hij eraan? Thuis een machinaal onverschillig leven; een vrouw, die hem altijd vreemd zou blijven als mensch, al kreeg ze ook nog twintig kinderen bij hem. Hij kon zoo’n leven doorsjokken als een ander soort van koelie, beschaafd en welgesteld! Net als vroegere keeren en heelemaal in strijd met zijn oude denkbeelden, kwam hij weêr terug tot de theorie, het leven te beschouwen als een huis, dat men verlaat, als het niet langer bevalt. En het beviel hem niet, nu niet! Zooals hij het zag was het een gruwel van vervelende overbodigheid, van noodelooze en onnutte ellende. Hij had Roos willen ruilen voor Clara, maar of het dat was wat hem ontbrak? ’t Scheen hem onwaarschijnlijk.Want dan zou hij ook van dezelfde conditie zijn als nu, misschien met wat meer opgewektheid als man, maar anders ook niet.Overigens dezelfdemisère; de mierenarbeid van menschen! Hij keek weêr naar de voorstelling van het beeld, dat als iets wezenlijks voor zijn geest was blijven staan, stralend van mooiheid en licht, nu zacht vervloeiend.[99]Het kanonschot van vijven, dadelijk gevolgd door de slagen der gardoes op hun blokken, deed hem opspringen. Het was nu ineens alles weg; maar toen hij de hand over ’t voorhoofd streek en over zijn kaal hoofd, voelde hij dat ’t klamme zweet erop parelde. Dat was weer een nacht geweest! dacht hij geeuwend en de vensters opengooiend.Op den weg en het erf van het logement ving in het donker de bedrijvigheid aan; hij leunde op het vensterkozijn en keek ernaar, telkens geeuwend dat hij ervan rilde. Nog geen twee uren geslapen, na zulk een dag!Het zou hem in vroeger tijd nooit zijn gebeurd. Wat scheelde hem dan? Waren zijn zenuwen in de war? Ontbrak hem een normale digestie?Het denken aan zelfmoord en het niet kunnen slapen zou wel een en dezelfde oorzaak hebben. Het was niet anders te verklaren, dacht hij, want de menschen spraken wel van erfelijkheid en zijn moeders-broer had zich vele jaren geleden voor ’t hoofd geschoten, maar dat vond hij toch te gek om van te spreken.Hij had van den onaangenamen nacht geen last, was integendeel opgewekter en vroolijker dan anders, met neiging om een goed glas wijn te drinken en een stevig bittertje.Toch vroeg men hem overal of hij ziek was, waarop hij dan lachend antwoordde, dat bij hem vergeleken, een vischje in het water een teringlijder was. Maar hij had de overtuiging van ziekte, van een vreemde, onverklaarbare ongesteldheid, waaruit alles voortkwam wat hij onderging in den laatsten tijd, tot zelfs zijn bijzondere opgewondenheid en het extra spraakzame in vreemd gezelschap, hem anders niet eigen.Daar zat hij nu ook over te denken, teruggekeerd van zijn zakenbezoek aan Twissels. Hij kon dien dokter toch niet alles vertellen over de aanvechtingen tot zelfmoord!Dan zou hem misschien ook nooit een geneesheer kunnen helpen.In godsnaam! zuchtte hij. Er moest maar van komen wat er wilde.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Zelfmoord-Phantasieën.
Een paar dagen later ging Geber naar de stad voor zaken. Twissels ontving hem op z’n kantoor. Hij zat in een kamer alleen, afgeschoten van een groote zaalruimte door schutsels, en met nog drie overoude lessenaars in zijn naaste omgeving, blijvende herinneringen aan zijn voorgangers, die niemand gebruikte en ook niemand mocht wegnemen; die daar verlaten stonden te vervallen en te vergaan, zooals ook de zijne eens zou staan, als hij zich uit de zaken der firma voorgoed terugtrok.De landheer, gewoon aan zijn leven in de frissche lucht, vond dat het er stonk, naar stof en oud papier, naar vocht en vagebondeerende katten, naar alles wat vies was.Twissels vond dat niet; hij voelde zich in die atmosfeer eerst recht lekker. Dáár had hij jarenlang de meeste uren van den dag doorgebracht; dáár was hij begonnen als gewoon employé en opgeklommen tot chef; dáár was hij van een armen drommel een rijk man geworden. Hij zat er met genoegen, met wellust, en als hij ’s morgens binnenkwam, dan rook hij met meer welgevallen de stankmixtuur, dan een ander het bij mogelijkheid de fijnste geuren zou kunnen doen.„Ga zitten,” zei hij tegen Geber, hem een stoel wijzend naast zijn lessenaar. „Ik ben dadelijk klaar.”En met zijn neus op het papier, zijn bril haast over de regels en langs de cijferkolommen schuivend, keek hij een rekening-courant door, nu en dan ’n aanteekening makend op ’n stukje papier of met ’n hooge stem een employé roepend, die aan den anderen kant der schutsels zat, om een inlichting.„Hoe gaat het thuis?” was, toen hij met zijn stuk gereed was, welstaanshalve zijn eerste vraag.„Heel goed! Je kunt best eens voor ’n paar dagen overkomen.”„Te druk!” piepte Twissels, zijn kuifje opstrijkend en met twee handen zijn bril rechtzettend. „Veel te druk tegenwoordig. Blijf jij vandaag hier, dan maken we samen van avond ’n partijtje.”Maar Geber had beloofd thuis te komen, en toen er dus geen mogelijkheid was op het gaan van den een en het blijven van den ander, bespraken zij de zaken, waarvoor Geber gekomen was. Al de paperassen kwamen daarbij voor den dag, met een heen enweêrrekenen van belang.[96]Het eene uur verliep na het andere; en al voortwerkend rees en rees het cijfer hunner winsten door de samenvoeging der resultaten, deels werkelijk, deels geraamd, der gecombineerde zaken, landbouwcontracten, transporten, productenverkoop, en al wat ze al zoo deden in kongsi, hier en daar en waar ze samen belang bij hadden.„Mooi, hè?” zei Twissels met z’n zachten meisjeslach, zijn lange droge handen tusschen de knokkige hooge knieën wrijvend. „Verdomd mooi, hè?”„Ja,” zei Geber ervan zuchtend. „’t Is prachtig, dat moet ik zeggen.”„Blijf hier bij mij rijsttafelen op ’t kantoor.”„Ik heb nog zaken.”Voor geen geld had hij het gedaan!In die onmogelijke atmosfeer had hij niet kunnen eten, nu reeds misselijk van het erin vertoeven.Inderdaad ging Geber naar den dokter, dien hij thuis vond op het etensuur.„Hebt u er vroeger last van gehad?” werd hem gevraagd.„Neen, eerst in den laatsten tijd.”„Is er iets, dat u bijzonder bezighoudt?”„Er is niets, dokter.”Dat was een onwaarheid, en hij was er zich van bewust, dat nu ook de dokter hem niet kon helpen. Waarom zei hij niet de waarheid? Waarom vertelde hij niet, dat telkens hem dat ellendige denkbeeld aan zelfmoord vervolgde? Het was op reis voor het eerstweêrbij hem opgekomen, op een avond, dat hij aan boord zat van de kustboot. De omgeving kon het niet geweest zijn, want bij den zilverblanken maneschijn en zachte, verfrisschende bries, was het verrukkelijk op zee. Hij, landman, vond het bijzonder mooi, en zoo ineens, zonder transitie, overviel hem dat vervloekte ideeweêr, met als ’t ware zijn voor- en achterrijders van pessimistische opvattingen en verdwaasde gemoedelijkheid.Dat dit denkbeeld zoo onverwacht terugkwam, had hem diep getroffen.De verdere dagen van zijn reis dacht hij daar telkens aan.Wat kon van zoo’n redelooze herhaling de oorzaak zijn? Hij had veel te doen; den heelen dag was hij op de been geweest in de bosschen om den boel op te nemen, te schatten en zoo; ’s namiddags was hij zeer vermoeid naar de stad gereden, dertig paal in een reiswagen! Hij had er ’n biefstuk gegeten en ’n glas grog gedronken; ’t was toen tien uren en zeer stil in het logement, want er werd in den schouwburg een concert gegeven. Geber vond, dat hij nog wel ’n oogenblik[97]kon gaan luisteren, kleedde zich en ging naar de komedie; hij trof er vrienden en kennissen aan; hij ging in de loges hun dames groeten en een praatje maken; in de pauze werd hij als ’t ware omringd, niet enkel wijl hij rijk was, maar men mocht hem graag, vond hem een goede, sympathieke persoonlijkheid. Heel oudesobatsvan twintig jaren en meer geleden, kwamen met vriendschappelijk glimlachende herkennings-gezichten en toegestoken handen op hem af, met „Zoo!” ’s en „Wel kerel!” ’s en amicale „Gévédé” ’s, maar allen met vertoon van gemeende hartelijkheid.„Kom,” zei de plaatselijke commandant, die als tweede luitenant Geber gekend had, „ga nog ’n uurtje na het concert met me mee naar m’n huis.”Als altijd licht te „lijmen”, deed hij het.En twee anderen gingen ook mee, omdat, zeiden ze, Geber ging, en zoo raakten zeweêraan ’t homber-partijtje, tot te twee uren Geber in zijn wagen stapte, zóó totaal op, dat hij al sliep vóór het rijtuig stil stond. Hij sliep om zoo te zeggen door naar zijn kamer gaande, zich ontkleedende met het gevoel, de zekerheid, waaraan hij nog dacht voor hij heelemaal insliep, dat hij wel tegen alle gewoonte in niet vroeg zou opstaan den volgenden dag.Het was alsof iemand hem wakker had gemaakt; ineens klaar wakker, zonder eenig overblijfsel van slaperig zijn of soesen; vrij helder van oog en hoofd; en werktuigelijk keek hij rond in het vreemde logementsbed, als met aandrift om te onderzoeken wie of wat hem zóó had doen ontwaken midden in zijn slaap. Er was niets te zien; aan de eene zijde het beeld van het kamerscherm tusschen hem en het flauw schijnend nachtlichtje, aan de andere de lichte doorschijnende schaduw van de klamboe op den witten muur. Op straat sloeg de gardoe vier slagen; alles was stil en rustig.Gek vond hij het, dat hij nu uit zichzelven wakker werd, na zoo’n zwaren dag en terwijl hij daareven zoo’n geweldigen slaap had.’t Beste was maar te beproeven weêr in te slapen; hij sloot de oogen, doch deed ze snelweêropen … Daar had jeweêrdat idee! Het toonde zich nu belichaamd; hij zag zichzelven en de oude plek en het pistool, dat hij in de hand hield, en te gelijk zag hij zijn lichaam, den arm uitgestrekt, dood. Toen hij de oogen sloot, doemde het ineens op, als een mooie geïdealiseerde schilderij, vol licht en kleur, maar met buitengewone, phantastische, scherpe tinten, tot hem komend gelijk de monsterachtige mannetjes en de vreemdsoortige dieren voor de ongeregelde verbeelding van kinderen, als ze de oogen sluiten voor ze inslapen.Hij was waarlijk geen kind, en het was ook niet, dat hij voor zulke[98]kleinigheden bevreesd was of uit bijgeloovigheid; alleen vond hij die herhaling vreemd en onrustwekkend.Waarom kwam dat denkbeeld aan zelfmoord zoo herhaaldelijk bij hem op?Hij was het toch niet van plan! In vollen ernst: hij dacht er niet aan. Als erover werd gesproken in gezelschap, keurde hij het altijd af. Vooral menschen die vrouw en kinderen hadden, zei hij dan, waren schuldig als zij zoo iets deden; zij kwamen dan hun verplichtingen niet na. Maar zelfs al hadden zij geen gezin, dan was en bleef het nog een onverantwoordelijke daad.Nu deed hij de oogen weêr dicht, zag het weêr, keek ernaar en glimlachte ertegen; want het was mooi; zoo artistiek van teekening, zoo fijn en diep van zacht wijkend perspectief, en vooral zóó schitterend rijk van toon.….. zoo iets was haast ondenkbaar; had hij nooit gezien in de werkelijkheid; ’t nam al het nare weg van de voorgestelde handeling en van de uitgevoerde, in een omtrek samen opgenomen; de vorm won het op ’t wezen. En al wat om die voorstelling heen scheen te liggen, zonk weg in een vage droefgeestige tint, vuilgrijs en dofgeel. Was dat het leven, was het andere de dood? Het ging in zijn hoofd weêr den ouden weg op. Wat had hij aan het leven? Daar tobde hij nu zijn lichaam af in moerassige, stinkende en benauwde bosschen, om … wat meer geld dan hij bezat. En waartoe dat geld? Wat had hij eraan? Thuis een machinaal onverschillig leven; een vrouw, die hem altijd vreemd zou blijven als mensch, al kreeg ze ook nog twintig kinderen bij hem. Hij kon zoo’n leven doorsjokken als een ander soort van koelie, beschaafd en welgesteld! Net als vroegere keeren en heelemaal in strijd met zijn oude denkbeelden, kwam hij weêr terug tot de theorie, het leven te beschouwen als een huis, dat men verlaat, als het niet langer bevalt. En het beviel hem niet, nu niet! Zooals hij het zag was het een gruwel van vervelende overbodigheid, van noodelooze en onnutte ellende. Hij had Roos willen ruilen voor Clara, maar of het dat was wat hem ontbrak? ’t Scheen hem onwaarschijnlijk.Want dan zou hij ook van dezelfde conditie zijn als nu, misschien met wat meer opgewektheid als man, maar anders ook niet.Overigens dezelfdemisère; de mierenarbeid van menschen! Hij keek weêr naar de voorstelling van het beeld, dat als iets wezenlijks voor zijn geest was blijven staan, stralend van mooiheid en licht, nu zacht vervloeiend.[99]Het kanonschot van vijven, dadelijk gevolgd door de slagen der gardoes op hun blokken, deed hem opspringen. Het was nu ineens alles weg; maar toen hij de hand over ’t voorhoofd streek en over zijn kaal hoofd, voelde hij dat ’t klamme zweet erop parelde. Dat was weer een nacht geweest! dacht hij geeuwend en de vensters opengooiend.Op den weg en het erf van het logement ving in het donker de bedrijvigheid aan; hij leunde op het vensterkozijn en keek ernaar, telkens geeuwend dat hij ervan rilde. Nog geen twee uren geslapen, na zulk een dag!Het zou hem in vroeger tijd nooit zijn gebeurd. Wat scheelde hem dan? Waren zijn zenuwen in de war? Ontbrak hem een normale digestie?Het denken aan zelfmoord en het niet kunnen slapen zou wel een en dezelfde oorzaak hebben. Het was niet anders te verklaren, dacht hij, want de menschen spraken wel van erfelijkheid en zijn moeders-broer had zich vele jaren geleden voor ’t hoofd geschoten, maar dat vond hij toch te gek om van te spreken.Hij had van den onaangenamen nacht geen last, was integendeel opgewekter en vroolijker dan anders, met neiging om een goed glas wijn te drinken en een stevig bittertje.Toch vroeg men hem overal of hij ziek was, waarop hij dan lachend antwoordde, dat bij hem vergeleken, een vischje in het water een teringlijder was. Maar hij had de overtuiging van ziekte, van een vreemde, onverklaarbare ongesteldheid, waaruit alles voortkwam wat hij onderging in den laatsten tijd, tot zelfs zijn bijzondere opgewondenheid en het extra spraakzame in vreemd gezelschap, hem anders niet eigen.Daar zat hij nu ook over te denken, teruggekeerd van zijn zakenbezoek aan Twissels. Hij kon dien dokter toch niet alles vertellen over de aanvechtingen tot zelfmoord!Dan zou hem misschien ook nooit een geneesheer kunnen helpen.In godsnaam! zuchtte hij. Er moest maar van komen wat er wilde.
Een paar dagen later ging Geber naar de stad voor zaken. Twissels ontving hem op z’n kantoor. Hij zat in een kamer alleen, afgeschoten van een groote zaalruimte door schutsels, en met nog drie overoude lessenaars in zijn naaste omgeving, blijvende herinneringen aan zijn voorgangers, die niemand gebruikte en ook niemand mocht wegnemen; die daar verlaten stonden te vervallen en te vergaan, zooals ook de zijne eens zou staan, als hij zich uit de zaken der firma voorgoed terugtrok.
De landheer, gewoon aan zijn leven in de frissche lucht, vond dat het er stonk, naar stof en oud papier, naar vocht en vagebondeerende katten, naar alles wat vies was.
Twissels vond dat niet; hij voelde zich in die atmosfeer eerst recht lekker. Dáár had hij jarenlang de meeste uren van den dag doorgebracht; dáár was hij begonnen als gewoon employé en opgeklommen tot chef; dáár was hij van een armen drommel een rijk man geworden. Hij zat er met genoegen, met wellust, en als hij ’s morgens binnenkwam, dan rook hij met meer welgevallen de stankmixtuur, dan een ander het bij mogelijkheid de fijnste geuren zou kunnen doen.
„Ga zitten,” zei hij tegen Geber, hem een stoel wijzend naast zijn lessenaar. „Ik ben dadelijk klaar.”
En met zijn neus op het papier, zijn bril haast over de regels en langs de cijferkolommen schuivend, keek hij een rekening-courant door, nu en dan ’n aanteekening makend op ’n stukje papier of met ’n hooge stem een employé roepend, die aan den anderen kant der schutsels zat, om een inlichting.
„Hoe gaat het thuis?” was, toen hij met zijn stuk gereed was, welstaanshalve zijn eerste vraag.
„Heel goed! Je kunt best eens voor ’n paar dagen overkomen.”
„Te druk!” piepte Twissels, zijn kuifje opstrijkend en met twee handen zijn bril rechtzettend. „Veel te druk tegenwoordig. Blijf jij vandaag hier, dan maken we samen van avond ’n partijtje.”
Maar Geber had beloofd thuis te komen, en toen er dus geen mogelijkheid was op het gaan van den een en het blijven van den ander, bespraken zij de zaken, waarvoor Geber gekomen was. Al de paperassen kwamen daarbij voor den dag, met een heen enweêrrekenen van belang.[96]
Het eene uur verliep na het andere; en al voortwerkend rees en rees het cijfer hunner winsten door de samenvoeging der resultaten, deels werkelijk, deels geraamd, der gecombineerde zaken, landbouwcontracten, transporten, productenverkoop, en al wat ze al zoo deden in kongsi, hier en daar en waar ze samen belang bij hadden.
„Mooi, hè?” zei Twissels met z’n zachten meisjeslach, zijn lange droge handen tusschen de knokkige hooge knieën wrijvend. „Verdomd mooi, hè?”
„Ja,” zei Geber ervan zuchtend. „’t Is prachtig, dat moet ik zeggen.”
„Blijf hier bij mij rijsttafelen op ’t kantoor.”
„Ik heb nog zaken.”
Voor geen geld had hij het gedaan!
In die onmogelijke atmosfeer had hij niet kunnen eten, nu reeds misselijk van het erin vertoeven.
Inderdaad ging Geber naar den dokter, dien hij thuis vond op het etensuur.
„Hebt u er vroeger last van gehad?” werd hem gevraagd.
„Neen, eerst in den laatsten tijd.”
„Is er iets, dat u bijzonder bezighoudt?”
„Er is niets, dokter.”
Dat was een onwaarheid, en hij was er zich van bewust, dat nu ook de dokter hem niet kon helpen. Waarom zei hij niet de waarheid? Waarom vertelde hij niet, dat telkens hem dat ellendige denkbeeld aan zelfmoord vervolgde? Het was op reis voor het eerstweêrbij hem opgekomen, op een avond, dat hij aan boord zat van de kustboot. De omgeving kon het niet geweest zijn, want bij den zilverblanken maneschijn en zachte, verfrisschende bries, was het verrukkelijk op zee. Hij, landman, vond het bijzonder mooi, en zoo ineens, zonder transitie, overviel hem dat vervloekte ideeweêr, met als ’t ware zijn voor- en achterrijders van pessimistische opvattingen en verdwaasde gemoedelijkheid.
Dat dit denkbeeld zoo onverwacht terugkwam, had hem diep getroffen.
De verdere dagen van zijn reis dacht hij daar telkens aan.
Wat kon van zoo’n redelooze herhaling de oorzaak zijn? Hij had veel te doen; den heelen dag was hij op de been geweest in de bosschen om den boel op te nemen, te schatten en zoo; ’s namiddags was hij zeer vermoeid naar de stad gereden, dertig paal in een reiswagen! Hij had er ’n biefstuk gegeten en ’n glas grog gedronken; ’t was toen tien uren en zeer stil in het logement, want er werd in den schouwburg een concert gegeven. Geber vond, dat hij nog wel ’n oogenblik[97]kon gaan luisteren, kleedde zich en ging naar de komedie; hij trof er vrienden en kennissen aan; hij ging in de loges hun dames groeten en een praatje maken; in de pauze werd hij als ’t ware omringd, niet enkel wijl hij rijk was, maar men mocht hem graag, vond hem een goede, sympathieke persoonlijkheid. Heel oudesobatsvan twintig jaren en meer geleden, kwamen met vriendschappelijk glimlachende herkennings-gezichten en toegestoken handen op hem af, met „Zoo!” ’s en „Wel kerel!” ’s en amicale „Gévédé” ’s, maar allen met vertoon van gemeende hartelijkheid.
„Kom,” zei de plaatselijke commandant, die als tweede luitenant Geber gekend had, „ga nog ’n uurtje na het concert met me mee naar m’n huis.”
Als altijd licht te „lijmen”, deed hij het.
En twee anderen gingen ook mee, omdat, zeiden ze, Geber ging, en zoo raakten zeweêraan ’t homber-partijtje, tot te twee uren Geber in zijn wagen stapte, zóó totaal op, dat hij al sliep vóór het rijtuig stil stond. Hij sliep om zoo te zeggen door naar zijn kamer gaande, zich ontkleedende met het gevoel, de zekerheid, waaraan hij nog dacht voor hij heelemaal insliep, dat hij wel tegen alle gewoonte in niet vroeg zou opstaan den volgenden dag.
Het was alsof iemand hem wakker had gemaakt; ineens klaar wakker, zonder eenig overblijfsel van slaperig zijn of soesen; vrij helder van oog en hoofd; en werktuigelijk keek hij rond in het vreemde logementsbed, als met aandrift om te onderzoeken wie of wat hem zóó had doen ontwaken midden in zijn slaap. Er was niets te zien; aan de eene zijde het beeld van het kamerscherm tusschen hem en het flauw schijnend nachtlichtje, aan de andere de lichte doorschijnende schaduw van de klamboe op den witten muur. Op straat sloeg de gardoe vier slagen; alles was stil en rustig.
Gek vond hij het, dat hij nu uit zichzelven wakker werd, na zoo’n zwaren dag en terwijl hij daareven zoo’n geweldigen slaap had.
’t Beste was maar te beproeven weêr in te slapen; hij sloot de oogen, doch deed ze snelweêropen … Daar had jeweêrdat idee! Het toonde zich nu belichaamd; hij zag zichzelven en de oude plek en het pistool, dat hij in de hand hield, en te gelijk zag hij zijn lichaam, den arm uitgestrekt, dood. Toen hij de oogen sloot, doemde het ineens op, als een mooie geïdealiseerde schilderij, vol licht en kleur, maar met buitengewone, phantastische, scherpe tinten, tot hem komend gelijk de monsterachtige mannetjes en de vreemdsoortige dieren voor de ongeregelde verbeelding van kinderen, als ze de oogen sluiten voor ze inslapen.
Hij was waarlijk geen kind, en het was ook niet, dat hij voor zulke[98]kleinigheden bevreesd was of uit bijgeloovigheid; alleen vond hij die herhaling vreemd en onrustwekkend.
Waarom kwam dat denkbeeld aan zelfmoord zoo herhaaldelijk bij hem op?
Hij was het toch niet van plan! In vollen ernst: hij dacht er niet aan. Als erover werd gesproken in gezelschap, keurde hij het altijd af. Vooral menschen die vrouw en kinderen hadden, zei hij dan, waren schuldig als zij zoo iets deden; zij kwamen dan hun verplichtingen niet na. Maar zelfs al hadden zij geen gezin, dan was en bleef het nog een onverantwoordelijke daad.
Nu deed hij de oogen weêr dicht, zag het weêr, keek ernaar en glimlachte ertegen; want het was mooi; zoo artistiek van teekening, zoo fijn en diep van zacht wijkend perspectief, en vooral zóó schitterend rijk van toon.….. zoo iets was haast ondenkbaar; had hij nooit gezien in de werkelijkheid; ’t nam al het nare weg van de voorgestelde handeling en van de uitgevoerde, in een omtrek samen opgenomen; de vorm won het op ’t wezen. En al wat om die voorstelling heen scheen te liggen, zonk weg in een vage droefgeestige tint, vuilgrijs en dofgeel. Was dat het leven, was het andere de dood? Het ging in zijn hoofd weêr den ouden weg op. Wat had hij aan het leven? Daar tobde hij nu zijn lichaam af in moerassige, stinkende en benauwde bosschen, om … wat meer geld dan hij bezat. En waartoe dat geld? Wat had hij eraan? Thuis een machinaal onverschillig leven; een vrouw, die hem altijd vreemd zou blijven als mensch, al kreeg ze ook nog twintig kinderen bij hem. Hij kon zoo’n leven doorsjokken als een ander soort van koelie, beschaafd en welgesteld! Net als vroegere keeren en heelemaal in strijd met zijn oude denkbeelden, kwam hij weêr terug tot de theorie, het leven te beschouwen als een huis, dat men verlaat, als het niet langer bevalt. En het beviel hem niet, nu niet! Zooals hij het zag was het een gruwel van vervelende overbodigheid, van noodelooze en onnutte ellende. Hij had Roos willen ruilen voor Clara, maar of het dat was wat hem ontbrak? ’t Scheen hem onwaarschijnlijk.
Want dan zou hij ook van dezelfde conditie zijn als nu, misschien met wat meer opgewektheid als man, maar anders ook niet.
Overigens dezelfdemisère; de mierenarbeid van menschen! Hij keek weêr naar de voorstelling van het beeld, dat als iets wezenlijks voor zijn geest was blijven staan, stralend van mooiheid en licht, nu zacht vervloeiend.[99]
Het kanonschot van vijven, dadelijk gevolgd door de slagen der gardoes op hun blokken, deed hem opspringen. Het was nu ineens alles weg; maar toen hij de hand over ’t voorhoofd streek en over zijn kaal hoofd, voelde hij dat ’t klamme zweet erop parelde. Dat was weer een nacht geweest! dacht hij geeuwend en de vensters opengooiend.
Op den weg en het erf van het logement ving in het donker de bedrijvigheid aan; hij leunde op het vensterkozijn en keek ernaar, telkens geeuwend dat hij ervan rilde. Nog geen twee uren geslapen, na zulk een dag!
Het zou hem in vroeger tijd nooit zijn gebeurd. Wat scheelde hem dan? Waren zijn zenuwen in de war? Ontbrak hem een normale digestie?Het denken aan zelfmoord en het niet kunnen slapen zou wel een en dezelfde oorzaak hebben. Het was niet anders te verklaren, dacht hij, want de menschen spraken wel van erfelijkheid en zijn moeders-broer had zich vele jaren geleden voor ’t hoofd geschoten, maar dat vond hij toch te gek om van te spreken.
Hij had van den onaangenamen nacht geen last, was integendeel opgewekter en vroolijker dan anders, met neiging om een goed glas wijn te drinken en een stevig bittertje.
Toch vroeg men hem overal of hij ziek was, waarop hij dan lachend antwoordde, dat bij hem vergeleken, een vischje in het water een teringlijder was. Maar hij had de overtuiging van ziekte, van een vreemde, onverklaarbare ongesteldheid, waaruit alles voortkwam wat hij onderging in den laatsten tijd, tot zelfs zijn bijzondere opgewondenheid en het extra spraakzame in vreemd gezelschap, hem anders niet eigen.
Daar zat hij nu ook over te denken, teruggekeerd van zijn zakenbezoek aan Twissels. Hij kon dien dokter toch niet alles vertellen over de aanvechtingen tot zelfmoord!
Dan zou hem misschien ook nooit een geneesheer kunnen helpen.
In godsnaam! zuchtte hij. Er moest maar van komen wat er wilde.