[Inhoud]VIERDE HOOFDSTUK.Mama Tjang.Geheel tegen de gewoonte was de verloving zonder feestelijkheden bekend gemaakt. Geber was naar z’n land teruggekeerd om alles in ’t reine te brengen; allen vonden dat de laatsterestjesvan die leelijkeperkaraeerst uit de wereld moesten zijn.En dan, er viel bij de Uhlstra’s dadelijk een geweldige drukte in. Het uitzet van Roos nam haar moeder, haar zelf en haar zusters heelemaal in beslag; er werd gecorrespondeerd met het buitenland, want er moest ook veel uit Parijs bij zijn; elken dag was het tokobezoek; buitengewone naaisters werden aangenomen, en de ruime achtergalerij leek soms zelf een toko, zóó stond het overal vol met witte en blauwe bordpapieren doozen, stapels tafelgoed en allerlei gekleurde en witte goederen, die men meende dat de aanstaande mevrouw Geber hoog noodig had om buiten te wonen, alleen met haar man. Te midden van die drukte, door Uhlstra van harte verwenscht, kwam een briefje, dat allen deed opschrikken en waarboven, dicht tegen elkaar, de zwartgelokte hoofden der dames zich belangstellend vereenigden.„Wat is het?” vroeg Uhlstra, die op het achtererf z’n planten had verzorgd en op zijn bloote voeten de marmeren galerij binnenkwam.„Kasian,” riep zijn vrouw, „het is een briefje van Clara; we moeten er dadelijk naar toe.”„Wat is er dannuweer?” was de tweede, niet zeer vriendelijke vraag.„Kasian, vent, de oude vrouw is zoo raar.”Hij bromde iets binnensmonds, haalde de schouders op en ging naar z’n kamer.„Je gaat toch zeker ook even kijken!” riep hem z’n vrouw achterna.„Merci!” riep hij terug. „Ik zal straks van jullie wel hooren of het de moeite waard is.”„Hé,” zei mevrouw Uhlstra tegen haar dochters, „met landauer, ja! en dan gauw een schoone kabaai aan.”[23]Zij reden het erf op van een huis, mooier en grooter nog dan het hunne, hoog uit den grond, sierlijk ingericht met europeesche heele en halve ameublementen, keurig onderhouden. Maar ze gingen niet het hoofdgebouw binnen, en reden ineens door naar achter, waar een niet meer jonge, maar slanke en knappe indische dame haar ontving, het bezoek blijkbaar verwachtend.Men kuste elkaar met groot betoon van hartelijkheid, een zweem van droefgeestigheid op de gezichten.„Hoe is het met haar?” vroeg mevrouw Uhlstra zacht, als moest er buiten gefluisterd worden om de rust eener doodzieke niet te storen.„Kom maar eens meê kijken; de dokter heeft gezegd, dat het wel gauw zal afloopen.”Fluisterend onder elkaâr, liepen ze voort door de lange galerij der bijgebouwen, en gingen eene kamer binnen, waaruit een sterke lucht kwam van indische oliën en medicijnen. De vensters waren gesloten en in ’t schemerdonker teekenden tegen den witten muur zich de vormen af van allerlei voorwerpen, indische en europeesche; een vreemde verzameling goedkoope inheemsche dingen van dagelijksch gebruik, van bamboe en rottan, waartusschen marmeren knaapjes, mooi vergulde vazen en andere artikelen van weelde wonderlijk afstaken. En achter in het fond van het ruime vertrek op een gewone baleh-baleh, die omringd was door een fraai kanten met rood lint opgenomenklamboe, lag op een mat een oude inlandsche vrouw,mama tjang. Mager en gerimpeld, doodstil en met gesloten oogen, de handen op de borst als een mummie, die daar eeuwen had gelegen en geheel was uitgedroogd. Toen zij de stemmen hoorde, gingen hare groote oogen wijd open en haar blik, helder en vast, gaf aan hetmasqueineens de geheele uitdrukking van leven terug. Mevrouw Uhlstra ging dadelijk naar haar toe en vroeg, zich neerlatend in een lederen armstoel naast het geïmproviseerde ledikant, in het maleisch met groote belangstelling naar de gezondheid vanmama tjang, die dadelijk bewees, dat zoo het haar aan goede oogen niet ontbrak, ook haar spraakvermogen haar niet in den steek had gelaten. Op een zachten jammertoon, snel pratend maar telkens afgebroken door diepe ademhalingen, als kostte het haar moeite en kon zij haast niet meer, beklaagde zij zich bitter. Men veronachtzaamde haar: niemand keek meer naar haar om; een arm oud mensch in den kampong had het beter dan zij; ze wou dat ze maar dood was; ze zou ook wel gauw dood gaan, dan was ze niemand meer te veel; dan had niemand meer last van haar; dan kon men haar begraven in de aarde; dan was men van haar af. Mevrouw Uhlstra[24]kende dat lied, zij wist hoe haar zuster Clara, ondanks de donderende protesten van Lugtens, haar man,mama tjangverzorgde en liet oppassen, doch zij sprak maar niet tegen, nu en dan, zachtjes en opbeurend, haar met een enkel woord in de rede vallend. Ook Roos en haar zusters waren bij het bed komen staan en spraken meê in dien trant, alles in het maleisch, de een door de ander, met tranen in de oogen over het lamenteeren der oude vrouw, wier slapen ze meteau de cologneverfrischten, terwijl twee baboe’s als steenen beelden op den grond zaten, zonder een vin te verroeren wanneer het haar niet werd gelast. Toen de dames na een half uur ongeveer weer buiten kwamen, bliezen ze van de benauwdheid in de ziekenkamer.„Ga even binnen,” zei mevrouw Lugtens, met haar waaier naar het hoofdgebouw wijzend, „Jacques is thuis.”Fatsoenshalve kon mevrouw Uhlstra niet nalaten haar zwager te gaan groeten; voor haar genoegen deed ze het niet; ze was veel liever naar huis gegaan; ze steeg, gevolgd door de meisjes, met loome schreden de hooge trap open volgde haar zuster, door de prachtige zaal, die het middengedeelte van het huis vormde, in een der kamers, waar Lugtens aan den glimmenden cylinderlessenaar zat te schrijven. Met iets in haar houding, dat deed denken aan een aanstellerig uiterlijk vertoon van beslistheid, trad zij binnen.„Zoo!” begroette Lugtens haar, stug en uit de hoogte. „Hoe gaat het?”„O, heel goed; we hebben het erg druk, nu Roos gaat trouwen.”„Wanneer moet dat gebeuren?”„Er is nog geen dag bepaald, maar toch binnen een week of zes.…”Hij keerde z’n gezicht naar Roos; haar en de meisjes had hij toen ze binnenkwamen met een rondgaanden hoofdknik begroet. Zijn „zoo” gold voor allen te gelijk.„Je doet daar een goed huwelijk, Roos!”Zijn scherpe grijze oogen keken vlak in de hare met iets in z’n trekken dat haar verlegen en zenuwachtig maakte, en dat het haar moeder ook altijd deed; maar evenals deze zette zij zich schrap, haar best doende zich tegenover oom Lugtens nietbingoengte toonen.„Vindt u?” vroeg ze glimlachend en vriendelijk.„Zeker, zeker.… het is een goed land, en Geber is een zeer geschikt man.”„Ja,” kwam mevrouw Uhlstra er met gedwongen vroolijkheid tusschen, „de heeren, die met elkaar homberen, houden elkaar altijd de hand boven ’t hoofd.”Haar opmerking kreeg geen ander antwoord dan een schuinen nijdigen blik, en Lugtens vervolgde, alsof ze niets gezegd had, tegen Roos:[25]„Je weet hoe het op het land gaat, en je kent de taal goed; dat zijn ook twee voorname dingen.”„Ja, oom.”Roos wist waarlijk niet wat ze er anders op moest zeggen; zij had haar aanstaand huwelijk nog niet hooren beschouwen dan qua zaak.„Nu,” zei mevrouwUhlstra. „We komen je maar even groeten, want we moeten weêr gauw naar huis.”„En ik heb ook de handen vol.Adieudus en groet je man van me.”Weêr knikte hij eens even in het rond, een algemeenen korten groet, en de dames gingen, mevrouw Uhlstra met een kort uitgestooten „Dag!” blij, dat ze het kantoor weêr uit was. Beneden aan de trap der achtergalerij lei ze haar eene hand op haar hart en sloeg haar groote zwarte oogen op naar boven, vol wanhopige ergernis, met de andere hand den pols vattend harer zuster, terwijl ze fluisterend zei als bang door anderen gehoord te worden:„Wat een nare vent is het toch, Claar! Hoe is het mogelijk, dat je met hem leven kunt? Ik hield het geen vierentwintig uur bij hem uit!”„En ik heb het al twaalf jaar bij hem uitgehouden,” zei haar zuster met een pijnlijken trek om den mond, „maar het is me nooit zoo moeilijk geweest als in den laatsten tijd, nu met die ziekte van de oude vrouw.”„Zanikt hij daar nog altijd over!”„O, Leen, houd-je stil; daar maakt hij me den heelen dag het leven zuur meê.”Mevrouw Uhlstra keek haar zuster met innig medelijden aan.„Ik ben er maar niet over begonnen; de mijne is er ook nooit over te spreken, maar zoo’n bullebak alsdieJacques.…”De meisjes hadden haar tante al goeden dag gezoend, en riepen uit den landauer haar moeder.„Nu,” zei deze, van mevrouw Lugtens afscheid nemende, „als er iets is, laat je me maar roepen, ja?”Lugtens was rustig voortgegaan met zijn correspondentie; regelmatig en netjes, zijn volle aandacht bij het werk, schreef hij met de blijvende barsche uitdrukking op z’n gezicht, het type van een kalm despoot. Zóó kende men hem overal in Indië. Hij stond al veel jaren aan het hoofd eener groote maatschappij, die hij zelf had georganiseerd; die hij bestuurde met ijzeren hand; in wier dienst zijn wil wet was, en die hij door zijn bekwaamheid, tact en toewijding tot grooten bloei had gebracht. Niemand hield van hem. In zijn breeden kop, als met korte, forsche houwen uit één stuk geslagen, lag de grootste onverzettelijkheid uitgedrukt, en schoon hij baard noch knevels droeg, altijd zorgvuldig[26]geschoren, was zijn gezicht met krachtige trekken langs den neus en om den mond, mannelijk en flink, als van een oud romeinsch imperator. Thuis te zijn of in dienst zijner maatschappij maakte voor hem weinig verschil; zijn vrouw, zijn kinderen of zijn ondergeschikten op het kantoor,—ze hadden allen maar één ding te doen:hemte gehoorzamen; en ze vreesden hem hier niet minder dan daar. Toen hij klaar was en zijn correspondentie gesloten had, ging hij naar achteren, rondziende als iemand, die inspectie houdt en zoekt naar een gelegenheid om aanmerkingen te maken. Maar Clara was in den dienst van haar huwelijk volkomen gedresseerd; nu, als altijd, was het stil in huis, stond alles op zijn plaats, netjes en tot in ’t overdrevene zindelijk.„Ze zijn daar straks zeker allen achter geweest,” zei hij tegen haar.„Ja, de oude vrouw is erg naar.”„Zoo, is ze alweêr erg naar? De gewone kunstjes natuurlijk! Je hebt me hier wat op m’n dak gehaald; ditmaal is het voor ’t laatst; zoo gauw ze beter is, is het uit.”Clara liet hem praten; in dat ééne opzicht weêrstond ze hem, en ofschoon er geen dag omging, zonder dat ze de onaangenaamste dingen daarover hooren moest, had ze toch volgehouden en was ze nu ook vast besloten voor de oude inlandsche moeder in haar eigen huis te blijven zorgen.Terwijl hij doorsprak op den nurkschen, bevelenden toon, met hatelijkheden en verwijten, reed een klein rijtuig door de poort het achtererf op; voor het nog heelemaal stilstond, sprongen er twee jongens en twee meisjes uit. Het waren de kinderen van Lugtens, die uit school kwamen en vroolijk, rumoerig en luidruchtig de trap opholden. ’t Was of ze verschrikten, toen ze zagen dat hun vader thuis was, zóó stil werden ze ineens, zóó rustig liepen ze, een bezorgden blik op de schoolboeken, die ze in de hand hielden en met de andere de petten rechtzettend en de haren gladstrijkend. Alleen het kleinste meisje ging gewoon door; het scheen niet in die mate den invloed te ondergaan, dien het gezicht van den vader op de anderen maakte, en zij was ook de eenige, die hij eigenlijk teruggroette, blijkbaar zijn best doende uit zijn brusken toon in een meer vriendelijken en zachtzinnigen te vallen.Er was toch niets bijzonders aan dit kind, blank en blond als de anderen, geheel het Lugtens-type, zonder eenigen schijn der inlandsche herkomst van moederszij.Wat mevrouw Uhlstra, tante Lena, niet had gedurfd, deed de kleine Lena dadelijk: ze vroeg naarmama tjang, en toen haar moeder, aarzelend en bevreesd voor nieuwe uitvallen van haar man, zei dat ze erg ziek was, weifelde het kind geen oogenblik, maar ging, zonder[27]zich om haar vader te bekreunen, met den vasten tred en de rechte houding, die Lugtens kenmerkten, naar achteren.De andere kinderen waren dadelijk in de kamers geslopen, liefst buiten een onmiddellijke, minder aangename nabijheid.Met de oogen wijd open en strak gericht op de deur lagmama tjangte wachten; zij had de kinderen hooren thuiskomen, in de verte, en toen er een naderde en de deur van haar kamer opendeed, wist ze wel dat het kleine Lena was. In haar oud, bruin perkamentachtig gezicht kwam leven en ontspanning; toen het kind op den rand van de baleh-baleh zat, nam ze het witte handje in haar bruine vingers. Zij mopperde nu niet, dat niemand naar haar omzag, en men haar verwaarloosde.In het maleisch, vlug babbelend met veel gebaren, vertelde het kind van haar school, van de andere meisjes, van de verhaaltjes uit haar leesboeken, al maar door pratend, wel een kwartier lang.Mama tjangzei nu en dan een woord ertusschen of deed een uitroep, maar ze keek maar altijd door naar het kindergezicht, het handje streelend, dat ze niet losliet, en strijkend over het blonde krullende haar. Niemand wist van deze gewone inlandsche vrouw, dat ze daar aan huis het genadebrood bleef eten, eenig en alleen om dat kleinkind. Voor haar zelf had ze veel liever een woninkje gehad in den kampong. Herinneringen had ze op haar ouden dag hoofdzakelijk nog alleen aan haar eerste jeugd, en daarmeê was de kampong één. Een groot verlangen voelde ze naar een stil, rustig erfje, waar de kippetjes rondpikten tusschen de pisang- en de mangaboomen, naar zoo’n bamboezen huisje in de schaduw, met een atappen dak en zoo maar neergezet op de bloote aarde. Zij had het kunnen krijgen, o zoo graag! Zij wist heel goed welk een bron van ongenoegen haar wonen was in het huis van Lugtens, en ze was daar erg boos om; op haar manier verontwaardigd; maar als ze dan dacht aan het ééne kleinkind, dat ze verlaten moest, dan was al het andere weg.Haar dochters verzorgden haar; als zij dachten de oude met iets genoegen te kunnen doen, brachten ze het mee; de kamer leek wel een uitdragerij van mooie, kleurrijke dingen, die zoowat overal stonden in bonte verwarring; het liet haar koud; ze gaf er niet om; maar de minste kleinigheid, die ze kreeg van dat ééne kleinkind, een oud lintje, een prentje of iets anders zonder de minste waarde, behandelde ze of het een schat was; sloot ze zorgvuldig weg, netjes alles bij elkaar in een bundeltje in een lâ van haar eigen kast.Het schoot haar nu weêr te binnen, dat Lugtens het Clara zoo moeilijk maakte, en te gelijk dat zij zoo dikwijls het verlangen voelde om terug te gaan naar den kampong, waaruit ze afkomstig was.[28]„Waarom blijf ik hier,” zei ze als in zichzelf.„Waarom?” vroeg kleine Lena, die daar dadelijk antwoord op gaf, „wel omdat je hier woont net als wij.”Maarmama tjangschudde van neen.„Ik woon hier niet, kind; je vader woont hier en die is boos op me.”„Dat geloof ik ook,” zei Lena heel wijs, „maar waarom is hij boos opmama tjang?”De oude kon er geen antwoord op geven; ze wist het wel, maar ’t kind zou het toch niet begrijpen, dacht ze; wat mis was, want Lena dacht er het hare van en sloeg den spijker aardig raak; ze ging naar haar vader, die weêr in z’n kantoor aan ’t werk was. Toen hij even opkeek, vroeg ze met grooten nadruk:„Papa,waarombent u toch zoo boos opmama tjang?”Verwonderd richtte hij zich op. Niemand anders hier in huis dan dat kleine ding zou den moed hebben gehad; schoon hij dikwijls op het punt stond Lena af te snauwen, zoo barsch en uit de hoogte als hij gewoon was, kon hij er nooit toe komen. Daarbij had hij plezier in haar onbeschroomdheid, alsof het voor zijn aard een behoefte was althans op de een of andere wijze over zich den baas te laten spelen. Hij vond er iets grappigs in, dat die kleine blonde krullebol zoo niks bang voor hem was, hem zoo heel gewoon aandurfde.„Ik ben niet boos,” zei hij en wouweêraan ’t werk gaan; doch hij zou er zoo gemakkelijk niet afkomen. Ze kwam vlak naast hem staan, haar arm familiaar op z’n schouder.„U bent wèl boos, pa; u vindt het niet goed dat ze hier woont in de bijgebouwen.”„Och,” zei hij, de wenkbrauwen fronsend, „je moet niet lastig wezen.”Hij zei dat heel gemoedelijk voor zijn doen; net alsof hij sprak tot een volwassen mensch, erbij voegende:„Je weet wel dat papa niet houdt van inlandsche menschen.”„Ze kan het toch niet helpen, pa; ze is toch mama’s eigen moeder.”„Jawel, jawel,” knorde hij in ’t nauw gebracht, „maar ik houd er nu eenmaal niet van.”„Mama moet toch voor haar zorgen? U zoudt immers ook zorgen voor uw eigen moeder?”Lugtens lei zijn pennehouder neer op den grooten zilveren inktkoker, verschietend van kleur, de lippen vast op elkaar geklemd, rechtuit kijkend in de ruimte zonder te zien. Neen, hij had niet gezorgd voor z’n eigen moeder, die al jaren dood was, gestorven in de diepe armoede van den kleinen stand eener groote stad![29]Strijdend uit al zijn macht in de indische maatschappij om zijn positie te verbeteren en geld te winnen, was hij, in de dagen van zijn opkomst, los geweest van alles. Maar nu hij ouder was, zijn positie niet hooger kon komen en zijn gevestigd fortuin vanzelf toenam, had hij soms moeite, schoon hij daar nooit tegen iemand over sprak, opkomende gedachten te onderdrukken, gedachten, verbonden aan herinneringen en vol verwijt. Voor zijn zelfzucht, verhard in dertigjarigen arbeid en zorg voor allerlei belangen, viel het niet zwaar, zich wat hij muizenissen noemde, uit het hoofd te zetten, en dat deed hij dan ook telkens; doch hij schrikte ervan nu hij zijn groote tekortkoming zoo onverwacht hoorde formuleeren door het eenige van z’n eigen kinderen waaraan hij buitengewoon gehecht was. Hij keek de kleine Lena met wantrouwen aan, twijfelend of ze dit had uit haarzelve dan of het haar was ingeblazen, en wat een heele gewone omstandigheid was, deed hem nu bijzonder aan: zij had dezelfde oogen als zijn moeder; in een vlaag van bijgeloovigheid overviel hem het gevoel als keek zijn moeder, die al zoo lang dood was, hem aan door de oogen van het kind; zijn wantrouwen was dadelijk weg. Toch vroeg hij nog:„Heeft mama je soms gezegd zoo tegen me te spreken?”„Mama!” zei Lena heel verwonderd. „In het geheel niet; ik vroeg het zelf maar zoo.”Lugtens haalde diep adem.„Nu,” zei hij, „ga dan maar heen. Die oude vrouw kan wel blijven; papa zal er niet meer boos om zijn en nooit weêr iets van zeggen.”Het kind wipte met een sprongetje de deur uit, volstrekt niet doordrongen van het feit, dat ze iets heel bijzonders had verricht, enkel tevreden datmama tjangniet weg hoefde te gaan, en haar moeder, zooals zij het noemde, geen knorren meer zou krijgen. En ze riep dat hardop, zoodat Lugtens het nog heel goed hooren kon, tot grooten schrik en ontsteltenis van Clara, die haar haakwerk haast van haar schoot liet vallen en fluisterend zei:„Stil toch Lena; wat heb je nu weêr uitgevoerd?”„Nou,” antwoordde het kind even onbeschroomd als altijd, „ik heb aan papa gevraagd niet meer boos te zijn, omdat.…”Mevrouw Lugtens was haastig opgestaan.„Kom, ga mee naar degoedang,” zei ze snel, het kind in de rede vallend, „dan kan je wat padi halen voor deperkoetoets. Ze hebben nog niets gehad vandaag.”’t Was enkel om de kleine woordelijk te laten herhalen, wat zebranigeweest was tegen haar vader te zeggen.[30]
[Inhoud]VIERDE HOOFDSTUK.Mama Tjang.Geheel tegen de gewoonte was de verloving zonder feestelijkheden bekend gemaakt. Geber was naar z’n land teruggekeerd om alles in ’t reine te brengen; allen vonden dat de laatsterestjesvan die leelijkeperkaraeerst uit de wereld moesten zijn.En dan, er viel bij de Uhlstra’s dadelijk een geweldige drukte in. Het uitzet van Roos nam haar moeder, haar zelf en haar zusters heelemaal in beslag; er werd gecorrespondeerd met het buitenland, want er moest ook veel uit Parijs bij zijn; elken dag was het tokobezoek; buitengewone naaisters werden aangenomen, en de ruime achtergalerij leek soms zelf een toko, zóó stond het overal vol met witte en blauwe bordpapieren doozen, stapels tafelgoed en allerlei gekleurde en witte goederen, die men meende dat de aanstaande mevrouw Geber hoog noodig had om buiten te wonen, alleen met haar man. Te midden van die drukte, door Uhlstra van harte verwenscht, kwam een briefje, dat allen deed opschrikken en waarboven, dicht tegen elkaar, de zwartgelokte hoofden der dames zich belangstellend vereenigden.„Wat is het?” vroeg Uhlstra, die op het achtererf z’n planten had verzorgd en op zijn bloote voeten de marmeren galerij binnenkwam.„Kasian,” riep zijn vrouw, „het is een briefje van Clara; we moeten er dadelijk naar toe.”„Wat is er dannuweer?” was de tweede, niet zeer vriendelijke vraag.„Kasian, vent, de oude vrouw is zoo raar.”Hij bromde iets binnensmonds, haalde de schouders op en ging naar z’n kamer.„Je gaat toch zeker ook even kijken!” riep hem z’n vrouw achterna.„Merci!” riep hij terug. „Ik zal straks van jullie wel hooren of het de moeite waard is.”„Hé,” zei mevrouw Uhlstra tegen haar dochters, „met landauer, ja! en dan gauw een schoone kabaai aan.”[23]Zij reden het erf op van een huis, mooier en grooter nog dan het hunne, hoog uit den grond, sierlijk ingericht met europeesche heele en halve ameublementen, keurig onderhouden. Maar ze gingen niet het hoofdgebouw binnen, en reden ineens door naar achter, waar een niet meer jonge, maar slanke en knappe indische dame haar ontving, het bezoek blijkbaar verwachtend.Men kuste elkaar met groot betoon van hartelijkheid, een zweem van droefgeestigheid op de gezichten.„Hoe is het met haar?” vroeg mevrouw Uhlstra zacht, als moest er buiten gefluisterd worden om de rust eener doodzieke niet te storen.„Kom maar eens meê kijken; de dokter heeft gezegd, dat het wel gauw zal afloopen.”Fluisterend onder elkaâr, liepen ze voort door de lange galerij der bijgebouwen, en gingen eene kamer binnen, waaruit een sterke lucht kwam van indische oliën en medicijnen. De vensters waren gesloten en in ’t schemerdonker teekenden tegen den witten muur zich de vormen af van allerlei voorwerpen, indische en europeesche; een vreemde verzameling goedkoope inheemsche dingen van dagelijksch gebruik, van bamboe en rottan, waartusschen marmeren knaapjes, mooi vergulde vazen en andere artikelen van weelde wonderlijk afstaken. En achter in het fond van het ruime vertrek op een gewone baleh-baleh, die omringd was door een fraai kanten met rood lint opgenomenklamboe, lag op een mat een oude inlandsche vrouw,mama tjang. Mager en gerimpeld, doodstil en met gesloten oogen, de handen op de borst als een mummie, die daar eeuwen had gelegen en geheel was uitgedroogd. Toen zij de stemmen hoorde, gingen hare groote oogen wijd open en haar blik, helder en vast, gaf aan hetmasqueineens de geheele uitdrukking van leven terug. Mevrouw Uhlstra ging dadelijk naar haar toe en vroeg, zich neerlatend in een lederen armstoel naast het geïmproviseerde ledikant, in het maleisch met groote belangstelling naar de gezondheid vanmama tjang, die dadelijk bewees, dat zoo het haar aan goede oogen niet ontbrak, ook haar spraakvermogen haar niet in den steek had gelaten. Op een zachten jammertoon, snel pratend maar telkens afgebroken door diepe ademhalingen, als kostte het haar moeite en kon zij haast niet meer, beklaagde zij zich bitter. Men veronachtzaamde haar: niemand keek meer naar haar om; een arm oud mensch in den kampong had het beter dan zij; ze wou dat ze maar dood was; ze zou ook wel gauw dood gaan, dan was ze niemand meer te veel; dan had niemand meer last van haar; dan kon men haar begraven in de aarde; dan was men van haar af. Mevrouw Uhlstra[24]kende dat lied, zij wist hoe haar zuster Clara, ondanks de donderende protesten van Lugtens, haar man,mama tjangverzorgde en liet oppassen, doch zij sprak maar niet tegen, nu en dan, zachtjes en opbeurend, haar met een enkel woord in de rede vallend. Ook Roos en haar zusters waren bij het bed komen staan en spraken meê in dien trant, alles in het maleisch, de een door de ander, met tranen in de oogen over het lamenteeren der oude vrouw, wier slapen ze meteau de cologneverfrischten, terwijl twee baboe’s als steenen beelden op den grond zaten, zonder een vin te verroeren wanneer het haar niet werd gelast. Toen de dames na een half uur ongeveer weer buiten kwamen, bliezen ze van de benauwdheid in de ziekenkamer.„Ga even binnen,” zei mevrouw Lugtens, met haar waaier naar het hoofdgebouw wijzend, „Jacques is thuis.”Fatsoenshalve kon mevrouw Uhlstra niet nalaten haar zwager te gaan groeten; voor haar genoegen deed ze het niet; ze was veel liever naar huis gegaan; ze steeg, gevolgd door de meisjes, met loome schreden de hooge trap open volgde haar zuster, door de prachtige zaal, die het middengedeelte van het huis vormde, in een der kamers, waar Lugtens aan den glimmenden cylinderlessenaar zat te schrijven. Met iets in haar houding, dat deed denken aan een aanstellerig uiterlijk vertoon van beslistheid, trad zij binnen.„Zoo!” begroette Lugtens haar, stug en uit de hoogte. „Hoe gaat het?”„O, heel goed; we hebben het erg druk, nu Roos gaat trouwen.”„Wanneer moet dat gebeuren?”„Er is nog geen dag bepaald, maar toch binnen een week of zes.…”Hij keerde z’n gezicht naar Roos; haar en de meisjes had hij toen ze binnenkwamen met een rondgaanden hoofdknik begroet. Zijn „zoo” gold voor allen te gelijk.„Je doet daar een goed huwelijk, Roos!”Zijn scherpe grijze oogen keken vlak in de hare met iets in z’n trekken dat haar verlegen en zenuwachtig maakte, en dat het haar moeder ook altijd deed; maar evenals deze zette zij zich schrap, haar best doende zich tegenover oom Lugtens nietbingoengte toonen.„Vindt u?” vroeg ze glimlachend en vriendelijk.„Zeker, zeker.… het is een goed land, en Geber is een zeer geschikt man.”„Ja,” kwam mevrouw Uhlstra er met gedwongen vroolijkheid tusschen, „de heeren, die met elkaar homberen, houden elkaar altijd de hand boven ’t hoofd.”Haar opmerking kreeg geen ander antwoord dan een schuinen nijdigen blik, en Lugtens vervolgde, alsof ze niets gezegd had, tegen Roos:[25]„Je weet hoe het op het land gaat, en je kent de taal goed; dat zijn ook twee voorname dingen.”„Ja, oom.”Roos wist waarlijk niet wat ze er anders op moest zeggen; zij had haar aanstaand huwelijk nog niet hooren beschouwen dan qua zaak.„Nu,” zei mevrouwUhlstra. „We komen je maar even groeten, want we moeten weêr gauw naar huis.”„En ik heb ook de handen vol.Adieudus en groet je man van me.”Weêr knikte hij eens even in het rond, een algemeenen korten groet, en de dames gingen, mevrouw Uhlstra met een kort uitgestooten „Dag!” blij, dat ze het kantoor weêr uit was. Beneden aan de trap der achtergalerij lei ze haar eene hand op haar hart en sloeg haar groote zwarte oogen op naar boven, vol wanhopige ergernis, met de andere hand den pols vattend harer zuster, terwijl ze fluisterend zei als bang door anderen gehoord te worden:„Wat een nare vent is het toch, Claar! Hoe is het mogelijk, dat je met hem leven kunt? Ik hield het geen vierentwintig uur bij hem uit!”„En ik heb het al twaalf jaar bij hem uitgehouden,” zei haar zuster met een pijnlijken trek om den mond, „maar het is me nooit zoo moeilijk geweest als in den laatsten tijd, nu met die ziekte van de oude vrouw.”„Zanikt hij daar nog altijd over!”„O, Leen, houd-je stil; daar maakt hij me den heelen dag het leven zuur meê.”Mevrouw Uhlstra keek haar zuster met innig medelijden aan.„Ik ben er maar niet over begonnen; de mijne is er ook nooit over te spreken, maar zoo’n bullebak alsdieJacques.…”De meisjes hadden haar tante al goeden dag gezoend, en riepen uit den landauer haar moeder.„Nu,” zei deze, van mevrouw Lugtens afscheid nemende, „als er iets is, laat je me maar roepen, ja?”Lugtens was rustig voortgegaan met zijn correspondentie; regelmatig en netjes, zijn volle aandacht bij het werk, schreef hij met de blijvende barsche uitdrukking op z’n gezicht, het type van een kalm despoot. Zóó kende men hem overal in Indië. Hij stond al veel jaren aan het hoofd eener groote maatschappij, die hij zelf had georganiseerd; die hij bestuurde met ijzeren hand; in wier dienst zijn wil wet was, en die hij door zijn bekwaamheid, tact en toewijding tot grooten bloei had gebracht. Niemand hield van hem. In zijn breeden kop, als met korte, forsche houwen uit één stuk geslagen, lag de grootste onverzettelijkheid uitgedrukt, en schoon hij baard noch knevels droeg, altijd zorgvuldig[26]geschoren, was zijn gezicht met krachtige trekken langs den neus en om den mond, mannelijk en flink, als van een oud romeinsch imperator. Thuis te zijn of in dienst zijner maatschappij maakte voor hem weinig verschil; zijn vrouw, zijn kinderen of zijn ondergeschikten op het kantoor,—ze hadden allen maar één ding te doen:hemte gehoorzamen; en ze vreesden hem hier niet minder dan daar. Toen hij klaar was en zijn correspondentie gesloten had, ging hij naar achteren, rondziende als iemand, die inspectie houdt en zoekt naar een gelegenheid om aanmerkingen te maken. Maar Clara was in den dienst van haar huwelijk volkomen gedresseerd; nu, als altijd, was het stil in huis, stond alles op zijn plaats, netjes en tot in ’t overdrevene zindelijk.„Ze zijn daar straks zeker allen achter geweest,” zei hij tegen haar.„Ja, de oude vrouw is erg naar.”„Zoo, is ze alweêr erg naar? De gewone kunstjes natuurlijk! Je hebt me hier wat op m’n dak gehaald; ditmaal is het voor ’t laatst; zoo gauw ze beter is, is het uit.”Clara liet hem praten; in dat ééne opzicht weêrstond ze hem, en ofschoon er geen dag omging, zonder dat ze de onaangenaamste dingen daarover hooren moest, had ze toch volgehouden en was ze nu ook vast besloten voor de oude inlandsche moeder in haar eigen huis te blijven zorgen.Terwijl hij doorsprak op den nurkschen, bevelenden toon, met hatelijkheden en verwijten, reed een klein rijtuig door de poort het achtererf op; voor het nog heelemaal stilstond, sprongen er twee jongens en twee meisjes uit. Het waren de kinderen van Lugtens, die uit school kwamen en vroolijk, rumoerig en luidruchtig de trap opholden. ’t Was of ze verschrikten, toen ze zagen dat hun vader thuis was, zóó stil werden ze ineens, zóó rustig liepen ze, een bezorgden blik op de schoolboeken, die ze in de hand hielden en met de andere de petten rechtzettend en de haren gladstrijkend. Alleen het kleinste meisje ging gewoon door; het scheen niet in die mate den invloed te ondergaan, dien het gezicht van den vader op de anderen maakte, en zij was ook de eenige, die hij eigenlijk teruggroette, blijkbaar zijn best doende uit zijn brusken toon in een meer vriendelijken en zachtzinnigen te vallen.Er was toch niets bijzonders aan dit kind, blank en blond als de anderen, geheel het Lugtens-type, zonder eenigen schijn der inlandsche herkomst van moederszij.Wat mevrouw Uhlstra, tante Lena, niet had gedurfd, deed de kleine Lena dadelijk: ze vroeg naarmama tjang, en toen haar moeder, aarzelend en bevreesd voor nieuwe uitvallen van haar man, zei dat ze erg ziek was, weifelde het kind geen oogenblik, maar ging, zonder[27]zich om haar vader te bekreunen, met den vasten tred en de rechte houding, die Lugtens kenmerkten, naar achteren.De andere kinderen waren dadelijk in de kamers geslopen, liefst buiten een onmiddellijke, minder aangename nabijheid.Met de oogen wijd open en strak gericht op de deur lagmama tjangte wachten; zij had de kinderen hooren thuiskomen, in de verte, en toen er een naderde en de deur van haar kamer opendeed, wist ze wel dat het kleine Lena was. In haar oud, bruin perkamentachtig gezicht kwam leven en ontspanning; toen het kind op den rand van de baleh-baleh zat, nam ze het witte handje in haar bruine vingers. Zij mopperde nu niet, dat niemand naar haar omzag, en men haar verwaarloosde.In het maleisch, vlug babbelend met veel gebaren, vertelde het kind van haar school, van de andere meisjes, van de verhaaltjes uit haar leesboeken, al maar door pratend, wel een kwartier lang.Mama tjangzei nu en dan een woord ertusschen of deed een uitroep, maar ze keek maar altijd door naar het kindergezicht, het handje streelend, dat ze niet losliet, en strijkend over het blonde krullende haar. Niemand wist van deze gewone inlandsche vrouw, dat ze daar aan huis het genadebrood bleef eten, eenig en alleen om dat kleinkind. Voor haar zelf had ze veel liever een woninkje gehad in den kampong. Herinneringen had ze op haar ouden dag hoofdzakelijk nog alleen aan haar eerste jeugd, en daarmeê was de kampong één. Een groot verlangen voelde ze naar een stil, rustig erfje, waar de kippetjes rondpikten tusschen de pisang- en de mangaboomen, naar zoo’n bamboezen huisje in de schaduw, met een atappen dak en zoo maar neergezet op de bloote aarde. Zij had het kunnen krijgen, o zoo graag! Zij wist heel goed welk een bron van ongenoegen haar wonen was in het huis van Lugtens, en ze was daar erg boos om; op haar manier verontwaardigd; maar als ze dan dacht aan het ééne kleinkind, dat ze verlaten moest, dan was al het andere weg.Haar dochters verzorgden haar; als zij dachten de oude met iets genoegen te kunnen doen, brachten ze het mee; de kamer leek wel een uitdragerij van mooie, kleurrijke dingen, die zoowat overal stonden in bonte verwarring; het liet haar koud; ze gaf er niet om; maar de minste kleinigheid, die ze kreeg van dat ééne kleinkind, een oud lintje, een prentje of iets anders zonder de minste waarde, behandelde ze of het een schat was; sloot ze zorgvuldig weg, netjes alles bij elkaar in een bundeltje in een lâ van haar eigen kast.Het schoot haar nu weêr te binnen, dat Lugtens het Clara zoo moeilijk maakte, en te gelijk dat zij zoo dikwijls het verlangen voelde om terug te gaan naar den kampong, waaruit ze afkomstig was.[28]„Waarom blijf ik hier,” zei ze als in zichzelf.„Waarom?” vroeg kleine Lena, die daar dadelijk antwoord op gaf, „wel omdat je hier woont net als wij.”Maarmama tjangschudde van neen.„Ik woon hier niet, kind; je vader woont hier en die is boos op me.”„Dat geloof ik ook,” zei Lena heel wijs, „maar waarom is hij boos opmama tjang?”De oude kon er geen antwoord op geven; ze wist het wel, maar ’t kind zou het toch niet begrijpen, dacht ze; wat mis was, want Lena dacht er het hare van en sloeg den spijker aardig raak; ze ging naar haar vader, die weêr in z’n kantoor aan ’t werk was. Toen hij even opkeek, vroeg ze met grooten nadruk:„Papa,waarombent u toch zoo boos opmama tjang?”Verwonderd richtte hij zich op. Niemand anders hier in huis dan dat kleine ding zou den moed hebben gehad; schoon hij dikwijls op het punt stond Lena af te snauwen, zoo barsch en uit de hoogte als hij gewoon was, kon hij er nooit toe komen. Daarbij had hij plezier in haar onbeschroomdheid, alsof het voor zijn aard een behoefte was althans op de een of andere wijze over zich den baas te laten spelen. Hij vond er iets grappigs in, dat die kleine blonde krullebol zoo niks bang voor hem was, hem zoo heel gewoon aandurfde.„Ik ben niet boos,” zei hij en wouweêraan ’t werk gaan; doch hij zou er zoo gemakkelijk niet afkomen. Ze kwam vlak naast hem staan, haar arm familiaar op z’n schouder.„U bent wèl boos, pa; u vindt het niet goed dat ze hier woont in de bijgebouwen.”„Och,” zei hij, de wenkbrauwen fronsend, „je moet niet lastig wezen.”Hij zei dat heel gemoedelijk voor zijn doen; net alsof hij sprak tot een volwassen mensch, erbij voegende:„Je weet wel dat papa niet houdt van inlandsche menschen.”„Ze kan het toch niet helpen, pa; ze is toch mama’s eigen moeder.”„Jawel, jawel,” knorde hij in ’t nauw gebracht, „maar ik houd er nu eenmaal niet van.”„Mama moet toch voor haar zorgen? U zoudt immers ook zorgen voor uw eigen moeder?”Lugtens lei zijn pennehouder neer op den grooten zilveren inktkoker, verschietend van kleur, de lippen vast op elkaar geklemd, rechtuit kijkend in de ruimte zonder te zien. Neen, hij had niet gezorgd voor z’n eigen moeder, die al jaren dood was, gestorven in de diepe armoede van den kleinen stand eener groote stad![29]Strijdend uit al zijn macht in de indische maatschappij om zijn positie te verbeteren en geld te winnen, was hij, in de dagen van zijn opkomst, los geweest van alles. Maar nu hij ouder was, zijn positie niet hooger kon komen en zijn gevestigd fortuin vanzelf toenam, had hij soms moeite, schoon hij daar nooit tegen iemand over sprak, opkomende gedachten te onderdrukken, gedachten, verbonden aan herinneringen en vol verwijt. Voor zijn zelfzucht, verhard in dertigjarigen arbeid en zorg voor allerlei belangen, viel het niet zwaar, zich wat hij muizenissen noemde, uit het hoofd te zetten, en dat deed hij dan ook telkens; doch hij schrikte ervan nu hij zijn groote tekortkoming zoo onverwacht hoorde formuleeren door het eenige van z’n eigen kinderen waaraan hij buitengewoon gehecht was. Hij keek de kleine Lena met wantrouwen aan, twijfelend of ze dit had uit haarzelve dan of het haar was ingeblazen, en wat een heele gewone omstandigheid was, deed hem nu bijzonder aan: zij had dezelfde oogen als zijn moeder; in een vlaag van bijgeloovigheid overviel hem het gevoel als keek zijn moeder, die al zoo lang dood was, hem aan door de oogen van het kind; zijn wantrouwen was dadelijk weg. Toch vroeg hij nog:„Heeft mama je soms gezegd zoo tegen me te spreken?”„Mama!” zei Lena heel verwonderd. „In het geheel niet; ik vroeg het zelf maar zoo.”Lugtens haalde diep adem.„Nu,” zei hij, „ga dan maar heen. Die oude vrouw kan wel blijven; papa zal er niet meer boos om zijn en nooit weêr iets van zeggen.”Het kind wipte met een sprongetje de deur uit, volstrekt niet doordrongen van het feit, dat ze iets heel bijzonders had verricht, enkel tevreden datmama tjangniet weg hoefde te gaan, en haar moeder, zooals zij het noemde, geen knorren meer zou krijgen. En ze riep dat hardop, zoodat Lugtens het nog heel goed hooren kon, tot grooten schrik en ontsteltenis van Clara, die haar haakwerk haast van haar schoot liet vallen en fluisterend zei:„Stil toch Lena; wat heb je nu weêr uitgevoerd?”„Nou,” antwoordde het kind even onbeschroomd als altijd, „ik heb aan papa gevraagd niet meer boos te zijn, omdat.…”Mevrouw Lugtens was haastig opgestaan.„Kom, ga mee naar degoedang,” zei ze snel, het kind in de rede vallend, „dan kan je wat padi halen voor deperkoetoets. Ze hebben nog niets gehad vandaag.”’t Was enkel om de kleine woordelijk te laten herhalen, wat zebranigeweest was tegen haar vader te zeggen.[30]
VIERDE HOOFDSTUK.Mama Tjang.
Geheel tegen de gewoonte was de verloving zonder feestelijkheden bekend gemaakt. Geber was naar z’n land teruggekeerd om alles in ’t reine te brengen; allen vonden dat de laatsterestjesvan die leelijkeperkaraeerst uit de wereld moesten zijn.En dan, er viel bij de Uhlstra’s dadelijk een geweldige drukte in. Het uitzet van Roos nam haar moeder, haar zelf en haar zusters heelemaal in beslag; er werd gecorrespondeerd met het buitenland, want er moest ook veel uit Parijs bij zijn; elken dag was het tokobezoek; buitengewone naaisters werden aangenomen, en de ruime achtergalerij leek soms zelf een toko, zóó stond het overal vol met witte en blauwe bordpapieren doozen, stapels tafelgoed en allerlei gekleurde en witte goederen, die men meende dat de aanstaande mevrouw Geber hoog noodig had om buiten te wonen, alleen met haar man. Te midden van die drukte, door Uhlstra van harte verwenscht, kwam een briefje, dat allen deed opschrikken en waarboven, dicht tegen elkaar, de zwartgelokte hoofden der dames zich belangstellend vereenigden.„Wat is het?” vroeg Uhlstra, die op het achtererf z’n planten had verzorgd en op zijn bloote voeten de marmeren galerij binnenkwam.„Kasian,” riep zijn vrouw, „het is een briefje van Clara; we moeten er dadelijk naar toe.”„Wat is er dannuweer?” was de tweede, niet zeer vriendelijke vraag.„Kasian, vent, de oude vrouw is zoo raar.”Hij bromde iets binnensmonds, haalde de schouders op en ging naar z’n kamer.„Je gaat toch zeker ook even kijken!” riep hem z’n vrouw achterna.„Merci!” riep hij terug. „Ik zal straks van jullie wel hooren of het de moeite waard is.”„Hé,” zei mevrouw Uhlstra tegen haar dochters, „met landauer, ja! en dan gauw een schoone kabaai aan.”[23]Zij reden het erf op van een huis, mooier en grooter nog dan het hunne, hoog uit den grond, sierlijk ingericht met europeesche heele en halve ameublementen, keurig onderhouden. Maar ze gingen niet het hoofdgebouw binnen, en reden ineens door naar achter, waar een niet meer jonge, maar slanke en knappe indische dame haar ontving, het bezoek blijkbaar verwachtend.Men kuste elkaar met groot betoon van hartelijkheid, een zweem van droefgeestigheid op de gezichten.„Hoe is het met haar?” vroeg mevrouw Uhlstra zacht, als moest er buiten gefluisterd worden om de rust eener doodzieke niet te storen.„Kom maar eens meê kijken; de dokter heeft gezegd, dat het wel gauw zal afloopen.”Fluisterend onder elkaâr, liepen ze voort door de lange galerij der bijgebouwen, en gingen eene kamer binnen, waaruit een sterke lucht kwam van indische oliën en medicijnen. De vensters waren gesloten en in ’t schemerdonker teekenden tegen den witten muur zich de vormen af van allerlei voorwerpen, indische en europeesche; een vreemde verzameling goedkoope inheemsche dingen van dagelijksch gebruik, van bamboe en rottan, waartusschen marmeren knaapjes, mooi vergulde vazen en andere artikelen van weelde wonderlijk afstaken. En achter in het fond van het ruime vertrek op een gewone baleh-baleh, die omringd was door een fraai kanten met rood lint opgenomenklamboe, lag op een mat een oude inlandsche vrouw,mama tjang. Mager en gerimpeld, doodstil en met gesloten oogen, de handen op de borst als een mummie, die daar eeuwen had gelegen en geheel was uitgedroogd. Toen zij de stemmen hoorde, gingen hare groote oogen wijd open en haar blik, helder en vast, gaf aan hetmasqueineens de geheele uitdrukking van leven terug. Mevrouw Uhlstra ging dadelijk naar haar toe en vroeg, zich neerlatend in een lederen armstoel naast het geïmproviseerde ledikant, in het maleisch met groote belangstelling naar de gezondheid vanmama tjang, die dadelijk bewees, dat zoo het haar aan goede oogen niet ontbrak, ook haar spraakvermogen haar niet in den steek had gelaten. Op een zachten jammertoon, snel pratend maar telkens afgebroken door diepe ademhalingen, als kostte het haar moeite en kon zij haast niet meer, beklaagde zij zich bitter. Men veronachtzaamde haar: niemand keek meer naar haar om; een arm oud mensch in den kampong had het beter dan zij; ze wou dat ze maar dood was; ze zou ook wel gauw dood gaan, dan was ze niemand meer te veel; dan had niemand meer last van haar; dan kon men haar begraven in de aarde; dan was men van haar af. Mevrouw Uhlstra[24]kende dat lied, zij wist hoe haar zuster Clara, ondanks de donderende protesten van Lugtens, haar man,mama tjangverzorgde en liet oppassen, doch zij sprak maar niet tegen, nu en dan, zachtjes en opbeurend, haar met een enkel woord in de rede vallend. Ook Roos en haar zusters waren bij het bed komen staan en spraken meê in dien trant, alles in het maleisch, de een door de ander, met tranen in de oogen over het lamenteeren der oude vrouw, wier slapen ze meteau de cologneverfrischten, terwijl twee baboe’s als steenen beelden op den grond zaten, zonder een vin te verroeren wanneer het haar niet werd gelast. Toen de dames na een half uur ongeveer weer buiten kwamen, bliezen ze van de benauwdheid in de ziekenkamer.„Ga even binnen,” zei mevrouw Lugtens, met haar waaier naar het hoofdgebouw wijzend, „Jacques is thuis.”Fatsoenshalve kon mevrouw Uhlstra niet nalaten haar zwager te gaan groeten; voor haar genoegen deed ze het niet; ze was veel liever naar huis gegaan; ze steeg, gevolgd door de meisjes, met loome schreden de hooge trap open volgde haar zuster, door de prachtige zaal, die het middengedeelte van het huis vormde, in een der kamers, waar Lugtens aan den glimmenden cylinderlessenaar zat te schrijven. Met iets in haar houding, dat deed denken aan een aanstellerig uiterlijk vertoon van beslistheid, trad zij binnen.„Zoo!” begroette Lugtens haar, stug en uit de hoogte. „Hoe gaat het?”„O, heel goed; we hebben het erg druk, nu Roos gaat trouwen.”„Wanneer moet dat gebeuren?”„Er is nog geen dag bepaald, maar toch binnen een week of zes.…”Hij keerde z’n gezicht naar Roos; haar en de meisjes had hij toen ze binnenkwamen met een rondgaanden hoofdknik begroet. Zijn „zoo” gold voor allen te gelijk.„Je doet daar een goed huwelijk, Roos!”Zijn scherpe grijze oogen keken vlak in de hare met iets in z’n trekken dat haar verlegen en zenuwachtig maakte, en dat het haar moeder ook altijd deed; maar evenals deze zette zij zich schrap, haar best doende zich tegenover oom Lugtens nietbingoengte toonen.„Vindt u?” vroeg ze glimlachend en vriendelijk.„Zeker, zeker.… het is een goed land, en Geber is een zeer geschikt man.”„Ja,” kwam mevrouw Uhlstra er met gedwongen vroolijkheid tusschen, „de heeren, die met elkaar homberen, houden elkaar altijd de hand boven ’t hoofd.”Haar opmerking kreeg geen ander antwoord dan een schuinen nijdigen blik, en Lugtens vervolgde, alsof ze niets gezegd had, tegen Roos:[25]„Je weet hoe het op het land gaat, en je kent de taal goed; dat zijn ook twee voorname dingen.”„Ja, oom.”Roos wist waarlijk niet wat ze er anders op moest zeggen; zij had haar aanstaand huwelijk nog niet hooren beschouwen dan qua zaak.„Nu,” zei mevrouwUhlstra. „We komen je maar even groeten, want we moeten weêr gauw naar huis.”„En ik heb ook de handen vol.Adieudus en groet je man van me.”Weêr knikte hij eens even in het rond, een algemeenen korten groet, en de dames gingen, mevrouw Uhlstra met een kort uitgestooten „Dag!” blij, dat ze het kantoor weêr uit was. Beneden aan de trap der achtergalerij lei ze haar eene hand op haar hart en sloeg haar groote zwarte oogen op naar boven, vol wanhopige ergernis, met de andere hand den pols vattend harer zuster, terwijl ze fluisterend zei als bang door anderen gehoord te worden:„Wat een nare vent is het toch, Claar! Hoe is het mogelijk, dat je met hem leven kunt? Ik hield het geen vierentwintig uur bij hem uit!”„En ik heb het al twaalf jaar bij hem uitgehouden,” zei haar zuster met een pijnlijken trek om den mond, „maar het is me nooit zoo moeilijk geweest als in den laatsten tijd, nu met die ziekte van de oude vrouw.”„Zanikt hij daar nog altijd over!”„O, Leen, houd-je stil; daar maakt hij me den heelen dag het leven zuur meê.”Mevrouw Uhlstra keek haar zuster met innig medelijden aan.„Ik ben er maar niet over begonnen; de mijne is er ook nooit over te spreken, maar zoo’n bullebak alsdieJacques.…”De meisjes hadden haar tante al goeden dag gezoend, en riepen uit den landauer haar moeder.„Nu,” zei deze, van mevrouw Lugtens afscheid nemende, „als er iets is, laat je me maar roepen, ja?”Lugtens was rustig voortgegaan met zijn correspondentie; regelmatig en netjes, zijn volle aandacht bij het werk, schreef hij met de blijvende barsche uitdrukking op z’n gezicht, het type van een kalm despoot. Zóó kende men hem overal in Indië. Hij stond al veel jaren aan het hoofd eener groote maatschappij, die hij zelf had georganiseerd; die hij bestuurde met ijzeren hand; in wier dienst zijn wil wet was, en die hij door zijn bekwaamheid, tact en toewijding tot grooten bloei had gebracht. Niemand hield van hem. In zijn breeden kop, als met korte, forsche houwen uit één stuk geslagen, lag de grootste onverzettelijkheid uitgedrukt, en schoon hij baard noch knevels droeg, altijd zorgvuldig[26]geschoren, was zijn gezicht met krachtige trekken langs den neus en om den mond, mannelijk en flink, als van een oud romeinsch imperator. Thuis te zijn of in dienst zijner maatschappij maakte voor hem weinig verschil; zijn vrouw, zijn kinderen of zijn ondergeschikten op het kantoor,—ze hadden allen maar één ding te doen:hemte gehoorzamen; en ze vreesden hem hier niet minder dan daar. Toen hij klaar was en zijn correspondentie gesloten had, ging hij naar achteren, rondziende als iemand, die inspectie houdt en zoekt naar een gelegenheid om aanmerkingen te maken. Maar Clara was in den dienst van haar huwelijk volkomen gedresseerd; nu, als altijd, was het stil in huis, stond alles op zijn plaats, netjes en tot in ’t overdrevene zindelijk.„Ze zijn daar straks zeker allen achter geweest,” zei hij tegen haar.„Ja, de oude vrouw is erg naar.”„Zoo, is ze alweêr erg naar? De gewone kunstjes natuurlijk! Je hebt me hier wat op m’n dak gehaald; ditmaal is het voor ’t laatst; zoo gauw ze beter is, is het uit.”Clara liet hem praten; in dat ééne opzicht weêrstond ze hem, en ofschoon er geen dag omging, zonder dat ze de onaangenaamste dingen daarover hooren moest, had ze toch volgehouden en was ze nu ook vast besloten voor de oude inlandsche moeder in haar eigen huis te blijven zorgen.Terwijl hij doorsprak op den nurkschen, bevelenden toon, met hatelijkheden en verwijten, reed een klein rijtuig door de poort het achtererf op; voor het nog heelemaal stilstond, sprongen er twee jongens en twee meisjes uit. Het waren de kinderen van Lugtens, die uit school kwamen en vroolijk, rumoerig en luidruchtig de trap opholden. ’t Was of ze verschrikten, toen ze zagen dat hun vader thuis was, zóó stil werden ze ineens, zóó rustig liepen ze, een bezorgden blik op de schoolboeken, die ze in de hand hielden en met de andere de petten rechtzettend en de haren gladstrijkend. Alleen het kleinste meisje ging gewoon door; het scheen niet in die mate den invloed te ondergaan, dien het gezicht van den vader op de anderen maakte, en zij was ook de eenige, die hij eigenlijk teruggroette, blijkbaar zijn best doende uit zijn brusken toon in een meer vriendelijken en zachtzinnigen te vallen.Er was toch niets bijzonders aan dit kind, blank en blond als de anderen, geheel het Lugtens-type, zonder eenigen schijn der inlandsche herkomst van moederszij.Wat mevrouw Uhlstra, tante Lena, niet had gedurfd, deed de kleine Lena dadelijk: ze vroeg naarmama tjang, en toen haar moeder, aarzelend en bevreesd voor nieuwe uitvallen van haar man, zei dat ze erg ziek was, weifelde het kind geen oogenblik, maar ging, zonder[27]zich om haar vader te bekreunen, met den vasten tred en de rechte houding, die Lugtens kenmerkten, naar achteren.De andere kinderen waren dadelijk in de kamers geslopen, liefst buiten een onmiddellijke, minder aangename nabijheid.Met de oogen wijd open en strak gericht op de deur lagmama tjangte wachten; zij had de kinderen hooren thuiskomen, in de verte, en toen er een naderde en de deur van haar kamer opendeed, wist ze wel dat het kleine Lena was. In haar oud, bruin perkamentachtig gezicht kwam leven en ontspanning; toen het kind op den rand van de baleh-baleh zat, nam ze het witte handje in haar bruine vingers. Zij mopperde nu niet, dat niemand naar haar omzag, en men haar verwaarloosde.In het maleisch, vlug babbelend met veel gebaren, vertelde het kind van haar school, van de andere meisjes, van de verhaaltjes uit haar leesboeken, al maar door pratend, wel een kwartier lang.Mama tjangzei nu en dan een woord ertusschen of deed een uitroep, maar ze keek maar altijd door naar het kindergezicht, het handje streelend, dat ze niet losliet, en strijkend over het blonde krullende haar. Niemand wist van deze gewone inlandsche vrouw, dat ze daar aan huis het genadebrood bleef eten, eenig en alleen om dat kleinkind. Voor haar zelf had ze veel liever een woninkje gehad in den kampong. Herinneringen had ze op haar ouden dag hoofdzakelijk nog alleen aan haar eerste jeugd, en daarmeê was de kampong één. Een groot verlangen voelde ze naar een stil, rustig erfje, waar de kippetjes rondpikten tusschen de pisang- en de mangaboomen, naar zoo’n bamboezen huisje in de schaduw, met een atappen dak en zoo maar neergezet op de bloote aarde. Zij had het kunnen krijgen, o zoo graag! Zij wist heel goed welk een bron van ongenoegen haar wonen was in het huis van Lugtens, en ze was daar erg boos om; op haar manier verontwaardigd; maar als ze dan dacht aan het ééne kleinkind, dat ze verlaten moest, dan was al het andere weg.Haar dochters verzorgden haar; als zij dachten de oude met iets genoegen te kunnen doen, brachten ze het mee; de kamer leek wel een uitdragerij van mooie, kleurrijke dingen, die zoowat overal stonden in bonte verwarring; het liet haar koud; ze gaf er niet om; maar de minste kleinigheid, die ze kreeg van dat ééne kleinkind, een oud lintje, een prentje of iets anders zonder de minste waarde, behandelde ze of het een schat was; sloot ze zorgvuldig weg, netjes alles bij elkaar in een bundeltje in een lâ van haar eigen kast.Het schoot haar nu weêr te binnen, dat Lugtens het Clara zoo moeilijk maakte, en te gelijk dat zij zoo dikwijls het verlangen voelde om terug te gaan naar den kampong, waaruit ze afkomstig was.[28]„Waarom blijf ik hier,” zei ze als in zichzelf.„Waarom?” vroeg kleine Lena, die daar dadelijk antwoord op gaf, „wel omdat je hier woont net als wij.”Maarmama tjangschudde van neen.„Ik woon hier niet, kind; je vader woont hier en die is boos op me.”„Dat geloof ik ook,” zei Lena heel wijs, „maar waarom is hij boos opmama tjang?”De oude kon er geen antwoord op geven; ze wist het wel, maar ’t kind zou het toch niet begrijpen, dacht ze; wat mis was, want Lena dacht er het hare van en sloeg den spijker aardig raak; ze ging naar haar vader, die weêr in z’n kantoor aan ’t werk was. Toen hij even opkeek, vroeg ze met grooten nadruk:„Papa,waarombent u toch zoo boos opmama tjang?”Verwonderd richtte hij zich op. Niemand anders hier in huis dan dat kleine ding zou den moed hebben gehad; schoon hij dikwijls op het punt stond Lena af te snauwen, zoo barsch en uit de hoogte als hij gewoon was, kon hij er nooit toe komen. Daarbij had hij plezier in haar onbeschroomdheid, alsof het voor zijn aard een behoefte was althans op de een of andere wijze over zich den baas te laten spelen. Hij vond er iets grappigs in, dat die kleine blonde krullebol zoo niks bang voor hem was, hem zoo heel gewoon aandurfde.„Ik ben niet boos,” zei hij en wouweêraan ’t werk gaan; doch hij zou er zoo gemakkelijk niet afkomen. Ze kwam vlak naast hem staan, haar arm familiaar op z’n schouder.„U bent wèl boos, pa; u vindt het niet goed dat ze hier woont in de bijgebouwen.”„Och,” zei hij, de wenkbrauwen fronsend, „je moet niet lastig wezen.”Hij zei dat heel gemoedelijk voor zijn doen; net alsof hij sprak tot een volwassen mensch, erbij voegende:„Je weet wel dat papa niet houdt van inlandsche menschen.”„Ze kan het toch niet helpen, pa; ze is toch mama’s eigen moeder.”„Jawel, jawel,” knorde hij in ’t nauw gebracht, „maar ik houd er nu eenmaal niet van.”„Mama moet toch voor haar zorgen? U zoudt immers ook zorgen voor uw eigen moeder?”Lugtens lei zijn pennehouder neer op den grooten zilveren inktkoker, verschietend van kleur, de lippen vast op elkaar geklemd, rechtuit kijkend in de ruimte zonder te zien. Neen, hij had niet gezorgd voor z’n eigen moeder, die al jaren dood was, gestorven in de diepe armoede van den kleinen stand eener groote stad![29]Strijdend uit al zijn macht in de indische maatschappij om zijn positie te verbeteren en geld te winnen, was hij, in de dagen van zijn opkomst, los geweest van alles. Maar nu hij ouder was, zijn positie niet hooger kon komen en zijn gevestigd fortuin vanzelf toenam, had hij soms moeite, schoon hij daar nooit tegen iemand over sprak, opkomende gedachten te onderdrukken, gedachten, verbonden aan herinneringen en vol verwijt. Voor zijn zelfzucht, verhard in dertigjarigen arbeid en zorg voor allerlei belangen, viel het niet zwaar, zich wat hij muizenissen noemde, uit het hoofd te zetten, en dat deed hij dan ook telkens; doch hij schrikte ervan nu hij zijn groote tekortkoming zoo onverwacht hoorde formuleeren door het eenige van z’n eigen kinderen waaraan hij buitengewoon gehecht was. Hij keek de kleine Lena met wantrouwen aan, twijfelend of ze dit had uit haarzelve dan of het haar was ingeblazen, en wat een heele gewone omstandigheid was, deed hem nu bijzonder aan: zij had dezelfde oogen als zijn moeder; in een vlaag van bijgeloovigheid overviel hem het gevoel als keek zijn moeder, die al zoo lang dood was, hem aan door de oogen van het kind; zijn wantrouwen was dadelijk weg. Toch vroeg hij nog:„Heeft mama je soms gezegd zoo tegen me te spreken?”„Mama!” zei Lena heel verwonderd. „In het geheel niet; ik vroeg het zelf maar zoo.”Lugtens haalde diep adem.„Nu,” zei hij, „ga dan maar heen. Die oude vrouw kan wel blijven; papa zal er niet meer boos om zijn en nooit weêr iets van zeggen.”Het kind wipte met een sprongetje de deur uit, volstrekt niet doordrongen van het feit, dat ze iets heel bijzonders had verricht, enkel tevreden datmama tjangniet weg hoefde te gaan, en haar moeder, zooals zij het noemde, geen knorren meer zou krijgen. En ze riep dat hardop, zoodat Lugtens het nog heel goed hooren kon, tot grooten schrik en ontsteltenis van Clara, die haar haakwerk haast van haar schoot liet vallen en fluisterend zei:„Stil toch Lena; wat heb je nu weêr uitgevoerd?”„Nou,” antwoordde het kind even onbeschroomd als altijd, „ik heb aan papa gevraagd niet meer boos te zijn, omdat.…”Mevrouw Lugtens was haastig opgestaan.„Kom, ga mee naar degoedang,” zei ze snel, het kind in de rede vallend, „dan kan je wat padi halen voor deperkoetoets. Ze hebben nog niets gehad vandaag.”’t Was enkel om de kleine woordelijk te laten herhalen, wat zebranigeweest was tegen haar vader te zeggen.[30]
Geheel tegen de gewoonte was de verloving zonder feestelijkheden bekend gemaakt. Geber was naar z’n land teruggekeerd om alles in ’t reine te brengen; allen vonden dat de laatsterestjesvan die leelijkeperkaraeerst uit de wereld moesten zijn.
En dan, er viel bij de Uhlstra’s dadelijk een geweldige drukte in. Het uitzet van Roos nam haar moeder, haar zelf en haar zusters heelemaal in beslag; er werd gecorrespondeerd met het buitenland, want er moest ook veel uit Parijs bij zijn; elken dag was het tokobezoek; buitengewone naaisters werden aangenomen, en de ruime achtergalerij leek soms zelf een toko, zóó stond het overal vol met witte en blauwe bordpapieren doozen, stapels tafelgoed en allerlei gekleurde en witte goederen, die men meende dat de aanstaande mevrouw Geber hoog noodig had om buiten te wonen, alleen met haar man. Te midden van die drukte, door Uhlstra van harte verwenscht, kwam een briefje, dat allen deed opschrikken en waarboven, dicht tegen elkaar, de zwartgelokte hoofden der dames zich belangstellend vereenigden.
„Wat is het?” vroeg Uhlstra, die op het achtererf z’n planten had verzorgd en op zijn bloote voeten de marmeren galerij binnenkwam.
„Kasian,” riep zijn vrouw, „het is een briefje van Clara; we moeten er dadelijk naar toe.”
„Wat is er dannuweer?” was de tweede, niet zeer vriendelijke vraag.
„Kasian, vent, de oude vrouw is zoo raar.”
Hij bromde iets binnensmonds, haalde de schouders op en ging naar z’n kamer.
„Je gaat toch zeker ook even kijken!” riep hem z’n vrouw achterna.
„Merci!” riep hij terug. „Ik zal straks van jullie wel hooren of het de moeite waard is.”
„Hé,” zei mevrouw Uhlstra tegen haar dochters, „met landauer, ja! en dan gauw een schoone kabaai aan.”[23]
Zij reden het erf op van een huis, mooier en grooter nog dan het hunne, hoog uit den grond, sierlijk ingericht met europeesche heele en halve ameublementen, keurig onderhouden. Maar ze gingen niet het hoofdgebouw binnen, en reden ineens door naar achter, waar een niet meer jonge, maar slanke en knappe indische dame haar ontving, het bezoek blijkbaar verwachtend.
Men kuste elkaar met groot betoon van hartelijkheid, een zweem van droefgeestigheid op de gezichten.
„Hoe is het met haar?” vroeg mevrouw Uhlstra zacht, als moest er buiten gefluisterd worden om de rust eener doodzieke niet te storen.
„Kom maar eens meê kijken; de dokter heeft gezegd, dat het wel gauw zal afloopen.”
Fluisterend onder elkaâr, liepen ze voort door de lange galerij der bijgebouwen, en gingen eene kamer binnen, waaruit een sterke lucht kwam van indische oliën en medicijnen. De vensters waren gesloten en in ’t schemerdonker teekenden tegen den witten muur zich de vormen af van allerlei voorwerpen, indische en europeesche; een vreemde verzameling goedkoope inheemsche dingen van dagelijksch gebruik, van bamboe en rottan, waartusschen marmeren knaapjes, mooi vergulde vazen en andere artikelen van weelde wonderlijk afstaken. En achter in het fond van het ruime vertrek op een gewone baleh-baleh, die omringd was door een fraai kanten met rood lint opgenomenklamboe, lag op een mat een oude inlandsche vrouw,mama tjang. Mager en gerimpeld, doodstil en met gesloten oogen, de handen op de borst als een mummie, die daar eeuwen had gelegen en geheel was uitgedroogd. Toen zij de stemmen hoorde, gingen hare groote oogen wijd open en haar blik, helder en vast, gaf aan hetmasqueineens de geheele uitdrukking van leven terug. Mevrouw Uhlstra ging dadelijk naar haar toe en vroeg, zich neerlatend in een lederen armstoel naast het geïmproviseerde ledikant, in het maleisch met groote belangstelling naar de gezondheid vanmama tjang, die dadelijk bewees, dat zoo het haar aan goede oogen niet ontbrak, ook haar spraakvermogen haar niet in den steek had gelaten. Op een zachten jammertoon, snel pratend maar telkens afgebroken door diepe ademhalingen, als kostte het haar moeite en kon zij haast niet meer, beklaagde zij zich bitter. Men veronachtzaamde haar: niemand keek meer naar haar om; een arm oud mensch in den kampong had het beter dan zij; ze wou dat ze maar dood was; ze zou ook wel gauw dood gaan, dan was ze niemand meer te veel; dan had niemand meer last van haar; dan kon men haar begraven in de aarde; dan was men van haar af. Mevrouw Uhlstra[24]kende dat lied, zij wist hoe haar zuster Clara, ondanks de donderende protesten van Lugtens, haar man,mama tjangverzorgde en liet oppassen, doch zij sprak maar niet tegen, nu en dan, zachtjes en opbeurend, haar met een enkel woord in de rede vallend. Ook Roos en haar zusters waren bij het bed komen staan en spraken meê in dien trant, alles in het maleisch, de een door de ander, met tranen in de oogen over het lamenteeren der oude vrouw, wier slapen ze meteau de cologneverfrischten, terwijl twee baboe’s als steenen beelden op den grond zaten, zonder een vin te verroeren wanneer het haar niet werd gelast. Toen de dames na een half uur ongeveer weer buiten kwamen, bliezen ze van de benauwdheid in de ziekenkamer.
„Ga even binnen,” zei mevrouw Lugtens, met haar waaier naar het hoofdgebouw wijzend, „Jacques is thuis.”
Fatsoenshalve kon mevrouw Uhlstra niet nalaten haar zwager te gaan groeten; voor haar genoegen deed ze het niet; ze was veel liever naar huis gegaan; ze steeg, gevolgd door de meisjes, met loome schreden de hooge trap open volgde haar zuster, door de prachtige zaal, die het middengedeelte van het huis vormde, in een der kamers, waar Lugtens aan den glimmenden cylinderlessenaar zat te schrijven. Met iets in haar houding, dat deed denken aan een aanstellerig uiterlijk vertoon van beslistheid, trad zij binnen.
„Zoo!” begroette Lugtens haar, stug en uit de hoogte. „Hoe gaat het?”
„O, heel goed; we hebben het erg druk, nu Roos gaat trouwen.”
„Wanneer moet dat gebeuren?”
„Er is nog geen dag bepaald, maar toch binnen een week of zes.…”
Hij keerde z’n gezicht naar Roos; haar en de meisjes had hij toen ze binnenkwamen met een rondgaanden hoofdknik begroet. Zijn „zoo” gold voor allen te gelijk.
„Je doet daar een goed huwelijk, Roos!”
Zijn scherpe grijze oogen keken vlak in de hare met iets in z’n trekken dat haar verlegen en zenuwachtig maakte, en dat het haar moeder ook altijd deed; maar evenals deze zette zij zich schrap, haar best doende zich tegenover oom Lugtens nietbingoengte toonen.
„Vindt u?” vroeg ze glimlachend en vriendelijk.
„Zeker, zeker.… het is een goed land, en Geber is een zeer geschikt man.”
„Ja,” kwam mevrouw Uhlstra er met gedwongen vroolijkheid tusschen, „de heeren, die met elkaar homberen, houden elkaar altijd de hand boven ’t hoofd.”
Haar opmerking kreeg geen ander antwoord dan een schuinen nijdigen blik, en Lugtens vervolgde, alsof ze niets gezegd had, tegen Roos:[25]
„Je weet hoe het op het land gaat, en je kent de taal goed; dat zijn ook twee voorname dingen.”
„Ja, oom.”
Roos wist waarlijk niet wat ze er anders op moest zeggen; zij had haar aanstaand huwelijk nog niet hooren beschouwen dan qua zaak.
„Nu,” zei mevrouwUhlstra. „We komen je maar even groeten, want we moeten weêr gauw naar huis.”
„En ik heb ook de handen vol.Adieudus en groet je man van me.”
Weêr knikte hij eens even in het rond, een algemeenen korten groet, en de dames gingen, mevrouw Uhlstra met een kort uitgestooten „Dag!” blij, dat ze het kantoor weêr uit was. Beneden aan de trap der achtergalerij lei ze haar eene hand op haar hart en sloeg haar groote zwarte oogen op naar boven, vol wanhopige ergernis, met de andere hand den pols vattend harer zuster, terwijl ze fluisterend zei als bang door anderen gehoord te worden:
„Wat een nare vent is het toch, Claar! Hoe is het mogelijk, dat je met hem leven kunt? Ik hield het geen vierentwintig uur bij hem uit!”
„En ik heb het al twaalf jaar bij hem uitgehouden,” zei haar zuster met een pijnlijken trek om den mond, „maar het is me nooit zoo moeilijk geweest als in den laatsten tijd, nu met die ziekte van de oude vrouw.”
„Zanikt hij daar nog altijd over!”
„O, Leen, houd-je stil; daar maakt hij me den heelen dag het leven zuur meê.”
Mevrouw Uhlstra keek haar zuster met innig medelijden aan.
„Ik ben er maar niet over begonnen; de mijne is er ook nooit over te spreken, maar zoo’n bullebak alsdieJacques.…”
De meisjes hadden haar tante al goeden dag gezoend, en riepen uit den landauer haar moeder.
„Nu,” zei deze, van mevrouw Lugtens afscheid nemende, „als er iets is, laat je me maar roepen, ja?”
Lugtens was rustig voortgegaan met zijn correspondentie; regelmatig en netjes, zijn volle aandacht bij het werk, schreef hij met de blijvende barsche uitdrukking op z’n gezicht, het type van een kalm despoot. Zóó kende men hem overal in Indië. Hij stond al veel jaren aan het hoofd eener groote maatschappij, die hij zelf had georganiseerd; die hij bestuurde met ijzeren hand; in wier dienst zijn wil wet was, en die hij door zijn bekwaamheid, tact en toewijding tot grooten bloei had gebracht. Niemand hield van hem. In zijn breeden kop, als met korte, forsche houwen uit één stuk geslagen, lag de grootste onverzettelijkheid uitgedrukt, en schoon hij baard noch knevels droeg, altijd zorgvuldig[26]geschoren, was zijn gezicht met krachtige trekken langs den neus en om den mond, mannelijk en flink, als van een oud romeinsch imperator. Thuis te zijn of in dienst zijner maatschappij maakte voor hem weinig verschil; zijn vrouw, zijn kinderen of zijn ondergeschikten op het kantoor,—ze hadden allen maar één ding te doen:hemte gehoorzamen; en ze vreesden hem hier niet minder dan daar. Toen hij klaar was en zijn correspondentie gesloten had, ging hij naar achteren, rondziende als iemand, die inspectie houdt en zoekt naar een gelegenheid om aanmerkingen te maken. Maar Clara was in den dienst van haar huwelijk volkomen gedresseerd; nu, als altijd, was het stil in huis, stond alles op zijn plaats, netjes en tot in ’t overdrevene zindelijk.
„Ze zijn daar straks zeker allen achter geweest,” zei hij tegen haar.
„Ja, de oude vrouw is erg naar.”
„Zoo, is ze alweêr erg naar? De gewone kunstjes natuurlijk! Je hebt me hier wat op m’n dak gehaald; ditmaal is het voor ’t laatst; zoo gauw ze beter is, is het uit.”
Clara liet hem praten; in dat ééne opzicht weêrstond ze hem, en ofschoon er geen dag omging, zonder dat ze de onaangenaamste dingen daarover hooren moest, had ze toch volgehouden en was ze nu ook vast besloten voor de oude inlandsche moeder in haar eigen huis te blijven zorgen.
Terwijl hij doorsprak op den nurkschen, bevelenden toon, met hatelijkheden en verwijten, reed een klein rijtuig door de poort het achtererf op; voor het nog heelemaal stilstond, sprongen er twee jongens en twee meisjes uit. Het waren de kinderen van Lugtens, die uit school kwamen en vroolijk, rumoerig en luidruchtig de trap opholden. ’t Was of ze verschrikten, toen ze zagen dat hun vader thuis was, zóó stil werden ze ineens, zóó rustig liepen ze, een bezorgden blik op de schoolboeken, die ze in de hand hielden en met de andere de petten rechtzettend en de haren gladstrijkend. Alleen het kleinste meisje ging gewoon door; het scheen niet in die mate den invloed te ondergaan, dien het gezicht van den vader op de anderen maakte, en zij was ook de eenige, die hij eigenlijk teruggroette, blijkbaar zijn best doende uit zijn brusken toon in een meer vriendelijken en zachtzinnigen te vallen.
Er was toch niets bijzonders aan dit kind, blank en blond als de anderen, geheel het Lugtens-type, zonder eenigen schijn der inlandsche herkomst van moederszij.
Wat mevrouw Uhlstra, tante Lena, niet had gedurfd, deed de kleine Lena dadelijk: ze vroeg naarmama tjang, en toen haar moeder, aarzelend en bevreesd voor nieuwe uitvallen van haar man, zei dat ze erg ziek was, weifelde het kind geen oogenblik, maar ging, zonder[27]zich om haar vader te bekreunen, met den vasten tred en de rechte houding, die Lugtens kenmerkten, naar achteren.
De andere kinderen waren dadelijk in de kamers geslopen, liefst buiten een onmiddellijke, minder aangename nabijheid.
Met de oogen wijd open en strak gericht op de deur lagmama tjangte wachten; zij had de kinderen hooren thuiskomen, in de verte, en toen er een naderde en de deur van haar kamer opendeed, wist ze wel dat het kleine Lena was. In haar oud, bruin perkamentachtig gezicht kwam leven en ontspanning; toen het kind op den rand van de baleh-baleh zat, nam ze het witte handje in haar bruine vingers. Zij mopperde nu niet, dat niemand naar haar omzag, en men haar verwaarloosde.
In het maleisch, vlug babbelend met veel gebaren, vertelde het kind van haar school, van de andere meisjes, van de verhaaltjes uit haar leesboeken, al maar door pratend, wel een kwartier lang.Mama tjangzei nu en dan een woord ertusschen of deed een uitroep, maar ze keek maar altijd door naar het kindergezicht, het handje streelend, dat ze niet losliet, en strijkend over het blonde krullende haar. Niemand wist van deze gewone inlandsche vrouw, dat ze daar aan huis het genadebrood bleef eten, eenig en alleen om dat kleinkind. Voor haar zelf had ze veel liever een woninkje gehad in den kampong. Herinneringen had ze op haar ouden dag hoofdzakelijk nog alleen aan haar eerste jeugd, en daarmeê was de kampong één. Een groot verlangen voelde ze naar een stil, rustig erfje, waar de kippetjes rondpikten tusschen de pisang- en de mangaboomen, naar zoo’n bamboezen huisje in de schaduw, met een atappen dak en zoo maar neergezet op de bloote aarde. Zij had het kunnen krijgen, o zoo graag! Zij wist heel goed welk een bron van ongenoegen haar wonen was in het huis van Lugtens, en ze was daar erg boos om; op haar manier verontwaardigd; maar als ze dan dacht aan het ééne kleinkind, dat ze verlaten moest, dan was al het andere weg.
Haar dochters verzorgden haar; als zij dachten de oude met iets genoegen te kunnen doen, brachten ze het mee; de kamer leek wel een uitdragerij van mooie, kleurrijke dingen, die zoowat overal stonden in bonte verwarring; het liet haar koud; ze gaf er niet om; maar de minste kleinigheid, die ze kreeg van dat ééne kleinkind, een oud lintje, een prentje of iets anders zonder de minste waarde, behandelde ze of het een schat was; sloot ze zorgvuldig weg, netjes alles bij elkaar in een bundeltje in een lâ van haar eigen kast.
Het schoot haar nu weêr te binnen, dat Lugtens het Clara zoo moeilijk maakte, en te gelijk dat zij zoo dikwijls het verlangen voelde om terug te gaan naar den kampong, waaruit ze afkomstig was.[28]
„Waarom blijf ik hier,” zei ze als in zichzelf.
„Waarom?” vroeg kleine Lena, die daar dadelijk antwoord op gaf, „wel omdat je hier woont net als wij.”
Maarmama tjangschudde van neen.
„Ik woon hier niet, kind; je vader woont hier en die is boos op me.”
„Dat geloof ik ook,” zei Lena heel wijs, „maar waarom is hij boos opmama tjang?”
De oude kon er geen antwoord op geven; ze wist het wel, maar ’t kind zou het toch niet begrijpen, dacht ze; wat mis was, want Lena dacht er het hare van en sloeg den spijker aardig raak; ze ging naar haar vader, die weêr in z’n kantoor aan ’t werk was. Toen hij even opkeek, vroeg ze met grooten nadruk:
„Papa,waarombent u toch zoo boos opmama tjang?”
Verwonderd richtte hij zich op. Niemand anders hier in huis dan dat kleine ding zou den moed hebben gehad; schoon hij dikwijls op het punt stond Lena af te snauwen, zoo barsch en uit de hoogte als hij gewoon was, kon hij er nooit toe komen. Daarbij had hij plezier in haar onbeschroomdheid, alsof het voor zijn aard een behoefte was althans op de een of andere wijze over zich den baas te laten spelen. Hij vond er iets grappigs in, dat die kleine blonde krullebol zoo niks bang voor hem was, hem zoo heel gewoon aandurfde.
„Ik ben niet boos,” zei hij en wouweêraan ’t werk gaan; doch hij zou er zoo gemakkelijk niet afkomen. Ze kwam vlak naast hem staan, haar arm familiaar op z’n schouder.
„U bent wèl boos, pa; u vindt het niet goed dat ze hier woont in de bijgebouwen.”
„Och,” zei hij, de wenkbrauwen fronsend, „je moet niet lastig wezen.”
Hij zei dat heel gemoedelijk voor zijn doen; net alsof hij sprak tot een volwassen mensch, erbij voegende:
„Je weet wel dat papa niet houdt van inlandsche menschen.”
„Ze kan het toch niet helpen, pa; ze is toch mama’s eigen moeder.”
„Jawel, jawel,” knorde hij in ’t nauw gebracht, „maar ik houd er nu eenmaal niet van.”
„Mama moet toch voor haar zorgen? U zoudt immers ook zorgen voor uw eigen moeder?”
Lugtens lei zijn pennehouder neer op den grooten zilveren inktkoker, verschietend van kleur, de lippen vast op elkaar geklemd, rechtuit kijkend in de ruimte zonder te zien. Neen, hij had niet gezorgd voor z’n eigen moeder, die al jaren dood was, gestorven in de diepe armoede van den kleinen stand eener groote stad![29]
Strijdend uit al zijn macht in de indische maatschappij om zijn positie te verbeteren en geld te winnen, was hij, in de dagen van zijn opkomst, los geweest van alles. Maar nu hij ouder was, zijn positie niet hooger kon komen en zijn gevestigd fortuin vanzelf toenam, had hij soms moeite, schoon hij daar nooit tegen iemand over sprak, opkomende gedachten te onderdrukken, gedachten, verbonden aan herinneringen en vol verwijt. Voor zijn zelfzucht, verhard in dertigjarigen arbeid en zorg voor allerlei belangen, viel het niet zwaar, zich wat hij muizenissen noemde, uit het hoofd te zetten, en dat deed hij dan ook telkens; doch hij schrikte ervan nu hij zijn groote tekortkoming zoo onverwacht hoorde formuleeren door het eenige van z’n eigen kinderen waaraan hij buitengewoon gehecht was. Hij keek de kleine Lena met wantrouwen aan, twijfelend of ze dit had uit haarzelve dan of het haar was ingeblazen, en wat een heele gewone omstandigheid was, deed hem nu bijzonder aan: zij had dezelfde oogen als zijn moeder; in een vlaag van bijgeloovigheid overviel hem het gevoel als keek zijn moeder, die al zoo lang dood was, hem aan door de oogen van het kind; zijn wantrouwen was dadelijk weg. Toch vroeg hij nog:
„Heeft mama je soms gezegd zoo tegen me te spreken?”
„Mama!” zei Lena heel verwonderd. „In het geheel niet; ik vroeg het zelf maar zoo.”
Lugtens haalde diep adem.
„Nu,” zei hij, „ga dan maar heen. Die oude vrouw kan wel blijven; papa zal er niet meer boos om zijn en nooit weêr iets van zeggen.”
Het kind wipte met een sprongetje de deur uit, volstrekt niet doordrongen van het feit, dat ze iets heel bijzonders had verricht, enkel tevreden datmama tjangniet weg hoefde te gaan, en haar moeder, zooals zij het noemde, geen knorren meer zou krijgen. En ze riep dat hardop, zoodat Lugtens het nog heel goed hooren kon, tot grooten schrik en ontsteltenis van Clara, die haar haakwerk haast van haar schoot liet vallen en fluisterend zei:
„Stil toch Lena; wat heb je nu weêr uitgevoerd?”
„Nou,” antwoordde het kind even onbeschroomd als altijd, „ik heb aan papa gevraagd niet meer boos te zijn, omdat.…”
Mevrouw Lugtens was haastig opgestaan.
„Kom, ga mee naar degoedang,” zei ze snel, het kind in de rede vallend, „dan kan je wat padi halen voor deperkoetoets. Ze hebben nog niets gehad vandaag.”
’t Was enkel om de kleine woordelijk te laten herhalen, wat zebranigeweest was tegen haar vader te zeggen.[30]