[Inhoud]ZESTIENDE HOOFDSTUK.Geber en Clara.Een maand of wat later hield men bij de Uhlstra’s grooten familieraad.Het leed geen twijfel, daarover waren zij het eens, of Geber „had iets.” De zaken gingen prachtig. De winsten van de kongsi waren[100]fabelachtig. De prijzen der bij contract opgekochte specerijoogsten waren aanzienlijk gestegen op de europeesche markt, terwijl de oogsten in Indië meevielen; daarentegen daalden in Indië de prijzen der producten die zij tot hooge vaste cijfers moesten leveren aan het Gouvernement; de beslissing in Holland was gevallen ten gunste van den spoorweg door hun bosschen. Het was een goudregen van alle kanten, en het droppelde royaal bij Markens, wien men zooveel verschuldigd was en nog altijd hoopte meer verschuldigd te zullen worden.„Het beste is,” zei Lugtens, die mee in den familieraad zat, „dat jullie voor een maand of wat naar boven gaat.”„Ik heb ’t hem al zoo dikwijls gezegd,” verzekerde Uhlstra, „maar hij wil niet. Hij heeft het te volhandig, zeit-ie, met de zaken.”„Het is waar; hij heeft hard gewerkt; nu is echter het ergste achter den rug.”„Maar ik kan niet meêgaan,” verzekerde Roos; zij wasalweêreen paar maanden in defamily-way, en haar moeder, denkend dat ze daarop doelde, zei:„Nu nog wel.”„Dat niet, ma, maar ik kan heusch niet van het land af; als Willem er niet is, loopt de boel in het honderd.”„Maar Henri kan je toch helpen.”De jonge Uhlstra, erbij zittend, keek zijn vader eens aan, die in zijn korten grauwen baard de harde stoppels heen enweêrwreef. Hij had gedaan wat hij kon; elken dag was hij gedurende Geber’s afwezigheid van Tji-Ori naar Koeningan gekomen om den boel daar na te gaan; maar altijd was alles al gedaan door Roos, die, dat wist hij wel, van alles verstand had en wier lust en leven het was, baasje te spelen op een land.Een paar maal had Henri zijn oudste zuster gewezen op wat hij meende, dat anders moest zijn, maar zij was niet te spreken op dit punt, en ze kregen er geweldige ruzie om, net als ze vroeger dikwijls samen hadden, thuis bij de oude lui; de gebruikelijke onlusten tusschen een oudste zuster en een oudsten broer, zonder verdere gevolgen of afbreuk aan de genegenheid.„Ieder heeft zoo zijn eigen inzichten,” was het advies van Uhlstra, „Roos heeft de hare.”„Het zijn niet de mijne, pa; het zijn de inzichten van mijn man.”Daaraan zou ze nooit hebben te kort gedaan. Zij had daar haar algemeen geldige indische begrippen over; de man was detoekang, de baas; in zaken stond hij als onbeperkt gebieder aan het hoofd, en zooals hij het wilde en zei zou het ook gebeuren. Overigens was zij[101]de meesteres, en haarbroermoest zich maar liever met niets bemoeien; dat was veel beter!„Wat Geber aangaat,” zei Lugtens op een toon van gezag, die Roos hinderde, „ik zal hem wel aan het verstand brengen, dat hij gaan moet.”En mevrouw Uhlstra, aan Roos ziende dat zij op het punt stond iets onaangenaams daarop te zeggen, coupeerde het.„Wel zeker,” zei ze, „het is in het belang van zijn huisgezin ook. Als hij nu spoedig naar Europa moet, wat dan?Nah!” vroeg ze typisch indo-europeesch en een leelijk gezicht er bij trekkend, „nah, Roos, wat dan?”Dat was werkelijk een teer punt, en Roos zweeg. Neen, naar Europa wilde ze niet; liever alles dan dat.„Het is toch beter, dat hij iemand bij zich heeft,” meende Lugtens.Allen zwegen er op. Zij beaamden het geheel. In zijn toestand van zenuwachtige overspanning was het, ofschoon hij niet bedlegerig was en directe hulp behoefde, bepaald noodzakelijk, dat iemand meêging om hem gezelschap te houden.„Het is,” ging Lugtens voort, „juist tegen den vacantietijd. Mijn kinderen konden wel eens ’n kouden neus gaan halen in het gebergte.”„Woudt-u,” vroeg Roos verwonderd, „aan Geber de kinderen meegeven.”„Je houdt me, hoop ik, niet voor gek,” riposteerde hij ruw.„Maar wat dan?”„Wel je tante, natuurlijk!Diegaat met de kinderen.”Haar lippen trokken in haar mond en haar toch reeds groote oogen werden grooter, een oogenblik had ze willen zeggen, dat zoo iets onmogelijk was.Maar dat kon niet! En wat deed het er ook eigenlijk toe! Zij geloofde volstrekt niet dat Willem nog knoeide met tante Clara, maar al deed hij het.… van alles van dien aard was het immers nog ’t minst erge!’s Avonds toen Roosweêrop Koeningan zat bij Geber, wiens gezicht en lichaam erg waren vermagerd, wiens oogen glinsterden, maar die, oogenblikken van distractie daar gelaten, zeer opgeruimd was, kwam er een brief van Lugtens, een zeer uitvoerige, net geschreven brief.Hij keek een oogenblik droomerig in de vlam der lamp; toen gleed de oude spotlach over zijn gezicht.„Het schijnt dat jullie me met geweld haar boven wilt hebben.”„Voor je gezondheid,” antwoordde Roos, doorkijkend op de roodzijden beurs, die ze haakte, tegen haar vaders verjaardag, het vaste cadeau elk jaar.„Lugtens wil me zijn familie meegeven.”„Dat zei oom van ochtend.”[102]Geber begreep nu, dat het afgesproken werk was, en ’t hinderde hem; met de ellebogen op de tafel, de kin in de handholten, keek hij naar zijn vrouw tegenover hem. Van ’t gebogen hoofd zag hij enkel den overvloed grof blauwzwart haar, met glinsterplekken in het licht, en hier en daar korte opgekrulde haartjes, afgebroken bij het opmaken; er omheen ringde een stuk van het dik gezicht, met een opgewipt neusstompje erin en randen van uitstaande ooren; en daaronder, helder wit, dekabajagespannen over de dikke vleeschmassa van haar schouders, met de huidskleur er doorheen schijnend, het onderlijfje zich wit afteekenend. Was het inderdaad waar, dat ze had toegestemd? Kon het haar nu heelemaal niks schelen, dat hij ergens in het binnenland met Clara ging logeeren? Hij wist wel, dat hij niet van haar hield, niet opdiemanier.Maar als zij in vroeger jaren in nauwe betrekking had gestaan tot een anderen man en hij wist dat, zooals zij het wist van hem tot Clara, en als dan voorgesteld werd haar nu met dien man voor ’n maandje naar boven te sturen.… Neen, hij was erg vrij van veroordeelen en allerlei malligheid, maar dáár zou hij toch van z’n leven geen toestemming toe hebben gegeven.En zij werkte stilletjes door aan de roode beurs, kalm en gemoedelijk, zonder op te zien, priegelend en draaiend met de haakpen; mazen vormend door het gedurig halen van den draad door andere mazen.„Als je het niet goedvindt,” zei hij eindelijk,.… „het kan mij niet schelen. Ik blijf liever hier!”Dat deed hij ook. Hij zag er tegen op; hij wist wat er het gevolg van wezen zou, en dat mocht op zichzelf aangenaam zijn,—hij had er toch altijd het land aan gehad. Zoolang de gelegenheid maar ontbrak, was het niets. Doch het scheen wel dat een vreemde samenloop van omstandigheden hem en Clara altijdweêrtot gelegenheden bracht.„Je moet het maar doen,” zei Roos; „het is voor je gezondheid, zooals ik zeg. Anders moeten we misschien naar Europa.”Hij wist wat dat beteekende in haar mond. En hijzelf kon ook niet weg voor zoo langen tijd.„Gekheid! Lugtens schrijft daar ook al over. Het is om iemand ziek te maken.”„Ze zeggen het allemaal, en het is waar: je ziet er slecht uit.”’t Had hem zenuwachtig gemaakt en hij spotlachte niet meer; dat deed hij in den laatsten tijd ook maar zelden. Zij keek nu op.Kasian! dacht ze. Neen ze vond het niet goed! Zij had ook geen groot hart voor hem, maar als hij nu ronduit had gezegd, dat hij nietwildegaan met de andere, dan had zij het beursje op tafel gegooid,[103]en, met hartzeer over het huishouden en het land, toch dankbaar gezegd, dat ze meêging, morgen aan den dag.Geber voor zich had dat ook pleizierig gevonden, als zij had gezegd, dat zij liever met hem meêging, dan dat hij met de andere elders alleen was.Hij zou dienzelfden avond nog Lugtens hebben geschreven, dat hij in zijn omstandigheden liever van de drukte van kindergezelschap wenschte verschoond te zijn, dat hij alleen ging met Roos.Kasian! dacht ze, zoo zwak zag hij er uit.En: „Ga gerust,” voegde zij er nu bij. „Ik hoop, dat het je goed mag doen.”Bij zichzelven haar verwenschend, stond hij op, liep naar zijn kantoor en ging zitten aan den lessenaar.Zoo’n onverschillig stuk …! Daar was waarachtig nietsmeête beginnen! Alles stuitte af op zoo’n gemoedelijkheid, zoo’n effen, onbewogen donker gezicht als van ’n Boedhabeeld! Roos boog het hoofd weêr over haar werk en haakte voort; maar haar mond trok beverig met kleine trekjes in de hoeken, de haakpen was ’n oogenblik in de war, en het werd rood in haar oogen. ’t Zou, meende ze, alles vooraf wel zoo bekonkeld zijn; het was van de andere een lage streek!Toen Geber en Clara in den familiereiswagen met zes paarden naar boven reden, de wagen vol van hun tweeën, de kinderen en allerlei goed, voorop beladen en achter met vastgesjorde koffers,—toen dachten ze alle twee net als Roos had gedacht; Clara zag in dien zonderlingen tocht, waartoe Lugtens haar letterlijk had gecommandeerd, de uitvoering van een door Geber overlegd plan; hij zag er het resultaat in van welberekende vrouwen list.Zij hielden zich goed de eerste dagen in het logement; Geber onderging een aangenamen invloed van klimaats-wisseling; hij sliep rustig, en dat kalmeerde hem.Clara, heel gewoon, vriendelijk in haar manier van doen, vertrouwelijk, zonder de minste terughouding, maar ook zonder eenige provocatie, verwonderde hem. Maar hij vond het heerlijk, dat ze zoo was! en hij kon haar nakijken, als zij zich bezighield met de kinderen, goed gekleed, met taille in haar figuur, vlug als een jong meisje, zonder dat hij iets er bij dacht, den blik latende gaan voor ’t louter genoegen van te zien, zooals men kijkt naar een bloemperk en over de zee, zonder te vragen wat nu eigenlijk te bewonderen valt en wat niet.Vanzelf kwam op eens het verlangen, stil dringend, bij hem op, zonder dat hij poogde het weg te denken.[104]De kinderen waren naar een bron gaan baden met de bedienden; zij beiden liepen na het ontbijt langzaam het logementsgebouw uit naar de voorgalerij. Al pratend tegen haar, ging hij zijn kamer in, en al antwoordend volgde zij hem.Nu had hij er niet zoo het land over als vroeger; slechts voelde hij dezelfde mismoedigheid, ontevredenheid over zichzelven, bezorgdheid voor een onbestemde toekomst,—hij wist niet hoe het te noemen of wat het meestweêrover hem kwam.
[Inhoud]ZESTIENDE HOOFDSTUK.Geber en Clara.Een maand of wat later hield men bij de Uhlstra’s grooten familieraad.Het leed geen twijfel, daarover waren zij het eens, of Geber „had iets.” De zaken gingen prachtig. De winsten van de kongsi waren[100]fabelachtig. De prijzen der bij contract opgekochte specerijoogsten waren aanzienlijk gestegen op de europeesche markt, terwijl de oogsten in Indië meevielen; daarentegen daalden in Indië de prijzen der producten die zij tot hooge vaste cijfers moesten leveren aan het Gouvernement; de beslissing in Holland was gevallen ten gunste van den spoorweg door hun bosschen. Het was een goudregen van alle kanten, en het droppelde royaal bij Markens, wien men zooveel verschuldigd was en nog altijd hoopte meer verschuldigd te zullen worden.„Het beste is,” zei Lugtens, die mee in den familieraad zat, „dat jullie voor een maand of wat naar boven gaat.”„Ik heb ’t hem al zoo dikwijls gezegd,” verzekerde Uhlstra, „maar hij wil niet. Hij heeft het te volhandig, zeit-ie, met de zaken.”„Het is waar; hij heeft hard gewerkt; nu is echter het ergste achter den rug.”„Maar ik kan niet meêgaan,” verzekerde Roos; zij wasalweêreen paar maanden in defamily-way, en haar moeder, denkend dat ze daarop doelde, zei:„Nu nog wel.”„Dat niet, ma, maar ik kan heusch niet van het land af; als Willem er niet is, loopt de boel in het honderd.”„Maar Henri kan je toch helpen.”De jonge Uhlstra, erbij zittend, keek zijn vader eens aan, die in zijn korten grauwen baard de harde stoppels heen enweêrwreef. Hij had gedaan wat hij kon; elken dag was hij gedurende Geber’s afwezigheid van Tji-Ori naar Koeningan gekomen om den boel daar na te gaan; maar altijd was alles al gedaan door Roos, die, dat wist hij wel, van alles verstand had en wier lust en leven het was, baasje te spelen op een land.Een paar maal had Henri zijn oudste zuster gewezen op wat hij meende, dat anders moest zijn, maar zij was niet te spreken op dit punt, en ze kregen er geweldige ruzie om, net als ze vroeger dikwijls samen hadden, thuis bij de oude lui; de gebruikelijke onlusten tusschen een oudste zuster en een oudsten broer, zonder verdere gevolgen of afbreuk aan de genegenheid.„Ieder heeft zoo zijn eigen inzichten,” was het advies van Uhlstra, „Roos heeft de hare.”„Het zijn niet de mijne, pa; het zijn de inzichten van mijn man.”Daaraan zou ze nooit hebben te kort gedaan. Zij had daar haar algemeen geldige indische begrippen over; de man was detoekang, de baas; in zaken stond hij als onbeperkt gebieder aan het hoofd, en zooals hij het wilde en zei zou het ook gebeuren. Overigens was zij[101]de meesteres, en haarbroermoest zich maar liever met niets bemoeien; dat was veel beter!„Wat Geber aangaat,” zei Lugtens op een toon van gezag, die Roos hinderde, „ik zal hem wel aan het verstand brengen, dat hij gaan moet.”En mevrouw Uhlstra, aan Roos ziende dat zij op het punt stond iets onaangenaams daarop te zeggen, coupeerde het.„Wel zeker,” zei ze, „het is in het belang van zijn huisgezin ook. Als hij nu spoedig naar Europa moet, wat dan?Nah!” vroeg ze typisch indo-europeesch en een leelijk gezicht er bij trekkend, „nah, Roos, wat dan?”Dat was werkelijk een teer punt, en Roos zweeg. Neen, naar Europa wilde ze niet; liever alles dan dat.„Het is toch beter, dat hij iemand bij zich heeft,” meende Lugtens.Allen zwegen er op. Zij beaamden het geheel. In zijn toestand van zenuwachtige overspanning was het, ofschoon hij niet bedlegerig was en directe hulp behoefde, bepaald noodzakelijk, dat iemand meêging om hem gezelschap te houden.„Het is,” ging Lugtens voort, „juist tegen den vacantietijd. Mijn kinderen konden wel eens ’n kouden neus gaan halen in het gebergte.”„Woudt-u,” vroeg Roos verwonderd, „aan Geber de kinderen meegeven.”„Je houdt me, hoop ik, niet voor gek,” riposteerde hij ruw.„Maar wat dan?”„Wel je tante, natuurlijk!Diegaat met de kinderen.”Haar lippen trokken in haar mond en haar toch reeds groote oogen werden grooter, een oogenblik had ze willen zeggen, dat zoo iets onmogelijk was.Maar dat kon niet! En wat deed het er ook eigenlijk toe! Zij geloofde volstrekt niet dat Willem nog knoeide met tante Clara, maar al deed hij het.… van alles van dien aard was het immers nog ’t minst erge!’s Avonds toen Roosweêrop Koeningan zat bij Geber, wiens gezicht en lichaam erg waren vermagerd, wiens oogen glinsterden, maar die, oogenblikken van distractie daar gelaten, zeer opgeruimd was, kwam er een brief van Lugtens, een zeer uitvoerige, net geschreven brief.Hij keek een oogenblik droomerig in de vlam der lamp; toen gleed de oude spotlach over zijn gezicht.„Het schijnt dat jullie me met geweld haar boven wilt hebben.”„Voor je gezondheid,” antwoordde Roos, doorkijkend op de roodzijden beurs, die ze haakte, tegen haar vaders verjaardag, het vaste cadeau elk jaar.„Lugtens wil me zijn familie meegeven.”„Dat zei oom van ochtend.”[102]Geber begreep nu, dat het afgesproken werk was, en ’t hinderde hem; met de ellebogen op de tafel, de kin in de handholten, keek hij naar zijn vrouw tegenover hem. Van ’t gebogen hoofd zag hij enkel den overvloed grof blauwzwart haar, met glinsterplekken in het licht, en hier en daar korte opgekrulde haartjes, afgebroken bij het opmaken; er omheen ringde een stuk van het dik gezicht, met een opgewipt neusstompje erin en randen van uitstaande ooren; en daaronder, helder wit, dekabajagespannen over de dikke vleeschmassa van haar schouders, met de huidskleur er doorheen schijnend, het onderlijfje zich wit afteekenend. Was het inderdaad waar, dat ze had toegestemd? Kon het haar nu heelemaal niks schelen, dat hij ergens in het binnenland met Clara ging logeeren? Hij wist wel, dat hij niet van haar hield, niet opdiemanier.Maar als zij in vroeger jaren in nauwe betrekking had gestaan tot een anderen man en hij wist dat, zooals zij het wist van hem tot Clara, en als dan voorgesteld werd haar nu met dien man voor ’n maandje naar boven te sturen.… Neen, hij was erg vrij van veroordeelen en allerlei malligheid, maar dáár zou hij toch van z’n leven geen toestemming toe hebben gegeven.En zij werkte stilletjes door aan de roode beurs, kalm en gemoedelijk, zonder op te zien, priegelend en draaiend met de haakpen; mazen vormend door het gedurig halen van den draad door andere mazen.„Als je het niet goedvindt,” zei hij eindelijk,.… „het kan mij niet schelen. Ik blijf liever hier!”Dat deed hij ook. Hij zag er tegen op; hij wist wat er het gevolg van wezen zou, en dat mocht op zichzelf aangenaam zijn,—hij had er toch altijd het land aan gehad. Zoolang de gelegenheid maar ontbrak, was het niets. Doch het scheen wel dat een vreemde samenloop van omstandigheden hem en Clara altijdweêrtot gelegenheden bracht.„Je moet het maar doen,” zei Roos; „het is voor je gezondheid, zooals ik zeg. Anders moeten we misschien naar Europa.”Hij wist wat dat beteekende in haar mond. En hijzelf kon ook niet weg voor zoo langen tijd.„Gekheid! Lugtens schrijft daar ook al over. Het is om iemand ziek te maken.”„Ze zeggen het allemaal, en het is waar: je ziet er slecht uit.”’t Had hem zenuwachtig gemaakt en hij spotlachte niet meer; dat deed hij in den laatsten tijd ook maar zelden. Zij keek nu op.Kasian! dacht ze. Neen ze vond het niet goed! Zij had ook geen groot hart voor hem, maar als hij nu ronduit had gezegd, dat hij nietwildegaan met de andere, dan had zij het beursje op tafel gegooid,[103]en, met hartzeer over het huishouden en het land, toch dankbaar gezegd, dat ze meêging, morgen aan den dag.Geber voor zich had dat ook pleizierig gevonden, als zij had gezegd, dat zij liever met hem meêging, dan dat hij met de andere elders alleen was.Hij zou dienzelfden avond nog Lugtens hebben geschreven, dat hij in zijn omstandigheden liever van de drukte van kindergezelschap wenschte verschoond te zijn, dat hij alleen ging met Roos.Kasian! dacht ze, zoo zwak zag hij er uit.En: „Ga gerust,” voegde zij er nu bij. „Ik hoop, dat het je goed mag doen.”Bij zichzelven haar verwenschend, stond hij op, liep naar zijn kantoor en ging zitten aan den lessenaar.Zoo’n onverschillig stuk …! Daar was waarachtig nietsmeête beginnen! Alles stuitte af op zoo’n gemoedelijkheid, zoo’n effen, onbewogen donker gezicht als van ’n Boedhabeeld! Roos boog het hoofd weêr over haar werk en haakte voort; maar haar mond trok beverig met kleine trekjes in de hoeken, de haakpen was ’n oogenblik in de war, en het werd rood in haar oogen. ’t Zou, meende ze, alles vooraf wel zoo bekonkeld zijn; het was van de andere een lage streek!Toen Geber en Clara in den familiereiswagen met zes paarden naar boven reden, de wagen vol van hun tweeën, de kinderen en allerlei goed, voorop beladen en achter met vastgesjorde koffers,—toen dachten ze alle twee net als Roos had gedacht; Clara zag in dien zonderlingen tocht, waartoe Lugtens haar letterlijk had gecommandeerd, de uitvoering van een door Geber overlegd plan; hij zag er het resultaat in van welberekende vrouwen list.Zij hielden zich goed de eerste dagen in het logement; Geber onderging een aangenamen invloed van klimaats-wisseling; hij sliep rustig, en dat kalmeerde hem.Clara, heel gewoon, vriendelijk in haar manier van doen, vertrouwelijk, zonder de minste terughouding, maar ook zonder eenige provocatie, verwonderde hem. Maar hij vond het heerlijk, dat ze zoo was! en hij kon haar nakijken, als zij zich bezighield met de kinderen, goed gekleed, met taille in haar figuur, vlug als een jong meisje, zonder dat hij iets er bij dacht, den blik latende gaan voor ’t louter genoegen van te zien, zooals men kijkt naar een bloemperk en over de zee, zonder te vragen wat nu eigenlijk te bewonderen valt en wat niet.Vanzelf kwam op eens het verlangen, stil dringend, bij hem op, zonder dat hij poogde het weg te denken.[104]De kinderen waren naar een bron gaan baden met de bedienden; zij beiden liepen na het ontbijt langzaam het logementsgebouw uit naar de voorgalerij. Al pratend tegen haar, ging hij zijn kamer in, en al antwoordend volgde zij hem.Nu had hij er niet zoo het land over als vroeger; slechts voelde hij dezelfde mismoedigheid, ontevredenheid over zichzelven, bezorgdheid voor een onbestemde toekomst,—hij wist niet hoe het te noemen of wat het meestweêrover hem kwam.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.Geber en Clara.
Een maand of wat later hield men bij de Uhlstra’s grooten familieraad.Het leed geen twijfel, daarover waren zij het eens, of Geber „had iets.” De zaken gingen prachtig. De winsten van de kongsi waren[100]fabelachtig. De prijzen der bij contract opgekochte specerijoogsten waren aanzienlijk gestegen op de europeesche markt, terwijl de oogsten in Indië meevielen; daarentegen daalden in Indië de prijzen der producten die zij tot hooge vaste cijfers moesten leveren aan het Gouvernement; de beslissing in Holland was gevallen ten gunste van den spoorweg door hun bosschen. Het was een goudregen van alle kanten, en het droppelde royaal bij Markens, wien men zooveel verschuldigd was en nog altijd hoopte meer verschuldigd te zullen worden.„Het beste is,” zei Lugtens, die mee in den familieraad zat, „dat jullie voor een maand of wat naar boven gaat.”„Ik heb ’t hem al zoo dikwijls gezegd,” verzekerde Uhlstra, „maar hij wil niet. Hij heeft het te volhandig, zeit-ie, met de zaken.”„Het is waar; hij heeft hard gewerkt; nu is echter het ergste achter den rug.”„Maar ik kan niet meêgaan,” verzekerde Roos; zij wasalweêreen paar maanden in defamily-way, en haar moeder, denkend dat ze daarop doelde, zei:„Nu nog wel.”„Dat niet, ma, maar ik kan heusch niet van het land af; als Willem er niet is, loopt de boel in het honderd.”„Maar Henri kan je toch helpen.”De jonge Uhlstra, erbij zittend, keek zijn vader eens aan, die in zijn korten grauwen baard de harde stoppels heen enweêrwreef. Hij had gedaan wat hij kon; elken dag was hij gedurende Geber’s afwezigheid van Tji-Ori naar Koeningan gekomen om den boel daar na te gaan; maar altijd was alles al gedaan door Roos, die, dat wist hij wel, van alles verstand had en wier lust en leven het was, baasje te spelen op een land.Een paar maal had Henri zijn oudste zuster gewezen op wat hij meende, dat anders moest zijn, maar zij was niet te spreken op dit punt, en ze kregen er geweldige ruzie om, net als ze vroeger dikwijls samen hadden, thuis bij de oude lui; de gebruikelijke onlusten tusschen een oudste zuster en een oudsten broer, zonder verdere gevolgen of afbreuk aan de genegenheid.„Ieder heeft zoo zijn eigen inzichten,” was het advies van Uhlstra, „Roos heeft de hare.”„Het zijn niet de mijne, pa; het zijn de inzichten van mijn man.”Daaraan zou ze nooit hebben te kort gedaan. Zij had daar haar algemeen geldige indische begrippen over; de man was detoekang, de baas; in zaken stond hij als onbeperkt gebieder aan het hoofd, en zooals hij het wilde en zei zou het ook gebeuren. Overigens was zij[101]de meesteres, en haarbroermoest zich maar liever met niets bemoeien; dat was veel beter!„Wat Geber aangaat,” zei Lugtens op een toon van gezag, die Roos hinderde, „ik zal hem wel aan het verstand brengen, dat hij gaan moet.”En mevrouw Uhlstra, aan Roos ziende dat zij op het punt stond iets onaangenaams daarop te zeggen, coupeerde het.„Wel zeker,” zei ze, „het is in het belang van zijn huisgezin ook. Als hij nu spoedig naar Europa moet, wat dan?Nah!” vroeg ze typisch indo-europeesch en een leelijk gezicht er bij trekkend, „nah, Roos, wat dan?”Dat was werkelijk een teer punt, en Roos zweeg. Neen, naar Europa wilde ze niet; liever alles dan dat.„Het is toch beter, dat hij iemand bij zich heeft,” meende Lugtens.Allen zwegen er op. Zij beaamden het geheel. In zijn toestand van zenuwachtige overspanning was het, ofschoon hij niet bedlegerig was en directe hulp behoefde, bepaald noodzakelijk, dat iemand meêging om hem gezelschap te houden.„Het is,” ging Lugtens voort, „juist tegen den vacantietijd. Mijn kinderen konden wel eens ’n kouden neus gaan halen in het gebergte.”„Woudt-u,” vroeg Roos verwonderd, „aan Geber de kinderen meegeven.”„Je houdt me, hoop ik, niet voor gek,” riposteerde hij ruw.„Maar wat dan?”„Wel je tante, natuurlijk!Diegaat met de kinderen.”Haar lippen trokken in haar mond en haar toch reeds groote oogen werden grooter, een oogenblik had ze willen zeggen, dat zoo iets onmogelijk was.Maar dat kon niet! En wat deed het er ook eigenlijk toe! Zij geloofde volstrekt niet dat Willem nog knoeide met tante Clara, maar al deed hij het.… van alles van dien aard was het immers nog ’t minst erge!’s Avonds toen Roosweêrop Koeningan zat bij Geber, wiens gezicht en lichaam erg waren vermagerd, wiens oogen glinsterden, maar die, oogenblikken van distractie daar gelaten, zeer opgeruimd was, kwam er een brief van Lugtens, een zeer uitvoerige, net geschreven brief.Hij keek een oogenblik droomerig in de vlam der lamp; toen gleed de oude spotlach over zijn gezicht.„Het schijnt dat jullie me met geweld haar boven wilt hebben.”„Voor je gezondheid,” antwoordde Roos, doorkijkend op de roodzijden beurs, die ze haakte, tegen haar vaders verjaardag, het vaste cadeau elk jaar.„Lugtens wil me zijn familie meegeven.”„Dat zei oom van ochtend.”[102]Geber begreep nu, dat het afgesproken werk was, en ’t hinderde hem; met de ellebogen op de tafel, de kin in de handholten, keek hij naar zijn vrouw tegenover hem. Van ’t gebogen hoofd zag hij enkel den overvloed grof blauwzwart haar, met glinsterplekken in het licht, en hier en daar korte opgekrulde haartjes, afgebroken bij het opmaken; er omheen ringde een stuk van het dik gezicht, met een opgewipt neusstompje erin en randen van uitstaande ooren; en daaronder, helder wit, dekabajagespannen over de dikke vleeschmassa van haar schouders, met de huidskleur er doorheen schijnend, het onderlijfje zich wit afteekenend. Was het inderdaad waar, dat ze had toegestemd? Kon het haar nu heelemaal niks schelen, dat hij ergens in het binnenland met Clara ging logeeren? Hij wist wel, dat hij niet van haar hield, niet opdiemanier.Maar als zij in vroeger jaren in nauwe betrekking had gestaan tot een anderen man en hij wist dat, zooals zij het wist van hem tot Clara, en als dan voorgesteld werd haar nu met dien man voor ’n maandje naar boven te sturen.… Neen, hij was erg vrij van veroordeelen en allerlei malligheid, maar dáár zou hij toch van z’n leven geen toestemming toe hebben gegeven.En zij werkte stilletjes door aan de roode beurs, kalm en gemoedelijk, zonder op te zien, priegelend en draaiend met de haakpen; mazen vormend door het gedurig halen van den draad door andere mazen.„Als je het niet goedvindt,” zei hij eindelijk,.… „het kan mij niet schelen. Ik blijf liever hier!”Dat deed hij ook. Hij zag er tegen op; hij wist wat er het gevolg van wezen zou, en dat mocht op zichzelf aangenaam zijn,—hij had er toch altijd het land aan gehad. Zoolang de gelegenheid maar ontbrak, was het niets. Doch het scheen wel dat een vreemde samenloop van omstandigheden hem en Clara altijdweêrtot gelegenheden bracht.„Je moet het maar doen,” zei Roos; „het is voor je gezondheid, zooals ik zeg. Anders moeten we misschien naar Europa.”Hij wist wat dat beteekende in haar mond. En hijzelf kon ook niet weg voor zoo langen tijd.„Gekheid! Lugtens schrijft daar ook al over. Het is om iemand ziek te maken.”„Ze zeggen het allemaal, en het is waar: je ziet er slecht uit.”’t Had hem zenuwachtig gemaakt en hij spotlachte niet meer; dat deed hij in den laatsten tijd ook maar zelden. Zij keek nu op.Kasian! dacht ze. Neen ze vond het niet goed! Zij had ook geen groot hart voor hem, maar als hij nu ronduit had gezegd, dat hij nietwildegaan met de andere, dan had zij het beursje op tafel gegooid,[103]en, met hartzeer over het huishouden en het land, toch dankbaar gezegd, dat ze meêging, morgen aan den dag.Geber voor zich had dat ook pleizierig gevonden, als zij had gezegd, dat zij liever met hem meêging, dan dat hij met de andere elders alleen was.Hij zou dienzelfden avond nog Lugtens hebben geschreven, dat hij in zijn omstandigheden liever van de drukte van kindergezelschap wenschte verschoond te zijn, dat hij alleen ging met Roos.Kasian! dacht ze, zoo zwak zag hij er uit.En: „Ga gerust,” voegde zij er nu bij. „Ik hoop, dat het je goed mag doen.”Bij zichzelven haar verwenschend, stond hij op, liep naar zijn kantoor en ging zitten aan den lessenaar.Zoo’n onverschillig stuk …! Daar was waarachtig nietsmeête beginnen! Alles stuitte af op zoo’n gemoedelijkheid, zoo’n effen, onbewogen donker gezicht als van ’n Boedhabeeld! Roos boog het hoofd weêr over haar werk en haakte voort; maar haar mond trok beverig met kleine trekjes in de hoeken, de haakpen was ’n oogenblik in de war, en het werd rood in haar oogen. ’t Zou, meende ze, alles vooraf wel zoo bekonkeld zijn; het was van de andere een lage streek!Toen Geber en Clara in den familiereiswagen met zes paarden naar boven reden, de wagen vol van hun tweeën, de kinderen en allerlei goed, voorop beladen en achter met vastgesjorde koffers,—toen dachten ze alle twee net als Roos had gedacht; Clara zag in dien zonderlingen tocht, waartoe Lugtens haar letterlijk had gecommandeerd, de uitvoering van een door Geber overlegd plan; hij zag er het resultaat in van welberekende vrouwen list.Zij hielden zich goed de eerste dagen in het logement; Geber onderging een aangenamen invloed van klimaats-wisseling; hij sliep rustig, en dat kalmeerde hem.Clara, heel gewoon, vriendelijk in haar manier van doen, vertrouwelijk, zonder de minste terughouding, maar ook zonder eenige provocatie, verwonderde hem. Maar hij vond het heerlijk, dat ze zoo was! en hij kon haar nakijken, als zij zich bezighield met de kinderen, goed gekleed, met taille in haar figuur, vlug als een jong meisje, zonder dat hij iets er bij dacht, den blik latende gaan voor ’t louter genoegen van te zien, zooals men kijkt naar een bloemperk en over de zee, zonder te vragen wat nu eigenlijk te bewonderen valt en wat niet.Vanzelf kwam op eens het verlangen, stil dringend, bij hem op, zonder dat hij poogde het weg te denken.[104]De kinderen waren naar een bron gaan baden met de bedienden; zij beiden liepen na het ontbijt langzaam het logementsgebouw uit naar de voorgalerij. Al pratend tegen haar, ging hij zijn kamer in, en al antwoordend volgde zij hem.Nu had hij er niet zoo het land over als vroeger; slechts voelde hij dezelfde mismoedigheid, ontevredenheid over zichzelven, bezorgdheid voor een onbestemde toekomst,—hij wist niet hoe het te noemen of wat het meestweêrover hem kwam.
Een maand of wat later hield men bij de Uhlstra’s grooten familieraad.
Het leed geen twijfel, daarover waren zij het eens, of Geber „had iets.” De zaken gingen prachtig. De winsten van de kongsi waren[100]fabelachtig. De prijzen der bij contract opgekochte specerijoogsten waren aanzienlijk gestegen op de europeesche markt, terwijl de oogsten in Indië meevielen; daarentegen daalden in Indië de prijzen der producten die zij tot hooge vaste cijfers moesten leveren aan het Gouvernement; de beslissing in Holland was gevallen ten gunste van den spoorweg door hun bosschen. Het was een goudregen van alle kanten, en het droppelde royaal bij Markens, wien men zooveel verschuldigd was en nog altijd hoopte meer verschuldigd te zullen worden.
„Het beste is,” zei Lugtens, die mee in den familieraad zat, „dat jullie voor een maand of wat naar boven gaat.”
„Ik heb ’t hem al zoo dikwijls gezegd,” verzekerde Uhlstra, „maar hij wil niet. Hij heeft het te volhandig, zeit-ie, met de zaken.”
„Het is waar; hij heeft hard gewerkt; nu is echter het ergste achter den rug.”
„Maar ik kan niet meêgaan,” verzekerde Roos; zij wasalweêreen paar maanden in defamily-way, en haar moeder, denkend dat ze daarop doelde, zei:
„Nu nog wel.”
„Dat niet, ma, maar ik kan heusch niet van het land af; als Willem er niet is, loopt de boel in het honderd.”
„Maar Henri kan je toch helpen.”
De jonge Uhlstra, erbij zittend, keek zijn vader eens aan, die in zijn korten grauwen baard de harde stoppels heen enweêrwreef. Hij had gedaan wat hij kon; elken dag was hij gedurende Geber’s afwezigheid van Tji-Ori naar Koeningan gekomen om den boel daar na te gaan; maar altijd was alles al gedaan door Roos, die, dat wist hij wel, van alles verstand had en wier lust en leven het was, baasje te spelen op een land.
Een paar maal had Henri zijn oudste zuster gewezen op wat hij meende, dat anders moest zijn, maar zij was niet te spreken op dit punt, en ze kregen er geweldige ruzie om, net als ze vroeger dikwijls samen hadden, thuis bij de oude lui; de gebruikelijke onlusten tusschen een oudste zuster en een oudsten broer, zonder verdere gevolgen of afbreuk aan de genegenheid.
„Ieder heeft zoo zijn eigen inzichten,” was het advies van Uhlstra, „Roos heeft de hare.”
„Het zijn niet de mijne, pa; het zijn de inzichten van mijn man.”
Daaraan zou ze nooit hebben te kort gedaan. Zij had daar haar algemeen geldige indische begrippen over; de man was detoekang, de baas; in zaken stond hij als onbeperkt gebieder aan het hoofd, en zooals hij het wilde en zei zou het ook gebeuren. Overigens was zij[101]de meesteres, en haarbroermoest zich maar liever met niets bemoeien; dat was veel beter!
„Wat Geber aangaat,” zei Lugtens op een toon van gezag, die Roos hinderde, „ik zal hem wel aan het verstand brengen, dat hij gaan moet.”
En mevrouw Uhlstra, aan Roos ziende dat zij op het punt stond iets onaangenaams daarop te zeggen, coupeerde het.
„Wel zeker,” zei ze, „het is in het belang van zijn huisgezin ook. Als hij nu spoedig naar Europa moet, wat dan?Nah!” vroeg ze typisch indo-europeesch en een leelijk gezicht er bij trekkend, „nah, Roos, wat dan?”
Dat was werkelijk een teer punt, en Roos zweeg. Neen, naar Europa wilde ze niet; liever alles dan dat.
„Het is toch beter, dat hij iemand bij zich heeft,” meende Lugtens.
Allen zwegen er op. Zij beaamden het geheel. In zijn toestand van zenuwachtige overspanning was het, ofschoon hij niet bedlegerig was en directe hulp behoefde, bepaald noodzakelijk, dat iemand meêging om hem gezelschap te houden.
„Het is,” ging Lugtens voort, „juist tegen den vacantietijd. Mijn kinderen konden wel eens ’n kouden neus gaan halen in het gebergte.”
„Woudt-u,” vroeg Roos verwonderd, „aan Geber de kinderen meegeven.”
„Je houdt me, hoop ik, niet voor gek,” riposteerde hij ruw.
„Maar wat dan?”
„Wel je tante, natuurlijk!Diegaat met de kinderen.”
Haar lippen trokken in haar mond en haar toch reeds groote oogen werden grooter, een oogenblik had ze willen zeggen, dat zoo iets onmogelijk was.
Maar dat kon niet! En wat deed het er ook eigenlijk toe! Zij geloofde volstrekt niet dat Willem nog knoeide met tante Clara, maar al deed hij het.… van alles van dien aard was het immers nog ’t minst erge!
’s Avonds toen Roosweêrop Koeningan zat bij Geber, wiens gezicht en lichaam erg waren vermagerd, wiens oogen glinsterden, maar die, oogenblikken van distractie daar gelaten, zeer opgeruimd was, kwam er een brief van Lugtens, een zeer uitvoerige, net geschreven brief.
Hij keek een oogenblik droomerig in de vlam der lamp; toen gleed de oude spotlach over zijn gezicht.
„Het schijnt dat jullie me met geweld haar boven wilt hebben.”
„Voor je gezondheid,” antwoordde Roos, doorkijkend op de roodzijden beurs, die ze haakte, tegen haar vaders verjaardag, het vaste cadeau elk jaar.
„Lugtens wil me zijn familie meegeven.”
„Dat zei oom van ochtend.”[102]
Geber begreep nu, dat het afgesproken werk was, en ’t hinderde hem; met de ellebogen op de tafel, de kin in de handholten, keek hij naar zijn vrouw tegenover hem. Van ’t gebogen hoofd zag hij enkel den overvloed grof blauwzwart haar, met glinsterplekken in het licht, en hier en daar korte opgekrulde haartjes, afgebroken bij het opmaken; er omheen ringde een stuk van het dik gezicht, met een opgewipt neusstompje erin en randen van uitstaande ooren; en daaronder, helder wit, dekabajagespannen over de dikke vleeschmassa van haar schouders, met de huidskleur er doorheen schijnend, het onderlijfje zich wit afteekenend. Was het inderdaad waar, dat ze had toegestemd? Kon het haar nu heelemaal niks schelen, dat hij ergens in het binnenland met Clara ging logeeren? Hij wist wel, dat hij niet van haar hield, niet opdiemanier.
Maar als zij in vroeger jaren in nauwe betrekking had gestaan tot een anderen man en hij wist dat, zooals zij het wist van hem tot Clara, en als dan voorgesteld werd haar nu met dien man voor ’n maandje naar boven te sturen.… Neen, hij was erg vrij van veroordeelen en allerlei malligheid, maar dáár zou hij toch van z’n leven geen toestemming toe hebben gegeven.
En zij werkte stilletjes door aan de roode beurs, kalm en gemoedelijk, zonder op te zien, priegelend en draaiend met de haakpen; mazen vormend door het gedurig halen van den draad door andere mazen.
„Als je het niet goedvindt,” zei hij eindelijk,.… „het kan mij niet schelen. Ik blijf liever hier!”
Dat deed hij ook. Hij zag er tegen op; hij wist wat er het gevolg van wezen zou, en dat mocht op zichzelf aangenaam zijn,—hij had er toch altijd het land aan gehad. Zoolang de gelegenheid maar ontbrak, was het niets. Doch het scheen wel dat een vreemde samenloop van omstandigheden hem en Clara altijdweêrtot gelegenheden bracht.
„Je moet het maar doen,” zei Roos; „het is voor je gezondheid, zooals ik zeg. Anders moeten we misschien naar Europa.”
Hij wist wat dat beteekende in haar mond. En hijzelf kon ook niet weg voor zoo langen tijd.
„Gekheid! Lugtens schrijft daar ook al over. Het is om iemand ziek te maken.”
„Ze zeggen het allemaal, en het is waar: je ziet er slecht uit.”
’t Had hem zenuwachtig gemaakt en hij spotlachte niet meer; dat deed hij in den laatsten tijd ook maar zelden. Zij keek nu op.
Kasian! dacht ze. Neen ze vond het niet goed! Zij had ook geen groot hart voor hem, maar als hij nu ronduit had gezegd, dat hij nietwildegaan met de andere, dan had zij het beursje op tafel gegooid,[103]en, met hartzeer over het huishouden en het land, toch dankbaar gezegd, dat ze meêging, morgen aan den dag.
Geber voor zich had dat ook pleizierig gevonden, als zij had gezegd, dat zij liever met hem meêging, dan dat hij met de andere elders alleen was.
Hij zou dienzelfden avond nog Lugtens hebben geschreven, dat hij in zijn omstandigheden liever van de drukte van kindergezelschap wenschte verschoond te zijn, dat hij alleen ging met Roos.
Kasian! dacht ze, zoo zwak zag hij er uit.
En: „Ga gerust,” voegde zij er nu bij. „Ik hoop, dat het je goed mag doen.”
Bij zichzelven haar verwenschend, stond hij op, liep naar zijn kantoor en ging zitten aan den lessenaar.
Zoo’n onverschillig stuk …! Daar was waarachtig nietsmeête beginnen! Alles stuitte af op zoo’n gemoedelijkheid, zoo’n effen, onbewogen donker gezicht als van ’n Boedhabeeld! Roos boog het hoofd weêr over haar werk en haakte voort; maar haar mond trok beverig met kleine trekjes in de hoeken, de haakpen was ’n oogenblik in de war, en het werd rood in haar oogen. ’t Zou, meende ze, alles vooraf wel zoo bekonkeld zijn; het was van de andere een lage streek!
Toen Geber en Clara in den familiereiswagen met zes paarden naar boven reden, de wagen vol van hun tweeën, de kinderen en allerlei goed, voorop beladen en achter met vastgesjorde koffers,—toen dachten ze alle twee net als Roos had gedacht; Clara zag in dien zonderlingen tocht, waartoe Lugtens haar letterlijk had gecommandeerd, de uitvoering van een door Geber overlegd plan; hij zag er het resultaat in van welberekende vrouwen list.
Zij hielden zich goed de eerste dagen in het logement; Geber onderging een aangenamen invloed van klimaats-wisseling; hij sliep rustig, en dat kalmeerde hem.
Clara, heel gewoon, vriendelijk in haar manier van doen, vertrouwelijk, zonder de minste terughouding, maar ook zonder eenige provocatie, verwonderde hem. Maar hij vond het heerlijk, dat ze zoo was! en hij kon haar nakijken, als zij zich bezighield met de kinderen, goed gekleed, met taille in haar figuur, vlug als een jong meisje, zonder dat hij iets er bij dacht, den blik latende gaan voor ’t louter genoegen van te zien, zooals men kijkt naar een bloemperk en over de zee, zonder te vragen wat nu eigenlijk te bewonderen valt en wat niet.
Vanzelf kwam op eens het verlangen, stil dringend, bij hem op, zonder dat hij poogde het weg te denken.[104]
De kinderen waren naar een bron gaan baden met de bedienden; zij beiden liepen na het ontbijt langzaam het logementsgebouw uit naar de voorgalerij. Al pratend tegen haar, ging hij zijn kamer in, en al antwoordend volgde zij hem.
Nu had hij er niet zoo het land over als vroeger; slechts voelde hij dezelfde mismoedigheid, ontevredenheid over zichzelven, bezorgdheid voor een onbestemde toekomst,—hij wist niet hoe het te noemen of wat het meestweêrover hem kwam.